Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2505(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0031/2020

Ingediende teksten :

B9-0031/2020

Debatten :

PV 14/01/2020 - 3
CRE 14/01/2020 - 3
PV 08/10/2020 - 8.1
CRE 08/10/2020 - 8.1

Stemmingen :

PV 15/01/2020 - 10.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0006

Aangenomen teksten
PDF 146kWORD 47k
Woensdag 15 januari 2020 - Straatsburg Definitieve uitgave
Uitvoering van en toezicht op de bepalingen over burgerrechten in het terugtrekkingsakkoord van het VK
P9_TA(2020)0006B9-0031/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de uitvoering van en het toezicht op de bepalingen over burgerrechten in het terugtrekkingsakkoord (2020/2505(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna "het Handvest"), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien zijn resoluties van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken(1), van 3 oktober 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk(2), van 13 december 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk(3), van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK(4), en van 18 september 2019 over de stand van zaken van de terugtrekking van het VK uit de Europese Unie(5),

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (artikel 50) van 29 april 2017 naar aanleiding van de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 VEU en de bijlage bij het Besluit van de Raad van 22 mei 2017 waarin de richtsnoeren zijn vastgelegd voor de onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (artikel 50) van 15 december 2017 en de bijlage bij het Besluit van de Raad van 29 januari 2018 tot aanvulling van het Besluit van de Raad van 22 mei 2017 waarbij toestemming wordt verleend voor de start van onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

–  gezien het gezamenlijk verslag van de onderhandelaars van de Europese Unie en de regering van het Verenigd Koninkrijk van 8 december 2017 over de voortgang gedurende fase 1 van de onderhandelingen uit hoofde van artikel 50 VEU met betrekking tot de ordelijke terugtrekking van het Verenigd koninkrijk uit de Europese Unie,

–  gezien het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, zoals goedgekeurd door de Europese Raad op 25 november 2018, en de verklaringen die zijn opgenomen in de notulen van de bijeenkomst van de Europese Raad van die datum,

–  gezien het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, zoals goedgekeurd door de Europese Raad op 17 oktober 2019 (hierna “het terugtrekkingsakkoord”)(6),

–  gezien het wetsontwerp houdende het terugtrekkingsakkoord, zoals op 19 december 2019 ingediend bij het parlement van het VK,

–  gezien de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk(7),

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Europees Parlement alle burgers van de Europese Unie (EU) vertegenwoordigt en zowel vóór, als na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de EU zal handelen ter bescherming van hun belangen;

B.  overwegende dat er momenteel ongeveer 3,2 miljoen burgers van de overblijvende 27 lidstaten (de EU-27) in het VK wonen, en 1,2 miljoen burgers van het VK (“Britse burgers”) in de EU-27; overwegende dat die burgers zich in een andere lidstaat hebben gevestigd op grond van hun rechten uit hoofde van het EU-recht en in de veronderstelling dat zij deze rechten gedurende hun hele leven zouden blijven genieten;

C.  overwegende dat er bovendien 1,8 miljoen in Noord-Ierland geboren burgers zijn die op grond van het Goede Vrijdagakkoord recht hebben op het Ierse staatsburgerschap, en daarmee op het EU-burgerschap en de rechten van het EU-burgerschap op de plaats waar zij wonen;

D.  overwegende dat de EU en het VK in deel twee van het terugtrekkingsakkoord afspraken hebben gemaakt over een alomvattende en wederkerige benadering van de bescherming van de rechten van de burgers van de EU-27 die in het VK wonen, en van de burgers van het VK die in de EU-27 wonen;

E.  overwegende dat het VK met zijn EU-vestigingsregeling vooruitloopt op de toepassing van de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord inzake de afgifte van verblijfsdocumenten;

F.  overwegende dat meerdere lidstaten van de EU-27 nog wetgeving moeten vaststellen met regels voor de toepassing van artikel 18 van het terugtrekkingsakkoord inzake de afgifte van verblijfsdocumenten;

G.  overwegende dat de burgers van het VK aan het eind van de overgangsperiode als bedoeld in het terugtrekkingsakkoord niet langer de rechten van artikel 20 VWEU zullen genieten, in het bijzonder het recht op vrij verkeer, tenzij de EU en het VK in een akkoord over hun toekomstige onderlinge betrekkingen iets anders overeenkomen;

H.  overwegende dat het Gemengd Comité in overeenstemming met artikel 132 van het terugtrekkingsakkoord vóór 1 juli 2020 eenmalig een besluit kan vaststellen tot verlenging van de overgangsperiode;

Deel twee van het terugtrekkingsakkoord

1.  is van oordeel dat deel twee van het terugtrekkingsakkoord billijk en evenwichtig is;

