Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 19 december 2019 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Schendingen van mensenrechten, waaronder godsdienstvrijheid, in BurkinaFaso
 Afghanistan, met name het vermeende seksuele misbruik van jongens in de provincie Logar
 De Russische wet inzake "buitenlandse agenten"
 Herdenking van de Roemeense revolutie die dertig jaar geleden plaatsvond, in december 1989
 Situatie van de Oeigoeren in China ("China Cables")
 De situatie van de mensenrechten en de democratie in Nicaragua
 Gewelddadige onderdrukking van de recente protesten in Iran

Schendingen van mensenrechten, waaronder godsdienstvrijheid, in BurkinaFaso
PDF 157kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 december 2019 over schendingen van de mensenrechten, waaronder de godsdienstvrijheid, in Burkina Faso (2019/2980(RSP))
P9_TA(2019)0106RC-B9-0261/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van 10 december 2019 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) namens de EU ter gelegenheid van de Dag van de Mensenrechten,

–  gezien het persbericht van de Commissie van 13 november 2019, waarin wordt aangekondigd dat de Afrikaanse Sahel 35 miljoen EUR extra aan humanitaire hulp krijgt,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de VV/HV van 7 november 2019 over de aanslagen in Burkina Faso,

–  gezien het bezoek dat VV/HV Federica Mogherini in juli 2019 aan de Sahel bracht, en gezien haar toespraak van 9 juli 2019 in Burkina Faso,

–  gezien de toespraak namens VV/HV Federica Mogherini van 17 september 2019 tijdens het plenaire debat over de veiligheidssituatie in Burkina Faso,

–  gezien de studie ‘The Freedom of Religion or Belief and the Freedom of Expression’, die in februari 2009 is gepubliceerd door het directoraat-generaal Extern Beleid van de Unie,

–  gezien de openbare hoorzitting van de Subcommissie mensenrechten van 22 november 2017: ‘Bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging: de situatie van vervolgde minderheden, met name christenen’,

–  gezien het verslag van de speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging van 21 november 2019: ‘The mandate of the Special Envoy for the promotion of freedom of religion or belief outside the European Union: activities and recommendations’,

–  gezien de EU-richtsnoeren van 2013 voor bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging,

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (de “Overeenkomst van Cotonou”),

–  gezien de aan de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de Alliantie van Beschavingen van de Verenigde Naties toe te schrijven verklaring van 1 december 2019 over de aanslag op een kerk in Burkina Faso,

–  gezien het verslag van de VN-Veiligheidsraad van 11 november 2019 over de gemeenschappelijke strijdkrachten G5-Sahel,

–  gezien de actualisering van de informatie over de activiteiten van het vluchtelingenagentschap van de VN (UNHCR) in Burkina Faso van oktober 2019,

–  gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN van 13 oktober 2019 over de aanslag op een moskee in Noord-Burkina Faso,

–  gezien verslag nr. 8 van Unicef over de humanitaire situatie in Burkina Faso van oktober 2019,

–  gezien het rapport over de menselijke ontwikkeling van 2019 over ongelijkheid in de menselijke ontwikkeling in de 21e eeuw, en met name het rapport over de menselijke ontwikkeling in Burkina Faso,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, die Burkina Faso heeft ondertekend,

–  gezien het actieplan van de Verenigde Naties inzake waarborging van religieuze plaatsen van 12 september 2019,

–  gezien de grondwet van de Republiek Burkina Faso,

–  gezien de verklaring van bisschoppen, priesters en seculiere afgevaardigden van de conferenties van bisschoppen van Burkina Faso, Niger, Mali, Ivoorkust en Ghana, in aansluiting op de conferentie-overstijgende workshop over veiligheid in de Sahel van 12 en 13 november 2019,

–  gezien de verklaring van bisschop Laurent Birfuoré Dabiré van Dori van 5 juli 2019, gericht aan de katholieke hulporganisatie Kerk in Nood,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren dat werd aangenomen op 27 juni 1981 en in werking is getreden op 21 oktober 1986,

–  gezien het Vredesforum van Parijs van 12 en 13 november 2019,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Burkina Faso een sterke traditie van religieuze tolerantie en secularisme kent, maar het doelwit van instabiliteit is geworden, met name als gevolg van islamitische radicalisering die de Groot-Sahel teistert, en geconfronteerd wordt met een combinatie van escalerend geweld, ontheemding, honger, armoede en klimaatverandering;

B.  overwegende dat de toenemende onveiligheid in Burkina Faso heeft geleid tot gruwelijke misdrijven door zowel jihadisten als door andere gewapende groeperingen; overwegende dat uit een rapport van Human Rights Watch blijkt dat deze gewapendegroeperingen in Burkina Faso personen hebben geëxecuteerd die verdacht werden van collaboratie met de regering, docenten hebben geïntimideerd en angst hebben gezaaid onder burgers in het gehele land; overwegende dat Burkinese veiligheidstroepen in 2017 en 2018 antiterroristische operaties hebben uitgevoerd, waarbij sprake was van buitengerechtelijke executies, mishandeling van verdachten in bewaring en willekeurige arrestaties; overwegende dat de Burkinese regering heeft beloofd deze klachten te onderzoeken;

C.  overwegende dat jihadistische en andere gewapende groeperingen, die voorheen actief waren in buurland Mali, sinds 2015 de Burkinese bevolking terroriseren en een aantal aanslagen hebben gepleegd op symbolen van de staat, zoals militaire doelwitten, scholen en zorginstellingen, en met name ook op kerken en christenen; overwegende dat sinds 2015 ten minste 700 mensen om het leven zijn gekomen bij aanslagen door jihadistische en andere gewapende groeperingen, en duizenden mensen gewond zijn geraakt in Ouagadougou en de noordelijke provincies, met name in de provincie Soum, waarna de aanslagen zich in 2018 hebben verspreid over de oostelijke en de westelijke provincies; overwegende dat het geweld niet uitsluitend christenen treft; overwegende dat er bijvoorbeeld op 11 oktober 2019 tijdens het vrijdaggebed een aanslag is gepleegd op een moskee in de stad Salmossi, in het noorden van Burkina Faso;

D.  overwegende dat er tussen januari en november 2019 520 veiligheidsincidenten zijn gemeld, vergeleken met 404 geregistreerde incidenten tussen 2015 en 2018; overwegende dat alleen al in oktober 2019 52 incidenten in verband met niet-statelijke gewapende groeperingen zijn geregistreerd, waarvan bijna 70 % was gericht tegen burgers en veiligheidstroepen;

E.  overwegende dat de aanslagen gepleegd worden door zowel grensoverschrijdende gewapende groeperingen, die opereren vanuit Mali en Niger, waaronder Jamaat Nusrat al-Islam wal Muslimeen en de Islamitische Staat in de Groot-Sahara, als door binnenlandse groeperingen, met name Ansarul Islam, die opereren vanuit de noordelijke en oostelijke provincies van Burkina Faso;

F.  overwegende dat in 2019 meer dan 60 christenen bij diverse aanslagen om het leven gekomen zijn, onder meer bij de recentste aanslag van 1 december 2019, die gepleegd werd tijdens een zondagsdienst in een protestantse kerk in de oostelijke stad Hantoukoura, en waarbij 14 doden vielen;

G.  overwegende dat verscheidene priesters, geestelijken en christenen het slachtoffer zijn geworden van gerichte moorden en ontvoeringen door het hele land; overwegende dat diverse personen vanwege het toenemende geweld hun traditionele huizen zijn ontvlucht, met name in het noorden, zoals onlangs in de dorpen Hitté en Rounga, en zich hebben begeven naar opvangkampen voor ontheemden in andere delen van het land, onder meer in de hoofdstad Ouagadougou;

H.  overwegende dat de bevolking van Burkina Faso voornamelijk bestaat uit malikitische soennieten, en daarnaast uit grote christelijke minderheden en minderheden die de inheemse godsdienst aanhangen; overwegende dat de grenzen tussen de godsdiensten in Burkina Faso vaag zijn, aangezien de volgelingen van alle godsdiensten doorgaans deelnemen aan syncretische godsdienstoefeningen en religieuze tolerantie de norm is; overwegende dat zowel soennitische als christelijke gebedshuizen onlangs het doelwit zijn geworden van guerrilla-aanvallen door salafistische gewapende groeperingen; overwegende dat dit heeft bijgedragen tot groeiende interreligieuze spanningen; overwegende dat de vervolging van religieuze gemeenschappen, zoals leden van een groot aantal christelijke kerkgenootschappen, tot scheuring van het sociale weefsel leidt en de emigratie hand over hand doet toenemen;

I.  overwegende dat jihadistische groeperingen de interreligieuze co-existentie in Burkina Faso onder druk willen zetten; dit als onderdeel van hun bredere strategie om conflicten tussen volkeren en godsdiensten aan te wakkeren en ontheemding van de bevolking te veroorzaken;

J.  overwegende dat Justin Kientega, bisschop van Ouahigouya in het noordoosten van Burkina Faso, geadviseerd heeft veiligheidsmaatregelen te nemen zodat christenen beter beschermd kunnen worden, aangezien de overheid onvoldoende bescherming biedt;

K.  overwegende dat bisschop Laurent Birfuoré Dabiré van Dori, voorzitter van de conferentie van bisschoppen van Burkina Faso en Niger, de wereldgemeenschap ertoe heeft opgeroepen haar steun aan christenen in Burkina Faso op te voeren om te voorkomen dat ‘de christelijke aanwezigheid geëlimineerd wordt’; overwegende dat er herhaaldelijk toe opgeroepen is de dreigingen van censuur aan de kaak te stellen en een voortzetting van de interreligieuze dialoog te ondersteunen;

L.  overwegende dat de secretaris-generaal in zijn actieplan inzake waarborging van religieuze plaatsen, dat is gepubliceerd op 12 september 2019, heeft onderstreept dat gebedshuizen over de hele wereld veilige havens van reflectie en vrede moeten zijn, en geen plaatsen waar bloed vergoten wordt en terroristische aanslagen worden gepleegd, en dat mensen in staat moeten zijn hun geloof in vrede te kunnen naleven en praktiseren;

M.  overwegende dat humanitaire organisaties, waarvan vele confessionele organisaties zijn, een cruciale rol spelen bij het helpen van geweldsslachtoffers, met name vrouwen, kinderen en vluchtelingen;

N.  overwegende dat de regering van Burkina Faso de capaciteit lijkt te missen om effectieve oplossingen voor de enorme veiligheidsproblemen en sociaaleconomische uitdagingen door te voeren; overwegende dat bepaalde regio’s, met name in het noordoosten van het land, in feite afgesneden zijn van de centrale overheid;

O.  overwegende dat Burkina Faso een van de tien armste landen ter wereld is; overwegende dat instabiliteit, klimaatverandering en conflicten de economische kansen in het land verder hebben verkleind, de armoede hebben vergroot en geleid hebben tot acute voedseltekorten; overwegende dat deze situatie verergerd wordt door de snelle woestijnvorming in de noordelijke regio en de waterschaarste, bodemdegradatie en tekorten aan hulpbronnen die daaruit voortvloeien; overwegende dat dit tot gevolg heeft dat 1 miljoen mensen voedseltekorten riskeren en 1,5 miljoen mensen dringend humanitaire hulp nodig hebben;

P.  overwegende dat in 2014 naar schatting 34,5 % van de volwassenen kon lezen en schrijven; overwegende dat de toenemende onveiligheid en het groeiende terrorisme in bepaalde regio’s van het land negatieve gevolgen hebben voor het onderwijs en de gezondheidszorg; overwegende dat 85 zorginstellingen en meer dan 2 000 scholen gedwongen werden te sluiten, en dat meer dan een miljoen patiënten en 300 000 leerlingen hierdoor getroffen zijn; overwegende dat 93 andere zorginstellingen vanwege de actuele desastreuze veiligheidssituatie op een minimumniveau functioneren;

Q.  overwegende dat het geweld in Burkina Faso ertoe heeft geleid dat bijna een half miljoen mensen ontheemd zijn geraakt; overwegende dat veel van deze mensen kwetsbaar zijn en dat 44 % van de ontheemden kind is; overwegende dat Burkina Faso tevens 31 000 Malinese vluchtelingen heeft opgevangen; overwegende dat de UNHCR grote problemen ondervindt bij het bereiken van ontheemden en vluchtelingen in Burkina Faso; overwegende dat, wanneer geen adequate maatregelen worden genomen om te voorzien in huisvesting, werk en voedsel, de bescherming van ontheemden en vluchtelingen die getroffen worden door de humanitaire crisis in de regio in het geding is, en dat hun aanwezigheid kan leiden tot conflicten met de lokale bevolking over schaarse natuurlijke hulpbronnen; overwegende dat de daaruit voortvloeiende conflicten over hulpbronnen verder dreigen bij te dragen aan de geweldsspiraal in het land;

R.  overwegende dat de EU de afgelopen zeven jaar meer dan 1 miljard EUR heeft vrijgemaakt voor ontwikkelingsprogramma’s in Burkina Faso, en onlangs 15,7 miljoen EUR heeft toegewezen om het grote probleem van voedselonzekerheid en ondervoeding onder ontheemden aan te pakken; overwegende dat het land een van de belangrijkste begunstigden van financiële steun (628 miljoen EUR) uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EDF) is, en voor de periode 2016-2020 tevens omvangrijke financiële steun (245,8 miljoen EUR) ontvangt uit het door het EDF gefinancierde noodtrustfonds;

