Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 19 september 2019 - Straatsburg
Situatie in Turkije, in het bijzonder het afzetten van gekozen burgemeesters
 Myanmar, in het bijzonder de situatie van de Rohingya
 Iran, in het bijzonder de situatie van verdedigers van vrouwenrechten en gedetineerde personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit
 Octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard
 Belang van Europees gedenken voor de toekomst van Europa
 Stand van zaken bij de uitvoering van antiwitwaswetgeving

Situatie in Turkije, in het bijzonder het afzetten van gekozen burgemeesters
PDF 130kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 september 2019 over de situatie in Turkije, met name de afzetting van verkozen burgemeesters (2019/2821(RSP))
P9_TA(2019)0017RC-B9-0049/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 24 november 2016 over de betrekkingen tussen de EU en Turkije(1), die van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(2), die van 8 februari 2018 over de huidige mensenrechtensituatie in Turkije(3) en die van 13 maart 2019 over het Commissieverslag 2018 over Turkije(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 mei 2019 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het EU-uitbreidingsbeleid (COM(2019)0260), en het werkdocument van de diensten van de Commissie bij het verslag Turkije 2019 (SWD(2019)0220),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2018, en eerdere conclusies van de Raad en de Europese Raad,

–  gezien de voorlopige conclusies van de verkiezingswaarnemingsmissie van het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa,

–  gezien de aanbevelingen van de Commissie van Venetië en de verplichtingen van Turkije met betrekking tot het Europees Handvest inzake lokale autonomie,

–  gezien Resolutie 2260 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 24 januari 2019 getiteld “The worsening situation of opposition politicians in Turkey: what can be done to protect their fundamental rights in a Council of Europe member State?”,

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 19 augustus 2019 over de schorsing van verkozen burgemeesters en de detentie van honderden mensen in Zuidoost-Turkije,

–  gezien de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Selahattin Demirtaş tegen Turkije,

–  gezien Resolutie 2156 (2017) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de werking van de democratische instellingen in Turkije,

–  gezien het feit dat de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten tot de fundamentele waarden van de EU behoren, waarden die ook voor alle kandidaat-lidstaten van de EU gelden,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Turkije partij is,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Turkije een belangrijke partner van de EU is en dat van Turkije als kandidaat-lidstaat verwacht wordt dat het de strengste democratische normen naleeft, met inbegrip van de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, geloofwaardige verkiezingen, de fundamentele vrijheden en het universele recht op een eerlijk proces;

B.  overwegende dat er op 31 maart 2019 in Turkije gemeenteraadsverkiezingen werden gehouden en dat deze volgens de voorlopige conclusies van de verkiezingswaarnemingsmissie van het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa “op ordelijke wijze zijn verlopen”; overwegende dat de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen opvallend hoog was; overwegende dat waarnemers zich kritisch hebben uitgelaten over deze verkiezingen vanwege de vooringenomenheid van de media in het voordeel van de Volksalliantie;

C.  overwegende dat burgemeester Adnan Selçuk Mızraklı van Diyarbakır bij de gemeenteraadsverkiezingen van 31 maart 2019 een meerderheid van 63 % van de stemmen behaalde, burgemeester Ahmet Türk van Mardin een meerderheid van 56 %, en burgemeester Bedia Özgökçe van Van een meerderheid van 54 %, wat inhoudt dat deze drie burgemeesters een duidelijk volksmandaat hebben gekregen om de bij hun burgemeestersambt behorende taken uit te voeren;

D.  overwegende dat deze drie burgemeesters van de Turkse hoge kiesraad toestemming kregen om zich bij de verkiezingen kandidaat te stellen;

E.  overwegende dat de democratisch verkozen burgemeesters van Diyarbakır, Van en Mardin in het zuidoosten van Turkije zijn vervangen door door de regering benoemde gouverneurs/zaakgelastigden met het argument dat tegen hen momenteel een strafrechtelijk onderzoek loopt wegens vermeende terroristische banden;

F.  overwegende dat de vervanging van Adnan Selçuk Mızraklı, Ahmet Türk, en Bedia Özgökçe Ertan door door de staat aangestelde gouverneurs zeer verontrustend is, aangezien de democratische uitkomst van de verkiezingen van 31 maart 2019 daarmee in twijfel wordt getrokken; overwegende dat nog eens 418 burgers, hoofdzakelijk raadsleden en medewerkers van 29 verschillende provincies in heel Turkije op 18 augustus 2019 gevangen zijn genomen op grond van soortgelijke, ongefundeerde aantijgingen;

G.  overwegende dat de Turkse wet inzake gemeenten in september 2016 onder de afkondiging van de noodtoestand werd gewijzigd om het administratief makkelijker te maken om van terroristische banden beschuldigde burgemeesters af te zetten en te vervangen door provinciegouverneurs; overwegende dat de Commissie van Venetië de Turkse autoriteiten heeft opgeroepen de bij Turks Wetsbesluit nr. 674 van 1 september 2016 ingevoerde bepalingen in te trekken, aangezien deze niet door de noodtoestand worden gerechtvaardigd, met name de regels die het mogelijk maken om vacante posities voor burgemeesters, locoburgemeesters of gemeenteraadsleden via benoemingen in te vullen;

H.  overwegende dat de Turkse hoge kiesraad op 9 april 2019 vier andere verkozen burgemeesters en gemeenteraadsleden in het zuidoosten van Turkije ongeschikt verklaarde om hun ambt op te nemen, hoewel deze kiesraad hun kandidatuur voorafgaand aan de verkiezingen van 31 maart 2019 had goedgekeurd, met het argument dat de kandidaten in het verleden ambtenaren waren die bij regeringsbesluit waren ontslagen; overwegende dat de Turkse hoge kiesraad deze posten heeft toegewezen aan kandidaten van de Partij van Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP); overwegende dat de repressieve campagne tegen de Turkse politieke oppositie plaatsvindt in een context waarbinnen er steeds minder ruimte is voor democratische geluiden en waarbinnen de Turkse autoriteiten voortdurend maatregelen treffen om tegengeluiden van onder meer journalisten, mensenrechtenverdedigers, academici, rechters en advocaten te smoren;

I.  overwegende dat vele van de genomen maatregelen onevenredig zijn, de Turkse nationale wetgeving schenden, een inbreuk vormen op de verbintenissen van een lid van de Raad van Europa en in tegenspraak zijn met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; overwegende dat bij de repressie na de coup meer dan 150 000 mensen in hechtenis zijn genomen en dat 78 000 mensen zijn gearresteerd op verdenking van terrorisme, en dat meer dan 50 000 mensen nog steeds in de gevangenis zitten, meestal zonder afdoende bewijs; overwegende dat het totale aantal gedetineerden dat sinds december 2018 vastzit zonder aanklacht of proces circa 57 000 bedraagt; overwegende dat meer dan 20 % van de gevangenen vastzit wegens beschuldigingen in verband met terrorisme, onder wie journalisten, politieke activisten, advocaten en mensenrechtenverdedigers, hetgeen leidt tot toenemende zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

J.  overwegende dat de besluiten van de Turkse hoge kiesraad om de burgemeestersverkiezingen in Istanbul over te doen en om het merendeel van de afzonderlijke gemeenten in het zuidoosten van Turkije toe te wijzen aan kandidaten die op de tweede plaats zijn geëindigd, zeer zorgwekkend zijn, met name met betrekking tot de eerbiediging van de wettigheid en integriteit van het verkiezingsproces en de onafhankelijkheid van de hoge kiesraad ten aanzien van politieke inmenging;

K.  overwegende dat de Turkse minister van Binnenlandse Zaken op 3 september 2019 aankondigde dat er nadere orders zouden volgen om gekozen overheidsfunctionarissen af te zetten, en daarbij met name dreigde met de vervanging van de burgemeester van Istanbul, Ekrem İmamoğlu;

L.  overwegende dat de voorzitter van de provinciale afdeling van de Republikeinse Volkspartij (CHP), Canan Kaftancıoğlu, op 6 september 2019 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar en 8 maanden op beschuldiging van belediging van de president, belediging van overheidsfunctionarissen, vernedering van de staat, het aanzetten tot vijandigheid en haat, en het gebruik van haar socialemediakanalen voor de verspreiding van propaganda voor een terreurorganisatie tussen 2012 en 2017;

M.  overwegende dat diverse openbare demonstraties tegen de afzetting van de burgemeesters verboden werden vanwege de veiligheid, en dat de demonstraties die wel plaatsvonden met geweld uiteen werden geslagen door de politie en vaak eindigden met massale gevangennemingen en de vervolging van demonstranten; overwegende dat dit het gevolg is van wetgeving die meteen na het opheffen van de noodtoestand werd ingevoerd;

N.  overwegende dat Turkije te lijden heeft gehad van verschillende aanvallen en de couppoging in 2016, waarbij 248 mensen omkwamen;

1.  veroordeelt het besluit van de Turkse autoriteiten om democratisch verkozen burgemeesters uit hun ambt te ontzetten op basis van dubieus bewijs; benadrukt dat deze acties de politieke oppositie voortdurend beletten hun rechten uit te oefenen en hun democratische rol te vervullen; roept de Turkse autoriteiten op de leden van de oppositie die waren gearresteerd als onderdeel van de repressiecampagne om alle tegengeluiden die in het land te horen waren in de kiem te smoren, onvoorwaardelijk vrij te laten en alle aanklachten tegen hen te laten vallen;

2.  is sterk gekant tegen de willekeurige vervanging van lokaal gekozen vertegenwoordigers door niet-gekozen zaakgelastigden, waardoor de democratische structuur van Turkije verder wordt uitgehold; roept de Turkse autoriteiten op alle burgemeesters en andere gekozen overheidsfunctionarissen die de gemeenteraadsverkiezingen van 31 maart 2019 hadden gewonnen en die hun ambt niet mochten opnemen, werden ontslagen of werden vervangen door niet-gekozen zaakgelastigden op basis van ongefundeerde aantijgingen, in hun ambt te herstellen;

3.  veroordeelt de door politieke motieven ingegeven straf van Canan Kaftancıoğlu vanwege zijn cruciale rol in de succesvolle verkiezingscampagne van de burgemeester van Istanbul, en eist dat die straf onmiddellijk wordt teruggedraaid;

4.  veroordeelt de dreigementen van de Turkse autoriteiten om andere gekozen overheidsfunctionarissen te ontslaan, en verzoekt Turkije af te zien van verdere intimiderende maatregelen;

5.  herhaalt het belang van goede betrekkingen met Turkije die zijn gebaseerd op gedeelde waarden, de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, vrije en democratische verkiezingen – waaronder het respecteren van verkiezingsuitslagen –, de fundamentele vrijheden en het universele recht op een eerlijk proces; verzoekt de Turkse regering de mensenrechten van alle mensen die in Turkije wonen en werken, ook degenen die internationale bescherming behoeven, te garanderen;

6.  toont zich andermaal bezorgd over de constante verslechtering van de situatie van fundamentele mensenrechten en de rechtsstaat in Turkije, en veroordeelt de willekeurige detenties, intimidatie door gerechtelijke en bestuurlijke instanties, reisverboden en andere methodes om duizenden Turkse burgers te vervolgen, onder wie politici en gekozen overheidsfunctionarissen, mensenrechtenverdedigers, ambtenaren, leden van maatschappelijke organisaties, academici en talloze gewone burgers; drukt zijn bezorgdheid uit vanwege voortdurende vervolgingen en onderzoeken naar zeer algemene en vage terroristische misdrijven;

