Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2927(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B9-0193/2019

Debatten :

PV 28/11/2019 - 3.1
CRE 28/11/2019 - 3.1

Stemmingen :

PV 28/11/2019 - 8.1

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0072

Aangenomen teksten
PDF 154kWORD 51k
Donderdag 28 november 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Situatie op het gebied van vrijheden in Algerije
P9_TA(2019)0072RC-B9-0193/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 28 november 2019 over de situatie op het gebied van de vrijheden in Algerije (2019/2927(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Algerije, in het bijzonder die van 30 april 2015 over de detentie van werknemers en mensenrechtenactivisten in Algerije(1), en zijn resolutie van 27 maart 2019 over de ontwikkelingen na de Arabische Lente: de aangewezen weg voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika(2),

–  gezien de bijgewerkte gegevens over Algerije in het jaarverslag van de EU inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2018, dat op 18 maart 2019 door de Europese Raad is aangenomen,

–  gezien de 11e zitting van de Associatieraad EU-Algerije op 14 mei 2018,

–  gezien de derde universele periodieke toetsing (UPT) van Algerije door de VN‑Mensenrechtenraad tijdens zijn 36e zitting op 21 en 22 september 2017,

–  gezien de gemeenschappelijke partnerschapsprioriteiten die op 13 maart 2017 in het kader van het herziene Europees nabuurschapsbeleid door de Democratische Volksrepubliek Algerije en de Europese Unie zijn vastgesteld, die de nadruk leggen op de tenuitvoerlegging van de herziening van de grondwet en de steun van de EU voor de vooruitgang van de democratie en de mensenrechten in Algerije,

–  gezien de associatieovereenkomst tussen de EU en Algerije(3), met name artikel 2 daarvan, waarin is bepaald dat eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten een essentieel element van deze overeenkomst is en de grondslag vormt van het binnenlandse en buitenlandse beleid van de partijen,

–  gezien de grondwet van Algerije, zoals herzien op 7 februari 2016, met name de artikelen 2, 34 t/m 36, 39, 41, 42, 48 en 54,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers, de doodstraf, foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, vrijheid van meningsuiting online en offline, het nieuwe strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie en het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie, die tot doel hebben de bescherming en monitoring van de mensenrechten centraal te stellen in het beleid van de EU,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR), het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging,

–  gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten van mensen en volkeren,

–  gezien Wet 12-06 van Algerije inzake verenigingen, en Besluit 06‑03, waarin de geloofsbelijding van niet-islamitische godsdiensten wordt gereguleerd,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Algerije een naaste buur en een belangrijke partner van de Europese Unie en van de regio Noord‑Afrika is;

B.  overwegende dat op 16 februari 2019, tien dagen nadat Abdelaziz Bouteflika zijn kandidatuur voor een vijfde presidentstermijn had aangekondigd, in Algerije vreedzame protesten zijn begonnen, die “Hirak” (“Beweging”) worden genoemd; overwegende dat Bouteflika op 2 april 2019 is afgetreden; overwegende dat de voorzitter van de Raad van de natie, Abdelkader Bensalah, daarna waarnemend staatshoofd is geworden; overwegende dat de militaire troepen onder leiding van luitenant-generaal Ahmed Gaïd Salah sinds de aftreding van Bouteflika openlijk de macht uitoefenen in het land;

C.  overwegende dat Abdelaziz Bouteflika sinds 1999 president was; overwegende dat bij de herziening van de grondwet in 2016 het maximale aantal presidentiële ambtstermijnen van toekomstige presidenten beperkt werd tot twee; overwegende dat de herziening van de grondwet niet met terugwerkende kracht kon worden toegepast, waardoor Bouteflika zich voor een vijfde termijn kandidaat kon stellen; overwegende dat de presidentsverkiezingen, die oorspronkelijk gepland stonden voor 18 april 2019, eerst werden uitgesteld tot 4 juli 2019 en daarna tot 12 december 2019;

