Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 10 oktober 2019 - Brussel
Overeenkomst betreffende samenwerking tussen Eurojust en Servië *
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019: Vermindering van vastleggings- en betalingskredieten volgens bijgewerkte uitgavenbehoeften en een actualisering van de ontvangsten (eigen middelen)
 Aanpassingen van de uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking gestelde bedragen voor 2019 die moeten worden gebruikt voor migratie, vluchtelingeninstroom en veiligheid
 Werkzame stoffen, waaronder flumioxazine
 Werkzame stoffen, waaronder chlorotoluron
 Genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG (SYN-ØØØJG-2)
 Genetisch gemodificeerde soja A2704-12 (ACS-GMØØ5-3)
 Genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 × DAS-40278-9, en genetisch gemodificeerde mais die twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 89034, 1507, MON 88017, 59122 en DAS-40278-9 combineert
 Buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in nationale en Europese democratische processen
 Meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen
 Werkgelegenheids- en sociaal beleid in het eurogebied

Overeenkomst betreffende samenwerking tussen Eurojust en Servië *
PDF 110kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad tot goedkeuring van de sluiting door Eurojust van de Overeenkomst betreffende samenwerking tussen Eurojust en Servië (10334/2019 – C9-0041/2019 – 2019/0807(CNS))
P9_TA(2019)0023A9-0009/2019

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (10334/2019),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9-0041/2019),

–  gezien Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken(1), en met name artikel 26 bis, lid 2,

–  gezien artikel 82 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0009/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019: Vermindering van vastleggings- en betalingskredieten volgens bijgewerkte uitgavenbehoeften en een actualisering van de ontvangsten (eigen middelen)
PDF 157kWORD 90k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019: Vermindering van vastleggings- en betalingskredieten volgens bijgewerkte uitgavenbehoeften en een actualisering van de ontvangsten (eigen middelen) (11733/2019 – C9-0114/2019 – 2019/2037(BUD))
P9_TA(2019)0024A9-0012/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(1), en met name artikel 44,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, definitief vastgesteld op 12 december 2018(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019, goedgekeurd door de Commissie op 2 juli 2019 (COM(2019)0610),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019, op 3 september 2019 vastgesteld door de Raad en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (11733/2019 – C9-0114/2019),

–  gezien artikel 94 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0012/2019),

A.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019 tot doel heeft zowel de uitgavenzijde als de ontvangstenzijde van de begroting bij te werken in het licht van de laatste ontwikkelingen;

B.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019 aan de uitgavenzijde de vastleggings- en betalingskredieten van de begrotingslijnen verlaagt met respectievelijk 112 miljoen EUR en 67,5 miljoen EUR in de rubrieken 1a “Concurrentievermogen voor groei en banen”, 1b “Economische, sociale en territoriale samenhang” en 2 “Duurzame groei — natuurlijke hulpbronnen”; overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019 ook tot doel heeft de vastleggings- en betalingskredieten van rubriek 5 met 11,9 miljoen EUR te verhogen om de begroting 2019 van sommige instellingen aan te passen als gevolg van het uitstel van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie tot 31 oktober 2019;

C.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019 aan de ontvangstenzijde een herziening betreft van de raming van de traditionele eigen middelen (d.w.z. douanerechten en suikerheffingen), de btw- en de bni-grondslagen, alsmede het budgetteren van de relevante Britse correcties en de financiering daarvan, factoren die allemaal gevolgen hebben voor de verdeling van de eigenmiddelenbijdragen van de lidstaten aan de begroting van de Unie;

1.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie; herhaalt zijn standpunt dat de Uniebegroting te klein is om in te spelen op de dringende behoeften en uitdagingen waar de Unie en haar burgers voor staan;

2.  neemt kennis van de herschikking van de eigen middelen, die noodzakelijk is geworden door de herziening van de raming van de traditionele eigen middelen en de btw en door de actualisering van de Britse correctie;

3.  neemt kennis van het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019;

4.  is van mening dat een ontwerp van gewijzigde begroting één enkele doelstelling zou moeten dienen; merkt op dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019 een tweeledig doel heeft, namelijk enerzijds vastleggings- en betalingskredieten van begrotingsonderdelen vrijmaken voor de rubrieken 1a — Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid, 1b — Economische, sociale en territoriale samenhang, 3 — Veiligheid en burgerschap, 4 — Europa als wereldspeler en voor het solidariteitsfonds van de Europese Unie, en anderzijds de begroting voor 2019 van sommige instellingen verhogen als gevolg van het uitstel van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie tot 31 oktober 2019; stelt vast dat de aanpassing van de begroting van sommige instellingen voor het jaar 2019 naar aanleiding van het uitstel van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie tot 31 oktober 2019, de meest urgente doelstelling vormt van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019; keurt die aanpassingen daarom goed, maar verwerpt de voorgestelde vermindering van vastleggingskredieten;

5.  besluit het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019 op de hieronder aangegeven wijze te wijzigen;

6.  verzoekt de Commissie een nieuw voorstel voor te leggen, waarmee de vastgestelde potentiële besparingen in haar ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019 en in alle recentelijk geïdentificeerde vastleggingen die onbenut zouden blijven, worden herschikt om de behoeften van belangrijke EU-programma’s met te weinig middelen, te dekken;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen van het Parlement, te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de overige betrokken instellingen en organen en aan de nationale parlementen.

BIJLAGE: BEGROTINGSAMENDEMENTEN 1 - 16

Amendement 1

 

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 04 02 63 01 — Europees Sociaal Fonds — Operationele technische bijstand

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

04 02 63 01

1.2.31

23 333 097

19 454 600

15 033 097

19 454 600

8 300 000

 

23 333 097

19 454 600

Reserve

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

23 333 097

19 454 600

15 033 097

19 454 600

8 300 000

 

23 333 097

19 454 600

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 2

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 12 02 04 — Europese Bankautoriteit (EBA)

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

12 02 04

1.1.DAG

19 158 256

19 158 256

16 668 256

16 668 256

2 490 000

2 490 000

19 158 256

19 158 256

Reserve

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

19 158 256

19 158 256

16 668 256

16 668 256

2 490 000

2 490 000

19 158 256

19 158 256

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 3

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 12 02 05 — Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa)

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

12 02 05

1.1.DAG

12 374 234

12 374 234

10 014 234

10 014 234

2 360 000

2 360 000

12 374 234

12 374 234

Reserve

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

12 374 234

12 374 234

10 014 234

10 014 234

2 360 000

2 360 000

12 374 234

12 374 234

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 4

 

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 12 02 06 — Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

12 02 06

1.1.DAG

27 235 160

27 235 160

13 565 160

13 565 160

13 670 000

13 670 000

27 235 160

27 235 160

Reserve

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

27 235 160

27 235 160

13 565 160

13 565 160

13 670 000

13 670 000

27 235 160

27 235 160

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 5

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 13 06 01 — Bijstand aan lidstaten in het geval van een grote natuurramp die ernstige gevolgen heeft voor de levensomstandigheden van de burgers, het natuurlijke milieu of de economie

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

13 06 01

9.0.3

343 551 794

343 551 794

313 803 159

343 551 794

29 748 635

 

343 551 794

343 551 794

Reserve

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

343 551 794

343 551 794

313 803 159

343 551 794

29 748 635

 

343 551 794

343 551 794

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 6

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 18 01 04 05 — Ondersteunende uitgaven voor noodhulp binnen de Unie

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

18 01 04 05

3.0.12

250 000

250 000

130 000

130 000

120 000

120 000

250 000

250 000

Reserve

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

250 000

250 000

130 000

130 000

120 000

120 000

250 000

250 000

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 7

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 18 02 03 — Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex)

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

18 02 03

3.0.DAG

293 185 279

293 185 279

293 185 279

293 185 279

 

 

293 185 279

293 185 279

Reserve

19 321 000

19 321 000

7 200 000

7 200 000

12 121 000

12 121 000

19 321 000

19 321 000

Totaal

 

312 506 279

312 506 279

300 385 279

300 385 279

12 121 000

12 121 000

312 506 279

312 506 279

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 8

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 18 03 01 01 — Versterking en ontwikkeling van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en bevordering van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

18 03 01 01

3.0.1

377 106 629

527 969 782

377 106 629

527 969 782

 

 

377 106 629

527 969 782

Reserve

460 000 000

94 500 000

452 800 000

87 300 000

7 200 000

7 200 000

460 000 000

94 500 000

Totaal

 

837 106 629

622 469 782

829 906 629

615 269 782

7 200 000

7 200 000

837 106 629

622 469 782

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 9

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 23 03 01 01 — Rampenpreventie en rampenparaatheid binnen de Unie

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

23 03 01 01

3.0.6

28 256 000

23 200 000

28 256 000

23 200 000

 

 

28 256 000

23 200 000

Reserve

105 900 000

46 560 000

70 900 000

20 170 000

35 000 000

26 390 000

105 900 000

46 560 000

Totaal

 

134 156 000

69 760 000

99 156 000

43 370 000

35 000 000

26 390 000

134 156 000

69 760 000

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 10

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 23 03 02 01 — Snelle en doeltreffende respons in noodsituaties, bij grote rampen binnen de Unie

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

23 03 02 01

3.0.6

4 100 000

3 700 000

4 100 000

3 700 000

 

 

4 100 000

3 700 000

Reserve

9 300 000

6 200 000

9 300 000

6 029 486

 

170 514

9 300 000

6 200 000

Totaal

 

13 400 000

9 900 000

13 400 000

9 729 486

 

170 514

13 400 000

9 900 000

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 11

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 23 03 02 02 — Snelle en doeltreffende respons in noodsituaties, bij grote rampen in derde landen

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

23 03 02 02

3.0.6

15 700 000

12 846 000

15 700 000

12 846 000

 

 

15 700 000

12 846 000

Reserve

2 000 000

2 000 000

2 000 000

p.m.

 

2 000 000

2 000 000

2 000 000

Totaal

 

17 700 000

14 846 000

17 700 000

12 846 000

 

2 000 000

17 700 000

14 846 000

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een algemene overschrijving tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 12

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 33 03 05 — Europees Openbaar Ministerie (EOM)

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

33 03 05

3.0.DAG

4 911 000

4 911 000

3 911 000

3 911 000

1 000 000

1 000 000

4 911 000

4 911 000

Reserve

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

4 911 000

4 911 000

3 911 000

3 911 000

1 000 000

1 000 000

4 911 000

4 911 000

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 13

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 40 02 41 — Gesplitste kredieten

Cijfers als volgt wijzigen:

 

MFK

Ontwerpbegroting 2019

Standpunt van de Raad

= OGB 4/2019

Verschil

Nieuw bedrag

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

Vastleggingen

Betalingen

40 02 41

-

757 529 650

326 288 650

703 208 650

278 407 136

54 321 000

47 881 514

757 529 650

326 288 650

Reserve

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

757 529 650

326 288 650

703 208 650

278 407 136

54 321 000

47 881 514

757 529 650

326 288 650

Motivering:

Herstel van de eerdere cijfers in de begroting 2019 in het kader van het lopende begrotingsjaar, met het oog op de uiteindelijke aanpassingen door middel van een alomvattend ontwerp van gewijzigde begroting tegen het einde van het jaar en wanneer andere factoren die zich de komende weken kunnen voordoen, in aanmerking kunnen worden genomen.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 14

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 03 01 11 — Europese Bankautoriteit (EBA)

De personeelsformatie als volgt wijzigen:

Functiegroep en rang

Europese Bankautoriteit (EBA)

Begroting 2019

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019

Herziene begroting 2019

Vaste ambten

Tijdelijke ambten

Vaste ambten

Tijdelijke ambten

Vaste ambten

Tijdelijke ambten

AD 16

 

1

 

1

 

1

AD 15

 

1

 

1

 

1

AD 14

 

6

 

6

 

6

AD 13

 

2

 

2

 

2

AD 12

 

8

 

8

 

8

AD 11

 

12

 

12

 

12

AD 10

 

12

 

12

 

12

AD 9

 

22

 

22

 

22

AD 8

 

26

 

26

 

26

AD 7

 

19

 

17

 

19

AD 6

 

22

 

20

 

22

AD 5

 

13

 

7

 

13

Subtotaal AD

 

144

 

134

 

144

AST 11

 

 

 

 

 

 

AST 10

 

 

 

 

 

 

AST 9

 

 

 

 

 

 

AST 8

 

 

 

 

 

 

AST 7

 

 

 

 

 

 

AST 6

 

3

 

3

 

3

AST 5

 

4

 

4

 

4

AST 4

 

2

 

2

 

2

AST 3

 

1

 

1

 

1

AST 2

 

1

 

1

 

1

AST 1

 

 

 

 

 

 

Subtotaal AST

 

11

 

11

 

11

AST/SC 6

 

 

 

 

 

 

AST/SC 5

 

 

 

 

 

 

AST/SC 4

 

 

 

 

 

 

AST/SC 3

 

 

 

 

 

 

AST/SC 2

 

 

 

 

 

 

AST/SC 1

 

 

 

 

 

 

Subtotaal AST/SC

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

155

 

145

 

155

Motivering:

Herstel B2019

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 15

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 03 01 12 — Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa)

De personeelsformatie als volgt wijzigen:

Functiegroep en rang

Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa)

Begroting 2019

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019

Herziene begroting 2019

Vaste ambten

Tijdelijke ambten

Vaste ambten

Tijdelijke ambten

Vaste ambten

Tijdelijke ambten

AD 16

 

1

 

1

 

1

AD 15

 

1

 

1

 

1

AD 14

 

2

 

2

 

2

AD 13

 

5

 

5

 

5

AD 12

 

11

 

11

 

11

AD 11

 

17

 

14

 

17

AD 10

 

17

 

14

 

17

AD 9

 

17

 

19

 

17

AD 8

 

19

 

12

 

19

AD 7

 

12

 

14

 

12

AD 6

 

7

 

7

 

7

AD 5

 

 

 

 

 

 

Subtotaal AD

 

109

 

100

 

109

AST 11

 

 

 

 

 

 

AST 10

 

1

 

1

 

1

AST 9

 

1

 

1

 

1

AST 8

 

3

 

3

 

3

AST 7

 

3

 

3

 

3

AST 6

 

3

 

3

 

3

AST 5

 

3

 

3

 

3

AST 4

 

1

 

1

 

1

AST 3

 

 

 

 

 

 

AST 2

 

 

 

 

 

 

AST 1

 

 

 

 

 

 

Subtotaal AST

 

15

 

15

 

15

AST/SC 6

 

 

 

 

 

 

AST/SC 5

 

 

 

 

 

 

AST/SC 4

 

 

 

 

 

 

AST/SC 3

 

 

 

 

 

 

AST/SC 2

 

 

 

 

 

 

AST/SC 1

 

 

 

 

 

 

Subtotaal AST/SC

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

124

 

115

 

124

Motivering:

Herstel B2019

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

Amendement 16

 

-------------------------------

AFDELING III — COMMISSIE

Artikel 03 01 13 — Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)

De personeelsformatie als volgt wijzigen:

Functiegroep en rang

Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)

Begroting 2019

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019

Herziene begroting 2019

Vaste ambten

Tijdelijke ambten

Vaste ambten

Tijdelijke ambten

Vaste ambten

Tijdelijke ambten

AD 16

 

1

 

2

 

1

AD 15

 

2

 

3

 

2

AD 14

 

6

 

 

 

6

AD 13

 

2

 

1

 

2

AD 12

 

7

 

7

 

7

AD 11

 

14

 

14

 

14

AD 10

 

17

 

17

 

17

AD 9

 

39

 

39

 

39

AD 8

 

30

 

30

 

30

AD 7

 

58

 

45

 

58

AD 6

 

10

 

10

 

10

AD 5

 

11

 

2

 

11

Subtotaal AD

 

197

 

170

 

197

AST 11

 

 

 

 

 

 

AST 10

 

 

 

 

 

 

AST 9

 

 

 

 

 

 

AST 8

 

2

 

2

 

2

AST 7

 

3

 

3

 

3

AST 6

 

3

 

3

 

3

AST 5

 

3

 

3

 

3

AST 4

 

1

 

1

 

1

AST 3

 

1

 

1

 

1

AST 2

 

 

 

 

 

 

AST 1

 

 

 

 

 

 

Subtotaal AST

 

13

 

13

 

13

AST/SC 6

 

 

 

 

 

 

AST/SC 5

 

 

 

 

 

 

AST/SC 4

 

 

 

 

 

 

AST/SC 3

 

 

 

 

 

 

AST/SC 2

 

 

 

 

 

 

AST/SC 1

 

 

 

 

 

 

Subtotaal AST/SC

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

210

 

183

 

210

Motivering:

Herstel B2019

=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-==-=-=-=

(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(2) PB L 67 van 7.3.2019.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Aanpassingen van de uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking gestelde bedragen voor 2019 die moeten worden gebruikt voor migratie, vluchtelingeninstroom en veiligheid
PDF 116kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit (EU) 2019/276 wat betreft aanpassingen van de uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking gestelde bedragen voor 2019 die moeten worden gebruikt voor migratie, vluchtelingeninstroom en veiligheid (COM(2019)0600 – C9-0029/2019 – 2019/2039(BUD))
P9_TA(2019)0025A9-0013/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2019)0600 – C9-0029/2019),

–  gezien Besluit (EU) 2019/276 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2018 over de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter versterking van belangrijke programma’s betreffende het concurrentievermogen van de EU en ter financiering van onmiddellijke budgettaire maatregelen voor de aanpak van de huidige met migratie, vluchtelingeninstroom en veiligheid verband houdende problemen(1),

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, definitief vastgesteld op 12 december 2018(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019, goedgekeurd door de Commissie op 2 juli 2019 (COM(2019)0610),

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0013/2019),

A.  overwegende dat het Europees Parlement en de Raad hebben besloten om in 2019 middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking te stellen voor een bedrag van 1 164 miljoen EUR: 179 miljoen EUR voor rubriek 1a (Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid) om voor het concurrentievermogen cruciale programma’s te versterken, met name Horizon 2020 en Erasmus+, en 985,6 miljoen EUR voor rubriek 3, zoals voorgesteld door de Commissie;

B.  overwegende dat de Commissie ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019 heeft voorgesteld, dat voorziet in verlaging van de vastleggingskredieten voor zowel rubriek 1a als rubriek 3, waardoor in 2019 ook minder gebruik hoeft te worden gemaakt van het flexibiliteitsinstrument;

C.  overwegende dat de Commissie daarom heeft voorgesteld de uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking gestelde bedragen te verminderen met 1090 miljoen EUR, waarvan 160 miljoen EUR voor rubriek 1a en 930 miljoen EUR voor rubriek 3;

D.  overwegende dat bij het voorstel voor een besluit tot terbeschikkingstelling Besluit (EU) 2019/276 van 12 december 2018 wordt gewijzigd(6);

E.  overwegende dat, als gevolg van het standpunt van het Parlement inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2019, de voorgestelde aanpassingen ongeldig zijn geworden;

1.  verwerpt het voorstel van de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 54 van 22.2.2019, blz. 3.
(2) PB L 67 van 7.3.2019.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(6) Besluit (EU) 2019/276 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2018 over de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter versterking van belangrijke programma’s betreffende het concurrentievermogen van de EU en ter financiering van onmiddellijke budgettaire maatregelen voor de aanpak van de huidige met migratie, vluchtelingeninstroom en veiligheid verband houdende problemen (PB L 54 van 22.2.2019, blz. 3).