7.  dringt er bij Turkije op aan zijn anti-terrorismewetgeving in overeenstemming te brengen met internationale mensenrechtennormen; wijst erop dat zeer algemeen geformuleerde Turkse anti-terrorismewetgeving niet mag worden ingezet om burgers en de media te straffen voor de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting, of om gekozen vertegenwoordigers uit hun ambt te ontzetten en ze te vervangen door zaakgelastigden van de regering;

8.  roept de Turkse autoriteiten op internationale beginselen te eerbiedigen, waarmee pluralisme, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van meningsuiting en optimale werkmethoden worden gewaarborgd en er een gunstig klimaat wordt gecreëerd voor de personen die zijn gekozen via de vrije en eerlijke uitdrukking van de wil van de Turkse bevolking; benadrukt dat deze besluiten indruisen tegen het recht op vrije verkiezingen, het recht op politieke participatie en de vrijheid van meningsuiting krachtens het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM);

9.  herhaalt zijn zorgen over het excessieve gebruik van gerechtelijke procedures tegen lokaal gekozen vertegenwoordigers in Turkije, en over hun vervanging door benoemde functionarissen – een praktijk die de correcte werking van de lokale democratie ernstig ondermijnt;

10.  roept de Turkse regering op erop toe te zien dat alle personen het recht hebben op een eerlijke rechtsgang en het recht hebben hun zaak overeenkomstig de internationale normen te laten toetsen door een onafhankelijke rechtbank die kan zorgen voor verhaalmogelijkheden – waaronder een vergoeding voor de veroorzaakte materiële en morele schade; roept Turkije op de operationele, structurele en financiële onafhankelijkheid van het Turkse instituut voor mensenrechten en gelijkheid en van de Turkse Ombudsman te waarborgen zodat zij werkelijke toets- en verhaalmogelijkheden kunnen bieden en zich kunnen houden aan uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

11.  veroordeelt de voortdurende arrestatie van Selahattin Demirtaş, oppositieleider en presidentskandidaat, en pleit voor zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating; neemt kennis van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn zaak, waarin de Turkse autoriteiten worden opgeroepen hem onmiddellijk vrij te laten;

12.  is erg verontrust vanwege het toezicht op de sociale media en het afsluiten van socialemedia-accounts door de Turkse autoriteiten;

13.  verzoekt de EDEO en de Commissie het Parlement een uitvoerige debriefing te geven over de onderwerpen die zijn besproken tijdens de politieke dialoog tussen de EU en Turkije op 13 september 2019;

14.  dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie en de lidstaten op aan de situatie van gearresteerde oppositieleden, mensenrechtenverdedigers, politieke activisten, advocaten, journalisten en academici in detentie te blijven aanroeren bij hun Turkse gesprekspartners, en deze mensen diplomatieke en politieke steun te bieden, waaronder waarneming tijdens rechtszittingen en het op de voet volgen van hun zaak; verzoekt de Commissie en de lidstaten veelvuldiger gebruik te maken van noodsubsidies voor mensenrechtenverdedigers en te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president van Turkije, de regering en het parlement van Turkije, en verzoekt om een Turkse vertaling van deze resolutie.

(1) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 93.
(2) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 199.
(3) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 56.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0200.


Myanmar, in het bijzonder de situatie van de Rohingya
PDF 116kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 september 2019 over Myanmar, met name de situatie van de Rohingyabevolking (2019/2822(RSP))
P9_TA(2019)0018RC-B9-0050/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar en over de situatie van de Rohingya, met name de resoluties die zijn aangenomen op 21 mei 2015(1), 7 juli 2016(2), 15 december 2016(3), 14 september 2017(4), 14 juni 2018(5) en 13 september 2018(6),

–  gezien de conclusies van de Raad over Myanmar/Birma van 26 februari 2018 en die van 10 december 2018,

–  gezien de op 14 juni 2019 in Nay Pyi Taw in Myanmar gehouden vijfde mensenrechtendialoog tussen de Europese Unie en Myanmar,

–  gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol hierbij van 1967,

–  gezien het VN-Verdrag van 1948 inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide,

–  gezien het eindrapport en de aanbevelingen van de door Kofi Annan geleide Adviescommissie inzake de deelstaat Rakhine,

–  gezien het verslag van de VN-Veiligheidsraad van de secretaris-generaal conflictgerelateerd seksueel geweld van 23 maart 2018 (S/2018/250),

–  gezien het verslag van de VN-Mensenrechtenraad van 8 augustus 2018 met gedetailleerde bevindingen in verband met de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie voor Myanmar (UNIFFM) (A/HRC/42/50), de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 3 oktober 2018 over de mensenrechtensituatie van Rohingyamoslims en andere minderheden in Myanmar (A/HRC/RES/39/2) en het verslag van de VN-Mensenrechtenraad van 7 augustus 2019 over het onafhankelijk onderzoeksmechanisme voor Myanmar (A/HRC/42/66),

–  gezien het verslag van de UNIFFM van 22 augustus 2019 over seksueel en gendergerelateerd geweld in Myanmar en de gevolgen op gendergebied van de etnische conflicten in het land (A/HRC/42/CRP.4),

–  gezien het Verdrag van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat sinds 2017 meer dan 700 000 Rohingya Myanmar ontvlucht zijn op zoek naar veiligheid in buurland Bangladesh als gevolg van onderdrukking, voortdurende ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder talrijke moorden, verkrachtingen en het afbranden van dorpen door de Myanmarese gewapende groepen in de deelstaat Rakhine, waar meer dan 1 miljoen Rohingya woonden;

B.  overwegende dat de Rohingya in brede kring als een van de meest vervolgde minderheden worden beschouwd en de grootste staatloze groep vormen, en dat veel van hen nu in het grootste vluchtelingenkamp ter wereld wonen, namelijk Kutupalong in Cox’s Bazar te Bangladesh;

C.  overwegende dat de vluchtelingenkampen in Bangladesh overbevolkt, onhygiënisch en erg kwetsbaar zijn voor natuurrampen zoals aardverschuivingen en overstromingen en dat vrouwen en kinderen er maar beperkt toegang hebben tot kraamzorg en gezondheidszorg; overwegende dat de Rohingya die in vluchtelingenkampen wonen nog steeds te maken krijgen met ernstige bedreigingen en dat ze door de slechte kwaliteit van het water en het voedsel in de kampen een groot risico lopen op verscheidene ziekten en infecties; overwegende dat Rohingyakinderen nog steeds onvoldoende toegang tot formeel onderwijs hebben; overwegende dat de Rohingyavluchtelingen in Bangladesh de afgelopen weken hebben geleden onder beperkingen van hun recht op vrije meningsuiting en hun recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging; overwegende dat uitgangsverboden en het stilleggen van communicatie verdere ernstige mensenrechtenschendingen tegen hen kunnen vergemakkelijken;

D.  overwegende dat er nog naar schatting 600 000 Rohingya in de deelstaat Rakhine zijn, die nog steeds te kampen hebben met voortdurende discriminerende beleidsmaatregelen en praktijken, systematische schendingen van hun grondrechten, willekeurige aanhoudingen, opsluiting in overvolle kampen, een gebrek aan bewegingsvrijheid en aanzienlijk beperkte toegang tot onderwijs en gezondheidszorg;

E.  overwegende dat de Myanmarese autoriteiten de telecommunicatie in het noorden en het centrum van de deelstaat Rakhine en in Paletwa in de deelstaat Chin in juni 2019 hebben stilgelegd; overwegende dat er strenge militaire controles van kracht zijn die de toegang tot en de verslaggeving in de media over de deelstaat Rakhine beperken;

F.  overwegende dat Myanmar en Bangladesh repatriëringsplannen hebben aangekondigd, die niet zijn doorgegaan vanwege een gebrek aan garanties; overwegende dat de vluchtelingen erg getraumatiseerd zijn en bang zijn om terug te keren; overwegende dat alle repatriëringen veilig, vrijwillig, waardig, duurzaam en in overeenstemming met het beginsel van non-refoulement moeten zijn;

G.  overwegende dat de UNIFFM op 27 augustus 2018 haar verslag heeft gepubliceerd, waarin werd geconcludeerd dat de zwaarste mensenrechtenschendingen en de ergste misdaden naar internationaal recht, waaronder misdaden tegen de menselijkheid en waarschijnlijk genocide, tegen de Rohingya werden begaan; overwegende dat de Raad op 10 december 2018 haar ernstige bezorgdheid heeft uitgedrukt over de bevindingen van de UNIFFM; overwegende dat Myanmar tot nu toe heeft geweigerd een onderzoeksmissie van de VN-Mensenrechtenraad in het land toe te laten en de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Myanmar de toegang tot het land heeft ontzegd;

H.  overwegende dat de acties van de regering van Myanmar volgens het recentste verslag van de UNIFFM van 16 september 2019 nog steeds onderdeel zijn van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen de overblijvende Rohingya in de deelstaat Rakhine die moet worden beschouwd als vervolging en andere misdaden tegen de menselijkheid; overwegende dat de UNIFFM in haar verslag van 22 augustus 2019 gewag maakte van ernstige en voortdurende opzettelijke daden van seksueel en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van systematische verkrachtingen, groepsverkrachtingen en gedwongen seksuele handelingen, door het leger en de veiligheidsdiensten van Myanmar tegen Rohingyavrouwen, -kinderen en -transgenders als onderdeel van een zuiveringscampagne om etnische minderheden te terroriseren en straffen; overwegende dat seksueel geweld wordt gebruikt om gemeenschappen onderling te verdelen en vrouwen en meisjes ervan af te brengen naar huis terug te keren; overwegende dat slachtoffers van verkrachting in de kampen risico lopen op sociale uitsluiting door hun gemeenschap;

I.  overwegende dat de EU er consequent op heeft aangedrongen dat zij die verantwoordelijk zijn voor dergelijke misdaden ter verantwoording worden geroepen en dat ze de resoluties die door de VN-Mensenrechtenraad op 27 september 2018 en door Algemene Vergadering van de VN (Derde Commissie) op 16 november 2018 zijn aangenomen, heeft ingediend en ondersteund; overwegende dat de autoriteiten in Myanmar weigeren om de mensenrechtenschendingen tegen de Rohingya grondig te onderzoeken en de daders ervan ter verantwoording te roepen; overwegende dat Myanmar blijft ontkennen dat deze mensenrechtenschendingen ooit zijn gebeurd; overwegende dat de hoogstgeplaatste militairen die de aanvallen op de Rohingya hebben geleid, nog steeds hun functie bekleden; overwegende dat de autoriteiten weigeren om met de VN-mechanismen samen te werken;

J.  overwegende dat de Raad op 29 april 2019 de beperkende maatregelen tegen Myanmar met een jaar heeft verlengd tot en met 30 april 2020, met inbegrip van bevriezingen van activa en reisverboden jegens 14 hooggeplaatste functionarissen van leger, grenswacht en politie in Myanmar die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen tegen de Rohingyabevolking, etnische minderheden en burgers in de deelstaten Rakhine, Kachin en Shan;