S.  overwegende dat Burkina Faso deelneemt aan de multidimensionale geïntegreerde stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in Mali (MINUSMA), aan de hybride operatie van de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie (UNAMID), aan het trans-Saharapartnerschap voor terrorismebestrijding (TSCTP) en aan de G5-Sahel; overwegende dat de deelname van het land aan deze missies en initiatieven Burkina Faso tot primair doelwit heeft gemaakt van niet-statelijke gewapende groeperingen die de bijdrage van het land aan de regionale veiligheid willen ontwrichten en ontmoedigen; overwegende dat in een verslag van de secretaris-generaal van de VN naar voren wordt gebracht dat Malinese troepen van de G5- Sahel mensenrechten hebben geschonden;

T.  overwegende dat de EU rechtstreeks bijdraagt aan de stabiliteit in de Sahel door middel van de civiele missies EUCAP SAHEL in Mali en Niger, en door middel van de opleidingsmissie van de Europese Unie in Mali (EUTM Mali), alsook indirect door middel van deelname van lidstaten aan MINUSMA en aan operatie-Barkhane; overwegende dat de door de EU gesteunde G5-Sahel, een samenwerkingsverband op het gebied van defensie tussen Burkina Faso, Tsjaad, Mali, Mauritanië en Niger, de coördinatie op het gebied van regionale ontwikkeling en veiligheid verhoogt, zodat gewapende groeperingen geneutraliseerd worden en hun aantrekkingskracht vermindert; overwegende dat op 11 december 2019 bij een aanslag op een militaire basis in Tahoua, Niger, 71 Nigeriaanse soldaten om het leven zijn gekomen en 12 soldaten gewond zijn geraakt, waarbij het gaat om het dodelijkste incident in de regio sinds 2016;

U.  overwegende dat de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) tijdens een top in Ouagadougou op 14 september 2019 een plan heeft aangekondigd ter waarde van 1 miljard USD waarmee zij de groeiende onveiligheid in de Sahel wil bestrijden;

V.  overwegende dat met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU het volgende wordt beoogd: ontwikkeling en versterking van de democratie en de rechtsstaat, alsmede eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

1.  veroordeelt ten stelligste elke vorm van doelgericht geweld, intimidatie en doelgerichte ontvoering van burgers tegen veiligheidsdiensten, religieuze plaatsen en gelovigen in Burkina Faso, met name geweld dat is gericht tegen specifieke religieuze gemeenschappen, en de politieke instrumentalisering en het misbruik van godsdienst om de vervolging van christenen en andere religieuze minderheden te legitimeren;

2.  betuigt zijn deelneming aan de families van de slachtoffers en de regering van Burkina Faso; geeft uitdrukking aan zijn solidariteit met de Burkinese bevolking, die momenteel vrijwel dagelijks in rouw is gedompeld vanwege de aanslagen op burgers, veiligheidstroepen en leden van christelijke gemeenschappen en andere religieuze minderheden;

3.  verzoekt de nationale autoriteiten meer te investeren in de nationale dialoog als een belangrijke bouwsteen voor cohesie; onderstreept dat het noodzakelijk is eenheid en dialoog tussen alle gemeenschappen in Burkina Faso te bevorderen, met inbegrip van traditionele leiders en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, en zo een tegenwicht te bieden aan de pogingen tot haatzaaien en het creëren van spanningen tussen gemeenschappen;

4.  verzoekt de regering van Burkina Faso haar steun voor en haar bescherming van islamitische, christelijke en animistische gemeenschappen op te voeren, en zo de lange Burkinese traditie van vreedzame co-existentie van islam en christendom in stand te houden; pleit voor extra middelen voor slachtoffers van geweld, in het bijzonder vrouwen en kinderen;

5.  wijst er andermaal op dat de strijd tegen het terrorisme alleen vruchten kan afwerpen wanneer veiligheidstroepen de rechtsstaat en de mensenrechten eerbiedigen; dringt er in dit verband op aan dat de Burkinese regering onmiddellijk afstand doet van haar onrechtmatige anti-oproerstrategie, met name de standrechtelijke executie van verdachten, aangezien deze werkwijze het risico met zich meebrengt dat het conflict ontvlamt en meer mensen in handen vallen van militante islamitische recruiters;

6.  verzoekt de Burkinese regering haar toezegging gestand te doen en alle verdenkingen van onrechtmatig handelen door regeringstroepen te onderzoeken, concrete maatregelen te nemen om verdere onrechtmatigheden te voorkomen en haar strategie voor de bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme te baseren op de rechtsstaat en de eerbiediging van de grondrechten, met name het internationaal recht inzake mensenrechten, het internationaal humanitair recht en het vluchtelingenrecht;

7.  dringt aan op aan algemene aanpak ter voorkoming van radicalisering en terrorisme, waarbij versterking van de sociale cohesie en misdaadpreventie centraal staan; verzoekt de Burkinese autoriteiten hun inspanningen voor de terugdringing van de armoede op te voeren, betere kansen op werk te creëren, vooral voor jongeren, en door het individu controle over zijn eigen leven te geven en het te respecteren, om grieven en frustraties die eventueel door gewelddadige extremisten kunnen worden misbruikt, uit te bannen; herhaalt dat investeringen in het onderwijs essentieel zijn voor conflictpreventie en de wederopbouw van vreedzame en inclusieve samenlevingen;

8.  herinnert eraan dat het verbinden van politieke en duurzame ontwikkeling en ontwikkeling op het gebied van veiligheid, alsook religieus besef door bevordering van de interreligieuze dialoog, cruciaal zijn voor het vinden van een blijvende oplossing voor de diverse problemen waarmee Burkina Faso en de Sahel geconfronteerd worden;

9.  roept op tot internationale coördinatie in de gehele regio, met name in het kader van ECOWAS, waarbij waarborging van de territoriale soevereiniteit en integriteit van al haar leden, regionale democratische instellingen, en de veiligheid van alle burgers en hun eigendommen de politieke doelstelling is; wijst er andermaal op dat de situatie in Burkina Faso directe gevolgen heeft voor de buurlanden; verzoekt de Burkinese regering haar samenwerking met de buurlanden verder te intensiveren, met name de samenwerking tussen haar noordelijke regio’s en de landen die direct door het geweld getroffen worden, zoals Mali en Niger;

10.  prijst de EU en haar lidstaten voor de ondersteuning van de G5- Sahel, MINUSMA en de operatie-Barkhane; prijst voorts de inspanningen van de civiele missies EUCAP SAHEL in Mali en Niger, en van de militaire opleidingsmissie EUTM Mali; verzoekt de EU haar steun voor Burkina Faso op te voeren, zodat de enorme veiligheidsproblemen in het land kunnen worden aangepakt; benadrukt dat een algemenere en gecoördineerde internationale veiligheidsactie in Burkina Faso noodzakelijk is; verzoekt de landen van de G5-Sahel en de internationale donoren meer inspanningen te leveren, zodat de gemeenschappelijke strijdkrachten van de G5-Sahel onverwijld kunnen worden omgevormd tot operationele troepen met voldoende middelen, waarbij de mensenrechten ten volle geëerbiedigd worden;

11.  benadrukt dat veiligheid weliswaar van cruciaal belang is, maar niet het enige antwoord is op de problemen waarmee Burkina Faso wordt geconfronteerd, en dat coördinatie tussen veiligheid en ontwikkeling en handelsbeleid een van de essentiële uitdagingen is; benadrukt dat de veiligheid van de lokale bevolking het leidende beginsel moet zijn bij de EU-inspanningen op het gebied van hervorming van de veiligheidssector en bij de ondersteuning van kwetsbare landen in de regio;

12.  merkt op dat het vanwege het conflict, de ontheemding en de woestijnvorming moeilijk is om traditionele vormen van werk te vinden; onderstreept dat 65 % van de Burkinese bevolking jonger is dan 25 jaar; is van mening dat veiligheidsoperaties in Burkina Faso hand in hand moeten gaan met lokale inspanningen op het gebied van ontwikkeling die gericht zijn op vermindering van de ongelijkheid en verbetering van de infrastructuur, politieke participatie, rechtsbedeling, vrouwenemancipatie en economische kansen;

13.  wijst op de verslechterende situatie in Burkina Faso en de internationale geopolitieke gevolgen hiervan; onderstreept het feit dat de voortdurende ondersteuning door de EU op het gebied van politiek en veiligheid in combinatie met de door de G5-Sahel geleide inspanningen in de regio dringend noodzakelijk zijn, onder meer voor het vredesproces in Mali; verlangt dat de veiligheidstroepen in Burkina Faso beter ondersteund worden, zodat zij in staat zijn te reageren op de dreigingen van jihadistische aanslagen en geweld, en dat steun wordt gegeven aan de controle van de regering over de noordelijke en oostelijke regio’s;

14.  benadrukt dat internationale coördinatie tevens cruciaal is en dat de EU bereid moet zijn nog intensiever samen te werken met de gehele regio, en deze samenwerking te integreren in haar nieuwe ‘strategie EU-Afrika – een partnerschap voor duurzame en inclusieve ontwikkeling’;

15.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden de effectieve praktijk van de interreligieuze dialoog als instrument in zijn strategie voor communicatie met derde landen op te nemen en bemiddeling in conflictsituaties te bevorderen met het oog op de bescherming van religieuze minderheden en de vrijheid van godsdienst en overtuiging;

16.  is ingenomen met het actieplan van de Verenigde Naties inzake de waarborging van religieuze plaatsen, dat is ontwikkeld door de Alliantie van Beschavingen van de Verenigde Naties en op 12 september 2019 door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, António Guterres, is aangekondigd;

17.  benadrukt dat enerzijds het uitbannen van internationale financiële steun van jihadistische gewapende groeperingen prioriteit geniet, en anderzijds het aanpakken van de dieperliggende oorzaken van armoede en ongelijkheid;

18.  is van mening dat de EU moet samenwerken met ECOWAS en de regering en alle belanghebbenden in Burkina Faso om de ontwikkeling, het onderwijs en de inspanningen op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering te versterken en zo armoede aan te pakken en verdere radicalisering te voorkomen; wijst erop dat de klimaatverandering een enorme risicoverhogende factor is voor conflicten, droogte, honger en ontheemding; dringt erop aan dat de regering van Burkina Faso prioriteit geeft aan de bestrijding van corruptie en straffeloosheid;

19.  toont zich uitermate bezorgd over de gevolgen van veiligheidsdreigingen voor de effectiviteit van humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking; dringt er bij de lidstaten en de internationale gemeenschap op aan dat zij hun humanitaire hulp aan Burkina Faso verhogen, met name door middel van verstrekking van voedsel, water en medische diensten; waarschuwt ervoor dat zich een nieuwe humanitaire crisis zal voordoen wanneer niet voorzien wordt in de basisbehoeften van de ontheemden en de opvangende gemeenschappen, zoals voedsel, water, onderdak en gezondheidszorg;

20.  verzoekt de regering van Burkina Faso de verstrekking van humanitaire hulp en voedselhulp te waarborgen, met name in gebieden waartoe humanitaire organisaties beperkt toegang hebben, en specifieke maatregelen te treffen voor het voorkomen en hanteren van acute ondervoeding in opvangkampen voor ontheemden, en daarbij kwetsbare groepen, waaronder vrouwen en kinderen, centraal te stellen;

21.  verzoekt de regering van Burkina Faso de nomadische veeteelt te beschermen en te faciliteren zodat conflicten tussen gemeenschappen vermeden worden, en ervoor te zorgen dat in gebieden waar grote voedseltekorten heersen, de beschikbaarheid van voeder, water en verzorging en de toegang van vee daartoe verbeterd worden;

22.  geeft uiting aan zijn dankbaarheid voor het belangrijke werk van ngo’s, waaronder confessionele ngo’s, en internationale instellingen bij de ondersteuning van de talrijke slachtoffers van geweld, met name vrouwen en kinderen;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president van de Republiek Burkina Faso, de voorzitter van het Burkinese parlement, alsmede de Afrikaanse Unie en haar instellingen.


