Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0207(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0468/2018

Ingediende teksten :

A8-0468/2018

Debatten :

PV 16/01/2019 - 31
CRE 16/01/2019 - 31

Stemmingen :

PV 17/01/2019 - 10.10
CRE 17/01/2019 - 10.10
Stemverklaringen
PV 17/04/2019 - 8.15

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0040
P8_TA(2019)0407

Aangenomen teksten
PDF 253kWORD 84k
Woensdag 17 april 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Programma Rechten en waarden ***I
P8_TA(2019)0407A8-0468/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Rechten en waarden (COM(2018)0383 – C8-0234/2018 – 2018/0207(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0383),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 16, lid 2, artikel 19, lid 2, artikel 21, lid 2, en de artikelen 24, 167 en 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0234/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 10 oktober 2018(2),

–  gezien de op 25 januari 2019 door zijn Voorzitter aan de commissievoorzitters gestuurde brief, waarin de aanpak van het Parlement met betrekking tot de sectorale programma's van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) betreffende de periode na 2020 wordt uiteengezet,

–  gezien de op 1 april 2019 door de Raad aan de Voorzitter van het Europees Parlement gestuurde brief, waarin de gemeenschappelijke lezing wordt bevestigd waarover de medewetgevers het tijdens de onderhandelingen eens zijn geworden,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie juridische zaken en de Commissie constitutionele zaken (A8-0468/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 178.
(2) PB C 461 van 21.12.2018, blz. 196.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 17 januari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0040).


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 17 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden
P8_TC1-COD(2018)0207

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16, lid 2, artikel 19, lid 2, artikel 21, lid 2, artikel 24, artikel 167 en artikel 168,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt bepaald: "De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen." In artikel 3 wordt voorts bepaald: "De Unie heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen" en "De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed". Deze waarden worden bevestigd en verder uitgewerkt in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna "het Handvest" genoemd).

(2)  Deze rechten en waarden moeten voortdurend actief worden gecultiveerd, beschermd, bevorderd, gehandhaafd en verspreid onder de burgers en volkeren, en dienen kernwaarden te zijn van het Europese project, aangezien een verslechtering van de bescherming van deze rechten en waarden in de lidstaten schadelijke gevolgen kan hebben voor de Unie in haar geheel. Met dat doel voor ogen dient binnen de EU-begroting een nieuw Fonds voor justitie, rechten en waarden te worden ingesteld, waarvan het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden en het programma Justitie deel uitmaken. Nu de Europese samenlevingen worden geconfronteerd met extremisme, radicalisering en verdeeldheid en onafhankelijke maatschappelijke organisaties steeds minder ruimte krijgen, is het belangrijker dan ooit om justitie en rechten en de waarden van de EU, mensenrechten, respect voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat te bevorderen, te versterken en te verdedigen Dit zal vergaande, rechtstreekse gevolgen hebben voor het politieke, sociale, culturele en economische leven in de EU. De steunverlening via het programma Justitie ten behoeve van de verdere ontwikkeling van een ruimte van recht in de Unie op basis van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht, wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen, toegang tot de rechter en grensoverschrijdende samenwerking zal in het kader van het nieuwe fonds worden gehandhaafd. In het programma Burgers, Gelijkheid, rechten en waarden worden het bij Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4) vastgestelde programma Rechten, gelijkheid en burgerschap voor de periode 2014–2020 en het bij Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad(5) vastgestelde programma Europa voor de burger (hierna "voorgaande programma's" genoemd), samengebracht.

(3)  Het Fonds voor justitie, rechten en waarden en de twee onderliggende financieringsprogramma's zullen ▌gericht zijn op personen en entiteiten die ertoe bijdragen dat onze gemeenschappelijke waarden, rechten en gelijkheid, alsmede onze rijke diversiteit levendig en dynamisch blijven Het uiteindelijke doel is om een op rechten gebaseerde, egalitaire, open, pluriforme, inclusieve en democratische samenleving te bevorderen en in stand te houden. Dat betekent dat een levendig en mondig maatschappelijk middenveld en de democratische, civiele en sociale participatie van de mensen moet worden aangemoedigd en dat de rijke diversiteit van de Europese samenleving, gebaseerd op onze gemeenschappelijke waarden en geschiedenis en ons collectief geheugen, moet worden gecultiveerd. Overeenkomstig artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn de instellingen van de Unie verplicht een open, transparante en regelmatige dialoog met het maatschappelijk middenveld te voeren en de burgers en representatieve organisaties langs passende wegen de mogelijkheid te bieden hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden.

(3 bis)  Een regelmatige, open en transparante dialoog met de begunstigden van het programma en andere belanghebbenden moet worden ingesteld door de oprichting van een groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld. De groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld moet een open, informeel discussieforum zijn en moet bijdragen aan de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, alsook aan de bespreking van beleidsontwikkelingen met betrekking tot de in het programma bestreken gebieden en doelstellingen en daaraan verwante gebieden. De groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld mag geen verantwoordelijkheid dragen op het gebied van programmabeheer.

(4)  Het programma ▌moet het mogelijk maken synergieën te ontwikkelen teneinde de uitdagingen aan te pakken die gemeenschappelijk zijn voor de bevordering en bescherming van de waarden van de Unie en een kritische dimensie te bereiken om tot concrete resultaten te bereiken in het veld. Hiertoe moet worden voortgebouwd op de positieve ervaringen die met de voorgaande programma's zijn opgedaan en moeten deze ervaringen verder worden ontwikkeld. Op deze wijze kunnen potentiële synergieën optimaal worden benut teneinde de bestreken beleidsterreinen doeltreffender te kunnen ondersteunen en hun vermogen te vergroten om personen en het maatschappelijk middenveld te bereiken, waarbij wordt gestreefd naar een evenwichtige geografische verdeling. Om effectief te zijn, dient het programma rekening te gehouden met de specifieke aard van de verschillende beleidsmaatregelen en hun uiteenlopende doelgroepen en specifieke behoeften door middel van een speciaal toegesneden en gerichte benadering.

(4 bis)  Volledige eerbiediging en bevordering van de rechtsstaat en de democratie is van fundamenteel belang voor het opbouwen van het vertrouwen van de burgers in de Unie en het garanderen van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten. Door het bevorderen van rechten en waarden zal het programma bijdragen tot de opbouw van een meer democratische Unie, de eerbiediging van de rechtsstaat en de democratische dialoog, transparantie en goed bestuur, ook in geval van een steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld.

