Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0209(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0397/2018

Ingediende teksten :

A8-0397/2018

Debatten :

PV 10/12/2018 - 13
CRE 10/12/2018 - 13

Stemmingen :

PV 11/12/2018 - 5.5
CRE 11/12/2018 - 5.5
Stemverklaringen
PV 17/04/2019 - 8.13
CRE 17/04/2019 - 8.13

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0487
P8_TA(2019)0405

Aangenomen teksten
PDF 314kWORD 129k
Woensdag 17 april 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ***I
P8_TA(2019)0405A8-0397/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1293/2013 (COM(2018)0385 – C8-0249/2018 – 2018/0209(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0385),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0249/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 oktober 2018(2),

–  gezien de op 25 januari 2019 door zijn Voorzitter aan de commissievoorzitters gestuurde brief, waarin de aanpak van het Parlement met betrekking tot de sectorale programma's van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) betreffende de periode na 2020 wordt uiteengezet,

–  gezien de op 1 april 2019 door de Raad aan de Voorzitter van het Europees Parlement gestuurde brief, waarin de gemeenschappelijke lezing wordt bevestigd waarover de medewetgevers het tijdens de onderhandelingen eens zijn geworden,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0397/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 226..
(2) PB C 461 van 21.12.2018, blz. 156.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 11 december 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0487).


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 17 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1293/2013
P8_TC1-COD(2018)0209

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Door het beleid en de wetgeving van de Unie inzake milieu, klimaat en, waar relevant, ▌energie is de toestand van het milieu aanzienlijk verbeterd. Er blijven evenwel grote milieu- en klimaatuitdagingen bestaan, die, indien er niets wordt ondernomen, aanzienlijke negatieve gevolgen voor de Unie en het welzijn van haar burgers zullen hebben.

(2)  Het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4) voor de periode 2014 tot en met 2020, is het recentste van een reeks programma's van de Unie waarmee over een periode van 25 jaar de tenuitvoerlegging van wetgeving en beleidsprioriteiten inzake milieu en klimaat is ondersteund. Bij een recente evaluatie halverwege(5) is het positief beoordeeld, waarbij is opgemerkt dat het goed op koers ligt om doeltreffend, doelmatig en relevant te zijn. Het LIFE-programma voor 2014-2020 moet derhalve worden voortgezet, met inachtneming van bepaalde aanpassingen zoals vastgesteld bij de evaluatie halverwege en daaropvolgende beoordelingen. Voor de periode vanaf 2021 moet daarom een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ("LIFE-programma") worden vastgesteld.

(3)  In het streven naar verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van de Unie zoals vastgelegd in wetgeving, beleid, plannen en internationale verplichtingen inzake milieu, klimaat en, waar relevant, ▌energie, moet het LIFE-programma, in overeenstemming met een eerlijke transitie, bijdragen aan de overgang naar een duurzame, circulaire, energie-efficiënte, op hernieuwbare energie gebaseerde, klimaatneutrale en klimaatbestendige economie, aan de bescherming, het herstel en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, met inbegrip van lucht, water en bodem, en de gezondheid, en aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, onder meer door het ondersteunen van de tenuitvoerlegging en het beheer van het Natura 2000-netwerk en het tegengaan van de aantasting van ecosystemen, hetzij door rechtstreekse interventies, hetzij door ondersteuning van de integratie van die doelstellingen in ander beleid. Het LIFE-programma moet ook de uitvoering ondersteunen van de overeenkomstig artikel 192, lid 3, VWEU vastgestelde algemene actieprogramma's, zoals het zevende milieuactieprogramma(6).

(4)  De Unie is vastberaden te komen tot een alomvattend antwoord op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, die het intrinsieke verband tussen het beheer van natuurlijke hulpbronnen om de beschikbaarheid daarvan op de lange termijn te waarborgen, ecosysteemdiensten, de koppeling daarvan met de menselijke gezondheid, en duurzame en sociaal inclusieve economische groei benadrukken. In deze geest moet het LIFE-programma de beginselen van solidariteit weerspiegelen en een substantiële bijdrage leveren aan zowel de economische ontwikkeling als de sociale cohesie.

(4 bis)  Met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling moeten eisen inzake milieu- en klimaatbescherming worden geïntegreerd in de vaststelling en tenuitvoerlegging van alle beleidsmaatregelen en activiteiten van de Unie. Daarom moeten synergieën met en aanvullingen op andere financieringsprogramma's van de Unie worden bevorderd, onder meer door de financiering te vergemakkelijken van activiteiten die een aanvulling vormen op strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten en die de introductie en duplicatie van in het kader van het LIFE-programma ontwikkelde oplossingen ondersteunen. Er is coördinatie nodig om dubbele financiering te voorkomen. De Commissie en de lidstaten dienen stappen te nemen om administratieve overlapping en lasten voor begunstigden van projecten die voortvloeien uit verslagleggingsverplichtingen van verschillende financiële instrumenten, te voorkomen.

(5)  Het LIFE-programma moet bijdragen aan duurzame ontwikkeling en aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van wetgeving, strategieën, plannen en internationale verplichtingen van de Unie inzake milieu, klimaat en, waar relevant, ▌energie, met name van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties(7), het Verdrag inzake biologische diversiteit(8), de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering(9) ("Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering") en, onder meer, het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de VN/ECE ("Verdrag van Aarhus"), het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van de VN/ECE, het VN-Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen, en de verwijdering ervan, het VN-Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel en het VN-Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen.

(6 bis)  De Unie hecht veel belang aan de duurzaamheid op de lange termijn van de resultaten van LIFE-projecten, met name de capaciteit om deze resultaten veilig te stellen en te behouden nadat het project is uitgevoerd, onder meer door voortzetting, duplicatie en/of overdracht van de projecten.

(7)  Om de verplichtingen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering na te komen, is het nodig de Unie om te vormen tot een duurzame, circulaire, energie-efficiënte, op hernieuwbare energie gebaseerde, klimaatneutrale en klimaatbestendige samenleving. Dit vereist op zijn beurt acties, in het bijzondere gericht op de sectoren die het meest bijdragen tot het huidige niveau van uitstoot van broeikasgassen en verontreiniging, die energie-efficiëntie en hernieuwbare energie bevorderen en die bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beleidskader voor klimaat en energie 2030 en de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten, alsmede tot de uitvoering van de klimaat- en energiestrategie van de Unie voor het midden van deze eeuw en voor de lange termijn, overeenkomstig de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Het LIFE-programma moet ook maatregelen omvatten die bijdragen aan de uitvoering van het beleid van de Unie voor aanpassing aan de klimaatverandering dat tot doel heeft de kwetsbaarheid voor de negatieve gevolgen van klimaatverandering te verminderen.

(7 bis)  Projecten in het kader van het subprogramma Overgang naar schone energie van het LIFE-programma moeten gericht zijn op capaciteitsopbouw en verspreiding van kennis, vaardigheden, innovatieve technieken, methoden en oplossingen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de wetgeving en het beleid van de Unie inzake de overgang naar hernieuwbare energie en grotere energie-efficiëntie. Dit zijn meestal coördinatie- en ondersteuningsacties met een grote EU-meerwaarde, die beogen marktbelemmeringen die de sociaal-economische overgang naar duurzame energie bemoeilijken, uit de weg te ruimen, doorgaans in samenspraak met kleine en middelgrote belanghebbenden en diverse actoren, zoals lokale en regionale overheden en non-profitorganisaties. Deze acties brengen tal van nevenvoordelen met zich mee, zoals het tegengaan van energiearmoede, een betere luchtkwaliteit binnenshuis, minder plaatselijk verontreinigende stoffen dankzij verbeteringen op het gebied van energie-efficiëntie en meer gedistribueerde hernieuwbare energie, en dragen bij tot positieve lokale economische effecten en meer sociaal inclusieve groei.

(8)  Om bij te dragen aan de klimaatmitigatie en de internationale de internationale verbintenissen van de Unie op het gebied van decarbonisatie moet de transformatie van de energiesector worden versneld. Acties voor capaciteitsopbouw ter bevordering van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, die tot en met 2020 uit Horizon 2020(10) worden gefinancierd, moeten in het subprogramma Overgang naar schone energie van het LIFE-programma worden opgenomen, aangezien zij niet tot doel hebben excellentie te financieren en innovatie te genereren, maar om de overname van reeds beschikbare technologie voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie die zal bijdragen aan klimaatmitigatie, te faciliteren. Bij het LIFE-programma moeten alle belanghebbenden en sectoren worden betrokken die bij een overgang naar schone energie betrokken zijn. De opname in het LIFE-programma van deze activiteiten voor capaciteitsopbouw biedt mogelijkheden voor synergie tussen de subprogramma's en vergroot de algehele samenhang van de financiering door de Unie. Daarom moeten gegevens worden verzameld en verspreid met betrekking tot het overnemen van bestaande onderzoeks- en innovatieresultaten in de LIFE-projecten, met inbegrip van die uit het programma Horizon Europa en de programma's die daaraan voorafgingen.

