Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2901(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0238/2019

Ingediende teksten :

B9-0238/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 18/12/2019 - 13.7

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0102

Aangenomen teksten
PDF 179kWORD 58k
Woensdag 18 december 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Eerlijke belastingheffing in een gedigitaliseerde en geglobaliseerde economie — BEPS 2.0
P9_TA(2019)0102B9-0238/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 18 december 2019 over eerlijke belastingheffing in een gedigitaliseerde en gemondialiseerde economie: BEPS 2.0 (2019/2901(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 107, 108, 113, 115 en 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het BEPS-actieplan van de OESO van oktober 2015, en in het bijzonder actie 1,

–  gezien het OESO-werkprogramma van 29 mei 2019 om een consensusoplossing te vinden voor de fiscale uitdagingen die de digitalisering van de economie met zich meebrengt,

–  gezien de openbareraadplegingsdocumenten van de OESO van 9 oktober 2019, respectievelijk 8 november 2019, getiteld “Secretariat Proposal for a ‘Unified Approach’ under Pillar One” en “Global Anti-Base Erosion Proposal (GloBE) – Pillar Two” (voorstellen van het OESO-secretariaat),

–  gezien de resolutie van de commissie TAXE van 25 november 2015 over tax rulings en andere maatregelen van gelijke aard of met vergelijkbaar effect(1), de resolutie van de commissie TAX2van 6 juli 2016 over tax rulings en andere maatregelen van gelijke aard of met vergelijkbaar effect(2), de aanbeveling van de PANA-commissie van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie naar aanleiding van het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(3), en de resolutie van de commissie TAX3 van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie(5),

–  gezien de follow‑up van de Commissie van elk van de bovengenoemde resoluties van het Parlement(6),

–  gezien de resultaten van verschillende G7‑, G8‑, en G20‑topontmoetingen over internationale belastingaangelegenheden,

–  gezien het beleidsdocument getiteld “Corporate Taxation in the Global Economy” van het Internationaal Monetair Fonds(7),

–  gezien de talrijke onthullingen door onderzoeksjournalisten, zoals de LuxLeaks, de Panama Papers, de Paradise Papers en, recenter, de cum‑ex-schandalen, evenals de witwaszaken waar in het bijzonder banken in Denemarken, Estland, Duitsland, Letland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk bij betrokken zijn,

–  gezien zijn studie getiteld “Impact of Digitalisation on International Tax Matters”: Challenges and Remedies’(8),

–  gezien de studies van de Commissie naar indicatoren voor agressieve belastingplanning(9),

–  gezien het door de commissie TAX3 in haar 34 hoorzittingen met experts, de uitwisselingen van standpunten met commissarissen en ministers, en tijdens de bezoeken aan de Verenigde Staten, Letland, het eiland Man, Estland en Denemarken verzamelde bewijs,

–  gezien het gedurende deze zittingsperiode geïntroduceerde gemoderniseerde en robuuste kader voor vennootschapsbelasting, in het bijzonder de eerste en de tweede richtlijn bestrijding belastingontwijking (ATAD I(10) and ATAD II(11)),

–  gezien de voorstellen van de Commissie, in afwachting van goedkeuring, in het bijzonder die voor een gemeenschappelijke (geconsolideerde) heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (C(C)CTB)(12), het digitale belastingpakket(13) en de openbare rapportage per land (CBCR)(14), alsmede het standpunt van het Parlement over deze voorstellen,

–  gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 over een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen(15), alsmede de regelmatige verslagen van de groep Gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) aan de Raad ECOFIN,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 maart 2018 over de nieuwe eisen tegen belastingontwijking in de EU-wetgeving betreffende met name financiering en investeringen (C(2018)1756),

–  gezien de onderzoeken naar en de besluiten van de Commissie inzake staatssteun(16),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 januari 2016 over een externe strategie voor effectieve belastingheffing (COM(2016)0024), waarin de Commissie de EU oproept "het goede voorbeeld te geven",

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2017 betreffende de EU-lijst van jurisdicties die niet coöperatief zijn op belastinggebied,

–  gezien de “State of Play” van het voorzitterschap van 28 oktober 2019 over digitale belastingen,

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 inzake belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(17),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 januari 2019 getiteld "Naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU" (COM(2019)0008),

–  gezien de Mission Letters en de hoorzittingen met de uitvoerend vicevoorzitter voor “A Europe fit for the Digital Age”, de uitvoerend vicevoorzitter voor “An Economy that Works for People”, en de commissaris belast met economie en monetaire zaken en de euro(18),

–  gezien de vraag aan de Commissie over eerlijke belastingheffing in een gedigitaliseerde en gemondialiseerde economie: BEPS 2.0 (O‑000040/2019 – B9‑0060/2019),

