Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2810(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0108/2019

Ingediende teksten :

B9-0108/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/10/2019 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0031

Aangenomen teksten
PDF 136kWORD 52k
Donderdag 10 oktober 2019 - Brussel Definitieve uitgave
Buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in nationale en Europese democratische processen
P9_TA(2019)0031B9-0108/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in de nationale en Europese democratische processen (2019/2810(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 7, 8, 11, 12, 39, 40, 47 en 52 daarvan, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name de artikelen 8, 9, 10, 11, 13, 16 en 17 daarvan, en het protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name artikel 3 daarvan,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 16 december 1966, met name de artikelen 2, 17, 19, 20 en 25 daarvan,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2018, getiteld “Bestrijding van online-desinformatie: een Europese benadering” (COM(2018)0236),

–  gezien het gezamenlijke actieplan tegen desinformatie van de Commissie en de VV/HV van 5 december 2018 (JOIN(2018)0036) en het gezamenlijke verslag van de Commissie en de VV/HV over de uitvoering van het actieplan tegen desinformatie van 14 juni 2019 (JOIN(2019)0012),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 18 oktober 2018,

–  gezien de studie met als titel “Automated tackling of disinformation” (“geautomatiseerde bestrijding van desinformatie”) , gepubliceerd door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten van het Europees Parlement op 15 maart 2019(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2019 over de veiligheidsdreigingen in verband met de toenemende technologische aanwezigheid van China in de EU en mogelijke maatregelen op EU-niveau om deze tegen te gaan(2),

–  gezien zijn resolutie van 23 november 2016 over de strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden(3),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 maart 2019 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid bij het opmaken van de balans ten aanzien van de door de EDEO gegeven follow-up twee jaar na het EP‑verslag over strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden(4),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(5) en de huidige herziening daarvan,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over het gebruik van gegevens van Facebook-gebruikers door Cambridge Analytica en de impact op de gegevensbescherming(6),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2018 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2019 getiteld “Negentiende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie” (COM(2019)0353),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(8),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 juni 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027 (COM(2018)0434),

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de pogingen van statelijke en niet-statelijke actoren van derde landen om door middel van kwaadwillige inmenging invloed uit te oefenen op de besluitvorming in de EU en de lidstaten, en de in artikel 2 VEU verankerde waarden onder druk te zetten, deel uitmaken van een algemene trend waarmee democratieën wereldwijd te maken krijgen;

B.  overwegende dat buitenlandse inmenging talloze vormen kan aannemen, waaronder desinformatiecampagnes op sociale media om de publieke opinie te sturen, cyberaanvallen tegen kritieke infrastructuur in verband met verkiezingen, en directe en indirecte financiële steun aan politieke actoren;

C.  overwegende dat de buitenlandse inmenging in verkiezingen een grote uitdaging vormt, aangezien deze ernstige risico’s inhoudt voor de Europese democratische samenlevingen en instellingen, de fundamentele rechten en vrijheden, de rechtsstaat, de veiligheid, de economische welvaart en, uiteindelijk, de Europese soevereiniteit;

D.  overwegende dat de wereldwijde interconnectie van mensen en economieën door digitale middelen en nieuwe technologieën gebruikt en misbruikt wordt voor buitenlandse inmenging door staten; overwegende dat met name mediaplatforms gemakkelijk kunnen worden gebruikt om desinformatie te verspreiden;

E.  overwegende dat bekendheid moet worden gegeven aan de desinformatiecampagnes van Rusland, aangezien deze de belangrijkste bron van desinformatie in Europa vormen;

F.  overwegende dat statelijke en niet-statelijke actoren uit andere derde landen dan Rusland betrokken zijn bij kwaadwillige inmenging in Europese openbare debatten;

G.  overwegende dat uit een voorlopige analyse van de Commissie in juni 2019 is gebleken dat de maatregelen die zijn genomen om de integriteit van de Europese verkiezingen te beschermen, hebben bijgedragen tot het beperken van de inmenging van buitenlandse staten en niet-overheidsactoren in de verkiezingen voor het Europees Parlement van mei 2019;

