Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2956(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B9-0040/2020

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2020 - 10.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0005

Aangenomen teksten
PDF 223kWORD 69k
Woensdag 15 januari 2020 - Straatsburg Definitieve uitgave
De Europese Green Deal
P9_TA(2020)0005RC-B9-0040/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (2019/2956(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 getiteld “Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM(2018)0773), en de diepgaande analyse ter begeleiding van die mededeling,

–  gezien het milieuactieprogramma van de EU voor de periode tot en met 2020 en haar visie voor 2050,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), het Kyoto-protocol bij het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) van de Verenigde Naties,

–  gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap van 4 december 2019 getiteld “Het milieu in Europa: toestand en vooruitzichten 2020”,

–  gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van de aarde met 1,5 °C, het vijfde evaluatierapport (AR5) van de werkgroep en het bijbehorende samenvattend verslag, het speciaal verslag van de IPCC over de klimaatverandering en de bodem en het speciaal verslag van de IPCC over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat,

–  gezien het rapport over de emissiekloof voor 2019 van het Milieuprogramma van de VN, gepubliceerd op 26 november 2019, en gezien zijn eerste samenvattend rapport over de productie van fossiele brandstoffen van december 2019 (het rapport over de productiekloof 2019),

–  gezien het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) van 31 mei 2019,

–  gezien de wereldwijde vooruitzichten inzake hulpbronnen voor 2019 van het Internationale panel voor hulpbronnen van het Milieuprogramma van de VN,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de conventies en aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO),

–  gezien het herziene Europees Sociaal Handvest van de Raad van Europa,

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten,

–  gezien de 26e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC die in november 2020 zal plaatsvinden, en het feit dat alle partijen bij het UNFCCC hun nationaal bepaalde bijdragen moeten verhogen, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs,

–  gezien de 15e Conferentie van de Partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15) die in oktober 2020 zal plaatsvinden in Kunming, China, gedurende dewelke de partijen het eens zullen moeten worden over een mondiaal kader voor de periode na 2020 om het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen,

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over klimaatverandering – een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs(1),

–  gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu(2),

–  gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de VN-klimaatconferentie van 2019 in Madrid, Spanje (COP25)(3),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat deze resolutie de eerste algemene reactie van het Parlement is op de mededeling van de Commissie over de Europese Green Deal; overwegende dat het Parlement, naarmate de werkzaamheden voor de Green Deal vorderen, meer gedetailleerde standpunten zal formuleren over specifieke maatregelen en beleidsmaatregelen en gebruik zal maken van zijn volledige wetgevingsbevoegdheid om voorstellen van de Commissie te herzien en te wijzigen en er zo voor te zorgen dat deze alle doelstellingen van de Green Deal ondersteunen;

1.  onderstreept de dringende noodzaak van ambitieuze maatregelen voor het aanpakken van de klimaatverandering en de milieu-uitdagingen, om de opwarming van de aarde tot 1,5 °C te beperken en een enorm verlies aan biodiversiteit te voorkomen; is dan ook blij met de mededeling van de Commissie over de Europese Green Deal; deelt de toezegging van de Commissie om de EU om te vormen tot een gezondere, duurzame, eerlijke, rechtvaardige en welvarende samenleving met een nettonuluitstoot van broeikasgassen; pleit voor de noodzakelijke transitie naar een klimaatneutrale samenleving tegen uiterlijk 2050 en wil dat hiervan een Europees succesverhaal wordt gemaakt;

2.  benadrukt dat alle mensen die in Europa wonen het fundamentele recht moeten krijgen op een veilig, schoon, gezond en duurzaam milieu en op een stabiel klimaat, zonder discriminatie, en dat dit recht moet worden verschaft via ambitieus beleid en volledig afdwingbaar moet zijn via het rechtssysteem op nationaal en EU-niveau;

3.  is er vast van overtuigd dat de Europese Green Deal een geïntegreerde en wetenschappelijk gefundeerde aanpak moet bevorderen en alle sectoren moet samenbrengen om hen op hetzelfde spoor te zetten naar hetzelfde doel; is van mening dat de integratie van verschillende beleidsmaatregelen in de richting van een holistische visie de werkelijke toegevoegde waarde van de Europese Green Deal is en dat deze dan ook moet worden versterkt; beschouwt de Green Deal als een katalysator voor een inclusieve en niet-discriminerende maatschappelijke transitie met als kerndoelstellingen klimaatneutraliteit, bescherming van het milieu, duurzaam gebruik van hulpbronnen en de gezondheid en levenskwaliteit van de burgers binnen de grenzen van de mogelijkheden van onze planeet;

4.  onderstreept dat de Green Deal centraal moet staan in de strategie van Europa voor nieuwe duurzame groei, met inachtneming van de grenzen van onze planeet, en voor het scheppen van economische kansen, het stimuleren van investeringen en het scheppen van hoogwaardige banen; is van mening dat dit ten goede zal komen aan de Europese burgers en bedrijven en zal leiden tot een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie waarin economische groei is losgekoppeld van de wereldwijde broeikasgasemissies, het hulpbronnengebruik en de afvalproductie van de EU; benadrukt dat de Green Deal moet leiden tot sociale vooruitgang door het welzijn van iedereen te verbeteren en de sociale ongelijkheid, de economische onevenwichtigheden tussen de lidstaten en de ongelijkheid tussen de geslachten en generaties te verminderen; is van mening dat bij een rechtvaardige transitie geen enkele persoon en geen enkele plek mag achterblijven en dat sociale en economische ongelijkheid moet worden aangepakt;

5.  is van mening dat de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de VN centraal moeten staan in het proces van beleidsvorming en -uitvoering van de EU, zodat zij een model voor menselijke ontwikkeling bevordert dat verenigbaar is met een gezonde planeet; onderstreept in dit verband dat de Europese Green Deal moet zorgen voor een combinatie van sociale rechten, milieu-integriteit, regionale cohesie, duurzaamheid en toekomstbestendige industrieën die wereldwijd kunnen concurreren, ten behoeve van iedereen;

6.  onderstreept dat de Green Deal gericht moet zijn op een welvarende, eerlijke en concurrerende economie die iedereen ten gunste komt, in alle regio’s van Europa; is van mening dat de Green Deal moet zorgen voor economische kansen en rechtvaardigheid tussen de generaties; benadrukt hoe belangrijk het is om de sociale dialoog op alle niveaus en in alle sectoren te eerbiedigen om voor een rechtvaardige transitie te zorgen; benadrukt de noodzaak van een genderperspectief op de acties en doelstellingen in het kader van de Green Deal, met inbegrip van gendermainstreaming en genderresponsieve acties; herhaalt dat de transitie naar een klimaatneutrale economie en een duurzame samenleving moet plaatsvinden in samenhang met de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en dringt erop aan dat alle initiatieven die in het kader van de Europese Green Deal worden genomen, volledig verenigbaar zijn met deze pijler;

7.  onderstreept dat de Unie de doelstellingen van de Green Deal alleen kan bereiken als er aanzienlijke openbare en particuliere investeringen worden gedaan, en beschouwt dit als een voorwaarde voor het welslagen van de Green Deal; is van mening dat de EU investeerders op lange termijn zekerheid en voorspelbaarheid op het vlak van regelgeving moet bieden, evenals een passend financieel kader en gepaste middelen en markt- en fiscale stimulansen voor een succesvolle groene transitie voor positieve en duurzame sociale, industriële en economische veranderingen; herhaalt dat de Green Deal Europa op weg moet helpen naar duurzame groei, welvaart en welzijn op lange termijn, en ervoor moet zorgen dat ons economisch, sociaal en milieubeleid zo wordt ontwikkeld dat een rechtvaardige transitie wordt gewaarborgd;

8.  onderstreept dat de mondiale uitdagingen van klimaatverandering en aantasting van het milieu een mondiaal antwoord vereisen; benadrukt dat de EU blijk moet geven van ambitie en dat andere regio’s in de wereld ervan moeten overtuigd worden dezelfde koers te varen; onderstreept de rol van de EU als wereldleider op het gebied van milieu- en klimaatactie;

9.  vindt dat voor alle acties in het kader van de Green Deal een wetenschappelijk gefundeerde aanpak moet worden gevolgd en dat ze gebaseerd moeten zijn op holistische effectbeoordelingen;

10.  erkent zijn institutionele verantwoordelijkheid om de eigen ecologische voetafdruk te verkleinen; stelt voor om zelf emissieverlagende maatregelen te nemen zoals de vervanging van zijn wagenpark door emissievrije voertuigen, en roept alle lidstaten met klem op om in te stemmen met een enkele zetel voor het Europees Parlement;

De klimaatambities van de EU voor 2030 en 2050 verhogen

11.  is van mening dat een juridisch bindende toezegging van de EU voor klimaatneutraliteit ten laatste tegen 2050 een krachtig instrument zal vormen om de maatschappelijke, politieke, economische en technologische krachten die nodig zijn voor de transitie, te mobiliseren; benadrukt met klem dat de transitie een gedeelde inspanning vereist van alle lidstaten en dat elke lidstaat moet bijdragen om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de EU te bereiken; verzoekt de Commissie uiterlijk in maart 2020 een voorstel voor een Europese klimaatwet in te dienen;

12.  dringt aan op een ambitieuze klimaatwet met een juridisch bindend en economisch streefcijfer om uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraal te zijn, en tussentijdse EU-streefcijfers voor 2030 en 2040 die als onderdeel van deze wet moeten worden vastgelegd uiterlijk op het moment waarop deze wet door de medewetgevers wordt goedgekeurd, op basis van effectbeoordelingen, alsook op een sterk bestuurskader; is van mening dat de klimaatwet de best beschikbare wetenschappelijke kennis moet weerspiegelen, met als doel de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C, en dat de klimaatwet moet worden geactualiseerd op basis van de ontwikkelingen in het rechtskader van de EU en op basis van de herzieningscyclus van de Overeenkomst van Parijs; is van mening dat de klimaatwet ook specifieke aanpassingscomponenten moet omvatten en alle lidstaten er met name toe moet verplichten aanpassingsactieplannen aan te nemen;

13.  dringt erop aan dat het EU-streefcijfer inzake broeikasgasemissiereductie binnen de EU voor 2030 wordt opgetrokken tot 55 % tegenover het niveau van 1990; vraagt de Commissie met klem om zo spoedig mogelijk een voorstel hiertoe in te dienen, zodat de EU dit streefcijfer ruim vóór de COP26 kan goedkeuren als haar geactualiseerde nationaal bepaalde bijdrage (NDC); vraagt voorts dat dit streefcijfer vervolgens wordt opgenomen in de Europese klimaatwet;

14.  is van mening dat de EU een actieve rol moet spelen en blijk moet geven van sterk leiderschap bij de voorbereiding van de COP26, waar de deelnemende partijen de collectieve klimaatverbintenissen moeten optrekken tot het hoogst mogelijke ambitieniveau; is in dit verband van mening dat de EU zo vroeg mogelijk in 2020 een ambitieuzere NDC moet goedkeuren, met als doel andere niet-EU-landen en in het bijzonder grote uitstoters ertoe aan te moedigen hetzelfde te doen; onderstreept in dit verband de noodzaak om ruim vóór de geplande top EU-China in september alsook vóór de top EU-Afrika overeenstemming te bereiken over een versterkte NDC;

15.  erkent dat de lidstaten verschillende wegen kunnen bewandelen om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken op een eerlijke en kosteneffectieve manier, waarbij wordt erkend dat landen verschillende uitgangsposities en middelen hebben en dat sommige landen sneller gaan dan andere, maar wijst erop dat de groene transitie moet worden omgezet in een economische en sociale kans voor alle regio’s van Europa;

