Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0196(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0043/2019

Ingediende teksten :

A8-0043/2019

Debatten :

PV 13/02/2019 - 6
CRE 13/02/2019 - 6

Stemmingen :

PV 13/02/2019 - 8.14
CRE 13/02/2019 - 8.14
Stemverklaringen
PV 27/03/2019 - 18.11

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0096
P8_TA(2019)0310

Aangenomen teksten
PDF 1202kWORD 607k
Woensdag 27 maart 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen ***I
P8_TA(2019)0310A8-0043/2019
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa (COM(2018)0375 – C8-0230/2018 – 2018/0196(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0375),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 177, artikel 322, lid 1, onder a), en artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0230/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 5 december 2018(2),

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 25 oktober 2018(3),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling, het advies van de Begrotingscommissie, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie begrotingscontrole, de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0043/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(4);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 83.
(2) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 41.
(3) PB C 17 van 14.1.2019, blz. 1.
(4) Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 13 februari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0096).


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa [Am. 1]
P8_TC1-COD(2018)0196

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 117, artikel 322, lid 1, onder a), en artikel 349,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Gezien het advies van de Rekenkamer(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de Unie zich met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ten doel stelt de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden te verkleinen, met bijzondere aandacht voor plattelandsgebieden, regio's die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen. Deze regio's profiteren in het bijzonder van het cohesiebeleid. Ingevolge artikel 175 VWEU moet de Unie de verwezenlijking van deze doelstellingen ondersteunen door haar optreden via het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, de Europese Investeringsbank en andere instrumenten. Artikel 322 VWEU voorziet in de grondslag voor de vaststelling van financiële regels betreffende de wijze waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd en waarop de rekeningen worden ingediend en nagezien alsook van regels betreffende de controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. [Am. 2]

(1 bis)  Voor de toekomst van de Europese Unie en haar burgers is het belangrijk dat het cohesiebeleid het belangrijkste investeringsbeleid van de Unie blijft, waarbij de financiering in de periode 2021-2027 ten minste op het niveau van de programmeringsperiode 2014-2020 wordt gehouden. Nieuwe financiering voor andere activiteitsgebieden of programma's van de Unie mag niet ten koste gaan van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus of het Cohesiefonds. [Am. 3]

(2)  Met het oog op een verdere ontwikkeling van de coördinatie en harmonisatie van de uitvoering van de EU-Fondsen onder gedeeld beheer, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, maatregelen gefinancierd onder gedeeld beheer in het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") moeten financiële regels op basis van artikel 322 VWEU worden vastgesteld voor al deze Fondsen ("de Fondsen"), waarbij het toepassingsgebied van de verschillende bepalingen duidelijk wordt gespecificeerd. Voorts moeten gemeenschappelijke bepalingen op basis van artikel 177 VWEU worden vastgesteld met het oog op beleidsspecifieke regels voor het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV en tot op zekere hoogte ook het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo). [Am. 430]

(3)  Wegens de specifieke kenmerken van elk Fonds moeten specifieke regels die gelden voor elk Fonds en voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) in het kader van het EFRO worden vastgelegd in afzonderlijke verordeningen ("fondsspecifieke verordeningen") om de bepalingen van deze verordening aan te vullen.

(4)  De ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's moeten in aanmerking komen voor specifieke maatregelen en extra financiering overeenkomstig artikel 349 van het VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 om de specifieke nadelen als gevolg van hun geografische ligging te helpen compenseren. [Am. 5]

(5)  Horizontale beginselen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ("VEU") en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen subsidiariteit en evenredigheid als bedoeld in artikel 5 van het VEU moeten worden nageleefd bij de uitvoering van de Fondsen, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. In dat verband moeten de Fondsen worden uitgevoerd op een manier die de-institutionalisering en door de gemeenschap gedragen zorg bevordert. Lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en het genderperspectief te integreren, alsmede discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan tot enige vorm van segregatie of uitsluiting en mogen geen infrastructuur ondersteunen die ontoegankelijk is voor personen met een handicap. De doelstellingen van de Fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel "de vervuiler betaalt" wordt toegepast en rekening wordt gehouden met de afgesproken verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs. Om de integriteit van de interne markt te beschermen moeten concrete acties waarbij ondernemingen gebaat zijn, in overeenstemming zijn met de staatssteunregels van de Unie zoals bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het VWEU. Armoede is een van de grootste uitdagingen van de EU. Daarom moet met de Fondsen een bijdrage worden geleverd aan de uitbanning van armoede. Ook moeten zij bijdragen aan het streven van de Unie en haar lidstaten om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties te verwezenlijken. [Am. 6]

(6)  De horizontale regels die het Europees Parlement en de Raad op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben aangenomen, gelden ook voor deze verordening. Deze regels zijn vastgelegd in het Financieel Reglement en betreffen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, opdrachten, prijzen en uitvoering en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van de financiële spelers. De op basis van artikel 322 VWEU aangenomen regels betreffen ook de bescherming van de Uniebegroting in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat omdat de eerbiediging van de rechtsstaat van essentieel belang is voor een solide financieel beheer en een doeltreffende EU-financiering.

(7)  Wanneer een termijn is vastgesteld waarbinnen de Commissie kan optreden ten aanzien van lidstaten, moet de Commissie tijdig en efficiënt rekening houden met alle noodzakelijke informatie en documenten. Wanneer de door de lidstaten meegedeelde gegevens onvolledig zijn of niet in overeenstemming zijn met de vereisten van deze verordening of fondsspecifieke verordeningen, waardoor de Commissie niet met kennis van zaken kan optreden, moet deze termijn worden opgeschort totdat de lidstaat in overeenstemming is met de regelgevingsvereisten.

(8)  Om bij te dragen tot de prioriteiten van de Unie moeten de Fondsen hun steun toespitsen op een beperkt aantal beleidsdoelstellingen die in overeenstemming zijn met hun fondsspecifieke taken overeenkomstig hun in het Verdrag vastgelegde doelstellingen. De beleidsdoelstellingen voor het AMIF, het ISF en het BMVI moeten worden opgenomen in de desbetreffende fondsspecifieke verordeningen.

(9)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zullen de Fondsen fonds bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 30 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen. Mechanismen voor de opbouw van klimaatbestendigheid moeten integraal deel uitmaken van de programmering en uitvoering. [Am. 7]

(9 bis)   Gezien het effect van de migratiestromen uit derde landen moet het cohesiebeleid bijdragen aan integratieprocessen, met name door infrastructuurondersteuning te bieden aan dorpen en steden en lokale en regionale autoriteiten die de eerste linie vormen in en meer betrokken zijn bij de uitvoering van het integratiebeleid. [Am. 8]

(10)  Een deel van de begroting van de Unie die aan de Fondsen is toegewezen, moet door de Commissie worden uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten in de zin van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe Financieel Reglement] van het Europees Parlement en de Raad(5) ("het Financieel Reglement"). Bij de uitvoering van de Fondsen onder gedeeld beheer moeten de Commissie en de lidstaten derhalve de in het Financieel Reglement opgenomen beginselen in acht nemen, zoals goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie. De lidstaten moeten worden belast met de voorbereiding en de uitvoering van de programma's. Op het passende territoriale niveau overeenkomstig hun institutionele, juridische en financiële kader moeten de instanties die zij daartoe hebben aangewezen, daarmee worden belast. De lidstaten mogen geen bijkomende regels vaststellen die het gebruik van de middelen voor de begunstigden gecompliceerd maken. [Am. 9]

(11)  Het principe van partnerschap is een essentieel kenmerk bij de uitvoering van de Fondsen, waarbij wordt voortgebouwd op de aanpak van meerlagig bestuur en wordt gezorgd voor de betrokkenheid van regionale, lokale en andere overheden, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. Met het oog op continuïteit bij de organisatie van het partnerschap moet de Commissie worden gemachtigd Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie(6) van toepassing blijven te wijzigen en aan te passen. [Am. 10]

(12)  Op het niveau van de Unie is het Europees Semester Europees voor coördinatie van het economisch beleid het kader om nationale hervormingsprioriteiten vast te stellen en toezicht te houden op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Deze strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden voorgesteld om een overzicht te bieden van en te zorgen voor de coördinatie van de prioritaire investeringsprojecten die met nationale middelen en EU-middelen moeten worden ondersteund. Voorts kan met deze strategieën de EU-financiering op een samenhangende wijze worden gebruikt en kan de toegevoegde waarde van de met name van de Fondsen, de Stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU te ontvangen financiële steun worden gemaximaliseerd. [Am. 11]

(13)  De lidstaten moeten bepalen op welke wijze bij het opstellen van de programmeringsdocumenten rekening wordt gehouden houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en de relevante aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU (hierna "de landspecifieke aanbevelingen" genoemd), voor zover zij in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het programma. Tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 (hierna "programmeringsperiode" genoemd) moeten de lidstaten op gezette tijden het toezichtcomité en de Commissie in kennis stellen van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de programma's ter ondersteuning van de landspecifieke aanbevelingen en van de Europese pijler van sociale rechten. Tijdens een tussentijdse evaluatie moeten de lidstaten onder meer nagaan of programmawijzigingen noodzakelijk zijn om rekening te houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die sinds de start van de programmeringsperiode zijn vastgesteld of gewijzigd. [Am. 12]

(14)  Lidstaten moeten rekening houden met de inhoud van de ontwerpen van hun nationale energie- en klimaatplannen die moeten worden ontwikkeld in het kader van de Verordening betreffende de governance van de energie-unie(7) en met de resultaten van het proces dat moet leiden tot de aanbevelingen van de Unie met betrekking tot deze plannen, zowel voor hun programma's, ook in het kader van de tussentijdse evaluatie, als voor de financiële behoeften die worden toegewezen aan koolstofarme investeringen. [Am. 13]

(15)  De door elke lidstaat opgestelde partnerschapovereenkomst moet een strategisch document zijn dat dient als richtsnoer bij de onderhandelingen tussen de Commissie en de desbetreffende lidstaat over het ontwerp van programma's. Om de administratieve last te verminderen, zou het niet nodig moeten zijn om de partnerschapsovereenkomsten tijdens de programmeringsperiode te wijzigen. Om de programmering te vergemakkelijken en overlappende inhoud in programmeringsdocumenten te voorkomen, kunnen de partnerschapsprogramma's worden opgenomen moet het mogelijk zijn partnerschapsovereenkomsten op te nemen als onderdeel van een programma. [Am. 14]

(16)  Elke lidstaat moet kan over de flexibiliteit beschikken om bij te dragen tot InvestEU voor de voorziening van budgettaire garanties voor investeringen in deze lidstaat, onder bepaalde voorwaarden die zijn gespecificeerd in artikel 10 van deze verordening. [Am. 15]

(17)  Om te zorgen voor de noodzakelijke precondities voor een inclusief, niet-discriminerend, doeltreffend en efficiënt gebruik van de door de Fondsen verleende steun van de Unie, moet een beperkte lijst van randvoorwaarden alsook een beknopte en exhaustieve reeks van objectieve criteria voor de beoordeling ervan worden opgesteld. Elke randvoorwaarde moet aan een specifieke doelstelling worden gekoppeld en moet automatisch kunnen worden toegepast wanneer de specifieke doelstelling voor steun wordt geselecteerd. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, kunnen uitgaven die verband houden met concrete acties onder de desbetreffende specifieke doelstellingen niet worden opgenomen in de betaalaanvragen. Om een gunstig investeringskader te handhaven, moet op gezette tijden worden nagegaan of nog steeds is voldaan aan de randvoorwaarden. Het is ook belangrijk dat de voor steun geselecteerde acties worden uitgevoerd in overeenstemming met de bestaande strategieën en planningdocumenten die aan de basis liggen van de randvoorwaarden waaraan is voldaan. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat alle medegefinancierde concrete acties in overeenstemming zijn met het beleidskader van de Unie. [Am. 16]

(18)  De lidstaten moeten een prestatiekader vaststellen voor elk programma dat betrekking heeft op alle indicatoren, mijlpalen en doelstellingen met het oog op de monitoring, rapportage en evaluatie van de programmaprestaties. Dit moet een resultaatgerichte selectie en evaluatie van projecten mogelijk maken. [Am. 17]

(19)  De lidstaat moet een tussentijdse evaluatie uitvoeren van elk programma dat door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds wordt ondersteund. In deze evaluatie moet een volwaardige aanpassing van de programma's zijn opgenomen die gebaseerd is op de programmaprestaties, waarbij ook wordt voorzien in de mogelijkheid om rekening te houden met nieuwe uitdagingen en de in 2024 gedane landspecifieke aanbevelingen, evenals met vooruitgang met de nationale energie- en klimaatplannen en de Europese pijler van sociale rechten. Er moet ook rekening worden gehouden met demografische uitdagingen. Daarnaast moet de Commissie in 2024 samen met de technische aanpassing voor het jaar 2025 een herziening uitvoeren van de totale toewijzingen die elke lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" van het cohesiebeleid voor de jaren 2025, 2026 en 2027 heeft verricht, met toepassing van de toewijzingsmethode in de desbetreffende basishandeling. Deze herziening moet samen met de resultaten van de tussentijdse evaluatie resulteren in aanpassingen van het programma, waarbij de financiële toewijzingen voor de jaren 2025, 2026 en 2027 worden gewijzigd. [Am. 18]

(20)  Mechanismen die het financieringsbeleid van de Unie moeten koppelen aan het economisch bestuur van de Unie moeten verder worden verfijnd, waarbij de Commissie aan de Raad een voorstel kan doen om alle of een deel van de vastleggingen voor een of meer programma's van de desbetreffende lidstaten te schorsen wanneer deze lidstaat geen doeltreffende actie in het kader van het economisch bestuur onderneemt. Om te zorgen voor een uniforme uitvoering en met het oog op het belang van de financiële gevolgen van de voorgestelde maatregelen, dienen uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad te worden verleend, die moet handelen op basis van een voorstel van de Commissie. Om de vaststelling van besluiten te vergemakkelijken die nodig zijn om een doeltreffend optreden in het kader van het economisch bestuur te garanderen, moet gebruik worden gemaakt van stemming bij omgekeerde gekwalificeerde meerderheid. [Ams. 425rev, 444rev. 448 en 469]

(20 bis)  Binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact mogen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen om flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven die door de overheid worden ondersteund bij wijze van medefinanciering van investeringen die in het kader van financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen ("ESI-fondsen") zijn gestart. De Commissie moet het desbetreffende verzoek zorgvuldig beoordelen bij de vaststelling van de begrotingsaanpassing onder het preventieve of onder het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact. [Am. 20]

(21)  Het is noodzakelijk om gemeenschappelijke vereisten vast te stellen met betrekking tot de inhoud van de programma's rekening houdende met de specifieke aard van elk Fonds. Deze gemeenschappelijke vereisten kunnen worden aangevuld met fondsspecifieke regels. In Verordening (EU) [XXX] van het Europees Parlement en de Raad(8) (ETS-Verordening) moeten de specifieke bepalingen worden opgenomen met betrekking tot de inhoud van de programma's in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg).

(22)  Met het oog op flexibiliteit in de uitvoering van het programma en een vermindering van de administratieve lasten, moeten beperkte financiële overdrachten mogelijk zijn tussen prioriteiten van hetzelfde programma zonder dat een besluit van de Commissie tot wijziging van het programma vereist is. De herziene financiële tabellen moeten bij de Commissie worden ingediend om te zorgen voor geactualiseerde informatie over de financiële toewijzingen voor elke prioriteit.

(22 bis)  Een aanzienlijk deel van de uitgaven van de Unie gaat naar grote projecten die vaak van strategisch belang zijn voor het welslagen van de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Het is dan ook gerechtvaardigd dat concrete acties boven bepaalde drempels in het kader van deze verordening nog steeds onder specifieke goedkeuringsprocedures vallen. De drempel moet worden vastgesteld in verhouding tot de totale subsidiabele kosten, rekening houdend met verwachte netto-inkomsten. Met het oog op duidelijkheid moet in verband hiermee worden gedefinieerd wat een aanvraag voor een groot project inhoudt. De aanvraag moet de nodige informatie bevatten om er zekerheid over te verkrijgen dat de financiële bijdrage uit de Fondsen niet leidt tot aanzienlijk banenverlies op bestaande locaties in de Unie. De lidstaat moet alle vereiste informatie verstrekken en de Commissie moet het grote project beoordelen om te bepalen of de gevraagde financiële bijdrage gerechtvaardigd is. [Am. 21]

(23)  Om de geïntegreerde aanpak voor territoriale ontwikkeling te versterken, moeten investeringen in de vorm van territoriale instrumenten zoals geïntegreerde territoriale investeringen ("ITI"), vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling ("CLLD", bekend onder de naam "Leader" in het kader van het Elfpo) of elk ander territoriaal instrument onder de beleidsdoelstelling "Een Europa dat dichter bij de burger staat" ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn gebaseerd op territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën. Hetzelfde moet gelden voor verwante initiatieven zoals "slimme dorpen". Voor de doelstellingen van de ITI's en door de lidstaten ontworpen territoriale instrumenten moeten minimumvereisten worden vastgesteld voor de inhoud van de territoriale strategieën. Deze territoriale strategieën moeten worden ontwikkeld en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties. Met het oog op de betrokkenheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties bij de uitvoering van de territoriale strategieën, moeten deze autoriteiten of organen verantwoordelijk zijn voor selectie van de te ondersteunen concrete acties of betrokken zijn bij deze selectie. [Am. 22]

(24)  Om het potentieel op lokaal niveau beter te mobiliseren, is het noodzakelijk de CLLD te versterken en te bevorderen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale behoeften en mogelijkheden, alsook met de relevante sociaal-culturele kenmerken, en moet voorzien worden in structurele veranderingen, waarbij de lokale en bestuurlijke capaciteiten worden opgebouwd en innovatie wordt bevorderd. De nauwe samenwerking en het geïntegreerd gebruik van de Fondsen om lokale ontwikkelingsstrategieën tot stand te brengen, moeten worden versterkt. Het is van wezenlijk belang dat lokale actiegroepen die de belangen van de gemeenschap vertegenwoordigen verantwoordelijk zijn voor het ontwerp en de uitvoering van CLLD-strategieën. Om de gecoördineerde steun van verschillende Fondsen aan de CLLD-strategieën te bevorderen en hun uitvoering te vergemakkelijken, moet het gebruik van een aanpak via een "hoofdfonds" worden bevorderd. [Am. 23]

(25)  Om de administratieve last te beperken, moet technische bijstand op initiatief van de lidstaat tot stand komen door middel van een vast percentage op basis van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van het programma. De technische bijstand kan worden aangevuld met gerichte maatregelen voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit, zoals de evaluatie van de waaier aan vaardigheden van de werknemers, waarbij terugbetalingsmethoden worden gebruikt die niet gekoppeld zijn aan kosten. Over acties en resultaten alsook de overeenkomstige betalingen van de Unie kan overeenstemming worden bereikt in een stappenplan, hetgeen kan resulteren in betalingen voor het behalen van concrete resultaten. [Am. 24]

(26)  Het is wenselijk te verduidelijken dat wanneer een lidstaat aan de Commissie voorstelt dat een prioriteit van een programma of een deel daarvan wordt ondersteund door een financieringsregeling die niet gekoppeld is aan kosten, de overeengekomen acties, resultaten en voorwaarden betrekking moeten hebben op concrete investeringen in het kader van programma's onder gedeeld beheer in die lidstaat of regio.

(27)  Om de prestaties van de programma's te onderzoeken, moet de lidstaat toezichtcomités oprichten, waarin ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners zetelen. Voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moeten de jaarlijkse uitvoeringsverslagen worden vervangen door een jaarlijkse gestructureerde beleidsdialoog op basis van meest recente informatie en gegevens over de uitvoering van het programma die door de lidstaat beschikbaar zijn gesteld. [Am. 25]

(28)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(9) moeten de Fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor monitoring worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de fondsen in de praktijk worden verzameld. De indicatoren moeten zo mogelijk op genderbewuste wijze worden ontwikkeld. [Am. 26]

(29)  Om de beschikbaarheid te waarborgen van uitvoerige en bijgewerkte informatie over de uitvoering van het programma, is meer frequente doeltreffende en tijdige digitale rapportering over de kwantitatieve data vereist. [Am. 27]

(30)  Om de voorbereiding van gerelateerde programma's en activiteiten van de volgende programmeringsperiode te ondersteunen, moet de Commissie een tussentijdse evaluatie van de Fondsen uitvoeren. Op het einde van de programmeringsperiode moet de Commissie evaluaties achteraf uitvoeren van de Fondsen, die moeten toegespitst zijn op de effecten van de Fondsen. De resultaten van deze evaluaties moeten openbaar worden gemaakt. [Am. 28]

(31)  Programma-autoriteiten, begunstigden en belanghebbenden in de lidstaten moeten meer bekendheid geven aan de verwezenlijkingen waaraan de Unie financieel heeft bijgedragen en het publiek hieromtrent informeren. Activiteiten op het vlak van transparantie, communicatie en zichtbaarheid zijn essentieel om ervoor te zorgen dat het optreden van de Unie in de praktijk zichtbaar is en moeten gebaseerd zijn op ware, accurate en geactualiseerde gegevens. Om ervoor te zorgen dat deze vereisten afdwingbaar zijn, moeten de programma-autoriteiten en de Commissie in staat zijn corrigerende maatregelen te nemen bij niet-naleving.

(32)  De beheersautoriteiten moeten gestructureerde informatie bekendmaken over geselecteerde concrete acties en begunstigden op de website van het programma waarmee de concrete actie wordt ondersteund, waarbij rekening wordt gehouden met de vereisten op het vlak van de bescherming van persoonsgegevens, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(10).

(33)  Om het gebruik van de Fondsen te vereenvoudigen en het risico op fouten te verkleinen, is het aangewezen zowel de vormen van bijdragen van de Unie aan de lidstaten als de vormen van steun die door de lidstaten aan de begunstigden worden verstrekt, te definiëren.

(34)  Wat betreft de aan begunstigden verleende subsidies, moeten lidstaten steeds vaker gebruik maken gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties. De drempel voor het verplichte gebruik van vereenvoudigde kostenopties moet worden gekoppeld aan de totale kosten van de concrete actie om ervoor te zorgen dat alle concrete acties onder de drempelwaarde op dezelfde wijze worden behandeld, ongeacht of het gaat om publieke of particuliere steun. Wanneer een lidstaat voornemens is het gebruik van vereenvoudigde kostenopties voor te stellen, kan hij het toezichtcomité raadplegen. [Am. 29]

(35)  Met het oog op de onmiddellijke uitvoering van forfaitaire financiering moet elk vast percentage dat door lidstaten in de periode 2014-2020 is vastgesteld, verder worden toegepast voor soortgelijke concrete acties die in het kader van deze verordening worden ondersteund zonder dat een nieuwe berekeningsmethode is vereist.

(36)  Om de benutting van medegefinancierde milieu-investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd voor synergieën met het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie, in het bijzonder door strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten, evenals projecten die gefinancierd worden in het kader van Horizon Europa en andere programma's van de Unie. [Am. 30]

(37)  Om rechtszekerheid te bieden is het aangewezen om de subsidiabiliteitsperiode voor uitgaven of kosten die verband houden met concrete acties die in het kader van deze verordening door de Fondsen worden ondersteund te specificeren en de steun voor voltooide concrete acties te beperken. De datum waarop de uitgaven in aanmerking komen voor steun van de Fondsen in geval van goedkeuring van nieuwe programma's of wijzigingen in de programma's moet ook worden verduidelijkt, met inbegrip van de uitzonderlijke mogelijkheid om de subsidiabiliteitsperiode te verlengen tot de aanvang van een natuurramp indien er dringend middelen moeten worden gemobiliseerd om het hoofd te bieden aan een dergelijke ramp.

(38)  Om ervoor te zorgen dat de Fondsen een inclusief, doeltreffend, billijk en duurzaam effect sorteren, zijn bepalingen nodig die het niet-discriminerende en duurzame karakter van investeringen in infrastructuur of productieve investeringen garanderen, en voorkomen dat de Fondsen worden gebruikt om een onrechtmatig voordeel te behalen. De beheersautoriteiten moeten in het bijzonder erop letten om geen verplaatsing te ondersteunen bij de selectie van concrete acties en om bedragen die ten onrechte zijn betaald aan concrete acties zonder te voldoen aan de duurzaamheidsvereiste als onregelmatigheden te behandelen. [Am. 31]

(39)  Ter verbetering van de complementariteit en ter vereenvoudiging van de implementatie moet het mogelijk zijn de steun uit het Cohesiefonds en het EFRO met steun uit het ESF+ te combineren in gemeenschappelijke programma's in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid".

(40)  Teneinde de toegevoegde waarde van gedeeltelijk of geheel via de begroting van de Unie gefinancierde investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd naar synergieën, in het bijzonder tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten, met inbegrip van het hervormingsinstrument. Deze beleidscoördinatie moet gebruiksvriendelijke mechanismen en meerlagig bestuur bevorderen. Deze synergieën moeten tot stand komen door middel van belangrijke mechanismen, met name de erkenning van vaste tarieven voor subsidiabele kosten van Horizon Europa voor een soortgelijke concrete actie en de mogelijkheid financiering uit verschillende Unie-instrumenten in dezelfde concrete actie te combineren en daarbij dubbele financiering te vermijden. In deze verordening moeten derhalve regels worden opgenomen voor de aanvullende financiering van de Fondsen. [Am. 32]

(41)  Financiële instrumenten mogen niet worden gebruikt ter ondersteuning van herfinancieringstransacties, zoals het vervangen van bestaande leningovereenkomsten of andere vormen van financiering voor investeringen die reeds fysiek voltooid zijn of volledig zijn uitgevoerd op de datum van het investeringsbesluit, maar wel om elke vorm van nieuwe investeringen te ondersteunen overeenkomstig de onderliggende beleidsdoelstellingen.

(42)  Daarom moet het besluit steunmaatregelen door middel van financieringsinstrumenten te financieren, worden genomen op basis van een ex-antebeoordeling. In deze verordening moeten de minimale verplichte elementen van de ex-antebeoordelingen worden vastgesteld. Voorts moet de verordening ervoor zorgen dat lidstaten gebruik kunnen maken van de voor de periode 2014-2020 uitgevoerde ex-antebeoordelingen, waar nodig geactualiseerd, om administratieve lasten en vertraging bij de oprichting van financiële instrumenten te voorkomen.

(42 bis)   De beheersautoriteiten moeten de mogelijkheid hebben om financieringsinstrumenten uit te voeren via onderhandse gunning van een opdracht aan de EIB-groep, aan nationale stimuleringsbanken en aan internationale financiële instellingen (IFI's). [Am. 33]

(43)  Om de uitvoering van bepaalde vormen van financiële instrumenten te bevorderen waarbij aanvullende subsidiëring wordt beoogd, is het mogelijk om de regels met betrekking tot financiële instrumenten op een dergelijke combinatie toe te passen in concrete actie in één enkel financieringsinstrument. In deze gevallen moeten specifieke voorwaarden worden vastgesteld om dubbele financiering te voorkomen.

(44)  Met volledige inachtneming van de toepasselijke regels inzake staatssteun en openbare aanbestedingen, die reeds verduidelijkt werden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moeten de beheersautoriteiten kunnen beslissen over de meeste geschikte uitvoeringsopties voor financiële instrumenten om de specifieke behoeften van de doelregio's aan te pakken. In dit kader moet de Commissie, in samenwerking met de Europese Rekenkamer, richtsnoeren geven aan de controleurs, beheersautoriteiten en begunstigden voor de beoordeling van de naleving van de regels inzake staatssteun en voor de ontwikkeling van regelingen voor staatssteun. [Am. 34]

(45)  Uit hoofde van het beginsel en de regels van gedeeld beheer zijn de lidstaten en de Commissie verantwoordelijk voor het beheer en de controle van programma's en moeten zij garanderen dat er een legaal en regelmatig gebruik van de Fondsen wordt gemaakt Aangezien de verantwoordelijkheid voor beheer en controle in eerste instantie bij de lidstaten ligt en zij ervoor moeten zorgen dat concrete acties die door de Fondsen worden ondersteund in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht, moeten hun verplichtingen op dit vlak worden gespecificeerd. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Commissie in dit kader moeten ook worden vastgelegd.

(45 bis)   Om de verantwoording en transparantie te vergroten, moet de Commissie voorzien in een systeem voor klachtenbehandeling dat in alle voorbereidings- en uitvoeringsfasen van de programma's, met inbegrip van het toezicht en de evaluatie, toegankelijk is voor alle burgers en belanghebbenden. [Am. 35]

(46)  Om de aanvang van de uitvoering van het programma te versnellen, moet de doorrol van de uitvoeringsregelingen, met inbegrip van bestuurlijke en IT-systemen, van de vorige programmeringsperiode indien mogelijk worden bevorderd. Het gebruik van het reeds voor de vorige programmeringsperiode ontwikkelde computersysteem moet - waar nodig, aangepast - gehandhaafd blijven, tenzij een nieuwe technologie noodzakelijk is. [Am. 36]

(47)  Om de functies in het kader van programmabeheer te stroomlijnen, moet de integratie van boekhoudfuncties met die van de beheersautoriteit worden gehandhaafd voor de programma's die door het AMIF, het ISF en het BMVI worden ondersteund en moet dit een optie zijn voor de andere Fondsen.

(48)  Aangezien de beheersautoriteit de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor de doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Fondsen en aldus een groot aantal functies vervult, moeten de functies van de beheersautoriteit met betrekking tot de selectie van projecten, programmabeheer en steun voor het toezichtcomité in detail worden uiteengezet. De geselecteerde concrete acties moeten in overeenstemming zijn met de horizontale beginselen.

(48 bis)  Om het doeltreffende gebruik van de Fondsen te ondersteunen, moet elke lidstaat op verzoek kunnen beschikken over de EIB-steun. Deze kan betrekking hebben op capaciteitsopbouw, op steun bij de identificatie, voorbereiding en uitvoering van projecten en op advies over financieringsinstrumenten en investeringsplatformen. [Am. 37]

(49)  Om de synergieën tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten te optimaliseren, moet het verstrekken van steun voor concrete acties die reeds een excellentiekeur hebben ontvangen, worden bevorderd.

(50)  Om te zorgen voor een passend evenwicht tussen de doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Fondsen en de hieraan gerelateerde administratieve kosten en lasten, moeten de frequentie, reikwijdte en dekking van beheersverificaties gebaseerd zijn op een risicobeoordeling die rekening houdt met factoren zoals het soort uitgevoerde concrete acties, het aantal concrete acties en de complexiteit ervan, de begunstigden en het door vorige beheersverificaties en audits vastgestelde risiconiveau. De beheers- en controlemaatregelen voor de Fondsen moeten in verhouding staan tot het niveau van het risico voor de begroting van de Unie. [Am. 38]

(51)  De auditautoriteit moet audits uitvoeren en ervoor zorgen dat het aan de Commissie verstrekte auditadvies betrouwbaar is. Dit auditadvies moet de Commissie zekerheid verschaffen omtrent drie punten, namelijk de wettigheid en regelmatigheid van de gedeclareerde uitgaven, het daadwerkelijke functioneren van het beheers- en controlesystemen en de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen.

(52)  Het moet mogelijk zijn de verificaties en auditvereisten te verminderen wanneer de zekerheid bestaat dat het programma voor laatste twee opeenvolgende jaren afdoende gefunctioneerd heeft, aangezien dit aantoont dat de Fondsen gedurende langere tijd doeltreffend en efficiënt worden uitgevoerd.

(53)  Om de administratieve last voor de begunstigden en de administratieve kosten te beperken, moet de concrete toepassing van het beginsel van één enkele audit voor de Fondsen worden gespecificeerd.

(54)  Met het oog op een verbetering van het financieel beheer, moet worden voorzien in vereenvoudigde voorfinancieringsregeling. De voorfinancieringsregeling moet ervoor zorgen dat een lidstaat over de middelen beschikt om begunstigden al vanaf het begin van de uitvoering van het programma steun te verlenen.

(55)  Om de administratieve last voor de lidstaten en voor de Commissie te verminderen, moet een verplicht schema van betalingsaanvragen op kwartaalbasis worden vastgesteld. Betalingen door de Commissie moeten nog steeds onderworpen blijven aan een inhouding van 10 % tot de betaling van het jaarlijkse saldo van de rekeningen, wanneer de Commissie in staat is te concluderen dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarachtig zijn.

(56)  Om de administratieve lasten te verminderen, moet de procedure voor jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen worden vereenvoudigd door te voorzien in eenvoudigere voorschriften voor betalingen en terugvorderingen, indien er geen verschil van mening is tussen de Commissie en de lidstaat.

(57)  Om de financiële belangen en de begroting van de Unie te vrijwaren, moeten evenredige maatregelen worden vastgesteld en uitgevoerd op het niveau van de lidstaten en de Commissie. De Commissie moet betalingstermijnen kunnen onderbreken, tussentijdse betalingen schorsen en financiële correcties toepassen wanneer de desbetreffende voorwaarden zijn vervuld. De Commissie moet het beginsel van evenredigheid in acht nemen door rekening te houden met de aard, de ernst en de frequentie van de onregelmatigheden en hun financiële gevolgen voor de begroting van de Unie.

(58)  Ook moeten de lidstaten het nodige doen om onregelmatigheden met inbegrip van fraude door begunstigden te voorkomen, op te sporen en doeltreffend aan te pakken. Voorts kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013(11) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2988/95(12) en nr. 2185/96(13) administratieve onderzoeken uitvoeren, met inbegrip van controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939(14) kan het Europees Openbaar Ministerie fraude en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, onderzoeken en vervolgens zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371(15) betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt. Lidstaten moeten de noodzakelijke maatregelen nemen opdat elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle meewerkt aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verleent aan de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer en ervoor zorgt dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. Lidstaten moet moeten bij de Commissie een gedetailleerd verslag uitbrengen indienen over de geconstateerde onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, alsook over de follow-up die zij hieraan hebben gegeven en over de follow-up van de OLAF-onderzoeken. Lidstaten die niet deelnemen aan de nauwere samenwerking in het kader van het EOM, moeten bij de Commissie verslag uitbrengen over de besluiten van de nationale strafvervolgingsautoriteiten in verband met onregelmatigheden die gevolgen hebben voor de begroting van de Unie. [Am. 39]

(59)  Om financiële discipline te bevorderen moeten regelingen voor de vrijmaking van budgettaire vastleggingen op programmaniveau worden vastgesteld.

(60)  Ter bevordering van de doelstellingen van het VWEU inzake economische, sociale en territoriale cohesie moeten in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" alle regio's worden ondersteund. Om evenwichtige, geleidelijke steun te verlenen op basis van het niveau van economische en sociale ontwikkeling moeten de middelen voor dat doel worden toegewezen uit het EFRO en het ESF+ op basis van een verdeelsleutel die grotendeels is gebaseerd op het bbp per hoofd van de bevolking. Lidstaten waarvan het bruto nationaal inkomen (bni) per inwoner minder dan 90 % van het gemiddelde voor de Unie bedraagt, moeten steun krijgen in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" van het Cohesiefonds.

(61)  Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden voor steun uit de Fondsen in aanmerking komen. Daartoe moet de identificatie van de regio's en gebieden op Unieniveau worden gebaseerd op het gemeenschappelijke classificatiesysteem voor de regio's in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad(16), laatstelijk gewijzigd bij door Verordening (EG EU) nr. 868/2014 2016/2066 van de Commissie(17). [Am. 40]

(62)  Met het oog op de vaststelling van een passend financieel kader voor het EFRO, het ESF+, het EFMZV en het Cohesiefonds moet de Commissie de jaarlijkse verdeling van de beschikbare toewijzingen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" vaststellen samen de lijst van de subsidiabele regio's en de toewijzingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg). Rekening houdende houdend met het feit dat de nationale toewijzingen van lidstaten moeten worden vastgesteld op basis in 2018 beschikbare statistische gegevens en prognoses en gezien de onzekerheden rond de prognoses moet de Commissie de totale toewijzingen van alle lidstaten in 2024 herzien op basis van meest recente statistieken die op dat moment beschikbaar zijn en als het gecumuleerde verschil meer bedraagt dan +/-5 %, moeten de toewijzingen voor de jaren 2025 tot 2027 worden aangepast om ervoor te zorgen dat de resultaten van de tussentijdse evaluatie en de technische aanpassing worden weerspiegeld in de programmawijzigingen die dan tot stand komen. [Am. 41]

(63)  Projecten met betrekking tot de trans-Europese vervoersnetwerken zullen overeenkomstig Verordening (EU) [nieuwe CEF-verordening](18) ook in het vervolg uit het Cohesiefonds worden gefinancierd, zowel via gedeeld beheer als via de modaliteit voor directe uitvoering in het kader van de Connecting Europe Facility ("CEF"). Voortbouwend op de succesvolle benadering van de programmeringsperiode 2014-2020 moet met het oog hierop een bedrag van 10 000 000 000 4 000 000 000 EUR van het Cohesiefonds worden overgedragen naar het CEF. [Am. 42]

(64)  Een zekere hoeveelheid middelen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet aan het Stedelijk "Stedelijk Europa"-initiatief worden toegewezen, dat door de Commissie via direct of indirect beheer moet worden uitgevoerd. In de toekomst moet verder worden nagedacht over de specifieke steun die wordt verleend aan achtergestelde regio's en gemeenschappen. [Am. 43]

(65)  Om een passende toewijzing aan elke regiocategorie te waarborgen, mogen in beginsel de totale toewijzingen aan een lidstaat voor minder ontwikkelde regio's, overgangsregio's en meer ontwikkelde regio's niet overdraagbaar zijn tussen de categorieën. Om rekening te houden met de behoeften van een lidstaat om specifieke problemen aan te pakken, moet een lidstaat evenwel kunnen verzoeken om een overdracht van zijn toewijzingen voor meer ontwikkelde regio's of overgangsregio's naar minder ontwikkelde regio's en moet hij deze keuze motiveren. Om te zorgen voor voldoende financiële middelen voor minder ontwikkelde regio's, moet een maximum worden vastgesteld voor overdrachten naar meer ontwikkelde regio's of overgangsregio's. Overdraagbaarheid van middelen tussen doelstellingen is niet mogelijk.

(65 bis)   Om de in het zevende cohesieverslag(19) beschreven uitdagingen voor regio's met een gemiddeld inkomen aan te pakken (lage groei in vergelijking met meer ontwikkelde regio's, maar ook in vergelijking met minder ontwikkelde regio's, met name een probleem in regio's met een bbp per hoofd van 90 % à 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27), moeten "overgangsregio's" toereikende steun ontvangen en omschreven worden als regio's waarvan het bbp per hoofd 75 % à 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt. [Am. 44]

(66)  In de context van de unieke en specifieke omstandigheden op het eiland Ierland en met het oog op de ondersteuning van de Noord-Zuid-samenwerking in het kader van het Goede Vrijdagakkoord, moet een nieuw grensoverschrijdende Peace-Plus-programma worden voortgezet en voortbouwen op de werkzaamheden van de eerdere programma's Peace and INTERREG in de aangrenzende graafschappen van Ierland en Noord-Ierland. Rekening houdende met het praktische belang ervan, moet dit programma worden ondersteund met een specifieke toewijzing voor verdere steun aan acties op het gebied van vrede en verzoening, waarbij een passend percentage van de Ierse toewijzing in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking ook aan het programma moet worden toegewezen.

(66 bis)  Vanwege hun geografische ligging en de aard en/of intensiteit van hun handelsbetrekkingen zullen verschillende regio's en lidstaten meer dan de andere te maken krijgen met de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. Daarom is het belangrijk om ook in het kader van het cohesiebeleid praktische oplossingen te vinden voor steun om de uitdagingen voor de betrokken regio's en lidstaten aan te pakken zodra de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk heeft plaatsgevonden. Bovendien zal een permanente samenwerking tot stand moeten komen, waarbij de lokale en regionale autoriteiten en lidstaten die het hardst getroffen worden informatie en goede praktijken uitwisselen. [Am. 45]

(67)  De maximale medefinancieringspercentages op het vlak van het cohesiebeleid moeten per regiocategorie worden vastgesteld teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van medefinanciering door middel van een passend niveau van publieke of private nationale steunverlening in acht wordt genomen. Deze percentages moet een weerspiegeling zijn van het niveau van economische ontwikkeling van regio's op het vlak van bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het gemiddelde van de EU-27, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat verschuivingen van categorie niet tot een minder gunstige behandeling leiden [Am. 46].

(68)  Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te kunnen aanvullen of wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van de elementen die in bepaalde bijlagen bij deze verordening zijn vastgesteld, d.w.z. voor de dimensies en codes voor de interventietypes, de modellen voor de partnerschapsovereenkomsten en programma’s, de modellen voor de overdracht van gegevens, het gebruik van het embleem van de Unie, de elementen van de financieringsovereenkomsten en strategiedocumenten, het controlespoor, de systemen voor elektronische gegevensuitwisseling, de modellen voor de beschrijving van het beheers- en controlesysteem, de beheersverklaring, de auditverklaring, het jaarlijkse controleverslag, de auditstrategie, de betalingsaanvragen, de rekeningen en de vaststelling van het niveau van de financiële correcties.

(69)  Voorst moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot de wijziging van de Europese gedragscode inzake partnerschap teneinde de code aan te passen aan deze verordening, en met betrekking tot de vaststelling van de criteria voor het bepalen van de onregelmatigheden die moeten worden gemeld, de vaststelling van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houd met kosten die van toepassing zijn op alle lidstaten alsook de vaststelling van gestandaardiseerde vlot inzetbare steekproefmethoden. [Am. 47]

(70)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden met alle belanghebbenden de nodige transparante raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen geschieden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 48]

(71)  Om eenvormige voorwaarden voor de vaststelling van partnerschapsovereenkomsten, de vaststelling of wijziging van programma's alsook de toepassing van financiële correcties te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. De uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot het model voor het melden van onregelmatigheden, de digitale data die moeten worden geregistreerd en opgeslagen en voor het model voor het eindverslag over de prestaties moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(20). Hoewel deze handelingen van algemene aard zijn, moet de raadplegingsprocedure worden toegepast, aangezien deze alleen de technische aspecten, formulieren en modellen betreffen. De uitvoeringsbesluiten met betrekking tot de vaststelling van de verdeling van de financiële toewijzingen voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moeten worden vastgesteld zonder comitéprocedure, aangezien zij de loutere weerspiegeling zijn van de toepassing van de vooraf vastgestelde berekeningsmethode.

(72)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en Raad(21) of elke andere handeling die van toepassing is op de programmeringsperiode 2014-2020 moet van toepassing blijven op de programma's en concrete acties die door de Fondsen zijn ondersteund in de programmeringsperiode 2014-2020. Aangezien de uitvoeringsperiode van Verordening (EU) nr. 1303/2013 zich naar verwachting over de programmeringsperiode die door deze verordening wordt bestreken, zal uitstrekken en om de continuïteit van de uitvoering van bepaalde concrete acties die door deze verordening zijn goedgekeurd, te garanderen, moeten faseringsbepalingen worden vastgesteld. Elke afzonderlijke fase van de gefaseerde concrete actie, die hetzelfde algemene doel dient, moet overeenkomstig de regels van de programmeringsperiode in het kader waarvan het financiering ontvangt, worden uitgevoerd.

(73)  De doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken van de economische, sociale en territoriale samenhang en het vaststellen van gemeenschappelijke financiële regels voor het deel van de begroting van de Unie dat in het kader van gedeeld beheer wordt uitgevoerd, kan vanwege enerzijds de mate van ongelijkheid tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's, de achterstand van specifieke uitdagingen voor de minst begunstigde regio's en de beperktheid van de financiële middelen van de lidstaten en de regio's, en anderzijds wegens de noodzaak voor een samenhangend uitvoeringskader dat betrekking heeft op verscheidene fondsen van de Unie onder gedeeld beheer, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. Aangezien deze doelstellingen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 VEU maatregelen nemen. In overeenstemming met het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. [Am. 49]

(74)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Titel i

Doelstellingen en algemene regels inzake steunverlening

HOOFDSTUK I

Onderwerp en definities

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening worden vastgesteld:

a)  de financiële regels voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling ("Elfpo"), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") (hierna "de Fondsen" genoemd) [Am. 50]

b)  gemeenschappelijke bepalingen die van toepassing zijn op het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV en het Elfpo als voorgeschreven in lid 1 bis van dit artikel. [Am. 431]

1 bis.   Titel I, hoofdstuk I, artikel 2, lid 4 bis, hoofdstuk II, artikel 5, titel III, hoofdstuk II, de artikelen 22 tot en met 28, en titel IV, hoofdstuk III, afdeling I, de artikelen 41 tot en met 43, zijn van toepassing op door het Elfpo gefinancierde steunmaatregelen, en titel I, hoofdstuk I, artikel 2, leden 15 tot en met 25, en titel V, hoofdstuk II, afdeling II, de artikelen 52 tot en met 56 zijn van toepassing op de in artikel 74 van Verordening (EU) .../... [verordening strategische GLB-plannen] bedoelde financiële instrumenten die in het kader van het Elfpo worden ondersteund. [Am. 432]

2.  Deze verordening is niet van toepassing op de componenten werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid van het ESF+ en op de componenten direct of indirect beheer van het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI, met uitzondering van technische bijstand op initiatief van de Commissie.

3.  De artikelen 4 en 10, hoofdstuk III van titel II, hoofdstuk II van titel III, en titel VIII zijn niet van toepassing op het AMIF, het ISF en het BMVI.

4.  Titel VIII is niet van toepassing op het EFMZV.

5.  Artikel 11 van hoofdstuk II en artikel 15 van hoofdstuk III van titel II, hoofdstuk I van titel III, artikelen 33 tot 36 en artikel 38, leden 1 tot 4, van hoofdstuk I, artikel 39 van hoofdstuk II, artikel 45 van hoofdstuk III van titel IV, artikelen 67, 71, 73 en 74 van hoofdstuk II en hoofdstuk III van titel VI zijn niet van toepassing op de Interreg-programma's.

6.  In de hierna vermelde fondsspecifieke verordeningen kunnen aanvullende regels zijn vastgesteld die niet strijdig mogen zijn met deze verordening. In geval van twijfel over de toepassing met betrekking tot de vraag of deze verordening of fondsspecifieke verordeningen van toepassing zijn, krijgen de bepalingen van deze verordening voorrang:

a)  Verordening (EU) [...] ("EFRO en CF-verordening")(22) ;

b)  Verordening (EU) [...] ("ESF+-verordening")(23) ;

c)  Verordening (EU) [...] ("ETS-verordening")(24) ;

d)  Verordening (EU) [...] ("EFMZV-verordening")(25) ;

e)  Verordening (EU) [...] ("AMIF-verordening")(26) ;

f)  Verordening (EU) [...] ("ISF-verordening")(27) ;

g)  Verordening (EU) [...] ("BMVI-verordening")(28) ;

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

1)  "relevante landspecifieke aanbevelingen": aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid leden 2 en4, en artikel 148, lid 4, VWEU in verband met de structurele uitdagingen die behoren te worden aangepakt via meerjarige investeringen die onder het toepassingsgebied vallen van de Fondsen zoals beschreven in de fondsspecifieke verordeningen, en de desbetreffende aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel [XX] van Verordening (EU) nr. [nummer van de nieuwe verordening inzake governance van de energie-unie] van het Europees Parlement en de Raad; [Am. 54]

1 bis)   "randvoorwaarde": een concrete en nauwkeurig omschreven voorwaarde die daadwerkelijk verband houdt met een rechtstreeks effect op de doeltreffende en efficiënte verwezenlijking van een specifieke doelstelling van het programma; [Am. 55]

2)  "toepasselijk recht": de wetgeving van de Unie en het nationale recht betreffende de toepassing hiervan;

(3)  "concrete actie":

a)  een project, overeenkomst, actie of groep projecten geselecteerd in het kader van de betrokken programma’s;

b)  in de context van financiële instrumenten, een programmabijdrage aan een financieel instrument en de daaruit voortvloeiende financiële steun die uit dat financieel instrument aan de eindontvangers wordt verleend;

(4)  "concrete actie van strategisch belang": een concrete actie die een cruciale bijdrage levert aan de totstandkoming van de doelstellingen van een programma en dat onderworpen is aan specifieke monitoring en communicatiemaatregelen;

(4 bis)  "programma": in de context van het Elfpo, de strategische GLB-plannen als bedoeld in Verordening (EU) [...] (de "Verordening inzake strategische GLB‑plannen"); [Am. 56]

(5)  "prioriteit: in het kader van het AMIF, ISF en het BMIV: een specifieke doelstelling; in het kader van het EFMZV: een "soort steungebied" zoals omschreven in de nomenclatuur die is opgenomen in bijlage III van de EFMZV-verordening;

(6)  "specifieke doelstelling": in het kader van het EFMZV "steungebied" zoals omschreven in bijlage III van de EFMZV-verordening;

(7)  "intermediaire instantie": elke publiek- of privaatrechtelijke instantie die handelt onder de verantwoordelijkheid van een beheersautoriteit of namens een dergelijke autoriteit functies of taken verricht;

(8)  "begunstigde":

a)  een publiek- of privaatrechtelijke instantie, een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid of een natuurlijke persoon die belast is met het opzetten of met het opzetten en uitvoeren van concrete acties;

b)  in de context van publiek-private partnerschappen ("PPP’s"), de publiekrechtelijke instantie die de concrete PPP-actie inleidt of de particuliere partner die is geselecteerd om die uit te voeren;

c)  in de context van staatssteunregelingen, de instantie die de steun ontvangt, behalve wanneer de steun per instantie minder dan 200 000 EUR bedraagt; in dat geval kan de betrokken lidstaat besluiten dat de steunverlenende instantie de begunstigde is, onverminderd de Verordeningen (EU) nr. 1407/2013(29), (EU) nr. 1408/2013(30) en (EU) nr. 717/2014 van de Commissie(31)[Am. 57]

d)  in de context van financiële instrumenten, de instantie die het holdingfonds uitvoert of, wanneer er geen holdingfondsstructuur is, de instantie die het specifieke fonds uitvoert of, indien de beheersautoriteit het financieel instrument beheert, de beheersautoriteit;

(9)  "fonds voor kleinschalige projecten": een concrete actie in een Interreg-programma die gericht is op de selectie en uitvoering van projecten, met inbegrip van people-to-people-projecten van beperkte financiële omvang; [Am. 58]

(10)  "streefdoel": vooraf vastgestelde waarde die aan het einde van de programmeringsperiode moet zijn bereikt in verband met de voor een specifieke doelstelling opgenomen indicator;

(11)  "mijlpaal": tussentijdse waarde die op een bepaald tijdstip tijdens de programmeringsperiode moet zijn bereikt in verband met de voor een specifieke doelstelling opgenomen indicator;

(12)  "outputindicator": een indicator voor het meten van de specifieke resultaten die met de interventie moeten worden behaald;

(13)  "resultaatindicator": een indicator voor het meten van de kortetermijneffecten van de ondersteunde interventies, in het bijzonder met betrekking tot de rechtstreekse adressaten, de doelgroep of de gebruikers van de infrastructuur;

(14)  "concrete PPP-actie": een concrete actie die wordt uitgevoerd in het kader van een partnerschap tussen openbare instanties en de particuliere sector overeenkomstig een PPP-overeenkomst en die tot doel heeft openbare diensten te verstrekken door middel van risicodeling, het bundelen van expertise uit de particuliere sector of extra financieringsbronnen;

(15)  "financiële instrument": een constructie in het kader waarvan financiële producten worden verstrekt;

(16)  "financieel product": investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen, leningen en garanties, als omschreven in artikel 2 van Verordening (EU, Euratom) nr.  [...] ("het Financieel Reglement");

(17)  "eindontvanger": een rechtspersoon of natuurlijke persoon die steun uit het Fonds krijgt via een begunstigde van een fonds voor kleinschalige projecten of van een financieel instrument;

(18)  "programmabijdrage": steun van de fondsen en de nationale openbare en particuliere, indien van toepassing, medefinanciering aan een financieel instrument;

(19)  "instantie die een financieringsinstrument uitvoert": publiek- of privaatrechtelijke instantie die taken uitvoert van een holdingfonds of een specifiek fonds;

(20)  "holdingfonds": een fonds dat in het kader van een of meer programma’s door een beheersautoriteit is opgericht om financieringsinstrumenten uit te voeren via één of meer specifieke fondsen;

(21)  "specifiek fonds": een fonds dat door een beheersautoriteit of een holdingfonds is opgericht, om waarmee zij financiële producten te verstrekken voor de eindontvangers; [Am. 59]

(22)  "hefboomeffect": het voor de eindontvangers ter beschikking gestelde vergoedbare bedrag aan financiering, gedeeld door de bijdrage van de Fondsen;

(23)  "multiplicatorratio": in de context van garantie-instrumenten, de verhouding tussen de waarde van de onderliggende uitgekeerde nieuwe leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen, en het bedrag van de programmabijdrage dat, zoals overeengekomen in garantiecontracten, is gereserveerd voor het dekken van verwachte en onverwachte verliezen uit deze nieuwe leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen;

(24)  "beheerskosten": directe of indirecte kosten die worden vergoed tegen overlegging van bewijzen van uitgaven de voor de uitvoering van de financieringsinstrumenten zijn gemaakt;

(25)  "beheersvergoeding": de prijs voor verleende diensten, zoals bepaald in de financieringsovereenkomst tussen de beheersautoriteit en de instantie die een holdingfonds of specifiek fonds uitvoert, en, in voorkomend geval, tussen de instantie die een holdingfonds uitvoert en de instantie die een specifiek fonds uitvoert.

