Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2928(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B9-0214/2019

Debatten :

PV 28/11/2019 - 3.2
PV 28/11/2019 - 5.1
CRE 28/11/2019 - 3.2
CRE 28/11/2019 - 5.1

Stemmingen :

PV 28/11/2019 - 8.3

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0074

Aangenomen teksten
PDF 131kWORD 49k
Donderdag 28 november 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Haïti
P9_TA(2019)0074RC-B9-0214/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 28 november 2019 over Haïti (2019/2928(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Haïti, met name zijn resolutie van 19 januari 2011 over de situatie in Haïti een jaar na de aardbeving: humanitaire hulp en wederopbouw(1), en zijn resolutie van 8 februari 2018 over kinderslavernij in Haïti(2),

–  gezien het jaarverslag van de EU inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2018, en met name de actuele landeninformatie over Haïti, dat op 13 mei 2019 door de Raad is aangenomen,

–  gezien het definitieve verslag van de follow-up van de verkiezingswaarnemingsmissie van de EU in Haïti tussen 19 en 23 november 2018,

–  gezien het jaarverslag van juli 2017 van de stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in Haïti (MINUSTAH) en het Bureau van de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (UN OHCHR) over de mensenrechtensituatie in Haïti – 1 juli 2015 - 31 december 2016,

–  gezien het verslag van MINUSTAH en UN OHCHR over aantijgingen van schending van en inbreuk op de mensenrechten op 13 en 14 november 2018 in de wijk La Saline van Port-au-Prince,

–  gezien de universele periodieke toetsing in Haïti door de VN-Mensenrechtenraad tijdens zijn 34e zitting van 17 maart 2017,

–  gezien het door de Algemene Vergadering van de VN op 16 december 1966 aangenomen Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, waarbij Haïti partij is,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Haïti partij is,

–  gezien resolutie 2476(2019) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 25 juni 2019,

–  gezien het definitieve verslag van de EU-verkiezingswaarnemingsmissie van 2015,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid namens de Europese Unie van 7 november 2019 over de situatie in Haïti,

–  gezien het door Amnesty International op 31 oktober 2019 gepubliceerde artikel, waarin het buitensporige gebruik van geweld tegen demonstranten wordt bewezen,

–  gezien het verslag van 1 oktober 2019 van het Bureau van de VN voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden over de situatie in Haïti,

–  gezien de verklaring van de delegatie van de Europese Unie voor Haïti van 28 mei 2019,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de aankondiging van de regering van juli 2018 om subsidies stop te zetten, waardoor de brandstofprijzen tot wel 50 % konden stijgen, heeft geleid tot wijdverbreide protesten en de ernstigste binnenlandse onlusten sinds jaren; overwegende dat deze maatregel voortkwam uit de bezuinigingen die Haïti in februari 2018 overeengekomen is met het Internationaal Monetair Fonds, in ruil waarvoor financiële leningen ter waarde van 96 miljoen USD werden verstrekt om het land te helpen zijn buitenlandse schulden te voldoen;

B.  overwegende dat bij de door oppositieleiders georganiseerde demonstraties het aftreden van president Jovenel Moïse wordt geëist vanwege buitensporige inflatie, beschuldigingen van systematische corruptie van de regering, onder meer van oud-president Michel Martelly, en economische en voedselonzekerheid, zonder dat de buitenwereld hier noemenswaardige aandacht aan besteedt; overwegende dat de demonstraties die meer dan een jaar geleden zijn begonnen als protest tegen corruptieschandalen waarbij Haïtiaanse autoriteiten betrokken waren, circa honderd slachtoffers hebben geëist en tot een grote brandhaard zijn geëscaleerd; overwegende dat corruptie een endemisch probleem van de Haïtiaanse maatschappij en politiek lijkt te zijn;

C.  overwegende dat politie en leger de protesten met scherpe munitie en traangas hebben onderdrukt; overwegende dat volgens het UN OHCHR tijdens de protesten in februari 41 mensen om het leven zijn gekomen en 100 mensen gewond zijn geraakt; overwegende dat uit de meest recente cijfers van het OHCHR blijkt dat tussen 15 september en 1 november 2019 ten minste 42 mensen bij soortgelijke protesten om het leven zijn gekomen, waarvan 19 mensen stierven door handhavingsmaatregelen, en 86 mensen gewond zijn geraakt;

