Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 16 april 2019 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming ***I
 Toetreding van de EU tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen ***
 Actie van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen ***I
 Overeenkomst tussen de EU en de Filipijnen inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten ***
 Internationale Overeenkomst voor olijfolie en tafelolijven ***
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Viorel Ștefan
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Ivana Maletić
 Bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden ***I
 Grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (richtlijn) ***I
 Grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (verordening) ***I
 Kapitaalvereisten (verordening) ***I
 Kapitaalvereisten (richtlijn) ***I
 Verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (verordening) ***I
 Verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (richtlijn) ***I
 Door overheidsobligaties gedekte effecten ***I
 Europese toezichthoudende autoriteiten en financiële markten ***I
 Macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s ***I
 Markten voor financiële instrumenten en de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) ***I
 Prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen (richtlijn) ***I
 Prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen (verordening)***I
 Transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie ***I
 Europese Arbeidsautoriteit ***I
 Instandhouding van visbestanden en bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen ***I
 Verordening betreffende Europese bedrijfsstatistieken ***I
 Onderzoeken door OLAF en samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie ***I
 Vaststelling van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur ***I
 Vaststelling van het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane ***I
 Het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven ***I
 Gemeenschappelijk kader voor Europese statistieken betreffende personen en huishoudens ***I
 Interoperabiliteit tussen de EU-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa ***I
 Interoperabiliteit tussen de EU-informatiesystemen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie ***I
 Europees netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen ***I
 Voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de algemene veiligheid betreft ***I

Communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming ***I
PDF 213kWORD 57k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming (COM(2018)0307 – C8-0182/2018 – 2018/0154(COD))
P8_TA(2019)0359A8-0395/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0307),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0182/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0395/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming

P8_TC1-COD(2018)0154


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 338, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad(2) wordt een gemeenschappelijk en vergelijkbaar juridisch kader vastgesteld voor Europese statistieken over migratie en internationale bescherming.

(2)  Om tegemoet te komen aan nieuwe behoeften binnen de Unie aan statistieken over asiel migratie en beheerde migratie internationale bescherming en aangezien de kenmerken van migratie en hun facetten de migratiebewegingen snel veranderen, bestaat een behoefte aan een kader dat het toelaat om snel te reageren op veranderende behoeften op het gebied van statistieken over asiel migratie en beheerde migratie internationale bescherming. [Am. 1]

(2 bis)  Aangezien de aard van de huidige migratiestromen divers is en voortdurend verandert, zijn uitgebreide en vergelijkbare, naar gender uitgesplitste statistische gegevens over de migrantenbevolking nodig om de realiteit van de situatie te kunnen begrijpen, om kwetsbaarheden en ongelijkheden vast te kunnen stellen en om beleidsmakers te kunnen voorzien van betrouwbare gegevens en informatie voor de ontwikkeling van toekomstig overheidsbeleid. [Am. 2]

(3)  Om de Unie te ondersteunen bij het doeltreffend reageren op de problemen die migratie stelt, en bij het ontwikkelen van genderbewuste en op de mensenrechten gebaseerde beleidsmaatregelen, is er behoefte aan gegevens over asiel migratie en beheerde migratie internationale bescherming over perioden korter dan een jaar. [Am. 3]

(4)  Statistieken over asiel migratie en beheerde migratie internationale bescherming zijn van fundamenteel belang voor de bestudering, vaststelling en evaluatie van een groot aantal beleidsdomeinen, en vooral om te reageren op de binnenkomst van personen die bescherming in Europa zoeken, zodat de best mogelijke oplossingen kunnen worden geboden. [Am. 4]

(4 bis)  Tevens zijn statistieken over migratie en internationale bescherming van fundamenteel belang om een overzicht te hebben van de migratiebewegingen binnen de Unie en de lidstaten toe te laten het Unierecht goed toe te passen, met inachtneming van de grondrechten, zoals opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”) en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. [Am. 5]

(4 ter)  Personen die op grond van hun gender worden vervolgd, kunnen om internationale bescherming verzoeken en deze krijgen. De statistische instanties van de lidstaten en van de Unie moeten statistieken verzamelen over verzoeken om internationale bescherming op grond van gendergerelateerde kwesties, met inbegrip van gendergerelateerd geweld. [Am. 6]

(5)  Om de kwaliteit, en vooral de vergelijkbaarheid, van de door de lidstaten verschafte gegevens te garanderen en om op Unieniveau betrouwbare overzichten op te stellen, moeten de gebruikte gegevens op dezelfde begrippen worden gebaseerd en dezelfde referentiedatum of -periode betreffen.

(6)  De verstrekte gegevens over asiel migratie en beheerde migratie internationale bescherming moeten overeenstemmen met de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 862/2007 verkregen relevante informatie.

(7)  Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad(3) biedt een referentiekader voor Europese statistieken over migratie en internationale bescherming. Het vereist vooral inachtneming van de beginselen van professionele onafhankelijkheid, onpartijdigheid, objectiviteit, betrouwbaarheid, statistische geheimhouding en kosteneffectiviteit.

(8)  Bij de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken moeten de nationale en Europese bureaus voor de statistiek, en, indien van toepassing, andere relevante nationale en regionale instanties, rekening houden met de beginselen van de praktijkcode Europese statistieken, zoals herzien en bijgewerkt door het Comité voor het Europees statistisch systeem op 28 september 2011.

(9)  Daar de doelstelling van deze verordening, te weten het herzien en aanvullen van de bestaande gemeenschappelijke voorschriften voor het verzamelen en het opstellen van Europese statistieken over migratie en internationale bescherming, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege harmonisatie en vergelijkbaarheid beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(9 bis)  Om de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 862/2007 te verwezenlijken, moeten voldoende financiële middelen worden toegewezen voor de verzameling, analyse en verspreiding van hoogwaardige nationale en statistieken en statistieken van de Unie over migratie en internationale bescherming, met name door ondersteuning van acties op dat gebied overeenkomstig Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad(4). [Am. 7]

(10)  Deze verordening garandeert het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, die zijn , het recht op non-discriminatie en het recht op gelijkheid van vrouwen en mannen, zoals neergelegd in de artikelen 7 , 8, 21 en 8 23 van het Handvest en in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(5). [Am. 8]

(10 bis)  Door naar gender uitgesplitste gegevens te verzamelen, kunnen de specifieke kwetsbaarheden en capaciteiten van vrouwen en mannen in kaart worden gebracht en worden geanalyseerd, waardoor kloven en ongelijkheden aan het licht komen. Dankzij genderresponsieve gegevens op het gebied van migratie kan gelijkheid worden bevorderd en kunnen kansarme groepen meer mogelijkheden krijgen. Er moet in migratiestatistieken ook rekening worden gehouden met variabelen zoals genderidentiteit en seksuele geaardheid wanneer gegevens worden verzameld over de ervaringen van personen die tot de LGBTQI+-gemeenschap behoren en over ongelijkheden in migratie- en asielprocedures. [Am. 9]

(11)  Om uniforme voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 862/2007 moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend in verband met de specificatie van uitsplitsingen. Die vastlegging van regels inzake de gepaste formaten voor de toezending van gegevens. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(6). [Am. 10]

(11 bis)  Teneinde Verordening (EG) nr. 862/2007 aan te passen aan de technologische en economische ontwikkelingen moet aan de Commissie overeenkomstig artikel 290 VWEU de bevoegdheid worden overgedragen handelingen vast te stellen om bepaalde definities in Verordening (EG) nr. 862/2007 te actualiseren en de verordening aan te vullen, om het groeperen van gegevens en verdere uitsplitsingen te bepalen en de regels inzake nauwkeurigheids- en kwaliteitsnormen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(7). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 11]

(11 ter)  Voor een doeltreffend toezicht op de toepassing van Verordening (EG) nr. 862/2007 moeten regelmatig evaluaties worden verricht. De Commissie moet de op grond van Verordening (EG) nr. 862/2007 opgestelde statistieken, hun kwaliteit en tijdige toezending ten behoeve van verslagen aan het Europees Parlement en de Raad grondig evalueren. Er moet nauw overleg worden gepleegd met alle instanties die asielgegevens verzamelen, waaronder VN-organisaties en andere relevante internationale en niet-gouvernementele organisaties. [Am. 12]

(12)  Verordening (EG) nr. 862/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)  Het Comité voor het Europees statistisch systeem is geraadpleegd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 862/2007 wordt als volgt gewijzigd:

-1)  In artikel 1 wordt punt c) vervangen door:"

"c) de administratieve en gerechtelijke procedures in de lidstaten met betrekking tot immigratie, de verlening van verblijfsvergunningen, staatsburgerschap, asiel en andere vormen van internationale bescherming, irreguliere binnenkomst en irregulier verblijf en terugkeer."; [Am. 13]

"

-1 bis)  Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt punt j) vervangen door:"

“j) "verzoek om internationale bescherming": een verzoek om internationale bescherming zoals gedefinieerd in artikel 2, onder h), van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad(8);”; [Am. 14]

"

b)  in lid 1 wordt punt k) vervangen door:"

"k) "vluchtelingenstatus": vluchtelingenstatus zoals gedefinieerd in artikel 2, onder e), van Richtlijn 2011/95/EU;"; [Am. 15]

"

c)  in lid 1 wordt punt l) vervangen door:"

"l) "subsidiairebeschermingsstatus": subsidiairebeschermingsstatus zoals gedefinieerd in artikel 2, onder g), van Richtlijn 2011/95/EU;"; [Am. 16]

"

d)  lid 1, wordt punt m) vervangen door:"

"m) "gezinsleden": gezinsleden in de zin van artikel 2, onder g), van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad(9);"; [Am. 17]

"

e)  in lid 1 wordt punt o) vervangen door:"

"o "niet-begeleide minderjarigen": niet-begeleide minderjarigen zoals gedefinieerd in artikel 2, onder l), van Richtlijn 2011/95/EU;"; [Am. 18]

"

f)  lid 1 wordt punt p) vervangen door:"

"p) "buitengrenzen": buitengrenzen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad(10);"; [Am. 19]

"

g)  in lid 1 wordt punt q) vervangen door:"

"q) "onderdanen van derde landen aan wie de toegang wordt ontzegd": onderdanen van derde landen aan wie aan de buitengrenzen de toegang wordt ontzegd omdat zij niet voldoen aan alle toegangsvoorwaarden, zoals vastgesteld in artikel 6, punt 1, van Verordening (EU) 2016/399, en niet behoren tot de categorieën personen, genoemd in artikel 6, punt 5, van die verordening;"; [Am. 20]

"

h)  aan lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"s bis) "verwijdering": verwijdering als bedoeld in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad(11);”; [Am. 21]

"

i)  aan lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"s ter) "vrijwillig vertrek": vrijwillig vertrek als omschreven in artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/115/EG;"; [Am. 22]

"

j)  aan lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"s quater) "ondersteund vrijwillig vertrek": vrijwillig vertrek als omschreven in artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/115/EG, met ondersteuning op logistiek, financieel of materieel gebied."; [Am. 23]

"

k)  lid 3 wordt geschrapt. [Am. 24]

-1 ter)  Artikel 3 wordt vervangen door:"

"Artikel 3

Statistieken over internationale migratie, inwoners en de verwerving van staatsburgerschap

1.  De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) statistieken over het aantal:

   a) immigranten naar het grondgebied van de lidstaat, met de volgende uitsplitsingen:
   i) groepen naar staatsburgerschap naar leeftijd en gender;
   ii) groepen naar geboorteland naar leeftijd en gender;
   iii) groepen naar land van vorige gewone verblijfplaats naar leeftijd en gender;
   b) emigranten uit het grondgebied van de lidstaat, met de volgende uitsplitsingen:
   i) groepen naar staatsburgerschap;
   ii) naar leeftijd;
   iii) naar gender;
   iv) groepen naar landen van volgende gewone verblijfplaats;
   c) personen die hun gewone verblijfplaats aan het einde van de referentieperiode in de lidstaat hebben, met de volgende uitsplitsingen:
   i) groepen naar staatsburgerschap naar leeftijd en gender;
   ii) groepen naar geboorteland naar leeftijd en gender;
   d) personen die hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van de lidstaat hebben en tijdens het referentiejaar het staatsburgerschap van de lidstaat hebben verworven en daarvoor staatsburger was van een andere lidstaat of een derde land of dat daarvoor staatloos waren, uitgesplitst naar leeftijd en gender en naar het vorige staatsburgerschap of de voorafgaande staatloosheid van de betrokken personen;
   d bis) personen die hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van de lidstaat hebben en aan wie tijdens het referentiejaar een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, uitgesplitst naar leeftijd en gender.

2.  De referentieperiode voor de in lid 1 bedoelde statistieken bedraagt een kalenderjaar en de statistieken worden binnen twaalf maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. Het eerste referentiejaar is 2020."; [Am. 25]

"

1)  Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

-a)  in de eerste alinea van lid 1 wordt punt c) vervangen door:"

"c) verzoeken om internationale bescherming die tijdens de referentieperiode zijn ingetrokken, uitgesplitst naar soort intrekking;"; [Am. 26]

"

a)  in lid 1 worden de volgende punten toegevoegd:"

"d) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een door een gezinslid ingediend verzoek om internationale bescherming zijn inbegrepen en voor de eerste keer verzoeken om internationale bescherming;

   d bis) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en van wie de aanvragen zijn verwerkt volgens de versnelde procedure als bedoeld in artikel 31, lid 8, van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad(12); [Am. 27]
   d ter) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en van wie de verzoeken zijn verwerkt volgens de grensprocedures als bedoeld in artikel 43 van Richtlijn 2013/32/EU; [Am. 28]
   d quater) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en die zijn uitgezonderd van de versnelde procedure of de grensprocedure, overeenkomstig artikel 24, lid 3, en artikel 25, lid 6, van Richtlijn 2013/32/EU; [Am. 29]
   d quinquies) personen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend zonder geregistreerd te zijn in Eurodac, als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad(13); [Am. 30]
   d sexies) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en die in staat zijn bewijsstukken over te leggen die kunnen bijdragen tot de vaststelling van de identiteit; [Am. 31]
   d septies) personen die tijdens de referentieperiode een volgend verzoek om internationale bescherming hebben ingediend als bedoeld in artikel 40 van Richtlijn 2013/32/EU of in een door een gezinslid ingediend verzoek om internationale bescherming zijn inbegrepen; [Am. 32]
   d octies) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en die in bewaring worden gehouden overeenkomstig Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad(14) aan het einde van de referentieperiode, uitgesplitst naar maand waarin die personen in bewaring zijn gesteld en de redenen voor de bewaring; [Am. 33]
   d novies) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en het onderwerp vormen van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een bevel tot bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2013/33/EU; [Am. 34]
   d decies) personen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en het onderwerp vormen van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een alternatieve maatregel voor bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2013/33/EU, tijdens de referentieperiode, als volgt uitgesplitst naar soort alternatieve maatregel:
   i) rapportering:
   ii) stellen van een borgsom;
   iii) verplichting om op een bepaalde plaats te blijven;
   iv) ander soort alternatieve maatregel voor bewaring; [Am. 35]
   d undecies) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en het onderwerp vormden van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een alternatieve maatregel voor bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2013/33/EU, aan het einde van de referentieperiode, uitgesplitst naar de maand waarin het administratieve of juridische besluit of de handeling tegen deze personen was afgegeven, en verder als volgt uitgesplitst naar soort alternatieve maatregel:
   i) rapportering;
   ii) stellen van een borgsom;
   iii) verplichting om op een bepaalde plaats te blijven;
   iv) ander soort alternatieve maatregel voor bewaring; [Am. 36]
   d duodecies) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en van wie een leeftijdsbepaling is verricht; [Am. 37]
   d terdecies) besluiten inzake leeftijdsbepalingen van verzoekers, uitgesplitst als volgt:
   i) bepalingen met als resultaat dat de verzoeker minderjarig is;
   ii) bepalingen met als resultaat dat de verzoeker meerderjarig is;
   iii) bepalingen zonder resultaat of niet afgeronde bepalingen; [Am. 38]
   d quaterdecies) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en waarvan is geconstateerd dat zij bijzondere procedurele waarborgen behoeven overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn 2013/32/EU, of dat zij bijzondere opvangbehoeften hebben als bedoeld in artikel 2, punt k), van Richtlijn 2013/33/EU; [Am. 39]
   d quindecies) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en die kosteloze rechtsbijstand ontvangen overeenkomstig artikel 20 van Richtlijn 2013/32/EU, uitgesplitst naar procedures in eerste en tweede aanleg; [Am. 40]
   d sedecies) personen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid zijn inbegrepen en aan wie aan het einde van de referentieperiode materiële opvangvoorzieningen zijn toegekend die de verzoekers een waardige levensstandaard bieden, overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2013/33/EU; [Am. 41]
   d septies decies) personen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend als niet-begeleide minderjarige voor wie tijdens de referentieperiode een vertegenwoordiger is aangesteld overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2013/32/EU; [Am. 42]
   d octies decies) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en als niet-begeleide minderjarige zijn erkend en aan wie toegang tot het onderwijsstelsel is aangeboden op grond van artikel 14 van Richtlijn 2013/33/EU; [Am. 43]
   d novies decies) personen die tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en als niet-begeleide minderjarige zijn erkend en op grond van artikel 31 van Richtlijn 2011/95/EU is geplaatst, uitgesplitst naar reden voor de plaatsing; [Am. 44]
   d vicies) het gemiddelde aantal niet-begeleide minderjarigen per voogd tijdens de referentieperiode.”; [Am. 45]

"

b)  de laatste alinea van lid 1 wordt vervangen door:"

"Deze statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en geslacht gender en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. De referentieperiode bedraagt een kalendermaand en de statistieken worden binnen twee maanden na het eind van de referentiemaand bij de Commissie (Eurostat) ingediend. De eerste referentiemaand is januari 2020."; [Am. 46]

"

b bis)  in lid 2 wordt punt a) vervangen door:"

"a) personen die het onderwerp vormen van beslissingen in eerste aanleg tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie tijdens de referentieperiode, uitgesplitst als volgt:

   i) beslissingen van niet-ontvankelijkheid, verder uitgesplitst naar reden voor de niet-ontvankelijkheid,
   ii) beslissingen tot afwijzing van verzoeken als ongegrond,
   iii) beslissingen tot afwijzing van verzoeken als kennelijk ongegrond in de reguliere procedure, verder uitgesplitst naar reden voor de afwijzing,
   iv) beslissingen tot afwijzing van verzoeken als kennelijk ongegrond in de versnelde procedure, verder uitgesplitst naar reden voor toepassing van de versnelde procedure en voor de afwijzing,
   v) beslissingen tot afwijzing van verzoeken omdat de verzoeker in zijn land van herkomst binnenlandse bescherming kan genieten op grond van artikel 8 van Richtlijn 2011/95/EU;"; [Am. 47]

"

b ter)  in lid 2 wordt punt b) vervangen door:"

"b) personen die het onderwerp vormen van beslissingen in eerste aanleg, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie, tot verlening, intrekking, beëindiging of afwijzing van het verlengen van de vluchtelingenstatus op basis van beëindiging, uitsluiting of andere redenen; beslissingen inzake beëindiging of uitsluiting worden verder uitgesplitst naar de specifieke redenen waarop de beëindiging of uitsluiting zijn gebaseerd;"; [Am. 48]

"

b quater)  in lid 2 wordt punt c) vervangen door:"

"c) personen die het onderwerp vormen van beslissingen in eerste aanleg, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie, tot verlening, intrekking, beëindiging of afwijzing van het verlengen van de subsidiairebeschermingsstatus op basis van beëindiging, uitsluiting of andere redenen; beslissingen inzake beëindiging of uitsluiting worden verder uitgesplitst naar de specifieke redenen waarop de beëindiging of uitsluiting zijn gebaseerd;"; [Am. 49]

"

b quinquies)  in lid 2 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"(e bis) personen die het onderwerp vormen van beslissingen in eerste aanleg tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie, uitgesplitst naar soort beslissing, duur van de beperking of intrekking en reden voor de beperking of intrekking."; [Am. 50]

"

c)  in lid 2 wordt de laatste alinea vervangen door:"

"Deze statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en geslacht gender en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. De referentieperiode bedraagt drie kalendermaanden en de statistieken worden binnen twee maanden na het einde van de referentieperiode aan de Commissie (Eurostat) verstrekt. De eerste referentieperiode loopt van januari tot en met maart 2020.

Deze statistieken worden verder uitgesplitst naar na een persoonlijk onderhoud genomen beslissingen en zonder persoonlijk onderhoud genomen beslissingen. Statistieken over na een persoonlijk onderhoud genomen beslissingen worden verder uitgesplitst naar persoonlijke onderhouden waarbij de verzoeker werd bijgestaan door een tolk en persoonlijke onderhouden waarbij de verzoeker niet werd bijgestaan door een tolk."; [Am. 51]

"

d)  in lid 3 wordt punt a) geschrapt.

d bis)  in lid 3 wordt punt b) vervangen door:"

"b) personen die het onderwerp vormen van definitieve beslissingen tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, tijdens de referentieperiode door een administratieve of gerechtelijke instantie genomen in een beroeps- of herzieningsprocedure, als volgt uitgesplitst:

   i) beslissingen van niet-ontvankelijkheid, verder uitgesplitst naar reden voor de niet-ontvankelijkheid,
   ii) beslissingen tot afwijzing van verzoeken als ongegrond,
   iii) beslissingen tot afwijzing van verzoeken als kennelijk ongegrond in de reguliere procedure, verder uitgesplitst naar reden voor de afwijzing,
   iv) beslissingen tot afwijzing van verzoeken als kennelijk ongegrond in de versnelde procedure, verder uitgesplitst naar reden voor toepassing van de versnelde procedure en voor de afwijzing,
   v) beslissingen tot afwijzing van verzoeken omdat de verzoeker in zijn land van herkomst binnenlandse bescherming kan genieten op grond van artikel 8 van Richtlijn 2011/95/EU;"; [Am. 52]

"

d ter)  in lid 3 wordt punt c) vervangen door:"

"c) personen die het onderwerp vormen van definitieve beslissingen, tijdens de referentieperiode genomen door administratieve of gerechtelijke instanties, tot verlening, intrekking, beëindiging of afwijzing van het verlengen van de vluchtelingenstatus op basis van beëindiging, uitsluiting of andere redenen; beslissingen inzake beëindiging of uitsluiting worden verder uitgesplitst naar de specifieke redenen waarop de beëindiging of uitsluiting zijn gebaseerd;"; [Am. 53]

"

d quater)  in lid 3 wordt punt d) vervangen door:"

"d) personen die het onderwerp vormen van definitieve beslissingen, tijdens de referentieperiode genomen door administratieve of gerechtelijke instanties, tot verlening, intrekking, beëindiging of afwijzing van het verlengen van de subsidiairebeschermingsstatus op basis van beëindiging, uitsluiting of andere redenen; beslissingen inzake beëindiging of uitsluiting worden verder uitgesplitst naar de specifieke redenen waarop de beëindiging of uitsluiting zijn gebaseerd;"; [Am. 54]

"

d quinquies)  aan lid 3 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"g bis) personen die het onderwerp vormen van definitieve beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie, uitgesplitst naar soort beslissing, duur van de beperking of intrekking en reden voor de beperking of intrekking."; [Am. 55]

"

e)  in lid 3 wordt de laatste alinea vervangen door:"

“De statistieken onder punten b), c), d) e), f) en g) worden uitgesplitst naar leeftijd en geslacht gender, naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. Bovendien worden de statistieken wat betreft punt g) per land van verblijf en per type asielbeslissing uitgesplitst. De referentieperiode bedraagt een kalenderjaar en de statistieken worden binnen drie maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. Het eerste referentiejaar is 2020.”; [Am. 56]

"

e bis)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"3 bis. De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) statistieken over de duur van de beroepsprocedures, in kalenderdagen, vanaf het tijdstip waarop het beroep wordt ingesteld tot het tijdstip waarop in eerste aanleg over het beroep wordt beslist."; [Am. 57]

"

f)  lid 4, onder d), wordt vervangen door:"

"d) het aantal overdrachten waartoe de onder c) en onder h) genoemde beslissingen hebben geleid;";

"

g)  aan lid 4 worden de volgende punten toegevoegd:"

"f) het aantal verzoeken tot heroverweging van terugname en overname van een asielzoeker;"

   g) de bepalingen waarop de onder f) genoemde verzoeken gebaseerd zijn;
   h) de beslissingen die ten aanzien van de onder f) genoemde verzoeken zijn genomen.";

"

h)  in lid 4 wordt de laatste alinea vervangen door:"

“Deze statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en gender en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. De referentieperiode bedraagt een kalenderjaar kalendermaand en de statistieken worden binnen drie maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. Het De eerste referentiejaar referentieperiode is januari 2020.”; [Am. 58]

"

h bis)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

"4 bis. De in lid 1 tot 4 bedoelde statistische gegevens worden uitgesplitst naar maand van indiening van het verzoek."; [Am. 59]

"

1 bis)  Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:"

“Statistieken over de preventie van irreguliere binnenkomst en irregulier verblijf”; [Am. 60]

"

b)  in lid 1 wordt punt a) vervangen door de volgende tekst:"

“a) onderdanen van derde landen aan wie toegang tot het grondgebied van de lidstaat aan de buitengrens is geweigerd, uitgesplitst naar leeftijd, gender en staatsburgerschap;"; [Am. 61]

"

c)  in lid 1 wordt punt b) vervangen door:"

"b) onderdanen van derde landen die op grond van de nationale immigratiewetgeving irregulier op het grondgebied van de lidstaat verblijven."; [Am. 62]

"

d)  de derde alinea van lid 1 wordt vervangen door:"

“De onder b) bedoelde statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en gender, naar het staatsburgerschap en naar de redenen voor aanhouding en plaats van aanhouding van de betrokken personen.”; [Am. 63]

"

2)  Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) statistieken over:

   -a) het aantal aanvragen voor eerste verblijfsvergunningen door onderdanen van derde landen, uitgesplitst naar staatsburgerschap, reden voor de aanvraag van de vergunning, leeftijd en gender; [Am. 64]
   -a bis) het aantal afgewezen aanvragen voor eerste verblijfsvergunningen door onderdanen van derde landen, uitgesplitst naar staatsburgerschap, reden voor de weigering, leeftijd en gender; [Am. 65]
   -a ter) het aantal gedurende de referentieperiode geweigerde aanvragen voor verblijfsvergunningen bij wijziging van de immigratiestatus of verblijfsgrond, uitgesplitst naar staatsburgerschap, reden voor de weigering, leeftijd en gender; [Am. 66]
   a) het aantal verblijfsvergunningen dat aan onderdanen van derde landen werd verleend, met de volgende uitsplitsingen:
   i) gedurende de referentieperiode verleende eerste verblijfsvergunningen die de betrokkene toestemming geven in het land te verblijven, uitgesplitst naar staatsburgerschap, verblijfsgrond en geldigheidsduur van de vergunning, leeftijd en geslacht gender; [Am. 67]
   ii) gedurende de referentieperiode verleende verblijfsvergunningen bij wijziging van de immigratiestatus of verblijfsgrond van de betrokkene, uitgesplitst naar staatsburgerschap, verblijfsgrond en geldigheidsduur van de vergunning, leeftijd en geslacht gender; [Am. 68]
   iii) aan het eind van de referentieperiode geldige verblijfsvergunningen (aantal verleende verblijfsvergunningen dat niet is ingetrokken of verlopen), uitgesplitst naar staatsburgerschap, verblijfsgrond en geldigheidsduur van de vergunning, leeftijd en geslacht gender; [Am. 69]
   b) het aantal langdurig ingezetenen aan het eind van de referentieperiode, uitgesplitst naar type langetermijnstatus, leeftijd en geslacht gender. [Am. 70]

Voor de in de punten -a), -a bis) en a) vereiste gegevens worden aanvragen om familieredenen verder uitgesplitst naar reden en status van de gezinshereniger van een onderdaan van een derde land.”; [Am. 71]

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

"De in lid 1 bedoelde statistische gegevens hebben betrekking op referentieperioden van één kalenderjaar en worden binnen zes maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. Het eerste referentiejaar is 2020.".

"

3)  Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

-a)  in lid 1 wordt punt a) vervangen door de volgende tekst:"

"a) het aantal onderdanen van derde landen van wie de irreguliere aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat is vastgesteld en die het onderwerp vormen van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling waarin wordt vastgesteld of verklaard dat hun verblijf irregulier is en waarin hen tot het verlaten van het grondgebied van de lidstaat wordt verplicht, uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en de redenen voor de beslissing;"; [Am. 72]

"

-a bis)  in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"a bis) het aantal onder a) van dit lid bedoelde onderdanen van derde landen dat het onderwerp vormde van een administratieve beslissing of handeling waarin een inreisverbod als bedoeld in artikel 11 van Richtlijn 2008/115/EG is opgelegd aan het einde van de referentieperiode, uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de betrokken personen;"; [Am. 73]

"

-a ter)  in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"a ter) het aantal onderdanen van derde landen dat tijdens de referentieperiode het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG ;"; [Am. 74]

"

-a quater)  in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"a quater) het aantal onderdanen van derde landen dat tijdens de referentieperiode het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG, uitgesplitst naar de maand waarin deze onderdanen van derde landen in detentie zijn geplaatst;"; [Am. 75]

"

-a quinquies)  in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"a quinquies) het aantal onderdanen van derde landen dat tijdens de referentieperiode het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een alternatieve maatregel voor bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG, uitgesplitst naar soort alternatieve maatregel;

   i) rapportering;
   ii) stellen van een borgsom;
   iii) verplichting om op een bepaalde plaats te blijven;
   iv) ander soort alternatieve maatregel voor bewaring;"; [Am. 76]

"

-a sexies)  in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"a sexies) het aantal onderdanen van derde landen dat aan het einde van de referentieperiode het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een alternatieve maatregel voor bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG, uitgesplitst naar de maand waarin hen deze administratieve of juridische maatregel is opgelegd en verder als volgt uitgesplitst naar soort alternatieve maatregel:

   i) rapportering;
   ii) stellen van een borgsom;
   iii) verplichting om op een bepaalde plaats te blijven;
   iv) ander soort alternatieve maatregel voor bewaring;"; [Am. 77]

"

-a septies)  in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"a septies) het aantal onderdanen van derde landen dat tijdens de referentieperiode het onderwerp vormde van uitstel van verwijdering op grond van artikel 9 van Richtlijn 2008/115/EG, uitgesplitst naar reden voor het uitstel en het staatsburgerschap van de betrokken personen;"; [Am. 78]

"

-a octies)  in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"a octies) het aantal onderdanen van derde landen dat het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een bevel tot bewaring inhoudt en dat een verzoek om rechterlijke toetsing hebben ingediend op grond van artikel 15, lid 2, van Richtlijn 2008/115/EG, tijdens de referentieperiode;"; [Am. 79]

"

a)  in lid 1 wordt punt b) vervangen door:"

"b) het aantal onderdanen van derde landen dat het grondgebied van de lidstaat daadwerkelijk heeft verlaten als gevolg van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling, zoals bedoeld onder a), uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de teruggekeerde personen, het type terugkeer en ontvangen steun en het land van bestemming, verder uitgesplitst naar terugkeer naar het land van herkomst van de onderdaan van het derde land;"; [Am. 80]

"

a bis)  in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"b bis) het aantal onderdanen van derde landen dat het grondgebied van de lidstaat daadwerkelijk heeft verlaten als gevolg van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling, als volgt uitgesplitst naar soort besluit of handeling:

   i) op grond van een formele overnameovereenkomst van de Unie;
   ii) op grond van een informele overnameovereenkomst van de Unie;
   iii) op grond van een nationale overnameovereenkomst.

Deze statistieken worden verder uitgesplitst naar het land van bestemming en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen."; [Am. 81]

"

b)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. De referentieperiode voor de in lid 1 bedoelde statistieken bedraagt drie kalendermaanden worden uitgesplitst naar leeftijd en die statistieken gender van de betrokken persoon, en naar niet-begeleide minderjarigen. Zij hebben betrekking op referentieperiodes van een kalendermaand en worden binnen twee maanden weken na het eind van het de referentieperiode bij de Commissie (Eurostat) ingediend. De eerste referentieperiode loopt van is januari tot en met maart 2020."; [Am. 82]

"

4)  Artikel 8 wordt geschrapt.

4 bis)  In artikel 9 wordt lid 2 wordt vervangen door:"

"2. De lidstaten brengen aan de Commissie (Eurostat) verslag uit over de gebruikte gegevensbronnen, de redenen waarom voor deze bronnen werd gekozen, de gevolgen van deze keuze voor de kwaliteit van de statistieken, de gehanteerde mechanismen om het recht op bescherming van persoonsgegevens te eerbiedigen en de gebruikte ramingsmethoden en stellen de Commissie (Eurostat) op de hoogte van wijzigingen daarin.". [Am. 83]

"

4 ter)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 9bis

Gedelegeerde handelingen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de definities in artikel 2, lid 1, te wijzigen.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen tot wijziging van deze verordening vast te stellen:

   a) ter definiëring van de categorieën groepen voor geboortelanden, groepen voor landen van vorige of volgende gewone verblijfplaats en groepen voor staatsburgerschap, zoals bepaald in artikel 3, lid 1;
   b) ter definiëring van de categorieën redenen voor verlening van verblijfsvergunningen, zoals bepaald in artikel 6, lid 1, onder a);
   c) ter definiëring van verdere uitsplitsingen;
   d) ter vaststelling van de regels inzake nauwkeurigheids- en kwaliteitsnormen.". [Am. 84]

"

5)  Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. De Commissie is bevoegd stelt uitvoeringshandelingen vast te stellen met als doel uitsplitsingen te specificeren in lijn met de artikelen 4, 5, 6 en 7 en om de regels inzake de gepaste formaten voor de toezending van gegevens overeenkomstig artikel 9 vast te stellen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”; [Am. 85]

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld."

"

b)  In lid 2 wordt punt d) geschrapt. [Am. 86]

5 bis)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 10 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 9 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 9 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door de lidstaten aangewezen deskundigen, en wel overeenkomstig de in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven vastgelegde beginselen.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 9 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld voornemens te zijn om geen bezwaar te maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.". [Am. 87]

"

5 ter)  Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)  [Am. 88 : Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

b)  lid 1 wordt vervangen door:"

“1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. 223/2009 betreffende de Europese statistiek opgerichte Comité voor het Europees statistisch systeem. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011."; [Am. 89]

"

c)  lid 2 wordt vervangen door:"

“2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 10 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 11 van die verordening."; [Am. 90]

"

d)  lid 3 wordt geschrapt. [Am. 91]

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 7, lid 1, onder b), en lid 2, van Verordening (EG) nr. 862/2007 zijn van toepassing met ingang van 1 maart 2020.

Artikel 4, leden 3 en 4, en artikel 6, leden 1 en 3, van Verordening (EG) nr. 862/2007 zijn van toepassing met ingang van 1 juli 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(2)Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23).
(3)Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
(4) Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).
(5) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad n 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(6)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(7) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(8) Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).
(9) Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).
(10) Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).
(11) Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98).
(12) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).
(13) Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht ( PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).
(14) Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).


Toetreding van de EU tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen ***
PDF 111kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de toetreding van de Europese Unie tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen (06929/2019 – C8-0133/2019 – 2018/0214(NLE))
P8_TA(2019)0360A8-0187/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06929/2019),

–  gezien de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, ondertekend te Genève op 20 mei 2015 (11510/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0133/2019),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0187/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de toetreding van de Europese Unie tot de akte;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Actie van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen ***I
PDF 138kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de actie van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen (COM(2018)0365 – C8-0383/2018 – 2018/0189(COD))
P8_TA(2019)0361A8-0036/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2018)0365),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0383/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0036/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de drie verklaringen van de Commissie die als bijlage bij deze resolutie zijn gevoegd en waarvan de eerste en de tweede samen met de definitieve wetgevingshandeling zullen worden gepubliceerd in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake de maatregelen van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1753.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSHANDELING

Verklaring van de Commissie over de mogelijke uitbreiding van de bescherming door de EU van geografische aanduidingen tot niet‑landbouwproducten

De Commissie neemt nota van de resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2015 over de mogelijke uitbreiding van de bescherming van geografische aanduidingen door de EU tot niet-landbouwproducten

De Commissie is in november 2018 een studie gestart die bedoeld is om, in aansluiting op een studie uit 2013, verder economisch en juridisch bewijs inzake de bescherming van niet-agrarische geografische aanduidingen in de interne markt te verkrijgen en om verdere gegevens te verkrijgen over zaken als concurrentievermogen, oneerlijke concurrentie, namaak, consumentenpercepties, kosten/baten, en over de doeltreffendheid van beschermingsmodellen voor niet-agrarische geografische aanduidingen in het licht van het evenredigheidsbeginsel.