–  gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de huidige internationale vennootschapsbelastingregels, die dateren van het begin van de 20e eeuw, niet altijd voldoen en moeten worden gemoderniseerd, aangezien ze niet toegesneden zijn op de uitdagingen van de digitale economie, waardoor landen unilaterale maatregelen gaan nemen om aan die uitdagingen tegemoet te komen;

B.  overwegende dat na de financiële crisis van 2008‑2009 en een reeks onthullingen van journalisten en organisaties van het maatschappelijk middenveld over praktijken op het gebied van belastingontduiking, agressieve fiscale planning, belastingontwijking en witwassen, de G20‑landen overeengekomen zijn deze kwesties op OESO-niveau te behandelen in het kader van het project inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), dat tot de opstelling van het BEPS-actieplan heeft geleid; overwegende dat niet alle landen de BEPS-regels met dezelfde mate van striktheid en toegewijdheid toepassen;

C.  overwegende dat in het kader van het BEPS-actieplan brede consensus is bereikt over een groot aantal aspecten van de bestrijding van belastingontduiking, agressieve fiscale planning en belastingontwijking; overwegende dat er evenwel niet tot overeenstemming is gekomen over het aanpakken van de belastinguitdagingen naar aanleiding van de digitalisering van de economie, hetgeen heeft geresulteerd in een afzonderlijk eindverslag 2015 over actie 1 van BEPS;

D.  overwegende dat het Europees Parlement, in zijn TAXE‑, TAX2‑, TAX3‑ en PANA‑resoluties, alsook in zijn advies inzake een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, herhaaldelijk op hervorming van het internationale vennootschapsbelastingsysteem heeft aangedrongen om belastingontduiking en belastingontwijking aan te pakken, alsmede om in te spelen op de uitdagingen op het gebied van het belasten van de digitale economie, én de Commissie en de lidstaten heeft verzocht tot overeenstemming te komen over een gemeenschappelijk Europees standpunt op het niveau van de OESO/G20, of te handelen op het niveau van de Unie indien een internationaal akkoord niet tot de mogelijkheden behoort;

E.  overwegende dat de Commissie in 2018, tijdens de lopende onderhandelingen gericht op het bereiken van een internationaal akkoord, twee voorstellen heeft gepresenteerd betreffende het belasten van de digitale economie; overwegende dat het Europees Parlement deze voorstellen steunde, maar dat zij in de Raad niet zijn goedgekeurd als gevolg van het verzet van een klein aantal lidstaten, waardoor geen unanieme overeenstemming kon worden bereikt; een kortetermijnoplossing houdende de invoering van een belasting op digitale diensten (DST), en een langetermijnoplossing met definiëring van ‘aanmerkelijke digitale aanwezigheid’ (SDP) als nexus voor de vennootschapsbelasting, ter vervanging van de DST;

F.  overwegende dat het Inclusive Framework (IF) inzake BEPS van de OESO/G20, in concreto middels zijn taskforce Digitale Economie, op basis van een in maart 2017 door de ministers van Financiën van de G20 geformuleerd mandaat, in maart 2018 een interimrapport heeft gepresenteerd getiteld “Tax Challenges Arising from Digitalisation”;

G.  overwegende dat het IF in mei 2019 een werkprogramma heeft vastgesteld om tot een consensus te komen, en dat de G20 deze heeft bekrachtigd, met als doel om voor het eind van 2020 tot een akkoord te komen;

H.  overwegende dat het IF voorgesteld heeft de voorstellen van de leden voor het aanpakken van de uitdagingen van de digitalisering in twee pijlers te groeperen: pijler 1 betreft de verdeling van belastingrechten middels nieuwe winsttoerekenings- en nexusregels, en pijler 2 betreft de resterende BEPS-kwesties, inclusief de introductie van maatregelen om een minimumniveau van belastingen te waarborgen;

I.  overwegende dat het OESO-secretariaat op 9 oktober 2019 een openbare raadpleging heeft gestart op basis van zijn voorstel voor een ‘uniforme benadering’, met als doel het bereiken van consensus over de drie alternatieven als bedoeld in pijler 1; overwegende dat de G20(19) op 18 oktober 2019 zijn instemming kenbaar heeft gemaakt met de inspanningen van het OESO-secretariaat voor het voorstel voor ‘één benadering’ onder pijler 1, maar het voorstel niet officieel heeft goedgekeurd; overwegende dat het OESO-secretariaat op 8 november 2019 een openbare raadpleging heeft gestart over het GloBE-voorstel onder pijler 2;