(26)  "verplaatsing": overbrenging van dezelfde of een vergelijkbare activiteit of een deel daarvan in de zin van artikel 2, punt 61bis, van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie(32) waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het VWEU met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

(27)  "overheidsbijdrage": elke bijdrage ter financiering van concrete acties, afkomstig uit de begroting van een nationale, regionale of lokale overheid of van een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad is opgericht(33), uit de begroting van de Unie voor de Fondsen, uit de begroting van publiekrechtelijke instanties of uit de begroting van verenigingen van overheden of van publiekrechtelijke instanties, die voor de vaststelling van het medefinancieringspercentage van ESF+-programma’s of -prioriteiten alle gezamenlijk door werkgevers en werknemers bijgedragen financiële middelen kan omvatten;

(28)  "boekjaar": de periode van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar, behalve voor het eerste boekjaar van de programmeringsperiode, dat de periode van de begindatum voor subsidiabiliteit van de uitgaven tot en met 30 juni 2022 omvat; het laatste boekjaar loopt van 1 juli 2029 tot en met 30 juni 2030;

(29)  "onregelmatigheid": elke inbreuk op het toepasselijke recht, als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van de Fondsen betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave ten laste van deze begroting wordt of zou kunnen worden benadeeld;

(30)  "ernstige tekortkoming": tekortkoming in de effectieve werking van het beheer- en controlesysteem van een programma waarvoor aanzienlijke verbeteringen in beheer- en controlesystemen nodig zijn en waarbij een van de in de bijlage X opgenomen essentiële vereisten 2, 4, 5, 9, 12, 13 en 15 of twee of meer van de andere essentiële vereisten zijn beoordeeld in de categorieën 3 en 4 van deze bijlage;

(31)  "totale foutenpercentage": de som van de geprojecteerde toevalsfouten en, in voorkomend geval, de systeemfouten en de niet-gecorrigeerde atypische fouten, gedeeld door de populatie;

(32)  "resterend foutenpercentage": het totale foutenpercentage verminderd met financiële correcties die zijn toegepast door de lidstaat die voornemens is de risico's te beperken die zijn vastgesteld door de auditautoriteit in het kader van de audits van de concrete acties;

(33)  "voltooide concrete actie": een concrete actie die fysiek is voltooid of volledig ten uitvoer is gelegd en waarvoor de begunstigden alle betrokken betalingen hebben verricht en de betrokken overheidsbijdrage aan de begunstigden is betaald;

(34)  "steekproefeenheid: een van de eenheden, waarbij het kan gaan om een concrete actie, een project binnen een concrete actie of een betalingsaanvraag door een begunstigde, waarin een populatie is onderverdeeld met het oog op het samenstellen van de steekproef;

(35)  "geblokkeerde rekening": in het geval van een concrete PPP-actie een bankrekening die valt onder een door de beheersautoriteit of een intermediaire instantie goedgekeurde schriftelijke overeenkomst tussen de begunstigde openbare instantie en de particuliere partner, welke gebruikt wordt voor betalingen tijdens en/of na subsidiabiliteitsperiode;

(36)  "deelnemer": een natuurlijke persoon die gebaat is bij een concrete actie maar geen financiële steun van de fondsen ontvangt;

(36 bis)  "beginsel energie-efficiëntie eerst": dat bij het nemen van alle besluiten over energieplanning, ‑beleid en ‑investeringen prioriteit wordt gegeven aan maatregelen om de vraag naar energie en de energievoorziening efficiënter te maken; [Am. 60]

(37)  "klimaatbestendig maken": een proces dat ervoor moet zorgen dat infrastructuur bestendig is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering overeenkomstig internationaal erkende normen of nationale regelgeving en richtsnoeren, en in voorkomend geval, internationaal erkende normen. dat het beginsel energie-efficiëntie eerst in acht wordt genomen en dat scenario's voor specifieke emissiereductie en decarbonisatie worden gekozen; [Am. 61]

(37 bis)  "EIB": de Europese Investeringsbank, het Europees Investeringsfonds of een eventuele dochterinstelling van de Europese Investeringsbank. [Am. 62]

Artikel 3

Berekening van termijnen voor Commissiebesluiten

Wanneer een termijn is vastgesteld voor een optreden door de Commissie, begint deze termijn wanneer alle informatie overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde vereisten of in fondsspecifieke verordeningen door de lidstaat zijn ingediend.

Deze termijn wordt opgeschort vanaf de dag die volgt op de datum waarop de Commissie haar opmerkingen of een verzoek voor herziene documenten aan de lidstaat toezendt en totdat de lidstaat antwoordt op de Commissie.

HOOFDSTUK II

Beleidsdoelstellingen en beginselen voor de steunverlening van de Fondsen

Artikel 4

Beleidsdoelstellingen

1.  Het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV ondersteunen de volgende beleidsdoelstellingen:

a)  een competitiever en slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en door de versterking van kleine en middelgrote ondernemingen; [Am. 63]

b)  een groener, Europa dat groen en veerkrachtig is en koolstofarm Europa en dat de overgang maakt naar een koolstofneutrale economie, door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer; [Am. 64]

c)  een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit, met inbegrip van slimme en duurzame mobiliteit, en regionale ICT-connectiviteit; [Am. 65]

d)  een socialer en inclusiever Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten; [Am. 66]

e)  een Europa dat dichter bij de burger staat door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- alle regio's, gebieden en kustgebieden, alsook lokale initiatieven te bevorderen. [Am. 67]

2.  Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds dragen bij tot het optreden van de Unie gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang overeenkomstig artikel 174 VWEU door de volgende doelstellingen na te streven:

a)  investeren in groei en werkgelegenheid in lidstaten en regio's, te ondersteunen door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds; en

b)  Europese territoriale samenwerking (Interreg), te ondersteunen door het EFRO.

3.  De lidstaten zorgen ervoor relevante concrete acties tijdens het gehele plannings- en uitvoeringsproces klimaatbestendig te maken en verstrekken informatie over de steun voor de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatverandering volgens een methode op basis van de interventiecategorieën voor elke type Fonds. Deze methode bestaat uit het toekennen van een specifiek gewicht aan de verstrekte steun op een passend niveau om te weerspiegelen in welke mate de steun een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaat. In het geval van het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds worden de gewichten gekoppeld aan de dimensies en codes voor de interventiecategorieën van bijlage I. [Am. 68]

4.  De Overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden en in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en meerlagig bestuur, zorgen de lidstaten en de Commissie zorgen voor de coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie zoals het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. Zij zullen de coördinatiemechanismen tussen degenen die verantwoordelijk zijn, optimaliseren om dubbel werk tussen de planning en uitvoering te voorkomen. [Am. 69]

4 bis.   De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de relevante staatssteunregels in acht worden genomen. [Am. 70]

Artikel 5

Gedeeld beheer

1.  De lidstaten , in overeenstemming met hun institutionele en juridische kader, en de Commissie voeren de begroting van de Unie die is toegewezen aan de Fondsen in gedeeld beheer uit overeenkomstig artikel [63] van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe financieel reglement] (hierna "het financieel reglement" genoemd). [Am. 71]

2.  De Commissie Onverminderd artikel 1, lid 2, zorgt evenwel de Commissie voor de uitvoering van het steunbedrag dat van het Cohesiefonds naar de Connecting Europe Facility (CEF), het Europees Urban-initiatief, interregionale innovatieve investeringen wordt overgedragen, het steunbedrag dat wordt overgedragen van het ESF+ naar transnationale samenwerking, de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU(34) en technische bijstand op initiatief van de Commissie in direct of indirect beheer overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a) en c)] van het financieel reglement. [Am. 72]

3.  De Commissie kan, met instemming van de lidstaat en de betrokken regio, de samenwerking met ultraperifere gebieden in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) uitvoeren onder direct beheer. [Am. 73]

Artikel 6

Partnerschap en meerlagig bestuur

1.  Elke lidstaat organiseert een partnerschap voor de partnerschapsovereenkomst en voor elk programma, in overeenstemming met de bevoegde regionale zijn institutionele en juridische kader, een volwaardig en lokale autoriteiten doeltreffend partnerschap. Bij dit partnerschap zijn ten minste de volgende partners betrokken: [Am. 74]

a)  stedelijke regionale, lokale, stedelijke en andere overheden; [Am. 75]

b)  economische en sociale partners;

c)  de desbetreffende instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, zoals milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en de instanties die tot taak hebben sociale insluiting, grondrechten, rechten van personen met een handicap, gendergelijkheid en non-discriminatie te bevorderen. [Am. 76]

c bis)   onderzoeksinstellingen en universiteiten, in voorkomend geval. [Am. 77]

2.  De lidstaten betrekken deze partners volgens het beginsel van meerlagig bestuur en volgens een bottom-upbenadering bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten alsook gedurende de voorbereiding, de uitvoering en de uitvoering evaluatie van programma's, onder meer door middel van deelname aan de toezichtcomités overeenkomstig artikel 34. In dit verband wijzen de lidstaten een passend percentage van de middelen uit de Fondsen toe voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit van de sociale partners en maatschappelijke organisaties. Indien het grensoverschrijdende programma’s betreft, betrekken de betrokken lidstaten de partners uit alle deelnemende lidstaten erbij. [Ams. 78 en 459]

3.  De organisatie en uitvoering van het partnerschap worden uitgevoerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie(35). De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 107 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 om die gedelegeerde verordening aan te passen aan deze verordening. [Am. 79]

4.  Ten minste een keer per jaar raadpleegt de Commissie de organisaties die de partners op het niveau van de Unie vertegenwoordigen, over de uitvoering van programma's en brengt zij verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over het resultaat daarvan. [Am. 80]

Artikel 6 bis

Horizontale beginselen

1.  De lidstaten en de Commissie zorgen bij de uitvoering van de Fondsen voor de eerbiediging van de grondrechten en de naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

2.  De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de gelijkheid van vrouwen en mannen, gendermainstreaming en de integratie van het genderperspectief worden meegewogen en bevorderd tijdens de voorbereiding en uitvoering van programma's, onder meer op het vlak van toezicht, rapportage en evaluatie.

3.  De lidstaten en de Commissie nemen passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bij de voorbereiding en de uitvoering van, het toezicht op, de rapportage over en de evaluatie van programma's te voorkomen. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van programma's wordt met name rekening gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een handicap.

4.  De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, en in overeenstemming met de bevordering door de Unie van de doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en bestrijding van klimaatverandering, rekening houdend met het beginsel dat de vervuiler betaalt, als vastgesteld in artikel 191, leden 1 en 2, VWEU.

De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat bij de voorbereiding en uitvoering van programma's wordt bijgedragen tot milieubescherming, efficiënt gebruik van hulpbronnen, het beginsel energie-efficiëntie eerst, een sociaal rechtvaardige energietransitie, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, biodiversiteit, herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en risicobeheer. Zij trachten investeringen te voorkomen die verband houden met de productie, verwerking, distributie, opslag of verbranding van fossiele brandstoffen. [Am. 81]

TITEL II

STRATEGISCHE AANPAK

HOOFDSTUK I

Partnerschapsovereenkomst

Artikel 7

Voorbereiding en indiening van de partnerschapsovereenkomst

1.  Elke lidstaat bereidt een partnerschapsovereenkomst voor waarin de regels zijn opgenomen om de Fondsen op doeltreffende en doelmatige wijze te gebruiken voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2027. Een dergelijke partnerschapsovereenkomst wordt voorbereid in overeenstemming met de gedragscode die is vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie. [Am. 82]

2.  De lidstaat dient de partnerschapsovereenkomst in bij de Commissie vóór of tegelijkertijd met de indiening van het eerste programma, en uiterlijk op 30 april 2021. [Am. 83]

3.  De partnerschapsovereenkomst kan samen met het desbetreffende jaarlijkse nationale hervormingsprogramma en het nationale energie- en klimaatplan worden ingediend. [Am. 84]

4.  De lidstaat stelt de partnerschapsovereenkomst op overeenkomstig het in bijlage II opgenomen model. De partnerschapsovereenkomst kan in een van de programma's van de lidstaat worden opgenomen.

5.  Interreg-programma's kunnen vóór de indiening van de partnerschapsovereenkomst bij de Commissie worden ingediend.

Artikel 8

Inhoud van de partnerschapsovereenkomst

De partnerschapsovereenkomst bevat de volgende onderdelen:

a)  de geselecteerde beleidsdoelstellingen waarbij wordt aangegeven met welke Fondsen en programma's zij zullen worden nagestreefd en een motivering daarvan, en in voorkomend geval, een motivering voor het gebruik van het uitvoeringsmodel van InvestEU, waarbij rekening wordt gehouden met de relevante landspecifieke aanbevelingen, waarbij rekening wordt gehouden met en een opsomming wordt gegeven van de relevante landspecifieke aanbevelingen evenals de regionale uitdagingen; [Am. 85]

b)  voor elk van de onder a) bedoelde geselecteerde beleidsdoelstellingen:

i)  een samenvatting van de beleidskeuzes en de belangrijkste resultaten die voor elk van de Fondsen wordt verwacht; onder meer, in voorkomend geval, door het gebruik van InvestEU; [Am. 86]

ii)  coördinatie, afbakening en complementariteit tussen de Fondsen en in voorkomend geval, coördinatie tussen nationale en regionale programma's, met name met betrekking tot de strategische GLB-plannen als bedoeld in Verordening (EU) [...] (de "Verordening inzake strategische GLB-plannen"); [Am. 87]

iii)  complementariteit en synergie tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie, waaronder strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten, en, in voorkomend geval, projecten die gefinancierd worden in het kader van Horizon Europa; [Am. 88]

iii bis)   verwezenlijking van doelstellingen, beleid en maatregelen in het kader van de nationale energie- en klimaatplannen; [Am. 89]

c)  de voorlopige financiële toewijzing voor elk van de Fondsen per beleidsdoelstelling op nationaal en in voorkomend geval op regionaal niveau, waarbij wordt rekening wordt gehouden met fondsspecifieke doelstellingen inzake thematische concentratie; [Am. 90]

d)  in voorkomend geval, de de opsplitsing van financiële middelen per categorie van regio's regiocategorie, opgesteld overeenkomstig artikel 102, lid 2, en de bedragen van de voorgestelde toewijzingen die moeten worden overgedragen tussen categorieën van regio's regiocategorieën overeenkomstig artikel 105; [Am. 91]

e)  de bedragen per Fonds en per categorie van regio die moeten worden bijgedragen tot InvestEU; [Am. 92]

f)  de lijst van geplande programma's onder de Fondsen met de respectieve voorlopige financiële toewijzingen per Fonds en de overeenkomstige nationale bijdrage per categorie van regio;

g)  een samenvatting van de acties die de desbetreffende lidstaat zal ondernemen om de administratieve bestuurlijke capaciteit van de uitvoering van de Fondsen en zijn beheers- en controlesysteem te versterken. [Am. 93]

g bis)   in voorkomend geval een geïntegreerde benadering om de demografische uitdagingen van regio's en gebieden het hoofd te bieden en/of te voorzien in hun specifieke behoeften; [Am. 94]

g ter)   een communicatie- en zichtbaarheidsstrategie. [Am. 95]

De EIB kan op verzoek van de lidstaten deelnemen aan de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomst, alsook aan activiteiten in verband met de voorbereiding van concrete acties, financieringsinstrumenten en PPP's. [Am. 96]

Met betrekking tot de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) bevat de partnerschapsovereenkomst alleen de lijst van geplande programma's en de grensoverschrijdende investeringsbehoeften in de betrokken lidstaat. [Am. 97]

Artikel 9

Goedkeuring van de partnerschapsovereenkomst

1.  De Commissie beoordeelt de partnerovereenkomst en haar overeenstemming met de onderhavige verordening en de fondsspecifieke voorschriften. In haar beoordeling houdt de Commissie in het bijzonder rekening met rekening met de bepalingen van de artikelen 4 en 6, de relevante landspecifieke aanbevelingen, evenals de maatregelen in verband met de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de manier waarop deze worden aangepakt. [Am. 98]

2.  De Commissie kan binnen drie twee maanden na de datum waarop de partnerschapovereenkomst door de lidstaat is ingediend haar opmerkingen doen toekomen. [Am. 99]

3.  De lidstaat evalueert de partnerschapsovereenkomst en houdt rekening met de opmerkingen binnen een maand na de datum van indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen. [Am. 100]

4.  Uiterlijk vier maanden na de eerste indiening van de partnerschapsovereenkomst door de desbetreffende lidstaat stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot goedkeuring van de partnerschapovereenkomst. De partnerschapovereenkomst wordt niet gewijzigd. [Am. 101]

5.  Indien de partnerschapovereenkomst overeenkomstig artikel 7, lid 4, in een programma is opgenomen, stelt de Commissie uiterlijk zes maanden na indiening van dat programma door de desbetreffende lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot goedkeuring van dat programma.

Artikel 10

Inzet van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV door middel van InvestEU

1.  Vanaf 1 januari 2023 kunnen lidstaten, in met instemming van de partnerschapsovereenkomst of betrokken beheersautoriteiten, in het verzoek tot wijziging van een programma het een bedrag van maximaal 2 % van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV toewijzen dat aan InvestEU moet worden bijgedragen en door middel van begrotingsgaranties moet worden verstrekt. Het Verder kan maximaal 3 % van de totale toewijzing van elk Fonds aan InvestEU bij te dragen bedrag mag niet meer bedragen dat 5 % worden toegewezen in het kader van de tussentijdse evaluatie. Dergelijke bijdragen zijn beschikbaar voor investeringen die stroken met de doelstellingen van het cohesiebeleid en die bestemd zijn voor dezelfde regiocategorie als de totale toewijzing van elk Fonds, behoudens in naar behoren gemotiveerde gevallen. Dergelijke bijdragen middelen uit de oorspronkelijke Fondsen. Indien een bedrag van het EFRO, het ESF+ of het Cohesiefonds wordt bijgedragen aan InvestEU, zijn de in artikel 11 en in de bijlagen III en IV bij deze verordening beschreven randvoorwaarden van toepassing. Toewijzingen zijn alleen mogelijk voor geen overdrachten van middelen overeenkomstig artikel 21 van toekomstige kalenderjaren. [Am. 428]

2.  Voor de partnerschapsovereenkomst kunnen middelen van het huidige en toekomstige kalenderjaar worden toegewezen. Voor een verzoek tot wijziging van een programma kunnen alleen middelen van toekomstige kalenderjaren worden toegewezen. [Am. 103]

3.  Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt gebruikt voor de voorziening van het deel van de EU-garantie in het compartiment van de respectieve lidstaat. [Am. 104]

4.  Indien vóór 31 december 2021 2023 geen bijdrageovereenkomst, als vermeld in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening] is gesloten voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in de partnerschapsovereenkomst, dient de lidstaat een verzoek tot wijziging van een programma of programma's in, teneinde gebruik te maken van het desbetreffende bedrag. [Am. 105]

De bijdrageovereenkomst voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in het verzoek tot wijziging van een programma, wordt gelijktijdig met de goedkeuring van het besluit tot wijziging van het programma gesloten of, naargelang van het geval, gewijzigd. [Am. 106]

5.  Indien binnen negen maanden na de goedkeuring van de bijdrageovereenkomst geen garantieovereenkomst, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening], is gesloten, worden de respectievelijke bedragen die naar het gemeenschappelijk voorzieningsfonds zijn overgemaakt als voorziening, terug overgedragen naar een het oorspronkelijke programma of de oorspronkelijke programma's en dient de lidstaat een overeenkomstig verzoek tot programmawijziging in. In dit specifieke geval kunnen de middelen van afgelopen kalenderjaren worden gewijzigd, zolang de vastleggingen nog niet zijn uitgevoerd. [Am. 107]

6.  Indien een garantieovereenkomst, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening], binnen vier jaar na de ondertekening ervan, niet volledig is uitgevoerd, kan de lidstaat verzoeken dat bedragen die zijn vastgelegd in de garantieovereenkomst maar geen onderliggende leningen of andere risicodragende instrumenten dekken, worden behandeld overeenkomstig lid 5.

7.  De middelen die worden gegenereerd door of toe te schrijven zijn aan de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU en verstrekt door middel van begrotingsgaranties, worden ter beschikking gesteld aan de lidstaat en de bij de bijdrage betrokken lokale of regionale autoriteit en gebruikt voor steun in het kader van dezelfde doelstelling of doelstellingen in de vorm van financiële instrumenten. [Am. 108]

8.  De Commissie zal de bijgedragen bedragen die niet zijn gebruikt voor InvestEU voor het jaar waarin de overeenkomstige programmawijziging is goedgekeurd, opnieuw in de begroting opnemen. Deze bedragen mogen niet later dan het jaar 2027 opnieuw in de begroting worden opgenomen.

De termijn voor doorhaling van het opnieuw in de begroting opgenomen bedrag overeenkomstig artikel 99 begint te lopen vanaf het jaar waarin de bijdrage opnieuw in de begroting is opgenomen.

HOOFDSTUK II

Randvoorwaarden en prestatiekader

Artikel 11

Randvoorwaarden

1.  Voor elke specifieke doelstelling worden in deze verordening voorafgaande voorwaarden ("randvoorwaarden") vastgesteld voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan. De randvoorwaarden zijn van toepassing voor zover zij bijdragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma. [Am. 109]

In bijlage III worden horizontale randvoorwaarden vastgesteld die gelden voor alle specifieke doelstellingen en de criteria die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden is voldaan.

In bijlage IV worden thematische randvoorwaarden vastgesteld voor het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF+ en de criteria die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden is voldaan.

2.  Bij de voorbereiding van een programma of de invoering van een nieuwe specifieke doelstelling als onderdeel van een programmawijziging, beoordeelt de lidstaat of de randvoorwaarden die samenhangen met de geselecteerde specifieke doelstelling, zijn vervuld. Een randvoorwaarde is vervuld wanneer is voldaan aan alle gerelateerde criteria. De lidstaat identificeert in elk programma of in de programmawijziging de vervulde en niet-vervulde randvoorwaarden en wanneer de lidstaat van oordeel is dat een randvoorwaarde is vervuld, wordt dit door de lidstaat gemotiveerd. Op verzoek van een lidstaat kan de EIB bijdragen aan de beoordelingen van de acties die nodig zijn om aan de relevante randvoorwaarden te voldoen. [Am. 110]

3.  Wanneer niet is voldaan aan een randvoorwaarde op het ogenblik dat het programma wordt goedgekeurd of gewijzigd, rapporteert de lidstaat aan de Commissie zodra hij met een motivatie van oordeel is dat de randvoorwaarde is vervuld.

4.  Binnen drie twee maanden na de ontvangst van de in lid 3 bedoelde informatie voert de Commissie een evaluatie uit en stelt zij de lidstaat ervan in kennis of zij akkoord gaat met de naleving. [Am. 111]

Wanneer de Commissie het oneens is met de beoordeling van de lidstaat, stelt zij de lidstaat hiervan in kennis en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid zijn opmerkingen binnen een termijn van één maand maximaal twee maanden kenbaar te maken. [Am. 112]

5.  Uitgaven die verband houden met concrete acties die gekoppeld zijn aan de specifieke doelstelling, kunnen niet kunnen worden opgenomen in de betalingsaanvragen totdat vóór de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat de randvoorwaarde is vervuld overeenkomstig lid 4, onverminderd de schorsing van de vergoeding zelf totdat de voorwaarde is vervuld. [Am. 113]

De eerste alinea is niet van toepassing op de concrete acties die bijdragen tot de naleving van de overeenkomstige randvoorwaarden.

6.  De lidstaat zorgt ervoor dat de randvoorwaarden gedurende de volledige programmeringsperiode vervuld en toegepast zijn. Hij stelt de Commissie in kennis van elke wijziging die de vervulling van de randvoorwaarden beïnvloedt.

Wanneer de Commissie vaststelt dat een randvoorwaarde niet langer is vervuld, stelt zij de lidstaat hiervan in kennis en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid zijn opmerkingen binnen een termijn van één maand kenbaar te maken. Wanneer de Commissie concludeert dat de niet-naleving van de randvoorwaarden blijft voortduren, kunnen uitgaven die gekoppeld zijn aan de desbetreffende specifieke doelstelling niet worden opgenomen in betalingsaanvragen met ingang van de datum dat de Commissie de lidstaat hieromtrent in kennis stelt.

7.  Bijlage IV is niet van toepassing op programma's die worden gefinancierd in het kader van het EFMZV.

Artikel 12

Prestatiekader

1.  De lidstaat stelt, in voorkomend geval in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten, een prestatiekader op dat de mogelijkheid biedt tot toezicht op, rapportage over en evaluatie van de prestaties van het programma tijdens de uitvoering ervan en dat bijdraagt tot het meten van algemene prestaties van de Fondsen. [Am. 115]

Het prestatiekader bestaat uit:

a)  de output- en resultaatindicatoren die gekoppeld zijn aan specifieke doelstellingen die in de fondsspecifieke verordeningen zijn vastgesteld;

b)  de mijlpalen die tegen eind 2024 moeten zijn bereikt voor de outputindicatoren; en

c)  de doelstellingen die tegen eind 2029 moeten zijn bereikt voor de resultaatindicatoren.

2.  Mijlpalen en doelstellingen worden vastgesteld met betrekking tot elke specifieke doelstelling binnen een programma, met uitzondering van technische bijstand en van de in artikel [4,(c)(vii, lid 1, onder xi,)] van de ESF+ Verordening bedoelde specifieke doelstelling voor de aanpak van materiële deprivatie. [Am. 116]

3.  Mijlpalen en doelstellingen stellen de Commissie en de lidstaten in staat de vooruitgang te meten die is geboekt bij de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen. Zij voldoen aan de in artikel [33(3)] van het Financieel Reglement bedoelde vereisten.

Artikel 13

Methodes voor de vaststelling van een prestatiekader

1.  De methodes voor de vaststelling van een prestatiekader zijn:

a)  de door de lidstaten toegepaste criteria voor de selectie van indicatoren;

b)  gegevens of bewijsmateriaal, kwaliteitsborging van gegevens en de berekeningsmethode;

c)  factoren die het verwezenlijken van de mijlpalen en doelstellingen kunnen beïnvloeden en de wijze waarop hiermee rekening is gehouden.

2.  De lidstaten stellen deze methodes op verzoek van de Commissie beschikbaar.

Artikel 14

Tussentijdse evaluatie

1.  Voor de programma's ondersteund door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds, verricht verrichten de lidstaat en de bevoegde beheersautoriteiten een evaluatie van elk programma, rekening houdende houdend met de volgende punten: [Am. 117]

a)  de nieuwe, in de desbetreffende in 2024 aangenomen landspecifieke aanbevelingen vastgestelde problemen, en de doelstellingen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, indien relevant; [Am. 118]

b)  de sociaal-economische situatie van de betrokken lidstaat of regio, met inbegrip van de stand van zaken bij de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en territoriale behoeften met het oog op de vermindering van verschillen, evenals economische en sociale ongelijkheden; [Am. 119]

c)  de geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de mijlpalen;

d)  in voorkomend geval, de resultaten van de in artikel 104, lid 2, bedoelde technische aanpassing.

d bis)  alle belangrijke negatieve financiële, economische of sociale ontwikkelingen die een aanpassing van het programma noodzakelijk maken, bijvoorbeeld naar aanleiding van symmetrische of asymmetrische schokken in de lidstaten en hun regio's. [Am. 120]

2.  Afhankelijk van het resultaat van de herziening lidstaat dient de lidstaat uiterlijk op 31 maart 2025 bij de Commissie een verzoek in tot wijziging van elk programma in overeenkomstig artikel 19, lid 1, of stelt de lidstaat dat er geen wijzigingen nodig zijn. De lidstaat rechtvaardigt de wijziging op basis van de in lid 1 bedoelde punten, of motiveert in voorkomend geval waarom hij niet om wijziging van een programma verzoekt. [Am. 121]

Het herziene programma moet het volgende omvatten:

a)  de herziene initiële toewijzingen van de financiële middelen per prioriteit met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2026 en 2027; [Am. 122]

b)  herziene of nieuwe doelstellingen;

b bis)   de bedragen per Fonds en per categorie van regio die moeten worden bijgedragen tot InvestEU, in voorkomend geval; [Am. 123]

c)  in voorkomend geval, de herziene toewijzingen van financiële middelen als gevolg van de in artikel 104, lid 2 bedoelde technische aanpassing, met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2025, 2026 en 2027.

3.  Wanneer als gevolg van de evaluatie een nieuw programma wordt ingediend, heeft het financieringsplan als bedoeld in artikel 17, lid 3, onder f), punt ii), betrekking op de totale financiële toewijzing voor elk van de Fondsen met ingang van het jaar van de goedkeuring van het programma.

3 bis.   De Commissie stelt uiterlijk op 31 maart 2026 een verslag vast met een samenvatting van de resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde evaluatie. De Commissie legt het verslag voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. [Am. 124]

HOOFSTUK III

Maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur

Artikel 15

Maatregelen om doeltreffendheid van de Fondsen te koppelen aan behoorlijk economisch bestuur

1.  De Commissie kan een lidstaat verzoeken de betrokken programma's te evalueren en wijzigingen daarop voor te stellen, wanneer dit nodig is om de uitvoering van de desbetreffende aanbevelingen van de Raad te ondersteunen.

Dit verzoek kan worden geformuleerd:

a)  ter ondersteuning van de uitvoering van een relevante landspecifieke aanbeveling van de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en van een relevante tot de lidstaat gerichte aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU;

b)  ter ondersteuning van de uitvoering van tot de betrokken lidstaat gerichte relevante aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 7, lid 2, of artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011(36) van het Europees Parlement en de Raad op voorwaarde dat deze wijzigingen noodzakelijk worden geacht om macro-economische onevenwichtigheden te helpen corrigeren;

2.  Een verzoek van de Commissie aan een lidstaat overeenkomstig lid 1 wordt gemotiveerd, onder verwijzing naar de noodzaak de uitvoering te ondersteunen van de desbetreffende aanbevelingen en in dit verzoek wordt vermeld om welke programma’s of prioriteiten het volgens de Commissie gaat, alsmede de aard van de verwachte wijzigingen.

3.  De lidstaat dient zijn antwoord op het in lid 1 bedoelde verzoek in binnen twee maanden nadat hij het verzoek heeft ontvangen en legt uit welke wijzigingen hij in de desbetreffende programma’s nodig acht en waarom en geeft aan om welke programma’s het gaat en welk karakter de voorgestelde wijzigingen hebben, alsmede welke effecten ervan worden verwacht op de uitvoering van aanbevelingen en op de tenuitvoerlegging van de Fondsen. Zo nodig maakt de Commissie binnen een maand na de ontvangst van dat antwoord opmerkingen.

4.  De lidstaat dient een voorstel tot wijziging van de desbetreffende programma’s in binnen twee maanden na de datum van indiening van het in lid 3 bedoelde antwoord.

5.  Als de Commissie geen opmerkingen heeft ingediend of als de Commissie van mening is dat met alle ingediende opmerkingen naar tevredenheid rekening is gehouden, stelt zij een besluit vast tot goedkeuring van de wijzigingen van de desbetreffende programma's overeenkomstig de in artikel [19(4)] vastgestelde termijn.

6.  Wanneer de lidstaat als reactie op een overeenkomstig lid 1 geformuleerd verzoek niet effectief optreedt binnen de in de leden 3 en 4 bepaalde termijnen, kan de Commissie overeenkomstig artikel 91 alle of een deel van de betalingen voor de betrokken programma’s of prioriteiten schorsen.

7.  De Commissie doet een voorstel aan de Raad om alle of een deel van de vastleggingen of betalingen voor een of meerdere programma's van een lidstaat te schorsen, in de volgende gevallen:

a)  de Raad besluit overeenkomstig artikel 126, lid 8 of 11, VWEU dat een lidstaat geen effectieve maatregelen heeft genomen om zijn buitensporige tekort te corrigeren;

b)  de Raad keurt twee opeenvolgende aanbevelingen goed in dezelfde procedure bij onevenwichtigheden, overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (37), op grond dat de lidstaat een ontoereikend plan met corrigerende maatregelen heeft ingediend;

c)  de Raad keurt twee opeenvolgende besluiten goed in dezelfde procedure bij onevenwichtigheden, overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1176/2011, met de vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, doordat hij de aanbevolen corrigerende maatregelen niet heeft genomen;

d)  de Commissie stelt vast dat een lidstaat geen maatregelen heeft genomen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 332/2002(38) en besluit bijgevolg de uitbetaling van de aan die lidstaat toegekende financiële bijstand niet goed te keuren;

e)  de Raad besluit dat een lidstaat het macro-economisch aanpassingsprogramma overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad(39) niet naleeft of de maatregelen waarom is verzocht in een overeenkomstig artikel 136, lid 1, VWEU vastgesteld Raadsbesluit, niet neemt.

Er wordt prioriteit gegeven aan het schorsen van vastleggingen; betalingen worden alleen geschorst, wanneer het de bedoeling is onmiddellijk op te treden en in het geval van significante niet-naleving. De schorsing van betalingen is van toepassing op betalingsaanvragen die voor de programma's in kwestie zijn ingediend na de datum van het schorsingsbesluit.

De Commissie kan om reden van uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek dat de betrokken lidstaat aan de Commissie heeft gestuurd binnen tien dagen na de vaststelling van het in de vorige alinea bedoelde besluit of aanbeveling aanbevelen dat de Raad de in dezelfde alinea bedoelde schorsing annuleert.

8.  Een voorstel van de Commissie met betrekking tot de schorsing van vastleggingen wordt beschouwd als aangenomen door de Raad, tenzij deze door middel van een uitvoeringshandeling besluit het voorstel met gekwalificeerde meerderheid te verwerpen binnen een maand na de indiening van het Commissievoorstel.

De schorsing van vastleggingen is van toepassing op de vastleggingen van de Fondsen voor de lidstaat in kwestie vanaf 1 januari van het jaar na het schorsingsbesluit.

De Raad stelt op basis van een voorstel van de Commissie als bedoeld in lid 7, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit over de schorsing van betalingen vast.

9.  De omvang en het niveau van de schorsing van vastleggingen die wordt opgelegd, is evenredig, respecteert de gelijke behandeling van de lidstaten en houdt rekening met de sociaaleconomische omstandigheden van de betrokken lidstaat, in het bijzonder het werkloosheidspeil, het armoedepeil of het niveau van sociale uitsluiting van de lidstaat in kwestie ten opzichte van het gemiddelde van de Unie en het effect van de schorsing op de economie van de betrokken lidstaat. De impact van schorsingen op programma’s die van essentieel belang zijn voor de aanpak van negatieve economische of sociale omstandigheden, zijn een specifieke factor waarmee rekening moet worden gehouden.

10.  Voor de schorsing van vastleggingen geldt in de volgende gevallen dat maximum van 25 % van de vastleggingen voor het volgende kalenderjaar voor de Fondsen, of, als dat minder is, van 0,25 % van het nominale bbp, kan worden geschorst:

a)  bij de eerste niet-naleving van een procedure bij buitensporige tekorten als bedoeld in lid 7, onder a);

b)  bij de eerste niet-naleving in verband met een plan met corrigerende maatregelen in het kader van een procedure bij buitensporige tekorten als bedoeld in lid 7, onder b);

c)  bij niet-naleving van de aanbevolen corrigerende maatregel in het kader van een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden als bedoeld in lid 7, onder c);

d)  bij de eerste niet-naleving als bedoeld in lid 7, onder d) en e).

In het geval van voortdurende niet-naleving kan het percentage van geschorste vastleggingen hoger liggen dan de maximumpercentages als bedoeld in de eerste alinea.

11.  Op voorstel van de Commissie heft de Raad de schorsing van vastleggingen op overeenkomstig de in lid 8 bedoelde procedure in de volgende gevallen:

a)  de procedure bij buitensporige tekorten overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1467/97(40) van de Raad is opgeschort of de Raad heeft overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU besloten het besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in te trekken;

b)  de Raad heeft het door de betrokken lidstaat ingediende plan met corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 onderschreven of de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden overeenkomstig artikel 10, lid 5, van die verordening is opgeschort, of de Raad heeft de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden overeenkomstig artikel 11 van die verordening afgesloten;

c)  de Commissie heeft geconcludeerd dat een lidstaat de in Verordening (EG) nr. 332/2002 bedoelde passende maatregelen heeft genomen;

d)  de Commissie heeft besloten dat de betrokken lidstaat passende maatregelen heeft genomen om het aanpassingsprogramma overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013 uit te voeren of de maatregelen waarom is verzocht in een overeenkomstig artikel 136, lid 1, VWEU vastgesteld Raadsbesluit, te nemen.

Nadat de Raad de schorsing van vastleggingen heeft opgeheven, plaatst de Commissie de geschorste vastleggingen overeenkomstig artikel [8] van Verordening (EU, Euratom) [ […] van de Raad (MFK-verordening )] opnieuw op de begroting.

Geschorste vastleggingen mogen na het jaar 2027 niet opnieuw op de begroting worden geplaatst.

De termijn voor de vrijmaking van het overeenkomstig artikel 99 opnieuw op de begroting geplaatste bedrag vangt aan met ingang van het jaar waarin de geschorste vastlegging opnieuw op de begroting is geplaatst.

Een besluit over de opheffing van de schorsing van betalingen wordt genomen door de Raad op basis van een voorstel van de Commissie, als aan de in de eerste alinea bepaalde toepasselijke voorwaarden is voldaan.

12.  De Commissie houdt het Europees Parlement op de hoogte van de tenuitvoerlegging van dit artikel. Met name informeert zij het Europees Parlement onverwijld wanneer voor een lidstaat aan een van de voorwaarden in lid 7 is voldaan en verstrekt zij gedetailleerde gegevens over de ESI-fondsen en de programma’s waarvoor tot een schorsing van vastleggingen kan worden besloten.

Het Europees Parlement kan de Commissie uitnodigen voor een gestructureerde dialoog over de toepassing van dit artikel, met betrekking tot de toezending van de in de eerste alinea bedoelde informatie.

De Commissie zendt het voorstel voor de schorsing van vastleggingen, respectievelijk het voorstel om deze schorsing op te heffen, toe aan het Europees Parlement en de Raad.

13.  De leden 1 tot en met 12 zijn niet van toepassing op de in artikel [4(c)(v)(ii)] van de ESF+-verordening bedoelde prioriteiten of programma's. [Am. 425/rev, 444/rev, 448 en 469]

Titel III

Programmering

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen betreffende de Fondsen

Artikel 16

Voorbereiding en indiening van programma's

1.  De lidstaten bereiden programma's voor in samenwerking met de in artikel 6 bedoelde partners voor de tenuitvoerlegging van de Fondsen tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027. [Am. 140]

2.  De lidstaten dienen de programma's ten laatste drie maanden na de indiening van de partnerschapsovereenkomst bij de Commissie in.

3.  De lidstaten bereiden de programma's voor overeenkomstig het in bijlage V opgenomen model.

Voor het AMIF, het ISF en het BMVI bereidt de lidstaat programma's voor overeenkomstig het in bijlage VI opgenomen model.

Artikel 17

Inhoud van programma's

1.  Elk programma bevat een strategie voor de bijdrage van het programma aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen en de mededeling van de resultaten.

2.  Een programma bestaat uit prioriteiten. Elke prioriteit stemt overeen met één beleidsdoelstelling een of meerdere beleidsdoelstellingen of met technische bijstand. Een prioriteit die overeenstemt met een beleidsdoelstelling, bestaat uit een of meerdere specifieke doelstellingen. Met eenzelfde beleidsdoelstelling kunnen meerdere prioriteiten overeenstemmen. [Am. 141]

Voor door het EFMZV ondersteunde programma's kan iedere prioriteit overeenstemmen met een of meerdere beleidsdoelstellingen. Specifieke doelstellingen stemmen overeen met steungebieden als bepaald in bijlage [III] bij de EFMZV-verordening.

Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's bestaat een programma uit specifieke doelstellingen.

3.  Voor elk programma wordt het volgende vastgesteld:

a)  een samenvatting van de voornaamste problemen, rekening houdend met:

i)  economische, sociale en territoriale verschillen en ongelijkheden, behalve voor door het EFMZV ondersteunde programma's; [Am. 142]

ii)  tekortkoming van de markt, investeringsbehoeften en een aanvulling op en synergieën met andere vormen van steun; [Am. 143]

iii)  uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen en andere relevante aanbevelingen van de Unie aan de lidstaat; [Am. 144]

iv)  uitdagingen op het vlak van administratieve capaciteit en bestuur en vereenvoudigingsmaatregelen; [Am. 145]

iv bis)   een geïntegreerde benadering voor de aanpak van demografische uitdagingen, in voorkomend geval; [Am. 146]

v)  lessen uit ervaringen uit het verleden;

vi)  macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën waar lidstaten en regio's participeren in dergelijke strategieën;

vi bis)   uitdagingen en daarmee verband houdende doelstellingen die in de nationale energie- en klimaatplannen en in de Europese pijler van sociale rechten zijn vastgesteld; [Am. 147]

vii)  voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's de vooruitgang met de uitvoering van het relevante EU-acquis en actieplannen, evenals de geconstateerde tekortkomingen; [Am. 148]

b)  een verantwoording voor de geselecteerde beleidsdoelstellingen, bijhorende prioriteiten, specifieke doelstellingen en de vormen van steun;

c)  voor elke prioriteit, behalve voor technische bijstand, specifieke doelstellingen;

d)  voor elke specifieke doelstelling:

i)  de gerelateerde soorten acties, met inbegrip van een indicatieve lijst met en een tijdschema voor de geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun de verwachte bijdrage daarvan aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën, indien van toepassing; [Am. 149]

ii)  outputindicatoren en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en streefdoelen;

iii)  de hoofddoelgroepen;

iii bis)   acties ter waarborging van gelijkheid, inclusie en non-discriminatie; [Am. 150]

iv)  beoogde specifieke grondgebieden, met inbegrip van het geplande gebruik van geïntegreerde territoriale ontwikkeling, vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling of een ander territoriaal instrument;

v)  de interregionale, grensoverschrijdende en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn; [Am. 151]

v bis)   de duurzaamheid van investeringen; [Am. 152]

vi)  het geplande gebruik van financieringsinstrumenten;

vii)  de interventietypes en een indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen per interventietype of terrein voor ondersteuning;

vii bis)   een beschrijving van de wijze waarop complementariteit en synergieën met andere Fondsen en instrumenten moeten worden nagestreefd; [Am. 153]

e)  het geplande gebruik van technische bijstand overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 32 en relevante interventietypes;

f)  een financieringsplan dat het volgende bevat:

i)  een tabel met de totale financiële toewijzingen voor elk van de fondsen en voor elke regiocategorie voor de hele programmeringsperiode en per jaar, met inbegrip van op grond van artikel 21 overgedragen bedragen;

ii)  een tabel met de totale financiële toewijzingen voor elke prioriteit per fonds en per regiocategorie, de nationale bijdrage en of zij is samengesteld uit publieke en private bijdragen;

iii)  voor door het EFMZV ondersteunde programma's een tabel met voor elk type van terrein voor ondersteuning het bedrag van de totale financiële toewijzingen voor de steun uit het fonds en de nationale bijdrage;

iv)  voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's een tabel met per specifieke doelstelling de totale financiële toewijzingen per actietype, de nationale bijdrage en of zij is samengesteld uit publieke en private bijdragen;

g)  de maatregelen die zijn getroffen om de in artikel 6 bedoelde relevante partners te betrekken bij de voorbereiding van het programma en de rol van die partners bij de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van dat programma;

h)  voor elke overeenkomstig artikel 11, bijlage III en bijlage IV vastgestelde randvoorwaarde een antwoord op de vraag of aan de randvoorwaarde is voldaan op de datum van indiening van het programma;

i)  de voorziene aanpak van de communicatie en zichtbaarheid van het programma door het vaststellen van de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, in voorkomend geval de communicatieactiviteiten op sociale media, evenals de geplande begroting en de relevante indicatoren voor toezicht en evaluatie; [Am. 154]

j)  de beheersautoriteit, de auditautoriteit, de instantie die verantwoordelijk is voor de boekhoudfunctie overeenkomstig artikel 70, en de instantie die de betalingen van de Commissie ontvangt. [Am. 155]

De punten c) en d) van dit lid zijn niet van toepassing op de in artikel [4, onder c), punt vii), lid 1, onder xi),] van de ESF+-verordening bedoelde specifieke doelstelling. [Am. 156]

Een milieurapport met relevante informatie over de effecten op het milieu overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG wordt als bijlage bij het programma gevoegd, rekening houdend met de behoeften ten aanzien van matiging van de klimaatverandering. [Am. 157]

4.  In afwijking van lid 3, onder d), wordt voor elke specifieke doelstelling van door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, het volgende verstrekt:

a)  een beschrijving van de uitgangsituatie, uitdagingen en door het fonds ondersteunde reacties;

b)  een indicatie van de operationele doelstellingen;

c)  een indicatieve lijst van acties en de verwachte bijdrage daarvan aan de verwezenlijking van de specifieke en operationele doelstellingen;

d)  indien van toepassing een motivering voor de operationele steun, specifieke acties, noodhulp en acties als bedoeld in de artikelen [16 en 17] van de AMIF-verordening;

e)  output- en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en streefdoelen;

f)  een indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen naar interventietype.

5.  Interventietypes worden gebaseerd op de in bijlage I vastgestelde nomenclatuur. Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's worden de interventietypes gebaseerd op de in de fondsspecifieke verordening vastgestelde nomenclatuur.

6.  Voor overeenkomstig artikel 16 ingediende EFRO-, ESF+- en Cohesiefondsprogramma's bevat de in lid 3, onder f), ii), bedoelde tabel uitsluitend de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2025 2027. [Am. 158]

7.  De lidstaat brengt de Commissie op de hoogte van elke verandering in de in lid 3, onder j), bedoelde informatie zonder dat een programmawijziging nodig is.

Artikel 18

Goedkeuring van programma's

1.  De Commissie beoordeelt het programma en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, net als de verenigbaarheid ervan met de partnerschapsovereenkomst. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen, evenals met de relevante uitdagingen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en in de Europese pijler van sociale rechten, en met de manier waarop deze worden aangepakt. [Am. 160]

2.  De Commissie kan binnen drie twee maanden na de datum waarop het programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren. [Am. 161]

3.  De lidstaat evalueert het programma en houdt rekening met de opmerkingen van binnen twee maanden na de indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen. [Am. 162]

4.  De Commissie stelt uiterlijk zes vijf maanden na de eerste indiening van het programma door de lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast. [Am. 163]

Artikel 19

Wijziging van programma's

1.  De lidstaat kan een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op het bereiken van de doelstellingen is.

2.  De Commissie beoordeelt de wijziging en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, met inbegrip van verplichtingen op nationaal niveau, en kan binnen drie twee maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren. [Am. 164]

3.  De lidstaat evalueert het gewijzigde programma en houdt rekening met de opmerkingen van binnen twee maanden na de indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen. [Am. 165]

4.  De Commissie keurt uiterlijk zes drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, de wijziging van een programma goed. [Am. 166]

5.  De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 5 7 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 5 % van de programmabegroting overdragen naar een ander fonds van hetzelfde programma. Daarbij neemt de lidstaat de gedragscode in acht die is vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie. Voor de door het EFRO en het ESF+ ondersteunde programma's heeft de overdracht enkel betrekking op toewijzingen uit dezelfde regiocategorie. [Am. 167]

Dergelijke overdrachten hebben geen gevolgen voor de voorgaande jaren. Zij worden beschouwd als niet-ingrijpend en vergen geen besluit van de Commissie tot wijziging van het programma. Zij moeten echter wel voldoen aan alle regelgeving. De lidstaat dient bij de Commissie de in artikel 17, lid 3, onder f), ii), f), iii) of f), iv) bedoelde herziene tabel in.

6.  Voor het corrigeren van tikfouten of louter technische of redactionele wijzigingen die de uitvoering van het programma niet beïnvloeden, wordt geen goedkeuring van de Commissie vereist. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke correcties. [Am. 168]

7.  Voor door het EFMZV ondersteunde programma's wordt voor wijzigingen met betrekking tot de invoering van indicatoren geen goedkeuring van de Commissie vereist.

Artikel 20

Gezamenlijke steun uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds

1.  Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefondskunnen gezamenlijk steun bieden voor programma's in het kader van de doelstelling "investeren inwerkgelegenheid en groei ".

2.  Het EFRO en het ESF+ kunnen op complementaire wijze en met inachtneming van een maximum van 10 15 % aan steun van deze fondsen voor elke prioriteit van een programma, financiering verlenen voor een gehele of een deel van een concrete actie waarvan de kosten volgens de desbetreffende subsidiabiliteitsregels in aanmerking komen voor steun uit een ander fonds, op voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de concrete actie uit te voeren. [Am. 169]

Artikel 21

Overdracht van middelen

1.  De Met het oog op de flexibiliteit kunnen de lidstaten, kunnen indien het toezichtcomité van het programma daarmee instemt, verzoeken om de overdracht van maximaal 5 % van de financiële toewijzingen van een programma uit een van de fondsen naar een ander het Europees fonds in gedeeld beheer voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds of naar een instrument in direct of indirect beheer het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij. [Am. 170]

2.  Overgedragen middelen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van het fonds of instrument waarnaar de middelen worden overgedragen en, in het geval van overdrachten naar instrumenten in direct of indirect beheer, ten voordele van de lidstaat in kwestie. [Ams. 171 en 434]

3.  In verzoeken op grond van artikel 1 wordt vastgesteld welk totaalbedrag jaarlijks wordt overgedragen per fonds en per regiocategorie, in voorkomend geval; dergelijke verzoeken worden naar behoren gemotiveerd met het oog op de te verwezenlijken complementariteit en impact, en gaan vergezeld van het herziene programma of de herziene programma's van waaruit overeenkomstig artikel 19 de middelen worden overgedragen, met vermelding van naar welk fonds of instrument zij worden overgedragen. [Ams. 172, 433 en 434]

4.  De Commissie kan bezwaar aantekenen tegen een verzoek om overdracht in de betrokken programmawijziging als dat een risico zou inhouden voor het bereiken van de doelstellingen van het programma van waaruit de middelen worden overgedragen.

5.  Overdrachten zijn alleen mogelijk voor middelen uit toekomstige kalenderjaren.

HOOFDSTUK I bis

Grote projecten

Artikel 21 bis

Inhoud

In het kader van een of meer programma's kunnen het EFRO en het Cohesiefonds steun verlenen aan een concrete actie die een reeks werkzaamheden, activiteiten of diensten omvat en die bedoeld is om op zichzelf een ondeelbare taak van nauwkeurig omschreven economische of technische aard, met duidelijk omschreven doelen, te vervullen en waarvoor de totale subsidiabele kosten hoger zijn dan 100 miljoen EUR ("groot project"). Financieringsinstrumenten worden niet als grote projecten beschouwd. [Am. 174]

Artikel 21 ter

Voor de goedkeuring van een groot project noodzakelijke informatieµ

Vooraleer een groot project wordt goedgekeurd, legt de beheersautoriteit de Commissie de volgende informatie voor:

a)  nadere gegevens betreffende de instantie die verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van het grote project en de capaciteit ervan;

b)  een beschrijving van de investering en de plaats van uitvoering;

c)  totale kosten en totale subsidiabele kosten;

d)  de uitgevoerde haalbaarheidsstudies, met inbegrip van de analyse van de opties en de resultaten;

e)  een kosten-batenanalyse, met inbegrip van een economische en financiële analyse, en een risicobeoordeling;

f)  een analyse van het milieueffect, waarin rekening wordt gehouden met de behoeften ten aanzien van aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering en herstelvermogen voor rampen;

g)  uitleg over de wijze waarop het grote project consistent is met de desbetreffende prioriteiten van het betrokken programma of de betrokken programma's, de verwachte bijdrage ervan aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van die prioriteiten en de verwachte bijdrage aan de sociaal-economische ontwikkeling;

h)  het financieringsplan, waarin het geplande totaalbedrag aan financiële middelen en de geplande steun uit de Fondsen, van de EIB en uit alle andere financieringsbronnen zijn aangegeven, met materiële en financiële indicatoren voor het toezicht op de vorderingen, rekening houdend met de vastgestelde risico's;

i)  het tijdschema voor de uitvoering van het grote project en, wanneer wordt verwacht dat de uitvoeringsperiode langer zal zijn dan de programmeringsperiode, de fasen waarvoor steun uit de Fondsen wordt gevraagd tijdens de programmeringsperiode. [Am. 175]

Artikel 21 quater

Besluit over een groot project

1.  De Commissie beoordeelt het grote project aan de hand van de in artikel 21 ter bedoelde informatie, om te bepalen of de gevraagde financiële bijdrage voor het door de beheersautoriteit geselecteerde grote project gerechtvaardigd is. De Commissie stelt uiterlijk drie maanden na indiening van de in artikel 21 ter bedoelde informatie bij uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van de financiële bijdrage aan het geselecteerde grote project vast.

2.  De goedkeuring door de Commissie op grond van lid 1 is afhankelijk van de voorwaarde dat het eerste contract voor werken moet zijn gesloten, of, in het geval van in het kader van PPP-structuren uitgevoerde concrete acties, van de ondertekening van de PPP-overeenkomst tussen de overheidsinstantie en de private instantie binnen drie jaar na de datum van goedkeuring.

3.  Als de Commissie de financiële bijdrage aan het geselecteerde grote project niet goedkeurt, geeft zij de redenen daarvoor weer in haar besluit.

4.  Grote projecten die krachtens lid 1 ter goedkeuring worden ingediend, worden in de lijst van grote projecten van een programma opgenomen.

5.  Uitgaven voor grote projecten kunnen worden opgenomen in een betalingsaanvraag na de in lid 1 bedoelde indiening ter goedkeuring. Indien de Commissie het door de beheersautoriteit geselecteerde grote project niet goedkeurt, wordt de uitgavendeclaratie na de intrekking van de aanvraag door de lidstaat of de vaststelling van het besluit van de Commissie dienovereenkomstig gerectificeerd. [Am. 176]

HOOFDSTUK II

Territoriale ontwikkeling

Artikel 22

Geïntegreerde territoriale ontwikkeling

De lidstaat ondersteunt geïntegreerde territoriale ontwikkeling via strategieën voor territoriale en lokale ontwikkeling in de volgende vormen:

a)  geïntegreerde territoriale investeringen;

b)  vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling;

c)  een ander territoriaal instrument ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn geprogrammeerd in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder e), bedoelde beleidsdoelstelling. [Am. 177]

De lidstaat zorgt voor samenhang en coördinatie wanneer strategieën voor lokale ontwikkeling door meer dan één Fonds worden gefinancierd. [Am. 178]

Artikel 23

Territoriale strategieën

1.  Krachtens de punten a) of c) van artikel 22 uitgevoerde territoriale strategieën bevatten de volgende elementen:

a)  het geografische toepassingsgebied van de strategie met inbegrip van de onderlinge economische, sociale en ecologische verbanden; [Am. 179]

b)  een analyse van de ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van het gebied;

c)  een beschrijving van een geïntegreerde benadering voor de aanpak van de vastgestelde ontwikkelingsbehoeften en de mogelijkheden;

d)  een beschrijving van de betrokkenheid van partners overeenkomstig uit hoofde van artikel 6 bij de voorbereiding en de uitvoering van de strategie. [Am. 180]

Zij kunnen ook een lijst van te ondersteunen acties bevatten.