K.  overwegende dat de Rohingya officieel staatloos zijn sinds de vaststelling van de Birmese burgerschapswetten van 1982, waarin de Rohingya civiele, politieke en sociaaleconomische basisrechten worden ontnomen, zoals bewegingsvrijheid, politieke participatie, werk en sociale zekerheid; overwegende dat naar schatting 1,1 miljoen Rohingya de toegang tot burgerschap wordt ontzegd; overwegende dat de Rohingya die wel terugkeren, gedwongen zouden worden nationale verificatiekaarten te ondertekenen, waardoor hen Myanmarees burgerschap zou worden ontzegd;

1.  herhaalt zijn krachtige veroordeling van alle vorige en huidige mensenrechtenschendingen en stelselmatige en wijdverbreide aanvallen, waaronder moord, intimidatie, verkrachting en de vernieling van eigendom, die volgens de verslagen van de UNIFFM en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten als genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid door het leger tegen de Rohingyabevolking moeten worden beschouwd; veroordeelt de buitensporige reactie van het leger en de veiligheidsdiensten krachtig; benadrukt dat het leger voortdurend het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht niet heeft nageleefd;

2.  drukt zijn ernstige bezorgdheid uit over het voortdurende conflict, de schendingen en de gevallen van seksueel en gendergerelateerd geweld tegen de Rohingya in Myanmar door het leger; veroordeelt dergelijke schendingen van het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten en dringt er nogmaals bij de regering van Myanmar onder leiding van Aung San Suu Kyi en bij de veiligheidsdiensten op aan de voortdurende schendingen, moorden en het seksueel en gendergerelateerd geweld tegen de Rohingya en andere etnische groepen te stoppen;

3.  veroordeelt de voortdurende discriminatie van de Rohingya, de ernstige beperkingen van hun bewegingsvrijheid en de ontneming van hun toegang tot basisdiensten in Myanmar; onderstreept dat mediavrijheid en kritische journalistiek essentiële pijlers van de democratie zijn en cruciaal zijn voor de bevordering van goed bestuur, transparantie en de verantwoordingsplicht; roept de regering van Myanmar op om internationale waarnemers, waaronder de Speciaal Rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar, onafhankelijke waarnemers en mensenrechten- en humanitaire organisaties, volledige en ongehinderde toegang te verlenen tot de deelstaten Rakhine, Kachin en Shan, teneinde onafhankelijk en onpartijdig onderzoek door alle partijen naar de beschuldigingen inzake de ernstige mensenrechtenschendingen te waarborgen, en om een einde te maken aan de stillegging van het internet in de laatste vier gemeenten, namelijk Ponnagyun, Mrauk-U, Kyuaktaw en Minbya;

4.  roept de autoriteiten van Myanmar op te zorgen voor voorwaarden en waarborgen voor de veilige, vrijwillige, waardige en duurzame terugkeer – onder toezicht van de VN – van de Rohingya die willen terugkeren naar hun thuisland; spoort de regeringen van Myanmar en Bangladesh aan om het beginsel van non-refoulement volledig in acht te nemen; spoort de regering van Myanmar aan om het volledige burgerschap van de Rohingya te erkennen, met inbegrip van de bijbehorende rechten en grondwettelijke waarborgen, en om de aanbevelingen van de adviescommissie inzake Rakhine onverwijld ten uitvoer te leggen; roept de regering van Myanmar er tevens toe op in dialoog te treden met Rohingyafunctionarissen en de Rohingya te erkennen als een van de 135 etnische groepen die in Myanmar bij wet worden erkend;

5.  erkent het werk van de vijfde mensenrechtendialoog tussen de Europese Unie en Myanmar; merkt op dat de besprekingen een breed scala aan mensenrechtenkwesties omvatten, waaronder verantwoording voor mensenrechtenschendingen, de situatie in de deelstaten Rakhine, Kachin en Shan, met inbegrip van humanitaire toegang, grondrechten en fundamentele vrijheden, de behoeften van ontheemden, economische en sociale rechten, migratie en samenwerking op het gebied van de mensenrechten in multilaterale fora; betreurt het feit dat de dialoog geen effect heeft gehad op de situatie ter plaatse;

6.  roept de regering en het leger van Myanmar ertoe op om toestemming te geven voor geloofwaardig en onafhankelijk onderzoek naar de vermeende ernstige, stelselmatige schendingen van de mensenrechten; benadrukt dat de daders van dergelijke misdaden onverwijld moeten worden berecht;

7.  dringt er nogmaals bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat diegenen die misdaden hebben begaan in Myanmar hiervoor verantwoordelijk worden gesteld in multilaterale fora; verwelkomt in dat opzicht het leiderschap dat de EU aan de dag heeft gelegd bij de instelling van het onafhankelijk onderzoeksmechanisme van de VN voor Myanmar (IIMM) voor het verzamelen, consolideren, bewaren en analyseren van bewijzen van de ernstigste internationale misdrijven en schendingen van het internationaal recht sinds 2011 in Myanmar; dringt er bij Myanmar op aan samen te werken met de internationale inspanningen om ervoor te zorgen dat verantwoording moet worden afgelegd, onder andere door het onlangs ingestelde IIMM toegang tot het land te verlenen; roept de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap ertoe op te waarborgen dat het IIMM beschikt over de nodige steun, waaronder financiële steun, om zijn taak uit te voeren;

8.  is ingenomen met het feit dat de Raad Buitenlandse Zaken van de EU op 24 juni 2018 en 21 december 2018 sancties heeft aangenomen jegens militairen en functionarissen van het Myanmarese leger (Tatmadaw), de grenswacht en de politie die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen tegen de Rohingyabevolking en verwacht dat die personen in het kader van de sanctieregeling voortdurend aan controles worden onderworpen; verzoekt de VN-Veiligheidsraad nogmaals om een alomvattend wapenembargo tegen Myanmar en om gerichte sancties tegen de natuurlijke en rechtspersonen die verantwoordelijk lijken voor ernstige mensenrechtenschendingen;

9.  herinnert de regering van Myanmar eraan dat zij haar verplichtingen en toezeggingen in verband met de democratische beginselen en fundamentele mensenrechten dient na te komen, die een essentieel onderdeel vormen van de “Everything But Arms”-regeling (EBA); verwacht dat de Commissie in dit opzicht van start gaat met een onderzoek; betreurt het feit dat de Commissie nog niet is begonnen met een dergelijk onderzoek;

10.  is verheugd over het besluit van het Internationaal Strafhof (ICC) inzake zijn jurisdictie over de deportatie van Rohingya uit Myanmar en het besluit van de hoofdaanklager bij het Internationaal Strafhof om een vooronderzoek te starten naar de misdaden tegen de Rohingyabevolking die sinds oktober 2016 onder de jurisdictie van het ICC zijn begaan; roept de autoriteiten van Myanmar op om samen te werken met het ICC; roept Myanmar ertoe op ondertekenaar te worden van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof; dringt er bij de VN-Veiligheidsraad op aan de situatie in Myanmar te verwijzen naar het ICC, met inbegrip van alle misdaden die onder de jurisdictie van het ICC vallen die tegen de Rohingya zijn begaan, of om ad hoc een internationaal straftribunaal op te zetten; roept de EU en haar lidstaten ertoe op in de VN-Veiligheidsraad het voortouw te nemen bij het verzoek om de situatie in Myanmar te verwijzen naar het ICC; roept de EU en haar lidstaten er bovendien toe op de inspanningen te ondersteunen om een rechtszaak aan te spannen bij het Internationaal Gerechtshof over de mogelijke schending door Myanmar van het genocideverdrag van de Verenigde Naties;

11.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de goedkeuring van een resolutie over Myanmar te bevorderen tijdens de volgende zitting van de VN-Mensenrechtenraad;

12.  is verheugd over de inspanningen van de regering en de burgers van Bangladesh om Rohingyavluchtelingen te beschermen en in veiligheid te brengen, en moedigt hen aan humanitaire hulp te blijven verstrekken aan de vluchtelingen uit Myanmar; roept de autoriteiten in Bangladesh op om te waarborgen dat Rohingyakinderen zonder discriminatie volledig toegang hebben tot kwaliteitsvol onderwijs, om de beperkingen op de toegang tot internet en onlinecommunicatie en de beperkingen op de bewegingsvrijheid op te heffen en om te waarborgen dat de veiligheidstroepen die actief zijn in de kampen alle beschermingsnormen eerbiedigen voor de persoonlijke veiligheid van de vluchtelingen;

13.  is verheugd dat de EU begin september 2019 2 miljoen EUR aan voedselhulp heeft uitbetaald aan het Wereldvoedselprogramma van de VN ten voordele van de Rohingyakampen in Cox’s Bazar, maar vraagt de Raad en de Commissie om, gezien de behoeften ter plaatse, hun inspanningen op dit gebied verder te zetten; herinnert eraan dat de financiële verantwoordelijkheid voor het bijstaan van de vluchtelingen niet onevenredig op Bangladesh mag neerkomen; roept op tot internationale steun voor de gemeenschappen die de vluchtelingen onderdak bieden, onder meer door oplossingen te zoeken voor nationale problemen op maatschappelijk, onderwijs-, economisch en gezondheidsgebied;

14.  herinnert er bovendien aan dat medische en psychologische ondersteuning moet worden verstrekt in de vluchtelingenkampen, met name gericht op kwetsbare groepen, waaronder vrouwen en kinderen; roept op tot betere hulpdiensten voor slachtoffers van verkrachting en aanranding;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Myanmar, de staatsadviseur Aung San Suu Kyi, de regering en het parlement van Bangladesh, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN), de intergouvernementele mensenrechtencommissie van de ASEAN, de Speciaal Rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar, de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 52.
(2) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 134.
(3) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 112.
(4) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 109.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0261.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0345.


Iran, in het bijzonder de situatie van verdedigers van vrouwenrechten en gedetineerde personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit
PDF 131kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 september 2019 over Iran, met name de situatie van vrouwenrechtenactivisten en gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten (2019/2823(RSP))
P9_TA(2019)0019RC-B9-0089/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Iran, meer bepaald de resoluties over de mensenrechten, en met name de resolutie van 14 maart 2019 over Iran, en met name de situatie van mensenrechtenactivisten(1), van 13 december 2018 over Iran, met name de zaak van Nasrin Sotoudeh(2), van 31 mei 2018 over de situatie van gedetineerde personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit in Iran(3), van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na de sluiting van de nucleaire overeenkomst(4), van 3 april 2014 over de EU-strategie ten aanzien van Iran(5), van 8 oktober 2015 over de doodstraf(6), en van 17 november 2011 over Iran - recente gevallen van schending van de mensenrechten(7),

–  gezien de conclusies van de Raad over Iran van 4 februari 2019 en Uitvoeringsverordening (EU) 2019/560 van de Raad van 8 april 2019 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran, waarin de Raad besluit de beperkende maatregelen in verband met ernstige mensenrechtenschendingen met een jaar te verlengen, tot en met 13 april 2020(8),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran van 8 februari 2019,

–  gezien de verslagen van de speciale rapporteur voor de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran van september 2018, 30 januari 2019 en 18 juli 2019 en gezien zijn verklaring van 16 augustus 2019 over de gevangenneming en veroordeling tot lange gevangenisstraffen van Mojgan Keshavarz, Monireh Arabshahi en Yasaman Aryani, drie Iraanse vrouwen die willekeurig gevangen zijn genomen omdat zij hebben gedemonstreerd tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een sluier te dragen,