J.  overwegende dat een billijk en efficiënt belastingsysteem cruciaal is voor het bestrijden van ongelijkheid en het waarborgen van zekerheid en stabiliteit, als voorwaarden voor concurrentievermogen, alsook van een ‘level playing field’ voor ondernemingen, in het bijzonder kleine en middelgrote bedrijven; overwegende dat een billijk en efficiënt belastingsysteem tegelijkertijd essentieel is voor de lidstaten om belastinginkomsten te garanderen, teneinde goed beleid te kunnen voeren, waar de hele EU de vruchten van plukt in de vorm van grotere stabiliteit;

K.  overwegende dat de nominale tarieven van de vennootschapsbelasting op EU-niveau zijn gedaald, van gemiddeld 32 % in 2000 tot 21,7 % in 2019(20), hetgeen neerkomt op een daling van 32 %; overwegende dat deze daling implicaties kan hebben voor de houdbaarheid van de verzorgingsstaten in de EU en eventueel tot ‘spill‑over’-effecten naar andere landen kan leiden; overwegende dat 22 van de 38 landen die in het verslag van de OESO “Hervormingen van het belastingbeleid 2018”(21) ondervraagd zijn nu wettelijke vennootschapsbelastingtarieven van 25 % of minder hebben, vergeleken met slechts zes in 2000.

L.  overwegende dat de Commissie in een aantal landenrapporten het feit heeft bekritiseerd dat er nationale belastingssystemen zijn die leemten vertonen die ruimte laten voor agressieve fiscale planning, en aangegeven heeft dat deze de integriteit van de Europese interne markt aantasten;

M.  overwegende dat er in de waardeketens van multinationals een geleidelijke verschuiving heeft plaatsgevonden van materiële productie naar immateriële activa , zoals wordt weerspiegeld in de relatieve groeipercentages van royalty's en inkomsten uit licentievergoedingen over de laatste vijf jaar (bijna 5 % per jaar), vergeleken met handel in goederen en directe buitenlandse investeringen (minder dan 1 %per jaar); overwegende dat sommige multinationals – door van legale fiscale planningsstrategieën gebruik te maken – in sommige lidstaten bijna geen belastingen betalen, hoewel ze daar wel een aanzienlijke digitale aanwezigheid hebben en er veel inkomsten genereren;

N.  overwegende dat een overdracht van de bevoegdheden op het gebied van belastingen van het nationale niveau naar het EU-niveau een Verdragswijziging zou vereisen;

Het vinden van een consensusoplossing voor de fiscale uitdagingen die de digitalisering van de economie met zich meebrengt

1.  erkent dat vooruitgang is geboekt als gevolg van het BEPS-actieplan en de uitvoering ervan op het niveau van de EU middels de ATAD, maar constateert dat een aantal uitdagingen, met name gerelateerd aan de mondialisering en de digitalisering van de economie, nog altijd niet wordt aangepakt;

2.  geeft aan dat de ATAD verder gaat dan het BEPS-actieplan, met name met de nieuwe regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen, die het mogelijk maken om in belastingparadijzen geparkeerde winsten te belasten in de EU-lidstaat waar de multinational in kwestie zijn hoofdzetel heeft; merkt op dat dit soort maatregelen een rem zet op agressieve fiscale planning en belastingontwijking; verzoekt de nieuwe Commissie de tenuitvoerlegging van de ATAD door de lidstaten aan een beoordeling te onderwerpen, in kaart te brengen op welke nieuwe manieren deze richtlijn kan worden omzeild, en nieuwe wetgevingsvoorstellen te doen om dit, in voorkomend geval, tegen te gaan;

3.  wijst erop dat de voorstellen van de EU voor een C(C)CTB ook veel verder gaan dan deze OESO-alternatieven op EU-niveau, in het bijzonder doordat afgeweken wordt van het beginsel van een aparte entiteit; wijst op het standpunt van het Parlement over de C(C)CTB;

4.  is van oordeel dat de voorstellen van de EU voor een C(C)CTB gunstig zijn voor zowel ondernemingen als burgers, aangezien deze het belastingkader zouden vereenvoudigen en bij zouden dragen aan het bestrijden van belastingontwijking; beklemtoont het belang van consolidering voor het verminderen van de administratieve rompslomp, de kosten van compliance en de belastingobstakels voor grensoverschrijdende ondernemingen in de EU, en om geen ingewikkelde regelingen voor verrekenprijzen meer nodig te hebben; dringt er derhalve met klem bij de Raad op aan de twee voorstellen snel goed te keuren;

5.  geeft aan dat de EU een voortrekkersrol heeft vervuld met haar inspanningen voor het aanpakken van de fiscale uitdagingen van de digitalisering, met name met de C(C)CTB‑, DST‑ en SDP‑voorstellen;