2.  Territoriale strategieën worden opgesteld voorbereid en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende stedelijke regionale, lokale of en andere territoriale autoriteiten of instanties overheden. Reeds bestaande strategische documenten betreffende de bestreken gebieden kunnen worden bijgewerkt en gebruikt voor territoriale strategieën. [Am. 181]

3.  Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, selecteren de desbetreffende stedelijke regionale, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties de acties of worden zij bij de selectie betrokken. [Am. 182]

Geselecteerde acties moeten de territoriale strategie naleven.

3 bis.   Bij de voorbereiding van de territoriale strategieën werken de in lid 2 bedoelde autoriteiten samen met de bevoegde beheersautoriteiten om de reikwijdte te bepalen van de in het kader van het desbetreffende programma te ondersteunen acties. [Am. 183]

4.  Wanneer een stedelijke regionale, lokale of andere territoriale autoriteit overheid of andere instantie taken uitvoert die onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit vallen, andere dan de selectie van acties, wordt de autoriteit deze overheid of instantie overeenkomstig de fondsspecifieke regels door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instantie. [Am. 184]

De geselecteerde acties kunnen in het kader van meer dan een prioriteit van hetzelfde programma worden ondersteund. [Am. 185]

5.  Voor de voorbereiding en het ontwerp van territoriale strategieën kan steun worden geboden.

Artikel 24

Geïntegreerde territoriale investering

1.  Wanneer een in overeenstemming met artikel 23 uitgevoerde strategie investeringen inhoudt waarvoor steun wordt geboden uit een of meerdere fondsen, uit een of meerdere programma's of uit een of meerdere prioriteiten in eenzelfde programma, kunnen acties ter zake als geïntegreerde territoriale investering worden uitgevoerd. In voorkomend geval kan elke geïntegreerde territoriale investering worden aangevuld met financiële steun uit het Elfpo. [Am. 186]

2.  De beheersautoriteit waarborgt dat in het elektronische systeem voor het programma of de programma's de concrete acties en outputs en resultaten die tot een geïntegreerde territoriale investering bijdragen, worden onderscheiden.

2 bis.   Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, worden de desbetreffende regionale, lokale of andere overheden of instanties bij de selectie van de acties betrokken. [Am. 187]

Artikel 25

Vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling

1.  Vanuit Het EFRO, het ESF+, het EFMZV en het Elfpo bieden steun aan vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling kan steun krijgen uit het EFRO, het ESF+ en het EFMZV.. In het kader van het Elfpo wordt dergelijke ontwikkeling "plaatselijke ontwikkeling in het kader van Leader" genoemd. [Am. 188]

2.  De lidstaat waarborgt dat vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling:

a)  is gericht op subregionale gebieden;

b)  wordt geleid door plaatselijke actiegroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaaleconomische belangen, waarbij niet één belangengroep alleen de controle heeft over de besluitvorming, ook de overheidssector niet; [Am. 189]

(c)  wordt uitgevoerd via geïntegreerde strategieën in overeenstemming met artikel 26;

(d)  ondersteuning biedt voor netwerkvorming, bottom-upbenaderingen, toegankelijkheid, aspecten die in de lokale context innovatief zijn en in voorkomend geval samenwerking. [Am. 190]

3.  Wanneer steun voor in lid 2, onder c), bedoelde strategieën beschikbaar is vanuit meer dan één fonds, organiseren de bevoegde beheersautoriteiten een gemeenschappelijke oproep voor de selectie van deze strategieën en richten zij een gemengd comité op voor alle betrokken fondsen om toezicht te houden op de uitvoering van deze strategieën. De bevoegde beheersautoriteiten kunnen een van deze fondsen kiezen om steun te verlenen voor alle kosten voor voorbereiding, beheer en dynamisering bedoeld in artikel 28, lid 1, onder a) en c), in verband met deze strategieën.

4.  Wanneer de uitvoering van een dergelijke strategie steun uit meer dan een fonds betreft, kan de bevoegde beheersautoriteit een van de fondsen als hoofdfonds aanwijzen. Ook kan per fonds in kwestie worden gespecificeerd welke soorten maatregelen en concrete acties zullen worden gefinancierd. [Am. 191]

5.  De regels van het hoofdfonds gelden voor die strategie. De autoriteiten van de andere fondsen baseren zich op besluiten en beheersverificaties van de bevoegde autoriteit van het hoofdfonds.

6.  De autoriteiten van het hoofdfonds stellen de autoriteiten van de andere fondsen de informatie ter beschikking die nodig is voor de monitoring en het verrichten van betalen overeenkomstig de in de fondsspecifieke verordening bepaalde regels.

Artikel 26

Vanuit de gemeenschap aangestuurde strategieën voor lokale ontwikkeling

1.  De bevoegde autoriteiten zorgen dat elke in artikel 25, lid 2, onder c), bedoelde strategie de volgende elementen bevat:

a)  het geografische gebied en de populatie waarop de strategie betrekking heeft;

b)  het proces om de gemeenschap bij de ontwikkeling van de strategie te betrekken;

c)  een analyse van de ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van het gebied;

d)  de doelstellingen van de strategie, met meetbare streefdoelen voor resultaten, en bijhorende geplande acties om in te spelen op lokale behoeften die door de lokale gemeenschap zijn vastgesteld; [Am. 192]

e)  de regelingen voor het beheer, het toezicht en de evaluatie die aantonen dat de plaatselijke actiegroep over de capaciteit beschikt om de strategie uit te voeren;

f)  een financieel plan, met daarin begrepen de geplande toewijzing uit elk betrokken fonds, waaronder het Elfpo indien van toepassing, en elk betrokken programma. [Am. 193]

2.  De bevoegde beheersautoriteiten bepalen de criteria voor de selectie van deze strategieën, richten een comité op om deze selectie uit te voeren en keuren de door het comité geselecteerde strategieën goed.

3.  De bevoegde beheersautoriteiten voeren de eerste ronde van de selectie van strategieën uit en zorgen ervoor dat de geselecteerde plaatselijke actiegroepen hun in artikel 27, lid 3, bepaalde taken kunnen uitvoeren binnen twaalf maanden na de datum van goedkeuring van het desbetreffende programma of, in het geval van door meer dan één fonds ondersteunde strategieën, binnen twaalf maanden vanaf de datum van goedkeuring van het laatste programma.

4.  In het besluit tot goedkeuring van een strategie wordt beschreven hoeveel elk fonds en elk programma krijgt toegewezen en wat de verantwoordelijkheden beschreven voor de beheers- en controletaken in het kader van het programma of de programma's zijn. Overeenkomstige nationale overheidsbijdragen worden vooraf voor de hele periode gewaarborgd. [Am. 194]

Artikel 27

Plaatselijke actiegroepen

1.  Plaatselijke actiegroepen ontwerpen de in artikel 25, lid 2, onder c), bedoelde strategieën en voeren ze uit.

2.  De beheersautoriteiten zorgen ervoor dat de plaatselijke actiegroepen inclusief zijn en dat deze hetzij één partner van de groep kiezen die in administratieve en financiële aangelegenheden als hoofdpartner optreedt, hetzij zich verenigen in een gemeenschappelijke rechtsstructuur, met het oog op het uitvoeren van taken in verband met de strategie voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling. [Am. 195]

3.  Alle volgende taken worden uitsluitend door de plaatselijke actiegroepen uitgevoerd:

a)  de opbouw van de bestuurlijke capaciteit van lokale actoren om concrete acties te ontwikkelen en uit te voeren; [Am. 196]

b)  de opstelling van een niet-discriminerende en transparante selectieprocedure en van criteria, waardoor belangenconflicten worden vermeden en wordt gewaarborgd dat bij selectiebeslissingen niet één belangengroep alleen de controle heeft over de selectiebeslissingen;

c)  de opstelling en publicatie van oproepen tot het indienen van voorstellen;

d)  de selectie van concrete acties en de vaststelling van de steunbedragen alsmede de voorlegging van voorstellen aan de instantie die verantwoordelijk is voor de definitieve verificatie van de subsidiabiliteit voorafgaand aan de goedkeuring;

e)  het toezicht op de vorderingen met het bereiken van de doelstellingen van de strategie;

f)  de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de strategie.

4.  Wanneer plaatselijke actiegroepen andere dan de in lid 3 bedoelde taken uitvoeren die onder de verantwoordelijkheid van de managementautoriteit of het betaalorgaan vallen, worden die plaatselijke actiegroepen overeenkomstig de fondsspecifieke regels door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instanties.

5.  De plaatselijke actiegroep kan een begunstigde zijn en acties uitvoeren conform de strategie, waarbij een scheiding van functies binnen de plaatselijke actiegroep wordt aangemoedigd. [Am. 197]

Artikel 28

Steun uit de Fondsen voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling

1.  De Om complementariteit en synergieën te waarborgen, zorgt de lidstaat zorgt ervoor dat de steun uit de Fondsen voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling betrekking heeft op: [Am. 198]

a)  capaciteitsopbouw de opbouw van de bestuurlijke capaciteit en voorbereidende acties ter ondersteuning van het ontwerp en de toekomstige uitvoering van de strategieën; [Am. 199]

b)  de uitvoering van concrete acties, met inbegrip van samenwerkingsactiviteiten en de voorbereiding ervan, die werden geselecteerd in het kader van de strategie voor lokale ontwikkeling;

b bis)   dynamisering van de strategie voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling om uitwisseling tussen belanghebbenden te faciliteren, informatie te verstrekken aan belanghebbenden en potentiële begunstigden te ondersteunen bij de voorbereiding van aanvragen; [Am. 200]

c)  het beheer, het toezicht en de evaluatie van de strategie en haar dynamisering.

2.  De in lid 1, onder a), bedoelde steun is subsidiabel ongeacht of de strategie vervolgens wordt geselecteerd voor financiering.

De in lid 1, onder c), bedoelde steun bedraagt niet meer dan 25 % van de totale overheidsbijdrage aan de strategie.

HOOFDSTUK III

Technische bijstand

Artikel 29

Technische bijstand op initiatief van de Commissie

1.  Op initiatief van de Commissie kunnen de Fondsen steun verlenen acties op het gebied van voorbereiding, toezicht, controle, audit, evaluatie, communicatie, met inbegrip van de communicatie betreffende de politieke prioriteiten van de Unie en zichtbaarheid, en alle acties op het gebied van administratieve en technische bijstand die voor de uitvoering van deze verordening nodig zijn, waar nodig ook met derde landen.

1 bis.   De in de eerste alinea bedoelde maatregelen kunnen met name betrekking hebben op:

a)  ondersteuning voor de voorbereiding en beoordeling van projecten;

b)  steun voor institutionele versterking en vergroting van de bestuurlijke capaciteit voor een doeltreffend beheer van de Fondsen;

c)  studies in verband met de rapportage van de Commissie over de Fondsen en het cohesieverslag;

d)  maatregelen in verband met analyse, beheer, toezicht, uitwisseling van informatie en uitvoering van de Fondsen, alsook maatregelen in verband met de uitvoering van controlesystemen en technische en administratieve ondersteuning;

e)  evaluaties, deskundigenverslagen, statistieken en studies, ook van algemene aard, over de huidige en toekomstige werking van de Fondsen;

f)  acties om informatie te verspreiden, netwerkvorming te ondersteunen, communicatieactiviteiten uit te voeren met bijzondere nadruk op de resultaten en meerwaarde van de steun uit de Fondsen, te zorgen voor bewustmaking en aan te zetten tot samenwerking en uitwisseling van ervaringen, ook met derde landen;

g)  het opzetten, doen functioneren en onderling koppelen van computersystemen voor beheer, toezicht, audit, controle en evaluatie;

h)  acties om de evaluatiemethoden te verbeteren en informatie over de evaluatiepraktijk uit te wisselen;

i)  acties in verband met auditing;

j)  de versterking van de nationale en regionale capaciteit voor investeringsplanning, financieringsbehoeften, voorbereiding, ontwerp en uitvoering van financieringsinstrumenten, gezamenlijke actieplannen en grote projecten;

k)  de verspreiding van goede praktijken teneinde de lidstaten te helpen bij de versterking van de capaciteit van de in artikel 6, lid 1, bedoelde betrokken partners en hun overkoepelende organisaties. [Am. 201]

1 ter.   De Commissie zet ten minste 15 % van de middelen voor technische bijstand op initiatief van de Commissie in om de communicatie met het publiek efficiënter te maken en de synergie tussen de op initiatief van de Commissie verrichte communicatieactiviteiten te versterken, door de kennisbasis over de resultaten uit te breiden, met name via een effectievere gegevensvergaring en -verspreiding, evaluaties en rapportage, en vooral door te benadrukken dat de Fondsen er mee voor hebben gezorgd dat de levensomstandigheden van de burgers verbeterd zijn en de zichtbaarheid van de steun uit de Fondsen te vergroten, alsook door het publiek beter bekend te maken met de resultaten en de meerwaarde van die steun. De informatie-, communicatie- en zichtbaarheidsmaatregelen met betrekking tot de resultaten en de meerwaarde van de steun uit de Fondsen, met bijzondere nadruk op concrete acties, worden in voorkomend geval voortgezet na beëindiging van de programma's. Deze maatregelen dragen ook bij tot de institutionele communicatie betreffende de politieke prioriteiten van de Unie voor zover zij verband houden met de algemene doelstellingen van deze verordening. [Am. 202]

2.  Dergelijke acties kunnen betrekking hebben op toekomstige eerdere en eerdere toekomstige programmeringsperiodes. [Am. 203]

2 bis.  Teneinde situaties te voorkomen waarin betalingen worden geschorst, zorgt de Commissie ervoor dat de lidstaten en de regio's die worden geconfronteerd met nalevingsproblemen ten gevolge van een gebrek aan bestuurlijke capaciteit, passende technische bijstand ontvangen om die bestuurlijke capaciteit te verbeteren. [Am. 204]

3.  De Commissie zet haar plannen uiteen als een bijdrage van de Fondsen wordt overwogen overeenkomstig artikel [110] van het Financieel Reglement.

4.  Afhankelijk van het doel kunnen de in dit artikel bedoelde acties worden gefinancierd als beleids- of administratieve uitgaven.

Artikel 30

Technische bijstand van de lidstaten

1.  Op initiatief van een lidstaat kunnen de Fondsen acties ondersteunen die betrekking kunnen hebben op eerdere en volgende programmeringsperiodes en die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze fondsen, voor de capaciteitsopbouw van de in artikel 6 bedoelde partners, alsook voor het waarborgen van bepaalde functies zoals voorbereiding, opleiding, beheer, monitoring, evaluatie, zichtbaarheid en communicatie. [Am. 205]

2.  Ieder fonds kan concrete acties op het gebied van technische bijstand steunen die voor steun uit een ander fonds in aanmerking komen.

3.  Binnen elk programma krijgt de technische bijstand de vorm van een prioriteit die verband houdt met hetzij één enkel fonds, hetzij meerdere fondsen. [Am. 206]

Artikel 31

Financiering volgens een vast percentage voor technische bijstand van lidstaten

1.  Technische bijstand voor elk programma wordt vergoed volgens een vast percentage door de in lid 2 vermelde percentages toe te passen op de subsidiabele uitgaven die in iedere betalingsaanvraag zijn opgenomen naar gelang het geval krachtens artikel 85, lid 3, onder a) of onder c).

2.  Het Op basis van een overeenkomst tussen de Commissie en de lidstaten en met inachtneming van het financiële plan van het programma, kan het percentage dat uit de Fondsen wordt vergoed voor technische bijstand is worden vastgesteld op maximaal: [Am. 207]

a)  voor de EFRO-steun in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en voor de Cohesiefonds-steun: 2,5 3 %; [Am. 208]

b)  voor de ESF+-steun: 4 : 5% en voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii) xi), van de ESF+-verordening: 5 6 %; [Am. 209]

c)  voor de EFMZV-steun: 6 %;

d)  voor de AMIF-, ISF- en BMVI-steun: 6 7 %. [Am. 210]

Voor de ultraperifere gebieden is het percentage voor de punten a), b) en c), maximaal 1 % hoger. [Am. 211]

3.  Specifieke regels voor technische bijstand voor Interreg-programma's worden vastgesteld in de ETS-verordening.

Artikel 32

Financiering die geen verband houdt met kosten voor technische bijstand van lidstaten

Bovenop artikel 31 kan de lidstaat aanvullende acties op het gebied van technische bijstand voorstellen om de institutionele capaciteit en efficiëntie te versterken van de autoriteiten overheden en openbare diensten, begunstigden en relevante partners van de lidstaat die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze Fondsen.[Am. 212]

Steun voor dergelijke acties wordt uitgevoerd via financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89. Technische bijstand in de vorm van een optioneel specifiek programma kan worden uitgevoerd door middel van financiering die geen verband houdt met kosten voor technische bijstand, of door middel van een terugbetaling van de directe kosten. [Am. 213]

Titel IV

Toezicht, evaluatie, communicatie en zichtbaarheid

HOOFDSTUK 1

Toezicht

Artikel 33

Toezichtcomité

1.  Binnen drie maanden na de datum waarop aan de lidstaat kennis wordt gegeven van het besluit tot goedkeuring van het programma, richt de lidstaat, na raadpleging van de beheersautoriteit, een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het programma ("toezichtcomité") [Am. 214].

De lidstaat kan één toezichtcomité oprichten dat betrekking heeft op meer dan één programma.

2.  Ieder toezichtcomité stelt zijn reglement van orde vast, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van volledige transparantie. [Am. 215]

3.  Het toezichtcomité vergadert ten minste een keer per jaar en evalueert alle vraagstukken die invloed hebben op vooruitgang die wordt geboekt met de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.

4.  De lidstaat publiceert het reglement van orde van het toezichtcomité en alle gegevens en informatie die met het comité worden gedeeld op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

5.  De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op in artikel [4, onder c), vi lid 1, onder xi)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's en daarmee samenhangende technische bijstand. [Am. 216]

Artikel 34

Samenstelling van het toezichtcomité

1.  De lidstaat bepaalt de samenstelling van het toezichtcomité en zorgt aan de hand van een transparant proces voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de bevoegde lidstaatautoriteiten, intermediaire instanties en de in artikel 6 bedoelde partners. [Am. 217]

Elk lid van het toezichtcomité heeft een stem.

De lidstaat publiceert de ledenlijst van het toezichtcomité op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

2.  Vertegenwoordigers van de Commissie nemen als toezichthouder en met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel. Vertegenwoordigers van de EIB kunnen in voorkomend geval worden uitgenodigd om met raadgevende stem deel te nemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité. [Am. 218]

2 bis.  Voor het AMIF, het ISF en het BMVI nemen de relevante gedecentraliseerde agentschappen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden van het toezichtcomité. [Am. 219]

Artikel 35

Functies van het toezichtcomité

1.  Het toezichtcomité onderzoekt:

a)  de vooruitgang die is geboekt met de tenuitvoerlegging van het programma en het bereiken van de mijlpalen en streefdoelen;

a bis)   voorstellen voor mogelijke vereenvoudigingsmaatregelen voor begunstigden; [Am. 220]

b)  vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het programma en de genomen maatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van eventuele onregelmatigheden; [Am. 221]

c)  de bijdrage van het programma aan het aanpakken van problemen die in de desbetreffende landspecifieke aanbevelingen zijn vastgesteld;

d)  de in artikel 52, lid 3, opgesomde elementen van de ex-ante beoordeling en het in artikel 53, lid 2, bedoelde strategiedocument;

e)  de vorderingen met de uitvoering van de evaluaties, de samenvattingen van evaluaties en het vervolg dat aan de bevindingen is gegeven;

f)  de uitvoering van acties op het gebied van communicatie en zichtbaarheid;

g)  de vorderingen met de uitvoering van acties van strategisch belang, indien van toepassing;

h)  het voldoen aan de randvoorwaarden en de uitvoering ervan tijdens de programmeringsperiode;

i)  de vorderingen met de capaciteitsopbouw opbouw van bestuurlijke capaciteit voor overheidsinstanties, partners en begunstigden, indien van toepassing. [Am. 222]

2.  Het toezichtcomité onderzoekt:

a)  de methodologie en de criteria die worden gebruikt voor de selectie van concrete acties, met inbegrip van veranderingen daaraan, na overleg met de Commissie in overeenstemming met artikel 67, lid 2, onverminderd de punten b), c) en d) van artikel 27, lid 3;

b)  de jaarlijkse prestatieverslagen van de door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, en het eindverslag over de prestaties voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's;[Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

c)  het evaluatieplan en eventuele wijzigingen daaraan;

d)  een voorstel van de beheersautoriteit tot wijziging van een programma, met inbegrip van voorstellen voor overdrachten in overeenstemming met artikel 19, lid 5, en artikel 21.

d bis)   wijzigingen in de lijst van geplande concrete acties van strategisch belang als bedoeld in artikel 17, lid 3, onder d); [Am. 225]

2 bis.   Het toezichtcomité kan de beheersautoriteit nieuwe interventiegebieden voorstellen. [Am. 226]

Artikel 36

Jaarlijkse evaluatie van de prestaties

1.  Tussen de Commissie en elke lidstaat wordt een jaarlijkse evaluatievergadering gehouden om de prestaties van elk programma te onderzoeken. Beheersautoriteiten worden naar behoren betrokken bij dit proces. [Am. 227]

De jaarlijkse evaluatievergadering wordt voorgezeten door de Commissie of, op verzoek van de lidstaat, door de lidstaat en de Commissie tezamen.

2.  Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's vindt de evaluatievergadering tijdens de programmeringsperiode ten minste twee keer plaats.

3.  Voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's verstrekt de lidstaat de Commissie uiterlijk één maand voor de jaarlijkse evaluatievergadering de informatie over de in artikel 35, lid 1, opgesomde elementen.

Voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), van de ESF+-verordening beperkt de verstrekte informatie zich tot de punten a), b), e), f) en h) van artikel 35, lid 1.

4.  Het resultaat van de jaarlijkse evaluatievergadering wordt vastgelegd in overeengekomen notulen.

5.  De lidstaat geeft gevolg aan door de Commissie aangehaalde kwesties en stelt de Commissie binnen drie maanden in kennis van de getroffen maatregelen.

6.  Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's dient de lidstaat een jaarlijks prestatieverslag in in overeenstemming met de fondsspecifieke verordeningen. [Am. 228]

Artikel 37

Indiening van gegevens

1.  De beheersautoriteit dient uiterlijk op 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli, 30 september en 30 november de cumulatieve gegevens voor elk programma in bij de Commissie overeenkomstig het in bijlage VII opgenomen model.

De gegevens worden uiterlijk op 31 januari 28 februari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 31 januari 28 februari 2030 voor het laatst. [Am. 229]

Voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening worden de gegevens jaarlijks uiterlijk op 30 november ingediend. [Am. 230]

2.  De gegevens worden voor elke prioriteit opgesplitst per specifieke doelstelling en per regiocategorie, en hebben betrekking op:

a)  in de overdracht van gegevens op uiterlijk 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli, 30 september en 30 november van elk jaar, het aantal geselecteerde concrete acties, hun totale subsidiabele kost, de bijdrage van de Fondsen en het totaal van de door de begunstigden aan de beheersautoriteit gedeclareerde subsidiabele uitgaven, steeds opgesplitst per interventietype; [Am. 231]

b)  uitsluitend in de overdracht van gegevens op uiterlijk 31 mei en 30 november van elk jaar, de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties en de door de concrete acties bereikte waarden. [Am. 232]

3.  Voor financieringsinstrument worden ook gegevens versterkt over:

a)  subsidiabele uitgaven per type financieel product;

b)  het bedrag van als subsidiabele uitgaven gedeclareerde beheerskosten en -vergoedingen;

c)  het bedrag, per type financieel product, van particuliere en overheidsmiddelen die bovenop de Fondsen zijn gemobiliseerd;

d)  rente en andere voordelen die voortvloeien uit de steun van de Fondsen aan de in artikel 54 bedoelde Fondsen en de middelen die aan de Fondsen toe te rekenen zijn als bedoeld in artikel 56.

4.  De gegevens die in overeenstemming met dit artikel worden ingediend, zijn betrouwbaar en bijgewerkt tot het einde van de maand die voorafgaand aan de maand waarin zij worden ingediend.

5.  De beheersautoriteit publiceert alle aan de Commissie verstrekte gegevens op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

6.  Voor door het EFMZV ondersteunde programma's keurt de Commissie een uitvoeringshandeling goed in overeenstemming met de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om het model op te stellen dat voor de uitvoering van dit artikel moet worden gebruikt.

Artikel 38

Eindverslag over de prestaties

1.  Voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's dient elke beheersautoriteit bij de Commissie uiterlijk op 15 februari 2031 een eindverslag over de prestaties van het programma in.

2.  In het eindverslag over de prestaties wordt beoordeeld in hoeverre de programmadoelstellingen zijn bereikt op basis van de in artikel 35, lid 1, genoemde elementen, met uitzondering van de informatie die in het kader van artikel 35, lid 1, onder d), wordt verstrekt.

3.  De Commissie onderzoekt het eindverslag over de prestaties en deelt de beheersautoriteit binnen vijf maanden na de datum van ontvangst van het eindverslag over de prestaties haar opmerkingen mee. Als er opmerkingen worden gemaakt, verstrekt de beheersautoriteit alle nodige informatie in verband met die opmerkingen, en stelt de beheersautoriteit in voorkomend geval de Commissie binnen drie maanden in kennis van de getroffen maatregelen. De Commissie stelt de lidstaat in kennis van de aanvaarding van het verslag.

4.  De beheersautoriteit publiceert de eindverslagen over de prestaties op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

5.  Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, keurt de Commissie een uitvoeringshandeling goed waarbij het model voor het eindverslag over de prestaties wordt vastgesteld. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 108 bedoelde raadplegingsprocedure.

HOOFDSTUK II

Evaluatie

Artikel 39

Evaluaties door de lidstaat

1.  De beheersautoriteit voert evaluatie evaluaties van het programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de inclusiviteit, niet-discriminerende aard, doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang, zichtbaarheid en EU-meerwaarde van het programma met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van de programma's. [Am. 233]

2.  Daarnaast voert de beheersautoriteit voor elk programma uiterlijk 30 juni 2029 een evaluatie uit voor elk programma om het effect ervan te beoordelen.

3.  De beheersautoriteit laat evaluaties uitvoeren door functioneel onafhankelijke deskundigen.

4.  De beheersautoriteit of de lidstaat zorgt voor procedures voor het opstellen en verzamelen van de voor evaluaties vereiste gegevens.

5.  De beheersautoriteit of de lidstaat stelt een evaluatieplan op. Dit evaluatieplan kan meer dan één programma bestrijken. Voor het AMIF, het ISF en het BMVI houdt dat plan een tussentijdse evaluatie in die uiterlijk 31 maart 2024 moet zijn uitgevoerd.

6.  De beheersautoriteit dient het evaluatieplan uiterlijk een jaar na de goedkeuring van het programma in bij het toezichtcomité.

7.  De beheersautoriteit publiceert alle evaluaties op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

Artikel 40

Evaluatie door de Commissie

1.  De Commissie verricht een tussentijdse evaluatie om uiterlijk eind 2024 de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van elk fonds te onderzoeken. De Commissie kan gebruikmaken van alle relevante informatie die al beschikbaar is overeenkomstig artikel [128] van het Financieel Reglement.

2.  De Commissie verricht uiterlijk 31 december 2031 een retrospectieve evaluatie om de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van elk fonds te onderzoeken.

2 bis.   De in lid 2 bedoelde evaluatie omvat een evaluatie van de sociaal-economische gevolgen en de financieringsbehoeften met betrekking tot de beleidsdoelstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, in het kader van en tussen de programma's, met een bijzondere nadruk op een concurrerender en slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit, waaronder slimme en duurzame mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit. De Commissie publiceert de resultaten van de evaluatie op haar website en deelt die resultaten mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. [Am. 234]

HOOFDSTUK III

Zichtbaarheid, transparantie en communicatie

Afdeling I

Zichtbaarheid van de steunverlening uit de Fondsen

Artikel 41

Zichtbaarheid

Elke lidstaat waarborgt:

a)  de zichtbaarheid van de steunverlening in alle activiteiten in verband met door de Fondsen ondersteunde concrete acties, met bijzondere aandacht voor concrete acties van strategisch belang;

b)  de communicatie aan de burgers van de Unie over de rol en de verwezenlijkingen van de Fondsen via een portaalsite die toegang geeft tot alle programma's waar die lidstaat bij betrokken is.

Artikel 42

Embleem van de Unie

Lidstaten, beheersautoriteiten en begunstigden gebruiken het embleem van de Europese Unie overeenkomstig bijlage VIII bij hun activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie.

Artikel 43

Contactpersonen voor communicatie en netwerken

1.  Elke lidstaat identificeert een communicatiecoördinator voor activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie met betrekking tot steunverlening uit de Fondsen, met inbegrip van programma's in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg), als de lidstaat de beheersautoriteit gastland is voor de beheersautoriteit. De communicatiecoördinator coördineert de maatregelen inzake communicatie en zichtbaarheid voor verschillende programma's.

De communicatiecoördinator betrekt de volgende instanties bij de activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie:

a)  de vertegenwoordigingen van de Commissie en de liaisonbureaus van het Europees Parlement in de lidstaten; de Europe Direct-informatiecentra en andere netwerken; onderwijs- en onderzoeksinstellingen en

b)  andere relevante partners en instanties, met inbegrip van regionale, lokale en andere overheden, en economische en sociale partners. [Am. 235]

2.  Elke beheersautoriteit identificeert een contactpersoon voor communicatie voor elk programma (programmacommunicatiemedewerker).

3.  De Commissie beheert een netwerk van communicatiecoördinatoren, programmacommunicatiemedewerkers en vertegenwoordigers van de Commissie om informatie uit te wisselen over activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie.

Afdeling II

Transparantie van de uitvoering van de Fondsen en communicatie over programma's

Artikel 44

Verantwoordelijkheden van de beheersautoriteit

1.  De beheersautoriteit zorgt binnen zes maanden na de goedkeuring van het programma voor een website met informatie over de programma's waarvoor zij verantwoordelijk is, met inbegrip van informatie over de doelstellingen, de activiteiten, het indicatieve tijdschema voor de oproep tot het indienen van voorstellen, de beschikbare financieringsmogelijkheden en de verwezenlijkingen van het programma. [Am. 236]

2.  De beheersautoriteit publiceert op de in lid 1 bedoelde website uiterlijk één maand voor de oproep tot het indienen van voorstellen een korte samenvatting over de geplande en gepubliceerde oproepen tot het indienen van voorstellen, met daarin de volgende gegevens:

a)  geografisch gebied waarop de oproep tot het indienen van voorstellen betrekking heeft;

b)  betrokken beleidsdoelstelling of specifieke doelstelling;

c)  type subsidiabele aanvragers;

d)  totale bedrag aan steun voor de oproep;

e)  start- en einddatum van de oproep.

3.  De beheersautoriteit stelt de lijst van voor ondersteuning door de Fondsen geselecteerde concrete acties openbaar te beschikking op de website in ten minste een van de officiële talen van de Unie en actualiseert deze lijst ten minste elke drie maanden. Elke concrete actie heeft een unieke code. Deze lijst bevat de volgende gegevens:

a)  in het geval van rechtspersonen, de naam van de begunstigde en van de contractant; [Am. 237]

b)  als de begunstigde een natuurlijke persoon is, diens voornaam en de familienaam;

c)  voor concrete acties in het kader van het EFMZV in verband met een vissersvaartuig, het nummer van het vissersvaartuig in het vissersvlootregister van de Unie als bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie(41);

d)  naam van de concrete actie;

e)  doel en verwezenlijkingen van de concrete actie;

f)  startdatum van de concrete actie;

g)  verwachte of effectieve einddatum van de concrete actie;

h)  totale kosten van de concrete actie;

i)  betrokken fonds;

j)  betrokken specifieke doelstelling;

k)  het medefinancieringspercentage van de Unie;

l)  plaatsbepaling of geolocatie voor het land en de concrete actie;

m)  voor mobiele concrete acties of concrete acties op meerdere locaties, de locatie van de begunstigde als dat een rechtspersoon is; of de regio op NUTS 2-niveau, als de begunstigde een natuurlijke persoon is;

n)  interventietype voor de concrete actie in overeenstemming met artikel 67, lid 3, onder g).

De in de eerste alinea onder b), c) en k) bedoelde gegevens worden twee jaar na hun publicatie van de website verwijderd.

Voor door het EFMZV ondersteunde programma's worden de in de eerste alinea, onder b) en c) bedoelde gegevens uitsluitend gepubliceerd als die publicatie strookt met de nationale wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens.

4.  De in de leden 2 en 3 bedoelde gegevens worden op de website gepubliceerd in openbare, machinaal leesbare formaten als bepaald in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(42) waarin wordt toegestaan dat gegevens worden gesorteerd, doorzocht, geëxtraheerd, vergeleken en hergebruikt.

5.  Voordat de gegevens overeenkomstig dit artikel worden gepubliceerd, stelt de beheersautoriteit de begunstigden ervan in kennis dat de gegevens openbaar zullen worden gemaakt.

6.  De beheersautoriteit waarborgt dat alle materiaal op het vlak van communicatie en zichtbaarheid, ook op het niveau van de begunstigden, beschikbaar wordt gesteld op verzoek van instellingen, organen of agentschappen van de Unie en dat de Unie overeenkomstig bijlage VIII een niet-exclusief, onherroepelijk recht met vrijstelling van royalty's wordt verleend om dat materiaal en de bijhorende reeds bestaande rechten erop te gebruiken.

Artikel 45

Verantwoordelijkheden van begunstigden

1.  Begunstigden en organen die financieringsinstrumenten ten uitvoer leggen, maken duidelijk dat steun is verleend uit de Fondsen, met inbegrip van middelen die overeenkomstig artikel 56 worden hergebruikt door:

a)  op de professionele website van de begunstigde of en op de sociale media, indien die bestaan, een korte beschrijving – in verhouding tot de ontvangen steun – van de concrete actie op te nemen, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en daarbij de nadruk te leggen op de financiële steun door de Unie; [Am. 240]

b)  te zorgen voor een verklaring waarin op zichtbare wijze de steun uit de Fondsen in de verf wordt gezet op documenten en communicatiemateriaal over de uitvoering van de concrete actie, die worden gebruikt voor het publiek of voor deelnemers;

c)  een permanente plaat of permanent bord op een voor het publiek duidelijk zichtbare plek te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal van start gaat, over: [Am. 241]

i)  concrete acties met steun uit het EFRO en het Cohesiefonds waarvoor de totale kosten meer bedragen dan 500 000 EUR;

ii)  concrete acties met steun uit het ESF+, het EFMZV, het AMIF en het BMVI waarvoor de totale kosten meer bedragen dan 100 000 EUR;

d)  voor concrete acties die niet onder punt c) vallen, ten minste één affiche of elektronisch beeldscherm (minimaal in A3-formaat) met informatie over de concrete actie met vermelding van de steun uit de Fondsen, op een voor het publiek duidelijk zichtbare plek te plaatsen; [Am. 243]

e)  voor concrete acties van strategisch belang en concrete acties waarvan de totale kosten meer bedragen van 10 000 000 EUR, een communicatie-evenement ter organiseren en de Commissie en de bevoegde beheersautoriteit daar tijdig bij te betrekken.

e bis)   vanaf het moment dat de materiële uitvoering van start gaat het embleem van de Unie permanent op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen in overeenstemming met de in bijlage VIII vastgestelde technische kenmerken; [Am. 244]

Deze vereiste is niet van toepassing voor concrete acties die worden ondersteund in het kader van de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii xi) van de ESF+-verordening. [Am. 245]

2.  Voor fondsen voor kleinschalige projecten zorgt de begunstigde ervoor dat de eindbegunstigden voldoen aan de in lid 1 vastgestelde vereisten.

Voor financieringsinstrumenten zorgt de begunstigde ervoor dat de eindbegunstigden voldoen aan de in lid 1, onder c), vastgestelde vereisten.

3.  Wanneer de begunstigde de in artikel 42 of in het eerste en tweede lid van dit artikel vermelde verplichtingen niet nakomt, past de lidstaat een financiële correctie toe door maximaal 5 % van de bijdrage van de Fondsen aan de betrokken concrete actie in te trekken.

Titel V

Financiële steun uit de Fondsen

HOOFDSTUK 1

Vormen van bijdragen van de Unie

Artikel 46

Vormen van bijdragen van de Unie aan programma's

De bijdragen van de Unie kan de volgende vormen hebben:

a)  financiering die geen verband houdt met kosten van de betrokken concrete acties overeenkomstig artikel 89 en die gebaseerd is op een van de volgende aspecten:

i)  de naleving van de voorwaarden;

ii)  het boeken van resultaten;

b)  vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt door de begunstigden of de particuliere partner van concrete PPP-acties en die zijn betaald voor de uitvoering van concrete acties;

c)  eenheidskosten overeenkomstig artikel 88 die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken op basis van een vast bedrag per eenheid;

d)  vaste bedragen overeenkomstig artikel 88 die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken;

e)  financiering volgens een vast percentage overeenkomstig artikel 88 die, door toepassing van een percentage, van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekt;

f)  een combinatie van de onder a) tot en met e) genoemde vormen.

HOOFDSTUK II

Vormen van steun door de lidstaten

Artikel 47

Vormen van steun

Lidstaten gebruiken de bijdrage uit de Fondsen om begunstigden steun te verlenen in de vorm van subsidies, beperkt gebruik van financieringsinstrumenten of prijzen of een combinatie daarvan. [Am. 246]

Afdeling I

Vormen van subsidies

Artikel 48

Vormen van subsidies

1.  Subsidies van de lidstaten kunnen in de volgende vormen worden verleend:

a)  vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt door een begunstigde of de particuliere partner van concrete PPP-acties en die zijn betaald voor de uitvoering van concrete acties, met inbegrip van bijdragen in natura en afschrijvingskosten;

b)  tegemoetkoming in de eenheidskost;

c)  vast bedrag;

d)  financiering volgens een vast percentage;

e)  een combinatie van de onder a) tot en met d) bedoelde subsidievormen, op voorwaarde dat elke vorm verschillende categorieën kosten dekt of dat zij gebruikt worden voor verschillende projecten die deel uitmaken van een concrete actie of voor opeenvolgende fasen van een concrete actie.

Wanneer de totale kostprijs van een concrete actie niet meer bedraagt dan 200 000 EUR, bestaat de bijdrage aan de begunstigde uit het EFRO, het ESF+, het AMIF, het ISF en het BMVI uit eenheidskosten of vaste bedragen of bevat deze vaste percentages, behalve voor concrete acties waarvoor de steun staatssteun vormt. Indien gebruik wordt gemaakt van financiering volgens een vast percentage, kunnen alleen de kostencategorieën waarop een vast percentage van toepassing is, worden terugbetaald in overeenstemming met lid 1, onder a).

Daarnaast kunnen de aan deelnemers betaalde vergoedingen en lonen worden terugbetaald in overeenstemming met lid 1, onder a).

2.  De bedragen voor de in lid 1, onder b), c) en d), genoemde vormen van subsidies worden vastgesteld op één van de hierna genoemde manieren:

a)  een eerlijke, billijke en verifieerbare berekeningsmethode op basis van:

i)  statistische gegevens, andere objectieve informatie of een deskundige beoordeling;

ii)  de geverifieerde historische gegevens van individuele begunstigden;

iii)  de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van individuele begunstigden;

b)  een ontwerpbegroting, vastgesteld per individueel geval en van tevoren overeengekomen door het orgaan dat de concrete actie selecteert, wanneer de totale kosten van de concrete actie niet meer bedragen van 200 000 EUR;

c)  conform de voorschriften voor de toepassing van overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages die van toepassing zijn voor beleidsmaatregelen van de Unie voor soortgelijke soorten verrichtingen;

d)  conform de voorschriften voor de toepassing van overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages die worden toegepast op grond van regelingen voor volledig door de lidstaat gefinancierde subsidies voor soortgelijke soorten verrichtingen;

e)  in deze verordening of de fondsspecifieke voorschriften vastgestelde vaste percentages en specifieke methodes.

Artikel 49

Financiering met een vast percentage van indirecte kosten voor subsidies

Indien een vast percentage wordt gebruikt om de indirecte kosten van een concrete actie te dekken, is dat gebaseerd op een van de volgende:

a)  een vast percentage van maximaal 7 % van de subsidiabele directe kosten; in dat geval moet de betrokken lidstaat geen berekening uitvoeren om na te gaan welk percentage van toepassing is;

b)  een vast percentage van maximaal 15 % van de subsidiabele directe personeelskosten; in dat geval moet de betrokken lidstaat geen berekening uitvoeren om na te gaan welk percentage van toepassing is;

c)  een vast percentage van maximaal 25 % van de subsidiabele directe kosten, als dat percentage overeenkomstig artikel 48, lid 2, onder a), of artikel 48, lid 2, onder c), wordt berekend. [Am. 247]

Daarnaast kan, indien een lidstaat een vast percentage heeft berekend overeenkomstig artikel 67, lid 5, onder a) van Verordening (EU) nr. 1303/2013, het vaste percentage worden gebruikt voor een soortgelijke concrete actie voor de toepassing van punt c).

Artikel 50

Directe personeelskosten voor subsidies

1.  De directe personeelskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage van maximaal 20 % van de andere directe kosten dan de directe personeelskosten van die concrete actie, zonder verplichting voor de lidstaat om te berekenen welk percentage van toepassing is, mits de directe kosten van de concrete actie geen overheidsopdrachten voor werken of voor leveringen of diensten omvatten waarvan de waarde de drempels overschrijdt die zijn vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad(43) of in artikel 15 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad(44).

Voor het AMIF, het ISF en het BMVI worden alle kosten waarvoor een overheidsopdracht is uitgeschreven en de directe personeelskosten van die concrete actie uitgesloten van de grondslag voor de berekening van het vaste percentage.

2.  Om de directe personeelskosten te bepalen kan een uurtarief worden berekend op een van de volgende manieren:

a)  door de meest recente met documenten gestaafde jaarlijkse bruto arbeidskosten, met verwachte extra kosten voor factoren zoals een stijging van tarieven of bevordering van personeel, te delen door 1720 uren voor voltijdse werknemers, of door een overeenkomstig pro rata van 1720 uren voor deeltijdse werknemers; [Am. 248]

b)  door de meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten, met verwachte extra kosten voor factoren zoals een stijging van tarieven of bevordering van personeel, te delen door de maandelijkse werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig de in het arbeidscontract vermelde nationale wetgeving. [Am. 249]

3.  Bij de toepassing van het overeenkomstig lid 2 berekende uurtarief mag het totale aantal voor een bepaald jaar of een bepaalde maand per persoon gedeclareerde uren niet hoger liggen dan het aantal uren dat voor de berekening van dat uurtarief is gebruikt.

4.  Wanneer de jaarlijkse bruto arbeidskosten niet bekend zijn, kunnen die kosten worden afgeleid uit de beschikbare met documenten gestaafde bruto arbeidskosten of uit het arbeidscontract, omgerekend naar een periode van 12 maanden.

5.  Personeelskosten voor personen die deeltijds aan de concrete actie werken kunnen worden berekend als een vast percentage van de bruto arbeidskosten, overeenkomstig het vaste percentage van de tijd dat zij per maand aan de concrete actie hebben gewerkt en zonder verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten. De werkgever stelt voor de werknemers een document op met vermelding van dat vaste percentage.

Artikel 51

Financiering met een vast percentage van subsidiabele kosten, andere dan directe personeelskosten, met betrekking tot subsidies

1.  Een vast percentage van maximaal 40 % van de subsidiabele directe personeelskosten kan worden gebruikt om de overige subsidiabele kosten van een concrete actie te dekken. De lidstaat is niet verplicht te berekenen welk percentage van toepassing is.

2.  Voor concrete acties die door het AMIF, het ISF, het BMVI, het ESF+ en het EFRO worden ondersteund, worden lonen en aan deelnemers betaalde vergoedingen beschouwd als extra subsidiabele kosten, bovenop het vaste percentage.

3.  Het in lid 1 van dit artikel bedoelde vaste percentage wordt niet toegepast op personeelskosten die op basis van een vast percentage zijn berekend als bedoeld in artikel 50, lid 1.

Afdeling II

Financieringsinstrumenten

Artikel 52

Financieringsinstrumenten

1.  Beheersautoriteiten kunnen in het kader van een of meerdere programma's programmabijdragen verstrekken aan financieringsinstrumenten die op nationaal, regionaal, transnationaal of grensoverschrijdend niveau in het leven zijn geroepen en door of onder de verantwoordelijkheid van de managementautoriteit worden beheerd, die bijdragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen.

2.  Met financieringsinstrumenten wordt aan eindontvangers uitsluitend steun verstrekt voor nieuwe investeringen die naar verwachting financieel levensvatbaar zijn, bijvoorbeeld door inkomsten of besparingen te genereren, en waarvoor op de markt niet voldoende financiering te vinden is. Deze steun kan investeringen in materiële en immateriële activa omvatten, alsmede bedrijfskapitaal, met inachtneming van de toepasselijke staatssteunregels van de Unie. [Am. 250]

3.  Steun uit de Fondsen via financieringsinstrumenten is gebaseerd op een ex-ante beoordeling opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit. De ex-ante beoordeling wordt in ieder geval voltooid voordat de beheersautoriteit besluit een financieringsinstrument te voorzien van programmabijdragen.

De ex-ante beoordeling omvat ten minste de volgende elementen:

a)  het voorgestelde bedrag aan programmabijdragen aan een financieringsinstrument en het verwachte hefboomeffect, vergezeld van de desbetreffende beoordelingen; [Am. 251]

b)  de voorgestelde financiële producten die zullen worden aangeboden, met inbegrip van de mogelijke noodzaak van een gedifferentieerde behandeling van investeerders;

c)  de voorgestelde doelgroep van eindontvangers;

d)  de verwachte bijdrage van het financieringsinstrument aan het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen.

De ex-ante beoordeling kan worden herzien of bijgewerkt en kan betrekking hebben op een deel of het geheel van het grondgebied van de lidstaat en kan gebaseerd zijn op bestaande of bijgewerkte ex-ante beoordelingen.

4.  Steun aan de eindontvangers kan worden gecombineerd met een andere bijdrage van de Unie, zelfs uit hetzelfde fonds, en kan betrekking hebben op dezelfde uitgavenpost. In dat geval wordt de steun uit het fonds, als onderdeel van een concrete actie van een financieringsinstrument, niet bij de Commissie gedeclareerd om steun te ontvangen in een andere vorm, uit een ander fonds of uit een ander instrument van de Unie.

5.  Financieringsinstrumenten kunnen worden gecombineerd met aanvullende programmaondersteuning in de vorm van subsidies als concrete actie in één enkel financieringsinstrument, met één financieringsovereenkomst, waarbij beide verschillende vormen van steun worden verstrekt door de instantie die het financieringsinstrument uitvoert. In dat geval Indien het bedrag van de programmaondersteuning in de vorm van subsidie minder is dan het bedrag van de programmaondersteuning in de vorm van een financieringsinstrument, gelden de op de financieringsinstrumenten toepasselijke regels voor die concrete actie in één enkel financieringsinstrument. [Am. 252]

6.  In het geval van gecombineerde steun in het kader van lid 4 en lid 5, wordt voor elke bron van steun een aparte administratie bijgehouden.

7.  De som van de gecombineerde steunvormen overschrijft het totale bedrag van die uitgavenpost niet. Subsidies worden niet gebruikt om steun uit financieringsinstrumenten terug te betalen. Financieringsinstrumenten worden niet gebruikt om subsidies te voorfinancieren.

Artikel 53

Uitvoering van financieringsinstrumenten

1.  Door de beheersautoriteit beheerde financieringsinstrumenten kunnen alleen leningen of garanties verstrekken. De beheersautoriteit bepaalt de voorwaarden inzake de programmabijdragen voor het financieringsinstrument in een strategiedocument dat alle in bijlage IX vastgelegde elementen bevat.

2.  Onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit beheerde financieringsinstrumenten kunnen worden ingesteld op een van de volgende wijzen:

a)  een investering van programmamiddelen in het kapitaal van een juridische entiteit;

b)  afzonderlijke financiële gehelen of fiduciaire rekeningen binnen een instelling.

De beheersautoriteit selecteert de instantie die een financieringsinstrument uitvoert via een rechtstreekse of onrechtstreekse gunning van een opdracht. [Am. 253]

De beheersautoriteit kan via de rechtstreekse gunning van een opdracht uitvoeringstaken toevertrouwen aan:

a)  de EIB;

b)  een internationale financiële instelling waarvan een lidstaat aandeelhouder is;

c)  een bank of instelling in handen van de overheid, opgericht als juridische entiteit die op professionele basis financiële activiteiten uitvoert. [Am. 254]

Wanneer de door de beheersautoriteit geselecteerde instantie een holdingfonds uitvoert, kan die instantie andere instanties selecteren om een specifiek fonds uit te voeren.

3.  De voorwaarden van programmabijdragen aan financieringsinstrumenten die overeenkomstig lid 2 worden uitgevoerd, worden ingesteld in financieringsovereenkomsten tussen:

a)  in voorkomend geval de naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers van de beheersautoriteit en de instantie die een holdingfonds uitvoert;

b)  de naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers van de managementautoriteit of, in voorkomend geval, de instantie die een holdingfonds uitvoert en de instantie die een specifiek fonds uitvoert.

Deze financieringsovereenkomsten bevatten de in bijlage IX vermelde elementen.

4.  De financiële aansprakelijkheid van de beheersautoriteit ligt niet hoger dan het door de beheersautoriteit in het kader van de financieringsovereenkomsten aan het financieringsinstrument toegewezen bedrag.

5.  De instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren, of in het kader van garanties, de instantie die de onderliggende lening verstrekt, selecteren de eindontvangers, daarbij terdege rekening houdend met de programmadoelstellingen en het potentieel voor de financiële levensvatbaarheid van de investering zoals die in het bedrijfsplan of een gelijkwaardig document wordt gemotiveerd. De selectie van de eindontvangers is transparant, wordt gemotiveerd door de aard van de actie en geeft geen aanleiding tot een belangenconflict.

6.  Er mag, in overeenstemming met de fondsspecifieke voorschriften, op het niveau van het holdingfonds, de specifieke fondsen of de investeringen in eindontvangers, nationale medefinanciering worden verstrekt. Wanneer nationale medefinanciering wordt verstrekt op het niveau van investeringen in eindontvangers, bewaart de instantie die de financieringsinstrumenten uitvoert, bewijsstukken die de subsidiabiliteit van de onderliggende uitgaven aantonen.

7.  De beheersautoriteit die het financieringsinstrument beheert overeenkomstig lid 2, of de instantie die het financieringsinstrument uitvoert bij het beheer van het financieringsinstrument overeenkomstig lid 3, houdt afzonderlijke rekeningen bij of gebruikt een boekhoudkundige code per prioriteit en per regiocategorie of, voor het Elfpo, per type interventie, voor elke programmabijdrage en apart voor respectievelijk in artikel 54 en artikel 56 bedoelde middelen. [Am. 255]

7 bis.   De rapportagevereisten betreffende het gebruik van het financieringsinstrument voor de beoogde doeleinden gelden alleen voor de beheersautoriteiten en financiële intermediairs. [Am. 256]

Artikel 54

Rente en andere voordelen als gevolg van steun uit de Fondsen aan financieringsinstrumenten

1.  Aan financieringsinstrumenten betaalde steun uit de Fondsen wordt geplaatst op rentedragende rekeningen bij financiële instellingen in de lidstaten en wordt beheerd in overeenstemming met actief beheer van de kasmiddelen en gezond financieel beheer.

2.  Rente en andere voordelen die kunnen worden toegeschreven aan steun uit de Fondsen die aan financieringsinstrumenten is betaald, moeten worden gebruikt voor dezelfde doeleinden als de oorspronkelijke steun uit de Fondsen, hetzij binnen hetzelfde financieringsinstrument hetzij, na de vereffening van dat financieringsinstrument, in andere financieringsinstrumenten of andere vormen van steun voor verdere investeringen in eindontvangers, of, in voorkomend geval, ter dekking van de verliezen in het nominale bedrag van de bijdrage uit de Fondsen aan het financieringsinstrument ten gevolge van negatieve rente, indien dergelijke verliezen zich voordoen ondanks een actief beheer van de kasmiddelen door de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren, tot aan het einde van de subsidiabiliteitsperiode. [Am. 257]

3.  De in lid 2 bedoelde rente en andere voordelen die niet in overeenstemming met die bepaling zijn gebruikt, worden afgetrokken van de subsidiabele uitgaven.

Artikel 55

Gedifferentieerde behandeling van investeerders

1.  Steun uit de Fondsen voor financieringsinstrumenten die in eindontvangers wordt geïnvesteerd, en andere door die investeringen gegenereerde inkomsten, die toe te schrijven zijn aan de steun uit de Fondsen, kunnen worden gebruikt voor een gedifferentieerde behandeling van investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken of voor andere vormen van Uniesteun, door een passende deling van de risico's en de winsten, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer. [Am. 258]

2.  Het niveau van een dergelijke gedifferentieerde behandeling ligt niet hoger dan wat nodig is om stimulansen te creëren voor het aantrekken van private middelen, vastgesteld door een concurrentieprocedure of een onafhankelijke overeenkomstig artikel 52 van deze verordening uitgevoerde ex-antebeoordeling. [Am. 259]

Artikel 56

Hergebruik van middelen die kunnen worden toegeschreven aan de steun uit de Fondsen

1.  Middelen die voor het einde van de subsidiabiliteitsperiode aan financieringsinstrumenten worden terugbetaald uit uitvesteringen in eindontvangers of doordat middelen vrijkomen die voor garantiecontracten zijn vastgelegd, met inbegrip van terugbetaald kapitaal en andere gegenereerde inkomsten die zijn toe te schrijven aan de steun uit de Fondsen, worden hergebruikt voor dezelfde of andere financieringsinstrumenten voor verdere investeringen in eindontvangers, onder dezelfde specifieke doelstelling of doelstellingen en voor beheerskosten en -vergoedingen die met dergelijke investeringen samenhangen, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer. [Am. 260]

Besparingen dankzij efficiëntere concrete acties worden niet beschouwd als gegenereerde inkomsten voor de toepassing van de eerste alinea. Met name kostenbesparingen als gevolg van energie-efficiëntiemaatregelen leiden niet tot een overeenkomstige verlaging van de exploitatiesubsidies. [Am. 261]

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de in lid 1 bedoelde middelen die aan financieringsinstrumenten worden terugbetaald in een periode van ten minste acht jaar na het verstrijken van de subsidiabiliteitsperiode, worden hergebruikt overeenkomstig de beleidsdoelstellingen van het programma of de programma's in het kader waarvan zij werden opgezet, binnen hetzelfde financieringsinstrument dan wel als deze middelen niet meer tot het financieringsinstrument behoren, binnen andere financieringsinstrumenten of andere steunvormen.

