Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2988(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0090/2020

Ingediende teksten :

B9-0090/2020

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/02/2020 - 11.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0031

Aangenomen teksten
PDF 141kWORD 50k
Woensdag 12 februari 2020 - Straatsburg Definitieve uitgave
Een EU-strategie om wereldwijd een einde te maken aan vrouwelijke genitale verminking
P9_TA(2020)0031B9-0090/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2020 over een EU-strategie om wereldwijd een einde te maken aan vrouwelijke genitale verminking (2019/2988(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (“de richtlijn slachtofferrechten”)(1), waarvan de bepalingen ook van toepassing zijn op slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking (VGV),

–  gezien de artikelen 11 en 21 van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (“de richtlijn opvangvoorzieningen”)(2), waarin slachtoffers van VGV uitdrukkelijk worden genoemd als kwetsbare personen die tijdens hun asielprocedure passende gezondheidszorg moeten ontvangen,

–  gezien artikel 20 van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (“de erkenningsrichtlijn”)(3), waarin VGV als ernstige vorm van psychologisch, lichamelijk of seksueel geweld is opgenomen als rechtsgrond voor internationale bescherming,

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 over het uitbannen van de genitale verminking van vrouwen(4), waarin wordt opgeroepen tot het beëindigen van VGV wereldwijd via preventie, beschermingsmaatregelen en wetgeving,

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2014 over de mededeling van de Commissie “Naar het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking”(5),

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over nultolerantie ten aanzien van vrouwelijke genitale verminking (VGV)(6),

–  gezien de jaarverslagen van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld, en met name de resolutie van het Parlement van 15 januari 2020(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van juni 2014 over de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien de conclusies van de Raad van 8 maart 2010 over de uitbanning van geweld tegen vrouwen in de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 november 2013 getiteld “Vrouwelijke genitale verminking uitbannen” (COM(2013)0833),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 6 februari 2013 over de internationale dag tegen vrouwelijke genitale verminking, waarin de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vijf commissarissen het vaste voornemen van de EU bevestigen om VGV in haar externe betrekkingen te bestrijden,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019, en met name doelstelling 14, onder b), waarin VGV specifiek wordt genoemd, rekening houdende met de huidige herziening van het actieplan en de onderhandelingen over de verlenging ervan,

–  gezien de opgedane ervaringen bij de uitvoering van het strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 van de Commissie en de maatregelen in het actieplan uit de mededeling van de Commissie van 25 november 2013,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 5.3 betreffende de uitbanning van alle schadelijke praktijken, zoals kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken en vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (ICPD) van 1994 in Caïro en het bijbehorende actieprogramma, en de resultaten van daaropvolgende herzieningsconferenties, met name de top van Nairobi over ICPD25 en de aldaar gedane toezegging om te streven naar de volledige uitbanning van VGV,

–  gezien het actieprogramma van Peking, de resultaten daarvan en de resultaten van de daaropvolgende toetsingsconferenties daarvan,

–  gezien het genderactieplan 2016-2020 (GAP II), en met name thematische prioriteit B, waarin een specifieke indicator over VGV is opgenomen, rekening houdende met de huidige herziening van het actieplan en de onderhandelingen over de verlenging ervan,

–  gezien de toezegging van de voorzitter van de Europese Commissie om maatregelen te nemen om geweld tegen vrouwen te bestrijden, zoals gesteld in haar politieke beleidslijnen,

–  gezien de verwachte nieuwe EU-strategie inzake gendergelijkheid,

–  gezien het verslag uit 2013 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) over vrouwelijke genitale verminking in de Europese Unie en Kroatië, alsook de twee daaropvolgende verslagen getiteld “Schatting van het aantal meisjes dat wordt bedreigd met genitale verminking in de Europese Unie”, over Ierland, Portugal en Zweden in 2015, en over België, Griekenland, Frankrijk, Italië, Malta en Cyprus in 2018,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“het Verdrag van Istanbul”) van 2014, waarin in artikel 38 is bepaald dat VGV door alle staten die partij zijn bij het verdrag strafbaar moet worden gesteld,

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2016)01092016/0062(NLE))(8),

–  gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul en andere maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld(9),

–  gezien de verklaring van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 13 september 2017 over de noodzaak meer inspanningen te leveren om vrouwelijke genitale verminking en gedwongen huwelijken in Europa te voorkomen en bestrijden,

–  gezien de richtlijnen van de WGO inzake de behandeling van gezondheidsproblemen als gevolg van vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 5 juli 2018 over het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 27 juli 2018 over het intensiveren van de wereldwijde inspanningen om een halt toe te roepen aan vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 14 november 2018 betreffende het intensiveren van de wereldwijde inspanningen om vrouwelijke genitale verminking een halt toe te roepen,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou en de lopende herziening ervan,

