Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0358M(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0014/2020

Ingediende teksten :

A9-0014/2020

Debatten :

PV 11/02/2020 - 4
CRE 11/02/2020 - 4

Stemmingen :

PV 12/02/2020 - 11.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0029

Aangenomen teksten
PDF 140kWORD 52k
Woensdag 12 februari 2020 - Straatsburg
Investeringsbeschermingsovereenkomst EU-Vietnam (resolutie)
P9_TA(2020)0029A9-0014/2020

Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2020 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Unie van de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds (05931/2019 – C9-0020/2019 – 2018/0358M(NLE))

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05931/2019),

–  gezien het ontwerp van investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds (05932/2019),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (C9-0020/2019),

–  gezien de onderhandelingsrichtsnoeren van 23 april 2007 voor een vrijhandelsovereenkomst met de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), die in oktober 2013 zijn aangevuld om ook investeringsbescherming te bestrijken,

–  gezien het besluit van de Raad van 22 december 2009 om bilaterale onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten te voeren met afzonderlijke lidstaten van de ASEAN,

–  gezien de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds, die op 27 juni 2012 in Brussel is ondertekend en in oktober 2016 in werking is getreden(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over het toekomstig Europees internationaal investeringsbeleid(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1219/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot vaststelling van overgangsregelingen voor bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten tussen lidstaten en derde landen(3),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld “Handel voor iedereen: naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid”(COM(2015)0497),

–  gezien het advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 mei 2017 in procedure 2/15(5), waarom de Europese Commissie op 10 juli 2015 had verzocht, overeenkomstig artikel 218, lid 11, VWEU,

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over Vietnam(6),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2017 over de vrijheid van meningsuiting in Vietnam, met name de zaak van Nguyen Van Hoa(7),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2018 over Vietnam, met name de situatie van politieke gevangenen(8),

–  gezien het besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2016 in zaak 1409/2014/MHZ betreffende het verzuim van de Europese Commissie om vooraf een beoordeling uit te voeren van de mensenrechteneffecten van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam(9),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2018 over de bijdrage van de EU aan een bindend VN-instrument inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met transnationale kenmerken met betrekking tot de mensenrechten(10),

–  gezien de voorschriften betreffende transparantie van op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten van de Commissie van de Verenigde Naties voor internationaal handelsrecht (Uncitral)(11),

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name titel V daarvan over het extern optreden van de Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over kinderarbeid waarin de Commissie werd aangemoedigd om in de strijd tegen kinderarbeid efficiënter gebruik te maken van de handelsinstrumenten van de EU, waaronder de vrijhandelsovereenkomsten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over bedrijfsleven en mensenrechten, waarin staat dat de “EU erkent dat het naleven van de mensenrechten door ondernemingen en de verankering van dit principe in activiteiten van ondernemingen en in waarde- en toeleveringsketens onontbeerlijk zijn voor duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van de SDG’s” en dat “alle partnerschappen bij de uitvoering van de SDG’s moeten worden gegrondvest op eerbiediging van de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemerschap”, hetgeen EU‑ondernemingen aanmoedigt “om op operationeel niveau klachtenmechanismes in te stellen, of om tussen ondernemingen gezamenlijke initiatieven voor klachten op te zetten”,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name deel vijf, titels I, II en V, in het bijzonder artikel 207, juncto artikel 218, lid 6, onder a), punt v),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 12 februari 2020(12) over het voorstel voor een besluit van de Raad,

–  gezien artikel 105, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A9-0014/2020),

A.  overwegende dat de EU de grootste ontvanger en bron van directe buitenlandse investeringen in de wereld is;

B.  overwegende dat de EU de vijfde plaats inneemt op een lijst van 80 directe buitenlandse investeerders in Vietnam;

C.  overwegende dat Vietnam een bloeiende economie is met de snelst groeiende middenklasse in de ASEAN en met een jonge en dynamische beroepsbevolking, hoge alfabetiseringsgraad, hoge onderwijsniveaus, relatief lage lonen, goede vervoersverbindingen en een centrale ligging binnen de ASEAN;