Werkzame stoffen, waaronder flumioxazine
PDF 150kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over Uitvoeringsverordening (EU) 2019/707 van de Commissie van 7 mei 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode voor de werkzame stoffen alfa-cypermethrin, beflubutamide, benalaxyl, benthiavalicarb, bifenazaat, boscalid, bromoxynil, captan, cyazofamide, desmedifam, dimethoaat, dimethomorf, diuron, ethefon, etoxazool, famoxadone, fenamifos, fenmedifam, flumioxazine, fluoxastrobin, folpet, foramsulfuron, formetanaat, fosmet, metalaxyl-M, methiocarb, metribuzin, milbemectin, Paecilomyces lilacinus stam 251, pirimifos-methyl, propamocarb, prothioconazool, S-metolachloor en tebuconazool (2019/2825(RSP))
P9_TA(2019)0026B9-0103/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2019/707 van de Commissie van 7 mei 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode voor de werkzame stoffen alfa-cypermethrin, beflubutamide, benalaxyl, benthiavalicarb, bifenazaat, boscalid, bromoxynil, captan, cyazofamide, desmedifam, dimethoaat, dimethomorf, diuron, ethefon, etoxazool, famoxadone, fenamifos, fenmedifam, flumioxazine, fluoxastrobin, folpet, foramsulfuron, formetanaat, fosmet, metalaxyl-M, methiocarb, metribuzin, milbemectin, Paecilomyces lilacinus stam 251, pirimifos-methyl, propamocarb, prothioconazool, S-metolachloor en tebuconazool(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(2), en met name artikel 21 en artikel 17, lid 1,

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen(3),

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen(5),

–  gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A.  overwegende dat flumioxazine op 1 januari 2003 middels Richtlijn 2002/81/EG(6) van de Commissie in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG(7) van de Raad is opgenomen, en geacht wordt te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009;

B.  overwegende dat sinds 2010(8) een procedure loopt voor de verlenging van de goedkeuring van flumioxazine uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie(9) en dat de desbetreffende aanvraag is ingediend overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1141/2010 van de Commissie(10);

C.  overwegende dat de goedkeuringsperiode voor de werkzame stof flumioxazine reeds met vijf jaar is verlengd bij Richtlijn 2010/77/EU(11) van de Commissie, vervolgens sinds 2015 elk jaar met een jaar is verlengd bij de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2015/1885(12), (EU) 2016/549(13), (EU) 2017/841(14) en (EU) 2018/917(15) van de Commissie, en nu bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/707 van de Commissie opnieuw is verlengd tot 30 juni 2020;

D.  overwegende dat de Commissie heeft nagelaten de redenen voor de verlenging uit te leggen en alleen het volgende zegt: “Aangezien de beoordeling van de stoffen om redenen buiten de wil van de aanvragers is uitgesteld, zal de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen”;

E.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 tot doel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen, en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de landbouw in de Unie te vrijwaren; overwegende dat de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen zoals zwangere vrouwen, zuigelingen en kinderen bijzondere aandacht verdient;

F.  overwegende dat het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast, en overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt gespecificeerd dat gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend stoffen mogen bevatten waarvan is aangetoond dat zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van planten en waarvan niet wordt verwacht dat zij een schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare effecten voor het milieu hebben;

G.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat met het oog op de veiligheid de goedkeuringsperiode voor werkzame stoffen in de tijd beperkt moet zijn; overwegende dat de goedkeuringsperiode in verhouding moet staan tot de mogelijke risico’s die aan het gebruik van dergelijke stoffen verbonden zijn, maar dat deze evenredigheid duidelijk ontbreekt;

H.  overwegende dat flumioxazine tijdens de 16 jaar sinds de goedkeuring ervan als werkzame stof is geïdentificeerd en ingedeeld als giftig voor de voortplanting categorie 1B en als waarschijnlijk hormoonontregelend, maar dat de goedkeuring ervan gedurende die tijd niet is herzien of ingetrokken;

I.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid en de verantwoordelijkheid hebben om te handelen overeenkomstig het voorzorgsbeginsel wanneer de mogelijkheid van schadelijke effecten voor de gezondheid geïdentificeerd is maar er nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat, in concreto door voorlopige risicobeheermaatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen;

J.  overwegende, meer in het bijzonder, dat artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bepaalt dat de Commissie de goedkeuring van een werkzame stof te allen tijde opnieuw kan bekijken, met name wanneer zij in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis meent dat er aanwijzingen zijn dat de stof niet langer voldoet aan de in artikel 4 bepaalde goedkeuringscriteria, en overwegende dat deze herziening kan leiden tot intrekking of wijziging van de goedkeuring;

Giftig voor de voortplanting categorie 1B en waarschijnlijk hormoonontregelend

K.  overwegende dat flumioxazine overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad(16) een geharmoniseerde indeling heeft als giftig voor de voortplanting categorie 1B, zeer giftig voor in het water levende organismen en zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen;

L.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid al in 2014 en vervolgens in 2017 en 2018 heeft geconcludeerd dat er kritieke aandachtspunten waren aangezien flumioxazine als giftig voor de voortplanting categorie 1B is ingedeeld en dat het potentiële hormoonontregelende effect van flumioxazine een kwestie was die niet kon worden afgesloten en een kritiek aandachtspunt was;

M.  overwegende dat flumioxazine in 2015 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie op de “lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen” is geplaatst omdat het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 is of moet worden ingedeeld als giftig voor de voortplanting categorie 1A of 1B;

N.  overwegende dat in punt 3.6.4 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat een werkzame stof slechts kan worden goedgekeurd wanneer hij niet als giftig voor de voortplanting categorie 1B is ingedeeld, tenzij met bij de aanvraag gevoegde documenten wordt aangetoond dat een werkzame stof nodig is ter bestrijding van een op geen enkele andere manier, ook niet met niet-chemische methoden, te beheersen ernstig fytosanitair gevaar, in welk geval risicobeperkende maatregelen moeten worden genomen teneinde te waarborgen dat de blootstelling daaraan van de mens en het milieu wordt geminimaliseerd;

O.  overwegende dat in punt 3.6.5 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat een werkzame stof slechts kan worden goedgekeurd wanneer hij niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor de mens, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of die synergist in een gewasbeschermingsmiddel in realistische voorgestelde gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het middel wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten en waarbij residuen van de werkzame stof, de beschermstof of de synergist in kwestie in levensmiddelen en diervoeders de overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde standaardwaarde niet overschrijden(17);

P.  overwegende dat flumioxazine een groot risico op bioconcentratie inhoudt, zeer giftig is voor algen en waterplanten en matig giftig is voor regenwormen, honingbijen, vissen en ongewervelde waterdieren;

Q.  overwegende dat het onaanvaardbaar is dat een stof waarvan bekend is dat zij valt onder de uitsluitingscriteria voor werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn of een hormoonontregelende werking hebben, die tot doel hebben de gezondheid van mensen en het milieu te beschermen, goedgekeurd blijft voor gebruik in de Unie, met alle risico’s van dien voor de volksgezondheid en het milieu;

R.  overwegende dat aanvragers van het in de werkmethoden van de Commissie ingebouwde automatisme van onmiddellijke verlenging van de geldigheidsperioden van werkzame stoffen in gevallen waarin de herziening van de risico’s nog niet is afgerond, kunnen profiteren door het herzieningsproces opzettelijk te vertragen middels het indienen van onvolledige gegevens en van verzoeken om meer afwijkingen en speciale voorwaarden, hetgeen leidt tot onaanvaardbare risico’s voor het milieu en de menselijke gezondheid, aangezien de blootstelling aan de gevaarlijke stof gedurende die periode doorgaat;

S.  overwegende dat het Parlement de Commissie en de lidstaten in zijn resolutie van 13 september 2018 over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen heeft verzocht “ervoor te zorgen dat de procedurele verlenging van de geldigheidsperiode voor de duur van de procedure, overeenkomstig artikel 17 van de verordening, niet zal worden gebruikt voor werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend en giftig voor de voortplanting zijn en dus opgenomen zijn in categorie 1A of 1B, of voor werkzame stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens of dier, zoals momenteel het geval is voor stoffen als flumioxazine, thiacloprid, chlorotoluron en dimoxystrobin”;

T.  overwegende dat het Nederlandse parlement zijn bezorgdheid heeft geuit over deze verlengingen en heeft gevraagd geen verlengingen van de goedkeuring meer toe te staan voor stoffen waarvan bekend is dat ze een significante bedreiging vormen voor de biodiversiteit (in het bijzonder bijen en hommels), of die kankerverwekkend, mutageen, hormoonontregelend en/of giftig voor de voortplanting zijn(18);

1.  is van mening dat Uitvoeringsverordening (EU) 2019/707 van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat Uitvoeringsverordening (EU) 2019/707 van de Commissie het voorzorgsbeginsel niet eerbiedigt;

3.  is van mening dat het besluit om de geldigheidsperiode voor flumioxazine te verlengen niet in overeenstemming is met de veiligheidscriteria als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009, en niet stoelt op bewijs dat deze stof veilig kan worden gebruikt, noch op een bewezen hoogdringende noodzaak van het gebruik van de werkzame stof flumioxazine voor de voedselproductie in de Unie;

4.  verzoekt de Commissie haar Uitvoeringsverordening (EU) 2019/707 in te trekken en een nieuw ontwerp aan de commissie voor te leggen dat rekening houdt met het wetenschappelijk bewijs betreffende de schadelijke eigenschappen van alle stoffen in kwestie, in het bijzonder flumioxazine;

5.  verzoekt de Commissie alleen ontwerpen van uitvoeringsverordeningen ter verlenging van de goedkeuringsperiode van stoffen in te dienen als het gezien de huidige wetenschappelijke stand van zaken onwaarschijnlijk is dat de Commissie een voorstel houdende niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof in kwestie zal indienen;

6.  verzoekt de Commissie de goedkeuringen voor stoffen waarvan bewezen is of ten aanzien waarvan het redelijke vermoeden bestaat dat ze niet aan de criteria van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldoen, in te trekken;

7.  verzoekt de lidstaten de goedkeuringen voor werkzame stoffen waarvoor zij de rapporterende lidstaat zijn, naar behoren en tijdig te herzien, en ervoor te zorgen dat de huidige vertragingen zo snel mogelijk worden weggewerkt;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 120 van 8.5.2019, blz. 16.
(2) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(3) PB L 67 van 12.3.2015, blz. 18.
(4) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0356.
(6) Richtlijn 2002/81/EG van de Commissie van 10 oktober 2002 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde flumioxazine op te nemen als werkzame stof (PB L 276 van 12.10.2002, blz. 28).
(7) Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).
(8) PB L 293 van 11.11.2010, blz. 48.
(9) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).
(10) Verordening (EU) nr. 1141/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot vaststelling van de procedure voor de verlenging van de opneming van een tweede groep werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot opstelling van de lijst van die stoffen (PB L 322 van 8.12.2010, blz. 10).
(11) Richtlijn 2010/77/EU van de Commissie van 10 november 2010 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de geldigheidsduur van de opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I (PB L 293 van 11.11.2010, blz. 48).
(12) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1885 van de Commissie van 20 oktober 2015 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen 2,4-D, acibenzolar-s-methyl, amitrol, bentazon, cyhalofop-butyl, diquat, esfenvaleraat, famoxadone, flumioxazine, DPX KE 459 (flupyrsulfuron methyl), glyfosaat, iprovalicarb, isoproturon, lambda-cyhalothrin, metalaxyl-M, metsulfuronmethyl, picolinafen, prosulfuron, pymetrozine, pyraflufen-ethyl, thiabendazole, thifensulfuron-methyl en triasulfuron (PB L 276 van 21.10.2015, blz. 48).
(13) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/549 van de Commissie van 8 april 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen bentazon, cyhalofop-butyl, diquat, famoxadone, flumioxazine, DPX KE 459 (flupyrsulfuron-methyl), metalaxyl-M, picolinafen, prosulfuron, pymetrozine, thiabendazole en thifensulfuron-methyl (PB L 95 van 9.4.2016, blz. 4).
(14) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/841 van de Commissie van 17 mei 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen acetamiprid, alfa-cypermethrin, Ampelomyces quisqualis stam AQ 10, benalaxyl, bentazon, bifenazaat, bromoxynil, carfentrazone-ethyl, chloorprofam, cyazofamide, desmedifam, diquat, DPX KE 459 (flupyrsulfuron-methyl), etoxazool, famoxadone, fenamidone, flumioxazine, foramsulfuron, Gliocladium catenulatum stam J1446, imazamox, imazosulfuron, isoxaflutool, laminarin, metalaxyl-M, methoxyfenozide, milbemectin, oxasulfuron, pendimethalin, fenmedifam, pymetrozine, S-metolachloor en trifloxystrobin (PB L 125 van 18.5.2017, blz. 12).
(15) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/917 van de Commissie van 27 juni 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen alfa-cypermethrin, beflubutamide, benalaxyl, benthiavalicarb, bifenazaat, boscalid, bromoxynil, captan, carvon, chloorprofam, cyazofamide, desmedifam, dimethoaat, dimethomorf, diquat, ethefon, ethoprofos, etoxazool, famoxadone, fenamidone, fenamifos, fenmedifam, flumioxazine, fluoxastrobin, folpet, foramsulfuron, formetanaat, fosmet, Gliocladium catenulatum stam J1446, isoxaflutool, metalaxyl-M, methiocarb, methoxyfenozide, metribuzin, milbemectin, oxasulfuron, Paecilomyces lilacinus stam 251, pirimifos-methyl, propamocarb, prothioconazool, pymetrozine en S-metolachloor (PB L 163 van 28.6.2018, blz. 13).
(16) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).
(17) Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).
(18) TK 21501-32 nr. 1176.


Werkzame stoffen, waaronder chlorotoluron
PDF 143kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen amidosulfuron, beta-cyfluthrin, bifenox, chlorotoluron, clofentezine, clomazone, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazole, diflubenzuron, diflufenican, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, picloram, prosulfocarb, pyriproxyfen, thiophanate-methyl, triflusulfuron en tritosulfuron (D062951/02 – 2019/2826(RSP))
P9_TA(2019)0027B9-0104/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen amidosulfuron, beta-cyfluthrin, bifenox, chlorotoluron, clofentezine, clomazone, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dicamba, difenoconazole, diflubenzuron, diflufenican, fenoxaprop-P, fenpropidin, fludioxonil, flufenacet, fosthiazaat, indoxacarb, lenacil, MCPA, MCPB, nicosulfuron, picloram, prosulfocarb, pyriproxyfen, thiophanate-methyl, triflusulfuron en tritosulfuron (D062951/02),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(1), en met name artikel 21 en artikel 17, lid 1,

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen(2),

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(3),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen(4),

–  gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A.  overwegende dat chlorotoluron op 1 maart 2006 middels Richtlijn 2005/53/EG(5) van de Commissie in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG(6) van de Raad is opgenomen, en geacht wordt te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009;

B.  overwegende dat sinds 2013 een procedure loopt voor het verlengen van de goedkeuring voor chlorotoluron onder Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012(7) van de Commissie;

C.  overwegende dat de geldigheidsduur voor de werkzame stof chlorotoluron reeds met een jaar is verlengd middels Uitvoeringsverordening (EU) nr. 533/2013 van de Commissie(8), vervolgens met een jaar middels Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1511 van de Commissie(9), nog eens met een jaar middels Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1262 van de Commissie(10), en nu nog eens met een jaar middels dit ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie, waarmee de geldigheidsduur zou worden verlengd tot 31 oktober 2020;

D.  overwegende dat de Commissie heeft nagelaten de redenen voor de verlenging uit te leggen en alleen het volgende stelt: “Aangezien de beoordeling van die stoffen om redenen buiten de wil van de aanvragers is uitgesteld, zal de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen”;

E.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 tot doel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen, en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de landbouw in de Unie te vrijwaren; overwegende dat de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen zoals zwangere vrouwen, zuigelingen en kinderen bijzondere aandacht verdient;

F.  overwegende dat het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast, en overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt gespecificeerd dat gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend stoffen mogen bevatten waarvan is aangetoond dat zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van planten en waarvan niet wordt verwacht dat zij een schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare effecten voor het milieu hebben;

G.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat met het oog op de veiligheid de goedkeuringsperiode voor werkzame stoffen in de tijd beperkt moet zijn; overwegende dat de goedkeuringsperiode in verhouding moet staan tot de mogelijke risico's die aan het gebruik van dergelijke stoffen verbonden zijn, maar dat deze evenredigheid hier duidelijk ontbreekt;

H.  overwegende dat chlorotoluron in de 13 jaar sinds de goedkeuring ervan als werkzame stof als een waarschijnlijke hormoonontregelaar is geïdentificeerd, maar dat de goedkeuring ervan gedurende die periode niet is herzien of ingetrokken;

I.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid en de verantwoordelijkheid hebben om te handelen overeenkomstig het voorzorgsbeginsel wanneer de mogelijkheid van schadelijke effecten voor de gezondheid geïdentificeerd zijn maar er nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat, in concreto door voorlopige risicobeheermaatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen;

J.  overwegende, meer in het bijzonder, dat artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bepaalt dat de Commissie de goedkeuring van een werkzame stof te allen tijde opnieuw kan bekijken, met name wanneer zij in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis meent dat er aanwijzingen zijn dat de stof niet langer voldoet aan de in artikel 4 bepaalde goedkeuringscriteria, en overwegende dat deze herziening kan leiden tot intrekking of wijziging van de goedkeuring;

Hormoonontregelende eigenschappen

K.  overwegende dat, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad(11), chlorotoluron een geharmoniseerde indeling heeft als zeer giftig voor in het water levende organismen, zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen, verdacht van het veroorzaken van kanker (Kank. 2) en verdacht van het schaden van het ongeboren kind (Voortpl. 2);

L.  overwegende dat chlorotoluron in 2015 is opgenomen op de lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie omdat de stof geacht werd een hormoonontregelende werking te hebben met mogelijkerwijs negatieve effecten op de mens en omdat hij voldeed aan de criteria om als een persistente toxische stof te worden beschouwd;

M.  overwegende dat in punt 3.6.5 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat een werkzame stof slechts kan worden goedgekeurd wanneer hij niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor de mens, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of die synergist in een gewasbeschermingsmiddel in realistische voorgestelde gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het middel wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten en waarbij residuen van de werkzame stof, de beschermstof of de synergist in kwestie in levensmiddelen en diervoeders de overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde standaardwaarde niet overschrijden(12);

N.  overwegende dat het onaanvaardbaar is dat een stof waarvan bekend is dat deze voldoet aan de “cut-off” criteria voor werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn, of een hormoonontregelende werking hebben, die tot doel hebben de gezondheid van mensen en het milieu te beschermen, goedgekeurd blijft voor gebruik in de Unie, met alle risico’s van dien voor de menselijke gezondheid en het milieu;

O.  overwegende dat aanvragers het in de werkmethoden van de Commissie ingebouwde automatisme van onmiddellijke verlenging van de geldigheidsperioden van werkzame stoffen in gevallen waarin de herziening van de risico’s nog niet afgerond is “gebruiken” door het herzieningsproces opzettelijk te vertragen middels het indienen van onvolledige gegevens en van verzoeken om meer afwijkingen en speciale voorwaarden, hetgeen onaanvaardbare risico’s voor het milieu en de menselijke gezondheid oplevert, aangezien de blootstelling aan de gevaarlijke stof gedurende die periode doorgaat;

P.  overwegende dat het Parlement de Commissie en de lidstaten in zijn resolutie van 13 september 2018 over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen(13) heeft verzocht “ervoor te zorgen dat de procedurele verlenging van de geldigheidsperiode voor de duur van de procedure, overeenkomstig artikel 17 van de verordening, niet zal worden gebruikt voor werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend en giftig voor de voortplanting zijn en dus opgenomen zijn in categorie 1A of 1B, of voor werkzame stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens of dier, zoals momenteel het geval is voor stoffen als flumioxazine, thiacloprid, chlorotoluron en dimoxystrobin”;

Q.  overwegende dat het Nederlandse parlement aangegeven heeft bezorgd te zijn over deze verlengingen en ertoe heeft opgeroepen geen verlengingen meer toe te staan voor stoffen waarvan bekend is dat ze een significante bedreiging vormen voor de biodiversiteit (in het bijzonder bijen en hommels), of dat ze kankerverwekkend, mutageen, hormoonontregelend of giftig voor de voortplanting zijn(14);

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie het voorzorgsbeginsel niet eerbiedigt;

3.  is van mening dat het besluit om de geldigheidsperiode voor chlorotoluron te verlengen niet in overeenstemming is met de veiligheidscriteria als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009, en niet stoelt op bewijs dat deze stof veilig kan worden gebruikt, noch op een bewezen hoogdringende noodzaak voor het gebruik van de werkzame stof voor de voedselproductie in de Unie;

4.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsverordening in te trekken en een nieuw ontwerp aan de commissie voor te leggen dat rekening houdt met het wetenschappelijk bewijs betreffende de schadelijke kenmerken van alle stoffen in kwestie, in het bijzonder chlorotoluron;

5.  verzoekt de Commissie alleen ontwerpen van uitvoeringsverordeningen voor te leggen voor verlenging van de geldigheidsperioden voor stoffen waarvan de huidige wetenschappelijke stand van zaken niet verwacht wordt te leiden tot een voorstel van de Commissie houdende niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof in kwestie;

6.  verzoekt de Commissie de goedkeuringen voor stoffen waarvan bewezen is of ten aanzien waarvan het redelijke vermoeden bestaat dat ze niet aan de criteria van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldoen, in te trekken;

7.  verzoekt de lidstaten de goedkeuringen voor werkzame stoffen waarvoor zij de rapporterende lidstaat zijn naar behoren en tijdig te herzien, en ervoor te zorgen dat de huidige vertragingen zo snel mogelijk worden weggewerkt;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) PB L 67 van 12.3.2015, blz. 18.
(3) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0356.
(5) Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).
(6) Richtlijn 2005/53/EG van de Commissie van 16 september 2005 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde chloorthalonil, chloortoluron, cypermethrin, daminozide en thiofanaat-methyl op te nemen als werkzame stof (PB L 241 van 17.9.2005, blz. 51).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).
(8) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 533/2013 van de Commissie van 10 juni 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen 1-methylcyclopropeen, chloorthalonil, chloortoluron, cypermethrin, daminozide, forchlorfenuron, indoxacarb, thiofanaat-methyl en tribenuron (PB L 159 van 11.6.2013, blz. 9).
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1511 van de Commissie van 30 augustus 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen 1-methylcyclopropeen, beta-cyfluthrin, chloorthalonil, chloortoluron, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dimethenamid-p, flufenacet, flurtamone, forchlorfenuron, fosthiazaat, indoxacarb, iprodion, MCPA, MCPB, silthiofam, thiofanaat-methyl en tribenuron (PB L 224 van 31.8.2017, blz. 115).
(10) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1262 van de Commissie van 20 september 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen 1-methylcyclopropeen, beta-cyfluthrin, chloorthalonil, chloortoluron, clomazone, cypermethrin, daminozide, deltamethrin, dimethenamid-p, diuron, fludioxonil, flufenacet, flurtamone, fosthiazaat, indoxacarb, MCPA, MCPB, prosulfocarb, thiofanaat-methyl en tribenuron (PB L 238 van 21.9.2018, blz. 62).
(11) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).
(12) Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0356.
(14) TK 21501-32 nr. 1176.


Genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG (SYN-ØØØJG-2)
PDF 163kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG (SYN-ØØØJG-2), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D061869/04 – 2019/2830(RSP))
P9_TA(2019)0028B9-0107/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG (SYN-ØØØJG-2), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D061869/04),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de stemming van 30 april 2019 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, waarbij geen advies is geformuleerd, en gezien de stemming van 5 juni 2019 in het comité van beroep, dat evenmin een advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 17 oktober 2018 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 14 november 2018 werd gepubliceerd(3),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s)(4),

–  gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A.  overwegende dat Syngenta Crop Protection NV op 1 september 2016 namens Syngenta Crop Protection AG een aanvraag heeft ingediend bij de bevoegde nationale instantie van Duitsland voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG (hierna “de aanvraag” genoemd), overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat de aanvraag ook betrekking heeft op het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de EFSA op 17 oktober 2018 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 14 november 2018 is gepubliceerd(5);

C.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

D.  overwegende dat mais MZHG0JG tolerant is gemaakt tegen op glyfosaat gebaseerde en op glufosinaat-ammonium gebaseerde herbiciden(6);

E.  overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden tal van kritische opmerkingen hebben ingediend bij de EFSA(7); overwegende dat de meest kritische opmerkingen betrekking hebben op de toxicologische beoordeling, de vergelijkende analyse en de milieurisicobeoordeling; overwegende dat verschillende lidstaten de toxicologische gegevens ontoereikend en onbetrouwbaar achtten, met name ten aanzien van de glyfosaat- en glufosinaatresiduen; overwegende dat in een van de opmerkingen erop wordt gewezen dat de vergelijkende analyse verschillen heeft aangetoond tussen de hoeveelheid ferulazuur – een belangrijk bestanddeel van de celwanden van planten – die in mais MZHG0JG en zijn referentievariëteiten werd aangetroffen, en dat de hoeveelheid ferulazuur in mais MZHG0JG tot meer ophoping van herbiciden kan leiden;

F.  overwegende dat in een onafhankelijke studie(8) is geconcludeerd dat de risicobeoordeling van de EFSA onaanvaardbaar is in haar huidige vorm, aangezien de toxiciteit niet naar behoren is beoordeeld, met name voor wat betreft mogelijke cumulatieve effecten van de twee transgenen en de complementaire herbiciden en hun metabolieten; overwegende dat de studie de betrouwbaarheid van de gegevens van het negentig dagen durende diervoederonderzoek in twijfel trekt en bovendien concludeert dat de door de EFSA uitgevoerde milieurisicobeoordeling niet aanvaardbaar is, aangezien geen aandacht wordt besteed aan het risico op de verspreiding van de transgenen via mogelijke genoverdracht tussen mais MZHG0JG en zijn wilde variant teosinte wanneer er levensvatbaar plantenmateriaal van mais MZHG0JG in het milieu terechtkomt;

Complementaire herbiciden

G.  overwegende dat is aangetoond dat de teelt van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen een toename van het gebruik van herbiciden in de hand werkt, voornamelijk vanwege het ontstaan van herbicidetolerant onkruid(9); overwegende dat er dan ook van moet worden uitgegaan dat de geteelde mais MZHG0JG aan hogere en ook herhaaldelijke doses glyfosaat en glufosinaat zal worden blootgesteld, waardoor er mogelijk meer residuen zullen achterblijven in de oogst;

H.  overwegende dat de lidstaten overeenkomstig het meest recente gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie (voor 2020, 2021 en 2022) bij de invoer van mais geen verplichte metingen naar glyfosaat- en glufosinaatresiduen hoeven uit te voeren(10); overwegende dat niet kan worden uitgesloten dat mais MZHG0JG en levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met deze maissoort, de maximumresidugehalten (MRL) overschrijden die door de Unie zijn vastgesteld om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen;

I.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld als toxisch voor de voortplanting, categorie 1B, en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad(11); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat voor gebruik in de Unie op 31 juli 2018(12) is verstreken;

J.  overwegende dat er nog altijd onduidelijkheid is over de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend is; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie glyfosaat in 2015 daarentegen heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

K.  overwegende dat er, volgens de EFSA, geen toxicologische gegevens beschikbaar zijn op grond waarvan een beoordeling van de risico’s voor de consument kan worden uitgevoerd voor wat betreft diverse afbraakproducten van glyfosaat die relevant zijn voor genetisch gemodificeerde glyfosaat-tolerante gewassen(13);

L.  overwegende dat de genetische modificatie zelf bepalend kan zijn voor de manier waarop complementaire herbiciden bij genetisch gemodificeerde gewassen door de plant worden afgebroken en voor de samenstelling en dus de toxiciteit van de afbraakproducten (“metabolieten”); overwegende dat dit, wanneer glyfosaat als complementair herbicide wordt gebruikt, volgens de EFSA inderdaad het geval is(14);

M.  overwegende dat residuen van herbiciden en hun metabolieten in genetisch gemodificeerde gewassen worden beschouwd als een kwestie die niet binnen de bevoegdheid van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen valt;

Ondemocratisch proces

N.  overwegende dat de stemming van 30 april 2019 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd, wat betekent dat er voor het verlenen van een vergunning geen gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten werd gevonden; overwegende dat de stemming van 5 juni 2019 in het comité van beroep evenmin een advies heeft opgeleverd;

O.  overwegende dat de Commissie zowel in haar toelichting bij het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten het gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders op hun grondgebied te beperken of te verbieden dat zij op 22 april 2015 heeft gepresenteerd, als in haar toelichting bij het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 dat zij op 14 februari 2017 heeft gepresenteerd, heeft aangegeven het te betreuren dat zij sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft vastgesteld zonder daarbij gesteund te worden door het advies van het comité van de lidstaten, en dat de terugzending van het dossier aan de Commissie voor een definitieve beslissing, wat zeer ongebruikelijk is voor de procedure in het algemeen, de norm is geworden voor de besluitvorming rond het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat de voorzitter van de Commissie meermaals zijn ongenoegen heeft geuit over het povere democratisch gehalte van die werkwijze(15);

P.  overwegende dat het Europees Parlement gedurende zijn achtste zittingsperiode 33 resoluties heeft aangenomen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor ggo’s voor gebruik als levensmiddelen en diervoeders, en drie resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de teelt van ggo’s in de EU; overwegende dat er voor geen van deze ggo’s een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten werd gevonden voor het verlenen van een vergunning; overwegende dat de Commissie, ondanks het feit dat zij de democratische tekortkomingen zelf heeft erkend, en ondanks de bezwaren van het Parlement en het gebrek aan steun van de lidstaten, toch vergunningen blijft verlenen voor ggo’s, hoewel zij daartoe niet wettelijk verplicht is;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met een van de doelen van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad zijn vastgesteld(16) de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  herhaalt zich te willen inzetten om vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011; vraagt de Raad dringend werk te maken van zijn behandeling van dit voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor ggo’s op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

6.  verzoekt de Commissie voorstellen voor ggo-vergunningen in te trekken als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt, zowel voor gebruik in de teelt als voor gebruik als levensmiddel en diervoeder;

7.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met complementaire herbiciden, hun metabolieten en commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

8.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van complementaire herbiciden en de residuen daarvan volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, ongeacht of het genetisch gemodificeerde gewas bestemd is voor teelt in de Unie of bedoeld is voor de invoer in de Unie voor gebruik als levensmiddel en diervoeder;

9.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor de invoer voor gebruik als levensmiddel of als diervoeder van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerant zijn gemaakt voor een herbicide dat niet is toegestaan voor gebruik binnen de Unie, in dit geval glufosinaat;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Wetenschappelijk advies inzake de beoordeling van genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG in levensmiddelen en diervoeders en de invoer en verwerking ervan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 (aanvraag EFSA‐GMO‐DE‐2016‐133), EFSA Journal 14 november 2018, 16(11): 5469, https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.2903/j.efsa.2018.5469.
(4) Tijdens de achtste zittingsperiode nam het Europees Parlement 36 resoluties aan waarin bezwaar werd gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor ggo’s.
(5) Wetenschappelijk advies inzake de beoordeling van genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG in levensmiddelen en diervoeders en de invoer en verwerking ervan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 (aanvraag EFSA‐GMO‐DE‐2016‐133), EFSA Journal 14 november 2018, 16(11): 5469, https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.2903/j.efsa.2018.5469.
(6) EFSA-advies, blz. 7-8.
(7) Geef op http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/ListOfQuestionsNoLogin?2 “maize MZHG0JG / EFSA-Q-2018-00810” in als zoekopdracht.
(8) Opmerkingen van Testbiotech over de beoordeling van genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG in levensmiddelen en diervoeders en de invoer en verwerking ervan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 (aanvraag EFSA‐GMO‐DE‐2016‐133 / Syngenta), https://www.testbiotech.org/sites/default/files/Testbiotech_Comment_Maize_MZHG0JG.pdf.
(9) Zie bijvoorbeeld Bonny, S., (januari 2016). Genetically Modified Herbicide-Tolerant Crops, Weeds, and Herbicides: Overview and Impact, Environmental Management 57(1): 31-48, https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26296738 en Benbrook, C.M., (28 september 2012). Impacts of genetically engineered crops on pesticide use in the U.S. – the first sixteen years, Environmental Sciences Europe 24(1), https://enveurope.springeropen.com/articles/10.1186/2190-4715-24-24.
(10) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/533 van de Commissie van 28 maart 2019 inzake een in 2020, 2021 en 2022 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 88 van 29.3.2019, blz. 28).
(11) Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad, PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(12) https://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/eu-pesticides-database/public/?event=activesubstance.detail&language=NL&selectedID=1436
(13) Conclusie van de EFSA over de intercollegiale toetsing van de pesticiderisicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat, EFSA Journal 12 november 2015, 13(11): 4302, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4302.
(14) Evaluatie door de EFSA van de bestaande maximumresidugehalten voor glyfosaat overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 396/2005, EFSA Journal 17 mei 2018, 16(5): 5263, https://www.efsa.europa.eu/fr/efsajournal/pub/5263.
(15) Hij deed dit onder meer in zijn openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014), en in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(16) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


Genetisch gemodificeerde soja A2704-12 (ACS-GMØØ5-3)
PDF 174kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen A2704-12 (ACS-GMØØ5-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D062417/04 – 2019/2828(RSP))
P9_TA(2019)0029B9-0105/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen A2704-12 (ACS-GMØØ5-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D062417/04),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

–  gezien de stemming op 11 juni 2019 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, waarbij geen advies is geformuleerd, en gezien de stemming op 12 juli 2019 van het comité van beroep, dat evenmin een advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 29 november 2018 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 14 januari 2019 werd gepubliceerd(3),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (gmo’s)(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat bij Beschikking 2008/730/EG(5) van de Commissie een vergunning werd verleend voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen A2704-12 (hierna: “sojabonen A2704-12”); overwegende dat de vergunning ook betrekking heeft op het in de handel brengen van andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit sojabonen A2704-12, voor dezelfde gebruiksdoeleinden als andere sojabonen, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de vergunninghouder, Bayer CropScience AG, op 29 augustus 2017 bij de Commissie een aanvraag heeft ingediend tot verlenging van die vergunning overeenkomstig artikel 11 en 23 van Verordening (EG) Nr. 1829/2003;

C.  overwegende dat de EFSA op 29 november 2018 een positief advies heeft goedgekeurd met betrekking tot de aanvraag tot verlenging, en dat dit advies op 14 januari 2019 is gepubliceerd(6);

D.  overwegende dat de sojabonen A2704-12 zijn ontwikkeld om deze tolerant te maken voor herbiciden op basis van glufosinaat-ammonium; overwegende dat de tolerantie voor deze herbiciden tot stand komt door de expressie van het PAT(fosfinotricine-acetyltransferase)-eiwit(7);

Complementaire herbiciden

E.  overwegende dat uit een aantal studies blijkt dat herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen ervoor zorgen dat grotere hoeveelheden van deze herbiciden worden gebruikt(8); overwegende dat er dan ook van moet worden uitgegaan dat de geteelde sojabonen A2704-12 aan hogere en ook herhaaldelijke doses glufosinaat zullen worden blootgesteld, waardoor er mogelijk meer residuen zullen achterblijven in de oogst;

F.  overwegende dat de lidstaten overeenkomstig het meest recente gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie (voor 2020, 2021 en 2022)(9) bij de invoer van sojabonen geen verplichte metingen naar glufosinaatresiduen hoeven uit te voeren; overwegende dat niet kan worden uitgesloten dat sojabonen A2704-12 en levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met deze sojabonen, de maximumresidugehalten (MRL) overschrijden die door de Unie zijn vastgesteld om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen;

G.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld als toxisch voor de voortplanting (Europees Agentschap voor chemische stoffen, categorie 1B) en derhalve onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad(10); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat voor gebruik in de Unie op 31 juli 2018 is verstreken(11);

H.  overwegende dat de genetische modificatie zelf bepalend kan zijn voor de manier waarop complementaire herbiciden bij genetisch gemodificeerde gewassen door de plant worden afgebroken en voor de samenstelling en dus de toxiciteit van de afbraakproducten (metabolieten)(12);

I.  overwegende dat residuen van herbiciden en hun metabolieten in genetisch gemodificeerde gewassen worden beschouwd als een kwestie die niet binnen de bevoegdheid van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen valt;

Opmerkingen van de lidstaten

J.  overwegende dat de lidstaten gedurende de raadplegingsperiode van drie maanden tal van kritische opmerkingen hebben ingediend bij de EFSA(13); overwegende dat de meest kritische opmerkingen betrekking hebben op de onmogelijkheid om de risico’s in verband met het gebruik van de sojabonen A2704-12 in levensmiddelen en diervoeders op afdoende wijze te beoordelen, aangezien er onvoldoende en te weinig gevarieerde veldstudies zijn over glufosinaatresiduen en er helemaal geen studies zijn verricht naar chronische of subchronische toxiciteit; overwegende dat verschillende lidstaten van mening zijn dat het monitoringplan voor de milieueffecten noch in overeenstemming is met Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad(14) en de bijbehorende richtsnoeren, noch met de EFSA-richtsnoeren inzake milieumonitoring na het in de handel brengen (2011); overwegende dat verschillende lidstaten aangeven bezorgd te zijn over de effecten van de teelt van de sojabonen A2704-12 op de biodiversiteit en de volksgezondheid in de producerende en exporterende landen;

K.  overwegende dat in een onafhankelijke studie wordt geconcludeerd dat de risicobeoordeling van de EFSA onaanvaardbaar is in haar huidige vorm(15), aangezien er geen kennislacunes en -onzekerheden worden geïdentificeerd en wordt nagelaten een beoordeling uit te voeren van de algehele veiligheid en de eventuele toxiciteit van de sojabonen A2704-12; overwegende dat in de studie wordt geconcludeerd dat de EFSA geen rekening houdt met de wijzigingen die zich hebben voorgedaan in de periode van 10 jaar sinds de oorspronkelijke goedkeuring van de sojabonen A2704-12 met betrekking tot de agronomische omstandigheden waaronder de herbicideresistente sojabonen worden geteeld, zoals de toenemende problemen met herbicideresistent onkruid, die het gebruik van een steeds grotere hoeveelheid herbiciden noodzakelijk maken;

Nakomen van de internationale verplichtingen van de Unie

L.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt; overwegende dat deze ter zake dienende factoren onder meer de verplichtingen van de Unie in het kader van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN, het Akkoord van Parijs inzake klimaatverandering en het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) moeten omvatten;

M.  overwegende dat de speciale rapporteur van de VN voor het recht op voedsel van mening is dat, met name in ontwikkelingslanden, gevaarlijke pesticiden catastrofale gevolgen hebben voor de volksgezondheid en kunnen leiden tot schendingen van de mensenrechten van boeren en werknemers in de landbouwsector, gemeenschappen die in de buurt van landbouwgrond wonen, inheemse gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen(16); overwegende dat SDG 3.9 inhoudt dat in 2030 het aantal doden en ziektegevallen ten gevolge van gevaarlijke chemische stoffen en lucht-, water- en bodemverontreinging wezenlijk verminderd moet zijn(17);

N.  overwegende dat ontbossing een belangrijke oorzaak is van de achteruitgang van de biodiversiteit; overwegende dat emissies van landgebruik en verandering van landgebruik, vooral ten gevolge van ontbossing, de op één na grootste oorzaak van klimaatverandering zijn, na de verbranding van fossiele brandstoffen(18); overwegende dat het Akkoord van Parijs en het Algemeen strategisch plan voor biodiversiteit in de periode 2011-2020, met inbegrip van de Aichi biodiversiteitsdoelen, die zijn vastgesteld in het kader van het VN-verdrag inzake biologische diversiteit, duurzame inspanningen op het gebied van bosbeheer, bescherming en herstel bevorderen(19);

O.  overwegende dat SDG 15 gericht is op het stopzetten van ontbossing tegen 2020(20); overwegende dat bossen een multifunctionele rol spelen voor het verwezenlijken van de meeste SDG’s(21);

P.  overwegende dat de productie van soja een belangrijke aanjager is van ontbossing in de bossen van de Amazone, Cerrado en Gran Chaco in Zuid-Amerika; overwegende dat van de in Brazilië en Argentinië geteelde soja respectievelijk 97 % en 100 % genetisch gemodificeerde soja is(22); overwegende dat de sojabonen A2704-12 goedgekeurd zijn voor de teelt in onder meer Brazilië en Argentinië(23);

Q.  overwegende dat de Europese Unie ‘s werelds tweede importeur van soja is en dat het grootste deel van de naar de Unie geïmporteerde soja bestemd is voor diervoeders; overwegende dat uit een analyse van de Commissie is gebleken dat soja van oudsher de grootste bijdrage levert aan de door de Unie veroorzaakte wereldwijde ontbossing en de daarmee samenhangende emissies, en bijna de helft van de ontbossing, veroorzaakt door import naar de Unie, voor zijn rekening neemt(24);

R.  overwegende dat negen genetisch gemodificeerde sojabonen die in Brazilië mogen worden geteeld, reeds zijn toegelaten voor invoer als levensmiddel en diervoeder in de Unie; daarnaast overwegende dat de vergunningverleningsprocedure voor de invoer in de Unie van drie genetisch gemodificeerde sojabonen die in Brazilië mogen worden geteeld, met inbegrip van soja A2704-12, voor levensmiddelen en diervoeders nog lopende is(25);

S.  overwegende dat bij een recente pan-Europese enquête is gebleken dat bijna 90 % van de respondenten van mening is dat er nieuwe wetgeving moet komen om ervoor te zorgen dat producten die in de Unie worden verkocht niet bijdragen tot de wereldwijde ontbossing(26);

Ondemocratisch proces

T.  overwegende dat zowel het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 (stemming van 11 juni 2019) als het comité van beroep (stemming van 12 juli 2019) geen advies hebben uitgebracht, hetgeen betekent dat geen gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten werd gevonden voor het verlenen van een vergunning;

U.  overwegende dat de Commissie zowel in haar toelichting bij het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten het gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders op hun grondgebied te beperken of te verbieden dat zij op 22 april 2015 heeft gepresenteerd, als in haar toelichting bij het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 dat zij op 14 februari 2017 heeft gepresenteerd, heeft aangegeven het te betreuren dat zij sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft vastgesteld zonder daarbij gesteund te worden door het advies van het comité van de lidstaten, en dat de terugzending van het dossier aan de Commissie voor een definitieve beslissing, wat zeer ongebruikelijk is voor de procedure in het algemeen, de norm is geworden voor de besluitvorming rond het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat de voorzitter van de Commissie meermaals zijn ongenoegen heeft geuit over het povere democratisch gehalte van die werkwijze(27);

V.  overwegende dat het Parlement gedurende zijn achtste zittingsperiode 33 resoluties heeft aangenomen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) voor gebruik als levensmiddelen en diervoeders, en drie resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de teelt van ggo’s in de EU; overwegende dat er voor geen van deze ggo’s een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten werd gevonden voor het verlenen van een vergunning; overwegende dat de Commissie de democratische tekortkomingen weliswaar heeft erkend, maar ondanks de bezwaren van het Parlement en het gebrek aan steun van de lidstaten vergunningen blijft verlenen voor ggo’s, hoewel zij daartoe niet wettelijk verplicht is;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met een van de doelen van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(28) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  herhaalt zich te willen inzetten om vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011; vraagt de Raad dringend werk te maken van zijn behandeling van dit voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor ggo’s op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

6.  verzoekt de Commissie voorstellen voor ggo-vergunningen in te trekken als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt, zowel voor gebruik bij de teelt als voor gebruik als levensmiddel en diervoeder;

7.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met complementaire herbiciden, van metabolieten en commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

8.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van complementaire herbiciden en de residuen daarvan volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, ongeacht of het genetisch gemodificeerde gewas bestemd is voor teelt in de Unie of bedoeld is voor de invoer in de Unie voor gebruik als levensmiddel en diervoeder;

9.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor de invoer voor gebruik als levensmiddel of als diervoeder van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerant zijn gemaakt voor een herbicide dat niet is toegestaan voor gebruik binnen de Unie, in dit geval glufosinaat;

10.  herinnert eraan dat de SDG’s alleen kunnen worden bereikt als toeleveringsketens duurzaam worden en synergieën worden gecreëerd tussen het beleid(29);

11.  herhaalt ernstig bezorgd te zijn over het feit dat de grote afhankelijkheid van de Unie van de invoer van diervoeder in de vorm van sojabonen ontbossing in derde landen veroorzaakt(30);

12.  verzoekt de Commissie de invoer van genetisch gemodificeerde sojabonen niet toe te staan, tenzij kan worden aangetoond dat de teelt ervan niet heeft bijgedragen tot ontbossing;