HOOFDSTUK III

Subsidiabiliteitsregels

Artikel 57

Subsidiabiliteit

1.  De subsidiabiliteit van de uitgaven wordt op basis van de nationale voorschriften bepaald, tenzij specifieke voorschriften zijn vastgesteld in of op grond van deze verordening of de fondsspecifieke verordeningen.

2.  Uitgaven komen voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking als zij zijn gedaan door een begunstigde of de particuliere partner van een concrete PPP-actie en zijn betaald tussen de datum van indiening van het programma bij de Commissie of, als dat eerder is, 1 januari 2021, en 31 december 2029 2030. [Am. 262]

Voor kosten die worden terugbetaald op grond van artikel 48, lid 1, onder b) en c), moeten de acties die de basis voor de vergoeding vormen, tussen de datum van indiening van het programma bij de Commissie of, als dat eerder is, 1 januari 2021, en 31 december 2029 zijn uitgevoerd.

3.  Voor het EFRO worden uitgaven die betrekking hebben op concrete acties in meer dan een regiocategorie als bepaald in artikel 102, lid 2, binnen een lidstaat, pro rata toegewezen aan de desbetreffende regiocategorieën op basis van objectieve criteria.

Voor het ESF+ dragen uitgaven die betrekking hebben op concrete acties bij aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma.

4.  Een concrete actie of een deel van een concrete actie in het kader van het EFRO, het ESF+ of het Cohesiefonds kan buiten een lidstaat worden uitgevoerd, ook indien dit buiten het grondgebied van de Unie is, mits de concrete actie onder een van de vijf componenten van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) valt als gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EU) [...] (de ETS-verordening), en bijdraagt tot de doelstellingen van het programma. [Am. 263]

5.  Voor subsidies in de vorm bedoeld in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), zijn de uitgaven die voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking komen, gelijk aan de overeenkomstig artikel 48, lid 2, berekende bedragen.

6.  Concrete acties die fysiek voltooid zijn of volledig ten uitvoer zijn gelegd voordat de financieringsaanvraag in het kader van het programma bij de beheersautoriteit is ingediend, worden niet voor steun uit de Fondsen geselecteerd, ongeacht of alle betrokken betalingen zijn verricht. Dit lid is niet van toepassing op EFMZV-compensaties voor extra kosten in de ultraperifere gebieden, noch op uitgaven die zijn gefinancierd via specifieke aanvullende EFRO- en ESF+-toewijzingen ten behoeve van de ultraperifere gebieden. [Am. 264]

7.  Als uitgaven subsidiabel worden doordat een programma wordt gewijzigd, zijn zij subsidiabel vanaf de datum waarop het verzoek tot wijziging bij de Commissie is ingediend.

Voor het EFRO en het Cohesiefonds is dat het geval als een nieuw interventietype als bedoeld in bijlage I, tabel 1, wordt toegevoegd aan het programma, en voor het AMIF, het ISF en het BMVI als een nieuw interventietype als bedoeld in de fondsspecifieke verordeningen wordt toegevoegd aan het programma.

Wanneer een programma wordt gewijzigd om te reageren op natuurrampen, kan het programma bepalen dat de uitgaven in verband met die wijziging subsidiabel zijn vanaf de datum waarop de natuurramp plaatsvond.

8.  Wanneer een nieuw programma wordt goedgekeurd in het kader van de tussentijdse evaluatie overeenkomstig artikel 14, zijn de uitgaven subsidiabel vanaf de datum waarop het verzoek bij de Commissie is ingediend.

9.  Voor een concrete actie mag steun worden ontvangen uit een of meer Fondsen, uit een of meer programma's en uit andere instrumenten van de Unie. In dat geval worden uitgaven die zijn gedeclareerd in een betalingsaanvraag voor een van de Fondsen, voor geen de volgende gevallen gedeclareerd:

a)  steun uit een ander fonds of instrument van de Unie;

b)  steun uit hetzelfde fonds in het kader van een ander programma.

Het bedrag van de in de betalingsaanvraag voor een fonds op te nemen uitgave kan voor elk fonds en voor het betrokken programma of de betrokken programma's pro rata worden berekend overeenkomstig het document waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.

Artikel 58

Niet-subsidiabele kosten

1.  De volgende kosten komen niet in aanmerking voor een bijdrage uit de Fondsen:

a)  debetrente, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen, of met betrekking tot een bijdrage aan financieringsinstrumenten die voortkomt uit een negatieve rente; [Am. 265]

b)  de aankoop van grond voor een bedrag van meer dan 10 % van de totale subsidiabele uitgaven in verband met de betrokken concrete actie; voor verwaarloosde gebieden en voormalige industriezones met gebouwen wordt die grens opgetrokken tot 15 %; voor garanties zijn deze percentages van toepassing op het bedrag van de onderliggende lening;

(c)  belasting over de toegevoegde waarde (btw), behalve voor concrete acties waarvan de totale kostprijs lager is dan 5 000 000 EUR. [Am. 266]

Voor punt b) zijn deze limieten niet van toepassing op concrete acties ten behoeve van milieubehoud.

De subsidiabiliteit met betrekking tot belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt per geval bepaald, behalve voor concrete acties waarvan de totale kostprijs lager is dan 5 000 000 EUR en voor investeringen en uitgaven van eindbegunstigden. [Am. 267]

2.  In de fondsspecifieke verordeningen kunnen extra kosten worden vastgesteld die niet in aanmerking komen voor een bijdrage uit dat fonds.

Artikel 59

Duurzaamheid van concrete acties

1.  De lidstaat betaalt de bijdrage uit de Fondsen aan een con, met inbegrip van investeringen in infrastructuur of productieve investeringen, terug wanneer binnen vijf jaar na de eindbetaling aan de begunstigde of in voorkomend geval binnen een in de voorschriften betreffende staatssteun gestelde termijn, deze concrete actie onderworpen is aan een van de volgende gebeurtenissen:

a)  een beëindiging of verplaatsing van een productieactiviteit;

b)  een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening waardoor een onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel behaalt;

c)  een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden waardoor de oorspronkelijke doelstellingen worden ondermijnd.

De lidstaat kan in de onder a), b) en c), bedoelde naar behoren gemotiveerde gevallen de in de eerste alinea vastgestelde termijn verkorten tot drie jaar bij behoud van investeringen of door kleine en middelgrote ondernemingen gecreëerde banen. [Am. 268]

2.  Voor door het ESF+ ondersteunde concrete acties wordt de bijdrage uit het ESF+ alleen terugbetaald als de acties onderworpen zijn aan een verplichting tot behoud van de investering krachtens de voorschriften betreffende staatssteun.

3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op programmabijdragen aan of afkomstig uit financieringsinstrumenten, noch op concrete acties waarvan een productieactiviteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement. [Am. 269]

Artikel 60

Verplaatsing

1.  Uitgaven voor verplaatsing als bedoeld in artikel 2, lid 26, komen niet in aanmerking voor een bijdrage uit de Fondsen.

2.  Wanneer een bijdrage uit de Fondsen staatssteun vormt, vergewist de beheersautoriteit zich ervan dat de bijdrage geen ondersteuning is van verplaatsing overeenkomstig artikel 14, lid 16, van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie.

Artikel 61

Specifieke subsidiabiliteitsvoorschriften voor subsidies

1.  Bijdragen in natura in de vorm van de verstrekking van werken, goederen, diensten, land en onroerend goed waarvoor geen door facturen of documenten met vergelijkbare bewijskracht gestaafde betaling is gedaan, kunnen in aanmerking komen mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de aan de concrete actie betaalde overheidssteun die bijdragen in natura omvat, is aan het einde van de concrete actie niet hoger dan de totale subsidiabele uitgaven, exclusief bijdragen in natura;

b)  de aan bijdragen in natura toegekende waarde is niet hoger dan de kosten die gewoonlijk op de desbetreffende markt worden aanvaard;

c)  de waarde en de verstrekking van de bijdrage in natura kunnen onafhankelijk worden beoordeeld en geverifieerd;

d)  bij verstrekking van grond of onroerend goed kan een betaling worden gedaan met het oog op een huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer bedraagt dan een enkele eenheid van de valuta van de betreffende lidstaat;

e)  bij bijdragen in natura in de vorm van onbetaalde arbeid, wordt de waarde van de arbeid bepaald aan de hand van de gecontroleerde werkelijke arbeidstijd en de hoogte van de beloning voor soortgelijke arbeid.

De waarde van de grond of het onroerend goed als bedoeld in dit artikel, eerste alinea, onder d), wordt gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde deskundige of een hiertoe gemachtigde officiële instantie en bedraagt niet meer dan de artikel 58, lid 1, onder b), bedoelde bovengrens.

2.  Afschrijvingskosten waarvoor geen door facturen gestaafde betaling is gedaan, kunnen in aanmerking komen mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de subsidiabiliteitsvoorschriften van het programma staan dit toe;

b)  het uitgavenbedrag wordt naar behoren gestaafd door ondersteunende documenten met dezelfde bewijskracht als facturen voor subsidiabele kosten wanneer die kosten in de in artikel 48, lid 1, onder a), bedoelde vorm werden vergoed;

c)  de kosten hebben uitsluitend betrekking op de steunperiode voor de concrete actie;

d)  er is geen overheidssubsidie verleend voor de aanschaf van de afgeschreven activa.

Artikel 62

Specifieke subsidiabiliteitsvoorschriften voor financieringsinstrumenten

1.  De subsidiabele uitgaven voor een financieel instrument zijn het totaalbedrag aan programmabijdragen die zijn betaald aan, of, in het geval van garanties die zijn gereserveerd zoals overeengekomen in garantiecontracten, door het financieringsinstrument binnen de subsidiabiliteitsperiode, waar dat bedrag komt overeen met:

a)  betalingen aan eindontvangers, in geval van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen;

b)  middelen die gereserveerd zijn zoals overeengekomen in garantiecontracten, ongeacht of ze nog uitstaan of reeds verlopen zijn, om aan mogelijke aanspraken op garanties voor verliezen te kunnen voldoen, berekend op grond van een multiplicatorratio dat een meervoudig bedrag dekt van onderliggende uitgekeerde nieuwe leningen of investeringen in eigen vermogen of in quasi-eigen vermogen van eindontvangers;

c)  betalingen aan, of ten voordele van eindontvangers, wanneer financieringsinstrumenten worden gecombineerd met een andere bijdrage van de Unie in één enkel financieringsinstrument overeenkomstig artikel 52, lid 5;

d)  betalingen van beheersvergoedingen en vergoedingen van de beheerskosten die de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren, verschuldigd zijn.

2.  Voor de toepassing van lid 1, onder b), wordt de multiplicatorratio vastgesteld in een prudente ex-ante risicobeoordeling en overeengekomen in de desbetreffende financieringsovereenkomst. De multiplicatorratio kan worden herzien indien latere veranderingen van de marktomstandigheden dat rechtvaardigen. Een dergelijke herziening heeft geen terugwerkende kracht.

3.  Voor de toepassing van lid 1, onder d), zijn de beheersvergoedingen gebaseerd op prestaties. Voor de eerste twaalf maanden van de uitvoering van het financieringsinstrument is een basisvergoeding voor beheerskosten en -vergoedingen subsidiabel. Indien een instantie die een holdingfonds en/of specifieke fondsen uitvoert, overeenkomstig artikel 53, lid 3 2, wordt geselecteerd door middel van een rechtstreekse gunning van een opdracht, is het bedrag van de aan deze instanties betaalde beheerskosten en -vergoedingen dat kan worden gedeclareerd als subsidiabele uitgave onderworpen aan een drempel van maximaal 5 % van het totaalbedrag van programmabijdragen die zijn uitbetaald aan eindontvangers in de vorm van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen, of bedragen die als overeengekomen in garantiecontracten zijn gereserveerd. [Am. 270]

Die drempel is niet van toepassing wanneer de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren door middel van een openbare aanbesteding zijn geselecteerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, en de openbare aanbesteding de noodzaak van hogere beheerskosten en -vergoedingen, die gebaseerd zijn op prestaties, aantoont. [Am. 271]

4.  Afsluitprovisies die geheel of gedeeltelijk aan de eindontvanger worden berekend, gelden niet als subsidiabele uitgave.

5.  De overeenkomstig lid 1 gedeclareerde subsidiabele uitgaven bedragen niet meer dan de som van het totale bedrag aan ondersteuning uit de Fondsen dat voor de toepassing van dit lid is betaald en de bijhorende nationale medefinanciering.

Titel VI

Beheer en controle

HOOFDSTUK 1

Algemene regels voor beheer en controle

Artikel 63

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

1.  De lidstaten beschikken over beheers- en controlesystemen voor hun programma's overeenkomstig deze titel en zij waarborgen dat die systemen functioneren overeenkomstig de beginselen van gezond financieel beheer en de in bijlage X opgesomde fundamentele eisen.

2.  De lidstaten zorgen voor de wettigheid en regelmatigheid van in de rekeningen opgenomen uitgaven die bij de Commissie zijn ingediend, en treffen alle nodige maatregelen om onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, te voorkomen, op te sporen, te verbeteren en te rapporteren. De lidstaten verlenen hun volledige samenwerking aan OLAF. [Am. 272]

3.  De lidstaten nemen op verzoek van de Commissie de nodige maatregelen om de doeltreffende werking van hun beheers- en controlesysteem en de wettigheid en regelmatigheid van de bij de Commissie ingediende uitgaven te waarborgen. Als een dergelijke maatregel een audit is, kunnen ambtenaren van de Commissie of hun gemachtigde vertegenwoordigers daaraan deelnemen.

4.  De lidstaten waarborgen de kwaliteit, de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid van het monitoringsysteem en van de gegevens over indicatoren. [Am. 273]

5.  De lidstaten beschikken over systemen en procedures om te waarborgen dat alle voor het in bijlage IX bedoelde auditspoor benodigde documenten worden bewaard overeenkomstig de in artikel 76 bepaalde vereisten.

6.  De lidstaten beschikken over regelingen die ervoor zorgen dat klachten over de Fondsen daadwerkelijk worden onderzocht. De lidstaten zijn overeenkomstig hun institutioneel en juridisch kader verantwoordelijk voor het toepassingsgebied, de regels en de procedures betreffende deze regelingen. Op verzoek van de Commissie overeenkomstig artikel 64, lid 4 bis, onderzoeken zij de bij de Commissie ingediende klachten die in het toepassingsgebied van hun programma's vallen en zij informeren de Commissie over de resultaten van de onderzoeken. [Am. 274]

Voor de toepassing van dit artikel dekken klachten elk geschil tussen potentiële en geselecteerde begunstigden met betrekking tot de voorgestelde of geselecteerde concrete actie en alle geschillen met derde partijen over de tenuitvoerlegging van het programma of de concrete acties daarvan, ongeacht de verwijzing naar de rechtsmiddelen krachtens het nationale recht.

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat de uitwisseling van alle informatie tussen de begunstigden en de programma-autoriteiten door middel van gebruiksvriendelijke elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XII kan plaatsvinden. [Am. 275]

Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's is de eerste alinea van toepassing vanaf 1 januari 2023 2022. [Am. 276]

Het eerste lid is niet van toepassing op in artikel [4, lid 1, onder c), vii xi)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's. [Am. 277]

8.  De lidstaten zorgen ervoor dat de officiële uitwisseling van alle informatie met de Commissie plaatsvindt door middel van elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XIII.

9.  Elke lidstaat stelt, na de goedkeuring van het programma ten laatste bij de indiening van de aanvraag voor de eindbetaling voor het eerste boekjaar en uiterlijk op 30 juni 2023, een beschrijving op van het beheers- en controlesysteem overeenkomstig het in bijlage XIV opgenomen model. Zij past die beschrijving aan aan latere wijzigingen.

10.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 107 gedelegeerde handelingen goed te keuren die lid 2 van dit artikel aanvullen door de criteria vast te stellen ter bepaling van de te rapporteren gevallen van onregelmatigheden en te verstrekken gegevens.

11.  De Commissie keurt een uitvoeringshandeling goed om het model op te stellen dat moet worden gebruikt voor de rapportering van onregelmatigheden in overeenstemming met de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om eenvormige voorwaarden en regels te garanderen voor de uitvoering van dit artikel. [Am. 278]

Artikel 64

Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Commissie

1.  De Commissie vergewist zich ervan dat de lidstaten beheers- en controlesystemen hebben opgezet die aan deze verordening voldoen en dat die systemen tijdens de uitvoering van de programma’s doeltreffend en efficiënt functioneren. De Commissie stelt voor de lidstaten een auditstrategie en een auditplan op op basis van een risicobeoordeling. [Am. 279]

De Commissie en de auditinstanties coördineren hun auditplannen.

2.  De audits van de Commissie worden uitgevoerd tot drie twee jaar na de goedkeuring van de rekeningen waar de betreffende uitgave in was begrepen. Deze termijn is niet van toepassing op concrete acties waarvoor een vermoeden van fraude bestaat. [Am. 280]

3.  Voor het verrichten van hun audits krijgen de ambtenaren van de Commissie of hun gemachtigde vertegenwoordigers inzage in alle noodzakelijke gegevens, documenten en metagegevens over de door de Fondsen gesteunde concrete acties of over de beheers- en controlesystemen en krijgen zij kopieën in de specifiek gevraagde formaten.

4.  Voor controles ter plaatse geldt eveneens het volgende:

a)  behalve in dringende gevallen stelt de Commissie de bevoegde programma-autoriteit ten minste twaalf vijftien werkdagen van tevoren in kennis van de controle. Aan deze audits mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat deelnemen; [Am. 281]

b)  wanneer door de toepassing van nationale bepalingen bepaalde handelingen voorbehouden worden aan daartoe door nationale wetgeving specifiek aangewezen functionarissen, hebben ambtenaren van de Commissie en gemachtigde vertegenwoordigers inzage in de aldus verkregen informatie, onverminderd de bevoegdheden van nationale gerechtelijke instanties en met volledige inachtneming van de grondrechten van de betrokken rechtssubjecten;

c)  de Commissie zendt de voorlopige auditbevindingen in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie twee maanden na de laatste dag van de audit aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat; [Am. 282]

d)  de Commissie zendt het auditverslag in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie twee maanden na de laatste dag van ontvangst van een volledig antwoord van de bevoegde autoriteit van de lidstaat op de voorlopige auditbevindingen. Het antwoord van de lidstaat wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen twee maanden niet heeft laten weten dat er nog over te leggen documenten zijn. [Am. 283]

De Commissie kan de onder c) en d) bedoelde termijnen in naar behoren gemotiveerde gevallen met drie twee maanden verlengen. [Am. 284]

4 bis.   Onverminderd artikel 63, lid 6, voorziet de Commissie in een klachtenbehandelingssysteem dat toegankelijk is voor burgers en belanghebbenden. [Am. 285]

Artikel 65

Programma-autoriteiten

1.  Voor de toepassing van artikel [63, lid 3], van het Financieel Reglement, identificeert de lidstaat voor elk programma een beheersautoriteit en een auditautoriteit. Wanneer een lidstaat gebruikt maakt van de in artikel 66, lid 2, bedoelde mogelijkheid, wordt de desbetreffende instantie geïdentificeerd als een programma-autoriteit. Deze autoriteiten kunnen voor meerdere programma's verantwoordelijk zijn.

2.  De auditautoriteit is een openbare of particuliere autoriteit die volledig onafhankelijk is van de geauditeerde beheersautoriteit en de organen of entiteiten aan wie taken zijn toevertrouwd of gedelegeerd. [Am. 286]

3.  De beheersautoriteit kan een of meer intermediaire instanties aanwijzen om bepaalde taken onder haar verantwoordelijk uit te voeren. Regelingen tussen de beheersautoriteit en intermediaire instanties worden schriftelijk vastgelegd.

4.  Lidstaten waarborgen dat het beginsel van scheiding van functies tussen en binnen de programma-autoriteiten in acht wordt genomen.

5.  De instantie die het in artikel [11] van Verordening EU (...) [Horizon Europa deelnameregels] bedoelde medefinanciering voor het programma uitvoeren, worden geïdentificeerd als een intermediaire instantie door de beheersautoriteit van het desbetreffende programma, overeenkomstig lid 3.

HOOFDSTUK II

Standaard beheer- en controlesystemen

Artikel 66

Functies van de beheersautoriteit

1.  De beheersautoriteit is verantwoordelijk voor het beheer van het programma met het oog op het bereiken van de doelstellingen van het programma. Zij heeft met name de volgende functies:

a)  acties selecteren in overeenstemming met artikel 67;

b)  programmabeheerstaken uitvoeren in overeenstemming met artikel 68;

c)  de werkzaamheden van het toezichtcomité ondersteunen in overeenstemming met artikel 69;

d)  toezicht houden op intermediaire instanties;

e)  in een elektronisch systeem elektronische systemen de gegevens van elke concrete actie registreren en opslaan voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, controles en audits, en de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens en de authenticatie van gebruikers waarborgen. [Am. 287]

2.  De lidstaat kan de in artikel 70 bedoelde boekhoudfunctie toevertrouwen aan de beheersautoriteit of een andere instantie.

3.  Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's wordt de boekhoudfunctie uitgeoefend door of onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit.

4.  De Commissie keurt een uitvoeringshandeling goed overeenkomstig de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om eenvormige voorwaarden te garanderen voor de in lid 1, onder e), bedoelde registratie en opslag van elektronische gegevens. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Artikel 67

Selectie van concrete acties door de beheersautoriteit

1.  Voor de selectie van concrete acties moet de beheersautoriteit criteria en procedures vaststellen en toepassen die niet-discriminerend en transparant zijn, toegankelijk zijn voor personen met een handicap, gendergelijkheid waarborgen en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van duurzame ontwikkeling en van het beleid van de Unie op milieugebied overeenkomstig artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU. [Am. 288]

De criteria en procedures waarborgen de prioritering van de te selecteren concrete acties teneinde ervoor te zorgen dat de bijdrage uit de middelen van de Unie financiering van de Unie optimaal bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.

2.  Op verzoek van de Commissie raadpleegt de beheersautoriteit de Commissie en houdt zij rekening met haar opmerkingen voorafgaand aan de eerste indiening van de selectiecriteria bij het toezichtcomité en voordat deze criteria worden gewijzigd.

3.  Voor de selectie van concrete acties moet de beheersautoriteit:

a)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties duurzaam zijn, in overeenstemming zijn met het programma en met territoriale strategieën, en op effectieve wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan; [Am. 289]

b)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties overeenstemmen met de bijhorende strategieën en planningsdocumenten die zijn opgesteld voor de verwezenlijking van de randvoorwaarden;

c)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties de beste een juiste verhouding tussen het steunbedrag, de uitgevoerde activiteiten en de verkregen resultaten vertegenwoordigen; [Am. 290]

d)  verifiëren dat de begunstigde de nodige financiële middelen en instrumenten heeft om de exploitatie- en onderhoudskosten te dekken;

e)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties die onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad(45) worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling of een screeningprocedure en dat naar behoren rekening is gehouden met de beoordeling van alternatieve oplossingen en een uitgebreide openbare raadpleging, overeenkomstig de voorschriften van die richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad(46); [Am. 291]

f)  verifiëren waarborgen dat er voldaan is aan het toepasselijke recht indien de concrete acties zijn begonnen vóór de indiening van een financieringsaanvraag bij de beheersautoriteit; [Am. 292]

g)  waarborgen dat een geselecteerde concrete actie binnen het toepassingsgebied van het betrokken fonds valt en aan een interventietype of voor het EFMZV een ondersteuningsgebied wordt toegewezen;

h)  waarborgen dat concrete acties geen activiteiten omvatten die deel uitmaakten van een concrete actie waarvoor een verplaatsing in overeenstemming met artikel 60 gold of die zouden neerkomen op een overdracht van een productieve activiteit overeenkomstig artikel 59, lid 1, onder a);

i)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties niet worden beïnvloed door een met redenen omkleed advies van de Commissie met betrekking tot een inbreukprocedure overeenkomstig artikel 258 van het VWEU dat de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven of de uitvoering van concrete acties in gevaar brengt;

j)  de voordat er investeringsbesluiten worden genomen, de klimaatbestendigheid waarborgen van investeringen in infrastructuur met een verwachte levensduur van ten minste vijf jaar, alsook de toepassing waarborgen van het beginsel "energie-efficiëntie eerst". [Am. 293]

4.  De beheersautoriteit waarborgt dat de begunstigde een document wordt verstrekt waarin alle voorwaarden voor steun voor elke concrete actie zijn vermeld, met inbegrip van de specifieke vereisten betreffende de producten of diensten die moeten worden geleverd, het financieringsplan, de uitvoeringstermijn en, indien van toepassing, de toe te passen de methode voor de vaststelling van de kosten van de concrete actie en de voorwaarden voor betaling van de subsidie.

5.  Voor concrete acties die een certificaat "Excellentiekeur" hebben ontvangen of die zijn geselecteerd in het kader van de medefinanciering voor het programma binnen Horizon Europa, kan de beheersautoriteit besluiten rechtstreeks uit het EFRO of het ESF+ steun te verlenen, op voorwaarde dat die concrete acties stroken met de doelstellingen van het programma.

Het medefinancieringspercentage van het instrument dat het certificaat "Excellentiekeur" of de medefinanciering voor het programma verstrekt, is van toepassing en wordt vastgesteld in het in lid 4 bedoelde document.

5 bis.   In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de beheersautoriteit eveneens beslissen om tot 5 % van de financiële middelen voor een programma in het kader van het EFRO en het ESF+ toe te wijzen aan specifieke projecten binnen de lidstaat die in aanmerking komen voor Horizon Europa, met inbegrip van de projecten die in de tweede fase worden geselecteerd, op voorwaarde dat die specifieke projecten bijdragen aan de doelstellingen van het programma in die lidstaat. [Am. 294]

6.  Wanneer de beheersautoriteit een concrete actie van strategisch belang selecteert, stelt zij de Commissie daar onmiddellijk binnen één maand van in kennis en verstrekt zij de Commissie alle informatie over die actie, met inbegrip van een kosten-batenanalyse. [Am. 295]

Artikel 68

Programmabeheer door de beheersautoriteit

1.  De beheersautoriteit:

a)  voert beheersverificaties uit om te verifiëren of de medegefinancierde producten en diensten zijn geleverd, of de concrete actie voldoet aan het toepasselijke recht, aan het programma en aan de voorwaarden voor steun voor de concrete actie en,

i)  voor kosten die worden vergoed overeenkomstig artikel 48, lid 1, onder a), of het bedrag van de door de begunstigden met betrekking tot die kosten gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk is betaald en of de begunstigden een afzonderlijke boekhouding voeren voor alle met die concrete actie samenhangende transacties;

ii)  voor kosten die worden vergoed overeenkomstig artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), of is voldaan aan de voorwaarden voor de vergoeding van de uitgave aan de begunstigde;

b)  waarborgt dat, onder voorbehoud in het geval van de beschikbaarheid van de financiering, voorfinanciering en tussentijdse betalingen dat de begunstigde uiterlijk negentig zestig dagen na de datum waarop hij de betalingsaanvraag heeft ingediend, het verschuldigde totale bedrag voor geverifieerde uitgaven ontvangt; [Am. 296]

c)  zorgt voor doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen en -procedures op basis van de vastgestelde risico's;

d)  voorkomt onregelmatigheden, spoort ze op en corrigeert ze;

e)  bevestigt dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven wettig en regelmatig zijn;

f)  stelt de beheersverklaring op overeenkomstig het in bijlage XV opgenomen model;

g)  zenden uiterlijk op 31 januari en 31 juli een raming van het bedrag waarvoor zij verwachten betalingsaanvragen te zullen indienen voor het lopende en voor de volgende kalenderjaren, overeenkomstig het in bijlage XII opgenomen model.

Wat de eerste alinea, onder b), betreft mogen er geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke extra heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast die bedragen verschuldigd aan begunstigden zouden verminderen.

Met betrekking tot concrete PPP-acties voert de beheersautoriteit de betalingen uit naar een geblokkeerde rekening die specifiek daarvoor is geopend op naam van de begunstigde om te worden gebruikt overeenkomstig de PPP-overeenkomst.

2.  De in lid 1, onder a), bedoelde beheersverificaties zijn risicogebaseerd en proportioneel met de in een risicobeheersstrategie vastgestelde risico's.

Beheersverificaties omvatten administratieve verificaties met betrekking tot elke betalingsaanvraag van begunstigden en verificaties ter plaatse van concrete acties. Zij worden uitgevoerd voordat de rekeningen overeenkomstig artikel 92 worden voorbereid.

3.  Als de beheersautoriteit ook begunstigde van het programma is, moeten de regelingen voor de beheersverificaties een scheiding van functies garanderen.

4.  In afwijking van lid 2 kan de ETS-verordening specifieke voorschriften inzake op Interreg-programma's toepasselijke beheersverificaties bevatten.

Artikel 69

Ondersteuning van het werk van het toezichtcomité door de beheersautoriteit

De beheersautoriteit:

a)  verstrekt het toezichtcomité tijdig alle informatie die het nodig heeft om zijn taken uit te voeren;

b)  zorgt ervoor dat gevolg wordt gegeven aan de besluiten en aanbevelingen van het toezichtcomité.

Artikel 70

De boekhoudfunctie

1.  De boekhoudfunctie omvat:

a)  betalingsaanvragen opstellen en indien bij de Commissie overeenkomstig de artikelen 85 en 86, en rekening houden met de audits die worden verricht door of onder de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit; [Am. 297]

b)  rekeningen opstellen en presenteren, de volledigheid, nauwkeurigheid en juistheid bevestigen overeenkomstig artikel 92 en bescheiden bijhouden van alle elementen van de rekeningen in een elektronisch systeem; [Am. 298]

c)  de bedragen van in een andere valuta dan de euro gedane uitgaven omrekenen aan de hand van de maandelijkse wisselkoers voor de euro van de Commissie in de maand waarin die uitgaven zijn geregistreerd in het boekhoudsysteem van de instantie die de in dit artikel bepaalde taken uitvoert.

2.  De boekhoudfunctie houdt geen verificaties op het niveau van begunstigden in.

3.  In afwijking van lid 1, onder c), kan in de ETS-verordening een andere methode worden bepaald voor het omrekenen van in een andere valuta dan de euro gedane uitgaven.

Artikel 71

Functies van de auditautoriteit

1.  De auditautoriteit is verantwoordelijk voor het uitvoeren van systeemaudits, audits over concrete acties en audits van rekeningen en zo de Commissie op onafhankelijke wijze waarborgen te bieden over de doeltreffendheid van de beheers- en controlesystemen doeltreffend over de wettigheid en regelmatigheid van de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven.

2.  Auditwerkzaamheden worden verricht overeenkomstig internationaal aanvaarde auditnormen.

3.  De auditautoriteit moet de volgende documenten opstellen en bij de Commissie indienen:

a)  een jaarlijks auditoordeel overeenkomstig artikel [63, lid 7] van het Financieel Reglement en overeenkomstig het in bijlage XVI opgenomen model, op basis van alle auditwerkzaamheden, waarin elk van de volgende aspecten wordt behandeld:

i)  de volledigheid, waarheidsgetrouwheid en nauwkeurigheid van de jaarrekeningen,

ii)  de wettigheid en regelmatigheid van de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven;

iii)  de doeltreffende werking van het beheer- en controlesysteem.

b)  een jaarlijks controleverslag dat voldoet aan de eisen van artikel [63, lid 5, onder b)] van het Financieel Reglement, overeenkomstig het in bijlage XVII opgenomen model, dat het onder a) bedoelde auditoordeel ondersteunt en dat een samenvatting van de bevindingen bevat, met inbegrip van een analyse van de aard en de omvang van de fouten en tekortkomingen in het systeem, de voorgestelde en uitgevoerde corrigerende maatregelen en het daaruit volgende totale foutenpercentage en het resterende foutenpercentage voor de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven.

4.  Wanneer programma's voor de audit van concrete acties worden gegroepeerde overeenkomstig artikel 73, lid 2, kan de in lid 3, onder b), gevraagde informatie in één verslag worden opgenomen.

Wanneer de auditautoriteit van deze mogelijkheid gebruik maakt voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, brengt het fonds verslag uit over de in lid 3, onder b), gevraagde informatie.

5.  De auditautoriteit zendt de systeemauditverslagen naar de Commissie zodra de contradictoire procedure met de betrokken geauditeerden is voltooid.

6.  Tenzij anders is overeengekomen, komen de Commissie en de auditautoriteiten regelmatig, en ten minste een maal per jaar, bijeen om de auditstrategie, het jaarlijkse controleverslag, en het auditoordeel te onderzoeken, hun auditplannen en -methoden op elkaar af te stemmen, en van gedachten te wisselen over kwesties in verband met de verbetering van de beheers- en controlesystemen.

6 bis.   De audit wordt uitgevoerd met verwijzing naar de toepasselijke norm op het moment dat de gecontroleerde actie wordt afgesproken, behalve wanneer nieuwe normen gunstiger zijn voor de begunstigde. [Am. 299]

6 ter.   De vaststelling van een onregelmatigheid, in het kader van de audit van een actie met een financiële boete als gevolg, mag niet resulteren in het uitbreiden van het toepassingsgebied van de controle of in financiële correcties naast de uitgaven met betrekking tot het boekjaar van de gecontroleerde uitgaven. [Am. 300]

Artikel 72

Auditstrategie

1.  De auditautoriteit stelt, na raadpleging van de beheersautoriteit, een auditstrategie op op basis van een risicobeoordeling, rekening houdend met het beheers- en controlesysteem als beschreven in artikel 63, lid 9, betreffende systeemaudits en audits van concrete acties. De auditstrategie omvat systeemaudits van nieuw geïdentificeerde beheersautoriteiten en autoriteiten belast met de boekhoudfunctie. De audit wordt binnen een termijn van negen maanden na hun eerste werkjaar. De auditstrategie wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage XVIII opgenomen model en wordt jaarlijks bijgewerkt nadat het eerste jaarlijkse controleverslag en auditoordeel bij de Commissie is ingediend. Zij kan betrekking hebben op een of meerdere programma's. De auditautoriteit kan in de auditstrategie een grens vaststellen voor audits van één enkele rekening. [Am. 301]

2.  Op verzoek wordt de auditstrategie aan de Commissie verstrekt.

Artikel 73

Audits van concrete acties

1.  Audits van concrete acties hebben betrekking op bij de Commissie gedeclareerde uitgaven in het boekjaar op basis van een steekproef. Die steekproef is representatief en gebaseerd op statistische steekproefmethodes.

2.  Wanneer de populatie uit minder dan 300 steekproefeenheden bestaat, kan de auditautoriteit op basis van haar professionele oordeel een niet-statistische steekproefmethode toepassen. In dergelijke gevallen moet de steekproef omvangrijk genoeg zijn om de auditautoriteit in staat te stellen een geldig auditoordeel uit te brengen. De niet-statistische steekproefmethode bestrijkt minimaal 10 % van de steekproefeenheden in de populatie van het boekjaar, op aselecte wijze gekozen.

De statistische steekproef kan betrekking hebben op een of meer door het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF+ ondersteunde programma's en, met in voorkomend geval de stratificatie, op een of meerdere programmeringsperioden, op basis van het professionele oordeel van de auditautoriteit.

De steekproef van door het AMIF, het ISF, het BMVI en het EFMZV ondersteunde concrete acties heeft betrekking op door elk fonds apart ondersteunde concrete acties.

3.  Audits van concrete acties omvatten alleen een verificatie ter plaatse van de materiële uitvoering van de concrete actie als het type concrete actie dat vereist.

Indien de Commissie en een lidstaat het niet eens zijn over de bevindingen van een audit, wordt er een schikkingsprocedure ingesteld. [Am. 302]

De ESF+-verordening kan specifieke bepalingen bevatten voor in artikel [4, lid 1, onder c), vii)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's.

4.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 107 een gedelegeerde handeling vast te stellen om dit artikel aan te vullen door gestandaardiseerde kant-en-klare steekproefmethoden en -modaliteiten te bepalen om een of meerdere programmeringsperioden te dekken.

Artikel 74

Regelingen inzake één enkele audit

1.  Bij het uitvoeren van audits houden de Commissie en de auditautoriteiten rekening met het beginsel van één enkele audit en met het evenredigheidsbeginsel in verhouding tot de omvang van het risico voor de begroting van de Unie. Zij voorkomen herhaling van audits over dezelfde bij de Commissie gedeclareerde uitgaven om zo de kosten voor beheersverificaties en -audits en de administratieve lasten voor de begunstigden tot een minimum te beperken.

De Commissie en de auditautoriteiten gebruiken eerst alle in het de in artikel 66, lid 1, onder e), bedoelde elektronische systeem systemen beschikbare gegevens, met inbegrip van beheersverificaties, en vragen en verkrijgen alleen aanvullende documenten en auditbewijs van de begunstigden als zij dit, op basis van hun professionele oordeel, nodig achten ter staving van betrouwbare auditconclusies. [Am. 303]

2.  Voor programma's waarvoor de Commissie concludeert dat het oordeel van de auditautoriteit betrouwbaar is, en de betrokken lidstaat deelneemt aan de nauwere samenwerking op het gebied van het Europees Openbaar Ministerie, blijven de audits van de Commissie beperkt tot een audit van de werkzaamheden van de auditautoriteit.

3.  Concrete acties waarvan de totale subsidiabele uitgaven niet meer dan 400 000 EUR voor het EFRO en het Cohesiefonds, 300 000 EUR voor het ESF+, of 200 000 EUR voor het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI bedragen, worden voorafgaand aan de indiening van de rekeningen voor het boekjaar waarin de concrete actie is voltooid, onderworpen aan niet meer dan één audit, verricht door hetzij de auditautoriteit, hetzij de Commissie.

Andere concrete acties worden voorafgaand aan de indiening van de rekeningen voor het boekjaar waarin de concrete actie is voltooid, onderworpen aan niet meer dan één audit per boekjaar, verricht door hetzij de auditautoriteit hetzij de Commissie. Concrete acties worden in een bepaald jaar niet meer door de Commissie of de auditautoriteit aan een audit onderworpen wanneer dat jaar reeds een audit door de Rekenkamer heeft plaatsgevonden, mits de auditautoriteit of de Commissie de resultaten van die audit van de Europese Rekenkamer voor dergelijke concrete acties voor het uitvoeren van hun respectieve taken kunnen gebruiken.

4.  Onverminderd lid 3 kan een concrete actie worden onderworpen aan meer dan een audit als de auditautoriteit op basis van haar professionele oordeel tot de conclusie komt dat geen auditoordeel kan worden uitgebracht.

5.  De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing in het geval van:

a)  een specifiek risico op onregelmatigheden of aanwijzingen van fraude;

b)  de noodzaak om de auditactiviteit te herhalen om de zekerheid te krijgen dat de auditautoriteit doeltreffend functioneert;

c)  bewijs van een ernstige tekortkoming in het werk van de auditautoriteit.

Artikel 75

Beheersverificaties en audits van financieringsinstrumenten

1.  De beheersautoriteit verricht overeenkomstig artikel 68, lid 1, beheersverificaties ter plaatse, uitsluitend op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 127 van het Financieel Reglement kan de beheersautoriteit, indien het financieringsinstrument voorziet in controleverslagen ter ondersteuning van de betalingsaanvraag, besluiten geen beheersverificaties ter plaatse te verrichten. [Am. 304]

2.  De beheersautoriteit verricht geen verificaties ter plaatse op het niveau van de Europese Investeringsbank (EIB) of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is.

De EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, bezorgen de beheersautoriteit evenwel bij elke betalingsaanvraag een controleverslag. [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

3.  De auditautoriteit verricht overeenkomstig de artikelen 71, 73 en 77 systeemaudits en audits van concrete acties op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 127 van het Financieel Reglement kan de auditautoriteit, indien het financieringsinstrument de auditautoriteit een jaarlijks auditverslag bezorgt dat aan het eind van elk kalenderjaar door hun externe auditors is opgesteld en betrekking heeft op de in bijlage XVII opgenomen elementen, besluiten geen verdere audits uit te voeren. [Am. 306]

3 bis.   In het kader van garantiefondsen kunnen voor de audit van programma's verantwoordelijke instanties alleen verificaties of audits verrichten van de instanties die onderliggende nieuwe leningen verstrekken in een of meer van de volgende situaties:

a)  er zijn geen bewijsstukken ter staving van de steun uit het financieringsinstrument aan eindontvangers beschikbaar op het niveau van de beheersautoriteit of op het niveau van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren;

b)  er is bewijs dat de documenten die beschikbaar zijn op het niveau van de beheersautoriteit of op het niveau van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren, geen waarheidsgetrouwe en nauwkeurige weergave van de verleende steun zijn. [Am. 307]

4.  De auditautoriteit verricht geen audits op het niveau van de EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, voor financieringsinstrumenten die zij uitvoeren.

De EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, bezorgen de Commissie en de auditautoriteit evenwel een jaarlijks auditverslag dat aan het eind van elk kalenderjaar door hun externe auditors is opgesteld. Dit verslag heeft betrekking op de in bijlage XVII opgenomen elementen.

5.  De EIB of andere internationale instellingen verstrekken de programma-autoriteiten alle documenten die zij nodig hebben om hun verplichtingen na te komen.

Artikel 76

Beschikbaarheid van documenten

1.  Onverminderd de regels over staatssteun zorgt de beheersautoriteit ervoor dat alle bewijsstukken met betrekking tot een door de fondsen ondersteunde concrete actie op het gepaste niveau worden bewaard gedurende vijf drie jaar te rekenen vanaf 31 december vanaf het jaar waarin de laatste betaling van de beheersautoriteit aan de begunstigde wordt verricht. [Am. 308]

2.  In geval van gerechtelijke procedures of op verzoek van de Commissie kan deze termijn worden onderbroken.

2 bis.   De bewaartermijn van de documenten kan op besluit van de beheersautoriteit worden teruggebracht, in verhouding met het risicoprofiel en de omvang van de begunstigden. [Am. 309]

HOOFDSTUK III

Gebruik van nationale beheerssystemen

Artikel 77

Verbeterde evenredige regelingen

De lidstaat kan de volgende verbeterde evenredige regelingen toepassen voor het beheers- en controlesysteem van een programma wanneer is voldaan aan de in artikel 78 vastgestelde voorwaarden:

a)  in afwijking van artikel 68, lid 1, onder a), en artikel 68, lid 2, kan de beheersautoriteit alleen nationale procedures toepassen om beheersverificaties uit te voeren;

b)  in afwijking van artikel 73, leden 1 en 3, kan de auditautoriteit haar auditactiviteiten beperken tot een statistische steekproef van 30 steekproefeenheden voor het programma of de groep programma’s in kwestie;

c)  de Commissie beperkt haar eigen audits tot een toetsing van de werkzaamheden van de auditautoriteit door deze uitsluitend op haar niveau te herhalen, tenzij de beschikbare informatie duidt op een ernstige tekortkoming in de werkzaamheden van de auditautoriteit.

Wanneer de onder b) bedoelde populatie uit minder dan 300 steekproefeenheden bestaat, kan de auditautoriteit een niet-statistische steekproefmethode toepassen overeenkomstig artikel 73, lid 2.

Artikel 78

Voorwaarden voor de toepassing van verbeterde evenredige regelingen

1.  De lidstaat kan de in artikel 77 vastgestelde verbeterde evenredige regelingen op elk moment tijdens de programmeringsperiode toepassen, mits de Commissie in haar gepubliceerde jaarlijkse activiteitenverslagen voor de laatste twee jaar voorafgaand aan het besluit van de lidstaat om de bepalingen van dit artikel toe te passen, heeft bevestigd dat het beheers- en controlesysteem van het programma doeltreffend functioneert en het totale foutenpercentage voor elk jaar lager ligt dan 2 %. Wanneer wordt nagegaan of het beheers- en controlesysteem van het programma doeltreffend functioneert, houdt de Commissie rekening met de deelname van de betrokken lidstaat aan de nauwere samenwerking op het gebied van het Europees Openbaar Ministerie.

Wanneer een lidstaat besluit gebruik te maken van deze mogelijkheid, stelt deze de Commissie in kennis van de toepassing van de in artikel 77 vastgestelde evenredige regelingen die van toepassing zijn vanaf het begin van het daaropvolgende boekjaar.

2.  Aan het begin van de programmeringsperiode kan de lidstaat de in artikel 77 bedoelde regelingen toepassen, mits is voldaan aan de in lid 1 van dit artikel vastgestelde voorwaarden ten aanzien van een soortgelijk programma dat in 2014-2020 is uitgevoerd, en mits de voor het programma 2021-2027 vastgestelde beheers- en controleregelingen grotendeels voortbouwen op de regelingen voor het vorige programma. In dergelijke gevallen zullen de verbeterde evenredige regelingen van toepassing zijn vanaf de aanvang van het programma.

3.  De in artikel 63, lid 9, en artikel 72 bedoelde beschrijving van het beheers- en controlesysteem en de auditstrategie worden dienovereenkomstig opgesteld of geactualiseerd door de lidstaat.

Artikel 79

Aanpassing tijdens de programmeringsperiode

1.  Wanneer de Commissie of de auditautoriteit op basis van de uitgevoerde audits en het jaarlijkse controleverslag concluderen dat niet meer wordt voldaan aan de in artikel 78 vastgestelde voorwaarden, verzoekt de Commissie de auditautoriteit aanvullende auditwerkzaamheden te verrichten overeenkomstig artikel 63, lid 3, en corrigerende maatregelen te nemen.

2.  Wanneer in het daaropvolgende jaarlijkse controleverslag wordt bevestigd dat nog steeds niet wordt voldaan aan de voorwaarden, waardoor slechts in beperkte mate zekerheid wordt verschaft aan de Commissie over de doeltreffende werking van de beheers- en controlesystemen en de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven, verzoekt de Commissie de auditautoriteit systeemaudits uit te voeren.

3.  Nadat de Commissie de lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld zijn opmerkingen te formuleren, stelt zij de lidstaat ervan in kennis dat de in artikel 77 vastgestelde verbeterde evenredige regelingen niet meer kunnen worden toegepast.

Titel VII

financieel beheer, indiening en onderzoek van rekeningen en financiële correcties

HOOFDSTUK I

Financieel beheer

Afdeling I

Algemene boekhoudregels

Artikel 80

Vastleggingen in de begroting

1.  Het besluit tot goedkeuring van het programma overeenkomstig artikel 18 vormt een financieringsbesluit in de zin van [artikel 110, lid 3,] van het Financieel Reglement en de kennisgeving ervan aan de betrokken lidstaat vormt een juridische verbintenis.

In dat besluit wordt de bijdrage van de Unie per fonds en per jaar vermeld.

2.  De vastleggingen in de begroting van de Unie voor elk programma worden in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 verricht door de Commissie in jaarlijkse tranches voor elk fonds.

3.  In afwijking van artikel 111, lid 2, van het Financieel Reglement geschieden de vastleggingen in de begroting voor de eerste tranche na de vaststelling van het programma door de Commissie.

Artikel 81

Gebruik van de euro

Alle bedragen die worden vermeld in programma’s of door de lidstaten worden gemeld aan of gedeclareerd bij de Commissie worden uitgedrukt in euro.

Artikel 82

Terugbetaling

1.  Elke aan de begroting van de Unie te verrichten terugbetaling geschiedt vóór de vervaldag die is vermeld in de invorderingsopdracht die is opgesteld overeenkomstig [artikel 98 van het Financieel Reglement]. Deze vervaldatum is de laatste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de invorderingsopdracht is gegeven.

2.  Elke vertraging van de terugbetaling geeft aanleiding tot rente wegens te late betaling, te rekenen vanaf de vervaldatum tot en met de datum van de daadwerkelijke betaling. De toe te passen rentevoet is anderhalf procentpunt hoger dan die welke de Europese Centrale Bank toepast bij haar voornaamste herfinancieringstransacties op de eerste werkdag van de maand waarin de vervaldatum valt.

Afdeling II

Voorschriften voor betalingen aan de lidstaten

Artikel 83

Soorten betalingen

De betalingen gebeuren in de vorm van een voorfinanciering, tussentijdse betalingen en betalingen van het saldo van de rekeningen voor het boekjaar.

Artikel 84

Voorfinanciering

1.  De Commissie betaalt voorfinanciering op basis van de totale steun uit de fondsen zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van het programma overeenkomstig artikel 17, lid 3, onder f) en i).

2.  De voorfinanciering voor elk fonds wordt vóór 1 juli van elk jaar betaald in jaarlijkse tranches, afhankelijk van de beschikbare middelen, als volgt: [Am. 310]

a)  2021: 0,5 %;

b)  2022: 0,5 0,7 %; [Am. 311]

c)  2023: 0,5 1 %; [Am. 312]

d)  2024: 0,5 1,5 %; [Am. 313]

e)  2025: 0,5 2 %; [Am. 314]

f)  2026: 0,5 2 %. [Am. 315]

Wanneer een programma na 1 juli 2021 wordt vastgesteld, worden de eerdere tranches in het jaar van vaststelling betaald.

3.  In afwijking van lid 2 worden voor Interreg-programma’s specifieke regels inzake voorfinanciering vastgesteld in de ETS-verordening.

4.  Het als voorfinanciering uitgekeerde bedrag wordt uiterlijk in het laatste boekjaar behandeld in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van de Commissie.

5.  De renteopbrengsten van de voorfinanciering worden ingezet voor het betrokken programma op dezelfde wijze als de fondsen en worden opgenomen in de rekeningen van het laatste boekjaar.

Artikel 85

Betalingsaanvragen

1.  De lidstaat dient een maximum van vier betalingsaanvragen in per programma, per fonds en per boekjaar. Elk jaar loopt de termijn voor elke betalingsaanvraag af op 30 april, 31 juli, 31 oktober en 26 december.

De laatste betalingsaanvraag die uiterlijk op 31 juli is ingediend, wordt beschouwd als de aanvraag voor de eindbetaling voor het boekjaar dat is geëindigd op 30 juni.

2.  Betalingsaanvragen zijn slechts ontvankelijk als het meest recente zekerheidspakket is ingediend.

3.  Betalingsaanvragen worden ingediend bij de Commissie overeenkomstig het in bijlage XIX vastgestelde model en bevatten voor elke prioriteit en per regiocategorie:

a)  het totaalbedrag van door begunstigden gedane subsidiabele uitgaven dat is betaald voor de uitvoering van concrete acties, zoals opgenomen in het systeem van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent;

b)  het bedrag voor technische bijstand dat is berekend overeenkomstig artikel 31, lid 2; [Am. 316]

c)  het totaalbedrag van betaalde of te betalen overheidsbijdragen, zoals opgenomen in de boekhoudsystemen van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent;

4.  In afwijking van lid 3, onder a), is het volgende van toepassing:

a)  wanneer de bijdrage van de Unie wordt verstrekt overeenkomstig artikel 46, onder a), bevat een betalingsaanvraag de bedragen die zijn gerechtvaardigd door de vooruitgang met de naleving van de voorwaarden of het boeken van resultaten, overeenkomstig het in artikel 89, lid 2, bedoelde besluit;

b)  wanneer de bijdrage van de Unie wordt verstrekt overeenkomstig artikel 46, onder c), d) en e), bevat een betalingsaanvraag de bedragen die zijn bepaald overeenkomstig het in artikel 88, lid 3, bedoelde besluit;

c)  in een betalingsaanvraag voor de in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), genoemde vormen van subsidies worden de kosten opgenomen als berekend volgens de toepasselijke grondslag.

c bis)   in geval van staatssteun kan de betalingsaanvraag voorschotten omvatten die door de steunverlenende instantie aan de begunstigde zijn betaald, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: ze zijn gedekt door een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie, ze bedragen niet meer dan 40 % van het totale bedrag van de steun die aan een begunstigde wordt verleend voor een bepaalde concrete actie en worden binnen drie jaar gebruikt voor de uitgaven van de begunstigden en gestaafd door vereffende facturen. [Am. 317]

5.  In afwijking van lid 3, onder c), in geval van steunregelingen krachtens artikel 107 VWEU, moet de overheidsbijdrage die overeenkomt met de in een betalingsaanvraag vermelde uitgaven door de steunverlenende instantie aan de begunstigden zijn betaald.

Artikel 86

Specifieke elementen voor financieringsinstrumenten in betalingsaanvragen

1.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 2 1, bevatten de overeenkomstig bijlage XIX ingediende betalingsaanvragen de totaalbedragen die de beheersautoriteit heeft uitgekeerd aan of, in het geval van garanties, de in garantiecontracten overeengekomen bedragen die de beheersautoriteit heeft gereserveerd voor eindbegunstigden, als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder a), b) en c). [Am. 318]

2.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 3 2, worden betalingsaanvragen die uitgaven voor financieringsinstrumenten bevatten, ingediend overeenkomstig de volgende voorwaarden: [Am. 319]

a)  het in de eerste betalingsaanvraag opgenomen bedrag is betaald aan de financieringsinstrumenten en bedraagt ten hoogste 25 % van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat is vastgelegd voor de financieringsinstrumenten krachtens de desbetreffende financieringsovereenkomst, in overeenstemming met de desbetreffende prioriteit en regiocategorie, indien van toepassing;

b)  het bedrag dat is opgenomen in de daaropvolgende betalingsaanvragen die zijn ingediend tijdens de subsidiabiliteitsperiode omvat de subsidiabele uitgaven als bedoeld in artikel 62, lid 1.

3.  Het in de eerste betalingsaanvraag opgenomen bedrag als bedoeld in lid 2, onder a), wordt uiterlijk in het laatste boekjaar behandeld in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van de Commissie.

Het bedrag wordt afzonderlijk meegedeeld in de betalingsaanvragen.

Artikel 87

Gemeenschappelijke voorschriften voor betalingen

1.  Onder voorbehoud van de beschikbare begrotingsmiddelen De Commissie voert de Commissie tussentijdse betalingen uit binnen 60 dagen na de datum waarop de Commissie de betalingsaanvraag heeft ontvangen. [Am. 320]

2.  Elke betaling wordt toegerekend aan de oudste openstaande vastlegging in de begroting van het fonds en de regiocategorie in kwestie. De Commissie vergoedt bij wijze van tussentijdse betaling 90 % van de in de betalingsaanvraag opgenomen bedragen, hetgeen wordt berekend door het medefinancieringspercentage voor elke prioriteit toe te passen op de totale subsidiabele uitgaven of de overheidsbijdrage, in voorkomend geval. De Commissie bepaalt welke resterende bedragen worden vergoed of teruggevorderd bij de berekening van het saldo van de rekeningen overeenkomstig artikel 94.