–  gezien de verklaring van 29 november 2018 van VN-mensenrechtendeskundigen waarin deze eisten dat Iran vrouwenrechtenactivisten beschermt,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, inzake foltering, inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, en over mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de verklaring van 12 maart 2019 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over de veroordeling van de Iraanse mensenrechtenadvocate Nasrin Sotoudeh,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966 (IVBPR), waarbij Iran partij is,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 17 december 2018 over de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien het nieuwe strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie en het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie, die ten doel hebben de bescherming en monitoring van de mensenrechten op alle beleidsterreinen van de EU centraal te stellen,

–  gezien de VN-grondbeginselen voor de bescherming van alle personen in enigerlei vorm van detentie of gevangenschap, daterend uit 1988,

–  gezien de VN-standaardminimumregels voor de behandeling van gevangenen (de Nelson-Mandela-regels) uit 2015,

–  gezien het burgerrechtenhandvest van de Iraanse president,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Iraanse revolutionaire rechtbanken de afgelopen maanden steeds strenger optreden tegen vrouwenrechtenactivisten die vreedzame protestacties organiseren en protesteren tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een hidjab te dragen, en steeds langere gevangenisstraffen opleggen; overwegende dat volgens de VN sinds 2018 minstens 32 personen zijn gearresteerd en ten minste 10 personen gevangen zijn genomen wegens protesten tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een hidjab te dragen;

B.  overwegende dat de Iraanse activistes Mojgan Keshavarz, Monireh Arabshahi en Yasaman Aryani in april 2019 willekeurig gevangen zijn genomen nadat zij een video online hadden gezet waarin te zien was hoe zij op 8 maart 2019 (internationale vrouwendag) zonder dat zij een hoofddoek droegen op vreedzame wijze protesteerden tegen de Iraanse wetgeving op grond waarvan vrouwen verplicht zijn om een hoofddoek te dragen, en bloemen uitdeelden in de metro van Teheran; overwegende dat Sahar Khodayari, een Iraanse vrouw die gevangen was genomen nadat zij geprobeerd had om in een stadion een voetbalwedstrijd bij te wonen, zichzelf uit protest in brand heeft gestoken nadat zij vernomen had dat zij wegens deze poging zes maanden gevangenisstraf zou krijgen, en aan haar verwondingen is overleden;

C.  overwegende dat Mojgan Keshavarz, Yasaman Aryani, Monireh Arabshahi en Saba Kord-Afshari in augustus 2019 veroordeeld zijn tot gevangenisstraffen variërend van 16 tot 24 jaar; overwegende dat zij tijdens het vooronderzoek geen contact mochten hebben met een advocaat en dat hun juridisch vertegenwoordigers naar verluidt niet in de gelegenheid werden gesteld om ter zitting verdediging te voeren; overwegende dat deze veroordelingen rechtstreeks verband houden met de vreedzame uitoefening door deze vrouwen van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering in verband met hun strijd voor gendergelijkheid in Iran;

D.  overwegende dat de rechtbank van eerste aanleg op 27 augustus 2019 drie vrouwenrechtenactivistes, Sepideh Gholian, Sanaz Allahyari en Asal Mohammadi, heeft veroordeeld wegens onder meer “samenzwering en samenspanning tegen de nationale veiligheid”; overwegende dat op 24 en 31 augustus naar buiten kwam dat twee voorvechtsters voor de arbeidsrechten van vrouwen, Marzieh Amiri en Atefeh Rangriz, die gevangen zaten sinds zij tijdens een vreedzame demonstratie op de dag van de arbeid werden gearresteerd, veroordeeld waren tot tien en een half jaar gevangenisstraf en 148 zweepslagen, respectievelijk elf en een half jaar gevangenisstraf en 74 zweepslagen, wegens onder meer “samenzwering en samenspanning tegen de nationale veiligheid “, “propaganda tegen de staat “ en “het verstoren van de openbare orde”;

E.  overwegende dat Iran het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat in 1979 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN, niet heeft geratificeerd; overwegende dat Iran veel discriminerende wetten kent, met name de wetgeving inzake de burgerlijke stand;

F.  overwegende dat er nog altijd mensen worden gearresteerd die zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van een EU-lidstaat hebben, en dat deze burgers na hun arrestatie langdurig in afzondering worden opgesloten en worden ondervraagd, zonder waarborgen en normen voor een eerlijke procesgang, en dat zij veroordeeld worden tot lange gevangenisstraffen op grond van vage of niet gespecificeerde aantijgingen in verband met de nationale veiligheid of spionage, en dat de overheid lastercampagnes tegen hen financiert; overwegende dat Iran de rechten die uit een dubbele nationaliteit voortvloeien niet erkent, waardoor het voor buitenlandse ambassades moeilijk is om in contact te treden met personen met een dubbele nationaliteit die gevangen zitten;

G.  overwegende dat er op dit moment in Iran ten minste zes personen met de Iraanse nationaliteit en de nationaliteit van één van de EU-lidstaten gevangen worden gehouden, te weten Nazanin Zaghari-Ratcliffe, Ahmadreza Djalali, Kamal Ahmady, Kamran Ghaderi, Massud Mossaheb en Morad Tahbaz;

H.  overwegende dat Nazanin Zaghari-Ratcliffe, die zowel de Britse als de Iraanse nationaliteit heeft en die voor de Thomson Reuters Foundation werkt, sinds 3 april 2016 onrechtmatig vastzit, en dat zij eerst maandenlang onrechtmatig gevangen werd gehouden en dat haar vervolgens een vrij en eerlijk proces werd ontzegd; overwegende dat haar herhaaldelijk medische behandelingen werden onthouden, waardoor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid zeer is verslechterd; overwegende dat het haar onlangs is verboden om internationale telefoongesprekken te voeren en dat haar familie haar maar een keer per maand mag bezoeken;

I.  overwegende dat de Iraans-Britse sociaal antropoloog Kameel Ahmady sinds 11 augustus 2019 in Teheran gevangen zit, zonder dat de aanklacht bekend is gemaakt; overwegende dat de zakenman Morad Tahbaz, die de Iraanse, Britse en Amerikaanse nationaliteit heeft, in januari 2018 samen met ten minste negen milieuactivisten gevangen werd genomen op verdenking van spionage;

J.  overwegende dat Ahmadreza Djalali, een in Iran geboren Zweedse wetenschapper en arts, sinds april 2016 in de gevangenis van Evin zit en in oktober 2017 ter dood werd veroordeeld omdat zij beschuldigd werd van spionage en vermoedelijk onder druk een bekentenis heeft afgelegd;

K.  overwegende dat Kamran Ghaderi, CEO van een Oostenrijks IT-bedrijf met zowel de Iraanse als de Oostenrijkse nationaliteit, op 2 januari 2016 bij zijn aankomst op de internationale luchthaven van Teheran door agenten van het Ministerie van Inlichtingen werd gearresteerd en tot tien jaar gevangenisstraf werd veroordeeld wegens “spionage voor vijandige staten”;

L.  overwegende dat de Sacharovprijswinnares, mensenrechtenactiviste en advocate Nasrin Sotoudeh op 11 maart 2019 bij verstek werd veroordeeld tot 38 jaar gevangenisstraf en 148 zweepslagen, onder meer in verband met haar werk ter verdediging van vrouwen die worden beschuldigd van het protesteren tegen de verplichte hidjab; overwegende dat in juni meer dan een miljoen mensen zich hebben aangesloten bij een wereldwijde campagne om van de Iraanse regering te eisen dat zij mevrouw Sotoudeh vrijlaat;

M.  overwegende dat Atena Daemi en Golrock Ebrahimi Iraee in oktober 2016 tot zes jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld; overwegende dat hun straf in september 2019 met twee jaar is verlengd nadat zij ervan werden beschuldigd “de hoogste leider beledigd te hebben”; overwegende dat dit vonnis naar verluidt is uitgesproken als represaillemaatregel wegens protesten van verdedigers van de vrouwenrechten in de gevangenis;

N.  overwegende dat vele gevallen zijn gemeld van onmenselijke en vernederende omstandigheden, met name in de gevangenis van Evin, en van een gebrek aan adequate toegang tot medische zorg tijdens de detentie in Iran, hetgeen in strijd is met de standaardminimumregels van de Verenigde Naties voor de behandeling van gedetineerden;

O.  overwegende dat verdedigers van de mensenrechten, journalisten, advocaten en milieuactivisten, vakbonds- en onlineactivisten in Iran nog steeds te maken hebben met pesterijen, willekeurige arrestaties, opsluiting en vervolging voor hun werk;

P.  overwegende dat de autoriteiten het mensenrechtenactivisme nog steeds strafbaar stellen en artikel 48 van het Iraanse wetboek van strafvordering blijven gebruiken om de toegang van gedetineerden tot een advocaat van hun eigen keuze te beperken en hun consulaire bijstand te ontzeggen; overwegende dat er geen onafhankelijke mechanismen bestaan om ervoor te zorgen dat de rechterlijke macht verantwoording aflegt;

Q.  overwegende dat de EU beperkende maatregelen heeft genomen in verband met schendingen van de mensenrechten, waaronder het bevriezen van tegoeden en visumverboden voor personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten, en een verbod op de uitvoer naar Iran van apparatuur die voor binnenlandse repressie zou kunnen worden gebruikt en van apparatuur voor het toezicht op telecommunicatie; overwegende dat deze maatregelen regelmatig worden geactualiseerd en van kracht blijven;

R.  overwegende dat Iran de doodstraf nog steeds veelvuldig toepast; overwegende dat Narges Mohammadi, winnaar van de Per Anger-prijs, momenteel een straf van zestien jaar uitzit voor haar campagne om de doodstraf af te schaffen en voor het werk dat zij heeft verricht met Nobelprijswinnaar Shirin Ebadi;

1.  roept de Iraanse autoriteiten op al deze vonnissen in te trekken en Mojgan Keshavarz, Yasaman Aryani, Monireh Arabshahi, Saba Kord-Afshari en Atena Daemi, vrouwenrechtenactivisten die protesteren tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een hidjab te dragen, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; dringt er daarnaast op aan dat Nasrin Sotoudeh, Narges Mohammadi, Sepideh Gholian, Sanaz Allahyari, Asal Mohammadi, Marzieh Amiri en Atefeh Rangriz worden vrijgelaten, evenals alle mensenrechtenactivisten die alleen maar in de gevangenis zitten en veroordeeld zijn omdat zij hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering uitoefenden;

2.  veroordeelt met klem de aanhoudende onderdrukking van vrouwen die bezwaar hebben tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een hoofddoek te dragen of die hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering uitoefenen; roept de Iraanse regering op Iraanse vrouwen vrij te laten in hun kledingkeuze en deze vrijheid te eerbiedigen;

3.  benadrukt dat de Iraanse autoriteiten er onder alle omstandigheden voor moeten zorgen dat mensenrechtenactivisten, advocaten en journalisten hun werk kunnen doen zonder dat zij daarbij te maken krijgen met bedreigingen, intimidatie en belemmeringen, en eist dat de Iraanse rechterlijke macht een eind maakt aan de voortdurende intimidatie; roept de Iraanse rechterlijke macht op de internetcensuur een halt toe te roepen en de universele mensenrechten van eenieder, in het bijzonder het recht op vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, te eerbiedigen;

4.  prijst en steunt de Iraanse vrouwenrechtenactivisten die volharden in hun taak, ondanks de moeilijkheden die ze ondervinden en de persoonlijke vergeldingsacties waarmee ze worden geconfronteerd;