(9)  Volgens ramingen in de effectbeoordeling voor de wijziging van de richtlijn energie-efficiëntie(11) zullen voor de verwezenlijking van de energiestreefcijfers van de Unie voor 2030 in de periode 2021-2030 aanvullende investeringen van 177 miljard EUR per jaar nodig zijn. De grootste tekortkomingen betreffen de investeringen in het koolstofvrij maken van gebouwen (energie-efficiëntie en kleinschalige hernieuwbare energiebronnen), waar kapitaal naar projecten met een sterk gedistribueerd karakter moet worden geleid. Een van de doelstellingen van het subprogramma Overgang naar schone energie, dat betrekking heeft op de snelle inzet van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, is om capaciteit op te bouwen voor het ontwikkelen en bundelen van dergelijke projecten, hetgeen ook bijdraagt tot het opnemen van middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen en het katalyseren van investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, ook met behulp van de financieringsinstrumenten van InvestEU.

(9 bis)  Het LIFE-programma is het enige programma dat specifiek gericht is op milieu- en klimaatactie, en speelt bijgevolg een cruciale rol bij de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de wetgeving en het beleid van de Unie op die gebieden.

(10)  Synergie met Horizon Europa moet ertoe bijdragen dat de onderzoeks- en innovatiebehoeften die moeten worden vervuld om binnen de EU het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen op het vlak van milieu, klimaat en energie, in het kader van het strategische onderzoeks- en planningsproces van Horizon Europa in kaart worden gebracht en worden vastgelegd. Het LIFE-programma moet blijven fungeren als katalysator voor de uitvoering van EU-beleidsmaatregelen en ‑wetgeving op het gebied van milieu, klimaat en, waar relevant, energie onder meer door de resultaten van onderzoek en innovatie uit Horizon Europa te benutten en toe te passen, en te helpen deze op grotere schaal in te zetten wanneer dit kan helpen bij de aanpak van kwesties op het vlak van milieu, klimaat of de energieovergang. De Europese Innovatieraad van Horizon Europa kan ondersteuning bieden bij het opschalen en commercialiseren van nieuwe, baanbrekende ideeën die kunnen voortkomen uit de tenuitvoerlegging van LIFE-projecten. Ook synergie met het innovatiefonds in het kader van het emissiehandelssysteem moet in aanmerking worden genomen.

(11)  Aan een actie waaraan een bijdrage is toegekend uit het LIFE-programma, kan ook een bijdrage worden toegekend uit andere programma's van de Unie, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Acties die cumulatieve financiering uit verschillende programma's van de Unie ontvangen, moeten slechts één keer gecontroleerd worden, waarbij alle betrokken programma's en hun respectieve toepasselijke regels worden bestreken.

(12)  Uit de recentste mededeling van de Commissie over de evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR)(12) blijkt dat er aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt om vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van het milieuacquis van de Unie en ervoor te zorgen dat milieu- en klimaatdoelstellingen beter in ander beleid worden opgenomen en gemainstreamd. Het LIFE-programma moet dan ook als katalysator fungeren om horizontale, systemische uitdagingen aan te pakken, evenals de diepere oorzaken voor tekortkomingen in de uitvoering zoals vastgesteld in de evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid, en om de vereiste vooruitgang te kunnen ontwikkelen door nieuwe benaderingen te ontwikkelen, testen en dupliceren; beleidsontwikkeling, toezicht en beoordeling te ondersteunen; de governance inzake milieu, klimaatverandering en de daarmee verband houdende overgang naar energie te verbeteren, onder meer door te streven naar een grotere betrokkenheid van het publiek en belanghebbenden op alle niveaus, naar capaciteitsopbouw, communicatie en bewustmaking; investeringen te mobiliseren binnen het geheel aan investeringsprogramma's van de Unie of andere financieringsbronnen en acties te ondersteunen om de verschillende belemmeringen voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de belangrijkste in de milieuwetgeving voorgeschreven plannen weg te nemen.

(13)  Om het biodiversiteitsverlies en de aantasting van ecosystemen, ook in mariene ecosystemen, tot staan te brengen en om te buigen, moet de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, handhaving en beoordeling van wetgeving en beleid van de Unie ter zake, waaronder de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020(13), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(14) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(15), en Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad(16), worden ondersteund, met name door de kennisbasis voor de ontwikkeling en uitvoering van beleid uit te bouwen en door beste praktijken en oplossingen, zoals een doeltreffend beheer, op kleine schaal of toegesneden op de specifieke lokale, regionale of nationale situatie, te ontwikkelen, te testen, te demonstreren en toe te passen, met inbegrip van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van de op basis van Richtlijn 92/43/EEG opgestelde prioritaire actiekaders. De Unie en de lidstaten moeten hun biodiversiteitsgerelateerde uitgaven traceren om te voldoen aan hun verslagleggingsverplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit. Aan traceringvoorschriften in andere toepasselijke wetgeving van de Unie moet eveneens worden voldaan. De biodiversiteitsgerelateerde uitgaven van de Unie zullen worden getraceerd met behulp van een specifieke reeks indicatoren(17).

(14)  Uit recente evaluaties en beoordelingen, met inbegrip van de evaluatie halverwege van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 en de geschiktheidscontrole van de natuurwetgeving, blijkt gebrek aan adequate financiering een van de belangrijkste oorzaken van de ontoereikende tenuitvoerlegging van de natuurwetgeving van de Unie en de biodiversiteitsstrategie te zijn. De voornaamste financieringsinstrumenten van de Unie, waaronder het [Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij], kunnen ter aanvulling een aanzienlijke bijdrage leveren bij het vervullen van deze behoeften. Het LIFE-programma kan deze mainstreaming nog efficiënter maken door middel van strategische natuurprojecten die tot doel hebben als katalysator te fungeren voor de uitvoering van wetgeving en beleid van de Unie inzake natuur en biodiversiteit, met inbegrip van de acties van de overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG ontwikkelde prioritaire actiekaders. De strategische natuurprojecten moeten actieprogramma's in de lidstaten voor de mainstreaming van relevante doelstellingen op het gebied van natuur en biodiversiteit in ander beleid en andere financieringsprogramma's ondersteunen en er zo voor zorgen dat passende middelen voor de tenuitvoerlegging van dat beleid worden gemobiliseerd. De lidstaten kunnen er binnen het kader van hun strategisch plan voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor kiezen een bepaald deel van de toewijzing uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling te gebruiken om financiële steun aan te trekken voor acties die een aanvulling vormen op de strategische natuurprojecten zoals in deze verordening gedefinieerd.

(15)  De vrijwillige regeling ten behoeve van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de Europese landen en gebieden overzee en gebieden overzee (BEST) bevordert de instandhouding van biodiversiteit, met inbegrip van mariene biodiversiteit, en het duurzame gebruik van ecosysteemdiensten, met inbegrip van op ecosystemen gebaseerde benaderingen van de mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering, in de ultraperifere gebieden van de Unie en de landen en gebieden overzee. BEST heeft, dankzij de voorbereidende actie BEST die in 2011 is vastgesteld en het programma BEST 2.0 en het project BEST RUP die daarop volgden, bijgedragen aan bewustmaking met betrekking tot het ecologische belang van de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee en de sleutelrol die zij vervullen voor het behoud van de wereldwijde biodiversiteit. Volgens de Commissie bedraagt de behoefte aan financiële steun voor acties in die gebieden jaarlijks naar schatting 8 miljoen EUR. In hun ministeriële verklaringen van 2017 en 2018 hebben de landen en gebieden overzee hun waardering geuit voor dit programma voor kleine subsidies ten behoeve van de biodiversiteit. Het is daarom passend dat het LIFE-programma kleine subsidies voor biodiversiteit, met inbegrip van capaciteitsopbouw en acties met een katalysatoreffect, in zowel de ultraperifere gebieden als de landen en gebieden overzee financiert.

(16)  Om de circulaire economie en hulpbronnenefficiëntie te bevorderen moet er een verschuiving komen in de manier waarop materialen en producten, waaronder kunststoffen, worden ontworpen, geproduceerd, geconsumeerd, hersteld, hergebruikt, gerecycled en verwijderd, met de nadruk op de gehele levenscyclus van producten. Het LIFE-programma moet bijdragen aan de overgang naar een circulaire economie door middel van financiële steun die gericht is op een veelheid van actoren (ondernemingen, overheden en consumenten), met name door de beste, op de specifieke lokale, regionale of nationale situatie toegesneden, technologieën, praktijken en oplossingen, met inbegrip van geïntegreerde benaderingen voor de toepassing van de afvalhiërarchie en de tenuitvoerlegging van plannen voor afvalbeheer en ‑preventie, toe te passen, te ontwikkelen en te dupliceren. Door de tenuitvoerlegging van de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over "een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" kunnen maatregelen worden genomen om met name het probleem van zwerfvuil op zee aan te pakken.