13.  dringt er bij de Commissie op aan al haar huidige vergunningen voor genetisch gemodificeerde soja te herzien in het licht van de internationale verplichtingen van de Unie, onder meer in het kader van de Overeenkomst van Parijs, het Biodiversiteitsverdrag en de SDG’s;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Scientific opinion on the Assessment of genetically modified soybean A2704-12 for renewal of authorisation under Regulation (EC) No 1829/2003 (application EFSA-GMO-RX-009), EFSA Journal 2019;17(1):5523, https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2019.5523
(4) Tijdens de 8e zittingsperiode nam het Parlement 36 resoluties aan waarin bezwaar werd gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen.
(5) Beschikking 2008/730/EG van de Commissie van 8 september 2008 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen A2704-12 (ACS-GMØØ5-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 247 van 16.9.2008, blz. 50).
(6) EFSA Journal 2019; 17(1):5523.
(7) Opinion of the Scientific Panel on genetically modified organisms (GMO) on an application (Reference EFSA-GMO-NL-2005-18) for the placing on the market of the glufosinate tolerant soybean A2704-12, for food and feed uses, import and processing under Regulation (EC) No 1829/2003 from Bayer CropScience, EFSA Journal (2007)524, p. 1. https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2007.524
(8) Zie bijvoorbeeld Bonny S, Genetically Modified Herbicide-Tolerant Crops, Weeds, and Herbicides: Overview and Impact, Environmental Management, January 2016;57(1):31-48, https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26296738 en Charles M Benbrook, Impacts of genetically engineered crops on pesticide use in the U.S. – the first sixteen years, Environmental Sciences Europe; volume 24, Article number: 24 (2012), https://enveurope.springeropen.com/articles/10.1186/2190-4715-24-24.
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/533 van de Commissie van 28 maart 2019 inzake een in 2020, 2021 en 2022 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 88 van 29.3.2019, blz. 28).
(10) Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad, PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(11) https://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/eu-pesticides-database/public/?event=activesubstance.detail&language=EN&selectedID=1436
(12) Dit is volgens de EFSA bijvoorbeeld het geval wanneer glyfosaat als complementair herbicide wordt gebruikt: Evaluatie door de EFSA van de bestaande maximumresidugehalten voor glyfosaat overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 396/2005, blz. 12, https://www.efsa.europa.eu/fr/efsajournal/pub/5263
(13) Bijlage G – Opmerkingen van de lidstaten http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2018-00992
(14) Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).
(15) Commentaar van Testbiotech op de beoordeling van EFSA van de genetisch gemodificeerde sojabonen A2704-12 met het oog op verlenging https://www.testbiotech.org/en/content/testbiotech-comment-soybean-a2704-12-renewal
(16) https://www.ohchr.org/EN/Issues/Environment/ToxicWastes/Pages/Pesticidesrighttofood.aspx
(17) https://www.un.org/sustainabledevelopment/health/
(18) Mededeling van de Commissie van 23 juli 2019 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren” - (COM(2019)0352), blz. 1.
(19) Idem, blz. 2.
(20) Zie doelstelling 15.2: https://www.un.org/sustainabledevelopment/biodiversity/
(21) COM(2019)0352, blz. 2.
(22) International Service for the Acquisition of Agri-biotech Applications (2017) “Global status of commercialized biotech/GM crops in 2017” ISAAA Brief No. 53, blz. 16 en blz. 21. http://www.isaaa.org/resources/publications/briefs/53/download/isaaa-brief-53-2017.pdf
(23) https://www.isaaa.org/gmapprovaldatabase/event/default.asp?EventID=161
(24) Technisch verslag van de Commissie 2013 - 063 getiteld “The impact of EU consumption on deforestation: Comprehensive analysis of the impact of EU consumption on deforestation”, blz. 23-24, http://ec.europa.eu/environment/forests/pdf/1.%20Report%20analysis%20of%20impact.pdf: Tussen 1990 en 2008 hebben de door de Unie geïmporteerde plantaardige en dierlijke producten 90 000 km2 aan ontbossing veroorzaakt. Geteelde producten veroorzaakten hiervan 74 000 km2 (82 %), en dan voornamelijk oliehoudende gewassen (52 000 km2). Sojabonen en sojaschroot waren goed voor 82 % hiervan (42 600 km2), wat overeenkomt met 47 % van de totale door invoer naar de Unie veroorzaakte ontbossing.
(25) Deze cijfers zijn verkregen door een vergelijking van de database van goedgekeurde genetisch gemodificeerde gewassen van de International Service for the Acquisition of Agri-biotech Applications (https://www.isaaa.org/gmapprovaldatabase/approvedeventsin/default.asp?CountryID=BR&Country=Brazil) met het register van de EU voor genetische gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (https://ec.europa.eu/food/plant/gmo/eu_register_en). Beide databanken zijn geraadpleegd in september 2019.
(26) https://www.fern.org/news-resources/press-release-87-per-cent-of-europeans-support-new-laws-to-combat-global-deforestation-new-poll-shows-1963/
(27) Hij deed dit onder meer in zijn openingstoespraak voor de plenaire vergadering van het Europees Parlement, over de politieke beleidslijnen van de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(28) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(29) Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2018 over transparant en verantwoord beheer van natuurlijke hulpbronnen in ontwikkelingslanden: bossen (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0333), paragraaf 67.
(30) Idem.


Genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 × DAS-40278-9, en genetisch gemodificeerde mais die twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 89034, 1507, MON 88017, 59122 en DAS-40278-9 combineert
PDF 168kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 × DAS-40278-9, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 89034, 1507, MON 88017, 59122 en DAS-40278-9, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D062827/02 – 2019/2829(RSP))
P9_TA(2019)0030B9-0106/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 × DAS-40278-9, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 89034, 1507, MON 88017, 59122 en DAS-40278-9, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D062827/02),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de stemming op 12 juli 2019 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, waarbij geen advies is geformuleerd, en gezien de stemming op maandag 16 september 2019 van het comité van beroep, dat evenmin een advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 28 november 2018 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 14 januari 2019 werd gepubliceerd(3),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s)(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Dow AgroSciences Europe op 6 februari 2013 namens Dow AgroSciences LLC bij de nationale bevoegde instantie van Nederland een aanvraag heeft ingediend voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 × DAS-40278-9 (“genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen”), overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat de aanvraag ook betrekking heeft op het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit de genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de aanvraag betrekking had op het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met 25 subcombinaties van de afzonderlijke transformatiestappen waaruit de genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen bestaat; overwegende dat voor elf van deze subcombinaties reeds vergunning is verleend(5); overwegende dat de overige veertien subcombinaties, naast de genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen, onder het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie vallen;

C.  overwegende dat de EFSA op 28 november 2018 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 14 januari 2019 werd gepubliceerd(6);

D.  overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen voortkomt uit de kruising van vijf genetisch gemodificeerde maislijnen en resistent is voor herbiciden die glufosinaat, glyfosaat en 2,4-D bevatten, en dat hij zes insectendodende eiwitten produceert (“Bt” of “Cry” -eiwitten): Cry1A.105, Cry2Ab2, Cry1F en CryBb1, die toxisch zijn voor bepaalde larven van schubvleugeligen, alsmede Cry34Ab1 en Cry25Ab1, die toxisch zijn voor bepaalde larven van schildvleugeligen(7);

Opmerkingen van de lidstaten:

E.  overwegende dat de lidstaten tal van kritische opmerkingen aan de EFSA hebben doen toekomen gedurende de overlegperiode(8) van drie maanden, onder meer dat, met name wat levensmiddelen betreft, geen definitieve conclusie kan worden getrokken met betrekking tot de effecten op de voortplanting of de ontwikkeling op lange termijn van de levensmiddelen en/of diervoeders in kwestie, dat nadere informatie vereist is voordat de risicobeoordeling kan worden afgerond, dat uit de analyse van de samenstelling blijkt dat de genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen en de conventionele tegenhanger ervan niet gelijkwaardig zijn, zodat de veiligheid niet kan worden gegarandeerd, dat het plan voor milieumonitoring na het in de handel brengen onaangepast is en dat meer onderzoek nodig is naar de biologische rol en activiteiten van Cry-eiwitten ten aanzien van zoogdieren voordat deze als veilig kunnen worden beschouwd;

F.  overwegende dat de aanvrager geen experimentele gegevens heeft verstrekt voor de veertien momenteel niet toegestane subcombinaties van de genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen(9); overwegende dat geen vergunning voor een genetisch gemodificeerd product met meerdere transformatiestappen mag worden verleend zonder een grondige beoordeling van de experimentele gegevens voor elke subcombinatie;

Complementaire herbiciden

G.  overwegende dat uit een aantal studies blijkt dat herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen leiden tot een hoger gebruik van deze herbiciden(10); overwegende dat er bijgevolg van moet worden uitgegaan dat de genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen zal worden blootgesteld zowel aan hogere als aan herhaalde doses glufosinaat, glyfosaat en 2,4-D, met als gevolg dat een grotere hoeveelheid residuen aanwezig kan zijn in de oogst;

H.  overwegende dat de lidstaten in het kader van het gecoördineerde meerjarig controleprogramma van de Unie voor 2020, 2021 en 2022 niet verplicht zijn glyfosaat, glufosinaat of 2,4-D residuen op de invoer van mais te meten(11); overwegende dat niet kan worden uitgesloten dat de genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen of de ervan afgeleide levensmiddelen en diervoeders de maximumresidugehalten (MRL) overschrijden die door de Unie zijn vastgesteld ter bescherming van de gezondheid van de consumenten;

I.  overwegende dat er nog altijd onduidelijkheid is over de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend is; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

J.  overwegende dat er, volgens de EFSA, geen toxicologische gegevens beschikbaar zijn op grond waarvan een beoordeling van de risico’s voor de consument kan worden uitgevoerd voor wat betreft diverse afbraakproducten van glyfosaat die relevant zijn voor genetisch gemodificeerde glyfosaat-tolerante gewassen(12);

K.  overwegende dat de genetische modificatie zelf bepalend kan zijn voor de manier waarop complementaire herbiciden bij genetisch gemodificeerde gewassen door de plant worden afgebroken en voor de samenstelling en dus de toxiciteit van de afbraakproducten (“metabolieten”); overwegende dat dit, wanneer glyfosaat als complementair herbicide wordt gebruikt, volgens de EFSA inderdaad het geval is(13);

L.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld als toxisch voor de voortplanting, categorie 1B, en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad(14); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat voor gebruik in de Unie op 31 juli 2018 is verstreken(15);

M.  overwegende dat in onafhankelijk onderzoek bezorgdheid wordt geuit over de risico’s van de werkzame stof van 2,4-D in verband met embryo-ontwikkeling, geboorteafwijkingen en hormoonontregeling;

N.  overwegende dat in een recent artikel van een deskundige die betrokken is bij de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen, de veiligheid in twijfel wordt getrokken van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerant zijn voor 2,4-D, vanwege de afbraak hiervan in het cytotoxische afbraakproduct 2,4-dichloorfenol (2,4-DCP)(16);

Bt-eiwitten

O.  overwegende dat uit een aantal studies blijkt dat bijwerkingen zijn geconstateerd, namelijk dat blootstelling aan Bt-eiwitten een effect kan hebben op het immuunsysteem en dat sommige Bt-eiwitten wellicht adjuvans-eigenschappen hebben(17), hetgeen betekent dat zij de allergene eigenschappen van andere eiwitten waarmee ze in contact komen, kunnen verhogen;

P.  overwegende dat in een minderheidsstandpunt dat een lid van het EFSA-panel voor ggo’s heeft geformuleerd in het kader van de beoordeling van een soortgelijke, maar verschillende genetisch gemodificeerde mais met meerdere transformatiestappen en de subcombinaties ervan, is opgemerkt dat weliswaar nooit onbedoelde effecten op het immuunsysteem zijn vastgesteld in een toepassing waarbij Bt-eiwitten worden uitgedrukt, maar dat deze niet konden worden waargenomen door de toxicologische studies die momenteel worden aanbevolen en uitgevoerd voor de veiligheidsbeoordeling van genetisch gemodificeerde gewassen bij de EFSA, omdat geen passende tests voor dit doel worden uitgevoerd(18);

Q.  overwegende dat uit een recente studie blijkt dat een snelle toename van het behandelen van zaden met neonicotinoïden in de Verenigde Staten samenvalt met een toename van de aanplanting van genetisch gemodificeerde Bt-maïs(19); overwegende dat de Unie het gebruik van drie neonicotinoïden in open lucht heeft verboden, inclusief als zaadomhulsel, wegens de impact ervan op bijen en andere bestuivers(20);

R.  overwegende dat de beoordeling van residuen van herbiciden en de metabolieten ervan in genetisch gemodificeerde gewassen, alsmede de potentiële interactie ervan met Bt-proteïnen, wordt beschouwd als een kwestie die niet onder de bevoegdheid van het EFSA-panel voor ggo’s valt;

Ondemocratisch proces

S.  overwegende dat zowel het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 (stemming van 12 juli 2019) als het comité van beroep (stemming van 16 september 2019) geen advies hebben uitgebracht, hetgeen betekent dat geen gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten werd gevonden voor het verlenen van een vergunning;

T.  overwegende dat de Commissie zowel in de toelichting bij haar wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 met betrekking tot de mogelijkheid voor de lidstaten om het gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders op hun grondgebied te beperken of te verbieden, als in de toelichting bij haar wetgevingsvoorstel van 14 februari 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011, haar ongenoegen heeft geuit over het feit dat sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten door de Commissie zijn vastgesteld zonder de steun van het advies van het comité van de lidstaten en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor een definitieve beslissing, die voor de procedure als geheel in feite als uitzondering geldt, de norm is geworden voor de besluitvorming over vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat de voorzitter van de Commissie meermaals zijn ongenoegen heeft geuit over het povere democratisch gehalte van die werkwijze(21);

U.  overwegende dat het Parlement gedurende zijn achtste zittingsperiode 33 resoluties heeft aangenomen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) voor gebruik als levensmiddelen en diervoeders, en drie resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de teelt van ggo’s in de EU; overwegende dat er geen gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten vóór het verlenen van een vergunning was; overwegende dat de Commissie de democratische tekortkomingen weliswaar heeft erkend, maar ondanks de bezwaren van het Parlement en het gebrek aan steun van de lidstaten vergunningen blijft verlenen voor ggo’s, hoewel zij daartoe niet wettelijk verplicht is;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met een van de doelen van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(22) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  herhaalt zich te willen inzetten om vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011; vraagt de Raad dringend werk te maken van zijn behandeling van dit voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor ggo’s op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

6.  verzoekt de Commissie voorstellen voor ggo-vergunningen in te trekken als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt, zowel voor gebruik in de teelt als voor gebruik als levensmiddel en diervoeder;

7.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met complementaire herbiciden, hun metabolieten en commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

8.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van complementaire herbiciden en de residuen daarvan volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, ongeacht of het genetisch gemodificeerde gewas bestemd is voor teelt in de Unie of bedoeld is voor de invoer in de Unie voor gebruik als levensmiddel en diervoeder;

9.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor de invoer voor gebruik als levensmiddel of als diervoeder van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerant zijn gemaakt voor een herbicide dat niet is toegestaan voor gebruik binnen de Unie, in dit geval glufosinaat;

10.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor subcombinaties met meerdere transformatiestappen, tenzij de subcombinaties grondig zijn geëvalueerd door de EFSA op basis van door de aanvrager ingediende volledige gegevens;

11.  is meer bepaald van mening dat de goedkeuring van subcombinaties waarvoor geen veiligheidsgegevens zijn verstrekt en die nog niet eens zijn getest of gecreëerd, in strijd is met de beginselen van de algemene levensmiddelenwetgeving, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 178/2002;

12.  verzoekt de EFSA verder te gaan met de ontwikkeling van methoden om de onbedoelde gevolgen van genetische modificaties met meerdere transformatiestappen te identificeren, inclusief wat de adjuvans-eigenschappen van Bt-toxinen betreft, en deze systematisch te gebruiken;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Scientific opinion on the Assessment of genetically modified maize MON 89034 x 1507 x MON 88017 x 59122 x DAS-40278-9 and subcombinations independently of their origin for food and feed uses, import and processing under Regulation (EC) No 1829/2003 (application EFSA-GMO-NL-2013-113), EFSA Journal 2019;17(1):5521, https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2019.5521
(4) Tijdens de achtste zittingsperiode nam het Europees Parlement 36 resoluties aan waarin bezwaar werd gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen.
(5) 1507 x 59122, goedgekeurd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1110 van de Commissie; MON 89034 × MON 88017, goedgekeurd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/2046 van de Commissie; en MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122, MON 89034 × 1507 × MON 88017, MON 89034 × 1507 × 59122, MON 89034 × MON 88017 × 59122, 1507 × MON 88017 × 59122, MON 89034 × 1507, MON 89034 × 59122, 1507 × MON 88017, MON 88017 × 59122, goedgekeurd bij Uitvoeringsbesluit 2013/650/EU van de Commissie.
(6) Scientific opinion on the Assessment of genetically modified maize MON 89034 x 1507 x MON 88017 x 59122 x DAS-40278-9 and subcombinations independently of their origin for food and feed uses, import and processing under Regulation (EC) No 1829/2003 (application EFSA-GMO-NL-2013-113), EFSA Journal 2019;17(1):5521, https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2019.5521
(7) Zie het EFSA-advies, blz. 10-11.
(8) Annex G – Member States’ comments, http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-00210
(9) Zie het EFSA-advies, blz. 4.
(10) Zie bijvoorbeeld Bonny, S.: “Genetically Modified Herbicide-Tolerant Crops, Weeds, and Herbicides: Overview and Impact”, Environmental Management, 2016, 57(1), blz. 31-48, https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26296738, en Benbrook, C.M.: “Impacts of genetically engineered crops on pesticide use in the U.S. – the first sixteen years”, Environmental Sciences Europe, 2012, 24(24), https://enveurope.springeropen.com/articles/10.1186/2190-4715-24-24.
(11) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/533 van de Commissie van 28 maart 2019 inzake een in 2020, 2021 en 2022 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 88 van 29.3.2019, blz. 28).
(12) Conclusie van de EFSA over de intercollegiale toetsing van de pesticiderisicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat, EFSA Journal, 2015, 13(11):4302, blz. 3 https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4302
(13) Evaluatie door de EFSA van de bestaande maximumresidugehalten voor glyfosaat overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 396/2005 van 17 mei 2018, blz. 12, https://www.efsa.europa.eu/fr/efsajournal/pub/5263
(14) Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad, PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(15) https://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/eu-pesticides-database/public/?event=activesubstance.detail&language=NL&selectedID=1436
(16) Lurquin, P.F.: “Production of a toxic metabolite in 2, 4-D-resistant GM crop plants”, 3 Biotech, 2016, 6(1), blz. 1-4. https://link.springer.com/article/10.1007/s13205-016-0387-9#CR25
(17) Voor een beoordeling zie Rubio Infante, N. & Moreno-Fierros, L.: “An overview of the safety and biological effects of Bacillus thuringiensis Cry toxins in mammals”, Journal of Applied Toxicology, 2016, 36(5), blz. 630-648. http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/jat.3252/full
(18) Aanvraag EFSA-GMO-DE-2010-86 (mais Bt11 3 MIR162 3 1507 3 GA21 en drie subcombinaties ongeacht hun oorsprong), minderheidsstandpunt van J.M. Wal, lid van het EFSA-panel voor ggo’s, mei 2018 https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2018.5309 p. 34.
(19) Douglas, M.R. & Tooker, J.F.: “Large-Scale Deployment of Seed Treatments Has Driven Rapid Increase in Use of Neonicotinoid Insecticides and Preemptive Pest Management in U.S. Field Crops”, Environmental Science & Technology, 2015, 49(8), blz. 5088-5097, https://pubs.acs.org/doi/10.1021/es506141g.
(20) https://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/approval_active_substances/approval_renewal/neonicotinoids_en
(21) Hij deed dit onder meer in zijn openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014), en in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(22) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).


Buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in nationale en Europese democratische processen
PDF 136kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in de nationale en Europese democratische processen (2019/2810(RSP))
P9_TA(2019)0031B9-0108/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 7, 8, 11, 12, 39, 40, 47 en 52 daarvan, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name de artikelen 8, 9, 10, 11, 13, 16 en 17 daarvan, en het protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name artikel 3 daarvan,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 16 december 1966, met name de artikelen 2, 17, 19, 20 en 25 daarvan,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2018, getiteld “Bestrijding van online-desinformatie: een Europese benadering” (COM(2018)0236),

–  gezien het gezamenlijke actieplan tegen desinformatie van de Commissie en de VV/HV van 5 december 2018 (JOIN(2018)0036) en het gezamenlijke verslag van de Commissie en de VV/HV over de uitvoering van het actieplan tegen desinformatie van 14 juni 2019 (JOIN(2019)0012),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 18 oktober 2018,

–  gezien de studie met als titel “Automated tackling of disinformation” (“geautomatiseerde bestrijding van desinformatie”) , gepubliceerd door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten van het Europees Parlement op 15 maart 2019(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2019 over de veiligheidsdreigingen in verband met de toenemende technologische aanwezigheid van China in de EU en mogelijke maatregelen op EU-niveau om deze tegen te gaan(2),

–  gezien zijn resolutie van 23 november 2016 over de strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden(3),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 maart 2019 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid bij het opmaken van de balans ten aanzien van de door de EDEO gegeven follow-up twee jaar na het EP‑verslag over strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden(4),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(5) en de huidige herziening daarvan,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over het gebruik van gegevens van Facebook-gebruikers door Cambridge Analytica en de impact op de gegevensbescherming(6),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2018 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2019 getiteld “Negentiende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie” (COM(2019)0353),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(8),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 juni 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027 (COM(2018)0434),

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de pogingen van statelijke en niet-statelijke actoren van derde landen om door middel van kwaadwillige inmenging invloed uit te oefenen op de besluitvorming in de EU en de lidstaten, en de in artikel 2 VEU verankerde waarden onder druk te zetten, deel uitmaken van een algemene trend waarmee democratieën wereldwijd te maken krijgen;

B.  overwegende dat buitenlandse inmenging talloze vormen kan aannemen, waaronder desinformatiecampagnes op sociale media om de publieke opinie te sturen, cyberaanvallen tegen kritieke infrastructuur in verband met verkiezingen, en directe en indirecte financiële steun aan politieke actoren;

C.  overwegende dat de buitenlandse inmenging in verkiezingen een grote uitdaging vormt, aangezien deze ernstige risico’s inhoudt voor de Europese democratische samenlevingen en instellingen, de fundamentele rechten en vrijheden, de rechtsstaat, de veiligheid, de economische welvaart en, uiteindelijk, de Europese soevereiniteit;

D.  overwegende dat de wereldwijde interconnectie van mensen en economieën door digitale middelen en nieuwe technologieën gebruikt en misbruikt wordt voor buitenlandse inmenging door staten; overwegende dat met name mediaplatforms gemakkelijk kunnen worden gebruikt om desinformatie te verspreiden;

E.  overwegende dat bekendheid moet worden gegeven aan de desinformatiecampagnes van Rusland, aangezien deze de belangrijkste bron van desinformatie in Europa vormen;

F.  overwegende dat statelijke en niet-statelijke actoren uit andere derde landen dan Rusland betrokken zijn bij kwaadwillige inmenging in Europese openbare debatten;

G.  overwegende dat uit een voorlopige analyse van de Commissie in juni 2019 is gebleken dat de maatregelen die zijn genomen om de integriteit van de Europese verkiezingen te beschermen, hebben bijgedragen tot het beperken van de inmenging van buitenlandse staten en niet-overheidsactoren in de verkiezingen voor het Europees Parlement van mei 2019;

H.  overwegende dat de EU een aantal maatregelen met succes ten uitvoer heeft gelegd om de buitenlandse invloed op de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2019 te beperken en de integriteit ervan te in stand te houden, waaronder een praktijkcode tegen desinformatie, een systeem voor snelle waarschuwingen en een Europees netwerk voor electorale samenwerking; overwegende dat de Commissie heeft aangekondigd van plan te zijn verdere maatregelen te nemen om deze kwesties aan te pakken;

I.  overwegende dat de EU sterk afhankelijk is van buitenlandse technologieën, software en infrastructuur, waardoor zij kwetsbaarder kan worden voor buitenlandse electorale inmenging;

J.  overwegende dat de schaal van kwaadwillige inmenging een gecoördineerde Europese respons vereist, met inbegrip van verschillende complementaire componenten;

K.  overwegende dat de verantwoordelijkheid voor het bestrijden van desinformatie en buitenlandse electorale inmenging niet uitsluitend berust bij de overheid, maar ook bij internet- en socialemediabedrijven, die daarom moeten samenwerken om dit doel te bereiken zonder de vrijheid van meningsuiting te ondermijnen of geprivatiseerde instanties voor censuur te worden;

L.  overwegende dat uit verschillende onderzoeken is gebleken dat cruciale regels voor de verkiezingen zijn geschonden of omzeild, met name de bestaande bepalingen inzake de transparantie van de financiering van verkiezingscampagnes, met vermeende politieke uitgaven van non-profitorganisaties uit derde landen, met name uit Rusland;

M.  overwegende dat alle gemelde gevallen van buitenlandse inmenging in verkiezingen een systematisch patroon vormen dat zich de afgelopen jaren heeft herhaald;

N.  overwegende dat voor eind 2020 meer dan 50 presidents-, nationale, lokale of regionale verkiezingen in de lidstaten zullen worden gehouden;

1.  benadrukt het feit dat vrijheid van meningsuiting, de bescherming van de privacy en persoonsgegevens en mediapluralisme de kern vormen van weerbare democratische samenlevingen, en voorzien in de beste waarborgen tegen desinformatiecampagnes en vijandige propaganda;

2.  benadrukt dat, ondanks de vele facetten van vijandige buitenlandse inmenging en desinformatie, de inmenging in verkiezingen deel uitmaakt van een bredere strategie van hybride oorlogvoering en dat de aanpak daarvan derhalve een kernthema van veiligheid en buitenlands beleid blijft;

3.  herhaalt dat buitenlandse inmenging in de verkiezingen een aantasting vormt van het in de Universele Verklaring van de rechten van de mens verankerde recht van mensen om deel te nemen aan het bestuur van hun land – hetzij rechtstreeks, hetzij via vrij verkozen vertegenwoordigers – en dat dit soort inmenging door andere staten een schending vormt van het internationaal recht, ook wanneer er geen sprake is van militair geweld en de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid niet wordt bedreigd;

4.  is van mening dat vrije en eerlijke verkiezingen de kern vormen van het democratische proces en verzoekt daarom de EU-instellingen en de lidstaten doortastend op te treden in deze kwestie, onder meer in het komende denkoefening over de toekomst van de EU;

5.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat in de aanloop naar alle belangrijke nationale en Europese verkiezingen steeds aantoonbaar sprake is van inmenging, dikwijls met aanwijzingen van buitenlandse invloed, waarbij een groot deel van deze inmenging ten goede komt aan anti-EU-, rechtsextremistische en populistische kandidaten en zich richt tegen specifieke minderheden en kwetsbare groepen, waaronder migranten, LGBTI’s en religieuze groepen, personen met een Roma-achtergrond, moslims, of personen die als moslims worden aangemerkt, om het bredere doel van het ondermijnen van de aantrekkingskracht van democratische en gelijke samenlevingen te dienen;

6.  erkent de verontrustende tendens van mondiale extreemrechtse groeperingen die op grote schaal gebruikmaken van desinformatie op socialemediaplatforms; is bezorgd dat dergelijke desinformatie invloed heeft gehad op het verzet tegen gendergelijkheid en LGBTI-rechten;

7.  erkent dat de overgrote meerderheid van de lidstaten buitenlandse donaties geheel of gedeeltelijk verbiedt aan politieke partijen en kandidaten; wijst er met bezorgdheid op dat, zelfs indien wetgeving beperkingen oplegt aan de bronnen van politieke financiering, buitenlandse actoren manieren hebben gevonden om deze te omzeilen en hun bondgenoten steun hebben aangeboden door leningen af te sluiten met buitenlandse banken, zoals in het geval van het Front National in 2016, middels koop- en commerciële overeenkomsten, waarvan sprake was in de door Der Spiegel en Süddeutsche Zeitung op 17 mei 2019 gepubliceerde aantijgingen tegen de Oostenrijkse Vrijheidspartij en de aantijgingen van Buzzfeed en L’Expresso op 10 juli 2019 tegen Lega per Salvini Premier, en door het faciliteren van financiële activiteiten, zoals gemeld in de Britse pers met betrekking tot de Leave.eu-campagne;

8.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de uiterst gevaarlijke aard van Russische propaganda in het bijzonder, en verzoekt de Commissie en de Raad een doeltreffende en gedetailleerde strategie in te voeren om de Russische desinformatiestrategieën op een snelle en robuuste manier tegen te gaan;

9.  stelt met bezorgdheid vast dat sinds januari 2019 het aantal aan Russische bronnen toegewezen en door de East StratCom Task Force gedocumenteerde gevallen van desinformatie (998) meer dan verdubbeld is vergeleken met dezelfde periode in 2018 (434 gevallen);

10.  veroordeelt voorts krachtig het steeds agressievere optreden van statelijke en niet-statelijke actoren uit derde landen dat gericht is op de ondermijning en opschorting van de normatieve grondslagen en beginselen van de Europese democratieën en de soevereiniteit van alle EU-toetredingslanden in de Westelijke Balkan en de tot het Oostelijk Partnerschap behorende landen, alsook de beïnvloeding van verkiezingen en de ondersteuning van extremistische bewegingen, waarbij de voortdurende toename van cyberaanvallen in aanmerking moet worden genomen;

11.  erkent het positieve effect van de vrijwillige acties van dienstverleners en platforms om desinformatie tegen te gaan, met inbegrip van nieuwe regels in de praktijkcode ter verhoging van de transparantie van verkiezingsadvertenties op sociale media, alsook van de maatregelen die de Commissie en de lidstaten het afgelopen jaar hebben genomen, en herinnert hen aan hun gezamenlijke verantwoordelijkheid bij de bestrijding van desinformatie;

12.  herinnert aan zijn resolutie van 25 oktober 2018, waarin Facebook, na het schandaal rond Cambridge Analytica, wordt verzocht verschillende maatregelen te treffen om het gebruik van het sociale platform voor inmenging in verkiezingen te voorkomen; merkt op dat Facebook de meeste van deze verzoeken niet heeft opgevolgd;

13.  is van mening dat electorale inmenging in één lidstaat van invloed is op de EU in haar geheel, aangezien dit gevolgen kan hebben voor de samenstelling van de EU-instellingen; is van mening dat deze bedreigingen noch door geïsoleerd werkende nationale autoriteiten alleen kunnen worden aangepakt, noch door loutere zelfregulering van de particuliere sector, maar dat hiervoor een gecoördineerde aanpak op verschillende niveaus met meerdere belanghebbenden nodig is; is van oordeel dat zowel op EU- als op internationaal niveau een rechtskader voor de aanpak van hybride dreigingen, waaronder cyberaanvallen en desinformatie, moet worden ontwikkeld, teneinde een robuuste respons van de EU mogelijk te maken;

14.  wijst er echter nogmaals op dat er een sterk gemeenschappelijk Europees beleid moet worden ontwikkeld om zowel buitenlandse inmenging als desinformatiecampagnes doeltreffend aan te pakken door middel van krachtige EU-communicatie met onlineplatforms en aanbieders van diensten;

15.  dringt er bij alle betrokken actoren op aan zich te blijven inspannen om ervoor te zorgen dat het democratische proces en de verkiezingen worden beschermd tegen buitenlandse statelijke en niet-statelijke inmenging en manipulatie; wijst er met name op dat de mediageletterdheid en burgerschapsvorming vanaf jonge leeftijd met behulp van cultuur en scholing moeten worden verbeterd om degenen die de doelgroep zijn van desinformatiecampagnes in staat te stellen de verstrekte informatie als bevooroordeeld te herkennen; moedigt de lidstaten daarom aan specifieke cursussen inzake mediageletterdheid in hun onderwijsprogramma’s op te nemen en voorlichtingscampagnes te ontwikkelen voor de bevolkingsgroepen die kwetsbaarder zijn voor desinformatie;

16.  maakt zich zorgen over de afhankelijkheid van de EU van buitenlandse technologieën en hardware; onderstreept dat de EU ernaar moet streven haar eigen capaciteiten te vergroten, aangezien dit de mogelijkheden voor kwaadwillige electorale inmenging van buitenlandse actoren zal beperken;

17.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om een innovatievriendelijk klimaat te scheppen, op basis van de beginselen van de markteconomie en de bescherming van de grondrechten, zodat Europese bedrijven hun potentieel ten volle kunnen benutten en de bescherming van deze rechten als concurrentievoordeel kunnen aanwenden;

18.  dringt aan op nationale en Europese financiering voor de versterking van de capaciteit om de strategische communicatie van vijandelijke derde partijen te bestrijden en informatie en beste praktijken op dit gebied uit te wisselen, onder meer in het kader van het huidige meerjarig financieel kader en het kader voor de periode na 2020, onder meer via de programma’s Horizon Europa en Digitaal Europa; onderstreept dat dergelijke programma’s toereikende waarborgen moeten bevatten om te zorgen voor strikte inachtneming van het internationaal recht en de mensenrechten, met name bij de financiering van derde landen;

19.  benadrukt de noodzaak om verantwoordelijke journalistiek en redactionele verantwoordelijkheid zowel in de traditionele als in de nieuwe media te blijven ondersteunen en te bevorderen in de strijd tegen niet-geverifieerde of eenzijdige tendentieuze informatie die het vertrouwen van de burgers in onafhankelijke media ondermijnt;

20.  benadrukt dat het van essentieel belang is om de publieke media te ondersteunen, die niet financieel afhankelijk zijn van particuliere financieringsbronnen, en derhalve kwalitatief hoogwaardige en onpartijdige informatie aan het grote publiek kunnen verstrekken, en tegelijkertijd hun onafhankelijkheid van politieke inmenging te waarborgen en in stand te houden;

21.  herhaalt zijn steun voor het waardevolle werk van het Europees Fonds voor Democratie in de ondersteuning van organisaties die nepnieuws en desinformatie bestrijden;

22.  is van mening dat de EU moet werken aan praktische oplossingen ter ondersteuning en versterking van de democratische, onafhankelijke en gevarieerde media in de buurlanden van de EU en in de landen van de Westelijke Balkan die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU;

23.  dringt erop aan dat de EU East StratCom Task Force wordt opgewaardeerd naar een permanente structuur binnen de Europese dienst voor extern optreden, met aanzienlijk meer financiële middelen en meer personeel dan tot nu toe het geval was;

24.  wijst erop dat vanwege de complexiteit van de risico’s van electorale inmenging en desinformatiecampagnes online, de opsporing en het beheer van deze risico’s sectoroverschrijdende samenwerking vergt waarbij de bevoegde autoriteiten en belanghebbenden betrokken zijn;

25.  verzoekt de Commissie verkiezingsuitrusting als kritieke infrastructuur aan te merken om ervoor te zorgen dat in geval van een inbreuk maatregelen op grond van de NIS-richtlijn(9) kunnen worden genomen;

26.  herinnert eraan dat een aanzienlijk deel van deze kwaadwillige inmenging een inbreuk vormt op de Europese regels inzake gegevensbescherming en privacy; verzoekt de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten volledig van hun bevoegdheden gebruik te maken om inbreuken op de gegevensbescherming te onderzoeken en afschrikkende sancties op te leggen;

27.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten het vermeende illegale gebruik van de politieke ruimte online door buitenlandse staten te onderzoeken, met de steun van Eurojust;

28.  verzoekt de Commissie haar monitoring van de impact van buitenlandse inmenging in heel Europa voort te zetten en te voldoen aan de plechtige belofte van haar verkozen voorzitter Ursula von der Leyen om “de dreiging van externe bemoeienis met onze Europese verkiezingen aan te pakken”(10);

29.  verzoekt de volgende vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van de strijd tegen desinformatie een centrale doelstelling van het buitenlands beleid te maken;

30.  verzoekt de Commissie om mogelijke wetgevende en niet-wetgevende maatregelen te evalueren die kunnen leiden tot interventie door socialemediaplatforms, met als doel de door bots gedeelde inhoud systematisch te identificeren, de algoritmen te herzien om ze zo objectief mogelijk te maken, en de accounts te sluiten van personen die illegale activiteiten ontplooien die gericht zijn op het verstoren van democratische processen of aanzetten tot haatzaaiende uitingen, zonder de vrijheid van meningsuiting in het gedrang te brengen;

31.  verzoekt de Commissie en de lidstaten openbare instellingen, denktanks, ngo’s en lokale cyberactivisten, die zich bezighouden met kwesties van propaganda en desinformatie, te ondersteunen, en financiering en steun beschikbaar te stellen voor voorlichtingscampagnes die erop gericht zijn de weerbaarheid van EU-burgers tegen desinformatie te vergroten;

32.  herinnert aan de belangrijke rol van klokkenluiders als waarborg van democratie en bestuur bij het openbaar maken van informatie in het algemeen belang; verzoekt de autoriteiten van de lidstaten van de Raad van Europa een beleid inzake klokkenluiders vast te stellen en te verspreiden, met inachtneming van de 20 beginselen die in Aanbeveling CM/Rec (2014)6 zijn opgenomen; herinnert aan de onlangs vastgestelde richtlijn betreffende de bescherming van klokkenluiders;

33.  herinnert eraan dat de EU 4 175 miljoen euro beschikbaar stelt voor acties ter ondersteuning van de vrijheid van de media en de onderzoeksjournalistiek, met inbegrip van een reactiemechanisme voor schendingen van de pers- en mediavrijheid en de concrete bescherming van journalisten;

34.  is van mening dat de EU alleen door een holistische benadering van buitenlandse, autoritaire inmenging en het aanpakken van de kwetsbaarheden in alle aspecten van democratisch bestuur en instellingen, met inbegrip van Europese politieke partijen, haar democratische processen kan waarborgen;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten besprekingen te voeren met belanghebbenden en internationale partners, onder meer in internationale fora, teneinde hun acties ter bestrijding van hybride bedreigingen op te voeren;

36.  benadrukt dat de NAVO en haar expertisecentra een belangrijk instrument zijn voor Europa om de trans-Atlantische banden te versterken en de weerstand van Europa en Noord-Amerika tegen desinformatie te vergroten;

37.  verzoekt de Commissie de kwestie van buitenlandse financiering van Europese politieke partijen en stichtingen aan te pakken zonder de totstandbrenging van een Europese openbare ruimte die verder gaat dan de Europese Unie te belemmeren, en met de lidstaten een discussie op gang te brengen over deze kwesties met betrekking tot hun binnenlandse politieke partijen en stichtingen;

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en aan de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) Directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten, afdeling Wetenschappelijke Toekomstverkenningen, 15 maart 2019.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0156.
(3) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 58.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0187.
(5) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0433.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0514.
(8) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(9) Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).
(10) ‘A Union that strives for more: My agenda for Europe’, van Ursula von der Leyen – Political Guidelines for the next European Commission 2019-2024 (2019), https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/political-guidelines-next-commission_en.pdf - blz. 21.


Meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen
PDF 148kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen (2019/2833(RSP))
P9_TA(2019)0032B9-0110/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 310, 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de voorstellen van de Commissie van 2 mei 2018 over het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2021 tot 2027 en het stelsel van eigen middelen (EM) van de Europese Unie,

–  gezien zijn resoluties van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020(1), en over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(2),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen(3),

–  gezien zijn tussentijds verslag van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord(4),

–  gezien de verklaringen van de Commissie en de Raad van 10 oktober 2019 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

1.  verklaart dat het tijd is om de verwachtingen van de EU-burgers in te lossen en de politieke toezeggingen en ambities van de EU te onderbouwen met de nodige financiële middelen; is vastbesloten om voor een solide en geloofwaardig MFK te zorgen dat de EU in staat zal stellen doeltreffend in te spelen op belangrijke uitdagingen en haar politieke doelstellingen voor de komende zeven jaar te verwezenlijken; is van mening dat het resultaat van de Europese verkiezingen van 2019 de positie en de rol van het Parlement in dit proces een nieuwe legitimiteit heeft verleend; zal niet aarzelen om alle standpunten van de Raad waarin de prerogatieven van het Parlement niet worden geëerbiedigd of waarin niet naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten van het Parlement, te verwerpen;

2.  neemt deze resolutie aan om het onderhandelingsmandaat van het Parlement met betrekking tot zowel de uitgaven als de ontvangsten van het komende MFK te bevestigen en te actualiseren; dringt erop aan dat de onderhandelingen met de Raad onverwijld van start gaan, om tijdig tot een solide overeenkomst te komen, en benadrukt dat het Parlement hier al sinds november 2018 klaar voor is; verzoekt de Commissie om een noodplan voor het MFK voor te stellen dat als vangnet kan dienen ter bescherming van de begunstigden van EU-financieringsprogramma’s, waarmee het huidige MFK kan worden verlengd indien er niet op tijd overeenstemming wordt bereikt over een nieuw MFK;

Bevestiging van het duidelijke standpunt van het Parlement

3.  bevestigt zijn onderhandelingsmandaat, zoals uiteengezet in zijn tussentijds verslag over het MFK van 14 november 2018, over de bedragen van het MFK (per programma, rubriek en op globaal niveau), de eigen middelen van de EU, flexibiliteitsbepalingen, tussentijdse herziening en horizontale beginselen, zoals de integratie van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, het klimaat en de gelijkheid van mannen en vrouwen in alle beleidsmaatregelen en initiatieven in het volgende MFK, en over specifieke wijzigingen aan de voorgestelde MFK-verordening en het Interinstitutioneel Akkoord;

4.  herhaalt dat het volgende MFK moet worden vastgesteld op 1 324,1 miljard EUR in prijzen van 2018, oftewel 1,3 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU-27; benadrukt dat dit totaalbedrag het resultaat is van een bottom-upbeoordeling van het vereiste financieringsniveau voor elk EU-programma en elk EU-beleidsgebied; herinnert in dit verband aan het voornemen van het Parlement om een impuls te geven aan vlaggenschipprogramma’s (bijvoorbeeld op het gebied van jeugd, onderzoek en innovatie, de milieu- en klimaattransitie, infrastructuur, kmo’s, digitalisering en sociale rechten), om de financiering van bestaand EU-beleid daadwerkelijk te handhaven (met name cohesie, landbouw en visserij), en om extra financiële middelen te voorzien voor extra verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld op het gebied van migratie, extern optreden en defensie); is er vast van overtuigd dat de bundeling van middelen op EU-niveau om redenen van efficiëntie, solidariteit en algemene impact voor Europese meerwaarde zorgt; benadrukt in dit verband dat er bij toekomstige uitgaven meer nadruk moet worden gelegd op resultaten;

5.  benadrukt dat het Parlement niet zal instemmen met het MFK zonder een akkoord over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, met inbegrip van de invoering van een pakket nieuwe eigen middelen dat beter aansluit op de belangrijkste beleidsprioriteiten van de EU en vooruitgang op deze gebieden stimuleert; herinnert eraan dat de invoering van nieuwe eigen middelen niet alleen tot doel heeft het overwicht van op het bni gebaseerde bijdragen te verminderen, maar ook het nodige niveau van financiering van de EU-uitgaven in het volgende MFK te waarborgen; bevestigt zijn in het tussentijds verslag over het MFK uiteengezette standpunt met betrekking tot de lijst van potentiële kandidaten voor nieuwe eigen middelen (een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, een belasting op digitale diensten, een belasting op financiële transacties, inkomsten uit de regeling voor de handel in emissierechten, een belasting op plastic en een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie), de afschaffing van alle kortingen en correcties, de vereenvoudiging van de eigen middelen uit de btw, de verlaging van de nationale 'inningskosten' die worden ingehouden op douanerechten, en het opnemen in de EU-begroting van andere ontvangsten in de vorm van boetes en vergoedingen;