Afghanistan, met name het vermeende seksuele misbruik van jongens in de provincie Logar
PDF 125kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 december 2019 over Afghanistan, met name het vermeende seksuele misbruik van jongens in de provincie Logar (2019/2981(RSP))
P9_TA(2019)0107RC-B9-0242/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Afghanistan, met name die van 14 december 2017(1),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2019 over de rechten van het kind ter gelegenheid van de 30e verjaardag van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(2),

–  gezien de verklaringen van 3 december 2019 van de Group of Friends of Children and Armed Conflict (CAAC), waarvan de Europese Unie lid is, over aantijgingen van seksueel misbruik van jongens in de provincie Logar en de daaropvolgende acties tegen mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de Afghaanse wet ter bescherming van de rechten van het kind, die op 5 maart 2019 is geratificeerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

–  gezien het verslag van Unicef van november 2019 over het Verdrag inzake de rechten van het kind op de tweesprong,

–  gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de VN aan de Veiligheidsraad over conflictgerelateerd seksueel geweld van 23 maart 2018 en 29 maart 2019 en het verslag over kinderen en gewapende conflicten in Afghanistan van 10 maart 2019,

–  gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind, over kinderen en gewapende conflicten en over mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de conclusies van de Raad van 8 april 2019 over Afghanistan,

–  gezien de op 18 februari 2017 ondertekende samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de EU en Afghanistan,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 2019 over kinderen en gewapende conflicten in Afghanistan, in Afghanistan tussen 2015 en 2018 14 000 schendingen ten aanzien van kinderen zijn begaan; overwegende dat ten minste 12 599 kinderen zijn omgekomen of verminkt zijn geraakt, waarmee ze bijna een derde van alle burgerslachtoffers uitmaken; overwegende dat seksueel misbruik, verkrachting en uitbuiting van jongens, een praktijk die bekend staat als “bacha bazi”, in verscheidene provincies van Afghanistan veel voorkomt;

B.  overwegende dat volgens de Bijstandsmissie van de Verenigde Naties in Afghanistan (Unama) 136 Afghaanse jongens in ten minste zes scholen in de provincie Logar seksueel zijn misbruikt door een pedofielennetwerk; overwegende dat het onderzoek tot nog toe heeft uitgewezen dat er meer dan 100 video’s op internet zijn geplaatst; overwegende dat ten minste zeven jongens die in de video’s te zien zijn, dood zijn aangetroffen en dat vijf jongens door hun familie zijn vermoord;

C.  overwegende dat de “bacha’s”, meestal jongens tussen 10 en 18 jaar oud, van verarmde gezinnen worden gekocht of zijn ontvoerd door invloedrijke leden van de plattelandselite, onder wie ook politici en legerofficieren; overwegende dat de jongens zich als vrouw verkleden en dansen op privéfeesten, waarna ze vaak door mannen seksueel worden misbruikt;

D.  overwegende dat er sprake is van betrokkenheid van schoolhoofden, leerkrachten en lokale autoriteiten in de provincie Logar; overwegende dat seksueel geweld vaak ongestraft blijft vanwege de vaak invloedrijke positie van de daders, het ongeloof binnen de families en gemeenschappen van de slachtoffers en een waardensysteem dat de familie-eer boven het individuele belang van het kind stelt;

E.  overwegende dat kinderen in Afghanistan die het slachtoffer zijn van verkrachting en seksuele uitbuiting, slechts in zeer beperkte mate toegang hebben tot de rechter of tot steun; overwegende dat uit rapporten blijkt dat het tegendeel het geval is en dat kinderen die aangifte doen van seksueel misbruik vaak moeten vrezen voor nog meer mishandeling, stigmatisering, verstoting en zelfs moord door de daders, de autoriteiten, militieleiders en hun eigen familie, met nog meer fysieke en psychologische trauma’s als gevolg;

F.  overwegende dat de Logar Youth Social and Civil Institution de situatie op andere scholen in de regio onderzoekt; overwegende dat nog duizenden andere jongens in de provincie het slachtoffer zouden zijn van “bacha bazi”;

G.  overwegende dat Afghanistan in 2018 zijn wetboek van strafrecht heeft hervormd en seksueel misbruik van kinderen strafbaar heeft gesteld; overwegende dat de Afghaanse autoriteiten in 2019 een wet ter bescherming van de rechten van het kind hebben aangenomen; overwegende dat de handhaving van de bepalingen die ronselen, het gebruik van geronselde kinderen en seksueel geweld tegen en misbruik van kinderen strafbaar stellen, nog steeds een uitdaging vormt;

H.  overwegende dat mensenrechtenverdedigers Mohammad Musa Mahmudi en Ehsanullah Hamidi van de Logar Youth Social and Civil Institution door het Nationaal Directoraat Veiligheid willekeurig zijn aangehouden toen zij op weg waren naar een ontmoeting met de ambassadeur van de EU in Kabul; overwegende dat beiden op 27 november 2019 zijn vrijgelaten en dat hun veiligheid een punt van zorg blijft; overwegende dat beide mensenrechtenverdedigers eerder al via sociale media bedreigingen hebben ontvangen, onder meer van overheidsfunctionarissen; overwegende dat de provinciegouverneur ermee heeft gedreigd hen te bestraffen voor het verspreiden van valse informatie;

I.  overwegende dat mensenrechtenverdedigers in Afghanistan in toenemende mate worden aangevallen door de Afghaanse autoriteiten en gewapende groeperingen en het slachtoffer zijn van pesterijen, intimidatie, bedreigingen en geweld; overwegende dat de Afghaanse regering herhaaldelijk heeft verzuimd een onderzoek in te stellen naar aanvallen op mensenrechtenverdedigers;

1.  betreurt de wijdverbreide en aanhoudende seksuele mishandeling en slavernij van jongens in Afghanistan; betuigt zijn volledige steun voor en solidariteit met de slachtoffers; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de wijdverbreide en diepgewortelde praktijken van seksueel misbruik van jongens, de straffeloosheid van de daders en de kwetsbare positie van de slachtoffers;

2.  neemt kennis van de recente reactie van de Afghaanse autoriteiten en van hun initiatief om een onderzoek in te stellen naar de verantwoordelijken en hen te vervolgen; herinnert de autoriteiten eraan dat de bescherming van kinderen en andere kwetsbare groepen centraal moet staan in alle beleid ter bescherming van de mensenrechten en vraagt de Afghaanse centrale en lokale autoriteiten actieve maatregelen te blijven nemen om een einde te maken aan de “bacha bazi”-praktijken in het land;

3.  betreurt ten zeerste dat er naar verluidt gevallen van seksueel misbruik hebben plaatsgevonden op scholen, gerespecteerde instellingen die vertrouwen genieten, en dat de daders leraren en schoolhoofden waren, die een enorme invloed hebben op hun leerlingen en een grote verantwoordelijkheid dragen voor hun intellectuele en psychologische ontwikkeling;

4.  vraagt de Afghaanse regering de personen die naar verluidt bij gevallen van seksueel misbruik en geweld betrokken zijn geweest, onmiddellijk uit hun functie te ontheffen totdat het onderzoek is afgerond, en de slachtoffers en hun families de nodige medische, psychologische en sociale ondersteuning te geven;

5.  verzoekt het Bureau van de procureur-generaal een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van seksueel misbruik van en geweld tegen jongens in de provincie Logar, en daarbij de rechten van de slachtoffers en hun bescherming te garanderen; herinnert eraan dat het onderzoek, aangezien er ook beschuldigingen zijn geuit aan het adres van personen binnen de nationale overheid, in samenwerking met internationale organen, waaronder de Unama, en op volledig transparante wijze moet worden gevoerd;

6.  dringt er bij de Afghaanse autoriteiten op aan onmiddellijk een beschermings- en meldingsmechanisme in te stellen voor organisaties en verdedigers die schendingen van kinderrechten aan de kaak stellen; dringt er bij de Afghaanse autoriteiten op aan een speciale nationale hulplijn voor slachtoffers van schendingen van kinderrechten op te zetten;

7.  vraagt de Afghaanse autoriteiten ten volle gebruik te maken van de nationale en internationale wetgeving ter bescherming van de rechten van het kind; dringt er bij de Afghaanse autoriteiten op aan het nieuwe Afghaanse wetboek van strafrecht van 2018 en de wet ter bescherming van de rechten van het kind van 2019 volledig ten uitvoer te leggen om ervoor te zorgen dat er volledige verantwoording wordt afgelegd voor gevallen van seksueel misbruik van en geweld tegen kinderen;

8.  dringt er bij de Afghaanse regering op aan een landelijke campagne te starten om de samenleving voor te lichten over het verbod op “bacha bazi” en het recht van minderjarigen om tegen dergelijk fysiek en seksueel misbruik beschermd te worden; benadrukt dat het alleen door een combinatie van wetshandhaving en voorlichting over deze kwestie mogelijk zal zijn om in de Afghaanse samenleving de nodige culturele verandering teweeg te brengen om een einde te maken aan deze praktijk; dringt erop aan dat de prioriteit bij deze inspanningen erin moet bestaan dat de slachtoffers van “bacha bazi”-praktijken niet langer worden gestigmatiseerd en dat wordt voorkomen dat ze door hun gemeenschap worden gemeden, door hun familie worden verstoten of worden vermoord;

9.  prijst het werk van Mohammad Musa Mahmudi, Ehsanullah Hamidi en alle mensenrechtenverdedigers in Afghanistan, die in een van de gevaarlijkste omgevingen ter wereld actief zijn, worden bedreigd door overheids- en niet-overheidsactoren en niet de bescherming krijgen die zij nodig hebben om hun werk te kunnen doen zonder bang te hoeven zijn voor represailles; benadrukt dat de Afghaanse autoriteiten er in alle omstandigheden voor moeten zorgen dat mensenrechtenverdedigers hun mensenrechtenwerkzaamheden kunnen verrichten zonder dat ze worden bedreigd, geïntimideerd of gehinderd;

10.  dringt aan op meer controle en toezicht op de financiële bijstand van de EU aan Afghanistan om ervoor te zorgen dat de verstrekte begrotingssteun daadwerkelijk bijdraagt tot een klimaat dat bevorderlijk is voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten;

11.  dringt er bij de Afghaanse autoriteiten op aan de veiligheid van Mohammad Musa Mahmudi en Ehsanullah Hamidi te garanderen; vraagt de autoriteiten bovendien alle mensenrechtenverdedigers, gewetensbezwaarden en journalisten die gevangen zitten en veroordeeld zijn enkel en alleen omdat ze gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrije meningsuiting en vreedzame vereniging, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten;

12.  verzoekt het Bureau van de procureur-generaal een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen naar de willekeurige detentie van de leden van het maatschappelijk middenveld die zijn gearresteerd nadat zij gevallen van seksueel misbruik en geweld hadden gemeld en die enkele dagen later weer zijn vrijgelaten;

13.  vraagt de EU-lidstaten met diplomatieke missies in Afghanistan en hun ontwikkelingsagentschappen ter plaatse om hulp te verlenen aan de autoriteiten en de plaatselijke actoren van het maatschappelijk middenveld die zich inzetten om een einde te maken aan de “bacha bazi”-praktijken in de Afghaanse samenleving;

14.  vraagt de EU-lidstaten met diplomatieke missies ter plaatse om de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers volledig na te leven en alle nodige steun te verlenen aan mensenrechtenverdedigers die worden vastgehouden, met inbegrip van gevangenisbezoek en waarneming bij hun proces; herinnert eraan hoe belangrijk het is dat de EU-delegatie en de EU-lidstaten de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind en over kinderen en gewapende conflicten volledig naleven;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Afghanistan.

(1) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 85.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0066.


De Russische wet inzake "buitenlandse agenten"
PDF 131kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 december 2019 over de Russische wet inzake buitenlandse agenten (2019/2982(RSP))
P9_TA(2019)0108RC-B9-0258/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland en de betrekkingen tussen de EU en Rusland,

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 23 november 2019 over wijzigingen op de wet inzake buitenlandse agenten in de Russische Federatie, en van 26 november 2017 over de Russische wet die het mogelijk maakt buitenlandse media te registreren als “buitenlandse agent”,

–  gezien de verklaring van 11 december 2019 van de EU-delegatie bij de Raad van Europa over wijzigingen op de wet inzake buitenlandse agenten in de Russische Federatie,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en met name artikel 19 over het recht op vrijheid van mening en meningsuiting en artikel 20 over het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging,

–  gezien de verklaring van de Verenigde Naties over mensenrechtenverdedigers, en met name artikel 13 over de vrijheid van vereniging,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), en met name artikel 22 over het recht op vrijheid van vereniging,

–  gezien het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het Europees Verdrag voor de rechten van de mens),

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de bijbehorende protocollen, en met name artikel 10 over het recht op vrijheid van meningsuiting en artikel 11 over het recht op vrijheid van vereniging en vergadering,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake verdedigers van de mensenrechten,

–  gezien de grondwet van de Russische Federatie, met name hoofdstuk 2 over de rechten en vrijheden van burgers,

–  gezien de verklaring van 20 november 2019 van de vertegenwoordiger van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE) voor mediavrijheid,

–  gezien het advies van 15 juli 2013 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa inzake de “Wetgeving van de Russische Federatie betreffende niet-commerciële organisaties in het licht van de normen van de Raad van Europa”, en het herziene advies inzake de “Wetgeving en praktijk in de Russische Federatie betreffende niet-commerciële organisaties in het licht van de normen van de Raad van Europa: huidige stand van zaken” van 9 juli 2015,

–  gezien het advies van 27 juni 2014 van de Europese Commissie voor democratie middels het recht (Commissie van Venetië) inzake de federale wet betreffende niet-commerciële organisaties (de wet inzake buitenlandse agenten), haar advies van 13 juni 2016 inzake de Russische Federale Wet nr. 129-FZ (betreffende onwenselijke activiteiten van buitenlandse en internationale niet-gouvernementele organisaties), en haar verslag van 18 maart 2019 over de financiering van verenigingen,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het recht op vrijheid van gedachte, meningsuiting, vreedzame vergadering en vereniging is verankerd in de grondwet van de Russische Federatie;

B.  overwegende dat de Russische Federatie ondertekenaar is van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en lid van de Raad van Europa, en zich derhalve heeft verplicht tot eerbiediging van de internationale normen en beginselen van de rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden;