6.  betreurt het dat de lidstaten niet tot een gemeenschappelijke benadering van C(C)CTB, DST en SDP zijn kunnen komen; geeft aan dat de OESO de fiscale uitdagingen van de digitalisering van de economie wil aanpakken en vóór het eind van 2020 afspraken wil maken over een op consensus stoelende langetermijnoplossing; is van oordeel dat een mondiale oplossing hier het meest doeltreffend zou zijn;

7.  stelt vast dat sommige lidstaten op nationaal niveau een DST of een SDP hebben vastgesteld (of overwegen dit te doen) als een mogelijke alternatieve benadering mochten de onderhandelingen in zowel de OESO, als in de EU mislukken;

8.  verwelkomt het werkprogramma van het IF als een belangrijke stap naar een internationaal akkoord binnen de OESO/IF over hervorming van het internationale systeem voor de vennootschapsbelasting, zoals gevraagd door het Parlement;

9.  verwelkomt het dat alle landen op voet van gelijkheid deelnemen in het IF, waarin meer dan 130 landen en rechtsgebieden samenwerken met betrekking tot de uitvoering van het BEPS-pakket van de OESO/G20 en onderhandelen over gemeenschappelijke oplossingen voor de nog resterende BEPS-uitdagingen; herinnert er evenwel aan dat de ontwikkelingslanden pas bij het BEPS-proces zijn betrokken toen de onderhandelingen zich reeds in een vergevorderd stadium bevonden; juicht het dan ook toe dat de lopende onderhandelingen een inclusief karakter hebben; wijst op het standpunt van het Parlement aangaande de oprichting van een intergouvernementeel belastingorgaan binnen de VN;

10.  neemt nota van het feit dat de voorlopige bevindingen van het OESO-secretariaat naar aanleiding van de effectbeoordeling erop wijzen dat het gecombineerde effect van pijler 1 en pijler 2 tot een aanzienlijke toename van de mondiale belastinginkomsten zou leiden, alsmede tot een herverdeling van de belastingrechten naar marktjurisdicties; merkt in het bijzonder op dat pijler 2 tot een significante toename van de vennootschapsbelastinginkomsten wereldwijd zou leiden; stelt vast dat de twee pijlers geen negatieve impact zouden hebben op de uitermate belangrijke kwestie van het investeringsklimaat(22); verzoekt de lidstaten er bij de OESO op aan te dringen dat zij de reikwijdte van haar effectbeoordelingen uitbreidt tot verschillende versies van de voorstellen, waaronder tot de vraag hoe de nexus de vennootschapsbelastinginkomsten van afzonderlijke landen zou beïnvloeden, en dat zij die effectbeoordelingen zo snel mogelijk na afronding ervan publiceert, als onmisbare input voor de voorgestelde hervormingen;

11.  onderstreept de specifieke kenmerken van de interne markt, die voorziet in het vrije verkeer van goederen en diensten, en is derhalve van oordeel dat elke internationale hervorming van de vennootschapsbelastingregels de soepele werking van de interne markt moet waarborgen, en dát met name middels het garanderen van gelijke randvoorwaarden voor alle ondernemingen, in het bijzonder kmo’s, waaronder regels betreffende het betalen van billijke belastingen op de plaats waar de feitelijke aanzienlijke en daadwerkelijke economische activiteit en de waardecreatie plaatsvinden, en regels voor een billijke verdeling van de belastinginkomsten onder alle lidstaten; is van oordeel dat toegang tot de interne markt, die één van de grootste pools van consumenten in de wereld vormt en het concurrentievermogen van de EU vergroot, onlosmakelijk verbonden is met fiscale verantwoordelijkheid;

12.  geeft aan dat het belangrijk is dat de fiscale concurrentie tussen de lidstaten billijk en transparant blijft, daarmee een bijdrage leverend aan groei en werkgelegenheid;

Pijler 1 – Naar ‘één benadering’ voor een billijker toewijzing van belastingrechten

13.  juicht het voorstel van het OESO-secretariaat toe om de drie voor pijler 1 voorgelegde alternatieven samen te voegen, aangezien ze hetzelfde beogen:

   hertoewijzing van belastingrechten aan de gebruikers-/marktjurisdictie,
   ontwikkeling van een nieuwe nexus die niet afhangt van de fysieke aanwezigheid in de gebruikers-/marktjurisdictie,
   uitgaan van de wereldwijde winsten van multinationals en loslaten van het beginsel van een aparte entiteit,
   eenvoud, stabilisatie van het belastingsysteem, en meer fiscale zekerheid bij de tenuitvoerlegging;