2.  neemt er nota van dat in deel twee van het terugtrekkingsakkoord staat:

   dat alle burgers van de EU-27 die legaal in het VK verblijven, en de burgers van het VK die legaal in een lidstaat van de EU-27 verblijven, alsook hun respectieve familieleden op het moment van de terugtrekking, alle rechten genieten zoals bedoeld in het terugtrekkingsakkoord als vastgesteld in het recht van de EU en geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU),
   dat de leden van het kerngezin van burgers en personen die een duurzame relatie met hen onderhouden die momenteel buiten het gastland verblijven door het terugtrekkingsakkoord zullen worden beschermd, en dat dit eveneens geldt voor hun kinderen die in de toekomst buiten het gastland worden geboren,
   dat alle socialezekerheidsrechten als vastgesteld in het recht van de EU gehandhaafd blijven, met inbegrip van het meenemen van alle exporteerbare uitkeringen,
   dat burgers de bedoelde rechten levenslang genieten,
   dat de administratieve procedures voor de uitvoering van deel twee van het terugtrekkingsakkoord transparant, soepel en eenvoudig zullen zijn, en aanvraagformulieren bondig, eenvoudig en gebruiksvriendelijk,
   dat de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord inzake de rechten van burgers in het recht van het VK worden geïntegreerd en dat die rechten rechtstreekse werking hebben;

De rechten van burgers gedurende de overgangsperiode

3.  stelt vast dat, in overeenstemming met artikel 131 van het terugtrekkingsakkoord, de Commissie tijdens de overgangsperiode, die op 31 december 2020 eindigt, toezicht uitoefent op de toepassing van het akkoord in kwestie, waaronder op toepassingsregelingen uit hoofde van artikel 19 daarvan in zowel het VK als de lidstaten van de EU-27;

4.  stelt vast dat de burgers van de EU-27 tijdens de overgangsperiode het recht op vrij verkeer, zoals bedoeld in artikel 20 VWEU en het relevante recht van de EU, blijven genieten met betrekking tot het VK, net als de burgers van het VK met betrekking tot de EU-27;

5.  wijst erop dat de Commissie ermee belast is tijdens de overgangsperiode te waarborgen dat het recht van vrij verkeer zowel in het VK als de EU-27 wordt gerespecteerd, en verzoekt de Commissie voldoende middelen vrij te maken voor het onderzoeken en aanpakken van situaties waarin dit niet het geval is, met de nadruk op gevallen van discriminatie van burgers van de EU-27 of van het VK;

6.  beklemtoont dat de overgangsperiode korter is dan aanvankelijk gedacht; verzoekt de EU en het VK dan ook de aspecten van deel twee van het overgangsakkoord die op burgers en hun rechten betrekking hebben op zo kort mogelijke termijn in de praktijk toe te passen;

Toepassing van deel twee van het terugtrekkingsakkoord

7.  beklemtoont dat het bij zijn besluit over instemming met het terugtrekkingsakkoord rekening zal houden met de ervaringen met en de garanties betreffende de toepassing van belangrijke bepalingen van het Akkoord, met name wat de EU-vestigingsregeling van het VK betreft;

8.  wijst op het grote aantal indieners van een aanvraag in het kader van de EU-vestigingsregeling die slechts de status ‘pre-settled’ hebben gekregen; geeft aan dat dit kan worden vermeden indien het VK voor een administratieve procedure met een verklaring kiest, hetgeen toegestaan is op grond van artikel 18, lid 4, van het terugtrekkingsakkoord; verzoekt het VK dan ook met klem zijn benadering te herzien, en verzoekt ook de lidstaten van de EU-27 te kiezen voor de in artikel 18, lid 4, bedoelde procedure met een verklaring;

9.  maakt zich ernstige zorgen over de recente tegenstrijdige berichten over burgers van de EU-27 in het VK die de uiterste termijn van 30 juni 2021 voor het indienen van een aanvraag in het kader van de EU-vestigingsregeling niet in acht nemen; stelt vast dat deze berichten bij de betrokken burgers tot onnodige onzekerheid en stress leiden; verzoekt de regering van het VK duidelijk te maken hoe zij artikel 18, lid 1, tweede alinea, punt d), van het terugtrekkingsakkoord gaat toepassen, en met name de zinsnede ‘wanneer er voor het niet in acht nemen van de uiterste termijn redelijke gronden zijn’;

10.  geeft aan dat de burgers van de EU-27 in het VK over meer zekerheid en duidelijkheid zouden beschikken indien hen als bewijs van het recht om na het verstrijken van de overgangsperiode in het VK te verblijven een fysiek document werd verstrekt; wijst er eens te meer op dat het ontbreken van een dergelijk fysiek bewijsstuk zal leiden tot een groter risico van discriminatie van de burgers van de EU-27 door potentiële werkgevers of huisbazen, die misschien geen zin hebben in de aanvullende administratieve rompslomp van een onlineverificatie, of ten onrechte bang zijn dat ze iets illegaals doen;