C.  overwegende dat het Russisch Parlement in juli 2012 een wet inzake buitenlandse agenten heeft aangenomen op grond waarvan Russische ngo’s ertoe verplicht worden zich bij het Ministerie van Justitie van de Russische Federatie te registreren als “organisaties die de functie vervullen van buitenlands agent” indien zij buitenlandse financiering ontvangen en zich bezighouden met vaag omschreven “politieke activiteiten”; overwegende dat de wet in juni 2014 is gewijzigd om het Ministerie van Justitie toe te staan ngo’s op eigen initiatief als “buitenlands agent” te registreren; overwegende dat de werkingssfeer van de wet in november 2017 is uitgebreid om het etiket “buitenlands agent” verplicht toe te passen op alle buitenlandse media die direct of indirect buitenlandse financiering ontvangen;

D.  overwegende dat de laatste wijzigingen op de wet inzake buitenlandse agenten, waarmee de status van buitenlands agent kan worden uitgebreid naar particulieren – met inbegrip van bloggers en onafhankelijke journalisten – op 21 november 2019 door het Russische Parlement zijn goedgekeurd en op 2 december 2019 wettelijk zijn bekrachtigd door president Vladimir Poetin; overwegende dat in de wet specifieke vereisten worden vastgesteld voor registratie, boekhouding en de etikettering van publicaties, en niet-naleving een strafbaar feit wordt, waarop sancties kunnen staan die variëren van een hoge administratieve boete tot een gevangenisstraf van maximaal twee jaar;

E.  overwegende dat op grond van deze wet Russen en buitenlanders die samenwerken met of inhoud verspreiden van nieuwskanalen die zijn aangemerkt als buitenlandse agent, zelf ook tot buitenlandse agent worden benoemd, wat niet alleen journalisten en hun bronnen kan blootstellen aan stigmatisering, maar ook mensen die inhoud delen op sociale netwerken, en zo kan leiden tot zelfcensuur, en publicatie of het delen van publicaties kan ontmoedigen;

F.  overwegende dat de Russische wet inzake buitenlandse agenten een schending vormt van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de internationale overeenkomst van de Raad van Europa, waarin onder meer de vrijheid van meningsuiting en mediavrijheid zijn verankerd; overwegende dat Rusland derhalve niet voldoet aan zijn verplichtingen als lid van de Raad van Europa; overwegende dat de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa deze wet onverenigbaar acht met internationale en Europese mensenrechtennormen; overwegende dat de wet inzake buitenlandse agenten een schending vormt van Ruslands verbintenissen als OVSE-lid en ondertekenaar van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens; overwegende dat de EU verwacht dat Rusland, als permanent lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, zich volledig houdt aan de internationale verplichtingen die het is aangegaan;

G.  overwegende dat een aantal mensenrechtenorganisaties en ngo’s, zoals Amnesty International en Human Rights Watch, van oordeel zijn dat de aangepaste wet een nadelig effect zal hebben op het reeds restrictieve klimaat voor onafhankelijke journalistiek in Rusland, waardoor de vrijheid van meningsuiting verder wordt ondermijnd; overwegende dat kwaliteitsvolle media die onafhankelijk zijn van regerings- of regeringsgezinde structuren, samenwerken met vele Russische correspondenten in het hele land en in afgelegen regio’s vaak de enige bron van betrouwbare informatie en een alternatief voor de staatsmedia zijn, het doelwit vormen van de wet, die een belemmering vormt voor hun werkzaamheden en voor de toegang tot onpartijdige verslaggeving;

H.  overwegende dat juridische beperkingen en gerichte vervolgingen in het kader van de wet inzake buitenlandse agenten de afgelopen maanden in Rusland repressievere vormen heeft aangenomen, waardoor de toegang van de media en het maatschappelijk middenveld tot onafhankelijke financiering wordt beperkt, hun reputatie wordt bezoedeld en hun activiteiten worden belemmerd; overwegende dat dit leidt tot een beperking van de uitoefening van fundamentele vrijheden en de speelmarge voor onafhankelijke en dissidente spelers op het Russische toneel verkleint;

I.  overwegende dat de wet inzake buitenlandse agenten deel uitmaakt van een bredere campagne om afwijkende meningen, de oppositie en het maatschappelijk middenveld in heel Rusland de mond te snoeren; overwegende dat de steeds kleiner wordende speelmarge voor Ruslands onafhankelijke maatschappelijke middenveld meer ruimte laat voor niet-onafhankelijke, door de regering georganiseerde non-gouvernementele organisaties (gongo’s); overwegende dat de Russische regering gongo’s gebruikt om haar eigen beleid te promoten en de schijn op te houden van een onafhankelijk maatschappelijk middenveld;

J.  overwegende dat de wet tot dusver voornamelijk gericht is tegen ngo’s; overwegende dat in totaal zo’n tachtig ngo’s in het kader van deze wet zijn aangemerkt als buitenlandse agent, waaronder praktisch alle vooraanstaande mensenrechten-ngo’s in Rusland; overwegende dat 49 Russische ngo’s in beroep zijn gegaan bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met als argument dat de wet inzake buitenlandse agenten in strijd is met meerdere mensenrechten, waaronder die betreffende de vrijheid van meningsuiting en vereniging, waarbij zij protest aantekenen tegen de kwaliteit van de wet, het feit dat zij vervolgd worden omdat zij weigeren zich als buitenlandse agent te registreren, en buitensporige staatscontrole;

K.  overwegende dat sinds 2014 tientallen organisaties die zich bezighouden met milieukwesties onder dwang op de lijst van buitenlandse agenten zijn geplaatst, ondanks de uitspraak van het Russische Grondwettelijk Hof dat milieuorganisaties uitdrukkelijk van de werkingssfeer van deze wet zijn uitgesloten; overwegende dat veel van de getroffenen de deuren hebben moeten sluiten om te vermijden dat zij als buitenlandse agent zouden worden aangemerkt of omdat zij de boetes niet konden betalen;

L.  overwegende dat het afgelopen decennium een alarmerende mondiale tendens is ontstaan, waarbij een toenemend aantal landen wetten invoert en handhaaft om afbreuk te doen aan het recht op de vrijheid van meningsuiting, wat ook raakt aan de vrijheid om informatie en ideeën te ontvangen en te delen zonder inmenging van publieke autoriteiten en ongeacht grenzen, en aan de vrijheid van vereniging en vergadering; overwegende dat dergelijke wetten het werk van organisaties en personen uit het maatschappelijk middenveld belemmeren;

M.  overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in verschillende uitspraken heeft benadrukt dat de rol van ngo’s als publieke waakhond essentieel is voor een democratische samenleving, van even groot belang als de rol van de media;

N.  overwegende dat de legitieme doelstelling om te zorgen voor transparantie van ngo’s die buitenlandse financiering ontvangen geen rechtvaardiging is voor maatregelen die een belemmering vormen voor de werkzaamheden van ngo’s die actief zijn op het gebied van de democratie, mensenrechten en de rechtsstaat;

1.  verzoekt de Russische autoriteiten de wet inzake buitenlandse agenten onmiddellijk in te trekken en de bestaande wetgeving in overeenstemming te brengen met de Russische grondwet en de verplichtingen die voortvloeien uit het internationaal recht; dringt er bij de Russische Federatie op aan te stoppen met het opzettelijk creëren van een voor het maatschappelijk middenveld vijandig klimaat en veroordeelt de toepassing van de wet inzake buitenlandse agenten met het oog op de onderdrukking en intimidatie van maatschappelijke organisaties die samenwerken met buitenlandse donoren of politieke standpunten uiten;

2.  veroordeelt de onlangs goedgekeurde wijzigingen op de wet inzake buitenlandse agenten, waardoor de werkingssfeer van de wet aanzienlijk wordt uitgebreid en ook particulieren kunnen worden gestigmatiseerd als buitenlandse agent; overwegende dat dit een schending inhoudt van hun mensenrechten, met name op de vrijheid van meningsuiting en van vereniging, dat hun engagement en bijdrage aan het Russische maatschappelijk middenveld hierdoor worden beperkt en dat hun persoonlijke veiligheid door het opgelegde stigma in het gedrang komt;

3.  veroordeelt de aanhoudende inspanningen van de Russische autoriteiten om online en offline debat en onafhankelijke journalistiek in te perken; brengt in herinnering dat de vrijheid van meningsuiting een fundamenteel mensenrecht is dat ten grondslag ligt aan alle andere mensenrechten en maatschappelijke ontwikkeling en vooruitgang mogelijk maakt; verzoekt de Russische Federatie te erkennen dat een levendig en actief maatschappelijk middenveld een gunstige bijdrage levert aan de democratie en de samenleving;

4.  meent dat deze wet en de buitensporige oplegging van boetes aan de media, mensenrechtenorganisaties en het maatschappelijk middenveld erop gericht zijn ze te dwingen hun middelen te besteden aan het betalen van boetes en juridische bijstand, en zo hun vrijheid van meningsuiting te beperken; maakt zich ernstige zorgen over het feit dat mensenrechtenorganisaties en -activisten stelselmatig het doelwit zijn, waardoor de situatie van de mensenrechten in Rusland verder verslechtert; veroordeelt onder meer de opheffing van de historisch belangrijke beweging “For Human Rights”;

5.  maakt zich zorgen over het risico op selectieve toepassing van de wet om zich te richten op concrete personen, in het bijzonder onafhankelijke journalisten en leden van de politieke oppositie, vanwege het gebrek aan duidelijke criteria en rechtsonzekerheid over de gronden en gevolgen van toepassing van de wet op gewone burgers; verzoekt de Russische autoriteiten een kader vast te stellen voor activiteiten van niet-commerciële organisaties (ngo’s) dat duidelijk, samenhangend en consistent is en in overeenstemming met de Europese en internationale normen, met name door duidelijke definities te hanteren, het gebruik van stigmatiserende termen zoals “buitenlandse agent” of discriminerende wettelijke bepalingen met betrekking tot de bronnen van financiering te vermijden, en door te voorkomen dat ngo’s, media en bloggers of particulieren die activiteiten verrichten voor ngo’s of de media strafrechtelijk worden vervolgd; uit zijn zorgen over de verdringing van onafhankelijke maatschappelijke organisaties door door de regering georganiseerde ngo’s; is met name verontrust over de situatie rondom Anastasiya Shevchenko in Rostov-on-Don;

6.  is sterk gekant tegen de methoden van de Russische autoriteiten om de staatsmacht te gebruiken voor het onderdrukken van de vrijheid van meningsuiting en daarbij angst te zaaien in de samenleving; verzoekt de Russische autoriteiten om de onpartijdigheid van mediakanalen te ondersteunen, met inbegrip van de kanalen die in handen zijn van Russische overheidsbedrijven, en om de veiligheid en arbeidsomstandigheden van journalisten in Rusland te verbeteren, onder meer door hun professionele vaardigheden aan te scherpen door gebruik te maken van bestaande internationale programma’s; onderstreept dat efficiënte rechtsmiddelen moeten worden gewaarborgd voor journalisten van wie de professionele vrijheid wordt bedreigd, om zelfcensuur te voorkomen;

7.  looft en betuigt zijn steun aan alle personen en organisaties die hun legitieme en vreedzame werkzaamheden voor de mensenrechten blijven voortzetten, ondanks de aanhoudende onderdrukking; verzoekt de Russische autoriteiten met klem een einde te maken aan de intimidatie en aanvallen die gericht zijn tegen het maatschappelijk middenveld, de media, mensenrechtenorganisaties en -verdedigers; veroordeelt het feit dat de Russische autoriteiten het nalaten deze spelers te beschermen tegen aanvallen en intimidatie door derden of deze aanvallen onpartijdig te onderzoeken;

8.  merkt op dat het Russische register van buitenlandse agenten tien mediakanalen bevat, die allen verband houden met Radio Free Europe of Voice of America; brengt in herinnering dat de Russische regering andere buitenlandse media heeft bekritiseerd voor het berichten over de betogingen in het land;

9.  verwacht van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de Raad en de Commissie dat zij in hun contacten, bijeenkomsten en communicatie met de Russische vertegenwoordigers, ook op het hoogste niveau, uiting geven aan hun zorgen over de wet inzake buitenlandse agenten, en vraagt hun verslag uit te brengen aan het Parlement over hun uitwisselingen met de Russische autoriteiten;

10.  verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten opnieuw om de mensenrechtensituatie in de Russische Federatie nauwlettend te blijven volgen, en vraagt de EU-delegatie in Rusland en de ambassades van de lidstaten rechtszaken van maatschappelijke organisaties en activisten in het oog te houden; verzoekt de VV/HV en de EDEO daarnaast erop toe te zien dat de zaken van personen die om politieke redenen worden vervolgd in hun contacten met de Russische autoriteiten worden aangekaart en dat de Russische vertegenwoordigers daarbij formeel om een reactie worden verzocht; verzoekt de VV/HV en de EDEO verslag uit te brengen aan het Parlement over hun uitwisselingen met de Russische autoriteiten;

11.  verzoekt de VV/HV iedere mogelijkheid te benutten om steun te bieden aan het maatschappelijk middenveld, dat ijvert voor democratische waarden, de rechtsstaat, fundamentele vrijheden en mensenrechten in Rusland, en om de interpersoonlijke contacten met Russische burgers te versterken;

12.  vraagt de EU-lidstaten de kwestie van de wet inzake buitenlandse agenten aan te kaarten bij de instellingen van de Raad van Europa, in het bijzonder binnen het Comité van ministers en binnen de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PACE); verzoekt de Commissie van Venetië zich over de gewijzigde wet inzake buitenlandse agenten te buigen om een juridisch advies en passende aanbevelingen uit te brengen; verzoekt de Russische autoriteiten alle aanbevelingen van de Commissie van Venetië van Raad van Europa volledig ten uitvoer te leggen, in overeenstemming met Ruslands internationale verplichtingen in dit verband; verzoekt de EU-lidstaten binnen de OVSE-fora permanent druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten om te voldoen aan de OVSE-normen op het gebied van mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

13.  moedigt de EU aan om Rusland te blijven vragen alle wetten en verordeningen die niet stroken met internationale normen in te trekken of aan te passen; verzoekt de VV/HV een nieuwe alomvattende strategie EU-Rusland uit te werken die gericht is op het consolideren van vrede en stabiliteit; herhaalt dat elke vorm van dialoog gebaseerd moet zijn op resolute beginselen, waaronder de eerbiediging van het internationaal recht en de territoriale integriteit van de buurlanden van Rusland; onderstreept dat de sancties tegen Rusland alleen kunnen worden opgeheven wanneer het land volledig aan zijn verplichtingen voldoet;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, de OVSE, alsook de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie.