H.  overwegende dat de EU een aantal maatregelen met succes ten uitvoer heeft gelegd om de buitenlandse invloed op de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2019 te beperken en de integriteit ervan te in stand te houden, waaronder een praktijkcode tegen desinformatie, een systeem voor snelle waarschuwingen en een Europees netwerk voor electorale samenwerking; overwegende dat de Commissie heeft aangekondigd van plan te zijn verdere maatregelen te nemen om deze kwesties aan te pakken;

I.  overwegende dat de EU sterk afhankelijk is van buitenlandse technologieën, software en infrastructuur, waardoor zij kwetsbaarder kan worden voor buitenlandse electorale inmenging;

J.  overwegende dat de schaal van kwaadwillige inmenging een gecoördineerde Europese respons vereist, met inbegrip van verschillende complementaire componenten;

K.  overwegende dat de verantwoordelijkheid voor het bestrijden van desinformatie en buitenlandse electorale inmenging niet uitsluitend berust bij de overheid, maar ook bij internet- en socialemediabedrijven, die daarom moeten samenwerken om dit doel te bereiken zonder de vrijheid van meningsuiting te ondermijnen of geprivatiseerde instanties voor censuur te worden;

L.  overwegende dat uit verschillende onderzoeken is gebleken dat cruciale regels voor de verkiezingen zijn geschonden of omzeild, met name de bestaande bepalingen inzake de transparantie van de financiering van verkiezingscampagnes, met vermeende politieke uitgaven van non-profitorganisaties uit derde landen, met name uit Rusland;

M.  overwegende dat alle gemelde gevallen van buitenlandse inmenging in verkiezingen een systematisch patroon vormen dat zich de afgelopen jaren heeft herhaald;

N.  overwegende dat voor eind 2020 meer dan 50 presidents-, nationale, lokale of regionale verkiezingen in de lidstaten zullen worden gehouden;

1.  benadrukt het feit dat vrijheid van meningsuiting, de bescherming van de privacy en persoonsgegevens en mediapluralisme de kern vormen van weerbare democratische samenlevingen, en voorzien in de beste waarborgen tegen desinformatiecampagnes en vijandige propaganda;

2.  benadrukt dat, ondanks de vele facetten van vijandige buitenlandse inmenging en desinformatie, de inmenging in verkiezingen deel uitmaakt van een bredere strategie van hybride oorlogvoering en dat de aanpak daarvan derhalve een kernthema van veiligheid en buitenlands beleid blijft;

3.  herhaalt dat buitenlandse inmenging in de verkiezingen een aantasting vormt van het in de Universele Verklaring van de rechten van de mens verankerde recht van mensen om deel te nemen aan het bestuur van hun land – hetzij rechtstreeks, hetzij via vrij verkozen vertegenwoordigers – en dat dit soort inmenging door andere staten een schending vormt van het internationaal recht, ook wanneer er geen sprake is van militair geweld en de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid niet wordt bedreigd;

4.  is van mening dat vrije en eerlijke verkiezingen de kern vormen van het democratische proces en verzoekt daarom de EU-instellingen en de lidstaten doortastend op te treden in deze kwestie, onder meer in het komende denkoefening over de toekomst van de EU;

5.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat in de aanloop naar alle belangrijke nationale en Europese verkiezingen steeds aantoonbaar sprake is van inmenging, dikwijls met aanwijzingen van buitenlandse invloed, waarbij een groot deel van deze inmenging ten goede komt aan anti-EU-, rechtsextremistische en populistische kandidaten en zich richt tegen specifieke minderheden en kwetsbare groepen, waaronder migranten, LGBTI’s en religieuze groepen, personen met een Roma-achtergrond, moslims, of personen die als moslims worden aangemerkt, om het bredere doel van het ondermijnen van de aantrekkingskracht van democratische en gelijke samenlevingen te dienen;

6.  erkent de verontrustende tendens van mondiale extreemrechtse groeperingen die op grote schaal gebruikmaken van desinformatie op socialemediaplatforms; is bezorgd dat dergelijke desinformatie invloed heeft gehad op het verzet tegen gendergelijkheid en LGBTI-rechten;