D.  overwegende dat er sinds maart 2019 geen regering in Haïti is, hetgeen de toegang van het land tot internationale hulpfondsen en leningen van de Wereldbank bemoeilijkt; overwegende dat Haïti vanaf januari 2020 geen parlement zal hebben omdat er in oktober 2019 geen parlementsverkiezingen zijn gehouden; overwegende dat de heer Moïse heeft aangegeven constitutionele hervormingen te willen doorvoeren ter versterking van het ambt van president;

E.  overwegende dat er ondanks de demonstraties geen wettelijke maatregelen zijn genomen; overwegende dat deze straffeloosheid en het gebrek aan aandacht van de internationale gemeenschap het geweld hebben doen escaleren; overwegende dat verdere inperking van de toegang tot gezondheidszorg, levensmiddelen, onderwijs en andere noodzakelijke voorzieningen een bijkomend gevolg van de aanhoudende crisis is, die tevens verdere tekorten aan elektriciteit en brandstof heeft veroorzaakt;

F.  overwegende dat veel gemeenschappen als gevolg van de aardbeving van 2010 nog altijd afgesneden zijn van het elektriciteitsnet en voor hun dagelijkse behoeften afhankelijk zijn van elektriciteitsgeneratoren; overwegende dat de stijging van de brandstofprijs de economische mogelijkheden verder heeft verkleind;

G.  overwegende dat overtuigend bewezen is dat de met semi-automatische geweren bewapende politie tijdens de protesten met scherp heeft geschoten, hetgeen in strijd is met het internationaal recht inzake de mensenrechten en de normen inzake het gebruik van geweld; overwegende dat journalisten het doelwit zijn van voortdurende intimidatie en fysieke agressie; overwegende dat Néhémie Joseph, een journalist bij Radio Méga die verslag deed van de protesten, op 11 oktober 2019 in zijn auto werd doodgeschoten, dat Chery Dieu-Nalio, persfotograaf bij Associated Press, in september 2019 in het gezicht werd geschoten, dat Pétion Rospide, verslaggever bij Radio Sans Fin in juni 2019 in zijn auto werd doodgeschoten, en dat de journalist Vladjimir Legagneur sinds maart 2018 vermist wordt;

H.  overwegende dat straffeloosheid eveneens hoogtij viert in gevallen zoals de moordpartij in La Saline, een buitenwijk van de hoofdstad Port-au-Prince, waar in oktober 2018 70 mensen willekeurig vermoord werden en 13 vrouwen zijn verkracht; overwegende dat de regering dit bloedbad heeft toegeschreven aan een oorlog tussen bendes; overwegende dat de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en de VN-missie ter ondersteuning van de rechtspleging in Haïti (MINUJUSTH) deze moordpartij op grond van door het nationale netwerk voor de mensenrechten (Réseau National de Défense des Droits Humains – RNDDH) vergaarde informatie toeschrijven aan de echtgenote van de president, Martine Moïse, en diverse regeringsvertegenwoordigers, die getracht zouden hebben de inwoners van La Saline om te kopen zodat zij niet langer tegen president Moïse zouden demonstreren, en stellen dat de moordpartij het gevolg was van hun weigering in te gaan op deze poging tot omkoping; overwegende dat mensenrechtenorganisaties in Haïti hebben verzocht om een OAS-missie die de moorden zal onderzoeken;

I.  overwegende dat de veiligheidssituatie in het land drastisch is verslechterd sinds oktober 2017, toen de vredesmacht van de VN-stabilisatiemissie in Haïti (UNSTAMIH) vervangen werd door MINUJUSTH, waarvan de medewerkers slechts een beperkte politiële opleiding hebben;

J.  overwegende dat genderdiscriminatie een ernstig probleem blijft in het land; overwegende dat Haïti een score van 0,593 op de genderongelijkheidsindex (GII) heeft, waarmee het land op plaats 142 van in totaal 159 plaatsen op de index van 2015 staat; overwegende dat er in Haïti sprake is van systematische en wijdverbreide discriminatie, stigmatisering, uitsluiting en geweld tegen LGBTI; overwegende dat meisjes weinig tot geen onderwijs krijgen; overwegende dat pas in 2005 wetgeving is vastgesteld op grond waarvan verkrachting en huiselijk geweld strafbaar zijn; overwegende dat het wetboek van strafrecht sinds 1835 niet meer is herzien en dat vrouwen en meisjes dikwijls ongelijke bescherming door de wet genieten; overwegende dat op 7 november 2019 10 vrouwelijke gevangenen, waaronder een vijftienjarig meisje, in de gevangenis van Gonaïves zijn verkracht; overwegende dat overbevolking, voedseltekorten, te weinig familiebezoeken en andere onmenselijke omstandigheden sinds het begin van de protesten wijdverbreid zijn in Haïtiaanse gevangenissen;

