Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0233(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0421/2018

Ingediende teksten :

A8-0421/2018

Debatten :

PV 16/01/2019 - 30
CRE 16/01/2019 - 30

Stemmingen :

PV 17/01/2019 - 10.9
CRE 17/01/2019 - 10.9
Stemverklaringen
PV 17/04/2019 - 8.12

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0039
P8_TA(2019)0404

Aangenomen teksten
PDF 213kWORD 63k
Woensdag 17 april 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Fiscalis-programma voor samenwerking op het gebied van belastingen ***I
P8_TA(2019)0404A8-0421/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Fiscalis-programma voor samenwerking op het gebied van belastingen (COM(2018)0443 – C8-0260/2018 – 2018/0233(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0443),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 114 en 197 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0260/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien de op 25 januari 2019 door zijn Voorzitter aan de commissievoorzitters gestuurde brief, waarin de aanpak van het Parlement met betrekking tot de sectorale programma's van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) betreffende de periode na 2020 wordt uiteengezet,

–  gezien de op 1 april 2019 door de Raad aan de Voorzitter van het Europees Parlement gestuurde brief, waarin de gemeenschappelijke lezing wordt bevestigd waarover de medewetgevers het tijdens de onderhandelingen eens zijn geworden,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0421/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 118.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 17 januari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0039).


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 17 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Fiscalis-programma voor samenwerking op het gebied van belastingen
P8_TC1-COD(2018)0233

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 114 en 197,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Fiscalis 2020-programma, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1286/2013 van het Europees Parlement en de Raad(3) en ten uitvoer wordt gelegd door de Commissie in samenwerking met de lidstaten en geassocieerde landen, en de voorlopers van dat programma hebben de samenwerking tussen de belastingautoriteiten in de Unie in grote mate helpen te vergemakkelijken en te intensiveren. De belastingautoriteiten van de deelnemende landen hebben de meerwaarde van deze programma's, met inbegrip van de meerwaarde voor de bescherming van de financiële en economische belangen van de lidstaten van de Unie en van belastingplichtigen, onderkend. Aan de uitdagingen die de komende tien jaar worden verwacht, kan slechts het hoofd worden geboden als de lidstaten verder kijken dan de grenzen van hun eigen bestuursgebieden en nauw samenwerken met hun tegenhangers.

(2)  Het Fiscalis 2020-programma biedt de lidstaten een Uniekader waarbinnen zij deze samenwerkingsactiviteiten kunnen ontplooien en dat kosteneffectiever is dan wanneer elke lidstaat afzonderlijk zijn eigen samenwerkingskader op bilaterale of multilaterale basis zou opzetten. Het is derhalve passend de voortzetting van dat programma te waarborgen door op hetzelfde gebied een nieuw programma, het Fiscalis-programma ("het programma") vast te stellen.

(3)  Door te voorzien in een actiekader dat de eengemaakte markt ondersteunt, het concurrentievermogen van de Unie bevordert en de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten beschermt, moet het programma bijdragen aan: de ondersteuning van het belastingbeleid en de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie op het gebied van belastingen; het voorkomen en bestrijden van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en dubbele niet-belastingheffing; de voorkoming en beperking van onnodige administratieve lasten voor burgers en bedrijven bij grensoverschrijdende transacties; de bevordering van eerlijkere en efficiëntere belastingstelsels; de optimale benutting van de mogelijkheden van de eengemaakte markt en de bevordering van eerlijke concurrentie in de Unie; de ondersteuning van een gemeenschappelijk optreden van de Unie in internationale fora en de ondersteuning van de opbouw van administratieve capaciteit van belastingautoriteiten, onder meer door modernisering van de rapportage- en audittechnieken; alsmede aan de ondersteuning van de training van het personeel van de administratieve capaciteit op dit gebied.

(4)  In deze verordening worden voor het programma de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4).

(5)  Ter ondersteuning van het toetredings- en associatieproces van derde landen staat deelname aan het programma ook open voor toetredingslanden en kandidaat-lidstaten alsmede voor potentiële kandidaten en partnerlanden van het Europese nabuurschapsbeleid, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De deelname kan ook openstaan voor andere derde landen in overeenstemming met de voorwaarden die in specifieke overeenkomsten tussen de Unie en die landen zijn vastgesteld met betrekking tot hun deelname aan programma's van de Unie.