–  gezien het Spotlight-initiatief van de EU en de VN van september 2017 voor het uitbannen van geweld tegen vrouwen en meisjes,

–  gelet op artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat VGV wereldwijd wordt beschouwd als een ernstige en systematische schending van mensenrechten, een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes en een uiting van genderongelijkheid, en dat VGV niet beperkt blijft tot een enkele religie of cultuur, en nu erkend wordt als een mondiaal probleem dat volgens statistische verslagen van UNICEF, het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA) en de WGO minstens 200 miljoen vrouwen en meisjes in 30 landen treft; overwegende dat er echter aanwijzingen zijn dat VGV in meer dan 90 landen en op alle continenten voorkomt;

B.  overwegende dat gegevens uit 2018 van het UNFPA aantonen dat als de huidige bevolkingstrends doorzetten tegen 2030 wereldwijd 68 miljoen meisjes het risico lopen slachtoffer te worden van VGV, hetgeen betekent dat deze risicogroep naar schatting jaarlijks verder zal toenemen met 4,1 miljoen meisjes in 2019 tot 4,6 miljoen meisjes per jaar tegen 2030;

C.  overwegende dat op basis van de meest recente beschikbare nationale gegevens in Europa geschat wordt dat ongeveer 600 000 vrouwen en meisjes in Europa moeten leven met de levenslange lichamelijke en psychologische gevolgen van VGV, en alleen al in 13 Europese landen ongeveer 180 000 meisjes een hoog risico lopen slachtoffer te worden van VGV;

D.  overwegende dat VGV betrekking heeft op alle ingrepen waarbij de externe vrouwelijke geslachtsdelen geheel of gedeeltelijk worden verwijderd, zoals clitoridectomie, excisie, infibulatie en andere schadelijke ingrepen die de vrouwelijke geslachtsorganen opzettelijk bewerken of beschadigen om niet-medische redenen en die tot lichamelijke, seksuele en psychologische gezondheidsproblemen leiden die dodelijk kunnen zijn;

E.  overwegende dat VGV meestal wordt uitgevoerd op jonge meisjes in hun kindertijd tot de leeftijd van 15 jaar; overwegende dat meisjes en vrouwen bovendien heel hun leven lang meermaals het slachtoffer kunnen worden van VGV, bijvoorbeeld wanneer zij op het punt staan te trouwen of te vertrekken naar het buitenland;

F.  overwegende dat volgens gegevens van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) uit 2018 het percentage vrouwen en meisjes die mogelijk reeds het slachtoffer zijn geworden van VGV recentelijk is toegenomen, hetgeen betekent dat het onderwerp nog relevanter wordt en het aantal vrouwen en meisjes dat slachtoffer is geworden of dreigt te worden blijft stijgen; overwegende dat er volgens het UNHCR alleen al in de laatste vijf jaar meer dan 100 000 vrouwelijke asielzoekers zijn aangekomen in Europa die mogelijk VGV hebben ondergaan;

G.  overwegende dat er volgens UNICEF vooruitgang is geboekt en het risico op VGV voor meisjes vandaag de dag een derde lager ligt dan dertig jaar geleden; overwegende echter dat, gezien alle beschikbare gegevens en met nog 10 jaar te gaan tot 2030, duurzameontwikkelingsdoelstelling 5.3 inzake het uitbannen van VGV nog lang niet is bereikt; overwegende dat het absolute aantal vrouwen en meisjes dat VGV heeft ondergaan juist lijkt te stijgen en ook zal blijven stijgen tenzij onmiddellijk grootschalige en ambitieuzere inspanningen worden geleverd om dit te voorkomen;

H.  overwegende dat om de verandering te bespoedigen en VGV wereldwijd vóór 2030 uit te bannen, bestaande inspanningen om de praktijk een halt toe te roepen dringend moeten worden opgeschaald en gecoördineerd op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau, teneinde deze inspanningen optimaal te benutten en grote en duurzame veranderingen tot stand te brengen door middel van doeltreffende en allesomvattende strategieën;

I.  overwegende dat VGV een vorm van op gender gebaseerd geweld is en dat om VGV uit te bannen de onderliggende oorzaken van genderongelijkheid op gemeenschapsniveau moeten worden bestreden, waaronder genderstereotypen en schadelijke sociale normen;

J.  overwegende dat VGV vaak niet los kan worden gezien van andere vormen van genderongelijkheid, en enkel een van de vele manieren is waarop vrouwenrechten worden geschonden, naast bijvoorbeeld gebrekkige toegang tot onderwijs voor meisjes, waaronder uitgebreide seksuele voorlichting, te weinig werk voor vrouwen, het niet kunnen bezitten of erven van eigendom, gedwongen of kindhuwelijken, seksueel en fysiek geweld en een gebrek aan kwaliteitsvolle gezondheidszorg, waaronder diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