D.  overwegende dat het bedrag aan overheidsmiddelen dat momenteel beschikbaar is bij lange na niet toereikend is voor de infrastructuur- en investeringsbehoeften van Vietnam;

E.  overwegende dat Vietnam in 2017 directe buitenlandse investeringen heeft ontvangen ter waarde van 8 % van zijn bbp, meer dan het dubbele van hetgeen vergelijkbare economieën in de regio hebben ontvangen;

F.  overwegende dat de handel, het bedrijfsleven en het investeringsklimaat in Vietnam er de afgelopen decennia aanzienlijk op vooruitgegaan zijn;

G.  overwegende dat momenteel meer dan 3 000 internationale investeringsverdragen van kracht zijn en dat de EU-lidstaten partij zijn bij zo’n 1 400 van deze verdragen;

H.  overwegende dat dit, na de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de EU en Singapore, de tweede overeenkomst tussen de EU en een derde land is die alleen de investeringsbescherming betreft, in aansluiting op discussies tussen de Europese instellingen over de nieuwe architectuur van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU op basis van advies 2/15 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 16 mei 2017, dat als referentiepunt zal dienen voor toekomstige onderhandelingen tussen de EU en haar handelspartners;

I.  overwegende dat de overeenkomst in de plaats zal treden van de bestaande bilaterale investeringsovereenkomsten tussen 21 lidstaten van de EU en Vietnam, waarin de nieuwe benadering van de EU inzake investeringsbescherming en het bijbehorende handhavingsmechanisme (ICS) niet waren opgenomen;

J.  overwegende dat het ICS was opgenomen in de reeds afgeronde CETA-overeenkomst, die op 15 februari 2017 door het Parlement werd geratificeerd en door meerdere lidstaten nog moet worden geratificeerd, waardoor het systeem voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS) wordt vervangen;

K.  overwegende dat het HvJ-EU op 30 april 2019 heeft geconcludeerd dat het in de CETA voorziene mechanisme voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten verenigbaar is het met het EU-recht(13);

L.  overwegende dat de partijen zich hebben verbonden tot het instellen van een multilateraal investeringsgerecht, een initiatief dat nog steeds door het Parlement wordt ondersteund;

M.  overwegende dat de Raad op 20 maart 2018 onderhandelingsrichtsnoeren heeft aangenomen die de Commissie machtigen namens de EU te onderhandelen over een verdrag tot oprichting van een multilateraal investeringsgerecht; overwegende dat deze onderhandelingsrichtsnoeren openbaar zijn gemaakt;

1.  is verheugd over de nieuwe benadering door de EU van de investeringsbescherming en het bijbehorende handhavingsmechanisme (ICS) dat de ISDS heeft hervormd en de kwaliteit verbetert van individuele benaderingen van bilaterale investeringsovereenkomsten die door de EU‑lidstaten zijn gesloten; onderstreept dat het ICS een modern, innovatief en hervormd mechanisme voor geschillenbeslechting inzake investeringen vormt wat betreft de procedurele tekortkomingen van de ISDS; merkt bovendien op dat het een aanzienlijke wijziging inhoudt wat betreft het niveau van substantiële bescherming van investeerders en de manier waarop geschillen tussen investeerders en staten worden beslecht; is bezorgd over het feit dat de reikwijdte van de toepassing nog steeds weinig meer omvat dan enkel non-discriminatie tussen buitenlandse en binnenlandse investeerders; brengt in herinnering dat de oprichting van een onafhankelijk multilateraal investeringsgerecht alle partijen meer rechtszekerheid zou bieden; is ingenomen met de inzet van Vietnam voor een op regels gebaseerde multilaterale handelsregeling;

2.  constateert dat de overeenkomst zal zorgen voor een hoog niveau van investeringsbescherming en rechtszekerheid waarbij tegelijkertijd het recht van de partijen wordt gewaarborgd om te reguleren en legitieme doelstellingen van overheidsbeleid na te streven, zoals de bescherming van de volksgezondheid, de openbare voorzieningen en het milieu; beklemtoont dat de overeenkomst tevens zal zorgen voor transparantie en verantwoordingsplicht; verzoekt de Commissie bij het waarborgen van het recht van de partijen om te reguleren tevens rekening te houden met de strijd tegen klimaatverandering en de naleving van de Overeenkomst van Parijs, zoals ook is gedaan bij de CETA; hamert op regelmatig toezicht en regelmatige verslaglegging aan het Europees Parlement over het gebruik van deze bepaling door Europese investeerders;