5.  betreurt ten zeerste dat er geen schot zit in de zaken van de gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten die in Iran worden vastgehouden; verlangt onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten die momenteel in Iraanse gevangenissen worden vastgehouden, onder wie Nazanin Zaghari-Ratcliffe, Ahmadreza Djalali, Kamal Ahmady, Kamran Ghaderi, Massud Mossaheb en Morad Tahbaz, tenzij zij opnieuw worden berecht overeenkomstig internationale normen; keurt het af dat er voortdurend personen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten – na een oneerlijk proces – worden gevangengezet door de Iraanse autoriteiten;

6.  dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan zonder omwegen over te gaan tot samenwerking met de ambassades van de EU-lidstaten in Teheran, zodat er een complete lijst kan worden opgesteld van alle personen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten die momenteel in Iraanse gevangenissen worden vastgehouden, en verzoekt de autoriteiten elk individueel geval nauwlettend in het oog te houden, aangezien de veiligheid van burgers en de bescherming van hun grondrechten voor de EU van primair belang zijn;

7.  wenst dat de Iraanse autoriteiten alle wettelijke bepalingen herzien die discriminerend zijn ten aanzien van vrouwen, in het bijzonder de bepalingen inzake de burgerlijke stand; is verheugd dat het Iraanse parlement de wet inzake de bescherming van vrouwen tegen geweld heeft ingevoerd en onderstreept het belang van wetgeving waarin alle vormen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen specifiek worden gedefinieerd en strafbaar worden gesteld;

8.  verzoekt de Iraanse autoriteiten ervoor te zorgen dat vrouwen toegang krijgen tot alle stadions, zonder dat zij daarbij worden gediscrimineerd of het risico lopen te worden vervolgd;

9.  herhaalt zijn verzoek aan de Iraanse autoriteiten om artikel 48 van het Iraanse strafprocesrecht zodanig te wijzigen dat het recht van elke beschuldigde op vertegenwoordiging door een zelf gekozen advocaat en het recht van elke beschuldigde op een eerlijk proces worden gewaarborgd, conform de verbintenissen van Iran in het kader van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

10.  roept de Iraanse regering op het strafrecht inzake de nationale veiligheid te wijzigen, dat regelmatig wordt ingezet ten behoeve van de vervolging van mensenrechtenactivisten, journalisten, milieu- en vakbondsactivisten en leden van religieuze en etnische minderheden, en dat in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten dat door Iran is geratificeerd;

11.  keurt het af dat dikwijls opzettelijk wordt geweigerd om gevangenen medische verzorging te geven; betreurt de stelselmatige foltering in Iraanse gevangenissen en wenst dat er onmiddellijk een eind wordt gemaakt aan alle vormen van foltering en slechte behandeling van gevangenen; keurt het af dat gevangenen doorgaans geen telefoongesprekken mogen voeren of familiebezoek mogen ontvangen;

12.  roept de Iraanse autoriteiten op ervoor te zorgen dat het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij het land partij is, volledig en onvoorwaardelijk ten uitvoer wordt gelegd; vraagt Iran met klem om toe te treden tot het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen;

13.  wijst erop dat er wijzigingen zijn aangebracht aan de wet inzake drugssmokkel, waardoor de doodstraf minder vaak zou moeten worden opgelegd;

14.  is fel gekant tegen de toepassing van de doodstraf, met inbegrip van het gebruik ervan tegen jeugdige delinquenten; roept de Iraanse autoriteiten op een onmiddellijk moratorium in te stellen op de toepassing van de doodstraf, als een fundamentele stap in de richting van de volledige afschaffing ervan;

15.  roept Iran op samen te werken met de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Iran, en hem onder meer toegang tot het land te verlenen;

16.  moedigt ertoe aan dat de erkende ambassades van de EU-lidstaten in Teheran intensief worden gecoördineerd; verzoekt alle lidstaten met een diplomatieke vertegenwoordiging in Teheran gebruik maken van de in de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers bedoelde mechanismen, waaronder publieke verklaringen, diplomatieke stappen, monitoring van rechtszaken en bezoeken aan gevangenissen, om deze personen – in het bijzonder vrouwenrechtenactivisten en personen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten – te helpen en te beschermen;

17.  verzoekt de EU, waaronder de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, mensenrechtenkwesties in bilaterale en multilaterale fora onder de aandacht te blijven brengen van de Iraanse autoriteiten en alle geplande bijeenkomsten met de Iraanse autoriteiten aan te wenden voor dit doel, in het bijzonder in het licht van de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Iran;

18.  roept de EDEO op verslag uit te brengen over de maatregelen die naar aanleiding van eerdere resoluties van het Parlement over Iran zijn genomen;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties alsmede aan de regering en het parlement van Iran.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0204.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0525.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0231.
(4) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 86.
(5) PB C 408 van 30.11.2017, blz. 39.
(6) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 41.
(7) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 157.
(8) PB L 98 van 9.4.2019, blz. 1.


Octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard
PDF 124kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 september 2019 over de octrooieerbaarheid van planten en werkwijzen van wezenlijk biologische aard (2019/2800(RSP))
P9_TA(2019)0020RC-B9-0040/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2012 over de octrooiering van werkwijzen van wezenlijk biologische aard(1),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over octrooien en kwekersrechten(2),

–  gezien Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen(3), en met name artikel 4, waarin wordt bepaald dat producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard niet octrooieerbaar zijn,

–  gezien het Europees Octrooiverdrag (EOV) van 5 oktober 1973, en met name artikel 53, onder b),

–  gezien het uitvoeringsreglement bij het EOV, en met name artikel 26, waarin wordt bepaald dat Richtlijn 98/44/EG een aanvullend middel voor uitleg vormt bij Europese octrooiaanvragen en octrooien met betrekking tot biotechnologische uitvindingen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 november 2016 inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 1 maart 2017 over de mededeling van de Commissie inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen(5),

–  gezien het besluit van 29 juni 2017 van de raad van bestuur van de Europese Octrooiorganisatie tot wijziging van de artikelen 27 en 28 van het uitvoeringsreglement bij het EOV (CA/D 6/17)(6),

–  gezien de verwijzing door de president van het EOB van meerdere vragen met betrekking tot besluit T 1063/18 van de technische kamer van beroep 3.3.04 van het Europees Octrooibureau (EOB) van 5 december 2018 naar de Grote Kamer van beroep van het EOB(7),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht(8) (hierna “Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad” genoemd), met name artikel 15, onder c), dat de uitzondering voor kwekers bevat,

–  gezien de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, met inbegrip van de handel in namaakproducten (TRIPS-Overeenkomst), en met name artikel 27, lid 3,

–  gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de onbelemmerde toegankelijkheid van plantaardig materiaal, met inbegrip van plantenkenmerken, absoluut van essentieel belang is voor de innovatieve kracht en het concurrentievermogen van de Europese veredelings- en landbouwsector, alsook voor de ontwikkeling van nieuwe plantenrassen om de mondiale voedselzekerheid te waarborgen, de klimaatverandering tegen te gaan en monopolies binnen de veredelingssector te voorkomen, en tegelijkertijd kmo’s en landbouwers meer kansen te bieden;

B.  overwegende dat elke beperking van de toegang tot genetische rijkdommen, evenals elke poging tot beperking ervan, tot een buitensporige marktconcentratie kan leiden op het gebied van gewasveredeling, ten koste van de marktconcurrentie, de consument, de Europese interne markt en de voedselzekerheid;

C.  overwegende dat octrooien op producten die zijn verkregen door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard of op genetisch materiaal dat noodzakelijk is voor conventionele voortbrenging, afbreuk doen aan de uitzondering die is opgenomen in artikel 53, onder b), van het EOV, en in artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG;

D.  overwegende dat producten die voortkomen uit werkwijzen van wezenlijk biologische aard, zoals planten, zaden en inheemse plantenkenmerken en genen, niet octrooieerbaar mogen zijn;

E.  overwegende dat gewasveredeling en dierfokkerij processen zijn die door landbouwers en landbouwgemeenschappen sinds het ontstaan van de landbouw worden toegepast en dat onbeperkt gebruik van rassen en teeltwijzen belangrijk is voor de genetische diversiteit;

F.  overwegende dat Richtlijn 98/44/EG wetsvoorschriften voor biotechnologische uitvindingen en in het bijzonder gentechnologie bevat;

G.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 8 november 2016 heeft geconcludeerd dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was van de Uniewetgever om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid;

H.  overwegende dat de Raad zich in zijn conclusies van 3 februari 2017 ingenomen toont met de mededeling van de Commissie; overwegende dat alle Uniewetgevers expliciet hebben aangegeven dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid;

I.  overwegende dat de raad van bestuur van de Europese Octrooiorganisatie op 29 juni 2017 de artikelen 27 en 28 van het uitvoeringsreglement bij het EOV(9) heeft gewijzigd en heeft vastgesteld dat octrooien op gewassen en dieren die het product zijn van werkwijzen van wezenlijk biologische aard verboden zijn;

J.  overwegende dat de 38 landen die partij zijn bij het EOV hebben bevestigd dat hun nationale wetgeving en praktijk zodanig worden afgestemd dat producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard daadwerkelijk worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;

K.  overwegende dat de landen die partij zijn bij het EOV hun zorgen hebben geuit over de rechtsonzekerheid die wordt veroorzaakt door besluit T 1063/18(10) van de technische kamer van beroep 3.3.04 van 5 december 2018;

L.  overwegende dat dit besluit door de president van het EOB tijdens de 159e vergadering van de raad van bestuur in maart 2019 is verwezen naar de Grote Kamer van beroep van het EOB;

M.  overwegende dat het EOB nog geen besluit heeft genomen over vele aanvragen met betrekking tot producten die zijn verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard, waardoor de aanvragers, evenals degenen voor wie deze octrooien gevolgen hebben, dringende behoefte hebben aan rechtszekerheid inzake de geldigheid van artikel 28, lid 2;

N.  overwegende dat zowel het internationale stelsel voor kwekersrecht, dat gebaseerd is op het UPOV-verdrag uit 1991, als het EU-stelsel, dat gebaseerd is op Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad, als grondbeginsel hebben dat een houder van een kweekproduct anderen er niet van mag weerhouden het beschermde product voor verdere kweekactiviteiten te gebruiken;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het besluit van de technische kamer van beroep 3.3.04 van het EOB van 5 december 2018 (T 1063/18), waardoor een situatie van rechtsonzekerheid is ontstaan;

2.  herhaalt dat planten- en dierenrassen, waaronder delen en eigenschappen, werkwijzen van wezenlijk biologische aard en via deze werkwijzen verkregen producten overeenkomstig Richtlijn 98/44/EG en de bedoeling van de Uniewetgever op geen enkele wijze octrooieerbaar mogen zijn;

3.  is van oordeel dat de interne besluitvormingsregels van het EOB niet mogen indruisen tegen de democratische politieke controle van het Europees octrooirecht, de uitlegging van dat recht en de bedoeling van de wetgever, die verduidelijkt wordt in de mededeling van de Commissie van 8 november 2016 inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen;