Herdenking van de Roemeense revolutie die dertig jaar geleden plaatsvond, in december 1989
PDF 120kWORD 43k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 december 2019 over de herdenking van de Roemeense revolutie die dertig jaar geleden in december 1989 plaatsvond (2019/2989(RSP))
P9_TA(2019)0109B9-0241/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de universele beginselen van mensenrechten en de fundamentele beginselen van de Europese Unie als een gemeenschap gebaseerd op gedeelde waarden,

–  gezien de Universele verklaring van de rechten van de mens, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948,

–  gezien zijn resolutie van 19 september 2019 over het belang van Europese herinnering voor de toekomst van Europa(1),

–  gezien de resoluties en verklaringen over de misdaden van totalitaire communistische regimes die door een aantal nationale parlementen zijn aangenomen,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in 2019 herdacht wordt dat 30 jaar geleden de Roemeense revolutie uitbrak met de opstand in Timișoara, die later oversloeg op alle delen van het land en culmineerde in een antitotalitaire revolutie in Boekarest, waarmee het communistische regime ten val kwam en uiteindelijk de democratie werd ingevoerd; overwegende dat deze revolutie voor de Roemeense bevolking de overgang naar vrijheid en de rechtsstaat inluidde, maar dat daarbij op tragische wijze 1 142 personen om het leven zijn gekomen, 3 138 personen ernstig gewond zijn geraakt en meer dan 760 personen illegaal gedetineerd en gemarteld zijn;

B.  overwegende dat de Roemeense revolutie van december 1989 de gewelddadigste was van alle opstanden die in de landen achter het IJzeren Gordijn leidden tot de val van het communisme;

C.  overwegende dat de revolutie van december 1989 en de opoffering van de Roemeense burgers die moedig standhielden in de vuurlinie, de weg vrijmaakten voor de Roemeense toetreding tot de NAVO, de Europese Unie en de democratische wereld, waaruit het land na het einde van de Tweede Wereldoorlog tegen de wil van de Roemeense bevolking weggerukt was;

D.  overwegende dat het gebruik van geweld tegen de Roemeense bevolking in december 1989 de gehele Roemeense samenleving tot op het bot heeft geschokt en dat de identificering van de eigenlijke daders van deze misdrijven nog altijd een kwellende, onopgeloste vraag is voor de slachtoffers, voor hun familie en voor alle Roemeense burgers;

E.  overwegende dat militaire agressie jegens de eigen bevolking niet onbestraft mag blijven;

F.  overwegende dat in de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (de Vereniging “21 december 1989” e.a./Roemenië; Acatrinei e.a./Roemenië; Șandru e.a./ Roemenië) erkend wordt dat tijdens de revolutie de grondrechten op grote schaal geschonden zijn, waaronder het recht op leven, het verbod op foltering en onmenselijke of onterende behandeling, en het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, en dat deze schendingen zijn begaan door troepenmachten van het communistische dictatoriale regime, die het vuur openden op vreedzame demonstranten en die een groot aantal mensen die tegen de onderdrukking door Ceaușescu demonstreerden van hun vrijheid beroofden; overwegende dat de slachtoffers en hun nabestaanden na zoveel jaren nog steeds niet de ware toedracht van deze tragedies hebben vernomen;

G.  overwegende dat de waarden waarop de Unie berust eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten zijn, zoals neergelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; overwegende dat alle lidstaten deze waarden delen;

H.  overwegende dat de Roemeense staat de openbaarmaking van de ware toedracht onnodig heeft vertraagd, die echter van cruciaal belang is om het recht van de slachtoffers en hun nabestaanden op billijke schadevergoeding en schadeloosstelling te waarborgen; overwegende dat de nationale autoriteiten niet met de nodige zorgvuldigheid gehandeld hebben, die evenwel vereist is in het kader van de internationale normen voor de mensenrechten;

1.  herdenkt en eert de slachtoffers van de revolutie van december 1989, die hun leven opofferden voor de omverwerping van de totalitaire dictatuur in Roemenië, alsmede hun familieleden;

2.  erkent dat de opoffering van de vreedzame demonstranten van december 1989 de weg heeft vrijgemaakt voor de overgang van Roemenië naar democratie, de rechtsstaat en de totstandbrenging van een markteconomie, alsook voor de daaropvolgende integratie van het land in het Noord-Atlantisch Bondgenootschap en de Europese Unie;

3.  verzoekt de Roemeense staat meer inspanningen te leveren om de ware toedracht van de gebeurtenissen tijdens de revolutie aan het licht te brengen, hetgeen absoluut noodzakelijk is voor het land, de Roemeense bevolking, Europa en de Europese Unie, aangezien de Roemeense bevolking 30 jaar na de revolutie van december 1989 recht op de waarheid heeft;

4.  verzoekt de instellingen van de Europese Unie en haar lidstaten, waaronder Roemenië, alles te doen wat binnen hun macht ligt om de herinnering aan de misdrijven van de communistische regimes levend te houden, en erop toe te zien dat dergelijke misdrijven nooit meer zullen worden begaan;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van alle lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0021.


Situatie van de Oeigoeren in China ("China Cables")
PDF 138kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 december 2019 over de situatie van de Oeigoeren in China (China Cables) (2019/2945(RSP))
P9_TA(2019)0110RC-B9-0246/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in China, in het bijzonder die van 18 april 2019 over China, met name de situatie van religieuze en etnische minderheden(1), die van 4 oktober 2018 over massale willekeurige detentie van Oeigoeren en Kazakken in de Oeigoerse autonome regio Xinjiang(2), die van 12 september 2018 over de stand van de betrekkingen tussen de EU en China(3), die van 15 december 2016 over de zaak rond het boeddhistische opleidingsinstituut Larung Gar in Tibet en rond Ilham Tohti(4), die van 10 maart 2011 over de situatie en het cultureel erfgoed in Kashgar (Autonome Regio Xinjiang Oeigoer, China)(5), en die van 26 november 2009 over China: de rechten van minderheden en de toepassing van de doodstraf(6),

–  gezien zijn besluit om de Sacharovprijs 2019 toe te kennen aan Ilham Tohti, een Oeigoerse econoom die vreedzaam strijdt voor de rechten van de Oeigoerse minderheid in China,

–  gezien de gezamenlijke verklaring naar aanleiding van de 21e top van de EU en China op 9 april 2019,

–  gezien de 37e mensenrechtendialoog EU-China, gehouden in Brussel op 1 en 2 april 2019,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 12 maart 2019 getiteld “EU en China - een strategische visie” (JOIN(2019)0005),

–  gezien de op 24 juni 2013 door de Raad Buitenlandse Zaken aangenomen richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 26 oktober 2018 over de situatie in Xinjiang,

–  gezien het besluit van de Raad Buitenlandse Zaken van 9 december 2019 over de start van de voorbereidingen voor een horizontale sanctieregeling om ernstige schendingen van de mensenrechten aan te pakken,

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen(7),

–  gezien de mondelinge verklaring betreffende punt 4 die de EU tijdens de 39e bijeenkomst van de VN-Mensenrechtenraad op 18 september 2018 heeft afgelegd, en de verklaringen van het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Finland en Canada, waarin zij hun bezorgdheid uiten over de willekeurige detentie van Oeigoeren in kampen in Xinjiang,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over de mensenrechtenschendingen in Xinjiang van de permanente vertegenwoordiger van het VK bij de VN namens 23 landen, waaronder 14 lidstaten van de EU, in de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie op 29 oktober 2019,

–  gezien artikel 36 van de grondwet van de Volksrepubliek China, waarin het recht van alle burgers op vrijheid van religie en geloof wordt gewaarborgd, en artikel 4 van diezelfde grondwet, waarin de rechten van “minderheidsnationaliteiten” worden bevestigd,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966, dat China in 1998 heeft ondertekend maar niet heeft geratificeerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de leidende richtsnoeren van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten van 2011,

–  gezien de slotopmerkingen van het verslag over China van de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat de kern moeten blijven uitmaken van het beleid van de EU ten aanzien van China, in overeenstemming met het engagement van de EU om deze waarden in haar extern optreden uit te dragen en het feit dat China toegezegd heeft zich bij zijn eigen ontwikkeling en in het kader van internationale samenwerking aan deze waarden te zullen houden;

B.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in China sinds het aantreden van president Xi Jinping in maart 2013 steeds verder achteruitgaat; overwegende dat de regering steeds harder optreedt tegen vreedzaam protest en minder ruimte laat voor de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, en de rechtsstaat; overwegende dat honderden mensenrechtenactivisten, advocaten en journalisten door de Chinese autoriteiten zijn opgepakt en worden vervolgd;

C.  overwegende dat de situatie in de Oeigoerse Autonome Regio Xinjiang, waar meer dan 10 miljoen islamitische Oeigoeren en etnische Kazakken wonen, de afgelopen jaren snel achteruit is gegaan, met name sinds de start van een campagne om hard op te treden tegen gewelddadig terrorisme in 2014, aangezien de Chinese autoriteiten het verkrijgen van controle over Xinjiang een topprioriteit hebben gemaakt, ingegeven door instabiliteit en de vermeende bedreigingen voor de veiligheid in Xinjiang door Oeigoeren, alsmede door de strategische locatie van Xinjiang voor het “Belt and Road”-initiatief, dat vergezeld gaat van ambitieuze doelstellingen voor textiel en andere arbeidsintensieve industriële producten; overwegende dat de strijd van de Chinese regering tegen terrorisme in Xinjiang steeds meer begint te lijken op een strijd tegen religie en etnische identiteit; overwegende dat er berichten zijn dat het kampsysteem van Xinjiang inmiddels ook in andere delen van China zou worden toegepast;

D.  overwegende dat de Chinese autoriteiten een steeds intensievere campagne voeren van massale internering, indringend digitaal toezicht (met inbegrip van gezichtsherkenningstechnologie en gegevensverzameling), politieke indoctrinatie en gedwongen culturele assimilatie; overwegende dat er bovendien betrouwbare informatie is dat Oeigoeren en andere in hoofdzaak islamitische etnische minderheden in de Oeigoerse Autonome Regio Xinjiang het slachtoffer zijn van willekeurige detentie, foltering, ernstige beperking van de religieuze praktijk en cultuur, en van een geautomatiseerd bewakingssysteem dat zo ingrijpend is dat elk aspect van het dagelijks leven wordt gecontroleerd (via gezichtsherkenningscamera’s, mobiele telefoonscans, inzameling van DNA, en een uitgebreide en opdringerige politieaanwezigheid);

E.  overwegende dat verschillende betrouwbare bronnen schatten dat ongeveer een miljoen mensen voor onbepaalde tijd willekeurig gevangen gehouden wordt in zogeheten “politieke heropvoedingscentra”, onder het voorwendsel van de bestrijding van terrorisme en religieus extremisme; overwegende dat deze heropvoedingscentra ook wel “beroepsopleidingscentra” worden genoemd; overwegende dat dit momenteel de grootste massale detentie van een etnische minderheid ter wereld is; overwegende dat de behandeling en omstandigheden in deze kampen door een aantal voormalige gedetineerden worden beschreven als overvol en onhygiënisch, met voedselgebrek, mishandeling en seksueel misbruik; overwegende dat er meldingen zijn van jonge kinderen die, zelfs als slechts een van de beide ouders in een interneringskamp zit, in staatsweeshuizen worden geplaatst; overwegende dat in sommige heropvoedingskampen naar verluidt fabrieken gevestigd zijn waar goederen voor de export worden vervaardigd;