D.  overwegende dat er in de loop van de maanden februari, maart en april 2019 in heel het land vreedzame betogingen werden georganiseerd, die vervolgens elke dinsdag en vrijdag van de afgelopen 40 weken hebben plaatsgevonden; overwegende dat demonstranten de afgelopen weken in heel het land ’s nachts protestmarsen hebben gehouden;

E.  overwegende dat Hirak brede steun geniet en de grootste protestbeweging in Algerije is; overwegende dat de demonstranten vooral jongeren zijn, die eisen dat een einde gemaakt wordt aan de corruptie, aan het gebrek aan mogelijkheden voor politiek engagement, aan de hoge werkloosheidscijfers en de onderdrukking van betogingen, en die vragen om een meer pluralistisch en inclusief kader om vrije verkiezingen voor te bereiden, als onderdeel van de bredere politieke transitie;

F.  overwegende dat Algerije in de World Press Freedom Index van 2019 op de 141e plaats van 180 onderzochte landen staat, dat de persvrijheid in het land wordt omschreven als “in gevaar”, en dat journalisten er vaak worden vervolgd; overwegende dat onafhankelijke mediaorganisaties en burgerjournalisten op sociale media en andere kanalen geconfronteerd worden met de systematische censuur van verslaggeving die door de Algerijnse autoriteiten als steun voor afwijkende standpunten wordt beschouwd;

G.  overwegende dat de Algerijnse autoriteiten sinds januari 2018 verscheidene kerken hebben gesloten, waaronder vele kerken van de Église protestante d’Algérie (EPA), de wettelijk erkende overkoepelende organisatie van protestantse kerken in Algerije;

H.  overwegende dat de hoofdredacteur van de openbare radio-omroep La chaîne 3, Meriem Abdou, op 23 februari 2019 is opgestapt om te protesteren tegen de partijdige behandeling van Hirak; overwegende dat verschillende andere journalisten zijn gearresteerd of geïntimideerd, zoals voormalig Arabisch correspondent Sofiane Merakchi van France 24 en de journalisten Azeb El Cheikh en Abdelmouji Khelladi, die sinds 26 september 2019 respectievelijk 14 oktober 2019 vastgehouden worden;

I.  overwegende dat Nadia Madassi, die de afgelopen 15 jaar op Canal Algérie presenteerde, op 4 maart 2019 is opgestapt, naar aanleiding van beschuldigingen dat zij gecensureerd werd; overwegende dat de krant Echorouk en het tv-kanaal El Bilad op 5 maart 2019 een sanctie opgelegd kregen door het Ministerie van Communicatie omdat zij verslag hadden uitgebracht over de protesten; overwegende dat de Facebookgroep Algérie – Debout!, die meer dan 500 000 leden telt, werd afgesloten, en de oprichter en beheerder van de groep, Sofiane Benyounes, meermaals geïntimideerd en ondervraagd werd alvorens hij werd aangeklaagd; overwegende dat de kranten Jeune Afrique, Tout Sur l’Algerie, Algérie Part, Interlignes en Observ’Algérie worden gecensureerd;

J.  overwegende dat demonstranten van Hirak, mensenrechtenverdedigers, journalisten en bloggers in toenemende mate worden geviseerd en gearresteerd om te verhinderen dat zij hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering uitoefenen;

K.  overwegende dat de Algerijnse orde van advocaten (Union Nationale des Ordres des Avocats, UNOA) unaniem de arrestaties van activisten van Hirak en de onderdrukking van vrijheden afkeurt; overwegende dat op 24 oktober 2019 ongeveer 500 advocaten in Algiers hebben betoogd om te eisen dat het recht van de activisten op een eerlijk proces wordt geëerbiedigd en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht wordt gewaarborgd; overwegende dat de UNOA een comité heeft opgezet ter ondersteuning van de advocaten die de vastgehouden demonstranten en dissidenten verdedigen;