4.  is van mening dat elke poging om producten te octrooieren die op conventionele wijze zijn voortgebracht, waaronder via kruising en selectie, of op genetisch materiaal dat noodzakelijk is voor conventionele voortbrenging, afbreuk doet aan de uitzondering van artikel 53, onder b), van het Europees Octrooiverdrag en van artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten alles te doen wat in hun vermogen ligt om juridische duidelijkheid te verkrijgen met betrekking tot het verbod op de octrooieerbaarheid door het EOB van producten die zijn verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard;

6.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 8 november 2016, waarin wordt verduidelijkt dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was van de Uniewetgever om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid; is verheugd dat de landen die partij zijn bij het EOV hun wetgeving en praktijk afstemmen, en is ingenomen met het besluit van de raad van bestuur van de Europese Octrooiorganisatie om het toepassingsgebied en de betekenis van artikel 53, onder b), van het EOV te verduidelijken voor wat betreft uitzonderingen op de octrooieerbaarheid;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de innovatiekracht van de Europese plantveredelings- en landbouwsector en het algemeen belang te beschermen en erop toe te zien dat de Unie de toegang tot en het gebruik van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten zal blijven waarborgen, zodat, wanneer van toepassing, de praktijken waarmee de rechten van landbouwers en de “kwekersvrijstelling” worden gewaarborgd, niet verstoord worden;

8.  dringt er daarom bij de Commissie op aan om vóór 1 oktober 2019 als amicus curiae opmerkingen in te dienen bij de Grote Kamer van het EOB, ter ondersteuning van de in de mededeling van de Commissie van 2016 getrokken conclusie dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was van de Uniewetgever om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid, en om deze resolutie bij haar verklaring te voegen;

9.  dringt er bij de Grote Kamer van beroep van het EOB op aan om de rechtszekerheid onverwijld te herstellen door bevestigend te antwoorden op de vragen die door de president van het EOB aan de Grote Kamer van beroep zijn voorgelegd, in het belang van kwekers, landbouwers en in het algemeen belang;

10.  vraagt de Commissie om tijdens onderhandelingen over handels- en partnerschapsovereenkomsten actief samen te werken met derde landen om ervoor te zorgen dat zowel werkwijzen van wezenlijk biologische aard als via deze werkwijzen verkregen producten worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;

11.  dringt er bij de Commissie op aan om er in de context van onderhandelingen over de harmonisering van het multilaterale octrooirecht naar te streven dat werkwijzen van wezenlijk biologische aard en de producten die via deze werkwijzen zijn verkregen, worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;

12.  roept de Commissie op om verslag uit te brengen over de ontwikkeling en de implicaties van het octrooirecht op het gebied van de bio- en gentechnologie, conform artikel 16, onder c), van Richtlijn 98/44/EG, en conform het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 17 december 2015 over octrooien en kwekersrechten, en om kwesties die verband houden met de omvang van de bescherming van octrooien verder te analyseren;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie vóór 1 oktober 2019 naar de Commissie te verzenden om opgenomen te worden in de schriftelijke verklaring voor de Grote Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau, en aan de Raad.

(1) PB C 261 E van 10.9.2013, blz. 31.
(2) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 188.
(3) PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13.
(4) PB C 411 van 8.11.2016, blz. 3.
(5) PB C 65 van 1.3.2017, blz. 2.
(6) Publicatieblad van de Europese Octrooiorganisatie, A56 van 31.7.2017.
(7) Publicatieblad van de Europese Octrooiorganisatie, A52 van 31.5.2019.
(8) PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.
(9) Publicatieblad van de Europese Octrooiorganisatie, A56 van 31.7.2017 (CA/D 6/17).
(10) https://www.epo.org/news-issues/news/2019/20190329.html


Belang van Europees gedenken voor de toekomst van Europa
PDF 128kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 september 2019 over het belang van Europese herinnering voor de toekomst van Europa (2019/2819(RSP))
P9_TA(2019)0021RC-B9-0097/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de universele beginselen van mensenrechten en de fundamentele beginselen van de Europese Unie als een gemeenschap gebaseerd op gedeelde waarden,

–  gezien de verklaring van 22 augustus 2019 van eerste vicevoorzitter Timmermans en commissaris Jourová voorafgaand aan de pan-Europese herdenkingsdag voor de slachtoffers van alle totalitaire en autoritaire regimes,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties, aangenomen op 10 december 1948,

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2005 over de zestigste verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa op 8 mei 1945(1),

–  gezien Resolutie 1481 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 26 januari 2006 over de noodzaak van internationale veroordeling van de misdaden van totalitaire communistische regimes,

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(2),

–  gezien de Verklaring van Praag over het Europese geweten en het communisme, die op 3 juni 2008 werd aangenomen,

–  gezien de op 23 september 2008 aangenomen verklaring van het Europees Parlement over de proclamatie van 23 augustus als Europese herdenkingsdag voor de slachtoffers van het stalinisme en het nazisme(3),

–  gezien zijn resolutie van 2 april 2009 over het Europese geweten en het totalitarisme(4),

–  gezien het verslag van de Commissie van 22 december 2010 over de herinnering aan de misdaden van totalitaire regimes in Europa (COM(2010)0783),

–  gezien de conclusies van de Raad van 9 en 10 juni 2011 over de herinnering aan de misdaden van totalitaire regimes in Europa,

–  gezien de Verklaring van Warschau van 23 augustus 2011 ter gelegenheid van de Europese herdenkingsdag voor de slachtoffers van totalitaire regimes,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de vertegenwoordigers van de regeringen van de EU-lidstaten van 23 augustus 2018 ter herdenking van de slachtoffers van het communisme,

–  gezien zijn op 13 januari 1983 aangenomen historische resolutie over de situatie in Estland, Letland en Litouwen, als reactie op het “Baltisch Appel” van 45 burgers van deze landen,

–  gezien de resoluties en verklaringen over de misdaden van totalitaire communistische regimes die door een aantal nationale parlementen zijn aangenomen,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het dit jaar 80 jaar geleden is dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, waarmee een periode van niet eerder gezien menselijk lijden begon en de decennialang durende bezetting van Europese landen werd ingeluid;

B.  overwegende dat de communistische Sovjet-Unie en nazi-Duitsland 80 jaar geleden, op 23 augustus 1939, een niet-aanvalsverdrag ondertekenden, bekend als het Molotov-Ribbentroppact, vergezeld van geheime protocollen, waarin Europa en het grondgebied van onafhankelijke landen tussen deze twee totalitaire regimes werden opgedeeld in belangensferen, hetgeen de weg effende voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog;

C.  overwegende dat het Molotov-Ribbentroppact en het daaropvolgende grens- en vriendschapsverdrag tussen de nazi’s en de Sovjet-Unie van 28 september 1939 de rechtstreekse aanleiding zijn geweest voor de invasie van de Poolse Republiek – eerst door Hitler en twee weken later door Stalin, waardoor de Poolse onafhankelijkheid werd opgeheven en het Poolse volk in een ongeziene tragedie werd gestort – voor het begin op 30 november 1939 van een agressieve oorlog van de communistische Sovjet-Unie tegen Finland, voor de bezetting en annexatie door de Sovjet-Unie in juni 1940 van verschillende delen van Roemenië – gebieden die nooit werden teruggegeven – en voor de gedwongen annexatie door de Sovjet-Unie van de onafhankelijke republieken Litouwen, Letland en Estland;

D.  overwegende dat de nederlaag van het naziregime en het einde van de Tweede Wereldoorlog voor een deel van de Europese landen een periode van naoorlogse heropbouw en een verzoeningsproces inluidde, maar dat andere Europese landen een halve eeuw een dictatuur bleven, sommige rechtstreeks bezet door of onder de rechtstreekse invloed van de Sovjet-Unie, en dat hen hierdoor de kans op vrijheid, soevereiniteit, waardigheid, mensenrechten en sociaal-economische ontwikkeling voor lange tijd werd ontnomen;

E.  overwegende dat de misdaden van het naziregime werden beoordeeld en bestraft tijdens de Processen van Neurenberg, maar dat het nog steeds dringend noodzakelijk is het besef te vergroten van de misdaden van het stalinisme en andere dictaturen en deze te onderwerpen aan morele beoordelingen en juridische onderzoeken;

F.  overwegende dat in sommige lidstaten communistische en nazistische ideologieën bij wet verboden zijn;

G.  overwegende dat de Europese integratie vanaf het begin een reactie vormde op niet alleen het leed dat door de twee wereldoorlogen werd aangericht en op de nazi-tirannie, die tot de Holocaust leidde, maar ook op de expansie van totalitaire en ondemocratische communistische regimes in Midden- en Oost-Europa, en tevens een middel was om de grote verdeeldheid en vijandschap in Europa door samenwerking en integratie te overbruggen, en om oorlog te beëindigen en de democratie in Europa veilig te stellen; overwegende dat de uitbreiding van de EU sinds 2004 voor de Europese landen die onder het juk van de Sovjetbezetting en van communistische dictaturen gebukt zijn gegaan een terugkeer betekent naar de Europese familie waar ze thuishoren;

H.  overwegende dat de herinnering aan Europa's tragische verleden levend moet worden gehouden, teneinde de slachtoffers in ere te houden, de daders te veroordelen, en de basis te leggen voor een verzoening die op de waarheid en herinnering stoelt;

I.  overwegende dat de herdenking van slachtoffers van totalitaire regimes en de erkenning en het besef van de gedeelde Europese erfenis van misdaden die zijn gepleegd door communistische, nazistische en andere dictaturen, van wezenlijk belang zijn voor de eenheid van Europa en zijn volkeren, alsook om Europa weerbaar te maken tegen hedendaagse externe dreigingen;

J.  overwegende dat er 30 jaar geleden, op 23 augustus 1989, naar aanleiding van de 50e verjaardag van het Molotov-Ribbentroppact en de herdenking van de slachtoffers van totalitaire regimes, een ongeziene demonstratie plaatsvond onder de naam “de Baltische Weg”, waarbij twee miljoen Litouwers, Letten en Esten hand in hand gingen staan om een menselijke ketting te vormen van Vilnius, door Riga, tot Tallinn;

K.  overwegende dat op 24 december 1989 het Congres van Volksafgevaardigden van de USSR de ondertekening van het Molotov-Ribbentroppact en andere overeenkomsten met nazi-Duitsland heeft veroordeeld, terwijl de Russische autoriteiten in augustus 2019 hebben ontkend verantwoordelijk te zijn voor die overeenkomst en momenteel de visie naar voren schuiven dat Polen, de Baltische staten en het Westen de eigenlijke aanstokers van de Tweede Wereldoorlog waren;

L.  overwegende dat de herdenking van slachtoffers van totalitaire en autoritaire regimes en de erkenning en het besef van de gedeelde Europese erfenis van misdaden die zijn gepleegd door stalinistische, nazistische en andere dictaturen, van wezenlijk belang zijn voor de eenheid van Europa en zijn volkeren, alsook om Europa weerbaar te maken tegen hedendaagse externe dreigingen;

M.  overwegende dat openlijk radicale, racistische en xenofobe groepen en politieke partijen aanzetten tot haat en geweld in de samenleving, bijvoorbeeld via de online-verspreiding van haatzaaiende uitlatingen, die vaak leiden tot een toename van geweld, vreemdelingenhaat en intolerantie;

1.  herinnert eraan dat krachtens artikel 2 VEU eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust; herinnert eraan dat alle lidstaten deze waarden delen;