Overeenkomstig de beginselen van betere regelgeving en overeenkomstig de verbintenissen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven zal de Commissie zich buigen over de studie, alsook het verslag over de deelname van de Unie aan de Akte van Genève als bedoeld in het artikel over de monitoring en evaluatie van de verordening inzake de actie van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, en zal zij kijken naar mogelijke vervolgstappen.

Verklaring van de Commissie over de procedure van artikel 9 bis, lid 3, van de verordening

De Commissie merkt op dat zij, hoewel de procedure van artikel 9 bis, lid 3, van de verordening een juridische noodzaak is gezien de exclusieve bevoegdheid van de Unie, niettemin kan verklaren dat een dergelijke stap van de Commissie in het kader van het huidige EU-acquis uitzonderlijk zou zijn en naar behoren zou worden gemotiveerd. In het overleg met een lidstaat zal de Commissie alles in het werk stellen om samen met de lidstaat tot een oplossing te komen, teneinde te voorkomen dat een negatief advies wordt uitgebracht. De Commissie merkt op dat een negatief advies schriftelijk aan de betrokken lidstaat wordt meegedeeld en overeenkomstig artikel 296 VWEU met redenen wordt omkleed. De Commissie zou er dan voorts op wijzen dat bij een negatief advies opnieuw een aanvraag voor dezelfde oorsprongsbenaming kan worden ingediend indien de bezwaren waarop het negatieve advies berustte, zijn weggenomen of niet meer van toepassing zijn.

Verklaring van de Commissie over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de toetreding van de Europese Unie tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen

De Commissie wijst erop dat de Unie exclusieve externe bevoegdheid heeft over geografische aanduidingen en als zelfstandige partij toetreedt tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon. Dit blijkt uit het arrest van het Europees Hof van Justitie van 25 oktober 2017 (zaak C-389/15, Commissie/Raad). Gezien de exclusieve externe bevoegdheid van de EU kunnen lidstaten geen zelfstandige partij worden bij de Akte van Genève en mogen zij geografische aanduidingen die nieuw zijn ingeschreven door derde landen die lid zijn van het systeem van Lissabon niet langer zelf beschermen. Rekening houdend met de buitengewone omstandigheden dat zeven lidstaten al lange tijd partij zijn bij de Overeenkomst van Lissabon, dat zij krachtens de overeenkomst een aanzienlijke hoeveelheid intellectuele eigendom hebben geregistreerd en dat een soepele overgang nodig is, zou de Commissie uitzonderlijk bereid zijn geweest ermee in te stemmen dat BG, CZ, SK, FR, HU, IT en PT in dit specifieke geval zouden worden gemachtigd om in het belang van de EU tot de Akte van Genève toe te treden.

De Commissie heeft er grote bezwaren tegen dat de Raad blijft aandringen op de mogelijkheid dat alle EU-lidstaten desgewenst kunnen worden gemachtigd om, naast de Unie, de Akte van Genève te ratificeren of ertoe toe te treden, en dat hij daarbij in plaats van de bovengenoemde omstandigheden, de regeling voor de stemrechten van de Unie in het licht van artikel 22, lid 4, onder b, ii), van de Akte van Genève, als reden opgeeft.

Voorts herinnert de Commissie eraan dat de EU-lidstaten, aangezien de Unie haar interne bevoegdheid op het gebied van geografische aanduidingen voor landbouwproducten heeft uitgeoefend, geen eigen nationale systemen ter bescherming van geografische aanduidingen voor landbouwproducten mogen hebben.

De Commissie behoudt zich derhalve haar rechten voor, met inbegrip van het recht om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het besluit van de Raad, en is in ieder geval van oordeel dat deze zaak geen precedent mag vormen voor andere bestaande of toekomstige internationale of WIPO-overeenkomsten, in het bijzonder, maar niet uitsluitend, wanneer de EU op basis van haar exclusieve bevoegdheid reeds zelf internationale overeenkomsten heeft geratificeerd.

(1) PB C 110 van 22.3.2019, blz. 55.


Overeenkomst tussen de EU en de Filipijnen inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten ***
PDF 112kWORD 49k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Regering van de Republiek der Filipijnen inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten (15056/2018 – C8-0051/2019 – 2016/0156(NLE))
P8_TA(2019)0362A8-0191/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15056/2018),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Republiek der Filipijnen inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0051/2019),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0191/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek der Filipijnen.

(1) PB L 322 van 18.12.2018, blz. 3.


Internationale Overeenkomst voor olijfolie en tafelolijven ***
PDF 110kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de Internationale Overeenkomst van 2015 voor olijfolie en tafelolijven (06781/2019 – C8-0134/2019 – 2017/0107(NLE))
P8_TA(2019)0363A8-0186/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06781/2019),

–  gezien het ontwerp van Internationale Overeenkomst van 2015 voor olijfolie en tafelolijven (11178/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0134/2019),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0186/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Viorel Ștefan
PDF 112kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 16 april 2019 over de voordracht van Viorel Ştefan voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0049/2019 – 2019/0802(NLE))
P8_TA(2019)0364A8-0194/2019

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0049/2019),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0194/2019),

A.  overwegende dat de Raad bij schrijven van 14 februari 2019 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Viorel Ştefan tot lid van de Rekenkamer;

B.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

C.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole op haar vergadering van 8 april 2019 de kandidaat die de Raad heeft voorgedragen voor benoeming tot lid van de Rekenkamer, heeft gehoord;

1.  brengt negatief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Viorel Ştefan tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Ivana Maletić
PDF 111kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 16 april 2019 over de voordracht van Ivana Maletić voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0116/2019 – 2019/0803(NLE))
P8_TA(2019)0365A8-0195/2019

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0116/2019),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0195/2019),

A.  overwegende dat de Raad bij schrijven van 5 maart 2019 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Ivana Maletić tot lid van de Rekenkamer;

B.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

C.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole het kandidaat-lid van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 8 april 2019 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Ivana Maletić tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmede aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden ***I
PDF 127kWORD 54k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218 – C8-0159/2018 – 2018/0106(COD))
P8_TA(2019)0366A8-0398/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0218),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 16, 33, 43 en 50, artikel 53, lid 1, en de artikelen 62, 91, 100, 103, 109, 114, 168, 169, 192, 207 en artikel 325, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0159/2018),

–  gezien de adviezen van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, artikel 16, artikel 43, lid 2, artikel 50, artikel 53, lid 1, de artikelen 91, 100, en 114, artikel 168, lid 4, artikel 169, artikel 192, lid 1 en artikel 325, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 26 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2018(2),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie constitutionele zaken (A8-0398/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/1937.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie betreffende de richtlijn inzake bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.

Bij de toetsing op grond van artikel 27 van de richtlijn, zal de Commissie nagaan of het mogelijk is het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot bepaalde handelingen op grond van de artikelen 153 en 157 VWEU, in voorkomend geval na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig artikel 154 VWEU.

(1) PB C 405 van 9.11.2018, blz. 1.
(2) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 155.


Grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (richtlijn) ***I
PDF 124kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (COM(2018)0092 – C8-0111/2018 – 2018/0041(COD))
P8_TA(2019)0367A8-0430/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0092),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0111/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0430/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/1160.)

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 50.


Grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (verordening) ***I
PDF 122kWORD 52k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013 en (EU) nr. 346/2013 (COM(2018)0110 – C8-0110/2018 – 2018/0045(COD))
P8_TA(2019)0368A8-0431/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0110),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0110/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0431/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013, (EU) nr. 346/2013 en (EU) nr. 1286/2014

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1156.)

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 50.


Kapitaalvereisten (verordening) ***I
PDF 133kWORD 59k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (COM(2016)0850 – C8-0480/2016 – 2016/0360A(COD))
P8_TA(2019)0369A8-0242/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0850),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0480/2016),

—  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(2),

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 18 mei 2017 om de Commissie economische en monetaire zaken toestemming te geven om het voornoemde Commissievoorstel te splitsen en op basis daarvan twee afzonderlijke wetgevingsverslagen op te stellen,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0242/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/876.)

(1) PB C 34 van 31.1.2018, blz. 5.
(2) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 36.


Kapitaalvereisten (richtlijn) ***I
PDF 123kWORD 58k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (COM(2016)0854 – C8-0474/2016 – 2016/0364(COD))
P8_TA(2019)0370A8-0243/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0854),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0474/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0243/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/878.)

(1) PB C 34 van 31.1.2018, blz. 5.
(2) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 36.


Verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (verordening) ***I
PDF 122kWORD 57k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (COM(2016)0851 – C8-0478/2016 – 2016/0361(COD))
P8_TA(2019)0371A8-0216/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0851),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0478/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0216/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/877.)

(1) PB C 34 van 31.1.2018, blz. 17.
(2) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 36.


Verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (richtlijn) ***I
PDF 125kWORD 52k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU betreffende de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG, Richtlijn 2002/47/EG, Richtlijn 2012/30/EU, Richtlijn 2011/35/EU, Richtlijn 2005/56/EG, Richtlijn 2004/25/EG en Richtlijn 2007/36/EG (COM(2016)0852 – C8-0481/2016 – 2016/0362(COD))
P8_TA(2019)0372A8-0218/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0852),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0481/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0218/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/879.)

(1) PB C 34 van 31.1.2018, blz. 17.
(2) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 36.


Door overheidsobligaties gedekte effecten ***I
PDF 236kWORD 70k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende door overheidsobligaties gedekte effecten (COM(2018)0339 – C8-0206/2018 – 2018/0171(COD))
P8_TA(2019)0373A8-0180/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0339),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0206/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  na raadpleging van de Europese Centrale Bank,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8‑0180/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende door overheidsobligaties gedekte effecten

P8_TC1-COD(2018)0171


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(2),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Met door overheidsobligaties gedekte effecten (Sovereign Bond-Backed Securities, hierna "SBBS" genoemd) kunnen wellicht een aantal kwetsbaarheden worden aangepakt die door de financiële crisis van 2007-2008 werden blootgelegd of veroorzaakt. Meer in het bijzonder kunnen SBBS wellicht banken en andere financiële instellingen helpen hun blootstellingen aan staatsschulden beter te diversifiëren, een verdere verzwakking van de link tussen banken en staten teweegbrengen en het aanbod van in euro luidende activa met een laag risico vergroten, waardoor de uitvoering van het monetair beleid wordt vergemakkelijkt. SBBS kunnen daarenboven obligaties die op kleinere en minder liquide nationale markten worden uitgegeven aantrekkelijker maken voor internationale beleggers, hetgeen de risicodeling door de particuliere sector, de risicoreductie en een efficiëntere risico-allocatie tussen financiële actoren kan bevorderen.

(2)  Op grond van het bestaande rechtskader zouden SBBS als securitisaties worden behandeld en daardoor aan hogere opslag- en reductiefactoren onderworpen zijn dan die welke voor de in de onderliggende portefeuille vervatte overheidsobligaties van de eurozone gelden. Deze hogere opslag- en reductiefactoren zouden de productie en het gebruik van SBBS door de particuliere sector belemmeren, ondanks het feit dat SBBS aan minder risico's onderhevig zijn dan die welke verbonden zijn aan andere soorten securitisaties▐ . Sommige risico's, zoals opslagrisico's of frauduleus gedrag van SPE-personeel, zijn echter wijdverbreid. SBBS moeten bijgevolg onder een regelgevingskader vallen dat beter met de unieke kenmerken en eigenschappen van SBBS rekening houdt, zodat dit product op de markt tot ontwikkeling kan komen.

(2 bis)  SBBS zijn als securitisaties blootgesteld aan specifieke productrisico's die verband houden met de SPE, d.w.z. de juridisch gescheiden, op zichzelf staande entiteit die is opgezet met het oog op de uitgifte van SBBS. Een eersteverliestranche buiten het banksysteem is essentieel om de link tussen banken en staten te verzwakken. Daarom moet de regelgevende voorkeursbehandeling die wordt toegekend aan de onderliggende activa van een SBBS worden uitgebreid tot door banken aangehouden senior SBBS-tranches.

(3)  Een marktgedreven ontwikkeling van SBBS mogelijk maken, past in het kader van de inspanningen van de Commissie om de risico's voor de financiële stabiliteit te verkleinen en vooruitgang te boeken bij de voltooiing van de bankenunie. SBBS kunnen de verdere portefeuillediversificatie in de banksector in de hand werken en tegelijkertijd een nieuwe bron vormen van zekerheden van hoge kwaliteit die bijzonder geschikt zijn om bij grensoverschrijdende financiële transacties te worden gebruikt en tevens nuttig zijn voor het functioneren van de centrale banken van het Eurosysteem en de centrale tegenhangers. Het faciliteren van de ontwikkeling van SBBS kan daarenboven ook het aantal voor grensoverschrijdende belegging en particuliere risicodeling beschikbare instrumenten uitbreiden, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de inspanningen van de Commissie om de bankenunie te voltooien en de Europese kapitaalmarkten verder te verdiepen en te integreren in de context van de kapitaalmarktenunie.

(4)  Bij SBBS zou er geen sprake zijn van het delen van risico's en verliezen tussen lidstaten omdat de lidstaten hun respectieve verplichtingen in de portefeuille overheidsobligaties die aan de SBBS ten grondslag ligt, niet wederzijds zouden garanderen. Het faciliteren van de opkomst van SBBS houdt evenmin wijzigingen in de huidige regelgevende behandeling van blootstellingen aan staatsschulden in.

(5)  Teneinde de doelstelling van geografische risicodiversificatie binnen de bankenunie en de interne markt te verwezenlijken, moet de onderliggende portefeuille van SBBS zijn samengesteld uit overheidsobligaties van lidstaten die de euro als munt hebben. Ter voorkoming van valutarisico's mogen alleen in euro luidende overheidsobligaties die zijn uitgegeven door lidstaten die de euro als munt hebben, in de onderliggende portefeuille van SBBS worden opgenomen. Om ervoor te zorgen dat het aandeel van de overheidsobligaties van elke eurozonelidstaat in de productie van SBBS in verhouding staat tot het belang van elke lidstaat voor de stabiliteit van de eurozone als geheel, moet het relatieve gewicht van de nationale overheidsobligaties in de onderliggende portefeuille van de SBBS zeer nauw aansluiten bij het relatieve gewicht van de betrokken lidstaten in de sleutel voor de inschrijving van de nationale centrale banken van de lidstaten op het kapitaal van de Europese Centrale Bank.

(6)  Teneinde activa van hoge kwaliteit en met een laag risico aan te bieden en tegelijkertijd op de verschillende mate van risicobereidheid van beleggers in te spelen, moet een SBBS-uitgifte uit zowel een senior tranche als een of meer achtergestelde tranches zijn samengesteld. De senior tranche, die met zeventig procent van de nominale waarde van een SBBS-uitgifte overeenstemt, moet het verwachte verliespercentage van de SBBS-uitgifte op eenzelfde niveau houden als dat van de veiligste overheidsobligaties van de eurozone, rekening houdend met het risico en de correlatie van de overheidsobligaties die deel uitmaken van de onderliggende portefeuille overheidsobligaties van de SBBS. De achtergestelde tranches moeten bescherming bieden aan de senior tranche. ▌Ter beperking van het risico dat verbonden is aan de junior tranche (de tranche die verliezen draagt vóór elke andere tranche), moet de nominale waarde van de junior tranche echter ten minste 5 procent van de uitstaande nominale waarde van de gehele SBBS-uitgifte bedragen. Gezien de bijzondere complexiteit van het product moet de verwerving door consumenten slechts worden overwogen voor senior tranches en niet voor junior tranches.

(7)  Teneinde de integriteit van een SBBS-uitgifte te verzekeren en de risico's die aan het aanhouden en het beheer van de onderliggende portefeuille overheidsobligaties verbonden zijn zoveel mogelijk te beperken, moeten de looptijden van de onderliggende overheidsobligaties nauw aansluiten bij de looptijd van de SBBS en moet de samenstelling van de onderliggende portefeuille overheidsobligaties voor de gehele bestaansduur van de SBBS worden vastgesteld.

(8)  Een gestandaardiseerde samenstelling van de onderliggende portefeuille van een SBBS kan het doen van een SBBS-uitgifte bemoeilijken of belemmeren wanneer overheidsobligaties van één of meer lidstaten niet beschikbaar zijn op de markt. Om die reden moet het mogelijk zijn overheidsobligaties van een bepaalde lidstaat van toekomstige SBBS-uitgiften uit te sluiten wanneer en zolang de uitgifte van overheidsobligaties door die lidstaat sterk beperkt is omdat er weinig overheidsschulden moeten worden gemaakt of omdat de markttoegang is verstoord.

(9)  Opdat SBBS voldoende homogeen zijn, mogen overheidsobligaties van een bepaalde lidstaat enkel na een besluit van de Commissie van de onderliggende portefeuille overheidsobligaties worden uitgesloten of wederom daarin worden opgenomen; op die manier wordt gegarandeerd dat alle SBBS die op hetzelfde tijdstip worden uitgegeven, dezelfde onderliggende portefeuille overheidsobligaties hebben. SBBS zijn nieuwe producten en, teneinde de continuïteit van de uitgifte ervan op de markt te waarborgen, is er een snel besluitvormingsmechanisme nodig om de onderliggende portefeuille van SBBS aan te passen in situaties waarin een lidstaat geen markttoegang meer heeft. Daarnaast hebben commentatoren en belanghebbenden hun bezorgdheid geuit over de mogelijke negatieve uitwerkingen op de liquiditeit van de markten voor onderliggende overheidsobligaties, die serieus dienen te worden genomen. Te dien einde wordt uit hoofde van deze verordening aan de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) als ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(5) (ESMA) de taak gegeven om de markten voor SBBS en de onderliggende overheidsobligaties door te lichten op aanwijzingen voor verstoringen.

(9 bis)  Op basis van de opmerkingen van de ESMA en haar verslagen moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om een duidelijke definitie van "marktliquiditeit" en een methode voor de berekening ervan te geven en om de criteria vast te stellen aan de hand waarvan de ESMA moet beoordelen of een lidstaat geen markttoegang meer heeft voor de toepassing van deze verordening. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 VWEU een gedelegeerde handeling vast te stellen. Bij het voorbereiden en opstellen van die gedelegeerde handeling dient de Commissie erop toe te zien dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend.

(10)  De vaste omvang van de senior tranche van elke SBBS-uitgifte kan neerwaarts worden bijgesteld voor toekomstige SBBS-uitgiften wanneer ongunstige marktontwikkelingen die de werking van de overheidsobligatiemarkten in een lidstaat of de Unie ernstig verstoren, een kleinere omvang vereisen om de verdere handhaving van de hoge kwaliteit en het lage risico van de senior tranche te waarborgen. Wanneer aan deze ongunstige marktontwikkelingen een einde komt, moet de omvang van de senior tranche voor toekomstige SBBS-uitgiften wederom tot de oorspronkelijke waarde van zeventig procent worden verhoogd. ▌

(11)  Beleggers moeten zoveel mogelijk worden beschermd tegen het risico van insolventie van de instelling die de overheidsobligaties verwerft ("oorspronkelijke koper") met de bedoeling de onderliggende portefeuille van de SBBS samen te stellen. Om die reden moet het uitgeven van SBBS zijn voorbehouden voor special purpose entities ("SPE's") die zich uitsluitend met de uitgifte en het beheer van SBBS bezighouden en geen andere activiteiten, zoals het verlenen van krediet, ontplooien. Om dezelfde reden moeten SPE's aan strikte vereisten inzake scheiding van activa onderworpen zijn.

(12)  Om beperkte looptijdverschillen in de periode tussen de ontvangst van de opbrengsten van de schuldendienst met betrekking tot de onderliggende portefeuille en de uitbetalingsdata aan SBBS-beleggers te beheren, moeten SPE's in de gelegenheid worden gesteld de opbrengsten van de schuldendienst met betrekking tot de onderliggende portefeuille overheidsobligaties van de SBBS uitsluitend in contanten, dan wel in zeer liquide financiële instrumenten met een laag markt- en kredietrisico te beleggen.

(12 bis)  De lidstaten moeten waarborgen dat overheidsobligaties die door SPE's worden aangehouden dezelfde behandeling genieten als dezelfde door anderen aangehouden overheidsobligaties of andere overheidsobligaties die op dezelfde voorwaarden zijn uitgegeven.

(13)  Alleen producten die aan de vereisten van deze verordening inzake zowel de samenstelling en looptijd van de onderliggende portefeuille als de omvang van de senior tranche en de achtergestelde tranches voldoen, en waarvan de uitgifte voldoet aan de eisen van het toezichtstelsel, mogen de regelgevende behandeling als bedoeld in deze verordening genieten ▌.

(14)  Een systeem van certificering door de ESMA moet ervoor zorgen dat een SBBS-uitgifte aan de vereisten van deze verordening voldoet. De ESMA moet daarom een lijst van gecertificeerde SBBS bijhouden, zodat beleggers kunnen verifiëren of een product dat als een SBBS te koop wordt aangeboden, wel degelijk een SBBS is. Om dezelfde reden moet de ESMA in die lijst aangeven of in verband met een SBBS een sanctie is opgelegd en moet zij de producten uit de lijst verwijderen die in strijd met deze verordening worden bevonden.

(15)  Beleggers dienen te kunnen vertrouwen op de certificering van SBBS door de ESMA en op de informatie die door SPE's wordt verstrekt. De informatie over SBBS en over de overheidsobligaties die van de onderliggende portefeuille van de SBBS deel uitmaken, moet beleggers de mogelijkheid bieden SBBS-transacties te doorgronden, te beoordelen en te vergelijken en zich niet enkel op derde partijen, zoals onder meer ratingbureaus, te verlaten. Die mogelijkheid moet beleggers in staat stellen prudent te handelen en hun duediligenceonderzoek efficiënt uit te voeren. De informatie over SBBS moet bijgevolg aan de hand van gestandaardiseerde templates vrij beschikbaar zijn voor beleggers op een website die permanente toegankelijkheid garandeert.

(16)  Om misbruik te voorkomen en om het vertrouwen in SBBS te handhaven, moet de ESMA in passende administratieve sancties en remediërende maatregelen voorzien voor gevallen waarin uit onachtzaamheid of met opzet inbreuk wordt gepleegd op de voor SBBS geldende kennisgevings- of productvereisten.

(17)  Beleggers uit verschillende financiële sectoren moeten onder dezelfde voorwaarden in SBBS kunnen beleggen als zij in de onderliggende overheidsobligaties van de eurozone beleggen, maar dit geldt niet voor beleggingen in door banken aangehouden achtergestelde tranches van een SBBS. Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(6), Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(7), Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) en Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad(9) moeten derhalve worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat SBBS in de diverse gereguleerde financiële sectoren dezelfde regelgevende behandeling genieten als de onderliggende activa ervan.

(18)  Een correct en doeltreffend toezicht op de SBBS-markten is van essentieel belang om de financiële stabiliteit te vrijwaren, het vertrouwen van beleggers te winnen en de liquiditeit te bevorderen. Te dien einde moet de ESMA op de hoogte worden gesteld van de uitgifte van SBBS en moet zij van SPE's alle relevante informatie ontvangen die zij nodig heeft om haar toezichthoudende taken te kunnen vervullen. Het toezicht op de naleving van deze verordening moet in de eerste plaats gericht zijn op het waarborgen van de bescherming van de beleggers en, in voorkomend geval, op aspecten die met de uitgifte en het aanhouden van SBBS door gereglementeerde financiële entiteiten verband kunnen houden.

(19)  De nationale autoriteiten van de entiteiten die betrokken zijn bij de samenstelling van SBBS of actief zijn op de SBBS-markt en de ESMA moeten hun toezicht nauw coördineren en ervoor zorgen dat hun besluiten consistent zijn. ▌

(20)  Aangezien SBBS nieuwe producten zijn waarvan de uitwerkingen op de markten voor onderliggende overheidsschuldbewijzen nog niet bekend zijn, verdient het aanbeveling dat het Europees Comité voor systeemrisico's (European Systemic Risk Board, ESRB) en de nationale bevoegde en aangewezen autoriteiten voor macroprudentiële instrumenten toezicht houden op de SBBS-markt. Te dien einde moet het ESRB de bevoegdheden gebruiken waarover het uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad(10) beschikt en, indien van toepassing, waarschuwingen doen uitgaan en aan de bevoegde autoriteiten voorstellen doen voor remediërende maatregelen.

(21)  Het is passend om de ESMA, als orgaan met hooggespecialiseerde expertise ten aanzien van effectenmarkten, te belasten met de ontwikkeling van ontwerpen van technische reguleringsnormen betreffende de soorten beleggingen die SPE's met de opbrengsten van de hoofdsom- en rentebetalingen uit hoofde van de onderliggende portefeuille van de SBBS mogen verrichten, de door SPE's aan de EsMA te verstrekken informatie met het oog op de kennisgeving en certificering van SBBS-uitgiften, de informatie die vóór een overdracht van een SBBS moet worden verstrekt, en de verplichtingen op het gebied van samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten. De Commissie dient bevoegd te zijn deze normen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

(22)  De Commissie dient tevens bevoegd te zijn technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de kennisgevingsvereisten van SPE's vóór een SBBS-uitgifte vast te stellen door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 291 VWEU en artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

(23)  Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om te besluiten of overheidsobligaties van een lidstaat moeten worden verwijderd uit of opgenomen in de onderliggende portefeuille van SBBS en of de omvang van de senior tranche van toekomstige SBBS-uitgiften moet worden gewijzigd. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(11).

(24)  Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van een raamwerk voor SBBS, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt omdat de opkomst van een SBBS-markt afhankelijk is van de opheffing van belemmeringen die uit de toepassing van Uniewetgeving voortvloeien en omdat een gelijk speelveld in de interne markt voor alle institutionele beleggers en entiteiten die bij de exploitatie van SBBS betrokken zijn, enkel op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk 1

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt een algemeen raamwerk voor door overheidsobligaties gedekte effecten (Sovereign Bond-Backed Securities, hierna "SBBS" genoemd) vast.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op oorspronkelijke kopers, special purpose entities, beleggers en alle andere entiteiten die bij de uitgifte of het aanhouden van SBBS zijn betrokken.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)  "bevoegde autoriteit": bij nationale wetgeving officieel erkend(e) overheidsinstantie of lichaam die/dat bij nationale of Uniewetgeving gemachtigd is de in deze verordening genoemde taken uit te voeren;

(2)  "overheidsobligatie": schuldinstrument dat door de centrale overheid van een lidstaat is uitgegeven, dat in de nationale valuta van de betrokken lidstaat luidt en is gefinancierd, en dat een oorspronkelijke looptijd van ten minste een jaar heeft;

(3)  "door overheidsobligaties gedekt effect" of "SBBS": in euro luidend financieel instrument waarvan het kredietrisico met de blootstellingen aan een portefeuille overheidsobligaties verband houdt en dat aan deze verordening voldoet;

(4)  "special purpose entity" of "SPE": rechtspersoon die niet de oorspronkelijke koper is, die SBBS uitgeeft en die de activiteiten met betrekking tot de onderliggende portefeuille overheidsobligaties uitoefent in overeenstemming met de artikelen 7 en 8 van deze verordening;

(5)  "oorspronkelijke koper": rechtspersoon die voor eigen rekening overheidsobligaties koopt en deze overheidsobligaties vervolgens aan een SPE overdraagt met het oog op de uitgifte van SBBS;

(6)  "belegger": natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een SBBS;

(7)  "tranche": contractueel vastgesteld segment van het kredietrisico dat aan de onderliggende portefeuille overheidsobligaties van SBBS verbonden is en dat een groter of kleiner kredietverlies met zich meebrengt dan een positie van dezelfde omvang in een ander segment van dat kredietrisico;

(8)  "senior tranche": tranche van een SBBS-uitgifte die verliezen draagt nadat alle achtergestelde tranches van de betrokken SBBS-uitgifte verliezen hebben gedragen;

(9)  "achtergestelde tranche": tranche van een SBBS-uitgifte die verliezen draagt vóór de senior tranche;

(10)  "junior tranche": tranche van een SBBS-uitgifte die verliezen draagt vóór elke andere tranche.

Hoofdstuk 2

Samenstelling, looptijd en structuur van SBBS

Artikel 4

Samenstelling van de onderliggende portefeuille

1.  De onderliggende portefeuille van een SBBS-uitgifte bestaat uitsluitend uit het volgende:

a)  overheidsobligaties van lidstaten die de euro als munt hebben;

b)  de opbrengsten van de aflossing van die overheidsobligaties.

2.  Het gewicht van de overheidsobligaties van elke lidstaat in de onderliggende portefeuille van een SBBS ("basisgewicht") is gelijk aan het relatieve gewicht van de bijdrage aan de Europese Centrale Bank (ECB) door de betrokken lidstaat in overeenstemming met de sleutel voor de inschrijving van de nationale centrale banken van de lidstaten op het gestorte kapitaal van de ECB, die is vastgesteld overeenkomstig artikel 29 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht.

SPE's mogen echter maximaal tien procent afwijken van de uit de toepassing van het basisgewicht resulterende nominale waarde van de overheidsobligaties van elke lidstaat.

3.  Nadat de eerste SBBS is gecertificeerd, begint de ESMA onverwijld en zonder onderbreking te controleren en te beoordelen of er sprake is van één van de volgende situaties:

a)  de lidstaat heeft de voorgaande twaalf maanden ("referentieperiode") minder dan de helft van het bedrag aan overheidsobligaties uitgegeven dat resulteert uit zijn overeenkomstig lid 2 bepaalde relatieve gewicht, vermenigvuldigd met het totaalbedrag aan SBBS dat in de twaalf maanden vóór de referentieperiode is uitgegeven;

a bis)   de uitgifte van SBBS heeft een aanzienlijke negatieve uitwerking gehad op de marktliquiditeit van de in de onderliggende portefeuille opgenomen overheidsobligaties van een lidstaat;

b)  de lidstaat heeft de voorgaande twaalf maanden ten minste de helft van zijn jaarlijkse financieringsbehoeften gefinancierd aan de hand van officiële financiële bijstand ter ondersteuning van de uitvoering van een macro-economisch aanpassingsprogramma overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad(12), of de lidstaat heeft om welke reden dan ook geen markttoegang meer.

Voor de toepassing van punt a bis) van de eerste alinea wordt de "marktliquiditeit" bepaald met inachtneming van – als minimumcriterium – het bewijs dat er sprake was van marktbreedte en -diepte in de voorgaande drie maanden, zoals kleine spreads tussen bied- en laatprijzen, een hoog handelsvolume en een groot en divers aantal marktdeelnemers.

Voor de toepassing van punt a bis) van de eerste alinea stelt de Commissie vóór ... [6 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] overeenkomstig artikel 24 bis een gedelegeerde handeling vast om een duidelijke definitie en berekeningsmethode voor "marktliquiditeit" vast te stellen voor de toepassing van deze verordening.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea stelt de Commissie vóór ... [6 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] overeenkomstig artikel 24 bis een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling van deze verordening teneinde de criteria vast te stellen op grond waarvan de ESMA beoordeelt of een lidstaat geen markttoegang meer heeft.

3 bis.  De ESMA monitort en beoordeelt doorlopend of een lidstaat waarvan overheidsobligaties deel uitmaken van de onderliggende portefeuille van een SBBS geen markttoegang meer heeft of een macro-economisch aanpassingsprogramma is gestart, of de SBBS-uitgifte een aanzienlijke negatieve uitwerking op de marktliquiditeit heeft gehad, en of de basisgewichten in het geval van lidstaten met een beperkte beschikbaarheid van overheidsobligaties de uitgifte van nieuwe SBBS belemmeren dan wel of een van deze situaties heeft opgehouden te bestaan.

Indien de ESMA in overleg met de ESRB constateert dat er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder a) of a bis), kan zij de Commissie verzoeken de basisgewichten van de in de onderliggende portefeuille opgenomen obligaties van de lidstaten aan te passen.

Indien de ESMA in overleg met de ESRB constateert dat er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder b), kan zij de Commissie verzoeken de lidstaat van de onderliggende portefeuille van een SBBS uit te sluiten of de basisgewichten van de in de onderliggende portefeuille opgenomen overheidsobligaties van de lidstaten aan te passen.

Indien de ESMA in overleg met de ESRB constateert dat een in lid 3, eerste alinea, onder a) en b), bedoelde situatie heeft opgehouden te bestaan, kan zij de Commissie verzoeken de obligaties van de lidstaat opnieuw op te nemen in de onderliggende portefeuille van een SBBS en de basisgewichten van de in de onderliggende portefeuille opgenomen obligaties van de lidstaten aan te passen.

De Commissie neemt op grond van de door de ESMA geboden redenen en bewijzen binnen 48 uur na het verzoek als bedoeld in de tweede, derde en vierde alinea een van de volgende maatregelen:

a)  zij stelt een uitvoeringshandeling vast waarmee de overheidsobligaties van de lidstaat van de onderliggende portefeuille van de SBBS worden uitgesloten of de basisgewichten van de betrokken lidstaten worden aangepast;

b)  zij stelt een uitvoeringshandeling vast waarmee het verzoek om uitsluiting of aanpassing van de basisgewichten van de betrokken lidstaten wordt geweigerd; of

c)  zij stelt een uitvoeringshandeling vast waarmee de obligaties van de lidstaat opnieuw in de onderliggende portefeuille van een SBBS worden opgenomen, waarbij in voorkomend geval de basisgewichten van de in de onderliggende portefeuille opgenomen obligaties van lidstaten worden aangepast.

3 ter.  Elke volgens lid 3 bis van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Indien een lidstaat, na een uitvoeringshandeling uit hoofde van lid 3 bis, van de onderliggende portefeuille van een SBBS wordt uitgesloten, worden de basisgewichten van overheidsobligaties van de overige lidstaten bepaald door de overheidsobligaties van de in lid 3 bis bedoelde lidstaat buiten beschouwing te laten en de in lid 2 bedoelde berekeningsmethode toe te passen. Indien er een uitvoeringshandeling als bedoeld in lid 3 bis wordt toegepast en de basisgewichten worden aangepast, worden de basisgewichten toegepast als vastgesteld in de uitvoeringshandeling.

De uitsluiting of aanpassing geldt voor een initiële periode van één maand. De Commissie kan, na raadpleging van de ESMA, de in dit artikel bedoelde uitsluiting of aanpassing van de basisgewichten door middel van een uitvoeringshandeling verlengen met aanvullende perioden van een maand. Indien de uitsluiting of aanpassing aan het einde van de initiële periode of aan het einde van een daaropvolgende verlengingsperiode niet wordt verlengd, vervalt deze automatisch.

3 quater.   De ECB wordt tijdig in kennis gesteld van elk overeenkomstig de leden 3 bis en 3 ter genomen besluit.

Artikel 5

Looptijd van de onderliggende activa

1.  SBBS-tranches die van dezelfde uitgifte deel uitmaken, hebben eenzelfde oorspronkelijke looptijd. Die looptijd is gelijk aan of ten hoogste een dag langer dan de resterende looptijd van de overheidsobligatie met de langste resterende looptijd in de onderliggende portefeuille.

2.  De resterende looptijd van alle overheidsobligaties in de onderliggende portefeuille van SBBS is niet meer dan zes maanden korter dan de resterende looptijd van de overheidsobligatie met de langste resterende looptijd in die portefeuille.

Artikel 6

Structuur van de tranches, betalingen en verliezen

1.  Een SBBS-uitgifte is samengesteld uit één senior tranche en één of meer achtergestelde tranches. De uitstaande nominale waarde van de senior tranche bedraagt zeventig procent van de uitstaande nominale waarde van de gehele SBBS‑uitgifte. Het aantal en de uitstaande nominale waarde van de achtergestelde tranches worden door de SPE bepaald, met dien verstande dat de nominale waarde van de junior tranche ten minste vijf procent van de uitstaande nominale waarde van de gehele SBBS-uitgifte bedraagt.

2.  Wanneer ongunstige ontwikkelingen de werking van de markten voor overheidspapier in een lidstaat of in de Unie ernstig verstoren en wanneer de Commissie deze verstoring overeenkomstig lid 4 heeft bevestigd, verlagen SPE's voor een na deze bevestiging gedane SBBS-uitgifte de uitstaande nominale waarde van de senior tranche tot zestig procent.