(5)  Om de Europese Unie dichter bij haar burgers te brengen en democratische participatie te bevorderen, zijn allerlei acties en gecoördineerde inspanningen vereist. Het Europees burgerschap en de Europese identiteit moeten worden ontwikkeld en bevorderd door het inzicht van de burgers in het beleidsvormingsproces te stimuleren en de maatschappelijke betrokkenheid bij het optreden van de Unie te bevorderen. Daarnaast wordt door burgers nader tot elkaar te brengen in het kader van stedenbanden of netwerken van gemeenten en steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau die actief zijn op de door het programma bestreken gebieden, ▌bijgedragen tot het vergroten van de betrokkenheid van de burgers bij de samenleving en uiteindelijk hun actieve betrokkenheid bij het democratisch bestel van de Unie. Tegelijkertijd wordt door bij te dragen aan activiteiten ter bevordering van wederzijds begrip, interculturele dialoog, culturele en taaldiversiteit, sociale inclusie en respect voor anderen het ontstaan bevorderd van een gevoel tot de Unie te behoren en van een gemeenschappelijk burgerschap in het kader van een Europese identiteit, op basis van een gedeeld begrip van onze gemeenschappelijke Europese waarden, cultuur, geschiedenis en erfgoed. De bevordering van een sterker gevoel van betrokkenheid bij de Unie en de waarden van de Unie is van bijzonder belang ten aanzien van de burgers van de ultraperifere regio's van de EU, gezien hun afgelegen ligging en de grote afstand tot het Europese continent.

(6)  Herdenkingsactiviteiten en kritische reflectie op Europa's verleden zijn noodzakelijk om de burgers, met name jongeren, bewust te maken van hun gemeenschappelijke geschiedenis en waarden, als basis voor een gemeenschappelijke toekomst ▌. Bij herdenkingsactiviteiten moet worden nagedacht over de oorzaken van de totalitaire regimes in de moderne Europese geschiedenis – met name het nazisme, dat geleid heeft tot de holocaust; het fascisme, het stalinisme en de totalitaire communistische regimes – en moeten de slachtoffers van hun misdaden worden herdacht. Zij moeten ook activiteiten omvatten in verband met andere beslissende momenten en ijkpunten in de recente Europese geschiedenis. Er dient ook rekening te worden gehouden met de relevantie van historische, sociale, culturele en interculturele aspecten, met het oog op de creatie van een Europese identiteit op basis van gemeenschappelijke waarden en een ▌saamhorigheidsgevoel.

(7)  Burgers zouden zich ook beter bewust moeten zijn van de rechten die zij aan het burgerschap van de Unie ontlenen, moeten met een gerust hart kunnen wonen, reizen, studeren, werken en vrijwilligerswerk doen in een andere lidstaat en moeten erop kunnen vertrouwen dat zij al hun burgerschapsrechten kunnen genieten en uitoefenen en er gelijke toegang toe hebben en dat zij zonder discriminatie volledig aanspraak op hun rechten en de bescherming daarvan kunnen maken, ongeacht waar zij zich in de Unie bevinden. Maatschappelijke organisaties moeten steun krijgen voor activiteiten inzake bevordering, bescherming en bewustmaking op het gebied van de ▌waarden van de Unie op grond van artikel 2 VEU en voor het leveren van bijdragen aan de effectieve uitoefening van rechten krachtens het recht van de Unie.

(8)  Gendergelijkheid is een fundamentele waarde en een doelstelling van de Europese Unie. De algemene vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid is echter gestagneerd. Discriminatie en ongelijke behandeling van vrouwen en meisjes, alsook verschillende vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, schenden hun grondrechten en belemmeren hun volwaardige politieke, sociale en economische deelname aan de samenleving. Bovendien vormt het bestaan van politieke, structurele en culturele barrières een belemmering voor de verwezenlijking van reële gendergelijkheid. Bevordering van gendergelijkheid en gendermainstreaming bij alle activiteiten van de Unie is derhalve een kerntaak van de Unie en een motor voor economische groei en maatschappelijke ontwikkeling, en moet derhalve door het programma worden ondersteund. Het is bijzonder belangrijk om stereotypen actief te bestrijden en om verzwegen en intersectionele discriminatie aan te pakken. Gelijke toegang tot werk, gelijke participatie op de arbeidsmarkt en het wegnemen van belemmeringen voor loopbaanontwikkeling in alle sectoren, bijvoorbeeld de rechterlijke macht en STEM-sectoren (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde), zijn pijlers van gendergelijkheid. Er moet ook aandacht worden besteed aan het evenwicht tussen werk en privéleven en aan de gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen van onbetaalde huishoudelijke en zorgtaken voor kinderen, ouderen en andere afhankelijke personen, die pijlers blijven van de gelijke economische onafhankelijkheid en participatie en intrinsiek verband houden met de verwezenlijking van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

(9)  Gendergerelateerd geweld en geweld tegen risicogroepen (kinderen, jongeren en andere groepen die een risico lopen, zoals LGBTQI en personen met een handicap) houden een ernstige schending van de grondrechten in en blijven in de hele Unie voorkomen in alle sociale en economische contexten, met ernstige gevolgen voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de slachtoffers en voor de samenleving in haar geheel. Vrouwen zijn de personen die op de meest significante wijze getroffen worden door gendergerelateerd geweld en intimidatie, zowel in de huishoudelijke als in de publieke sfeer; daarom is de bestrijding van dit geweld een essentiële maatregel ter bevordering van gendergelijkheid. In het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) wordt geweld tegen vrouwen gedefinieerd als "alle vormen van gendergerelateerd geweld die leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot fysiek, seksueel of psychologisch letsel of leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt". De bestrijding van gendergerelateerd geweld vereist een multidimensionale benadering, inclusief een aanpak van de juridische, economische, onderwijs- en gezondheidsaspecten ervan. Het is ook nodig genderstereotypen van jongs af aan actief te bestrijden, alsmede alle vormen van haatzaaiende uitlatingen en onlinegeweld. In deze context blijft het van essentieel belang om vrouwenrechtenorganisaties en andere actoren die op dit gebied actief zijn, te ondersteunen. Kinderen, jongeren en andere groepen die een risico lopen, zoals LGBTQI en personen met een handicap, vertonen ook een verhoogd risico om het slachtoffer te worden van geweld, met name in het gezin en in intieme relaties. Er moeten maatregelen worden genomen om de rechten van personen die een risico lopen,te bevorderen – in het bijzonder de rechten van kinderen (met inbegrip van weeskinderen, kinderen die wees zijn geworden als gevolg van misdrijven binnen het gezin en andere bijzonder kwetsbare groepen kinderen) en om deze te beschermen ▌en ▌hun recht op ontwikkeling ▌bescherming en waardigheid te garanderen. Bestrijding van alle vormen van geweld, met name gendergebaseerd geweld, bevordering van de preventie hiervan en bescherming en ondersteuning van slachtoffers zijn prioriteiten van de Unie die bijdragen aan de verwezenlijking van de grondrechten van natuurlijke personen en bijdragen tot gendergelijkheid. Deze prioriteiten moeten door het programma worden ondersteund.