16.  benadrukt dat de netto-emissies tot bijna nul moeten worden teruggebracht in alle sectoren van de economie, om gezamenlijk bij te dragen aan de doelstelling van het bereiken van klimaatneutraliteit; verzoekt de Commissie om, waar nodig, voorstellen te doen op basis van effectbeoordelingen, met het oog op de herziening van de wetgevingsmaatregelen van de EU op het gebied van klimaat en energie tegen juni 2021, om de hogere klimaatambities voor de middellange en lange termijn te kunnen verwezenlijken; vraagt dat de Commissie ook gebruik maakt van het bijkomend potentieel van andere bestaande EU-wetgeving om bij te dragen tot de klimaatactie, bijvoorbeeld de richtlijn inzake ecologisch ontwerp, de afvalwetgeving van de EU, de maatregelen betreffende de circulaire economie en de verordening inzake gefluoreerde broeikasgassen; onderstreept dat op de natuur gebaseerde oplossingen de lidstaten kunnen helpen hun doelstellingen inzake broeikasgasemissiereductie en biodiversiteit te halen, maar vindt dat deze oplossingen een aanvulling moeten vormen op de vermindering van broeikasgasemissies aan de bron;

17.  is van mening dat nieuwe en hogere broeikasgasdoelstellingen vereisen dat de EU-regeling voor de emissiehandel (EU-ETS) geschikt is voor het beoogde doel; verzoekt de Commissie de ETS-richtlijn snel te herzien, onder meer door aandacht te besteden aan de lineaire verminderingsfactor, de regels voor de toewijzing van gratis emissierechten en de mogelijke noodzaak van een koolstofbodemprijs;

18.  steunt, gezien de aanhoudende wereldwijde verschillen in klimaatambities, het voornemen van de Commissie om te werken aan een met de WTO verenigbaar mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens; beschouwt de ontwikkeling van een dergelijk mechanisme als een onderdeel van een bredere strategie voor een concurrerende koolstofvrije EU-economie die de klimaatambitie van de EU ondersteunt en tegelijk zorgt voor een gelijk speelveld; neemt kennis van het standpunt van de Commissie dat dit mechanisme een alternatief zou zijn voor de bestaande maatregelen inzake koolstoflekkage in het kader van de EU-ETS; benadrukt dat de huidige maatregelen om koolstoflekkage aan te pakken pas mogen worden ingetrokken als er een nieuw systeem is ingevoerd en verzoekt de Commissie om, alvorens voorstellen te doen, een grondige analyse uit te voeren van de verschillende vormen die het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens kan aannemen, en dit vóór de herziening van de klimaatwetgeving die naar verwachting in juni 2021 zal plaatsvinden; is voorts van mening dat een toekomstig mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens economische stimulansen moet handhaven voor een succesvolle groene transitie en voor koplopers op het gebied van klimaat en de markt voor koolstofarme goederen in de EU moet ondersteunen en dat het moet zorgen voor een daadwerkelijke koolstofprijs in de EU en tegelijkertijd koolstofbeprijzing in andere delen van de wereld moet aanmoedigen; is van mening dat het mechanisme rekening moet houden met de specifieke kenmerken van elke sector en in bepaalde sectoren geleidelijk kan worden ingevoerd, waarbij onnodige extra administratieve kosten, met name voor Europese kmo’s, worden vermeden;

19.  is ingenomen met het geplande voorstel om de energiebelastingrichtlijn te herzien met betrekking tot milieukwesties teneinde het beginsel dat de vervuiler betaalt toe te passen, waarbij rekening moet worden gehouden met het nationale belastingbeleid en moet worden vermeden de ongelijkheden nog groter te maken;

20.  dringt aan op een nieuwe en ambitieuzere EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering; herinnert eraan dat er in de EU en haar lidstaten meer inspanningen nodig zijn op het gebied van klimaatbestendigheid, veerkracht, preventie en paraatheid; wijst op de noodzaak om publieke en particuliere investeringen aan te trekken voor aanpassing aan de klimaatverandering, en pleit voor reële beleidscoherentie in de EU-uitgaven, zodat aanpassing aan de klimaatverandering en klimaatbestendigheid worden beoordeeld als sleutelcriteria worden voor alle desbetreffende EU-financiering, is tegelijkertijd van mening dat rampenpreventie, -paraatheid en -respons het voorwerp moeten vormen van een krachtig solidariteitsinstrument met voldoende middelen; dringt aan op een consistente en toereikende toewijzing van middelen in de EU-begroting en op een bundeling van middelen voor het EU-mechanisme voor civiele bescherming;

21.  is verheugd over de aankondiging dat de Commissie een Europees klimaatpact zal lanceren; onderstreept dat het Europees klimaatpact de burgers, regio’s, lokale gemeenschappen, het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven (waaronder de kmo’s) en de vakbonden moet samenbrengen als actieve deelnemers aan de transitie naar klimaatneutraliteit, op basis van een echte dialoog en transparante en participatieve processen, onder meer bij het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van het beleid, vindt het belangrijk om samen te werken met belanghebbenden uit energie-intensieve sectoren en met de relevante sociale partners, met name werkgevers, werknemers, ngo’s en academici, om bij te dragen tot duurzame oplossingen bij de transitie naar koolstofneutrale economieën;

Zorgen voor schone, betaalbare en veilige energie

22.  benadrukt de belangrijke rol die energie vervult bij de transitie naar een broeikasgasneutrale economie en is ingenomen met het streven van de Commissie om het energiesysteem verder koolstofvrij te maken, zodat de EU uiterlijk in 2050 emissieneutraal kan zijn; dringt erop aan dat de richtlijn hernieuwbare energie wordt herzien in lijn met deze ambitie, met de aangewezen bindende nationale streefcijfers voor elke lidstaat; is bovendien blij dat prioriteit wordt gegeven aan energie-efficiëntie; roept de Commissie en de lidstaten in dit verband op om in alle sectoren en op alle beleidsterreinen het beginsel van "energie-efficiëntie eerst" toe te passen, dat van fundamenteel belang is om de energieafhankelijkheid van de EU en de emissies van energieproductie te verminderen en tegelijkertijd te zorgen voor lokale werkgelegenheid in renovatiewerkzaamheden en voor lagere energiefacturen voor de burgers; vraagt dat de richtlijn inzake energie-efficiëntie (EED) en de richtlijn inzake energie-efficiëntie van gebouwen (EEBD) worden herzien in overeenstemming met de toegenomen klimaatambitie van de EU, en dat de uitvoering ervan wordt versterkt, door middel van bindende nationale streefcijfers, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan kwetsbare burgers en rekening wordt gehouden met de noodzaak van economische voorspelbaarheid voor de betrokken sectoren;

23.  benadrukt dat voor het bereiken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs de handhaving op nationaal en EU-niveau van cruciaal belang is; verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat de nationale energie- en klimaatplannen volledig in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de EU; wijst erop dat het de bevoegdheid van de lidstaten is om hun eigen energiemix te bepalen, binnen het EU-kader voor klimaat en energie;

24.  benadrukt dat alle sectoren hun gebruik van hernieuwbare energie moeten verhogen om de klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen van de EU te realiseren en fossiele brandstoffen geleidelijk moeten afschaffen; dringt aan op een herziening van de richtsnoeren voor trans-Europese energie (TEN-E) voordat de volgende lijst van projecten van gemeenschappelijk belang (PCI) wordt aangenomen, teneinde het wetgevingskader af te stemmen op de prioriteit van de ontwikkeling en uitrol van slimme netwerken en te voorkomen dat men vastzit aan koolstofintensieve investeringen; benadrukt dat er nood is aan een strategische benadering van de energieclusters in de EU teneinde de meest doeltreffende investeringen hernieuwbare energiebronnen te kunnen benutten; is daarom ingenomen met de aankondiging van een strategie voor offshore-windenergie, is van mening dat het beleid van de EU specifiek gericht moet zijn op het aanmoedigen van innovatie op het vlak van duurzame energieopslag en groene waterstof, benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het gebruik van energiebronnen zoals aardgas slechts van tijdelijke aard is, gezien de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te verwezenlijken;

25.  onderstreept dat het van cruciaal belang is te zorgen voor een goed functionerende, volledig geïntegreerde consumentgerichte en concurrerende energiemarkt in Europa; benadrukt het belang van grensoverschrijdende verbindingen voor een volledig geïntegreerde energiemarkt; is ingenomen met de aankondiging dat de Commissie tegen medio 2020 maatregelen zal voorstellen voor slimme integratie, en onderstreept dat verdere integratie van de energiemarkt van de EU een belangrijke rol zal spelen bij het verbeteren van de energievoorzieningszekerheid en het bereiken van een broeikasgasneutrale economie; benadrukt in deze context dat een afdoende gefinancierd Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators nodig is om de regionale samenwerking tussen de lidstaten te versterken en te intensiveren;

26.  dringt aan op een snelle uitfasering van alle rechtstreekse en onrechtstreekse subsidies voor fossiele brandstoffen tegen 2020 in de EU en in elke lidstaat;

27.  is ingenomen met de aangekondigde golf van renovaties van openbare en particuliere gebouwen en moedigt aan de aandacht te richten op de renovatie van scholen en ziekenhuizen, alsook sociale woningen en huurwoningen om huishoudens met een laag inkomen te helpen; onderstreept dat het bestaande gebouwenbestand moet worden gerenoveerd tot bijna-energieneutrale gebouwen, teneinde uiterlijk in 2050 koolstofneutraal te zijn; onderstreept dat de bouwsector een hoog energiebesparingspotentieel bezit en mogelijkheden biedt voor de opwekking van hernieuwbare energie ter plaatse, wat de werkgelegenheid kan stimuleren en kmo’s kan helpen groeien; is van mening dat een slim en toekomstgericht wetgevingskader essentieel is; is dan ook blij met de voorstellen om belemmerende nationale regelgeving met betrekking tot renovaties te beperken en de bouwproductenverordening te herzien; dringt aan op een strikte handhaving van de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de renovatie van openbare gebouwen overeenkomstig de energie-efficiëntierichtlijn; steunt de bevordering van houtskeletbouw en ecologische bouwmaterialen;

28.  wijst erop dat de energietransitie sociaal duurzaam moet zijn en de energiearmoede in de armste regio’s van de EU niet mag verergeren en is verheugd over de toezegging van de Commissie in dit verband; is van oordeel dat gemeenschappen die energiearmoede bestrijden de nodige instrumenten moeten krijgen om deel te nemen aan de groene transitie door middel van onderwijs en adviesdiensten en door langetermijninvesteringen te stimuleren; roept op tot gerichte acties in nauwe samenwerking met de lidstaten en op de uitwisseling van goede praktijken, teneinde de energiearmoede terug te dringen en gelijke toegang tot financieringsinstrumenten voor op energie-efficiëntie gerichte renovaties te ondersteunen; is van mening dat de kosten van energie-efficiënte renovaties niet voor rekening mogen komen van huishoudens met een laag inkomen; wijst voorts op de rol van stadverwarming voor het leveren van betaalbare energie;

29.  steunt in het algemeen het idee van marktgerichte maatregelen als een van de instrumenten om de klimaatdoelstellingen te bereiken; heeft echter bedenkingen bij het idee om eventueel de emissies van gebouwen op te nemen in de EU-ETS, aangezien dit de overheid zou ontslaan van de verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen en zou kunnen leiden tot hogere energiefacturen voor huurders en huiseigenaren; is van mening dat een degelijke maatregel nader moet worden onderzocht;

Het bedrijfsleven mobiliseren voor een schone en circulaire economie

30.  beschouwt de transitie naar een moderne, klimaatneutrale, uiterst hulpbronnenefficiënte en concurrerende industriële basis in de EU uiterlijk in 2050 als een belangrijke uitdaging en een kans, en is ingenomen met de aankondiging dat de Commissie in maart 2020 met een nieuwe industriële strategie en een kmo-strategie zal komen; benadrukt dat het industrieel concurrentievermogen en het klimaatbeleid elkaar onderling versterken en dat de totstandbrenging van een innovatieve en klimaatneutrale herindustrialisering nieuwe banen zal scheppen en het concurrentievermogen van de Europese economie zal waarborgen;