L.  overwegende dat volgens de Algerijnse Liga voor de verdediging van de mensenrechten (Ligue Algérienne de défense des droits de l’Homme, LADDH) sinds het begin van de vreedzame protesten van Hirak meer dan honderd mensen gearresteerd en vastgehouden zijn; overwegende dat de aanklachten op grond waarvan zij vastgehouden worden, te weten “het ondermijnen van de integriteit van de nationale eenheid en het nationale grondgebied”, “het aanzetten tot vergadering” en “het verzwakken van het moreel van het leger”, vaag en in strijd met de internationale mensenrechtennormen zijn;

M.  overwegende dat de 87-jarige Lakhdar Bouregaa – een veteraan van de onafhankelijkheidsoorlog – op 29 juni 2019 is gearresteerd vanwege het uiten van kritiek op het hoofd van het leger; overwegende dat de 22-jarige studente Nour el Houda Dahmani op 25 november 2019 is vrijgelaten nadat zij eerder tot een gevangenisstraf van zes maanden was veroordeeld, naar aanleiding van een studentenmars op 17 september 2019, en zij een boegbeeld van de wekelijkse studentenbetogingen is geworden; overwegende dat Ibrahim Daouadji en vier andere activisten op 12 oktober 2019 zijn gearresteerd omdat zij zich verzetten tegen een bezoek van de minister van Jeugd;

N.  overwegende dat Kamal Eddine Fekhar, een arts, mensenrechtenactivist, verdediger van de Berbergemeenschap At-Mzab en voormalig lid van de LADDH, op 28 mei 2019 na 53 dagen in hongerstaking overleden is in de gevangenis waar hij sinds zijn arrestatie bij de grootschalige protesten zat, en dat zijn overlijden waarschijnlijk het gevolg is van de omstandigheden waarin hij opgesloten zat en een gebrek aan medische verzorging; overwegende dat de 22-jarige Ramzi Yettou overleden is aan de verwondingen die hij opliep toen de politie hem in april 2019 hardhandig aanpakte;

O.  overwegende dat Karim Tabbou, een oppositieleider, voormalig secretaris‑generaal van de historische oppositiepartij Front des Forces Socialistes, en op dit moment voorzitter van de niet-erkende Partij voor sociale en democratische eenheid, op 12 september 2019 gearresteerd is; overwegende dat hij op 26 september 2019 door de rechtbank van Tipaza werd vrijgelaten, maar minder dan 14 uur later opnieuw werd gearresteerd in vergelijkbare omstandigheden in een ander rechtsgebied (Sidi M’Hamed), waar hij momenteel in afzonderlijke opsluiting vastgehouden wordt;

P.  overwegende dat verschillende leden van de vereniging Rassemblement actions jeunesse, waaronder de stichter Hakim Addad, voorzitter Abdelouahab Fersaoui, en leden Massinissa Aissous, Djalal Mokrani, Ahmed Bouider, Kamel Ould Ouali, Karim Boutata, Ahcene Kadi, Wafi Tigrine en Khireddine Medjani, gearresteerd werden tijdens vreedzame protesten ter ondersteuning van gewetensgevangenen in Algerije;

Q.  overwegende dat verschillende demonstranten, zoals Samir Belarbi, Fodil Boumala, Fouad Ouicher, Saïda Deffeur en Raouf Rais, die nog steeds vastgehouden worden, en mensenrechtenverdedigers, waaronder Said Boudour, Hamid Goura en Slimane Hamitouche, vervolgd worden voor “het verzwakken van het moreel van het leger”;

R.  overwegende dat in de rechtbank van Sidi M’Hamed in Algiers op 11 november 2019 een proces tegen 42 activisten van start is gegaan, waaronder Samira Messouci, een lid van de provinciale volksvergadering van Wilaya, op aanklacht van “het in het gedrang brengen van de integriteit van het nationale grondgebied” omdat zij een Berbervlag hebben gedragen; overwegende dat deze vlag, samen met de nationale vlag, in het hele land gedragen wordt tijdens de wekelijkse protesten; overwegende dat verschillende rechtbanken in het land demonstranten hebben vrijgelaten die op grond van dezelfde aanklacht waren gearresteerd;