3.  wijst erop dat de overeenkomst garandeert dat investeerders uit de EU in Vietnam eerlijk en billijk zullen worden behandeld, hetgeen een hoger niveau van bescherming betekent dan het geval is bij binnenlandse investeerders; merkt op dat de overeenkomst investeerders uit de EU terdege beschermt tegen onwettige onteigening; is van oordeel dat dit hand in hand moet gaan met de verantwoordelijkheid voor investeerders om gepaste zorgvuldigheid toe te passen met betrekking tot duurzame bedrijfsvoering in naleving van de mensenrechten, internationale arbeidsverdragen en milieunormen;

4.  onderstreept dat economische ontwikkeling en multilateralisme belangrijke middelen zijn waarmee het leven van mensen kan worden verbeterd; wijst erop dat de investeringsbeschermingsovereenkomst onder meer tot doel heeft de economische, handels- en investeringsbanden tussen de EU en Vietnam aan te halen met eerbiediging van de doelstelling van duurzame ontwikkeling, en handel en investeringen te bevorderen met volledige naleving van de internationaal erkende normen en overeenkomsten op het gebied van mensenrechten, milieu en werknemers;

5.  brengt in herinnering dat Vietnam een ontwikkelingsland is; onderstreept dat om bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s), in het bijzonder SDG 1 over armoedebestrijding, SDG 8 over waardig werk en SDG 10 over de vermindering van ongelijkheid, investeringen aan de schepping van hoogwaardige banen moeten bijdragen, de lokale economie moeten ondersteunen en de nationale wetgeving, waaronder de belastingvoorschriften, volledig moeten eerbiedigen;

6.  herinnert eraan dat het ICS voorziet in de oprichting van een permanent investeringsgerecht van eerste aanleg en een gerecht van beroep, waarvan de leden moeten beschikken over kwalificaties die vergelijkbaar zijn met die van het Internationaal Gerechtshof, moeten aantonen dat zij beschikken over expertise in internationaal publiekrecht en niet alleen handelsrecht, en zich moeten houden aan strikte regels inzake onafhankelijkheid, integriteit en ethisch gedrag op basis van een bindende gedragscode die is bedoeld om directe of indirecte belangenconflicten te voorkomen; benadrukt dat het Europees Hof van Justitie het ICS beschouwt als volledig verenigbaar met het EU-recht, zoals is vastgesteld in zijn advies 1/17;

7.  is ingenomen met de voorschriften inzake transparantie die van toepassing zijn op procedures bij de gerechten en die bepalingen omvatten welke waarborgen dat de processtukken openbaar worden gemaakt, dat hoorzittingen openbaar zijn en dat belanghebbende partijen hun standpunten kenbaar mogen maken; is van oordeel dat meer transparantie ertoe zal bijdragen het vertrouwen van de burgers in het stelsel te versterken en ervoor zal zorgen dat alle aspecten inzake de mensenrechten en duurzame ontwikkeling door de investeringsgerechten daadwerkelijk ter kennis worden genomen; is bovendien ingenomen met de duidelijkheid ten aanzien van de gronden waarop een investeerder een besluit kan aanvechten, hetgeen voor een transparanter en eerlijker proces zorgt;

8.  onderstreept dat derde partijen, zoals arbeids- en milieuorganisaties, tot de procedures van het ICS kunnen bijdragen via amicus curiae-opmerkingen;

9.  onderstreept dat forumshopping niet mogelijk zal zijn en dat meervoudige en parallelle procedures zullen worden vermeden;

10.  herinnert eraan dat de overeenkomst een verbetering inhoudt in vergelijking met de bepalingen inzake investeringsbescherming in de CETA, aangezien zij bepalingen inzake de verplichtingen voor voormalige rechters, een gedragscode ter voorkoming van belangenconflicten en een volledig werkend gerecht van beroep omvat;