6.  bevestigt nogmaals dat er een nieuw mechanisme moet worden ingevoerd om de EU-begroting te beschermen wanneer de rechtsstaat niet wordt nageleefd of wanneer de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vastgelegde waarden systematisch worden bedreigd, en wanneer dit gevolgen heeft of dreigt te hebben voor de beginselen van goed financieel beheer of de bescherming van de financiële belangen van de Unie; onderstreept dat dergelijke maatregelen de verplichting van overheidsinstanties of van lidstaten tot het doen van betalingen aan uiteindelijke begunstigden of ontvangers, onverlet laten;

Reageren op nieuwe initiatieven na de Europese verkiezingen

7.  is ingenomen met de politieke toezeggingen inzake aanvullende initiatieven die de verkozen voorzitter van de Commissie na haar benoeming in juli 2019 heeft genomen, en verwacht dat de budgettaire gevolgen daarvan onverwijld worden verduidelijkt; onderstreept dat de berekeningen voor nieuwe initiatieven, waarvan sommige al in het tussentijdse verslag van het Parlement waren voorzien, bovenop de eigen voorstellen van de Commissie voor de volgende periode moeten komen, en merkt op dat de MFK-plafonds hierdoor hoger zijn dan aanvankelijk voorgesteld; verwacht bijgevolg van de Commissie dat zij in haar eerste voorstel voor een MFK formeel rekening houdt met de budgettaire gevolgen van deze initiatieven en dat zij in de komende onderhandelingen over het MFK met de Raad samen met het Parlement het vereiste niveau van financiering verdedigt;

8.  dringt aan op verdere wetgevingsvoorstellen voor de vaststelling van nieuwe instrumenten, die onmiddellijk door de nieuwe Commissie moeten worden ingediend, zodat de financiering ervan kan worden opgenomen in het akkoord over het volgende MFK; gaat ervan uit dat eventuele nieuwe initiatieven die na de goedkeuring van het MFK 2021-2027 worden voorgesteld, met nieuwe kredieten zullen worden gefinancierd;

9.  is wat de ontvangsten betreft ingenomen met de toezegging van de verkozen voorzitter om een aantal initiatieven die deel moeten uitmaken van het toekomstige pakket van nieuwe eigen middelen, weer op gang te brengen of uit te breiden; dringt er met name bij de lidstaten op aan gebruik te maken van de mogelijkheid om een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie in te voeren, dat een eerlijke manier zou zijn om te reageren op de vraag van de bevolking naar krachtdadig leiderschap in de strijd tegen de klimaatverandering en tegelijkertijd zou zorgen voor een gelijk speelveld in de internationale handel;

Een verdere stap voorwaarts in de klimaattransitie

10.  geeft nogmaals uiting aan zijn ondubbelzinnige steun voor het beginsel van klimaatmainstreaming; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het volgende MFK volledig in overeenstemming is met de Overeenkomst van Parijs, en benadrukt dat er dringend behoefte is aan een nieuwe doorbraak op het vlak van politieke en financiële inspanningen om de doelstellingen ervan te verwezenlijken en voor een eerlijke transitie naar een koolstofneutrale economie te zorgen, die gebaseerd is op de hoogst mogelijke eisen inzake sociale rechtvaardigheid, zodat geen enkel deel van de bevolking en geen enkele regio in de steek wordt gelaten; kijkt uit naar een concreet voorstel over de Europese Green Deal, zoals uiteengezet in de politieke beleidslijnen van de nieuwe voorzitter van de Commissie; verwacht dat de begrotingsmiddelen voor de volgende programmeringsperiode evenredig zullen zijn met deze ambitie, en benadrukt dat een MFK met minder middelen uiteraard een stap achteruit zou betekenen;

11.  benadrukt dat gemeenschappelijke klimaatmaatregelen op EU-niveau aanzienlijke toegevoegde waarde opleveren en daarom de kern moeten vormen van de modernisering van de EU-begroting en haar uitgavenprogramma’s; benadrukt bijgevolg, zoals uiteengezet in zijn tussentijds verslag, dat de mainstreaming van het klimaat en de biodiversiteit in het volgende MFK verder moet gaan dan het niveau van de beoogde uitgavenpercentages, en dat in de besluitvorming voor alle belangrijke programma’s en gedurende de gehele beleidscyclus rekening moet worden gehouden met de klimaatdimensie en de sociale dimensie; dringt in dit verband bovendien aan op een transparantere, striktere en alomvattender methode, met inbegrip van hervormde prestatie-indicatoren voor het vaststellen en volgen van uitgaven op het gebied van klimaat en biodiversiteit, het verhinderen van financiële steun voor schadelijke maatregelen en het monitoren van de gevolgen op middellange en lange termijn van de klimaatmainstreaming voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering; dringt erop aan dat het Parlement nauw wordt betrokken bij de opzet van een dergelijke methode;

Onmiddellijke start van interinstitutionele onderhandelingen

12.  herinnert eraan dat in artikel 312, lid 5, van het VWEU is bepaald dat de drie EU-instellingen gedurende de gehele procedure die tot de vaststelling van het MFK leidt, “alle nodige maatregelen [moeten treffen] om de vaststelling ervan te vergemakkelijken”; benadrukt het feit dat het Parlement al bijna een jaar lang klaar staat om te beginnen onderhandelen over alle aspecten van het MFK en over het pakket eigen middelen, maar dat de Raad nog altijd niet bereid is een zinvolle dialoog aan te gaan die niet beperkt blijft tot korte en formalistische briefings en debriefings in de marge van de Raad Algemene Zaken (Raad Algemene Zaken); is van mening dat dergelijke minimalistische contacten niet kunnen worden beschouwd als een vorm van bevredigende interinstitutionele samenwerking en niet beantwoorden aan de expliciete bepalingen van het Verdrag;

13.  verzoekt derhalve om een onmiddellijke intensivering van de interinstitutionele gesprekken over het MFK en de eigen middelen, met als doel de weg vrij te maken voor echte onderhandelingen, en verzoekt de Raad onverwijld zijn onderhandelingsmandaat vast te stellen; is, met het oog op goedkeuring door het Parlement, van mening dat de Raad bij het vaststellen van zijn eigen standpunt naar behoren rekening moet houden met de standpunten van het Parlement; verwacht in dit verband dat het voorzitterschap van de Raad en de Commissie de standpunten van het Parlement duidelijk kenbaar maken en toelichten aan de Raad Algemene Zaken, en eist dat het onderhandelingsteam van het Parlement alle informele bijeenkomsten van de Raad over het MFK mag bijwonen; benadrukt dat er verder specifieke trilaterale bijeenkomsten moeten plaatsvinden om de discussie over de verschillende aspecten van het MFK en de voorstellen voor de eigen middelen te verdiepen, en is van mening dat deze bijeenkomsten de bestaande briefings en debriefings van de Raad Algemene Zaken moeten aanvullen; verwacht voorts dat er vergaderingen op hoog niveau worden belegd tussen de voorzitters van de instellingen, in overeenstemming met artikel 324 van het VWEU;

Veiligstelling van de prerogatieven van het Parlement

14.  neemt kennis van de methode van de Raad voor het opstellen van onderhandelingspakketten voor het MFK; vreest echter dat de Raad hiermee ook probeert om de Europese Raad een leidende rol toe te kennen bij het nemen van definitieve beslissingen over verschillende aspecten van het volgende MFK, zoals het geval was in de procedure die is voorafgegaan aan de vaststelling van het huidige MFK; benadrukt dat het Parlement niet door de Europese Raad voor voldongen feiten wil worden geplaatst en niet pro forma zal instemmen met beslissingen van de Europese Raad, en onderstreept dat het Parlement bereid is zijn goedkeuring op te schorten tot er een bevredigende overeenkomst is bereikt;

15.  onderstreept dat deze onderhandelingspakketten niet alleen onderdelen van de MFK-verordening omvatten, waarvoor het Parlement zijn goedkeuring moet geven, maar ook een aanzienlijk aantal wettelijke bepalingen betreffende het sectorale beleid van de EU, waarover volgens de gewone wetgevingsprocedure moet worden beslist; is daarom van mening dat dergelijke onderhandelingspakketten niets meer zijn dan een interne Raadsprocedure die het Parlement geenszins mag beletten om daadwerkelijke onderhandelingen te voeren over alle onderdelen van het MFK-pakket en de sectorale wetgeving; dringt er daarom bij de Raad op aan onderhandelingen met het Parlement te openen over alle aspecten van de sectorale wetgeving waarmee de nieuwe EU-programma’s tot stand worden gebracht, alsook over het voorstel inzake de rechtsstaat;

16.  herinnert eraan dat de conclusies van de Europese Raad een politiek karakter hebben en dat artikel 15, lid 1, van het VEU de Europese Raad verbiedt wetgevende functies uit te oefenen; verzoekt de Europese Raad dan ook om zich te onthouden van het aannemen van gedetailleerde en zogezegd bindende conclusies op basis van MFK-onderhandelingspakketten, aangezien dit neerkomt op directe inmenging in de wetgeving; rekent op de Commissie, als een eerlijke bemiddelaar en als hoedster van de Verdragen, om het Parlement te steunen bij de uitoefening van zijn wetgevende prerogatieven in het kader van zowel de goedkeuringsprocedure als de gewone wetgevingsprocedure;

Een vangnet ter bescherming van de begunstigden van EU-programma’s: opstelling van een noodplan voor het MFK

17.  betreurt dat de Europese Raad het tijdsbestek voor het nemen van een politiek besluit al meermaals heeft verlengd; vreest dat er een duidelijk risico bestaat, indien de Raad en de Europese Raad nog meer vertraging veroorzaken zonder het Parlement bij hun werkzaamheden te betrekken, dat de uitermate complexe onderhandelingen niet voor het einde van het huidige MFK zullen kunnen worden afgerond; herinnert aan de ernstige vertragingen met betrekking tot de start van bepaalde EU-programma’s die zich hebben voorgedaan als gevolg van de laattijdige vaststelling van het huidige MFK, en wijst erop dat dit in het verleden al vaker is gebeurd;

18.  herinnert eraan dat, indien er niet tijdig een nieuw MFK komt, artikel 312, lid 4, van het VWEU voorziet in een vangnet in de vorm van een tijdelijke verlenging van de plafonds en andere bepalingen van het laatste jaar van het huidige kader; maakt zich echter zorgen over het feit dat een dergelijk vangnet kan worden ondermijnd door een gebrek aan paraatheid op operationeel niveau, enerzijds, en door de aflooptermijnen die voor sommige van de huidige EU-programma’s gelden, anderzijds; waarschuwt in dit verband tegen de stopzetting van EU-programma’s en waarschuwt niet te willen gedwongen worden om wegens tijdsdruk in te stemmen met een slechte overeenkomst;

19.  dringt er daarom bij de Commissie op aan onmiddellijk te beginnen met de opstelling van een noodplan voor het MFK, met als doel begunstigden te beschermen en de continuïteit van de financiering te waarborgen indien het huidige MFK moet worden verlengd; vraagt dat de Commissie begin 2020 een dergelijk noodplan voorlegt, zodat de Raad en het Parlement het snel kunnen goedkeuren; dringt erop aan dat dit plan een horizontaal wetgevingsvoorstel omvat om de in de desbetreffende programma’s vastgestelde termijnen op te heffen, teneinde te zorgen voor samenhang met artikel 312, lid 4, van het VWEU, en dat het plan concrete operationele bepalingen bevat, met name voor de voortzetting van beleidsmaatregelen onder gedeeld beheer;

o
o   o

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Raad en de Commissie.

(1) PB C 162 van 10.5.2019, blz. 51.
(2) PB C 162 van 10.5.2019, blz. 71.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0226.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.


Werkgelegenheids- en sociaal beleid in het eurogebied
PDF 180kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de eurozone (2019/2111(INI))
P9_TA(2019)0033A9-0016/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3 en 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 9, 145, 148, 149, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 158, 165, 166, 174 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name titel IV (solidariteit),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG’s), met name de doelstellingen 1, 3, 4, 5, 8, 10 en 13,

–  gezien het pakket sociale-investeringsmaatregelen van de Commissie van 2013,

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015(2), getiteld "De voltooiing van Europa’s Economische en Monetaire Unie",

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 14 mei 2018 over het economisch beleid van de eurozone(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 juni 2019 getiteld "Verdieping van Europa’s economische en monetaire unie: een balans vier jaar na het verslag van de vijf voorzitters – Bijdrage van de Europese Commissie aan de Eurotop op 21 juni 2019" (COM(2019)0279),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 juni 2019 getiteld "Europees semester 2019: landspecifieke aanbevelingen" (COM(2019)0500),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 27 februari 2019 voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2019)0151), en het desbetreffende standpunt van het Parlement van 4 april 2019(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 november 2018 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2019: Voor een sterker Europa bij mondiale onzekerheid" (COM(2018)0770),

–  gezien het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad dat op 15 maart 2019 werd goedgekeurd,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 21 november 2018 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2018)0759),

–  gezien het verslag van de Commissie van 21 november 2018 getiteld "Waarschuwingsmechanismeverslag 2019" (COM(2018)0758),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 november 2018 getiteld "Ontwerpbegrotingsplannen 2019: Algemene beoordeling" (COM(2018)0807),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 22 november 2017 voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2017)0677), en het desbetreffende standpunt van het Parlement van 19 april 2018(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 inzake de oprichting van een Europese pijler van sociale rechten (COM(2017)0250),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld "Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen" (COM(2017)0252),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad van 13 maart 2018 met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen (COM(2018)0132),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 getiteld "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020" (COM(2011)0173) en de daaropvolgende uitvoerings- en evaluatieverslagen,

–  gezien Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad(7),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 april 2017, getiteld "Taking stock of the 2013 Recommendation on "Investing in children: breaking the cycle of disadvantage"" (Balans van de aanbeveling uit 2013 “Investeren in kinderen: de cyclus van benadeling doorbreken”) (SWD(2017)0258),

–  gezien het document "Strategic Engagement for Gender Equality 2016-2019" (strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019) van de Commissie, en het Europees pact voor gendergelijkheid 2011-2020 en de conclusies daarover van de Raad van 7 maart 2011(8),

–  gezien de Barcelona-kinderopvangdoelstellingen van 2002 om in 2010 voor minimaal 90 % van de kinderen tussen de drie jaar en de leerplichtige leeftijd en voor minstens 33 % van de kinderen onder de drie jaar voor kinderopvang te zorgen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2016)0604),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan" (COM(2016)0581),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien het pakket circulaire economie (Richtlijnen (EU) 2018/849(9), (EU) 2018/850(10), (EU) 2018/851(11) en (EU) 2018/852)(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2016 getiteld "Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten" (COM(2016)0127) en de bijlagen hierbij,

–  gezien het witboek van de Commissie van 16 februari 2012 getiteld "Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen" (COM(2012)0055),

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over de bevordering van de sociale economie als centrale motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa,

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2019 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2019(13),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2018 over onderwijs in het digitale tijdperk: uitdagingen, kansen en lessen voor de ontwikkeling van EU-beleid(14),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de eurozone(15),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over trajecten voor de re-integratie van werknemers die herstellen van letsel of ziekte in een hoogwaardige baan(16),

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren(17),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over beleid ter garantie van een minimuminkomen als instrument om de armoede te bestrijden(18),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(19),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(20),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(21),

–  gezien zijn standpunt van 2 februari 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het voorkomen en tegengaan van zwartwerk(22),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020(23),

–  gezien het initiatief van de OESO en de Europese Commissie over "State of Health in the EU"(24) en het daarmee verband houdende rapport "Health at a glance: Europe 2018"(25),

–  gezien het verslag van de Commissie van 26 april 2018 getiteld "Pension Adequacy Report: Current and future income adequacy in old age in the EU" (verslag over de toereikendheid van de pensioenen: huidige en toekomstige toereikendheid van het inkomen van ouderen in de EU),

–  gezien het verslag van de Commissie van 28 mei 2018 getiteld "The 2018 Ageing Report: Economic and Budgetary Projections for the EU Member States (2016-2070)" (het vergrijzingsverslag 2018 met economische en budgettaire projecties voor de EU-lidstaten (2016-2070)),

–  gezien het (herziene) Europees Sociaal Handvest en het Proces van Turijn, dat in 2014 werd gelanceerd met als doel het verdragsysteem van het Europees Sociaal Handvest binnen de Raad van Europa te versterken en het nauwer te laten aansluiten bij het recht van de Europese Unie(26),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over vermindering van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU(27),

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap van september 2015 over het initiële verslag van de Europese Unie aan het Comité van juni 2014,

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (de richtlijn gelijke behandeling)(28), en artikel 41 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (1992) betreffende het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid,

–  gezien het document "Strategic Engagement for Gender Equality 2016-2019” en het daarin verwoorde doel van het dichten van de genderkloof op het gebied van pensioenen als een van de voornaamste prioriteiten, en het verslag van de Commissie over toereikende pensioenen,

–  gezien de EU-strategie voor jongeren 2019-2027, die is gebaseerd op de resolutie van de Raad van 26 november 2018, en de doelstelling van Europa 2020 inzake het terugdringen van het aantal vroegtijdige school- en opleidingsverlaters tot minder dan 10 %,

–  gezien speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer van april 2017 getiteld "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief",

–  gezien de Employment Outlook-rapporten van de OESO voor de jaren 2018 en 2019,

–  gezien de Europese toegankelijkheidswet,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 9 april 2019 over het economisch beleid van de eurozone (2019/C 136/01),

–  gezien het jaarlijks overzicht van 2019 van de Commissie van de werkgelegenheid en de sociale ontwikkelingen in Europa,

–  gezien het verslag van 2019 van de Commissie over armoede onder werkenden,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 2018 met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen,

–  gezien Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie(29),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9-0016/2019),

A.  overwegende dat de arbeidsmarktomstandigheden in de EU blijven verbeteren, vooral dankzij de lange periode van gunstige internationale economische omstandigheden; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad verder is gestegen en in het laatste kwartaal van 2018 een recordhoogte van 73,5 % bereikte, wat overeenkomt met 240,7 miljoen mensen met een baan; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad in de eurozone is gestegen van 66,5 % in 2017 naar 67,4 % in 2018; overwegende dat er tussen de lidstaten, regio’s en bevolkingsgroepen nog altijd verschillen zijn wat betreft arbeidsparticipatie; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad steeds minder snel stijgt en er verwacht wordt dat deze trend zich zal doorzetten; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad, als deze ontwikkelingen zich doorzetten, in 2020 op 74,3 % zal liggen;

B.  overwegende dat de uitdagingen op lange termijn, zoals de vergrijzing van de bevolking, de digitalisering en de gevolgen daarvan voor de arbeid, de klimaatverandering en het niet-duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen, urgent blijven;

C.  overwegende dat de arbeidsparticipatie onder werkenden boven de 55 jaar sterk is gestegen; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad van werknemers tussen de 55 en 64 jaar in de eurozone met 58,8 % nog steeds duidelijk beneden het gemiddelde ligt; overwegende dat vooral vrouwen in deze leeftijdscategorie met 52,9 % een lagere participatiegraad hebben; overwegende dat volgens bevolkingsprognoses het aantal oudere werknemers zal toenemen; overwegende dat demografische veranderingen gevolgen hebben voor pensioen-, gezondheidszorg- en langdurige-zorgstelsels;

D.  overwegende dat er efficiënt beleid nodig is om de verschillende vormen van werk te bestrijken en werknemers adequaat te beschermen tegen misbruik, discriminatie en armoede;

E.  overwegende dat werkende armen een aanzienlijk deel van de werkende bevolking uitmaken; overwegende dat 9,4 % van alle mensen met een baan in 2017 met het risico van armoede werden geconfronteerd, terwijl 20,5 miljoen werkenden onderdeel uitmaakten van huishoudens met datzelfde risico; overwegende dat voor bepaalde categorieën van de bevolking, met name mensen die in deeltijd werken, zelfstandigen, tijdelijk werkenden, jongeren, minder opgeleiden en alleenstaande ouders, het risico om een werkende arme te worden veel hoger is en dat dit risico in de afgelopen jaren in sommige gevallen aanzienlijk gestegen is;

F.  overwegende dat de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen in 2018 11,6 % procentpunten bedroeg en sinds 2013 bijna onveranderd is gebleven; overwegende dat vrouwen in de Unie gemiddeld 16 % minder verdienen dan mannen, hoewel tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan; overwegende dat de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen in de EU-28 ongeveer 37,2 % bedraagt voor gepensioneerden tussen de 65 en 79 jaar; overwegende dat in de EU de zorgtaken tussen mannen en vrouwen nog steeds ongelijk verdeeld zijn;

G.  overwegende dat het in de eerste plaats de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van de jeugdwerkloosheid, namelijk door een regelgevingskader voor de arbeidsmarkt, onderwijs- en opleidingsstelsels en een actief arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen en toe te passen;

H.  overwegende dat het totale aantal gewerkte uren sinds 2013 langzaam maar zeker toeneemt; overwegende dat het aandeel permanente en voltijdse werknemers blijft toenemen, terwijl het aandeel parttimewerkers afneemt in 2018; overwegende dat het aandeel tijdelijke werknemers in de EU is gestegen van 15 % in 2002 naar 19 % in 2017, en dat deeltijdwerk in 2017 in de EU veel meer voorkwam onder vrouwen (31 %) dan onder mannen (8 %); overwegende dat het aantal onvrijwillige deeltijdwerkers nog steeds zeer hoog is met 1,3 miljoen meer deeltijdwerkers dan in 2008; overwegende dat het percentage tijdelijke werknemers in de EU is gestegen van 11 % in 2002 naar 13 % in 2017;