(6)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(5) (het "Financieel Reglement") is op dit programma van toepassing. Zij bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen en vergoeding van externe deskundigen.

(7)  De acties die konden worden verricht in het kader van het Fiscalis 2020-programma, dienen te worden behouden omdat zij hun waarde hebben bewezen. Om de uitvoering van het programma eenvoudiger en flexibeler te maken en zo de doelstellingen ervan beter te kunnen verwezenlijken, moeten de acties alleen worden gedefinieerd in de vorm van algemene categorieën, met een lijst van voorbeelden ter illustratie van concrete activiteiten, zoals bijeenkomsten en soortgelijke ad-hocevenementen, waaronder, indien van toepassing, aanwezigheid in de administratieve bureaus en deelname aan administratieve onderzoeken, op projecten gebaseerde gestructureerde samenwerking, met inbegrip van, in voorkomend geval, gezamenlijke audits en IT-capaciteitsopbouw, met inbegrip van, in voorkomend geval, de toegang van belastingautoriteiten tot onderling gekoppelde registers. In voorkomend geval moeten de acties ook gericht zijn op de aanpak van prioritaire thema’s om de doelstellingen van het programma te verwezenlijken. Door middel van samenwerking en capaciteitsopbouw moet het Fiscalis-programma ook de benutting en hefboomwerking van innovatie bevorderen en ondersteunen om de kernprioriteiten inzake belastingen nog beter te kunnen verwezenlijken.

(8)  Gelet op de toenemende mobiliteit van de belastingplichtigen, het aantal grensoverschrijdende transacties en de internationalisering van financiële instrumenten en het daaruit voortvloeiende verhoogde risico op belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning, die de grenzen van de Unie ruim overstijgen, kunnen aanpassingen of uitbreidingen van de Europese elektronische systemen tot derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn, en tot internationale organisaties van belang zijn voor de Unie of de lidstaten. Zij zouden met name de administratieve lasten en de kosten vermijden die gepaard gaan met de ontwikkeling en de exploitatie van twee soortgelijke elektronische systemen, namelijk voor de uitwisseling van inlichtingen binnen de Unie respectievelijk internationale inlichtingenuitwisseling. Daarom moeten kosten voor aanpassingen of uitbreidingen van Europese elektronische systemen met het oog op samenwerking met derde landen en internationale organisaties, wanneer een dergelijk belang voldoende onderbouwd is, in aanmerking komen voor financiering uit het programma.

(9)  Gelet op het belang van de mondialisering en de noodzaak om belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning te bestrijden, moet het programma de mogelijkheid blijven bieden om een beroep te doen op externe deskundigen in de zin van artikel 238 van het Financieel Reglement. Deze externe deskundigen moeten in hoofdzaak vertegenwoordigers van overheidsinstanties, ook van niet-geassocieerde derde landen, waaronder de minst ontwikkelde landen, en vertegenwoordigers van internationale organisaties, marktdeelnemers, belastingplichtigen en het maatschappelijk middenveld zijn. Onder "minst ontwikkeld land" moet worden verstaan een land of gebied buiten de EU dat in aanmerking komt voor officiële ontwikkelingshulp overeenkomstig de relevante lijst die openbaar beschikbaar is gemaakt door het comité voor ontwikkelingshulp van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en op basis van de definitie van de Verenigde Naties. De selectie van deskundigen in deskundigengroepen moet worden gebaseerd op het besluit van de Commissie van 30 mei 2016 tot vaststelling van horizontale regels voor de oprichting en het functioneren van haar deskundigengroepen. Wat betreft deskundigen die op persoonlijke titel worden benoemd om onafhankelijk en in het algemeen belang te kunnen optreden, moet worden gewaarborgd dat zij onpartijdig zijn, dat er geen sprake is van een belangenconflict met hun professionele rol en dat informatie over hun selectie en hun deelname openbaar is.

(10)  In overeenstemming met haar streven naar samenhang en vereenvoudiging van financieringsprogramma's, dat de Commissie in haar mededeling "De evaluatie van de EU-begroting"(6) van 19 oktober 2010 verwoord heeft, moeten de middelen worden gedeeld met andere financieringsinstrumenten van de Unie wanneer de beoogde acties in het kader van het programma doelstellingen nastreven die verschillende financieringsinstrumenten gemeen hebben, zonder dat deze activiteiten evenwel dubbel kunnen worden gefinancierd. Bij de in het kader van dit programma opgezette acties moet ervoor zorg worden gedragen dat de middelen van de Unie ter ondersteuning van het fiscale beleid en de belastingautoriteiten op samenhangende wijze worden gebruikt.

