Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2832(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0175/2019

Ingediende teksten :

B9-0175/2019

Debatten :

PV 27/11/2019 - 19
CRE 27/11/2019 - 19

Stemmingen :

PV 28/11/2019 - 8.13
CRE 28/11/2019 - 8.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0084

Aangenomen teksten
PDF 128kWORD 48k
Donderdag 28 november 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Lopende onderhandelingen over een nieuwe partnerschapsovereenkomst EU-ACS
P9_TA(2019)0084B9-0175/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 28 november 2019 over de lopende onderhandelingen over een nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (2019/2832(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (de Overeenkomst van Cotonou)(1), en de herzieningen hiervan van 2005 en 2010(2),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 12 december 2017 voor een besluit van de Raad tot machtiging tot het openen van onderhandelingen over een partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan(3),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2016 over de toekomst van de ACS-EU-betrekkingen voor de periode na 2020(4) en zijn resolutie van 14 juni 2018 over de komende onderhandelingen voor een nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan(5),

–  gezien de vraag aan de Raad en de Commissie over de lopende onderhandelingen voor een nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (O-000035/2019 – B9‑0057/2019 en O-000036/2019 – B9‑0058/2019),

–  gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

A.  overwegende dat de onderhandelingen over een nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan nog lopen en waarschijnlijk meer tijd zullen vergen dan aanvankelijk verwacht;

B.  overwegende dat de kracht van de Overeenkomst van Cotonou en haar acquis gebaseerd zijn op een aantal unieke kenmerken die gehandhaafd en versterkt moeten worden;

C.   overwegende dat de betrekkingen tussen de ACS en de EU van groot belang zijn, met name nu het multilaterale stelsel onder druk staat en ter discussie wordt gesteld; overwegende dat de Overeenkomst van Cotonou, gezien het aantal staten dat er deel van uitmaakt en de inhoud en structuur van het partnerschap, een essentieel onderdeel vormt van ons multilateraal stelsel, en dat het partnerschap een prominentere en zichtbaardere plaats moet krijgen in de Verenigde Naties en andere wereldwijde fora; overwegende dat de internationale gemeenschap in 2015 belangrijke mondiale toezeggingen heeft gedaan in het kader van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, de Overeenkomst van Parijs en de actieagenda van Addis Abeba, en overwegende dat de samenwerking tussen de ACS-landen en de EU cruciaal zal zijn om deze mondiale doelstellingen te bereiken;

D.   overwegende dat de versterking van de parlementaire dimensie tussen de EU en de ACS-landen door het waarborgen van meer efficiëntie en representativiteit een essentieel onderdeel moet vormen van het nieuwe partnerschap tussen de ACS en de EU;

E.  overwegende dat de frequentie en de verscheidenheid van de bijeenkomsten van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU door de jaren heen een consistente dialoog mogelijk hebben gemaakt, waarmee op doeltreffende wijze wordt bijgedragen aan de versterking van de parlementaire diplomatie; overwegende dat het huidige internationale klimaat voor de ACS- en EU-staten een stimulans zou moeten zijn om deze parlementaire dialoog voort te zetten en de doeltreffendheid ervan te vergroten;

1.  is ingenomen met de tot dusver geboekte vooruitgang met betrekking tot de onderhandelingen over de strategische prioriteiten inzake de grondslag van en de werkzaamheden ten aanzien van de regionale protocollen;

2.  stelt vast dat er meer tijd nodig is om de resterende onderdelen van de overeenkomst te bespreken en dat de onderhandelingen niet zoals aanvankelijk verwacht eind oktober 2019 werden afgerond;

3.  is – gezien het feit dat de Overeenkomst van Cotonou in februari 2020 afloopt – ingenomen met het besluit van de ACS-EU-Raad van ministers om de bevoegdheid tot invoering van overgangsbepalingen over te dragen aan het ACS-EU-Comité van ambassadeurs zolang de nieuwe partnerschapsovereenkomst nog niet in werking is getreden;

4.  schaart zich opnieuw en vastberaden achter het standpunt dat het kenbaar maakte in zijn resoluties van oktober 2016 en juni 2018 over de periode na de Overeenkomst van Cotonou en is van mening dat bepaalde essentiële elementen ervan duidelijk moeten worden herhaald, zodat ze tijdens de rest van de onderhandelingen volledig in aanmerking kunnen worden genomen;

5.  benadrukt nogmaals hoe belangrijk het is om de parlementaire dimensie van de toekomstige overeenkomst te versterken, hetgeen moet zorgen voor democratische verantwoordingsplicht op alle niveaus; beklemtoont dat het institutioneel kader een Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU moet omvatten; vindt dat er niet over deze eis kan worden onderhandeld met het oog op de goedkeuring van de toekomstige overeenkomst door het Europees Parlement;