(16 bis)  Een hoog niveau van milieubescherming is van fundamenteel belang voor de gezondheid en het welzijn van de burgers van de Unie. Het programma moet steun verlenen aan de doelstelling van de Unie om chemische stoffen zodanig te produceren en te gebruiken dat deze een minimaal aantal aanzienlijke schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van mens en milieu, teneinde de doelstelling van een niet-toxisch milieu in de EU te verwezenlijken. Het programma moet ook activiteiten ondersteunen om de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad(18) te vergemakkelijken, teneinde geluidsniveaus te bewerkstelligen die geen aanzienlijke schadelijke gevolgen en risico's voor de menselijke gezondheid met zich meebrengen.

(17)  De langetermijndoelstelling van de Unie voor het beleid inzake luchtkwaliteit is om luchtkwaliteitsniveaus te behalen die geen significante negatieve effecten en risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu met zich meebrengen, terwijl tegelijkertijd de synergieën tussen verbeteringen van de luchtkwaliteit en de vermindering van de broeikasgasemissies worden versterkt. Het publieke bewustzijn over luchtvervuiling is sterk ontwikkeld en burgers verwachten dat de overheid optreedt, met name in gebieden waar de bevolking en de ecosystemen worden blootgesteld aan grote hoeveelheden luchtverontreinigende stoffen. In Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad(19) wordt de rol benadrukt die financiering door de Unie kan spelen bij de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van schone lucht kan spelen. Het LIFE-programma moet daarom projecten, waaronder strategische geïntegreerde projecten, ondersteunen die publieke en particuliere middelen kunnen aantrekken, voorbeelden van goede praktijken kunnen zijn en als katalysator kunnen fungeren voor de uitvoering van plannen en wetgeving inzake luchtkwaliteit op lokaal, regionaal, multiregionaal, nationaal en transnationaal niveau.

(18)  Bij Richtlijn 2000/60/EG(20) is een kader vastgesteld voor de bescherming van de oppervlaktewateren, kustwateren en overgangswateren en het grondwater in de Unie. De doelstellingen van die richtlijn worden ondersteund door ▌een betere tenuitvoerlegging en een sterkere integratie van de doelstellingen van het waterbeleid in andere beleidsgebieden. Het LIFE-programma moet daarom steun verlenen aan projecten die bijdragen tot de doeltreffende uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG en andere relevante waterwetgeving van de Unie die mede een goede toestand van de waterlichamen van de Unie bewerkstelligen, door beste praktijken toe te passen, te ontwikkelen en te dupliceren en door aanvullende acties in het kader van andere programma's of financieringsbronnen van de Unie te mobiliseren.

(19)  De bescherming en het herstel van het mariene milieu is een van de algemene doelstellingen van het milieubeleid van de Unie. Het LIFE-programma moet ten dienste staan van het volgende: het beheer, de instandhouding, het herstel en de monitoring van de biodiversiteit en mariene ecosystemen, met name de mariene gebieden van Natura 2000, en de bescherming van soorten overeenkomstig de krachtens Richtlijn 92/43/EEG ontwikkelde prioritaire actiekaders; het bereiken van een goede milieutoestand in de zin van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(21); de bevordering van schone en gezonde zeeën; de tenuitvoerlegging van de mededeling van de Commissie over de strategie voor kunststoffen in een circulaire economie, met name om het probleem van verloren vistuig en zwerfvuil op zee aan te pakken; en de bevordering van de rol van de Unie in de internationale oceaangovernance, die van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en voor het veiligstellen van gezonde oceanen voor toekomstige generaties. De strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten van het LIFE-programma moeten relevante acties omvatten die gericht zijn op de bescherming van het mariene milieu.

(20)  Verbetering van de governance op het gebied van milieu en klimaatverandering en van daarmee verband houdende kwesties met betrekking tot de energietransitie, vereist betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld dankzij bewustmaking van het publiek, onder andere door middel van een communicatiestrategie waarin rekening wordt gehouden met nieuwe media en sociale netwerken, consumentenparticipatie en een bredere betrokkenheid van belanghebbenden op alle niveaus, met inbegrip van niet‑gouvernementele organisaties, bij het overleg over en de tenuitvoerlegging van aanverwant beleid. Daarom is het passend dat het programma steun verleent aan een breed scala van ngo's en netwerken van entiteiten zonder winstoogmerk die een doelstelling van algemeen belang van de Unie nastreven en die voornamelijk actief zijn op het gebied van milieu of klimaatactie, door op concurrerende en transparante wijze exploitatiesubsidies toe te kennen, teneinde deze ngo's, netwerken en entiteiten te helpen een effectieve bijdrage te leveren aan het beleid van de Unie en hun capaciteit op te bouwen en te versterken om efficiëntere partners te worden.

(21)  Hoewel verbetering van de governance op alle niveaus een horizontale doelstelling voor alle subprogramma's van het LIFE-programma moet zijn, moet het LIFE-programma specifiek ook de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, handhaving en naleving van het acquis inzake milieu en klimaat, en met name van de horizontale wetgeving inzake milieugovernance ondersteunen, met inbegrip van de wetgeving tot tenuitvoerlegging van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE)(22).

(22)  Het LIFE-programma moet marktdeelnemers voorbereiden op en ondersteunen bij de overgang naar een duurzame, circulaire, energie-efficiënte, op hernieuwbare energie gebaseerde, klimaatneutrale en klimaatbestendige economie door nieuwe zakelijke kansen te toetsen, beroepsvaardigheden te verbeteren, de toegang van consumenten tot duurzame producten en diensten te versoepelen, opinie- en smaakmakers over te halen zich voor dit doel in te zetten en hen daartoe de gelegenheid te bieden, en nieuwe methoden te testen voor aanpassing van de bestaande processen en het ondernemingslandschap. Ter ondersteuning van een bredere marktintroductie van duurzame oplossingen moeten maatschappelijk draagvlak en consumentenparticipatie worden gecultiveerd.

(22 bis)  Het programma is ontworpen met het oog op het ondersteunen van de demonstratie van technieken, benaderingen en beste praktijken die kunnen worden gedupliceerd en opgeschaald. Innovatieve oplossingen kunnen bijdragen tot de verbetering van de milieuprestaties en duurzaamheid, met name voor de ontwikkeling van duurzame landbouwpraktijken in de gebieden die actief zijn op het gebied van klimaat, water, bodem, biodiversiteit en afval. In dit verband moet de nadruk worden gelegd op synergieën met andere programma's en beleidslijnen, zoals het Europees innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw en het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de EU.

(23)  Op het niveau van de Unie worden grote investeringen in milieu- en klimaatacties hoofdzakelijk gefinancierd door de belangrijkste financieringsprogramma's van de Unie (mainstreaming). Daarom is het van cruciaal belang dat de inspanningen voor mainstreaming worden geïntensiveerd om de duurzaamheid, biodiversiteit en de klimaatbestendigheid van andere financieringsprogramma's van de Unie en de integratie van duurzaamheidswaarborgen in alle instrumenten van de Unie te garanderen. In het kader van hun rol als katalysator moeten de in het kader van het LIFE-programma te ontwikkelen strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten als hefboom dienen voor financieringsmogelijkheden die worden geboden door die financieringsprogramma's en andere financieringsbronnen, zoals nationale fondsen, en synergie creëren.

(23 bis)  Het succes van strategische natuurprojecten en strategische geïntegreerde projecten hangt af van nauwe samenwerking tussen nationale, regionale en lokale autoriteiten en de niet-overheidsactoren die gevolgen ondervinden van de doelstellingen van het programma. De beginselen van transparantie en openbaarmaking met betrekking tot besluiten betreffende de ontwikkeling, uitvoering, evaluatie en monitoring van projecten moeten daarom worden toegepast, met name in het geval van mainstreaming of wanneer er sprake is van meerdere financieringsbronnen.

(24)  Om recht te doen aan het belang van het op gecoördineerde en ambitieuze wijze bestrijden van klimaatverandering overeenkomstig de verbintenissen van de Unie tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, zal het LIFE-programma bijdragen aan de mainstreaming van klimaatacties en aan het algemene streven dat gedurende de MFK-periode 2021-2027 ten minste 25 % van de EU-begrotingsuitgaven klimaatdoelstellingen ondersteunt, en dat zo spoedig mogelijk, en uiterlijk in 2027, een streefcijfer van 30 % jaarlijks wordt gehaald. Met de acties in het kader van het LIFE-programma zal naar verwachting een bedrag ter waarde van 61 % van de totale financiële middelen van het LIFE-programma worden bijgedragen aan het verwezenlijken van de klimaatdoelen. De desbetreffende acties zullen worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van het LIFE-programma en zullen opnieuw worden bekeken in het kader van de toepasselijke beoordelingen en evaluatieprocessen.

(25)  Bij de uitvoering van het LIFE-programma moet terdege rekening worden gehouden met de strategie voor ultraperifere gebieden(23) in het licht van artikel 349 VWEU en de specifieke behoeften en kwetsbaarheden van deze gebieden. Ander beleid van de Unie dan beleid inzake milieu, klimaat en, waar relevant, ▌energie moet ook in aanmerking worden genomen.