(10)  Om alle vormen van geweld te voorkomen en bestrijden en de slachtoffers te beschermen, zijn een daadkrachtige politieke inzet en gecoördineerde maatregelen vereist op basis van de methoden en resultaten van de eerdere Daphne-programma's, het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap en het programma Justitie. Sinds de lancering van het Daphne-programma in 1997 biedt het financiering ter ondersteuning van de slachtoffers van geweld en ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren. Deze financiering heeft veel succes gehad, zowel wat betreft de receptie door de belanghebbenden (overheden, academische instellingen en niet-gouvernementele organisaties) als wat betreft de effectiviteit van de gefinancierde projecten. De gefinancierde projecten hadden betrekking op voorlichting, ondersteuning van slachtoffers en ondersteuning van de activiteiten van ▌organisaties van het maatschappelijk middenveld die werkzaam zijn op het terrein. Het programma Daphne was gericht op alle vormen van geweld, zoals huiselijk geweld, seksueel geweld, mensenhandel, belaging en schadelijke traditionele praktijken zoals genitale verminking van vrouwen, alsook nieuwe vormen van geweld, zoals cyberpesten en online-intimidatie.

Het is daarom van belang dat al deze acties worden voortgezet, met opname in de begroting van afzonderlijke kredieten voor Daphne, en dat met de resultaten en de daaruit getrokken lessen terdege rekening wordt gehouden bij de uitvoering van het programma.

(11)  Non-discriminatie is een grondbeginsel van de Unie. Artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie moet worden bestreden. Non-discriminatie is ook verankerd in artikel 21 van het Handvest. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de verschillende vormen van discriminatie, met inbegrip van directe, indirecte en structurele discriminatie, en ter voorkoming en bestrijding van discriminatie op een of meer gronden moeten parallel passende maatregelen worden uitgewerkt. Via het programma moet steun worden verleend aan acties ter voorkoming en bestrijding van alle vormen van discriminatie, racisme, vreemdelingenhaat, afrofobie, antisemitisme, zigeunerhaat, moslimhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid, inclusief homofobie, bifobie, transfobie en interfobie en andere vormen van onverdraagzaamheid op basis van genderidentiteit, zowel online als offline, tegen personen die tot een minderheid behoren, waarbij rekening moet worden gehouden met meerlagige discriminatie. In dit verband moet ook bijzondere aandacht worden besteed aan het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld, haat, segregatie en stigmatisering, en aan het bestrijden van pesten, intimidatie en onverdraagzame behandeling. Het programma moet samen met andere activiteiten van de Unie die dezelfde doelstellingen op een wederzijds versterkende manier worden uitgevoerd; dit geldt met name voor de activiteiten bedoeld in de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 „Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020” en de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten(6).

(12)  Sociale en fysieke drempels en gebrekkige toegankelijkheid vormen een belemmering voor de volledige feitelijke participatie in de samenleving van mensen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen. Mensen met een handicap ondervinden hindernissen bij onder andere de toegang tot de arbeidsmarkt, het volgen van inclusief kwaliteitsonderwijs, het voorkomen van armoede en sociale uitsluiting, de toegang tot culturele initiatieven en de media en de uitoefening van politieke rechten. De Unie en alle lidstaten hebben zich er als partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap toe verbonden het volledige genot van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid door alle personen met een handicap te bevorderen, te beschermen en te waarborgen. De bepalingen van dit verdrag zijn een integrerend onderdeel geworden van de rechtsorde van de Unie.

(13)  Het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie (het recht op privacy) is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten. De bescherming van persoonsgegevens is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op de naleving van de regels voor de bescherming van persoonsgegevens wordt controle uitgeoefend door onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten. Het rechtskader van de Unie, en met name Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(7) en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad(8), bevatten bepalingen die waarborgen dat het recht op de bescherming van persoonsgegevens doeltreffend wordt beschermd. Bij deze wetgevingsinstrumenten zijn de nationale toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming belast met de taak de publieke bekendheid met en het inzicht in de risico's, voorschriften, waarborgen en rechten in verband met de verwerking van persoonsgegevens te bevorderen. Gezien het belang van het recht op de bescherming van persoonsgegevens in tijden van snelle technologische ontwikkelingen moet de Unie in staat worden gesteld voorlichtingsactiviteiten uit te voeren, onder andere door maatschappelijke organisaties te steunen die pleiten voor gegevensbescherming overeenkomstig de normen van de Unie, en studies en andere relevante activiteiten te verrichten.

(14)  Op grond van artikel 24 VWEU stellen het Europees Parlement en de Raad bepalingen vast voor de procedures en voorwaarden voor de indiening van een burgerinitiatief in de zin van artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zij hebben dat gedaan bij Verordening [(EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad(9)]. Het programma moet voorzien in financiering van de technische en organisatorische ondersteuning voor de uitvoering van Verordening [(EU) nr. 211/2011] en zo de grondslag vormen voor de uitoefening door de burgers van hun recht om Europese burgerinitiatieven te organiseren en er steun aan te betuigen.

(15)  Conform de artikelen 8 en 10 van het VWEU moeten doelstellingen inzake gendermainstreaming en de bestrijding van discriminatie worden geïntegreerd in alle activiteiten van het programma. Bij de tussentijdse en de eindevaluatie van het programma moeten de gendereffecten worden geëvalueerd om te beoordelen in hoeverre het programma bijdraagt aan gendergelijkheid en om te beoordelen of het programma geen onbedoelde negatieve gevolgen voor de gendergelijkheid heeft. In deze context en rekening houdend met de verschillende aard en omvang van de activiteiten van de diverse onderdelen van het programma, is het belangrijk dat de door de projectpromotoren verzamelde individuele gegevens waar mogelijk worden uitgesplitst naar geslacht. Het is ook belangrijk om aanvragers informatie te verstrekken over de wijze waarop rekening moet worden gehouden met gendergelijkheid, onder meer over het gebruik van instrumenten voor gendermainstreaming, zoals genderbudgettering en gendereffectbeoordelingen, indien nodig. Bij de raadpleging van deskundigen en belanghebbenden moet rekening worden gehouden met het genderevenwicht.