(10 bis)  Met het oog op de kosteneffectiviteit moet worden gestreefd naar synergieën van het Fiscalis-programma met andere Uniemaatregelen op verwante terreinen, zoals het Douane-programma, het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie, het programma voor de interne markt en het steunprogramma voor structurele hervormingen.

(11)  Het grootste deel van de begroting van het programma zal worden besteed aan acties ten behoeve van capaciteitsopbouw op het gebied van informatietechnologie (IT). Daarom moeten de gemeenschappelijke en de nationale componenten van de Europese elektronische systemen in specifieke bepalingen worden beschreven. Voorts moeten de reikwijdte van de acties en de verantwoordelijkheden van de Commissie en van de lidstaten duidelijk worden omschreven. Voor zover mogelijk moet er interoperabiliteit zijn tussen de gemeenschappelijke en nationale componenten van de Europese elektronische systemen, en moet sprake zijn van synergie met andere elektronische systemen van relevante EU-programma's.

(12)  Momenteel bestaat er geen verplichting om een strategisch meerjarenplan voor belastingen (MASP-T) op te stellen met het oog op de totstandbrenging van een samenhangende en interoperabele elektronische omgeving voor belastingen in de Unie. Teneinde de samenhang en de coördinatie van acties ten behoeve van IT-capaciteitsopbouw te waarborgen, moet het programma voorzien in de opstelling van een dergelijk MASP-T, een planningsinstrument dat in overeenstemming moet zijn met en niet verder mag gaan dan de verplichtingen die voortvloeien uit de desbetreffende juridisch bindende handelingen van de Unie.

(13)  Deze verordening moet ten uitvoer worden gelegd door middel van werkprogramma's. Gelet op het middellange- tot langetermijnkarakter van de nagestreefde doelstellingen en rekening houdende met de eerder opgedane ervaring moeten de werkprogramma's meerdere jaren kunnen bestrijken. De overschakeling van jaarlijkse naar meerjarige werkprogramma's, elk met een looptijd van maximaal drie jaar, zal de administratieve lasten voor de Commissie en de lidstaten verlichten.

(14)  Ter aanvulling van deze verordening moet aan de Commissie de bevoegdheid worden toegekend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van jaarlijkse werkprogramma's.

(15)  Overeenkomstig punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(7) moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die wordt verzameld door middel van specifieke toezichtsvereisten, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in deze vereisten ook meetbare indicatoren worden opgenomen als basis voor de evaluatie van de effecten van het instrument op het terrein. De tussentijdse en eindevaluaties, die uiterlijk vier jaar na de aanvang van de uitvoering dan wel voltooiing van het programma moeten worden verricht, moeten bijdragen aan het besluitvormingsproces van de volgende meerjarige financiële kaders. In de tussentijdse en eindevaluaties moet ook aandacht worden besteed aan de resterende belemmeringen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma en moeten suggesties voor beste praktijken worden gedaan. Naast de tussentijdse en eindevaluaties, als onderdeel van het systeem voor verslaglegging over prestaties, moeten er jaarlijkse voortgangsverslagen worden opgesteld om de geboekte vooruitgang te volgen. Deze verslagen moeten een samenvatting bevatten van de lessen die zijn geleerd en, in voorkomend geval, van de belemmeringen die zijn ondervonden in het kader van de activiteiten van het programma die in het betrokken jaar hebben plaatsgevonden.

(15 bis)  De Commissie moet regelmatig seminars voor belastingdiensten en vertegenwoordigers van de begunstigde lidstaten organiseren om actuele kwesties te bespreken en mogelijke verbeteringen met betrekking tot de doelstellingen van het programma voor te stellen, waaronder de uitwisseling van informatie tussen belastingdiensten.

(16)  Om op passende wijze in te spelen op veranderingen in de fiscale beleidsprioriteiten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om de lijst van indicatoren waarmee de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma wordt gemeten, te wijzigen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(17)  Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (het "Financieel Reglement"), Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8), Verordening (Euratom, EG) nr. 2988/95 van de Raad(9), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(10) and Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (11), moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties.In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie ("het EOM") overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(12). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939, en de Europese Rekenkamer, alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(17 bis)  Derde landen die deel uitmaken van de EER kunnen deelnemen aan programma's van de Unie in het kader van de samenwerking krachtens de EER-overeenkomst, die voorziet in de uitvoering van de programma's bij een besluit uit hoofde van die overeenkomst. Derde landen mogen eveneens deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. In deze verordening dient een specifieke bepaling te worden opgenomen waarbij aan de bevoegde ordonnateur, OLAF en de Europese Rekenkamer de nodige rechten en toegang worden verleend om hun respectieve bevoegdheden ten volle uit te oefenen.