11.  maakt zich onverminderd zorgen over het geringe aantal diensten voor het scannen van identiteitsbewijzen van de EU-vestigingsregeling, het feit dat de in het VK verleende bijstand geografisch ongelijk over het land verdeeld is, en het niveau van bijstand voor oudere en kwetsbare burgers, waaronder personen die niet goed met digitale toepassingen overweg kunnen;

12.  maakt zich zorgen over de voorgestelde structuur voor de in artikel 159 van het terugtrekkingsakkoord bedoelde onafhankelijke autoriteit in het VK; verwacht van het VK dat het garandeert dat de autoriteit daadwerkelijk onafhankelijk is; wijst er in dit verband op dat de autoriteit op de eerste dag na het einde van de overgangsperiode operationeel moet zijn;

13.  verwacht van de regering van het VK dat zij duidelijkheid verschaft over de toepasbaarheid van de EU-vestigingsregeling op de burgers van de EU-27 in Noord-Ierland die geen aanvraag voor het verkrijgen van het staatsburgerschap van het VK hebben ingediend onder de voorwaarden van het Goede Vrijdagakkoord;

14.  herhaalt dat het streng toezicht zal uitoefenen op de wijze waarop de lidstaten van de EU-27 toepassing geven aan deel twee van het terugtrekkingsakkoord, en met name artikel 18, de leden 1 en 4, inzake de rechten van de burgers van het VK die op hun grondgebied verblijven;

15.  maant de EU-27 maatregelen te nemen die juridische zekerheid bieden aan de burgers van het VK die in de EU-27 verblijven; herinnert aan zijn standpunt dat de EU-27 een consequente en ruimhartige aanpak moet volgen bij de bescherming van de rechten van in deze lidstaten woonachtige burgers van het VK;

16.  verzoekt het VK en de lidstaten van de EU-27 meer te doen om burgers bewust te maken van de gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU, en gerichte voorlichtingscampagnes te organiseren, of reeds bestaande voorlichtingscampagnes te intensiveren, om alle burgers voor wie het terugtrekkingsakkoord gevolgen gaat hebben op de hoogte te stellen van hun rechten en de mogelijke wijzigingen in hun status;

De rechten van burgers in het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK

17.  juicht het toe dat in de politieke verklaring over de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK staat dat het betrekkingen moeten zijn ‘met oog voor de belangen van de burgers van de Unie en het Verenigd Koninkrijk, nu en in de toekomst’;

18.  betreurt het in dit verband dat het VK heeft aangekondigd dat het beginsel van vrij verkeer van personen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk niet langer van toepassing is; is van oordeel dat elk akkoord over de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK ambitieuze bepalingen moet bevatten inzake het verkeer van personen; herhaalt dat die rechten vergelijkbaar moeten zijn met de mate van de toekomstige samenwerking op andere gebieden; geeft aan dat het recht van vrij verkeer ook rechtstreeks verband houdt met de drie andere vrijheden die integrerend onderdeel van de interne markt uitmaken, en van bijzondere relevantie is voor diensten en beroepskwalificaties;

19.  dringt aan op garanties betreffende het recht van vrij verkeer in de hele EU voor de burgers van het VK op wie het terugtrekkingsakkoord van toepassing is, alsook betreffende het recht voor de burgers op wie het terugtrekkingsakkoord van toepassing is om gedurende hun hele leven terug te keren naar het VK of de EU; verzoekt de lidstaten van de EU-27 te garanderen dat alle burgers op wie het terugtrekkingsakkoord van toepassing is het recht hebben deel te nemen aan plaatselijke verkiezingen in het land waar zij wonen;

20.  herinnert eraan dat veel burgers van het VK, zowel zij die in het VK als zij die in de EU-27 wonen, zich met klem uitgesproken hebben tegen het verlies van de rechten die zij op dit moment genieten uit hoofde van artikel 20 VWEU; stelt voor dat de EU-27 onderzoekt hoe dit verlies van rechten tot een minimum kan worden beperkt, binnen de mogelijkheden van het primaire EU-recht, met volledige inachtneming van de beginselen van wederkerigheid, rechtvaardigheid, symmetrie en non-discriminatie;

21.  herinnert eraan dat het Gemengd Comité als bedoeld in artikel 164 belast gaat zijn met de uitvoering en toepassing van het terugtrekkingsakkoord;

22.  is van oordeel dat het goed zou zijn indien het Europees Parlement en het parlement van het VK gezamenlijk toezicht zouden uitoefenen op de uitvoering en toepassing van het terugtrekkingsakkoord, en zou het toejuichen indien hiertoe gezamenlijke structuren in het leven zouden worden geroepen;

o
o   o

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, en de regering van het Verenigd Koninkrijk.

(1) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 24.
(2) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 2.
(3) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 32.
(4) PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0016.
(6) PB C 384 I van 12.11.2019, blz. 1.
(7) PB C 384 I van 12.11.2019, blz. 178.

Laatst bijgewerkt op: 24 april 2020Juridische mededeling - Privacybeleid