(16)  Op grond van artikel 3, lid 3, VEU moet de Unie de bescherming van de rechten van het kind bevorderen, overeenkomstig artikel 24 van het Handvest en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.

(17)  Krachtens handelingen van de Unie inzake gelijke behandeling richten de lidstaten onafhankelijke organen op om gelijke behandeling te bevorderen, doorgaans instanties voor gelijke behandeling genoemd, die tot taak hebben discriminatie op grond van ras, etnische afstamming en geslacht te bestrijden. Veel lidstaten gaan echter verder dan deze vereisten en bepalen dat instanties voor gelijke behandeling ook bevoegd zijn om op te treden tegen discriminatie op andere gronden, zoals taal, leeftijd, geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderdiversiteit, seksuele oriëntatie, godsdienst en overtuiging en handicaps. Instanties voor gelijke behandeling spelen een belangrijke rol voor het bevorderen van gelijkheid en effectieve toepassing van de wetgeving inzake gelijke behandeling, door met name onafhankelijke bijstand te verlenen aan slachtoffers van discriminatie, onafhankelijke onderzoeken over discriminatie uit te voeren, onafhankelijke verslagen te publiceren en aanbevelingen te doen over elk onderwerp in verband met discriminatie in het betrokken land. Het is van essentieel belang dat de werkzaamheden van instanties voor gelijke behandeling wat dit betreft op EU-niveau worden gecoördineerd. In 2007 is Equinet opgericht. De leden ervan zijn de nationale instanties voor gelijke behandeling, zoals vastgelegd in de Richtlijnen 2000/43/EG(10) en 2004/113/EG(11) van de Raad en de Richtlijnen 2006/54/EG(12) en 2010/41/EU(13) van het Europees Parlement en de Raad. Op 22 juni 2018 werd door de Commissie een aanbeveling vastgesteld betreffende normen voor organen voor gelijke behandeling. Deze aanbeveling heeft betrekking op het mandaat, de onafhankelijk, de doeltreffendheid en de coördinatie en samenwerking tussen organen voor gelijke behandeling. Equinet neemt een uitzonderlijke positie in, omdat het enige entiteit is die zorgt voor de coördinatie van activiteiten tussen de instanties voor gelijke behandeling. De coördinatieactiviteiten van Equinet zijn van cruciaal belang voor de goede toepassing van de antidiscriminatiewetgeving van de Unie in de lidstaten en moeten worden ondersteund door het programma.

(17 bis)  Om een gebruiksvriendelijke toegang tot het programma te vergemakkelijken en onpartijdig advies en praktische informatie met betrekking tot het programma te verstrekken, kunnen in de lidstaten contactpunten worden opgezet om ondersteuning te bieden zowel aan begunstigden als aan aanvragers. De contactpunten voor het programma moeten hun taken onafhankelijk kunnen uitvoeren, zonder inmenging in hun besluitvorming door de overheid. De lidstaten moeten het meest geschikte beheer van de contactpunten voor het programma kunnen kiezen, via overheidsinstanties, maatschappelijke organisaties of consortia daarvan. De contactpunten voor het programma mogen geen verantwoordelijkheden hebben op het gebied van programmabeheer.

(18)  Onafhankelijke mensenrechteninstanties en maatschappelijke organisaties spelen een essentiële rol voor de bevordering en bescherming van en de voorlichting over de gemeenschappelijke waarden van de Unie bedoeld in artikel 2 VEU, en leveren een essentiële bijdrage aan het effectieve genot van de rechten die voortvloeien uit het Unierecht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de EU. Zoals ook is aangegeven in de resolutie van het Europees Parlement van 19 april 2018 zijn een verhoging van de financiering en voldoende financiële steun van cruciaal belang voor de ontwikkeling van een gunstige en duurzame omgeving waarbinnen maatschappelijke organisaties hun rol kunnen versterken en hun taken onafhankelijk en effectief kunnen uitoefenen. Als aanvulling op de nationale inspanningen dient de financiering door de EU er derhalve toe bij te dragen dat onafhankelijke maatschappelijke organisaties die zich voor waarden en rechten inzetten en waarvan de activiteiten (zoals belangenbehartiging, bijvoorbeeld strategische procesvoering, campagnes, communicatie en ander optreden als waakhond) de strategische handhaving bevorderen van de rechten die voortvloeien uit het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de EU, worden ondersteund, meer mogelijkheden krijgen en hun capaciteit kunnen vergroten, en dat de ▌waarden van de Unie op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau worden beschermd, bevorderd en uitgedragen. Het programma moet op gebruiksvriendelijke manier ten uitvoer worden gelegd, met bijvoorbeeld een gebruiksvriendelijke procedure voor aanvragen en verslaglegging. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de toegankelijkheid ervan voor maatschappelijke organisaties op transnationaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau, met inbegrip van lokale maatschappelijke organisaties die dicht bij de mensen staan, en aan de capaciteit van de begunstigden. Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met het gebruik van financiële steun aan derden, indien van toepassing.

(19)  De Commissie moet zorgen voor de algehele samenhang, complementariteit en synergie met het werk van de organen en instanties van de Unie, in het bijzonder het Europees Instituut voor gendergelijkheid en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, en moet de balans opmaken van het werk dat andere nationale en internationale actoren verrichten op de gebieden die onder het programma vallen.

(20)  Het programma moet onder bepaalde voorwaarden openstaan voor deelname van de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), alsmede EVA-landen die geen lid zijn van de EER en andere Europese landen. Toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten waarop een pretoetredingsstrategie van toepassing is, dienen eveneens aan het programma te kunnen deelnemen.

(21)  Met het oog op een doeltreffende toewijzing van middelen uit de algemene begroting van de Unie is het noodzakelijk om de Europese toegevoegde waarde van alle uitgevoerde acties en hun complementariteit met het optreden van de lidstaten te waarborgen, en toe te zien op de samenhang, complementariteit en synergie met financieringsprogramma's die beleidsterreinen ondersteunen die onderling nauw verbonden zijn, in het bijzonder binnen het kader van het Fonds voor justitie, rechten en waarden – en derhalve het programma Justitie – en het programma Creatief Europa en Erasmus+, teneinde het potentieel van culturele kruisbestuiving op het gebied van cultuur, media, kunst, onderwijs en creativiteit te verwezenlijken. Er dienen synergieën te worden gecreëerd met andere Europese financieringsprogramma's, met name op het gebied van werkgelegenheid en de bestrijding van sociale uitsluiting, met name het Europees Sociaal Fonds+, de eengemaakte markt, ondernemerschap, jeugdzaken, gezondheid, burgerschap, justitie, migratie, veiligheid, onderzoek, innovatie, technologie, industrie, cohesie, toerisme, externe betrekkingen, handel en duurzame ontwikkeling.