3.  De steun uit de fondsen voor een prioriteit in tussentijdse betalingen ligt niet hoger dan het bedrag van de steun uit de fondsen voor de prioriteit dat is vastgesteld in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het programma.

4.  Wanneer de bijdrage van de Unie de vorm van artikel 46, onder a), aanneemt, of wanneer de subsidies de vorm als bedoeld in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), aannemen, betaalt de Commissie niet meer dan het door de lidstaat gevraagde bedrag.

5.  Daarnaast bedraagt de steun uit de fondsen voor een prioriteit bij de betaling van het saldo van het laatste boekjaar niet meer dan:

a)  de in de betalingsaanvragen gedeclareerde overheidsbijdrage;

b)  de aan de begunstigden betaalde steun uit de fondsen;

c)  het door de lidstaat gevraagde bedrag.

6.  Op verzoek van een lidstaat kunnen de tussentijdse betalingen worden verhoogd met 10 % boven het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op elke prioriteit van de fondsen, indien een lidstaat voldoet aan een van de volgende voorwaarden na [datum van vaststelling van deze verordening]:

a)  de lidstaat ontvangt een lening van de Unie op grond van Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad;

b)  de lidstaat ontvangt financiële bijstand op middellange termijn in het kader van het ESM zoals vastgelegd in het verdrag tot instelling van het ESM van 2 februari 2012 of zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad(47), mits een macro-economisch aanpassingsprogramma wordt uitgevoerd;

c)  aan de lidstaat wordt financiële bijstand beschikbaar gesteld, mits een macro-economisch aanpassingsprogramma wordt uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad(48).

Het verhoogde percentage, dat niet meer dan 100 % mag bedragen, is van toepassing op de betalingsverzoeken die worden ingediend tot het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende financiële bijstand wordt stopgezet.

7.  Lid 6 is niet van toepassing op Interreg-programma’s.

Artikel 88

Vergoeding van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

1.  De Commissie kan de bijdrage van de Unie aan een programma vergoeden op basis van de eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages voor vergoeding van de bijdrage van de Unie aan een programma.

2.  Om gebruik te maken van een bijdrage van de Unie aan het programma op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages zoals bedoeld in artikel 46, dienen de lidstaten een voorstel in bij de Commissie overeenkomstig de in de bijlagen V en VI vastgestelde modellen, als onderdeel van het programma of een verzoek tot wijziging ervan.

De door de lidstaat voorgestelde bedragen en percentages worden vastgesteld op basis van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handeling of op basis van het volgende:

a)  een eerlijke, billijke en controleerbare berekeningsmethode op basis van een van de volgende elementen:

i)  statistische gegevens, andere objectieve informatie of een deskundige beoordeling;

ii)  geverifieerde historische gegevens;

iii)  de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden;

b)  ontwerpbegrotingen;

c)  de voorschriften voor overeenkomstige eenheidskosten en vaste bedragen die van toepassing zijn voor beleidsmaatregelen van de Unie voor soortgelijke soorten concrete acties;

d)  de voorschriften voor overeenkomstige eenheidskosten en vaste bedragen die worden toegepast op grond van regelingen voor volledig door de lidstaat gefinancierde subsidies voor soortgelijke soorten concrete acties.

3.  In het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het programma of de wijziging ervan is vastgesteld welke soorten concrete acties in aanmerking komen voor vergoeding op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages, wat en welke bedragen worden gedekt door eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages en welke methoden worden gebruikt om de bedragen aan te passen.

De lidstaten maken gebruik van een van de in artikel 48, lid 1, bedoelde vormen van subsidies om steun te verlenen aan concrete acties waarvoor uitgaven worden vergoed door de Commissie op grond van dit artikel.

De audits van de Commissie of de lidstaten hebben uitsluitend tot doel te verifiëren of is voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding door de Commissie.

4.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 107 een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van dit artikel door de eenheidskosten, de vaste bedragen, de vaste percentages, de bedragen daarvan en de aanpassingsmethoden vast te stellen op een van de in lid 2, tweede alinea, bedoelde wijzen.

Artikel 89

Financiering die geen verband houdt met kosten

1.  Om gebruik te maken van een bijdrage van de Unie aan de gehele of delen van een prioriteit van programma’s op basis van financiering die geen verband houdt met kosten, dienen de lidstaten een voorstel in bij de Commissie overeenkomstig de in de bijlagen V en VI vastgestelde modellen, als onderdeel van het programma of een verzoek tot wijziging ervan. Het voorstel bevat de volgende informatie:

a)  de betrokken prioriteit en het totaalbedrag dat in aanmerking komt voor financiering die geen verband houdt met kosten; een beschrijving van het deel van het programma en het soort concrete acties die in aanmerking komen voor financiering die geen verband houdt met kosten;

b)  een beschrijving van de na te leven voorwaarden of de te boeken resultaten en een tijdschema;

c)  tussentijdse doelstellingen die aanleiding geven tot vergoeding door de Commissie;

d)  meeteenheden;

e)  het tijdschema voor de vergoeding door de Commissie en de desbetreffende bedragen die verband houden met de vooruitgang met de naleving van de voorwaarden of het boeken van resultaten;

f)  de regelingen waarmee wordt nagegaan of de tussentijdse doelstellingen zijn verwezenlijkt en de voorwaarden zijn nageleefd of de resultaten zijn geboekt;

g)  de methoden voor de aanpassing van de bedragen, indien van toepassing;

h)  de regelingen waarmee overeenkomstig bijlage XI voor een auditspoor wordt gezorgd waaruit blijkt dat de voorwaarden zijn nageleefd of de resultaten zijn geboekt.

2.  Het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het programma of het verzoek tot wijziging ervan bevat alle in lid 1 genoemde elementen.

3.  De lidstaten maken gebruik van een van de in artikel 48, lid 1, bedoelde vormen van subsidies om steun te verlenen aan concrete acties waarvoor uitgaven worden vergoed door de Commissie op grond van dit artikel.

De audits van de Commissie of de lidstaten hebben uitsluitend tot doel te verifiëren of de voorwaarden voor vergoeding door de Commissie zijn nageleefd of de resultaten zijn geboekt.

4.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 107 een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van dit artikel door te voorzien in bedragen voor financiering die geen verband houdt met kosten per soort concrete actie, de methoden voor de aanpassing van de bedragen en de na te leven voorwaarden of de te boeken resultaten.

Afdeling III

Onderbrekingen en schorsingen

Artikel 90

Onderbreking van betalingstermijn

1.  De Commissie kan de betalingstermijn onderbreken voor betalingen, met uitzondering van voorfinanciering, voor een periode van maximaal zes maanden, wanneer is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:

a)  er zijn aanwijzingen sterke bewijzen van een ernstige tekortkoming waarvoor geen corrigerende maatregelen zijn genomen; [Am. 321]

b)  de Commissie moet aanvullende verificaties verrichten naar aanleiding van informatie waaruit blijkt dat uitgaven in een betalingsaanvraag mogelijk verband houden met een onregelmatigheid.

2.  De lidstaat kan ermee instemmen dat de onderbrekingsperiode met drie maanden wordt verlengd.

3.  De Commissie beperkt de onderbreking tot het deel van de uitgaven waarvoor de in lid 1 bedoelde elementen gelden, tenzij niet kan worden uitgemaakt om welk deel van de uitgaven het gaat. De Commissie stelt de lidstaat schriftelijk in kennis van de reden voor de onderbreking en verzoekt deze de situatie recht te zetten. De Commissie heft de onderbreking op zodra maatregelen zijn genomen om de in lid 1 bedoelde elementen te verhelpen.

4.  In de fondsspecifieke voorschriften voor het EFMZV kunnen specifieke gronden voor de onderbreking van betalingen worden vastgesteld in verband met de niet-naleving van regels die gelden uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Artikel 91

Schorsing van betalingen

1.  Nadat de Commissie de lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld zijn opmerkingen te formuleren, kan zij de betalingen geheel of gedeeltelijk schorsen, indien is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:

a)  de lidstaat heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen om een einde te maken aan de situatie die aanleiding geeft tot een onderbreking krachtens artikel 90;

b)  er is sprake van een ernstige tekortkoming;

c)  de uitgaven in de betalingsaanvragen houden verband met een onregelmatigheid waarvoor geen corrigerende maatregelen zijn genomen;

d)  de Commissie heeft op grond van artikel 258 VWEU een met redenen omkleed advies uitgebracht in verband met een inbreuk waardoor de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven in gevaar worden gebracht;

e)  de lidstaat heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 15, lid 6. [Am. 322]

2.  De Commissie heft de gehele of gedeeltelijke schorsing van de betalingen op wanneer de lidstaat maatregelen heeft genomen om de in lid 1 genoemde elementen te verhelpen.

3.  In de fondsspecifieke voorschriften voor het EFMZV kunnen specifieke gronden voor de schorsing van betalingen worden vastgesteld in verband met de niet-naleving van regels die gelden uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

HOOFDSTUK II

Indiening en onderzoek van rekeningen

Artikel 92

Inhoud en indiening van rekeningen

1.  Voor elk boekjaar waarvoor betalingsaanvragen zijn ingediend, dient de lidstaat uiterlijk op 15 februari bij de Commissie de volgende documenten ("het zekerheidspakket") in, die het voorgaande boekjaar bestrijken zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 28:

a)  de rekeningen overeenkomstig het in bijlage XX vastgestelde model;

b)  de in artikel 68, lid 1, onder f), bedoelde beheersverklaring overeenkomstig het in bijlage XV vastgestelde model;

c)  het in artikel 71, lid 3, onder a), bedoelde auditadvies overeenkomstig het in bijlage XVI vastgestelde model;

d)  het in artikel 71, lid 3, onder b), bedoelde jaarlijkse controleverslag overeenkomstig het in bijlage XVII vastgestelde model.

2.  De in lid 1 bedoelde termijn kan bij uitzondering door de Commissie worden verlengd tot 1 maart na kennisgeving door de betrokken lidstaat.

3.  De rekeningen omvatten op het niveau van elke prioriteit en, voor zover van toepassing, elk fonds en elke regiocategorie:

a)  het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven die zijn opgenomen in de boekhoudsystemen van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent en die zijn opgenomen in de aanvraag voor de eindbetaling voor het boekjaar en het totaalbedrag van de overeenkomstige betaalde of te betalen overheidsbijdrage;

b)  de bedragen die tijdens het boekjaar zijn geschrapt;

c)  de bedragen van de overheidsbijdrage die aan elk financieringsinstrument is betaald;

d)  voor elke prioriteit een toelichting van eventuele verschillen tussen de bedragen die zijn gedeclareerd overeenkomstig punt a) en de bedragen die zijn gedeclareerd in de betalingsaanvragen voor hetzelfde boekjaar.

4.  De rekeningen zijn slechts ontvankelijk indien de lidstaten de nodige correcties hebben uitgevoerd om het resterende risico voor de wettigheid en regelmatigheid van de in de rekeningen opgenomen uitgaven te verlagen tot minder dan 2 %.

5.  De lidstaten brengen met name het volgende in mindering op de rekeningen:

a)  de onregelmatige uitgaven waarop financiële correcties zijn toegepast overeenkomstig artikel 97;

b)  de uitgaven waarvan de wettigheid en regelmatigheid nog worden gecontroleerd;

c)  andere bedragen die nodig zijn om het resterende foutenpercentage van de in de rekeningen gedeclareerde uitgaven te verlagen tot 2 %.

De lidstaat kan de in de eerste alinea, onder b), bedoelde uitgaven opnemen in een betalingsaanvraag in daaropvolgende boekjaren zodra de wettigheid en regelmatigheid ervan is bevestigd.

6.  De lidstaat kan onregelmatige bedragen die na de indiening van de rekeningen worden ontdekt, vervangen door de dienovereenkomstige aanpassingen aan te brengen in de rekeningen voor het boekjaar waarin de onregelmatigheid aan het licht is gekomen, onverminderd artikel 98.

7.  Als onderdeel van het zekerheidspakket dient de lidstaat voor het laatste boekjaar het in artikel 38 bedoelde eindverslag over de prestaties of het laatste jaarlijkse uitvoeringsverslag voor het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI in.

Artikel 93

Onderzoek van rekeningen

Uiterlijk op 31 mei van het jaar volgend op het einde van het boekjaar vergewist de Commissie zich ervan dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarachtig zijn, tenzij artikel 96 van toepassing is.

Artikel 94

Berekening van het saldo

1.  Bij het bepalen van het bedrag dat voor het boekjaar ten laste komt van de fondsen en de daaruit volgende aanpassingen met betrekking tot de betalingen aan de lidstaat, houdt de Commissie rekening met:

a)  de in artikel 95, lid 2, onder a), bedoelde bedragen in de rekeningen waarop het medefinancieringspercentage voor elke prioriteit moet worden toegepast;

b)  het totaalbedrag van de tussentijdse betalingen die de Commissie tijdens dat boekjaar heeft verricht.

2.  Wanneer een bedrag terugvorderbaar is van de lidstaat, wordt dat bedrag voorwerp van een door de Commissie te verstrekken invorderingsopdracht, die indien mogelijk ten uitvoer wordt gelegd door verrekening met de bedragen die aan de lidstaat verschuldigd zijn in het kader van latere betalingen binnen hetzelfde programma. Die terugvordering vormt geen financiële correctie en brengt geen verlaging mee van de steun uit de fondsen aan het programma. Het teruggevorderde bedrag wordt aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [177, lid 3,] van het Financieel Reglement.

Artikel 95

Procedure voor het onderzoek van rekeningen

1.  De in artikel 96 vastgestelde procedure is van toepassing in elk van de volgende gevallen:

a)  de auditautoriteit heeft een auditadvies met voorbehoud of een afkeurend auditadvies uitgebracht om redenen in verband met de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen;

b)  de Commissie beschikt over bewijs dat twijfels oproept over de betrouwbaarheid van een zonder voorbehoud goedkeurend auditadvies.

2.  In alle overige gevallen berekent de Commissie de bedragen die ten laste van de fondsen komen overeenkomstig artikel 94 en verricht zij de respectievelijke betalingen of terugvorderingen vóór 1 juli. Die betaling of terugvordering houdt in dat de rekeningen zijn goedgekeurd.

Artikel 96

Contradictoire procedure voor het onderzoek van rekeningen

1.  Indien de auditautoriteit een auditadvies met voorbehoud uitbrengt om redenen in verband met de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen, verzoekt de Commissie de lidstaat om de rekeningen te herzien en de in artikel 92, lid 1, bedoelde documenten binnen één maand opnieuw in te dienen.

Wanneer op de in de eerste alinea vastgestelde termijn:

a)  het auditadvies goedkeurend is zonder voorbehoud, is artikel 94 van toepassing en betaalt de Commissie binnen twee maanden de verschuldigde aanvullende bedragen of gaat zij over tot terugvordering;

b)  het auditadvies nog steeds vergezeld gaat van voorbehoud of de lidstaat de documenten niet opnieuw heeft ingediend, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing.

2.  Indien het auditadvies nog steeds vergezeld gaat van voorbehoud om redenen in verband met de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen of indien het auditadvies onbetrouwbaar blijft, stelt de Commissie de lidstaat in kennis van het bedrag dat voor het boekjaar ten laste van de fondsen komt.

3.  Wanneer de lidstaat binnen één maand instemt met dit bedrag, betaalt de Commissie binnen twee maanden de verschuldigde aanvullende bedragen of gaat zij over tot terugvordering overeenkomstig artikel 94.

4.  Wanneer de lidstaat niet instemt met het in lid 2 bedoelde bedrag, stelt de Commissie het bedrag vast dat voor het boekjaar ten laste van de fondsen komt. Die handeling vormt geen financiële correctie en brengt geen verlaging mee van de steun uit de fondsen aan het programma. De Commissie betaalt binnen twee maanden de verschuldigde aanvullende bedragen of gaat over tot terugvordering overeenkomstig artikel 94.

5.  Uiterlijk twee maanden na de datum van aanvaarding van het in artikel 38 bedoelde eindverslag over de prestaties wordt, wat het laatste boekjaar betreft, het jaarlijkse saldo van de rekeningen voor de programma’s die steun ontvangen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds betaald of teruggevorderd door de Commissie.

HOOFDSTUK III

Financiële correcties

Artikel 97

Financiële correcties door de lidstaten

1.  De lidstaten beschermen de begroting van de Unie en passen financiële correcties toe door de steun uit de fondsen voor een concrete actie of programma volledig of gedeeltelijk in te trekken wanneer bij de Commissie gedeclareerde uitgaven onregelmatig worden bevonden.

2.  Financiële correcties worden opgenomen in de rekeningen voor het boekjaar waarin tot de intrekking wordt besloten.

3.  De ingetrokken steun uit de fondsen kan opnieuw worden gebruikt door de lidstaat in het kader van het betrokken programma, behalve voor een concrete actie waarop deze correctie is toegepast of, wanneer een financiële correctie is toegepast wegens een systemische onregelmatigheid, voor door de systemische onregelmatigheid getroffen concrete acties.

4.  In de fondsspecifieke voorschriften voor het EFMZV kunnen specifieke gronden voor financiële correcties door de lidstaten worden vastgesteld in verband met de niet-naleving van regels die gelden uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

5.  In afwijking van de leden 1 tot en met 3, voor concrete acties die financieringsinstrumenten omvatten, kan een bijdrage die overeenkomstig dit artikel is ingetrokken als gevolg van een individuele onregelmatigheid opnieuw worden gebruikt in het kader van dezelfde concrete actie onder de volgende voorwaarden:

a)  wanneer de onregelmatigheid die de aanleiding vormt voor de intrekking van de bijdrage is vastgesteld op het niveau van de eindontvanger: uitsluitend voor andere eindontvangers binnen hetzelfde financieringsinstrument;

b)  wanneer de onregelmatigheid die de aanleiding vormt voor de intrekking van de bijdrage is vastgesteld op het niveau van de instantie die het specifieke fonds uitvoert, wanneer een financieringsinstrument wordt uitgevoerd via een structuur met een holdingfonds: uitsluitend voor andere instanties die specifieke fondsen uitvoeren.

Wanneer de onregelmatigheid die de aanleiding vormt voor de intrekking van de bijdrage is vastgesteld op het niveau van de instantie die het holdingfonds uitvoert, of op het niveau van de instantie die het specifieke fonds uitvoert wanneer een financieringsinstrument wordt uitgevoerd via een structuur zonder een holdingfonds, wordt de ingetrokken bijdrage niet opnieuw binnen dezelfde concrete actie gebruikt.

Wanneer een financiële correctie wordt doorgevoerd naar aanleiding van een systemische onregelmatigheid, wordt de ingetrokken bijdrage niet opnieuw gebruikt voor door de systemische onregelmatigheid getroffen concrete acties.

6.  De instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren, vergoeden de lidstaten voor de programmabijdragen waarbij sprake was van onregelmatigheden, alsmede rente en andere voordelen die door deze bijdragen zijn verkregen.

De instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren, vergoeden de lidstaten niet voor de in de eerste alinea bedoelde bedragen mits deze instanties aantonen dat voor een gegeven onregelmatigheid aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

a)  de onregelmatigheid deed zich voor op het niveau van de eindbegunstigden of, in het geval van een holdingfonds, op het niveau van de instanties die de specifieke fondsen uitvoeren of de eindontvangers;

b)  de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren, zijn hun verplichtingen nagekomen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving wat betreft de programmabijdragen waarop de onregelmatigheid betrekking had en hebben gehandeld met de mate van professionele zorg, transparantie en zorgvuldigheid die verwacht mag worden van een professionele organisatie met ervaring met de uitvoering van financieringsinstrumenten;

c)  de bedragen waarop de onregelmatigheid betrekking had, konden niet worden teruggevorderd, hoewel de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren alle toepasselijke contractuele en wettelijke maatregelen met gepaste inspanningen hebben nagestreefd.

Artikel 98

Financiële correcties door de Commissie

1.  De Commissie verricht financiële correcties door de steun uit de fondsen aan een programma te verlagen wanneer zij concludeert dat:

a)  er sprake is van een ernstige tekortkoming die een risico inhoudt voor de reeds aan het programma betaalde steun uit de fondsen;

b)  de uitgaven in goedgekeurde rekeningen onregelmatig zijn en niet zijn opgespoord en gemeld door de lidstaat;

c)  de lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 91 heeft voldaan voordat de procedure voor financiële correctie werd ingeleid door de Commissie.

Wanneer de Commissie forfaitaire of geëxtrapoleerde financiële correcties toepast, worden deze uitgevoerd overeenkomstig bijlage XXI.

2.  Voordat de Commissie over een financiële correctie besluit, stelt zij de lidstaat in kennis van haar conclusies en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid binnen twee maanden zijn opmerkingen te formuleren.

3.  Wanneer de lidstaat de conclusies van de Commissie niet aanvaardt, nodigt de Commissie de lidstaat uit voor een hoorzitting om te waarborgen dat zij haar conclusies over de toepassing van de financiële correctie op alle relevante informatie en opmerkingen kan baseren.

4.  De Commissie neemt bij uitvoeringshandeling een besluit over een financiële correctie binnen twaalf maanden na de hoorzitting of de indiening van aanvullende informatie op verzoek van de Commissie.

De Commissie houdt bij haar besluit over een financiële correctie rekening met alle ingediende informatie en opmerkingen.

Wanneer een lidstaat instemt met de financiële correctie voor de in lid 1, onder a) en c), bedoelde gevallen vóór de vaststelling van het in lid 1 bedoelde besluit, kan de lidstaat de betrokken bedragen opnieuw gebruiken. Deze mogelijkheid is niet van toepassing op financiële correcties voor de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen.

5.  In de fondsspecifieke voorschriften voor het EFMZV kunnen specifieke gronden voor financiële correcties door de Commissie worden vastgesteld in verband met de niet-naleving van regels die gelden uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid

HOOFDSTUK IV

Vrijmaking

Artikel 99

Beginselen en voorschriften voor vrijmaking

1.  Het bedrag van een programma dat op 26 31 december van het tweede derde kalenderjaar na het jaar van de vastleggingen in de begroting voor de jaren 2021 tot en met 2026 niet is gebruikt voor voorfinanciering overeenkomstig artikel 84 of waarvoor geen betalingsaanvraag is ingediend overeenkomstig de artikelen 85 en 86, wordt vrijgemaakt door de Commissie. [Am. 323]

2.  Het bedrag dat binnen de in lid 1 vastgestelde termijn met betrekking tot de vastlegging in de begroting van 2021 moet worden gedekt door een voorfinanciering of betalingsaanvraag, bedraagt 60 % van die vastlegging. 10 % van de vastlegging in de begroting van 2021 wordt toegevoegd aan elke vastlegging in de begroting voor de jaren 2022 tot en met 2025 om de te dekken bedragen te berekenen. [Am. 324]

3.  Het deel van de vastleggingen dat op 31 december 2029 2030 nog openstaat, wordt vrijgemaakt indien het zekerheidspakket en het eindverslag over de prestaties voor programma’s die steun ontvangen uit het ESF+, het EFRO en het Cohesiefonds niet binnen de in artikel 38, lid 1, vastgestelde termijn zijn ingediend bij de Commissie. [Am. 325]

Artikel 100

Uitzonderingen op de vrijmakingsvoorschriften

1.  Het bedrag van de vrijmaking wordt verlaagd met de bedragen die gelijkwaardig zijn aan dat deel van de vastlegging in de begroting waarvoor:

a)  de concrete acties zijn geschorst door een gerechtelijke procedure of een administratief beroep met schorsende werking; of

b)  geen betalingsaanvraag kon worden ingediend wegens overmacht, voor zover deze situatie ernstige gevolgen had voor de uitvoering van het programma of een deel daarvan.

b bis)  niet op tijd een betalingsaanvraag kon worden ingediend als gevolg van vertragingen op het niveau van de Unie bij de oprichting van het juridisch en administratief kader voor de Fondsen voor de periode 2021-2027. [Am. 326]

De nationale autoriteiten die zich op overmacht beroepen, tonen de rechtstreekse gevolgen van de overmachtsituatie voor de uitvoering van het programma of een deel ervan aan.

2.  De lidstaat stuurt de Commissie uiterlijk op 31 januari informatie over de in lid 1, onder a) en b), bedoelde uitzonderingen die van toepassing zijn op de bedragen die uiterlijk op 26 december moesten worden gedeclareerd.

Artikel 101

Vrijmakingsprocedure

1.  De Commissie informeert de lidstaat op basis van de informatie die zij op 31 januari heeft ontvangen over de hoogte van het bedrag dat op grond van die informatie wordt vrijgemaakt.

2.  De lidstaat heeft één maand twee maanden de tijd om in te stemmen met het vrij te maken bedrag of zijn opmerkingen te doen toekomen. [Am. 327]

3.  Uiterlijk op 30 juni dient de lidstaat een herzien financieringsplan bij de Commissie in waarin het verlaagde steunbedrag voor een of meer prioriteiten van het programma voor het betrokken kalenderjaar is opgenomen. Voor programma’s die steun ontvangen uit meer dan één fonds wordt het steunbedrag verlaagd per fonds naar evenredigheid met de bedragen die worden vrijgemaakt en niet zijn gebruikt in het betrokken kalenderjaar.

Als de lidstaat nalaat dit herziene financieringsplan in te dienen, herziet de Commissie het financieringsplan door de bijdrage uit de fondsen voor het betrokken kalenderjaar te verlagen. Deze verlaging wordt verdeeld over de prioriteiten naar evenredigheid met de bedragen die worden vrijgemaakt en niet zijn gebruikt in het betrokken kalenderjaar.

4.  Uiterlijk op 31 oktober wijzigt de Commissie het besluit tot goedkeuring van het programma.

TITEL VIII

Financieel kader

Artikel 102

Geografische dekking van de steun voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei"

1.  Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunen de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" in alle regio's die behoren tot niveau 2 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("regio's van NUTS-niveau 2") zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003, gewijzigd bij Verordening (EG EU) nr. 868/2014 2016/2066 van de Commissie. [Am. 328]

2.  De middelen uit het EFRO en het ESF+ voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" worden aan de volgende drie regiocategorieën van NUTS-niveau 2 toegewezen:

a)  de minder ontwikkelde regio's, waarvan het bbp per inwoner minder dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt ("minder ontwikkelde regio's");

b)  de overgangsregio's, waarvan het bbp per inwoner 75 % tot 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt ("overgangsregio's");

c)  de meer ontwikkelde regio's, waarvan het bbp per inwoner meer dan 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt ("meer ontwikkelde regio's").

De classificatie van de regio's in een van de drie regiocategorieën wordt vastgesteld aan de hand van het bbp per inwoner, gemeten in koopkrachtstandaarden en berekend op basis van de cijfers van de Unie voor de periode 2014-2016 ten opzichte van het gemiddelde bbp van de EU-27 voor dezelfde referentieperiode.

3.  Het Cohesiefonds ondersteunt de lidstaten waarvan het bni per inwoner, gemeten in koopkrachtstandaarden en berekend op basis van de cijfers van de Unie voor de periode 2014-2016, minder dan 90 % van het gemiddelde bni per inwoner van de EU-27 voor dezelfde referentieperiode bedraagt.

4.  De Commissie stelt bij middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot vaststelling van de lijst van de regio's die aan de criteria voor een van de drie regiocategorieën voldoen, alsmede van de lidstaten die aan de in lid 3 vermelde criteria voldoen. Deze lijst geldt van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

Artikel 103

Middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang

1.  De middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang die voor de periode 2021-2027 voor vastlegging in de begroting beschikbaar zijn, bedragen 330 624 388 630 378 097 000 000 EUR in prijzen van 2018. [Am. 329]

Ten behoeve van de programmering en vervolgens de opneming in de begroting van de Unie wordt dat bedrag geïndexeerd met 2 % per jaar.

2.  De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een besluit vast tot vastlegging van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" per regiocategorie, samen met de lijst van in aanmerking komende regio’s overeenkomstig de in bijlage XXII vastgestelde methode. De minimale totale toewijzing uit de Fondsen, op nationaal niveau, moet gelijk zijn aan 76 % van de aan elke lidstaat of regio voor de periode 2014-2020 toegewezen begroting. [Am. 330]

In dat besluit wordt ook de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) vastgesteld.

Onverminderd de nationale toewijzingen ten behoeve van de lidstaten, worden de middelen voor regio's die in de programmaperiode 2021-2027 in een lagere categorie vallen, gehandhaafd op het niveau van de toewijzingen voor de periode 2014-2020. [Am. 429]

Gezien het bijzondere belang van de cohesiesteun voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerking en voor de ultraperifere gebieden, mogen de subsidiabiliteitscriteria voor deze steun niet minder gunstig zijn dan in de periode 2014-2020 en moeten ze maximale continuïteit met bestaande programma's waarborgen. [Am. 331]

3.  0,35 % van de totale middelen wordt, na aftrek van de steun aan de in artikel 104, lid 4, bedoelde Connecting Europe Facility, toegewezen aan technische bijstand op initiatief van de Commissie.

Artikel 104

Middelen voor de doelstellingen "investeren in werkgelegenheid en groei" en "Europese territoriale samenwerking" (Interreg)

1.  De middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" bedragen 97,5 97 % van de totale middelen, d.w.z. in totaal 322 194 388 630 366 754 000 000 EUR (in prijzen van 2018). Van dit bedrag wordt 5 900 000 000 EUR toegewezen aan de kindergarantie uit de middelen van het ESF+. Het resterende bedrag van 360 854 000 000 EUR (in prijzen van 2018) wordt worden als volgt verdeeld: [Am. 332]

a)  61,6 % (d.w.z. in totaal 198 621 593 157 222 453 894 000 EUR) voor de minder ontwikkelde regio's; [Am. 333]

b)  14,3 % (d.w.z. in totaal 45 934 516 595 51 446 129 000 EUR) voor de overgangsregio's; [Am. 334]

c)  10,8 % (d.w.z. in totaal 34 842 689 39 023 410 000 EUR) voor de meer ontwikkelde regio's; [Am. 335]

d)  12,8 % (d.w.z. in totaal 41 348 556 877 46 309 907 000 EUR) voor de door het Cohesiefonds ondersteunde lidstaten; [Am. 336]

e)  0,4 % (d.w.z. in totaal 1 447 034 001 EUR) als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 voldoen. [Am. 337]

2.  In 2024 voert de Commissie, in haar technische aanpassing voor het jaar 2025 overeenkomstig artikel [6] van Verordening (EU, Euratom) [[…] (MFK-verordening)], een herziening uit van de totale toewijzingen die elke lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" voor 2025-2027 heeft verricht.

De Commissie past in haar herziening de in bijlage XXII vastgestelde toewijzingsmethode toe op basis van de meest recente statistieken die beschikbaar zijn.

Na de technische aanpassing wijzigt de Commissie de in artikel 103, lid 2, bedoelde uitvoeringshandeling tot vaststelling van een herziene jaarlijkse verdeling.

3.  De middelen die beschikbaar zijn voor het ESF+ bedragen 28,8 % van de middelen in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" bedragen 88 646 194 590 EUR (d.w.z. 105 686 000 000 EUR in prijzen van 2018). De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid zijn niet in dit bedrag inbegrepen.. [Am. 338]

Het bedrag van de in lid 1, onder e), bedoelde aanvullende financiering voor de ultraperifere gebieden dat wordt toegewezen aan het ESF+ bedraagt 376 928 934 EUR. komt overeen met 0,4 % van de in de eerste alinea genoemde middelen (d.w.z. 424 296 054 EUR in prijzen van 2018) [Am. 339]

4.  De steun uit het Cohesiefonds die moet worden overgedragen naar de CEF bedraagt 10 000 000 000 4 000 000 000 EUR in prijzen van 2018. Zij wordt besteed aan vervoersinfrastructuurprojecten, rekening houdend met de investeringsbehoeften van de lidstaten en regio's op het gebied van infrastructuur, door specifieke oproepen te doen overeenkomstig Verordening (EU) [nummer van de nieuwe CEF-verordening], uitsluitend in de lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen. [Am. 340]

De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van het uit de toewijzing van het Cohesiefonds voor elke lidstaat aan de CEF over te schrijven bedrag, welk bedrag pro rata wordt vastgesteld voor de hele periode.

Dit bedrag wordt afgetrokken van de toewijzing van het Cohesiefonds voor elke lidstaat.

De jaarlijkse kredieten die overeenstemmen met de in de eerste alinea vermelde steun uit het Cohesiefonds, worden vanaf begrotingsjaar 2021 opgenomen in de betrokken begrotingsonderdelen van de CEF.

30 % van de naar de CEF overgedragen middelen worden onmiddellijk na de overdracht beschikbaar gemaakt voor alle lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, voor de financiering van vervoersinfrastructuurprojecten overeenkomstig Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening]. [Am. 341]

Op de in de eerste alinea bedoelde specifieke oproepen zijn de regels van toepassing die in het kader van Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening] gelden voor de vervoerssector. Tot en met 31 december 2023 worden bij de selectie van financierbare projecten de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds geëerbiedigd voor 70 % van de naar de CEF overgedragen middelen. [Am. 342]

Vanaf 1 januari 2024 worden de naar de CEF overgedragen middelen die niet voor een vervoersinfrastructuurproject zijn vastgelegd, beschikbaar gemaakt voor alle lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, voor de financiering van vervoersinfrastructuurprojecten overeenkomstig Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening].

5.  500 000 000 560 000 000 EUR in prijzen van 2018 van de middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan het Europees Urban-initiatief in het kader van direct of indirect beheer door de Commissie. [Am. 343]

6.  175 000 000 196 000 000 EUR in prijzen van 2018 van de middelen uit het ESF+ voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan transnationale samenwerking waarmee steun wordt geboden aan innovatieve oplossingen in het kader van direct of indirect beheer. [Am. 344]

7.  De middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) bedragen 2,5 3 % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit de fondsen voor de periode 2021-2027 (d.w.z. in totaal 8 430 000 000 11 343 000 000 EUR in prijzen van 2018). [Am. 345]

Artikel 105

Overdraagbaarheid van middelen

1.  De Commissie kan een voorstel aanvaarden dat door een lidstaat bij de indiening van de partnerschapsovereenkomst of in het kader van de tussentijdse evaluatie wordt ingediend, voor een overdracht:

a)  van niet meer dan 15 5 % van de totale toewijzingen voor minder ontwikkelde regio’s naar overgangsregio’s of meer ontwikkelde regio’s en van overgangsregio's naar meer ontwikkelde regio's; [Am. 346]

b)  van de toewijzingen voor meer ontwikkelde regio’s of overgangsregio’s naar minder ontwikkelde regio’s.

2.  De totale toewijzingen voor elke lidstaat voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg), kunnen niet tussen deze doelen worden overgedragen.

Artikel 106

Bepaling van de medefinancieringspercentages

1.  In het besluit van de Commissie tot goedkeuring van een programma worden het medefinancieringspercentage en het maximumbedrag van de steun uit de fondsen voor elke prioriteit bepaald.

2.  Voor elke prioriteit wordt in het besluit van de Commissie vastgesteld op welke van de volgende elementen het medefinancieringspercentage voor de prioriteit van toepassing is:

a)  het totaal van de particuliere en overheidsbijdrage;

b)  de overheidsbijdrage.

3.  Het medefinancieringspercentage voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" op het niveau van elke prioriteit bedraagt niet meer dan:

a)  70 85 % voor de minder ontwikkelde regio's; [Am. 347]

b)  55 65 % voor de overgangsregio's; [Am. 348]

c)  40 50 % voor de meer ontwikkelde regio's. [Ams. 349 en 447]

De onder a) vastgestelde medefinancieringspercentages zijn ook van toepassing op de ultraperifere gebieden en op de extra toewijzing voor de ultraperifere gebieden. [Am. 350]

Het medefinancieringspercentage voor het Cohesiefonds op het niveau van elke prioriteit ligt niet hoger dan 70 85 %. [Am. 351]

In de ESF+-verordening kunnen in naar behoren gemotiveerde gevallen hogere medefinancieringspercentages van maximaal 90 % worden vastgesteld voor prioriteiten ter ondersteuning van innovatieve acties overeenkomstig artikel [14 13] en artikel [4, lid 1, onder x)] en [(xi)] van die verordening, alsook voor programma's waarmee wordt ingespeeld op materiële deprivatie overeenkomstig artikel [9], jeugdwerkloosheid overeenkomstig artikel [10], de ondersteuning van de Europese kindergarantie overeenkomstig artikel [10 bis] en transnationale samenwerking overeenkomstig artikel [11 ter]. [Am. 352]

4.  Het medefinancieringspercentage voor Interreg-programma’s ligt niet hoger dan 70 85 %. [Am. 353]

In de ETS-verordening kunnen hogere medefinancieringspercentages worden vastgesteld voor externe programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg).

4 bis.  Binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact mogen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen om een grotere mate van flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven die door de overheid worden ondersteund bij wijze van medefinanciering van investeringen in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen. Met het oog op de vaststelling van de begrotingsaanpassing onder het preventieve of onder het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact wordt het desbetreffende verzoek zorgvuldig door de Commissie beoordeeld, met inachtneming van het strategische belang van investeringen. [Am. 453]

5.  Maatregelen op het gebied van technische bijstand die op initiatief van of namens de Commissie worden uitgevoerd, kunnen voor 100 % worden gefinancierd.

Titel IX

Delegatie van bevoegdheid, uitvoerings-, overgangs- en slotbepalingen

HOOFDSTUK I

Delegatie van bevoegdheid en uitvoeringsbepalingen

Artikel 107

Delegatie van bevoegdheid

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening om in te spelen op veranderingen die zich voordoen tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële onderdelen van deze verordening, met uitzondering van de bijlagen III, IV, X en XXII. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in artikel 6, lid 3, bedoelde Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 204/2014 om die aan te passen aan deze verordening. [Am. 354]

Artikel 108

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 6, lid 3, artikel  63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening verordening tot en met 31 december 2027. [Am. 355]

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, en artikel 89, lid 1 4, en artikel 107, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 356]

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 zijn neergelegd.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 357]

Artikel 109

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK II

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 110

Overgangsbepalingen

Verordening (EG) nr. 1303/2013 of elke andere handeling die van toepassing is op de programmeringsperiode 2014-2020 blijft van toepassing op de programma’s en concrete acties die steun ontvangen uit het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV in die periode.

Artikel 111

Voorwaarden voor concrete acties waarvoor gefaseerde uitvoering geldt

1.  De beheersautoriteit kan voortgaan met de selectie van een concrete actie bestaande uit de tweede fase van een concrete actie die voor steun is geselecteerd en is begonnen op grond van Verordening (EG) nr. 1303/2013, mits aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

a)  de concrete actie die voor steun is geselecteerd op grond van Verordening (EG) nr. 1303/2013 bestaat vanuit een financieel oogpunt uit twee duidelijk te onderscheiden fasen met aparte auditsporen;

b)  de totale kosten van de concrete actie bedragen meer dan 10 miljoen EUR;

c)  de uitgaven die zijn opgenomen in een betalingsaanvraag met betrekking tot de eerste fase zijn niet opgenomen in betalingsaanvragen met betrekking tot de tweede fase;

d)  de tweede fase van de concrete actie is in overeenstemming met het toepasselijke recht en komt in aanmerking voor steun uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds overeenkomstig de bepalingen van deze verordening of de fondsspecifieke verordeningen;

e)  de lidstaat verbindt zich er in het overeenkomstig artikel 141 van Verordening (EG) nr. 1303/2013 ingediende eindverslag over de uitvoering toe de tweede en laatste fase tijdens de programmeringsperiode te voltooien en operationeel te maken.

2.  De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing op de tweede fase van de concrete actie.

Artikel 112

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Dimensies en codes voor de types steunverlening voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds – artikel 17, lid 5

TABEL 1: CODES VOOR DE DIMENSIE INTERVENTIEGEBIED

 

INTERVENTIEGEBIED

Coëfficiënt voor de berekening van steun voor klimaatveranderingsdoelstellingen

Coëfficiënt voor de berekening van steun voor milieudoelstellingen

Beleidsdoelstelling 1: Een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie

001

Investeringen in vaste activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen [Am. 359]

0 %

0 %

002

Investeringen in vaste activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen [Am. 360]

0 %

0 %

003

Investeringen in vaste activa in openbare onderzoekscentra en instellingen voor hoger onderwijs die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

004

Investeringen in immateriële activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen [Am. 361]

0 %

0 %

005

Investeringen in immateriële activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen [Am. 362]

0 %

0 %

006

Investeringen in immateriële activa in openbare onderzoekscentra en instellingen voor hoger onderwijs die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

007

Onderzoek en innovatie in micro-ondernemingen, waaronder netwerkactiviteiten (industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsstudies)

0 %

0 %

008

Onderzoek en innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen, waaronder netwerkactiviteiten

0 %

0 %

009

Onderzoek en innovatie in openbare onderzoekscentra, instellingen voor hoger onderwijs en kenniscentra, waaronder netwerkactiviteiten (industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsstudies)

0 %

0 %

010

Digitalisering van kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van e-commerce, e-business en genetwerkte bedrijfsprocessen, digitale innovatiehubs, levende laboratoria, internetondernemers en startende ondernemingen op het gebied van ICT, b2b)

0 %

0 %

011

ICT-oplossingen, e-diensten, toepassingen van de overheid

0 %

0 %

012

IT-diensten en toepassingen voor digitale vaardigheden en digitale inclusie

0 %

0 %

013

Diensten en toepassingen op het gebied van e-gezondheidszorg (met inbegrip van e-zorg, het internet der dingen voor lichaamsbeweging en omgevingsondersteund wonen)

0 %

0 %

014

Zakelijke infrastructuur voor kmo's (met inbegrip van bedrijfs- of industrieterreinen)

0 %

0 %

015

Bedrijfsontwikkeling en internationalisering van kmo's

0 %

0 %

016

Ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, industriële overgang en ondernemerschap

0 %

0 %

017

Geavanceerde ondersteunende diensten voor kmo's en kmo-groepen (waaronder beheer, marketing en design)

0 %

0 %

018

Incubatie, ondersteuning voor spin-offs, spin-outs en start-ups

0 %

0 %

019

Ondersteuning van innovatieclusters en bedrijvennetwerken die voornamelijk ten goede komen aan kmo's

0 %

0 %

020

Innovatieprocessen in kmo’s (innovatie op basis van processen, organisatie, marketing, co-creatie, gebruikers en vraag)

0 %

0 %

021

Technologieoverdracht en samenwerking tussen ondernemingen, onderzoekscentra en instellingen voor hoger onderwijs

0 %

0 %

022

Onderzoeks- en innovatieprocessen, technologieoverdracht en samenwerking tussen ondernemingen gericht op de koolstofarme economie, weerbaarheid tegen en aanpassing aan klimaatverandering

100 %

40 %

023

Onderzoeks- en innovatieprocessen, technologieoverdracht en samenwerking tussen ondernemingen gericht op de circulaire economie

40 %

100 %

Beleidsdoelstelling 2: Een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer

024

Energie-efficiënte en demonstratieprojecten in kmo's en ondersteunende maatregelen

100 %

40 %

025

Op energie-efficiëntie gerichte renovatie van het bestaande woningenbestand, demonstratieprojecten en ondersteunende maatregelen

100 %

40 %

026

Op energie-efficiëntie gerichte renovatie van openbare infrastructuur, demonstratieprojecten en ondersteunende maatregelen

100 %

40 %

027

Ondersteuning voor ondernemingen die diensten verlenen die bijdragen aan de koolstofarme economie en de weerbaarheid tegen de klimaatverandering

100 %

40 %

028

Hernieuwbare energie: wind

100 %

40 %

029

Hernieuwbare energie: zonne-energie

100 %

40 %

030

Hernieuwbare energie: biomassa

100 %

40 %

031

Hernieuwbare energie: marien

100 %

40 %

032

Andere hernieuwbare energie (waaronder geothermische energie)

100 %

40 %

033

Slimme energiedistributiesystemen op een laag en gemiddeld spanningsniveau (met inbegrip van slimme netwerken en ICT-systemen) en de daarmee verbonden opslag

100 %

40 %

034

Hoogefficiënte warmtekrachtkoppeling, stadsverwarming en -koeling

100 %

40 %

035

Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico’s: overstromingen en aardverschuivingen (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren) [Am. 363]

100 %

100 %

036

Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico’s: branden (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren)

100 %

100 %

037

Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico’s: andere, zoals stormen en droogte (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren)

100 %

100 %

038

Risicopreventie en -beheer van niet aan het klimaat gerelateerde natuurlijke risico’s (d.w.z. aardbevingen) en risico’s in verband met menselijke activiteiten (bv. technologische ongevallen), met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren

0 %

100 %

039

Drinkwatervoorziening (winning, behandeling, opslag en distributie-infrastructuur, efficiëntiemaatregelen, levering van drinkwater)

0 %

100 %

040

Waterbeheer en bescherming van waterreserves (met inbegrip van stroomgebiedbeheer, specifieke maatregelen voor de aanpassing aan klimaatverandering, hergebruik, vermindering van lekken)

40 %

100 %

041

Opvang en behandeling van afvalwater

0 %

100 %

042

Beheer van huishoudelijk afval: preventie, minimalisering, sortering en recyclingmaatregelen

0 %

100 %

043

Beheer van huishoudelijk afval: biomechanische behandeling, thermische behandeling

0 %

100 % [Am. 364]

044

Beheer van commercieel, industrieel of gevaarlijk afval

0 %

100 %

045

Bevordering van het gebruik van gerecyclede materialen als grondstof

0 %

100 %

046

Sanering van bedrijfsterreinen en verontreinigde grond

0 %

100 %

047

Ondersteuning van milieuvriendelijke productieprocessen en een efficiënt gebruik van hulpbronnen in kmo's

40 %

40 %

048

Maatregelen op het gebied van luchtkwaliteit en geluidsreductie

40 %

100 %

049

Bescherming, herstel en duurzaam gebruik van Natura 2000-gebieden

40 %

100 %

050

Bescherming van natuur en biodiversiteit, groene infrastructuur

40 %

100 %

Beleidsdoelstelling 3: Een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit

051

ICT: Breedbandnetwerk met zeer hoge capaciteit (backbone-/backhaul-netwerk)

0 %

0 %

052

ICT: Breedbandnetwerk met zeer hoge capaciteit (toegang/aansluitnet waarvan de prestaties overeenkomen met die van een glasvezelkabelinstallatie tot aan het distributiepunt voor woongebouwen met meerdere woningen)

0 %

0 %

053

ICT: Breedbandnetwerk met zeer hoge capaciteit (toegang/aansluitnet waarvan de prestaties overeenkomen met die van een glasvezelkabelinstallatie tot aan het distributiepunt voor woningen en bedrijfspercelen)

0 %

0 %

054

ICT: Breedbandnetwerk met zeer hoge capaciteit (toegang/aansluitnet waarvan de prestaties overeenkomen met die van een glasvezelkabelinstallatie tot aan het basisstation voor geavanceerde draadloze communicatie)

0 %

0 %

055

ICT: Andere soorten ICT-infrastructuur (waaronder grootschalige computervoorzieningen/-apparatuur, datacentra, sensoren en andere draadloze apparatuur)

0 %

0 %

056

Nieuw aangelegde snelwegen, bruggen en wegen – TEN-T-kernnetwerk [Am. 365]

0 %

0 %

057

Nieuw aangelegde snelwegen, bruggen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk [Am. 366]

0 %

0 %

058

Nieuw aangelegde verbindingen tussen secundaire wegen en TEN-T-wegennet en -knooppunten

0 %

0 %

059

Overige nieuw aangelegde nationale, regionale en lokale toegangswegen

0 %

0 %

060

Heraangelegde of verbeterde snelwegen, bruggen en wegen – TEN-T-kernnetwerk [Am. 367]

0 %

0 %

061

Heraangelegde of verbeterde snelwegen, bruggen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk [Am. 368]

0 %

0 %

062

Overige heraangelegde of verbeterde wegen (snelweg, nationaal, regionaal of lokaal)

0 %

0 %

063

Digitalisering van het vervoer: weg

40 %

0 %

064

Nieuw aangelegde spoorwegen – TEN-T-kernnetwerk

100 %

40 %

065

Nieuw aangelegde spoorwegen – uitgebreid TEN-T-netwerk

100 %

40 %

066

Overige nieuw aangelegde spoorwegen

100 %

40 %

067

Heraangelegde of verbeterde spoorwegen – TEN-T-kernnetwerk

0 %

40 %

068

Heraangelegde of verbeterde spoorwegen – uitgebreid TEN-T-netwerk

0 %

40 %

069

Overige heraangelegde of verbeterde spoorwegen

0 %

40 %

070

Digitalisering van het vervoer: spoor

40 %

0 %

071

Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS)

0 %

40 %

072

Rollend spoorwegmaterieel

40 %

40 %

073

Infrastructuur voor schoon stadsvervoer

100 %

40 %

074

Rollend materieel voor schoon stadsvervoer

100 %

40 %

075

Fietsinfrastructuur

100 %

100 %

076

Digitalisering van het stadsvervoer

40 %

0 %

077

Infrastructuur voor alternatieve brandstoffen

100 %

40 %

078

Multimodaal vervoer (TEN-T)

40 %

40 %

079

Multimodaal vervoer (niet stedelijk)

40 %

40 %

080

Zeehavens (TEN-T)

40 %

0 %

081

Overige zeehavens

40 %

0 %

082

Binnenwateren en -havens (TEN-T)

40 %

0 %

083

Binnenwateren en -havens (regionaal en lokaal)

40 %

0 %

084

Digitalisering van het vervoer: overige vervoerswijzen

40 %

0 %

Beleidsdoelstelling 4: Een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten

085

Infrastructuur voor onderwijs en opvang van jonge kinderen

0 %

0 %

086

Infrastructuur voor basis- en secundair onderwijs

0 %

0 %

087

Infrastructuur voor tertiair onderwijs

0 %

0 %

088

Infrastructuur voor beroepsonderwijs en -opleiding en volwassenenonderwijs

0 %

0 %

089

Huisvestingsinfrastructuur voor migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming genieten of daarom verzoeken

0 %

0 %

090

Huisvestingsinfrastructuur (andere dan voor migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming genieten of daarom verzoeken)

0 %

0 %

091

Overige sociale infrastructuur die bijdraagt aan sociale inclusie in de gemeenschap

0 %

0 %

092

Infrastructuur voor gezondheidszorg

0 %

0 %

093

Medische apparatuur

0 %

0 %

094

Rollend medisch materieel

0 %

0 %

095

Digitalisering in de gezondheidszorg

0 %

0 %

096

Infrastructuur voor de tijdelijke opvang van migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming genieten of daarom verzoeken

0 %

0 %

097

Maatregelen voor betere toegang tot de arbeidsmarkt

0 %

0 %

098

Maatregelen voor betere toegang tot de arbeidsmarkt voor langdurig werklozen

0 %

0 %

099

Specifieke ondersteuning van werkgelegenheid bij jongeren en sociaaleconomische integratie van jongeren

0 %

0 %

100

Ondersteuning voor zelfstandigen en het opstarten van ondernemingen

0 %

0 %

101

Ondersteuning voor de sociale economie en sociale ondernemingen

0 %

0 %

102

Maatregelen voor de modernisering en versterking van de arbeidsmarktinstellingen en -diensten om de vaardigheidsbehoeften te beoordelen, eraan tegemoet te komen, en voor tijdige en op maat gesneden hulp te zorgen

0 %

0 %

103

Ondersteuning voor aansluiting met en overgangen op de arbeidsmarkt

0 %

0 %

104

Ondersteuning voor arbeidsmobiliteit

0 %

0 %

105

Maatregelen ter bevordering van de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en ter verkleining van de genderkloof op de arbeidsmarkt

0 %

0 %

106

Maatregelen ter bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven, met inbegrip van toegang tot kinderopvang en zorg voor afhankelijke personen

0 %

0 %

107

Maatregelen voor een gezonde en goed aangepaste werkomgeving om gezondheidsrisico’s aan te pakken, met inbegrip van de bevordering van lichaamsbeweging

0 %

0 %

108

Steun voor de ontwikkeling van digitale vaardigheden

0 %

0 %

109

Ondersteuning voor de aanpassing van werknemers, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen

0 %

0 %

110

Maatregelen ter bevordering van actief en gezond ouder worden

0 %

0 %

111

Ondersteuning voor onderwijs en opvang van jonge kinderen (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

112

Ondersteuning voor basis- en secundair onderwijs (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

113

Ondersteuning voor tertiair onderwijs (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

114

Ondersteuning voor volwassenenonderwijs (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

115

Maatregelen ter bevordering van gelijke kansen en actieve participatie in de samenleving

0 %

0 %

116

Trajecten voor integratie en herintreding van kansarmen in het arbeidsproces

0 %

0 %

117

Maatregelen ter verbetering van de toegang tot onderwijs en de arbeidsmarkt en van de sociale inclusie van gemarginaliseerde groepen zoals de Roma

0 %

0 %

118

Ondersteuning van maatschappelijke organisaties die werken met gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma

0 %

0 %

119

Specifieke acties ter verbetering van de deelname van onderdanen van derde landen aan de arbeidsmarkt

0 %

0 %

120

Maatregelen voor de sociale integratie van onderdanen van derde landen

0 %

0 %

121

Maatregelen ter verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare diensten

0 %

0 %

122

Maatregelen ter verbetering van zorgverlening in familie- en gemeenschapsverband

0 %

0 %

123

Maatregelen ter verbetering van de toegankelijkheid, doelmatigheid en veerkracht van gezondheidsstelsels (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

124

Maatregelen ter verbetering van de toegang tot langdurige zorg (uitgezonderd infrastructuur)

0 %

0 %

125

Maatregelen ter modernisering van de socialebeschermingsstelsels, met inbegrip van de bevordering van de toegang tot sociale bescherming

0 %

0 %

126

Bevordering van de sociale integratie van mensen voor wie armoede of sociale uitsluiting dreigt, waaronder de meest hulpbehoevenden en kinderen

0 %

0 %

127

Materiële deprivatie aanpakken met voedselhulp en/of materiële bijstand aan de meest hulpbehoevenden, met inbegrip van begeleidende maatregelen

0 %

0 %

Beleidsdoelstelling 5: Europa dichter bij de burgers brengen door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, alsook lokale initiatieven te bevorderen(49)

128

Bescherming, ontwikkeling en bevordering van openbare toeristische activa en daarmee verband houdende toeristische diensten [Am. 369]

0 %

0 %

129

Bescherming, ontwikkeling en bevordering van cultureel erfgoed en culturele diensten

0 %

0 %

130

Bescherming, ontwikkeling en bevordering van natuurlijk erfgoed en ecotoerisme behalve Natura 2000-gebieden [Am. 370]

0 %

100 %

131

Materiële revitalisering en beveiliging van openbare ruimten

0 %

0 %

Overige codes met betrekking tot beleidsdoelstellingen 1-5

132

Verbetering van de capaciteit van programma-autoriteiten en -organen in verband met de tenuitvoerlegging van de fondsen

0 %

0 %

133

Verbetering van de samenwerking met partners binnen en buiten de lidstaat

0 %

0 %

134

Kruisfinanciering in het kader van het EFRO (ondersteuning van activiteiten van het type ESF die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van het EFRO-deel van de activiteit en er rechtstreeks verband mee houden)

0 %

0 %

135

Verbetering van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden bij de uitvoering van territoriale samenwerkingsprojecten en -initiatieven in grensoverschrijdend, transnationaal, maritiem en interregionaal verband

0 %

0 %

136

Ultraperifere gebieden: vergoeding van extra kosten als gevolg van ontsluitingsproblemen en territoriale versnippering

0 %

0 %

137

Ultraperifere gebieden: specifieke actie ter vergoeding van extra kosten als gevolg van marktfactoren die te maken hebben met de omvang van de gebieden

0 %

0 %

138

Ultraperifere gebieden: steun ter vergoeding van extra kosten als gevolg van klimaat en reliëf

40 %

40 %

139

Ultraperifere gebieden: luchthavens

0 %

0 %

Technische bijstand

140

Informatie en communicatie

0 %

0 %

141

Voorbereiding, uitvoering, toezicht en controle

0 %

0 %

142

Evaluatie en studies, gegevensverzameling

0 %

0 %

143

Versterking van de capaciteit van autoriteiten van de lidstaten, begunstigden en betrokken partners

0 %

0 %

TABEL 2: CODES VOOR DE DIMENSIE FINANCIERINGSVORM

FINANCIERINGSVORM

01

Subsidie

02

Ondersteuning met financieringsinstrumenten: eigen vermogen of quasi-eigenvermogen

03

Ondersteuning met financieringsinstrumenten: lening

04

Ondersteuning met financieringsinstrumenten: garantie

05

Ondersteuning met financieringsinstrumenten: aanvullende steun

06

Prijs

TABEL 3: CODES VOOR DE DIMENSIE TERRITORIAAL UITVOERINGSMECHANISME EN TERRITORIALE FOCUS

TERRITORIAAL UITVOERINGSMECHANISME EN TERRITORIALE FOCUS

Geïntegreerde territoriale investering (ITI)

ITI gericht op duurzame stadsontwikkeling

11

Stadswijken

x

12

Steden, dorpen, en voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden[Am. 371]

x

13

Functionele stedelijke gebieden

x

14

Berggebieden

 

15

Eilanden en kustgebieden

 

16

Landelijke en dunbevolkte gebieden [Am. 372]

 

17

Andere types van beoogde gebieden

 

Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD)

CLLD gericht op duurzame stadsontwikkeling

21

Stadswijken

x

22

Steden, dorpen, en voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden [Am. 373]

x

23

Functionele stedelijke gebieden

x

24

Berggebieden

 

25

Eilanden en kustgebieden

 

26

Landelijke en dunbevolkte gebieden [Am. 374]

 

27

Andere types van beoogde gebieden

 

Ander type territoriaal instrument in het kader van beleidsdoelstelling 5

Ander type territoriaal instrument gericht op duurzame stadsontwikkeling

31

Stadswijken

x

32

Steden, dorpen, en voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden [Am. 375]

x

33

Functionele stedelijke gebieden

x

34

Berggebieden

 

35

Eilanden en kustgebieden

 

36

Landelijke en dunbevolkte gebieden [Am. 376]

 

37

Andere types van beoogde gebieden

 

Andere benaderingen(50)

41

Stadswijken

42

Steden, dorpen en voorsteden

43

Functionele stedelijke gebieden

44

Berggebieden

45

Eilanden en kustgebieden

46

Dunbevolkte gebieden

47

Andere types van beoogde gebieden

48

Geen territoriale toespitsing

TABEL 4: CODES VOOR DE DIMENSIE ECONOMISCHE ACTIVITEIT

ECONOMISCHE ACTIVITEIT

01

Land- en bosbouw

02

Visserij

03

Aquacultuur

04

Andere sectoren van de blauwe economie

05

Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken

06

Vervaardiging van textiel en textielproducten

07

Vervaardiging van transportmiddelen

08

Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten

09

Andere niet nader gespecificeerde be- en verwerkende bedrijfstakken

10

Bouwnijverheid

11

Winning van delfstoffen

12

Elektriciteit, gas, stoom, warm water en airconditioning

13

Distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering

14

Vervoer en opslag

15

Informatie- en communicatieactiviteiten, met inbegrip van telecommunicatie

16

Groot- en detailhandel

17

Verschaffen van toeristische activiteiten, accommodatie en maaltijden [Am. 377]

18

Financiële activiteiten en verzekeringen

19

Exploitatie van en handel in onroerend goed, verhuur en zakelijke dienstverlening

20

Overheid

21

Onderwijs

22

Menselijke gezondheidszorg

23

Maatschappelijke dienstverlening en sociaal-culturele en persoonlijke diensten

24

Activiteiten in verband met het milieu

25

Kunst, entertainment, creatieve bedrijfstakken en recreatie

26

Overige niet nader genoemde diensten

TABEL 5: CODES VOOR DE DIMENSIE LOCATIE

LOCATIE

Code

Locatie

 

Code van de regio of de zone waar de concrete actie wordt uitgevoerd, zoals vastgelegd in de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad(51), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 868/2014 van de Commissie.