7.  erkent dat de overgrote meerderheid van de lidstaten buitenlandse donaties geheel of gedeeltelijk verbiedt aan politieke partijen en kandidaten; wijst er met bezorgdheid op dat, zelfs indien wetgeving beperkingen oplegt aan de bronnen van politieke financiering, buitenlandse actoren manieren hebben gevonden om deze te omzeilen en hun bondgenoten steun hebben aangeboden door leningen af te sluiten met buitenlandse banken, zoals in het geval van het Front National in 2016, middels koop- en commerciële overeenkomsten, waarvan sprake was in de door Der Spiegel en Süddeutsche Zeitung op 17 mei 2019 gepubliceerde aantijgingen tegen de Oostenrijkse Vrijheidspartij en de aantijgingen van Buzzfeed en L’Expresso op 10 juli 2019 tegen Lega per Salvini Premier, en door het faciliteren van financiële activiteiten, zoals gemeld in de Britse pers met betrekking tot de Leave.eu-campagne;

8.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de uiterst gevaarlijke aard van Russische propaganda in het bijzonder, en verzoekt de Commissie en de Raad een doeltreffende en gedetailleerde strategie in te voeren om de Russische desinformatiestrategieën op een snelle en robuuste manier tegen te gaan;

9.  stelt met bezorgdheid vast dat sinds januari 2019 het aantal aan Russische bronnen toegewezen en door de East StratCom Task Force gedocumenteerde gevallen van desinformatie (998) meer dan verdubbeld is vergeleken met dezelfde periode in 2018 (434 gevallen);

10.  veroordeelt voorts krachtig het steeds agressievere optreden van statelijke en niet-statelijke actoren uit derde landen dat gericht is op de ondermijning en opschorting van de normatieve grondslagen en beginselen van de Europese democratieën en de soevereiniteit van alle EU-toetredingslanden in de Westelijke Balkan en de tot het Oostelijk Partnerschap behorende landen, alsook de beïnvloeding van verkiezingen en de ondersteuning van extremistische bewegingen, waarbij de voortdurende toename van cyberaanvallen in aanmerking moet worden genomen;

11.  erkent het positieve effect van de vrijwillige acties van dienstverleners en platforms om desinformatie tegen te gaan, met inbegrip van nieuwe regels in de praktijkcode ter verhoging van de transparantie van verkiezingsadvertenties op sociale media, alsook van de maatregelen die de Commissie en de lidstaten het afgelopen jaar hebben genomen, en herinnert hen aan hun gezamenlijke verantwoordelijkheid bij de bestrijding van desinformatie;

12.  herinnert aan zijn resolutie van 25 oktober 2018, waarin Facebook, na het schandaal rond Cambridge Analytica, wordt verzocht verschillende maatregelen te treffen om het gebruik van het sociale platform voor inmenging in verkiezingen te voorkomen; merkt op dat Facebook de meeste van deze verzoeken niet heeft opgevolgd;

13.  is van mening dat electorale inmenging in één lidstaat van invloed is op de EU in haar geheel, aangezien dit gevolgen kan hebben voor de samenstelling van de EU-instellingen; is van mening dat deze bedreigingen noch door geïsoleerd werkende nationale autoriteiten alleen kunnen worden aangepakt, noch door loutere zelfregulering van de particuliere sector, maar dat hiervoor een gecoördineerde aanpak op verschillende niveaus met meerdere belanghebbenden nodig is; is van oordeel dat zowel op EU- als op internationaal niveau een rechtskader voor de aanpak van hybride dreigingen, waaronder cyberaanvallen en desinformatie, moet worden ontwikkeld, teneinde een robuuste respons van de EU mogelijk te maken;

14.  wijst er echter nogmaals op dat er een sterk gemeenschappelijk Europees beleid moet worden ontwikkeld om zowel buitenlandse inmenging als desinformatiecampagnes doeltreffend aan te pakken door middel van krachtige EU-communicatie met onlineplatforms en aanbieders van diensten;