Wanneer de Commissie overeenkomstig lid 4 heeft bevestigd dat deze verstoring heeft opgehouden te bestaan, is lid 1 van toepassing op alle SBBS-uitgiften die na deze bevestiging worden gedaan.

3.  De ESMA monitort en beoordeelt of de in lid 2 bedoelde situatie bestaat of heeft opgehouden te bestaan en stelt de Commissie daarvan in kennis.

4.  De Commissie kan een uitvoeringshandeling aannemen waarin wordt vastgesteld dat de in lid 2 bedoelde verstoring bestaat of heeft opgehouden te bestaan. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.  De betalingen uit hoofde van een SBBS zijn afhankelijk van de betalingen uit hoofde van de onderliggende portefeuille overheidsobligaties.

6.  De verdeling van de verliezen en de volgorde van de betalingen worden bepaald door de tranche van de SBBS-uitgifte en vastgesteld voor de gehele bestaansduur van de SBBS-uitgifte.

Verliezen worden erkend en toegewezen naarmate zij zich voordoen.

Artikel 7

Uitgifte van SBBS en verplichtingen van SPE's

1.  De SPE's voldoen aan alle volgende voorschriften:

a)  zij zijn gevestigd in de Unie;

b)  hun activiteiten blijven beperkt tot de uitgifte van en diensten met betrekking tot SBBS-uitgiften en tot het beheer van de onderliggende portefeuille van die SBBS-uitgiften in overeenstemming met de artikelen 4, 5, 6 en 8;

c)  zij zijn uitsluitend verantwoordelijk voor het verrichten van de onder b) bedoelde diensten en activiteiten.

2.  De SPE's hebben de volledige eigendom van de onderliggende portefeuille van een SBBS-uitgifte.

De onderliggende portefeuille van een SBBS-uitgifte vormt een financiëlezekerheidsovereenkomst die leidt tot de vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht, zoals omschreven in artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad(13), ter dekking van de financiële verplichtingen van de SPE jegens beleggers in die SBBS-uitgifte.

Aan het houderschap van een SBBS van een specifieke SBBS-uitgifte worden geen andere rechten of aanspraken ontleend op de activa van de SPE die de SBBS-uitgifte doet, dan die op de onderliggende portefeuille van die uitgifte en op de inkomsten die uit het houderschap van die SBBS worden verkregen.

Een vermindering van de waarde of opbrengsten van de onderliggende portefeuille overheidsobligaties geeft geen aanleiding tot een aansprakelijkheidsvordering van beleggers.

3.  Een SPE houdt op zodanige wijze gegevens en rekeningen bij dat:

a)  haar eigen activa en financiële middelen gescheiden zijn van die van de onderliggende portefeuille van de SBBS-uitgifte en de daaraan gerelateerde opbrengsten;

b)  de onderliggende portefeuilles en opbrengsten van verschillende SBBS-uitgiften gescheiden zijn;

c)  de door verschillende beleggers of intermediairs ingenomen posities gescheiden zijn;

d)  wordt bevestigd dat het aantal SBBS van een uitgifte op elk tijdstip gelijk is aan de som van de SBBS die alle beleggers of intermediairs in deze uitgifte aanhouden;

e)  wordt bevestigd dat de uitstaande nominale waarde van de SBBS van een uitgifte gelijk is aan de uitstaande nominale waarde van de onderliggende portefeuille overheidsobligaties van die uitgifte.

4.  SPE's houden de in artikel 4, lid 1, onder a), bedoelde overheidsobligaties uitsluitend bij centrale banken, centrale effectenbewaarinstellingen, vergunninghoudende kredietinstellingen of vergunninghoudende beleggingsondernemingen in bewaring, zoals is toegestaan bij deel B, punt 1, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(14) en afdeling A, punt 2, van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad(15).

4 bis.   De lidstaten waarborgen dat overheidsobligaties die door SPE's worden aangehouden in het geval van schuldherstructurering dezelfde behandeling genieten als dezelfde door anderen aangehouden overheidsobligaties of andere overheidsobligaties die op dezelfde voorwaarden zijn uitgegeven.

Artikel 8

Beleggingsbeleid

1.  Een SPE belegt hoofdsom- of rentebetalingen uit hoofde van de in artikel 4, lid 1, onder a), bedoelde overheidsobligaties die vóór hoofdsom- of rentebetalingen uit hoofde van de SBBS zijn verschuldigd, uitsluitend in contanten, dan wel in kasequivalenten die in euro luiden en die in aanmerking komen voor liquidatie binnen één dag met een minimaal negatief effect op de prijs.

Een SPE houdt de in de eerste alinea bedoelde betalingen uitsluitend bij centrale banken, centrale effectenbewaarinstellingen, vergunninghoudende kredietinstellingen of vergunninghoudende beleggingsondernemingen in bewaring, zoals is toegestaan bij deel B, punt 1, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU en afdeling A, punt 2, van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 909/2014.

2.  Een SPE wijzigt de onderliggende portefeuille van een SBBS niet totdat de betrokken SBBS vervalt.

3.  De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de in lid 1 bedoelde financiële instrumenten die als zeer liquide instrumenten met een laag markt- en kredietrisico kunnen worden beschouwd. De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [6 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen in overeenstemming met de in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde procedure.

Hoofdstuk 3

Gebruik van de benaming "SBBS" en kennisgevings-, transparantie en informatievereisten

Artikel 9

Gebruik van de benaming "door overheidsobligaties gedekte effecten"

De benaming "door overheidsobligaties gedekte effecten" of "SBBS" mag alleen worden gebruikt voor financiële producten die aan alle hiernavolgende voorwaarden voldoen:

a)  het financiële product voldoet doorlopend aan de artikelen 4, 5 en 6;

a bis)  de SPE voldoet doorlopend aan de artikelen 7 en 8;

b)  de ESMA heeft dat financiële product overeenkomstig artikel 10, lid 1, gecertificeerd en het financiële product is in de in artikel 10, lid 2, bedoelde lijst opgenomen.

Artikel 10

Voor SBBS geldende kennisgevingsvereisten

1.  Ten minste een week voor de uitgifte van een SBBS dient een SPE een aanvraag tot certificering van de SBBS-uitgifte in door de ESMA door middel van de in lid 5 van dit artikel bedoelde template ervan in kennis te stellen dat een SBBS-uitgifte aan de vereisten van de artikelen 4, 5 en 6 voldoet. De ESMA brengt de bevoegde autoriteit van de SPE daarvan onverwijld op de hoogte.

1 bis.  In de in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving licht de SPE toe op welke wijze zij aan elk van de vereisten voorzien in de artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 heeft voldaan.

1 ter.  De ESMA certificeert een SBBS-uitgifte alleen indien zij er ten volle van overtuigd is dat de aanvragende SPE en de SBBS-uitgifte voldoen aan alle in deze verordening vastgestelde vereisten. De ESMA informeert de aanvragende SPE onverwijld of de certificering is verleend of geweigerd.

2.  De ESMA houdt op haar officiële website een lijst bij van alle SBBS-uitgiften die door de ESMA zijn gecertificeerd. De ESMA actualiseert die lijst onmiddellijk en verwijdert elke SBBS-uitgifte die op grond van een besluit van de ESMA in overeenstemming met artikel 15 niet langer als een SBBS-uitgifte wordt beschouwd.

3.  ▌De ESMA vermeldt het onmiddellijk in de in lid 2 van dit artikel bedoelde lijst telkens wanneer zij in verband met de betrokken SBBS de in artikel 16 bedoelde administratieve sancties heeft opgelegd waartegen geen beroep meer mogelijk is.

3 bis.  De ESMA trekt de certificering van een SBBS-uitgifte in indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  de SPE heeft uitdrukkelijk van certificering afgezien of heeft hiervan binnen zes maanden na de certificering geen gebruik gemaakt;

b)  de SPE heeft de certificering verkregen door het afleggen van valse verklaringen of op een andere onregelmatige wijze;

c)  de SBBS-uitgifte voldoet niet meer aan de voorwaarden op grond waarvan de certificering heeft plaatsgevonden.

De intrekking van de certificering wordt onmiddellijk in de gehele Unie van kracht.

4.  De ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin de in lid 1 bedoelde informatie wordt gespecificeerd.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ... [6 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

5.  De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot vaststelling van de templates die moeten worden gebruikt voor het verstrekken van de in lid 1 bedoelde informatie.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk ... [6 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen in overeenstemming met artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 11

Transparantievereisten

1.  Een SPE verstrekt beleggers en de ESMA onverwijld de volgende informatie:

a)  informatie over de onderliggende portefeuille die van essentieel belang is voor het beoordelen of het financiële product aan de artikelen 4, 5 en 6 voldoet;

b)  een gedetailleerde beschrijving van de rangorde van betalingen van de tranches van de SBBS-uitgifte;

c)  ingeval geen prospectus is opgesteld in de in artikel 1, lid 4, artikel 1, lid 5, of artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad(16) beschreven gevallen, een overzicht van de belangrijkste kenmerken van de SBBS, met inbegrip van, in voorkomend geval, gegevens betreffende de blootstellingskenmerken, kasstromen en verlieswaterval;

d)  de respectievelijk in artikel 10, lid 1, en lid 1 ter, bedoelde kennisgeving en certificering.

De in deze alinea, onder a), bedoelde informatie wordt uiterlijk een maand na de vervaldatum voor de rentebetaling uit hoofde van de SBBS beschikbaar gesteld.

2.  Een SPE stelt de in lid 1 bedoelde informatie beschikbaar op een website die:

a)  een goed werkend systeem heeft voor de controle van de kwaliteit van gegevens;

b)  valt onder passende governancestandaarden en wordt onderhouden en geëxploiteerd volgens een organisatiestructuur die de continuïteit en de ordelijke werking van de site verzekert;

c)  is onderworpen aan systemen, controles en procedures die alle relevante bronnen van operationeel risico detecteren;

d)  systemen omvat die zorgen voor de bescherming en integriteit van de ontvangen informatie en de snelle registratie van die informatie;

e)  het mogelijk maakt om de informatie gedurende ten minste vijf jaar na de vervaldatum van elke SBBS-uitgifte te bewaren.

De in lid 1 bedoelde informatie en de plaats waar de informatie beschikbaar wordt gesteld, worden door de SPE vermeld in de aan beleggers verstrekte documentatie betreffende de SBBS.

Artikel 12

Informatievereisten

1.  Alvorens een SBBS over te dragen, verstrekt de overdrager de overnemer alle volgende informatie:

a)  de procedure om opbrengsten van de onderliggende portefeuille overheidsobligaties aan de verschillende tranches van de SBBS-uitgifte toe te wijzen, ook na of in anticipatie op een niet-betaling uit hoofde van de onderliggende activa;

b)  de wijze waarop de stemrechten betreffende een openbaar aanbod tot ruil na of anticiperend op een niet-betaling uit hoofde van overheidsobligaties in de onderliggende portefeuille aan beleggers zullen worden toegekend en de wijze waarop eventuele verliezen uit hoofde van een niet-betaling van schuld over de verschillende tranches van de SBBS-uitgifte zullen worden verdeeld.

2.  De ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin de in lid 1 bedoelde informatie wordt gespecificeerd.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [6 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen in overeenstemming met de in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde procedure.

Hoofdstuk 4

Producttoezicht

Artikel 13

Toezicht door de ESMA

1.  De ESMA is de bevoegde autoriteit die toezicht houdt op de naleving van de vereisten van deze verordening door SPE's ▌.

2.  De ESMAbeschikt over alle toezichts-, onderzoeks- en sanctiebevoegdheden die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar taken uit hoofde van deze verordening.

De ESMA is ten minste bevoegd om:

a)  inzage te vragen in elk document in welke vorm ook, voor zover dit betrekking heeft op SBBS, en een kopie daarvan te ontvangen of te maken;

b)  de SPE te verzoeken onverwijld informatie te verstrekken;

c)  informatie te verlangen van elke persoon die bij de activiteiten van een SPE betrokken is;

d)  al dan niet met voorafgaande aankondiging ter plaatse inspecties uit te voeren;

e)  passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat een SPE deze verordening blijft naleven;

f)  een bevel uit te vaardigen om ervoor te zorgen dat een SPE deze verordening naleeft en ophoudt met het herhaaldelijk vertonen van een bepaald soort gedrag dat een inbreuk vormt op deze verordening.

Artikel 14

Samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en de ESMA

1.  De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op entiteiten die SBBS samenstellen of anderszins actief zijn op de SBBS-markt en de ESMA werken nauw samen en wisselen informatie uit voor de uitoefening van hun taken. Zij coördineren met name nauw hun toezicht teneinde inbreuken op deze verordening vast te stellen en te remediëren, ontwikkelen en bevorderen goede praktijken, faciliteren samenwerking, dragen bij tot een consistente interpretatie en verstrekken jurisdictieoverschrijdende beoordelingen in geval van verschillen van mening.

Teneinde het gebruik van de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken en de consistente toepassing en handhaving van de verplichtingen van deze verordening te waarborgen, handelt de ESMA overeenkomstig de haar bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 toegekende bevoegdheden.

2.  Een bevoegde autoriteit die duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat een SPE de bepalingen van deze verordening schendt, stelt de ESMA onverwijld op gedetailleerde wijze daarvan in kennis. De ESMA neemt passende maatregelen, met inbegrip van het nemen van een in artikel 15 bedoeld besluit.

3.  Indien de SPE blijft handelen op een wijze die duidelijk in strijd is met deze verordening, ondanks de maatregelen die zijn getroffen door de ESMA ▌, kan de ESMA ▌alle passende maatregelen nemen om de beleggers te beschermen, met inbegrip van het opleggen van een verbod aan de SPE om nog SBBS op het grondgebied van haar lidstaat op de markt aan te bieden en het nemen van een in artikel 15 bedoeld besluit.

Artikel 15

Misbruik van de SBBS-benaming

1.  Indien er redenen zijn om aan te nemen dat een SPE in strijd met artikel 9 de benaming "SBBS" heeft gebruikt voor het op de markt brengen van een product dat niet aan de vereisten van dat artikel voldoet, volgt de ESMA de procedure die in lid 2 is vastgelegd.

2.  Binnen vijftien dagen na van de in lid 1 bedoelde mogelijke inbreuk kennis te hebben gekregen, besluit de ESMA of op artikel 9 inbreuk is gepleegd en stelt zij de andere relevante bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de bevoegde autoriteiten van de beleggers wanneer deze bekend zijn, daarvan in kennis. ▌

Indien de ESMA oordeelt dat de inbreuk door de SPE verband houdt met het te goeder trouw niet naleven van artikel 9, kan zij besluiten aan de SPE een termijn van ten hoogste een maand toe te kennen om de geconstateerde inbreuk te verhelpen, met ingang van de dag waarop de SPE door de ESMA van de inbreuk in kennis is gesteld. Tijdens deze periode wordt een SBBS die op de krachtens artikel 10, lid 2, door de ESMA bijgehouden lijst voorkomt, verder als SBBS beschouwd en op deze lijst gehandhaafd.

3.  De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot specificering van de samenwerkingsverplichtingen en van de op grond van de leden 1 en 2 uit te wisselen informatie.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ... [6 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 16

Remediërende maatregelen en administratieve sancties

1.  Onverminderd het recht van de lidstaten om krachtens artikel 17 strafrechtelijke sancties vast te stellen, legt de ESMA aan de SPE of de natuurlijke persoon die de SPE beheert, passende remediërende maatregelen, met inbegrip van het in artikel 15 bedoelde besluit, en passende administratieve sancties als genoemd in lid 3 op ingeval SPE's:

a)  niet hebben voldaan aan de in de artikelen 7 en 8 beschreven verplichtingen;

b)  niet hebben voldaan aan de vereisten van artikel 9, zoals de ESMA niet overeenkomstig artikel 10, lid 1, in kennis hebben gesteld of een misleidende kennisgeving hebben gedaan;

c)  niet hebben voldaan aan de transparantievereisten van artikel 11.

2.  Tot de in lid 1 bedoelde administratieve sancties behoren ten minste:

a)  een publieke verklaring waarin de identiteit van de natuurlijke of rechtspersoon die de inbreuk heeft gepleegd en de aard van de inbreuk worden vermeld;

b)  een bevel waarbij de natuurlijke of rechtspersoon die de inbreuk heeft gepleegd, wordt verplicht het gedrag stop te zetten en af te zien van herhaling ervan;

c)  een tijdelijk verbod om een lid van het leidinggevend orgaan van de SPE of een andere natuurlijke persoon die voor de inbreuk verantwoordelijk wordt gehouden, te beletten leidinggevende functies in SPE's uit te oefenen;

d)  in geval van een inbreuk als bedoeld in lid 1, onder b), een tijdelijk verbod om de SPE te beletten een in artikel 10, lid 1, bedoelde kennisgeving te doen;

e)  administratieve financiële sancties van ten hoogste 5 000 000 EUR, of in lidstaten die de euro niet als munt hebben, de overeenkomstige waarde in de nationale munteenheid op ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] of ten hoogste 10 % van de totale netto jaaromzet van de SPE volgens de meest recente jaarrekening die door het leidinggevend orgaan van de SPE is goedgekeurd;

f)  administratieve financiële sancties van ten hoogste tweemaal het bedrag van het aan de inbreuk ontleende voordeel indien dat kan worden bepaald, ook als dat voordeel hoger is dan de onder e) bedoelde maximumbedragen.

3.  Bij het bepalen van het type en de omvang van administratieve sancties houdt de ESMA rekening met de vraag in hoeverre de inbreuk opzettelijk is dan wel het resultaat van nalatigheid, en alle andere relevante omstandigheden, waaronder, in voorkomend geval:

a)  de materialiteit, ernst en duur van de inbreuk;

b)  de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon;

c)  de financiële draagkracht van de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon;

d)  de omvang van de door de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon behaalde winsten of vermeden verliezen, voor zover die winsten of verliezen kunnen worden bepaald;

e)  de verliezen die derden wegens de inbreuk hebben geleden;

f)  de mate waarin de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteit meewerkt;

g)  eerdere inbreuken van de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon.

4.  De ESMA zorgt ervoor dat een besluit waarbij remediërende maatregelen of administratieve sancties worden opgelegd, naar behoren gemotiveerd is en vatbaar is voor beroep.

Artikel 17

Wisselwerking met strafrechtelijke sancties

Lidstaten die strafrechtelijke sancties voor de in artikel 16, lid 1, genoemde inbreuken hebben vastgesteld, staan de ESMA toe om met de gerechtelijke, de met vervolging belaste of de strafrechtelijke autoriteiten in hun jurisdictie te communiceren en specifieke informatie te ontvangen over lopende strafrechtelijke onderzoeken naar en procedures in verband met de in artikel 16, lid 1, genoemde inbreuken en om dezelfde informatie aan de betrokken autoriteiten te verstrekken.

Artikel 18

Publicatie van administratieve sancties

1.  De ESMA publiceert op haar website onverwijld elk besluit waarbij een administratieve sanctie die niet meer vatbaar is voor beroep, wordt opgelegd wegens een in artikel 16, lid 1, genoemde inbreuk nadat de betrokken persoon daarvan in kennis is gesteld.

Bij de in de eerste alinea bedoelde publicatie wordt informatie bekendgemaakt over het type en de aard van de inbreuk en de identiteit van de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de administratieve sanctie is opgelegd.

2.  De ESMA maakt de administratieve sancties zonder vermelding van namen bekend ▌, in enige van de volgende omstandigheden:

a)  indien de administratieve sanctie aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd en op basis van een voorafgaande beoordeling de bekendmaking van de persoonsgegevens onevenredig blijkt;

b)  wanneer de bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten of een lopend strafrechtelijk onderzoek in gevaar brengt;

c)  indien bekendmaking onevenredige schade zou toebrengen aan de SPE of betrokken natuurlijke personen.

Bij wijze van alternatief kan, indien het waarschijnlijk is dat de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden binnen een redelijke periode zullen ophouden te bestaan, de in lid 1 bedoelde bekendmaking voor deze periode worden uitgesteld.

3.  De ESMA zorgt ervoor dat uit hoofde van de leden 1 en 2 bekendgemaakte informatie gedurende vijf jaar op haar officiële website blijft staan. Persoonsgegevens worden niet langer dan nodig is bijgehouden op de officiële website van de ESMA.

Artikel 18 bis

Toezichtvergoedingen

1.  De ESMA brengt de SPE vergoedingen in rekening, overeenkomstig deze verordening en overeenkomstig de krachtens lid 2 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen. Deze vergoedingen staan in verhouding tot de omzet van de betrokken SPE en dekken de nodige uitgaven van de ESMA in verband met het verlenen van vergunningen voor SBBS en het toezicht op SPE's volledig.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 24 bis een gedelegeerde handeling ter aanvulling van deze verordening vast te stellen tot nadere bepaling van de soorten vergoedingen, de zaken waarvoor een vergoeding moet worden betaald, de hoogte van de vergoedingen en de wijze waarop deze moeten worden betaald.

Artikel 19

Macroprudentieel toezicht op de SBBS-markt

Binnen de grenzen van zijn in Verordening (EU) nr. 1092/2010 neergelegde mandaat is het ESRB verantwoordelijk voor het macroprudentieel toezicht op de SBBS-markt van de Unie en handelt het in overeenstemming met de in genoemde verordening vastgelegde bevoegdheden. Indien het ESRB oordeelt dat SBBS-markten een ernstig risico voor de behoorlijke werking van de markten voor overheidsschuldbewijzen van de lidstaten van de eurozone vormen, maakt het in voorkomend geval gebruik van de bevoegdheden uit hoofde van de artikelen 16, 17 en 18 van Verordening (EU) nr. 1092/2010.

Hoofdstuk 4

Uitvoeringsbevoegdheden en slotbepalingen

Artikel 21

Wijziging van Richtlijn 2009/65/EG

In Richtlijn 2009/65/EG wordt het volgende artikel 54 bis ingevoegd:"

"Artikel 54 bis

1.  Wanneer lidstaten de in artikel 54 beschreven afwijking toepassen of de in artikel 56, lid 3, genoemde ontheffing verlenen, gaan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe over tot:

   a) de toepassing van dezelfde afwijking of de verlening van dezelfde ontheffing voor icbe's die volgens het beginsel van risicospreiding tot 100 % van hun activa in SBBS als omschreven in artikel 3, punt 3, van Verordening [verwijzing naar de SBBS-verordening invoegen] beleggen wanneer naar het oordeel van deze bevoegde autoriteiten de deelnemers in de icbe een bescherming genieten die gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden aan de deelnemers in een icbe die de begrenzingen van artikel 52 wel in acht neemt;
   b) het verlenen van ontheffing van de toepassing van artikel 56, leden 1 en 2.

2.  Uiterlijk ... [6 maanden na de datum van inwerkingtreding van de SBBS‑verordening] nemen de lidstaten de nodige maatregelen om aan lid 1 te voldoen, maken zij deze maatregelen bekend en delen zij deze mede aan de Commissie en de ESMA.".

"

Artikel 22

Wijziging van Richtlijn 2009/138/EG

Aan artikel 104 van Richtlijn 2009/138/EG wordt het volgende lid 8 toegevoegd:"

"8. Ten behoeve van de berekening van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste worden risicoposities in door overheidsobligaties gedekte effecten als omschreven in artikel 3, punt 3, van Verordening [verwijzing naar de SBBS‑verordening invoegen] behandeld als vorderingen op de centrale regeringen of centrale banken van de lidstaten luidend en gefinancierd in hun nationale munteenheid.

Uiterlijk ... [6 maanden na de datum van inwerkingtreding van de SBBS‑verordening] nemen de lidstaten de nodige maatregelen om aan de eerste alinea te voldoen, maken zij deze maatregelen bekend en delen zij deze mede aan de Commissie en de ESMA.".

"

Artikel 23

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 575/2013

Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt als volgt gewijzigd:

(1)  aan artikel 268 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:"

"5. In afwijking van lid 1 mag de senior tranche van door overheidsobligaties gedekte effecten als omschreven in artikel 3, punt 8, van Verordening [verwijzing naar de SBBS-verordening invoegen] steeds worden behandeld in overeenstemming met lid 1 van dit artikel.";

"

(2)  aan artikel 325 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:"

"4. Voor de toepassing van deze titel behandelen instellingen blootstellingen in de vorm van een senior tranche van door overheidsobligaties gedekte effecten als omschreven in artikel 3, punt 8, van Verordening [verwijzing naar de SBBS-verordening invoegen] als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid van een lidstaat.";

"

(3)  aan artikel 390, lid 7, wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"De eerste alinea is van toepassing op blootstellingen in de vorm van door overheidsobligaties gedekte effecten als omschreven in artikel 3, punt 3, van Verordening [verwijzing naar de SBBS-verordening invoegen].".

"

Artikel 24

Wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341

In Richtlijn (EU) 2016/2341 wordt het volgende artikel 18 bis ingevoegd:"

"Artikel 18 bis

Door overheidsobligaties gedekte effecten

1.  In hun nationale voorschriften betreffende de waardering van de activa van IBPV's, de berekening van het eigen vermogen van IBPV's en de berekening van een solvabiliteitsmarge voor IBPV's behandelen lidstaten door overheidsobligaties gedekte effecten als omschreven in artikel 3, punt 3, van Verordening [verwijzing naar de SBBS-verordening invoegen] op dezelfde wijze als overheidsschuldinstrumenten van de eurozone.

2.  Uiterlijk ... [6 maanden na de datum van inwerkingtreding van de SBBS‑verordening] nemen de lidstaten de nodige maatregelen om aan lid 1 te voldoen, maken zij deze maatregelen bekend en delen zij deze mede aan de Commissie en de ESMA.".

"

Artikel 24 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 4, lid 3, derde en vierde alinea, en artikel 18 bis, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4, lid 3, derde en vierde alinea, en artikel 18 bis, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, geeft zij daarvan gelijktijdig kennis aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 4, lid 3, derde of vierde alinea, of artikel 18 bis, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn aan de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd.

Artikel 25

Evaluatieclausule

Ten vroegste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening en zodra voldoende gegevens beschikbaar zijn gekomen, voert de Commissie een evaluatie van deze verordening uit, waarbij wordt beoordeeld of zij haar doelstelling heeft verwezenlijkt om onnodige regelgevende belemmeringen voor de opkomst van SBBS op te heffen.

Artikel 26

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Europees Comité voor het effectenbedrijf, dat is ingesteld bij Besluit 2001/528/EG van de Commissie(17). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 113.
(2) PB C , , blz. .
(3) PB C , , blz. .
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(5) Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).
(6) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
(7) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (VKV) (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(8) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
(9) Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's) (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 37).
(10) Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).
(11) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(12) Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit (PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1).
(13) Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43).
(14) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
(15) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).
(16) Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12).
(17) Besluit 2001/528/EG van de Commissie van 6 juni 2001 tot instelling van het Europees Comité voor het effectenbedrijf (PB L 191 van 13.7.2001, blz. 45).


Europese toezichthoudende autoriteiten en financiële markten ***I
PDF 128kWORD 55k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit); Verordening (EU) nr. 1094/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen); Verordening (EU) nr. 1095/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten); Verordening (EU) nr. 345/2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen; Verordening (EU) nr. 346/2013 betreffende Europese sociaalondernemerschapsfondsen; Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten; Verordening (EU) 2015/760 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen; Verordening (EU) 2016/1011 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten; Verordening (EU) 2017/1129 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten; en Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (COM(2018)0646 – C8-0409/2018 – 2017/0230(COD))
P8_TA(2019)0374A8-0013/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0646),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0409/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 11 april 2018(1) en van 7 december 2018(2),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 februari 2018(3) en van 12 december 2018(4),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 1 april 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0013/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit); Verordening (EU) nr. 1094/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen); Verordening (EU) nr. 1095/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten); Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten; Verordening (EU) 2016/1011 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten; en Verordening (EU) 2015/847 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/2175.)

(1) PB C 255 van 20.7.2018, blz. 2.
(2) PB C 37 van 30.1.2019, blz. 1.
(3) PB C 227 van 28.6.2018, blz. 63.
(4) PB C 110 van 22.3.2019, blz. 58.


Macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s ***I
PDF 126kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1092/2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's (COM(2017)0538 – C8-0317/2017 – 2017/0232(COD))
P8_TA(2019)0375A8-0011/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0538),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0317/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 2 maart 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 februari 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 1 april 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie juridische zaken en de Commissie constitutionele zaken (A8-0011/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1092/2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/2176.)

(1) PB C 120 van 6.4.2018, blz. 2.
(2) PB C 227 van 28.6.2018, blz. 63.


Markten voor financiële instrumenten en de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) ***I
PDF 125kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten en van Richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (COM(2017)0537 – C8-0318/2017 – 2017/0231(COD))
P8_TA(2019)0376A8-0012/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0537),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 53, lid 1, en artikel 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0318/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 11 mei 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 februari 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 1 april 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0012/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten, en van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/2177.)

(1) PB C 251 van 18.7.2018, blz. 2.
(2) PB C 227 van 28.6.2018, blz. 63.


Prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen (richtlijn) ***I
PDF 125kWORD 59k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/65/EU (COM(2017)0791 – C8-0452/2017 – 2017/0358(COD))
P8_TA(2019)0377A8-0295/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0791),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0452/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 22 augustus 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 april 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0295/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/2034.)

(1) PB C 378 van 19.10.2018, blz. 5.
(2) PB C 262 van 25.7.2018, blz. 35.


Prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen (verordening)***I
PDF 125kWORD 58k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 1093/2010 (COM(2017)0790 – C8-0453/2017 – 2017/0359(COD))
P8_TA(2019)0378A8-0296/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0790),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0453/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 22 augustus 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 april 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0296/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/2033.)

(1) PB C 378 van 19.10.2018, blz. 5.
(2) PB C 262 van 25.7.2018, blz. 35.


Transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie ***I
PDF 129kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie (COM(2017)0797 – C8-0006/2018 – 2017/0355(COD))
P8_TA(2019)0379A8-0355/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0797),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 153, lid 1, onder b), en lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0006/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Zweedse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 mei 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 juli 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie juridische zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0355/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/1152.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie

Overeenkomstig artikel 23 van de richtlijn onderwerpt de Commissie de toepassing van deze richtlijn aan een evaluatie, uiterlijk op de datum van inwerkingtreding + 8 jaar, met het oog op het indienen van de nodige wijzigingen. De Commissie besteedt in haar verslag bijzondere aandacht aan de toepassing van de artikelen 1 en 14 door de lidstaten. De Commissie zal ook de naleving van artikel 14 controleren wanneer zij nagaat of de lidstaten de richtlijn volledig en correct in hun nationale wetgeving hebben omgezet.

(1) PB C 283 van 10.8.2018, blz. 39.
(2) PB C 387 van 25.10.2018, blz. 53.


Europese Arbeidsautoriteit ***I
PDF 131kWORD 52k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit (COM(2018)0131 – C8-0118/2018 – 2018/0064(COD))
P8_TA(2019)0380A8-0391/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0131),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 46, artikel 48, artikel 53, lid 1, artikel 62 en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0118/2018),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, en de artikelen 46 en 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 oktober 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie juridische zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0391/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd, en die in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt in het nummer volgend op dat waarin de definitieve wetgevingshandeling wordt bekendgemaakt;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EU) nr. 492/2011 en (EU) 2016/589, en tot intrekking van Besluit (EU) 2016/344

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1149.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie stellen vast dat het proces voor de selectie van de plaats voor de zetel van de Europese Arbeidsautoriteit nog niet is afgesloten op het moment van de goedkeuring van de verordening tot oprichting van die Autoriteit.

Herinnerend aan het engagement inzake loyale en transparante samenwerking en aan de Verdragen erkennen de drie instellingen de waarde van informatie-uitwisseling vanaf de eerste fasen van het proces inzake de selectie van de vestigingsplaats van de Europese Arbeidsautoriteit.

Een dergelijke vroegtijdige uitwisseling van informatie zou het voor de drie instellingen gemakkelijker maken hun rechten overeenkomstig de Verdragen via de desbetreffende procedures uit te oefenen.

Het Europees Parlement en de Raad nemen akte van het voornemen van de Commissie om passende stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de oprichtingsverordening een bepaling omvat over de vestigingsplaats van de Europese Arbeidsautoriteit, en ervoor te zorgen dat de Europese Arbeidsautoriteit autonoom opereert overeenkomstig die verordening.

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 128.
(2) PB C 461 van 21.12.2018, blz. 16.


Instandhouding van visbestanden en bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen ***I
PDF 124kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1098/2007 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1343/2011 en (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (COM(2016)0134 – C8-0117/2016 – 2016/0074(COD))
P8_TA(2019)0381A8-0381/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0134),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0117/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 juli 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 december 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 22 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0381/2017).

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1241.)

(1) PB C 389 van 21.10.2016, blz. 67.
(2) PB C 185 van 9.6.2017, blz. 82.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 16 januari 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0003).


Verordening betreffende Europese bedrijfsstatistieken ***I
PDF 120kWORD 60k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese bedrijfsstatistieken tot wijziging van Verordening (EG) nr. 184/2005 en tot intrekking van tien wetgevingsbesluiten op het gebied van bedrijfsstatistieken (COM(2017)0114 – C8-0099/2017 – 2017/0048(COD))
P8_TA(2019)0382A8-0094/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0114),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0099/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 2 januari 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0094/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese bedrijfsstatistieken en tot intrekking van tien rechtshandelingen op het gebied van bedrijfsstatistieken

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/2152.)

(1) PB C 77 van 1.3.2018, blz. 2.


Onderzoeken door OLAF en samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie ***I
PDF 317kWORD 80k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de onderzoeken van OLAF (COM(2018)0338 – C8-0214/2018 – 2018/0170(COD))
P8_TA(2019)0383A8-0179/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0338),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met name artikel 106 bis daarvan, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0214/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Advies nr. 8/2018 van de Rekenkamer(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden en binnenlandse zaken (A8-0179/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de onderzoeken van OLAF

P8_TC1-COD(2018)0170


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 325, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Met de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(4) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(5) heeft de Unie het geharmoniseerde rechtskader betreffende de beschikbare strafrechtelijke middelen om de financiële belangen van de Unie te beschermen, aanzienlijk versterkt. Het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") is een belangrijke prioriteit op het gebied van strafrecht en fraudebestrijdingsbeleid en het zal de bevoegdheid hebben om in de deelnemende lidstaten strafrechtelijke onderzoeken uit te voeren en tenlasteleggingen in te dienen met betrekking tot strafbare feiten waardoor de begroting van de Unie wordt geschaad, als omschreven in Richtlijn (EU) 2017/1371. [Am. 1]

(2)  Ter bescherming van de financiële belangen van de Unie verricht het Europees Bureau voor fraudebestrijding ("het Bureau") verricht administratieve onderzoeken naar administratieve onregelmatigheden en ook naar strafbare gedragingen. Aan het einde van zijn onderzoeken kan het Bureau aan de nationale strafvervolgingsautoriteiten aanbevelingen betreffende gerechtelijke acties doen, teneinde tenlasteleggingen en strafvervolgingen in de lidstaten mogelijk te maken. In de toekomst zal het Bureau in de lidstaten die aan het EOM deelnemen, vermoedens van strafbare feiten aan het EOM melden en daarmee samenwerken in het kader van zijn onderzoeken. [Am. 2]

(3)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6) moet dus worden gewijzigd en dienovereenkomstig worden aangepast na de vaststelling van Verordening (EU) 2017/1939. De bepalingen inzake de band tussen het EOM en het Bureau in Verordening (EU) 2017/1939 moeten tot uitdrukking komen in en worden aangevuld door de regels in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, zodat de financiële belangen van de Unie zo goed mogelijk worden beschermd door middel van synergieën tussen de twee organen, wat betekent dat de beginselen van nauwe samenwerking, informatie-uitwisseling, complementariteit en het vermijden van dubbel werk moeten worden toegepast. [Am. 3]

(4)  In het licht van hun gemeenschappelijke doel, namelijk het behoud van de integriteit van de begroting van de Unie, moeten het Bureau en het EOM een nauwe band ontwikkelen en onderhouden om echt samen te werken en te garanderen dat hun respectieve mandaten complementair zijn en hun acties gecoördineerd worden, met name gelet op de omvang van de nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM. De band moet uiteindelijk helpen te waarborgen dat alle middelen worden ingezet om de financiële belangen van de Unie te beschermen, en dat onnodig dubbel werk wordt voorkomen.