31.  benadrukt dat de industriële strategie moet toegespitst zijn op het stimuleren van waardeketens voor economisch levensvatbare en duurzame producten, processen en bedrijfsmodellen die gericht zijn op het bereiken van klimaatneutraliteit, efficiënt gebruik van hulpbronnen, circulariteit en een niet-toxisch milieu, en daarbij het internationale concurrentievermogen te handhaven en de verplaatsing van Europese industrieën te voorkomen; is het eens met de Commissie dat energie-intensieve industrieën zoals de staal-, chemische en cementindustrie essentieel zijn voor de Europese economie, maar dat het tegelijkertijd cruciaal is dat deze industrieën moderniseren en ontkolen;

32.  verzoekt de Commissie zorg te dragen voor de economische, sociale en territoriale cohesie van de overgangsprocessen, met bijzondere aandacht voor de meest achtergestelde regio’s, gebieden die worden getroffen door de industriële overgang (voornamelijk steenkoolwinningsgebieden, en gebieden die afhankelijk zijn van koolstofintensieve industrieën zoals de staalproductie), dunbevolkte gebieden en ecologisch kwetsbare gebieden;

33.  onderstreept dat de industriële strategie en de strategie voor kmo’s duidelijke stappenplannen moeten omvatten voor het ter beschikking stellen van een omvattende waaier aan stimulansen en financieringsmogelijkheden voor innovatie, voor de toepassing van baanbrekende technologieën en voor nieuwe duurzame bedrijfsmodellen, alsmede voor het wegnemen van alle regelgevende beperkingen; dringt aan op EU-steun voor koplopers op het gebied van klimaat en hulpbronnen, door middel van een technologieneutrale benadering die in overeenstemming is met de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en met de klimaat- en milieudoelstellingen van de EU op de lange termijn; onderstreept de rol van milieuveilige koolstofafvang en -opslag bij het klimaatneutraal maken van de zware industrie wanneer er geen directe opties voor emissiereductie beschikbaar zijn;

34.  herinnert aan de fundamentele rol die digitale technologieën vervullen bij de ondersteuning van de groene transitie, bijvoorbeeld door het verbeteren van de hulpbronnen- en energie-efficiëntie, en door beter milieutoezicht alsmede door middel van de klimaatvoordelen van een volledige digitalisering van de transmissie en distributie en van slimme applicaties; is van mening dat de Europese strategie zoals voorgesteld de groene en digitale transformaties moet integreren en de belangrijkste doelstellingen en hindernissen moet identificeren die de volledige benutting van het potentieel van digitale technologieën in de weg staan; verzoekt de Commissie strategieën en financiering te ontwikkelen voor de toepassing van innovatieve digitale technologieën; benadrukt tegelijkertijd dat de energie-efficiëntie en de prestaties van de circulaire economie van de digitale sector zelf moeten worden verbeterd en is verheugd over de toezeggingen van de Commissie in dit verband; vraagt dat de Commissie een methode opstelt voor het monitoren en kwantificeren van de toenemende milieu-impact van digitale technologieën, zonder dat dit onnodige bureaucratische lasten met zich meebrengt;

35.  onderstreept dat in de industriële strategie de nodige aandacht moet worden besteed aan de gevolgen voor de werknemers, alsmede aan opleiding, omscholing en bijscholing van werknemers; roept de Commissie op om de regionale dimensie van deze strategie nader te onderzoeken en ervoor te zorgen dat geen enkele persoon en geen enkele regio achterblijft; dringt erop aan dat de strategie een sociale dialoog omvat waarin de werknemers ten volle worden betrokken;

36.  dringt aan op een ambitieus nieuw actieplan voor de circulaire economie, dat gericht moet zijn op het verminderen van de totale voetafdruk van de EU-productie en -consumptie ten aanzien van milieu en hulpbronnen, en tegelijkertijd sterke stimulansen moet bieden voor innovatie, duurzame ondernemingen en markten voor klimaatneutrale en niet-toxische circulaire producten, met als hoofdprioriteiten hulpbronnenefficiëntie, nulverontreiniging en afvalpreventie; wijst op de sterke synergieën tussen klimaatactie en de circulaire economie, met name in energie- en koolstofintensieve industrieën; dringt aan op de vaststelling van een EU-doelstelling voor efficiënt gebruik van hulpbronnen;

37.  verzoekt de Commissie doelstellingen voor te stellen voor de gescheiden inzameling van afval en het verminderen, hergebruiken en recyclen van afval, evenals andere specifieke initiatieven, bijvoorbeeld een uitbreiding van de verantwoordelijkheid van producenten in prioritaire sectoren zoals bedrijfsafval, textiel, plastic, elektronica, de bouw en levensmiddelen; dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te ontwikkelen om de markt voor gerecyclede materialen in Europa te ondersteunen, zoals gemeenschappelijke kwaliteitsnormen en verplichte streefcijfers voor het gebruik van teruggewonnen materialen in prioritaire sectoren waar dit haalbaar is; onderstreept dat niet-toxische materiaalcycli moeten worden ontwikkeld, dat zeer zorgwekkende stoffen sneller moeten worden vervangen en dat onderzoek en innovatie om niet-toxische producten te ontwikkelen, moet worden bevorderd; verzoekt de Commissie maatregelen te overwegen ten aanzien van importproducten die stoffen of componenten bevatten die in de EU verboden zijn, en meent dat deze niet via recyclingactiviteiten opnieuw als consumptieproducten op de EU-markt mogen worden gebracht;

38.  ondersteunt beleidsmaatregelen voor duurzame producten, zoals een uitbreiding van het bereik van ecologisch ontwerp en wetgeving die producten duurzamer, repareerbaar, herbruikbaar en recyclebaar maakt, en ondersteunt een krachtig werkprogramma voor ecologisch ontwerp en milieukeuren vanaf 2020, waarin ook smartphones en andere nieuwe IT-apparatuur zijn opgenomen; roept op tot wetgevingsvoorstellen inzake het recht op herstelling, het wegwerken van geplande veroudering en universele laders voor mobiele IT-apparaten; onderschrijft de plannen van de Commissie voor een wetgevingsvoorstel dat moet zorgen voor een veilige, circulaire en duurzame waardeketen voor alle batterijen, en verwacht dat dit voorstel op zijn minst maatregelen omvat inzake ecologisch ontwerp, doelstellingen voor hergebruik en recycling, en duurzame en maatschappelijk verantwoorde bevoorrading; onderstreept de noodzaak om een sterke en duurzame batterij- en opslagcluster in Europa tot stand te brengen; benadrukt dat lokale consumptie en productie, op basis van de beginselen weigeren, verminderen, hergebruiken, recyclen en herstellen, moeten worden bevorderd om een einde te maken aan bedrijfsstrategieën voor geplande veroudering, waarbij producten worden ontworpen om een korte levensduur te hebben en moeten worden vervangen, en dat de consumptie moet worden aangepast aan de beperkingen van de planeet; is van mening dat het recht op reparatie en blijvende ondersteuning voor IT-diensten absoluut noodzakelijk is om duurzame consumptie te bewerkstellingen; vraagt dat deze rechten in EU-wetgeving worden vastgelegd;

39.  vraagt de Commissie met klem om de EU-maatregelen tegen verontreiniging door kunststoffen, in het bijzonder op zee, nog te verscherpen, en dringt aan op meer beperkingen op en de vervanging van kunststofproducten voor eenmalig gebruik; steunt de ontwikkeling van wetgeving om oververpakking aan te pakken en om ervoor te zorgen dat alle verpakkingen die niet op een economisch haalbare wijze kunnen worden hergebruikt of gerecycled, ten laatste in 2030 niet meer op de EU-markt mogen worden gebracht, waarbij de voedselveiligheid wordt gevrijwaard; pleit voor maatregelen voor de grensoverschrijdende coördinatie van statiegeldsystemen; dringt er bij de Commissie op aan om microplastics op een alomvattende manier aan te pakken, onder meer door een alomvattende geleidelijke eliminatie van opzettelijk toegevoegde microplastics en door middel van nieuwe maatregelen, waaronder regelgeving, tegen het onbedoelde vrijkomen van plastic deeltjes uit bijvoorbeeld textiel, banden en kunststofkorrels; merkt op dat de Commissie voornemens is een regelgevingskader voor biologisch afbreekbare en biogebaseerde kunststoffen te ontwikkelen; wijst op de noodzaak van een volledig circulaire kunststoffeneconomie;

40.  dringt aan op een groene interne EU-markt, die de vraag naar duurzame producten aanmoedigt aan de hand van specifieke maatregelen zoals een ruimer gebruik van groene overheidsopdrachten; is in dit verband ingenomen met de toezeggingen van de Commissie om nadere wetgeving en richtsnoeren voor te stellen voor groene overheidsopdrachten; verzoekt de EU-instellingen het goede voorbeeld te geven bij hun aanbestedingen; benadrukt bovendien dat de EU-regels voor openbare aanbestedingen moeten worden geëvalueerd en herzien om een werkelijk gelijk speelveld te waarborgen voor EU-bedrijven, met name voor bedrijven die duurzame producten of diensten produceren, bijvoorbeeld op het gebied van openbaar vervoer;

41.  benadrukt het belang van mondige en goed geïnformeerde burgers; dringt aan op maatregelen om ervoor te zorgen dat consumenten transparante, vergelijkbare en geharmoniseerde productinformatie ontvangen, onder meer via de etikettering van producten, die berust op betrouwbare gegevens en consumentenonderzoek en die hen kan helpen gezondere en duurzamere keuzes te maken, en dat consumenten ingelicht worden over de duurzaamheid en repareerbaarheid en de ecologische voetafdruk van producten; onderstreept de noodzaak om consumenten uit te rusten met doeltreffende, gemakkelijk te begrijpen en afdwingbare hulpmiddelen, die rekening houden met duurzaamheidsaspecten en die voorrang geven aan hergebruik of reparatie boven het weggooien van producten die niet naar behoren functioneren;

42.  is van mening dat duurzaam gewonnen hernieuwbare materialen een belangrijke rol zullen spelen bij de transitie naar een klimaatneutrale economie, en benadrukt dat er stimulansen moeten worden geboden voor investeringen in de ontwikkeling van een duurzame bio-economie, waarin fossiel-intensieve materialen worden vervangen door hernieuwbare en biogebaseerde materialen, bijvoorbeeld in gebouwen, textiel, chemische producten, verpakkingen, de scheepsbouw en, waar duurzaamheid kan worden gewaarborgd, de energieproductie; benadrukt dat dit moet gebeuren op een wijze die duurzaam is en de limieten van het milieu respecteert; wijst op het potentieel van de bio-economie om nieuwe groene banen te creëren, ook in de plattelandsgebieden van de EU, en innovatie te stimuleren; pleit voor de ondersteuning van onderzoek en innovatie op het gebied van duurzame bio-economische oplossingen, waarbij rekening moet worden gehouden met de noodzaak om de unieke biodiversiteit en ecosystemen beschermen; dringt aan op de efficiënte tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de bio-economie, als onderdeel van de Europese Green Deal;

De overgang naar duurzame en slimme mobiliteit versnellen

43.  kijkt uit naar de komende strategie voor duurzame en slimme mobiliteit en is het eens met de Commissie dat alle vervoerswijzen (wegvervoer, spoorvervoer, luchtvaart en vervoer over water) zullen moeten bijdragen aan het koolstofvrij maken van de vervoerssector, in overeenstemming met de doelstelling om een klimaatneutrale economie tot stand te brengen, en beseft dat dit zowel een uitdaging als een kans zal zijn; is voorstander van de toepassing van het beginsel “de vervuiler betaalt”; pleit voor een holistische langetermijnstrategie voor een rechtvaardige overgang, waarbij rekening wordt gehouden met zowel de bijdrage van de vervoersector aan de Europese economie en de noodzaak een hoog niveau van betaalbare en toegankelijke vervoersconnectiviteit te waarborgen, als met de sociale aspecten en de bescherming van de rechten van werknemers;