15.  dringt er bij alle betrokken actoren op aan zich te blijven inspannen om ervoor te zorgen dat het democratische proces en de verkiezingen worden beschermd tegen buitenlandse statelijke en niet-statelijke inmenging en manipulatie; wijst er met name op dat de mediageletterdheid en burgerschapsvorming vanaf jonge leeftijd met behulp van cultuur en scholing moeten worden verbeterd om degenen die de doelgroep zijn van desinformatiecampagnes in staat te stellen de verstrekte informatie als bevooroordeeld te herkennen; moedigt de lidstaten daarom aan specifieke cursussen inzake mediageletterdheid in hun onderwijsprogramma’s op te nemen en voorlichtingscampagnes te ontwikkelen voor de bevolkingsgroepen die kwetsbaarder zijn voor desinformatie;

16.  maakt zich zorgen over de afhankelijkheid van de EU van buitenlandse technologieën en hardware; onderstreept dat de EU ernaar moet streven haar eigen capaciteiten te vergroten, aangezien dit de mogelijkheden voor kwaadwillige electorale inmenging van buitenlandse actoren zal beperken;

17.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om een innovatievriendelijk klimaat te scheppen, op basis van de beginselen van de markteconomie en de bescherming van de grondrechten, zodat Europese bedrijven hun potentieel ten volle kunnen benutten en de bescherming van deze rechten als concurrentievoordeel kunnen aanwenden;

18.  dringt aan op nationale en Europese financiering voor de versterking van de capaciteit om de strategische communicatie van vijandelijke derde partijen te bestrijden en informatie en beste praktijken op dit gebied uit te wisselen, onder meer in het kader van het huidige meerjarig financieel kader en het kader voor de periode na 2020, onder meer via de programma’s Horizon Europa en Digitaal Europa; onderstreept dat dergelijke programma’s toereikende waarborgen moeten bevatten om te zorgen voor strikte inachtneming van het internationaal recht en de mensenrechten, met name bij de financiering van derde landen;

19.  benadrukt de noodzaak om verantwoordelijke journalistiek en redactionele verantwoordelijkheid zowel in de traditionele als in de nieuwe media te blijven ondersteunen en te bevorderen in de strijd tegen niet-geverifieerde of eenzijdige tendentieuze informatie die het vertrouwen van de burgers in onafhankelijke media ondermijnt;

20.  benadrukt dat het van essentieel belang is om de publieke media te ondersteunen, die niet financieel afhankelijk zijn van particuliere financieringsbronnen, en derhalve kwalitatief hoogwaardige en onpartijdige informatie aan het grote publiek kunnen verstrekken, en tegelijkertijd hun onafhankelijkheid van politieke inmenging te waarborgen en in stand te houden;

21.  herhaalt zijn steun voor het waardevolle werk van het Europees Fonds voor Democratie in de ondersteuning van organisaties die nepnieuws en desinformatie bestrijden;

22.  is van mening dat de EU moet werken aan praktische oplossingen ter ondersteuning en versterking van de democratische, onafhankelijke en gevarieerde media in de buurlanden van de EU en in de landen van de Westelijke Balkan die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU;

23.  dringt erop aan dat de EU East StratCom Task Force wordt opgewaardeerd naar een permanente structuur binnen de Europese dienst voor extern optreden, met aanzienlijk meer financiële middelen en meer personeel dan tot nu toe het geval was;

24.  wijst erop dat vanwege de complexiteit van de risico’s van electorale inmenging en desinformatiecampagnes online, de opsporing en het beheer van deze risico’s sectoroverschrijdende samenwerking vergt waarbij de bevoegde autoriteiten en belanghebbenden betrokken zijn;

25.  verzoekt de Commissie verkiezingsuitrusting als kritieke infrastructuur aan te merken om ervoor te zorgen dat in geval van een inbreuk maatregelen op grond van de NIS-richtlijn(9) kunnen worden genomen;

26.  herinnert eraan dat een aanzienlijk deel van deze kwaadwillige inmenging een inbreuk vormt op de Europese regels inzake gegevensbescherming en privacy; verzoekt de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten volledig van hun bevoegdheden gebruik te maken om inbreuken op de gegevensbescherming te onderzoeken en afschrikkende sancties op te leggen;