I.  overwegende dat andere lidstaten worden geconfronteerd met structurele uitdagingen op de arbeidsmarkt zoals een lage participatie, mismatches in vaardigheden en kwalificaties; overwegende dat er een stijgende behoefte is aan concrete maatregelen voor de integratie of re-integratie van inactieven om tegemoet te komen aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

J.  overwegende dat de werkloosheidsgraad in juni 2019 in de EU naar 6,3 % en in de eurozone naar 7,5 % is gedaald; overwegende dat de werkloosheidsgraad onder zowel mannen als vrouwen is gedaald; overwegende dat er tussen de lidstaten nog altijd grote verschillen bestaan wat betreft de werkloosheidscijfers en dat de spreiding van de werkloosheidspercentages tussen nationale en subnationale gebieden sedert 2007 is toegenomen; overwegende dat de jeugdwerkloosheid nog altijd onaanvaardbaar hoog is met 14,2 % in april 2019 (gemiddeld 15,2 % in de EU in 2018 en gemiddeld 16,9 % in de eurozone in 2018), maar lager ligt dan in de periode vóór de crisis in 2008; overwegende dat er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan; overwegende dat gemiddeld elke tweede werkloze werkzoekende meer dan 12 maanden zonder werk is geweest en dat het percentage langdurig werklozen met 3,8 % nog steeds boven het niveau van vóór de crisis van 2,9 % ligt; overwegende dat de werkloosheid bijzonder hoog blijft voor mensen met een handicap;

K.  overwegende dat volgens Eurostat in 2017 in de EU-28 8,973 miljoen gedeeltelijk werklozen deeltijdwerkers waren; overwegende dat daarnaast 8,127 miljoen mensen konden werken, maar niet naar een baan zochten, en dat nog eens 2,289 miljoen mensen naar een baan zochten zonder dat zij binnen een korte termijn konden beginnen te werken; overwegende dat dit erop neerkomt dat in 2017 in de EU-28 in totaal 19,389 miljoen mensen in een situatie vergelijkbaar met werkloosheid verkeerden zonder dat zij in de werkloosheidscijfers werden meegeteld, hetgeen ongeveer hetzelfde aantal is als het aantal mensen die als werkloos werden beschouwd (18,776 miljoen);

L.  overwegende dat er nog steeds sprake is van horizontale en verticale arbeidsmarktsegmentatie en werkende armen, met negatieve gevolgen voor met name vrouwen, laagopgeleiden, jongeren en ouderen, mensen met een handicap, mensen met een migratieachtergrond en nationale, taalkundige, etnische en seksuele minderheden; overwegende dat in 2016 de arbeidsparticipatiegraad van mensen met een handicap met 48,1 % veel lager lag dan de gemiddelde arbeidsparticipatiegraad;

M.  overwegende dat jongeren, alleenstaande ouders, mantelzorgers, langdurig zieken, mensen met een handicap of gezondheidsproblemen, migranten en mensen uit etnische en religieuze minderheden die nog steeds stuiten op specifieke belemmeringen in de toegang tot werk en in alle fasen van hun carrière te maken hebben met discriminatie, onevenredig door langdurige werkloosheid worden getroffen;

N.  overwegende dat hoogwaardige banen een belangrijke factor zijn in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting; overwegende dat alle leden van de samenleving die het verst van de arbeidsmarkt verwijderd zijn en risico op armoede en sociale uitsluiting lopen, moeten worden bereikt;

O.  overwegende dat de vacaturegraad blijft stijgen en dat de discrepantie tussen de vraag en aanbod op de arbeidsmarkt in veel lidstaten nog steeds een belangrijke oorzaak van werkloosheid blijft; overwegende dat de structurele discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het structureel tekort aan vakmensen zich in veel sectoren doen voelen, bijvoorbeeld in het toerisme, de traditionele ambachten en de ICT-sector, waar de kloof tussen vraag en aanbod van specialisten in de EU naar verwachting tegen 2020 tot ongeveer 500 000 zal stijgen; overwegende dat ongeveer 39 % van de werkenden in de EU 'vastzitten' in kwalitatief laagwaardige banen waar ze overgekwalificeerd voor zijn, ondanks de zorgen omtrent de toenemende discrepantie en kloof tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden;

P.  wijst erop dat volgens schattingen van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) de verdeling van vaardigheden bij de beroepsbevolking in 2017 grotendeels overeenstemde met de kwalificatievereisten van de arbeidsmarkt en dat het arbeidsaanbod voor alle kwalificatietypes hoger was dan de vraag, en met name zeer hoog was voor lage en gemiddelde kwalificaties; overwegende dat de vraag naar hoogopgeleide werknemers waarschijnlijk zal blijven stijgen, en dat uit de meest recente prognoses van het Cedefop blijkt dat tussen 2017 en 2025 meer dan 13 miljoen banen zullen worden gecreëerd waarvoor hoogopgeleiden nodig zijn, terwijl bijna 6 miljoen banen voor laagopgeleiden zullen verdwijnen;

Q.  overwegende dat de prognoses van het Cedefop tot 2025 een gelijktijdige toename aan vaardigheden, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde, te zien geven, maar dat het aanbod aan vaardigheden naar verwachting iets sneller zal toenemen dan de vraag naar vaardigheden; zo zal bijvoorbeeld het aandeel van de beroepsbevolking met slechts een diploma lager of lager middelbaar onderwijs naar verwachting dalen van 20,2 % in 2017 naar 16,8 % in 2025, terwijl het aandeel banen voor mensen met lage kwalificaties naar verwachting zal dalen van 18,4 % naar 15,4 %, maar deze gelijktijdige ontwikkeling verhindert geen potentiële discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden, zoals overkwalificering;

R.  overwegende dat de arbeidsmarkt zeer versnipperd is en dat elk segment zijn eigen specifieke kenmerken heeft;

S.  overwegende dat meer dan één op de vijf Europeanen met het risico van armoede en sociale uitsluiting wordt geconfronteerd; overwegende dat enige vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de doelstelling inzake het terugdringen van de armoede van de Europa 2020-strategie, met een vermindering van 5,6 miljoen armen sedert 2008, maar dat de doelstelling om tegen 2020 ten minste 20 miljoen mensen voor armoede te behoeden nog lang niet is bereikt met 113 miljoen mensen die nog steeds het risico lopen arm te worden; overwegende dat we hogere armoedeniveaus zien onder kwetsbare groepen zoals kinderen, alleenstaande ouders, mensen met een handicap en mensen met chronische lichamelijke en geestelijke aandoeningen, migranten, Roma en etnische minderheden, langdurig werklozen en daklozen; overwegende dat de armoede onder werkenden snel toeneemt (9,6 %) en dat de armoede- en ongelijkheidskloof in de EU steeds breder wordt; overwegende dat sociale overdrachten (andere dan pensioenen) een grote invloed hebben op de terugdringing van de armoede in veel lidstaten, met gemiddeld 32,4 % in 2017; overwegende dat deze invloed sinds 2010 elk jaar (behalve in 2013) afneemt en de verschillen tussen de lidstaten groot zijn);

T.  overwegende dat universele toegang tot hoogwaardige en betaalbare huisvesting en gezondheidszorg een basisbehoefte van de samenleving is;

U.  overwegende dat er nog steeds mensen zijn die buiten de stelsels van sociale zekerheid vallen en geen toegang hebben tot diensten; overwegende dat er nieuwe vormen van werk zijn ontstaan, waaronder platformarbeid en werk anders dan in loondienst; overwegende dat de sociale zekerheid van oudsher gericht is op het beschermen van mensen met een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbeperkte duur, en dus moet worden aangepast; overwegende dat met name atypische werknemers vaak geen volledige toegang tot sociale bescherming hebben en veel zelfstandigen geen of slechts gedeeltelijke sociale bescherming genieten; overwegende dat er nog steeds schijnzelfstandigheid bestaat, die leidt tot onzekerheid, ongewisheid en onzekerheid, waar met name kwetsbare groepen door worden getroffen; overwegende dat het gebrek aan toegang tot sociale bescherming slecht is voor het welzijn van de werkenden en voor de werking van de arbeidsmarkten;

V.  overwegende dat de EU-jeugdgarantie verder moet worden verbeterd langs de lijnen van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer, teneinde ondersteuning te bieden aan alle jongeren die niet werken en geen onderwijs of een opleiding volgen (NEET’s);

W.  overwegende dat er discrepanties in levensverwachting bestaan al naargelang de sociale en economische status; overwegende dat deze discrepanties grotendeels een afspiegeling vormen van de verschillen in blootstelling aan risicofactoren (ook op het werk), waarbij huishoudens met lage inkomens waarschijnlijk vaker berichten dat zij onvervulde gezondheidsbehoeften hebben dan huishoudens met hoge inkomens; overwegende dat het derhalve belangrijk is de gezondheid verder te bevorderen en in het sociaal en werkgelegenheidsbeleid op te nemen;

X.  overwegende dat intermediaire niveaus van collectieve onderhandelingen lijken te leiden tot een compactere loonstructuur; overwegende dat de uitholling van collectieve onderhandelingen in een aantal lidstaten samenviel met de toename van lage lonen (werknemers die minder dan twee derde van het gemiddelde loon ontvangen);

Y.  overwegende dat een goede geestelijke gezondheid een essentieel onderdeel van het individuele welzijn vormt; overwegende dat meer dan een op de zes mensen in de lidstaten van de EU in 2016 te kampen hadden met een geestelijkgezondheidsprobleem; overwegende dat mensen die verklaren chronisch depressief te zijn in alle lidstaten veel minder vaak een baan hebben;

Z.  overwegende dat de totale kosten van psychische aandoeningen in de EU op meer dan 600 miljard EUR geraamd worden, dat wil zeggen meer dan 4 % van het bbp;

AA.  overwegende dat het bruto besteedbaar inkomen van huishoudens per hoofd van de bevolking in 2017 hoger lag dan vóór de crisis van 2008 in de eurozone, hoewel er acht lidstaten en veel regio’s waren waarvoor dit niet gold; overwegende dat de totale gezinsinkomens langzamer gestegen zijn dan het bbp, waaruit blijkt dat de inkomensstijgingen als gevolg van het herstel de huishoudens slechts in beperkte mate hebben bereikt en hetgeen doet vermoeden dat de recente groei niet inclusief is; overwegende dat de reële gemiddelde lonen in vele lidstaten nog steeds achterblijven bij de niveaus van vóór de crisis en dat de groei ervan in 2017 lager lag dan de groei van de productiviteit; overwegende dat de inkomensongelijkheid vaak verband houdt met ongelijke kansen bij de toegang tot onderwijs, opleiding en sociale bescherming;

AB.  overwegende dat volgens de Eurobarometer 2018 de burgers van de EU zich het meest zorgen maken over de sociaal-economische situatie en milieukwesties;

AC.  overwegende dat mondiale ontwikkelingen zoals de digitalisering en de ecologische transitie de noodzaak onderstrepen van een gemeenschappelijk aanpak door de EU; overwegende dat deze mondiale uitdagingen regio’s en gebieden op uiteenlopende wijze treffen; overwegende dat de rol van de sociale dialoog, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld van cruciaal belang is voor een inclusieve transitie; overwegende dat de betrokkenheid van de sociale partners bij de beleidsvorming in veel lidstaten nog steeds gering is;

AD.  overwegende dat de economische sectoren die zorgen voor bijna 90 % van de totale CO2-uitstoot ongeveer 25 % van de beroepsbevolking in de EU tewerkstellen; overwegende dat de omscholing van deze beroepsbevolking een belangrijk deel uitmaakt van de transitie naar een duurzame economie;

AE.  overwegende dat een ambitieus klimaatbeleid banen en groei genereert, en positieve gevolgen voor het welzijn heeft; overwegende dat volgens prognoses de volledige tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs in de EU tegen 2030 1,2 miljoen extra banen genereert, naast de 12 miljoen reeds verwachte nieuwe banen;

AF.  overwegende dat slechts 9 % van de landspecifieke aanbevelingen 2011‑2018 volledig ten uitvoer zijn gelegd, dat bij 17 % aanzienlijke vooruitgang, bij 44 % enige vooruitgang, bij 25 % slechts beperkte vooruitgang en bij 5 % geen enkele vooruitgang is geboekt;

AG.  overwegende dat de Commissie in 2019 aan 15 lidstaten aanbevelingen heeft gedaan ter verbetering van de doeltreffendheid, toegankelijkheid en duurzaamheid van de gezondheidszorg;

AH.  overwegende dat de gemiddelde huisvestingskosten en financiële overbelasting in de EU zijn teruggelopen, maar dat de schaarste aan adequate en betaalbare woningen in veel lidstaten nog steeds een groeiend probleem is; overwegende dat in 2017 een op de tien Europeanen 40 % of meer van het gezinsinkomen aan huisvesting besteedde;

AI.  overwegende dat een goed functionerende sociale dialoog van essentieel belang is voor de Europese sociale markteconomie, omdat deze de sociale samenhang versterkt en de conflicten in de samenleving beperkt, tot wederzijds voordeel van werknemers, werkgevers en regeringen; overwegende dat de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen van doorslaggevend belang zijn voor het ontwikkelen en uitvoeren van beleid waarmee de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden kunnen worden verbeterd;

AJ.  overwegende dat maatschappelijke organisaties een essentiële bijdrage leveren aan diensten op het gebied van inclusie en zorgen voor de inbreng van een breed waaier aan standpunten in de beleidsvorming;

1.  merkt op dat de economische situatie in de EU op dit moment weliswaar gunstig is en dat de totale werkgelegenheid gestaag toeneemt, maar dat het van essentieel belang blijft de jeugdwerkloosheid, alsmede de problemen van NEET’s snel aan te pakken, en dat er op het gebied van de langdurige werkloosheid, segmentatie van en ongelijkheden op de arbeidsmarkt, de inclusie van kwetsbare groepen, armoede onder werkenden en productiviteit, in het bijzonder in de context van een potentiële wereldwijde economische vertraging of recessie, nog steeds behoefte is aan verbetering; betreurt ten zeerste dat de reële loongroei op het niveau van de EU achterblijft bij de verwachtingen gezien de positieve economische en arbeidsmarktprestaties; verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren voor een Europees systeem van herverzekering van werkloosheidsuitkeringen, om burgers te beschermen en de druk op de overheidsfinanciën in het geval van externe schokken te reduceren;

2.  neemt kennis van de landspecifieke aanbevelingen voor 2019 van de Commissie en is ingenomen met de sterkere nadruk op investeringen; merkt op dat aan bijna een derde van de landspecifieke aanbevelingen die tot 2018 zijn verschenen, geen uitvoering is gegeven; merkt op dat wat de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen met betrekking tot wetgeving op het gebied van arbeidsverhoudingen en ontslagbescherming betreft aanzienlijke vooruitgang is geboekt; is evenwel bezorgd over het feit dat met name de tenuitvoerlegging van de landspecifieke aanbevelingen inzake gezondheid en langdurige zorg bijzonder traag is geweest en over het gegeven dat de verbetering ten aanzien van de aanbevelingen in kwestie voor 2018 minder voorspoedig verloopt dan in eerdere jaren, en spoort de Commissie aan de nodige druk uit te oefenen op de lidstaten, ongeacht de vraag of zij al dan niet deel uitmaken van de eurozone, om uitvoering te geven aan de aanbevelingen; is van oordeel dat de implementatie van toekomstgerichte hervormingen cruciaal is voor het versterken van het groeipotentieel van de EU-economie, het aanzwengelen van sociale inclusie, en het verbeteren van de sociale rechten en het welzijn van alle inwoners van de Unie;

3.  doet een beroep op de lidstaten de aanbevelingen te volgen om de belastingdruk op arbeid te verleggen naar andere factoren die minder schadelijk zijn voor duurzame groei;

4.  merkt op dat er met betrekking tot arbeid nog steeds aanzienlijke verschillen zijn tussen landen, regio’s en bevolkingsgroepen, waardoor landen, regio’s en bevolkingsgroepen ontstaan wier voornaamste of zelfs enig concurrentievoordeel op de arbeidsmarkt van de EU bestaat in lage lonen en/of slechte arbeidsomstandigheden; beklemtoont dat de lidstaten en de Commissie moeten zorgen voor de uitvoering van een speciaal werkgelegenheidsbeleid teneinde de belemmeringen en moeilijkheden aan te pakken waarmee regio’s worden geconfronteerd die demografische handicaps hebben, zoals ontvolkte of dunbevolkte regio’s, waarbij vooral de nadruk wordt gelegd op de landbouwsector, teneinde zijn capaciteit te vergroten om banen en toegevoegde waarde te creëren in plattelandsgebieden; is van mening dat de arbeidsparticipatie en de inkomens omhoog moeten, en er meer goede banen moeten worden gecreëerd, teneinde de Europa 2020-doelstelling van een arbeidsparticipatiegraad van ten minste 75 % te verwezenlijken;

5.  betreurt het feit dat in veel lidstaten het bruto besteedbaar inkomen van huishoudens per hoofd van de bevolking nog steeds onder het niveau van voor de crisis van 2008 ligt; dringt er bij de lidstaten op aan meer te doen om de ongelijkheden terug te dringen;

6.  beklemtoont het belang van goed ontworpen beleid voor en hervormingen van de arbeidsmarkten die tot kwalitatief hoogwaardige banen leiden door middel van het vaststellen van maatregelen ter waarborging van adequate minimumlonen en een billijke beloning, bescherming en bevordering van de gezondheid en het welzijn van werknemers, het prioriteren van de reïntegratie van werklozen, het bevorderen van gelijke kansen en de gelijke behandeling en de rechten van werknemers, waaronder in de publieke sector, het faciliteren van gelijke toegang tot de arbeidsmarkt, sociale bescherming voor eenieder en arbeidsmobiliteit, het mede in overweging nemen van plattelands- en geïsoleerde regio’s, en het aanpakken van de ongelijkheid en het genderonevenwicht;

7.  is zeer bezorgd over het erg hoge niveau van de jeugdwerkloosheid in een aantal lidstaten, en over de kwetsbaarheid van jongeren die net tot de arbeidsmarkt zijn toegetreden; doet een beroep op de lidstaten en de Commissie om van de strijd tegen jeugdwerkloosheid hun prioriteit te maken en volledig gebruik te maken van financiële instrumenten, zoals de jongerengarantie, EU-programma’s zoals Erasmus+, en doelgerichte maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid en ter bevordering van de jongerenwerkgelegenheid; betreurt ten zeerste dat veel Europeanen onvrijwillig in deeltijd werken; constateert dat dit nadelige gevolgen voor hun sociale bescherming heeft;

8.  merkt op dat de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt verder toeneemt, maar stelt met bezorgdheid vast dat de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen sinds 2013 bijna onveranderd is gebleven en dat de kloof tussen mannen en vrouwen met betrekking tot arbeid en loon groot blijft; stelt met bezorgdheid vast dat vrouwen in de lager betaalde sectoren oververtegenwoordigd zijn en vaker banen hebben waarvoor zij overgekwalificeerd zijn; stelt vast dat slechts een paar lidstaten maatregelen hebben genomen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen aan te pakken; spoort alle lidstaten aan om meer te doen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen, de genderpensioenkloof, alsook de andere factoren die mensen ervan weerhouden de arbeidsmarkt op te gaan, te verkleinen verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren voor een richtlijn inzake loontransparantie om de loonkloof tussen mannen en vrouwen snel te dichten;

9.  betreurt ten zeerste dat de streefcijfers van Barcelona inzake de beschikbaarheid van kinderopvang ten belope van 90 % voor kinderen tussen 3 jaar en de leerplichtige leeftijd niet zullen worden gehaald; dringt er bij alle lidstaten op aan hun inspanningen te vergroten om de balans tussen privéleven en werk te verbeteren en toegang te bieden tot betaalbare kinderopvang, opvang voor de jongste kinderen, en totfaciliteiten voor langdurige zorg; verzoekt de lidstaten de opleiding en de arbeidsomstandigheden in deze diensten (waaronder in de gezondheidszorg) te verbeteren; verzoekt de lidstaten de onlangs aangenomen richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers volledig en snel ten uitvoer te leggen, en meer mannen ertoe aan te zetten betaald verlof om gezinsredenen te nemen;

10.  neemt nota van de landenspecifieke aanbevelingen betreffende de totstandbrenging van een open, concurrerende en dynamische interne markt, hetgeen cruciaal is voor het stimuleren van de productiviteit, het bevorderen van groei en het bieden van kansen op een baan; onderstreept in dit verband het belang van een eerlijke verdeling van de welvaartsgroei; doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om de productiviteit te stimuleren via hervormingen waarmee onnodige regelgeving wordt weggenomen; beklemtoont het feit dat investeringen in gezondheid en veiligheid op het werk niet alleen de kwaliteit van werk en het welzijn van werkenden ten goede komen, maar ook een positief effect hebben op de productiviteit en het concurrentievermogen van de Europese economie;

11.  geeft aan dat het belangrijk is de strijd aan te binden met leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld door het dichten van de kloof tussen jongere en oudere generaties, het vergroten van de kennis van de richtlijn voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(30), waaronder in de publieke sector, het waarborgen van toegang tot kansen voor levenslang leren middels op maat gesneden cursussen en opleidingen, het aanpakken van de pensioenkloof, en het bevorderen van mobiliteit en van programma’s voor de uitwisseling van vaardigheden voor oudere EU-burgers; constateert dat oudere en laagopgeleide werknemers minder geneigd zijn om deel te nemen aan programma's voor een leven lang leren; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen op te voeren om deze trend om te buigen; is van mening dat meer aandacht moet worden besteed aan oudere werknemers en aan beleid dat meer steun verleent voor en een levenslang actieve samenleving mogelijk maakt, waarbij vooral aandacht wordt besteed aan werknemers die ouder zijn dan 50 jaar;