K.  overwegende dat de “medicalisering” van VGV betekent dat VGV wordt uitgevoerd door een professional uit de gezondheidszorg of in een ziekenhuis of medische centrum; overwegende dat de medicalisering van VGV gevaarlijk is omdat hiermee getracht wordt VGV te legitimeren en er zelfs eventueel van te profiteren;

1.  herhaalt zich te willen inzetten voor de wereldwijde uitbanning van VGV, als vorm van op gender gebaseerd geweld dat leidt tot langdurige psychologische en fysieke schade voor vrouwen en meisjes, en in sommige gevallen zelfs tot hun dood;

2.  merkt op dat het feit dat de “Restorers” op de shortlist stonden voor de Sacharovprijs een belangrijke stap in deze richting betekent en in de strijd tegen VGV; is zich voorts bewust van de belangrijke rol die jongeren spelen bij hun eigen empowerment en die van anderen door rolmodellen te worden binnen hun eigen gemeenschap;

3.  benadrukt dat elke actie inzake VGV hoofdzakelijk gericht moet zijn op preventie door middel van duurzame maatschappelijke verandering en de empowerment van gemeenschappen, met name van de vrouwen en meisjes in deze gemeenschappen, door onderwijs en informatie te bieden en door de voorwaarden te scheppen voor de economische empowerment van vrouwen en meisjes; benadrukt dat de bescherming van en nazorg voor slachtoffers van VGV prioriteit moet krijgen, door met behulp van verhoogde investering passende bescherming en informatie te bieden, alsook toegang tot professionele en adequate fysieke, psychologische, medische en seksuologische zorg en ondersteuning voor slachtoffers van deze praktijk;

4.  benadrukt dat het voor het uitbannen van deze schadelijke praktijk evenzeer van cruciaal belang is dat mannen en jongens een rol spelen bij het hertekenen van de verhoudingen tussen mannen en vrouwen, het wijzigen van het gedrag, en het ondersteunen van de empowerment van vrouwen en meisjes; benadrukt verder dat gemeenschapsleiders betrokken moeten worden bij het uitbannen van VGV, aangezien VGV doorgegeven wordt via tradities en cultuur, waarbij gebruikgemaakt wordt van besnijders, die vaak veel invloed hebben binnen een gemeenschap, en van verschillende religies om het uitvoeren en in stand houden van deze praktijk te rechtvaardigen;

5.  benadrukt dat VGV moet worden bestreden met behulp van een holistische en intersectionele benadering, waarbij de onderliggende oorzaken van genderongelijkheid die ten grondslag liggen aan alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, waaronder schendingen van hun mensenrechten, lichamelijke integriteit en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, worden aangepakt, en waarbij VGV in verband wordt gebracht met andere schadelijke praktijken zoals huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, platstrijken van borsten, herstel van het maagdenvlies en maagdelijkheidstesten;

6.  maakt zich zorgen over het feit dat “medicalisering” van VGV in bepaalde landen steeds vaker voorkomt, ook in landen waar VGV legaal is, en over de toenemende betrokkenheid van professionals uit de gezondheidszorg bij deze praktijk; benadrukt dat dit een onacceptabele oplossing is die de onderliggende oorzaken van VGV niet aanpakt, zoals reeds is vastgesteld door de VN en de WGO; verzoekt deze landen de medicalisering van VGV nadrukkelijk te verbieden en te zorgen voor meer bewustzijn bij medisch personeel over dit probleem door informatie en opleidingen te voorzien, alsook passend toezicht en handhaving;

7.  benadrukt dat artikel 38 van het Verdrag van Istanbul de lidstaten ertoe verplicht VGV strafbaar te stellen, alsook het ertoe aanzetten, het dwingen of het ertoe bewegen van een meisje om VGV te ondergaan, en dat het verdrag niet enkel meisjes en vrouwen beschermt die risico lopen VGV te moeten ondergaan, maar ook meisjes en vrouwen die lijden onder de levenslange gevolgen van deze praktijk; merkt met tevredenheid op dat strafwetgeving in alle lidstaten meisjes en vrouwen tegen VGV beschermt, maar maakt zich ernstige zorgen over de klaarblijkelijke ondoeltreffendheid van deze wetgeving, aangezien enkel een handvol zaken in de EU voor de rechter komen;