(26)  Ter ondersteuning van de uitvoering van het LIFE-programma moet de Commissie samenwerken met het netwerk van nationale contactpunten (NCP's) van het LIFE-programma, teneinde samenwerking te bevorderen om de diensten van de NCP's in de hele EU te verbeteren en doeltreffender te maken, alsmede om de algemene kwaliteit van de ingediende voorstellen te verhogen, seminars en workshops organiseren, lijsten van in het kader van het LIFE-programma gefinancierde projecten publiceren of andere activiteiten, zoals mediacampagnes, ondernemen teneinde de projectresultaten beter te verspreiden en de uitwisseling van ervaring, kennis en beste praktijken en de duplicatie van projectresultaten in de hele Unie te faciliteren, en zo samenwerking en communicatie te bevorderen. Dergelijke activiteiten moeten met name gericht zijn op lidstaten die de middelen slechts in beperkte mate benutten en moeten de communicatie en samenwerking tussen projectbegunstigden, aanvragers of belanghebbenden van voltooide en lopende projecten op hetzelfde gebied vergemakkelijken. Het is van wezenlijk belang dat deze communicatie- en samenwerkingsactiviteiten op regionale en lokale autoriteiten en belanghebbenden gericht zijn.

(26 bis)  Bij het evaluatie- en toewijzingsproces van het LIFE-programma is kwaliteit het criterium. Om de uitvoering van de doelstellingen van het LIFE-programma in de hele Unie te vergemakkelijken en de kwaliteit van de projectvoorstellen te bevorderen, moeten er financiële middelen ter beschikking worden gesteld voor projecten voor technische bijstand voor de effectieve deelname aan het LIFE-programma. Bij de toekenning van LIFE-fondsen moet de Commissie een effectief geografisch evenwicht binnen de Unie nastreven waarbij kwaliteit centraal staat, onder meer door de lidstaten te ondersteunen bij het verhogen van de kwaliteit van de projecten door middel van capaciteitsopbouw. Een specificatie van een lage effectieve deelname aan en de in aanmerking komende activiteiten en toekenningscriteria voor het LIFE-programma zullen in het meerjarig werkprogramma worden vastgesteld op basis van de participatiegraad en het percentage succesvolle aanvragers uit de respectieve lidstaten, onder meer rekening houdend met bevolking en bevolkingsdichtheid, de totale oppervlakte van Natura 2000-gebieden in elke lidstaat, uitgedrukt als percentage van de totale oppervlakte aan Natura 2000-gebieden, en het aandeel van het grondgebied van een lidstaat dat door Natura 2000-gebieden wordt bestreken. Subsidiabele activiteiten moeten van zodanige aard zijn dat zij op het verbeteren van de kwaliteit van de projectaanvragen gericht zijn.

(27)  Het netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving (Impel), het Europees netwerk van openbaar aanklagers voor het milieu (ENPE) en het forum van de Europese Unie van milieurechters (Eufje(24)) zijn opgericht om de samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken en spelen een unieke rol in de handhaving van de milieuwetgeving van de Unie. Zij dragen in aanzienlijke mate bij tot een consistentere tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving van de Unie in de verschillende lidstaten, waardoor concurrentieverstoringen worden voorkomen, helpen door middel van een netwerksysteem op zowel het niveau van de Unie als dat van de lidstaten de kwaliteit van milieu-inspecties en de mechanismen voor wetshandhaving te verbeteren, en zorgen voor uitwisseling van informatie en ervaring op verschillende bestuurlijke niveaus, ook door middel van opleidingen en diepgaande discussies over milieukwesties en handhavingsaspecten, met inbegrip van monitoring- en vergunningsprocedures. Gezien hun bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het LIFE-programma is het passend toe te staan dat subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan het Impel, het ENPE en het Eufje, zodat de activiteiten van deze organisaties kunnen blijven worden ondersteund. Daarnaast kan het ook in andere gevallen zo zijn dat er geen oproep nodig is op grond van de algemene vereisten van het Financieel Reglement, bv. voor organen die door de lidstaten zijn aangewezen en die onder hun verantwoordelijkheid vallen, indien in een wetgevingshandeling van de Unie is vastgesteld dat die lidstaten begunstigden van een subsidie zijn.

(28)  Het is passend de financiële middelen voor het LIFE-programma vast te leggen die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(25).

(28 bis)  De maximale cofinancieringspercentages moeten worden vastgesteld op de niveaus die noodzakelijk zijn om het effectieve niveau van de in het kader van het programma verleende steun te handhaven. Om rekening te houden met het aanpassingsvermogen dat nodig is om op het bestaande scala van acties en entiteiten te kunnen inspelen, zullen specifieke medefinancieringspercentages voor meer zekerheid zorgen en tegelijk een zekere mate van flexibiliteit behouden met het oog op specifieke behoeften of vereisten. Voor de specifieke medefinancieringspercentages moeten altijd de vastgestelde desbetreffende maximale medefinancieringspercentages gelden.

(29)  De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.

(30)  Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(26) (het Financieel Reglement), Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(27), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad(28), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(29) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(30) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, invordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(31). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het ▌EOM – wat betreft de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 – en de Europese Rekenkamer, en moeten ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(31)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het te verwachten risico op niet-naleving. Wat subsidies betreft, moet dit mede inhouden dat het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten wordt overwogen. De Commissie moet erop toezien dat de uitvoering inzichtelijk blijft en ze moet zorgen voor een reële vereenvoudiging ten behoeve van de initiatiefnemers van de projecten.

(32)  In voorkomend geval moeten de beleidsdoelstellingen van het LIFE-programma ook worden gerealiseerd via financiële instrumenten en begrotingsgaranties in het kader van ▌het InvestEU-fonds, onder meer via het toegewezen bedrag van het LIFE-programma zoals vermeld in de meerjarige werkprogramma's uit hoofde van het LIFE-programma.

(33)  Volgens artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad(32) komen in landen en gebieden overzee gevestigde entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het LIFE-programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. De deelname van deze entiteiten aan dit LIFE-programma moet vooral gericht zijn op projecten in het kader van het subprogramma Natuur en biodiversiteit.

(34)  Het programma moet openstaan voor derde landen in overeenstemming met de overeenkomsten tussen de Unie en die landen waarin de specifieke voorwaarden voor hun deelname zijn vastgesteld.

(35)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan programma's van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking die is ingesteld bij de EER-Overeenkomst, die voorziet in de uitvoering van de programma's door middel van een besluit op grond van die overeenkomst. Derde landen kunnen ook deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. In deze verordening moet een specifieke bepaling worden opgenomen waarbij de nodige rechten worden toegekend en toegang wordt verleend aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.

(36)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven moet het LIFE-programma worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor toezicht worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Die voorschriften kunnen, in voorkomend geval, meetbare indicatoren omvatten als een basis voor de evaluatie van het effect van het LIFE-programma op het terrein. Het volledige effect van het LIFE-programma ontvouwt zich via indirecte, zich over de lange termijn uitstrekkende en moeilijk meetbare bijdragen aan de verwezenlijking van de volledige reeks milieu- en klimaatdoelstellingen van de Unie. Voor het toezicht op het LIFE-programma moeten de in deze verordening vastgestelde directe outputindicatoren en traceringsvoorschriften worden aangevuld door bundeling van specifieke indicatoren op projectniveau, die in de meerjarige werkprogramma's en oproepen tot het indienen van voorstellen moeten worden beschreven, onder meer met betrekking tot Natura 2000 en emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen.

(36 bis)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de vaststelling van de meerjarige werkprogramma's moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(33). Indien het comité voor het LIFE-programma geen advies over een ontwerpuitvoeringshandeling uitbrengt, mag de Commissie, overeenkomstig artikel 5, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011, de ontwerpuitvoeringshandeling niet vaststellen.

(37)  Om te waarborgen dat de steun en de tenuitvoerlegging van het programma in overeenstemming zijn met het beleid en de prioriteiten van de Unie, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen teneinde de indicatoren te herzien of deze verordening aan te vullen wat de ▌indicatoren betreft, en om het monitoring- en evaluatiekader vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(38)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk bijdragen aan een hoog milieubeschermingsniveau en ambitieuze klimaatactie met goed bestuur en een multistakeholderbenadering, aan duurzame ontwikkeling en aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van wetgeving, strategieën, plannen en internationale verplichtingen van de Unie inzake milieu, biodiversiteit, klimaat, circulaire economie en, waar relevant, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(39)  Verordening (EU) nr. 1293/2013 moet derhalve worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ("LIFE-programma") vastgesteld.