44.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om multimodaal vervoer te stimuleren, met het oog op een grotere efficiëntie van het vervoer en een terugdringing van de vervoersemissies; is echter van mening dat multimodaliteit alleen door middel van concrete wetgevingsvoorstellen kan worden bereikt; verneemt met instemming dat de Commissie voornemens is maatregelen voor te stellen om de interconnectiviteit tussen de weg, het spoor en de binnenvaart te verbeteren, met het oog op een echte modal shift; vraagt de investeringen in de connectiviteit van het EU-spoorwegnetwerk op te drijven en te ondersteunen, teneinde een EU-brede gelijke toegang tot openbaar spoorvervoer mogelijk te maken en het reizigersvervoer per spoor aantrekkelijker te maken; benadrukt dat één Europese spoorwegruimte een voorwaarde is voor de verschuiving tussen vervoerswijzen, en roept de Commissie op voor het einde van 2020 met een strategie te komen, gevolgd door concrete wetgevingsvoorstellen, om een einde te maken aan de fragmentatie van de interne markt;

45.  benadrukt dat emissievrij vervoer over zee en over de binnenwateren essentieel is voor de uitbouw van duurzaam multimodaal vervoer; dringt er bij de Commissie op aan om een gecoördineerd Europees regelgevingskader te ontwikkelen voor de binnenwateren; verzoekt de Commissie om intermodaliteit met betrekking tot de binnenwateren actief te ondersteunen, vooral het grensoverschrijdende netwerk van nationale systemen van binnenwateren, dat verbeterd dient te worden;

46.  herhaalt dat het gemeenschappelijk Europees luchtruim (SES) in staat is om zonder aanzienlijke kosten luchtvaartemissies te verlagen, maar dat het SES niet op zichzelf aanzienlijke reducties van luchtvaartemissies, in lijn met de langetermijndoelstelling van de EU, teweeg zal brengen; dringt daarom aan op een duidelijk stappenplan voor regelgeving voor de luchtvaart, op basis van technologische oplossingen, infrastructuur, vereisten voor alternatieve brandstoffen en efficiënt functioneren en in combinatie met stimulansen voor een verschuiving tussen vervoerswijzen;

47.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de richtlijn betreffende infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en de verordening betreffende het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) te herzien teneinde de overstap naar emissievrije en -arme voertuigen en vaartuigen te versnellen; is verheugd dat nadruk wordt gelegd op de verbetering van de oplaadinfrastructuur voor elektrische voertuigen; dringt niettemin aan op een uitgebreider stedelijk mobiliteitsplan om de verkeerscongestie terug te dringen en de leefbaarheid van steden te verbeteren, bijvoorbeeld door de ondersteuning van emissievrij openbaar vervoer en fiets- en voetgangersinfrastructuur, met name in stedelijke gebieden;

48.  is van oordeel dat het van cruciaal belang is om te zorgen dat er voldoende wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van passende infrastructuur voor emissieloze mobiliteit, en dat de leningen voor de vervoersector van alle relevante EU-fondsen (Connecting Europe Facility, InvestEU, enz.), evenals de Europese Investeringsbank (EIB), hierop zijn toegesneden; roept de lidstaten op om voldoende financiering toe te zeggen en het tempo voor de invoering van innovatieve strategieën, oplaadinfrastructuur en alternatieve brandstoffen op te voeren; is van mening dat de inkomsten uit belastingen of heffingen op vervoer moeten worden geoormerkt om de transitie te ondersteunen en het maatschappelijk draagvlak voor deze kosten te vergroten; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om slimme systemen voor verkeersbeheer en mobiliteit te ontwikkelingen als een oplossing voor de dienstverlening, met name in stedelijke gebieden; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van innovatieve toepassingen, nieuwe technologieën, nieuwe zakelijke modellen en nieuwe opkomende en innovatieve mobiliteitssystemen in heel Europa te ondersteunen; dringt er bij de Commissie op aan steden met hun praktische ervaring en knowhow te betrekken bij de discussie over de tenuitvoerlegging van toekomstig mobiliteitsbeleid op EU‑niveau;

49.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de maritieme sector in de EU-regeling voor de emissiehandel op te nemen; benadrukt dat de EU een hoog ambitieniveau met betrekking tot de vermindering van broeikasgasemissies in de maritieme sector moet verdedigen, zowel op internationaal als op EU‑niveau, maar dat nieuwe EU‑maatregelen het internationale concurrentievermogen van schepen onder EU‑vlag niet mogen ondermijnen; is van mening dat EU‑maatregelen en internationale maatregelen hand in hand moeten gaan om de vaststelling van dubbele regelgeving voor de sector te voorkomen, en dat noch wereldwijd optreden, noch het gebrek daaraan een belemmering mag vormen voor het vermogen van de EU om zelf ambitieuzer op te treden; benadrukt voorts de behoefte aan maatregelen om af te stappen van het gebruik van zware stookolie en de behoefte aan dringende investeringen in onderzoek naar nieuwe technologieën om de scheepvaart en de luchtvaart koolstofvrij te maken, en in de ontwikkeling van emissievrije en groene schepen;

50.  steunt de voorgestelde maatregelen om de emissies in de luchtvaartsector terug te dringen, de ETS in overeenstemming met de klimaatambitie van de EU te versterken, en de toewijzing van gratis emissierechten aan luchtvaartmaatschappijen voor vluchten binnen de EU uit te faseren; verzoekt de Commissie en de lidstaten tegelijkertijd om alles in het werk te stellen om de bepalingen van de Regeling voor koolstofcompensatie en -reductie voor de internationale luchtvaart (Corsia) aan te scherpen en de vaststelling door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) van een langetermijndoelstelling om de emissies binnen de luchtvaartsector aanzienlijk te verlagen, te ondersteunen; en hierbij de wetgevingsautonomie van de EU met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de ETS-richtlijn te waarborgen; benadrukt dat alleen het Europees Parlement en de Raad, als medewetgevers, een besluit mogen nemen over eventuele toekomstige wijzigingen van de ETS-richtlijn; wijst erop dat alleen wijzigingen in de ETS-richtlijn mogen worden aangebracht als deze in overeenstemming zijn met de verbintenis van de EU om de broeikasgassen in alle economische sectoren te verminderen;

51.  benadrukt dat het belangrijk is om voor een gelijk speelveld te zorgen tussen de verschillende vervoerswijzen; verzoekt de Commissie daarom voorstellen te doen voor gecoördineerde maatregelen teneinde belastingvrijstellingen in de lidstaten voor vliegtuig- en scheepsbrandstoffen af te schaffen, in het kader van de herziening van de energiebelastingrichtlijn, waarbij onbedoelde negatieve ecologische, economische of sociale gevolgen moeten worden vermeden;

52.  kijkt uit naar de komende voorstellen van de Commissie voor strengere emissienormen voor luchtverontreinigende stoffen voor verbrandingsmotoren (Euro 7) en voor herziene emissienormen voor CO2 voor auto’s en bestelwagens, alsook voor vrachtwagens, om vanaf 2025 voor een traject naar emissievrije mobiliteit te zorgen; verzoekt de Commissie levenscyclusbeoordelingsmethoden te ontwikkelen; herinnert aan de diepgaande analyse in het kader van de mededeling van de Commissie getiteld “Een schone planeet voor iedereen –Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie”, die uitwees dat, volgens de scenario’s om in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, vanaf 2040 alle nieuwe auto’s die in de EU in de handel worden gebracht emissievrij zullen moeten zijn; roept op tot een coherent beleidskader en een overgangsregeling om deze ontwikkeling te ondersteunen; merkt op dat een herziening van de huidige regels nodig zal zijn om de lidstaten die het voortouw nemen toe te staan strengere maatregelen te nemen op nationaal niveau, indien zij daartoe besluiten;

53.  is ingenomen met de plannen van de Commissie om luchtverontreiniging veroorzaakt door maritiem vervoer en luchtvaart aan te pakken, onder meer door de toegang van de meest vervuilende schepen tot havens in de EU te reguleren en te voorzien in regelgevende maatregelen om de verontreiniging van aangemeerde schepen in havens aan te pakken; benadrukt dat de ontwikkeling van emissievrije havens die gebruikmaken van hernieuwbare energie gestimuleerd moet worden; onderstreept dat de invoering van nieuwe emissiebeheersgebieden, waarin is voorzien in het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (het Marpol‑Verdrag), en de snelheidsverlaging voor schepen relevante en eenvoudig toe te passen oplossingen zijn om de emissies terug te dringen;

54.  neemt kennis van de plannen van de Commissie om te overwegen de Europese emissiehandel uit te breiden tot emissies afkomstig van wegvervoer; wijst een rechtstreekse opneming in de EU-regeling voor emissiehandel en de vaststelling van parallelle regelingen van enigerlei aard af; benadrukt met klem dat geen enkel prijsstellingssysteem bestaande of toekomstige CO2-normen voor auto’s en vrachtwagens mag vervangen of verzwakken of consumenten rechtstreeks enige aanvullende lasten mag opleggen;

“Van boer tot bord”: de ontwikkeling van een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem

55.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om in 2020 te komen met een “van boer tot bord”-strategie om een duurzamer voedselbeleid te creëren door de inspanningen te bundelen die geleverd worden om de klimaatverandering te bestrijden, het milieu te beschermen en de biodiversiteit te behouden en te herstellen, met de ambitie te verzekeren dat de inwoners van Europa over betaalbaar, hoogwaardig en duurzaam voedsel kunnen beschikken, dat boeren en vissers een behoorlijk loon krijgen en dat het concurrentievermogen van de landbouwsector gewaarborgd is; is van mening dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) volledig in overeenstemming moet zijn met de toegenomen ambitie van de EU op het gebied van klimaat en biodiversiteit; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om te waarborgen dat Europees voedsel een mondiale norm voor duurzaamheid wordt; verzoekt de Commissie de strategie “van boer tot bord” te hanteren om een echte langetermijnvisie te ontwikkelen voor duurzame en concurrerende voedselsystemen, en om tegelijkertijd de wederkerigheid van de EU-productienormen in handelsovereenkomsten te bevorderen;

56.  benadrukt dat duurzame landbouw en landbouwers een essentiële rol zullen spelen bij de aanpak van de uitdagingen van de Europese Green Deal; benadrukt het belang van de Europese landbouw en de mogelijkheden die de landbouw heeft om bij te dragen tot klimaatactie, de circulaire economie, een versterkte biodiversiteit en de bevordering van het duurzame gebruik van hernieuwbare grondstoffen; benadrukt dat Europese landbouwers de nodige instrumenten moeten krijgen om klimaatverandering tegen te gaan en hun bedrijven hieraan aan te passen, zoals investeren in de transitie naar duurzamere landbouwsystemen; benadrukt dat de “van boer tot bord”-strategie gericht moet zijn op een ambitieuze vermindering van broeikasgasemissies in de landbouw en bodemdegradatie;

57.  benadrukt dat de positie van de landbouwers in de agrovoedselvoorzieningsketen moet worden versterkt; benadrukt dat de effecten van de EU-mededingingsregels op de duurzaamheid van de voedselvoorzieningsketen moeten worden aangepakt, bijvoorbeeld door oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan en producenten die voorzien in voedsel van hoge kwaliteit te belonen voor de collectieve goederen die zij leveren, zoals verbeteringen op het gebied van milieu en dierenwelzijn, voordelen die momenteel niet voldoende worden weerspiegeld in prijzen buiten de landbouwbedrijven;

58.  pleit voor een duurzaam GLB dat de landbouwers actief ondersteunt en via maatregelen aanmoedigt om meer milieu- en klimaatvoordelen tot stand te brengen, en beter om te gaan met volatiliteit en crises; verzoekt de Commissie een analyse te maken van de bijdrage die het huidige voorstel voor de hervorming van het GLB levert aan de doelstellingen van de EU inzake milieu-, klimaat- en biodiversiteitsbescherming, teneinde het GLB volledig in overeenstemming te brengen met de doelstellingen die in de Europese Green Deal bepaald zijn, rekening houdend met de noodzaak om een gelijk speelveld in Europa te handhaven en een sterke, veerkrachtige en duurzame landbouwproductie mogelijk te maken; benadrukt dat de ambitie van de Green Deal volledig tot uitdrukking moet komen in de strategische GLB‑plannen, en roept de Commissie op om in dit verband kordaat te zijn bij de beoordeling van de strategische plannen, en om met name het ambitieniveau en de doeltreffendheid van de ecoregelingen van de lidstaten te controleren en de resultaten van de tenuitvoerlegging ervan nauw te volgen; benadrukt het belang van een op resultaten gebaseerde en gerichte aanpak in het kader van het nieuwe uitvoeringsmodel, met een verdere vereenvoudiging en meer transparantie over concrete resultaten en doelstellingen op het gebied van toegevoegde waarde; is van oordeel dat het noodzakelijk is landbouwers te helpen om de transitie naar duurzamere vormen van landbouw te maken, en pleit er in dat verband voor het GLB te voorzien van een begroting die het mogelijk maakt alle doelstellingen van het GLB te halen, waaronder het waarmaken van de milieuambities van de EU;