(22)  Bij deze verordening worden voor het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag vormen in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure, in de zin van [ punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(14)].

(23)  Verordening (EU, Euratom) [nieuw Financieel Reglement], hierna "Financieel Reglement" genoemd, is op dit programma van toepassing. De verordening bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties.

(24)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze begroting moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten, de capaciteit van de betrokken belanghebbenden en de beoogde begunstigden, en het verwachte risico van niet-naleving. Dit houdt mede in het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten, alsook financiering die niet gekoppeld is aan de kosten, als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. ▌

(24 bis)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(15), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad(16), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(17) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(18) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd met evenredige maatregelen, daaronder begrepen preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onterecht betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(19). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(25)  Wat de tenuitvoerlegging van de specifieke doelstellingen betreft op het gebied van de bevordering van gendergelijkheid, rechten en de deelname van burgers aan het democratisch bestel van de Unie op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau, alsook op het gebied van de bestrijding van geweld, kunnen derde landen die lidstaat zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) ▌deelnemen aan Unieprogramma's in het kader van de samenwerking binnen de EER-overeenkomst, die in de uitvoering van programma's bij een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet. Derde landen kunnen ook deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. In deze verordening moet een specifieke bepaling worden opgenomen waarbij de nodige rechten worden toegekend en toegang wordt verleend aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.

(26)  De horizontale financiële voorschriften die zijn vastgesteld door het Europees Parlement en de Raad uit hoofde van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn van toepassing op deze verordening. Deze in het Financieel Reglement vastgestelde voorschriften betreffen met name de procedure voor de opstelling en de uitvoering van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De regelingen die uit hoofde van artikel 322 VWEU zijn vastgesteld, hebben tevens betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële voorwaarde is voor goed financieel beheer en doeltreffende EU-financiering.

(26 bis)  Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten heeft tot doel de Unie in staat te stellen haar begroting beter te beschermen wanneer tekortkomingen in de rechtsstaat afbreuk doen of dreigen te doen aan een goed financieel beheer of aan de financiële belangen van de Unie. Het is bedoeld als aanvulling van het programma Rechten en waarden, dat een ander doel beoogt aangezien het gericht is op de financiering van beleid op het gebied van grondrechten en Europese waarden, en daarmee op het leven van mensen en hun deelname aan de samenleving.

(27)  Volgens [referentie in voorkomend geval bijwerken overeenkomstig een nieuw LGO-besluit: artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad(20)] komen in landen en gebieden overzee (LGO) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Bij de uitvoering van het programma moet rekening worden gehouden met de problemen die rijzen ten gevolge van de afgelegen geografische ligging van de LGO's en moet de daadwerkelijke deelname van deze landen en gebieden aan het programma worden gemonitord en regelmatig worden geëvalueerd.

(28)  Gelet op het belang van de strijd tegen klimaatverandering, overeenkomstig de verplichtingen die de Unie is aangegaan voor de uitvoering van de overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties zal dit programma bijdragen tot de mainstreaming van klimaatactie en de verwezenlijking van het algemene streefcijfer dat gedurende de MFK-periode 2021-2027 25% van de uitgaven op de EU-begroting de klimaatdoelstellingen ondersteunt, met zo spoedig mogelijk, en uiterlijk in 2027, een jaarlijks streefcijfer van 30 %. Bij de voorbereiding en de uitvoering van het programma zullen relevante acties worden vastgesteld en bij de tussentijdse evaluatie zullen deze opnieuw worden beoordeeld.

(29)   Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die is verzameld aan de hand van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, moeten worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan de effecten van het programma op het terrein worden beoordeeld.

(30)   Ter aanvulling van deze verordening, met het oog op de uitvoering van het programma en de waarborging van de doeltreffende evaluatie van de voortgang ervan in de richting van de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de werkprogramma's die zijn vastgesteld in artikel 13 en de indicatoren die zijn vastgesteld in de artikelen 14 en 16 en in bijlage II. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden ingesteld, hierna "het programma" genoemd.

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021–2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Doelstellingen van het programma

1.  De algemene doelstelling van het programma is de bescherming en bevordering van de rechten en waarden die in de EU-Verdragen, het Handvest en de toepasselijke internationale mensenrechtenverdragen zijn verankerd, onder meer door ondersteuning van maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden die actief zijn op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau, en door het aanmoedigen van democratische en burgerparticipatie, met het oog op de instandhouding en verdere ontwikkeling van een open, op rechten gebaseerde, democratische, gelijke en inclusieve samenleving die gebaseerd is op de rechtsstaat.

2.  Binnen het kader van de algemene doelstelling als bedoeld in lid 1 heeft het programma de volgende specifieke doelstellingen, die overeenstemmen met de onderdelen ven het programma:

(-a)  bescherming en bevordering van de waarden van de Unie (onderdeel Waarden van de Unie)

(a)  bevordering van rechten, non-discriminatie en gelijkheid, met inbegrip van gendergelijkheid, en bevordering van de mainstreaming van gender en non-discriminatie (onderdeel Gelijkheid, rechten en gendergelijkheid)

(b)  bevordering van de betrokkenheid van de burgers bij en hun participatie in het democratisch bestel van de Unie en van uitwisselingen tussen burgers van verschillende lidstaten en vergroting van de bekendheid van de gemeenschappelijke Europese geschiedenis (onderdeel Betrokkenheid en participatie van de burger)

(c)  bestrijding van geweld, waaronder gendergerelateerd geweld (onderdeel Daphne).

Artikel 2 bis

Onderdeel Waarden van de Unie

In het kader van de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, onder -a), is het programma vooral gericht op het beschermen, bevorderen en bewustmaken van rechten door financiële steun te verlenen aan organisaties van het maatschappelijk middenveld die op lokaal, regionaal en transnationaal niveau actief zijn met het bevorderen en cultiveren van deze rechten, waarbij tevens de bescherming en de bevordering van de waarden van de Unie en de eerbiediging van de rechtsstaat worden versterkt en een bijdrage wordt geleverd aan de totstandbrenging van een democratischer Unie, de democratische dialoog, de transparantie en goed bestuur.