(18)  De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 VWEU hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.

(19)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening dienen te worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten te behalen, met name rekening houdend met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaitaire percentages en eenheidskosten in overweging worden genomen, alsook financiering die niet gekoppeld is aan kosten zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. De subsidiabele kosten worden bepaald afhankelijk van de aard van de subsidiabele acties. Het is van het grootste belang dat de reis-, accommodatie- en verblijfkosten van deelnemers aan activiteiten of kosten in verband met de organisatie van evenementen worden gedekt, zodat de deelname van nationale deskundigen en de administratie aan gezamenlijke acties gewaarborgd is.

(20)  Daar de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de afzonderlijke lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(21)  Deze verordening vervangt Verordening (EU) nr. 1286/2013 van het Europees Parlement en de Raad, die derhalve moet worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.  Bij deze verordening wordt het Fiscalis-programma voor samenwerking op het gebied van belastingen (het "programma") vastgesteld.

2.  In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021 - 2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)  "belastingen": aangelegenheden, daaronder begrepen de inrichting, uitvoering, handhaving en naleving, met betrekking tot de volgende belastingen en rechten:

a)  belasting over de toegevoegde waarde zoals bepaald in Richtlijn 2006/112/EG van de Raad(13);

b)  accijnzen op alcohol zoals bepaald in Richtlijn 92/83/EEG van de Raad(14);

c)  accijnzen op tabaksproducten zoals bepaald in Richtlijn 2011/64/EU van de Raad(15);

d)  belastingen op energieproducten en elektriciteit zoals bepaald in Richtlijn 2003/96/EG van de Raad(16);

e)  andere belastingen en rechten zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a), van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad(17), voor zover zij van belang zijn voor de eengemaakte markt en de administratieve samenwerking tussen de lidstaten;

(2)  "belastingautoriteiten": de voor belastingheffing of voor belastinggerelateerde taken bevoegde overheden en andere lichamen;

(3)  "Europese elektronische systemen": de elektronische systemen die noodzakelijk zijn voor de belastingheffing en voor de uitvoering van de missie van de belastingautoriteiten;

(4)  "derde land": een land dat geen lid van de Unie is;

Artikel 3

Doelstellingen van het programma

1.  De algemene doelstellingen van het programma bestaan erin de belastingautoriteiten en de belastingheffing te ondersteunen om de werking van de eengemaakte markt te verbeteren, het concurrentievermogen van de Unie en eerlijke concurrentie in de Unie te bevorderen, de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen, onder meer door het bestrijden van belastingfraude, belastingontduiking en belastingontwijking, en de belastinginning te verbeteren.

2.  De specifieke doelstelling van het programma bestaat erin het fiscale beleid en de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie op het gebied van belastingen te ondersteunen, de fiscale samenwerking, waaronder de uitwisseling van fiscale informatie te bevorderen en de bestuurlijke capaciteitsopbouw te ondersteunen, daaronder begrepen competentieontwikkeling en ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen.

Artikel 4

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 300 miljoen EUR in prijzen van 2018 ofwel 339 miljoen EUR in lopende prijzen.

2.  Het in lid 1 bedoelde bedrag kan onder andere uitgaven dekken voor werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, toezicht, controle, audit en evaluatie alsmede andere werkzaamheden voor het beheer van het programma en de beoordeling van de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Het kan bovendien uitgaven dekken met betrekking tot studies en ander relevant schriftelijk materiaal, vergaderingen van deskundigen, informatie- en communicatieacties, voor zover zij verband houden met de doelstellingen van het programma, alsmede uitgaven in verband met informatietechnologienetwerken voor informatieverwerking en -uitwisseling, daaronder begrepen institutionele informatietechnologie-instrumenten, en andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig is voor het beheer van het programma.