59.  herhaalt dat een beperking van de afhankelijkheid van bestrijdingsmiddelen behoort tot de streefdoelen voor een duurzame landbouw die een hoge prioriteit moeten krijgen; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de druk van bestrijdingsmiddelen op het milieu en op de gezondheid aan te pakken en om het gebruik en de risico’s van chemische bestrijdingsmiddelen, evenals het gebruik van meststoffen en antibiotica, aanzienlijk te beperken, onder meer door middel van wetgevingsmaatregelen; benadrukt dat de “van boer tot bord”-strategie bindende reductiestreefcijfers moet omvatten voor gevaarlijke pesticiden; dringt aan op een EU-strategie voor het faciliteren van markttoegang voor wetenschappelijk onderbouwde duurzame alternatieven; verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de oproepen van het Parlement in zijn resolutie van 16 januari 2019 over de toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden(4);

60.  stelt met bezorgdheid vast dat landbouw, visserij en voedselproductie nog steeds de grootste oorzaak van het verlies aan biodiversiteit op het land en in de zee zijn; is van mening dat de afname van het aantal bestuivers, waaronder bijen, vanuit het oogpunt van de voedselzekerheid bijzonder zorgwekkend is, omdat gewassen die van bestuiving afhankelijk zijn, een belangrijke rol spelen in onze voeding; verzoekt de Commissie en de lidstaten zo snel mogelijk volledig goedkeuring te hechten aan de richtsnoeren van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) inzake bijen van 2013 en spoort de lidstaten ertoe aan hun beoordeling van pesticiden dienovereenkomstig aan te passen;

61.  benadrukt dat slimme landbouwtechnieken en productiemethoden noodzakelijk zijn om voldoende voedzame voedingsmiddelen te waarborgen voor een groeiende bevolking, en voedselverlies en -verspilling te beperken; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer te doen om voedselverspilling en voedselfraude tegen te gaan; roept op tot een handhaafbare EU-brede reductiedoelstelling voor voedselverspilling van 50 % tegen 2030, op basis van een gemeenschappelijke methodologie; benadrukt de positieve gevolgen die korte voedselvoorzieningsketens kunnen hebben voor de strijd tegen voedselverspilling;

62.  benadrukt dat de wetgeving inzake voedselcontactmateriaal en de maximumgehalten aan pesticiden moeten worden herzien en worden gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke bevindingen; spoort de Commissie ertoe aan levensmiddelenadditieven die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid te verbieden; herinnert aan de belangrijke rol van gezond voedsel om hart- en vaatziekten en kanker te bestrijden; benadrukt dat het belangrijk is om een rechtskader en handhavingsmechanismes in te richten voor geïmporteerde voedselproducten om te voldoen aan Europese milieunormen;

63.  merkt op dat EU-burgers van oordeel zijn dat “het zorgen voor veilig, gezond en hoogwaardig voedsel” voor alle consumenten een topprioriteit van het GLB en het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) moet zijn; is van mening dat digitale oplossingen om informatie te verstrekken een aanvulling kunnen vormen op het vermelden van informatie op het etiket, maar dit niet kunnen vervangen; is daarom ingenomen met het voornemen van de Commissie om nieuwe manieren uit te proberen om consumenten betere informatie te bieden; dringt er bij de Commissie op aan om verbeterde voedseletikettering te overwegen, waarbij gedacht kan worden aan etikettering inzake voedingswaardes, het land van oorsprong van bepaalde levensmiddelen, en milieu en dierenwelzijn, teneinde fragmentering op de eengemaakte markt te voorkomen en objectieve, transparante, consumentvriendelijke informatie te bieden;

64.  wijst erop dat de landbouw over het potentieel beschikt om de EU te helpen haar emissies te beperken door middel van duurzame praktijken in landbouwbedrijven, zoals precisielandbouw, biologische landbouw, agro-ecologie, agrobosbouw, een verhoogd dierenwelzijn en preventie van menselijke en dierlijke ziekten, met inbegrip van duurzaam bosbeheer, afvang van koolstof, en een beter nutriëntenbeheer, om de doelstellingen van de Europese Green Deal te helpen bereiken; benadrukt dat landbouwers gestimuleerd moeten worden om over te stappen op deze praktijken, die op een eerlijke, tijdige en economisch haalbare manier zullen zorgen voor meer klimaat-, milieu- en biodiversiteitsvoordelen; is ingenomen met het feit dat in de “van boer tot bord”-strategie ook aandacht besteed wordt aan de voordelen van nieuwe technologieën, zoals digitalisering, en zal leiden tot een verhoging van de efficiëntie, een verbeterd gebruik van hulpbronnen en meer ecologische duurzaamheid, en tegelijkertijd ook economische voordelen voor de sector; herhaalt dat er een omvattend Europees strategisch plan voor de productie van en de voorziening in plantaardige eiwitten moet worden uitgevoerd, dat moet uitgaan van de duurzame ontwikkeling van alle gewassen die in de gehele Unie worden verbouwd;

65.  vraagt de Commissie visserij- en aquacultuurproducten in haar “van boer tot bord”‑strategie op te nemen, met het oog op de versterking van de duurzame waardeketen in de visserijsector (van visserij tot consumptie); erkent het potentieel van de visserijsector om bij te dragen aan de doelstellingen van de Europese Green Deal; onderstreept nadrukkelijk dat de sector in overeenstemming moet zijn met de milieu-, klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen van de EU en met de wetenschap; beklemtoont hoe belangrijk het is te zorgen voor passende ondersteuning voor Europese vissers bij de transitie naar duurzame visserijactiviteiten; verzoekt de Commissie met een voorstel te komen om de traceerbaarheid van visserijproducten te verbeteren, met inbegrip van de vermelding van de oorsprong op de verpakking van visconserven en de afwijzing van producten die het mariene milieu schaden of aantasten;

66.  acht het belangrijk om bestaande dierenwijlzijnsnormen aan te scherpen, en waar nodig nieuwe normen te ontwikkelen, gebaseerd op nieuwe wetenschappelijke bevindingen, en inbreukprocedures te starten tegen lidstaten die systematisch niet aan hun verplichtingen op het gebied van de tenuitvoerlegging en handhaving van de bestaande dierenwelzijnswetgeving voldoen; vraagt de Commissie zo snel mogelijk een nieuwe strategie voor dierenwelzijn te presenteren die de weg effent voor een kaderwet voor dierenwelzijn en ervoor zorgt dat bij elk relevant beleid rekening wordt gehouden met het dierenwelzijn;

Behoud en herstel van ecosystemen en biodiversiteit

67.  betreurt ten zeerste dat de biodiversiteit in Europa en de rest van de wereld in een alarmerend tempo blijft achteruitgaan en dat Europa er niet in slaagt zijn huidige doelstellingen te halen, inclusief de Aichi-doelen om het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen; benadrukt de noodzaak om biodiversiteit te behouden en te herstellen, en is ingenomen met de toezegging van de Commissie om tegen maart 2020 met een nieuwe biodiversiteitsstrategie te komen, vóór de 15e Conferentie van de Partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit; benadrukt dat de EU moet aandringen op een ambitieuze en bindende mondiale overeenkomst over het kader inzake biodiversiteit voor de periode na 2020, met duidelijke doelen en bindende streefcijfers voor beschermde gebieden in heel de EU en wereldwijd; acht het van cruciaal belang om het biodiversiteitsverlies in Europa en wereldwijd uiterlijk in 2030 een halt toe te roepen en om te buigen, met inbegrip van specifieke acties voor Europese overzeese gebieden;

68.  onderstreept dat de biodiversiteitsstrategie voor 2030 zowel ambitieuze en afdwingbare wettelijke maatregelen en bindende streefcijfers moet omvatten om de bescherming en het herstel van kwetsbare ecosystemen op te voeren, als alomvattende maatregelen om de oorzaken van het verlies aan biodiversiteit aan te pakken; benadrukt dat het belangrijk is de omvang en doeltreffendheid van netwerken van beschermde gebieden te vergroten met het oog op de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering en om ervoor te zorgen dat de biodiversiteit kan herstellen; verzoekt de Commissie in de biodiversiteitsstrategie de doelstelling op te nemen om gevaarlijke chemische stoffen geleidelijk af te schaffen en deze doelstelling te koppelen aan de strategie voor een niet-toxisch milieu; neemt kennis van de plannen van de Commissie om maatregelen in kaart te brengen om beschadigde ecosystemen te verbeteren en te herstellen en een plan voor herstel van de natuur voor te stellen; is van mening dat gebieden met een grote biodiversiteit die deel uitmaken van stedelijke groene infrastructuur helpen bij het aanpakken van luchtverontreiniging, lawaai, de gevolgen van de klimaatverandering, hittegolven, overstromingen en volksgezondheidsproblemen; is verheugd dat de Commissie voorstellen zal doen om de Europese steden groener te maken en de biodiversiteit in stedelijke gebieden te doen toenemen;

69.  benadrukt dat beleidscoherentie op zowel nationaal als EU-niveau essentieel is voor een succesvol beleid om de natuur en de biodiversiteit te beschermen; is van mening dat het met betrekking tot de tenuitvoerlegging belangrijk is om optimale werkwijzen en ervaringen uit te wisselen tussen lidstaten; verzoekt de Commissie om inbreukprocedures te starten tegen lidstaten die de natuurbeschermingswetgeving niet naleven; dringt er bij de Commissie op aan de milieuaansprakelijkheidsrichtijn te versterken in overeenstemming met de aanbevelingen die het Europees Parlement in zijn resolutie van 26 oktober 2017 heeft gedaan;

70.  is van mening dat de oorzaken van het verlies aan biodiversiteit mondiaal zijn en de nationale grenzen overstijgen; steunt daarom het voorstel dat de Commissie op de VN-biodiversiteitsconferentie in oktober 2020 zal doen voor een mondiale bindende doelstelling om de biodiversiteit te beschermen en te herstellen; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op hun inspanningen te bundelen en overeenstemming te bereiken over een ambitieus mondiaal streefdoel inzake beschermde gebieden voor land- en zeegebied;

71.  wijst erop dat bossen onmisbaar zijn voor onze planeet en biodiversiteit; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om mondiale ontbossing tegen te gaan en dringt erop aan hier meer werk van te maken; roept de Commissie op om zo snel mogelijk een Europees rechtskader voor te stellen op basis van passende zorgvuldigheid, die zorgt voor duurzame en ontbossingsvrije toeleveringsketens voor producten die in de EU in de handel worden gebracht, met in het bijzonder aandacht voor het aanpakken van de belangrijkste oorzaken van ingevoerde ontbossing en het bevorderen van de invoer van producten die in het buitenland geen ontbossing veroorzaken;

72.  verzoekt de Commissie om een nieuwe ambitieuze EU‑bosstrategie te presenteren waarin terdege erkend wordt dat Europese bossen, de bossector en duurzaam bosbeheer een belangrijke, multifunctionele en horizontale rol hebben in de strijd tegen klimaatverandering en biodiversiteitsverlies, en ook een belangrijke sociale, economische en ecologische functie; herinnert aan de noodzaak van maatregelen om de illegale houtkap in Europa te bestrijden; benadrukt dat alle inspanningen op het gebied van bebossing, herbebossing en herstel gericht moeten zijn op de verbetering van de biodiversiteit en de opslag van koolstof;