6.  brengt in herinnering dat er een prominente rol is weggelegd voor de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU als het gaat om het waarborgen van het democratisch toezicht op de toekomstige overeenkomst en dringt er nogmaals op aan dat de adviserende en toezichthoudende rol van de Paritaire Parlementaire Vergadering wordt versterkt; is ervan overtuigd dat regelmatige bijeenkomsten op ACS-EU-niveau noodzakelijk zijn voor het waarborgen van een sterk partnerschap;

7.  is van mening dat de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU een sleutelrol speelt bij de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de beoordeling van de beleidssamenhang ten aanzien van ontwikkeling; is ervan overtuigd dat de Paritaire Parlementaire Vergadering de uitwisselingen bevordert over mondiale uitdagingen, zoals de mensenrechten, de democratie, goed bestuur, gendergelijkheid, vrede en veiligheid, het klimaat, het milieu en de biodiversiteit;

8.  herhaalt zich te willen inzetten voor multilateralisme en roept op tot coördinatie, met name in het kader van de Paritaire Parlementaire Vergadering, teneinde op internationale fora een gezamenlijk standpunt van de ACS en de EU naar voren te brengen; benadrukt dat het in de aanloop naar multilaterale onderhandelingen noodzakelijk is nauwer samen te werken met andere internationale partners en het maatschappelijk middenveld;

9.  is van mening dat de Paritaire Parlementaire Vergadering uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de Europese Unie en vertegenwoordigers van de ACS-staten moet bestaan en tweemaal per jaar in voltallige vergadering moet bijeenkomen, bij toerbeurt in de Europese Unie en in een ACS-staat;

10.  benadrukt dat de parlementaire commissies van het regionale partnerschap eens per jaar moeten bijeenkomen in elke regio, zonder daarbij in aanmerking te nemen wanneer de Raad van ministers van het regionale partnerschap vergadert; benadrukt bovendien dat de regionalisering van het EU-ACS-partnerschap in het kader van de nieuwe overeenkomst, die bedoeld is als stimulans voor diepere regionale integratie tussen de ACS-landen, niet ten koste mag gaan van de overkoepelende gemeenschappelijke doelstellingen van de overeenkomst;

11.  herhaalt dat bepaalde unieke kenmerken van de Overeenkomst van Cotonou – eerbiediging van de mensenrechten, de democratie, de fundamentele vrijheden, goed bestuur en de rechtsstaat – gehandhaafd en versterkt moeten worden;

12.  benadrukt dat de nieuwe overeenkomst het idee van een partnerschap op voet van gelijkheid verder moet versterken, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van elk land en de samenwerking tussen de ACS-landen en de EU als verenigde en elkaar ondersteunende partners binnen het multilaterale stelsel; wijst erop dat de nieuwe overeenkomst het daarom mogelijk moet maken verder te gaan dan louter een donor-ontvangerrelatie;

13.  wijst andermaal op het belang van de politieke dialoog bij het verdedigen van onze gedeelde waarden en als integrerend onderdeel van het partnerschap en dringt erop aan dat de politieke dialoog effectiever, systematischer en op proactieve wijze wordt ingezet om politieke crisissen te voorkomen;

14.  betreurt dat er in sommige landen steeds minder ruimte is voor het maatschappelijk middenveld en herhaalt dat in de toekomstige overeenkomst moet worden voorzien in een grotere rol voor het maatschappelijk middenveld, waaronder ngo’s, mensenrechtengroeperingen, lokale gemeenschappen, diaspora’s, kerken, religieuze organisaties en gemeenschappen, evenals vertegenwoordigers van met name jongeren en vrouwen, belangenverenigingen voor mensen met een handicap, sociale bewegingen en vakbonden, inheemse volkeren en stichtingen, alsmede de vertegenwoordiging van kwetsbare, gediscrimineerde en gemarginaliseerde personen, zowel in de politieke dialoog als op alle niveaus;

15.  roept ertoe op de uitbanning van armoede en de bevordering van duurzame ontwikkeling de overkoepelende doelstellingen van de samenwerking tussen de ACS en de EU te maken, in overeenstemming met het beginsel dat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten; herhaalt dat de strijd tegen uitsluiting, discriminatie en ongelijkheid centraal moet staan in de overeenkomst;

16.  herinnert eraan dat er in de mensenrechtencomponent van de toekomstige overeenkomst expliciete bepalingen moeten worden opgenomen inzake de bestrijding van alle vormen van discriminatie, waaronder op grond van seksuele gerichtheid of genderidentiteit, of van kinderen, migranten, ouderen en personen met een beperking;