F.  overwegende dat de zogeheten “China Cables”, die in november 2019 gepubliceerd zijn, een onderzoek zijn naar de surveillance en de massale internering zonder enige tenlastelegging of vorm van proces van Oeigoeren en andere moslimminderheden in de Chinese provincie Xinjiang, op basis van gelekte vertrouwelijke documenten van de Chinese regering; overwegende dat het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten deze geheime documenten via een netwerk van Oeigoeren in ballingschap heeft ontvangen, en dat de authenticiteit ervan door verschillende vooraanstaande deskundigen is bevestigd; overwegende dat de gepubliceerde documenten vertrouwelijke informatie van de Chinese regering bevatten en aan het licht brengen hoe de kampen georganiseerd zijn, hoe ernstig de situatie in de kampen is en hoe wreed het regime is dat de dagelijkse routine van de gedetineerden bepaalt; overwegende dat de documenten onthullen dat China stelselmatig honderdduizenden moslims hersenspoelt in een netwerk van zwaar beveiligde detentiekampen en dat er een georganiseerd systeem van grootschalige surveillance en voorspellend politiewerk bestaat in Xinjiang; overwegende dat hiermee de bevindingen van deskundigen op basis van tijdens de voorbije jaren gepubliceerde satellietbeelden, informatie en ooggetuigenverslagen worden bevestigd; overwegende dat de Chinese regering altijd heeft beweerd dat in de kampen onderwijs en opleiding werd geboden waar men vrijwillig aan kon deelnemen; overwegende dat de China Cables-documenten ondubbelzinnig aantonen dat al in april 2014 op het hoogste politieke niveau de grondslag werd gelegd voor de repressieve maatregelen ten aanzien van, onder andere, Oeigoeren en Kazakken;

G.  overwegende dat de detentie en de vervolging van de Oeigoeren en andere islamitische minderheden in Xinjiang velen heeft gedwongen de communicatie met hun familie en vrienden in het buitenland, waaronder Europa, stop te zetten uit angst voor represailles door de autoriteiten;

H.  overwegende dat de onderdrukking nog sterker is geworden sinds de regelgeving inzake religieuze vraagstukken in februari 2018 in werking is getreden, waardoor de activiteiten van religieuze groepen werden ingeperkt en zij gedwongen zijn zich te conformeren aan het partijbeleid; overwegende dat openbare of zelfs besloten demonstraties van religieuze of culturele aard op grond van deze regelgeving als extremistisch kunnen worden beschouwd; overwegende dat de nieuwe regels een bedreiging vormen voor personen die in contact staan met religieuze gemeenschappen die in het land geen legale status hebben; overwegende dat religieuze gemeenschappen steeds meer onderdrukt worden in China, waardoor het land een van de grootste populaties van religieuze gevangenen ter wereld huisvest;

I.  overwegende dat de Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie van de Verenigde Naties de regering van de Volksrepubliek China in augustus 2018 ter verantwoording heeft geroepen voor de misstanden in Xinjiang, waaronder de oprichting van kampen waar mensen op grote schaal willekeurig worden vastgehouden; overwegende dat Michelle Bachelet, de hoge commissaris voor mensenrechten van de Verenigde Naties, in september 2018, in haar eerste toespraak ooit als hoge commissaris, gewezen heeft op de “zeer verontrustende beschuldigingen van de grootschalige willekeurige detentie van Oeigoeren en andere islamitische gemeenschappen in zogenaamde heropvoedingskampen in Xinjiang”; overwegende dat de Chinese regering de verzoeken van de VN-werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en andere speciale VN-procedures om onafhankelijke onderzoekers naar Xinjiang te sturen en toegang tot deze kampen te verlenen, stelselmatig heeft afgewezen;

J.  overwegende dat de interneringskampen in Xinjiang op korte tijd sterk zijn uitgebreid na de benoeming van Chen Quanguo tot regionaal partijleider in augustus 2016; overwegende dat de gouverneur van Xinjiang, Shohrat Zakir, in december 2019 heeft verklaard dat alle 1,5 miljoen mensen uit heropvoedings- en interneringskampen zijn “teruggekeerd naar de samenleving”, zonder hier enig bewijs van te leveren;

K.  overwegende dat leden van Chinese minderheidsgemeenschappen in de EU door de Chinese autoriteiten worden geïntimideerd; overwegende dat Oeigoeren die in het buitenland verblijven vaak onder druk worden gezet om naar China terug te keren; overwegende dat de China Cables-documenten expliciete instructies bevatten om Oeigoeren die buitenlands staatsburger zijn te arresteren, en Oeigoeren uit Xinjiang die in het buitenland wonen op te sporen, en overwegende dat sommigen van hen door autoritaire regeringen zijn teruggestuurd naar China; overwegende dat de documenten aantonen dat Chinese ambassades hierbij een belangrijke rol hebben gespeeld;

L.  overwegende dat het Amerikaanse Congres op 4 december 2019 een wet over de mensenrechten van de Oeigoeren (“Uyghurs Human Rights Policy Act”) heeft aangenomen, waarin de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken wordt opgeroepen onverwijld maatregelen ter bescherming van de mensenrechten te nemen en krachtens de wereldwijde Magnitski-wet economische en visumsancties te overwegen tegen ambtenaren van de Volksrepubliek China die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Xinjiang, alsook de Oeigoeren die in de VS wonen bescherming te bieden tegen intimidatie en vervolging door China;

M.  overwegende dat de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken in 2019 is toegekend aan de Oeigoerse econoom Ilham Tohti, die op 23 september 2014 tot een levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld voor vermeend separatisme, nadat hij in januari van hetzelfde jaar was gearresteerd; overwegende dat zeven van zijn voormalige studenten ook werden aangehouden en werden veroordeeld tot gevangenisstraffen gaande van drie tot acht jaar voor vermeende collaboratie met de heer Tohti; overwegende dat Ilham Tohti separatisme en geweld altijd heeft verworpen en heeft gestreefd naar verzoening op basis van respect voor de Oeigoerse cultuur;

N.  overwegende dat de EU in haar strategisch kader voor mensenrechten en democratie belooft om op alle onderdelen van haar extern optreden méér te doen voor het bevorderen van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat, en de mensenrechten een centrale plaats te geven in haar betrekkingen met alle derde landen, waaronder haar strategische partners;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het steeds repressievere regime waarmee Oeigoeren en andere islamitische etnische minderheden geconfronteerd worden, en eist dat de autoriteiten hun fundamentele vrijheden eerbiedigen, zoals door betrouwbare bronnen aanbevolen wordt; veroordeelt met klem het feit dat honderdduizenden Oeigoeren en etnische Kazakken naar politieke “heropvoedingskampen” worden gestuurd op basis van een systeem van voorspellend politiewerk, onder meer wegens reizen naar het buitenland of veronderstelde te grote religieuze devotie; verzoekt de Chinese autoriteiten in Xinjiang informatie te verstrekken over de verblijfplaats en medische conditie van diegenen die zich in detentie bevinden; dringt er bij de Chinese regering op aan onmiddellijk een einde te maken aan de willekeurige detentie, zonder enige vorm van tenlastelegging, proces of veroordeling voor strafbare feiten, van leden van de Oeigoerse en Kazakse minderheid, alle kampen en detentiecentra te sluiten, en de gedetineerden onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; beklemtoont dat detentie in elke vorm, wanneer toegepast in overtreding van de fundamentele regels van het volkenrecht, de vervolging van individuen of groepen op etnische, culturele of religieuze gronden, en andere onmenselijke daden resulterend in groot lijden of ernstige verwonding, wanneer gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval op burgers, onacceptabel zijn binnen het internationale wettelijke kader;

2.  dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan de Oeigoerse academicus Ilham Tohti en alle andere mensenrechtenverdedigers, activisten, advocaten, journalisten en andere medestanders die gevangen werden genomen louter vanwege de vreedzame uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, en vraagt dat een einde gemaakt wordt aan de aanhoudende onderdrukking middels detentie en gerechtelijke en andere intimidatie; verzoekt de Chinese regering ervoor te zorgen dat zij regelmatig en zonder enige beperking contact kunnen hebben met hun familieleden en de advocaten van hun keuze, en te waarborgen dat noch zij, noch hun familieleden of advocaten aan foltering of andere vormen van mishandeling worden onderworpen; dringt erop aan dat de omstandigheden van alle personen in detentie moeten voldoen aan de normen in het document “Body of Principles for the Protection of All Persons under Any Form of Detention or Imprisonment” in Resolutie 43/173 van 9 december 1988 van de Algemene Vergadering van de VN, waaronder hetgeen daarin staat over de toegang tot medische zorg; dringt aan op een snel, doeltreffend en onpartijdig onderzoek naar de vermeende foltering van Ilham Tohti, en op het ter verantwoording roepen van de verantwoordelijken;

3.  roept de Chinese autoriteiten nogmaals op om onafhankelijke journalisten en internationale waarnemers, waaronder de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN en de mandaathouders van de speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad, vrije, betekenisvolle en ongehinderde toegang tot de Oeigoerse Autonome Regio Xinjiang te geven; stelt vast dat er tussen de EU en China een scheve verhouding bestaat inzake perstoegang en -vrijheid; verzoekt China om EU-media dezelfde rechten en toegang te verlenen die Chinese media in de EU-lidstaten genieten; is van oordeel dat de EU en de lidstaten tijdens de volgende zitting van de VN-Mensenrechtenraad het voortouw moeten nemen bij een resolutie om een onderzoeksmissie naar Xinjiang te sturen;

4.  geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de berichten dat Oeigoeren in het buitenland door de Chinese autoriteiten worden geïntimideerd om hen ertoe aan te zetten om als informant op te treden tegen andere Oeigoeren, om naar Xinjiang terug te keren of om te zwijgen over de situatie daar, waarbij soms familieleden gevangen worden gehouden; dringt er bij de Commissie en alle EU-lidstaten op aan deze berichten onverwijld te onderzoeken, gerichte maatregelen te nemen om de bescherming van de leden van de diaspora van Xinjiang in hun respectieve landen te waarborgen, en de behandeling van asielaanvragen van Oeigoeren en andere etnisch-Turkse moslims te bespoedigen; is verheugd over het besluit van bepaalde lidstaten om de terugkeer van alle etnische Oeigoeren, Kazakken of andere etnisch-Turkse moslims naar China op te schorten, gezien het risico op willekeurige detentie, foltering en andere vormen van mishandeling, en vraagt de andere lidstaten dit voorbeeld te volgen;

5.  merkt bezorgd op dat het essentiële belang van “langetermijnstabiliteit” in Xinjiang voor het welslagen van het “Belt and Road”-initiatief ertoe heeft geleid dat reeds lang bestaande controlestrategieën werden geïntensiveerd middels de toepassing van diverse technologische innovaties en een snelle verhoging van de uitgaven voor binnenlandse veiligheid, en dat antiterreurmaatregelen worden aangewend om protest en dissidenten te criminaliseren via de toepassing van een ruime definitie van “terrorisme”; is uitermate bezorgd over de maatregelen die de Chinese staat neemt om een “alomvattend toezicht” op de regio te verzekeren, zoals de installatie van het elektronisch toezichtsysteem “Skynet” in grote stedelijke gebieden, de installatie van gps-trackers in alle motorvoertuigen, het gebruik van gezichtsherkenningsscanners op controlepunten, op treinstations en bij tankstations, en de inzameling van bloed door de politie in Xinjiang om de DNA-database van China verder uit te breiden; is daarnaast bezorgd over het feit dat China dergelijke technologieën ook exporteert naar autoritaire regimes elders in de wereld;

6.  vindt het uiterst zorgwekkend dat er berichten circuleren over de inzet – in de toeleveringsketen van Europese ondernemingen die zaken doen in Xinjiang – van dwangarbeiders uit de interneringskampen, alsook over samenwerking met de Chinese organen die betrokken zijn bij de grootschalige surveillance of de detentie van Oeigoeren; benadrukt dat actoren uit de particuliere sector hun activiteiten in Xinjiang moeten beoordelen, en met name hun toeleveringsketens moeten controleren, om te verzekeren dat zij niet betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen, onder meer door een robuust stelsel van zorgvuldigheidseisen op het gebied van de mensenrechten in te voeren, om te waarborgen dat zij niet betrokken zijn bij dwangarbeid of medeplichtig zijn aan de onderdrukking van de Oeigoerse bevolking; benadrukt dat producten die worden geproduceerd in heropvoedingskampen, van de EU-markt moeten worden geweerd;

7.  dringt er bij de Chinese regering op aan onmiddellijk een lijst te publiceren van alle gevangenen en van alle mensen die inmiddels zijn vrijgelaten, en alle gegevens van vermiste personen in Xinjiang aan hun familieleden vrij te geven;

8.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om de Chinese regering ertoe te brengen de kampen te sluiten en een eind te maken aan alle mensenrechtenschendingen in Xinjiang, en de taalkundige, culturele, religieuze en andere fundamentele vrijheden van de Oeigoeren te eerbiedigen; dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de EDEO en de lidstaten op aan de zorgwekkende ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechten in Xinjiang, zoals toenemende onderdrukking en controle van de overheid, intensiever te volgen, en zich zowel tijdens privégesprekken als publiekelijk uit te spreken tegen mensenrechtenschendingen in China, ook op het hoogste niveau; spreekt zijn teleurstelling uit over het feit dat de 37e ronde van de mensenrechtendialoog tussen de EU en China geen wezenlijke resultaten heeft opgeleverd, ook al had de EU het systeem van politieke heropvoedingskampen als een zorgwekkende ontwikkeling ter sprake gebracht; betreurt het dat de aanpak en de door de EU gehanteerde instrumenten tot nu toe niet hebben geresulteerd in concrete vooruitgang op het vlak van de mensenrechten in China, en dat de toestand de afgelopen tien jaar enkel verslechterd is; verzoekt de VV/HV aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de omvang en aard van het interneringskampsysteem en naar de talloze beschuldigingen van ernstige en stelselmatige mensenrechtenschendingen; verzoekt de nieuwe Commissie met klem een alomvattende EU-strategie te ontwikkelen en toe te passen, teneinde daadwerkelijke vooruitgang te boeken wat de mensenrechtensituatie in China betreft;