73.  benadrukt dat de smokkel en illegale handel in wilde dieren en planten een belangrijke oorzaak van biodiversiteitsverlies is; onderstreept dat het actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten uit 2016 in 2020 afloopt; dringt er bij de Commissie op aan de bepalingen daarvan te vernieuwen, deze volledig op te nemen in de biodiversiteitsstrategie voor 2030, en te zorgen voor toereikende financiering; verzoekt de Commissie om samenwerking met partnerlanden een essentieel onderdeel van de strijd tegen criminaliteit in verband met wilde dieren en planten en de achteruitgang van de biodiversiteit te maken;

74.  erkent de rol van de “blauwe economie” bij de aanpak van de klimaatverandering; benadrukt dat de blauwe economie, inclusief hernieuwbare energie, toerisme en industrie, echt duurzaam moet zijn, aangezien het gebruik van mariene hulpbronnen direct of indirect afhankelijk is van de kwaliteit en het aanpassingsvermogen van de oceanen op de lange termijn; is van mening dat de oceaan hoog op de agenda moet worden geplaatst van de Europese Green Deal; dringt er bij de Commissie op aan de Green Deal ook een blauw kantje te geven en de oceanen als een integraal en essentieel onderdeel in de Green Deal op te nemen, en de ecosysteemdiensten die oceanen leveren volledig te erkennen door een actieplan voor oceanen en aquacultuur te ontwikkelen, dat concrete maatregelen omvat die samen een geïntegreerde strategische visie op maritieme beleidskwesties vormen, met inbegrip van transport, innovatie en kennis, biodiversiteit, blauwe economie, emissies en governance;

75.  is van mening dat het GVB tot doel moet hebben om de overbevissing een halt toe te roepen en de visbestanden opnieuw op te bouwen tot een hoger niveau dan de maximale duurzame opbrengst, duurzame zout- en zoetwateraquacultuursystemen te ontwikkelen, en een effectief, geïntegreerd en op het ecosysteem gebaseerd beheerssysteem in te voeren dat rekening houdt met alle factoren die gevolgen hebben voor de visbestanden en het mariene ecosysteem, met inbegrip van klimaatverandering en verontreiniging; verzoekt de Commissie hiervoor een voorstel in te dienen voor een herziening van het GVB;

76.  benadrukt de noodzaak van inspanningen voor het behoud van de oceanen en de kusten, zowel voor de mitigatie van als aanpassing aan de klimaatverandering, om de mariene en kustecosystemen te beschermen en te herstellen, en dringt aan op een voorstel om een bindende doelstelling vast te leggen om het netwerk van beschermde mariene gebieden op EU‑niveau met ten minste 30 % uit te breiden in de biodiversiteitsstrategie voor 2030, teneinde de bescherming van de oceanen te verbeteren; benadrukt de behoefte aan versterking van de financiële middelen en de capaciteit om de mariene kennis inzake biodiversiteit, klimaat en vervuiling te verbeteren, teneinde de impact van bepaalde activiteiten op mariene ecosystemen en de toestand van de visbestanden beter te begrijpen en passende actieplannen met het oog op aanpassing en beperking op te zetten;

77.  benadrukt dat de rol van de EU als wereldleider op het gebied van oceaangovernance bevorderd moet worden, met inbegrip van de handelsdimensie, door te stimuleren dat er in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee een internationaal mechanisme ter bescherming van de biodiversiteit en de mariene ecosystemen in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht wordt ingevoerd en dat een nultolerantiebeleid ten aanzien van illegale visserij wordt gehanteerd, inclusief een gemeenschappelijke strategie met de buurlanden om vervuiling te voorkomen en te verminderen; wijst op de noodzaak om de bijdrage van de EU tot het Decennium van oceaanwetenschappen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties te vergroten, teneinde meer te doen op het gebied van oceaanwetenschap en voor de verwezenlijking van de SDG’s;

Streven om vervuiling tot nul terug te brengen voor een gifvrij milieu

78.  is ingenomen met de plannen van de Commissie voor een actieplan om de vervuiling van lucht, water en bodem tot nul terug te brengen, dat ook de verontreiniging van land naar water moet aanpakken, verscherpt toezicht moet omvatten en zich moet richten op het voorkomen van vervuiling; betreurt dat de publicatie van de strategie voor een niet-toxisch milieu vertraging heeft opgelopen, en roept de Commissie op om in 2020 zo snel mogelijk een ambitieuze en sectordoorsnijdende strategie voor een niet-toxisch milieu voor te stellen om ervoor te zorgen dat alle Europeanen, waaronder consumenten, werknemers en kwetsbare groepen, terdege worden beschermd tegen schadelijke stoffen;

79.  is van oordeel dat met de strategie voor een niet-toxisch milieu alle hiaten in de EU-wetgeving inzake chemische stoffen moeten worden gedicht, en dat deze strategie effectief moet bijdragen aan de snelle vervanging van zeer zorgwekkende stoffen en andere gevaarlijke chemische stoffen, met inbegrip van hormoonontregelende stoffen, zeer persistente stoffen, neurotoxische stoffen en immunotoxische stoffen, en de aanpak van de gecombineerde effecten van chemische stoffen, nanovormen van stoffen en blootstelling aan gevaarlijke chemische stoffen van producten; herhaalt dat een verbod op deze chemische stoffen rekening moet houden met alle duurzaamheidsaspecten; benadrukt dat er een duidelijke toezegging moet worden gedaan om de middelen te garanderen voor beter onderzoek naar veilige alternatieven en voor de bevordering van de vervanging van schadelijke chemische stoffen, schone productie en duurzame innovatie; benadrukt dat het noodzakelijk is het aantal dierproeven bij risico-evaluaties te verminderen en dringt aan op meer inspanningen en middelen hiervoor;

80.  dringt aan op een ambitieus wetgevingsvoorstel uiterlijk in juni 2020 om de aanwezigheid van hormoonontregelende stoffen, met name in cosmetica, speelgoed en voedselverpakkingen, te beperken, en een actieplan op te zetten dat voorziet in een breed kader met doelstellingen en termijnen om de blootstelling van burgers aan hormoonontregelende chemische stoffen te beperken; wijst erop dat het nieuwe alomvattende kader inzake EDC’s moet waarborgen dat er rekening wordt gehouden met mengseleffecten en gecombineerde blootstelling;

81.  verzoekt de Commissie duidelijke wetgevingsmaatregelen te nemen om in te spelen op de aanwezigheid van farmaceutische producten in het milieu, zowel als gevolg van het productieproces als het gebruik en de verwijdering van farmaceutische producten; maakt zich zorgen over de bijdrage van farmaceutische producten aan antimicrobiële resistentie wanneer zij in het milieu terechtkomen middels de lozing van dierlijke mest;

82.  wijst erop dat het “actieplan om de vervuiling van lucht, water en bodem tot nul terug te brengen” een allesomvattende en transversale strategie moet inhouden om de gezondheid van de burgers te beschermen tegen aantasting en verontreiniging van het milieu; verzoekt de Commissie het niveau van de bescherming van de luchtkwaliteit te verhogen, in lijn met de meest recente wetenschappelijke bevindingen en de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO); dringt aan op een beter toezicht op de luchtverontreiniging in de lidstaten, door robuuste en geharmoniseerde metingsmethoden toe te passen en de toegang tot informatie voor Europese burgers te vergemakkelijken; roept op tot alomvattend optreden tegen alle relevante verontreinigende stoffen om de natuurlijke functies van het grond- en oppervlaktewater te herstellen; onderstreept dat bij de herziening van de richtlijn industriële emissies nadruk moet worden gelegd op het voorkomen van verontreiniging, samenhang met beleidsmaatregelen op het gebied van de circulaire economie en decarbonisatie; pleit bovendien voor een herziening van de Seveso-richtlijn;

Het financieren van de Europese Green Deal en het waarborgen van een rechtvaardige transitie

83.  is ingenomen met de erkenning van de aanzienlijke financieringsbehoeften om de in de Europese Green Deal uiteengezette doelstellingen te bereiken; is bovendien verheugd dat in de mededeling wordt erkend dat duurzaamheid verder moet worden geïntegreerd in alle sectoren; is van mening dat de Commissie met een alomvattend financieringsplan moet komen op basis van een coherent pakket van voorstellen die gericht zijn op het stimuleren van openbare en particuliere investeringen op alle niveaus; is van mening dat een dergelijk plan noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de aanzienlijke financieringsbehoeften en de extra investeringen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal, die het door de Commissie genoemde conservatieve cijfer van 260 miljard EUR ruimschoots overschrijden, waarbij bijvoorbeeld geen rekening wordt gehouden met de investeringsbehoeften voor de aanpassing aan de klimaatverandering en voor andere milieu-uitdagingen zoals biodiversiteit, noch met de overheidsinvesteringen die nodig zijn om de sociale kosten aan te pakken; benadrukt dat de kosten van een grondige decarbonisatie nu veel lager liggen dan de kosten om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen;

84.  ondersteunt wat op tafel ligt voor het investeringsplan voor een duurzaam Europa om de investeringskloof te helpen dichten, de transitie naar een koolstofneutrale economie te helpen financieren en te zorgen voor een rechtvaardige transitie in alle regio’s van de EU; onderstreept dat in het plan rekening moet worden gehouden met de ervaringen van eerdere programma’s (het “plan-Juncker”) en de nadruk moet worden gelegd op investeringen met een echte Europese meerwaarde; roept op tot gecoördineerde acties om de investeringskloof in de EU te dichten, onder meer via de EU-begroting, financiering door de EIB en andere financiële instellingen en EU-programma’s, bijvoorbeeld via InvestEU;

85.  is ingenomen met het nieuwe beleid inzake kredietverstrekking voor energie en de nieuwe strategie voor klimaatactie en ecologische duurzaamheid die de EIB op 14 november 2019 heeft aangenomen en beschouwt deze als een belangrijke stap om de Europese Green Deal te verwezenlijken; is erover verheugd dat de EIB wordt omgevormd tot de nieuwe Europese klimaatbank, waarbij zij tegen 2025 de helft van haar activiteiten op klimaatactie en ecologische duurzaamheid richt, tegen 2021 haar steun voor projecten met fossiele brandstoffen stopzet en tegen 2020 al haar financieringsactiviteiten in overeenstemming brengt met de beginselen en doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; moedigt de EIB aan een actieve rol te spelen bij de ondersteuning van projecten die een rechtvaardige transitie ondersteunen, zoals onderzoek, innovatie en digitalisering, de toegang van kmo’s tot financiering, en sociale investeringen en vaardigheden; dringt erop aan dat het investeringsbeleid van de EIB voorrang geeft aan gerichte financiering van Europese Green Deal-initiatieven, rekening houdend met de additionaliteit die de EIB-financiering kan bieden in combinatie met andere bronnen; benadrukt dat coördinatie met andere financieringsinstrumenten van cruciaal belang is, aangezien de EIB niet alle initiatieven van de Europese Green Deal alleen kan financieren; verwelkomt de recente verklaringen van de onlangs benoemde voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB) dat de instelling, zowel in haar monetaire rol als met betrekking tot het bankentoezicht, moet bijdragen aan de strijd tegen de klimaatverandering; spoort de Commissie er in dit opzicht toe aan samen te werken met de ECB om het coherente optreden dat in de mededeling over de Europese Green Deal wordt beloofd, te waarborgen, onverminderd het in de Verdragen vastgestelde mandaat van de ECB;

86.  benadrukt dat het huidige marktonevenwicht tussen laag aanbod van en grote vraag naar duurzame financiële producten moet worden aangepakt; onderstreept nogmaals de rol van duurzame financiering en acht het van essentieel belang dat de belangrijkste internationale financiële instellingen snel werk maken van de invoering en ontwikkeling van groene financiering, om volledige transparantie te waarborgen over de mate van duurzaamheid van het financiële stelsel van de EU en om de mondiale economie met succes koolstofvrij te maken; hamert erop dat er moet worden voortgebouwd op de resultaten van de strategie inzake duurzame financiering, wijst erop dat het actieplan van de EU inzake duurzame financiering snel ten uitvoer moet worden gelegd, met inbegrip van een groen label voor financiële producten, de norm voor groene obligaties en de integratie van milieu-, sociale en governancefactoren in het prudentieel kader voor banken, en is tevreden met de oprichting van het Internationaal platform inzake duurzame financiering;