Toepassingsgebied

14.  dringt erop aan af te zien van ‘ringfencing’ van de digitale economie aangezien de uitdagingen waar het internationale belastingsysteem op dit moment mee wordt geconfronteerd niet uitsluitend met die digitalisering te maken hebben, maar ook met een nog meer gemondialiseerde economie;

15.  is van oordeel dat de hervorming zich – onder vermijding van nog meer en onnodige lasten voor kmo’s – moet uitstrekken tot alle grote ondernemingen die aan BEPS-praktijken kunnen doen middels het gebruik van wettelijke regelingen voor fiscale planning in meerdere lidstaten en derde landen; stelt vast dat het huidige voorstel van het OESO-secretariaat de reikwijdte van deze hervorming beperkt tot sterk gedigitaliseerde of consumentgeoriënteerde ondernemingen, een nog niet helder afgebakend begrip, waardoor veel multinationals die zich met agressieve fiscale planning bezighouden door de mazen van het net glippen;

16.  beveelt aan dat om, als uitgangspunt, operationele winsten af te leiden van geconsolideerde financiële rekeningen op basis van een haalbaarheidsanalyse; onderkent evenwel het bestaan van tijdelijke leemten wanneer van geconsolideerde financiële rekeningen wordt uitgegaan en verzoekt de lidstaten dit punt te verduidelijken tijdens de IF‑onderhandelingen;

17.  stelt vast dat het huidige voorstel van het OESO-secretariaat voorziet in de uitsluiting van specifieke sectoren, zoals de winningsindustrie en de grondstoffensector, en verzoekt de Commissie met klem deze uitsluitingen mee te nemen in haar effectbeoordeling, in het bijzonder om ervoor te zorgen dat de internationale hervorming strookt met het EU-concept van beleidssamenhang voor ontwikkeling;

18.  spoort de OESO aan in haar voorstel een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen sectoren en ondernemingsgroottes;

19.  is van oordeel dat het belastingkader gekenmerkt zou moeten worden door evenwicht tussen de verschillende situaties, in het bijzonder ondernemingen met opbrengsten van een monopoliepositie en snelgroeiende innovatieve ondernemingen;

Nieuwe nexus

20.  verwelkomt het idee van het ontwikkelen van een nieuwe nexus die verder gaat dan het concept van het hebben van een fysieke aanwezigheid in een land wat het toekennen van belastingrechten betreft; is van oordeel dat de nexus zo ontworpen moet zijn dat deze betrekking heeft op alle ondernemingen met banden met klanten en gebruikers in het land in kwestie, waaronder digitaal;

21.  verwelkomt het idee van het ontwikkelen van een landenspecifieke inkomstendrempel die zo gekalibreerd is dat ook kleinere economieën een billijk deel van de belastingrechten krijgen; herinnert in dit verband aan het EU-voorstel voor een SDP;

22.  juicht het idee toe dat deze nieuwe nexus een afzonderlijke bepalingen zou zijn, teneinde te waarborgen dat niet alle belastingverdragen moeten worden herzien;

Nieuwe toewijzing van belastingrechten

23.  is voorstander van het ontwikkelen van een nieuwe toewijzing van belastingrechten die verdergaat dan het ‘arm’s length principle’ (ALP) en die nieuwe belastingrechten toewijst aan marktjurisdicties;

24.  is van oordeel dat het aanbrengen van een onderscheid tussen routinematige en niet-routinematige winsten (vooralsnog niet helder gedefinieerde concepten), hetgeen wel eens in een uitsluitend kunstmatig onderscheid zou kunnen resulteren, alsook het handhaven van regels inzake verrekenprijzen op basis van het ‘arm’s length principle’ (ALP) voor de meeste winsttoewijzingen, tot veel meer complexiteit en onzekerheid voor ondernemingen zal leiden, met name wat de OESO-richtsnoeren aangaande verrekenprijzen betreft; is van mening dat het ALP veel grondiger moet worden herwerkt; vindt het zorgwekkend dat dit meer mogelijkheden zou kunnen creëren om de nieuwe regels te omzeilen;

25.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te verduidelijken hoe de nieuwe nexus en toewijzing van belastingrechten kunnen co‑existeren met de bestaande regels inzake verrekenprijzen, zoals voorgesteld door de OESO; is in dit verband veeleer voorstander van een oplossing waarbij voor een fractionele toewijzing van de mondiale winsten wordt gekozen, op basis van factoren die van inhoudelijke en daadwerkelijke economische activiteiten en waardecreatie getuigen, in het bijzonder verkopen, werknemers, activa en gebruikers; herinnert in dit verband aan zijn standpunt ten aanzien van de C(C)CTB‑ en SDP‑voorstellen, alsmede ten aanzien van R&D‑investeringen;

26.  juicht de bereidheid toe om voor belastingzekerheid te zorgen en de aantallen geschillen te beperken die het gevolg zouden kunnen zijn van de toepassing van de nieuwe nexus en de nieuwe toewijzing van belastingrechten; dringt er in dit verband op aan te kijken of een mechanisme, zoals een éénloketsysteem, kan worden ontwikkeld dat het berekenen en betalen van verschuldigde belastingen vereenvoudigt en de administratieve lasten voor zowel ondernemingen als de belastingadministraties vermindert, én dat tegelijkertijd strookt met de nationale verplichtingen waar die administraties zich aan hebben te houden; beklemtoont overigens dat belastingzekerheid het best kan worden bereikt door de vaststelling van eenvoudige, heldere en geharmoniseerde regels die voorkomen dat überhaupt geschillen ontstaan; maakt zich zorgen over het voorstel van het secretariaat-generaal van de OESO voor bedrag C voor verplichte arbitrage gezien het bestaan van een geschilbeslechtingsmechanisme op EU-niveau(23);

Pijler 2 – Voorstel voor mondiale bestrijding van grondslaguitholling (GloBE)

27.  verwelkomt het dat de leden van het IF wat de tweede pijler van het werkprogramma betreft overeenstemming(24) hebben bereikt om ‘te zoeken naar een benadering die jurisdicties vrijlaat hun eigen belastingsysteem vast te stellen, met inbegrip van het al dan niet heffen van een vennootschapsbelasting en de hoogte van hun belastingtarieven, met inachtneming van het recht van andere jurisdicties om toepassing te geven aan de regels hieronder waarbij inkomen wordt belast met een effectief tarief onder het minimumtarief’(25);

28.  neemt nota van de toezeggingen van de G7 betreffende de tweede pijler, in het bijzonder de vaststelling van ministers dat ‘een minimumniveau van effectieve belasting, zoals de Amerikaanse GILTI-regeling, ertoe zou bijdragen dat ondernemingen hun billijk aandeel aan belastingen betalen’(26);

29.  verwelkomt het GloBE-voorstel, dat bedoeld is te garanderen dat een minimumniveau aan belastingen wordt betaald op de plaats waar de waardecreatie en de economische activiteit plaatsvindt; is van oordeel dat het ultieme doel van de maatregelen van pijler 2 moet zijn het aanpakken van de resterende BEPS-kwesties onder vermijding van schadelijke belastingconcurrentie, in het bijzonder door het verminderen van de druk om ongerechtvaardigde fiscale stimulansen te bieden zonder positieve economische effecten, bovenop de bestaande maatregelen voor het bestrijden van belastingontduiking, agressieve fiscale planning en belastingontwijking; verzoekt de Commissie in kaart te brengen en te beoordelen wat de impact van deze toekomstige minimumnorm zou zijn op een mogelijke algemene wettelijke verlaging van het tarief voor de vennootschapsbelasting in de hele EU;

30.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat het GloBE-voorstel resulteert in een zo eenvoudig mogelijk kader dat niet leidt tot de ontwikkeling van schadelijke belastingconstructies; herinnert eraan dat het Parlement gevraagd heeft om de opstelling van een EU-brede lijst van schadelijke belastingmaatregelen; beklemtoont dat ‘carve‑outs’ en uitzonderingen ondermijnend werken voor het met het GloBE-voorstel nagestreefde doel en de doeltreffendheid ervan; beveelt aan dat het GloBE-voorstel betrekking heeft op alle schadelijke belastingpraktijken als bedoeld in actie 5 van BEPS;

31.  stelt vast dat het GloBE-voorstel een pakket defensieve maatregelen zou vormen, zoals een ‘income inclusion’-regel, een ‘switch‑over’-regel, een ‘undertaxed payments’-regel en een ‘subject‑to‑tax’-regel; herinnert in dit verband aan de wetgevingsresolutie van het Parlement over de ATAD(27);

32.  is van oordeel dat de berekening van heffingsgrondslagen, in het kader van het GloBE-voorstel, moet plaatsvinden in overeenstemming met overeengekomen internationale beginselen ter voorkoming van uitholling van de heffingsgrondslag alsook van schadelijke concurrentie tussen landen, die het gevaar inhoudt van ondermijning van de doeltreffendheid van elk mogelijk besluit over een minimumbelastingniveau;

33.  is van oordeel dat de gesprekken op het niveau van de OESO/G20 ook betrekking moeten hebben op een definitie van de grondslag in verband met dat tarief; is van oordeel dat een minimumtarief billijk moet zijn en vastgesteld moet worden op een niveau dat winstverschuiving ontmoedigt en schadelijke belastingconcurrentie vermijdt;

34.  is van oordeel dat, wat de ‘income inclusion’-regel betreft, voor elke jurisdictie waar de multinationals gevestigd zijn een minimumniveau van belasting moet worden vastgesteld, teneinde de mogelijkheden om door te gaan met agressieve fiscale planning te beperken en derhalve te bewerkstelligen dat onze economie concurrerend blijft;

Conclusies

35.  betreurt het dat de EU wat de lopende internationale onderhandelingen betreft niet tot een gemeenschappelijke benadering is kunnen komen; verzoekt elke lidstaat en de Commissie kenbaar te maken wat hun standpunt over de voorstellen van het OESO-secretariaat voor pijler 1 en pijler 2 is;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijk, ambitieus EU-standpunt voor de onderhandelingen in het kader van de OESO, te garanderen dat de EU eensgezind optreedt en het goede voorbeeld geeft, teneinde te komen tot een billijker toewijzing van belastingrechten en een minimumbelastingniveau, gericht op een billijk internationaal belastingklimaat voor het bestrijden van belastingontduiking, agressieve fiscale planning en belastingontwijking;

37.  verzoekt de Commissie te helpen bij het formuleren van een EU-standpunt; verzoekt de Commissie voor elke lidstaat en voor beide pijlers een effectbeoordeling van inkomsten te maken, inclusief ‘spill‑over’-effecten, met name voor het vrijwaren van het EU-concept van beleidssamenhang voor ontwikkeling; verzoekt de Commissie de Raad en het Parlement in kennis te stellen van haar bevindingen;

38.  verwacht van de lidstaten dat zij alle relevante gegevens voor het verrichten van zo nauwkeurig mogelijke effectbeoordelingen en relevante analyses delen met zowel de OESO, als de Commissie;

39.  moedigt de Commissie en de lidstaten met klem aan op internationaal niveau een akkoord te bereiken en dat akkoord vervolgens middels Europese en nationale wetgeving in de hele EU toe te passen; steunt ook het voornemen van de voorzitter van de Commissie om een voorstel voor een EU-oplossing te presenteren mocht een internationaal akkoord er vóór het eind van 2020 niet inzitten, op voorwaarde dat de EU-oplossing in kwestie niet beperkt is tot digitale ondernemingen; stelt vast dat een dergelijke oplossing de interne markt zou versterken door een minimumniveau van belastingen vast te stellen dat voorkomt dat er unilaterale maatregelen worden getroffen;

40.  herinnert eraan dat de lopende internationale hervorming van de vennootschapsbelasting uit twee even belangrijke pijlers bestaat en dat deze twee pijlers complementair zijn; roept de lidstaten derhalve op deze twee pijlers in de onderhandelingen te behandelen als één enkel pakket noodzakelijke hervormingen;

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de rechtsgrond voor te bereiden voor het in het EU-recht integreren van de uitkomst (een internationaal akkoord) van de onderhandelingen en zo snel mogelijk een wetgevingsvoorstel voor te leggen;

42.  verzoekt de Raad om, met steun van de Commissie, de criteria voor de EU lijst van niet-coöperatieve jurisdicties op het gebied van belastingen aan een beoordeling te onderwerpen zodra de internationale regels en/of de nieuw-overeengekomen hervormingen van de EU zijn vastgesteld, en te bepalen of een actualisering nodig is;

43.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is een rechtsgrond te kiezen waarvoor in de Raad geen unanimiteit vereist is; herinnert aan de mededeling van de Commissie getiteld “Naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU”, die een routekaart naar stemmingen met gekwalificeerde meerderheid omvat;

44.  beklemtoont dat een doeltreffende en alomvattende internationale hervorming tegelijkertijd ook transparant moet; verwelkomt de recente inspanningen van het voorzitterschap van de Raad om de gesprekken over een EU-voorstel voor openbare rapportage per land nieuw leven in te blazen; betreurt het dat de Raad op dit punt vooralsnog niet tot overeenstemming is kunnen komen; verzoekt de lidstaten zo snel mogelijk tot afspraken te komen over een algemene benadering; onderstreept dat openbare rapportage per land de BEPS 2.0-hervorming doeltreffender zou maken;