In deze verordening worden de doelstellingen van het LIFE-programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)  "strategische natuurprojecten": projecten ter ondersteuning van de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van natuur en biodiversiteit door samenhangende actieprogramma's in de lidstaten ten uitvoer te leggen om deze doelstellingen en prioriteiten in ander beleid en in andere financieringsinstrumenten te mainstreamen, onder meer door middel van een gecoördineerde tenuitvoerlegging van de krachtens Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde prioritaire actiekaders;

(2)  "strategische geïntegreerde projecten": projecten waarbij, op regionale, multiregionale, nationale of transnationale schaal, door de autoriteiten van de lidstaten ontwikkelde en door specifieke wetgeving en beleidsmaatregelen van de Unie inzake het milieu, het klimaat en, waar relevant, ▌energie voorgeschreven strategieën of actieplannen inzake milieu of klimaat worden uitgevoerd, waarbij wordt gezorgd voor betrokkenheid van de belanghebbenden en waarbij de coördinatie met en het mobiliseren van financiële middelen uit ten minste één andere uniale, nationale of particuliere financieringsbron wordt bevorderd;

(3)  "projecten voor technische bijstand": projecten ter ondersteuning van de ontwikkeling van capaciteit voor deelname aan standaardactieprojecten, de voorbereiding van strategische natuurprojecten en strategische geïntegreerde projecten, de voorbereiding voor het verkrijgen van toegang tot andere financieringsinstrumenten van de Unie of andere maatregelen die nodig zijn voor de voorbereiding van het opschalen of dupliceren van de resultaten van andere door het LIFE-programma, door de programma's die eraan voorafgingen, of door andere programma's van de Unie gefinancierde projecten, met het oog op de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen. Deze projecten kunnen ook betrekking hebben op capaciteitsopbouw in verband met de activiteiten van de autoriteiten van de lidstaten voor effectieve deelname aan het LIFE-programma;

(4)  "standaardactieprojecten": projecten, anders dan strategische geïntegreerde projecten, strategische natuurprojecten of projecten voor technische bijstand, ter verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma, als vastgesteld in artikel 3, lid 2;

(5)  "blendingverrichtingen": door de begroting van de Unie ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van Verordening (EU, Euratom) 2018/... (het "Financieel Reglement"), waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;

(6)  "juridische entiteit": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 190, lid 2, onder c), van het Financieel Reglement.

Artikel 3

Doelstellingen van het programma

1.  De algemene doelstelling van het LIFE-programma is bij te dragen aan de overgang naar een duurzame, circulaire, energie-efficiënte, op hernieuwbare energie gebaseerde, klimaatneutrale en klimaatbestendige economie, ▌de kwaliteit van het milieu, met inbegrip van lucht, water en bodem, te beschermen, te herstellen en te verbeteren en het biodiversiteitsverlies en de aantasting van ecosystemen tot staan te brengen en terug te draaien, onder meer door de uitvoering en het beheer van het Natura 2000-netwerk te ondersteunen, en aldus bij te dragen tot duurzame ontwikkeling. Het LIFE-programma ondersteunt ook de uitvoering van de overeenkomstig artikel 192, lid 3, VWEU vastgestelde algemene actieprogramma's.

2.  De specifieke doelstellingen van het LIFE-programma zijn:

a)  ontwikkelen, demonstreren en bevorderen van innovatieve technieken, methoden en benaderingen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de wetgeving en het beleid van de Unie inzake milieu, met inbegrip van natuur en biodiversiteit, en inzake klimaatactie, met inbegrip van de overgang naar hernieuwbare energie en meer energie-efficiëntie, en bijdragen tot de kennisbasis en de toepassing van ▌beste praktijken, met name op het vlak van natuur en biodiversiteit, onder meer door ondersteuning van het Natura 2000-netwerk;

b)  ondersteunen van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van, het toezicht op en de handhaving van de wetgeving en het beleid van de Unie inzake milieu, met inbegrip van natuur en biodiversiteit, en inzake klimaatactie en de overgang naar hernieuwbare energie of meer energie-efficiëntie, onder meer door de governance op alle niveaus te verbeteren, met name door middel van capaciteitsopbouw onder publieke en private actoren en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld;

c)  als katalysator fungeren voor de grootschalige invoering van succesvolle technische en beleidsmatige oplossingen voor de tenuitvoerlegging van de wetgeving en het beleid van de Unie inzake milieu, met inbegrip van natuur en biodiversiteit, en inzake klimaatactie en de overgang naar hernieuwbare energie of meer energie-efficiëntie, door resultaten te dupliceren, verwante doelstellingen te integreren in andere beleidsgebieden en in de praktijken in de publieke en private sector, investeringen te mobiliseren en de toegang tot financiering te verbeteren.

Artikel 4

Structuur

Het LIFE-programma heeft de volgende structuur:

(1)  het gebied Milieu, waaronder vallen:

a)  het subprogramma Natuur en biodiversiteit;

b)  het subprogramma Circulaire economie en levenskwaliteit;

(2)  het gebied Klimaatactie, waaronder vallen:

a)  het subprogramma Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering;

b)  het subprogramma Overgang naar schone energie.

Artikel 5

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021 – 2027 bedragen 6 442 000 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (7 272 000 000 EUR in lopende prijzen).

2.  De indicatieve verdeling van het in lid 1 bedoelde bedrag is als volgt:

a)  4 715 000 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (5 322 000 000 EUR in lopende prijzen, oftewel 73,2 % van het totale bedrag van het programma) voor het gebied Milieu, waarvan

(1)  2 829 000 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (3 261 420 000 EUR in lopende prijzen, oftewel 44,9 % van het totale bedrag van het programma) voor het subprogramma Natuur en biodiversiteit en

(2)  1 886 000 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (2 060 580 000 EUR in lopende prijzen, oftewel 28,3 % van het totale bedrag van het programma) voor het subprogramma Circulaire economie en levenskwaliteit;

b)  1 950 000 000 EUR voor het gebied Klimaatactie, waarvan

(1)  950 000 000 EUR voor het subprogramma Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering en

(2)  1 000 000 000 EUR voor het subprogramma Overgang naar schone energie.

3.  De in de leden 1 en 2 bedoelde bedragen gelden onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende flexibiliteit die zijn neergelegd in Verordening (EU) ... van het Europees Parlement en de Raad(34) [de nieuwe Verordening betreffende het meerjarig financieel kader ] en in het Financieel Reglement.

3 bis.  Niettegenstaande lid 2 wordt ten minste 60 % van de begrotingsmiddelen die worden besteed aan projecten welke worden gesteund met actiesubsidies in het kader van het gebied Milieu als bedoeld in lid 2, punt a), toegewezen aan projectsubsidies die het in lid 2, punt a), onder i), bedoelde subprogramma Natuur en biodiversiteit steunen.

4.  Het LIFE-programma kan financiering verstrekken aan technische en administratieve bijstandsactiviteiten van de Commissie met het oog op de uitvoering van het LIFE-programma, zoals voorbereidings-, monitoring-, controle-, audit- en evaluatie-activiteiten, waaronder institutionele informatietechnologiesystemen, en netwerkactiviteiten ter ondersteuning van de nationale contactpunten van het LIFE-programma, met inbegrip van opleiding, activiteiten inzake wederzijds leren en evenementen om ervaring te delen.

5.  Ter verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde doelstellingen kan het programma door de Commissie uitgevoerde activiteiten ter ondersteuning van de voorbereiding, tenuitvoerlegging en mainstreaming van wetgeving en beleidsmaatregelen van de Unie inzake het milieu, het klimaat en, waar relevant, ▌energie financieren. Zulke activiteiten zijn onder meer:

a)  informatie en communicatie, met inbegrip van bewustmakingscampagnes. Financiële middelen die in het kader van deze verordening worden toegewezen aan communicatieactiviteiten hebben ook betrekking op institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, evenals over de uitvoerings- en omzettingsstatus van wetgeving van de Unie inzake het milieu, het klimaat en, waar relevant, ▌energie;

b)  studies, onderzoeken, modellering en het uitwerken van scenario's;

c)  de voorbereiding, tenuitvoerlegging, monitoring, controle en evaluatie van ▌beleidsmaatregelen, programma's en wetgeving, en de beoordeling en analyse van niet door het LIFE-programma gefinancierde projecten, als die de in artikel 3 genoemde doelen dienen;

d)  workshops, conferenties en vergaderingen;

e)  netwerkvorming en platforms voor beste praktijken;

f)  overige activiteiten, zoals prijzen.

Artikel 6

Met het programma geassocieerde derde landen

1.  Het programma staat – mits zij aan alle voorschriften en regels ter zake voldoen – open voor deelname van de volgende derde landen:

a)  landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

b)  toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)  andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst

–  een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan de programma's van de Unie deelneemt;

–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van het Financieel Reglement;

–  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

–  de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

2.  Indien een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit uit hoofde van een internationale overeenkomst of een ander rechtsinstrument, kent het derde land de nodige rechten toe en verleent het de nodige toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, zoals neergelegd in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

Artikel 6 bis

Internationale samenwerking

Indien dit nodig is voor de verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde algemene doelstellingen is in de loop van de tenuitvoerlegging van het LIFE-programma samenwerking met internationale organisaties, en met hun instellingen en organen mogelijk.