9.  onderstreept dat de EU en China in hun gezamenlijke verklaring aan het einde van de 21e top tussen de EU en China hebben bevestigd dat alle mensenrechten universeel, ondeelbaar, onderling afhankelijk en aan elkaar gerelateerd zijn; onderstreept dat de bevordering van de mensenrechten en de rechtsstaat een essentieel onderdeel moet blijven van de betrekkingen van de EU met China;

10.  roept de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap op een aantal manieren te overwegen om een einde te maken aan de uitvoer en technologieoverdracht van goederen en diensten die door China worden gebruikt om zijn systeem van cyberbewaking te verbeteren, door effectief gebruik te maken van passende exportcontrolemechanismen; verzoekt de medewetgevers in dit verband tot een gemeenschappelijk standpunt te komen over de hervorming van de verordening inzake tweeërlei gebruik op grond van dringende nationale veiligheids- en mensenrechtenoverwegingen; benadrukt dat het Parlement het voorstel van de Commissie over strenge exportcontrole op al dan niet in de lijst opgenomen technologieën voor cyberbewaking verder heeft ontwikkeld en versterkt;

11.  herinnert eraan hoe belangrijk het is dat de EU de kwestie van mensenrechtenschendingen in China tijdens elke politieke en mensenrechtendialoog met de Chinese autoriteiten ter sprake blijft brengen, in het bijzonder het geval van minderheden in Xinjiang, in overeenstemming met de belofte van de EU om met één sterke, duidelijke stem te spreken in haar aanpak ten aanzien van China; herhaalt dat China er in de context van zijn permanente hervormingsproces en steeds prominentere rol op het wereldtoneel voor gekozen heeft aan het internationale mensenrechtenkader deel te nemen door zijn handtekening te zetten onder een breed scala van internationale mensenrechtenverdragen; roept er derhalve toe op het gesprek met China aan te gaan om het land ertoe te brengen zich te houden aan deze toezeggingen; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan door te gaan met de nationale hervormingen die nodig zijn voor de ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, dat China in 1998 heeft ondertekend, en ook de aanbevelingen van de VN-mensenrechtenorganen ten uitvoer te leggen;

12.  is verheugd over de aanneming van de wet over de mensenrechten van de Oeigoeren door het Amerikaanse Congres en het recente besluit van de Raad Buitenlandse Zaken om te beginnen aan de voorbereidingen voor een mondiale sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen; dringt er bij de Raad op aan gerichte sancties en de bevriezing van vermogensbestanddelen in te zetten, indien deze geëigend en doeltreffend worden geacht, tegen de Chinese functionarissen die verantwoordelijk zijn voor het ontwerpen en ten uitvoer leggen van het beleid van massale detentie van Oeigoeren en andere etnisch-Turkse moslims in Xinjiang, alsook voor het plannen van de massale inperking van de vrijheid van godsdienst, de bewegingsvrijheid, en andere rechten in de regio;

13.  verzoekt de EDEO de goede praktijken van de interreligieuze dialoog als instrument in zijn communicatiestrategie ten aanzien van derde landen op te nemen en bemiddeling in conflictsituaties voor de bescherming van religieuze minderheden en de vrijheid van godsdienst en overtuiging te bevorderen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Volksrepubliek China.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0422.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0377.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0343.
(4) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 108.
(5) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 185.
(6) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 80.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0215.


De situatie van de mensenrechten en de democratie in Nicaragua
PDF 127kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 december 2019 over de situatie van mensenrechten en democratie in Nicaragua (2019/2978(RSP))
P9_TA(2019)0111RC-B9-0251/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Nicaragua, met name die van 18 december 2008(1), 26 november 2009(2), 16 februari 2017(3), 31 mei 2018(4) en 14 maart 2019(5),

–  gezien de associatieovereenkomst tussen de EU en Midden-Amerika van 2012,

–  gezien het landenstrategiedocument en het indicatief meerjarenprogramma 2014-2020 van de EU voor Nicaragua,

–  gezien de conclusies van de Raad over Nicaragua, met name die van 14 oktober 2019, waarin een kader voor gerichte sancties is vastgesteld,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) namens de EU over de situatie in Nicaragua, met name die van 20 november 2019,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten (OHCHR), Rupert Colville, van 19 november 2019,

–  gezien het rapport van de commissie op hoog niveau van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) inzake Nicaragua van 19 november 2019,

–  gezien de nieuwsbrieven die worden gepubliceerd door het speciaal toezichtsmechanisme voor Nicaragua (MESENI) dat is opgericht door de Inter-Amerikaanse Commissie voor de mensenrechten,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers van juni 2004,

–  gezien de grondwet van Nicaragua,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat mensenrechtenverdedigers en andere critici van de staat van dienst van de Nicaraguaanse overheid op het gebied van de mensenrechten steeds vaker het doelwit zijn van doodsbedreigingen, intimidatie, lastercampagnes op het internet, pesterijen, observatie, geweld en gerechtelijke vervolging; overwegende dat volgens meldingen van internationale mensenrechtenorganisaties meer dan 80 000 mensen Nicaragua gedwongen hebben verlaten als gevolg van de huidige crisis, en dat de repressie in het land is toegenomen;

B.  overwegende dat volgens de recentste cijfers van MESENI 328 mensen zijn omgekomen, honderden personen gewond zijn geraakt, meer dan 150 politieke gevangenen louter wegens de uitoefening van hun rechten willekeurig gevangen worden gehouden, en 144 studenten van universiteiten zijn gestuurd omdat ze hebben deelgenomen aan demonstraties voor democratie, meer vrijheid en eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten (OHCHR) heeft gemeld dat meer dan honderd journalisten en mediawerkers het land hebben moeten verlaten; overwegende dat de Nicaraguaanse regering de invoer van krantenpapier heeft geblokkeerd, waardoor diverse kranten opgedoekt moesten worden, zo ook het iconische Nuevo Diario;

C.  overwegende dat eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, politiek pluralisme en de vrijheid van vergadering en meningsuiting grondrechten en essentiële pijlers van de democratie en de rechtsstaat zijn;

D.  overwegende dat op 14 november 2019 in de San Miguelkerk in Masaya onder meer acht familieleden van gedetineerde politieke tegenstanders in hongerstaking zijn gegaan om de vrijlating te eisen van 130 mensen die in het kader van de protesten zouden zijn opgepakt; overwegende dat de politie de kerk omsingelde en de water- en elektriciteitstoevoer afsneed; overwegende dat de politie niemand de kerk binnenliet en niemand toestond humanitaire en medische bijstand te verlenen;

E.  overwegende dat diezelfde nacht, nadat ze de door de politie omsingelde mensen wat water hadden gebracht, ten minste dertien oppositieleden werden opgepakt, onder wie Amaya Eva Coppens, een Belgisch-Nicaraguaanse mensenrechtenactiviste die in het kader van de protesten acht maanden lang werd vastgehouden en op 11 juni 2019 samen met ruim honderd politieke gevangenen op grond van de amnestiewet werd vrijgelaten; overwegende dat deze wet niet in overeenstemming is met internationale normen en daarnaast de straffeloosheid laat voortduren door geen toestemming te geven voor onderzoek naar vermeende misdrijven tegen demonstranten;

F.  overwegende dat het Openbaar Ministerie van Nicaragua deze groep ten onrechte heeft beschuldigd van verscheidene strafbare feiten, waaronder ontvoering, illegaal wapenbezit en terrorisme, wat een duidelijke schending vormt van de garantie van een eerlijke rechtsgang en hun recht op een onpartijdig proces; overwegende dat ook de omstandigheden in Nicaraguaanse gevangenissen niet aan de internationale normen voldoen; overwegende dat Nicaraguaanse oppositieleden uitdrukkelijk hebben gemeld dat er in de gevangenis foltering en seksueel geweld plaatsvinden;

G.  overwegende dat de Nicaraguaanse regering volgens MESENI de familie van de slachtoffers van de democratische, institutionele en politieke crisis steeds intensiever vervolgt via intimidatie en observatie om te voorkomen dat zij acties in de privésfeer en in het openbaar op touw zetten ter herdenking van hun geliefden en in het kader van hun streven naar gerechtigheid;

H.  overwegende dat de Nicaraguaanse regering volgens de VN-Raad voor de mensenrechten represailles neemt tegen mensen die vrijuit spreken over de mensenrechtensituatie in Nicaragua en die een beroep doen op internationale functionarissen en mechanismen, waaronder die van de VN;

I.  overwegende dat de regering van Nicaragua internationale organisaties, zoals de Inter-Amerikaanse Commissie voor de rechten van de mens (IACHR) en het regionale Bureau voor Midden-Amerika van de OHCHR, die ertoe opriepen de mensenrechten in het land te eerbiedigen en naar een vreedzame oplossing voor het conflict en naar nationale verzoening streefden, het land uit heeft gezet; overwegende dat de terugkeer van dergelijke organisaties een garantie zou vormen voor de uitvoering van hangende overeenkomsten met de oppositie; overwegende dat de onderdrukking van maatschappelijke organisaties is toegenomen doordat zij van hun rechtspositie zijn ontdaan in een land met een gebrekkig institutioneel kader, waardoor de slachtoffers van onderdrukking dubbel worden gestraft;

J.  overwegende dat hooggeplaatste functionarissen van sommige EU-lidstaten meermaals de toegang tot Nicaragua is ontzegd; overwegende dat de regering van Nicaragua de commissie op hoog niveau van de OAS inzake Nicaragua, die streefde naar een hervorming van het kiesstelsel, de toegang tot het land heeft ontzegd; overwegende dat de hervorming van het kiesstelsel een cruciale factor is op weg naar de rechtmatige oprichting van democratische instellingen;

K.  overwegende dat de Nicaraguaanse regering geen belangstelling heeft getoond in de hervatting van een geloofwaardige en inclusieve dialoog met de Alianza Cívica in de volledige uitvoering van de akkoorden van maart 2019; overwegende dat de onderhandelingen tussen de regering en de Alianza Cívica in februari 2019 waren hervat; overwegende dat er op 27 maart 2019 een akkoord is bereikt over de vrijlating van personen die werden vastgehouden in het kader van de protesten van 2018; overwegende dat er op 29 maart 2019 een andere overeenkomst is gesloten over de versterking van de rechten en waarborgen van de burgers; overwegende dat de Alianza Cívica op 20 mei 2019 de onderhandelingstafel heeft verlaten omdat beide overeenkomsten slechts ten dele werden uitgevoerd; overwegende dat de regering tot 11 juni 2019 492 mensen had vrijgelaten die gevangen waren gezet in het kader van de protesten van 2018; overwegende dat de onderhandelingen nog steeds vastzitten ondanks pogingen om ze te hervatten;

L.  overwegende dat de commissie op hoog niveau van de OAS inzake Nicaragua van mening is dat de maatregelen die de Nicaraguaanse regering sinds april 2018 heeft genomen of toestaat, niet stroken met de rechten en waarborgen die worden beschermd door de Nicaraguaanse grondwet van 1987, en dat deze maatregelen leiden tot een wijziging van het grondwettelijke regime waaronder de democratische orde in Nicaragua danig te lijden heeft, zoals uiteengezet in artikel 20 van het Inter-Amerikaans Democratisch Handvest;

M.  overwegende dat de ontwikkeling en bestendiging van de democratie en de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden integraal deel moeten uitmaken van het externe beleid van de EU, met inbegrip van de associatieovereenkomst tussen de EU en de landen van Midden-Amerika van 2012; overwegende dat deze overeenkomst een democratieclausule bevat die een essentieel onderdeel van de overeenkomst vormt; overwegende dat de democratieclausule gezien de huidige omstandigheden in werking moet worden gesteld door Nicaragua tijdelijk uit te sluiten van de overeenkomst;

1.  betuigt zijn solidariteit met het Nicaraguaanse volk en veroordeelt alle repressieve acties van de Nicaraguaanse regering, in het bijzonder de moorden, de algemene beperking van de vrijheid van meningsuiting, vergadering en demonstratie, het buiten de wet stellen van niet-gouvernementele organisaties en het maatschappelijk middenveld, de uitwijzing van internationale organisaties uit het land, de sluiting van en de aanvallen op de media, de beperkingen van het recht op informatie en de schorsing van studenten van universiteiten;

2.  roept de Nicaraguaanse regering ertoe op om een einde te maken aan de voortdurende onderdrukking van afwijkende meningen en het patroon van willekeurige arrestaties, foltering en seksueel geweld, om mensenrechtenverdedigers, politieke tegenstanders, familieleden van slachtoffers en anderen met een afwijkende mening niet te criminaliseren, te vervolgen of aan te vallen en om de paramilitaire eenheden die in het land actief zijn onmiddellijk te ontmantelen; dringt aan op acuut, onpartijdig, transparant en grondig onderzoek naar het geweld;