Artikel 5

Met het programma geassocieerde derde landen

Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

a)  toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

b)  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen, mits de toepasselijke wetgeving en bestuurlijke methoden in deze landen voldoende zijn aangepast aan die in de Unie;

c)  andere derde landen in overeenstemming met de voorwaarden die in een specifieke overeenkomst met betrekking tot de deelname van het derde land aan een programma van de Unie zijn vastgesteld, mits die overeenkomst:

–  een billijk evenwicht garandeert tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan individuele programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen vormen bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het ▌ Financieel Reglement;

–  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

–  de rechten van de Unie waarborgt om te zorgen voor een goed financieel beheer en haar financiële belangen te beschermen.

Artikel 6

Uitvoering en vormen van EU-financiering

1.  Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement.

2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen en vergoeding van reis- en verblijfkosten van externe deskundigen.

HOOFDSTUK II

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 7

In aanmerking komende acties

1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3 komen in aanmerking voor financiering.

2.  De in lid 1 bedoelde acties omvatten:

a)  bijeenkomsten en soortgelijke ad-hocevenementen;

b)  projectgebaseerde gestructureerde samenwerking;

c)  acties ten behoeve van IT-capaciteitsopbouw, met name de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen;

d)  acties ten behoeve van competentieontwikkeling en capaciteitsopbouw;

e)  ondersteunende en andere acties, daaronder begrepen:

(1)  studies en ander relevant schriftelijk materiaal;

(2)  innoverende activiteiten, met name proof-of-concepts, proefprojecten en prototype-ontwikkeling;

(3)  gezamenlijk ontwikkelde communicatieacties;

(4)  alle andere relevante acties waarin de in artikel 13 bedoelde werkprogramma's voorzien, die nodig zijn ter verwezenlijking of ter ondersteuning van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

In bijlage I is een niet-uitputtende lijst opgenomen van mogelijke vormen van relevante acties als bedoeld onder a), b) en d).

Een niet-uitputtende lijst van prioritaire thema's is opgenomen in bijlage III.

3.  Acties bestaande in de ontwikkeling en exploitatie van aanpassingen of uitbreidingen van de gemeenschappelijke componenten van de Europese elektronische systemen met het oog op samenwerking met derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn, of internationale organisaties komen in aanmerking voor financiering wanneer zij van belang zijn voor de Unie. De Commissie treft de nodige administratieve regelingen, die kunnen voorzien in een financiële bijdrage van de betrokken derde partijen aan deze acties.

4.  Wanneer een actie ten behoeve van IT-capaciteitsopbouw als bedoeld in lid 2, onder c), betrekking heeft op de ontwikkeling en exploitatie van een Europees elektronisch systeem, komen uitsluitend de kosten in verband met de aan de Commissie toevertrouwde verantwoordelijkheden overeenkomstig artikel 11, lid 2, in aanmerking voor financiering uit het programma. De lidstaten dragen de kosten in verband met de aan hen toevertrouwde verantwoordelijkheden overeenkomstig artikel 11, lid 3.

Artikel 8

Deelname van externe deskundigen

1.  Wanneer dit ten goede komt van de verwezenlijking van de acties waarmee de in artikel 3 genoemde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd, kunnen vertegenwoordigers van overheidsinstanties, ook van derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn overeenkomstig artikel 5, met inbegrip van minst ontwikkelde landen en, in voorkomend geval, vertegenwoordigers van internationale en andere relevante organisaties, van marktdeelnemers en organisaties die marktdeelnemers vertegenwoordigers, en van het maatschappelijk middenveld als externe deskundigen deelnemen aan acties die in het kader van het programma worden opgezet.

2.  De kosten van de in lid 1 bedoelde externe deskundigen komen in aanmerking voor vergoeding uit hoofde van het programma in overeenstemming met de bepalingen van artikel 238 van het Financieel Reglement.

3.  De externe deskundigen worden door de Commissie op ad-hocbasis en op basis van de behoeften geselecteerd, onder meer uit deskundigen die worden voorgesteld door de lidstaten, op basis van hun vaardigheden, ervaring en kennis met betrekking tot de specifieke actie ▌.

De Commissie beoordeelt onder meer de onafhankelijkheid van deze externe deskundigen, en ziet erop toe dat er geen sprak is van belangenconflicten met hun professionele verantwoordelijkheden.

HOOFDSTUK III

SUBSIDIES

Artikel 9

Toekenning, complementariteit en gecombineerde financiering

1.  Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.