Artikel 7

Synergieën met andere programma's van de Unie

De Commissie faciliteert de consistente tenuitvoerlegging van het LIFE-programma en de Commissie en de lidstaten faciliteren samenhang en coördinatie met het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, Horizon Europa, de Connecting Europe Facility en InvestEU, teneinde synergieën tot stand te brengen, in het bijzonder wat betreft strategische natuurprojecten en strategische geïntegreerde projecten, en het overnemen en dupliceren van in het kader van het LIFE-programma ontwikkelde oplossingen te ondersteunen. De Commissie en de lidstaten streven naar complementariteit op alle niveaus.

Artikel 8

Uitvoering en vormen van financiering door de Unie

1.  De Commissie voert het LIFE-programma uit in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel [61, lid 1, onder c)], van het Financieel Reglement.

2.  In het kader van het LIFE-programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen en aanbestedingen. Er kan eveneens financiering worden verstrekt in de vorm van financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen.

2 bis.  Ten minste 85 % van de begroting van het LIFE-programma wordt toegewezen aan subsidies zoals bedoeld in artikel 10, leden 2 en 5, aan projecten die met andere vormen van financiering worden gefinancierd, voor zover gespecificeerd in het meerjarige werkprogramma, of in voorkomend geval en voor zover gespecificeerd in het meerjarige werkprogramma als bedoeld in artikel 17, aan financieringsinstrumenten in de vorm van blendingverrichtingen als bedoeld in artikel 8, lid 2. De Commissie ziet erop toe dat de projecten die met andere vormen van financiering worden gefinancierd, volledig beantwoorden aan de doelstellingen van artikel 3 van deze verordening. Het maximumbedrag dat wordt toegewezen aan subsidies als bedoeld in artikel 10, lid 3 ter, is 15 miljoen EUR.

2 ter.  De medefinancieringspercentages voor de in aanmerking komende acties bedoeld in artikel 10, lid 2, onder a) tot en met d), bedragen maximaal 60 % van de subsidiabele kosten en maximaal 75 % voor projecten die worden gefinancierd het kader van het subprogramma Natuur en biodiversiteit, met name die welke betrekking hebben op de voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 92/43/EEG prioritaire habitats of soorten, of op de vogelsoorten die als prioritair worden beschouwd voor financiering door het Comité voor de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang dat is ingesteld krachtens artikel 16 van Richtlijn 2009/147/EG indien dit noodzakelijk is voor de instandhoudingsdoelstelling. Voor de in artikel 10, lid 5, bedoelde acties bedraagt het maximale medefinancieringspercentage 70 % van de subsidiabele kosten. Onverminderd de relevante en vastgestelde maximale medefinancieringspercentages worden in het meerjarige werkprogramma als bedoeld in artikel 17 specifieke percentages nader gespecificeerd. Deze kunnen worden aangepast naargelang de vereisten van elk subprogramma, projecttype of type subsidie.

Voor projecten zoals beschreven in artikel 10, lid 3 ter, bedragen de maximale medefinancieringspercentages niet meer dan 95 % van de subsidiabele kosten voor projecten tijdens de looptijd van het eerste meerjarige werkprogramma; voor het tweede meerjarige werkprogramma bedraagt het medefinancieringspercentage, onder voorbehoud van bevestiging in dit werkprogramma, 75 % van de subsidiabele kosten.

2 quater.  Bij het evaluatie- en toewijzingsproces van het LIFE-programma is kwaliteit het criterium. Bij de toekenning van LIFE-fondsen streeft de Commissie een effectief geografisch evenwicht binnen de Unie na waarbij kwaliteit centraal staat, onder meer door de lidstaten te ondersteunen bij het verhogen van de kwaliteit van de projecten door middel van capaciteitsopbouw.

HOOFDSTUK II

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 9

Subsidies

Subsidies in het kader van het LIFE-programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.

Artikel 10

In aanmerking komende acties

1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3 komen in aanmerking voor financiering.

2.  De volgende soorten maatregelen kunnen worden gefinancierd met subsidies:

a)  strategische natuurprojecten in het kader van het in artikel 4, punt 1), onder a), bedoelde subprogramma;

b)  strategische geïntegreerde projecten in het kader van de in artikel 4, punt 1), onder b), en artikel 4, punt 2), onder a) en b) bedoelde subprogramma's;

c)  projecten voor technische bijstand;

d)  standaardactieprojecten;

e)  andere acties die nodig zijn ter verwezenlijking van de in artikel 3, lid 1, bepaalde algemene doelstelling, met inbegrip van coördinatie- en ondersteuningsacties met het oog op capaciteitsopbouw, verspreiding van informatie en kennis, en bewustmaking ter ondersteuning van de overgang naar hernieuwbare energie en meer energie-efficiëntie.

3.  Projecten in het kader van het subprogramma Natuur en biodiversiteit die verband houden met het beheer en herstel van en het toezicht op Natura 2000-gebieden overeenkomstig de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG houden rekening met de prioriteiten in nationale en regionale plannen, strategieën en beleidsmaatregelen inzake de instandhouding van natuur en biodiversiteit, onder meer in krachtens Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde prioritaire actiekaders.

3 bis.  Projecten voor technische bijstand voor capaciteitsopbouw in verband met de activiteiten van de autoriteiten van de lidstaten om de effectieve deelname aan het LIFE-programma te verbeteren, ondersteunen activiteiten van de lidstaten met een lage effectieve deelname teneinde de diensten van de nationale contactpunten in de hele EU te verbeteren en de algemene kwaliteit van de ingediende voorstellen te verhogen.

4.  Activiteiten buiten een lidstaat of buiten een tot deze lidstaat behorend land of gebied overzee kunnen met subsidies worden gefinancierd, voor zover met het project verwezenlijking van milieu- en klimaatdoelstellingen van de Unie wordt nagestreefd en de activiteiten buiten de Unie noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van op het grondgebied van de lidstaten of van een land of gebied overzee verrichte interventies te waarborgen of om internationale overeenkomsten waarbij de Unie partij is te ondersteunen.

5.  Met exploitatiesubsidies wordt steun verleend aan het functioneren van entiteiten zonder winstoogmerk die betrokken zijn bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en handhaving van beleid en wetgeving van de Unie en die hoofdzakelijk actief zijn op het gebied van milieu of klimaatactie, met inbegrip van de energie-overgang, overeenkomstig de in artikel 3 bedoelde doelstellingen van het LIFE-programma.

Artikel 11

In aanmerking komende entiteiten

1.  Naast de in artikel [197] van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de in de leden 2 en 3 vastgestelde criteria om in aanmerking te komen van toepassing.

2.  De volgende entiteiten komen in aanmerking:

a)  juridische entiteiten die gevestigd zijn in een van de volgende landen of gebieden:

(1)  een lidstaat of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee;

(2)  een met het LIFE-programma geassocieerd derde land;

(3)  andere in het in artikel 17 bedoelde meerjarig werkprogramma opgenomen derde landen, onder de in dit artikel, leden 4 tot en met 6, vermelde voorwaarden;

b)  elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie of elke internationale organisatie.

3.  Natuurlijke personen komen niet in aanmerking.

4.  Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land komen bij wijze van uitzondering voor deelname in aanmerking voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaalde actie om de doeltreffendheid van in de Unie verrichte interventies te waarborgen.

5.  Juridische entiteiten die deelnemen aan consortia van ten minste drie onafhankelijke entiteiten en die zijn gevestigd in verschillende lidstaten of met die lidstaten verbonden landen of gebieden overzee, in met het programma geassocieerde derde landen of in andere derde landen, komen in aanmerking.

6.  Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land dragen in beginsel de kosten van hun deelname.

6 bis.  Om een doeltreffend gebruik van de middelen van het programma en een efficiënte deelname van de juridische entiteiten als bedoeld in lid 4 te waarborgen, is de Commissie gemachtigd overeenkomstig artikel 21 gedelegeerde handelingen vast te stellen om dit artikel aan te vullen en te bepalen aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om te kunnen oordelen dat deze entiteiten in voldoende mate deelnemen aan het milieu- en klimaatbeleid van de Unie en derhalve in aanmerking komen voor het programma.

Artikel 12

Rechtstreekse toekenning

Onverminderd artikel [188] van het Financieel Reglement, kunnen subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan de in de lijst in bijlage I opgenomen organen.