3.  dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van iedereen die willekeurig gevangen is gezet, onder wie Amaya Eva Coppens, de intrekking van alle aanklachten tegen deze personen en de eerbiediging van hun fundamentele juridische waarborgen; dringt erop aan dat degenen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en het ondermijnen van de democratie en de rechtsstaat ter verantwoording worden geroepen; benadrukt dat de Nicaraguaanse autoriteiten de veiligheid en het fysieke en psychologische welzijn van alle gedetineerden moeten garanderen en hun passende medische zorg moeten verstrekken;

4.  pleit voor een onafhankelijke toetsing van veroordelingen en vonnissen met het oog op de hervorming van de rechterlijke macht, waaronder benoemingen die in overeenstemming zijn met internationale normen, zoals de basisbeginselen inzake de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de richtsnoeren inzake de rol van openbare aanklagers;

5.  roept ertoe op de amnestiewet en de wet inzake de algemene zorg voor slachtoffers te herzien om het recht van slachtoffers op waarheid, gerechtigheid en adequate schadeloosstelling te waarborgen;

6.  dringt aan op de teruggave van in beslag genomen eigendommen en het herstel van opgeschorte vergunningen aan nieuwskanalen, en dringt erop aan dat deze kanalen hun werkzaamheden zonder enige belemmering of vergeldingsactie kunnen uitvoeren;

7.  is ingenomen met het besluit van de Raad om een kader voor gerichte beperkende maatregelen vast te stellen voor degenen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen, misbruik en de onderdrukking van het maatschappelijk middenveld en de democratische oppositie in Nicaragua; verzoekt de lidstaten snel overeenstemming te bereiken over de specifieke lijst van personen en entiteiten tegen wie sancties moeten worden getroffen, met inbegrip van de president en de vicepresident;

8.  veroordeelt het gebrek aan bereidheid bij de Nicaraguaanse regering om weer een zinvolle interne dialoog op gang te brengen; roept de autoriteiten ertoe op de dialoog met de Alianza Cívica te hervatten, teneinde een democratische, duurzame en vreedzame oplossing te vinden die de volledige uitvoering van de akkoorden van maart 2019 mogelijk maakt; benadrukt dat de politieke en burgerlijke vrijheden van alle Nicaraguanen moeten worden gegarandeerd, dat ballingen moeten kunnen terugkeren, dat internationale organisaties moeten kunnen terugkeren en dat met hen moet worden samengewerkt, dat mensenrechtenorganisaties hun rechtspersoonlijkheid moeten terugkrijgen en dat er een geloofwaardig verkiezingsproces tot stand moet worden gebracht met een hervormde Nicaraguaanse hoge kiesraad die onmiddellijke, eerlijke en transparante verkiezingen zou waarborgen, in aanwezigheid van internationale waarnemers;

9.  verzoekt de VV/HV en de EU-delegatie voor Nicaragua de ontwikkelingen in het land op de voet te volgen en de mensenrechtenproblemen te blijven aanpakken die voortvloeien uit de situatie die in het land is ontstaan en waarmee onder andere gevangenen, studenten, demonstranten, familieleden van slachtoffers en journalisten worden geconfronteerd; verzoekt de Commissie via haar ontwikkelingsbijstand meer steun te verlenen aan het maatschappelijk middenveld, met name mensenrechtenverdedigers, en ervoor te zorgen dat die bijstand op geen enkele wijze bijdraagt aan het huidige repressieve beleid van de Nicaraguaanse autoriteiten;

10.  wijst erop dat Nicaragua in het kader van de associatieovereenkomst tussen de EU en de landen van Midden-Amerika de beginselen van de rechtsstaat, de democratie en de mensenrechten moet eerbiedigen en bestendigen, en eist dat de democratieclausule van de associatieovereenkomst gezien de huidige omstandigheden in werking moet worden gesteld;

11.  verzoekt de EU-delegatie en de lidstaten met diplomatieke missies ter plaatse de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers volledig na te leven en alle passende steun te verlenen aan mensenrechtenverdedigers die worden vastgehouden, met inbegrip van bezoeken aan gevangenissen en waarneming bij processen;

12.  roept het Parlement ertoe op zo snel mogelijk een delegatie naar Nicaragua te sturen om de situatie in het land opnieuw te monitoren, en dringt er bij de Nicaraguaanse autoriteiten op aan deze delegatie vrij toe te laten tot het land en toegang te verschaffen tot alle gesprekspartners en faciliteiten;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering, het Midden-Amerikaans Parlement, de Groep van Lima en de regering en het parlement van de Republiek Nicaragua.

(1) PB C 45 E van 23.2.2010, blz. 89.
(2) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 74.
(3) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 189.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0238.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0219.


Gewelddadige onderdrukking van de recente protesten in Iran
PDF 125kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 december 2019 over het gewelddadige optreden tegen de recente protesten in Iran (2019/2993(RSP))
P9_TA(2019)0112RC-B9-0271/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vorige resoluties over Iran, met inbegrip van de meest recente van 19 september 2019 over Iran, met name de situatie van vrouwenrechtenactivisten en gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van een van de EU-lidstaten(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 februari 2019 over Iran,

–  gezien de verklaring van 8 december 2019 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Josep Borrell Fontelles, namens de EU over de recente protesten in Iran,

–  gezien de verklaring van 21 november 2019 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) over de ontwikkelingen in Iran,

–  gezien het besluit van de Raad van 12 april 2018, naar aanleiding van ernstige mensenrechtenschendingen in Iran, om zijn beperkende maatregelen ten aanzien van Iran met nog eens twaalf maanden te verlengen,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de respectieve EU-richtsnoeren over de doodstraf en over foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na de sluiting van de nucleaire overeenkomst(2),

–  gezien resolutie 73/181 van de Algemene Vergadering van de VN van 17 december 2018 over de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien het verslag van de bijzondere rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran van 30 januari 2019,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966, waarbij Iran partij is,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat tienduizenden mensen uit heel Iran en uit alle geledingen van de samenleving hun fundamentele recht op vrijheid van vergadering hebben uitgeoefend en hun economische grieven hebben geuit over de brandstofprijzen die met ten minste 50 % gestegen zijn tijdens de meest grootschalige onlusten in veertig jaar;

B.  overwegende dat de Iraanse veiligheidstroepen, ondanks herhaalde internationale oproepen tot terughoudendheid, buitensporige middelen en geweld hebben gebruikt tegen demonstranten; overwegende dat volgens verslagen van organisaties van het maatschappelijk middenveld de Iraanse veiligheidstroepen het vuur openden op ongewapende demonstranten die geen direct gevaar vormden, en dat zij naar verluidt schoten om te doden;

C.  overwegende dat volgens Amnesty International ten minste 304 mensen, onder wie kinderen, zijn gedood en nog veel meer mensen zijn gewond, en dat er duizenden demonstranten, alsook journalisten, mensenrechtenactivisten en studenten zijn gearresteerd; overwegende dat de Iraanse autoriteiten het officiële dodental niet hebben bekendgemaakt en weigeren de lichamen van de slachtoffers aan hun familie vrij te geven;

D.  overwegende dat de Iraanse autoriteiten op 16 november 2019 de internetcommunicatie vijf dagen lang bijna volledig hebben stilgelegd en bijna alle onlinecommunicatie voor mensen in Iran hebben verbroken, en zo de uitwisseling van informatie over het brute optreden vrijwel onmogelijk hebben gemaakt; overwegende dat het stilleggen van internetcommunicatie een schending van het grondrecht op toegang tot informatie is, een disproportionele beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt en een constante werkwijze van de autoriteiten is geworden;

E.  overwegende dat in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na het sluiten van de nucleaire overeenkomst(3) wordt benadrukt dat het belangrijk is om in het kader van de betrekkingen tussen de EU en Iran de EU-mensenrechtenrichtsnoeren hoog te houden, onder meer met betrekking tot mensenrechtenactivisten;

F.  overwegende dat mensenrechtenactivisten, journalisten, juristen en onlineactivisten in Iran wegens hun activiteiten nog altijd het slachtoffer zijn van intimidatie, willekeurige arrestatie, detentie en vervolging; overwegende dat het Iraanse Ministerie van Inlichtingen en Veiligheid evenals andere diensten zijn overgegaan tot een ernstige repressie van het maatschappelijk middenveld; overwegende dat 77 leden van de hervormingsgezinde oppositie, voornamelijk leden van de Participation Front Party, een open verklaring hebben afgelegd waarin zij het buitensporig gebruik van geweld bij het onderdrukken van de protesten veroordelen; overwegende dat sommigen van hen in Iran voor het gerecht zijn gedaagd voor “het verspreiden van propaganda tegen de Islamitische Republiek” en dat twee van hen zijn gearresteerd, namelijk Mohammad Kianoosh Rad en Mehdi Mahmoudian;

G.  overwegende dat Iraanse rechtbanken regelmatig nalaten te zorgen voor een eerlijk proces, beklaagden de toegang tot rechtshulp ontzeggen en bezoeken van vertegenwoordigers van consulaten, de VN of van humanitaire organisaties verbieden, en dat zij door foltering verkregen bekentenissen als bewijsmateriaal toestaan; overwegende dat er geen onafhankelijke mechanismen bestaan om de verantwoordingsplicht binnen de rechterlijke macht te waarborgen, en dat er ernstige zorgen blijven bestaan over de politisering van rechters, met name degenen die de revolutionaire rechtbanken voorzitten;

H.  overwegende dat veel gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van een van de EU-lidstaten worden vastgehouden voor hun mensenrechtenactivisme of hun academische werkzaamheden; overwegende dat twee Franse onderzoekers sinds juni 2019 in Iran gevangen worden gehouden, namelijk mevrouw Fariba Adelkhah en, zoals onlangs werd bevestigd, de heer Roland Marchal;

1.  betuigt zijn deelneming aan de families van de slachtoffers; wenst de gewonden een spoedig herstel toe;

2.  betreurt het wijdverbreide en disproportionele gebruik van geweld door Iran tegen niet-gewelddadige demonstranten, die uitsluitend hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering uitoefenen; benadrukt dat dergelijke acties onaanvaardbaar zijn, dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan het totale aantal doden en gedetineerden bekend te maken, een onverwijld, onpartijdig, onafhankelijk en transparant onderzoek uit te voeren naar de beschuldigingen van buitensporig gebruik van geweld, met inbegrip van de rechtstreekse aanvallen van demonstranten door veiligheidstroepen, en alle plegers van geweld ter verantwoording te roepen;

3.  eist dat alle demonstranten, mensenrechtenactivisten en journalisten die momenteel in Iran vastzitten omdat zij hun legitieme rechten op vrijheid van meningsuiting en vergadering uitoefenen, onvoorwaardelijk worden vrijgelaten; eist bovendien dat de autoriteiten alle families informeert over de verblijfplaats van hun gevangengenomen familieleden, en roept op tot het verlenen van ongehinderde toegang aan advocaten en internationale waarnemers tot al degenen die tijdens de protesten zijn vastgezet en tot het bekendmaken van de identiteit van de gedetineerden aan de internationale gemeenschap; herhaalt de eerdere verzoeken van het Parlement om vrijlating van Nazanin Zaghari-Ratcliffe en vele andere onrechtmatig vastgehouden personen;

4.  veroordeelt krachtig het besluit van Iran om de internettoegang tot mondiale netwerken te blokkeren, waardoor de communicatie en de vrije uitwisseling van informatie voor Iraanse burgers werd belemmerd; onderstreept dat dergelijke acties een duidelijke schending van de vrijheid van meningsuiting vormen; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan alle blokkades van onlinecommunicatie en -diensten op te heffen;

5.  benadrukt dat grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering altijd moeten worden geëerbiedigd en roept de Iraanse autoriteiten op hun internationale verplichtingen na te komen, waaronder die in het kader van het ICCPR;

6.  roept de Verenigde Naties, en in het bijzonder de Mensenrechtenraad van de VN, op onverwijld een uitgebreid onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen van de afgelopen weken, onder leiding van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Iran, met als doel licht te werpen op de beschuldigingen van ernstige schendingen van de mensenrechten in het land sinds het begin van de protesten, en Iran op te roepen volledige en onbeperkte toegang te verlenen aan degenen die dit onderzoek verrichten;

7.  wijst op zijn resolutie van 19 september 2019; betreurt ten zeerste dat er geen schot zit in de zaken van de gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van een van de EU-lidstaten die in Iran worden vastgehouden; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan Roland Marchal en Fariba Adelkhah onmiddellijk vrij te laten, evenals alle mensenrechtenverdedigers die gevangengenomen en veroordeeld zijn omdat zij gewoon hun recht op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering uitoefenden;

8.  roept de EU, met inbegrip van de VV/HV, op om mensenrechtenkwesties bij de Iraanse autoriteiten te blijven aankaarten op bilaterale en multilaterale fora, met name in het kader van de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Iran;

9.  herhaalt zijn volledige steun aan de winnaars van de Sacharovprijs, Nasrin Sotoudeh en Jafar Panahi; betreurt het feit dat Nasrin Sotoudeh nog steeds gevangen zit, met een straf van 33 jaar en 148 zweepslagen, en dringt aan op haar onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan het reisverbod op te heffen dat sinds 2010 op Jafar Panahi rust;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de hoogste leider van de Islamitische Republiek Iran, de president van de Islamitische Republiek Iran en de leden van de Majlis van Iran.

(1) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0019.
(2) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 86.
(3) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 86.

Juridische mededeling - Privacybeleid