2.  Aan een actie waaraan in het kader van een ander programma van de Unie een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit hoofde van dit programma, op voorwaarde dat de bijdrage niet dezelfde kosten dekt. De regels van elk programma van de Unie waaruit een bijdrage wordt ontvangen, zijn van toepassing op de desbetreffende bijdrage aan de actie. De cumulatieve financiering mag niet hoger zijn dan de totale subsidiabele kosten van de actie en de steun uit de verschillende programma's van de Unie kan op een pro-ratabasis worden berekend in overeenstemming met de documenten waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.

3.  In overeenstemming met artikel 198, onder f), van het Financieel Reglement worden de subsidies toegekend zonder oproep tot het indienen van voorstellen wanneer de in aanmerking komende entiteiten belastingautoriteiten zijn van de lidstaten en van de derde landen die met het programma zijn geassocieerd als bedoeld in artikel 5 van deze verordening, mits aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 10

Medefinancieringspercentage

1.  In afwijking van artikel 190 van het Financieel Reglement kan het programma tot 100 % van de subsidiabele kosten van een actie financieren.

2.  Het toepasselijke medefinancieringspercentage wanneer voor acties subsidieverlening vereist is, wordt vastgesteld in de in artikel 13 bedoelde meerjarige werkprogramma's.

HOOFDSTUK IV

SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE ACTIES VOOR IT-CAPACITEITSOPBOUW

Artikel 11

Verantwoordelijkheden

1.  De Commissie en de lidstaten dragen samen zorg voor de ontwikkeling en de exploitatie, daaronder begrepen ontwerp, specificatie, conformiteitsbeoordeling, uitrol, onderhoud, ontwikkeling, beveiliging, kwaliteitsborging en kwaliteitsbewaking, van de Europese elektronische systemen die in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor belastingen zijn opgenomen.

2.  De Commissie draagt met name zorg voor:

a)  de ontwikkeling en exploitatie van gemeenschappelijke componenten zoals vastgelegd in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor belastingen;

b)  de algehele coördinatie van de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen met het oog op de werking, interconnectiviteit en voortdurende verbetering alsook de synchrone implementatie ervan;

c)  de coördinatie op Unieniveau van Europese elektronische systemen met het oog op de bevordering en implementatie ervan op nationaal niveau;

d)  de coördinatie van de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen wat betreft de wisselwerking met derde landen, met uitzondering van acties die worden opgezet om aan nationale vereisten te voldoen;

e)  de coördinatie van Europese elektronische systemen met andere relevante acties op het gebied van e-overheid op Unieniveau.

3.  De lidstaten dragen met name zorg voor:

a)  de ontwikkeling en exploitatie van nationale componenten zoals vastgelegd in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor belastingen;

b)  de coördinatie van de ontwikkeling en exploitatie van de nationale componenten van Europese elektronische systemen op nationaal niveau;

c)  de coördinatie van Europese elektronische systemen met andere relevante acties op het gebied van e-overheid op nationaal niveau;

d)  de regelmatige verstrekking van informatie aan de Commissie over de maatregelen die zij hebben genomen om hun respectieve autoriteiten of marktdeelnemers in staat te stellen ten volle gebruik te maken van de Europese elektronische systemen;

e)  de implementatie van Europese elektronische systemen op nationaal niveau.

Artikel 12

Strategisch meerjarenplan voor belastingen (MASP-T)

1.  De Commissie en de lidstaten stellen een strategisch meerjarenplan voor belastingen op dat aansluit bij de relevante juridisch bindende handelingen van de Unie, en werken dit regelmatig bij; het plan bevat een lijst van alle taken die van belang zijn voor de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen, waarbij elk systeem, of onderdeel ervan, is ingedeeld als:

a)  een gemeenschappelijke component: een component van de Europese elektronische systemen die op Unieniveau ontwikkeld is en voor alle lidstaten beschikbaar is, dan wel door de Commissie als gemeenschappelijk is aangemerkt om redenen van efficiency, veiligheid en rationalisering;

b)  een nationale component: een component van de Europese elektronische systemen die op nationaal niveau ontwikkeld is en beschikbaar is in de lidstaat die hem heeft gecreëerd of daaraan heeft bijgedragen;

c)  of een combinatie van beide componenten.

2.  Het strategische meerjarenplan voor belastingen omvat ook innovatie- en proefprojecten alsook de ondersteunende methodologieën en instrumenten met betrekking tot de Europese elektronische systemen.