(5)  Op grond van Verordening (EU) 2017/1939 moet het Bureau, net als alle instellingen, organen en instanties van de Unie en nationale bevoegde autoriteiten, zonder onnodige vertraging elke vermoedelijke strafbare gedraging ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid kan uitoefenen, aan het EOM melden. Omdat het Bureau als mandaat heeft administratieve onderzoeken te verrichten naar fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, is het ideaal geplaatst en uitgerust om op te treden als de natuurlijke partner van en bevoorrechte bron van informatie voor het EOM. [Am. 4]

(6)  Elementen die wijzen op mogelijke strafbare gedragingen die binnen de bevoegdheid van het EOM vallen, kunnen in de praktijk al aanwezig zijn in initiële vermoedens die het Bureau ontvangt, of pas blijken in de loop van een administratief onderzoek dat het Bureau heeft ingesteld op grond van een vermoeden van administratieve onregelmatigheid. Om aan zijn meldingsplicht aan het EOM te voldoen, moet het Bureau dus, naargelang het geval, strafrechtelijke gedragingen melden in een fase vóór of tijdens een onderzoek.

(7)  Verordening (EU) 2017/1939 specificeert de elementen die in de regel ten minste in een melding moeten worden opgenomen. Het kan zijn dat het Bureau moet overgaan tot een voorlopige evaluatie van vermoedens om na te gaan of deze elementen aanwezig zijn en de nodige informatie te verzamelen. Het Bureau moet de evaluatie snel verrichten en met behulp van middelen waardoor een mogelijk toekomstig strafrechtelijk onderzoek niet in gevaar wordt gebracht. Indien een vermoeden van een strafbaar feit binnen de bevoegdheid van het EOM wordt vastgesteld, moet het Bureau dit bij afloop van zijn evaluatie aan het EOM melden.

(8)  Gelet op de deskundigheid van het Bureau moeten de instellingen, organen en instanties van de Unie de keuze hebben om een beroep te doen op het Bureau voor het verrichten van een dergelijke voorlopige evaluatie van vermoedens die aan hen zijn gemeld.

(9)  Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 mag het Bureau in beginsel geen parallel administratief onderzoek instellen als het EOM al een onderzoek voert met betrekking tot dezelfde feiten. In sommige gevallen kan de bescherming van de financiële belangen van de Unie echter vereisen dat het Bureau een aanvullend administratief onderzoek verricht voordat de door het EOM ingestelde strafrechtelijke procedure beëindigd is, om te kunnen nagaan of voorzorgsmaatregelen nodig zijn dan wel financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties moeten worden ondernomen. Deze aanvullende onderzoeken kunnen onder meer passend zijn wanneer aan de begroting van de Unie verschuldigde bedragen binnen bepaalde verjaringstermijnen moeten worden teruggevorderd, wanneer de risicobedragen erg hoog zijn of wanneer door middel van administratieve maatregelen moet worden voorkomen dat in risicosituaties verdere uitgaven worden gedaan.

(10)  Verordening (EU) 2017/1939 bepaalt dat het EOM het Bureau kan verzoeken om dergelijke aanvullende onderzoeken. In gevallen waarin het EOM daar niet om verzoekt, moet een dergelijk aanvullend onderzoek onder bepaalde specifieke voorwaarden ook mogelijk zijn op initiatief van het Bureau, na raadpleging van het EOM. Het EOM moet met name bezwaar kunnen maken tegen de opening of de voortzetting van een onderzoek door het Bureau of tegen het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen door het Bureau. De redenen voor dit bezwaar moeten gebaseerd zijn op het feit dat de doeltreffendheid van het onderzoek van het EOM moet worden beschermd, en moeten in verhouding staan tot dit doel. Het Bureau moet afzien van het verrichten van de handelingen waartegen het EOM bezwaar heeft gemaakt. Indien het EOM geen bezwaar maakt het verzoek inwilligt, moet het onderzoek van het Bureau in nauw overleg met het EOM worden verricht. [Am. 6]

(11)  Het Bureau moet het EOM actief ondersteunen in zijn onderzoeken. In dit verband kan het EOM het Bureau vragen dat het zijn strafrechtelijke onderzoeken ondersteunt of aanvult door de uitoefening van bevoegdheden op grond van deze verordening. In deze gevallen moet het Bureau deze operaties uitvoeren binnen de grenzen van zijn bevoegdheden en binnen het kader waarin deze verordening voorziet.

(12)  Om doeltreffende coördinatie, samenwerking en transparantie tussen het Bureau en het EOM te garanderen, moet continu tussen hen informatie worden uitgewisseld. De uitwisseling van informatie in de fasen voorafgaand aan de opening van onderzoeken door het Bureau en het EOM is vooral relevant om degelijke coördinatie tussen de respectieve acties te garanderen, om complementariteit te waarborgen en dubbel werk te voorkomen. Hiertoe moeten het Bureau en het EOM gebruikmaken van de hit/no hit-functies in hun respectieve managementsystemen. Het Bureau en het EOM moeten de modaliteiten en voorwaarden van deze uitwisseling van informatie vastleggen in hun werkafspraken. [Am. 7]

(13)  Het verslag van de Commissie van de evaluatie van de toepassing van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013(7), dat op 2 oktober 2017 werd aangenomen, concludeerde dat de wijzigingen in het rechtskader van 2013 voor duidelijke verbeteringen hebben gezorgd op het gebied van het verrichten van onderzoeken, de samenwerking met partners en de rechten van de betrokken personen. Anderzijds heeft de evaluatie een aantal tekortkomingen aan het licht gebracht die van invloed zijn op de doeltreffendheid en efficiëntie van onderzoeken.

(14)  De meest ondubbelzinnige bevindingen van de evaluatie van de Commissie moeten worden aangepakt door middel van de wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013. Het gaat om essentiële wijzigingen die op korte termijn nodig zijn om het kader voor de onderzoeken van het Bureau te verstevigen, zodat het Bureau krachtig en volledig kan blijven functioneren en de strafrechtelijke aanpak van het EOM kan complementeren met administratieve onderzoeken, die echter geen wijziging van het mandaat of de bevoegdheden behelzen. Het gaat in de eerste plaats om wijzigingen op punten waar vandaag het gebrek aan duidelijkheid van de verordening het Bureau belemmert doeltreffend onderzoeken te verrichten, zoals controles ter plaatse, de mogelijkheid van toegang tot informatie over bankrekeningen of de toelaatbaarheid van zaakverslagen van het Bureau als bewijs. De Commissie moet uiterlijk twee jaar na de evaluatie van zowel het EOM als het Bureau, evenals van hun samenwerking, een nieuw, alomvattend voorstel indienen. [Am. 8]

(15)  Deze wijzigingen veranderen niets aan de procedurewaarborgen die gelden in het kader van onderzoeken. Het Bureau is verplicht de procedurewaarborgen toe te passen van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/2016(8), en die welke in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn opgenomen. Dit kader vereist dat het Bureau zijn onderzoeken objectief, onpartijdig en vertrouwelijk verricht, zowel belastende feiten tegen als ontlastende feiten voor de betrokken persoon zoekt en onderzoekshandelingen verricht op basis van een schriftelijke machtiging en na wettigheidstoetsingen. Het Bureau moet de eerbiediging van de rechten van in zijn onderzoeken betrokken personen garanderen, waaronder het vermoeden van onschuld en het recht niet tegen zichzelf te getuigen. Betrokken personen hebben bij een onderhoud onder meer het recht om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze, het recht het verslag van het onderhoud goed te keuren, en het recht zich uit te drukken in een van de officiële talen van de Unie. Betrokken personen hebben ook het recht om hun oordeel te geven over de feiten van de zaak voordat conclusies worden getrokken.

(16)  Het Bureau verricht controles en verificaties ter plaatse, waarbij het in het kader van zijn onderzoeken naar vermoedens van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, toegang heeft tot de lokalen en documenten van marktdeelnemers. Die controles en verificaties worden verricht overeenkomstig deze verordening en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96, die in sommige gevallen de toepassing van deze bevoegdheden doen afhangen van voorwaarden van nationaal recht. Uit de evaluatie van de Commissie bleek dat de mate waarin het nationale recht van toepassing moet zijn, niet altijd duidelijk is, wat een belemmering is voor de doeltreffendheid van de onderzoeksactiviteiten van het Bureau.

(17)  Het is dus passend dat de gevallen worden verduidelijkt waarin het nationale recht van toepassing moet zijn in de loop van onderzoeken van het Bureau, evenwel zonder te tornen aan de bevoegdheden van het Bureau of de manier waarop de verordening ten aanzien van de lidstaten werkt. Deze verduidelijking weerspiegelt de recente uitspraak van het Gerecht in zaak T-48/16, Sigma Orionis SA tegen Europese Commissie.

(18)  In situaties waarin de betrokken marktdeelnemer zich aan de controle onderwerpt, moet het verrichten van controles en verificaties ter plaatse door het Bureau alleen onder het Unierecht vallen. Dit moet het voor het Bureau mogelijk maken om in alle lidstaten zijn onderzoeksbevoegdheden op doeltreffende en coherente wijze uit te oefenen, teneinde bij te dragen aan een hoog niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie in de hele Unie, zoals vereist door artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(19)  In situaties waarin het Bureau een beroep moet doen op de bijstand van de nationale bevoegde autoriteiten, vooral in gevallen waarin een marktdeelnemer zich tegen een controle en verificatie ter plaatse verzet, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de actie van het Bureau doeltreffend is, en moeten zij overeenkomstig de desbetreffende regels van nationaal procesrecht de nodige bijstand verlenen.

(20)  In Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 moet voor marktdeelnemers de plicht tot samenwerking met het Bureau worden ingevoerd. Dit spoort met hun verplichting op grond van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 om voor het verrichten van controles en verificaties ter plaatse toegang te verlenen tot lokalen, terreinen, vervoermiddelen en andere plaatsen voor professioneel gebruik, en met de verplichting in artikel 129(9) van het Financieel Reglement dat een persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle meewerkt aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, waaronder in het kader van onderzoeken door het Bureau.

(21)  Als onderdeel van deze plicht tot samenwerking moet het Bureau van marktdeelnemers die mogelijk bij de onderzochte feiten zijn betrokken, of die mogelijk relevante informatie bezitten, kunnen verlangen dat zij relevante informatie verstrekken. Wanneer zij aan dergelijke verzoeken gevolg geven, zijn marktdeelnemers niet verplicht toe te geven dat zij een onwettige activiteit hebben verricht, maar moeten zij feitelijke vragen beantwoorden en documenten verstrekken, zelfs als deze informatie kan worden gebruikt om tegen hen of tegen een andere marktdeelnemer het bestaan van een onwettige activiteit aan te tonen.

(22)  Marktdeelnemers moeten de mogelijkheid hebben om een van de officiële talen te gebruiken van de lidstaat waar de controle plaatsvindt, en het recht hebben om zich tijdens controles en verificaties ter plaatse door een persoon naar keuze, waaronder door een externe juridisch adviseur, te laten bijstaan. De aanwezigheid van een juridisch adviseur mag echter geen wettelijke voorwaarde zijn voor de geldigheid van controles en verificaties ter plaatse. Om de doeltreffendheid van controles en verificaties ter plaatse te garanderen, met name wat betreft het risico dat bewijsmiddelen verdwijnen, moet het Bureau toegang kunnen krijgen tot lokalen, terreinen, vervoermiddelen of andere plaatsen voor professioneel gebruik zonder te hoeven wachten totdat de marktdeelnemer zijn juridisch adviseur raadpleegt. Het moet slechts een korte redelijke termijn aanvaarden in afwachting van de raadpleging van de juridisch adviseur voordat het met de controle begint. Die termijn moet tot het strikte minimum worden beperkt.

(23)  Ten behoeve van de transparantie moet het Bureau bij het verrichten van controles en verificaties ter plaatse de marktdeelnemers passende informatie verstrekken over hun plicht tot samenwerking en de gevolgen van een weigering, en over de procedure die bij de controle moet worden gevolgd, inclusief de toepasselijke procedurewaarborgen.

(24)  In interne onderzoeken en, zo nodig, in externe onderzoeken heeft het Bureau toegang tot alle relevante informatie die in het bezit is van de instellingen, organen en instanties. Zoals in de evaluatie van de Commissie werd gesuggereerd, moet worden verduidelijkt dat deze toegang mogelijk moet zijn ongeacht de aard van de het soort informatiedrager, zodat rekening wordt gehouden met de evoluerende technologische vooruitgang. [Am. 9]

(25)  Voor een coherenter kader voor de onderzoeken van het Bureau moeten de regels voor interne en externe onderzoeken verder op elkaar worden afgestemd wanneer er geen goede reden bestaat voor onderlinge verschillen, om bepaalde in de evaluatie van de Commissie geconstateerde inconsistenties weg te werken. Er moet dus bijvoorbeeld worden bepaald dat verslagen en aanbevelingen die na een extern onderzoek zijn opgesteld, kunnen worden toegezonden aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie met het oog op het ondernemen van passende actie, net zoals bij interne onderzoeken. Wanneer zijn mandaat dat mogelijk maakt, moet het Bureau de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie ondersteunen in het gevolg dat aan zijn aanbevelingen wordt gegeven. Om samenwerking tussen het Bureau en instellingen, organen en instanties verder te garanderen, moet het Bureau, zo nodig, de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie in kwestie informeren wanneer het besluit om geen extern onderzoek te openen, bijvoorbeeld wanneer een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie de bron van de initiële informatie was.

(26)  Het Bureau moet beschikken over de nodige middelen om het geldspoor te volgen teneinde de werkwijze te ontdekken die typisch is voor veel frauduleuze gedragingen. Vandaag kan het door middel van samenwerking met en bijstand van de nationale autoriteiten in een aantal lidstaten van kredietinstellingen informatie over bankrekeningen verkrijgen die relevant is voor zijn onderzoeksactiviteiten. Om een doeltreffende aanpak in de hele Unie te garanderen, moet de verordening nadere bepalingen bevatten over de plicht van nationale bevoegde autoriteiten om het Bureau informatie te verstrekken over bank- en betaalrekeningen, als onderdeel van hun algemene plicht het Bureau bijstand te verlenen. Deze samenwerking moet in de regel plaatsvinden via de financiële inlichtingeneenheden in de lidstaten. Wanneer zij het Bureau bijstand verlenen, moeten de nationale autoriteiten handelen met naleving van de relevante bepalingen van procesrecht in de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat.

(26 bis)   Teneinde zorg te dragen voor de bescherming en eerbiediging van de procedurerechten en -waarborgen, dient het Bureau een interne functie in het leven te roepen in de vorm een Toezichthouder op de procedurewaarborgen, die over passende middelen moet beschikken. De Toezichthouder op de procedurewaarborgen dient toegang te hebben tot alle informatie die hij nodig heeft om zijn taak te vervullen. [Am. 10]

(26 ter)   Bij deze verordening moet een klachtenregeling voor het Bureau worden ingesteld, in samenwerking met de Toezichthouder op de procedurewaarborgen, teneinde de eerbiediging van de procedurerechten en -waarborgen bij alle activiteiten van het Bureau te waarborgen. Deze regeling dient te bestaan uit een bestuurlijk mechanisme waarbij de Toezichthouder wordt belast met de behandeling van door het Bureau ontvangen klachten, overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur. Het mechanisme moet doeltreffend zijn en een degelijke follow-up van klachten waarborgen. Om de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, neemt het Bureau in zijn jaarverslag informatie op over het klachtenmechanisme. Die informatie betreft met name het aantal ontvangen klachten, de soorten schendingen van de procedurerechten en -waarborgen, de betreffende activiteiten en, waar mogelijk, de follow-upmaatregelen die het Bureau heeft genomen. [Am. 11]

(27)  De vroege doorgifte van informatie door het Bureau met het oog op het nemen van voorzorgsmaatregelen is een essentieel instrument voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie. Om in dit verband nauwe samenwerking tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties van de Unie te garanderen, moeten die laatste de mogelijkheid hebben om het Bureau te allen tijde te raadplegen om te besluiten welke voorzorgsmaatregelen, inclusief maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen, passend zijn.

(28)  Verslagen van het Bureau zijn vandaag toelaatbare bewijsmiddelen in administratieve of gerechtelijke procedures, op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen. Uit de evaluatie van de Commissie bleek dat deze regel in sommige lidstaten de doeltreffendheid van de activiteiten van het Bureau onvoldoende waarborgt. Om de verslagen van het Bureau doeltreffender te maken en het gebruik ervan samenhangender, moet de verordening bepalen dat die verslagen toelaatbaar zijn in gerechtelijke procedures van niet-strafrechtelijke aard voor nationale gerechten, en ook in administratieve procedures in de lidstaten. De regel dat deze verslagen gelijkwaardig zijn met de verslagen van nationale administratieve controleurs moet van toepassing blijven in geval van nationale gerechtelijke procedures van strafrechtelijke aard. De verordening moet ook voorzien in de toelaatbaarheid van de verslagen van het Bureau in administratieve en gerechtelijke procedures op Unieniveau.

(29)  Het mandaat van het Bureau omvat de bescherming van de inkomsten voor de Uniebegroting uit eigen btw-middelen. Het Bureau moet op dit gebied de activiteiten van de lidstaten kunnen ondersteunen en aanvullen door middel van onderzoeken die overeenkomstig zijn mandaat worden verricht, de coördinatie van nationale bevoegde autoriteiten in complexe grensoverschrijdende zaken en de ondersteuning van en bijstand aan lidstaten en het EOM. Het Bureau moet daartoe informatie kunnen uitwisselen via het Eurofisc-netwerk, dat bij Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad(10) is ingesteld, rekening houdend met de bepalingen van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(11), om samenwerking in de strijd tegen btw-fraude te bevorderen en te vergemakkelijken. [Am. 12]

(30)  De coördinatiediensten fraudebestrijding van de lidstaten werden ingevoerd bij Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 om een doeltreffende samenwerking en uitwisseling van informatie, inclusief informatie van operationele aard, tussen het Bureau en de lidstaten te vergemakkelijken. Uit de evaluatie bleek dat zij positief hebben bijgedragen aan de activiteiten van het Bureau. Er werd ook vastgesteld dat hun rol verder moet worden verduidelijkt om te garanderen dat het Bureau de nodige bijstand krijgt om ervoor te zorgen dat zijn onderzoeken doeltreffend zijn, terwijl de organisatie en de bevoegdheden van de coördinatiediensten fraudebestrijding aan elke lidstaat worden overgelaten. In dit verband moeten de coördinatiediensten fraudebestrijding in staat zijn om de nodige bijstand aan het Bureau te verlenen, te krijgen of te coördineren opdat het Bureau zijn taken doeltreffend kan uitvoeren vóór, tijdens of bij afloop van een intern of extern onderzoek.

(31)  De taak van het Bureau om de lidstaten bijstand te verlenen voor de coördinatie van hun acties ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, is een belangrijk onderdeel van zijn mandaat om grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten te ondersteunen. Er moeten nader bepaalde regels worden vastgesteld om de coördinatieactiviteiten van het Bureau en zijn samenwerking in deze context met de autoriteiten van de lidstaten, derde landen en internationale organisaties te vergemakkelijken. Deze regels mogen geen afbreuk doen aan de uitoefening door het Bureau van bevoegdheden die aan de Commissie zijn verleend in specifieke bepalingen betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met name aan Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad(12).

(32)  Voorts moet het voor het Bureau mogelijk zijn om de bijstand te vragen van de coördinatiediensten fraudebestrijding in het kader van coördinatieactiviteiten, en moet het voor de coördinatiediensten fraudebestrijding mogelijk zijn om onderling samen te werken, teneinde de beschikbare mechanismen voor samenwerking in de strijd tegen fraude verder te versterken.

(32 bis)   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten het Bureau de nodige bijstand verlenen bij de uitvoering van zijn taken. Wanneer het Bureau aanbevelingen betreffende gerechtelijke acties doet aan de nationale strafvervolgingsautoriteiten van een lidstaat en er geen follow-up plaatsvindt, moet de lidstaat zijn beslissing jegens het Bureau motiveren. Eenmaal per jaar dient het Bureau een verslag op te stellen om een overzicht te geven van de door de lidstaten verleende bijstand en van de follow-up die aan de aanbevelingen betreffende gerechtelijke acties gegeven is. [Am. 13]

(32 ter)   Als aanvulling op de in deze verordening vastgestelde procedureregels voor het verrichten van onderzoeken dient het Bureau de procedureregels voor onderzoeken vast te stellen die moeten worden nageleefd door de personeelsleden van het Bureau. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter bepaling van een dergelijk reglement voor onderzoeken, zonder afbreuk te doen aan de onafhankelijkheid van het Bureau bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Deze gedelegeerde handelingen dienen in het bijzonder betrekking te hebben op de gang van zaken bij de uitvoering van het mandaat en het statuut van het Bureau; nadere regels inzake onderzoeksprocedures en toegestane onderzoekshandelingen; de legitieme rechten van de betrokken personen; de procedurewaarborgen; bepalingen inzake gegevensbescherming en beleid op het gebied van communicatie en toegang tot documenten; bepalingen inzake de wettigheidstoetsing en beroepsmogelijkheden van de betrokkenen; de band met het EOM. Het is van bijzonder belang dat het Bureau bij zijn voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. [Am. 14]

(32 quater)   Uiterlijk vijf jaar na de datum die overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939 is bepaald, dient de Commissie de toepassing van deze verordening en met name de doeltreffendheid van de samenwerking tussen het Bureau en het EOM te evalueren. [Am. 15]

(33)  Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de versterking van de bescherming van de financiële belangen van de Unie door de werking van het Bureau aan de instelling van het EOM aan te passen en door de onderzoeken door het Bureau doeltreffender te maken, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar door de vaststelling van regels betreffende de band tussen de twee organen van de Unie en regels om de onderzoeken door het Bureau doeltreffender te maken in de hele Unie, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is met het oog op een krachtiger bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

(34)  Deze verordening brengt geen wijzigingen aan in de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de lidstaten om maatregelen te treffen ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

(35)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(13) en heeft op ... advies(14) uitgebracht.

(36)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wordt als volgt gewijzigd:

-1)  de inleidende formule van artikel 1, lid 1, wordt vervangen door:"

"1. Met het oog op een krachtigere bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit of onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna tezamen, naargelang van de context, "de Unie" genoemd) worden geschaad, verricht het Europees Bureau voor fraudebestrijding, opgericht bij Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom ("het Bureau") de onderzoekstaken die zijn toevertrouwd aan de Commissie bij:". [Am. 16]

"

-1 bis)  artikel 1, lid 2, wordt vervangen door:"

"2. Het Bureau biedt de lidstaten de bijstand van de Commissie bij het organiseren van een nauwe, regelmatige samenwerking tussen hun bevoegde autoriteiten met het oog op coördinatie van hun maatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie tegen fraude. Het Bureau draagt bij aan het ontwerpen en uitwerken van methoden voor de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit of onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Bureau bevordert en coördineert – met de lidstaten en tussen de lidstaten onderling – de uitwisseling van operationele ervaring en beste procedurepraktijken op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Unie, en ondersteunt gezamenlijke fraudebestrijdingsmaatregelen die de lidstaten op vrijwillige basis nemen.". [Am. 17]

"

-1 ter)   artikel 1, lid 3 onder d), wordt vervangen door:"

“d) Verordening (EU) 2018/1725;". [Am. 18]

"

-1 quater)  in artikel 1, lid 3, wordt d bis) ingevoegd: "

"d bis) Verordening (EU) 2016/679.". [Am. 19]

"

-1 quinquies)  artikel 1, lid 4, wordt vervangen door:"

“4. Binnen de instellingen, organen en instanties opgericht bij de Verdragen of op basis daarvan („instellingen, organen en instanties”), en onverminderd artikel 12 quinquies, verricht het Bureau administratieve onderzoeken met het oog op het bestrijden van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit of onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Daartoe spoort het ernstige feiten op in verband met de uitoefening van activiteiten in dienstverband die onverenigbaar kunnen zijn met de plichten van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie en aanleiding kunnen geven tot disciplinaire en, in voorkomend geval, strafrechtelijke sancties, dan wel onverenigbaar kunnen zijn met de analoge verplichtingen van de leden van instellingen, organen en instanties, de hoofden van instanties of personeelsleden van instellingen, organen en instanties die niet vallen onder het Ambtenarenstatuut (tezamen "de ambtenaren, andere personeelsleden, leden van instellingen of organen, hoofden van instanties of personeelsleden").". [Am. 20]

"

1)  in artikel 1 wordt het volgende lid ingevoegd:"

"4 bis. Het Bureau ontwikkelt en onderhoudt een nauwe band met het Europees Openbaar Ministerie ("het EOM"), dat via nauwere samenwerking is ingesteld bij Verordening (EU) 2017/1939(15). Deze band is gebaseerd op wederzijdse samenwerking en op , complementariteit, het vermijden van dubbel werk en informatie-uitwisseling. Doel van die band is in het bijzonder ervoor te zorgen dat, om de financiële belangen van de Unie te beschermen, alle beschikbare middelen worden ingezet door de complementariteit van hun respectieve mandaten en de steun van het Bureau voor het EOM. [Am. 21]

De samenwerking tussen het Bureau en het EOM geschiedt volgens de artikelen 12 quater tot en met 12 septies.".

"

1 bis)  artikel 1, lid 5, wordt vervangen door:"

"5. Voor de toepassing van deze verordening kunnen de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten en de instellingen, organen en instanties administratieve regelingen met het Bureau treffen. Die administratieve regelingen kunnen in het bijzonder betrekking hebben op de doorgifte van informatie en het verrichten en follow-up geven aan onderzoeken.". [Am. 22]

"

1 ter)   in artikel 2 wordt punt 2 vervangen door:"

"2. "onregelmatigheid": "onregelmatigheid" als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95, met inbegrip van inbreuken met betrekking tot btw-ontvangsten;". [Am. 23]

"

1 quater)  in artikel 2 wordt punt 3 vervangen door:"

"3. "fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit of onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad": hetgeen daaronder wordt verstaan in de toepasselijke handelingen van de Unie;". [Am. 24]

"

2)  in artikel 2 wordt punt 4 vervangen door:"

"4. "administratief onderzoek" ("onderzoek"): alle controles, verificaties en acties die het Bureau overeenkomstig de artikelen 3 en 4 onderneemt, ter verwezenlijking van de in artikel 1 genoemde doelstellingen en tot vaststelling, in voorkomend geval, van het onregelmatig karakter van de gecontroleerde activiteiten; deze onderzoeken laten de bevoegdheid van het EOM of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten inzake strafvervolging onverlet.”.

"

2 bis)  in artikel 2 wordt punt 5 vervangen door:"

"5. "betrokken persoon" : enig persoon of enige marktdeelnemer tegen wie vermoedens bestaan van fraude, corruptie of elke andere onwettige activiteit of onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en tegen wie om die reden een onderzoek door het Bureau wordt ingesteld;". [Am. 25]

"

2 ter)  in artikel 2 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"7 bis. "lid van een instelling": een lid van het Europees Parlement, een lid van de Europese Raad, een vertegenwoordiger van een lidstaat op ministerniveau in de Raad, een lid van de Europese Commissie, een lid van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een lid van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank of een lid van de Rekenkamer, al naargelang het geval.". [Am. 26]

"

2 quater)  in artikel 2 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"7 ter. "dezelfde feiten": identieke materiële feiten, waarbij materiële feiten worden begrepen in de zin van het bestaan van een reeks concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en die in hun totaliteit elementen kunnen bevatten van een onderzoek van een delict dat tot de bevoegdheid van het Bureau of het EOM behoort.”. [Am. 27]

"

3)  artikel 3 wordt vervangen door:"

"Artikel 3

Externe onderzoeken Controles en verificaties ter plaatse in de lidstaten en derde landen [Am. 28]

1.  Binnen het in artikel 1 en artikel 2, punten 1 en 3, omschreven toepassingsgebied verricht het Bureau controles en verificaties ter plaatse in de lidstaten en, conform de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, in derde landen en bij internationale organisaties. [Am. 29]

2.  Controles en verificaties ter plaatse worden verricht overeenkomstig deze verordening en, in zoverre een aangelegenheid niet onder deze verordening valt, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96.

3.  Marktdeelnemers werken met het Bureau samen tijdens zijn onderzoeken. Het Bureau kan marktdeelnemers om mondelinge informatie, inclusief door middel van een onderhoud, alsook om schriftelijke informatie verzoeken en schriftelijke informatie verzoeken overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder b). [Am. 30]

4.  Het Bureau verricht controles en verificaties ter plaatse op vertoon van een schriftelijke machtiging in de zin van artikel 7, lid 2, van deze verordening en artikel 6, lid 1, van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/1996. Het verstrekt de betrokken marktdeelnemer informatie over de procedure die bij de controle moet worden gevolgd, inclusief de toepasselijke procedurewaarborgen, en de plicht tot samenwerking van de betrokken marktdeelnemer.

5.  In de uitoefening van deze bevoegdheden eerbiedigt het Bureau de procedurewaarborgen waarin deze verordening en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 voorzien. Bij een controle en verificatie ter plaatse heeft de betrokken marktdeelnemer het recht om geen zichzelf belastende verklaringen af te leggen en het recht te worden bijgestaan door een persoon naar keuze. Bij het afleggen van verklaringen tijdens controles ter plaatse heeft de marktdeelnemer de mogelijkheid om een van de officiële talen van de lidstaat waar hij gevestigd is, te gebruiken. Het recht te worden bijgestaan door een persoon naar keuze belet niet dat het Bureau toegang heeft tot de lokalen van de marktdeelnemer, en mag het begin van de controle niet onnodig vertragen.

6.  De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat verleent de personeelsleden van het Bureau op verzoek van het Bureau onverwijld de nodige bijstand om hun taak doeltreffend te kunnen uitvoeren, als omschreven in de in artikel 7, lid 2, bedoelde schriftelijke machtiging. [Am. 31]

Overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat de personeelsleden van het Bureau toegang krijgen tot alle informatie en documenten in verband met de onderzochte feiten die nodig blijken voor het doelmatige en doeltreffende verloop van de controles en verificaties ter plaatse, en dat zij documenten of gegevens kunnen veiligstellen teneinde elk risico van verdwijning uit te schakelen. Wanneer personeelsleden eigen apparatuur voor professionele doeleinden gebruiken, wordt deze apparatuur onderworpen aan een onderzoek door het Bureau als het Bureau goede gronden heeft te vermoeden dat de inhoud ervan relevant kan zijn voor het onderzoek. [Am. 32]

7.  Wanneer de betrokken marktdeelnemer zich onderwerpt aan een controle en verificatie ter plaatse waarvoor overeenkomstig deze verordening machtiging is verleend, zijn artikel 2, lid 4, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en artikel 6, lid 1, derde alinea, en artikel 7, lid 1, van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 niet van toepassing, in zoverre die bepalingen naleving van het nationale recht vereisen en de toegang tot informatie en documenten van het Bureau kunnen doen afhangen van de voorwaarden die op de nationale administratieve controleurs van toepassing zijn.

Indien de personeelsleden van het Bureau vaststellen dat een marktdeelnemer zich verzet tegen een controle of verificatie ter plaatse die overeenkomstig deze verordening is toegestaan, verleent de betrokken lidstaat hun alle nodige bijstand van de rechtshandhavingsautoriteiten, zodat het Bureau zijn controle of verificatie ter plaatse doeltreffend en zonder onnodige vertraging kan verrichten.

Wanneer zij overeenkomstig dit lid of lid 6 bijstand verlenen, handelen de nationale bevoegde autoriteiten overeenkomstig de nationale procedureregels die van toepassing zijn op de betrokken nationale bevoegde autoriteit. Indien het nationale recht voorschrijft dat voor die bijstand de toestemming van een rechterlijke instantie vereist is, wordt die toestemming gevraagd.

7 bis.   Wanneer is aangetoond dat een lidstaat zijn verplichting tot samenwerking in de zin van de leden 6 en 7 niet nakomt, heeft de Unie het recht het bedrag dat verband houdt met de controle of verificatie ter plaatse terug te vorderen. [Am. 33]

8.  In het kader van zijn onderzoekstaak verricht het Bureau de controles en verificaties waarin artikel 9, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en de in artikel 9, lid 2, van die verordening bedoelde sectorale regelingen voorzien, in de lidstaten en, conform de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, in derde landen en bij internationale organisaties.

9.  Tijdens een extern onderzoek kan het Bureau toegang verkrijgen tot alle relevante informatie en gegevens met betrekking tot de onderzochte feiten, ongeacht de aard van de informatiedrager, die in het bezit zijn van de instellingen, organen of instanties, voor zover dit noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. In dat geval is artikel 4, leden 2 en 4, van toepassing. [Am. 34]

10.  Onverminderd artikel 12 quater, lid 1, kan het Bureau, wanneer het, voordat is besloten om al dan niet een extern onderzoek te openen, over aanwijzingen beschikt dat er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en, in voorkomend geval, de instellingen, organen en instanties in kwestie hiervan in kennis stellen.

Onverminderd de in artikel 9, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 bedoelde sectorale regelingen zorgen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten ervoor dat passende actie wordt ondernomen, waaraan het Bureau overeenkomstig het nationale recht kan deelnemen. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten stellen het Bureau desgevraagd in kennis van de eventueel naar aanleiding daarvan ondernomen actie en van hun bevindingen met betrekking tot de in de eerste alinea van dit lid bedoelde aanwijzingen.". [Am. 35]

"

4)  artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

-a)  de titel van artikel 4 wordt vervangen door:"

"Aanvullende bepalingen betreffende onderzoeken"; [Am. 36]

"

-a bis)  artikel 4, lid 1, wordt vervangen door:"

"1. Administratieve onderzoeken binnen de instellingen, organen en instanties op de in artikel 1 bedoelde terreinen worden verricht onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in deze verordening en in de besluiten van de respectieve instellingen, organen of instanties."; [Am. 37]

"

a)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. In de loop van interne onderzoeken: [Am. 38]

   a) heeft het Bureau, voor zover dit noodzakelijk is om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten of onregelmatigheden waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, zonder voorafgaande waarschuwing onmiddellijke toegang tot alle relevante informatie en gegevens, ongeacht de aard van met betrekking tot de onderzochte feiten, ongeacht de soort informatiedrager, die in het bezit zijn van de instellingen, organen en instanties, alsmede tot hun lokalen. Wanneer eigen apparatuur voor professionele doeleinden gebruikt wordt, wordt deze apparatuur onderworpen aan een onderzoek door het Bureau als het Bureau goede gronden heeft te vermoeden dat de inhoud ervan relevant kan zijn voor het onderzoek. Het Bureau is bevoegd om de boekhouding van de instellingen, organen en instanties te controleren. Het Bureau kan alle documenten en de inhoud van alle informatiedragers die deze instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben, kopiëren of daarvan uittreksels verkrijgen en kan, zo nodig, deze documenten of gegevens veiligstellen teneinde elk risico van verdwijning uit te schakelen; [Am. 39]
   (b) kan het Bureau marktdeelnemers, de ambtenaren, andere personeelsleden, leden van instellingen of organen, hoofden van instanties of personeelsleden om mondelinge informatie, inclusief door middel van een onderhoud, alsook om schriftelijke informatie verzoeken , die grondig gedocumenteerd is overeenkomstig de normen van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming. Marktdeelnemers werken met het Bureau samen."; [Am. 40]

"

b)  lid 3 wordt vervangen door: geschrapt; "

"3. Overeenkomstig artikel 3 kan het Bureau bij marktdeelnemers controles en verificaties ter plaatse verrichten om toegang te krijgen tot relevante informatie met betrekking tot de feiten waarnaar een intern onderzoek wordt ingesteld."; [Am. 41]

"

b bis)  artikel 4, lid 4, wordt vervangen door:"

“4. De instellingen, organen en instanties worden ingelicht wanneer de personeelsleden van het Bureau een onderzoek in hun gebouwen verrichten en wanneer zij documenten of gegevens raadplegen of verzoeken om informatie die de instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben. Onverminderd de artikelen 10 en 11 kan het Bureau in het kader van onderzoeken verkregen informatie te allen tijde aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie meedelen."; [Am. 42]

"

b ter)  artikel 4, lid 5, wordt vervangen door:"

"5. De instellingen, organen en instanties voeren passende procedures in en nemen de maatregelen die nodig zijn om in alle stadia het vertrouwelijke karakter van onderzoeken te waarborgen."; [Am. 43]

"

b quater)  artikel 4, lid 6, eerste alinea, wordt vervangen door:"

"Indien bij een onderzoek blijkt dat een ambtenaar, een ander personeelslid, een lid van een instelling of orgaan, een hoofd van een instantie of een personeelslid een betrokken persoon zou kunnen zijn, wordt de instelling, het orgaan of de instantie waartoe die persoon behoort, daarvan in kennis gesteld."; [Am. 44]

"

b quinquies)  artikel 4, lid 6, tweede alinea, wordt vervangen door:"

"In gevallen waarin het vertrouwelijk karakter van het onderzoek niet met behulp van de gebruikelijke communicatiekanalen kan worden gewaarborgd, gebruikt het Bureau passende alternatieve kanalen voor de doorgifte van informatie."; [Am. 45]

"

b sexies)  artikel 4, lid 7, wordt vervangen door:"

"7. De in lid 1 bedoelde besluiten van de respectieve instellingen, organen en instanties omvatten in het bijzonder een regel betreffende de verplichting voor ambtenaren, andere personeelsleden, leden van instellingen of organen, hoofden van instanties of personeelsleden om samen te werken met en informatie te verstrekken aan het Bureau, met inachtneming van het vertrouwelijke karakter van het onderzoek."; [Am. 46]

"

c)  in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:"

"Onverminderd artikel 12 quater, lid 1, kan het Bureau, wanneer het, voordat is besloten om al dan niet een intern onderzoek te openen, over aanwijzingen beschikt dat er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten of onregelmatigheden waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de instelling, het orgaan of op passende wijze, de instantie in kwestie hiervan in kennis stellen bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en . de instelling, het orgaan instellingen, organen of de instantie instanties in kwestie stelt het Bureau desgevraagd hiervan in kennis van de eventueel naar aanleiding daarvan ondernomen actie en van de bevindingen met betrekking tot de hierboven bedoelde aanwijzingen stellen.