87.  benadrukt dat de rechtvaardige transitie moet worden ondersteund en is ingenomen met de toezeggingen van de Commissie op dit gebied; is van oordeel dat een goed opgezet mechanisme voor een rechtvaardige transitie, dat een fonds voor een rechtvaardige transitie omvat, een belangrijk instrument zal zijn om de transitie te vergemakkelijken en ambitieuze klimaatdoelstellingen te halen zonder de sociale gevolgen uit het oog te verliezen; benadrukt dat consistente financiering van dit instrument, met inbegrip van aanvullende begrotingsmiddelen, een cruciaal onderdeel zal zijn voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de Europese Green Deal; is van mening dat een rechtvaardige transitie over meer gaat dan alleen een fonds, maar dat het een hele beleidsaanpak is die gebaseerd is op investeringen die ervoor moeten zorgen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten, en wijst in deze context op de rol van sociaal beleid in de lidstaten; is van oordeel dat het mechanisme niet mag neerkomen op een loutere netto-overdracht aan nationale regeringen of bedrijven, en niet mag worden gebruikt om de verplichtingen van het bedrijfsleven te betalen, maar concreet werknemers in alle sectoren en de gemeenschappen van de EU die het hardst werk moeten maken van decarbonisatie, zoals de koolmijnbouw en koolstofintensieve regio’s, moeten helpen om de transitie naar de schone economie van de toekomst te maken, zonder een ontradend effect te hebben op proactieve projecten en initiatieven; is van mening dat het fonds onder andere bijscholing en omscholing moet bevorderen, teneinde werknemers voor te bereiden en bij te scholen met het oog op nieuwe arbeidskansen, -vereisten en -vaardigheden, en het scheppen van hoogwaardige en duurzame banen moet ondersteunen; benadrukt met klem dat de financiering van de rechtvaardige transitie afhankelijk moet worden gesteld van vooruitgang op het gebied van concrete en bindende plannen voor het koolstofarm maken van de economie, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, in het bijzonder de uitfasering van steenkool en de transformatie van koolstofintensieve economische regio’s; acht het van belang om een passend monitoringskader te waarborgen om toe te zien op hoe de lidstaten gebruikmaken van de middelen; benadrukt echter dat middelen alleen geen garantie bieden voor de transitie en dat een alomvattende EU-strategie nodig is op basis van een echte dialoog met de betrokken bevolking en gemeenschappen, met inbegrip van de vakbonden;

88.  benadrukt de essentiële rol die het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2021-2027 speelt bij de verwezenlijking van de Europese Green Deal en de dringende behoefte aan een nieuwe grote sprong voorwaarts wat de politieke en financiële inspanningen betreft, met inbegrip van nieuwe begrotingskredieten, om de doelstellingen ervan en een rechtvaardige overgang naar een koolstofneutrale economie te verwezenlijken op basis van de hoogste criteria voor sociale rechtvaardigheid, zodat niemand waar dan ook aan zijn lot wordt overgelaten; verwacht dat de begrotingsmiddelen voor de volgende programmeringsperiode evenredig zullen zijn met deze ambitie, en benadrukt dat een MFK met minder middelen uiteraard een stap achteruit zou betekenen;

89.  vraagt om een mechanisme in te voeren dat een goede coördinatie, coherentie en consistentie tussen alle beschikbare beleidsmaatregelen, financieringsinstrumenten en investeringen van de EU waarborgt, met inbegrip van de EIB, teneinde overlappingen te vermijden en de synergieën, complementariteit en additionaliteit van de verstrekte financiering te versterken, en duurzame particuliere en publieke investeringen aan te trekken, waardoor de financiële steun voor de Europese Green Deal maximaal wordt benut en gemainstreamd; benadrukt in dit verband zijn steun voor het beginsel van de mainstreaming van doelstellingen in het MFK om beleidscoherentie te bereiken; is van mening dat de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld een belangrijke rol speelt bij het bereiken van de doelstellingen van de Europese Green Deal en het vormgeven van een rechtvaardige samenleving en een sterke economie;

90.  dringt aan op de vaststelling van ambitieuze en bindende streefdoelen voor de uitgaven voor biodiversiteit en klimaatmainstreaming, die verder gaan dan het niveau van de beoogde uitgavenpercentages, zoals uiteengezet in het standpunt van het Parlement over het MFK, met inbegrip van een strikte en alomvattende methode voor het vaststellen en volgen van uitgaven op het gebied van klimaat en biodiversiteit; eist dat de Commissie ervoor zorgt dat in geen geval EU-financiering aangewend wordt voor welke beleidsmaatregel dan ook die indruist tegen de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de andere milieudoelstellingen en internationale toezeggingen en verplichtingen van de EU;

91.  is voorstander van de invoering van een pakket van doelgerichte nieuwe groene eigen middelen die overeenkomen met de doelstellingen van de Europese Green Deal en die een groene en sociaal rechtvaardige transitie bevorderen en vergemakkelijken, met inbegrip van de strijd tegen de klimaatverandering en de bescherming van het milieu; beschouwt de voorstellen van de Commissie in dit opzicht als startpunt;

92.  is van mening dat de geplande herziening van de staatssteunregels de beleidsdoelstellingen van de Europese Green Deal moet weerspiegelen en gericht moet zijn op het versterken en vereenvoudigen van investeringen in duurzame oplossingen, het waarborgen van een snelle uitfasering van directe en indirecte subsidies voor steenkool en fossiele brandstoffen in de EU en het verstrekken van richtsnoeren die volledig in overeenstemming zijn met de doelstellingen inzake de vermindering van broeikasgasemissies en het milieu voor nationale, regionale en lokale overheden, die een belangrijke rol zullen spelen bij een doeltreffende en innovatieve tenuitvoerlegging van de Europese Green Deal; is van mening dat de herziening het mogelijk moet maken dat nationale steun voor structurele veranderingen als gevolg van de uitfasering van steenkool onder dezelfde voorwaarden wordt verleend als steun uit het fonds voor een rechtvaardige transitie; benadrukt dat een dergelijke herziening het krachtige pakket mededingingsregels van de EU niet af mag zwakken;

93.  benadrukt dat een aanzienlijk deel van de financiering die nodig is voor de Green Deal zal moeten komen uit de begrotingen van de lidstaten; is verheugd over het voornemen van de Commissie om met de lidstaten samen te werken aan de vergroening van de nationale begrotingen; maakt zich zorgen dat elk toekomstig financieringsmodel van de Green Deal in gevaar komt zonder duurzaam fiscaal beleid en betrouwbare financiële situaties van lidstaten; dringt daarom aan op de invoering van een faciliterend kader voor duurzame overheidsinvesteringen om de doelstellingen van de Europese Green Deal te verwezenlijken, maar benadrukt dat welk financieringsmodel ook wordt gekozen, de duurzaamheid van de overheidsfinanciën in de EU niet mag worden ondermijnd; benadrukt echter dat duurzame investeringen in het kader van de Europese Green Deal daadwerkelijk aanvullend moeten zijn en marktfinanciering niet mogen verdringen; wijst er in dit opzicht op dat particuliere en publieke investeringen van de huidige lage rentevoeten kunnen profiteren;

94.  dringt erop aan dat de hervormingsagenda van de Europese Green Deal wordt weerspiegeld in een groener Europees semester; onderstreept dat het Europees semester, zoals het momenteel functioneert, niet mag worden afgezwakt; is van mening dat de SDG’s van de VN erin moeten worden geïntegreerd, teneinde het proces om te vormen tot een aanjager van verandering in de richting van duurzaam welzijn voor iedereen in Europa; steunt daarom de verdere opname van sociale en milieu-indicatoren en -doelstellingen in het semester, gekoppeld aan de verplichting voor lidstaten om nationale plannen in te dienen om de SDG’s te bereiken; verzoekt de Commissie voorts om te voorzien in beoordelingen van de samenhang tussen de begrotingen van de lidstaten en de geactualiseerde klimaatdoelstellingen van de EU;

Onderzoek mobiliseren en innovatie stimuleren

95.  benadrukt dat wereldwijd toonaangevend onderzoek en innovatie van fundamenteel belang zijn voor de toekomst van Europa, essentieel zijn voor de verwezenlijking van onze milieu- en klimaatdoelstellingen, een op wetenschappelijke kennis gebaseerde strategie verzekeren om uiterlijk in 2050 een koolstofneutraal Europa en de schone transitie van de maatschappij te realiseren en tegelijkertijd economisch concurrentievermogen en welvaart waarborgen; is verheugd dat de Commissie de nadruk legt op de noodzaak om intersectoraal en interdisciplinair te werken; onderstreept de noodzaak van systematische klimaatmainstreaming en het klimaatbestendig maken van alle programma’s in de onderzoeks- en innovatieagenda van de EU; wijst erop dat nieuwe technologieën extra voordelen kunnen opleveren voor de transitie naar een duurzame economie; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om onderzoek naar aanpassingstechnologieën te bevorderen;

96.  onderstreept het belang van het opdrachtgerichte programma Horizon Europa 2021-2027, dat de mogelijkheid biedt om een breed scala aan actoren, waaronder de Europese burgers, te betrekken bij het aanpakken van de urgente mondiale kwestie van de klimaatverandering, en om over te gaan tot meer samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie, met het oog op de verwezenlijking van de Europese Green Deal; benadrukt dat voor Horizon Europa een ambitieuze begroting van 120 miljard EUR in lopende prijzen moet worden gehandhaafd om tegemoet te kunnen komen aan de grote uitdagingen op het gebied van innovatie met het oog op de transitie naar klimaatneutraliteit, rekening houdend met het feit dat ten minste 35 % van de begroting van Horizon Europa moet bijdragen aan klimaatdoelstellingen; benadrukt dat andere EU-fondsen een groter deel van hun begroting moeten besteden aan onderzoek en innovatie met betrekking tot schone technologieën; verzoekt de Commissie de mogelijkheden die voortvloeien uit het bredere innovatieklimaat te maximaliseren, aangezien veel nieuwe sleuteltechnologieën van cruciaal belang zullen zijn om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken;

97.  benadrukt dat de EU haar vlaggenschipprogramma’s voor civiele ruimtevaart, te weten Copernicus en Galileo, en het Agentschap van de EU voor het ruimtevaartprogramma moet behouden en verder uitbouwen, aangezien deze een waardevolle bijdrage leveren aan milieumonitoring en gegevensverzameling; benadrukt dat alle diensten van Copernicus op het gebied van klimaatverandering zo spoedig mogelijk volledig operationeel moeten worden teneinde te zorgen voor een continue stroom van noodzakelijke gegevens voor effectieve mitigatie- en aanpassingsmaatregelen op het gebied van klimaatverandering;

98.  onderstreept het belang van het versterken van de technologische en kennisoverdracht op het gebied van de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, de bescherming en het herstel van biodiversiteit, efficiënt hulpbronnengebruik en circulariteit, en koolstofarme en emissievrije technologieën, waaronder het verzamelen van gegevens ter ondersteuning van de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal; wijst met klem op het belang van de ondersteuning van marktintroductie, hetgeen een belangrijke motor is om het aanzienlijke kenniskapitaal van de EU om te zetten in innovatie; stelt zich op het standpunt dat de Europese Green Deal tevens een kans biedt om verbanden tussen de verschillende sectoren te creëren, hetgeen symbiotische voordelen zou moeten opleveren; meent in dit verband dat de bio-economie de kans biedt om voor verschillende sectoren dergelijke symbiotische voordelen te creëren, en de circulaire economie aan te vullen;

99.  herhaalt dat het EU-beleid wetenschappelijke excellentie en participatieve wetenschap moet ondersteunen, de samenwerking tussen de academische wereld en het bedrijfsleven moet versterken, innovatie en empirisch onderbouwde beleidsvorming moet bevorderen, en internationale samenwerking op dit gebied moet stimuleren, onder meer door de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen met het oog op de versterking van vaardigheden in verband met de ecologische transitie in de nieuwe beroepen die met die transitie gepaard gaan bij werknemers, leerkrachten en jongeren; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de nieuwe vaardighedenagenda en de jongerengarantieregeling te actualiseren om de inzetbaarheid in de groene economie te vergroten en moedigt de lidstaten aan te investeren in onderwijs- en opleidingsstelsels, met inbegrip van activiteiten in verband met beroepsopleiding; is van mening dat het in overeenstemming is met de doelstellingen van de mededeling om “groene mobiliteit” te bevorderen in het kader van het Erasmus+-programma voor 2021-2027;