27.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten het vermeende illegale gebruik van de politieke ruimte online door buitenlandse staten te onderzoeken, met de steun van Eurojust;

28.  verzoekt de Commissie haar monitoring van de impact van buitenlandse inmenging in heel Europa voort te zetten en te voldoen aan de plechtige belofte van haar verkozen voorzitter Ursula von der Leyen om “de dreiging van externe bemoeienis met onze Europese verkiezingen aan te pakken”(10);

29.  verzoekt de volgende vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van de strijd tegen desinformatie een centrale doelstelling van het buitenlands beleid te maken;

30.  verzoekt de Commissie om mogelijke wetgevende en niet-wetgevende maatregelen te evalueren die kunnen leiden tot interventie door socialemediaplatforms, met als doel de door bots gedeelde inhoud systematisch te identificeren, de algoritmen te herzien om ze zo objectief mogelijk te maken, en de accounts te sluiten van personen die illegale activiteiten ontplooien die gericht zijn op het verstoren van democratische processen of aanzetten tot haatzaaiende uitingen, zonder de vrijheid van meningsuiting in het gedrang te brengen;

31.  verzoekt de Commissie en de lidstaten openbare instellingen, denktanks, ngo’s en lokale cyberactivisten, die zich bezighouden met kwesties van propaganda en desinformatie, te ondersteunen, en financiering en steun beschikbaar te stellen voor voorlichtingscampagnes die erop gericht zijn de weerbaarheid van EU-burgers tegen desinformatie te vergroten;

32.  herinnert aan de belangrijke rol van klokkenluiders als waarborg van democratie en bestuur bij het openbaar maken van informatie in het algemeen belang; verzoekt de autoriteiten van de lidstaten van de Raad van Europa een beleid inzake klokkenluiders vast te stellen en te verspreiden, met inachtneming van de 20 beginselen die in Aanbeveling CM/Rec (2014)6 zijn opgenomen; herinnert aan de onlangs vastgestelde richtlijn betreffende de bescherming van klokkenluiders;

33.  herinnert eraan dat de EU 4 175 miljoen euro beschikbaar stelt voor acties ter ondersteuning van de vrijheid van de media en de onderzoeksjournalistiek, met inbegrip van een reactiemechanisme voor schendingen van de pers- en mediavrijheid en de concrete bescherming van journalisten;

34.  is van mening dat de EU alleen door een holistische benadering van buitenlandse, autoritaire inmenging en het aanpakken van de kwetsbaarheden in alle aspecten van democratisch bestuur en instellingen, met inbegrip van Europese politieke partijen, haar democratische processen kan waarborgen;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten besprekingen te voeren met belanghebbenden en internationale partners, onder meer in internationale fora, teneinde hun acties ter bestrijding van hybride bedreigingen op te voeren;

36.  benadrukt dat de NAVO en haar expertisecentra een belangrijk instrument zijn voor Europa om de trans-Atlantische banden te versterken en de weerstand van Europa en Noord-Amerika tegen desinformatie te vergroten;

37.  verzoekt de Commissie de kwestie van buitenlandse financiering van Europese politieke partijen en stichtingen aan te pakken zonder de totstandbrenging van een Europese openbare ruimte die verder gaat dan de Europese Unie te belemmeren, en met de lidstaten een discussie op gang te brengen over deze kwesties met betrekking tot hun binnenlandse politieke partijen en stichtingen;

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en aan de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) Directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten, afdeling Wetenschappelijke Toekomstverkenningen, 15 maart 2019.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0156.
(3) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 58.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0187.
(5) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0433.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0514.
(8) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(9) Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).
(10) ‘A Union that strives for more: My agenda for Europe’, van Ursula von der Leyen – Political Guidelines for the next European Commission 2019-2024 (2019), https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/political-guidelines-next-commission_en.pdf - blz. 21.

Laatst bijgewerkt op: 30 april 2020Juridische mededeling - Privacybeleid