TABEL 6: CODES VOOR SECUNDAIRE THEMA'S ESF

SECUNDAIR THEMA ESF

Coëfficiënt voor de berekening van steun voor klimaatveranderingsdoelstellingen

01

Bijdragen aan groene vaardigheden en banen en de groene economie

100 %

02

Ontwikkeling van digitale vaardigheden en banen

0 %

03

Investeringen in onderzoek en innovatie en slimme specialisatie

0 %

04

Investeringen in kleine en middelgrote bedrijven (kmo's)

0 %

05

Non-discriminatie

0 %

06

Gendergelijkheid

0 %

07

Capaciteitsopbouw van sociale partners

0 %

08

Capaciteitsopbouw van maatschappelijke organisaties

0 %

09

Niet van toepassing

0 %

TABEL 7: CODES VOOR DE MACROREGIONALE EN ZEEBEKKENSTRATEGIEËN

MACROREGIONALE EN ZEEBEKKENSTRATEGIEËN

11

Strategie voor de Adriatische en Ionische regio

12

Strategie voor het Alpengebied

13

Strategie voor het Oostzeegebied

14

Strategie voor het Donaugebied

21

Noordelijke IJszee

22

Strategie voor het Atlantisch gebied

23

Zwarte Zee

24

Middellandse Zee

25

Noordzee

26

Strategie voor het westelijke Middellandse Zeegebied

30

Geen bijdrage aan macroregionale of zeebekkenstrategieën

BIJLAGE II

Model voor de partnerschapsovereenkomst – artikel 7, lid 4

CCI

[15 tekens]

Titel

[255]

Versie

 

Eerste jaar

[4]

Laatste jaar

[4]

Nummer van het besluit van de Commissie

 

Datum van het besluit van de Commissie

 

1.  Selectie van beleidsdoelstellingen

Referentie: Artikel 8, onder a), van de GB-verordening, artikel 3 van de AMIF-, ISF- en BMVI-verordeningen

Tabel 1: Selectie van beleidsdoelstellingen met motivering

Geselecteerde beleidsdoelstelling

Programma

Fonds

Motivering voor de selectie van een beleidsdoelstelling

 

 

 

[3 500 per beleidsdoelstelling]

2.  Beleidskeuzes, coördinatie en complementariteit

Referentie: Artikel 8, onder b), punten i), ii) en iii), van de GB-verordening

Tekstveld [60 000]

3.  Bijdrage aan de begrotingsgarantie in het kader van InvestEU met motivering

Referentie: Artikel 8, onder e), van de GB-verordening; Artikel 10, onder a), van de GB-verordening;

Tabel 2: Overdracht naar InvestEU

 

Regiocategorie*

Venster 1

Venster 2

Venster 3

Venster 4

Venster 5

Bedrag

 

 

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

(f)=(a)+(b)+(c)+(d)+(e)

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

 

 

 

 

 

 

 

AMIF

 

 

 

 

 

 

 

ISF

 

 

 

 

 

 

 

BMVI

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

Tekstveld [3 500] (motivering)

4.  Overdracht tussen regiocategorieën met motivering

Referentie: Artikel 8, onder d), en artikel 105 van de GB-verordening

Tabel 3: Overdracht tussen regiocategorieën

Regiocategorie

Toewijzing per regiocategorie*

Overgedragen aan:

Overgedragen bedrag

Overgedragen deel van de initiële toewijzing

Toewijzing per regiocategorie na de overdracht

(a)

(b)

(c)

(d)

(g)=(d)/(b)

(h)=(b)-(d)

Minder ontwikkeld

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

Overgang

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

Overgang

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

* Initiële toewijzing per regiocategorie zoals door de Commissie meegedeeld na de in de tabellen 2 t/m 4 bedoelde overdrachten, uitsluitend van toepassing op het EFRO en het ESF+.

Tekstveld [3 500] (motivering)

5.  Voorlopige financiële toewijzing per beleidsdoelstelling

Referentie: Artikel 8, onder c), van de GB-verordening

Tabel 4: Voorlopige financiële toewijzing uit het EFRO, het CF, het ESF+ en het EFMZV per beleidsdoelstelling*

Beleidsdoelstellingen

EFRO

Cohesiefonds

ESF+

EFMZV

Totaal

Beleidsdoelstelling 1

 

 

 

 

 

Beleidsdoelstelling 2

 

 

 

 

 

Beleidsdoelstelling 3

 

 

 

 

 

Beleidsdoelstelling 4

 

 

 

 

 

Beleidsdoelstelling 5

 

 

 

 

 

Technische bijstand

 

 

 

 

 

Toewijzing voor 2026-2027

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

* Beleidsdoelstellingen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de GB-verordening. Voor het EFRO, het CF en het ESF+ de periode 2021-2025; voor het EFMZV de periode 2021-2027.

Tekstveld [3 500] (motivering)

Tabel 5: Voorlopige financiële toewijzing uit het AMIF, het ISF en het BMVI per beleidsdoelstelling*

Beleidsdoelstelling

Toewijzing

Beleidsdoelstelling als bedoeld in artikel 3 van de [AMIF-verordening]

 

Beleidsdoelstelling als bedoeld in artikel 3 van de [ISF-verordening]

 

Beleidsdoelstelling als bedoeld in artikel 3 van de [BMVI-verordening]

 

Technische bijstand

 

Totaal

 

* Beleidsdoelstellingen overeenkomstig fondsspecifieke verordeningen voor het EFMZV AMIF, ISF en BMVI; toewijzing voor de periode 2021-2027

6.  Lijst van programma's

Referentie: Artikel 8, onder f), van de GB-verordening. Artikel 104

Tabel 6: Lijst van programma’s met voorlopige financiële toewijzingen*

Titel [255]

Fonds

Regiocategorie

EU-bijdrage

Nationale bijdrage**

Totaal

Programma 1

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

Overgang

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

Programma 1

CF

 

 

 

 

Programma 1

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

Overgang

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

Totaal

EFRO, CF, ESF+

 

 

 

 

Programma 2

EFMZV

 

 

 

 

Programma 3

AMIF

 

 

 

 

Programma 4

ISF

 

 

 

 

Programma 5

BMVI

 

 

 

 

Totaal

Alle fondsen

 

 

 

 

* Beleidsdoelstellingen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de GB-verordening. Voor het EFRO, het CF en het ESF+ de periode 2021-2025; voor het EFMZV de periode 2021-2027.

** In overeenstemming met artikel 106, lid 2, over de bepaling van de medefinancieringspercentages.

Referentie: Artikel 8 van de GB-verordening.

Tabel 7: Lijst van Interreg-programma's

Programma 1

Titel 1 [255]

Programma 2

Titel 1 [255]

7.  Een samenvatting van de maatregelen die moeten worden genomen ter verbetering van de administratieve capaciteit

Referentie: Artikel 8, onder g), van de GB-verordening.

Tekstveld [4 500]

BIJLAGE III

Horizontale randvoorwaarden – artikel 11, lid 1

Van toepassing op alle specifieke doelstellingen

Naam randvoorwaarden

Nalevingscriteria

Doeltreffende toezichtmechanismen van de markt voor overheidsopdrachten

Er is voorzien in controlemechanismen met betrekking tot alle procedures krachtens nationale wetgeving inzake overheidsopdrachten, waaronder:

1.  Regelingen om te zorgen voor de verzameling van doeltreffende, betrouwbare en volledige gegevens en indicatoren binnen één enkel IT-systeem of netwerk van interoperabele systemen, met het oog op de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel en ter bevordering van de rapportageverplichtingen uit hoofde van artikel 83, lid 3, van Richtlijn 2014/24/EU, in overeenstemming met de vereisten voor e-aanbestedingen, alsook uit hoofde van artikel 84 van Richtlijn 2014/24/EU. De gegevens en indicatoren omvatten ten minste de volgende elementen:

a.  Kwaliteit en intensiteit van de concurrentie: namen van de winnende en initiële inschrijvers, aantal initiële inschrijvers, aantal geselecteerde inschrijvers, de contractuele prijs – ten opzichte van de aanvankelijke begrotingstoewijzing en, waar mogelijk via aanbestedingsregisters, de definitieve prijs na voltooiing;

b.  Deelname van kmo's als rechtstreekse inschrijvers;

c.  Ingestelde beroepen tegen de besluiten van de aanbestedende autoriteiten, inclusief ten minste het aantal beroepen, de tijd die nodig is voor een beslissing in eerste aanleg, en het aantal besluiten dat is doorverwezen naar tweede aanleg;

d.  Een lijst van alle opdrachten die zijn geplaatst op grond van de regels inzake uitzonderingen op de regels voor openbare aanbestedingen, onder vermelding van de specifieke bepaling die is gebruikt.

2.  Regelingen om ervoor te zorgen dat de bevoegde nationale autoriteiten over voldoende capaciteit beschikken voor de monitoring en de analyse van de gegevens.

3.  Regelingen om de gegevens en indicatoren, alsook de resultaten van de analyse, beschikbaar te maken voor het publiek in de vorm van gebruiksvriendelijke open data.

4.  Regelingen om ervoor te zorgen dat alle informatie die wijst op vermoedelijke manipulatie stelselmatig wordt meegedeeld aan de bevoegde nationale instanties.

Middelen en capaciteit voor de effectieve toepassing van de staatssteunregels

De beheersautoriteiten hebben de instrumenten en de capaciteit om de naleving van de staatssteunregels te controleren dankzij:

1.  Gemakkelijke en brede toegang tot permanent geactualiseerde informatie over ondernemingen die zich in moeilijkheden bevinden en waarvan een terugvordering wordt geëist.

2.  Toegang tot deskundig advies en begeleiding inzake staatssteun, verleend door lokale of nationale expertisecentra, onder coördinatie van de nationale instanties belast met het toezicht op staatssteun, met werkafspraken om ervoor te zorgen dat over de expertise daadwerkelijk overleg wordt gepleegd met de betrokkenen.

Effectieve toepassing en uitvoering van het EU-Handvest van de grondrechten

Er is voorzien in doeltreffende mechanismen om de naleving van het EU-Handvest van de grondrechten te waarborgen, waaronder:

1.  Regelingen om te controleren dat de door de fondsen ondersteunde concrete acties verenigbaar zijn met het Handvest van de grondrechten.

2.  Regelingen voor rapportage aan het toezichtcomité over de verenigbaarheid van de door de fondsen ondersteunde concrete acties met het Handvest van de grondrechten.

Uitvoering en toepassing van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) in overeenstemming met Besluit 2010/48/EG van de Raad.

Er is voorzien in een nationaal kader voor de uitvoering van het UNCRPD, met onder meer:

1.  Meetbare doelstellingen, gegevensverzameling en toezichtmechanismen, toepasbaar op alle beleidsdoelstellingen.

2.  Regelingen om ervoor te zorgen dat het beleid, de wetgeving en de normen inzake toegankelijkheid naar behoren tot uiting komen in de voorbereiding en de uitvoering van de programma’s, in overeenstemming met de bepalingen van het UNCRPD en vervat in de criteria en verplichtingen betreffende het selecteren van projecten.

 

2 bis.  Regelingen voor rapportage aan het toezichtcomité over de conformiteit van de ondersteunde concrete acties. [Am. 378]

Uitvoering van de beginselen en rechten van de Europese pijler van sociale rechten die bijdragen tot daadwerkelijke convergentie en cohesie in de Europese Unie.

Regelingen op nationaal niveau ter waarborging van de behoorlijke uitvoering van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten die bijdragen tot opwaartse sociale convergentie en cohesie in de EU, met name de beginselen ter voorkoming van oneerlijke concurrentie op de interne markt. [Am. 379]

Doeltreffende toepassing van het partnerschapsbeginsel

Er is voorzien in een kader waarbinnen alle partners een volwaardige rol kunnen vervullen bij de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie van programma's, waaronder:

1.  Regelingen die transparante procedures voor de betrokkenheid van partners waarborgen.

2.  Regelingen voor de verspreiding en bekendmaking van informatie waarover partners moeten beschikken voor de voorbereiding en follow-up van vergaderingen.

3.  Steun om de positie van partners te versterken en capaciteit op te bouwen. [Am. 380]

BIJLAGE IV

Thematische randvoorwaarden die van toepassing zijn op het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds – artikel 11, lid 1

Beleidsdoelstelling

Specifieke doelstelling

Naam randvoorwaarde

Criteria voor de vervulling van de randvoorwaarde

1.  Een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie

EFRO:

Alle specifieke doelstellingen van deze beleidsdoelstellingen

Goede governance van de nationale of regionale strategie voor slimme specialisatie

Strategieën voor slimme specialisatie worden ondersteund door:

1.  Actuele analyse van knelpunten voor innovatieverspreiding, met inbegrip van digitalisering

2.  Bestaan van bevoegde regionale / nationale instelling of instantie belast met het beheer van de strategie voor slimme specialisatie

3.  Instrumenten voor toezicht en evaluatie om de voortgang te meten in de richting van de doelstellingen van de strategie

4.  Doeltreffende werking van het ondernemingsgezind ontdekkingsproces

5.  Acties die nodig zijn voor de verbetering van de nationale of regionale onderzoeks- en innovatiesystemen

6.  Acties om de industriële overgang te sturen

7.  Maatregelen voor internationale samenwerking

2.  Een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer

EFRO en Cohesiefonds:

2.1  Bevordering van energie-efficiëntiemaatregelen

Strategisch beleidskader ter ondersteuning van op energie-efficiëntie gerichte renovatie van residentiële en niet-residentiële gebouwen

1.  Er is een nationale langetermijnrenovatiestrategie vastgesteld ter ondersteuning van de renovatie van het nationale bestand van residentiële en niet-residentiële gebouwen, in overeenstemming met de eisen van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen. Deze strategie:

a.  bevat indicatieve mijlpalen voor 2030 en 2040 en streefdoelen voor 2050;

b.  biedt een indicatief overzicht van budgettaire middelen voor de uitvoering van de strategie;

c.  bevat definities van doeltreffende mechanismen voor de bevordering van investeringen in de renovatie van gebouwen.

2.  Maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie om de vereiste energiebesparingen te verwezenlijken

EFRO en Cohesiefonds:

2.1  Bevordering van energie-efficiëntiemaatregelen

2.2  Bevordering van hernieuwbare energie door investeringen in opwekkingscapaciteit

Governance van de energiesector

Er zijn nationale energie- en klimaatplannen vastgestelddie voldoen aan de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C, en deze omvatten:

1.  alle elementen van het model in bijlage I van de verordening betreffende de governance van de energie-unie(52);

2.  een indicatief overzicht van de geplande financiële middelen en mechanismen voor maatregelen ter bevordering van koolstofarme energie. [Am. 381]

EFRO en Cohesiefonds:

2.2  Bevordering van hernieuwbare energie door investeringen in opwekkingscapaciteit

Doeltreffende bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie in alle sectoren en in de hele EU

Er is voorzien in maatregelen om te zorgen voor:

1.  Naleving van het nationale bindende streefdoel voor 2020 inzake hernieuwbare energiebronnen en van dit basisscenario tot 2030 in overeenstemming met de herschikking van Richtlijn 2009/28/EG(53)

2.  Een toename van het aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector met 1 procentpunt per jaar tot 2030

EFRO en Cohesiefonds:

2.4  Bevordering van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en herstelvermogen voor rampen [Am. 382]

Effectief risicobeheerskader voor rampen.

Er is voorzien in een nationaal of regionaal risicobeheersplan voor rampen, in overeenstemming met de bestaande klimaataanpassingsstrategieën. Dit plan omvat:

1.  Een beschrijving van de belangrijkste risico’s, beoordeeld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 6, onder a), van Besluit nr. 1313/2013/EU, rekening houdend met de huidige dreigingen en de dreigingen op lange termijn (25-35 jaar). Voor de beoordeling van de klimaatrisico’s zal worden gekeken naar prognoses en scenario’s inzake klimaatverandering.

2.  Beschrijving van de maatregelen inzake rampenpreventie, -paraatheid en -respons met betrekking tot de voornaamste risico’s. Er wordt prioriteit gegeven aan de maatregelen in verhouding tot de risico’s en hun economische gevolgen, capaciteitstekorten(54), doeltreffendheid en doelmatigheid, rekening houdend met mogelijke alternatieven.

3.  Informatie over de budgettaire en financiële middelen en mechanismen die voorhanden zijn om de exploitatie- en onderhoudskosten in verband met preventie, paraatheid en respons te dekken.

EFRO en Cohesiefonds:

2.5  Bevordering van waterefficiëntie

Bijgewerkte planning voor de vereiste investeringen in de water- en afvalwatersectoren

Er is voorzien in een nationaal investeringsplan en dit omvat:

1.  Een beoordeling van de huidige stand van de uitvoering van Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (hierna "de afvalwaterrichtlijn" genoemd) en van Richtlijn 98/83/EG betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (hierna "de drinkwaterrichtlijn" genoemd).

2.  De vaststelling en de planning van alle overheidsinvesteringen, inclusief een indicatieve financiële raming

a.  die nodig zijn voor de naleving van de afvalwaterrichtlijn, met inbegrip van een prioritering met betrekking tot de omvang van de agglomeraties en de milieugevolgen, waarbij de investeringen wordt uitgesplitst per afvalwateragglomeratie;

b.  die nodig zijn voor de uitvoering van de drinkwaterrichtlijn;

c.  die nodig zijn om te voldoen aan de behoeften die voortvloeien uit de voorgestelde herschikking (COM(2017)0753), met name wat betreft de herziene en in bijlage I nader beschreven kwaliteitsparameters.

3.  Een raming van de investeringen die nodig zijn om de bestaande afvalwater- en watervoorzieningsinfrastructuur te vernieuwen, met inbegrip van de netwerken, op basis van hun leeftijd en afschrijvingsplannen

4.  Een indicatie van mogelijke bronnen van overheidsfinanciering, wanneer dat nodig is ter aanvulling van de gebruiksrechten

 

EFRO en Cohesiefonds:

2.6  Ontwikkeling van (de overgang naar) de circulaire economie door middel van investeringen in de afvalsector en in een efficiënt gebruik van hulpbronnen

Bijgewerkte planning voor afvalbeheer

Er is voorzien in afvalbeheerplan(nen) overeenkomstig artikel 28 van Richtlijn 2008/98/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) nr. 2018/xxxx. Deze hebben betrekking op het hele grondgebied van de lidstaat en omvatten:

1.  Een analyse van de huidige situatie inzake afvalbeheer in het betrokken geografische gebied, met inbegrip van de soort, de hoeveelheid en de bron van de afvalstoffen en een evaluatie van de ontwikkeling van de afvalstromen in de toekomst, rekening houdend met de verwachte gevolgen van maatregelen in het kader van afvalpreventieprogramma's die zijn opgezet in overeenstemming met artikel 29 van Richtlijn 2008/98/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2018/xx/EU

2.  Een beoordeling van de bestaande regelingen voor afvalinzameling, inclusief de materiële en territoriale dekking van gescheiden inzameling en maatregelen om de werking ervan te verbeteren, alsook de behoefte aan nieuwe inzamelingsregelingen

3.  Een beoordeling van de investeringskloof waaruit de behoefte aan aanvullende of aangepaste infrastructuur voor afvalbeheer blijkt, met informatie over de bronnen van inkomsten ter dekking van de exploitatie- en onderhoudskosten

4.  Informatie over locatiecriteria voor de keuze van locaties en capaciteit van toekomstige afvalverwerkingsinstallaties

EFRO en Cohesiefonds:

2.6  Bevordering van groene infrastructuur in de stedelijke omgeving en vermindering van verontreiniging

Kader voor prioritaire actie voor de nodige instandhoudingsmaatregelen waar EU-medefinanciering aan te pas komt

Er is voorzien in een prioritair actiekader in de zin van artikel 8 van Richtlijn 92/43/EEG en dit kader omvat:

1.  Alle elementen die vereist zijn in het model voor het prioritaire actiekader voor de periode 2021-2027 zoals overeengekomen door de Commissie en de lidstaten, waaronder

2.  De vaststelling van de prioritaire maatregelen en een raming van de financiële behoeften [Am. 383]

3.  Een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit

EFRO:

3.1  Verbetering van de digitale connectiviteit

Nationaal of regionaal breedbandplan

Er is voorzien in een nationaal of regionaal breedbandplan met de volgende elementen:

1.  Een beoordeling van de investeringskloof die moet worden aangepakt zodat de EU de doelstellingen inzake gigabit-connectiviteit(55) kan bereiken, op basis van:

o uit een recente inventarisatie(56) van de bestaande particuliere en openbare infrastructuur en de kwaliteit van de dienstverlening op basis van standaardindicatoren voor breedbandinventarisatie

o een raadpleging over de geplande investeringen

2.  De motivering van de geplande openbare interventie op basis van duurzame investeringsmodellen die:

o de betaalbaarheid en toegang tot open, hoogwaardige en toekomstbestendige infrastructuur en diensten verbeteren;

o de vormen van financiële bijstand aanpassen aan de vastgestelde tekortkomingen van de markt;

o een complementair gebruik van verschillende vormen van financiering uit Europese, nationale of regionale bronnen mogelijk maken.

3.  Maatregelen om de vraag te stimuleren, alsook het gebruik van netwerken met zeer hoge capaciteit, met inbegrip van acties om de uitrol ervan te vergemakkelijken, met name door de EU-richtlijn inzake kostenverlaging van breedband(57) doeltreffend uit te voeren

4.  Mechanismen voor technische bijstand, waaronder adviesbureaus voor breedband om de capaciteiten van de lokale belanghebbenden te versterken en projectpromotoren te adviseren

5.  Een toezichtmechanisme op basis van standaardindicatoren voor breedbandinventarisatie

EFRO en Cohesiefonds:

3.2  Ontwikkeling van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en intermodale TEN-T [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

Uitgebreide vervoersplanning op het passende niveau

Er is voorzien in een multimodale inventarisatie van bestaande en geplande infrastructuur tot 2030 die:

-1 bis.  vereist dat sociale, economische en territoriale cohesie wordt gewaarborgd en, in hogere mate, dat aandacht wordt besteed aan de ontbrekende schakels en knelpunten in het TEN-T-netwerk, hetgeen ook investeringen in harde infrastructuur inhoudt [Am. 385]

1.  de economische motivering van de geplande investeringen omvat, op grond van een degelijke analyse van de vraag en verkeersmodellering, waarbij rekening moet worden gehouden met het verwachte effect van de liberalisering openstelling van de spoorwegen markt voor spoorwegdiensten; [Am. 386]

2.  de luchtkwaliteitsplannen weerspiegelt, met name rekening houdend met de nationale decarbonisatieplannen strategieën ter beperking van de emissies van de vervoersector; [Am. 387]

3.  investeringen omvat in de corridors van het TEN-T-kernnetwerk, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1316/2013, in overeenstemming met de respectieve TEN-T-werkprogramma’s en de geselecteerde segmenten van het uitgebreide netwerk; [Am. 388]

4.  ervoor zorgt dat investeringen buiten het TEN-T-kernnetwerk complementair zijn door de stedelijke netwerken, regio's en lokale gemeenschappen voldoende connectiviteit met het TEN-T-kernnetwerk en -knooppunten te bieden [Am. 389]

5.  de interoperabiliteit van het spoorwegnet garandeert door een ERTMS in te voeren die aan de baseline 3-specificaties voldoet, waarbij ten minste het Europees implementatieplan wordt gevolgd

6.  de multimodaliteit bevordert en de behoeften inzake multimodale of overslagterminals voor goederen- en passagiersvervoer en actieve vervoerswijzen in kaart brengt

7.  maatregelen omvat die gericht zijn op het bevorderen van alternatieve brandstoffen, in overeenstemming met de toepasselijke nationale beleidskaders

8.  de beoordeling van verkeersveiligheidsrisico’s omvat in overeenstemming met de bestaande nationale verkeersveiligheidsstrategieën, waarbij de wegen en weggedeelten in kwestie in kaart worden gebracht en de overeenkomstige investeringen worden geprioriteerd

9.  informatie geeft over de begrotings- en financieringsmiddelen die overeenkomen met de geplande investeringen en die nodig zijn om de exploitatie- en onderhoudskosten van de bestaande en geplande infrastructuur te dekken

9 bis.  duurzame regionale en grensoverschrijdende toeristische initiatieven bevordert die leiden tot win-winsituaties voor zowel de toeristen als de inwoners, zoals het verbinden van het EuroVelo-netwerk met het trans-Europese spoorwegnet [Am. 390]

3.3  Duurzame, klimaatbestendige, intelligente en intermodale nationale, regionale en lokale mobiliteit, met inbegrip van een verbeterde toegang tot TEN-T en grensoverschrijdende mobiliteit

4.  Een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten

EFRO:

4.1  Verbetering van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en de toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van infrastructuur

ESF:

4.1.1  Verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle werkzoekenden, dus ook met name voor jongeren, langdurig werklozen en niet-inactieven, en bevordering van arbeid als zelfstandige en van de sociale economie;

4.1.2  Modernisering van de arbeidsmarktinstellingen en -diensten om de behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen, en te zorgen voor tijdige en op maat gesneden hulp en ondersteuning voor aansluiting op de arbeidsmarkt, loopbaanveranderingen en mobiliteit; [Am. 391]

Strategisch beleidskader voor een actief arbeidsmarktbeleid

Er is voorzien in een strategisch beleidskader voor een actief arbeidsmarktbeleid in het licht van de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Dit omvat:

1.  Regelingen voor de profilering van werkzoekenden en de beoordeling van hun behoeften, met inbegrip van trajecten voor ondernemers

2.  Informatie over vacatures en arbeidsmogelijkheden, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften op de arbeidsmarkt

3.  Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie in nauwe samenwerking met de betrokken partijen gebeuren

4.  Regelingen voor het toezicht op, de evaluatie en de beoordeling van actief arbeidsmarktbeleid

5.  Wat werkgelegenheidsmaatregelen voor jongeren betreft, wetenschappelijk onderbouwde en gerichte trajecten voor jongeren die geen baan hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, met inbegrip van maatregelen om hen beter te bereiken en op basis van kwaliteitseisen, rekening houdend met criteria voor kwaliteitsvolle leerplaatsen en stages, onder meer in de context van de uitvoering van de jongerengarantieregelingen

EFRO:

4.1  Verbetering van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en de toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van infrastructuur

ESF:

4.1.3  Bevordering van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en een beter evenwicht tussen werk en privéleven, waaronder de toegang tot kinderopvang, een gezonde en goed aangepaste werkomgeving waarin gezondheidsrisico’s worden aangepakt, de aanpassing van werknemers, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden; [Am. 392]

Nationaal strategisch kader voor gendergelijkheid

Er is voorzien in een nationaal strategisch beleidskader voor gendergelijkheid en dit omvat:

1.  Een empirisch onderbouwd overzicht van de uitdagingen op het gebied van gendergelijkheid

2.  Maatregelen om de genderkloof op het gebied van werkgelegenheid, verloning, sociale zekerheid en pensioenen aan te pakken en een evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen, onder meer door betere toegang tot opvang en onderwijs voor jonge kinderen, met streefdoelen [Am. 393]

3.  Regelingen voor toezicht, evaluatie en herziening van het strategische beleidskader en de methoden voor gegevensverzameling

4.  Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie gebeuren in nauwe samenwerking met organen voor gelijke kansen, sociale partners en betrokken maatschappelijke organisaties

EFRO:

4.2  Verbetering van de toegang tot inclusieve en hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren door het ontwikkelen van infrastructuur;

ESF:

4.2.1.  Verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels op het gebied van kwaliteit, inclusiviteit, doeltreffendheid en relevantie voor de arbeidsmarkt om de verwerving van sleutelcompetenties – onder meer digitale vaardigheden – te bevorderen en de overgang van onderwijs naar werk te vergemakkelijken;

4.2.2.  Bevordering van ieders mogelijkheden tot een leven lang leren, met name flexibele bijscholing en omscholing, alsook informeel en niet-formeel leren, onder meer door loopbaanverandering te vergemakkelijken en beroepsmobiliteit te bevorderen

4.2.3  Bevordering van gelijke toegang tot en afronding van met name voor achtergestelde groepen, tot hoogwaardige en inclusieve voorzieningen onderwijs- en opleidingstrajecten, met name voor onderwijs en opleiding achtergestelde groepen, van opvang en onderwijs voor jonge kinderen, over algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding, tot het tertiaire niveau, evenals volwasseneneducatie en -opleiding, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen te vergemakkelijken; [Am. 394]

Strategisch beleidskader voor de onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus.

Er is voorzien in een nationaal en/of regionaal strategisch beleidskader voor het onderwijs- en opleidingsstelsel en dit omvat:

1.  Empirisch onderbouwde systemen om op het vlak van vaardigheden te anticiperen en prognoses te maken, alsook mechanismen follow-upmechanismen voor het volgen van afgestudeerden en diensten voor kwaliteitsvolle en doeltreffende begeleiding voor lerenden van alle leeftijden, met inbegrip van op de lerende gerichte benaderingen [Am. 395]

2.  Maatregelen om te zorgen voor gelijke toegang tot, participatie in en voltooiing van kwaliteitsvolle, betaalbare, relevante niet-gesegregeerde en inclusieve onderwijs- en opleidingstrajecten en de verwerving van sleutelcompetenties op alle niveaus, met inbegrip van het hoger tertiarie onderwijs [Am. 396]

3.  Mechanisme voor coördinatie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus, met inbegrip van het tertiaire onderwijsen verstrekkers van niet-formeel en informeel onderwijs, en een duidelijke toewijzing van verantwoordelijkheden aan de betrokken nationale en/of regionale instanties [Am. 397]

4.  Regelingen voor toezicht, evaluatie en herziening van het strategische beleidskader

5.  Maatregelen gericht op laaggeschoolde en laaggekwalificeerde volwassenen en mensen uit kansarme sociaaleconomische milieus, alsook bijscholingstrajecten

6.  Maatregelen om leerkrachten, opleiders en academisch personeel te ondersteunen met passende leermethoden, de beoordeling en validering van sleutelcompetenties

7.  Maatregelen ter bevordering van de mobiliteit van studenten en personeel en van grensoverschrijdende samenwerking tussen aanbieders van onderwijs en opleidingen, onder meer door de erkenning van leerresultaten en kwalificaties

EFRO:

4.3  Bespoediging van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, vluchtelingen en migranten die internationale bescherming genieten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten [Am. 398]

ESF:

4.3.1  Bevordering Aanmoediging van actieve inclusie, mede met het oog op de bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en verbetering van de inzetbaarheid. [Am. 399]

4.3.1  bis. Bevordering van de sociale integratie van mensen die in een situatie van armoede of sociale uitsluiting dreigen terecht te komen, waaronder de meest hulpbehoevenden en kinderen [Am. 400]

Nationaal strategisch beleidskader voor sociale inclusie en armoedebestrijding

Er is voorzien in een nationaal strategisch beleidskader en een actieplan voor sociale inclusie en armoedebestrijding. Dit omvat Deze omvatten:

1.  Een empirisch onderbouwde diagnose van armoede en sociale uitsluiting, met inbegrip van kinderarmoede, dakloosheid, ruimtelijke segregatie, segregatie in het onderwijs, beperkte toegang tot essentiële diensten en infrastructuur, en de specifieke behoeften van kwetsbare personen

2.  Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van segregatie op alle gebieden, onder meer door te voorzien in passende inkomenssteun, sociale bescherming, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten voor kwetsbare personen, onder wie migranten en vluchtelingen

3.  Maatregelen voor de overgang van institutionele naar door de familie en de gemeenschap gedragen zorg op basis van een nationale de-institutionaliseringsstrategie en een actieplan

4.  Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie gebeuren in nauwe samenwerking met sociale partners en betrokken maatschappelijke organisaties [Am. 401]

ESF:

4.3.2  Bevordering van de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen en gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma [Am. 402]

Nationale strategie voor de integratie van de Roma

Er is voorzien in een nationale strategie voor de integratie van de Roma en deze omvat:

1.  Maatregelen om de integratie van de Roma te bespoedigen, segregatie te voorkomen en uit te bannen, rekening houdend met de genderdimensie en de situatie van jonge Roma, en met een basisscenario en meetbare mijlpalen en streefdoelen

2.  Regelingen voor toezicht, evaluatie en herziening van de maatregelen voor de integratie van de Roma

3.  Regelingen voor de integratie van de Roma op lokaal en regionaal niveau

4.  Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de herziening ervan gebeuren in nauwe samenwerking met de maatschappelijke Roma-organisaties en alle andere belanghebbenden, ook op de regionale en de lokale niveaus

EFRO:

4.4  Zorgen voor gelijke toegang tot gezondheidszorg door de ontwikkeling van infrastructuur, met inbegrip van eerstelijnszorg

ESF:

4.3.4  Verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare diensten; modernisering van de socialebeschermingsstelsels, onder meer door de toegang tot sociale bescherming te bevorderen; verbetering van de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels; verbetering van de toegang tot diensten voor langdurige zorg [Am. 403]

Strategisch beleidskader inzake gezondheid.

Er is voorzien in een nationaal of regionaal strategisch beleidskader inzake gezondheid dat het volgende omvat:

1.  Inventarisatie van de behoeften inzake gezondheidszorg en langdurige zorg, met inbegrip van medisch personeel, met het oog op duurzame en gecoördineerde maatregelen

2.  Maatregelen om ervoor te zorgen dat gezondheidszorg en langdurige zorg efficiënt, duurzaam, toegankelijk en betaalbaar zijn, met inbegrip van een bijzondere nadruk op personen die buiten de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg vallen en de personen die het moeilijkst te bereiken zijn

3.  Maatregelen ter bevordering van gemeenschapsdiensten, met inbegrip van preventie, eerstelijnszorg en thuiszorg, en de overgang van institutionele naar door de familie en de gemeenschap gedragen zorg

3 bis.   Maatregelen ter waarborging van de doeltreffendheid, duurzaamheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van socialebeschermingsstelsels [Am. 404]

BIJLAGE V

Model voor programma’s die steun krijgen van het EFRO (doelstelling Investeren in werkgelegenheid en groei), het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV – artikel 16, lid 3

CCI

 

Titel in het Engels

[255 tekens(58)]

Titel in nationale taal (talen)

[255]

Versie

 

Eerste jaar

[4]

Laatste jaar

[4]

Subsidiabel vanaf

 

Subsidiabel tot

 

Nummer van het besluit van de Commissie

 

Datum van het besluit van de Commissie

 

Nummer wijzigingsbesluit lidstaat

 

Datum inwerkingtreding wijzigingsbesluit lidstaat

 

Niet-substantiële overdracht (artikel 19.5)

JA/NEE

Onder het programma vallende NUTS-regio ’s (niet van toepassing op het EFMZV)

 

Betrokken fonds

[ ] EFRO

[ ] Cohesiefonds

[ ] ESF+

[ ] EFMZV

1.  Programmastrategie: belangrijkste ontwikkelingsproblemen en beleidsreacties

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder a), punten i) t/m vii), en artikel 17, lid 3, onder b)

Tekstveld [30 000]

Voor de doelstelling "Investeren in werkgelegenheid en groei":

Tabel 1

Beleidsdoelstelling

Specifieke doelstelling of specifieke prioriteit*

Motivering (samenvatting)

 

 

[2 000 per specifieke doelstelling of specifieke prioriteit]

* Specifieke prioriteiten volgens de ESF+-verordening

Voor het EFMZV:

Tabel 1A

Beleidsdoelstelling

Prioriteit

SWOT-analyse (voor elke prioriteit)

Motivering (samenvatting)

 

 

Sterke punten

[10 000 per prioriteit]

[20 000 per prioriteit]

Zwakke punten

[10 000 per prioriteit]

Kansen

[10 000 per prioriteit]

Bedreigingen

[10 000 per prioriteit]

In kaart brengen van de behoeften op basis van de SWOT-analyse en rekening houdend met de elementen in artikel 6, lid 6, van de EFMZV-verordening

[10 000 per prioriteit]

2.  Prioriteiten, uitgezonderd technische bijstand

Referentie: Artikel 17, lid 2 en artikel 17, lid 3, onder c)

Tabel 1 T: Programmastructuur*

ID

Titel [300]

TA

Grondslag voor de berekening

Fonds

Categorie ondersteunde regio

Geselecteerde specifieke doelstelling

1

Prioriteit 1

Nee

 

EFRO

Meer

SD 1

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 2

Ultraperifeer en dunbevolkt

Meer

SD 3

2

Prioriteit 2

Nee

 

ESF+

Meer

SD 4

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 5

Ultraperifeer

3

Prioriteit 3

Nee

 

CF

n.v.t.

 

3

Prioriteit technische bijstand

Ja

 

 

 

n.v.t.

..

Specifieke prioriteit jeugdwerkgelegenheid

Nee

 

ESF+

 

 

 

Specifieke prioriteit kindergarantie

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit landspecifieke aanbevelingen

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit innovatieve acties

Nee

 

ESF+

 

SD 8

 

Specifieke prioriteit materiële deprivatie

Nee

 

ESF+

 

SD 9

* De gegevens in deze tabel zullen dienen als technische input om vooraf elektronisch andere velden en tabellen in het model in te vullen. Niet van toepassing op het EFMZV. [Am. 405]

2.1  Titel van de prioriteit [300] (herhaald voor elke prioriteit)

[ ]Deze is een prioriteit voor een relevante landspecifieke aanbeveling

[ ]Dit is een prioriteit voor jeugdwerkgelegenheid

[ ]Dit is een prioriteit voor de kindergarantie

[ ]Dit is een prioriteit voor innovatieve acties

[ ]Dit is een prioriteit voor de aanpak van materiële deprivatie**

* Tabel van toepassing op ESF+-prioriteiten.

** Zo ja, ga naar punt 2.1.2 [Am. 406]

2.1.1.  Specifieke doelstelling(59) (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV) – herhaald voor elke geselecteerde specifieke doelstelling of elk geselecteerd ondersteuningsgebied, voor andere prioriteiten dan technische bijstand [Am. 407]

2.1.1.1  Steunverlening van de fondsen

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder d), punten i) en iii) t/m vi);

De bijbehorende soorten acties – artikel 17, lid 3, onder d), punt i):

Tekstveld [8 000]

Lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn – artikel 17, lid 3, onder d), punt i):

Tekstveld [2 000]

De belangrijkste doelgroepen – artikel 17, lid 3, onder d), punt iii):

Tekstveld [1 000]

Beoogde specifieke territoria, inclusief het geplande gebruik van territoriale instrumenten — artikel 17, lid 3, onder d), punt iv)

Tekstveld [2 000]

De interregionale en transnationale acties – artikel 17, lid 3, onder d), punt v)

Tekstveld [2 000]

Het geplande gebruik van financieringsinstrumenten – artikel 17, lid 3, onder d), punt vi)

Tekstveld [1 000]

2.1.1.2  Indicatoren(60) [Am. 408]

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder d), punt ii)

Tabel 2: Outputindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Fonds

Regiocategorie

ID [5]

Indicator [255]

Meeteenheid

Mijlpaal (2024)

Doelstelling (2029)

Tabel 3: Resultaatindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Fonds

Regiocategorie

ID [5]

Indicator [255]

Meeteenheid

Uitgangs- of referentiewaarde

Referentiejaar

Doelstelling (2029)

Bron van gegevens [200]

Opmerkingen [200]

2.1.1.3  Indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen (EU) per type steunverlening(61) (niet van toepassing op het EFMZV) [Am. 409]

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder d), punt vii)

Tabel 4: Dimensie 1 – interventiegebied

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

Tabel 5: Dimensie 2 –financieringsvorm

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

Tabel 6: Dimensie 3 – territoriaal uitvoeringsmechanisme en territoriale focus

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

Tabel 7: Dimensie 6 – secundaire thema's ESF+

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

2.1.2  Specifieke doelstelling aanpak van materiële deprivatie

Referentie: artikel 17, lid 3; GB-verordening

Vormen van ondersteuning

Tekstveld [2 000 tekens]

Hoofddoelgroepen

Tekstveld [2 000 tekens]

Decryptie van de nationale of regionale steunregelingen

Tekstveld [2 000 tekens]

Criteria voor de selectie van concrete acties(62) [Am. 410]

Tekstveld [4 000 tekens]

2.T. Prioriteit technische bijstand

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder e); Artikelen 29, 30, 31 en 89 van de GB-verordening;

Beschrijving van technische bijstand in het kader van forfaitaire betalingen – artikel 30

Tekstveld [5 000]

Beschrijving van technische bijstand in het kader van betalingen die geen verband houden met kosten – artikel 31

Tekstveld [3 000]

Tabel 8: Dimensie 1 – interventiegebied

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Code

Bedrag (in EUR)

Tabel 9: Dimensie 5 – secundaire thema's ESF+

Nr. van de prioriteit

Fonds

Regiocategorie

Code

Bedrag (in EUR)

3.  Financieel plan

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punten 1) t/m iii), artikel 106, leden 1 t/m 3, artikel 10, artikel 21 van de GB-verordening

3.A Overdrachten en bijdragen(63)

Referentie: artikelen 10 en 21 van de GB-verordening

[ ] Programmawijziging met betrekking tot artikel 10 van de GB-verordening (bijdrage aan InvestEU)

[ ] Programmawijziging met betrekking tot artikel 21 van de GB-verordening (overdrachten naar instrumenten in direct of indirect beheer tussen fondsen onder gedeeld beheer)

Tabel 15: Bijdragen aan InvestEU*

 

Regiocategorie

Venster 1

Venster 2

Venster 3

Venster 4

Venster 5

Bedrag

 

 

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

(f)=(a)+(b)+(c)+(d)+(e)

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

*Cumulatieve bedragen voor alle bijdragen tijdens de programmeringsperiode.

Tabel 16: Overdrachten naar instrumenten in direct of indirect beheer*

Fonds

Regiocategorie

Instrument 1

Instrument 2

Instrument 3

Instrument 4

Instrument 5

Overgedragen bedrag

 

 

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

(f)=(a)+(b)+(c)+(d)+(e)

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

*Cumulatieve bedragen voor alle overdrachten tijdens de programmeringsperiode. [Am. 411]

Tabel 17: Overdrachten tussen fondsen in gedeeld beheer*

 

EFRO

ESF+

CF

EFMZV

AMF

ISF

BMVI

Totaal

Meer ontwikkeld

Overgang

Minder ontwikkeld

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

Meer ontwikkeld

Overgang

Minder ontwikkeld

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

EFRO

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ESF+

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*Cumulatieve bedragen voor alle overdrachten tijdens de programmeringsperiode.

3.1  Financiële toewijzingen per jaar

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punt i)

Tabel 10: Financiële toewijzingen per jaar

Fonds

Regiocategorie

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

EFRO

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer en noordelijk dunbevolkt

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ESF+

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cohesiefonds

n.v.t.

 

 

 

 

 

 

 

 

EFMZV

n.v.t.

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2  Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering(64) [Am. 412]

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punt ii) en artikel 17, lid 6

Voor de doelstelling "Investeren in werkgelegenheid en groei":

Tabel 11: Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering

Beleidsdoelstelling

Nr. of TA

Prioriteit

Grondslag voor de berekening van de EU-steun (totaal of publiek)

Fonds

Regiocategorie*

EU-bijdrage

Nationale bijdrage

Indicatieve uitsplitsing van de nationale bijdrage

Totaal

Medefinancieringspercentage

publiek

particulier

 

 

 

 

(a)

(b)=(c)+(d)

(c)

(d)

(e)=(a)+(b)**

(f)=(a)/(e)**

 

Prioriteit 1

P/T

EFRO

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Speciale toewijzing voor ultraperifere en noordelijke dunbevolkte regio's

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 2

 

ESF+

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 3

 

CF

 

 

 

 

 

 

 

TA

TA artikel 29 van de GB-verordening

 

EFRO of ESF+ of CF

 

 

 

 

 

 

 

 

TA artikel 30 van de GB-verordening

 

EFRO of ESF+ of CF

 

 

 

 

 

 

 

Totaal EFRO

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Speciale toewijzing voor ultraperifere en noordelijke dunbevolkte regio's

 

 

 

 

 

 

Totaal ESF+

 

 

Meer ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgang

 

 

 

 

 

 

 

 

Minder ontwikkeld

 

 

 

 

 

 

 

 

Ultraperifeer

 

 

 

 

 

 

Totaal CF

 

n.v.t.

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

* Voor het EFRO: minder ontwikkeld, overgang en meer ontwikkeld en, in voorkomend geval, speciale toewijzing voor ultraperifere en noordelijke dunbevolkte regio’s. Voor het ESF+: minder ontwikkeld, overgang en meer ontwikkeld en, in voorkomend geval, aanvullende toewijzing voor ultraperifere regio’s. Voor het CF: niet van toepassing. Voor technische bijstand hangt de toepassing van regiocategorieën af van de selectie van een fonds.

** Indien relevant voor alle regiocategorieën.

Voor het EFMZV:

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punt iii)

Tabel 11 A

Prioriteit

Type ondersteuningsgebied (nomenclatuur opgenomen in de EFMZV-verordening)

Grondslag voor de berekening

van de EU-steun

EU-bijdrage

Nationale bevolking

Totaal

Medefinancieringspercentage

Prioriteit 1

1.1

Publiek

 

 

 

 

1.2

Publiek

 

 

 

 

1.3

Publiek

 

 

 

 

1.4

Publiek

 

 

 

 

1.5

Publiek

 

 

 

 

Prioriteit 2

2.1

Publiek

 

 

 

 

Prioriteit 3

3.1

Publiek

 

 

 

 

Prioriteit 4

4.1

Publiek

 

 

 

 

Technische bijstand

5.1

Publiek

 

 

 

 

4.  Randvoorwaarden

Referentie: Artikel 19, lid 3, onder h)

Tabel 12: Randvoorwaarden

Randvoorwaarden

Fonds

Specifieke doelstelling

(n.v.t. op het EFMZV)

Naleving van de randvoorwaarde

Criterium

Naleving van criteria

Verwijzing naar relevante documenten

Motivering

 

 

 

Ja/Nee

Criterium 1

J/N

[500]

1 000

 

 

 

 

Criterium 2

J/N

 

 

5.  Programma-autoriteiten

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder j), artikel 65 en artikel 78 van de GB-verordening

Tabel 13: Programma-autoriteiten

Programma-autoriteiten

Naam van de instelling [500]

Naam van de contactpersoon [200]

E-mail [200]

Beheersautoriteit

 

 

 

Auditautoriteit

 

 

 

Orgaan dat betalingen van de Commissie ontvangt

 

 

 

6.  Partnerschap

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder g)

Tekstveld [10 000]

7.  Communicatie en zichtbaarheid

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder i), en artikel 42, lid 2, van de GB-verordening

Tekstveld [4 500]

8.  Gebruik van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houdt met kosten

Referentie: Artikelen 88 en 89 van de GB-verordening

Tabel 14: Gebruik van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houdt met kosten

Indicatie van het gebruik van de artikelen 88 en 89:*

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Gebruik van terugbetaling van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages in het kader van een prioriteit, op grond van artikel 88 van de GB-verordening

Prioriteit 1

EFRO

SD 1

SD 2

Prioriteit 2

ESF+

SD 3

SD 4

Prioriteit 3

CF

SD 5

SD 6

Gebruik van financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89 van de GB-verordening

Prioriteit 1

EFRO

SD 7

SD 8

Prioriteit 2

ESF+

SD 9

SD 10

Prioriteit 3

CF

SD 11

SD 12

* Volledige informatie wordt verstrekt overeenkomstig de modellen die gehecht zijn aan de GB-verordening.

AANHANGSELS

—  Terugbetaling van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages (artikel 88 van de GB-verordening)

—  Financiering die geen verband houdt met kosten (artikel 89 van de GB-verordening)

—  EFMZV-actieplan voor kleinschalige kustvisserij

—  EFMZV-actieplan voor ieder ultraperifeer gebied

Aanhangsel 1: Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 88)

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.   Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Regiocategorie

Het geraamde aandeel van de totale financiële toewijzing binnen de prioriteit waarop de SCO zal worden toegepast in % (raming)

Soort(en) concrete actie

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

Soort SCO (standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages)

Bijbehorende standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

(in nationale valuta)

 

 

 

 

 

Code

Beschrijving

Code

Beschrijving

 

 

 

B.  Bijzonderheden per soort concrete actie (in te vullen voor elke soort concrete actie)

Heeft de beheersautoriteit steun ontvangen van een extern bedrijf om de onderstaande vereenvoudigde kosten op te stellen?