“Niet schaden” – duurzaamheid integreren in alle beleidsmaatregelen van de EU

100.  is ingenomen met het concept van het “niet schaden”-beginsel en de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat alle EU-maatregelen bijdragen aan het bereiken van een groene toekomst en een rechtvaardige transitie, onder meer door middel van groene begrotingsinstrumenten, en om de richtsnoeren voor betere regelgeving dienovereenkomstig bij te werken; dringt aan op een totaalaanpak voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, het Verdrag inzake biologische diversiteit en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, zowel in het interne als in het externe beleid; verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij de volledige en correcte tenuitvoerlegging van de huidige en toekomstige milieu- en klimaatwetgeving in de lidstaten, en ervoor te zorgen dat er gevolgen zijn in geval van niet-naleving;

101.  onderstreept de cruciale rol van het voorzorgsbeginsel als leidraad voor het EU-optreden op alle beleidsterreinen, samen met het “niet schaden”-beginsel, met de grootst mogelijke inachtneming van het beginsel van beleidscoherentie; is van mening dat het voorzorgsbeginsel ten grondslag moet liggen aan alle maatregelen die in het kader van de Europese Green Deal worden ondernomen om de gezondheid en het milieu te helpen beschermen; is van mening dat de EU het beginsel “de vervuiler betaalt” moet toepassen wanneer ze rechtvaardige en gecoördineerde maatregelen voorstelt om de uitdagingen op het gebied van klimaat en milieu aan te gaan;

102.  benadrukt dat alle toekomstige wetgevingsvoorstellen moeten berusten op uitgebreide beoordelingen van de sociaaleconomische gevolgen van verschillende opties en de gevolgen voor het milieu en de gezondheid, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de totale klimaat- en milieu-impact en de prijs van niet-handelen, de gevolgen voor het internationale concurrentievermogen van EU-bedrijven, kmo’s inbegrepen, de noodzaak om koolstoflekkage te voorkomen, de gevolgen voor de lidstaten, regio’s en sectoren, de gevolgen voor de werkgelegenheid, en de gevolgen voor de zekerheid van investeringen op lange termijn; onderstreept de noodzaak om het publiek de voordelen van elk voorstel te laten zien en er tegelijkertijd voor te zorgen dat het beleid coherent is met de doelstellingen inzake de vermindering van broeikasgasemissies en de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C, en om ervoor te zorgen dat de voorstellen niet bijdragen aan het verlies aan biodiversiteit; is verheugd dat de toelichting bij alle wetgevingsvoorstellen en gedelegeerde handelingen een specifieke sectie zal bevatten waarin wordt uiteengezet op welke manier aan het “niet schaden”-beginsel is voldaan; roept ertoe op dit uit te breiden naar uitvoeringshandelingen en RPT-maatregelen (regelgevingsprocedure met toetsing);

103.  herhaalt dat het van essentieel belang is om voor de burgers van de EU de daadwerkelijke toegang tot de rechter en tot documenten te garanderen, zoals vastgesteld in het Verdrag van Aarhus; verzoekt de Commissie derhalve ervoor te zorgen dat de EU zich aan het Verdrag van Aarhus houdt en is verheugd dat de Commissie de herziening van de Aarhus-verordening overweegt;

104.  verzoekt de Commissie om uitvoering te geven aan het eerste scenario van de discussienota getiteld “Naar een duurzaam Europa in 2030”, zoals gevraagd door het Europees Parlement in zijn resolutie van 14 maart 2019 getiteld “Jaarlijks strategisch verslag over de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s)”(5), waarin onder meer wordt geëist dat een beginsel “duurzaamheid voorop” wordt geïntegreerd in de agenda’s voor betere regelgeving van de EU en haar lidstaten;

105.  benadrukt dat het 8e milieuactieprogramma in overeenstemming moet zijn met de ambitie van de Europese Green Deal, volledig moet stroken met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de uitvoering hiervan een impuls moet geven;

106.  wijst op de grote ecologische en klimatologische voetafdruk van het verbruik van de EU in derde landen; verzoekt de Commissie een doelstelling te ontwikkelen om de mondiale voetafdruk van het verbruik en de productie van de EU te verminderen, met respect voor de grenzen van onze planeet; is in dit opzicht verheugd over het voornemen van de Commissie om duurzame toeleveringsketens te bevorderen om de voordelen van de circulaire economie binnen de EU en wereldwijd te vergroten;

De EU als wereldleider

107.  onderstreept dat de EU als grootste interne markt ter wereld normen kan vaststellen die in de mondiale waardeketens van toepassing zijn, en is van oordeel dat de EU haar beleid van politieke toenadering op basis van “Green Deal”-diplomatie en klimaatdiplomatie moet versterken; is van mening dat de EU het debat in andere landen moet stimuleren om hun klimaatambities te verhogen, en dat zij haar ambitie moet vergroten door nieuwe normen voor duurzame groei vast te stellen en haar economisch gewicht in de schaal moet leggen om internationale normen vorm te geven die minimaal in overeenstemming zijn met de milieu- en klimaatambities van de EU; benadrukt dat de EU een rol te vervullen heeft om overal ter wereld een rechtvaardige en ordelijke transitie te waarborgen, in het bijzonder in regio’s die sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen;

108.  is ingenomen met de wereldwijde klimaatbewegingen, zoals de Fridays for Future-beweging, die de klimaatcrisis op de voorgrond van het publieke debat en in de schijnwerpers plaatsen;

109.  beschouwt de Europese Green Deal als een kans om het Europees publieke debat nieuw leven in te blazen; benadrukt dat het belangrijk is burgers, nationale en regionale parlementen, het maatschappelijk middenveld en belanghebbenden zoals ngo’s, vakbonden en bedrijven te betrekken bij de uitwerking en tenuitvoerlegging van de Europese Green Deal;

110.  benadrukt dat handel een belangrijk instrument kan zijn om duurzame ontwikkeling te bevorderen en de klimaatverandering te helpen bestrijden; is van oordeel dat de Europese Green Deal ervoor moet zorgen dat alle internationale handels- en investeringsovereenkomsten krachtige, bindende en afdwingbare hoofdstukken inzake duurzame ontwikkeling omvatten, die volledig in overeenstemming zijn met internationale verplichtingen en met name de Overeenkomst van Parijs, evenals met de WTO-regels; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de Overeenkomst van Parijs een essentieel onderdeel te maken van alle toekomstige handels- en investeringsovereenkomsten en om ervoor te zorgen dat chemische stoffen, materialen, levensmiddelen en andere producten die op de Europese markt worden gebracht, volledig moeten voldoen aan de toepasselijke voorschriften en normen van de EU;

111.  wijst erop dat er bij de COP25 in Madrid geen consensus bereikt kon worden om het mondiale klimaatambitieniveau te verhogen en dat de Verenigde Staten uit de Overeenkomst van Parijs zijn gestapt en is van oordeel dat dit aantoont dat er een groeiende behoefte is aan leiderschap van de EU op het wereldtoneel; is van mening dat de EU haar inspanningen voor klimaat- en milieudiplomatie en haar bilaterale betrekkingen met de partnerlanden dus zal moeten opvoeren, vooral met het oog op de COP26 in Glasgow en de COP15 in Kunming (China); beschouwt de COP26 als een cruciaal moment dat de integriteit van de Overeenkomst van Parijs zal ondermijnen of versterken;

112.  is tevreden over de nadruk die wordt gelegd op klimaatdiplomatie, en dringt erop aan dat om resultaten te boeken de EU met één stem moet spreken, consistentie en samenhang tussen al haar beleidsgebieden en in de gehele beleidscyclus moet waarborgen, in overeenkomst met het beginsel van beleidssamenhang voor ontwikkeling, en klimaat- en milieudiplomatie op holistische wijze moet benaderen, door koppelingen te maken tussen klimaatverandering, de bescherming van de biodiversiteit, duurzame ontwikkeling, landbouw, conflictoplossing, veiligheid, migratie, de mensenrechten en humanitaire en genderoverwegingen; benadrukt dat al het externe optreden van de EU moet worden onderworpen aan een “groene screening”;

113.  roept de Commissie ertoe op om, in het kader van haar inspanningen om de positie van de EU als leider op het gebied van internationale onderhandelingen inzake klimaat en biodiversiteit te bevorderen, een concreet actieplan te ontwikkelen om de toezeggingen van het hernieuwde vijfjarig genderactieplan waarover op de COP25 overeenstemming is bereikt (versterkt werkprogramma van Lima) waar te maken, gendergelijkheid in het UNFCCC-proces te bevorderen en een permanent EU-steunpunt inzake gender en klimaatverandering in te stellen, dat over voldoende middelen beschikt en instaat voor de tenuitvoerlegging en monitoring van genderverantwoordelijke klimaatactie in de EU en wereldwijd;

114.  herinnert eraan dat klimaatverandering de vooruitgang inzake ontwikkeling en armoedebestrijding ondermijnt en tegen 2030 miljoenen mensen in extreme armoede zou kunnen storten; pleit daarom voor nauwe samenhang tussen de Europese Green Deal en de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030;

115.  wijst er nogmaals op dat er aandacht moet worden besteed aan de dramatische gevolgen van de klimaatverandering voor de economische ontwikkeling op de lange termijn van ontwikkelingslanden, en met name van de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling; is van mening dat landen die veel CO2 uitstoten, zoals de EU-lidstaten, de morele plicht hebben om ontwikkelingslanden te helpen zich aan te passen aan de klimaatverandering; is van oordeel dat klimaatstrategieën een integraal deel moeten uitmaken van de samenwerking van de EU met ontwikkelingslanden, met een aanpak op maat en op basis van behoeften, waarbij de betrokkenheid van lokale en regionale belanghebbenden, waaronder overheden, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld, moet worden verzekerd, en de klimaatstrategieën moeten worden afgestemd op de nationale plannen en klimaatstrategieën van de partnerlanden;

116.  benadrukt dat de EU financiële en technische bijstand moet bieden om de ontwikkelingslanden te helpen bij de groene transitie; roept met name de EU op om haar klimaatfinanciering aan ontwikkelingslanden te verhogen, in het bijzonder aan de minst ontwikkelde landen, kleine eilandstaten in ontwikkeling en kwetsbare landen, en om voorrang te geven aan investeringen in de versterking van de weerbaarheid, innovatie, aanpassing en koolstofarme technologieën en klimaatvriendelijke en weerbare infrastructuur teneinde een antwoord te bieden op de toename van het aantal natuurrampen; is van oordeel dat er meer inspanningen moeten worden geleverd op het gebied van kennisdeling, capaciteitsopbouw en technologieoverdracht naar ontwikkelingslanden;

117.  benadrukt dat de alomvattende strategie voor Afrika en de toekomstige ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst unieke kansen bieden om de externe aspecten van de Europese Green Deal te realiseren, de samenwerking van de EU met ontwikkelingslanden wat betreft klimaat en milieu te herzien en EU-beleidsmaatregelen in lijn te brengen met de meest recente internationale verplichtingen van de EU;

118.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om uitvoer van afvalmaterialen vanuit de EU een halt toe te roepen en de circulaire economie wereldwijd te versterken; roept op tot de invoering van een mondiaal verbod op kunststof voor eenmalig gebruik;

119.  verzoekt de Commissie het initiatief te nemen voor een internationale overeenkomst om de verspreiding van antimicrobiële resistentie en de toename van besmettelijke ziekten te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten het risico op een tekort aan geneesmiddelen op passende wijze aan te pakken;

o
o   o

120.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0217.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0079.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0023.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0220.

Laatst bijgewerkt op: 24 april 2020Juridische mededeling - Privacybeleid