2.  benadrukt dat de Tweede Wereldoorlog, de meest verwoestende oorlog in de Europese geschiedenis, is begonnen als onmiddellijk gevolg van het beruchte niet-aanvalsverdrag tussen de nazi’s en de Sovjet-Unie van 23 augustus 1939, ook bekend als het Molotov-Ribbentroppact en zijn geheime protocollen, waarbij twee totalitaire regimes met het oog op de verovering van de wereld, Europa in twee invloedssferen verdeelden;

3.  herinnert eraan dat de regimes van de nazi’s en de communisten massamoorden, genocide en deportaties hebben uitgevoerd en een verlies van levens en vrijheid in de 20e eeuw hebben veroorzaakt op een schaal die nog niet eerder in de menselijke geschiedenis was voorgekomen, en wijst op de weerzinwekkende misdaad van de Holocaust die het naziregime heeft gepleegd; veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de daden van agressie, misdaden tegen de mensheid en de grootschalige mensenrechtenschendingen door de nazistische, communistische en andere totalitaire regimes;

4.  spreekt zijn grote eerbied uit voor elk slachtoffer van deze totalitaire regimes en roept alle EU-instellingen en -actoren op alles in het werk te stellen om te waarborgen dat de weerzinwekkende totalitaire misdaden tegen de menselijkheid en systemisch grove mensenrechtenschendingen niet worden vergeten en voor de rechter worden gebracht, alsook ervoor te zorgen dat dergelijke misdaden nooit meer plaatsvinden; benadrukt dat het belangrijk is de herinnering aan het verleden levend te houden, omdat er geen sprake kan zijn van verzoening zonder herinnering, en herhaalt dat het een gesloten front wil vormen tegen elke vorm van totalitarisme, ongeacht de ideologische achtergrond;

5.  verzoekt alle EU-lidstaten een duidelijk en principieel oordeel te vellen over de misdaden en daden van agressie van de totalitaire communistische regimes en het naziregime;

6.  veroordeelt alle uitingen en verspreiding van totalitaire ideologieën, zoals het nazisme en het stalinisme, in de EU;

7.  veroordeelt het historisch revisionisme en de verheerlijking van nazicollaborateurs in sommige EU-lidstaten; is ernstig bezorgd over de toenemende acceptatie van radicale ideologieën en de terugkeer van fascisme, racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid in de Europese Unie, en maakt zich zorgen over berichten uit sommige lidstaten dat politieke leiders, politieke partijen en rechtshandhavingsinstanties contacten onderhouden met de radicale, racistische en xenofobe bewegingen van verschillende politieke kleur; verzoekt de lidstaten dergelijke daden zo krachtig mogelijk te veroordelen, aangezien zij de EU-waarden, van vrede, vrijheid en democratie, ondermijnen;

8.  roept alle lidstaten op 23 augustus te vieren als Europese herdenkingsdag voor de slachtoffers van totalitaire regimes, op zowel EU- als nationaal niveau, en verzoekt het bewustzijn over dit onderwerp te vergroten bij de jongere generatie door de geschiedenis en bestudering van de gevolgen van totalitaire regimes op te nemen in de curricula en handboeken van alle scholen in de EU; dringt er bij de lidstaten op aan de documentatie over het woelige Europese verleden te ondersteunen, bijvoorbeeld door de verslagen van de processen van Neurenberg in alle talen van de EU te vertalen;

9.  dringt er bij de lidstaten op aan om alle vormen van ontkenning van de Holocaust, waaronder het bagatelliseren en minimaliseren van de misdaden die zijn begaan door nazi’s en hun collaborateurs, te veroordelen en te bestrijden, onder meer door het bagatelliseren van de misdaden in het politieke discours en de media te voorkomen;

10.  pleit voor een gemeenschappelijke cultuur van gedenken, waarbij de misdaden van fascistische, stalinistische en andere totalitaire en autoritaire regimes uit het verleden scherp worden afgekeurd om zo weerbaarder te worden tegen moderne dreigingen voor de democratie, met name onder de jongere generaties; spoort de lidstaten aan educatie via de mainstreamcultuur over de diversiteit van onze samenleving en over onze gemeenschappelijke geschiedenis aan te moedigen, inclusief educatie over de wreedheden die zijn begaan in de Tweede Wereldoorlog, zoals de Holocaust, en de stelselmatige en jarenlange ontmenselijking van de slachtoffers;

11.  roept er tevens toe op 25 mei (de dag waarop de Auschwitz-held ritmeester Witold Pilecki werd geëxecuteerd) uit te roepen tot Internationale Dag van helden in de strijd tegen totalitarisme, als blijk van respect voor en om hulde te brengen aan al diegenen die heldhaftigheid en een ware liefde voor de mensheid hebben getoond door zich te verzetten tegen tirannie, alsook om toekomstige generaties een duidelijk voorbeeld te geven van de juiste houding in het geval ze in aanraking komen met de dreiging van totalitaire onderwerping;

12.  verzoekt de Commissie doeltreffende steun te verlenen aan projecten in verband met herinnering en herdenking van de geschiedenis in de lidstaten en aan de activiteiten van het Platform Europese nagedachtenis en Europees geweten, alsook - in het kader van het programma Europa voor de burger - adequate financiële middelen toe te wijzen aan ondersteuning van de nagedachtenis en herdenking van de slachtoffers van totalitarisme, zoals uiteengezet in het standpunt van het Parlement over het programma Rechten en waarden 2021-2027;

13.  geeft aan dat de volkeren van Europa door vrijwillig te kiezen voor de Europese integratie als een model van vrede en verzoening er blijk van hebben gegeven zich te willen inzetten voor een gedeelde toekomst, en dat de Europese Unie een bijzondere verantwoordelijkheid draagt om niet alleen ín, maar ook buíten de Unie de democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat te bevorderen en te waarborgen;

14.  wijst erop dat de Oost- en Midden-Europese landen door hun toetreding tot de EU en de NAVO niet alleen zijn teruggekeerd naar de Europese familie van vrije democratische landen, maar ook, met de steun van de EU, hebben blijk gegeven van successen wat betreft hervormingen en sociaal-economische ontwikkeling; benadrukt echter dat deze mogelijkheid open moet blijven staan voor andere Europese landen, zoals bepaald in artikel 49 VEU;

15.  beklemtoont dat Rusland het grootste slachtoffer blijft van het communistische totalitarisme en dat zijn ontwikkeling tot een democratische staat wordt belemmerd zolang de regering, de politieke elite en de politieke propaganda de communistische misdaden blijven goedpraten en het totalitaire regime van de Sovjet-Unie blijven verheerlijken; roept bijgevolg de Russische samenleving op het tragische verleden onder ogen te zien;

16.  is ernstig bezorgd over de pogingen van de huidige leiders in Rusland om historische feiten te verdraaien en misdaden van het totalitaire regime van de Sovjet-Unie goed te praten, en beschouwt deze als een gevaarlijk onderdeel van de informatieoorlog die tegen democratisch Europa wordt gevoerd en erop gericht is Europa te verdelen; verzoekt de Commissie daarom deze pogingen resoluut tegen te gaan;

17.  spreekt zijn bezorgdheid uit dat symbolen van het Sovjetregime nog steeds worden gebruikt in de publieke ruimte en voor commerciële doeleinden en herinnert eraan dat een aantal Europese landen het gebruik van zowel nazistische als communistische symbolen hebben verboden;

18.  merkt op dat de voortdurende aanwezigheid in sommige lidstaten van monumenten en gedenktekens in de publieke ruimte (parken, pleinen, straten enz.) ter verheerlijking van het Sovjetleger – de voormalige bezettingsmacht in die landen – de weg effent om historische feiten over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog te verdraaien en het totalitaire politieke systeem te propageren;

19.  veroordeelt het feit dat extremistische en xenofobe krachten in Europa steeds vaker hun toevlucht nemen tot verdraaiing van de historische feiten, en gebruikmaken van symbolisme en retoriek die doet denken aan aspecten van totalitaire propaganda, waaronder racisme, antisemitisme en haat jegens seksuele en andere minderheden;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat zij aan de bepalingen van het kaderbesluit van de Raad voldoen, om organisaties te bestrijden die in de publieke ruimte en online haatzaaiende taal en geweld verspreiden, en neofascistische en neonazistische groeperingen en andere stichtingen of verenigingen die nazisme en fascisme of enige andere vorm van totalitarisme loven en verheerlijken, doeltreffend te verbieden, waarbij de nationale rechtsorde en jurisdictie worden geëerbiedigd;

21.  beklemtoont dat Europa’s tragische verleden als morele en politieke inspiratie moet blijven dienen bij het aanpakken van de uitdagingen waarvoor de wereld van vandaag ons stelt, waaronder de bestrijding van ongelijkheid in de wereld, het tot stand brengen van open en verdraagzame samenlevingen en gemeenschappen waarin etnische, religieuze en seksuele minderheden niet worden buitengesloten, en het creëren van omstandigheden waarin eenieder de vruchten kan plukken van de Europese waarden;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Russische Doema en de parlementen van de landen van het Oostelijk Partnerschap.

(1) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 392.
(2) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(3) PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 57.
(4) PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 25.


Stand van zaken bij de uitvoering van antiwitwaswetgeving
PDF 129kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 september 2019 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de antiwitwaswetgeving van de Unie (2019/2820(RSP))
P9_TA(2019)0022B9-0045/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (AML/CFT), tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(1) en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (4e antiwitwasrichtlijn)(2), en als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van Richtlijn 2009/138/EG en Richtlijn 2013/36/EU (5e antiwitwasrichtlijn)(3),

–  gezien Richtlijn (EU) 2019/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten, en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ van de Raad(4), Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld(5) en Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005(6),

–  gezien het antiwitwaspakket van de Commissie dat is aangenomen op 24 juli 2019 en dat bestaat uit een politieke mededeling getiteld “Naar een betere toepassing van het kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme” (COM(2019)0360), het verslag over de beoordeling van recente vermeende gevallen van het witwassen van geld waarbij EU-kredietinstellingen betrokken zijn (“post mortem”) (COM(2019)0373), het verslag over de beoordeling van risico’s op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering die van invloed zijn op de interne markt en verband houden met grensoverschrijdende activiteiten (het verslag over de supranationale risicobeoordeling) (COM(2019)0370) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0650), en het verslag over de onderlinge koppeling van nationale gecentraliseerde automatische mechanismen (centrale registers of centrale elektronische systemen voor gegevensontsluiting) van de lidstaten voor bankrekeningen (COM(2019)0372),

–  gezien het advies van de Europese Bankautoriteit over mededelingen aan onder toezicht staande entiteiten inzake witwaspraktijken en gevaren met betrekking tot de financiering van terrorisme bij prudentieel toezicht, gepubliceerd op 24 juli 2019,

–  gezien de routekaart van de Commissie “Naar een nieuwe methode voor de EU-beoordeling van derde landen met een hoog risico op grond van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering”,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 22 juni 2018 getiteld “Methode voor de identificatie van derde landen met een hoog risico op grond van Richtlijn (EU) 2015/849” (SWD(2018)0362),

–  gezien de vier gedelegeerde verordeningen die de Commissie heeft goedgekeurd ((EU) 2016/1675, (EU) 2018/105, (EU) 2018/212 en (EU) 2018/1467) tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen,

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over de dringende noodzaak om een zwarte lijst van derde landen op te stellen in het kader van de antiwitwasrichtlijn(7),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking(8),