Artikel 3

Onderdeel Gelijkheid, rechten en gendergelijkheid

In het kader van de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, onder a), is het programma vooral gericht op:

(a)  het bevorderen van gelijkheid en het voorkomen en bestrijden van ongelijkheid en discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie, en het eerbiedigen van het beginsel van non-discriminatie op de in artikel 21 van het Handvest bedoelde gronden;

(b)  het ondersteunen, bevorderen en uitvoeren van alomvattende beleidsmaatregelen:

i)  bevordering van de volledige uitoefening van rechten door vrouwen, gendergelijkheid, met inbegrip van het evenwicht tussen werk en privéleven, versterking van de positie van vrouwen en gendermainstreaming;

ii)  bevordering van non-discriminatie en de mainstreaming daarvan;

iii)  bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en alle vormen van onverdraagzaamheid, met inbegrip van homofobie, bifobie, transfobie en interfobie en intolerantie op basis van genderidentiteit, zowel online als offline;

iv)  bescherming en bevordering van de rechten van het kind;

v)  bescherming en bevordering van en toezicht op de rechten van personen met een handicap;

(b bis)  bescherming en bevordering van de rechten van burgers van de Unie en het recht op de bescherming van persoonsgegevens.

Artikel 4

Onderdeel Betrokkenheid en participatie van de burger

In het kader van de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, onder b), is het programma vooral gericht op:

(a)  het ondersteunen van projecten ter herdenking van essentiële gebeurtenissen in de moderne Europese geschiedenis, met inbegrip van de oorzaken en gevolgen van autoritaire en totalitaire regimes, en ter vergroting van het bewustzijn onder de Europese burgers van hun gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur, cultureel erfgoed en waarden, om zo hun inzicht in de Unie, haar oorsprong, doel, diversiteit en prestaties en van het belang van wederzijds begrip en verdraagzaamheid;

(b)  het bevorderen van de deelname en bijdrage van burgers en representatieve organisaties aan het democratische en maatschappelijke leven van de Unie door hun standpunten kenbaar te maken en publiekelijk uit te wisselen, met betrekking tot alle onderdelen van het optreden van de Unie;

(b bis)  het bevorderen van uitwisselingen tussen burgers van verschillende landen, met name via stedenbanden en netwerken van gemeenten, zodat zij de rijkdom en diversiteit van het gemeenschappelijk erfgoed van de Unie praktisch kunnen ervaren en zich bewust kunnen worden van het feit dat deze de basis vormen voor een gemeenschappelijke toekomst.

Artikel 5

Onderdeel Daphne

In het kader van de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, onder c), is het programma vooral gericht op:

(-a)  het voorkomen en bestrijden op alle niveaus van alle vormen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes en van huiselijk geweld, mede door het bevorderen van de normen die zijn vastgesteld in het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul); alsmede

(a)  het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld tegen kinderen en jongeren ▌, alsmede geweld tegen andere groepen die risico lopen, zoals LGBTQI en personen met een handicap;

(b)  het ondersteunen en beschermen van alle directe en indirecte slachtoffers van dergelijk geweld, zoals huiselijk geweld binnen het gezin of geweld in intieme relaties, met inbegrip van kinderen die wees zijn geworden als gevolg van misdrijven binnen het gezin, en het ondersteunen en waarborgen van hetzelfde beschermingsniveau in de hele Unie voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld.

Artikel 6

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021–2027 bedragen [1 627 000 000] EUR in prijzen van 2018 [1 834 000 000 EUR in lopende prijzen].

2.  Van het in lid 1 bedoelde totaal worden de onderstaande indicatieve bedragen toegewezen aan de verschillende doelstellingen:

(-a)  754 062 000 EUR in prijzen van 2018 [850 000 000 EUR in lopende prijzen] (d.w.z. 46,34 % van het totale bedrag) voor de specifieke doelstellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder -a);

(a)  429 372 000 EUR in prijzen van 2018 [484 000 000 EUR in lopende prijzen] (d.w.z. 26,39 % van het totale bedrag) voor de specifieke doelstellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a) en c);

(a)  443 566 000 EUR in prijzen van 2018 [500 000 000 EUR in lopende prijzen] (d.w.z. 27,26 % van het totale bedrag) voor de specifieke doelstellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b).

De Commissie wijst ten minste 50 % van de onder -a) en a) bedoelde bedragen toe voor de ondersteuning van activiteiten van maatschappelijke organisaties, waarvan ten minste 65 % aan lokale en regionale maatschappelijke organisaties wordt toegewezen.

De Commissie wijkt ten hoogste met vijf procentpunten af van de in bijlage -I vervatte toegewezen percentages van de financiële middelen. Mocht het nodig blijken deze limiet te overschrijden, dan is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage -I te wijzigen door de toegewezen percentages van de voor het programma uitgetrokken financiële middelen met vijf tot tien procentpunten aan te passen.

3.  Het in lid 1 bedoelde bedrag kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van het programma, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van institutionele informatietechnologiesystemen, studies, bijeenkomsten van deskundigen en mededelingen over prioriteiten en gebieden die verband houden met de algemene doelstellingen van het programma.

4.  Onverminderd het Financieel Reglement zijn uitgaven voor acties die voortvloeien uit in het eerste werkprogramma opgenomen projecten vanaf 1 januari 2021 subsidiabel.

5.  Op verzoek van de lidstaten of de Commissie kunnen de aan de lidstaten in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen uit overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement op directe wijze ▌ . Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de ▌ lidstaat.

Artikel 7

Met het programma geassocieerde derde landen

1.  Het programma staat open voor de volgende landen, mits aan de voorwaarden wordt voldaan:

(a)  landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

(b)  toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

(c)  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

(d)  andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst:

—  een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

—  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5], van [het nieuwe Financieel Reglement];

—  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

—  de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

Artikel 8

Uitvoering en vormen van EU-financiering

1.  Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement.

3.  [Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kunnen dienen ter dekking van het risico dat verbonden is aan de terugvordering van door de begunstigden verschuldigde middelen en wordt beschouwd als een toereikende garantie krachtens het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X] van Verordening XXX [opvolger van de verordening inzake het Garantiefonds] zijn van toepassing.]

Artikel 9

Soorten acties

Acties die bijdragen tot de verwezenlijking van een specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 2 kunnen in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van deze verordening. Met name de in bijlage I genoemde activiteiten komen in aanmerking voor financiering.

Artikel 9 bis

Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld

De Commissie richt een groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld op om te zorgen voor een regelmatige, open en transparante dialoog met de begunstigden van het programma en andere belanghebbenden, teneinde ervaringen en goede praktijken uit te wisselen en beleidsontwikkelingen te bespreken met betrekking tot de in het programma bestreken gebieden en doelstellingen en daaraan verwante gebieden.