De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie stelt het Bureau desgevraagd in kennis van de eventueel naar aanleiding daarvan ondernomen actie en van de bevindingen met betrekking tot de hierboven bedoelde aanwijzingen."; [Am. 47]

"

c bis)  in lid 8 wordt de tweede alinea vervangen door:"

"Wanneer het Bureau in geval van onderzoeken binnen de instellingen, organen en instanties de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten in kennis stelt, zijn de procedurevereisten van artikel 9, lid 4, tweede en derde alinea, van toepassing. Indien de bevoegde autoriteiten besluiten om naar aanleiding van de aan hen doorgegeven informatie overeenkomstig het nationale recht actie te ondernemen, stellen zij het Bureau desgevraagd daarvan in kennis."; [Am. 48]

"

c ter)  in lid 8 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Onverminderd de in artikel 9, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 bedoelde sectorale regelingen zorgen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten ervoor dat ten aanzien van controles en verificaties ter plaatse overeenkomstig artikel 3 passende actie wordt ondernomen, waaraan het Bureau overeenkomstig het nationale recht kan deelnemen. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten stellen het Bureau desgevraagd in kennis van de eventueel naar aanleiding daarvan ondernomen actie en van hun bevindingen met betrekking tot de in de eerste alinea van dit lid bedoelde aanwijzingen.". [Am. 49]

"

5)  artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt de eerste zin vervangen door:"

"Onverminderd artikel 12 quinquies kan de directeur-generaal een onderzoek openen bij voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook indien de informatie dienaangaande door derden of anoniem wordt verstrekt."; [Am. 50]

"

a bis)   lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Onverminderd artikel 12 quinquies kan de directeur-generaal een onderzoek openen bij voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of andere onwettige activiteit of onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook indien de informatie dienaangaande door derden of anoniem wordt verstrekt. De evaluatieperiode die aan het besluit voorafgaat bedraagt hoogstens twee maanden. Indien de informant die de onderliggende informatie heeft verstrekt, bekend is, wordt deze op passende wijze in kennis gesteld."; [Am. 51]

"

a ter)  in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:"

"Het besluit om een onderzoek te openen, wordt genomen door de directeur-generaal, die handelt op eigen initiatief dan wel op verzoek van een instelling, orgaan of instantie van de Unie, of op verzoek van een lidstaat."; [Am. 52]

"

a quater)  in lid 2 wordt de tweede alinea geschrapt; [Am. 53]

a quinquies)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Zolang de directeur-generaal overweegt om naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in lid 2 al dan niet een onderzoek te openen, en/of wanneer het Bureau een dergelijk onderzoek verricht, openen de instellingen, organen en instanties in kwestie geen parallel onderzoek naar dezelfde feiten, tenzij anderszins met het Bureau is overeengekomen. Dit lid is niet van toepassing op onderzoeken door het EOM overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939."; [Am. 54]

"

b)  aan lid 3 wordt de volgende zin toegevoegd:"

"Dit lid is niet van toepassing op onderzoeken door het EOM overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939."; [Am. 55]

"

b bis)   lid 5 wordt vervangen door:"

"5. Indien de directeur-generaal besluit geen onderzoek te openen binnen de instellingen, organen en instanties, ondanks voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten of onregelmatigheden waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, doet hij alle relevante informatie onverwijld aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie toekomen, opdat naar aanleiding daarvan overeenkomstig de op de instelling, het orgaan of de instantie toepasselijke regels passende actie kan worden ondernomen. In voorkomend geval komt het Bureau met de instelling, het orgaan of de instantie passende maatregelen overeen om de bron van die informatie geheim te houden, en zo nodig vraagt het Bureau om in kennis te worden gesteld van de ondernomen actie."; [Am. 56]

"

c)  lid 6 wordt vervangen door:"

"6. Indien de directeur-generaal besluit geen extern onderzoek te openen, kan controle of verificatie ter plaatse overeenkomstig artikel 3 uit te voeren, ondanks voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten of onregelmatigheden waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, doet hij alle relevante informatie onverwijld aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat doen toekomen, opdat naar aanleiding daarvan overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht passende actie kan worden ondernomen. Indien nodig stelt het Bureau ook de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie van zijn besluit in kennis."; [Am. 57]

"

c bis)  het volgende lid 6 bis wordt toegevoegd:"

"6 bis. De directeur-generaal stelt het Comité van toezicht overeenkomstig artikel 17, lid 5, periodiek in kennis van de gevallen waarin hij heeft besloten geen onderzoek in te stellen, onder vermelding van de redenen voor dat besluit.". [Am. 58]

"

6)  artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

-a)  in artikel 7 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. De directeur-generaal geeft leiding bij het verrichten van onderzoeken, in voorkomend geval op basis van schriftelijke instructies. Onderzoeken worden onder zijn leiding uitgevoerd door personeelsleden van het Bureau die hij heeft aangewezen. De directeur-generaal voert zelf geen onderzoeken uit."; [Am. 59]

"

a)  in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:"

"De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen de personeelsleden van het Bureau de nodige bijstand zodat die hun taken overeenkomstig deze verordening doeltreffend en zonder onnodige vertraging kunnen uitvoeren.";

"

b)  in lid 3 wordt de volgende tweede alinea ingevoegd:"

"Op verzoek van het Bureau verstrekken de financiële inlichtingeneenheden die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad(16) zijn opgericht en andere betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten het Bureau in verband met onderzochte feiten het volgende:

   a) de in [artikel 32 bis, lid 3, van] Richtlijn (EU) 2015/849(17) bedoelde informatie;
   b) wanneer dat voor het onderzoek strikt noodzakelijk is, de registratiegegevens van transacties.";

"

c)  aan lid 3 wordt de volgende derde alinea toegevoegd:"

"Wanneer zij overeenkomstig de vorige alinea's bijstand verlenen, handelen de nationale bevoegde autoriteiten overeenkomstig de nationale procedureregels die van toepassing zijn op de betrokken nationale bevoegde autoriteit.";

"

c bis)   in lid 3 wordt de tweede alinea vervangen door:"

De instellingen, organen en instanties zien erop toe dat hun ambtenaren, andere personeelsleden, leden, hoofden of personeelsleden het personeel van het Bureau de nodige bijstand verlenen bij de doeltreffende uitvoering van zijn taken overeenkomstig deze verordening en zonder onnodige vertraging."; [Am. 60]

"

c ter)  lid 4 wordt geschrapt; [Am. 61]

c quater)  in lid 6 wordt de inleidende formule vervangen door:"

"6. Wanneer in de loop van een onderzoek blijkt dat het wenselijk zou kunnen zijn om administratieve voorzorgsmaatregelen te nemen om de financiële belangen van de Unie te beschermen, stelt het Bureau de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie onverwijld in kennis van het lopende onderzoek en doet het voorstellen voor te nemen maatregelen. Hierbij worden de volgende gegevens verstrekt:”; [Am. 62]

"

c quinquies)  in de eerste alinea van lid 6 wordt punt b) vervangen door:"

"b) alle informatie die de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie kan helpen bij het nemen van een besluit over passende administratieve voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen om de financiële belangen van de Unie te beschermen;"; [Am. 63]

"

c sexies)  in de eerste alinea van lid 6 wordt punt c) vervangen door:"

"c) de aanbevolen bijzondere maatregelen inzake geheimhouding, met name wanneer onderzoeksmaatregelen worden gebruikt die tot de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke autoriteit of een andere nationale autoriteit behoren, overeenkomstig de op onderzoeken toepasselijke nationale voorschriften."; [Am. 64]

"

d)  in lid 6 wordt de tweede alinea vervangen door:"

"De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie kan stelt, in aanvulling op de eerste alinea, te allen tijde het Bureau raadplegen om, onverwijld in nauwe samenwerking met het Bureau, te besluiten alle passende kennis van elke afwijking van de voorgestelde voorzorgsmaatregelen te nemen, inclusief maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen, en stelt het Bureau onverwijld in kennis van dit besluit de redenen voor de afwijking."; [Am. 65]

"

e)  lid 8 wordt vervangen door:"

"8. Indien een onderzoek niet kan worden afgesloten binnen twaalf maanden nadat het is geopend, brengt de directeur-generaal, na het verstrijken van die twaalf maanden, en vervolgens om de zes maanden, verslag uit aan het Comité van toezicht, onder vermelding met gedetailleerde opgave van de redenen die het oponthoud veroorzaken en , in voorkomend geval, de overwogen genomen maatregelen om het onderzoek sneller te doen verlopen."; [Am. 66]

"

e bis)   het volgende lid 8 bis wordt toegevoegd:"

"8 bis. Het verslag omvat ten minste een beknopte beschrijving van de feiten, de juridische kwalificatie ervan, een beoordeling van de schade die is veroorzaakt of waarschijnlijk wordt veroorzaakt, de einddatum van de wettelijke verjaringstermijn, de redenen waarom de periode van twaalf maanden niet kon worden nageleefd, en, in voorkomend geval, de corrigerende maatregelen die worden overwogen om het onderzoek sneller te doen verlopen.". [Am. 67]

"

7)  artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

-a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. De instellingen, organen en instanties geven alle informatie betreffende mogelijke gevallen van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit of onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, onverwijld aan het Bureau door. Deze verplichting is van toepassing op het EOM wanneer de desbetreffende gevallen niet onder zijn mandaat vallen overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2017/1939."; [Am. 68]

"

a)  in lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Wanneer de instellingen, organen en instanties overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2017/1939 aan het EOM een melding doen, kunnen zij voldoen aan de in plaats daarvan de eerste alinea bedoelde verplichting door aan het Bureau een afschrift van de aan het EOM toegezonden melding doorgeven door te geven."; [Am. 69]

"

b)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. De instellingen, organen en instanties en, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten geven op verzoek van het Bureau of op eigen initiatief onverwijld alle documenten en informatie in hun bezit die verband houden met een lopend onderzoek van het Bureau aan het Bureau door. [Am. 70]

Voorafgaand aan de opening van een onderzoek geven zij, op verzoek van het Bureau, alle documenten of informatie in hun bezit door die nodig zijn om de vermoedens te beoordelen of de in artikel 5, lid 1, vastgestelde criteria voor de opening van een onderzoek toe te passen.";

"

c)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. De instellingen, organen en instanties en, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, geven onverwijld, op verzoek van het Bureau of op eigen initiatief, alle andere relevant geachte documenten en informatie in hun bezit die verband houden met de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten of onregelmatigheden waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, aan het Bureau door."; [Am. 71]

"

d)  het volgende lid 4 wordt toegevoegd:"

"4. Dit artikel is niet van toepassing op het EOM met betrekking tot strafbare feiten ten aanzien waarvan het zijn bevoegdheid kan uitoefenen overeenkomstig de artikelen 22 en 25 hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2017/1939. [Am. 72]

Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor het EOM om het Bureau relevante informatie over zaken te verstrekken overeenkomstig artikel 34, lid 8, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 4 en artikel 101, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2017/1939.".

"

8)  artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

-a)   in lid 2 wordt de vierde alinea vervangen door:"

"De in de tweede en de derde alinea bedoelde voorschriften gelden niet voor het afnemen van verklaringen in het kader van controles en verificaties ter plaatse. Voordat een verklaring wordt afgenomen, wordt de betrokken persoon echter in kennis gesteld van zijn rechten, met name het recht te worden bijgestaan door een persoon naar keuze."; [Am. 73]

"

-a bis)   in lid 4 wordt de tweede alinea vervangen door:"

"Daartoe nodigt het Bureau de betrokken persoon uit om schriftelijk dan wel in een onderhoud met door het Bureau aangewezen personeelsleden zijn oordeel over de feiten te geven. De uitnodiging bevat een samenvatting van de feiten die de betrokken persoon betreffen, alsmede de bij de artikelen 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725 voorgeschreven informatie, en vermeldt de termijn voor het indienen van opmerkingen, die ten minste tien werkdagen vanaf de ontvangst van de uitnodiging tot het geven van zijn oordeel bedraagt. Deze termijn kan worden verkort met de uitdrukkelijke instemming van de betrokken persoon of om terdege gemotiveerde redenen van spoedeisendheid van het onderzoek. In het eindverslag van het onderzoek wordt naar dat oordeel verwezen."; [Am. 74]

"

a)  in lid 4 wordt de derde alinea vervangen door:"

"In terdege gemotiveerde gevallen waarin het vertrouwelijk karakter van het onderzoek moet worden bewaard en/of gebruik moet worden gemaakt van onderzoeksprocedures die tot de bevoegdheid van het EOM of een nationale gerechtelijke autoriteit behoren, kan de directeur-generaal besluiten dat de nakoming van de verplichting om de betrokken persoon uit te nodigen zijn oordeel over de feiten te geven, wordt opgeschort.";

"

a bis)   lid 5 bis wordt toegevoegd:"

"5 bis. Voor gevallen waarin het Bureau een gerechtelijke follow-up aanbeveelt, en onverminderd de geheimhoudingsrechten van klokkenluiders en informanten, heeft de betrokken persoon toegang tot het overeenkomstig artikel 11 door het Bureau naar aanleiding van zijn onderzoek opgestelde verslag en tot alle andere relevante documenten, voor zover deze verband houden met die persoon en indien, in voorkomend geval, noch het EOM noch de nationale gerechtelijke autoriteiten binnen een termijn van zes maanden bezwaar maken. Er kan ook toestemming door de bevoegde rechterlijke instantie worden verleend vóór die termijn is verstreken.". [Am. 75]

"

8 bis)   artikel 9 bis wordt ingevoegd:"

"Artikel 9 bis

Toezichthouder op de procedurewaarborgen

1.  De Commissie benoemt, volgens de in lid 2 bedoelde procedure, een Toezichthouder op de procedurewaarborgen (hierna "de Toezichthouder" genoemd), voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar. Na afloop van zijn ambtstermijn blijft hij in functie totdat in zijn vervanging is voorzien.

2.  Na een oproep tot kandidaatstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie stelt de Commissie een lijst op van geschikte kandidaten voor het ambt van Toezichthouder. De Commissie benoemt de Toezichthouder na overleg met het Europees Parlement en de Raad.

3.  De Toezichthouder beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van procedurerechten en -waarborgen.

4.  De Toezichthouder oefent zijn taken in volledige onafhankelijkheid uit en vraagt noch aanvaardt daarbij instructies van anderen.

5.  De Toezichthouder ziet toe op de eerbiediging van de procedurerechten en -waarborgen door het Bureau. Hij is verantwoordelijk voor de behandeling van de klachten die het Bureau ontvangt.

6.  De Toezichthouder brengt over de uitoefening van deze functie jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Comité van toezicht en het Bureau. In dit verslag verwijst hij niet naar afzonderlijke onderzoeken en neemt hij de vertrouwelijkheid van onderzoeken in acht, zelfs als deze zijn afgesloten.". [Am. 76]

"

8 ter)   artikel 9 ter wordt ingevoegd:"

"Artikel 9 ter

Klachtenmechanisme

1.  Het Bureau neemt in samenwerking met de Toezichthouder de nodige maatregelen om een klachtenmechanisme op te zetten om de eerbiediging van de procedurewaarborgen bij alle activiteiten van het Bureau te controleren en te verzekeren.

2.  Elke in een onderzoek door het Bureau betrokken persoon heeft het recht bij de Toezichthouder een klacht in te dienen met betrekking tot de naleving door het Bureau van de procedurewaarborgen waarin artikel 9 voorziet. De indiening van een klacht heeft geen opschortend effect op de uitvoering van het lopende onderzoek.

3.  De betrokken persoon beschikt over een termijn van uiterlijk één maand nadat hij kennis heeft gekregen van de feiten die de vermeende schending van de procedurewaarborgen vormen om een klacht hierover in te dienen. Er kan geen klacht meer worden ingediend als het onderzoek langer dan één maand is afgesloten. Klachten met betrekking tot de in artikel 9, leden 2 en 4, bedoelde termijn worden ingediend vóór het verstrijken van de desbetreffende termijn.

4.  De Toezichthouder stelt de directeur-generaal van het Bureau onmiddellijk in kennis wanneer hij een klacht ontvangt en geeft het Bureau 15 werkdagen de tijd om een oplossing te vinden.

5.  Onverminderd artikel 10 van deze verordening verstrekt het Bureau de Toezichthouder alle informatie die de Toezichthouder mogelijk nodig heeft om een aanbeveling uit te brengen.

6.  De Toezichthouder brengt onverwijld een aanbeveling over de klacht uit en uiterlijk twee maanden nadat het Bureau hem kennis heeft gegeven van de actie die het heeft ondernomen om de kwestie op te lossen of nadat de termijn van lid 3 is verstreken. De aanbeveling wordt aan het Bureau gedaan en aan de klager ter kennis gegeven. In uitzonderlijke gevallen kan de Toezichthouder besluiten de termijn voor het uitbrengen van een aanbeveling met 15 dagen te verlengen. De Toezichthouder stelt de directeur-generaal per brief in kennis van de redenen voor de verlenging. Indien de Toezichthouder binnen de in dit lid bepaalde termijnen geen aanbeveling uitbrengt, wordt aangenomen dat de Toezichthouder de klacht zonder aanbeveling heeft afgewezen.

7.  Zonder inmenging in het lopende onderzoek beoordeelt de Toezichthouder de klacht in een procedure waarbij beide partijen worden gehoord. Voor zover zij hiermee instemmen, kan de Toezichthouder getuigen verzoeken om schriftelijk of mondeling toelichtingen te verstrekken die hij relevant acht om de feiten te beoordelen.

8.  De directeur-generaal volgt de aanbeveling van de Toezichthouder met betrekking tot de kwestie en mag alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen hiervan afwijken. Indien de directeur-generaal van de aanbeveling van de Toezichthouder afwijkt, stelt hij de klager en de Toezichthouder in kennis van de voornaamste redenen voor dit besluit, voor zover dit het lopende onderzoek niet beïnvloedt. Deze redenen worden uiteengezet in een nota die bij het eindverslag van het onderzoek wordt gevoegd.

9.  De directeur-generaal kan de Toezichthouder om advies vragen over elke aangelegenheid die verband houdt met de inachtneming van de procedurewaarborgen en onder het mandaat van de Toezichthouder valt, onder andere over besluiten om de betrokkene overeenkomstig artikel 9, lid 3, niet in kennis te stellen. De directeur-generaal vermeldt in een dergelijk verzoek binnen welke termijn de Toezichthouder moet antwoorden.

10.  Onverminderd de termijnen waarin artikel 90 bis van het Statuut voorziet, zal in gevallen waarin door een ambtenaar of een ander personeelslid van de Unie een klacht in de zin van artikel 90 bis van het Statuut is ingediend bij de directeur-generaal alsook een klacht over dezelfde aangelegenheid bij de Toezichthouder, de directeur-generaal de aanbeveling van de Toezichthouder afwachten voordat hij de klacht beantwoordt.". [Am. 77]

"

9)  artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

-a)   lid 1 wordt vervangen door:"

"1. De in het kader van onderzoeken buiten de instellingen, organen en instanties doorgegeven of verkregen gegevens zijn, ongeacht de vorm ervan, beschermd door de bepalingen in nationale en Uniewetgeving die betrekking hebben op deze onderzoeken."; [Am. 78]

"

-a bis)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. De in het kader van onderzoeken binnen de instellingen, organen en instanties doorgegeven of verkregen gegevens vallen, ongeacht de vorm ervan, onder het beroepsgeheim en genieten de bescherming van de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van de Unie."; [Am. 79]

"

-a ter)   het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:"

"3 bis. Het Bureau maakt zijn verslagen en aanbevelingen openbaar nadat alle verwante nationale en Unieprocedures door de verantwoordelijke instanties zijn afgesloten en de openbaarmaking de onderzoeken niet langer in het geding brengt. De openbaarmaking gebeurt volgens de in dit artikel en in artikel 1 vastgestelde regels en beginselen voor gegevensbescherming."; [Am. 80]

"

a)  in lid 4 wordt de eerste alinea vervangen door:"

"Het Bureau wijst een functionaris voor gegevensbescherming aan overeenkomstig artikel 24 43 van Verordening (EG EU) nr. 45/2001 2018/1725."; [Am. 81]

"

a bis)   lid 5 bis wordt toegevoegd:"

"5 bis. Personen die strafbare feiten en inbreuken in verband met de financiële belangen van de Unie melden bij het Bureau, worden volledig beschermd, met name door middel van de Europese wetgeving inzake de bescherming van personen die inbreuken op het recht van de Unie melden.". [Am. 82]

"

10)  artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:"

"Het verslag kan gaat vergezeld gaan van aanbevelingen van de directeur-generaal betreffende te ondernemen actie. De aanbevelingen vermelden in voorkomend geval of er door de instellingen, organen en instanties en door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten tuchtrechtelijke, administratiefrechtelijke, financiële en/of gerechtelijke acties moeten worden ondernomen; in het bijzonder worden de geschatte in te vorderen bedragen en de voorlopige juridische kwalificatie van de geconstateerde feiten vermeld."; [Am. 83]

"

b)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. Bij de opstelling van deze rapporten en aanbevelingen worden de desbetreffende bepalingen van Unierecht en, inzoverre het van toepassing is, van het nationale recht van de betrokken lidstaat in aanmerking genomen.

"Het Bureau neemt passende interne maatregelen om de consistente kwaliteit van de eindverslagen en aanbevelingen te waarborgen en gaat na of de richtsnoeren betreffende onderzoeksprocedures moeten worden herzien om eventuele inconsistenties aan te pakken. [Am. 84]

Na eenvoudige controle van hun authenticiteit zijn verslagen die op basis daarvan zijn opgesteld, met inbegrip van alle bewijsstukken die ter ondersteuning bij deze verslagen zijn gevoegd, toelaatbaar als bewijs in gerechtelijke procedures van niet-strafrechtelijke aard voor nationale gerechten en in administratieve procedures in de lidstaten. Deze verordening laat de bevoegdheid van nationale gerechten om het bewijs vrij te beoordelen onverlet. [Am. 85]

De verslagen van het Bureau zijn op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen toelaatbaar als bewijs in strafrechtelijke procedures van de lidstaat waar het gebruik ervan nodig blijkt. De verslagen worden beoordeeld volgens dezelfde regels als administratieve verslagen van de nationale administratieve controleurs en hebben dezelfde bewijskracht. [Am. 86]

De lidstaten stellen het Bureau in kennis van alle regels van nationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van de derde eerste alinea. [Am. 87]

De nationale gerechten stellen het Bureau in kennis van elke uitsluiting van bewijs overeenkomstig dit lid. De kennisgeving bevat de rechtsgrondslag en een uitgebreide motivering van de uitsluiting. De directeur-generaal evalueert in zijn jaarverslagen overeenkomstig artikel 17, lid 4, de toelaatbaarheid van bewijs in de lidstaten. [Am. 88]

De verslagen van het Bureau zijn toelaatbaar als bewijs in gerechtelijke procedures voor gerechten van de Unie en in administratieve procedures in de Unie.";

"

c)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. De na afloop van een extern onderzoek opgestelde verslagen en aanbevelingen en alle relevante daarmee verband houdende documenten worden, op passende wijze, overeenkomstig de regels betreffende externe onderzoeken toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en, indien noodzakelijk, aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie. Die instellingen, organen of instanties ondernemen de acties, in het bijzonder de acties van tuchtrechtelijke of juridische aard, die op grond van de resultaten van het externe onderzoek geboden zijn en brengen daarover verslag uit aan het Bureau binnen de in de aanbevelingen die het verslag vergezellen bepaalde termijn, en bovendien op verzoek van het Bureau. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten brengen binnen negen maanden verslag uit aan het Bureau over de acties die zijn ondernomen naar aanleiding van het zaakverslag."; [Am. 89]

"

c bis)  lid 4 wordt geschrapt; [Am. 90]

c ter)  lid 5 wordt vervangen door: "

"5. Wanneer uit het na afloop van een onderzoek opgestelde verslag blijkt dat sprake is van strafrechtelijk vervolgbare feiten, wordt deze informatie onverwijld doorgegeven aan de gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaatlidstaat, onverminderd de artikelen 12 quater en 12 quinquies."; [Am. 91]

"

c quater)   lid 6 bis wordt ingevoegd:"

"6 bis. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de instellingen, organen en instanties zorgen ervoor dat de overeenkomstig de leden 1 en 3 door de directeur-generaal uitgevaardigde tuchtrechtelijke, administratiefrechtelijke, financiële en gerechtelijke aanbevelingen worden opgevolgd, en doen het Bureau uiterlijk 31 maart van elk jaar een gedetailleerd verslag van de ondernomen acties toekomen, met de redenen voor het niet ten uitvoer leggen van aanbevelingen van het Bureau, indien van toepassing."; [Am. 92]

"

c quinquies)  lid 8 wordt als volgt gewijzigd:"

"8. Indien een informant het Bureau een informatie heeft verstrekt die tot een onderzoek heeft geleid, stelt het Bureau deze informant ervan in kennis dat het onderzoek is afgesloten. Het Bureau kan een dergelijk verzoek evenwel afwijzen indien het van oordeel is dat het verzoek afbreuk zou kunnen doen aan de rechtmatige belangen van de betrokken persoon, aan de doeltreffendheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan te ondernemen actie dan wel aan geheimhoudingsvoorschriften.". [Am. 93]

"

10 bis)  na artikel 11 wordt een nieuw artikel ingevoegd:"

"Artikel 11 bis

Beroep bij het Gerecht

Elke betrokken persoon kan tegen de Commissie beroep instellen tot nietigverklaring van het overeenkomstig artikel 11, lid 3 aan de nationale autoriteiten of de instellingen toegezonden onderzoeksverslag op grond van onbevoegdheid, niet-naleving van een essentiële procedurevereiste, schending van de Verdragen, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten, of machtsmisbruik.". [Am. 94]

"

11)  artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

-a)  lid 1 wordt vervangen door: "

"1. Onverminderd de artikelen 10 en 11 van deze verordening en de bepalingen van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96, kan het Bureau de informatie die het in het kader van controles of verificaties ter plaatse overeenkomstig artikel 3 heeft verkregen te gelegener tijd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten doorgeven teneinde hen in staat te stellen overeenkomstig hun nationale recht passende actie te ondernemen. Het kan ook informatie doorgeven aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie."; [Am. 95]

"

a)  aan lid 1 wordt de volgende zin toegevoegd:"

"Het kan ook informatie doorgeven aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie."; [Am. 96]

"

a bis)  in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:"

"Onverminderd de artikelen 10 en 11 geeft de directeur-generaal aan de gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat de informatie door die het Bureau in het kader van onderzoeken binnen de instellingen, organen en instanties heeft verkregen over feiten die tot de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke autoriteit behoren."; [Am. 97]

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat stellen, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, op eigen initiatief of op verzoek van het Bureau te gelegener tijd binnen een maand het Bureau in kennis van de actie die zij naar aanleiding van de krachtens dit artikel aan hen doorgegeven informatie hebben ondernomen."; [Am. 98]

"

c)  het volgende lid 5 wordt toegevoegd:"

"5. Het Bureau kan op eigen initiatief of op verzoek relevante informatie uitwisselen met het Eurofisc-netwerk dat bij Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad(18) is ingesteld.";

"

12)  de volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 12 bis

Coördinatiediensten fraudebestrijding in de lidstaten

1.  Voor de toepassing van deze verordening wijzen de lidstaten een instantie ("de coördinatiedienst fraudebestrijding") aan om een doeltreffende samenwerking en uitwisseling van informatie, inclusief informatie van operationele aard, met het Bureau te faciliteren. De coördinatiedienst fraudebestrijding kan, in voorkomend geval en conform het nationale recht, voor de toepassing van deze verordening als een bevoegde autoriteit worden beschouwd.

2.  Op verzoek van het Bureau en voordat een besluit is genomen of er al dan niet een onderzoek wordt geopend, en ook tijdens of na een onderzoek, verlenen, verkrijgen of coördineren de coördinatiediensten fraudebestrijding de nodige bijstand opdat het Bureau zijn taken doeltreffend kan uitvoeren. Die bijstand omvat met name de bijstand van de nationale bevoegde autoriteiten die overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, artikel 7, lid 3, en artikel 8, leden 2 en 3, wordt verleend.

3.  Het Bureau kan de bijstand van de coördinatiediensten fraudebestrijding vragen wanneer het coördinatieactiviteiten overeenkomstig artikel 12 ter verricht, met inbegrip van, zo nodig, horizontale samenwerking en uitwisseling van informatie tussen coördinatiediensten fraudebestrijding.

Artikel 12 ter

Coördinatieactiviteiten

1.  Overeenkomstig artikel 1, lid 2, kan het Bureau samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, instellingen, organen en instanties, alsook, conform de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, autoriteiten van derde landen en internationale organisaties organiseren en faciliteren. De deelnemende autoriteiten en het Bureau kunnen daartoe informatie, waaronder operationele informatie, vergaren, analyseren en uitwisselen. Het personeel van het Bureau kan bevoegde autoriteiten die onderzoeksactiviteiten verrichten, op verzoek van die autoriteiten vergezellen. Artikel 6, artikel 7, leden 6 en 7, artikel 8, lid 3, en artikel 10 zijn van toepassing.

2.  Het Bureau kan over de verrichte coördinatieactiviteiten een verslag opstellen en dit, zo nodig, aan de nationale bevoegde autoriteiten en de betrokken instellingen, organen en instanties doorgeven.

3.  Dit artikel doet geen afbreuk aan de uitoefening door het Bureau van bevoegdheden die aan de Commissie zijn verleend in specifieke bepalingen betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie.

3 bis.   De verplichtingen tot wederzijdse administratieve bijstand uit hoofde van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad(19) en Verordening (EU) nr. 608/2013(20) gelden eveneens voor coördinatieactiviteiten met betrekking tot de Europese structuur- en investeringsfondsen, in overeenstemming met dit artikel. [Am. 99]

4.  Het Bureau kan deelnemen aan gemeenschappelijke onderzoeksteams die overeenkomstig het toepasselijke Unierecht zijn opgericht, en mag in dit kader overeenkomstig deze verordening verworven informatie uitwisselen.

Artikel 12 quater

Melding aan het EOM van strafbare gedragingen ten aanzien waarvan het zijn bevoegdheid kan uitoefenen

1.  Het Bureau meldt het EOM zonder onnodige vertraging alle strafbare gedragingen ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid kan uitoefenen overeenkomstig artikel 22 en artikel 25, leden 2 en 3, hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2017/1939. De melding wordt in elke fase zo vroeg mogelijk voor of tijdens een onderzoek van het Bureau toegezonden. [Am. 100]

2.  Het verslag bevat ten minste een beschrijving van de feiten en bij het Bureau bekende informatie, met inbegrip van een beoordeling van de schade die is berokkend of wellicht zal worden berokkend, ingeval het Bureau over dergelijke informatie beschikt, de mogelijke juridische kwalificatie, en eventuele beschikbare informatie over potentiële slachtoffers, verdachten en andere betrokkenen. Het Bureau doet het verslag en alle eventuele andere relevante, in zijn bezit zijnde informatie over de zaak, aan het EOM toekomen. [Am. 101]

3.  Het Bureau is niet verplicht kennelijk ongegronde vermoedens aan het EOM te melden.

In gevallen waarin de door het Bureau ontvangen informatie niet de in lid 2 omschreven elementen omvat, en er geen onderzoek van het Bureau aan de gang is, kan het Bureau overgaan tot een voorlopige evaluatie van de vermoedens. De evaluatie wordt snel onverwijld verricht en in elk geval binnen twee maanden na ontvangst van de informatie. In de loop van deze evaluatie zijn artikel 6 en artikel 8, lid 2, van toepassing. Het Bureau ziet af van het treffen van maatregelen die eventuele toekomstige onderzoeken van het EOM in gevaar kunnen brengen. [Am. 102]

Na deze voorlopige evaluatie meldt het Bureau aan het EOM of de in lid 1 vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

4.  Indien de in lid 1 bedoelde gedraging aan het licht komt tijdens een onderzoek door het Bureau en het EOM na de melding een onderzoek opent, zet het Bureau zijn onderzoek naar dezelfde feiten niet voort, tenzij in de in artikel 12 sexies of artikel 12 septies bedoelde gevallen.

Voor de toepassing van de eerste alinea controleert het Bureau overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, via het casemanagementsysteem van het EOM of het EOM een onderzoek voert. Het Bureau kan het EOM om verdere informatie verzoeken. Het EOM beantwoordt een dergelijk verzoek binnen tien werkdagen.

5.  De instellingen, organen en instanties kunnen het Bureau verzoeken om over te gaan tot een voorlopige evaluatie van vermoedens die aan hen worden gemeld. Voor die verzoeken zijn de leden 1 tot en met 4 mutatis mutandis van toepassing. Het Bureau stelt de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie in kennis van de resultaten van de voorlopige evaluatie, tenzij de verstrekking van deze informatie een door het Bureau of het EOM gevoerd onderzoek in gevaar kan brengen. [Am. 103]

6.  Indien het Bureau na de melding aan het EOM overeenkomstig dit artikel zijn onderzoek afsluit, zijn artikel 9, lid 4, en artikel 11 niet van toepassing.

Artikel 12 quinquies

Voorkoming van dubbel onderzoek

1.   De directeur-generaal opent geen onderzoek overeenkomstig artikel 5 en zet een lopend onderzoek stop als het EOM een onderzoek voert naar dezelfde feiten, tenzij in de in artikel 12 sexies of artikel 12 septies bedoelde gevallen. De directeur-generaal stelt het EOM in kennis van elk besluit tot niet-opening of stopzetting dat om deze redenen is genomen. [Am. 104]

Voor de toepassing van de eerste alinea controleert het Bureau overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, via het casemanagementsysteem van het EOM of het EOM een onderzoek voert. Het Bureau kan het EOM om verdere informatie verzoeken. Het EOM beantwoordt een dergelijk verzoek binnen tien werkdagen. Deze termijn kan in uitzonderlijke gevallen worden verlengd indien voldaan is aan de voorwaarden die worden vastgesteld in de in artikel 12 octies, lid 1, bedoelde werkafspraken. [Am. 105]

Wanneer het Bureau overeenkomstig de eerste alinea zijn onderzoek afsluit, zijn artikel 9, lid 4, en artikel 11 niet van toepassing. [Am. 106]

1 bis.   Op verzoek van het EOM ziet het Bureau af van het uitvoeren van bepaalde handelingen of maatregelen waardoor een door het EOM ingesteld onderzoek of ingestelde vervolging in gevaar kan worden gebracht. Het EOM stelt het Bureau onverwijld in kennis wanneer de redenen voor een dergelijk verzoek niet langer gelden. [Am. 107]

1 ter.   Wanneer het EOM een onderzoek afsluit of stopzet waarover het al informatie van de directeur-generaal had ontvangen uit hoofde van lid 1, en dat relevant is voor de uitoefening van het mandaat van het Bureau, stelt het het Bureau daarvan onverwijld in kennis en kan het aanbevelingen doen ten aanzien van verdere administratieve onderzoeken. [Am. 108]

Artikel 12 sexies

Steun van het Bureau aan het EOM

1.  In de loop van een onderzoek door het EOM, en op verzoek van het EOM overeenkomstig artikel 101, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939, ondersteunt het Bureau, conform zijn mandaat, de activiteit van het EOM, of vult het die activiteit aan, met name door:

   a) informatie en analyses (ook forensische) te verstrekken en deskundigheid en operationele ondersteuning te bieden;
   b) de coördinatie van specifieke acties van de bevoegde nationale bestuurlijke autoriteiten en organen van de Unie te faciliteren;
   c) administratieve onderzoeken te verrichten.