11.  meent dat de instelling van een gerecht van beroep de kwaliteit en samenhang van de besluiten in vergelijking met de huidige situatie zou kunnen verbeteren;

12.  merkt op dat de investeringsbeschermingsovereenkomst EU‑Vietnam geen afzonderlijk hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling bevat, aangezien dit reeds voor markttoegang voor investeringen geldt uit hoofde van de vrijhandelsovereenkomst EU-Vietnam; onderstreept dat de investeringsbeschermingsovereenkomst EU‑Vietnam tevens een bepaling omvat waarmee een institutioneel en juridisch verband met de Kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking (PSO) wordt gelegd en dat in de preambule specifiek wordt verwezen naar de waarden en beginselen inzake handel en duurzame ontwikkeling zoals die zijn verankerd in de vrijhandelsovereenkomst EU-Vietnam en de Universele Verklaring van de rechten van de mens waarmee wordt gewaarborgd dat de mensenrechten de kern vormen van de relatie tussen de EU en Vietnam; onderstreept dat de partijen en investeerders alle toepasselijke internationale mensenrechtennormen en -verplichtingen in acht moeten nemen; benadrukt de verantwoordelijkheden van investeerders, zoals uiteengezet in de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en mensenrechten; benadrukt bovendien dat de bepalingen van de investeringsbeschermingsovereenkomst EU-Vietnam en de vrijhandelsovereenkomst EU-Vietnam op complementaire wijze ten uitvoer moeten worden gelegd, met name wat betreft mensen-, milieu- en sociale rechten en duurzame ontwikkeling wanneer deze worden toegepast uit hoofde van het recht van de partijen om te reguleren; benadrukt dat bovendien moet worden gezorgd voor samenhang met de doelstellingen inzake ontwikkelingssamenwerking overeenkomstig artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

13.  onderstreept dat waarlijk positieve tendensen ten aanzien van de mensenrechten van belang zijn voor een spoedige ratificatie van deze overeenkomst, en doet een beroep op de Vietnamese autoriteiten om, als positief signaal van hun engagement, concrete maatregelen af te bakenen ter verbetering van de situatie; herinnert aan haar verzoeken inzake de hervorming van het strafrecht, het gebruik van de doodstraf, politieke gevangenen en fundamentele vrijheden; dringt er bij de partijen op aan volledig gebruik te maken van de overeenkomsten om de mensenrechtensituatie in Vietnam te verbeteren en onderstreept het belang van een ambitieuze mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam; wijst erop dat artikel 1 van de PSO een standaardclausule met betrekking tot mensenrechten omvat waarmee passende maatregelen op gang kunnen worden gebracht, met inbegrip van de onmiddellijke opschorting van de PSO en, bij uitbreiding, van de vrijhandelsovereenkomst of onderdelen daarvan, als laatste redmiddel;

14.  herinnert eraan dat artikel 35 van de PSO en artikel 13 van de vrijhandelsovereenkomst, in combinatie met een systeem van periodieke evaluaties, voorzien in middelen om mensenrechtenkwesties in verband met de tenuitvoerlegging van de investeringsbeschermingsovereenkomst aan te pakken, maar niettemin vergezeld moeten gaan van streng toezicht door de EU en de lidstaten, alsook van een onafhankelijk toezichts- en klachtenmechanisme dat getroffen burgers en lokale belanghebbenden voorziet van een doeltreffend rechtsinstrument en een hulpmiddel om de mogelijke schadelijke gevolgen voor de mensenrechten aan te pakken;

15.  is bezorgd over de uitvoering van de nieuwe wet op de cyberbeveiliging, met name ten aanzien van de vereisten inzake lokalisatie en openbaarmaking, onlinetoezicht en ‑controle en de maatregelen ter bescherming van persoonsgegevens die niet verenigbaar zijn met de op waarden gebaseerde vrijhandelsagenda; is ingenomen met de bereidheid om een intensieve dialoog aan te gaan, waaronder de toezegging van de voorzitter van de nationale vergadering van Vietnam om beide parlementen te betrekken bij de bespreking van en de beraadslagingen over de uitvoeringsbesluiten; doet een beroep op de Vietnamese autoriteiten om concrete maatregelen te treffen en is ingenomen met de bijstand van de EU in dit verband;