Hoofdstuk II

Subsidies

Artikel 10

Subsidies

1.  Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.

2.  Het evaluatiecomité kan uit externe deskundigen bestaan.

Artikel 11

Cumulatieve [, complementaire] en gecombineerde financiering

1.  Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. [De cumulatieve financiering mag de totale subsidiabele kosten van de actie niet overschrijden en de steun uit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend].

2.  Indien via het programma en de fondsen in gedeeld beheer, bedoeld in artikel 1 van Verordening (EU) [XX] [verordening gemeenschappelijke bepalingen] gezamenlijk financiële steun wordt verstrekt aan eenzelfde actie, wordt die actie uitgevoerd volgens de voorschriften van deze verordening, met inbegrip van de voorschriften inzake de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen.

3.  Acties die in aanmerking komen voor subsidie via het programma en aan de voorwaarden van de tweede alinea voldoen, kunnen worden geïdentificeerd met het oog op financiering via de fondsen in gedeeld beheer. In dat geval gelden de medefinancieringspercentages en de subsidiabiliteitsvoorschriften waarin deze verordening voorziet.

Voor de in de eerste alinea bedoelde acties gelden de volgende cumulatieve voorwaarden:

a)  de maatregelen zijn beoordeeld in het kader van een oproep tot het indienen van voorstellen voor het programma;

b)  de maatregelen voldoen aan de minimumkwaliteitseisen die in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen zijn vastgesteld;

c)  de maatregelen kunnen als gevolg van budgettaire beperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen worden gefinancierd.

De acties worden uitgevoerd door de beheersautoriteit bedoeld in artikel [65] van Verordening (EU) [XX] [verordening gemeenschappelijke bepalingen] overeenkomstig de in die verordening en de fondsspecifieke verordeningen opgenomen voorschriften inzake financiële correcties.

Artikel 12

In aanmerking komende entiteiten

1.  Naast de in artikel [197] van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de in de leden 2 en 3 vastgestelde criteria om in aanmerking te komen van toepassing.

2.  De volgende entiteiten komen in aanmerking:

a)  juridische entiteiten die gevestigd zijn in een van de volgende landen:

—  een lidstaat of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee;

—  een met het programma geassocieerd derde land, met uitzondering van de specifieke doelstelling bedoeld in artikel 2, lid 2, onder -a);

b)  juridische entiteiten die zijn opgericht krachtens het Unierecht, of internationale organisaties.

3.  Zonder oproep tot het indienen van voorstellen kunnen op grond van artikel 6, lid 2, onder a), exploitatiesubsidies worden toegekend aan het Europees netwerk van instanties voor gelijke behandeling Equinet ter dekking van uitgaven die betrekking hebben op het permanente werkprogramma.

Hoofdstuk III

Programmering, monitoring, evaluatie en controle

Artikel 13

Werkprogramma en meerjarenprioriteiten

1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement.

2.  ▌De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door het passende werkprogramma vast te stellen.

Artikel 14

Monitoring en verslaglegging

1.  De indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 2 vermelde specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage II.

2.  Om te zorgen voor een effectieve evaluatie van de voortgang van het programma in de richting van de verwezenlijking van zijn doelstellingen, wordt de Commissie overeenkomstig artikel 16 gemachtigd om gedelegeerde handelingen voor de ontwikkeling van een kader voor monitoring en evaluatie vast te stellen, onder meer door wijziging van bijlage II teneinde de indicatoren waar nodig te herzien en aan te vullen.

3.  Het systeem voor verslaglegging over de prestaties waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe worden de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten aan evenredige verslagleggingsvereisten onderworpen.

Artikel 15

Evaluatie

1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen. Bij de tussentijdse evaluatie wordt rekening gehouden met de evaluaties van het langetermijneffect van de voorgaande programma's (Rechten, gelijkheid en burgerschap en Europa voor de burger).

3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.

4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend op de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in de artikelen 13 en 14 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2027.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 6, 13 en 14 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad. Burgers en andere belanghebbenden kunnen, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven, gedurende een periode van vier weken hun mening geven over de ontwerptekst van een gedelegeerde handeling. Het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's worden over de ontwerptekst geraadpleegd op basis van de ervaringen van ngo's en lokale en regionale overheden met de uitvoering van het programma.

6.  Een overeenkomstig de artikelen 13 en 14 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt slechts in werking indien noch het Europees Parlement, noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 17

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Indien een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit uit hoofde van een internationale overeenkomst of een ander rechtsinstrument, kent het derde land de nodige rechten toe en verleent het de nodige toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. Wat OLAF betreft, omvatten deze rechten het recht om onderzoeken te verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

Hoofdstuk IV

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 18

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

2.  De Commissie zorgt voor informatie en communicatie uit met betrekking tot het programma alsmede de in de kader uitgevoerde acties en de resultaten daarvan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 2 bedoelde doelstellingen.

Artikel 18 bis

Contactpunten voor het programma

Elke lidstaat kan contactpunten voor het programma oprichten. Zij zijn belast met het verstrekken van onpartijdige richtsnoeren, praktische informatie en bijstand aan aanvragers, belanghebbenden en begunstigden van het programma met betrekking tot alle aspecten ervan, inclusief de aanvraagprocedure, de verspreiding van gebruiksvriendelijke informatie en van programmaresultaten, situaties waar partners worden gezocht, opleiding en andere formaliteiten. De contactpunten voor de programma's voeren taken onafhankelijk uit.

Artikel 20

Intrekking

Verordening (EU) nr. 1381/2013 en Verordening (EU) nr. 390/2014 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 21

Overgangsbepalingen

1.  Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties op grond van Verordening (EU) nr. 1381/2013 en Verordening (EU) nr. 390/2014, die op de betrokken acties van toepassing blijven totdat zij worden afgesloten.

2.  De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het programma en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van de voorgaande programma's die bij de Verordeningen (EU) nr. 1381/2013 en (EU) nr. 390/2014 zijn vastgesteld.