3.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de voltooiing van elke taak die hen in het kader van het in lid 1 bedoelde strategische meerjarenplan voor belastingen is toevertrouwd. Zij brengen ook regelmatig verslag uit bij de Commissie over de vorderingen die zij met hun taken maken.

4.  De lidstaten doen de Commissie uiterlijk op 31 maart een jaarlijks voortgangsverslag over de uitvoering van het in lid 1 bedoelde strategische meerjarenplan voor belastingen toekomen over het tijdvak 1 januari - 31 december van het voorgaande jaar. Deze jaarlijkse verslagen worden gebaseerd op een vooraf vastgesteld model.

5.  De Commissie stelt uiterlijk op 31 oktober op basis van de in lid 4 bedoelde jaarlijkse verslagen een geconsolideerd verslag op met een evaluatie van de door de lidstaten en de Commissie gemaakte vorderingen bij de uitvoering van het in lid 1 bedoelde plan, en zij maakt dat verslag bekend.

HOOFDSTUK V

PROGRAMMERING, TOEZICHT, EVALUATIE EN CONTROLE

Artikel 13

Werkprogramma

1.  Het programma wordt uitgevoerd aan de hand van een meerjarig werkprogramma als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement.

2.  De meerjarige werkprogramma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van gedelegeerde handelingen. Die gedelegeerde handelingen worden volgens de in artikel 17 bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 14

Toezicht en verslaglegging

1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage II.

2.  Om te garanderen dat de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 17 om bijlage II te wijzigen teneinde zo nodig de indicatoren te herzien of te vervolledigen, en om deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de opstelling van een toezichts- en evaluatiekader.

3.  Het prestatierapportagesysteem waarborgt dat de gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Te dien einde moeten evenredige rapportagevereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie.

Artikel 15

Evaluatie

1.  Evaluaties worden tijdig verricht zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen. De evaluaties worden door de Commissie openbaar gemaakt.

2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt verricht zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.

3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, verricht de Commissie een eindevaluatie van het programma.

4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Artikel 16

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Indien een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of een ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken te verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

HOOFDSTUK VI

UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN COMITÉPROCEDURE

Artikel 17

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ▌.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 18

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité, het "Comité Fiscalis-programma" genoemd. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK VII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.

Artikel 20

Intrekking

Verordening (EU) nr. 1286/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 21

Overgangsbepalingen

1.  Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EU) nr. 1286/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft totdat zij worden afgesloten.

2.  De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het programma en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van het voorgaande programma, Verordening (EU) nr. 1286/2013.

3.  Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 4, lid 2, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

_______________

BIJLAGE I

Niet-uitputtende lijst van mogelijke vormen van acties als bedoeld in artikel 7, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en d)

Acties als bedoeld in artikel 7, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en d), kunnen onder meer de volgende vorm aannemen:

a)  wat bijeenkomsten en soortgelijke ad-hocevenementen betreft:

–  seminars en workshops, waaraan doorgaans alle landen deelnemen, met presentaties, intensieve discussies en activiteiten met betrekking tot een specifiek onderwerp;

–  werkbezoeken, die worden opgezet om ambtenaren in staat te stellen deskundigheid of kennis inzake fiscaal beleid te verwerven of te vergroten;

–  aanwezigheid in de administratiekantoren en deelname aan administratieve onderzoeken;

b)  wat gestructureerde samenwerking betreft:

–  projectgroepen, gewoonlijk bestaande uit een beperkt aantal landen, die actief zijn gedurende een beperkte tijd om te streven naar een vooraf bepaald doel met een welomschreven resultaat, daaronder begrepen coördinatie of benchmarking;

–  taskforces, die een gestructureerde vorm van samenwerking vormen, met een tijdelijk of permanent karakter, waarin deskundigheid wordt samengebracht om taken op specifieke terreinen uit te voeren of operationele activiteiten te verrichten, eventueel met de steun van onlinesamenwerkingsdiensten, administratieve bijstand en faciliteiten op het gebied van infrastructuur en apparatuur;

–  multilaterale of gelijktijdige controle, zijnde de gecoördineerde controle van de belastingsituatie van een of meer verbonden belastingplichtigen door twee of meer staten, inclusief ten minste twee lidstaten, die gemeenschappelijke of complementaire belangen hebben;

–  gezamenlijke audit, zijnde de gezamenlijke controle van de belastingsituatie van een of meer verbonden belastingplichtigen door één controleteam van twee of meer staten, inclusief ten minste twee lidstaten, die gemeenschappelijke of complementaire belangen hebben;