2.  Overeenkomstig Een overeenkomstig lid 1 wordt een ingediend verzoek wordt schriftelijk doorgegeven en specificeert het de maatregel of maatregelen die het EOM aan het Bureau verzoekt te nemen en, zo nodig, het geplande tijdschema daarvoor. Het bevat informatie over het onderzoek van het EOM tot dusver, in zoverre dat relevant is voor het doel van het verzoek. Zo nodig kan het Bureau om aanvullende informatie verzoeken . ten minste:

   a) informatie over het onderzoek van het EOM voor zover relevant voor het doel van het verzoek;
   b) de maatregel of maatregelen die het EOM aan het Bureau verzoekt te nemen;
   c) zo nodig, het geplande tijdschema daarvoor;
   d) instructies overeenkomstig lid 2 bis.

Zo nodig kan het Bureau om aanvullende informatie verzoeken. [Am. 109]

2 bis.  Teneinde de toelaatbaarheid van bewijs en de grondrechten en procedurewaarborgen te beschermen, kan het EOM, wanneer het Bureau op verzoek van het EOM ondersteunende of aanvullende maatregelen neemt overeenkomstig dit artikel, het Bureau opdragen hogere normen met betrekking tot de grondrechten, procedurewaarborgen en gegevensbescherming te hanteren dan deze verordening voorschrijft. Daarbij vermeldt het in detail de formele vereisten en procedures die moeten worden toegepast.

Indien het EOM deze specifieke instructies niet verstrekt, zijn hoofdstuk VI (procedurewaarborgen) en hoofdstuk VIII (gegevensbescherming) van Verordening (EU) nr. 2017/1939 dienovereenkomstig van toepassing op de maatregelen die overeenkomstig dit artikel door het Bureau worden uitgevoerd. [Am. 110]

Artikel 12 septies

Aanvullende onderzoeken

1.  In naar behoren gerechtvaardigde gevallen waarin de directeur-generaal van het Bureau het, ondanks een reeds lopend onderzoek van het EOM, aangewezen acht dat overeenkomstig het mandaat van het Bureau een onderzoek wordt geopend of voortgezet teneinde het nemen van voorzorgsmaatregelen of het ondernemen van financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties te faciliteren, stelt het Bureau het EOM schriftelijk en met vermelding van de aard en het doel van het onderzoek daarvan in kennis en verzoekt het EOM om schriftelijke toestemming voor de opening van een aanvullend onderzoek. [Am. 111]

Binnen 30 dagen 20 werkdagen na ontvangst van deze informatie kan verleent het EOM toestemming voor of maakt het bezwaar maken tegen de opening of voortzetting van een onderzoek of tegen het verrichten van bepaalde handelingen met betrekking tot het onderzoek, wanneer dat nodig is om te voorkomen dat zijn eigen onderzoek of vervolging in gevaar wordt gebracht, en dat zolang deze redenen bestaan. Het EOM stelt het Bureau zonder onnodige vertraging in kennis wanneer de redenen voor het bezwaar niet langer gelden. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan het EOM de termijn met nog eens 10 werkdagen verlengen. Het stelt het Bureau daarvan in kennis.

Ingeval het EOM bezwaar maakt opent het Bureau geen aanvullend onderzoek. In dat geval stelt het EOM het Bureau zonder onnodige vertraging in kennis wanneer de redenen voor het bezwaar niet langer gelden. [Am. 112]

Ingeval het EOM binnen de in de vorige alinea vastgestelde termijn geen bezwaar maakt toestemming geeft, kan het Bureau een onderzoek openen of voortzetten en voert het dit onderzoek in nauw overleg met het EOM. [Am. 113]

Indien het EOM niet binnen de in de tweede alinea vermelde termijn antwoordt, kan het Bureau in overleg treden met het EOM opdat binnen 10 dagen een besluit wordt genomen. [Am. 114]

Het Bureau schorst zijn onderzoek of zet dit stop, of onthoudt zich van het verrichten van bepaalde handelingen met betrekking tot het onderzoek, als het EOM er om dezelfde redenen als die welke in de tweede alinea zijn vermeld, later bezwaar tegen maakt.

2.  Indien het EOM in antwoord op een verzoek om informatie dat overeenkomstig artikel 12 quinquies is ingediend, het Bureau ervan in kennis stelt dat het geen onderzoek voert en het later een onderzoek naar dezelfde feiten opent, stelt het het Bureau onverwijld daarvan in kennis. Indien de directeur-generaal na ontvangst van deze informatie van oordeel is dat het door het Bureau geopende onderzoek moet worden voortgezet teneinde het nemen van voorzorgsmaatregelen of het ondernemen van financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties te faciliteren, is lid 1 van toepassing.

Artikel 12 octies

Werkafspraken en uitwisseling van informatie met het EOM

1.  Indien dit nodig is om de samenwerking met het EOM als beschreven in artikel 1, lid 4 bis, te faciliteren, maakt het Bureau administratieve afspraken met het EOM. Dergelijke werkafspraken kunnen bestaan uit praktische regelingen voor de uitwisseling van informatie, waaronder persoonsgegevens, operationele, strategische of technische informatie en gerubriceerde informatie, en voor de opzet van informatietechnologieplatformen, met inbegrip van een gemeenschappelijke aanpak voor upgrades en compatibiliteit van software. Ze omvatten gedetailleerde afspraken over de continue uitwisseling van informatie tijdens de ontvangst en de controle van vermoedens met het oog op de vaststelling van bevoegdheden ten aanzien van onderzoeken die door beide instanties worden gevoerd. Ze omvatten ook afspraken over de overdracht van bewijs tussen het Bureau en het EOM, alsook afspraken over de verdeling van de kosten.

Voorafgaand aan de vaststelling van de werkafspraken met het EOM zendt de directeur-generaal de ontwerpafspraken ter informatie toe aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, het Comité van toezicht en het Europees Parlement. De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en het Comité van toezicht brengen hun advies onverwijld uit. [Am. 115]

2.  Het Bureau krijgt op basis van een hit/no hit-systeem indirect toegang tot informatie in het casemanagementsysteem van het EOM. Telkens wanneer een match wordt gevonden tussen gegevens die het Bureau in het casemanagementsysteem heeft ingevoerd en die waarover het EOM beschikt, worden zowel het EOM als het Bureau hiervan op de hoogte gebracht. Het Bureau neemt de nodige maatregelen om het EOM op basis van een hit/no hit-systeem toegang te geven tot informatie in zijn casemanagementsysteem.

Indirecte raadpleging van de informatie in het casemanagementsysteem van het EOM vindt alleen plaats voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de functies van het Bureau zoals vastgesteld in deze verordening en wordt naar behoren gemotiveerd en goedgekeurd via een door het Bureau ontworpen interne procedure. Het Bureau houdt een register bij van alle gevallen van toegang tot het casemanagementsysteem van het EOM. [Am. 116]

2 bis.   De directeur-generaal van het Bureau en de Europese hoofdaanklager komen ten minste eenmaal per jaar bijeen om zaken van gemeenschappelijk belang te bespreken.”. [Am. 117]

"

12 bis)  Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door: "

"Het Comité van toezicht monitort in het bijzonder de ontwikkelingen betreffende de toepassing van de procedurewaarborgen en de duur van onderzoeken.”; [Am. 118]

"

b)  in lid 1 wordt de vijfde alinea vervangen door: "

"Het Comité van toezicht wordt toegang verschaft tot alle informatie en documenten die het acht nodig te hebben voor de uitvoering van zijn taken, met inbegrip van verslagen en aanbevelingen over afgesloten onderzoeken, afgewezen gevallen, doch zonder inmenging in de verrichting van lopende onderzoeken, en met inachtneming van de vereisten in verband met vertrouwelijkheid en gegevensbescherming."; [Am. 119]

"

c)  in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:"

"Het Comité van toezicht wijst zijn voorzitter aan. Het stelt zijn reglement van orde vast nadat dit ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is voorgelegd. Het Comité van toezicht wordt bijeengeroepen op initiatief van zijn voorzitter of van de directeur-generaal. Het komt minstens tienmaal per jaar bijeen. Het Comité van toezicht besluit bij meerderheid van de stemmen van zijn leden. De Commissie verzorgt het secretariaat van het Comité van toezicht in nauw overleg met het Comité van toezicht. Voordat de benoeming van een personeelslid van het secretariaat plaatsvindt, wordt het Comité van toezicht geraadpleegd en zijn zienswijze in aanmerking genomen. Het secretariaat handelt in opdracht van het Comité van toezicht en onafhankelijk van de Commissie. Onverminderd haar controle op de begroting van het Comité van toezicht en het secretariaat daarvan, mengt de Commissie zich niet in de toezichthoudende taken van het Comité van toezicht.". [Am. 120]

"

13)  artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

-a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hebben jaarlijks een ontmoeting met de directeur-generaal om op politiek niveau van gedachten te wisselen over het beleid van het Bureau inzake methoden voor de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit of onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Comité van toezicht neemt aan de gedachtewisseling deel. De Europese hoofdaanklager wordt uitgenodigd om aan de gedachtewisseling deel te nemen. Vertegenwoordigers van de Rekenkamer, Eurojust en/of Europol kunnen op verzoek van Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de directeur-generaal of het Comité van toezicht worden uitgenodigd om op ad-hocbasis bij de gedachtewisseling aanwezig te zijn."; [Am. 121]

"

a)  in lid 1 wordt de derde zin vervangen door:"

"Vertegenwoordigers van de Rekenkamer, het EOM, Eurojust en/of Europol kunnen op verzoek van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de directeur-generaal of het Comité van toezicht worden uitgenodigd om op ad-hocbasis bij de gedachtewisseling aanwezig te zijn."; [Am. 122]

"

a bis)  in lid 2 wordt de inleidende formule vervangen door:"

"2. De gedachtewisseling kan betrekking hebben op elk onderwerp dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeenkomen. De gedachtewisseling kan met name betrekking hebben op:" [Am. 123]

"

b)  in lid 2 wordt punt d) vervangen door:"

"d) het kader inzake de betrekkingen tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties, in het bijzonder de band met het EOM, en de actie die is ondernomen naar aanleiding van de eindverslagen van onderzoeken van het Bureau en andere door het Bureau doorgestuurde informatie;"; [Am. 124]

"

b bis)  lid 2, onder e), wordt vervangen door:"

"e) het kader inzake de betrekkingen tussen het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, en de actie die door bevoegde autoriteiten van de lidstaten is ondernomen naar aanleiding van de eindverslagen van onderzoeken van het Bureau en andere door het Bureau doorgestuurde informatie;"; [Am. 125]

"

b ter)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"4 bis. Het voorzitterschap bij de gedachtewisseling wordt gerouleerd tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.". [Am. 126]

"

14)  artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

-a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Het Bureau staat onder leiding van een directeur-generaal. De directeur-generaal wordt door de Commissie aangesteld overeenkomstig de in lid 2 vastgestelde procedure. De ambtstermijn van de directeur-generaal bedraagt zeven jaar; deze termijn kan niet worden verlengd. De directeur-generaal wordt aangesteld als tijdelijke functionaris overeenkomstig het Ambtenarenstatuut."; [Am. 127]

"

-a bis)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. Met het oog op de aanstelling van een nieuwe directeur-generaal maakt de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een oproep tot gegadigden bekend. Deze bekendmaking vindt plaats uiterlijk zes maanden vóór het einde van de ambtstermijn van de in functie zijnde directeur-generaal. Na gunstig advies van het comité van toezicht stelt de Commissie een lijst op van de kandidaten die over de nodige kwalificaties beschikken. De directeur-generaal wordt in onderlinge overeenstemming tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voorgedragen en vervolgens door de Commissie benoemd."; [Am. 128]

"

a)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. De directeur-generaal vraagt noch aanvaardt van welke regering, instelling of instantie dan ook instructies voor de vervulling van zijn taken met betrekking tot het openen en uitvoeren van externe en interne onderzoeken of coördinatieactiviteiten, of met betrekking tot het opstellen van de verslagen naar aanleiding van die onderzoeken of coördinatieactiviteiten. Indien de directeur-generaal van oordeel is dat een maatregel van de Commissie zijn onafhankelijkheid aantast, stelt hij het Comité van toezicht onmiddellijk daarvan in kennis en beslist hij of hij bij het Hof van Justitie beroep tegen de Commissie instelt."; [Am. 129]

"

a bis)  lid 4 wordt vervangen door:"

"4. De directeur-generaal brengt regelmatig en ten minste jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer over de resultaten van de door het Bureau verrichte onderzoeken, de actie die naar aanleiding daarvan is ondernomen, de problemen die daarbij zijn gerezen en het gevolg dat het Bureau heeft gegeven aan de door het Comité van toezicht overeenkomstig artikel 15 uitgebrachte aanbevelingen, onder eerbiediging van het vertrouwelijk karakter van die onderzoeken, de wettelijke rechten van de betrokken personen en informanten en, in voorkomend geval, de nationale procesrechtelijke bepalingen.

Het jaarlijkse verslag omvat ook een beoordeling van de mate van samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de instellingen, organen en instanties, met name voor wat betreft de toepassing van artikel 11, leden 2 en  6 bis."; [Am. 130]

"

a ter)  lid 4 bis wordt toegevoegd:"

"4 bis. Op verzoek van het Europees Parlement in het kader van zijn begrotingscontrolerechten kan de directeur-generaal informatie verstrekken over de activiteiten van het Bureau, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van onderzoeken en vervolgprocedures. Het Europees Parlement waarborgt de vertrouwelijkheid van de overeenkomstig dit lid verstrekte informatie."; [Am. 131]

"

a quater)  in lid 5 wordt de eerste alinea geschrapt; [Am. 132]

b)  in lid 5, tweede alinea, wordt punt b) vervangen door:"

"b) de gevallen waarin informatie is doorgegeven aan de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten en of aan het EOM;"; [Am. 133]

"

b bis)  in de derde alinea van lid 5 wordt de volgende letter ingevoegd:"

"b bis) de gevallen die zijn afgewezen;"; [Am. 134]

"

b ter)  lid 7 wordt vervangen door:"

"7. De directeur-generaal stelt een mechanisme in voor interne advisering en controle, mede omvattende een wettigheidstoetsing, onder meer met betrekking tot de eerbiediging van de procedurewaarborgen en de grondrechten van de betrokken personen en getuigen, en van het nationale recht van de betrokken lidstaten, waarbij in het bijzonder wordt gelet op artikel 11, lid 2. De wettigheidstoetsing wordt verricht door deskundigen van het Bureau op het gebied van recht en onderzoeksprocedures die gekwalificeerd zijn voor rechterlijke functies in een lidstaat. Hun advies wordt aan het eindverslag van het onderzoek gehecht."; [Am. 135]

"

b quater)  lid 8 wordt vervangen door:"

“8. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van een reglement voor onderzoeken dat moet worden nageleefd door de personeelsleden van het Bureau. Deze gedelegeerde handelingen hebben in het bijzonder betrekking op:

   a) de gang van zaken bij de uitvoering van het mandaat en het statuut van het Bureau;
   b) nadere regels inzake onderzoeksprocedures en toegestane onderzoekshandelingen;
   c) de legitieme rechten van de betrokken personen;
   d) de procedurewaarborgen;
   d bis) bepalingen inzake gegevensbescherming en beleid op het gebied van communicatie en toegang tot documenten;
   d ter) bepalingen inzake de wettigheidstoetsing en beroepsmogelijkheden van de betrokkenen;
   d quater) de band met het EOM.

Bij haar voorbereidende werkzaamheden raadpleegt de Commissie het Comité van toezicht en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

Elke gedelegeerde handeling die overeenkomstig dit lid wordt vastgesteld wordt voor informatiedoeleinden in alle officiële talen van de Unie bekendgemaakt op de website van het Bureau."; [Am. 136]

"

c)  in de eerste alinea van lid 8 wordt het volgende punt e) toegevoegd:"

"e) d e band met het EOM.". [Am. 137]

"

c bis)  in lid 9 wordt de eerste alinea vervangen door:"

"Voordat de Commissie een tuchtmaatregel tegen de directeur-generaal neemt of zijn immuniteit opheft, raadpleegt zij het Comité van toezicht.". [Am. 138]

"

14 bis)  artikel 19 wordt vervangen door:"

"Artikel 19

Evaluatieverslag en herziening

Uiterlijk vijf jaar na de datum die is vastgesteld overeenkomstig de tweede alinea van artikel 120, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1939, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatieverslag in over de toepassing en het effect van deze verordening, met name ten aanzien van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenwerking tussen het Bureau en het EOM. Dat verslag gaat vergezeld van een advies van het Comité van toezicht.

Uiterlijk twee jaar na de indiening van het evaluatieverslag overeenkomstig de eerste alinea, dient de Commissie een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad om het kader voor het Bureau te moderniseren, met aanvullende of meer gedetailleerde regels met betrekking tot de opzet van het Bureau, zijn functies of de procedures voor zijn activiteiten, met name betreffende zijn samenwerking met het EOM, grensoverschrijdende onderzoeken, en onderzoeken in lidstaten die niet deelnemen aan het EOM.". [Am. 139]

"

14 ter)  een nieuw artikel 19 bis wordt ingevoegd:"

"Artikel 19 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 17, lid 8, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor termijn van vier jaar met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vier jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 17, lid 8, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 17, lid 8 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.". [Am. 140]

"

Artikel 2

1.  Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  De in artikel 1, punt 12, bedoelde artikelen 12 quater tot en met 12 septies zijn van toepassing vanaf de datum die overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939 is bepaald.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) Advies nr. 8/2018 van de Europese Rekenkamer.
(2)PB C 42 van 1.2.2019, blz. 1.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(4)Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(5)Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283, 31.10.2017, blz. 1).
(6)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(7)COM(2017)0589. Het verslag ging vergezeld van een evaluatiewerkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0332) en een advies van het Comité van toezicht van het Bureau (advies 2/2017).
(8)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(9)Artikel 129 zal worden ingevoegd in Verordening (EU) 2018/XX van het Europees Parlement en de Raad (nieuw Financieel Reglement), waarover een politiek akkoord is bereikt en die naar verwachting in de komende maanden zal worden vastgesteld.
(10)Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).
(11) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(12)Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1).
(13)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(14)PB C […] van [...], blz. […].
(15)Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(16)Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
(17)Artikel 32 bis, lid 3, zal in Richtlijn (EU) 2015/849 worden ingevoegd bij Richtlijn (EU) 2018/XX van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849, waarover op 19 december 2017 een politiek akkoord is bereikt en die naar verwachting in de komende maanden zal worden vastgesteld.
(18)Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).
(19) Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PB L 082 van 22.3.1997, blz. 1).
(20) Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 ... (EG) nr. 1383/2003 (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 15).


Vaststelling van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur ***I
PDF 244kWORD 66k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur (COM(2018)0474 – C8-0273/2018 – 2018/0258(COD))
P8_TA(2019)0384A8-0460/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0474),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 33, artikel 114 en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, uit hoofde waarvan de Commissie het voorstel heeft ingediend bij het Parlement (C8‑0273/2018),

—  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie begrotingscontrole en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0460/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur

P8_TC1-COD(2018)0258


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 33, 114 en 207,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De 2 140 douanekantoren(5) langs de buitengrenzen van de Europese Unie moeten goed uitgerust zijn om de efficiënte en doeltreffende werking van de douane-unie te garanderen. De behoefte aan passende en gelijkwaardige douanecontroles is groter dan ooit, niet alleen wegens de traditionele functie van de douane, namelijk het innen van douanerechten, maar ook steeds meer omdat de controle op goederen die de Unie aan de buitengrenzen binnenkomen of verlaten, moet worden versterkt teneinde de veiligheid en beveiliging te garanderen. Tegelijkertijd mogen deze controles op goederenstromen die de buitengrenzen overschrijden, geen belemmering vormen voor legitieme handel met derde landen, maar moeten ze deze zelfs vergemakkelijken met inachtneming van de veiligheids- en beveiligingsnormen. [Am. 1]

(1 bis)  De douane-unie is een hoeksteen van de Europese Unie, een van de grootste handelsblokken ter wereld, en is van essentieel belang voor de goede werking van de interne markt ten behoeve van zowel bedrijven als burgers. Het Parlement spreekt in zijn resolutie van 14 maart 2018(6) met name zijn bezorgdheid uit over de douanefraude, die een aanzienlijk inkomensverlies voor de begroting van de Unie tot gevolg heeft. Het Parlement herhaalde hierin dat een sterker en ambitieuzer Europa alleen mogelijk is als in meer financiële middelen wordt voorzien, en riep daarom op tot blijvende steun voor de bestaande maatregelen, tot meer middelen voor de vlaggenschipprogramma's van de Unie, en tot bijkomende bevoegdheden met daaraan gekoppeld bijkomende middelen. [Am. 2]

(2)  Momenteel bestaan er verschillen tussen de lidstaten bij de uitvoering van douanecontroles. Dit is zowel te wijten aan geografische verschillen tussen de lidstaten als aan en hun respectieve capaciteiten en middelen als aan een gebrek aan gestandaardiseerde douanecontroles. Of de lidstaten kunnen reageren op uitdagingen ten gevolge van voortdurend evoluerende mondiale bedrijfsmodellen en toeleveringsketens hangt niet alleen af van de menselijke factor, maar ook van de beschikbaarheid en de goede werking van moderne en betrouwbare douanecontroleapparatuur. Andere uitdagingen, zoals de sterke toename van e-commerce, de digitalisering van de controles en de controleregisters, weerbaarheid tegen cyberaanvallen, sabotage, bedrijfsspionage en misbruik van gegevens, zullen ook de vraag naar een betere werking van douaneprocedures doen toenemen. De beschikbaarheid van gelijkwaardige douanecontroleapparatuur is daarom een belangrijk element om het evenwicht tussen de lidstaten te herstellen. Het zal de gelijkwaardigheid bij de uitvoering van douanecontroles in de lidstaten verbeteren en zo voorkomen dat goederenstromen gebruikmaken van de zwakste punten om de EU binnen te komen. Alle goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen moeten aan grondige controles worden onderworpen teneinde "port-shopping" door douanefraudeurs te vermijden. Om de douanecontroles in het algemeen te versterken en te zorgen voor convergentie bij de uitvoering ervan door de lidstaten moet een duidelijke strategie worden vastgesteld. [Am. 3]

(3)  De Diverse lidstaten hebben er herhaaldelijk op gewezen dat zij financiële steun nodig hebben en hebben een grondige analyse van de benodigde apparatuur gevraagd. In zijn conclusies over douanefinanciering van 23 maart 2017(7) heeft de Raad de Commissie verzocht om "een oordeel te vormen over de mogelijkheid om benodigde technische apparatuur te financieren uit toekomstige financiële programma's van de Commissie, en ten behoeve van de financiering de coördinatie te verbeteren en de samenwerking tussen douaneautoriteiten en andere rechtshandhavingsautoriteiten te versterken". [Am. 4]

(4)  Volgens Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad(8) mogen douanecontroles niet alleen worden begrepen als toezicht op de douanewetgeving, maar ook op andere wetgeving betreffende het binnenbrengen, het uitgaan, de doorvoer, het overbrengen, de opslag en de bijzondere bestemming van goederen die tussen het douanegebied van de Unie en landen of gebieden daarbuiten worden vervoerd, en betreffende de aanwezigheid en het verkeer binnen het douanegebied van de Unie van niet-Uniegoederen en goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst. Dergelijke andere wetgeving waarbij de douaneautoriteiten bevoegd worden verklaard voor specifieke controletaken bevat bepalingen inzake belastingheffing, met name wat accijnzen en belasting over de toegevoegde waarde betreft, de externe aspecten van de interne markt, het gemeenschappelijk handelsbeleid en ander gemeenschappelijk beleid van de Unie dat gevolgen heeft voor de handel, de algemene veiligheid van de toeleveringsketen en de bescherming van de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten.

(5)  Door de totstandbrenging van een passend en gelijkwaardig niveau van douanecontroles aan de buitengrenzen van de Unie kunnen de voordelen van de douane-unie worden gemaximaliseerd. Een gericht optreden van de Unie op het gebied van douanecontroleapparatuur, waarbij het evenwicht tussen de lidstaten wordt hersteld, zou bovendien bijdragen tot de algehele samenhang tussen de lidstaten. Gezien de uitdagingen waarvoor de wereld staat, met name de aanhoudende noodzaak om de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen en tegelijk de legitieme handelsstromen te vergemakkelijken, is de beschikbaarheid van moderne en betrouwbare douanecontroleapparatuur aan de buitengrenzen onontbeerlijk.

(6)  Het is dan ook opportuun een nieuw Instrument voor financiële ondersteuning van douanecontroleapparatuur op te zetten, waarmee praktijken zoals het namaken van goederen en andere illegale handelspraktijken kunnen worden opgespoord. Hierbij moeten bestaande formules voor financiële ondersteuning in overweging worden genomen. [Am. 5]

(7)  Aangezien de douaneautoriteiten van de lidstaten steeds meer verantwoordelijkheden op zich hebben genomen, vaak op het gebied van de beveiliging van de buitengrenzen, moeten de lidstaten passende financiële steun van de Unie krijgen om te zorgen voor gelijkwaardigheid bij het uitvoeren van grenscontroles en douanecontroles aan de buitengrenzen. Wat de controle van goederen en personen betreft, is het evenzeer belangrijk om de samenwerking, met inachtneming van cyberveiligheid, te bevorderen tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor grenscontroles of andere taken die aan de grenzen worden uitgevoerd. [Am. 6]

(8)  Het is dan ook noodzakelijk een Fonds voor geïntegreerd grensbeheer ("het Fonds") op te zetten.

(9)  Vanwege de juridische bijzonderheden die van toepassing zijn op titel V van het VWEU en het verschil in toepasselijke rechtsgrond tussen het beleid inzake de buitengrenzen en het beleid inzake douanecontroles, is het juridisch niet mogelijk om het Fonds in één enkel financieel instrument onder te brengen.

(10)  Het Fonds moet derhalve worden opgezet als een alomvattend kader voor financiële steun van de Unie op het gebied van grensbeheer, dat het bij deze verordening vastgestelde Instrument voor douanecontroleapparatuur ("het Instrument") omvat, alsook het bij Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad(9) vastgestelde Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa.

(11)  In deze verordening worden voor het Instrument de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(10). Om de nodige begrotingsdiscipline te waarborgen moeten duidelijke en welomschreven voorwaarden voor de prioritering van de subsidieverstrekking worden vastgelegd die zijn gebaseerd op de geconstateerde behoeften met het oog op de uitoefening van de taken van douanepunten. [Am. 7]

(12)  Verordening (EU, Euratom) [2018/XXX] van het Europees Parlement en de Raad(11) (het "Financieel Reglement") is op dit Instrument van toepassing. Het bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies.

(13)  Bij Verordening (EU) [2018/XXX] van het Europees Parlement en de Raad(12) is het douaneprogramma voor samenwerking op douanegebied vastgesteld, ter ondersteuning van de douane-unie en de douaneautoriteiten. Om de samenhang en de horizontale coördinatie van samenwerkingsacties te handhaven, is het dienstig al deze acties ten uitvoer te leggen onder één wetgevingshandeling en geheel van regels. Daarom moeten alleen de aankoop, het onderhoud en de modernisering van subsidiabele douanecontroleapparatuur worden ondersteund in het kader van dit Instrument, terwijl het Douane-programma voor samenwerking op douanegebied steun moet verlenen voor aanverwante acties, zoals samenwerking bij de beoordeling van behoeften of opleiding met betrekking tot de aangekochte apparatuur.

(13 bis)  In het kader van dit Instrument gefinancierde douanecontroleapparatuur dient te voldoen aan de hoogst mogelijke normen op het gebied van veiligheid, met inbegrip van cyberveiligheid, milieu en gezondheid. [Am. 8]

(13 ter)  Gegevens die zijn geproduceerd door douanecontroleapparatuur die uit hoofde van dit Instrument wordt gefinancierd, mag uitsluitend worden opgevraagd en verwerkt door naar behoren gemachtigde personeelsleden van de autoriteiten en moet op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde toegang of verstrekking. De lidstaten moeten volledige controle hebben over die gegevens. [Am. 9]

(13 quater)  Douanecontroleapparatuur die op grond van dit Instrument wordt gefinancierd, moet bijdragen tot een optimaal douanerisicobeheer. [Am. 10]

(13 quinquies)  Bij de vervanging van oude douanecontroleapparatuur met behulp van dit Instrument moeten de lidstaten de verantwoordelijkheid dragen voor de milieuvriendelijke verwijdering van de oude douanecontroleapparatuur. [Am. 11]

(14)  Voor zover van toepassing moet het Instrument bovendien ook de aankoop of modernisering van douanecontroleapparatuur ondersteunen met het oog op het testen van nieuwe onderdelen of functies in operationele omstandigheden, alvorens de lidstaten beginnen met de grootschalige aankoop van dergelijke nieuwe apparatuur. Tests in operationele omstandigheden moeten met name rekening houden met de resultaten van onderzoek van douanecontroleapparatuur in het kader van Verordening (EU) [2018/XXX](13).

(15)  De meeste douanecontroleapparatuur is eveneens geschikt voor controles op de naleving van andere wetgeving, zoals de bepalingen m.b.t. grensbeheer, visa of politiesamenwerking. Het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer is dan ook opgevat als twee complementaire instrumenten, met een verschillend maar samenhangend toepassingsgebied voor de aankoop van apparatuur. Enerzijds komt apparatuur die zowel voor grensbeheer als voor douanecontroles kan worden gebruikt niet in aanmerking voor het bij Verordening [2018/XXX](14) opgezette instrument voor grensbeheer en visa. Anderzijds verleent het bij de onderhavige verordening opgezette instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur niet alleen financiële steun voor apparatuur die douanecontroles als hoofddoel heeft, maar staat het ook toe dat die apparatuur voor andere gerelateerde doeleinden, zoals grenscontroles, veiligheid en beveiliging, wordt gebruikt. Deze opdeling zal de samenwerking tussen instanties in het kader van het Europees geïntegreerd grensbeheer, zoals bedoeld in artikel 4, onder e), van Verordening (EU) 2016/1624(15), bevorderen en douane- en grensautoriteiten in staat stellen samen te werken met gedeelde en interoperabele apparatuur, waardoor de begroting van de Unie een zo groot mogelijk effect krijgt. Om ervoor te zorgen dat alle door het fonds gefinancierde instrumenten en apparaten permanent in onmiddellijk bezit blijven van het aangewezen douanecontrolepunt dat de apparatuur in eigendom heeft, moet de handeling van het delen en de interoperabiliteit van apparatuur tussen douane- en grensautoriteiten als niet-systematisch en niet-regelmatig worden gedefinieerd. [Am. 12]

(16)  In afwijking van het Financieel Reglement is financiering van een actie door verschillende programma’s of instrumenten van de Unie toegestaan om, in voorkomend geval, domeinoverschrijdende samenwerking en interoperabiliteit mogelijk te maken. In dergelijke gevallen mogen de bijdragen echter niet dezelfde kosten dekken, overeenkomstig het in het Financieel Reglement vastgestelde verbod op dubbele financiering. Indien aan een lidstaat reeds een bijdrage uit een ander programma van de Unie of steun uit een Uniefonds is toegekend, of deze reeds heeft ontvangen, voor de aankoop van de apparatuur in kwestie, moet deze bijdrage of steun worden vermeld in de aanvraag. [Am. 13]

(16 bis)   De Commissie moet gezamenlijke aankopen en tests van douanecontroleapparatuur door de lidstaten stimuleren. [Am. 14]

(17)  Gezien de snelle evolutie van de douaneprioriteiten, bedreigingen en technologieën, mogen werkprogramma's geen lange looptijd hebben. Jaarlijkse werkprogramma's zouden echter de administratieve last voor zowel de Commissie als de lidstaten doen toenemen, zonder dat dit nodig is voor de tenuitvoerlegging van het Instrument. Daarom moeten werkprogramma’s in beginsel betrekking hebben op meer dan één jaar. Om de integriteit van de strategische belangen van de Unie te waarborgen wordt er bij de lidstaten op aangedrongen om bij aanbestedingen voor nieuwe douanecontroleapparatuur zorgvuldig aandacht te schenken aan cyberveiligheid en de risico's van het eventuele vrijgeven van gevoelige gegevens buiten de Unie. [Am. 15]

(18)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van het werkprogramma in het kader van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(16). [Am. 16]

(19)  Gezien de technische aard van dit Instrument is centrale tenuitvoerlegging onontbeerlijk om de specifieke doelstelling van gelijkwaardige douanecontroles te bereiken, maar er zijn voorbereidende werkzaamheden nodig op technisch niveau. De tenuitvoerlegging moet dan ook worden ondersteund door individuele behoeftenevaluaties die gebaseerd zijn op de nationale deskundigheid en ervaring van de douanediensten van de lidstaten. Voor de uitvoering van deze evaluaties moet een duidelijke methode worden gevolgd, met een minimumaantal stappen voor het verzamelen van de benodigde informatie ter zake. [Am. 17]

(20)  Om regelmatige monitoring en rapportering te garanderen, moet worden voorzien in een passend kader voor toezicht op de resultaten die worden bereikt door het Instrument en de acties in het kader daarvan. Deze monitoring en rapportage moeten worden gebaseerd op kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren waarbij de gevolgen van de acties in het kader van het Instrument worden gemeten. De lidstaten moeten zorgen voor een transparante en duidelijke aanbestedingsprocedure. Evenredige rapporteringseisen moeten bepaalde minimuminformatie gedetailleerde informatie bevatten over douanecontroleapparatuur en aanbestedingsprocedures boven een bepaalde kostendrempel bevatten, evenals een verantwoording van de kosten. [Am. 18]

(21)  Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(17) moet dit Instrument worden geëvalueerd op basis van informatie die verzameld is aan de hand van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Voor zover van toepassing kunnen deze eisen meetbare indicatoren bevatten, als basis voor de evaluatie van de effecten van het Instrument op het terrein.

(22)  Om op passende wijze te kunnen reageren op veranderende beleidsprioriteiten, bedreigingen en technologieën, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden gedelegeerd aan de Commissie, zodat zij deze verordening kan wijzigen teneinde werkprogramma's vast te stellen en de lijst van voorwerpen van douanecontroles kan wijzigen voor acties die in aanmerking komen voor steun uit hoofde van het Instrument, alsook de lijst van indicatoren om de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen te meten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende en volledig transparante raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 19]

(23)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(18), Verordening (Euratom, EG) nr. 2988/95 van de Raad(19), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(20) en Verordening (EU) 2017/1939(21) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd aan de hand van evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 kan OLAF onderzoeken verrichten, met inbegrip van controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad kan het Europees Openbaar Ministerie overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(22). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EMO en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(24)  Horizontale financiële regels die door het Europees Parlement en de Raad zijn vastgesteld op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn van toepassing op deze verordening. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering. Bij financiering in het kader van dit Instrument moeten de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en non-discriminatie in acht worden genomen. [Am. 20]

(25)  De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstelling van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit houdt mede in dat het gebruik van vaste bedragen, forfaits en eenheidskosten moet worden overwogen, alsmede financiering die niet gekoppeld is aan de kosten die bedoeld zijn in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het Instrument moeten een betere uitvoering en een betere kwaliteit van de bestedingen als richtsnoeren worden gehanteerd, waarbij een optimale benutting van de financiële middelen moet worden gewaarborgd. [Am. 21]

(26)  Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van een instrument ter bevordering van de douane-unie en de douaneautoriteiten, ten gevolge van geografische verschillen onvoldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten alleen, maar dankzij het gelijkwaardige niveau en de gelijkwaardige kwaliteit van douanecontroles die tot stand komen door een gecoördineerde aanpak en gecentraliseerde financiering, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgestelde subsidiariteitsbeginsel Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat de verordening niet verder dan nodig is om dit doel te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.  Bij deze verordening wordt het Instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur ("het Instrument") opgezet, als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer ("het Fonds"), teneinde financiële steun te verlenen voor de aankoop, het onderhoud en de modernisering van douanecontroleapparatuur.