16.  herinnert eraan dat in artikel 8 VWEU is bepaald dat de Unie “bij elk optreden [ernaar streeft] de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen”; is ingenomen met het feit dat zowel Vietnam als de EU de WTO-verklaring van Buenos Aires inzake vrouwen en handel hebben ondertekend en doet een beroep op de partijen om hun, in deze verklaring aangegane verplichtingen inzake gender en handel te versterken; dringt erop aan de voorwaarden voor vrouwen te verbeteren, opdat zij van deze verklaring kunnen profiteren, mede via capaciteitsopbouw voor vrouwen op het werk en in het bedrijfsleven, het bevorderen van de vertegenwoordiging van vrouwen in besluitvorming en leidinggevende posities, en het verbeteren van hun toegang tot en participatie en leiderschap in wetenschap, technologie en innovatie;

17.  roept de EU en Vietnam op om samen te werken aan een actieprogramma ter bestrijding van kinderarbeid, met inbegrip van het nodige kader voor ondernemingen;

18.  is verheugd over het besluit van de Raad om de onderhandelingsrichtsnoeren van 20 maart 2018 inzake het multilateraal investeringsgerecht openbaar te maken en doet een beroep op de Raad om alle vorige onderhandelingsrichtsnoeren inzake handels- en investeringsovereenkomsten openbaar te maken;

19.  onderstreept het feit dat deze overeenkomst de 21 bestaande bilaterale investeringsverdragen tussen EU-lidstaten en Vietnam zal vervangen; meent dat dit een belangrijke stap is om de legitimiteit en aanvaarding van de internationale investeringsregeling te vergroten;

20.  roept de Commissie op aanvullende maatregelen te nemen voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) om de overeenkomst transparant en toegankelijk te maken; moedigt de Commissie ertoe aan haar werkzaamheden voort te zetten om het ICS toegankelijker te maken voor kmo’s; onderstreept het groeipotentieel en de aanzienlijke voordelen die hierdoor beschikbaar worden gesteld aan Europese kmo’s, die van vitaal belang zijn voor de Europese welvaart en innovatie;

21.  onderstreept dat de investeringsbeschermingsovereenkomst een grote bijdrage kan leveren aan de verhoging van de levensstandaard, de welvaart en de stabiliteit, alsook aan de bevordering van de rechtsstaat, goed bestuur, duurzame ontwikkeling en de eerbiediging van de mensenrechten in Vietnam, en de EU tegelijkertijd in staat stelt haar doelstellingen van vrede en stabiliteit in de regio te verwezenlijken; wijst erop dat de vastberaden inzet voor deze universele waarden een conditio sine qua non is voor elke overeenkomst tussen de EU en een derde land;

22.  meent dat de goedkeuring van deze overeenkomst investeerders en hun investeringen aan beide zijden een hoog niveau van bescherming zal bieden, tegelijkertijd het recht van overheden om te reguleren in stand zal houden en meer mogelijkheden voor vrije en eerlijke handel tussen de EU en Vietnam zal creëren; doet een beroep op de lidstaten de overeenkomst snel te ratificeren om ervoor te zorgen dat alle belanghebbenden zo snel mogelijk de vruchten hiervan kunnen plukken in het licht van de inspanningen van Vietnam om, overeenkomstig zijn verbintenissen, de situatie van de burger- en arbeidsrechten te verbeteren;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Socialistische Republiek Vietnam.

(1) PB L 329 van 3.12.2016, blz. 8.
(2) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 34.
(3) PB L 351 van 20.12.2012, blz. 40.
(4) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 30.
(5) Advies van het Hof van Justitie van 16 mei 2017, 2/15, ECLI:EU:C: 2017:376.
(6) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 122.
(7) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 73.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0459.
(9) https://www.ombudsman.europa.eu/nl/decision/en/64308
(10) PB C 11 van 13.1.2020, blz. 36.
(11) https://www.uncitral.org/pdf/english/texts/arbitration/rules-on-transparency/Rules-on-Transparency-E.pdf
(12) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0028.
(13) Advies van het Hof van Justitie van 30 april 2019, 1/17.

Laatst bijgewerkt op: 14 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid