Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2981(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B9-0242/2019

Debatten :

PV 19/12/2019 - 2.2
CRE 19/12/2019 - 2.2

Stemmingen :

PV 19/12/2019 - 6.2

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0107

Aangenomen teksten
PDF 125kWORD 45k
Donderdag 19 december 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Afghanistan, met name het vermeende seksuele misbruik van jongens in de provincie Logar
P9_TA(2019)0107RC-B9-0242/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 19 december 2019 over Afghanistan, met name het vermeende seksuele misbruik van jongens in de provincie Logar (2019/2981(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Afghanistan, met name die van 14 december 2017(1),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2019 over de rechten van het kind ter gelegenheid van de 30e verjaardag van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(2),

–  gezien de verklaringen van 3 december 2019 van de Group of Friends of Children and Armed Conflict (CAAC), waarvan de Europese Unie lid is, over aantijgingen van seksueel misbruik van jongens in de provincie Logar en de daaropvolgende acties tegen mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de Afghaanse wet ter bescherming van de rechten van het kind, die op 5 maart 2019 is geratificeerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

–  gezien het verslag van Unicef van november 2019 over het Verdrag inzake de rechten van het kind op de tweesprong,

–  gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de VN aan de Veiligheidsraad over conflictgerelateerd seksueel geweld van 23 maart 2018 en 29 maart 2019 en het verslag over kinderen en gewapende conflicten in Afghanistan van 10 maart 2019,

–  gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind, over kinderen en gewapende conflicten en over mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de conclusies van de Raad van 8 april 2019 over Afghanistan,

–  gezien de op 18 februari 2017 ondertekende samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de EU en Afghanistan,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 2019 over kinderen en gewapende conflicten in Afghanistan, in Afghanistan tussen 2015 en 2018 14 000 schendingen ten aanzien van kinderen zijn begaan; overwegende dat ten minste 12 599 kinderen zijn omgekomen of verminkt zijn geraakt, waarmee ze bijna een derde van alle burgerslachtoffers uitmaken; overwegende dat seksueel misbruik, verkrachting en uitbuiting van jongens, een praktijk die bekend staat als “bacha bazi”, in verscheidene provincies van Afghanistan veel voorkomt;

B.  overwegende dat volgens de Bijstandsmissie van de Verenigde Naties in Afghanistan (Unama) 136 Afghaanse jongens in ten minste zes scholen in de provincie Logar seksueel zijn misbruikt door een pedofielennetwerk; overwegende dat het onderzoek tot nog toe heeft uitgewezen dat er meer dan 100 video’s op internet zijn geplaatst; overwegende dat ten minste zeven jongens die in de video’s te zien zijn, dood zijn aangetroffen en dat vijf jongens door hun familie zijn vermoord;

C.  overwegende dat de “bacha’s”, meestal jongens tussen 10 en 18 jaar oud, van verarmde gezinnen worden gekocht of zijn ontvoerd door invloedrijke leden van de plattelandselite, onder wie ook politici en legerofficieren; overwegende dat de jongens zich als vrouw verkleden en dansen op privéfeesten, waarna ze vaak door mannen seksueel worden misbruikt;

D.  overwegende dat er sprake is van betrokkenheid van schoolhoofden, leerkrachten en lokale autoriteiten in de provincie Logar; overwegende dat seksueel geweld vaak ongestraft blijft vanwege de vaak invloedrijke positie van de daders, het ongeloof binnen de families en gemeenschappen van de slachtoffers en een waardensysteem dat de familie-eer boven het individuele belang van het kind stelt;

E.  overwegende dat kinderen in Afghanistan die het slachtoffer zijn van verkrachting en seksuele uitbuiting, slechts in zeer beperkte mate toegang hebben tot de rechter of tot steun; overwegende dat uit rapporten blijkt dat het tegendeel het geval is en dat kinderen die aangifte doen van seksueel misbruik vaak moeten vrezen voor nog meer mishandeling, stigmatisering, verstoting en zelfs moord door de daders, de autoriteiten, militieleiders en hun eigen familie, met nog meer fysieke en psychologische trauma’s als gevolg;

F.  overwegende dat de Logar Youth Social and Civil Institution de situatie op andere scholen in de regio onderzoekt; overwegende dat nog duizenden andere jongens in de provincie het slachtoffer zouden zijn van “bacha bazi”;

G.  overwegende dat Afghanistan in 2018 zijn wetboek van strafrecht heeft hervormd en seksueel misbruik van kinderen strafbaar heeft gesteld; overwegende dat de Afghaanse autoriteiten in 2019 een wet ter bescherming van de rechten van het kind hebben aangenomen; overwegende dat de handhaving van de bepalingen die ronselen, het gebruik van geronselde kinderen en seksueel geweld tegen en misbruik van kinderen strafbaar stellen, nog steeds een uitdaging vormt;

H.  overwegende dat mensenrechtenverdedigers Mohammad Musa Mahmudi en Ehsanullah Hamidi van de Logar Youth Social and Civil Institution door het Nationaal Directoraat Veiligheid willekeurig zijn aangehouden toen zij op weg waren naar een ontmoeting met de ambassadeur van de EU in Kabul; overwegende dat beiden op 27 november 2019 zijn vrijgelaten en dat hun veiligheid een punt van zorg blijft; overwegende dat beide mensenrechtenverdedigers eerder al via sociale media bedreigingen hebben ontvangen, onder meer van overheidsfunctionarissen; overwegende dat de provinciegouverneur ermee heeft gedreigd hen te bestraffen voor het verspreiden van valse informatie;

I.  overwegende dat mensenrechtenverdedigers in Afghanistan in toenemende mate worden aangevallen door de Afghaanse autoriteiten en gewapende groeperingen en het slachtoffer zijn van pesterijen, intimidatie, bedreigingen en geweld; overwegende dat de Afghaanse regering herhaaldelijk heeft verzuimd een onderzoek in te stellen naar aanvallen op mensenrechtenverdedigers;

1.  betreurt de wijdverbreide en aanhoudende seksuele mishandeling en slavernij van jongens in Afghanistan; betuigt zijn volledige steun voor en solidariteit met de slachtoffers; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de wijdverbreide en diepgewortelde praktijken van seksueel misbruik van jongens, de straffeloosheid van de daders en de kwetsbare positie van de slachtoffers;

2.  neemt kennis van de recente reactie van de Afghaanse autoriteiten en van hun initiatief om een onderzoek in te stellen naar de verantwoordelijken en hen te vervolgen; herinnert de autoriteiten eraan dat de bescherming van kinderen en andere kwetsbare groepen centraal moet staan in alle beleid ter bescherming van de mensenrechten en vraagt de Afghaanse centrale en lokale autoriteiten actieve maatregelen te blijven nemen om een einde te maken aan de “bacha bazi”-praktijken in het land;

3.  betreurt ten zeerste dat er naar verluidt gevallen van seksueel misbruik hebben plaatsgevonden op scholen, gerespecteerde instellingen die vertrouwen genieten, en dat de daders leraren en schoolhoofden waren, die een enorme invloed hebben op hun leerlingen en een grote verantwoordelijkheid dragen voor hun intellectuele en psychologische ontwikkeling;

4.  vraagt de Afghaanse regering de personen die naar verluidt bij gevallen van seksueel misbruik en geweld betrokken zijn geweest, onmiddellijk uit hun functie te ontheffen totdat het onderzoek is afgerond, en de slachtoffers en hun families de nodige medische, psychologische en sociale ondersteuning te geven;

5.  verzoekt het Bureau van de procureur-generaal een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van seksueel misbruik van en geweld tegen jongens in de provincie Logar, en daarbij de rechten van de slachtoffers en hun bescherming te garanderen; herinnert eraan dat het onderzoek, aangezien er ook beschuldigingen zijn geuit aan het adres van personen binnen de nationale overheid, in samenwerking met internationale organen, waaronder de Unama, en op volledig transparante wijze moet worden gevoerd;

6.  dringt er bij de Afghaanse autoriteiten op aan onmiddellijk een beschermings- en meldingsmechanisme in te stellen voor organisaties en verdedigers die schendingen van kinderrechten aan de kaak stellen; dringt er bij de Afghaanse autoriteiten op aan een speciale nationale hulplijn voor slachtoffers van schendingen van kinderrechten op te zetten;

7.  vraagt de Afghaanse autoriteiten ten volle gebruik te maken van de nationale en internationale wetgeving ter bescherming van de rechten van het kind; dringt er bij de Afghaanse autoriteiten op aan het nieuwe Afghaanse wetboek van strafrecht van 2018 en de wet ter bescherming van de rechten van het kind van 2019 volledig ten uitvoer te leggen om ervoor te zorgen dat er volledige verantwoording wordt afgelegd voor gevallen van seksueel misbruik van en geweld tegen kinderen;

8.  dringt er bij de Afghaanse regering op aan een landelijke campagne te starten om de samenleving voor te lichten over het verbod op “bacha bazi” en het recht van minderjarigen om tegen dergelijk fysiek en seksueel misbruik beschermd te worden; benadrukt dat het alleen door een combinatie van wetshandhaving en voorlichting over deze kwestie mogelijk zal zijn om in de Afghaanse samenleving de nodige culturele verandering teweeg te brengen om een einde te maken aan deze praktijk; dringt erop aan dat de prioriteit bij deze inspanningen erin moet bestaan dat de slachtoffers van “bacha bazi”-praktijken niet langer worden gestigmatiseerd en dat wordt voorkomen dat ze door hun gemeenschap worden gemeden, door hun familie worden verstoten of worden vermoord;

9.  prijst het werk van Mohammad Musa Mahmudi, Ehsanullah Hamidi en alle mensenrechtenverdedigers in Afghanistan, die in een van de gevaarlijkste omgevingen ter wereld actief zijn, worden bedreigd door overheids- en niet-overheidsactoren en niet de bescherming krijgen die zij nodig hebben om hun werk te kunnen doen zonder bang te hoeven zijn voor represailles; benadrukt dat de Afghaanse autoriteiten er in alle omstandigheden voor moeten zorgen dat mensenrechtenverdedigers hun mensenrechtenwerkzaamheden kunnen verrichten zonder dat ze worden bedreigd, geïntimideerd of gehinderd;

10.  dringt aan op meer controle en toezicht op de financiële bijstand van de EU aan Afghanistan om ervoor te zorgen dat de verstrekte begrotingssteun daadwerkelijk bijdraagt tot een klimaat dat bevorderlijk is voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten;

11.  dringt er bij de Afghaanse autoriteiten op aan de veiligheid van Mohammad Musa Mahmudi en Ehsanullah Hamidi te garanderen; vraagt de autoriteiten bovendien alle mensenrechtenverdedigers, gewetensbezwaarden en journalisten die gevangen zitten en veroordeeld zijn enkel en alleen omdat ze gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrije meningsuiting en vreedzame vereniging, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten;

12.  verzoekt het Bureau van de procureur-generaal een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen naar de willekeurige detentie van de leden van het maatschappelijk middenveld die zijn gearresteerd nadat zij gevallen van seksueel misbruik en geweld hadden gemeld en die enkele dagen later weer zijn vrijgelaten;

13.  vraagt de EU-lidstaten met diplomatieke missies in Afghanistan en hun ontwikkelingsagentschappen ter plaatse om hulp te verlenen aan de autoriteiten en de plaatselijke actoren van het maatschappelijk middenveld die zich inzetten om een einde te maken aan de “bacha bazi”-praktijken in de Afghaanse samenleving;

14.  vraagt de EU-lidstaten met diplomatieke missies ter plaatse om de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers volledig na te leven en alle nodige steun te verlenen aan mensenrechtenverdedigers die worden vastgehouden, met inbegrip van gevangenisbezoek en waarneming bij hun proces; herinnert eraan hoe belangrijk het is dat de EU-delegatie en de EU-lidstaten de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind en over kinderen en gewapende conflicten volledig naleven;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Afghanistan.

(1) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 85.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0066.

Laatst bijgewerkt op: 4 mei 2020Juridische mededeling - Privacybeleid