S.  overwegende dat de Algerijnse grondwet fundamentele vrijheden omvat, waaronder de vrijheid van vereniging, die verder gedefinieerd wordt in Wet 12‑06; overwegende dat uit hoofde van Wet 12‑06 vereist is dat alle verenigingen, ook verenigingen die zich reeds met succes hadden geregistreerd, dit opnieuw moeten doen, en zij een ontvangstbewijs voor die registratie moeten krijgen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken vooraleer zij wettig kunnen voortwerken; overwegende dat de aanvragen voor preregistratie van verschillende maatschappelijk organisaties, ngo’s, religieuze en liefdadigheidsorganisaties, zoals de LADDH, EuromedRights, de RAJ, Amnesty International, de Protestantse Vereniging van Algerije, de Nationale Commissie voor niet-islamitische religieuze groeperingen en de Feministische Vereniging voor persoonlijke ontwikkeling en uitoefening van burgerschap (AFEPEC), nog steeds in behandeling zijn, ondanks het feit dat zij aan alle wettelijke vereisten voldoen; overwegende dat deze organisaties bijgevolg geen officiële wettelijke status hebben;

T.  overwegende dat in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door Algerije is geratificeerd, is bepaald dat regeringen het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst moeten waarborgen voor alle personen die onder hun rechtsmacht vallen, in het bijzonder religieuze minderheden; overwegende dat dit recht de vrijheid omvat om de godsdienst of geloofsovertuiging te belijden die men verkiest, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer, alleen of samen met anderen gebeurt;

1.  veroordeelt met klem de willekeurige en wederrechtelijke arrestaties, opsluitingen en intimidatie van en aanvallen op journalisten, vakbondsleden, advocaten, studenten, mensenrechtenactivisten, leden van maatschappelijke organisaties en vreedzame demonstranten bij de protesten van Hirak;

2.  verzoekt de Algerijnse autoriteiten onmiddellijk en onvoorwaardelijk alle personen vrij te laten die aangeklaagd werden voor het uitoefenen van hun recht op vrijheid van meningsuiting, en met name Hakim Addad, Abdelouahab Fersaoui, Massinissa Aissous, Djalal Mokrani, Ahmed Bouider, Kamel Ould Ouali, Karim Boutata, Ahcene Kadi, Wafi Tigrine, Khireddine Medjani, Samir Belarbi, Karim Tabbou, Fodil Boumala, Lakhdar Bouregaa, Samira Messouci Ibrahim Daouadji, Salah Maati, Sofiane Merakchi, Azeb El Cheikh, Fouad Ouicher, Saïda Deffeur en de andere vreedzame demonstranten, mensenrechtenactivisten en journalisten die willekeurig in de gevangenis zijn opgesloten, ondanks het feit dat hun activiteiten uit hoofde van de Algerijnse wet waren toegestaan en in overeenstemming waren met de door Algerije geratificeerde internationale mensenrechteninstrumenten; dringt bij de Algerijnse autoriteiten aan op de opheffing van het reisverbod en de voorwaardelijke straf van Slimane Hamitouche, Abdelmonji Khelladi en Mustapha Bendjama;

3.  vraagt de Algerijnse autoriteiten een einde te maken aan alle vormen van intimidatie, met inbegrip van gerechtelijke intimidatie en intimidatie in de wetgeving, criminalisering, en willekeurige arrestaties en opsluiting van vreedzame demonstranten, mensenrechtenactivisten, kritische journalisten en bloggers, en vraagt dat de juiste maatregelen genomen worden om hun fysieke en psychologische bescherming en veiligheid te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij de vrijheid hebben om hun legitieme en vreedzame activiteiten uit te oefenen; vraagt de Algerijnse autoriteiten het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging, vreedzame vergadering en persvrijheid te eerbiedigen, zoals gewaarborgd is uit hoofde van de Algerijnse grondwet en het door Algerije ondertekende en geratificeerde ICCPR;