o
o   o

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het secretariaat van de OESO, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 51.
(2) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79.
(3) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0240.
(5) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 74.
(6) De gezamenlijke follow-up van de resolutie van het Europees Parlement (ECON) met aanbevelingen aan de Commissie over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het beleid ten aanzien van de vennootschapsbelasting in de Europese Unie, en de resolutie van het Europees Parlement (TAXE) over tax rulings en andere maatregelen van gelijke aard of met vergelijkbaar effect, vastgesteld door de Commissie op 16 maart 2016, de follow-up van de resolutie van het Europees Parlement (TAX2) over tax rulings en andere maatregelen van gelijke aard of met vergelijkbaar effect, vastgesteld door de Commissie op 16 november 2016, en de follow-up van de niet-wetgevingsresolutie (PANA) van het Europees Parlement van 12 december 2017 over de ontwerpaanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad en de Commissie naar aanleiding van het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, vastgesteld door de Commissie in april 2018.
(7) Beleidsdocument nr. 19/007, Internationaal Monetair Fonds, 10 maart 2019.
(8) Hadzhieva, E., “Impact of Digitalisation on International Tax Matters: Challenges and Remedies”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A, Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, februari 2019.
(9) “Study on Structures of Aggressive Tax Planning and Indicators - Final Report” (Taxation paper No 61, 27 januari 2016), “The Impact of Tax Planning on Forward-Looking Effective Tax Rates” (Taxation paper No 64, 25 oktober 2016), en “Aggressive tax planning indicators - Final Report” (Taxation paper No 71, 7 maart 2018).
(10) Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1.
(11) Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybride mismatches met derde landen, PB L 144 van 7.6.2017, blz. 1.
(12) Voorstel van 25 oktober 2016 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB), COM(2016)0685, en voorstel van 25 oktober 2016 betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), COM(2016)0683.
(13) Het pakket bestaat uit de mededeling van de Commissie van 21 maart 2018 getiteld "Tijd om een moderne, eerlijke en efficiënte standaard voor de belastingheffing van de digitale economie vast te stellen" (COM(2018)0146), het voorstel van 21 maart 2018 voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (COM(2018)0147), het voorstel van 21 maart 2018 voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten (COM(2018)0148), en de aanbeveling van de Commissie van 21 maart 2018 betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (C(2018)1650).
(14) Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 april 2016 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (COM(2016)0198).
(15) PB C 2 van 6.1.1998, blz. 2.
(16) Met betrekking tot Fiat, Starbucks en de Belgische fiscale rulings voor overwinst, en de besluiten om staatssteunonderzoeken in te stellen naar McDonald’s, Apple en Amazon.
(17) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 59.
(18) Woordelijke verslagen van de hoorzittingen met Margrethe Vestager, uitvoerend vicevoorzitter van de Europese Commissie, Valdis Dombrovskis, uitvoerend vicevoorzitter van de Europese Commissie, en Paolo Gentiloni, commissaris, beschikbaar op: https://www.europarl.europa.eu/news/en/hearings2019/commission-hearings-2019
(19) G20-communiqué: https://www.mof.go.jp/english/international_policy/convention/g20/g20_191018it.htm
(20) Data on Taxation, Taxation Trends in the European Union, tabel 3: Top statutory corporate income tax rates (including surcharges), 1995-2019, Europese Commissie, 2019, beschikbaar op https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/taxation_trends_report_2019_statutory_rates.xlsx
(21) OESO en geselecteerde partnereconomieën, “Hervormingen van het belastingbeleid 2018”; Er zij ook op gewezen dat, volgens de Commissie, de EU 28 reeds ver onder dit niveau ligt, met een gemiddeld vennootschapsbelastingtarief van 21,9 % in 2018, tegen 32 % in 2000: “Taxation Trends in the European Union - Data for the EU Member States, Iceland and Norway”, editie 2018 (blz. 36) en “Taxation Trends in the European Union - Data for the EU Member States, Iceland and Norway”, editie 2015 (blz. 147).
(22) Belastingrapport van de secretaris-generaal van de OESO voor de ministers van Financiën en de presidenten van de nationale banken van de G20, oktober 2019, OESO, Parijs.
(23) Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie (PB L 265 van 14.10.2017, blz. 1).
(24) Goedgekeurd door het IF inzake BEPS van de OESO/G20 tijdens zijn zevende bijeenkomst op 28 en 29 mei 2019.
(25) Werkprogramma voor het vinden van een consensusoplossing voor de fiscale uitdagingen die het gevolg zijn van de digitalisering van de economie, OESO, 2019, Parijs, blz. 25, punt 50.
(26) G7, samenvatting van de voorzitter: Bijeenkomst van de ministers van Financiën en presidenten van de centrale banken van de G7 op 17 en 18 juli 2019 https://www.gouvernement.fr/sites/default/files/locale/piece-jointe/2019/07/g7_chairs_summary.pdf
(27) Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juni 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken die de werking van de interne markt rechtstreeks schaden, PB C 86 van 6.3.2018, blz. 176.

Laatst bijgewerkt op: 4 mei 2020Juridische mededeling - Privacybeleid