K.  overwegende dat de meeste kinderen in Haïti sinds het begin van het schooljaar in september niet naar school hebben kunnen gaan; overwegende dat analfabetisme en de toegang tot onderwijs enorme problemen vormen in Haïti, gezien het feit dat circa de helft van alle Haïtianen van 15 jaar en ouder analfabeet zijn, en ten minste 350 000 kinderen en jongeren in het hele land geen lagere of middelbare school bezoeken;

L.  overwegende dat het systeem van Restavèk, een moderne vorm van slavernij, nog altijd bestaat, waarbij Haïtiaanse kinderen uit arme gezinnen door hun ouders naar andere gezinnen worden gestuurd om daar te werken als bedienden, waarbij zij vaak misbruikt en mishandeld worden en geen toegang tot onderwijs hebben;

M.  overwegende dat Haïti plaats 168 inneemt op de index voor menselijke ontwikkeling van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties – een lagere positie dan voorheen – en dat het land continu humanitaire hulp en ontwikkelingshulp nodig heeft; overwegende dat Haïti volgens de Wereldbank het armste land van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika is, en een van de armste staten ter wereld, waarbij 59 % van de Haïtiaanse bevolking onder de nationale armoedegrens leeft, 24 % onder de nationale grens voor extreme armoede, en meer dan 40 % van de bevolking werkloos is; overwegende dat corruptie binnen de regering steeds grotere vormen aanneemt, en dat Haïti in 2018 op de corruptieperceptie-index van Transparency International van de 180 onderzochte landen de 161e plaats innam;

1.  veroordeelt uitdrukkelijk de repressie van vreedzame protesten door de Haïtiaanse autoriteiten, alsook het gebruik van dodelijk geweld, willekeurige gevangenneming, intimidatie en seksueel geweld; verlangt dat de Haïtiaanse autoriteiten onmiddellijk afstand doen van het onwettige gebruik van geweld, met name van vuurwapens en scherpe munitie, tegen vreedzame demonstranten, en het recht van mensen op vrije en vreedzame betogingen waarborgen; ondersteunt de eisen van de Haïtiaanse bevolking om een halt toe te roepen aan de corruptie en straffeloosheid;

2.  onderstreept dat alle betrokken partijen zich moeten onthouden van het gebruik van geweld om verdere instabiliteit en leed onder de bevolking te voorkomen; roept alle partijen op om binnen Haïti een eerlijke, open en inclusieve dialoog aan te gaan om beter tegemoet te kunnen komen aan de basale behoeften en verwachtingen van de bevolking, en om bestendige oplossingen te zoeken voor de huidige politieke, economische en humanitaire crisis;

3.  herinnert eraan dat justitiële hervormingen, beëindiging van langdurige voorarresten en de strijd tegen corruptie nog steeds prioriteit moeten krijgen, zoals werd vastgesteld in de laatste universele periodieke doorlichting; verzoekt de internationale gemeenschap de Haïtiaanse bevolking te ondersteunen bij de versterking van een onafhankelijk en solide rechtsstelsel dat in staat is daders voor de rechter te brengen en hen te straffen, ongeacht hun maatschappelijke status;

4.  verlangt dat er onafhankelijk onderzoek wordt gedaan naar de moorden van La Saline, naar de intimidatie van en aanvallen op journalisten, en naar de sterfgevallen die zich half september 2019 voordeden; eist dat alle daders van misdrijven berecht en gestraft worden; onderstreept eens te meer dat de media ongehinderd over de situatie moeten kunnen berichten; dringt er bij alle actoren op aan om journalisten niet langer te hinderen en hen in staat te stellen verslag te doen van de situatie in het land; herhaalt dat het recht op vreedzame meningsuiting en het uiten van kritiek moet worden gewaarborgd;

5.  schaart zich achter het verzoek om een onafhankelijke OAS-missie van deskundigen gedurende een langere periode naar Haïti te sturen met de taak om duidelijkheid te scheppen over de talrijke schendingen van de mensenrechten in het land, en met het doel een onpartijdig, grondig, transparant en onafhankelijk onderzoek uit te voeren, de verantwoordingsplicht te verbeteren en te zorgen voor gerechtigheid en waarheid voor familieleden en voor de overlevende slachtoffers, zoals verlangd wordt door nationale mensenrechtenorganisaties;