4.  vraagt dat een einde gemaakt wordt aan de schendingen van de vrijheid van geloofsbelijding voor christenen, ahmadi’s en andere religieuze minderheden; herinnert de Algerijnse regering eraan dat Besluit 06-03 de vrijheid van geloofsbelijding waarborgt; vraagt de Algerijnse autoriteiten de religieuze gebouwen in kwestie te heropenen;

5.  verzoekt de Algerijnse autoriteiten Wet nr. 91-19 van 2 december 1991 te wijzigen en alle beperkingen met betrekking tot vreedzame demonstraties die niet absoluut noodzakelijk of evenredig zijn in de zin van artikel 21 van het ICCPR op te heffen; maakt zich zorgen over het feit dat het decreet van 18 juni 2001, op grond waarvan betogingen in de hoofdstad verboden zijn, ondanks de bepalingen in de grondwetsherziening van 2016, nog niet is ingetrokken en nog steeds van toepassing is in het hele land;

6.  vraagt de Algerijnse autoriteiten het buitensporige gebruik van geweld door rechtshandhavingsfunctionarissen bij het uiteendrijven van publieke samenkomsten op een doeltreffende manier uit te bannen en te vermijden; veroordeelt met klem het buitensporig gebruik van geweld dat tot de dood van Ramzi Yettou heeft geleid; verzoekt de Algerijnse autoriteiten een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar alle gevallen waarin buitensporig geweld gebruikt werd door leden van de veiligheidstroepen, en de daders ter verantwoording te roepen;

7.  benadrukt dat een onafhankelijke rechterlijke macht behoort tot de fundamentele elementen van een werkzame democratie, en vraagt de Algerijnse autoriteiten de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te bevorderen en te waarborgen;

8.  vraagt de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en de lidstaten om maatschappelijke organisaties, mensenrechtenverdedigers, journalisten en demonstranten te ondersteunen, onder meer door gevangenisbezoeken te organiseren, rechtszaken te volgen en publieke verklaringen af te leggen, om het comité van de UNOA en andere organisaties die de mensenrechten verdedigen te ondersteunen, en nauwlettend de mensenrechtensituatie in Algerije te volgen, met alle beschikbare instrumenten, waaronder het Europees instrument voor democratie en mensenrechten;

9.  moedigt de Algerijnse autoriteiten aan om Wet 12-06 van 2012 inzake verenigingen in te trekken en een echte en inclusieve dialoog aan te gaan met maatschappelijke organisaties om een nieuwe wet te concipiëren die overeenkomt met internationale mensenrechtennormen en de Algerijnse grondwet;

10.  vraagt de Algerijnse autoriteiten de uitoefening van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of overtuiging voor iedereen volledig te waarborgen, zoals bepaald is in de Algerijnse grondwet en het ICCPR;

11.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de administratieve belemmeringen voor religieuze minderheden in Algerije, met name met betrekking tot Besluit 06‑03; moedigt de Algerijnse regering aan Besluit 06‑03 te herzien en verder af te stemmen op de grondwet en de internationale mensenrechtenverplichtingen, met name artikel 18 van het ICCPR;

12.  is ingenomen met de erkenning van het Tamazight als officiële taal in de grondwet in 2016, en moedigt de toepassing ervan in de praktijk aan; dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de 42 betogers die zijn gearresteerd omdat zij de Berbervlag hebben gedragen;

13.  vraagt dat de crisis opgelost wordt op basis van een vreedzaam en inclusief politiek proces; is ervan overtuigd dat democratische hervormingen en een constructieve en inclusieve dialoog met het oog op politieke, economische en maatschappelijke stabiliteit in Algerije een manier kunnen zijn om de rijke Unie van de Arabische Maghreb nieuw leven in te blazen, wat belangrijk is voor een succesvolle samenwerking tussen beide zijden van de Middellandse Zee;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de EU-delegatie in Algiers, de regering van Algerije, de secretaris-generaal van de VN en de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, en de Raad van Europa.

(1) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 106.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0318.
(3) PB L 265 van 10.10.2005, blz. 2.

Laatst bijgewerkt op: 5 maart 2020Juridische mededeling - Privacybeleid