2.  Samen met Verordening (EU) [2018/XXX] waarbij, als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa(23) wordt opgezet, wordt bij deze verordening het Fonds opgezet.

3.  In deze verordening worden de doelstellingen van het Instrument, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie en de regels voor het verstrekken van dergelijke financiering vastgesteld.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "douaneautoriteiten": de in artikel 5, punt 1), van Verordening (EU) nr. 952/2013 gedefinieerde autoriteiten;

2)  "douanecontroles": de in artikel 5, punt 3), van Verordening (EU) nr. 952/2013 gedefinieerde specifieke handelingen;

3)  "douanecontroleapparatuur": apparatuur die in de eerste plaats bestemd is voor het uitvoeren van douanecontroles;

4)  "mobiele douanecontroleapparatuur": elk vervoermiddel dat, naast zijn mobiele capaciteiten, bestemd is om zelf een stuk douanecontroleapparatuur te vormen of volledig is uitgerust met douanecontroleapparatuur;

5)  "onderhoud": preventieve, corrigerende en voorspellende ingrepen - inclusief operationele en functionele controles, periodiek onderhoud, herstelling en revisie, maar exclusief modernisering - die nodig zijn om de werkingstoestand van een stuk douanecontroleapparatuur in stand te houden of te herstellen, zodat het zijn maximale nuttige levensduur kan bereiken;

6)  "modernisering": evolutieve ingrepen die nodig zijn om een verouderd stuk douanecontroleapparatuur naar een specifieke state-of-the-art werkingstoestand te brengen.

Artikel 3

Doelstellingen van het Instrument

1.  Als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer en met het oog op de langetermijndoelstelling dat alle douanediensten in de Unie worden gestandaardiseerd, is de algemene doelstelling van het Instrument de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen bij het beschermen van de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten, samenwerking tussen instanties te bevorderen aan de grenzen van de Unie bij de controle van goederen en personen, de beveiliging en veiligheid in de Unie te garanderen, de Unie te beschermen tegen oneerlijke en illegale handel, en tegelijk legitieme bedrijfsactiviteiten te faciliteren. [Am. 22]

2.  De concrete doelstelling van het Instrument is bij te dragen tot passende en gelijkwaardige douanecontroles door de volledig transparante aankoop, het onderhoud en de modernisering van relevante, state-of-the-art, goed beveiligde, tegen cyberdreigingen beschermde, veilige, milieuvriendelijke en betrouwbare douanecontroleapparatuur. Daarnaast heeft het ten doel de kwaliteit van douanecontroles in de lidstaten te verbeteren en te voorkomen dat goederen naar de zwakkere punten worden geleid om de Unie binnen te komen. [Am. 23]

2 bis.  Het Instrument draagt bij aan de tenuitvoerlegging van Europees geïntegreerd grensbeheer door steun te bieden voor samenwerking tussen instanties, alsook voor gedeelde en interoperabele nieuwe apparatuur die via het instrument is verkregen. [Am. 24]

Artikel 4

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het Instrument voor de periode 2021 tot en met 2027 bedragen 1 149 175 000 EUR in prijzen van 2018 (1 300 000 000 euro EUR in lopende prijzen). [Am. 25]

2.  Het in lid 1 vermelde bedrag kan ook de legitieme en geverifieerde uitgaven omvatten voor voorbereiding, monitoring, controle, audit, evaluatie en andere activiteiten voor het beheer van het Instrument en de evaluatie van de prestaties ervan en de mate waarin de doelstellingen worden bereikt. Het kan voorts ook de eveneens legitieme en geverifieerde uitgaven omvatten met betrekking tot studies, vergaderingen van deskundigen, informatie en communicatieacties, gegevensuitwisseling tussen betrokken lidstaten voor zover deze verband houden met de specifieke doelstellingen van het instrument ter ondersteuning van de algemene doelstelling, alsmede uitgaven in verband met informatietechnologienetwerken voor informatieverwerking en uitwisseling, daaronder begrepen institutionele informatietechnologie-instrumenten, en andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig zijn voor het beheer van het instrument. [Am. 26]

Artikel 5

Tenuitvoerlegging en vormen van EU-financiering

1.  Het Instrument wordt ten uitvoer gelegd via direct beheer, overeenkomstig het Financieel Reglement.

1 bis.   Als de ondersteunde actie betrekking heeft op de aankoop of modernisering van apparatuur, stelt de Commissie passende vrijwarings- en noodmaatregelen in om ervoor te zorgen dat alle apparatuur die met steun van programma's en instrumenten van de Unie wordt aangekocht, in alle relevante gevallen door de bevoegde douaneautoriteiten wordt gebruikt. [Am. 27]

2.  In het kader van het Instrument kan financiering worden verstrekt in een van de vormen die zijn vastgesteld in het Financieel Reglement, en met name via subsidies.

3.  Als de ondersteunde actie betrekking heeft op de aankoop of modernisering van apparatuur, zet de Commissie een coördinatiemechanisme op dat in de raadpleging en deelname van de relevante agentschappen van de Unie voorziet, en met name van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, teneinde de efficiëntie en interoperabiliteit te waarborgen tussen alle apparatuur die met steun van programma's en instrumenten van de Unie wordt aangekocht. Het coördinatiemechanisme omvat de deelname en raadpleging van het Europees Grens- en kustwachtagentschap ter optimalisering van de Europese meerwaarde op het gebied van grensbeheer. [Am. 28]

3 bis.   Als de ondersteunde actie betrekking heeft op de aankoop of modernisering van apparatuur, stelt de Commissie passende vrijwarings- en noodmaatregelen in om ervoor te zorgen dat alle apparatuur die met steun van programma's en instrumenten van de Unie wordt aangekocht, voldoet aan de overeengekomen normen voor regelmatig onderhoud. [Am. 29]

HOOFDSTUK II

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 6

In aanmerking komende acties

1.  Om in aanmerking te komen voor financiering in het kader van dit Instrument moeten acties aan de volgende eisen voldoen:

a)  de in artikel 3 bedoelde doelstellingen ten uitvoer leggen;

b)  steun verlenen voor de aankoop, het onderhoud en de modernisering van douanecontroleapparatuur die voor een of meer van de volgende doeleinden kan worden gebruikt:

1)  niet-intrusieve inspectie;

2)  opsporen van verborgen voorwerpen op mensen;

3)  stralingsdetectie en nuclide-identificatie;

4)  analyse van monsters in laboratoria;

5)  monsterneming en analyse van monsters op het terrein;

6)  visitaties met handapparatuur.

Bijlage 1 bevat een indicatieve lijst van douanecontroleapparatuur die gebruikt kan worden om de in de punten 1 tot en met 6 vermelde doelstellingen op het gebied van douanecontrole te verwezenlijken.

2.  Bij wijze van uitzondering op lid 1 mogen de acties in gerechtvaardigde gevallen ook betrekking hebben op de volledig transparante aankoop, het onderhoud en de modernisering van douanecontroleapparatuur voor het testen van nieuwe onderdelen of nieuwe functies in operationele omstandigheden. [Am. 30]

3.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in lid 1, onder b), en in bijlage 1 vermelde lijst van voorwerpen van douanecontrole, als dit noodzakelijk wordt geacht, onder meer om gelijke tred te houden met technologische ontwikkelingen, veranderende praktijken op het gebied van goederensmokkel of slimme en innovatieve oplossingen voor douanecontroledoeleinden. [Am. 31]

4.  Douanecontroleapparatuur die in het kader van dit Instrument wordt gefinancierd, moet hoofdzakelijk voor douanecontroles worden gebruikt, maar mag nog voor andere doeleinden dan douanecontroles worden gebruikt, zoals controles van personen ter ondersteuning van de nationale autoriteiten voor grensbeheer en onderzoeksdoeleinden, om te voldoen aan de algemene en specifieke doelstellingen van het Instrument als uiteengezet in artikel 3. [Am. 32]

4 bis.   De Commissie stimuleert gezamenlijke aankopen en tests van douanecontroleapparatuur door de lidstaten. [Am. 33]

Artikel 7

In aanmerking komende entiteiten

Bij wijze van uitzondering op artikel 197 van het Financieel Reglement zijn de douaneautoriteiten van de lidstaten de in aanmerking komende entiteiten, voor zover zij de informatie verstrekken die nodig is voor de in artikel 11, lid 3, bedoelde behoeftenevaluatie.

Artikel 8

Medefinancieringspercentage

1.  In het kader van het Instrument kan tot 80 % van de totale subsidiabele kosten van een actie worden gefinancierd.

2.  Financiering boven dit maximumpercentage wordt alleen in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden verleend.

2 bis.   Financiering boven dit maximumpercentage kan worden toegekend bij gezamenlijke aankopen en tests van douanecontroleapparatuur door de lidstaten. [Am. 34]

2 ter.   Onder de in lid 2 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden vallen bijvoorbeeld de aankoop van nieuwe douanecontroleapparatuur en de registratie daarvan in het kader van de pool van technische uitrusting van het Europees Grens- en kustwachtagentschap. De ontvankelijkheid van de apparatuur in het kader van de pool van technische uitrusting wordt overeenkomstig artikel 5, lid 3, geverifieerd. [Am. 35]

Artikel 9

In aanmerking komende kosten

Alle kosten in verband met de volgende kosten in artikel 6 genoemde acties komen niet in aanmerking voor financiering in het kader van het instrument, met uitzondering van: [Am. 36]

a)  kosten die verband houden met de aankoop van grond;

a bis)  kosten die verband houden met voor het gebruik van de apparatuur vereiste opleidingen of bijscholingen; [Am. 37]

b)  kosten die verband houden met infrastructuur, zoals gebouwen of buitenvoorzieningen, en met meubilair;

c)  kosten die verband houden met elektronische systemen, met uitzondering van software en software updates die rechtstreeks noodzakelijk is om de douanecontroleapparatuur te gebruiken, en met uitzondering van de elektronische software en programmering die noodzakelijk is voor de onderlinge koppeling tussen de bestaande software en de douanecontroleapparatuur; [Am. 38]

d)  kosten voor netwerken, zoals beveiligde of onbeveiligde communicatiekanalen, of abonnementen, met uitzondering van netwerken of abonnementen die rechtstreeks noodzakelijk zijn om de douanecontroleapparatuur te gebruiken; [Am. 39]

e)  kosten voor vervoersmiddelen, zoals voertuigen, luchtvaartuigen of schepen, met uitzondering van mobiele douanecontroleapparatuur;

f)  kosten van verbruiksgoederen, daaronder begrepen referentie- of kalibreringsmateriaal, voor douanecontroleapparatuur;

g)  kosten in verband met persoonlijke beschermingsmiddelen.

HOOFDSTUK III

SUBSIDIES

Artikel 10

Toekenning, complementariteit en gecombineerde financiering

1.  De toekenning en het beheer van subsidies uit hoofde van het Instrument geschieden overeenkomstig titel VIII van het Financieel Reglement.

2.  Overeenkomstig artikel 195, onder f), van het Financieel Reglement worden de subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen toegekend aan de in artikel 7 bedoelde in aanmerking komende entiteiten.

3.  Bij wijze van uitzondering op artikel 191 van het Financieel Reglement, kan een actie die een bijdrage heeft ontvangen uit het bij Verordening (EU) [2018/XXX(24)] opgezette Douane-programma voor samenwerking op douanegebied of uit elk ander programma van de Unie eveneens een bijdrage krijgen uit het Instrument, voor zover de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De regels van elk programma van de Unie dat een bijdrage verstrekt, zijn van toepassing op de respectieve bijdragen van dat programma tot de actie. De cumulatieve financiering bedraagt niet meer dan de totale in aanmerking komende kosten van de actie, en de ondersteuning vanuit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de voorwaarden voor ondersteuning zijn vastgelegd.

HOOFDSTUK IV

PROGRAMMERING, MONITORING EN EVALUATIE

Artikel 11

Werkprogramma

1.  Het Instrument wordt ten uitvoer gelegd door middel van de werkprogramma's waarvan sprake in artikel 110, lid 2, van het Financieel Reglement.

2.  De werkprogramma's worden door de Commissie vastgesteld via een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 15 bedoelde onderzoeksprocedure Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage 2 bis om werkprogramma's vast te leggen. [Am. 40]

3.  De in lid 1 vermelde werkprogramma's worden gebaseerd op een afzonderlijke behoeftenevaluatie die minstens bestaat uit: [Am. 41]

a)  een gemeenschappelijke classificatie van grensovergangen;

b)  een uitputtende inventaris van de beschikbare en werkende douanecontroleapparatuur; [Am. 42]

c)  een gemeenschappelijke definitie van een minimum- en een optimale norm technische minimumnorm voor douanecontroleapparatuur, per categorie grensovergang; en [Am. 43]

c bis)  een beoordeling van een optimale uitrusting met douanecontroleapparatuur, per categorie grensovergang; en [Am. 44]

d)  een gedetailleerde raming van de financiële behoeften, afhankelijk van de omvang van de douaneverrichtingen en de ermee gepaard gaande werklast [Am. 45].

De behoeftenevaluatie is gebaseerd op acties die zijn uitgevoerd in het kader van het bij Verordening (EU) nr. 1294/2013 van het Europees Parlement en de Raad(25) vastgestelde Douane 2020-programma of het bij Verordening (EU) [2018/XXX](26) opgerichte Douane-programma voor samenwerking op douanegebied, en wordt regelmatig, en minstens om de drie jaar, geactualiseerd.

Artikel 12

Monitoring en rapportage

1.  Bijlage 2 bij dit voorstel bevat indicatoren voor de rapportage over de voortgang van het Instrument bij de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde algemene en specifieke doelstellingen Overeenkomstig haar rapportageverplichting op grond van artikel 38, lid 3, punt e), i), van het Financieel Reglement legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad informatie over de prestaties van het programma voor. De rapportage van de Commissie over de prestaties bevat informatie over zowel de voortgang als de tekortkomingen. [Am. 46]

2.  Bijlage 2 bij dit voorstel bevat indicatoren voor de rapportage over de voortgang van het Instrument bij de verwezenlijking van de in artikel 3 opgenomen algemene en specifieke doelstellingen. Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen van het Instrument te waarborgen, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage 2 te wijzigen, teneinde de indicatoren indien nodig te herzien of aan te vullen en teneinde deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader teneinde aan het Europees Parlement en de Raad geactualiseerde kwalitatieve en kwantitatieve informatie te verstrekken over de prestaties van het programma. [Am. 47]

3.  Het systeem voor de rapportage van de evaluaties moet garanderen dat de gegevens voor monitoring van de tenuitvoerlegging en de resultaten van het Instrument vergelijkbaar en volledig zijn, en efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Te dien einde moeten evenredige rapportagevereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie. De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad betrouwbare informatie over de kwaliteit van de gebruikte prestatiegegevens. [Am. 48]

4.  De in lid 3 bedoelde rapportage-eisen schrijven minstens voor dat de onderstaande informatie aan de Commissie moet worden meegedeeld wanneer de kosten van een stuk douanecontroleapparatuur hoger zijn dan 10 000 euro, belastingen niet inbegrepen:

(a)  inbedrijfstelling en buitenbedrijfstelling van de douanecontroleapparatuur;

(b)  statistieken over het gebruik van de douanecontroleapparatuur;

(c)  informatie over de resultaten van het gebruik van de douanecontroleapparatuur;

c bis)   de aanwezigheid en de toestand van de uit de Uniebegroting gefinancierde stukken apparatuur vijf jaar na inbedrijfstelling; [Am. 49]

c ter)   informatie over de onderhoudsbeurten van de douanecontroleapparatuur; [Am. 50]

c quater)   informatie over de aanbestedingsprocedure; [Am. 51]

c quinquies)   verantwoording van de kosten. [Am. 52]

Artikel 13

Evaluatie

1.  De evaluaties van de in artikel 6 vermelde acties die in het kader van het instrument worden gefinancierd moeten een beoordeling van de resultaten, het effect en de doeltreffendheid van het Instrument omvatten, en moeten tijdig worden verricht, zodat zij op efficiënte wijze in de besluitvorming kunnen worden meegenomen. [Am. 53]

2.  De tussentijdse evaluatie van het Instrument wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het Instrument beschikbaar is, maar uiterlijk vier drie jaar nadat met de uitvoering van het Instrument is begonnen. [Am. 54]

De tussentijdse evaluatie omvat de bevindingen die nodig zijn om een besluit te nemen over een vervolg op het programma na 2027 en de doelstellingen daarvan. [Am. 55]

3.  Aan het einde van de uitvoering van het Instrument, maar uiterlijk vier drie jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het Instrument uit. [Am. 56]

4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties samen met haar opmerkingen en opgedane ervaringen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. [Am. 57]

4 bis.  In het verslag van de Commissie over de "bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding" worden jaarlijks deelevaluaties opgenomen. [Am. 58]

HOOFDSTUK V

UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN COMITÉPROCEDURE

Artikel 14

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 6, lid 3, artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend tot 31 december 2028. [Am. 59]

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 3, artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een in dat besluit genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 60]

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt die termijn met twee maanden verlengd. [Am. 61]

Artikel 15

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 18 van Verordening (EU) [2018/XXX](27) bedoelde comité van het Douane-programma.

2.  Wanneer naar deze alinea wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. [Am. 62]

HOOFDSTUK VI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren, waardoor de toegevoegde waarde van de Unie wordt aangetoond en de inspanningen van de Commissie op het gebied van gegevensverzameling worden ondersteund om de budgettaire transparantie te vergroten. [Am. 63]

2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit Om transparantie te waarborgen, verstrekt de Commissie het publiek regelmatig informatie met betrekking tot het Instrument, alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het Instrument toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover waarbij zij verband houden met onder meer verwijst naar de in artikel 3 genoemde doelstellingen 11 bedoelde werkprogramma's. [Am. 64]

Artikel 17

Overgangsbepalingen

Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 4, lid 2, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE 1

Indicatieve lijst van douanecontroleapparatuur al naargelang het voorwerp van de douanecontrole als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b)

VOORWERP VAN DE DOUANECONTROLE

DOUANECONTROLEAPPARATUUR

CATEGORIE

TOEPASSING

Niet-intrusieve inspectie

Röntgenscanner - Hoge energie

Containers, vrachtwagens, treinwagons en voertuigen

Röntgenscanner - Lage energie

Pallets, dozen en pakketten

Bagage van passagiers

Voertuigen

Röntgenstraalterugverstrooiing

Containers

Vrachtwagens

Voertuigen

Andere

Systemen voor automatische herkenning van nummerplaten / containers

Weegbruggen voor voertuigen

Vorkheftrucks en vergelijkbare mobiele douanecontroleapparatuur

Opsporen van verborgen voorwerpen op mensen(28)

Röntgenstraalterugverstrooiing Op röntgenstraling gebaseerde terugverstrooiing

Voornamelijk gebruikt in luchthavens om verborgen voorwerpen op mensen te detecteren (drugs, explosieven, cash)

Lichaamsscanner

Op millimetergolfstraling gebaseerde veiligheidsscanner

Stralingsdetectie en nuclide-identificatie

Radiologische en nucleaire detectie

Persoonlijke stralingsmonitor / -detector (PRM)

Handstralingsdetector

Toestel voor de identificatie van isotopen (RIID)

Stralingsdetectiepoort (RPM)

Spectrometerpoort voor de identificatie van isotopen (SPM)

Analyse van monsters in laboratoria

Identificatie, kwantificering en verificatie van alle mogelijke goederen

Gas- en vloeistofchromatografie (GC, LC, HPLC…)

Spectrometrie en technieken in combinatie met spectrometrie (IR, Raman, UV-VIS, Fluorescentie, GC-MS...)

Röntgenapparatuur (XRF...)

NMR-spectrometrie en analyses van stabiele isotopen

Andere laboratoriumapparatuur (AAS, destillatieanalysetoestel, DSC, elektroforese, microscoop, LSC, rookmachine...)

[Ams. 65, 66, 67 en 68]

VOORWERP VAN DE DOUANECONTROLE

DOUANECONTROLEAPPARATUUR

CATEGORIE

TOEPASSING

Monsterneming en veldanalyse van monsters

Sporendetectie op basis van ionenmobiliteitspectrometrie (IMS)

Draagbare apparatuur om sporen van specifieke risicomaterialen op te sporen

Speurhonden

Toegepast op een groot aantal risico’s m.b.t. kleine en grotere voorwerpen

Monstername

Instrumenten om monsters te nemen, afzuigkap, handschoenenkast

Mobiel laboratorium

Voertuig dat volledig is uitgerust met apparatuur voor veldanalyse van monsters

[Analyse van organische materialen, metalen en legeringen] Handdetectoren

Chemische colorimetrische tests

Ramanspectroscopie

Infraroodspectroscopie

Röntgenfluorescentie

Gasdetectoren voor containers

Visitatie met handapparatuur

Handinstrumenten voor personenvisitatie

Zakinstrumenten

Gereedschapskist

Telescopische spiegel

Apparatuur

Endoscoop

Vaste of handmetaaldetector

Camera's om de onderzijde van voertuigen te controleren

Ultrasoon toestel

Densiteitsmeter

Andere

Onderwatervisitatie

BIJLAGE 2

Indicatoren

Specifieke doelstelling: Bijdragen tot gelijkwaardige en passende douanecontroles door de aankoop, het onderhoud en de modernisering van relevante, state-of-the-art en betrouwbare douanecontroleapparatuur

1.  Beschikbare apparatuur

(a)  Beschikbaarheid van douanecontroleapparatuur die aan overeengekomen normen voldoet aan landgrensovergangen (per type apparatuur)

(b)  Beschikbaarheid van douanecontroleapparatuur die aan overeengekomen normen voldoet aan zeegrensovergangen (per type apparatuur)

(c)  Beschikbaarheid van douanecontroleapparatuur die aan overeengekomen normen voldoet aan luchtgrensovergangen (per type apparatuur)

(d)  Beschikbaarheid van douanecontroleapparatuur die aan overeengekomen normen voldoet in posthubs aan grenzen (per type apparatuur)

(e)  Beschikbaarheid van douanecontroleapparatuur die aan overeengekomen normen voldoet aan spoorgrensovergangen (per type apparatuur)

1 bis.  Beveiliging en veiligheid

a)  Mate van naleving van beveiligingsnormen voor douanecontroleapparatuur bij alle grensovergangen, inclusief cyberbeveiliging

b)  Mate van naleving van veiligheidsnormen voor douanecontroleapparatuur bij alle grensovergangen [Am. 69]

1 ter.  Gezondheid en milieu

a)  Mate van naleving van gezondheidsnormen voor douanecontroleapparatuur bij alle grensovergangen

b)  Mate van naleving van milieunormen voor douanecontroleapparatuur bij alle grensovergangen [Am. 70]

BIJLAGE 2 bis

Werkprogramma's [Am. 71]

BIJLAGE 2 ter

Uitzonderlijke omstandigheden voor financiering boven het maximumpercentage [Am. 72]

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 67.
(2) Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 15 januari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0001).
(3)PB C 62 van 15.2.2019, blz. 67.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(5)Bijlage bij het verslag over de prestaties van de douane-unie in 2016: https://ec.europa.eu/info/publications/annual-activity-report-2016-taxation-and-customs-union_en.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075: Het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020.
(7)https://www.consilium.europa.eu/media/22301/st09581en17-vf.pdf en http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7586-2017-INIT/nl/pdf
(8)Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
(9)COM(2018)0473.
(10)Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1).
(11)COM(2016)0605.
(12)COM(2018)0442.
(13)COM(2018)0435.
(14)COM(2018)0473.
(15)Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).
(16)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(17)Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(18)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(19)Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(20)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(21)Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.).
(22)Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(23)COM(2018)0473.
(24)COM(2018)0442.
(25)Verordening (EU) nr. 1294/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een actieprogramma voor douane in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Douane 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 624/2007/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 209).
(26)COM(2018)0442.
(27)COM(2018)0442.
(28)Met inachtneming van de toepasselijke wettelijke bepalingen en andere aanbevelingen met betrekking tot de gezondheid en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.


Vaststelling van het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane ***I
PDF 249kWORD 66k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane (COM(2018)0442 – C8-0261/2018 – 2018/0232(COD))
P8_TA(2019)0385A8-0464/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0442),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 33, 114 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0261/2018),

—  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8-0464/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane

P8_TC1-COD(2018)0232


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 33, 114 en 207,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het bij Verordening (EU) nr. 1294/2013(5) opgezette vastgestelde Douane 2020-programma en de voorlopers ervan hebben de douanesamenwerking aanzienlijk vergemakkelijkt en versterkt. Vele activiteiten op het gebied van douane van de douaneactiviteiten hebben een grensoverschrijdend karakter, waardoor ze betrekking hebben op en gevolgen hebben voor alle lidstaten; ze kunnen en derhalve niet effectief en efficiënt kunnen worden verwezenlijkt uitgevoerd door de lidstaten afzonderlijk elke lidstaat op zichzelf. Een Uniebreed douaneprogramma op het niveau van de Unie, dat door de Commissie ten uitvoer zal worden gelegd, verschaft de lidstaten een Uniekader kader op het niveau van de Unie om deze dergelijke samenwerkingsactiviteiten te ontplooien, hetgeen kostenefficiënter kosteneffectiever is dan wanneer elke lidstaat afzonderlijk samenwerkingskaders een samenwerkingskader op bilaterale bilateraal of multilaterale basis multilateraal niveau opzet. Het douaneprogramma speelt tevens een belangrijke rol bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie en van de lidstaten omdat het de effectieve inning van douanerechten waarborgt en aldus een belangrijke bron van inkomsten voor de begroting van de Unie en de nationale begrotingen vormt, onder meer door de nadruk te leggen op het opbouwen van IT-capaciteit en intensievere samenwerking op douanegebied. Voorts zijn geharmoniseerde en gestandaardiseerde controles nodig voor het opsporen van illegale grensoverschrijdende goederenstromen en het bestrijden van fraude. Het is derhalve passend en in het belang van de efficiëntie om de continuïteit van de financiering van activiteiten op het gebied van douanesamenwerking door de Unie te waarborgen door op hetzelfde gebied domein een nieuw programma, het Douane-programma ("het programma"), vast te stellen. [Am. 1]

(1 bis)  Al vijftig jaar is de douane-unie, die wordt uitgevoerd door de nationale douaneautoriteiten, een hoeksteen van de Unie, een van de grootste handelsblokken ter wereld. De douane-unie is een sprekend voorbeeld van geslaagde integratie in de Unie en is van essentieel belang voor de goede werking van de interne markt ten behoeve van zowel bedrijven als burgers. Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 14 maart 2018 getiteld "Het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020" met name zijn bezorgdheid geuit over de douanefraude. Een sterkere en ambitieuzere Unie is alleen mogelijk als in meer financiering, blijvende steun voor de bestaande maatregelen en meer middelen wordt voorzien. [Am. 2]

(2)  De douane-unie heeft de afgelopen vijftig jaar grote ontwikkelingen doorgemaakt en de douanediensten vervullen inmiddels een breed takenpakket aan de grenzen. Samen zorgen streven zij ervoor dat de ernaar ethische en billijke handel vlot verloopt te bevorderen en de administratieve rompslomp wordt beperkt, te beperken, ervoor te zorgen dat inkomsten voor de nationale begrotingen en de begroting van de Unie worden geïnd, en dat de bevolking te helpen beschermen samenleving wordt beschermd tegen terroristische dreigingen, gevaren voor de volksgezondheid en het milieu en andere risico's. Met name met via de invoering van een EU-breed gemeenschappelijk risicobeheerkader kader(6) en douanecontroles voor de beheersing van douanerisico's op het vervoer niveau van grote sommen liquide middelen de Unie en via controles op grote kasstromen om het witwassen van geld en de financiering van terrorisme tegen te gaan, speelt de douane spelen douaneautoriteiten een toonaangevende rol in de strijd tegen terrorisme, en georganiseerde criminaliteit en oneerlijke concurrentie. Gelet op dit brede hun ruime takenpakket is , zijn de douane douaneautoriteiten thans de facto de leidinggevende instantie belangrijkste autoriteiten bij de controle van goederen aan de buitengrenzen van de Unie. In dit licht verband bekeken mag het Douane-programma niet beperkt blijven tot douanesamenwerking, maar moet het de douaneautoriteiten ook ondersteunen bij de ruimere uitvoering van hun missie in haar geheel van de douane ondersteunen, zoals omschreven in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 952/2013, namelijk toezicht houden op het internationale handelsverkeer van de Unie, en de uitvoering van de externe aspecten van de interne markt, van het gemeenschappelijk handelsbeleid en van ander gemeenschappelijk beleid van de Unie dat verband houdt met van invloed is op de handel, en de algemene veiligheid van de toeleveringsketen. De rechtsgrondslag heeft van deze verordening moet daarom betrekking hebben op douanesamenwerking (artikel 33 VWEU), de interne markt (artikel 114 VWEU) en handelsbeleid (artikel 207 VWEU). [Am. 3]

(3)  Door Het programma moet, als algemene doelstelling, de lidstaten en de Commissie bijstaan door een actiekader te creëren dat tot doel heeft erop gericht is de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen, moet het programma met als langetermijndoelstelling dat alle douanediensten in de Unie zo nauw mogelijk samenwerken, bijdragen aan de bescherming van de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten, de bescherming van de Unie tegen oneerlijke en illegale handel en de ondersteuning van de legale handel onrechtmatige handelspraktijken beschermen en tegelijkertijd legale handelsactiviteiten aanmoedigen, de handhaving van de veiligheid van de Unie en haar inwoners waarborgen, en zo de facilitering van consumentenbescherming verbeteren, en de legale handel, faciliteren zodat burgers en bedrijven alle mogelijkheden van de interne markt en de wereldwijde handel wereldhandel kunnen benutten. [Am. 4]

(3 bis)  Aangezien duidelijk is geworden dat sommige van de in artikel 278 van het douanewetboek van de Unie bedoelde systemen op 31 december 2020 slechts gedeeltelijk kunnen zijn uitgerold, wat betekent dat er na die datum nog niet-elektronische systemen zullen worden gebruikt en dat, bij ontstentenis van wetswijzigingen ter verlenging van deze termijn, bedrijven en douaneautoriteiten niet in staat zullen zijn hun taken en wettelijke verplichtingen met betrekking tot douanewerkzaamheden te vervullen, moet een van de primaire specifieke doelstellingen van het programma het bijstaan van de lidstaten en de Commissie bij het opzetten van dergelijke elektronische systemen zijn. [Am. 5]

(3 ter)  Douanebeheer en -controle is een dynamisch beleidsterrein dat wordt geconfronteerd met nieuwe uitdagingen die voortvloeien uit voortdurend veranderende bedrijfsmodellen en toeleveringsketens wereldwijd, alsook veranderende consumptiepatronen en digitalisering, zoals e-commerce, met inbegrip van het internet der dingen, gegevensanalyse, kunstmatige intelligentie en blockchaintechnologie. Het programma dient het douanebeheer in dergelijke situaties te ondersteunen en het gebruik van innovatieve oplossingen mogelijk te maken. Dergelijke uitdagingen benadrukken verder dat het nodig is om samenwerking tussen douaneautoriteiten af te dwingen en dat er behoefte is aan een uniforme interpretatie en tenuitvoerlegging van de douanewetgeving. Wanneer de overheidsfinanciën onder druk staan, neemt de wereldhandel toe en vormen fraude en smokkel een toenemende bron van zorg. Het programma moet bijdragen aan de aanpak van deze uitdagingen. [Am. 6]

(3 quater)  Om een maximale efficiëntie te verzekeren en overlappingen te voorkomen, dient de Commissie de tenuitvoerlegging van het programma te coördineren met programma's en fondsen van de Unie op hieraan gerelateerde gebieden, waaronder het Fiscalis-programma, het fraudebestrijdingsprogramma van de EU, het programma voor de interne markt, het Fonds voor interne veiligheid, het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, het steunprogramma voor hervormingen, het programma Digitaal Europa, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, alsook uitvoeringsbepalingen en -maatregelen. [Am. 7]

(3 quinquies)  Wat het mogelijke vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie betreft, is in de begroting van het programma geen rekening gehouden met de kosten van de ondertekening van de terugtrekkingsovereenkomst en de mogelijke toekomstige betrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie. De ondertekening van die overeenkomst, de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit alle bestaande douanesystemen en -samenwerking en het vervallen van zijn wettelijke verplichtingen op dit gebied kunnen tot aanvullende kosten leiden, die niet nauwkeurig kunnen worden geraamd op het moment waarop het programma wordt opgezet. De Commissie moet daarom overwegen voldoende middelen te reserveren ter voorbereiding op deze potentiële kosten. Deze kosten dienen echter niet te worden gedekt door de financiële middelen van het programma, aangezien de in het programma voorziene begroting slechts zal volstaan om de kosten te dekken die in werkelijkheid kunnen worden voorzien op het moment waarop het programma wordt opgezet. [Am. 8]

(4)  In deze verordening worden voor het programma de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(7).

(5)  Ter ondersteuning van het toetredings- en associatieproces van derde landen staat deelname aan het programma ook open voor toetredingslanden en kandidaat-lidstaten alsmede voor potentiële kandidaten en partnerlanden van het Europese nabuurschapsbeleid, mits aan bepaalde alle voorwaarden is voldaan. De deelname kan ook openstaan voor andere derde landen in overeenstemming met volgens de voorwaarden die in specifieke overeenkomsten tussen de Unie en die de betrokken landen zijn vastgesteld opgenomen met betrekking tot hun deelname aan programma's van de Unie, wanneer die deelname in het belang van de Unie is en een positief effect op de interne markt heeft zonder afbreuk te doen aan de consumentenbescherming. [Am. 9]

(6)  Verordening Het programma dient onder Verordening (EU, Euratom) [2018/XXX] 1046(8) van het Europees Parlement en de Raad (hierna het "Financieel Reglement" genoemd) is op dit programma van toepassing. Zij bevat te vallen. In het Financieel Reglement zijn de regels vastgelegd voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen en vergoeding van externe deskundigen. [Am. 10]

(7)  De acties die konden worden verricht in het kader van het Douane 2020-programma en die hun waarde hebben bewezen, dienen daarom te worden behouden omdat zij hun waarde hebben bewezen , terwijl andere acties die ongeschikt zijn gebleken, moeten worden beëindigd. Om de uitvoering van het programma nog eenvoudiger en flexibeler te maken en zo de doelstellingen ervan beter te kunnen verwezenlijken, moeten de acties alleen worden gedefinieerd in de vorm van algemene categorieën, met een lijst van voorbeelden ter illustratie van concrete activiteiten. Door middel van samenwerking en capaciteitsopbouw moet het Douane-programma programma ook de benutting en hefboomwerking van innovatie bevorderen en ondersteunen om de kernprioriteiten van de douane nog beter te kunnen verwezenlijken. [Am. 11]

(8)  Bij Verordening [2018/XXX] is, als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, een Instrument voor douanecontroleapparatuur(9) vastgesteld. Om de samenhang en de horizontale coördinatie van alle samenwerkingsacties in verband met douane en douanecontroleapparatuur te handhaven, is het dienstig al deze acties ten uitvoer te leggen onder één wetgevingshandeling en regelstelsel, namelijk waarbij die handeling en die regels deze verordening vormen. Daarom mag met het Instrument voor douanecontroleapparatuur alleen steun worden verleend voor de aankoop, het onderhoud en de modernisering van in aanmerking komende apparatuur, terwijl met dit programma alle andere gerelateerde acties moeten worden ondersteund, zoals samenwerkingsactiviteiten voor de beoordeling van behoeften aan apparatuur of, in voorkomend geval, opleidingen met betrekking tot aangekochte apparatuur. [Am. 12]

(9)  De uitwisseling van douane- en daaraan gerelateerde informatie is van wezenlijk belang voor de goede werking van de douane en reikt veel verder dan louter uitwisseling binnen de douane-unie. Aanpassingen of uitbreidingen van Europese elektronische systemen tot derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn, en tot internationale organisaties kunnen dan ook van belang zijn voor de Unie of de lidstaten. Daarom moeten kosten voor aanpassingen of uitbreidingen van Europese elektronische systemen met het oog op samenwerking met derde landen en internationale organisaties, wanneer een dergelijk belang voldoende onderbouwd is, in aanmerking komen voor financiering uit het programma.