Zo ja, gelieve te specificeren welk extern bedrijf: Ja/Nee — Naam van het externe bedrijf

Soorten activiteiten:

1.1.  Beschrijving van de soort concrete actie

 

1.2  Prioriteit / specifieke doelstelling(en) (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

 

1.3  Naam van de indicator(65)

 

1.4  Meeteenheid voor indicator

 

1.5  Standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.6  Bedrag

 

1.7  Categorieën kosten die worden gedekt door eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.8  Bestrijken deze categorieën kosten alle subsidiabele uitgaven van de concrete actie? (J/N)

 

1.9  Aanpassingsmethode

 

1.10  Verificatie van de verwezenlijking van de meeteenheid

—  welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van de meeteenheid te verifiëren?

—  beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie.

—  welke regelingen zullen worden gebruikt om de beschreven gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan?

 

1.11  Mogelijk averechtse prikkels of problemen als gevolg van deze indicator, de wijze waarop deze kunnen worden verminderd, en het geraamde risiconiveau

 

1.12  Totaalbedrag (nationaal en Europees) dat naar verwachting zal worden vergoed

 

C.  Berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

1.   Bron van de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages (wie de gegevens heeft geproduceerd, verzameld en geregistreerd; waar de gegevens zijn opgeslagen; vervaldata; validering enz.).

2.   Geef aan waarom de voorgestelde methode en berekening relevant zijn voor het soort concrete actie.

3.   Geef aan hoe de berekeningen werden gemaakt, met name door eventuele veronderstellingen ten aanzien van kwaliteit of hoeveelheden te beschrijven. Indien relevant moeten statistische bewijzen en referentiewaarden worden gebruikt en bij deze bijlage worden gevoegd in een formaat dat kan worden gebruikt door de Commissie.

4.  Leg uit hoe u ervoor heeft gezorgd dat alleen subsidiabele uitgaven zijn opgenomen in de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages.

5.  Beoordeling door de auditautoriteit(en) van de berekeningsmethode, de bedragen en de regelingen om de verificatie, kwaliteit, verzameling en opslag van gegevens te waarborgen.

Aanhangsel 2: Financiering die geen verband houdt met kosten

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 89)

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.   Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

Regiocategorie

Het totale bedrag dat wordt gedekt door financiering die geen verband houdt met kosten

Soort(en) concrete actie

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of resultaten die moeten worden behaald

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

 

 

 

 

 

 

 

Code

Beschrijving

 

Het totale bedrag dat wordt gedekt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.  Bijzonderheden per soort concrete actie (in te vullen voor elke soort concrete actie)

Soorten activiteiten:

1.1.  Beschrijving van de soort concrete actie

 

1.2  Betrokken prioriteit / specifieke doelstelling(en) (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

 

1.3  Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of te behalen resultaten

 

1.4  Termijn om aan de voorwaarden te voldoen of de resultaten te behalen

 

1.5  Definitie van de indicator van de prestaties

 

1.6  Meeteenheid voor indicator van de prestaties

 

1.7  Tussentijdse prestaties (indien van toepassing) die aanleiding geven tot terugbetaling door de Commissie met tijdschema voor terugbetaling

Tussentijdse prestaties

Datum

Bedragen

1.8  Totaalbedrag (met inbegrip van EU- en nationale financiering)

 

1.9  Aanpassingsmethode

 

1.10  Verificatie van de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde (en, waar van toepassing, de tussentijdse prestaties)

—  beschrijf welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde te verifiëren

—  beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

—  beschrijf wat de regelingen zijn om de gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.11  Regelingen om het auditspoor te waarborgen

Vermeld de instantie(s) die verantwoordelijk is (zijn) voor deze regelingen.

 

Aanhangsel 3: EFMZV-actieplan voor kleinschalige kustvisserij

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

1.  Beschrijving van de kleinschalige kustvloot

Tekstveld [5 000]

2.  Algemene beschrijving van de strategie voor de ontwikkeling van winstgevende en duurzame kleinschalige kustvisserij

Tekstveld [5 000] en indicatief, uit het EFMZV toegewezen totaalbedrag

3.  Beschrijving van de specifieke acties in het kader van de strategie voor de ontwikkeling van winstgevende en duurzame kleinschalige kustvisserij

Beschrijving van de voornaamste acties

Indicatief bedrag toegewezen uit het EFMZV (EUR)

Aanpassing en beheer van de viscapaciteit

Tekstveld [10 000]

 

Bevordering van duurzame, klimaatbestendige en koolstofarme visserijpraktijken die de schade aan het milieu tot het minimum beperken Tekstveld [10 000]

 

Versterking van de waardeketen van de sector en bevordering van marketingstrategieën

Tekstveld [10 000]

 

Bevordering van vaardigheden, kennis, innovatie en capaciteitsopbouw

Tekstveld [10 000]

 

Verbetering van de gezondheid, veiligheid en werkomstandigheden aan boord van vissersvaartuigen

Tekstveld [10 000]

 

Betere naleving van de regels inzake gegevensverzameling, traceerbaarheid, toezicht, controle en bewaking

Tekstveld [10 000]

 

Betrokkenheid van kleinschalige exploitanten in het participatieve beheer van de maritieme ruimte, met inbegrip van beschermde mariene gebieden en Natura 2000-gebieden

Tekstveld [10 000]

 

Diversificatie van activiteiten in de bredere duurzame blauwe economie

Tekstveld [10 000]

 

Collectieve organisatie en deelname van kleinschalige exploitanten in de besluitvormings- en adviesprocessen

Tekstveld [10 000]

 

4.  Waar passend, de uitvoering van de vrijwillige FAO-richtsnoeren voor duurzame kleinschalige visserij

Tekstveld [10 000]

5.  Waar passend, de uitvoering van het regionale actieplan voor kleinschalige visserij van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee

Tekstveld [10 000]

6.  Indicatoren

Tabel 1: Outputindicatoren

Titel van de outputindicator

Meeteenheid

Mijlpaal (2024)

Doelstelling (2029)

Tabel 2: Resultaatindicatoren

Titel van de outputindicator

Meeteenheid

Uitgangswaarde

Referentiejaar

Doelstelling (2029)

Aanhangsel 4: EFMZV-actieplan voor ieder ultraperifeer gebied

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

1.  Beschrijving van de strategie voor de duurzame exploitatie van de visserijbestanden en de ontwikkeling van de duurzame blauwe economie

Tekstveld [30 000]

2.  Beschrijving van de belangrijkste beoogde acties en de bijbehorende financiële middelen

Beschrijving van de voornaamste acties

Bedrag toegewezen uit het EFMZV (EUR)

Structurele steun voor de visserij- en aquacultuursector in het kader van het EFMZV

Tekstveld [10 000]

 

Compensatie voor de extra kosten in het kader van artikel 21 van de EFMZV-verordening

Tekstveld [10 000]

 

Andere investeringen in de duurzame blauwe economie die nodig zijn voor de duurzame ontwikkeling van de kustgebieden

Tekstveld [10 000]

 

3.  Beschrijving van de synergie-effecten met andere bronnen van financiering door de Unie

Tekstveld [10 000]

4.  Beschrijving van de synergie-effecten met het actieplan voor kleinschalige kustvisserij

Tekstveld [10 000]

BIJLAGE VI

Model van een programma voor het AMIF, het ISF en het BMVI – artikel 16, lid 3

CCI-nummer

 

Titel in het Engels

[255 tekens(66)]

Titel in de nationale taal

[255]

Versie

 

Eerste jaar

[4]

Laatste jaar

[4]

Subsidiabel vanaf

 

Subsidiabel tot

 

Nummer van het besluit van de Commissie

 

Datum van het besluit van de Commissie

 

Nummer wijzigingsbesluit lidstaat

 

Datum inwerkingtreding wijzigingsbesluit lidstaat

 

1.  Programmastrategie: belangrijkste problemen en beleidsreacties

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder a), punten i) t/m v) en vii), en artikel 17, lid 3, onder b)

In deze rubriek wordt toegelicht hoe het programma zal omgaan met de belangrijkste vraagstukken die zijn vastgesteld in de partnerschapsovereenkomst, wordt een samenvatting gegeven van de vraagstukken die op nationaal niveau zijn vastgesteld op basis van lokale, regionale en nationale beoordelingen van de behoeften en/of strategieën. Er wordt een overzicht gegeven van de stand van de uitvoering van het relevante EU-acquis en de resultaten die in het kader van EU-actieplannen zijn geboekt, en er wordt beschreven hoe het fonds de ontwikkeling ervan zal ondersteunen tijdens de programmeringsperiode.

Tekstveld [15 000]

2.  Specifieke doelstellingen (herhaald voor elke andere specifieke doelstelling dan de doelstelling technische bijstand)

Referentie: Artikel 17, lid 2, en artikel 17, lid 4

2.1.  Titel van de specifieke doelstelling [300]

2.1.1.  Beschrijving van een specifieke doelstelling

In deze paragraaf wordt voor elke specifieke doelstelling de uitgangssituatie en belangrijkste uitdagingen beschreven en worden door het fonds ondersteunde reacties voorgesteld. Er wordt beschreven welke operationele doelstellingen met de steun van het Fonds worden nagestreefd en hij bevat een indicatieve lijst van acties in het kader van de artikelen 3 en 4 van de AMIF-, ISF- en BMVI-verordeningen.

Meer bepaald: Operationele steun wordt gemotiveerd overeenkomstig artikel 17 van de ISF-verordening, de artikelen 17 en 18 van de BMVI-verordening of artikel 20 van de AMIF-verordening. Inbegrepen is een indicatieve lijst van begunstigden met hun wettelijke verantwoordelijkheden, belangrijkste taken die moeten worden ondersteund, en een indicatie van het aantal personeelsleden dat moet worden ondersteund voor iedere begunstigde en taak. Voor het ISF moet de operationele steun worden beschreven in punt 4 van het model.

Met betrekking tot specifieke acties wordt beschreven hoe de actie zal worden uitgevoerd en wordt het toegewezen bedrag gerechtvaardigd. Bovendien stelt de leidende lidstaat voor gezamenlijke specifieke acties een lijst van deelnemende lidstaten op, waarin onder meer hun rol en, indien van toepassing, hun financiële bijdrage zijn opgenomen.

Met betrekking tot noodhulp wordt beschreven hoe de actie zal worden uitgevoerd en wordt het toegewezen bedrag gerechtvaardigd.

Gepland gebruik van financieringsinstrumenten (indien van toepassing).

Uitsluitend AMIF: hervestiging en solidariteit moeten afzonderlijk worden gepresenteerd.

Tekstveld [16 000 tekens]

2.1.2  Indicatoren

Tabel 1: Outputindicatoren

Specifieke doelstelling

ID [5]

Indicator [255]

Meeteenheid

Mijlpaal (2024)

Doelstelling (2029)

Tabel 2: Resultaatindicatoren

Specifieke doelstelling

ID [5]

Indicator [255]

Meeteenheid

Uitgangs- of referentiewaarde

Referentiejaar

Doelstelling (2029)

Bron van gegevens [200]

Opmerkingen [200]

2.1.3  Indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen (EU) per interventietype.

Referentie: Artikel 17, lid 5, en artikel 10, lid 16, van de BMVI-verordening of artikel 10, lid 9, van de ISF-verordening of artikel 10, lid 8, van de AMIF-verordening

Tabel 3

Specifieke doelstelling

Interventietype

Code

Indicatief bedrag (EUR)

1.1.  Operationele steun (uitsluitend ISF)

Deze rubriek is alleen van toepassing op programma’s met steun uit het ISF en een geeft een motivering voor het gebruik ervan in overeenstemming met artikel 17 van de ISF-verordening. Inbegrepen is een indicatieve lijst van begunstigden met hun wettelijke verantwoordelijkheden, belangrijkste taken die moeten worden ondersteund, en een indicatie van het aantal personeelsleden dat moet worden ondersteund voor iedere begunstigde en taak. Zie ook bovenstaand punt 2.1.1.

Tekstveld [5 000]

Tabel 4

Interventietype

Code

Indicatief bedrag (EUR)

1.2.  Technische bijstand

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder e), artikel 30, artikel 31 en artikel 89 van de GB-verordening

Tekstveld [5 000] (Technische bijstand in het kader van forfaitaire betalingen)

Tekstveld [3 000] (technische bijstand in het kader van betalingen die geen verband houden met kosten)

Tabel 5

Interventietype

Code

Indicatief bedrag (EUR)

3.  Financieel plan

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f)

3.1.  Financiële toewijzingen per jaar

Tabel 6

Fonds

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

3.2  Totale financiële toewijzingen uit het fonds en nationale medefinanciering

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder f), punt iv)

Tabel 7

Specifieke doelstelling

Soort actie

Grondslag voor de berekening van de EU-steun (totaal of publiek)

EU-bijdrage (a)

Nationale bijdrage (b)=(c)+(d)

Indicatieve uitsplitsing van de nationale bijdrage

Totaal

e=(a)+(b)

Medefinancieringspercentage (f)=(a)/(e)

publiek (c )

particulier (d)

Specifieke doelstelling 1

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

Totaal voor SD 1

 

 

 

 

 

 

 

 

SD 2

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

Totaal voor SD 2

 

 

 

 

 

 

 

 

SD 3

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

 

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

 

 

 

 

 

 

 

Totaal voor SD 3

 

 

 

 

 

 

 

 

TA (artikel 30 van de GB-verordening)

 

 

 

 

 

 

 

 

TA (artikel 31 van de GB-verordening)

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 8 [alleen AMIF]

Aantal personen per jaar

Categorie

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Hervestiging

 

 

 

 

 

 

 

Toelating op humanitaire gronden

 

 

 

 

 

 

 

[andere categorieën]

 

 

 

 

 

 

 

4.  Randvoorwaarden

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder h)

Tabel 9

Randvoorwaarde

Naleving van de randvoorwaarde

Criterium

Naleving van criteria

Verwijzing naar relevante documenten

Motivering

 

 

Criterium 1

J/N

[500]

[1000]

 

 

Criterium 2

 

 

 

5.  Programma-autoriteiten

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder j), de artikelen 65 en 78 van de GB-verordening

Tabel 10

Naam van de instelling [500]

Naam en functie contactpersoon [200]

E-mail [200]

Beheersautoriteit

 

 

 

Auditautoriteit

 

 

 

Orgaan dat betalingen van de Commissie ontvangt

 

 

 

6.  Partnerschap

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder g)

Tekstveld [10 000]

7.  Communicatie en zichtbaarheid

Referentie: Artikel 17, lid 3, onder i), en artikel 42, lid 2, van de GB-verordening

Tekstveld [4 500]

8.  Gebruik van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houdt met kosten

Referentie: Artikelen 88 en 89 van de GB-verordening

Indicatie van het gebruik van de artikelen 88 en 89*:

Specifieke doelstelling

Gebruik van terugbetaling van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages in het kader van een prioriteit, op grond van artikel 88 van de GB-verordening

 

Gebruik van financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89 van de GB-verordening

 

* Volledige informatie wordt verstrekt overeenkomstig de modellen in de aanhangsels.

AANHANGSELS

—  Terugbetaling van subsidiabele uitgaven op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages (artikel 88 van de GB-verordening)

—  Financiering die geen verband houdt met kosten (artikel 89 van de GB-verordening)

Aanhangsel 1: Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 88)

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.   Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Het geraamde aandeel van de totale financiële toewijzing binnen de prioriteit waarop de SCO zal worden toegepast in % (raming)

Soort(en) concrete actie

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

Soort SCO (standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages)

Bijbehorende standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

 

 

Code

Beschrijving

Code

Beschrijving

 

 

 

B.  Bijzonderheden per soort concrete actie (in te vullen voor elke soort concrete actie)

Heeft de beheersautoriteit steun ontvangen van een extern bedrijf om de onderstaande vereenvoudigde kosten op te stellen?

Zo ja, gelieve te specificeren welk extern bedrijf: Ja/Nee — Naam van het externe bedrijf

Soorten activiteiten:

1.1.  Beschrijving van de soort concrete actie

 

1.2   Betrokken prioriteit / specifieke doelstelling(en) (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV)

 

1.3  Naam van de indicator(67)

 

1.4  Meeteenheid voor indicator

 

1.5  Standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.6  Bedrag

 

1.7  categorieën kosten die worden gedekt door eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.8  Bestrijken deze categorieën kosten alle subsidiabele uitgaven van de concrete actie? (J/N)

 

1.9  Aanpassingsmethode

 

1.10  Verificatie van de verwezenlijking van de meeteenheid

—  beschrijf welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van de meeteenheid te verifiëren

—  beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

—  beschrijf welke regelingen er zijn om de beschreven gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.11  Mogelijk averechtse prikkels of problemen als gevolg van deze indicator, de wijze waarop deze kunnen worden verminderd, en het geraamde risiconiveau

 

1.12  Totaalbedrag (nationaal en Europees) dat naar verwachting zal worden vergoed

 

C.  Berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

1.   Bron van de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages (wie de gegevens heeft geproduceerd, verzameld en geregistreerd; waar de gegevens zijn opgeslagen; vervaldata; validering enz.).

2.   Gelieve aan te geven waarom de voorgestelde methode en berekening relevant zijn voor het soort concrete actie:

3.   Geef aan hoe de berekeningen werden gemaakt, met name door eventuele veronderstellingen ten aanzien van kwaliteit of hoeveelheden te beschrijven. Indien relevant moeten statistische bewijzen en referentiewaarden worden gebruikt en bij deze bijlage worden gevoegd in een formaat dat kan worden gebruikt door de Commissie.

4.  Leg uit hoe u ervoor heeft gezorgd dat alleen subsidiabele uitgaven zijn opgenomen in de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages.

5.  Beoordeling door de auditautoriteit(en) van de berekeningsmethode, de bedragen en de regelingen om de verificatie, kwaliteit, verzameling en opslag van gegevens te waarborgen.

Aanhangsel 2: Financiering die niet gekoppeld is aan kosten

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 89)

Datum van de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.   Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Het totale bedrag dat wordt gedekt door niet aan kosten gekoppelde financiering

Soort(en) concrete actie

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of resultaten die moeten worden behaald

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

 

 

 

 

 

Code

Beschrijving

 

Het totale bedrag dat wordt gedekt

 

 

 

 

 

 

 

B.  Bijzonderheden per soort concrete actie (in te vullen voor elke soort concrete actie)

Soorten activiteiten:

1.1.  Beschrijving van de soort concrete actie

 

1.2  Betrokken prioriteit/specifieke doelstelling(en)

 

1.3  Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of te behalen resultaten

 

1.4  Termijn om aan de voorwaarden te voldoen of de resultaten te behalen

 

1.5  Definitie van de indicator van de prestaties

 

1.6  Meeteenheid voor indicator van de prestaties

 

1.7  Tussentijdse prestaties (indien van toepassing) die aanleiding geven tot terugbetaling door de Commissie met tijdschema voor terugbetaling

Tussentijdse prestaties

Datum

Bedragen

1.8  Totaalbedrag (met inbegrip van EU- en nationale financiering)

 

1.9  Aanpassingsmethode

 

1.10  Verificatie van de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde (en, waar van toepassing, de tussentijdse prestaties)

—  welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde te verifiëren

—  beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

—  welke regelingen zullen worden gebruikt om de beschreven gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan?

 

1.11  Regelingen om het auditspoor te waarborgen

Vermeld de instantie(s) die verantwoordelijk is (zijn) voor deze regelingen.

 

BIJLAGE VII

Model voor de indiening van gegevens — artikel 37 en artikel 68, lid 1, onder g)(68)

TABEL 1: Financiële informatie op het niveau van de prioriteit en op programmaniveau (artikel 37, lid 2, onder a))

1.  

2.  

3.  

4.  

5.  

6.  

7.  

8.  

9.  

10.  

11.  

12.  

13.  

De financiële toewijzing van de prioriteit op basis van het programma

Cumulatieve gegevens over de financiële vooruitgang van het programma

Prioriteit

Specifieke doelstelling

Fonds

Regiocategorie

Grondslag voor de berekening van de bijdrage van de Unie*

(Totale bijdrage of overheidsbijdrage)

Totale financiële toewijzing

(in EUR)

Medefinancieringspercentage

(%)

Totale subsidiabele kosten van de concrete acties die voor steun zijn geselecteerd (EUR)

Bijdrage uit de fondsen aan concrete acties die voor steun zijn geselecteerd (EUR)

Deel van de totale toewijzing besteed aan de geselecteerde concrete acties (%)

[kolom 7 / kolom 5 x 100]

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Deel van de totale toewijzing gedekt door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties (%)

[kolom 10 / kolom 5 x 100]

Aantal geselecteerde concrete acties

 

 

 

 

 

[kolom 10/kolom 5x100]

 

 

 

 

Berekening

 

Berekening

 

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='N’ input='G'>

<type='P’ input='G'>

<type='Cu' input='M'>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input='M'>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input='M'>

Prioriteit 1

SD 1

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 2

SD 2

ESF+

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 3

SD 3

Cohesiefonds

n.v.t.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

EFRO

Minder ontwikkeld

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='Cu' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

Totaal

 

EFRO

Overgang

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='Cu' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

Totaal

 

EFRO

Meer ontwikkeld

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='Cu' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

Totaal

 

EFRO

Speciale toewijzing voor ultraperifere gebieden of noordelijke dunbevolkte gebieden

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='Cu' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

Totaal

 

ESF

Minder ontwikkeld

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='Cu' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

Totaal

 

ESF

Overgang

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='Cu' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

Totaal

 

ESF

Meer ontwikkeld

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='Cu' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

Totaal

 

ESF

Speciale toewijzing voor ultraperifere regio's

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='Cu' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

Totaal

 

Cohesiefonds

n.v.t.

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='Cu' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='Cu' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

Algemeen totaal

 

Alle fondsen

 

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='N' input=' G '>

 

<type='P' input=' G '>

<type='N' input=' G '>

<type='P’ input='G'>

<type='N' input=' G '>

TABEL 2: Uitsplitsing van de cumulatieve financiële gegevens per interventietype (artikel 37, lid 2, onder a))

Prioriteit

Specifieke doelstelling

Kenmerken van de uitgaven

Indeling dimensie

Financiële gegevens

 

 

Fonds

Regiocategorie

1

Interventiegebied

2

Financieringsvorm

3

Dimensie territoriale uitvoering

4

Dimensie economische activiteit

5

Dimensie plaats van uitvoering

6

Secundair thema ESF+

7

Macroregionale en zeebekkendimensie

Totale subsidiabele kosten van de concrete acties die voor steun zijn geselecteerd (EUR)

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Aantal geselecteerde concrete acties

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='S’ input='S'>

<type='Cu' input='M'>

<type='Cu' input=M'>

<type='N' input=M'>

TABEL 3: Gemeenschappelijke en programmaspecifieke outputindicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds (artikel 37, lid 2, onder b))

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

11.

12.

13.

14.

Gegevens over outputindicatoren uit het operationele programma

[overgenomen uit tabel 2 van het operationele programma]

Voortgang tot op heden ten aanzien van outputindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

Fonds

Regiocategorie

ID

Naam indicator

Uitsplitsing indicator(69)

(waarvan:)

Meeteenheid

Mijlpaal (2024)

Doelstelling 2029

Huidige verwachting

[dd/mm/jj]

Huidige verwezenlijking

[dd/mm/jj]

Gebaseerd op richtsnoeren Commissie (Ja / Nee)

Opmerkingen

<type='S’ input='G'>(70)

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='N’ input='G'>

<type='N' input='M'>

<type='N' input='M'>

<type='C' input='S'>

<type='S' input='M'>

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TABEL 4: Salarissen van het personeel die op programmaniveau worden gefinancierd door het EFRO en het Cohesiefonds (artikel 37, lid 2, onder b))

Fonds

ID

Naam indicator

Meeteenheid

Tot dusver behaalde jaarlijkse waarde [dd/mm/jj]

Gebaseerd op richtsnoeren Commissie (Ja / Nee)

Opmerkingen

2021

2029

<type='S' input='M'>

<type='S' input='G'>

<type='S' input='G'>

<type='S' input='G'>

<type='N' input='M'>

<type='N' input='M'>

<type='N' input='M'>

<type='C' input='S'>

<type='S' input='M'>

 

RCO xx

Door het fonds gefinancierd personeel

VTE

 

 

 

 

 

TABEL 5: Meervoudige steun aan ondernemingen voor het EFRO en het Cohesiefonds op programmaniveau (artikel 37, lid 2, onder b))

ID

Naam indicator

Uitsplitsing indicator

(waarvan:)

Aantal ondernemingen zonder de meervoudige steun op

[dd/mm/jj]

Gebaseerd op richtsnoeren Commissie (Ja / Nee)

Opmerkingen

<type='S' input='G'>

<type='S' input='G'>

<type='S' input='G'>

<type='N' input='M'>

<type='C' input='S'>

<type='S' input='M'>

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Micro

 

 

 

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Klein

 

 

 

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Middelgroot

 

 

 

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Groot

 

 

 

RCO 01

Ondersteunde ondernemingen

Totaal

<type='N' input='G'>

 

 

TABEL 6: Gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds (artikel 37, lid 2, onder b))

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

11.

12.

13.

14.

15.

16.

Gegevens over resultaatindicatoren uit het operationele programma [overgenomen uit tabel 3 van het operationele programma]

Voortgang tot op heden ten aanzien van resultaatindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

Fonds

Regiocategorie

ID

Naam indicator

Uitsplitsing indicator(71)

(waarvan:)

Meeteenheid

Uitgangswaarde in het programma

Doelstelling 2029

Geactualiseerde uitgangswaarde [dd/mm/jj]

Huidige waarde [dd/mm/jj]

Gebaseerd op richtsnoeren Commissie (Ja / Nee)

Opmerkingen

Prognose

Voltooid

Prognose

Behaald

<type='S’ input='G'>(72)

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='S’ input='G'>

<type='N’ input='G'>

<type='N’ input='G'>

<type='N' input='M'>

<type='N' input='M'>

<type='N' input='M'>

<type='N' input='M'>

<type='C' input='S'>

<type='S' input='M'>

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TABEL 7: Een prognose van het bedrag waarvoor de lidstaat betalingsaanvragen verwacht in te dienen voor het lopende en het volgende kalenderjaar (artikel 68, lid 1, onder g))

Dit moet voor ieder programma ingevuld worden naar fonds en naar regiocategorie, voor zover van toepassing

Fonds

Regiocategorie

Bijdrage van de Unie

[lopend kalenderjaar]

[volgend kalenderjaar]

Januari – oktober

November – december

Januari – december

EFRO

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Ultraperifere en noordelijke dunbevolkte regio's(73)

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

ETS

 

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

ESF

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

 

Ultraperifere regio's(74)

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Cohesiefonds

 

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

EFMZV

 

 

 

 

AMF

 

 

 

 

ISF

 

 

 

 

BMVI

 

 

 

 

TABEL 8: Gegevens over financieringsinstrumenten (artikel 37, lid 3)

Prioriteit

Kenmerken van de uitgaven

Subsidiabele uitgaven per product

Bedrag van particuliere en overheidsmiddelen die bovenop de fondsen zijn gemobiliseerd

Bedrag van als subsidiabele uitgaven gedeclareerde beheerskosten en -vergoedingen

Rente en andere voordelen als gevolg van steun uit de fondsen aan financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 54

Teruggevloeide middelen die zijn toe te rekenen aan steun uit de fondsen als bedoeld in artikel 56

 

Fonds

Specifieke doelstelling

Regiocategorie

Leningen

(code financieringsvorm voor FI)

Garantie

(code financieringsvorm voor FI)

Eigen vermogen of quasi-eigenvermogen (code financieringsvorm voor FI)

Aanvullende steun gecombineerd binnen FI

(code financieringsvorm voor FI)

Leningen

(code financieringsvorm voor FI)

Garantie

(code financieringsvorm voor FI)

Eigen vermogen of quasi-eigenvermogen

(code financieringsvorm voor FI)

Aanvullende steun gecombineerd binnen FI

(code financieringsvorm voor FI)

 

 

 

Input = selectie

Input = selectie

Input = selectie

Input = selectie

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

Input = manueel

BIJLAGE VIII

Communicatie en zichtbaarheid – artikelen 42 en 44

1.  Gebruik en technische kenmerken van het embleem van de Unie

1.1.  Het embleem van de Europese Unie krijgt een prominente plaats op alle communicatiemateriaal, waaronder drukwerk en digitale producten, websites en mobiele versies ervan, in verband met de uitvoering van een concrete actie, gebruikt voor het publiek of voor deelnemers.

1.2.  Naast het embleem wordt steeds voluit "Gefinancierd door de EUROPESE UNIE" of "Medegefinancierd door de EUROPESE UNIE" vermeld.

1.3.  Voor de tekst bij het embleem van de Unie mogen de volgende lettertypes worden gebruikt: Arial, Auto, Calibri, Garamond, Trebuchet, Tahoma, Verdana, Ubuntu. Cursief lettertype, onderstreepte varianten of andere effecten mogen niet worden gebruikt.

1.4.  De plaatsing van de tekst ten opzichte van het embleem van de Unie mag op geen enkele wijze overlappen met het embleem van de Unie.

1.5.  De gebruikte lettergrootte staat in verhouding tot de grootte van het embleem.

1.6.  De kleur van het lettertype moet reflex blue, zwart of wit zijn, afhankelijk van de achtergrond.

1.7.  Het embleem van de Europese Unie wordt niet gewijzigd of samengevoegd met andere grafische elementen of teksten. Indien andere logo’s worden aangebracht naast het embleem van de Unie, moet het embleem van de Unie ten minste even groot zijn als het grootste van de andere logo’s. Behalve het embleem van de Unie mag geen enkele andere visuele identiteit en geen enkel ander logo worden gebruikt om de steun van de Unie te benadrukken.

1.8.  Indien op eenzelfde locatie verschillende concrete acties plaatsvinden die door dezelfde of verschillende instrumenten worden ondersteund, of indien voor dezelfde concrete actie op een later tijdstip extra financiering wordt verstrekt, wordt slechts één plaat of bord geplaatst.

1.9.  Grafische normen voor het embleem van de Unie en de definitie van standaardkleuren:

A)  SYMBOLISCHE BESCHRIJVING

Tegen een azuurblauwe achtergrond vormen twaalf gouden sterren een cirkel, die de eenheid van de Europese volkeren voorstelt. Het aantal sterren is onveranderlijk vastgesteld op twaalf, omdat dit getal het symbool is van volmaaktheid en volledigheid.

B)  HERALDISCHE BESCHRIJVING

Een cirkel van twaalf vijfpuntige gouden sterren, waarvan de punten elkaar niet raken, tegen een azuurblauwe achtergrond.

C)  GEOMETRISCHE BESCHRIJVING

20190327-P8_TA(2019)0310_NL-p0000002.png

Het embleem heeft de vorm van een rechthoek waarvan de lange zijde gelijk is aan anderhalve keer de korte zijde. Twaalf gouden sterren, op regelmatige afstanden geplaatst, vormen een onzichtbare cirkel waarvan het middelpunt op het snijpunt van de diagonalen van de rechthoek ligt. De straal van de cirkel is gelijk aan een derde van de korte zijde van de rechthoek. Elk van de vijfpuntige sterren is in een onzichtbare cirkel gevat, waarvan de straal gelijk is aan 1/18e van de korte zijde van de rechthoek. Alle sterren zijn verticaal geplaatst, d.w.z. dat één punt naar boven is gericht en de twee onderste punten op een onzichtbare lijn rusten die loodrecht op de korte zijde van de rechthoek staat. De sterren bevinden zich op de cirkel zoals de cijfers op de wijzerplaat van een klok. Het aantal sterren blijft onveranderlijk.

D)  KLEURENREGEL

Het embleem is samengesteld uit de volgende kleuren: PANTONE REFLEX BLUE voor het oppervlak van de rechthoek; PANTONE YELLOW voor de sterren.

E)  VIERKLEURENDRUK

Bij vierkleurendruk moeten de twee standaardkleuren op basis van de vier beschikbare kleuren worden aangemaakt.

Voor het PANTONE YELLOW kan 100 % "Process Yellow" worden gebruikt.

PANTONE REFLEX BLUE wordt verkregen door 100 % "Process Cyan" te mengen met 80 % "Process Magenta".

INTERNET

PANTONE REFLEX BLUE komt in het webpalet overeen met de kleur RGB:0/51/153 (hexadecimaal: 003399) en PANTONE YELLOW met de kleur RGB: 255/204/0 (hexadecimaal: FFCC00).

AFDRUK IN ÉÉN KLEUR

Wanneer alleen met zwart kan worden gewerkt, worden zwarte sterren tegen een witte achtergrond in een zwart omlijnde rechthoek gezet.

20190327-P8_TA(2019)0310_NL-p0000003.png

Wanneer geen geel beschikbaar is, maar wel blauw (Reflex Blue), worden de sterren in negatief wit op een achtergrond van 100 % Reflex Blue geplaatst.

20190327-P8_TA(2019)0310_NL-p0000004.png

AFDRUK OP GEKLEURDE ACHTERGROND

Wanneer een gekleurde achtergrond onvermijdelijk is, moet de rechthoek met een wit kader worden omgeven waarvan de breedte gelijk is aan 1/25e van de korte zijde van de rechthoek.

20190327-P8_TA(2019)0310_NL-p0000005.png

De beginselen voor het gebruik van het embleem van de Unie door derden worden uiteengezet in een administratieve overeenkomst met de Raad van Europa(75).

2.  De in artikel 44, lid 6, bedoelde intellectuele-eigendomsrechten geven de EU de volgende rechten:

2.1.  intern gebruik, d.w.z. het recht om communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid te reproduceren, te kopiëren en beschikbaar te stellen aan instellingen en agentschappen van de EU en van de EU-lidstaten, alsook aan het personeel ervan;

2.2.  reproductie van het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;

2.3.  communicatie aan het publiek van het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid met welk communicatiemiddel dan ook;

2.4.  verspreiding onder het publiek van het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid (of kopieën daarvan) in welke vorm dan ook;

2.5.  opslag en archivering van het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid;

2.6.  verlening van sublicenties op de rechten op het communicatiemateriaal en materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid aan derden.

2.7.  Er kunnen aanvullende rechten worden verleend aan de EU.

BIJLAGE IX

Elementen voor financieringsovereenkomsten en strategiedocumenten – artikel 53

1.  Elementen van de financieringsovereenkomst voor financieringsinstrumenten die ten uitvoer worden gelegd krachtens artikel 53, lid 3

a)  de investeringsstrategie of het investeringsbeleid, met inbegrip van de uitvoeringsregeling, de financiële producten die zullen worden aangeboden, de beoogde eindontvangers, en (in voorkomend geval) de voorgenomen combinatie met subsidiëring;

b)  een ondernemingsplan of een soortgelijke documentatie met het oog op de uitvoering van het financieringsinstrument, met name betreffende het in artikel 52, lid 3, onder a), bedoelde hefboomeffect;

c)  de beoogde resultaten waarvan verwacht wordt dat het financieringsinstrument deze zal halen om bij te dragen de specifieke doelstellingen en de resultaten van de relevante prioriteit;

d)  regelingen inzake de voortgangsbewaking van de investeringen en het investeringsaanbod, met inbegrip van rapportage door het financieringsinstrument aan het holdingfonds en de beheersautoriteit in overeenstemming met artikel 37;

e)  auditvoorschriften, bijvoorbeeld minimumeisen inzake de documentatie die op het niveau van het financieringsinstrument (en in voorkomend geval het holdingfonds) moet worden bijgehouden, en (in voorkomend geval) eisen inzake het voeren van een afzonderlijke boekhouding voor de verschillende steunvormen in overeenstemming met artikel 52, met inbegrip van regels en eisen betreffende de toegang tot documenten door auditautoriteiten van de lidstaten, door controleurs van de Commissie en door de Rekenkamer, om in overeenstemming met artikel 76 een duidelijk controletraject te waarborgen;

f)  voorschriften en procedures voor het beheer van de bijdragen die in overeenstemming met artikel 86 door het programma worden verstrekt, alsook voor het verwachte investeringsaanbod, met inbegrip van voorschriften inzake fiduciaire of afzonderlijke boekhouding overeenkomstig artikel 53;

g)  voorschriften en procedures voor het beheer van rente en andere voordelen zoals bedoeld in artikel 54, met inbegrip van aanvaardbare kastransacties en beleggingen, alsmede de taken en verplichtingen van de betrokken partijen;

h)  regels betreffende de berekening en betaling van de gedane beheerskosten en van de vergoedingen voor het beheer van het financieringsinstrument in overeenstemming met artikel 62;

i)  bepalingen betreffende het hergebruik van middelen die kunnen worden toegeschreven aan de steun uit de fondsen in overeenstemming met artikel 56 en een beëindigingsprocedure voor de bijdrage uit de fondsen van het financieringsinstrument;

j)  voorwaarden voor een eventuele al dan niet volledige intrekking van de programmabijdragen aan de financieringsinstrumenten en in voorkomend geval aan het fonds van fondsen;

k)  regels die ervoor zorgen dat de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren de financieringsinstrumenten onafhankelijk en in overeenstemming met de geldende beroepscode beheren, en uitsluitend handelen in het belang van de partijen die bijdragen verstrekken aan het financieringsinstrument;

l)  regels inzake de vereffening van het financieringsinstrument;

m)  andere voorwaarden voor het verstrekken van bijdragen uit het programma aan het financieringsinstrument;

n)  beoordeling en selectie van de organen die de financieringsinstrumenten uitvoeren, met inbegrip van oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling of procedures inzake overheidsopdrachten (alleen met betrekking tot instrumenten die via een holdingfonds worden georganiseerd).

2.  Elementen van de in artikel 53, lid 1, bedoelde strategiedocumenten

a)  de investeringsstrategie of het investeringsbeleid van het financieringsinstrument, de algemene voorwaarden inzake de schuldenproducten, de doelontvangers en de acties die zullen worden ondersteund;

b)  een ondernemingsplan of een soortgelijke documentatie met het oog op de uitvoering van het financieringsinstrument, met name betreffende het in artikel 52 bedoelde hefboomeffect;

c)  het gebruik en hergebruik van middelen die kunnen worden toegeschreven aan de steun uit de fondsen, in overeenstemming met de artikelen 54 en 56;

d)  het toezicht op en de rapportage over de uitvoering van het financieringsinstrument voor de naleving van artikel 37.

BIJLAGE X

Belangrijkste vereisten voor beheers- en controlesystemen en de indeling ervan – artikel 63, lid 1

Tabel 1 – Belangrijkste vereisten voor beheers- en controlesystemen

Betrokken instanties / autoriteiten

1

Een passende scheiding van functies en schriftelijke regelingen voor verslaglegging, toezicht en controle op de taken die zijn gedelegeerd aan een intermediaire instantie

Beheersautoriteit

2

Passende criteria en procedures voor de selectie van concrete acties

Beheersautoriteit

3

Passende informatie voor begunstigden over de toepasselijke voorwaarden voor steun aan de geselecteerde concrete acties

Beheersautoriteit

4

Passende beheersverificaties, met inbegrip van passende procedures voor de controle van de naleving van de voorwaarden voor financiering die geen verband houdt met kosten en voor vereenvoudigde kostenopties

Beheersautoriteit

5

Een doeltreffend systeem om te garanderen dat alle documenten die nodig zijn voor het auditspoor, worden bewaard

Beheersautoriteit

6

Een betrouwbaar elektronisch systeem (met onder meer koppelingen met systemen voor elektronische gegevensuitwisseling met begunstigden) voor de registratie en opslag van gegevens voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, controles en audits, met inbegrip van passende processen ter waarborging van de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens en de authenticatie van gebruikers

Beheersautoriteit

7

De doeltreffende invoering van evenredige maatregelen tegen fraude

Beheersautoriteit

8

Passende procedures voor het opstellen van de beheersverklaring

Beheersautoriteit

9

Passende procedures om te bevestigen dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven wettig en regelmatig zijn

Beheersautoriteit

10

Passende procedures voor het opstellen en indienen van de rekeningen en de aanvragen voor tussentijdse betaling

Beheersautoriteit / instantie die de boekhoudfunctie uitoefent

11

Passende scheiding van functies en functionele onafhankelijkheid tussen de auditautoriteit (en andere audit- of controleorganen waarop de auditautoriteit steunt en toezicht houdt, indien van toepassing) en de andere programma-autoriteiten en controlewerkzaamheden uitgevoerd in overeenstemming met internationaal aanvaarde auditnormen

Auditautoriteit

12

Passende systeemaudits

Auditautoriteit

13

Passende audits van concrete acties

Auditautoriteit

14

Passende audits van rekeningen

Auditautoriteit

15

Passende procedures voor het verstrekken van een betrouwbaar auditadvies en voor het opstellen van het jaarlijkse controleverslag

Auditautoriteit

Tabel 2 — Classificatie van de beheers- en controlesystemen op basis van hun al dan niet doeltreffende werking

Categorie 1

Werkt goed. Geen of alleen kleine verbetering nodig.

Categorie 2

Werkt. Enige verbetering nodig.

Categorie 3

Werkt gedeeltelijk. Aanzienlijke verbetering nodig.

Categorie 4

Werkt in wezen niet.

BIJLAGE XI

Elementen voor het auditspoor – artikel 63, lid 5

I.   Verplichte elementen van een auditspoor voor subsidies:

1.  

1.  documentatie op basis waarvan kan worden nagegaan of de beheersautoriteit de selectiecriteria toepast, evenals documentatie met betrekking tot de algemene selectieprocedure en de goedkeuring van concrete acties;

2.  

2.  een document (subsidieovereenkomst of gelijkwaardig) waarin de voorwaarden voor de steun worden uiteengezet en dat door de begunstigde en de beheersautoriteit / intermediaire instantie is ondertekend;

3.  

3.  boekhoudkundige gegevens van door de begunstigde ingediende betalingsaanvragen, zoals geregistreerd in het elektronische systeem van de beheersautoriteit / intermediaire instantie;

4.  

4.  documentatie over verificaties met betrekking tot de in artikel 59, artikel 60, lid 2, en artikel 67, lid 3, onder h), vastgestelde vereisten inzake niet-verplaatsing en duurzaamheid;

5.  

5.  bewijs van betaling van de overheidsbijdrage aan de begunstigde en van de datum waarop de betaling is verricht;

6.  

6.  documentatie tot staving van de administratieve controles en, in voorkomend geval, controles ter plaatse die door de beheersautoriteit / intermediaire instantie zijn uitgevoerd;

7.  

7.  informatie over uitgevoerde audits;

8.  

8.  documentatie met betrekking tot de follow-up door de beheersautoriteit / intermediaire instantie met het oog op beheersverificaties en auditbevindingen;

9.  

9.  documentatie op basis waarvan kan worden nagegaan of de geldende wetgeving is nageleefd;

 

10.  gegevens met betrekking tot output- en resultaatindicatoren om deze te kunnen afstemmen op de overeenkomstige doelstellingen en gerapporteerde mijlpalen;

11.  documentatie met betrekking tot financiële correcties en kortingen overeenkomstig artikel 92, lid 5, die de beheersautoriteit / intermediaire instantie heeft uitgevoerd op de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven;

12.  in geval van subsidies in de in artikel 48, lid 1, onder a), bedoelde vorm, de facturen (of documenten met vergelijkbare bewijskracht) en het bewijs van betaling door de begunstigde, alsmede de boekhoudkundige gegevens van de begunstigde met betrekking tot de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven;

 

13.  in geval van subsidies in de in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d) bedoelde vorm en in voorkomend geval, documenten tot staving van de methode voor de vaststelling van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages; de categorieën van kosten die de grondslag vormen voor de berekening; bewijsstukken van kosten die zijn gedeclareerd onder andere categorieën van kosten waarop een vast percentage van toepassing is; de uitdrukkelijke instemming van de beheersautoriteit met de ontwerpbegroting op het document waarin de voorwaarden voor de steun worden vastgesteld; documentatie over de bruto arbeidskosten en de berekening van het uurtarief; indien vereenvoudigde kostenopties worden gebruikt op basis van bestaande methoden, documentatie waaruit de conformiteit met soortgelijke concrete acties en met de voor de bestaande methode vereiste documenten blijkt, indien van toepassing.

II.   Verplichte elementen voor een auditspoor voor subsidies:

1.  documenten betreffende de vaststelling van het financieringsinstrument, zoals financieringsovereenkomsten enz.;

2.  documenten waarin de bedragen zijn vastgesteld die door elk programma en op grond van elke prioriteit aan het financieringsinstrument zijn bijgedragen, de uitgaven die subsidiabel zijn uit hoofde van ieder programma en de rente en andere voordelen die voortvloeien uit de steun van de fondsen en het hergebruik van de middelen die aan de fondsen toe te rekenen zijn overeenkomstig de artikelen 54 en 56;

3.  documenten over de werking van het financieringsinstrument, waaronder die met betrekking tot controles, rapportages en beoordelingen;

4.  documenten betreffende de uitstap uit en de afwikkeling van het financieringsinstrument;

5.  documenten over de beheerskosten en -vergoedingen;

6.  aanvraagformulieren of vergelijkbare formulieren, die door de eindbegunstigden zijn ingediend met bewijsstukken, zoals bedrijfsplannen en, indien relevant, eerdere jaarrekeningen;

7.  checklists en verslagen van de instanties die het financieringsinstrument ten uitvoer leggen;

8.  verklaringen met betrekking tot de minimis-steun:

9.  overeenkomsten die met het oog op de steun van het financieringsinstrument zijn ondertekend, met inbegrip van participaties, kredieten, garanties of andere vormen van investering die aan eindbegunstigden worden verstrekt;

10.  bewijs dat de vanuit het financieringsinstrument verstrekte steun voor het beoogde doeleinde zal worden / is ingezet;

11.  bescheiden van de geldstromen tussen de beheersautoriteit en het financieringsinstrument, en binnen het financieringsinstrument op alle niveaus tot aan de eindbegunstigden, en voor garanties het bewijs dat onderliggende leningen werden uitgekeerd;

12.  afzonderlijke bescheiden of boekhoudkundige codes voor een door het financieringsinstrument betaalde bijdrage of een gegeven garantie ten behoeve van de eindbegunstigden.

Bepalingen voor een controlespoor voor terugbetaling van de steun uit de fondsen door de Commissie aan het programma op basis van vereenvoudigde kostenopties of financiering die geen verband houdt met kosten

III.  Verplichte elementen van een auditspoor voor vereenvoudigde kostenopties die moeten worden bijgehouden op het niveau van de beheersautoriteit / intermediaire instantie:

1.  bewijsstukken van kosten die zijn gedeclareerd onder andere categorieën van kosten waarop een vast percentage van toepassing is;

2.  de categorieën kosten en de kosten die de grondslag vormen voor de berekening;

3.  documenten tot staving van de aanpassing van de bedragen, indien van toepassing;

4.  documenten tot staving van de berekeningsmethode indien artikel 48, lid 2, onder a), wordt toegepast.

IV.  Verplichte elementen van een auditspoor voor financiering die geen verband houdt met kosten, die moeten worden bijgehouden op het niveau van de beheersautoriteit / intermediaire instantie:

1.  document met de subsidiabiliteitsvoorwaarden, ondertekend door de begunstigde en de beheersautoriteit / intermediaire instantie, waarin de vorm van de aan de begunstigden verstrekte subsidies wordt vermeld;

2.  bewijsstukken van de voorafgaande instemming van de Commissie met de voorwaarden waaraan moet worden voldaan, of de resultaten die moeten worden behaald, en de overeenkomstige bedragen (programmagoedkeuring of -wijziging);

3.  documenten tot staving van de naleving van de voorwaarden of de verwezenlijking van resultaten in elk stadium indien in stappen wordt gewerkt, alsmede vóór de definitieve uitgaven bij de Commissie worden gedeclareerd;

4.  documentatie betreffende de selectie en goedkeuring van concrete acties die in aanmerking komen voor financiering die geen verband houdt met kosten.

BIJLAGE XII

E-cohesie: elektronische systemen voor gegevensuitwisseling tussen programma-autoriteiten en begunstigden – artikel 63, lid 7

1.  Verantwoordelijkheden van de programma-autoriteiten met betrekking tot de werking van de systemen voor elektronische gegevensuitwisseling

1.1  Zorgen voor de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van gegevens en de authenticatie van de verzender overeenkomstig artikel 63, leden 5 en 7, artikel 66, lid 4, en artikel 76 van deze verordening.

1.2  Zorgen voor de beschikbaarheid en werking van de systemen tijdens en buiten de gebruikelijke kantoortijden (behalve bij technisch onderhoud)

1.3  Gebruik van functies in het systeem die voorzien in:

a)  interactieve formulieren en/of formulieren die automatisch door het systeem worden ingevuld aan de hand van de gegevens die tijdens de verschillende stappen in procedures worden opgeslagen;

b)  automatische berekeningen, indien van toepassing;

c)  automatische ingebedde controles die de herhaaldelijke uitwisseling van documenten of informatie beperken;

d)  door het systeem gegenereerde waarschuwingen om begunstigden te informeren dat bepaalde handelingen kunnen worden uitgevoerd;

e)  onlinetracering van de status, die begunstigden de mogelijkheid biedt de actuele status van het project te volgen;

f)  alle voorheen beschikbare gegevens en documenten die door het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling zijn verwerkt.

1.4  Zorgen voor de registratie en opslag van gegevens in het systeem waardoor audits kunnen worden uitgevoerd, alsook administratieve controles van betalingsaanvragen die door de begunstigden worden ingediend overeenkomstig artikel 68, lid 2

2.  Verantwoordelijkheden van de programma-autoriteiten met betrekking tot de modaliteiten voor de indiening van documenten en gegevens voor alle uitwisselingen

2.1  Zorgen voor het gebruik van een elektronische handtekening die overeenkomt met een van de drie typen elektronische handtekening die in Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad(76) zijn gedefinieerd

2.2  Ervoor zorgen dat de datum van indiening van de documenten en gegevens door de begunstigde aan de autoriteiten, en omgekeerd, wordt opgeslagen

2.3  Zorgen voor rechtstreekse toegankelijkheid via een interactieve gebruikersinterface (webtoepassing) of via een technische interface die de automatische synchronisatie en indiening van gegevens tussen de systemen van de begunstigden en de lidstaten mogelijk maakt.

2.4  Toezien op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonsgegevens van natuurlijke personen, en op bedrijfsvertrouwelijkheid voor rechtspersonen overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad(77), Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad(78) en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (Voor de EER relevante tekst)(79)

BIJLAGE XIII

SFC2021: elektronisch systeem voor gegevensuitwisseling tussen de lidstaten en de Commissie – artikel 63, lid 8

1.  Verantwoordelijkheden van de Commissie

1.1  Zorgen voor de werking van een systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (hierna het "SFC2021" genoemd) voor alle officiële uitwisselingen van informatie tussen de lidstaten en de Commissie. Het SFC2021 bevat ten minste de informatie die is gespecificeerd in de modellen die zijn vastgesteld overeenkomstig deze verordening.

1.2  Ervoor zorgen dat het SFC2021 over de volgende kenmerken beschikt:

a)  interactieve formulieren of formulieren die reeds door het systeem zijn ingevuld op basis van eerder in het systeem geregistreerde gegevens;

b)  automatische berekeningen, wanneer deze de invoerinspanningen van gebruikers verminderen;

c)  automatische ingebedde controles om de interne samenhang van de verstrekte gegevens en de consistentie van deze gegevens met de toepasselijke voorschriften te verifiëren;

d)  door het systeem gegenereerde signalen om de gebruikers van het SFC2021 te waarschuwen dat bepaalde acties al dan niet kunnen worden uitgevoerd;

e)  online tracering van de status van de behandeling van de in het systeem ingevoerde informatie;

f)  beschikbaarheid van historische gegevens betreffende alle ingevoerde gegevens voor een operationeel programma;

(g)  beschikbaarheid van een verplichte elektronische handtekening in de zin van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad die als bewijs zal worden erkend in gerechtelijke procedures.

1.3  Zorgen voor een veiligheidsbeleid inzake informatietechnologie voor het SFC2021 dat van toepassing is op het personeel dat het systeem gebruikt overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van de Unie, met name Besluit C(2006) 3602 van de Commissie(80) en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

1.4  Aanwijzen van een persoon of personen belast met het vaststellen, handhaven en waarborgen van de correcte toepassing van het veiligheidsbeleid op het SFC2021.

2.  Verantwoordelijkheden van de lidstaten

2.1  Ervoor zorgen dat de overeenkomstig artikel 65, lid 1, aangewezen programma-autoriteiten van de betrokken lidstaat evenals de organen die zijn aangewezen om bepaalde taken uit te voeren die vallen onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit in overeenstemming met artikel 65, lid 3, van deze verordening, in het SFC2021 de gegevens indienen waarvoor zij verantwoordelijk zijn, alsook eventuele aanvullingen daarop

2.2  Toezien op de verificatie van informatie die wordt ingevoerd door een andere persoon dan degene die de gegevens voor die indiening heeft ingevoerd.

2.3  Regelingen treffen voor de hierboven beschreven scheiding van taken via de beheers- en controlesystemen van de lidstaat die in automatische verbinding staan met het SFC2021.

2.4  Benoemen van een persoon of personen belast met het beheer van de toegangsrechten om de volgende taken uit te voeren:

a)  de gebruikers identificeren die om toegang vragen, waarbij wordt gecontroleerd of zij inderdaad in dienst zijn van de organisatie;

b)  de gebruikers inlichten over hun verplichtingen om de veiligheid van het systeem te waarborgen;

c)  verifiëren of de gebruikers aanspraak kunnen maken op het vereiste privilegeniveau in verband met hun taken en hun hiërarchische positie;

d)  verzoeken om intrekking van de toegangsrechten, indien die toegangsrechten niet langer benodigd of gerechtvaardigd zijn;

e)  verdachte gebeurtenissen die de veiligheid van het systeem in gevaar kunnen brengen, snel melden;

f)  zorgen voor de voortdurende juistheid van de identificatiegegevens van de gebruikers door het melden van alle wijzigingen;

g)  de nodige voorzorgsmaatregelen nemen met betrekking tot bescherming van gegevens en bedrijfsvertrouwelijkheid in overeenstemming met de nationale en EU-voorschriften;

h)  de Commissie in kennis stellen van alle wijzigingen die invloed hebben op de capaciteit van de autoriteiten van de lidstaten of gebruikers van het SFC2021 om de in lid 1 bedoelde verplichtingen of hun persoonlijke capaciteit om de in de punten a) tot en met g) bedoelde verantwoordelijkheden uit te voeren.

2.5  Zorgen voor regelingen met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonsgegevens van natuurlijke personen en bedrijfsvertrouwelijkheid voor rechtspersonen in overeenstemming met Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad(81), Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad(82), Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 1995/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(83) en Verordening (EG) nr. 45/2001.