12.  beklemtoont het belang van het aanpakken van de discriminatie van etnische groepen op de arbeidsmarkt, en van het dichten van de etnische belonings- en pensioenkloof; verzoekt de Commissie een strategie op de lange termijn uit te werken voor de integratie van etnische minderheden op de arbeidsmarkt, teneinde het risico van uitsluiting te verminderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen te intensiveren ter bestrijding van discriminatie op basis van etnische afkomst, het behoren tot een minderheid of het spreken van een minderheidstaal door een betere bewustwording, het toepassen van strategieën inzake diversiteit, en het verzamelen en analyseren van betrouwbare uitgesplitste data over discriminatie;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten intensiever te streven naar verdere integratie in het arbeidsproces van mensen die het verst van de arbeidsmarkt staan, zoals alleenstaande ouders, mantelzorgers, mensen met een langdurige ziekte, handicap, gezondheidsproblemen of complexe chronische aandoeningen, migranten en vluchtelingen, en mensen uit etnische en religieuze minderheden, alsmede naar een betere integratie van deze mensen in de samenleving;

14.  is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt in het kader van de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 en met name met Richtlijn (EU) 2019/882 inzake toegankelijkheid(31); onderstreept echter dat meer moet worden gedaan; betreurt ten zeerste dat mensen met handicaps voortdurend worden benadeeld op het stuk van werkgelegenheid, onderwijs en sociale integratie; verzoekt de Commissie en de lidstaten door te gaan met het ontwikkelen van specifieke maatregelen binnen het werkgelegenheids-, onderwijs- en sociaal beleid ter waarborging van de daadwerkelijke integratie van personen met een handicap, een langdurige ziekte en chronische aandoeningen, waaronder mensen met geestelijkegezondheidsstoornisen en psychosociale handicaps; verzoekt de Commissie en de lidstaten verder te gaan dan alleen ondersteunende maatregelen en meer werkgelegenheidsinitiatieven te ontplooien, alsook initiatieven voor een betere toegankelijkheid en redelijke maatregelen(32), waaronder middels gebruikmaking van de kansen voor economische en sociale integratie op grond van de digitalisering;

15.  wijst op de opkomst van nieuwe vormen van arbeid, waaronder de transformatie als gevolg van de digitalisering en automatisering; benadrukt dat dergelijke trends tegelijkertijd kansen en uitdagingen inhouden; beklemtoont het belang van beleid voor levenslang leren, teneinde werknemers in staat te stellen in te spelen op veranderingen op de arbeidsmarkten; wijst op het belang van sociale dialoog, met name in het kader van het ontwikkelen van nadere strategieën voor het aanpakken van deze uitdagingen; geeft aan dat deze transformatie tot gevallen van atypische en onzekere arbeid kan leiden; constateert met bezorgdheid dat atypische werknemers en zelfstandigen ontoereikende of geen toegang tot socialebeschermingsstelsels hebben, waaronder tot regelingen voor betaald verlof en vakantiegeld; benadrukt dat schijnzelfstandigheid een hardnekkig probleem is dat moet worden aangepakt; verzoekt de lidstaten maatregelen te treffen om deze kwesties aan te pakken, met name na de aanbeveling van de Raad met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen, die op 6 december 2018 werd aangenomen; is ingenomen met deze aanbeveling als een eerste stap, maar onderstreept dat meer moet worden gedaan om de toegang tot sociale bescherming voor iedereen te waarborgen;

16.  constateert dat onlineplatformwerk in de EU in de afgelopen twee jaar met meer dan 25 % is gestegen naar 5 miljoen werkenden, en dat een derde van alle platformtransacties grensoverschrijdend plaatsvindt; wijst erop dat platformwerkers vaak niet onder socialebeschermingsstelsels vallen; onderstreept bovendien dat de Commissie en de lidstaten betere en geharmoniseerdere gegevens moeten verzamelen over het aantal platformwerkers, hun arbeidssituatie, de inhoud van hun werk en hun inkomen; dringt aan op een gecoördineerd EU-initiatief om de toegang van platformwerkers tot sociale zekerheid te waarborgen, alsook om hun sociale en arbeidsrechten te garanderen, ongeacht hun arbeidssituatie, en om de platformwerkers onder collectieve arbeidsovereenkomsten te laten vallen;

17.  onderstreept dat de nieuwe communicatietechnologieën en de flexibiliteit van de arbeidsorganisatie vaak kunnen leiden tot langere arbeidsuren en overlappingen tussen werk, privéleven en vrije tijd; wijst met name op de noodzaak om een recht in te voeren om digitaal niet verbonden te zijn, en om het begrip tijdsarmoede en autonomie over de arbeidstijd te bestuderen;

18.  pleit voor een herziening van de onderwijs- en opleidingsstelsels, opdat ten volle gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden die de digitalisering en de vergroening van de economie bieden, en mensen de noodzakelijke vaardigheden, waaronder 'zachte vaardigheden', en competenties kunnen ontwikkelen om aan de behoeften van de arbeidsmarkten en de economische, sociale en ecologische uitdagingen van het heden en de toekomst aan te pakken; is van mening dat een tekort aan vakmensen en een discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden grote obstakels kunnen vormen voor investeringen; benadrukt dat om de nodige vaardigheden te kunnen ontwikkelen de kwaliteit, beschikbaarheid, inclusiviteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van onderwijs en opleidingen, inclusief beroepsopleidingen, moet worden verbeterd, alsook de wederzijdse erkenning van kwalificaties; beklemtoont dat het belangrijk is bedrijven te wijzen op het belang van investeringen in opleiding; onderstreept dat investeringen in onderwijs de sleutel vormen voor sociale cohesie; onderstreept hoe belangrijk het is het probleem van de vroegtijdige schoolverlaters aan te pakken; doet een beroep op de lidstaten om een tweeledige strategie te volgen door enerzijds regulier onderwijs inclusief te maken en anderzijds programma’s te bieden die speciaal op de meest kwetsbaren zijn afgestemd; verzoekt de lidstaten investeringen in het aanleren van nieuwe vaardigheden en in na- en bijscholing aan te moedigen, net als investeringen in brede opleidingen in digitale, beroeps- en ondernemingsvaardigheden, rekening houdend met de verschuiving naar een digitale en groenere economie, maar eveneens met de vraag naar gekwalificeerde technische beroepsbeoefenaren in veel landen en regio’s; onderstreept dat goede arbeids- en tewerkstellingsomstandigheden een cruciale factor zijn bij het aantrekken van gekwalificeerde werknemers;

19.  is het met de Commissie eens dat tijdige inspanningen nodig zijn om de digitalisering aan te pakken, dat de EU in haar geheel het proces moet bespoedigen en dat het Unie-, nationaal en regionaal beleid beter op elkaar moeten worden afgestemd, waarbij openbare en particuliere middelen moeten worden gebundeld om de investeringen te verhogen en sterkere synergieën in de digitale economie en de samenleving tot stand te brengen; beklemtoont dat het belangrijk is te zorgen voor een soepele en billijke digitale transformatie van diensten waaraan eenieder deel kan nemen; onderstreept dat bij programma’s voor digitale geletterdheid moet worden gelet op privacykwesties en gegevensbescherming;

20.  is van mening dat de uitdagingen van de klimaatverandering en de overgang naar een groene economie vragen om krachtdadige ondersteuning van de samenleving, werknemers en het bedrijfsleven om hen te helpen zich aan te passen, met name in de regio’s die hierdoor het hardst getroffen worden, door opleidingen en onderwijs te verbeteren om vaardigheden aan te passen en nieuwe banen in de digitale en milieusectoren te creëren; dringt aan op specifieke aandacht voor de kwetsbaarste groepen in de samenleving, met inbegrip van mensen die door armoede of extreme ontberingen bedreigd worden;

21.  onderstreept dat de toenemende benutting van en opleiding in vaardigheden leidt tot het creëren van toegevoegde waarde en concurrentievermogen, en dat dit deel moet uitmaken van de kern van de EU-beleidsmaatregelen die gericht zijn op de bevordering van de economische groei middels investeringen in vaardigheden; wijst erop dat, hoewel vaardigheden een voorwaarde voor groei vormen, zij niet volstaan; dringt derhalve aan op aanvullende maatregelen die volgen op investeringen in initieel genoten onderwijs en opleiding, teneinde hoogwaardige banen te creëren en te ontwerpen op de arbeidsmarkt waarop de vaardigheden van werkenden het beste tot hun recht komen;

22.  is bezorgd over het aanhoudend grote aantal mensen in Europa die niet over voldoende digitale vaardigheden beschikken en onvoldoende geletterd zijn, aangezien deze een fundamentele voorwaarde voor een actieve participatie in de samenleving en de arbeidsmarkt vormen; verzoekt de lidstaten om krachtige maatregelen te treffen om de opleidingsvoorzieningen voor basisvaardigheden te vergroten, met name voor de meest gemarginaliseerde groepen in de samenleving; onderstreept het belang van solide regelingen voor de validatie van niet-formeel en informeel leren, teneinde ervoor te zorgen dat vaardigheden en competenties zo breed mogelijk worden erkend, en om de flexibiliteit tussen de verschillende onderwijs- en opleidingstrajecten te bevorderen;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor stimulansen en technische ondersteuning te zorgen met het oog op meer kansen voor het bevorderen van behoorlijk werk voor jongeren middels werkgelegenheidsprogramma’s, ondersteuning van jonge ondernemers via EntreComp, kwalitatief hoogwaardige stageprogramma’s, en taal- en beroepsopleidingen, waaronder in het kader van schoolcurricula in de lidstaten, in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en de onderzoekswereld en andere relevante belanghebbenden;

24.  verzoekt de lidstaten om de openbare diensten voor arbeidsvoorziening op elk territoriaal niveau te versterken en te moderniseren middels de permanente opleiding van de beheerders, de betrokkenheid van hooggespecialiseerde adviseurs en begeleiders, en de uitvoering van gerichte beleidsmaatregelen voor elke categorie van de arbeidsmarkt;

25.  benadrukt dat aan de sociale doelstellingen van de Unie evenveel prioriteit, en, in het kader van de volgende begroting, financiële middelen, moet worden gegeven als aan de economische doelstellingen, en dat het proces van het Europees semester gedurende zijn gehele looptijd moet worden uitgebreid met een sociale dimensie, waarbij de bevoegde instanties van de EU en de lidstaten die zich met sociaal beleid bezighouden, worden betrokken; dringt erbij de Commissie op aan de landspecifieke aanbevelingen voor de lidstaten van de eurozone te versterken door het creëren van een matrixkader waarin maatregelen van sociaal beleid in verband met de Europese pijler van sociale rechten, zoals toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, voeding, werkgelegenheid en huisvesting, en het behoud van sociale rechten, worden geanalyseerd per sociaal segment, zoals kinderen, jongeren, ouderen, minderheden, migranten en personen met een handicap, teneinde aldus een veel accurater beeld te krijgen van de economische en sociale gezondheid van de lidstaten, en te onderzoeken of dit nieuwe onderdeel van de landspecifieke aanbevelingen kan worden verruimd tot lidstaten die niet tot de eurozone behoren; geeft aan dat de landenspecifieke aanbevelingen aan moeten sluiten bij de economische, sociale en milieudoelstellingen van de EU, en niet met elkaar in tegenspraak moeten zijn maar juist een onderling versterkend effect moeten hebben; verzoekt de Commissie en de lidstaten een Europese duurzaamheidsstrategie te definiëren om de sociale, economische en klimaatuitdagingen het hoofd te bieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten de sociale rechten te versterken middels voorstellen voor wetgeving, inclusief, in voorkomend geval en na toetsing, financiële instrumenten, voor de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden als bedoeld in de Verdragen;

26.  acht het van fundamenteel belang de sociale dimensie van de Europese Unie af te bakenen en af te ronden; acht het in dit verband van essentieel belang om de rechten op behoorlijke leefomstandigheden, passende huisvesting, een efficiënt en toegankelijk gezondheidszorgstelsel en langdurige zorg te waarborgen;

27.  onderstreept dat een goed functionerende sociale dialoog een essentieel instrument is voor het vormgeven van arbeidsomstandigheden, met deelneming van een reeks actoren op diverse niveaus, en dat deze dialoog de belangen van werknemers en werkgevers met elkaar verzoent en bijdraagt tot economisch concurrentievermogen en sociale samenhang; doet een beroep op de lidstaten om de sociale dialoog in heel Europa verder te versterken om de arbeidsverhoudingen in evenwicht te brengen en, indien nodig, de kansen voor collectieve onderhandelingen te schragen;

28.  betreurt het dat de armoede nog altijd onaanvaardbaar hoog is; onderstreept dat de kans op armoede groter is in tijden waarin de economie vertraagt; benadrukt dat het aantal EU-burgers dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd in 2017 weliswaar verder is teruggelopen, maar dat in dat jaar desondanks nog steeds 113 miljoen mensen in de EU en 74 mensen in de eurozone tot deze groep behoorden; betreurt het feit dat de Europa 2020-doelstelling inzake de terugdringing van de armoede hoogstwaarschijnlijk niet wordt gehaald; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de nodige stappen te zetten om de armoede, waaronder die onder werkenden, alsmede armoede onder kwetsbare groepen, terug te dringen; onderstreept dat kinderarmoede moet worden uitgeroeid en verzoekt de Commissie wetgeving voor te stellen voor de tenuitvoerlegging van een Europese kindergarantie; verzoekt de Commissie en de lidstaten om een op rechten gebaseerde strategie tegen de armoede te bevorderen op basis van een geïntegreerde actieve integratie met een combinatie van de toepassing van sociale grondrechten, kwalitatief hoogwaardige diensten en banen met fatsoenlijke leefbare lonen; verzoekt de lidstaten acties en strategieën te ontwikkelen die aansluiten bij de Europese pijler van sociale rechten, teneinde iets te doen aan de sociale behoeften van diegenen die geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt;

29.  benadrukt dat fatsoenlijke banen, toegang tot adequate sociale bescherming ongeacht arbeidsverhouding of soort contract, een stijging van de lonen en hoogwaardige openbare diensten met voldoende middelen, met inbegrip van onderwijsstelsels en toegankelijke trajecten voor levenslang leren, aanzienlijk kunnen bijdragen aan het verminderen van de ongelijkheid en het risico op armoede en sociale uitsluiting, en aan de verbetering van de volksgezondheid en het welzijn; is ingenomen met de aanzienlijke invloed die sociale overdrachten hebben op de terugdringing van de armoede; betreurt echter dat dit niet in het nationaal beleid van alle lidstaten tot uiting komt; onderstreept het belang van een transparante evaluatie van de Europa 2020-strategie, met name op het gebied van de terugdringing van de armoede en de ontwikkeling van een sociale en duurzame strategie voor de periode na 2020 waarin prioriteit wordt verleend aan de uitroeiing van de armoede en waarin steun wordt geboden voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen middels processen voor een zinvolle dialoog op nationaal en EU-niveau met het maatschappelijk middenveld en mensen die directe ervaring met armoede hebben;

30.  constateert dat in 2017 9,4 % van alle werknemers in de EU risico op armoede liepen en dat armoede onder werkenden in veel lidstaten toeneemt; benadrukt dat armoede onder werkenden een belangrijk teken is van sociaal onrecht en acht het van essentieel belang de koopkracht van werkenden te vergroten, de collectieve onderhandelingen te schragen en een sterk en geharmoniseerd stelsel van rechten en bescherming van alle vormen van werk te ontwikkelen; spoort de lidstaten aan serieus werk te maken van beleid dat mensen in staat stelt met hun inkomen een waardig leven te creëren voor zichzelf en hun gezinnen; verzoekt de Commissie een wetgevingsinstrument te presenteren dat waarborgt dat elke werknemer in de Unie een billijk minimumloon krijgt, hetzij waaronder op basis van nationale tradities, hetzij middels collectieve onderhandelingen of wettelijke regelingen;

31.  is van mening dat de toename van tijdelijke en onzekere banen gevaarlijke gevolgen kan hebben voor de toereikendheid van pensioenen, met name voor de jonge generaties, die vaak met onderbrekingen van hun loopbaan en derhalve bijdragen te maken krijgen, alsmede voor de stabiliteit van de socialezekerheidsstelsels;

32.  neemt nota van de verontrustende ontwikkelingen op de overspannen huizenmarkten in diverse lidstaten en de nadelige gevolgen ervan, met name voor mensen met lage inkomens en in bepaalde regio’s; verzoekt de lidstaten om hun inspanningen te vergroten bij het opvolgen van de aanbevelingen van de Commissie (vermindering van knelpunten in het woningaanbod, het wegnemen van distorties en het terugdringen van scheefgegroeide structuren ten gevolge van het belastingstelsel) en maatregelen te nemen overeenkomstig aanbeveling 19 van de Europese pijler van sociale rechten;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten beter gebruik te maken van het Europees semester om de vooruitgang op het vlak van betaalbare huisvesting en het terugdringen van dakloosheid in kaart te brengen en te ondersteunen; verzoekt de Commissie een Europees kader voor sociale en betaalbare huisvesting voor te stellen met het oog op een efficiënte coördinatie van het beleid van de lidstaten;

34.  stelt vast dat sociaal beleid en gezondheidsbeleid essentieel zijn ter ondersteuning van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; constateert met verontrusting dat een meerderheid van de lidstaten landspecifieke aanbevelingen hebben ontvangen om de doeltreffendheid, toegankelijkheid en duurzaamheid van hun volksgezondheidsstelsels te verbeteren; verzoekt de lidstaten meer te doen om te zorgen voor toegankelijkheid, beschikbaarheid, betaalbaarheid, kwaliteit en kosteneffectiviteit van hun gezondheidszorgstelsels; onderstreept het belang van preventie- en gezondheidsbevorderende campagnes, vooral voor jongeren uit achtergestelde bevolkingsgroepen; verzoekt de lidstaten te investeren in preventie als prioriteit van hun gezondheidsbeleid; dringt aan op campagnes voor het actief bevorderen van zowel de lichamelijke, als de geestelijke gezondheid; wijst andermaal op het belang van het vergemakkelijken van de herintegratie in de arbeidsmarkt van mensen in de werkende leeftijd die herstellen van een ziekte; roept de lidstaten ertoe op te investeren in zorgdiensten voor de hele levenscyclus, de Barcelona-doelstellingen van 2002 inzake kinderopvang te blijven nastreven, en zorgdoelstellingen te ontwikkelen voor ouderen en afhankelijke personen;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke maatregelen uit te werken om gevolg te geven aan het Europees kader voor actie inzake geestelijke gezondheid en welzijn en het Kompas voor actie inzake geestelijke gezondheid en welzijn; is van mening dat tot deze maatregelen de bevordering van de geestelijke gezondheid en preventieve maatregelen moeten behoren en dat zij samenhang moeten vertonen met andere beleidsinstrumenten, teneinde de onderliggende sociale determinanten voor de geestelijke gezondheid aan te pakken;

36.  beklemtoont het belang van het goed monitoren en, indien nodig, herzien van het gebruik van de financiële middelen van de Unie, teneinde ervoor te zorgen dat deze daadwerkelijk gebruikt worden voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Unie; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen voor het aanpakken van elke vorm van misbruik, fraude en corruptie in verband met financiële middelen van de Unie;

37.  onderstreept het belang van de naleving van de aanbevelingen van de Europese auditors;

38.  is van mening dat het concurrentievermogen op de wereldmarkt kan worden gehandhaafd en verbeterd door middel van een duidelijk, eenvoudig en flexibel regelgevingskader voor de arbeidsmarkt in de lidstaten, waarbij tegelijkertijd hoge arbeidsnormen worden gehandhaafd;

39.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(2) https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/5-presidents-report_nl.pdf
(3) PB C 179 van 25.5.2018, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0337.
(5) PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0181.
(7) PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.
(8) PB C 155 van 25.5.2011, blz. 10.
(9) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 93.
(10) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 100.
(11) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 109.
(12) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 141.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0202.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0485.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0432.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0325.
(17) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 89.
(18) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 156.
(19) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 135.
(20) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.
(21) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.
(22) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 157.
(23) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 117.
(24) https://ec.europa.eu/health/state/glance_nl
(25) https://ec.europa.eu/health/sites/health/files/state/docs/2018_healthatglance_rep_en.pdf
(26) https://www.coe.int/en/web/turin-european-social-charter/turin-process
(27) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 25.
(28) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23
(29) PB L 186 van 11.7.2019, blz. 105.
(30) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16).
(31) Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PB L 151 van 7.6.2019, blz. 70).
(32) VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; onder 'redelijke maatregelen' wordt verstaan 'noodzakelijke en passende wijziging en aanpassingen, zonder een onevenredige of onbehoorlijke belasting, wanneer noodzakelijk in een specifiek geval, om personen met een handicap in staat te stellen op basis van gelijkheid met anderen alle mensenrechten en grondrechten te benutten of uit te oefenen' (https://www.ohchr.org/EN/HRBodies/CRPD/Pages/ConventionRightsPersonsWithDisabilities.aspx); In artikel 5 van de Richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep staat het volgende: "Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, wordt voorzien in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd." (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:32000L0078&from=EN); Op de website van de Commissie staat: "Reasonable accommodation is any change to a job or a work environment that is needed to enable a person with a disability to apply, to perform and to advance in job functions, or undertake training." (https://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=147).

Juridische mededeling - Privacybeleid