(10)  Gelet op het belang van de mondialisering moet het programma de mogelijkheid blijven bieden om een beroep te doen op externe deskundigen in de zin van artikel 238 van het Financieel Reglement. Deze externe deskundigen moeten in hoofdzaak vertegenwoordigers van overheidsinstanties, ook van niet-geassocieerde derde landen, en academici, vertegenwoordigers van internationale organisaties, marktdeelnemers of de civil society zijn. [Am. 13]

(11)  In overeenstemming met haar streven naar samenhang en vereenvoudiging van financieringsprogramma's, dat de Commissie in haar mededeling "De evaluatie van de EU-begroting(10)" van 19 oktober 2010 verwoord heeft, moeten de middelen worden gedeeld met andere financieringsinstrumenten van de Unie wanneer de beoogde acties in het kader van het programma doelstellingen nastreven die verschillende financieringsinstrumenten gemeen hebben, rekening houdend met het feit dat het aan dit programma toegewezen bedrag is berekend zonder eventuele onvoorziene uitgaven in aanmerking te nemen, zonder dat deze activiteiten evenwel dubbel kunnen worden gefinancierd. Bij de in het kader van dit programma opgezette acties moet ervoor zorg worden gedragen dat de middelen van de Unie ter ondersteuning van de douane-unie en de douaneautoriteiten op samenhangende wijze worden gebruikt. [Am. 14]

(11 bis)   De aankoop van software die nodig is om strenge grenscontroles uit te voeren, moet in aanmerking komen voor financiering uit het programma. Voorts moet de aankoop van software die in alle lidstaten kan worden gebruikt worden gestimuleerd om de uitwisseling van gegevens te faciliteren. [Am. 15]

(12)  Het grootste Een groter deel van de begroting van het programma zal worden besteed aan acties ten behoeve van capaciteitsopbouw op het gebied van informatietechnologie (IT). In specifieke bepalingen moeten respectievelijk de gemeenschappelijke en de nationale componenten van de Europese elektronische systemen worden beschreven. Voorts moeten de reikwijdte van de acties en de verantwoordelijkheden van de Commissie en van de lidstaten duidelijk worden omschreven. Teneinde de samenhang en coördinatie van acties ten behoeve van IT-capaciteitsopbouw te waarborgen, moet in het programma worden voorzien dat de Commissie een strategisch meerjarenplan voor douane ("MASP-C") ontwikkelt en bijwerkt, dat tot doel heeft een elektronische omgeving te creëren die de consistentie en interoperabiliteit van de douanesystemen in de Unie waarborgt. [Am. 16]

(13)  Krachtens Beschikking nr. 70/2008/EG(11) van het Europees Parlement en de Raad moet de Commissie een strategisch meerjarenplan voor de douane opstellen met het oog op de totstandbrenging van een samenhangende en interoperabele elektronische douaneomgeving voor de Unie. De ontwikkeling en de exploitatie van de elektronische systemen die in het strategische meerjarenplan zijn opgenomen, worden hoofdzakelijk uit het programma gefinancierd. Om de samenhang en de coördinatie tussen het programma en het strategische meerjarenplan te waarborgen, moeten de toepasselijke bepalingen van de beschikking in deze verordening worden opgenomen. Aangezien alle toepasselijke bepalingen van Beschikking nr. 70/2008/EG thans worden overgenomen in Verordening (EU) nr. 952/2013 dan wel in deze verordening, moet Beschikking nr. 70/2008/EG worden ingetrokken.

(14)  Deze verordening De Commissie moet ten uitvoer worden gelegd door middel van voor de doeleinden van deze verordening werkprogramma's vaststellen. Gelet op het middellange- tot langetermijnkarakter van de nagestreefde doelstellingen en rekening houdende met de eerder opgedane ervaring moeten de werkprogramma's meerdere jaren kunnen bestrijken. De overschakeling van jaarlijkse naar meerjarige werkprogramma's zal de administratieve lasten voor de Commissie en de lidstaten verlichten. [Am. 62]

(14 bis)  In overeenstemming met de bevindingen die zijn vervat in de twee speciale verslagen die recentelijk door de Europese Rekenkamer zijn vastgesteld op het gebied van douane, namelijk speciaal verslag nr. 19/2017 van 5 december 2017 getiteld "Invoerprocedures: tekortkomingen in het rechtskader en een ondoeltreffende uitvoering zijn van invloed op de financiële belangen van de EU" en speciaal verslag nr. 26/2018 van 10 oktober 2018 getiteld "Een reeks vertragingen bij de IT-douanesystemen: wat ging er mis?" moeten de acties die binnen het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane worden ondernomen gericht zijn op het aanpakken van de vastgestelde tekortkomingen. [Am. 17]

(14 ter)  Op 4 oktober 2018 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen over de bestrijding van douanefraude en bescherming van de eigen middelen van de Unie. Met de conclusies in die resolutie moet rekening worden gehouden bij de acties die in het kader van het programma ten uitvoer worden gelegd. [Am. 18]

(15)  Om eenvormige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011(12) van het Europees Parlement en de Raad. [Am. 63]

(16)  Overeenkomstig punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeving van 13 april 2016(13) moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die wordt verzameld door middel van specifieke toezichtsvereisten, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in deze vereisten ook meetbare indicatoren worden opgenomen als basis voor de evaluatie van de effecten van het instrument op het terrein.

(17)  Om op passende wijze in te spelen op veranderingen in de beleidsprioriteiten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de lijst van indicatoren waarmee de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma wordt gemeten, te wijzigen, om het strategisch meerjarenplan op het gebied van douane vast te stellen en bij te werken, en om de meerjarige werkprogramma's vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(14). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen. [Am. 64]

(18)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013(15) van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95(16) van de Raad, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96(17) van de Raad en Verordening (EU) 2017/1939(18) van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371(19) van het Europees Parlement en de Raad. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie, gelijkwaardige rechten verlenen.

(19)  De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.

(20)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening dienen te worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en de beste resultaten te behalen, met name rekening houdend met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaitaire percentages en eenheidskosten in overweging worden genomen, alsook financiering die niet gekoppeld is aan kosten zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. [Am. 19]

(21)  Daar de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de afzonderlijke lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(22)  Deze verordening vervangt Verordening (EU) nr. 1294/2013 van het Europees Parlement en de Raad, die derhalve moet worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.  Bij deze verordening wordt het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane ("programma") vastgesteld.

2.  In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "douaneautoriteiten": de autoriteiten zoals omschreven in artikel 5, punt 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013;

2)  "Europese elektronische systemen": de elektronische systemen die noodzakelijk zijn voor de douane-unie en voor de uitvoering van de missie van de douaneautoriteiten;

3)  "derde land": een land dat geen lid van de Unie is.

Artikel 3

Doelstellingen van het programma

1.  De algemene doelstelling van het programma bestaat erin de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen bij hun taak om de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen, de veiligheid in de Unie te waarborgen, de Unie tegen oneerlijke en illegale handel te beschermen en de legale handel te ondersteunen Om de langetermijndoelstelling te bereiken dat alle douanediensten in de Unie zo nauw mogelijk samenwerken, en om de veiligheid van de lidstaten te waarborgen en de Unie tegen fraude, oneerlijke en onrechtmatige handelspraktijken te beschermen en tegelijkertijd legale handelsactiviteiten en een hoog niveau van consumentenbescherming te bevorderen, bestaat de algemene doelstelling van het programma erin de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen bij hun taak om de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen.. [Am. 20]

2.  De specifieke doelstelling doelstellingen van het programma bestaat erin de opstelling en uniforme tenuitvoerlegging van douanewetgeving en -beleid te ondersteunen, alsook douanesamenwerking en bestuurlijke capaciteitsopbouw, daaronder begrepen competentieontwikkeling en ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen zijn:

1)   het ondersteunen van de opstelling en uniforme tenuitvoerlegging van douanewetgeving en -beleid en douanesamenwerking;

2)  het ondersteunen van IT-capaciteitsopbouw, die bestaat in het ontwikkelen, onderhouden en exploiteren van de in artikel 278 van het douanewetboek van de Unie bedoelde elektronische systemen en het mogelijk maken van een soepele overgang naar een papierloze omgeving en handel, in overeenstemming met artikel 12 van deze verordening;

3)  het financieren van gezamenlijke acties, die bestaan in samenwerkingsmechanismen waardoor functionarissen in staat worden gesteld om gezamenlijke operationele activiteiten uit te voeren in het kader van hun kerntaken, ervaring uit te wisselen op het gebied van douane en hun krachten te bundelen om het douanebeleid uit te voeren;

4)  het versterken van de competentieontwikkeling, door de beroepsvaardigheden van douanebeambten te ondersteunen en hen in staat te stellen hun taak op uniforme wijze te vervullen;

5)  het ondersteunen van innovatie op het gebied van douanebeleid. [Am. 21]

2 bis.  Het programma moet aansluiten bij en gebruikmaken van synergie-effecten met andere actieprogramma's en fondsen van de EU met vergelijkbare doelstellingen op hieraan gerelateerde gebieden. [Am. 22]

2 ter.  De tenuitvoerlegging van het programma moet voldoen aan de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en non-discriminatie. [Am. 23]

2 quater.  In het kader van het programma worden ook de voortdurende evaluatie van en het toezicht op de samenwerking tussen douaneautoriteiten ondersteund, teneinde zwakke punten en mogelijke verbeteringen vast te stellen. [Am. 24]

Artikel 4

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 842 844 000 EUR in prijzen van 2018 (950 000 000 EUR in lopende prijzen). [Am. 25]

2.  Indien dit noodzakelijk en naar behoren gemotiveerd is, kan het in lid 1 bedoelde bedrag kan ook uitgaven dekken voor werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, toezicht, controle, audit en evaluatie alsmede andere werkzaamheden voor het beheer van het programma en de beoordeling van de prestaties en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Het kan bovendien uitgaven dekken met betrekking tot studies, vergaderingen van deskundigen, informatie- en communicatieacties van de Commissie gericht aan de lidstaten en aan marktdeelnemers, voor zover zij verband houden met de doelstellingen van het programma, alsmede uitgaven in verband met informatietechnologienetwerken voor informatieverwerking en -uitwisseling, daaronder begrepen institutionele informatietechnologie-instrumenten, en andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig is voor het beheer van het programma, in die mate dat dergelijke activiteiten noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma. [Am. 26]

2 bis.  Het programma mag niet worden gebruikt om kosten te dekken die verband houden met het mogelijke vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. De Commissie reserveert bij haar eigen beoordeling middelen om de kosten te dekken die verband houden met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit alle douanesystemen en -samenwerking van de Unie en het vervallen van zijn wettelijke verplichtingen op dit gebied.

Alvorens deze middelen te reserveren, maakt de Commissie een raming van de potentiële kosten en stelt zij het Europees Parlement op de hoogte zodra de voor die raming relevante gegevens beschikbaar zijn. [Am. 27]

Artikel 5

Met het programma geassocieerde derde landen

Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

a)  toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

b)  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen, mits de toepasselijke wetgeving en bestuurlijke methoden in deze landen voldoende zijn aangepast aan die in de Unie;

c)  andere derde landen in overeenstemming met volgens de voorwaarden die in een specifieke overeenkomst met betrekking tot inzake de deelname van het een derde land aan een programma van de Unie zijn vastgesteld, mits die overeenkomst: [Am. 28]

–  een billijk evenwicht garandeert tussen de bijdragen en de baten van het derde land dat aan de programma's van de Unie deelneemt;

–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan individuele programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen vormen bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van Verordening [2018/XXX] [het nieuwe het Financieel Reglement]; [Am. 29]

–  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

–  de rechten van de Unie waarborgt om te zorgen voor een goed financieel beheer en haar financiële belangen te beschermen.

Artikel 6

Uitvoering en vormen van EU-financiering

1.  Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement.

2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen en vergoeding van reis- en verblijfkosten van externe deskundigen.

HOOFDSTUK II

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 7

In aanmerking komende acties

1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3 komen in aanmerking voor financiering.

2.  Acties ter aanvulling op of ondersteuning van de acties waarmee de in artikel 3 van Verordening (EU) [2018/XXX] [Instrument voor douanecontroleapparatuur] bedoelde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd en/of ter aanvulling op of ondersteuning van de acties waarmee de in artikel 2 van Verordening (EU) [2018/XXX] [Fraudebestrijdingsprogramma] bedoelde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd, komen ook in aanmerking voor financiering. [Am. 30]

3.  De in de leden 1 en 2 bedoelde acties omvatten:

a)  bijeenkomsten en soortgelijke ad-hocevenementen;

b)  projectgebaseerde gestructureerde samenwerking, zoals gezamenlijke IT-ontwikkeling door een groep lidstaten; [Am. 31]

c)  acties ten behoeve van IT-capaciteitsopbouw, met name de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen;

d)  acties ten behoeve van competentieontwikkeling en capaciteitsopbouw, met inbegrip van opleiding en de uitwisseling van beste praktijken; [Am. 32]

e)  ondersteunende en andere acties, daaronder begrepen:

1)  studies;

2)  innoverende activiteiten, met name proof-of-concepts, proefprojecten en prototype-ontwikkeling;

3)  gezamenlijk ontwikkelde communicatieacties;

3 bis)   toezichtactiviteiten;  [Am. 33]

4)  alle andere acties waarin de in artikel 13 bedoelde werkprogramma's voorzien, die nodig zijn ter verwezenlijking of ter ondersteuning van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

In bijlage 1 is een niet-uitputtende lijst opgenomen van mogelijke vormen van acties als bedoeld onder a), b) en d).

4.  Acties bestaande in de ontwikkeling, de uitrol, het onderhoud en de exploitatie van aanpassingen of uitbreidingen van de gemeenschappelijke componenten van de Europese elektronische systemen met het oog op samenwerking met derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn, of internationale organisaties komen in aanmerking voor financiering wanneer zij van belang zijn voor de Unie. De Commissie treft de nodige administratieve regelingen, die kunnen voorzien in een financiële bijdrage van de betrokken derde partijen aan deze acties. [Am. 34]

5.  Wanneer een actie ten behoeve van IT-capaciteitsopbouw als bedoeld in lid 3, onder c), betrekking heeft op de ontwikkeling en exploitatie van een Europees elektronisch systeem, komen uitsluitend de kosten in verband met de aan de Commissie toevertrouwde verantwoordelijkheden overeenkomstig artikel 11, lid 2, in aanmerking voor financiering uit het programma. De lidstaten dragen de kosten in verband met de aan hen toevertrouwde verantwoordelijkheden overeenkomstig artikel 11, lid 3.

Artikel 8

Externe deskundigen

1.  Wanneer dit ten goede komt van de verwezenlijking van de acties waarmee de in artikel 3 genoemde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd, kunnen vertegenwoordigers van overheidsinstanties, ook van derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn overeenkomstig artikel 5, academici en vertegenwoordigers van internationale en andere relevante organisaties, van marktdeelnemers en organisaties die marktdeelnemers vertegenwoordigers vertegenwoordigen, en van de civil society als externe deskundigen deelnemen aan acties die in het kader van het programma worden opgezet. [Am. 35]

2.  De kosten van de in lid 1 bedoelde externe deskundigen komen in aanmerking voor vergoeding uit hoofde van het programma in overeenstemming met de bepalingen van artikel 238 van het Financieel Reglement.

3.  De externe deskundigen worden door de Commissie geselecteerd op basis van hun vaardigheden bekwaamheid, ervaring en kennis met betrekking tot de toepassing van deze verordening en relevante kennis van de specifieke actie die wordt uitgevoerd, waarbij mogelijke belangenconflicten worden vermeden. Bij de selectie moet een evenwicht worden gevonden tussen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en andere deskundigen uit het maatschappelijk middenveld en moet rekening worden gehouden met het beginsel van gendergelijkheid. De lijst van externe deskundigen wordt regelmatig bijgewerkt en openbaar gemaakt. [Am. 36]

HOOFDSTUK III

SUBSIDIES

Artikel 9

Toekenning, complementariteit en gecombineerde financiering

1.  Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement, en meer bepaald met de beginselen van goed financieel beheer, transparantie, evenredigheid, non-discriminatie en gelijke behandeling. [Am. 37]

2.  Aan een actie waaraan in het kader van een ander programma van de Unie een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit hoofde van dit programma, op voorwaarde dat de bijdrage niet dezelfde kosten dekt. De regels van elk programma van de Unie waaruit een bijdrage wordt ontvangen, zijn van toepassing op de desbetreffende bijdrage aan de actie. De cumulatieve financiering mag niet hoger zijn dan de totale subsidiabele kosten van de actie en de steun uit de verschillende programma's van de Unie kan op een pro-ratabasis worden berekend in overeenstemming met de documenten waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.

3.  In overeenstemming met artikel 198, onder f), van het Financieel Reglement worden de subsidies toegekend zonder oproep tot het indienen van voorstellen wanneer de in aanmerking komende entiteiten douaneautoriteiten zijn van de lidstaten en van de derde landen die met het programma zijn geassocieerd als bedoeld in artikel 5 van deze verordening, mits aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 10

Medefinancieringspercentages

1.  In afwijking van artikel 190 van het Financieel Reglement kan het programma tot 100 % van de subsidiabele kosten van een actie financieren naargelang van de relevantie van de actie en de geraamde effecten. [Am. 38]

2.  Het toepasselijke medefinancieringspercentage wanneer voor acties subsidieverlening vereist is, wordt vastgesteld in de in artikel 13 bedoelde meerjarige werkprogramma's.

HOOFDSTUK IV

SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE ACTIES VOOR IT-CAPACITEITSOPBOUW

Artikel 11

Verantwoordelijkheden

1.  De Commissie en de lidstaten dragen samen zorg voor de ontwikkeling en de exploitatie, daaronder begrepen ontwerp, specificatie, conformiteitsbeoordeling, uitrol, onderhoud, ontwikkeling, beveiliging, kwaliteitsborging en kwaliteitsbewaking, van de Europese elektronische systemen die in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor de douane zijn opgenomen, met inbegrip van het ontwerp, de specificatie, de conformiteitsbeoordeling, de uitrol, het onderhoud, de ontwikkeling, de modernisering, de beveiliging, de kwaliteitsborging en de kwaliteitsbewaking ervan. [Am. 39]

2.  De Commissie draagt met name zorg voor:

a)  de ontwikkeling en exploitatie van gemeenschappelijke componenten zoals vastgelegd in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor de douane;

b)  de algehele coördinatie van de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen met het oog op de werking, cyberweerbaarheid, interconnectiviteit en voortdurende verbetering alsook de synchrone implementatie ervan; [Am. 40]

c)  de coördinatie op Unieniveau van Europese elektronische systemen met het oog op de bevordering en implementatie ervan op nationaal niveau;

d)  de coördinatie van de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen wat betreft de wisselwerking met derde landen, met uitzondering van acties die worden opgezet om aan nationale vereisten te voldoen;

e)  de coördinatie van Europese elektronische systemen met andere relevante acties op het gebied van e-overheid op Unieniveau;

e bis)   efficiënte en snelle communicatie met en tussen de lidstaten, met het oog op de stroomlijning van de governance van de elektronische systemen van de Unie; [Am. 41]

e ter)   tijdige en transparante communicatie met de belanghebbenden die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van IT-systemen op het niveau van de Unie en de lidstaten, met name over vertragingen bij de tenuitvoerlegging van en de uitgaven in verband met nationale en Unie-componenten.  [Am. 42]

3.  De lidstaten dragen met name zorg voor:

a)  de ontwikkeling en exploitatie van nationale componenten zoals vastgelegd in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor de douane;

b)  de coördinatie van de ontwikkeling en exploitatie van de nationale componenten van Europese elektronische systemen op nationaal niveau;

c)  de coördinatie van Europese elektronische systemen met andere relevante acties op het gebied van e-overheid op nationaal niveau;

d)  de regelmatige verstrekking van informatie aan de Commissie over de maatregelen die zij hebben genomen om hun respectieve de betrokken autoriteiten of marktdeelnemers in staat te stellen ten volle en doeltreffend gebruik te maken van de Europese elektronische systemen; [Am. 43]

e)  de implementatie van Europese elektronische systemen op nationaal niveau.

Artikel 12

Strategisch meerjarenplan voor douane (MASP-C)

1.  De Commissie stelt een strategisch meerjarenplan voor douane op overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van deze verordening door de vaststelling en werkt dit regelmatig bij; het bijwerken van een strategisch meerjarenplan op het plan bevat gebied van douane, dat een lijst bevat van alle taken die van belang zijn voor de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen, waarbij elk systeem, of onderdeel ervan van een systeem, is ingedeeld als: [Am. 65]

a)  een gemeenschappelijke component: een component van de Europese elektronische systemen die op Unieniveau ontwikkeld is en voor alle lidstaten beschikbaar is, dan wel door de Commissie als gemeenschappelijk is aangemerkt om redenen van efficiency, veiligheid, rationalisering en rationalisering betrouwbaarheid; [Am. 45]

b)  een nationale component: een component van de Europese elektronische systemen die op nationaal niveau ontwikkeld is en beschikbaar is in de lidstaat die hem heeft gecreëerd of daaraan heeft bijgedragen, bijvoorbeeld als onderdeel van een gezamenlijk IT-ontwikkelingsproject van een groep lidstaten; [Am. 46]

c)  of een combinatie van beide componenten.

2.  Het strategische meerjarenplan voor douane omvat ook innovatie- en proefprojecten alsook de ondersteunende methodologieën en instrumenten met betrekking tot de Europese elektronische systemen.

3.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de voltooiing van elke taak die hen in het kader van het in lid 1 bedoelde strategische meerjarenplan voor douane is toevertrouwd. Zij brengen ook regelmatig verslag uit bij de Commissie over de vorderingen die zij met hun taken maken en, in voorkomend geval, over te voorziene vertragingen bij de tenuitvoerlegging ervan. [Am. 47]

4.  De lidstaten doen de Commissie uiterlijk op 31 maart een jaarlijks voortgangsverslag over de uitvoering van het in lid 1 bedoelde strategische meerjarenplan voor douane toekomen over het tijdvak 1 januari - 31 december van het voorgaande jaar. Deze jaarlijkse verslagen worden gebaseerd op een vooraf vastgesteld model.

5.  De Commissie stelt uiterlijk op 31 oktober op basis van de in lid 4 bedoelde jaarlijkse verslagen een geconsolideerd verslag op met een evaluatie van de door de lidstaten en de Commissie gemaakte vorderingen bij de uitvoering van het in lid 1 bedoelde plan, met inbegrip van informatie over noodzakelijke aanpassingen of vertragingen van het plan, en zij maakt dat verslag bekend. [Am. 48]

HOOFDSTUK V

PROGRAMMERING, TOEZICHT, EVALUATIE EN CONTROLE

Artikel 13

Werkprogramma

1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van Voor de doeleinden van het programma worden meerjarige werkprogramma's als bedoeld in artikel 108 110 van het Financieel Reglement vastgesteld. De meerjarige werkprogramma's bevatten in het bijzonder de te verwezenlijken doelstellingen, de verwachte resultaten, de wijze van tenuitvoerlegging en het totale bedrag van de beschikbare financiering. Zij bevatten ook een gedetailleerde omschrijving van de te financieren acties, een indicatie van het voor elke actie toegewezen bedrag en een indicatief tijdschema voor de uitvoering ervan. [Am. 66]

2.  De meerjarige werkprogramma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld De Commissie stelt overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van deze verordening door de vaststelling van meerjarige werkprogramma's. [Am. 67]

2 bis.   De meerjarige werkprogramma's moeten voortbouwen op ervaring die is opgedaan tijdens eerdere programma's. [Am. 51]

Artikel 14

Toezicht en verslaglegging

1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage 2 Overeenkomstig haar rapportageverplichting op grond van artikel 41, lid 3, onder h), van het Financieel Reglement legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad informatie over de prestaties van het programma voor. De rapportage over de prestaties bevat informatie over zowel de voortgang als de tekortkomingen. [Am. 52]

2.  Indicatoren voor de rapportage over de prestaties van het programma bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde specifieke doelstellingen zijn uiteengezet in bijlage 2. Om te garanderen dat de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 17 om bijlage 2 te wijzigen teneinde zo nodig de indicatoren te herzien of te vervolledigen, en om deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de opstelling van een toezichts- en evaluatiekader teneinde aan het Europees Parlement en de Raad geactualiseerde kwalitatieve en kwantitatieve informatie te verstrekken over de prestaties van het programma. [Am. 53]

3.  Het prestatierapportagesysteem waarborgt dat de gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het programma vergelijkbaar en volledig zijn en op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Te dien einde moeten evenredige en relevante rapportagevereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie. De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad betrouwbare informatie over de kwaliteit van de gebruikte prestatiegegevens. [Am. 54]

Artikel 15

Evaluatie

1.  Evaluaties worden tijdig verricht zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt verricht uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma ervan beschikbaar is, doch uiterlijk vier drie jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen. [Am. 55]

2 bis.   De tussentijdse evaluatie omvat de bevindingen die nodig zijn om een besluit te nemen over een vervolg op het programma na 2027 en de doelstellingen daarvan. [Am. 56]

3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier drie jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, verricht de Commissie een eindevaluatie van het programma. [Am. 57]

4.  De Commissie deelt stelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen en opgedane ervaringen voor en deelt ze mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. [Am. 58]

Artikel 16

Audits en onderzoeken

Indien een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of een ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), en de Europese Rekenkamer en het Europees Openbaar Ministerie (EOM), zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF en het EOM omvatten deze rechten het recht om onderzoeken te verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(20). [Am. 59]

HOOFDSTUK VI

UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN COMITÉPROCEDURE

Artikel 17

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 12, lid 1, artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028. [Am. 68]

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12, lid 1, artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 69]

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 12, lid 1, artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 70]

Artikel 18

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité, het "Comité Douane-programma" genoemd. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. [Am. 71]

HOOFDSTUK VII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven maximale zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren. [Am. 60]

2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede voor de acties die uit hoofde van het programma zijn gefinancierd en de resultaten ervan die met die acties zijn bereikt. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde omschreven doelstellingen. [Am. 61]

Artikel 20

Intrekking

1.  Verordening (EU) nr. 1294/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

2.  Beschikking nr. 70/2008/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 21

Overgangsbepalingen

1.  Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EU) nr. 1294/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft totdat zij worden afgesloten.

2.  De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het programma en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van het voorgaande programma, Verordening (EU) nr. 1294/2013.

3.  Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 4, lid 2, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE 1

Niet-uitputtende lijst van mogelijke vormen van acties

als bedoeld in artikel 7, lid 3, eerste alinea, onder a), b) en d)

Acties als bedoeld in artikel 7, lid 3, eerste alinea, onder a), b) en d), kunnen onder meer de volgende vorm aannemen:

a)  wat bijeenkomsten en soortgelijke ad-hocevenementen betreft:

–  seminars en workshops, waaraan doorgaans alle landen deelnemen, met presentaties, intensieve discussies en activiteiten met betrekking tot een specifiek onderwerp;

–  werkbezoeken, die worden opgezet om ambtenaren in staat te stellen deskundigheid of kennis op het gebied van douaneaangelegenheden te verwerven of te vergroten;

b)  wat projectgebaseerde gestructureerde samenwerking betreft:

–  projectgroepen, gewoonlijk bestaande uit een beperkt aantal landen, die actief zijn gedurende een beperkte tijd om te streven naar een vooraf bepaald doel met een welomschreven resultaat, daaronder begrepen coördinatie of benchmarking;

–  taskforces, die een gestructureerde vorm van samenwerking vormen, met een tijdelijk of permanent karakter, waarin deskundigheid wordt samengebracht om taken op specifieke terreinen uit te voeren of operationele activiteiten te verrichten, eventueel met de steun van onlinesamenwerkingsdiensten, administratieve bijstand en faciliteiten op het gebied van infrastructuur en apparatuur;

–  toezichtactiviteiten door gezamenlijke teams van ambtenaren van de Commissie en ambtenaren van de in aanmerking komende autoriteiten, om douanepraktijken te analyseren, problemen met de toepassing van de regels in kaart te brengen en in voorkomend geval voorstellen te doen voor de aanpassing van de regels en de werkmethoden van de Unie;

c)  wat acties ten behoeve van competentieontwikkeling en capaciteitsopbouw betreft:

–  gemeenschappelijke opleiding of ontwikkeling van e-learning ter ondersteuning van de verwerving van de vereiste beroepsbekwaamheid en vakkennis op het gebied van douane;

–  technische ondersteuning, die ertoe strekt de administratieve procedures te verbeteren, de bestuurlijke capaciteit te versterken en de werkwijzen en processen bij de douaneautoriteiten te verbeteren door goede praktijken op te zetten en uit te wisselen.

BIJLAGE 2

Indicatoren

Specifieke doelstelling: ondersteuning van de opstelling en uniforme tenuitvoerlegging van douanewetgeving en -beleid, alsook van douanesamenwerking en bestuurlijke capaciteitsopbouw, daaronder begrepen competentieontwikkeling en ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen.

1.  Capaciteitsopbouw (bestuurlijke capaciteit, competenties en IT-capaciteit):

1.  index van de toepassing en uitvoering van Unierecht en -beleid (aantal in het kader van het programma op dit gebied opgezette acties en naar aanleiding van deze acties geformuleerde aanbevelingen);

2.  leerindex (gebruikte leermodules; aantal ambtenaren dat een opleiding heeft gevolgd; door de deelnemers gegeven kwaliteitsscore);

3.  beschikbaarheid van Europese elektronische systemen (uitgedrukt in tijdspercentage);

4.  beschikbaarheid van het gemeenschappelijk communicatienetwerk (uitgedrukt in tijdspercentage);

5.  gebruik van belangrijke Europese elektronische systemen die tot doel hebben de interconnectiviteit te verbeteren en de overgang te maken naar een papierloze douane-unie (aantal uitgewisselde berichten en verrichte raadplegingen);

6.  voltooiingspercentage van het DWU (percentage van bereikte mijlpalen voor de implementatie van DWU-systemen).

2.  Uitwisseling van kennis en networking:

1.  index van de degelijkheid van de samenwerking (mate waarin networking heeft plaatsgevonden, aantal face-to-facebijeenkomsten, aantal onlinesamenwerkings­groepen);

2.  index van beste praktijken en richtsnoeren (aantal in het kader van het programma op dit gebied opgezette acties; percentage deelnemers dat gebruik heeft gemaakt van een met steun van het programma ontwikkeld(e) werkpraktijk/richtsnoer).

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 45.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 15 januari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0008).
(3)PB C 62 van 15.2.2019, blz. 45.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(5)Verordening (EU) nr. 1294/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een actieprogramma voor douane in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Douane 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 624/2007/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 209).
(6)https://ec.europa.eu/taxation_customs/general-information-customs/customs-risk-management/measures-customs-risk-management-framework-crmf_en
(7)PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(8)COM(2016)0605 Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1)..
(9)Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur.
(10)COM(2010)0700.
(11)Beschikking nr. 70/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende een papierloze omgeving voor douane en bedrijfsleven (PB L 23 van 26.1.2008, blz. 21).
(12)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(13)Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016 (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(14) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(15)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(16)Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(17)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(18)Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(19)Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(20) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).


Het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven ***I
PDF 126kWORD 49k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (COM(2018)0209 – C8-0151/2018 – 2018/0103(COD))
P8_TA(2019)0386A8-0473/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0209),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0151/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0473/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1148.)

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 35.


Gemeenschappelijk kader voor Europese statistieken betreffende personen en huishoudens ***I
PDF 125kWORD 56k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor Europese statistieken betreffende personen en huishoudens, op basis van gegevens die op individueel niveau worden verzameld door middel van steekproeven (COM(2016)0551 – C8-0345/2016 – 2016/0264(COD))
P8_TA(2019)0387A8-0247/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0551),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0345/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0247/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor Europese statistieken betreffende personen en huishoudens, op basis van gegevens die op individueel niveau worden verzameld door middel van steekproeven, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 808/2004, (EG) nr. 452/2008 en (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1177/2003 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1700.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie over artikel 14, lid 2, betreffende de samenwerking met de agentschappen van de Unie

Om de samenhang en vergelijkbaarheid van Europese sociale statistieken te waarborgen, zal de Commissie de samenwerking met de agentschappen van de Unie versterken overeenkomstig artikel 14, lid 2, en de bijbehorende overwegingen 12 en 33, onder meer op het gebied van statistische technieken, methoden, kwaliteit, nieuwe instrumenten en gegevensbronnen.


Interoperabiliteit tussen de EU-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa ***I
PDF 128kWORD 52k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de EU-informatiesystemen (grenzen en visa) en tot wijziging van Beschikking 2004/512/EG van de Raad, Verordening (EG) nr. 767/2008, Besluit 2008/633/JBZ van de Raad, Verordening (EU) 2016/399, Verordening (EU) 2017/2226, Verordening (EU) 2018/XX [ETIAS-verordening], Verordening (EU) 2018/XX [SIS-verordening op het gebied van grenscontroles] en Verordening (EU) 2018/XX [eu-LISA-verordening] (COM(2018)0478 – C8-0294/2018 – 2017/0351(COD))
P8_TA(2019)0388A8-0347/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0793) en het gewijzigd voorstel (COM(2018)0478),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 16, lid 2, artikel 74 en artikel 77, lid 2, onder a), b), d) en e), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0294/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 mei 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 februari 2019 gedane toezegging om dat standpunt overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0347/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2016/399, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240, (EU) 2018/1726 en (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad, Beschikking 2004/512/EG van de Raad en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/817.)

(1) PB C 283 van 10.8.2018, blz. 48.


Interoperabiliteit tussen de EU-informatiesystemen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie ***I
PDF 127kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de EU-informatiesystemen (politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie) en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/XX [de Eurodac-verordening], Verordening (EU) 2018/XX [de SIS-verordening op het gebied van rechtshandhaving], Verordening (EU) 2018/XX [de ECRIS-TCN-verordening] en Verordening (EU) 2018/XX [de eu-LISA-verordening] (COM(2018)0480 – C8-0293/2018 – 2017/0352(COD))
P8_TA(2019)0389A8-0348/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0794), en het gewijzigd voorstel (COM(2018)0480),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 16, lid 2, artikel 74, artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), artikel 85, lid 1, artikel 87, lid 2, onder a) en artikel 88, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0293/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 mei 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8‑0348/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie en tot wijziging van Verordeningen (EU) 2018/1726, (EU) 2018/1862 en (EU) 2019/816

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/818.)

(1) PB C 283 van 10.8.2018, blz. 48.


Europees netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen ***I
PDF 125kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de oprichting van een Europees netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (herschikking) (COM(2018)0303 – C8-0184/2018 – 2018/0153(COD))
P8_TA(2019)0390A8-0040/2019

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0303),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 74 en artikel 79, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0184/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–  gezien de brief van 28 november 2018 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0040/2019),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere handelingen met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande handelingen behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de oprichting van een Europees netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1240.)

(1) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de algemene veiligheid betreft ***I
PDF 127kWORD 67k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, voor wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/… en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 (COM(2018)0286 – C8-0194/2018 – 2018/0145(COD))
P8_TA(2019)0391A8-0151/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0286),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0194/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0151/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd, en die samen met de definitieve wetgevingstekst in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 631/2009, (EU) nr. 406/2010, (EU) nr. 672/2010, (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 1005/2010, (EU) nr. 1008/2010, (EU) nr. 1009/2010, (EU) nr. 19/2011, (EU) nr. 109/2011, (EU) nr. 458/2011, (EU) nr. 65/2012, (EU) nr. 130/2012, (EU) nr. 347/2012, (EU) nr. 351/2012, (EU) nr. 1230/2012 en (EU) 2015/166 van de Commissie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/2144.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie over versleten banden

De Commissie is van mening dat het, met het oog op de verkeersveiligheid, consumentenbescherming, afvalbeperking en de circulaire economie, belangrijk is dat banden niet alleen in nieuwe, maar ook in versleten staat worden getest. Daartoe zal de Commissie in het kader van het Wereldforum voor de harmonisatie van de regelgeving voor motorvoertuigen van de Verenigde Naties de ontwikkeling van geschikte testprotocollen ondersteunen. Als dit proces echter niet is afgerond tegen juli 2023 wil de Commissie EU‑wetgeving voorstellen die specifiek voorziet in het testen van banden in versleten staat.

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 90.

Juridische mededeling - Privacybeleid