2.6  Op basis van een risicobeoordeling nationaal, regionaal of lokaal beleid inzake toegang tot SFC2021 vaststellen dat van toepassing is op alle instanties die het SFC2021 gebruiken, met aandacht voor de volgende aspecten:

a)  de IT-veiligheidsaspecten van de werkzaamheden van de persoon of personen die verantwoordelijk is/zijn voor het beheer van de toegangsrechten als bedoeld in afdeling II, punt 3, in geval van toepassing van rechtstreeks gebruik;

b)  voor nationale, regionale of lokale computersystemen die met het SFC2021 zijn verbonden door middel van een onder punt 1 bedoelde technische interface, de beveiligingsmaatregelen waarmee deze systemen kunnen worden afgestemd op beveiligingsvoorschriften van het SFC2021 en die betrekking hebben op:

i)  fysieke beveiliging;

ii)  controle van toegang en gegevensdragers;

iii)  controle van opslag;

iv)  toegangs- en wachtwoordcontrole;

v)  toezicht;

vi)  koppeling met het SFC2021;

vii)  communicatie-infrastructuur;

viii)  personeelsbeheer vóór de aanvang van het dienstverband en tijdens en na het dienstverband;

ix)  incidentbeheer.

2.7  Het in punt 2.6 bedoelde document op verzoek ter beschikking stellen aan de Commissie

2.8  Benoemen van een persoon of personen belast met de handhaving en waarborging van de toepassing van het nationale, regionale of lokale beleid inzake IT-beveiliging en fungeren als contactpunt voor de door de Commissie aangewezen persoon of personen waarnaar wordt verwezen in punt 1.4

3.  Gezamenlijke verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten

3.1  Zorgen voor toegankelijkheid, hetzij rechtstreeks via een interactieve gebruikersinterface (d.w.z. een webtoepassing), hetzij via een technische interface met vooraf vastgestelde protocollen (d.w.z. webdiensten) waardoor de gegevens automatisch kunnen worden gesynchroniseerd en verzonden tussen informatiesystemen van de lidstaten en het SFC2021

3.2  Vaststellen dat de datum voor de elektronische indiening van de informatie door de lidstaat aan de Commissie en vice versa bij elektronische gegevensuitwisseling geldt als datum van indiening van het desbetreffende document

3.3  Ervoor zorgen dat officiële gegevens uitsluitend worden uitgewisseld via het SFC2021 (tenzij in geval van overmacht) en dat de informatie die in de in het SFC2021 ingebedde elektronische formulieren worden verstrekt (hierna "gestructureerde gegevens" genoemd) niet door niet-gestructureerde gegevens worden vervangen en dat gestructureerde gegevens voorrang genieten op niet-gestructureerde gegevens in het geval van inconsistenties.

In geval van overmacht, een storing in het SFC2021 of het ontbreken van een verbinding met het SFC2021 die langer duurt dan één werkdag in de laatste week vóór een voorgeschreven termijn voor de indiening van informatie of in de periode van 18 tot en met 26 december, of vijf werkdagen in andere omstandigheden, kan de uitwisseling van informatie tussen de lidstaat en de Commissie in papieren vorm plaatsvinden met gebruikmaking van de in deze verordening vastgestelde modellen; de datum van indiening is in dat geval de datum van indiening van het betrokken document. Zodra er niet langer sprake is van overmacht, voert de betrokken partij zo snel mogelijk de reeds in papieren vorm verstrekte informatie in het SFC2021 in.

3.4  Ervoor zorgen dat de in het SFC2021-portaal gepubliceerde voorwaarden inzake IT-beveiliging worden nageleefd, alsook de maatregelen die door de Commissie in het SFC2021 worden genomen om de indiening van gegevens te beveiligen, met name wat betreft het gebruik van de in punt 1 bedoelde technische interface.

3.5  Uitvoering geven aan de beveiligingsmaatregelen ter bescherming van de opgeslagen en via het SFC2021 ingediende gegevens, en de doeltreffendheid van deze maatregelen verzekeren.

3.6  Jaarlijks het IT-veiligheidsbeleid van het SFC en het desbetreffende nationale, regionale en lokale IT-veiligheidsbeleid bijwerken en herzien in geval van technologische veranderingen, de vaststelling van nieuwe bedreigingen of andere relevante ontwikkelingen.

BIJLAGE XIV

Model voor de beschrijving van het beheers- en controlesysteem – artikel 63, lid 9

1.  ALGEMEEN

1.1.  Informatie ingediend door:

–  Lidstaat:

–  Titel van het programma / de programma's en CCI-nummer(s): (alle programma’s onder verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit met een gemeenschappelijk beheers- en controlesysteem):

–  Naam en e-mailadres van de voornaamste contactpersoon: (orgaan dat verantwoordelijk is voor de beschrijving):

1.2.  De verstrekte informatie beschrijft de situatie op: (dd/mm/jj)

1.3.  Systeemstructuur (algemene informatie en stroomschema met de organisatorische verhouding tussen de autoriteiten/instanties die bij het beheers- en controlesysteem betrokken zijn)

1.3.1.  Beheersautoriteit (naam, adres en contactpersoon binnen de beheersautoriteit):

1.3.2.  Intermediaire instanties (naam, adres en contactpersoon binnen de intermediaire instanties).

1.3.3.  De instantie die de boekhoudfunctie uitoefent (naam, adres en contactpersonen binnen de beheersautoriteit of de programma-autoriteit die de boekhoudfunctie uitoefent)

1.3.4.  Geef aan hoe het beginsel van scheiding van functies tussen en binnen de programma-autoriteiten in acht wordt genomen.

2.  BEHEERSAUTORITEIT

2.1.  Beheersautoriteit en belangrijkste functies van deze autoriteit

2.1.1.  Status van de beheersautoriteit (nationaal, regionaal of lokaal overheidsorgaan of particulier orgaan) en de instelling waar deze deel van uitmaakt.

2.1.2.  Specificatie van de rechtstreeks door de beheersautoriteit uitgeoefende functies en taken.

2.1.3.  Indien van toepassing, specificatie per intermediaire instantie van elk van de functies(84) en taken die door de beheersautoriteit zijn gedelegeerd, identificatie van de intermediaire instanties en de wijze van delegatie. Er moet worden verwezen naar de relevante documenten (schriftelijke overeenkomsten).

2.1.4  Procedures voor het toezicht op de door de beheersautoriteit gedelegeerde functies en taken.

2.1.5.  Kader om ervoor te zorgen dat indien nodig de juiste risicobeheersmaatregelen worden genomen, met name in het geval van belangrijke wijzigingen in het beheers- en controlesysteem.

2.2.  Beschrijving van de organisatie en de procedures met betrekking tot de bevoegdheden en taken van de beheersautoriteit(85)

2.2.1   Beschrijving van de functies, waaronder de boekhoudfunctie, en taken die door de beheersautoriteit worden uitgevoerd:

2.2.2   Beschrijving van de wijze waarop de werkzaamheden in het kader van de diverse functies, waaronder de boekhoudfunctie, worden georganiseerd, welke procedures van toepassing zijn, welke taken eventueel kunnen worden gedelegeerd, hoe hierop toezicht wordt uitgeoefend, enz.

2.2.3   Organogram van de beheersautoriteit en informatie over hoe deze in relatie staat met alle andere instanties of afdelingen (intern of extern) die functies en taken verrichten als bedoeld in de artikelen 66 tot en met 69.

2.2.4  Indicatie van de geplande middelen die zullen worden toegewezen met betrekking tot de verschillende functies van de beheersautoriteit (met inbegrip van informatie over alle geplande uitbestedingen en hun toepassingsgebied, indien van toepassing).

3.   INSTANTIE DIE DE BOEKHOUDFUNCTIE UITOEFENT

3.1   Statuut en beschrijving van de organisatie en de procedures die verband houden met de functies van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent

3.1.1   Status van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent (nationaal, regionaal of lokaal overheids- of particulier orgaan) en de instelling waar deze deel van uitmaakt, in voorkomend geval.

3.1.2   Beschrijving van de functies en taken van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent, zoals beschreven in artikel 70.

3.1.3  Beschrijving van de wijze waarop de werkzaamheden worden georganiseerd (werkstromen, processen, interne afdelingen), welke procedures wanneer van toepassing zijn en hoe hierop toezicht wordt gehouden enz.

3.1.4  Indicatie van de geplande middelen die zullen worden toegewezen met betrekking tot de verschillende boekhoudfuncties.

4.  ELEKTRONISCH SYSTEEM

4.1.  Beschrijving van het elektronische systeem of de elektronische systemen, inclusief stroomschema (centraal of gemeenschappelijk netwerksysteem of gedecentraliseerd systeem met koppelingen tussen de systemen) voor:

4.1.1.  De registratie en opslag in elektronische vorm van gegevens over elke concrete actie, inclusief in voorkomend geval gegevens over afzonderlijke deelnemers en een uitsplitsing van gegevens over indicatoren als hierin is voorzien in de verordening;

4.1.2.  De waarborging dat de boekhoudkundige gegevens over elke concrete actie worden geregistreerd en opgeslagen, en dat deze gegevens de voor de opstelling van betalingsaanvragen en rekeningen benodigde gegevens ondersteunen;

4.1.3.  Het behoud van boekhoudkundige gegevens over de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven en de overheidsbijdrage die hiervoor aan de begunstigden is betaald;

4.1.4.  De registratie van alle bedragen die worden ingehouden op de betalingsaanvragen en de rekeningen als bedoeld in artikel 92, lid 5, en de redenen voor deze inhoudingen;

4.1.5.  De vermelding of de systemen doeltreffend functioneren en de vermelde gegevens betrouwbaar kunnen vastleggen op de datum waarop deze beschrijving wordt opgesteld zoals uiteengezet in punt 1.2 hierboven;

4.1.6.  De beschrijving van de procedures ter waarborging van de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de elektronische systemen.

BIJLAGE XV

Model voor de beheersverklaring – artikel 68, lid 1, onder f)

Ik/wij, ondergetekende(n) (na(a)m(en), voorna(a)m(en), titel(s) of functie(s)), hoofd van de beheersautoriteit voor het programma (naam van het operationeel programma, CCI), verklaar/verklaren

op basis van de uitvoering van (naam van het programma) in het boekjaar dat eindigde op 30 juni (jaar), op basis van mijn/ons eigen oordeel en van alle informatie die tot mijn/onze beschikking stond op de datum waarop de rekeningen bij de Commissie zijn ingediend, waaronder de resultaten van overeenkomstig artikel 68 van Verordening (EU) xx/xx uitgevoerde beheersverificaties en audits met betrekking tot de uitgaven in de betalingsaanvragen die bij de Commissie zijn ingediend voor het boekjaar dat eindigde op 30 juni ... (jaar),

en rekening houdend met mijn/onze verplichtingen krachtens Verordening (EU) xx/xx,

hierbij dat:

a)  de informatie in de jaarrekening naar behoren wordt weergegeven en volledig en accuraat is, overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EU) nr. XX,

b)  de in de rekeningen opgenomen uitgaven in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht en zijn gebruikt voor het beoogde doel,

Ik bevestig/wij bevestigen dat de onregelmatigheden die zijn vastgesteld in de definitieve audit- en controleverslagen met betrekking tot het boekjaar op passende wijze in de rekeningen zijn behandeld, met name om te voldoen aan artikel 92 voor de indiening van rekeningen waarbij wordt verzekerd dat het percentage onregelmatigheden onder de materialiteitsdrempel van 2 % ligt.

Ook verklaar ik/verklaren wij dat uitgaven waarvan de wettigheid en regelmatigheid nog worden gecontroleerd, buiten de jaarrekening zijn gehouden, in afwachting van de conclusie van de beoordeling, waarbij deze eventueel worden opgenomen in een tussentijdse betalingsaanvraag in een volgend boekjaar.

Bovendien bevestig ik/bevestigen wij de betrouwbaarheid van de gegevens over indicatoren, mijlpalen en de vorderingen van het programma.

Ik bevestig/wij bevestigen ook dat doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen zijn toegepast en dat deze rekening houden met de vastgestelde risico’s in dat verband.

Tot slot bevestig ik/bevestigen wij dat ik/wij niet op de hoogte ben/zijn van niet-meegedeelde zaken met betrekking tot de uitvoering van het operationele programma, die de reputatie van het Cohesiefonds zouden kunnen schaden.

BIJLAGE XVI

Model voor het auditadvies – artikel 71, lid 3, onder a)

Aan de Europese Commissie, directoraat-generaal

1.   INLEIDING

Ik, ondergetekende, vertegenwoordiger van [naam van de auditautoriteit], onafhankelijk in de zin van artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. [...], heb

i)  de rekeningen voor het boekjaar dat is begonnen op 1 juli … [jaar] en is geëindigd op 30 juni … [jaar] (1), gedateerd … [datum van de bij de Commissie ingediende rekeningen] (hierna "de jaarrekening” genoemd),

ii)  de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven waarvoor bij de Commissie onder verwijzing van het boekjaar om vergoeding is verzocht (en die in de jaarrekening zijn opgenomen), en

iii)  de werking van het beheers- en controlesysteem en de beheersverklaring gecontroleerd met betrekking tot het programma [naam van het programma, CCI-nummer] (hierna "het programma" genoemd),

teneinde een auditadvies te kunnen afgeven overeenkomstig artikel 71, lid 3.

2.   VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE BEHEERSAUTORITEIT

[naam van de beheersautoriteit], aangewezen als de beheersautoriteit van het programma, is verantwoordelijk voor de behoorlijke werking van het beheers- en controlesysteem wat betreft de bij de artikelen 66 tot en met 70 vastgestelde functies en taken.

Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van [naam van de beheersautoriteit of instantie die de boekhoudfunctie uitoefent, in voorkomend geval] te garanderen en te verklaren dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn, zoals voorgeschreven in artikel 70 van Verordening (EU) nr. [...].

Voorts is het overeenkomstig artikel 68 van Verordening (EU) nr. [...] de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit om te bevestigen dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven wettig, regelmatig en in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving zijn.

3.   VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE AUDITAUTORITEIT

Zoals vastgesteld bij artikel 71 van Verordening (EU) nr. [...] is het mijn verantwoordelijkheid om onafhankelijk te oordelen of de rekeningen volledig, waarheidsgetrouw en accuraat zijn, of de uitgaven waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht en die in de rekeningen zijn gedeclareerd, wettig en regelmatig zijn, en of het toegepaste beheers- en controlesysteem naar behoren functioneert.

Het is tevens mijn verantwoordelijkheid in het advies vast te stellen of beweringen in de beheersverklaring in de auditwerkzaamheden in twijfel worden getrokken.

De audits met betrekking tot het programma zijn uitgevoerd overeenkomstig de auditstrategie en voldeden aan de internationaal aanvaarde auditnormen. Deze normen vereisen dat de auditautoriteit voldoet aan ethische voorschriften, en de auditwerkzaamheden plant en uitvoert teneinde redelijke zekerheid te verkrijgen voor het auditadvies.

Een audit houdt in dat procedures worden uitgevoerd om voldoende en geschikte informatie te verkrijgen ter ondersteuning van onderstaand advies. De gevolgde procedures hangen af van het professionele oordeel van de auditautoriteit, met inbegrip van de risicobeoordeling van niet-naleving van materieel belang, als gevolg van fraude of van fouten. De gevolgde auditprocedures zijn naar mijn mening passend gezien de omstandigheden en in overeenstemming met de voorschriften van Verordening (EU) nr. [...].

Ik geloof dat het verzamelde auditbewijs voldoende en geschikt is om als basis voor mijn advies te dienen, [indien er beperking van de reikwijdte is:] behalve voor het genoemde onder "Beperking van de reikwijdte".

De samenvatting van de auditbevindingen met betrekking tot het programma zijn beschreven in het bijgevoegde jaarlijkse controleverslag overeenkomstig artikel 71, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. [...].

4.   BEPERKING VAN DE REIKWIJDTE

Hetzij

Er waren geen beperkingen ten aanzien van de reikwijdte van de audit.

Hetzij

De reikwijdte van de audit werd beperkt door de volgende factoren:

a)

b)

c)

….

[Vermeld eventuele beperkingen ten aanzien van de reikwijdte van de audit(86), bijvoorbeeld een gebrek aan bewijsstukken of lopende rechtszaken, en geef hieronder onder "Advies met beperking" een schatting van de uitgaven en bijdragen waarop de steun uit de fondsen invloed had, en het effect van de beperking van de reikwijdte op het auditadvies. Nadere toelichting zal, indien van toepassing, in het jaarlijkse controleverslag worden gegeven.]

5.   ADVIES

Hetzij

(Advies zonder voorbehoud)

Naar mijn mening en op basis van de uitgevoerde auditwerkzaamheden:

i)

geeft de jaarrekening een juist en getrouw beeld;

ii)

zijn de in de rekeningen opgenomen uitgaven wettig en regelmatig(87),

iii)

het beheers- en controlesysteem functioneert naar behoren.

De beweringen in de beheersverklaring zijn in de uitgevoerde auditwerkzaamheden niet in twijfel getrokken.

Hetzij

(Advies met beperking)

Naar mijn mening en op basis van de uitgevoerde auditwerkzaamheden,

1.   Jaarrekening

–  geeft de jaarrekening een juist en getrouw beeld [indien de beperking betrekking heeft op de jaarrekening, wordt de volgende tekst toegevoegd:] behalve op de volgende materiële punten:…….

2.   De wettigheid en regelmatigheid van de in de rekeningen gecertificeerde uitgaven

–  de in de jaarrekening gecertificeerde uitgaven zijn wettig en regelmatig [indien de beperking betrekking heeft op de jaarrekening, wordt de volgende tekst toegevoegd:] behalve op de volgende punten:....

De gevolgen van de beperking zijn beperkt [of aanzienlijk] en komen overeen met .... (bedrag in EUR van het totaalbedrag van de gecertificeerde uitgaven)

3.   Het beheers- en controlesysteem op de datum van dit auditadvies

–  het toegepaste beheers- en controlesysteem functioneert naar behoren [indien de beperking betrekking heeft op het beheers- en controlesysteem, wordt de volgende tekst toegevoegd:] behalve op de volgende punten:....

De gevolgen van de beperking zijn beperkt [of aanzienlijk] en komen overeen met .... (bedrag in EUR van het totaalbedrag van de gecertificeerde uitgaven)

De beweringen in de beheersverklaring zijn in de uitgevoerde auditwerkzaamheden niet / wel [doorhalen wat niet van toepassing is] in twijfel getrokken.

[Indien de beweringen in de beheersverklaring in de uitgevoerde auditwerkzaamheden in twijfel worden getrokken, vermeldt de auditautoriteit in deze alinea welke factoren tot deze conclusie hebben geleid.]

Hetzij

(Afkeurend advies)

Naar mijn mening en op basis van de uitgevoerde auditwerkzaamheden:

i)

geeft de jaarrekening een / geen [doorhalen wat niet van toepassing is] juist en getrouw beeld; en/of

ii)

zijn de uitgaven in de jaarrekening waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht, wettig en regelmatig / niet wettig en regelmatig [doorhalen wat niet van toepassing is]; en/of

iii)

functioneert het toegepaste beheer- en controlesysteem naar behoren / niet naar behoren [doorhalen wat niet van toepassing is].

Dit afkeurend advies is gebaseerd op volgende aspecten:

met betrekking tot zaken van materieel belang in verband met de jaarrekening:

en/of [doorhalen wat niet van toepassing is]

met betrekking tot zaken van materieel belang in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven in de jaarrekening waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht:

en/of [doorhalen wat niet van toepassing is]

met betrekking tot zaken van materieel belang in verband met het functioneren van het beheers- en controlesysteem:(6)

De beweringen in de beheersverklaring zijn in de uitgevoerde auditwerkzaamheden in twijfel getrokken ten aanzien van de volgende aspecten:

[De auditautoriteit kan ook een toelichtende paragraaf toevoegen, zoals vastgesteld krachtens internationaal aanvaarde controlenormen, die haar advies niet aantast. Een adviesonthouding is mogelijk in uitzonderlijke gevallen (7).]

Datum:

Handtekening:

20190327-P8_TA(2019)0310_NL-p0000006.png

(4)   Van toepassing bij Interreg-programma's.

(5)   Ingeval het beheers- en controlesysteem gebreken vertoont, vermeld dan in het advies de instantie(s) en het aspect of de aspecten van de systemen die niet hebben voldaan aan de eisen en/of die niet naar behoren hebben gefunctioneerd, tenzij deze informatie in het jaarlijkse controleverslag al duidelijk is vermeld en in het deel met het advies wordt verwezen naar de specifieke delen van dat verslag waar die informatie is vermeld.

(6)   Dezelfde opmerking als in de vorige voetnoot.

(7)   Deze uitzonderlijke gevallen moeten gerelateerd zijn aan onvoorziene, externe factoren buiten het werkterrein van de auditautoriteit.

BIJLAGE XVII

Model voor het jaarlijkse controleverslag — artikel 71, lid 3, onder b)

1.  Inleiding

1.1  Identificatie van de auditautoriteit en andere instanties die betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van het verslag.

1.2  Referentieperiode (d.w.z. het boekjaar)

1.3  Auditperiode (waarin de auditwerkzaamheden hebben plaatsgevonden).

1.4  Identificatie van het (de) programma('s) waarop het verslag betrekking heeft en van de desbetreffende beheersautoriteit(en). Indien het verslag betrekking heeft op meer dan één programma of fonds, wordt de informatie per programma en per fonds afzonderlijk vermeld, en wordt in elk deel de informatie vermeld die specifiek is voor dat programma en/of fonds.

1.5  Beschrijving van de maatregelen die zijn genomen bij de voorbereiding van het verslag en de opstelling van het bijbehorende auditadvies. Dit deel moet ook betrekking hebben op informatie over de door de auditautoriteit uitgevoerde consistentiecontroles van de beheersverklaring.

Deel 1.5 moet worden aangepast voor Interreg-programma’s met het oog op de omschrijving van de stappen die bij de voorbereiding van het verslag zijn genomen op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

2.  Belangrijke wijzigingen in beheers- en controlesystemen

2.1   Nadere gegevens van alle grote wijzigingen in de beheers- en controlesystemen met betrekking tot de verantwoordelijkheden van de beheersautoriteiten, met name ten aanzien van het delegeren van taken aan intermediaire instanties, en bevestiging van de naleving van de artikelen 66 tot en met 70 en 75 op basis van de auditwerkzaamheden die zijn uitgevoerd door de auditautoriteit.

2.2   Informatie over de toepassing van verbeterde evenredige regelingen overeenkomstig de artikelen 77 tot en met 79.

3.  Wijzigingen van de auditstrategie

3.1   Nadere gegevens van alle wijzigingen van de auditstrategie en bijbehorende toelichtingen. Vermeld met name wijzigingen van de steekproefmethode die wordt gebruikt voor de audit van concrete acties (zie deel 5 hieronder) en of de strategie is gewijzigd als gevolg van verbeterde evenredige regelingen overeenkomstig de artikelen 77 tot en met 79 van de verordening.

3.2   Bovenstaand deel 1 moet worden aangepast voor Interreg-programma’s met het oog om de omschrijving van wijzigingen van de auditstrategie op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

4.  Systeemaudits (indien van toepassing)

Deze afdeling geldt voor auditautoriteiten die de verbeterde evenredige regelingen niet toepassen voor het betrokken boekjaar:

4.1   Nadere gegevens van de organen (met inbegrip van de auditautoriteit zelf) die audits hebben uitgevoerd van de goede werking van het beheers- en controlesysteem van het programma (hierna "systeemaudits" genoemd).

4.2   Beschrijving van de grondslag voor de uitgevoerde audits, inclusief een verwijzing naar de toepasselijke auditstrategie, met name naar de risicobeoordelingsmethode en de resultaten die hebben geleid tot de vaststelling van het plan voor de systeemaudits. Indien de risicobeoordeling is bijgewerkt, moeten de wijzigingen in de auditstrategie worden beschreven in deel 3 hierboven.

4.3   Met betrekking tot de tabel in deel 9.1 hieronder, een beschrijving van de belangrijkste bevindingen en conclusies van systeemaudits, met inbegrip van de audits die gericht zijn op specifieke thematische gebieden.

4.4   Vermelding of sommige van de geconstateerde onregelmatigheden als systemisch werden beschouwd, en nadere gegevens over de genomen maatregelen, met inbegrip van een kwantificering van de onregelmatige uitgaven en daarmee samenhangende financiële correcties die zijn doorgevoerd, overeenkomstig artikel 71, lid 3, onder b), en artikel 97 van de verordening.

4.5   Informatie over de follow-up van auditaanbevelingen naar aanleiding van systeemaudits in voorgaande boekjaren.

4.6   Beschrijving van onregelmatigheden of tekortkomingen die specifiek zijn voor financieringsinstrumenten of andere soorten uitgaven of kosten waarop specifieke regels van toepassing zijn (bv. staatssteun, overheidsopdrachten, vereenvoudigde kostenopties, financiering die geen verband houdt met kosten) en die bij systeemaudits aan het licht zijn gekomen, en van het vervolg dat de beheersautoriteit heeft gegeven om deze onregelmatigheden of tekortkomingen te verhelpen.

4.7   Mate van betrouwbaarheid die wordt verkregen na de systeemaudits (laag/gemiddeld/hoog) en een motivering.

5.  Audits van concrete acties

Delen 5.1 tot en met 5.10 moeten worden aangepast voor Interreg-programma’s met het oog op de omschrijving van de stappen die bij de voorbereiding van het verslag zijn genomen op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

5.1   Identificatie van de instanties (met inbegrip van de auditautoriteit) die audits van concrete acties hebben uitgevoerd (zoals beoogd in artikel 73).

5.2   Beschrijving van de toegepaste steekproefmethodologie en de informatie of de methodologie overeenkomstig de auditstrategie is.

5.3   Vermelding van de parameters die zijn gebruikt voor statistische steekproeven en toelichting van de onderliggende berekeningen en het van toepassing zijnde professionele oordeel. Onder de steekproefparameters vallen: materialiteitsniveau, betrouwbaarheidsniveau, steekproefeenheid, verwacht foutenpercentage, streekproefinterval, standaardafwijking, populatiewaarde, populatieomvang, steekproefomvang, informatie over de stratificatie. De onderliggende berekeningen voor de selectie van een steekproef, het totale foutenpercentage en het resterende foutenpercentage worden vermeld in deel 9.3 hieronder, in een formaat dat inzicht geeft in de basisstappen overeenkomstig de specifieke steekproefmethode die is gebruikt.

5.4   Afstemming van de in de jaarrekening opgenomen bedragen en de bedragen die zijn gedeclareerd in aanvragen voor tussentijdse betaling in het desbetreffende boekjaar, met de populatie waarvan de willekeurige steekproef was genomen (kolom "A" van de tabel in deel 9.2 hieronder). Het afstemmen van de posten betreft ook negatieve steekproefeenheden waar financiële correcties zijn aangebracht.

5.5   Indien er negatieve posten zijn, bevestiging dat deze zijn behandeld als een afzonderlijke populatie. Analyse van de belangrijkste resultaten van de audits van deze eenheden, met de nadruk op het verifiëren of de besluiten met betrekking tot de toepassing van financiële correcties (van de lidstaten of van de Commissie) in de jaarrekening als geschrapte bedragen zijn geboekt.

5.6   Wanneer een niet-statistische steekproefmethode wordt gebruikt, geef dan de redenen voor het gebruik van de methode, het percentage van de steekproefeenheden die aan audits worden onderworpen, de maatregelen die zijn genomen om de willekeurigheid van de steekproef te garanderen, rekening houdend met het feit dat de steekproef representatief moet zijn.

Specificeer ook de stappen die worden ondernomen om voor een voldoende grote steekproef te zorgen zodat de auditautoriteit een geldig auditadvies kan uitbrengen. Een totaal (geraamd) foutenpercentage moet eveneens worden berekend wanneer een niet-statistische steekproefmethode is gebruikt.

5.7   Analyse van de belangrijkste bevindingen van de audits van concrete acties, met een vermelding van:

1)  het aantal geauditeerde steekproefelementen, het respectieve bedrag;

2)  het soort fout per steekproefeenheid(88);

3)  de aard van de vastgestelde fouten(89);

4)  het foutenpercentage per laag(90) en de overeenkomstige ernstige tekortkomingen of onregelmatigheden, de bovengrens van het foutenpercentage, onderliggende oorzaken, voorgestelde corrigerende maatregelen (met inbegrip van de maatregelen die ten doel hebben het beheers- en controlesysteem te verbeteren) en het effect ervan op het auditadvies.

Er wordt verdere toelichting gegeven over de in de delen 9.2 en 9.3 hieronder vermelde gegevens, in het bijzonder met betrekking tot het totale foutenpercentage.

5.8   Nadere gegevens over alle financiële correcties in verband met het boekjaar die door de beheersautoriteit worden uitgevoerd vóór het indienen van de jaarrekening bij de Commissie, en het gevolg zijn van de audits van concrete acties, waaronder forfaitaire of geëxtrapoleerde correcties die ertoe leiden dat het resterende foutenpercentage van de in de jaarrekening opgenomen uitgaven wordt verlaagd tot 2 % overeenkomstig artikel 92.

5.9   Vergelijking van het totale foutenpercentage en het resterende foutenpercentage (zoals vermeld in deel 9.2 hieronder) met de materialiteitsdrempel van 2 %, om na te gaan of de populatie materieel onjuist is opgegeven en om het effect op het auditadvies na te gaan.

5.10   Nadere gegevens over de vraag of sommige van de geconstateerde onregelmatigheden als systemisch werden beschouwd, en over de genomen maatregelen, met inbegrip van een kwantificering van de onregelmatige uitgaven en daarmee samenhangende financiële correcties.

5.11   Informatie over de follow-up van audits van concrete acties die zijn uitgevoerd op de gemeenschappelijke steekproef voor Interreg-programma’s op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

5.12   Informatie over de follow-up van audits van concrete acties uit voorgaande boekjaren, met name met betrekking tot ernstige tekortkomingen van systemische aard.

5.13   Een tabel volgens de typologie van de fouten die werden overeengekomen met de Commissie.

5.14   Conclusies van de voornaamste resultaten van de audits van concrete acties met betrekking tot de goede werking van het beheers- en controlesysteem.

Deel 5.14 moet worden aangepast voor Interreg-programma’s met het oog op de omschrijving van de stappen die bij de opstelling van de conclusies zijn genomen op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

6.  Audits van de jaarrekening

6.1   Identificatie van de autoriteiten/instanties die audits van de jaarrekening hebben uitgevoerd.

6.2   Beschrijving van de auditaanpak die is gebruikt om na te gaan of de rekeningen volledig, nauwkeurig en juist zijn. Dit omvat ook een verwijzing naar de auditwerkzaamheden die zijn uitgevoerd in het kader van systeemaudits, audits van concrete acties die relevant zijn voor de betrouwbaarheid van de jaarrekening en aanvullende verificaties van het ontwerp van jaarrekening die moeten worden uitgevoerd voordat de jaarrekening aan de Commissie wordt toegezonden.

6.3   Conclusies van de audits met betrekking tot de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid van de jaarrekening, onder vermelding van de bijbehorende financiële correcties die zijn doorgevoerd en hun weerslag kennen in de jaarrekening als gevolg van deze conclusies.

6.4   Vermelding of sommige geconstateerde onregelmatigheden als systemisch werden beschouwd, en vermelding van de genomen maatregelen.

7.  Overige informatie

7.1   Beoordeling door de auditautoriteit van verdenkingen van fraude die zijn geconstateerd in het kader van hun audits (met inbegrip van de gevallen die door andere nationale of EU-instanties zijn gemeld en betrekking hebben op concrete acties die door de auditautoriteit zijn gecontroleerd), samen met de genomen maatregelen. Informatie over het aantal gevallen, de ernst ervan en de betrokken bedragen, indien bekend.

7.2   Gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na de indiening van de jaarrekening bij de auditautoriteit en vóór indiening van het jaarlijkse controleverslag aan de Commissie en waarmee rekening is gehouden bij de vaststelling van de mate van betrouwbaarheid en het advies van de auditautoriteit.

8.  Algehele mate van betrouwbaarheid

8.1   Vermelding van de algehele mate van betrouwbaarheid ten aanzien van de goede werking van het beheers- en controlesysteem en toelichting over de manier waarop die mate van betrouwbaarheid is verkregen uit de combinatie van de resultaten van de systeemaudits en de audits van concrete acties. De auditautoriteit houdt, indien relevant, ook rekening met de resultaten van andere nationale of EU-auditwerkzaamheden die zijn verricht.

8.2   Beoordeling van eventuele verzachtende maatregelen die geen verband houden met uitgevoerde financiële correcties, uitgevoerde financiële correcties en een beoordeling van de behoefte aan aanvullende corrigerende maatregelen, zowel vanuit het oogpunt van de verbetering van de beheers- en controlesystemen als vanuit het oogpunt van de impact op de EU-begroting.

9.  BIJLAGEN BIJ HET JAARLIJKSE CONTROLEVERSLAG

9.1  Resultaten van systeemaudits.

Gecontroleerde entiteit

Fonds (programma dat door meerdere fondsen wordt gefinancierd)

Titel van de audit

Datum definitieve auditverslag

Programma: [CCI en naam programma]

Algehele beoordeling (categorie 1, 2, 3, 4)

[zoals gedefinieerd in tabel 2 – bijlage X bij de verordening]

Opmerkingen

Fundamentele eisen (FE) (indien van toepassing)

[zoals gedefinieerd in tabel 1 – bijlage X bij de verordening]

FE 1

FE 2

FE 3

FE 4

FE 5

FE 6

FE 7

FE 8

FE 9

FE 10

 

 

Beheersautoriteit

 

Intermediaire instantie('s)

Boekhoudfunctie (indien niet uitgeoefend door beheersautoriteit)

Opmerking: de lege vakken in bovenstaande tabel verwijzen naar fundamentele eisen die niet van toepassing zijn op de gecontroleerde entiteit.

9.2  Resultaten van audits van concrete acties

Fonds

CCI-nummer programma

Titel programma

A

B

C

D

E

F

G

H

Bedrag in EUR dat overeenkomt met de populatie waarvan de steekproef was genomen (7)

Uitgaven met betrekking tot het boekjaar, gecontroleerd voor de willekeurige steekproef

Bedrag aan onregelmatige uitgaven in willekeurige steekproef

Totaal foutenpercentage

 (8)

Uitgevoerde correcties als gevolg van het totale foutenpercentage

Resterend foutenpercentage

(F = (D * A) – E)

Overige gecontroleerde uitgaven (9)

Bedrag aan onregelmatige uitgaven in andere gecontroleerde uitgaven

Bedrag (10)

%

 (11)

20190327-P8_TA(2019)0310_NL-p0000007.png

(1)   Zoals vastgesteld in artikel 2, lid 29, van de verordening.

(2)   Toevallig, systemisch, afwijkend.

(3)   Bijvoorbeeld: subsidiabiliteit, openbare aanbesteding, staatssteun.

(4)   Het foutenpercentage per laag moet worden vermeld indien gelaagdheid is aangebracht door een verdeling in subpopulaties met vergelijkbare kenmerken zoals concrete acties die bestaan uit financiële bijdragen van een programma aan financieringsinstrumenten, waardevolle elementen, fondsen (bij programma's die door meerdere fondsen worden gefinancierd).

(5)   Totaal aantal fouten minus correcties als bedoeld in punt 5.8, gedeeld door de totale populatie.

(6)   De algehele mate van betrouwbaarheid komt overeen met een van de vier categorieën als vastgesteld in tabel 2 van bijlage X bij de verordening.

(7)   Kolom A verwijst naar de populatie waaruit de willekeurige steekproef was genomen, d.w.z. het totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven die zijn opgenomen in het boekhoudsysteem van de beheersautoriteit/boekhoudfunctie, en die zijn opgenomen in de betalingsaanvragen die bij de Commissie zijn ingediend, minus negatieve steekproefeenheden, indien van toepassing. In voorkomend geval wordt in deel 5.4 een toelichting gegeven.

(8)   Het totale foutenpercentage wordt berekend vóór financiële correcties worden toegepast met betrekking tot de gecontroleerde steekproef of de populatie waarvan de willekeurige steekproef was genomen. Indien de willekeurige steekproef betrekking heeft op meer dan een fonds of programma is het totale foutenpercentage dat wordt (berekend) vermeld in kolom D van toepassing op de hele populatie. Indien gelaagdheid is aangebracht, wordt verdere informatie per laag verstrekt in deel 5.7.

(9)   Kolom G verwijst naar de gecontroleerde uitgaven in het kader van een aanvullende steekproef.

(10)   Bedrag aan gecontroleerde uitgaven (indien substeekproeven zijn gehanteerd, wordt alleen het bedrag van de uitgavenposten die daadwerkelijk zijn gecontroleerd in deze kolom opgenomen).

(11)   Percentage van de gecontroleerde uitgaven in verhouding tot de populatie.

9.3  Berekeningen die ten grondslag liggen aan de willekeurige steekproef, totaal foutenpercentage en resterend foutenpercentage

BIJLAGE XVIII

Model voor de auditstrategie – artikel 72

1.   INLEIDING

a)  Identificatie van het (de) programma('s) (titel(s) en CCI-nummer(s)(1)), de fondsen en periode die onder de auditstrategie vallen.

b)  Identificatie van de auditautoriteit die verantwoordelijk is voor de opstelling van, het toezicht op en de bijwerking van de auditstrategie, en van andere instanties die aan dit document hebben bijgedragen.

c)  Verwijzing naar de status van de auditautoriteit (nationale, regionale of lokale overheidsinstantie) en de instantie waar deze deel van uitmaakt.

d)  Verwijzing naar de beleidsverklaring, het audithandvest of de nationale wetgeving (indien van toepassing), met uitleg over de functies en verantwoordelijkheden van de auditautoriteit en andere instanties die controles uitvoeren onder haar verantwoordelijkheid.

e)  Bevestiging door de auditautoriteit dat de instanties die audits uitvoeren, over de nodige functionele en organisatorische onafhankelijkheid beschikken.

2.   RISICOBEOORDELING

 

a)  uitleg over de gebruikte risicobeoordelingsmethode; en

b)  interne procedures voor het bijwerken van de risicobeoordeling.

3.   METHODOLOGIE

3.1.   Overzicht

a)  Verwijzing naar de internationaal aanvaarde auditnormen die de auditautoriteit zal toepassen bij haar auditwerkzaamheden.

b)  Informatie over de wijze waarop de auditautoriteit haar zekerheid zal verkrijgen met betrekking tot programma’s in het standaard beheers- en controlesysteem en voor programma’s met verbeterde evenredige regelingen (beschrijving van de belangrijkste bouwstenen – soorten audits en hun toepassingsgebied).

c)  Verwijzing naar de bestaande procedures voor het opstellen van het jaarlijkse controleverslag en auditadvies die moeten worden ingediend bij de Commissie overeenkomstig artikel 71, lid 3, van de verordening, met de nodige uitzonderingen voor Interreg-programma’s op basis van de specifieke regels voor audits van concrete acties die gelden voor Interreg-programma’s, overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

d)  Verwijzing naar bestaande audithandleidingen of -procedures die een beschrijving bevatten van de belangrijkste stappen van de auditwerkzaamheden, waaronder de indeling en behandeling van de geconstateerde fouten bij de voorbereiding van het jaarlijkse controleverslag dat bij de Commissie moet worden ingediend overeenkomstig artikel 71, lid 3, van de verordening.

e)  In geval van Interreg-programma’s, verwijzing naar specifieke auditregelingen en uitleg over de manier waarop de auditautoriteit wil zorgen voor samenwerking met de Commissie met betrekking tot de audits van concrete acties in het kader van de gemeenschappelijke Interreg-steekproef die de Commissie moet nemen overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening].

f)  In geval van Interreg-programma’s, wanneer aanvullende auditwerkzaamheden nodig kunnen zijn overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening], verwijzing naar specifieke auditregelingen in dat verband en naar de follow-up van die aanvullende auditwerkzaamheden.

3.2.   Audits van de goede werking van beheers- en controlesystemen (systeemaudits)

Identificatie van de instanties/structuren die moeten worden gecontroleerd en de essentiële eisen in het kader van systeemaudits. De lijst omvat alle instanties die in de voorbije twaalf maanden zijn aangewezen.

Indien van toepassing, verwijzing naar de auditinstantie waar de auditautoriteit bij de uitvoering van deze audits op vertrouwt.

Vermelding van alle systeemaudits die gericht zijn op specifieke thematische gebieden of instanties, zoals:

a)  de kwaliteit en de kwantiteit van de administratieve beheersverificaties en de beheersverificaties ter plaatse met betrekking tot de naleving van de regels inzake overheidsopdrachten, staatssteunregels, milieuvoorschriften en ander toepasselijk recht;

b)  de kwaliteit van de projectselectie en van de beheersverificaties op het niveau van de beheersautoriteit of de intermediaire instantie;

c)  de opzet en de uitvoering van financieringsinstrumenten op het niveau van de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren;

d)  de werking en beveiliging van elektronische systemen, en hun interoperabiliteit met het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling van de Commissie;

e)  de betrouwbaarheid van gegevens met betrekking tot streefdoelen en mijlpalen en met betrekking tot de voortgang van het programma in de richting van de doelstellingen, zoals verstrekt door de beheersautoriteit;

f)  financiële correcties (inhoudingen op de rekeningen);

g)  de uitvoering van doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen, onderbouwd door een frauderisicobeoordeling.

3.3.   Audits van concrete acties, andere dan voor Interreg-programma’s

a)  Beschrijving van de steekproefmethode (of verwijzing naar een intern document waarin de methode wordt beschreven) die wordt gebruikt overeenkomstig artikel 73 van de verordening (en andere specifieke bestaande procedures voor audits van concrete acties, met name met betrekking tot de classificatie en behandeling van de vastgestelde fouten, met inbegrip van vermoedens van fraude).

b)  Er dient een afzonderlijke beschrijving te worden voorgesteld voor de jaren waarin de lidstaat de verbeterde evenredige regeling wenst toe te passen voor een of meer programma als bedoeld in artikel 77 van de verordening.

3.4.  Audits van concrete acties voor Interreg-programma’s

a)  Beschrijving van de behandeling van bevindingen en fouten (of verwijzing naar een intern document waarin deze behandeling wordt beschreven) die wordt gebruikt overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. [ETS-verordening], en andere specifieke bestaande procedures voor audits van concrete acties, met name met betrekking tot de gemeenschappelijke Interreg-steekproef die de Commissie ieder jaar moet nemen.

b)  Er moet ook een afzonderlijke beschrijving worden voorgesteld voor de jaren waarin de gemeenschappelijke steekproef voor audits van concrete acties voor Interreg-programma’s geen concrete acties of steekproefeenheden van het programma in kwestie bevat.

In dit geval moet een beschrijving worden gegeven van de steekproefmethode die door de auditautoriteit wordt gebruikt, en van andere bestaande specifieke procedures voor audits van concrete acties, met name met betrekking tot de classificatie en behandeling van vastgestelde fouten enz.

3.5.   Audit van de jaarrekening

Beschrijving van de auditaanpak voor audits van de jaarrekening.

3.6.   Verificatie van de beheersverklaring

Verwijzing naar de interne procedures die een overzicht geven van de werkwijze bij de verificatie van de door de beheersautoriteit opgestelde beheersverklaring, in het kader van het auditadvies.

4.   GEPLANDE AUDITWERKZAAMHEDEN

a)

Beschrijving en motivering van de auditprioriteiten en doelstellingen met betrekking tot het lopende boekjaar en de twee daaropvolgende boekjaren, en een toelichting bij de koppeling van de resultaten van de risicobeoordeling met de geplande auditwerkzaamheden;

b)

Een indicatieve lijst van auditopdrachten voor het lopende boekjaar en de twee daaropvolgende boekjaren voor systeemaudits (waaronder audits gericht op specifieke thematische gebieden), als volgt:

Autoriteiten/instanties of specifieke thematische gebieden die moeten worden gecontroleerd

CCI

Titel van het programma

Instantie verantwoordelijk voor de audit

Resultaat risicobeoordeling

20xx

Doelstelling audit en reikwijdte

20xx

Doelstelling audit en reikwijdte

20xx

Doelstelling audit en reikwijdte

5.   MIDDELEN

a)

Organogram van de auditautoriteit.

b)

Indicatie van de geplande middelen die zullen worden toegewezen met betrekking tot het lopende boekjaar en de twee daaropvolgende boekjaren (waaronder informatie over alle voorziene uitbestedingen en hun toepassingsgebied, indien van toepassing).

20190327-P8_TA(2019)0310_NL-p0000008.png

(1)    Vermeld de programma's die onder een gemeenschappelijk beheers- en controlesysteem vallen, indien één auditstrategie wordt opgesteld voor meerdere programma's.

BIJLAGE XIX

Model voor betalingsaanvragen – artikel 85, lid 3

BETALINGSAANVRAAG

EUROPESE COMMISSIE

___________________________________________________________________________________________________

Betrokken fonds(91):

<type="S" input="S" > (92)

Referentie van de Commissie (CCI):

<type="S" input="S">

Naam van het programma:

<type="S" input="G">

Besluit van de Commissie:

<type="S" input="G">

Datum van het besluit van de Commissie:

<type="D" input="G">

Nummer van de betalingsaanvraag:

<type="N" input="G">

Datum van indiening van de betalingsaanvraag:

<type="D" input="G">

Nationaal referentienummer (optioneel):

<type="S" maxlength="250" input="M">

___________________________________________________________________________________________________

Overeenkomstig artikel 85 van Verordening (EU) nr. 2018/jjjj [van de GB-verordening] heeft deze betalingsaanvraag betrekking op het boekjaar:

Van(93)

<type="D" input="G">

tot:

<type="D" input="G">

Uitgaven uitgesplitst naar prioriteit en regiocategorie, zoals opgenomen in de rekeningen van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent

(Inclusief programmabijdragen aan financieringsinstrumenten (artikel 86 van de verordening)

Prioriteit

Berekeningsgrondslag (publiek of totaal)(94)

Totaalbedrag van door begunstigden gedane subsidiabele uitgaven dat is betaald voor de uitvoering van concrete acties in de zin van artikel 85, lid 3, onder a), en artikel 85, lid 4

Bedrag voor technische bijstand in de zin van artikel 85, lid 3, onder b)

Totaalbedrag van de overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald in de zin van artikel 85, lid 3, onder c))

(A)

(B)

(C)

(D)

Prioriteit 1

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 2

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 3

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

 

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

OF

Uitgaven uitgesplitst naar specifieke doelstelling, zoals opgenomen in de rekeningen van de beheersautoriteit

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

Specifieke doelstelling

Berekeningsgrondslag (publiek of totaal)

Totaalbedrag van de door de begunstigden gedane subsidiabele uitgaven voor de uitvoering van concrete acties

Totaalbedrag van de overheidsuitgaven voor de uitvoering van concrete acties

(A)

(B)

(C)

Specifieke doelstelling 1

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Specifieke doelstelling 2

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Specifieke doelstelling 3

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

 

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

_________________________________________________________________________________________________

______

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

Prioriteit

Berekeningsgrondslag (publiek

of totaal) (')

(A)

Totaalbedrag van door begunstigden gedane subsidiabele uitgaven dat is betaald voor de uitvoering van concrete acties in de zin van artikel 85, lid 3, onder a), en artikel 85, lid 4

(B)

Bedrag voor technische bijstand in de zin van artikel 85, lid 3, onder b)

(C)

Totaalbedrag van de overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald in de zin van artikel 85, lid 3, onder c)

(D°(C)

Prioriteit 1

<type='S' input='C'>

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 2

<type='S' input='C'>

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 3

<type='S' input='C'>

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

 

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

VERKLARING

Door deze betalingsaanvraag te valideren verzoekt de boekhoudfunctie/beheersautoriteit om betaling van de hieronder vermelde bedragen.

Namens de instantie die verantwoordelijk is voor de boekhoudfunctie:

Of

Namens de beheersautoriteit die verantwoordelijk is voor de boekhoudfunctie:

<type="S" input="G">

BETALINGSAANVRAAG

FONDS

 

Minder ontwikkelde regio's

Overgangsregio's

Meer ontwikkelde regio's

Ultraperifere gebieden of noordelijke dunbevolkte gebieden

(A)

(B)

(C)

(D)

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="G">

 

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

___________________________________________________________________________________________________

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

Of

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

Fonds

 

Bedragen

<type="S" input="G">

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

 

Actietype 2 [Verwijzing naar artikel 8, lid 2, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

 

Actietype 3 [Verwijzing naar artikel 8, leden 3 en 4, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="G">

 

Actietype 4 [Verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van de AMIF-/ISF-/BMI-verordening]

<type="Cu" input="G">

FONDS

BEDRAG

<type="S" input="G">

<type="Cu" input="G">

Betaling zal plaatsvinden op de volgende bankrekening:

Aangewezen instantie

<type="S" maxlength="150" input="G">

Bank

<type="S" maxlength="150" input="G">

BIC-code

<type="S" maxlength="11" input="G">

IBAN-code bankrekening

<type="S" maxlength="34" input="G">

Rekeninghouder (indien deze niet de aangewezen instantie is)

<type="S" maxlength="150" input="G">

Aanhangsel: Informatie over programmabijdragen aan financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 86 van de verordening, die zijn opgenomen in de betalingsaanvragen (cumulatief vanaf de aanvang van het programma)

 

Bedrag dat in de eerste betalingsaanvraag is opgenomen en aan het financieringsinstrument is betaald overeenkomstig artikel 86 (maximaal [25 %] van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat in het kader van de desbetreffende financieringsovereenkomst is vastgelegd voor [het/de] financieringsinstrument[en])

Overeenkomstige goedgekeurde bedrag als bedoeld in artikel 86, lid 3(95)

(A)

(B)

(C)

(D)

Prioriteit

Totaalbedrag van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Totaalbedrag van programmabijdragen die effectief zijn betaald, of, in geval van garanties, zijn vastgelegd, als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 86

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Prioriteit 1

 

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke dunbevolkte regio’s

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 2

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 3

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke

dunbevolkte regio’s

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

Het model wordt automatisch aangepast op basis van het CCI-nummer. Bijvoorbeeld: in geval van programma's zonder regiocategorieën (Cohesiefonds, ETS, EFMZV indien van toepassing) of in geval van programma's zonder differentiëring van de medefinancieringspercentages binnen een prioriteit (specifieke doelstelling), ziet de tabel er als volgt uit:

 

Bedrag dat in de eerste betalingsaanvraag is opgenomen en aan het financieringsinstrument is betaald overeenkomstig artikel 86 (maximaal [25 %] van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat in het kader van de desbetreffende financieringsovereenkomst is vastgelegd voor [het/de] financieringsinstrument[en])

Overeenkomstige goedgekeurde bedrag als bedoeld in artikel 86, lid 3(96)

(A)

(B)

(C)

(D)

Prioriteit

Totaalbedrag van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Totaalbedrag van programmabijdragen die effectief zijn betaald, of, in geval van garanties, zijn vastgelegd, als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 86

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Prioriteit 1

 

 

 

 

Prioriteit 2

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 3

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

Of

Uitsluitend van toepassing voor het AMIF/ISF en het BMVI

 

Bedrag dat in de eerste betalingsaanvraag is opgenomen en aan het financieringsinstrument is betaald overeenkomstig artikel 86 (maximaal [25 %] van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat in het kader van de desbetreffende financieringsovereenkomst is vastgelegd voor [het/de] financieringsinstrument[en])

Overeenkomstige goedgekeurde bedrag als bedoeld in artikel 86, lid 3(97)

(A)

(B)

(C)

(D)

 

Totaalbedrag van aan financieringsinstrumenten betaalde programmabijdragen

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Totaalbedrag van programmabijdragen die effectief zijn betaald, of, in geval van garanties, zijn vastgelegd, als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 86

Bedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage

Specifieke doelstelling 1

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Specifieke doelstelling 2

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Specifieke doelstelling 3

 

 

 

 

Actietype 1 [Verwijzing naar artikel 8, lid 1, van de AMIF-/ISF-/BMVI-verordening]

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Algemeen totaal

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

<type="Cu" input="G">

BIJLAGE XX

Model voor de rekeningen – artikel 92, lid 1, onder a)

REKENINGEN VOOR BOEKJAAR

<type="D" – type="D" input="S">

EUROPESE COMMISSIE

___________________________________________________________________________________________________

Betrokken fonds(98):

<type="S" input="S" > (99)

Referentie van de Commissie (CCI):

<type="S" input="S">

Naam van het programma:

<type="S" input="G">

Besluit van de Commissie:

<type="S" input="G">

Datum van het besluit van de Commissie:

<type="D" input="G">

Versie van de rekeningen:

<type="S" input="G">

Datum van indiening van de rekeningen:

<type="D" input="G">

Nationaal referentienummer (optioneel):

<type="S" maxlength="250" input="M">

______________________________________________________________________________________________

VERKLARING

De beheersautoriteit die verantwoordelijk is voor het programma, bevestigt hierbij dat:

1)  de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarachtig zijn en dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht en wettig en regelmatig zijn;

2)  de bepalingen van de fondsspecifieke verordeningen, van artikel 63, lid 5, van Verordening (EU, Euratom) nr. [Financieel Reglement] en in de punten a) tot en met e) van artikel 68 van de verordening zijn nageleefd;

3)  de bepalingen in artikel 76 met betrekking tot de beschikbaarheid van documenten zijn nageleefd.

Namens de beheersautoriteit:

<type="S" input="G">

Aanhangsel 1: In de boekhoudsystemen van de boekhoudfunctie/beheersautoriteit opgenomen bedragen

Prioriteit

Totaalbedrag van de subsidiabele uitgaven die zijn opgenomen in de boekhoudsystemen van de instantie die de boekhoudfunctie uitoefent en die zijn opgenomen in betalingsaanvragen voor het boekjaar in de zin van artikel 92, lid 3, onder a)

(A)

Het bedrag voor technische bijstand in de zin van artikel 85, lid 3, onder b)

(B)

Totaalbedrag van de overeenkomstige overheidsbijdrage die is betaald of zal worden betaald in de zin van artikel 92, lid 3, onder a)

(C)

Prioriteit 1

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Meer ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Ultraperifere gebieden

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Noordelijke dunbevolkte regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Prioriteit 2

 

 

 

Minder ontwikkelde regio's

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

<type="Cu" input="M">

Overgangsregio's

&lt;type="Cu" input="M"&gt; </