–  iedere ander vorm van administratieve samenwerking, vastgesteld bij Richtlijn 2011/16/EU, Verordening (EU) nr. 904/2010, Verordening (EU) nr. 389/2012 of Richtlijn 2010/24/EU;

d)  wat acties ten behoeve van competentieontwikkeling en capaciteitsopbouw betreft:

–  gemeenschappelijke opleiding of ontwikkeling van e-learning ter ondersteuning van de vereiste beroepsbekwaamheid en vakkennis op het gebied van belastingen;

–  technische ondersteuning, die ertoe strekt de administratieve procedures te verbeteren, de bestuurlijke capaciteit te versterken en de werkwijzen en processen bij de belastingdiensten te verbeteren door goede praktijken op te zetten en uit te wisselen.

BIJLAGE II

Indicatoren

Specifieke doelstelling: ondersteuning van fiscaal beleid, fiscale samenwerking en bestuurlijke capaciteitsopbouw, daaronder begrepen competentieontwikkeling en ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen.

1.  Capaciteitsopbouw (bestuurlijke capaciteit, competenties en IT-capaciteit):

1.  index van de toepassing en uitvoering van Unierecht en -beleid (aantal in het kader van het programma op dit gebied opgezette acties en naar aanleiding van deze acties geformuleerde aanbevelingen);

2.  leerindex (gebruikte leermodules; aantal ambtenaren dat een opleiding heeft gevolgd; door de deelnemers gegeven kwaliteitsscore);

3.  beschikbaarheid van Europese elektronische systemen (uitgedrukt in tijdspercentage);

4.  beschikbaarheid van het gemeenschappelijk communicatienetwerk (uitgedrukt in tijdspercentage);

5.  vereenvoudigde IT-procedures voor de nationale overheidsdiensten en de marktdeelnemers (aantal geregistreerde marktdeelnemers, aantal aanvragen en aantal raadplegingen in de verschillende, door het programma gefinancierde IT-systemen).

2.  Uitwisseling van kennis en networking:

6.  index van de degelijkheid van de samenwerking (mate waarin networking heeft plaatsgevonden, aantal face-to-facebijeenkomsten, aantal onlinesamenwerkingsgroepen);

7.  index van beste praktijken en richtsnoeren (aantal in het kader van het programma op dit gebied opgezette acties; percentage belastingdiensten dat gebruik heeft gemaakt van een met steun van het programma ontwikkeld(e) werkpraktijk/richtsnoer)

BIJLAGE III

In overeenstemming met de specifieke en algemene doelstelling van het programma kunnen de in artikel 7 bedoelde acties onder meer gericht zijn op de volgende prioritaire thema’s:

a)  ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie op het gebied van belastingen, met inbegrip van de opleiding van personeel op dat gebied, en het helpen identificeren van mogelijke manieren om de administratieve samenwerking tussen de belastingautoriteiten te verbeteren, met inbegrip van bijstand bij invordering;

b)  ondersteuning van een doeltreffende uitwisseling van gegevens, met inbegrip van groepsverzoeken, de ontwikkeling van standaard IT-formats, de toegang van belastingautoriteiten tot informatie over economisch eigendom en de verbetering van de toepassing van de ontvangen informatie;

c)  ondersteuning van een doeltreffende werking van mechanismen voor administratieve samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken tussen belastingautoriteiten, onder meer op het gebied van belastinginvordering;

d)  ondersteuning van de digitalisering en actualisering van de methodologieën van belastingdiensten;

e)  ondersteuning van de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van de bestrijding van btw-fraude.

_______________

(1) PB C […], […], blz. […].
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2019. De grijs gemarkeerde tekstdelen vormen niet het voorwerp van het in het kader van interinstitutionele onderhandelingen bereikt akkoord.
(3) Verordening (EU) nr. 1286/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van het functioneren van de belastingstelsels in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Fiscalis 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 1482/2007/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 25).
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(6) COM(2010)0700.
(7) Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(8) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(9) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(10) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(11) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(12) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(13) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).
(14) Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PB L 316 van 31.10.1992, blz. 21).
(15) Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabricaten (PB L 176 van 5.7.2011, blz. 24).
(16) Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51).
(17) Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PB L 84 van 31.3.2010, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 16 maart 2020Juridische mededeling - Privacybeleid