3.  Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 6, lid 3, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE -I

De in artikel 6, lid 1, bedoelde beschikbare middelen in het kader van het programma worden als volgt toegewezen:

a)  binnen het in artikel 6, lid 2, onder a), bedoelde bedrag:

—  ten minste 15 % voor activiteiten ter verwezenlijking van de specifieke doelstelling in artikel 3, onder b), punt i);

—  ten minste 40 % voor activiteiten ter verwezenlijking van de specifieke doelstellingen in artikel 5, onder -a); alsmede

—  ten minste 45 % voor activiteiten ter verwezenlijking van de specifieke doelstellingen in artikel 3, onder a), b), punt ii) tot en met v), en c), en in artikel 5, onder a) en b); bedoelde specifieke doelstellingen;

b)  binnen het in artikel 6, lid 2, onder b), bedoelde bedrag:

—  15 % voor herdenkingsactiviteiten;

—  65 % voor democratische participatie;

—  10 % voor promotieactiviteiten; alsmede

—  10 % voor administratie.

BIJLAGE I

Door het programma ondersteunde activiteiten ▌

De in artikel 2 ▌bedoelde algemene en specifieke doelstellingen van het programma worden met name nagestreefd door het ondersteunen van de volgende activiteiten:

(a)  bewustmaking, bevordering en verspreiding van informatie ter verbetering van de bekendheid met rechten en waarden en met beleid binnen de onder het programma vallende gebieden en doelstellingen;

(b)  wederzijdse leerprocessen door uitwisseling van goede praktijken tussen belanghebbenden om kennis en wederzijds begrip ▌te bevorderen;

(c)  analytische monitoring ter verbetering van het inzicht in de situatie in de lidstaten en op het niveau van de Unie op gebieden die onder het programma vallen, alsmede ter verbetering van de uitvoering van de wetgeving en het beleid van de EU en de waarden van de Unie binnen de lidstaten, met activiteiten als bijvoorbeeld de verzameling van gegevens en statistieken; het ontwikkelen van gemeenschappelijke methoden en, in voorkomend geval, indicatoren of benchmarks; studies, onderzoek, analyses en enquêtes; evaluaties; effectbeoordeling; het opstellen en publiceren van handleidingen, verslagen en educatief materiaal;

(d)  opleiding van belanghebbenden ter verbetering van hun kennis van het beleid en hun rechten op de door het programma bestreken gebieden;

(e)  ontwikkeling en onderhoud van tools op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT);

(e bis)  het ondersteunen van maatschappelijke organisaties en belanghebbenden in de non-profitsector die actief zijn op de gebieden waarop het programma betrekking heeft, om hun reactievermogen te vergroten en te zorgen voor passende toegang tot hun diensten, advies en ondersteuningsactiviteiten voor alle burgers;

(e ter)  het ondersteunen van maatschappelijke organisaties en belanghebbenden in de non-profitsector die actief zijn op de gebieden waarop het programma betrekking heeft, om activiteiten te ontplooien op het gebied van belangenbehartiging ter bevordering van rechten, waarbij tevens de bescherming en bevordering van de waarden van de Unie en de eerbiediging van de rechtsstaat worden versterkt en een bijdrage wordt geleverd aan de democratische dialoog, transparantie en goed bestuur, ook in geval van een steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld;

(f)  versterking van de bekendheid van de burgers, met name jongeren, met de Europese cultuur, het Europees cultureel erfgoed, de Europese identiteit en de Europese geschiedenis, inclusief met betrekking tot totalitaire en autoritaire regimes en andere beslissende momenten van de recente Europese geschiedenis, ter versterking van herdenking en van het engagement van de Europese burgers ten aanzien van de Unie, en om verdraagzaamheid, wederzijds begrip, interculturele dialoog en respect voor diversiteit aan te moedigen;

(g)  burgers van verschillende nationaliteiten en culturen met elkaar in contact brengen door hun de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan activiteiten in het kader van stedenbanden en projecten van maatschappelijke organisaties, om zo de voorwaarden te scheppen voor een sterkere bottom-upbenadering en democratische en burgerparticipatie te bevorderen;

(h)  aanmoediging en facilitering van actieve en inclusieve deelname aan de opbouw van een meer democratische Unie en versterking van het besef van rechten en waarden door ondersteuning van maatschappelijke organisaties;

(i)  versterking van het vermogen van Europese netwerken om het recht, de waarden, de beleidsdoelstellingen en de strategieën van de EU verder te ontwikkelen en te bevorderen ▌;

(j)  financiering van de technische en organisatorische ondersteuning voor de uitvoering van Verordening [(EU) nr. 211/2011] en zo de grondslag vormen voor de uitoefening door de burgers van hun recht om Europese burgerinitiatieven te organiseren en er steun aan te betuigen;

(k)  bevordering van de kennis van het programma en van de verspreiding en overdraagbaarheid van de resultaten ervan en bevordering van de bewustmaking, onder meer door het opzetten en ondersteunen van ▌contactpunten voor het programma.

BIJLAGE II

Indicatoren

Het programma wordt gemonitord aan de hand van een reeks indicatoren om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt, mede om de administratieve lasten en de kosten zo laag mogelijk te houden. Daartoe zullen gegevens worden vergaard met betrekking tot onderstaande indicatoren:

Het aantal personen dat is bereikt door:

i)  opleidingsactiviteiten;

ii)  activiteiten inzake wederzijds leren en uitwisselen van goede praktijken;

iii)  activiteiten inzake bewustmaking, voorlichting en verspreiding.

Het aantal maatschappelijke organisaties dat is bereikt door ondersteuning en capaciteitsopbouw.

Het aantal transnationale netwerken en initiatieven inzake Europese herdenking en Europees erfgoed dat via het programma tot stand is gekomen.

Alle individuele gegevens worden waar mogelijk uitgesplitst naar geslacht; bij de tussentijdse en eindevaluatie van het programma wordt gefocust op elk onderdeel en elke activiteit, deze evaluaties omvatten een gendergelijkheidsperspectief en er wordt een beoordeling bij uitgevoerd van de effecten op de gendergelijkheid.

(1)PB C 62 van 15.2.2019, blz. 178.
(2)PB C 461 van 21.12.2018, blz. 196.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2019. De grijs gemarkeerde tekstdelen vormen niet het voorwerp van het in het kader van interinstitutionele onderhandelingen bereikte akkoord.
(4)Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62).
(5)Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020, PB L 115 van 17.4.2014, blz. 3.
(6)PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1.
(7)PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(8)PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(9)Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief (PB L 65 van 11.3.2011, blz. 1).
(10)Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).
(11)Richtlijn 2004/113/EG van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37).
(12)Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).
(13)Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1).
(14)[De verwijzing moet worden geactualiseerd: PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1. De overeenkomst is beschikbaar op: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/LSU/?uri=celex:32013Q1220(01) ].
(15) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(16) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(17) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(18) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(19) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(20)Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 16 maart 2020Juridische mededeling - Privacybeleid