Artikel 13

Specificatie van toekenningscriteria

De Commissie formuleert in het in artikel 17 bedoelde meerjarig werkprogramma en in de oproepen tot het indienen van voorstellen toekenningscriteria die rekening houden met de volgende beginselen:

a)  door het LIFE-programma gefinancierde projecten zijn in het belang van de Unie doordat ze in significante mate bijdragen tot het verwezenlijken van de in artikel 3 bedoelde algemene en specifieke doelstellingen van het LIFE-programma en doen er geen afbreuk aan, en bevorderen waar mogelijk het gebruik van groene overheidsopdrachten;

a bis)  de projecten garanderen een kosteneffectieve benadering en zijn technisch en financieel samenhangend;

a ter)  er wordt prioriteit toegekend aan projecten met de grootste potentiële bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3;

b)  ▌aan projecten die positieve neveneffecten opleveren en synergie tussen de in artikel 4 bedoelde subprogramma's bevorderen, wordt bij de evaluatie een bonus toegekend;

c)  ▌aan projecten met het grootste potentieel om te worden gedupliceerd en door de publieke of particuliere sector te worden overgenomen, of om de omvangrijkste investeringen of financiële middelen te mobiliseren (katalyserend vermogen), wordt bij de evaluatie een bonus toegekend;

d)  de dupliceerbaarheid van de resultaten wordt gewaarborgd;

e)  aan projecten die voortbouwen op de resultaten van andere door het LIFE-programma, door de programma's die eraan voorafgingen, of met andere fondsen van de Unie gefinancierde projecten, of die die resultaten opschalen, wordt bij de evaluatie een bonus toegekend;

f)  in voorkomend geval wordt bijzondere aandacht gegeven aan projecten in geografische gebieden met specifieke behoeften of kwetsbaarheden, zoals gebieden met specifieke milieuproblemen of natuurlijke beperkingen, grensoverschrijdende gebieden, gebieden met een hoge natuurwaarde of ultraperifere gebieden.

Artikel 14

In aanmerking komende kosten in verband met de aankoop van grond

In aanvulling op de criteria van artikel [186] van het Financieel Reglement komen kosten met betrekking tot de aankoop van grond in aanmerking mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de aankoop draagt bij aan het verbeteren, behouden en herstellen van de integriteit van het krachtens artikel 3 van Richtlijn 92/43/EEG opgezette Natura 2000-netwerk, onder meer door verbetering van de verbindingen middels het tot stand brengen van corridors, stapstenen of andere groene infrastructuurelementen;

b)  de grondaankoop is de enige of kostenefficiëntste manier om de beoogde instandhouding te verwezenlijken;

c)  de aangekochte grond is op lange termijn bestemd voor gebruik dat in overeenstemming is met de specifieke doelstellingen van het LIFE-programma;

d)  de betrokken lidstaat zorgt er door middel van overdracht of op een andere wijze voor dat deze grond langdurig voor natuurbeschermingsdoeleinden bestemd blijft.

Artikel 15

Cumulatieve, complementaire en gecombineerde financiering

1.  Aan een actie waaraan uit een ander programma van de Unie een bijdrage is toegekend, kan ook in het kader van het LIFE-programma een bijdrage worden toegekend, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken en dat de actie de in artikel 3 bedoelde milieu- en klimaatdoelstellingen nastreeft en er geen afbreuk aan doet. De regels van elk programma van de Unie dat een bijdrage levert, zijn van toepassing op de respectievelijke bijdrage ervan aan de actie. De cumulatieve financiering bedraagt niet meer dan de totale subsidiabele kosten van de actie, en de ondersteuning vanuit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de voorwaarden voor ondersteuning zijn vastgelegd.

2.  Acties die het certificaat "Excellentiekeur" hebben ontvangen, of die aan de volgende cumulatieve, vergelijkende voorwaarden voldoen:

a)  zij zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het LIFE-programma;

b)  zij voldoen aan de minimumeisen inzake kwaliteit van die oproep tot het indienen van voorstellen;

c)  de maatregelen kunnen als gevolg van budgettaire beperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen worden gefinancierd.

kunnen ondersteuning ontvangen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+ of Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, overeenkomstig artikel 67, lid 5, van Verordening (EU) XX [verordening gemeenschappelijke bepalingen] en artikel 8 van Verordening (EU) XX [de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid], mits dergelijke acties overeenstemmen met de doelstellingen en de subsidiabiliteitscriteria van het desbetreffende programma. De regels van het fonds waaruit ondersteuning wordt verleend, zijn van toepassing.

HOOFDSTUK III

BLENDINGVERRICHTINGEN

Artikel 16

Blendingverrichtingen

Blendingverrichtingen in het kader van het LIFE-programma vinden plaats in overeenstemming met de ▌InvestEU-verordening ▌en titel X van het Financieel Reglement, met inachtneming van de duurzaamheids- en transparantievereisten.

HOOFDSTUK IV

PROGRAMMERING, MONITORING, VERSLAGLEGGING EN EVALUATIE

Artikel 17

Meerjarig werkprogramma

1.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, meerjarige werkprogramma's voor het LIFE-programma vast. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 20 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.  Elk meerjarig werkprogramma omvat, in overeenstemming met de in artikel 3 vermelde doelstellingen, het volgende:

a)  de toewijzing van middelen binnen elk subprogramma tussen de verschillende door dat subprogramma bestreken behoeften en tussen de verschillende soorten financiering, evenals het maximale totaalbedrag dat wordt toegewezen aan subsidies als bedoeld in artikel 10, lid 2, onder a) en b);

a bis)  het maximale totaalbedrag voor financiële instrumenten in het kader van blendingverrichtingen uit hoofde van het LIFE-programma, indien van toepassing;

a ter)  het maximale totaalbedrag voor subsidies die overeenkomstig artikel 12 worden toegekend aan de in bijlage I vermelde instanties;

b)  de projectthema's of specifieke behoeften waarvoor voorlopige toewijzing van financiering geldt voor de in artikel 10, lid 2, onder c) en d), bedoelde projecten;

c)  de strategieën en plannen die worden beoogd door strategische geïntegreerde projecten waarvoor financiering kan worden gevraagd voor projecten zoals bedoeld in artikel 10, lid 2, onder b);

d)  de maximale subsidiabiliteitsperiode voor de uitvoering van het project;

d bis)  indicatieve tijdschema's voor de oproepen tot het indienen van voorstellen voor de door het meerjarig werkprogramma bestreken periode;

d ter)  de technische methode voor de procedure voor de indiening en de selectie van projecten en de gunningscriteria in overeenstemming met de in artikel 13 bedoelde elementen;

d quater)  de specificatie van de in artikel 8, lid 2 ter, vermelde medefinancieringspercentages;

d quinquies)  het maximale medefinancieringspercentages voor de in artikel 10, lid 2, onder e), bedoelde in aanmerking komende acties;

d sexies)  gedetailleerde regels met betrekking tot de toepassing van cumulatieve, aanvullende en gecombineerde financiering, indien van toepassing;

d septies)  de specificatie van een lage effectieve deelname aan en de in aanmerking komende activiteiten en toekenningscriteria voor projecten voor technische bijstand voor de capaciteitsopbouw in verband met de activiteiten van de autoriteiten van de lidstaten met het oog op de effectieve deelname aan het LIFE‑programma.

2 bis.  Het eerste meerjarig werkprogramma heeft een duur van vier jaar en het tweede meerjarig werkprogramma heeft een duur van drie jaar.

2 ter.  In het kader van de meerjarige werkprogramma's publiceert de Commissie oproepen tot het indienen van voorstellen voor de bestreken periode. De Commissie zorgt ervoor dat ongebruikte financiële middelen uit een bepaalde oproep tot het indienen van voorstellen worden herverdeeld tussen de verschillende soorten acties als bedoeld in artikel 10, lid 2, op hetzelfde gebied.

2 quater.  De Commissie ziet erop toe dat belanghebbenden worden geraadpleegd bij de ontwikkeling van de meerjarige werkprogramma's.

Artikel 18

Monitoring en rapportage

1.  De Commissie brengt op basis van de in bijlage II vermelde indicatoren verslag uit ▌over de door het LIFE-programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde doelstellingen ▌.

2.  Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang van het LIFE-programma op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen ervan te waarborgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 21 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijziging van bijlage II om indien nodig de indicatoren te herzien of aan te vullen, ook met het oog op de afstemming daarvan op de voor andere programma's van de Unie vastgestelde indicatoren, en om deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een kader voor toezicht en evaluatie.

2 bis.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 21 gedelegeerde handelingen vast te stellen om op basis van bijlage II specifieke indicatoren voor elk subprogramma en elke soort projecten vast te stellen.

3.  De Commissie ziet erop toe dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden aan de hand van relevante methoden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie die het mogelijk maken aggregeerbare output- en impactindicatoren op projectniveau te verzamelen voor alle relevante specifieke doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatbeleid, ook met betrekking tot Natura 2000 en de emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen waaronder CO2.