6.  wijst elke poging tot herstel van de dictatuur door bepaalde krachten af; onderstreept dat structurele hervormingen van het bestuur en de economie dringend noodzakelijk zijn om het vertrouwen in het politieke bestel van het land te herstellen; onderstreept dat radicaal een einde moet worden gemaakt aan de systematische corruptie van de regering, het cliëntelisme, en de erosie van de rechtsstaat;

7.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de ambassade van de EU in Port-au-Prince om de volledige democratische stabilisering van het land te ondersteunen en bij te dragen aan de uitbanning van corruptie en andere vormen van criminaliteit;

8.  is ermee ingenomen dat de VN-Veiligheidsraad op 16 oktober 2019 het Geïntegreerd Bureau van de Verenigde Naties in Haïti heeft opgericht, dat tot taak heeft de regering van Haïti te adviseren over verbetering van de politieke stabiliteit en goed bestuur; verzoekt de VN een actieve rol te blijven spelen in het proces van vredeshandhaving en het creëren van vrede, zonder daarbij de fouten uit het verleden te herhalen; verzoekt de VN en haar lidstaten om effectief onderzoek te doen naar de gevallen van verdenking van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik door vredestroepen van MINUSTAH en non-gouvernementele organisaties in Haïti effectief te onderzoeken, de daders strafrechtelijk te vervolgen en de slachtoffers te steunen en schadeloos te stellen;

9.  verzoekt de EU om Haïtiaanse organisaties in hun capaciteiten te versterken en te ondersteunen, zodat zij een leidende rol kunnen spelen wanneer besloten wordt over de aard van de hulp die het land wordt toegewezen en over de begunstigden van deze hulp;

10.  doet een dringend beroep op de regering van Haïti om humanitaire organisaties ongehinderd toegang tot het land te verlenen zodat zij hun taken kunnen uitvoeren, mensen in nood kunnen bijstaan, levensmiddelen kunnen uitdelen en andere cruciale hulp kunnen verstrekken;

11.  roept op tot afschaffing van Restavèk; verlangt dat de regering van Haïti maatregelen neemt om erop toe te zien dat kinderen geregistreerd en beschermd worden, zowel fysiek als psychologisch, en om af te dwingen dat zij naar school gaan; verzoekt de EU samen te werken met de Haïtiaanse regering bij de tenuitvoerlegging van een wetgevingskader ter bescherming van de rechten van het kind;

12.  onderstreept de noodzaak om geweld tegen vrouwen en meisjes te bestrijden, om alle vormen van gendergerelateerd geweld strafbaar te stellen en om abortus – thans onder alle omstandigheden verboden, ook in geval van seksueel geweld – te legaliseren; acht het noodzakelijk om alle dringende maatregelen te nemen ter bescherming en ondersteuning van vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, zoals medische en psychologische zorg en specifieke programma’s voor sociale inclusie en rehabilitatie; verordeelt de groepsverkachting van vrouwelijke gedetineerden in de gevangenis van Gonaïves; verlangt dat onverwijld een onpartijdig, onafhankelijk en effectief onderzoek naar de verdenkingen wordt ingesteld; herinnert eraan dat een staat die zijn onderdanen van hun vrijheid berooft, er verantwoordelijk voor is dat hun integriteit wordt gewaarborgd en zij beschermd worden tegen geweld;

13.  veroordeelt de in 2017 aangenomen, tegen LGBT gerichte wetsontwerpen, waarin naast een verbod op kinderporno, incest en de commerciële seksuele uitbuiting van kinderen een verbod op het homohuwelijk en op geregistreerde homoseksualiteit wordt gevorderd, en homoseksualiteit als reden wordt aangevoerd om een burger een verklaring van goed gedrag te weigeren; uit zijn bezorgdheid over de omstandigheden waaronder Charlot Jeudy, voorzitter van de LGBTQI-belangenvereniging Kouraj, om het leven kwam;

14.  vraagt de Haïtiaanse regering een administratief systeem op te zetten dat ervoor zorgt dat alle pasgeboren kinderen bij de geboorte worden geregistreerd, en maatregelen te nemen om mensen die niet bij de geboorte zijn geregistreerd, te registreren;

15.  verlangt dat geweld tegen ouderen systematisch bestreden wordt;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de ACS-EU-Raad van ministers, de instellingen van het Cariforum, de regering en het parlement van Haïti, alsmede de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 46.
(2) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 40.

Laatst bijgewerkt op: 5 maart 2020Juridische mededeling - Privacybeleid