–  gezien de gedachtewisseling van 5 september 2019 op de vergadering van de Commissie economische en monetaire zaken met de Commissie en de Europese Bankautoriteit,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het kader van de Unie voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (AML/CTF) geleidelijk is versterkt door de vaststelling van de 4e antiwitwasrichtlijn in mei 2015 en de 5 antiwitwasrichtlijn in april 2018 en de respectieve data van omzetting ervan in de nationale wetgeving van de lidstaten tegen juni 2017 en januari 2020, en door andere begeleidende wetgeving en maatregelen;

B.  overwegende dat volgens Europol bij 0,7 à 1,28 % van het jaarlijkse BBP van de Unie betrokkenheid bij verdachte financiële activiteit wordt geconstateerd(9), zoals het witwassen van geld in verband met corruptie, wapenhandel, mensenhandel, drugshandel, belastingontduiking en -fraude, financiering van terrorisme of andere illegale activiteiten die EU-burgers in hun dagelijks leven treffen;

C.  overwegende dat de Commissie krachtens artikel 9 van de 4e antiwitwasrichtlijn bevoegd is om gedelegeerde handelingen vast te stellen om derde landen met een hoog risico te identificeren, rekening houdend met strategische tekortkomingen op verschillende gebieden; overwegende dat het Parlement de invoering door de Commissie van een nieuwe methode steunt die niet alleen gebaseerd is op externe informatiebronnen om derde landen met strategische tekortkomingen op het gebied van AML en CTF te identificeren die een bedreiging vormen voor het financiële stelsel van de EU en waarvoor verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen nodig zijn bij de entiteiten die onder de 4e en 5e antiwitwasrichtlijn vallen;

D.  overwegende dat de 3e antiwitwasrichtlijn, die op 15 december 2007 in werking trad, is komen te vervallen met de vaststelling van de 4e antiwitwasrichtlijn; overwegende dat de tenuitvoerlegging van verscheidene bepalingen van de 3e antiwitwasrichtlijn, waaronder de adequate bevoegdheid en personeelsbezetting van de nationale bevoegde autoriteiten, in het verleden niet naar behoren is gecontroleerd en als prioriteit moet worden aangemerkt voor de lopende volledigheids- en correctheidscontroles en inbreukprocedures die de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van de 4e antiwitwasrichtlijn uitvoert;

E.  overwegende dat de Raad en het Parlement drie voorstellen tot wijziging van de gedelegeerde verordeningen(10) hebben verworpen op grond van het feit dat de voorstellen niet zijn opgesteld in een transparant en flexibel proces dat de betrokken landen er actief toe aanzet om resoluut op te treden en tegelijkertijd hun recht om te worden gehoord eerbiedigt, of dat het proces van de Commissie voor het identificeren van derde landen met een hoog risico niet voldoende autonoom is verlopen;

F.  overwegende dat de Commissie op 13 februari 2019 een nieuwe lijst van 23 derde landen met strategische tekortkomingen op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorismebestrijding in het kader van de nieuwe methode heeft goedgekeurd, namelijk Afghanistan, Amerikaans-Samoa, de Bahama’s, Botswana, de Democratische Volksrepubliek Korea, Ethiopië, Ghana, Guam, Iran, Irak, Libië, Nigeria, Pakistan, Panama, Puerto Rico, Samoa, Saudi-Arabië, Sri Lanka, Syrië, Trinidad en Tobago, Tunesië, de Amerikaanse Maagdeneilanden en Jemen; overwegende dat de Raad de gedelegeerde handeling op 7 maart 2019 heeft verworpen in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken;

G.  overwegende dat de Commissie tegen de meeste lidstaten inbreukprocedures heeft ingeleid omdat zij de 4e witwasrichtlijn niet naar behoren in nationaal recht hebben omgezet;

H.  overwegende dat de Commissie op 24 juli 2019 een AML-pakket heeft goedgekeurd, daarbij het Parlement en de Raad heeft geïnformeerd over de tot dusver bereikte resultaten en de resterende tekortkomingen binnen het AML/CTF-kader van de Unie, en daarmee de weg heeft vrijgemaakt voor verdere verbeteringen in de handhaving en tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving en voor mogelijke toekomstige wetgevende en institutionele hervormingen;

I.  overwegende dat de voorzitter van de EBA, José Manuel Campa, tijdens de gedachtewisseling met de Commissie en de Europese Bankautoriteit (EBA) op de vergadering van de Commissie economische en monetaire zaken op 5 september 2019 heeft verklaard dat de EBA geen toezichthouder is op het gebied van de antiwitwasrichtlijn, maar een autoriteit met een mandaat om richtsnoeren te geven voor het bevorderen van de samenwerking en de coördinatie en voor het beoordelen van de tenuitvoerlegging van de antiwitwaswetgeving; overwegende dat hij ook benadrukte dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de uitvoering bij de nationale autoriteiten ligt;

J.  overwegende dat volgens de mededeling van de Commissie van 24 juli 2019 getiteld “Naar een betere toepassing van het kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme” zou kunnen worden overwogen om de regels voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme verder te harmoniseren, bijvoorbeeld door de richtlijn tegen het witwassen van geld om te zetten in een verordening, die de mogelijkheid zou bieden om een geharmoniseerd en rechtstreeks toepasbaar regelgevend kader van de Unie ter bestrijding van het witwassen van geld op te zetten;

K.  overwegende dat volgens de Commissie in bovengenoemde mededeling uit de evaluaties blijkt dat er behoefte is aan een krachtiger mechanisme om grensoverschrijdende samenwerking en analyse door financiële inlichtingeneenheden te coördineren en te ondersteunen;

1.  is ernstig bezorgd over de gebrekkige tenuitvoerlegging van de 4e antiwitwasrichtlijn door een groot aantal lidstaten; is dan ook ingenomen met het feit dat de Commissie inbreukprocedures tegen de lidstaten heeft ingeleid op basis van de resultaten van haar volledigheidscontroles; roept de Commissie op om zo spoedig mogelijk een grondige controle op de juistheid van de gegevens uit te voeren en zo nodig inbreukprocedures in te leiden; dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, op aan om de 4e antiwitwasrichtlijn zo snel mogelijk naar behoren in hun nationale wetgeving om te zetten;

2.  vreest dat de uiterste termijn voor de omzetting van de 5e antiwitwasrichtlijn van 10 januari 2020 en de respectieve uiterste termijnen van 10 januari 2020 voor de registers van economische eigendom voor vennootschappen en andere rechtspersonen en 10 maart 2020 voor trusts en soortgelijke juridische constructies, door de lidstaten niet zullen worden gehaald; roept de lidstaten op dringend maatregelen te nemen om het omzettingsproces te versnellen;

3.  waardeert de aanbeveling van de werkgroep Inbreuk op het recht van de Unie van de EBA, zoals die is gedaan tijdens de gedachtewisseling met de voorzitter van de EBA, José Manuel Campa, die op 5 september 2019 op de vergadering van de Commissie economische en monetaire zaken is gehouden, over de witwaszaak van de Danske Bank, die tot op heden het grootst bekende geval van verdachte transacties in de EU is, met een waarde van meer dan 200 miljard EUR; betreurt dat de toezichthouders van de lidstaten, als stemgerechtigde leden van de raad van toezichthouders van de EBA, een voorstel voor een aanbeveling tot vaststelling van schending van de EU-wetgeving hebben verworpen; roept de Commissie op om de zaak te blijven volgen en een inbreukprocedure in te leiden als dat gerechtvaardigd is;

4.  is uitermate bezorgd over de versnippering van de regelgeving en het toezicht op het gebied van AML/CTF, die slecht zijn afgestemd op de steeds toenemende grensoverschrijdende activiteiten in de Unie en het gecentraliseerde prudentiële toezicht in de bankenunie en andere niet-bancaire sectoren;

5.  benadrukt dat het huidige AML/CTF-kader van de EU te lijden heeft onder tekortkomingen bij de handhaving van de EU-regels in combinatie met een gebrek aan efficiënt toezicht; benadrukt dat er herhaaldelijk op is gewezen dat wetgeving inzake “minimumnormen” voor AML/CTF’s risico’s kan inhouden voor een doeltreffend toezicht, een naadloze uitwisseling van informatie en coördinatie; roept de Commissie op om in het kader van de vereiste effectbeoordeling voor een toekomstige herziening van de wetgeving ter bestrijding van witwassen van geld te beoordelen of een verordening een passender rechtsinstrument zou zijn dan een richtlijn;

6.  wijst op de noodzaak van betere samenwerking tussen de administratieve, gerechtelijke en rechtshandhavingsinstanties in de EU, en met name de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten, zoals benadrukt in het verslag van de Commissie; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op korte termijn een effectbeoordeling uit te voeren om na te gaan of het mogelijk en wenselijk is een coördinatie- en ondersteuningsmechanisme in te stellen; is van mening dat er een verdere impuls moet worden gegeven aan initiatieven ter handhaving van AML/CTF-acties op EU- en nationaal niveau;

7.  neemt nota van de suggestie van de Commissie in haar postmortemverslag van 24 juli 2019 dat specifieke toezichthoudende taken op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld aan een orgaan van de Unie kunnen worden toevertrouwd;

8.  is van mening dat, om de integriteit van de lijst van derde landen met een hoog risico te waarborgen, het screening- en besluitvormingsproces niet mag worden beïnvloed door overwegingen die verder gaan dan tekortkomingen op het gebied van AML/CTF; benadrukt dat lobbyen en diplomatieke druk niet mogen leiden tot ondermijning van het vermogen van de EU-instellingen om het witwassen van geld aan te pakken en de financiering van terrorisme te bestrijden op een manier die op een doeltreffende en autonome manier gekoppeld is aan de EU; dringt er bij de Commissie op aan om verder na te gaan of het mogelijk is om een “grijze lijst” van potentieel risicovolle derde landen op te stellen, naar analogie van de aanpak van de Unie om niet-coöperatieve jurisdicties voor belastingdoeleinden op een lijst te plaatsen; is bezorgd dat de lange duur van het twaalf maanden durende proces dat moet leiden tot het eindoordeel over de identificatie van derde landen met strategische tekortkomingen kan zorgen voor onnodige vertraging voor een doeltreffende AML/CTF-actie;

9.  dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een transparante procedure met duidelijke en concrete criteria voor landen die toezeggen hervormingen door te voeren om te voorkomen dat zij op de lijst worden geplaatst; verzoekt de Commissie voorts haar eerste en definitieve beoordelingen van de genoemde landen en de toegepaste benchmarks te publiceren, zodat er openbaar toezicht kan worden uitgeoefend op een zodanige wijze dat er geen misbruik van kan worden gemaakt;

10.  dringt erop aan meer personele en financiële middelen toe te wijzen aan de aangewezen eenheid van het bevoegde directoraat-generaal en is verheugd over de verhoging van de middelen die voor de EBA worden uitgetrokken;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (3e antiwitwasrichtlijn) (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15).
(2) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(3) PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43.
(4) PB L 186 van 11.7.2019, blz. 122.
(5) PB L 284 van 12.11.2018, blz. 22.
(6) PB L 284 van 12.11.2018, blz. 6.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0216.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0240.
(9) Verslag van de Financial Intelligence Group van Europol: “From suspicion to action” (2017).
(10) C(2019)1326, C(2016)7495 en C(2017)1951.

Juridische mededeling - Privacybeleid