17.  onderstreept het belang van gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen als drijvende krachten achter ontwikkeling en roept de EU en de ACS-landen ertoe op gendergelijkheid als horizontaal thema in de overeenkomst op te nemen; benadrukt hoe belangrijk het is dat de partijen zich inzetten voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en voor de volledige tenuitvoerlegging van het actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling;

18.  verwacht dat de EU bij het verlenen van financiële bijstand de nodige aandacht besteedt aan het beleid en de uitdagingen van haar partnerlanden, met name aan het feit dat het merendeel van de migratiebewegingen tussen de ACS-landen zelf plaatsvindt; herhaalt dat in de toekomstige overeenkomst bijstand moet worden verleend aan de gastgemeenschappen die geconfronteerd worden met grote aantallen ontheemden en de diepere oorzaken van ontheemding op een alomvattende en op rechten gebaseerde manier moeten worden aangepakt;

19.  juicht het toe dat de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling als een van de hoofddoelen van de toekomstige overeenkomst wordt gezien en herhaalt zijn verzoek om krachtige toezichtmechanismen in het leven te roepen, teneinde ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van de overeenkomst daadwerkelijk bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling; onderstreept dat horizontale vraagstukken, zoals milieuduurzaamheid, doelstellingen inzake klimaatverandering, gendervraagstukken en sociale gerechtigheid, moeten worden opgenomen in alle beleidsmaatregelen, plannen en interventies in de toekomstige overeenkomst;

20.  herhaalt dat het belangrijkste doel van economische partnerschapsovereenkomsten is ontwikkeling op de lange termijn en regionale integratie te bevorderen; benadrukt dat handelsovereenkomsten duurzame ontwikkeling en de mensenrechten moeten bevorderen en dringt erop aan dat deze elementen integraal deel uitmaken van de toekomstige overeenkomst;

21.  roept ertoe op om afdwingbare bepalingen inzake duurzame ontwikkeling en de mensenrechten stelselmatig op te nemen in alle economische partnerschapsovereenkomsten waarover momenteel en in de toekomst wordt onderhandeld, en om de impact van dergelijke overeenkomsten op lokale economieën en de intraregionale handel grondig te analyseren teneinde tegemoet te komen aan de bezorgdheid over de tenuitvoerlegging ervan met betrekking tot regionale integratie en industrialisering;

22.  is van mening dat voor de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling een sterke betrokkenheid van lokale autoriteiten en niet-overheidsactoren onontbeerlijk is om de democratische betrokkenheid te versterken; is van mening dat om dit doel te bereiken een ACS-EU-mechanisme voor collegiale toetsing, toezicht en verantwoordingsplicht waardevol kan zijn, waarbij vertegenwoordigers van nationale, regionale en lokale autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en wetenschappelijke gemeenschappen verantwoordelijk zijn voor het opstellen van jaarlijkse conclusies en aanbevelingen voor follow-up;

23.  wijst erop dat de particuliere sector een essentiële partner is om tot duurzame ontwikkeling te komen, economische groei te bevorderen en armoede te bestrijden; pleit voor duidelijke bepalingen in de toekomstige overeenkomst over de rol en verantwoordelijkheden van bij ontwikkelingspartnerschappen betrokken ondernemingen die de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap, het UN Global Compact, de leidende beginselen van de VN inzake ondernemingen en mensenrechten, de kernarbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie, milieunormen en het VN-Verdrag tegen corruptie bevorderen;

24.  herinnert de onderhandelende partijen eraan om in de nieuwe overeenkomst ambitieuze bepalingen op te nemen om illegale geldstromen en belastingontduiking te bestrijden en financiële en technische bijstand te verlenen aan ontwikkelingslanden om aan te sluiten bij de opkomende mondiale normen voor de bestrijding van belastingontduiking, met inbegrip van de automatische uitwisseling van informatie, informatie over economisch eigendom van bedrijven en openbare verslaglegging van multinationals per land op basis van de G20- en OESO-modellen om een einde te maken aan grondslaguitholling en winstverschuiving;

25.  herhaalt dat steunverlening afhankelijk maken van samenwerking met de EU inzake migratie niet verenigbaar is met de overeengekomen beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking;

26.  herinnert eraan dat het Europees Parlement, overeenkomstig artikel 218, lid 10, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in alle fases van de onderhandelingsprocedure onmiddellijk en volledig geïnformeerd moet worden, en herhaalt dat moet worden overeengekomen om de praktische regelingen voor samenwerking en het delen van informatie tijdens de volledige looptijd van internationale overeenkomsten te verbeteren;

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Raad van ACS-ministers, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie van de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement en het Bureau van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(2) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.
(3) COM(2017)0763.
(4) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 2.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0267.

Laatst bijgewerkt op: 5 maart 2020Juridische mededeling - Privacybeleid