4.  De Commissie houdt op regelmatige basis toezicht op de mainstreaming van klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen, met inbegrip van het uitgavenbedrag, en brengt er op regelmatige basis verslag over uit. De mate waarin deze verordening helpt de doelstelling om 25 % van de gehele begroting te laten bijdragen aan klimaatdoelstellingen te verwezenlijken, wordt opgevolgd aan de hand van het systeem van klimaatindicatoren van de Unie. De biodiversiteitsgerelateerde uitgaven worden opgevolgd met behulp van een specifieke reeks indicatoren. Deze opvolgingsmethoden worden gebruikt om, op het passende niveau van uitsplitsing, de vastleggingskredieten te berekenen die naar verwachting zullen bijdragen tot de verwezenlijking van respectievelijk de klimaat- en de biodiversiteitsdoelstellingen over het meerjarig financieel kader voor 2021-2027. De uitgaven worden jaarlijks opgegeven in de programmaverklaring bij de begroting. In het kader van evaluaties en het jaarverslag wordt regelmatig verslag uitgebracht over de bijdrage van dit programma tot de verwezenlijking van de klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen van de Unie.

5.  De Commissie beoordeelt synergieën tussen het LIFE-programma en andere aanvullende programma's van de Unie en tussen de subprogramma's.

Artikel 19

Evaluatie

1.  De Commissie voert tijdig evaluaties uit zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen, met de nodige aandacht voor samenhang, synergieën, EU-meerwaarde en duurzaamheid op lange termijn, en maakt daarbij gebruik van de klimaat- en milieuprioriteiten van de Unie.

2.  De Commissie voert de tussentijdse evaluatie van het LIFE-programma uit zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk 42 maanden nadat met de uitvoering van het LIFE-programma is begonnen, en maakt daarbij gebruik van de overeenkomstig bijlage II vastgestelde output- en resultaatindicatoren.

De evaluatie betreft ten minste het volgende:

a)  kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het programma;

b)  het efficiënte gebruik van hulpbronnen;

c)  de mate waarin de doelstellingen van alle maatregelen zijn bereikt, met vermelding, waar mogelijk, van de resultaten en effecten;

d)  het daadwerkelijke of verwachte welslagen van geïntegreerde projecten qua hefboomeffect op andere middelen van de Unie, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de voordelen van grotere samenhang met andere financieringsinstrumenten van de Unie;

e)  de mate waarin er synergieën tussen de doelstellingen tot stand zijn gebracht en de complementariteit ervan met andere relevante programma's van de Unie;

f)  de EU-meerwaarde en de effecten op lange termijn van het LIFE-programma, met het oog op het nemen van een besluit over de verlenging, wijziging of opschorting van de maatregelen;

g)  de mate waarin belanghebbenden bij het geheel zijn betrokken;

h)  een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de bijdrage van het LIFE-programma aan de staat van instandhouding van habitats en soorten die zijn vermeld in de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG;

i)  Een analyse van het geografische evenwicht binnen de Unie als bedoeld in artikel 8, lid 2 quater, en, indien een dergelijk evenwicht niet wordt bereikt, een analyse van de oorzaken daarvan.

3.  Aan het einde van de uitvoering van het LIFE-programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1, tweede alinea, genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het LIFE-programma uit.

4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, en zij maakt de resultaten van de evaluaties openbaar.

HOOFDSTUK V

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 20

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de projecten en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren. Daartoe voorzien de ontvangers in de weergave van het in bijlage II bis afgebeelde logo van het LIFE-programma of, als dat niet doenbaar is, de vermelding van het LIFE-programma bij alle communicatieactiviteiten en op strategische plaatsen op voor het publiek zichtbare mededelingenborden. Alle in het kader van het LIFE-programma verworven duurzame goederen dragen het LIFE-programmalogo, behalve in door de Commissie gespecificeerde gevallen.

2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het LIFE-programma en de acties en resultaten ervan. De aan het LIFE-programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.

Artikel 20 bis

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor het LIFE-programma. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Indien het comité geen advies uitbrengt, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

4.  De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan het comité over de algemene vooruitgang bij de uitvoering van de subprogramma's en over specifieke acties, onder meer over blendingverrichtingen die met begrotingsmiddelen uit het LIFE-programma worden uitgevoerd.

Artikel 21

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 18, leden 2 en 2 bis, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie verleend tot en met 31 december 2028.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 18, leden 2 en 2 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 18, leden 2 en 2 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 22

Intrekking

Verordening (EU) nr. 1293/2013 wordt met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken.

Artikel 23

Overgangsbepalingen

1.  Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EG) nr. 614/2007 van het Europees Parlement en de Raad(35) en op grond van Verordening (EU) nr. 1293/2013, die op de betrokken projecten van toepassing blijven totdat zij worden afgesloten.

2.  De financiële middelen voor het LIFE-programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor technische en administratieve bijstand die nodig zijn om de overgang te waarborgen tussen het LIFE-programma en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van de Verordeningen (EG) nr. 614/2007 en (EU) nr. 1293/2013.

3.  Zo nodig kunnen voor het beheer van projecten die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na die datum kredieten ter dekking van de in artikel 5, lid 4, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

4.  Terugvloeiende middelen uit financieringsinstrumenten die zijn ingesteld op grond van Verordening (EU) nr. 1293/2013, kunnen worden geïnvesteerd in de in het kader van [InvestEU-fonds] ingestelde financieringsinstrumenten.

5.  De kredieten die overeenkomen met bestemmingsontvangsten uit terugbetalingen van krachtens Verordening (EG) nr. 614/2007 of Verordening (EU) nr. 1293/2013 onverschuldigd betaalde bedragen, worden, overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(36), gebruikt voor de financiering van het LIFE-programma.

Artikel 24

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Organen waaraan subsidies mogen worden toegekend zonder oproep tot het indienen van voorstellen

1.  Netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving (Impel)

2.  Europees netwerk van openbaar aanklagers voor het milieu (ENPE)

3.  Forum van de Europese Unie van milieurechters (Eufje)

BIJLAGE II

Indicatoren

1.  Outputindicatoren

1.1.  Aantal projecten waarin innovatieve technieken en benaderingen worden ontwikkeld, gedemonstreerd en bevorderd

1.2.  Aantal projecten waarin beste praktijken met betrekking tot natuur en biodiversiteit worden toegepast

1.3.  Aantal projecten voor de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, monitoring of handhaving van de wetgeving en het beleid van de Unie ter zake

1.4.  Aantal projecten ter verbetering van de governance door versterking van de capaciteiten van publieke en private actoren en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld

1.5.  Aantal projecten, met inbegrip van strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten, voor de tenuitvoerlegging van

–  belangrijke plannen of strategieën;

–  actieprogramma's voor de mainstreaming van natuur en biodiversiteit

2.  Resultaatindicatoren

2.1.  Nettoverandering van het milieu en het klimaat, op basis van de bundeling van indicatoren op projectniveau die moeten worden gespecificeerd in de oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van de subprogramma's:

–  Natuur en biodiversiteit;

–  Circulaire economie en levenskwaliteit, ten minste betrekking hebbende op

—  luchtkwaliteit,

—  bodem,

—  water,

—  afval,

—  chemicaliën,

—  geluidshinder,

—  hulpbronnengebruik en -efficiëntie;

–  Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering;

–  Overgang naar schone energie

2.2.  Door de projecten gestimuleerde cumulatieve investeringen of benutte financiering (miljoen EUR)

2.3.  Aantal organisaties die betrokken zijn bij projecten of exploitatiesubsidies ontvangen

2.4.  Aandeel van projecten met een katalysatoreffect na de einddatum van het project

BIJLAGE II bis

Programmalogo

20190417-P8_TA(2019)0405_NL-p0000002.png

(1)PB C , , blz. .
(2)PB C , , blz. .
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2019. De grijs gemarkeerde tekstdelen vormen niet het voorwerp van het in het kader van interinstitutionele onderhandelingen bereikte akkoord.
(4)Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (Life) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185).
(5)Report on the Mid-term Evaluation of the Programme for Environment and Climate Action (LIFE) (SWD(2017)0355).
(6) Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet" (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
(7)Agenda 2030, resolutie goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN, 25 september 2015.
(8)93/626/EEG: Besluit van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake biologische diversiteit (PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1).
(9)PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.
(10)Horizon 2020, deel III, "Veilige, schone en efficiënte energie" (maatschappelijke uitdagingen) (Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van "Horizon 2020" – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965)).
(11) Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU van de Raad betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 210).
(12)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – EU-evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid: Gemeenschappelijke uitdagingen en hoe inspanningen te bundelen om betere resultaten te realiseren (COM(2017)0063).
(13)COM(2011)0244.
(14)Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(15)Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(16)Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).
(17) SEC(2017)0250.
(18) Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai – Verklaring van de Commissie in het bemiddelingscomité voor de Richtlijn inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).
(19)Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).
(20) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(21)Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(22)PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.
(23)Doc. 13715/17 – COM(2017)0623.
(24)Doc. 5485/18 – COM(2018)0010, blz. 5.
(25)PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(26) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(27)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(28)Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(29)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(30)[Volledige titel + PB L-gegevens].
(31)Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(32)Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
(33) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(34)[Gelieve volledige titel en PB-gegevens in te vullen].
(35)Verordening (EG) nr. 614/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE+) (PB L 149 van 9.6.2007, blz. 1).
(36)Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 29 juli 2020Juridische mededeling - Privacybeleid