8.  merkt op dat het in veel EU-landen ook mogelijk is om in het buitenland ondergane VGV te vervolgen, overeenkomstig het extraterritorialiteitsbeginsel, waarmee dus ook het meenemen van kinderen naar derde landen om daar VGV te ondergaan wordt verboden; merkt op dat het strafbaar stellen van VGV gepaard moet gaan met gerechtelijke onderzoeken en vervolging; benadrukt dat het belang van het kind altijd voorop moet staan, en dat ervoor moet worden gezorgd dat bij de vervolging en veroordeling van familieleden die VGV uitvoeren wordt gewaarborgd dat de betrokken meisjes en kinderen hierdoor niet nog meer gevaar lopen;

9.  roept de Commissie en de lidstaten op om ervoor te zorgen dat de toekomstige EU-begroting, zowel intern als extern, de duurzame betrokkenheid van gemeenschappen bij projecten en programma’s blijft steunen, door middel van adequate financiering waarbij rekening wordt gehouden met de operationele realiteit van gemeenschapsgerichte organisaties en door overlevenden en jongeren geleide organisaties en initiatieven; dringt er daarom bij de Commissie en de Raad op aan om in het kader van de begrotingsbesprekingen over het volgend meerjarig financieel kader (MFK) te zorgen voor flexibele, toegankelijke en duurzame financiering op basis van structurele financiële steun op langere termijn;

10.  is ingenomen met het werk dat reeds is verzet via het programma “Rechten, gelijkheid en burgerschap” en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan bij de toekomstige EU-begroting rekening te houden met de noodzaak van meer flexibiliteit en synergieën tussen interne en externe financieringsprogramma’s, om zo begrotingen waarin aandacht is voor de complexiteit van het probleem te bevorderen, alsook meer integraal, transnationaal en grensoverschrijdend optreden om VGV wereldwijd uit te bannen;

11.  spoort de Commissie en de lidstaten aan om hun samenwerking met Europese en nationale netwerken van professionals te versterken, inclusief professionals uit de gezondheidszorg, maatschappelijke zorg, rechtshandhaving en het maatschappelijk middenveld, en ervoor te zorgen dat EU-financiering gaat naar projecten die gericht zijn op opleidingen en bewustmakingscampagnes voor professionals over het doeltreffend voorkomen en vaststellen van gevallen van VGV en geweld tegen vrouwen en meisjes, en het doeltreffend reageren op deze gevallen;

12.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat alle lidstaten de richtlijn slachtofferrechten omzetten in nationale wetgeving en deze richtlijn volledig ten uitvoer leggen, zodat overlevenden van VGV bij noodsituaties in de EU toegang krijgen tot vertrouwelijke gespecialiseerde hulpdiensten, waaronder traumahulp en counseling, en opvang;

13.  merkt op dat toegang tot gespecialiseerde gezondheidszorg, waaronder psychologische zorg, voor vrouwelijke asielzoekers en vluchtelingen die VGV hebben ondergaan, gezien de meest recente gegevens van de UNHCR, prioriteit moet krijgen op Europees en nationaal niveau;

14.  dringt er bij de Commissie en de Raad op aan er bij de hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) voor te zorgen dat de hoogste normen voor internationale bescherming inzake erkenning, opvangvoorzieningen en procedurele rechten in heel de EU op dezelfde manier worden toegepast, hetgeen goede samenwerking tussen de lidstaten bevordert, met name met betrekking tot kwetsbare vrouwelijke asielzoekers die VGV hebben ondergaan of risico lopen slachtoffer te worden van VGV en andere vormen van op gender gebaseerd geweld;

15.  dringt er bij de Commissie op aan om, gezien het toenemende aantal vrouwen en meisjes die VGV hebben ondergaan, een beoordeling uit te voeren van de mededeling uit 2013 getiteld “Naar het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking”, teneinde ervoor te zorgen dat de maatregelen tegen deze praktijk wereldwijd worden opgeschaald, en er wordt getracht de verschillen in wetgeving, beleidsmaatregelen en dienstverrichting tussen de lidstaten weg te nemen, zodat vrouwen en meisjes die risico lopen VGV te ondergaan of VGV reeds hebben ondergaan in heel de EU gelijk behandeld worden;

16.  dringt er bij de Commissie op aan om ervoor te zorgen dat de komende gendergelijkheidsstrategie maatregelen bevat om VGV uit te bannen en zorg te bieden aan overlevenden, alsook inclusief taalgebruik en krachtige toezeggingen en duidelijke indicatoren op alle gebieden die onder de bevoegdheid van de EU vallen, samen met regelmatige verslaglegging en een sterk toezichtmechanisme, teneinde de verantwoordingsplicht van alle EU-instellingen en lidstaten te waarborgen;

17.  dringt er bij de Commissie, de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten op aan de samenwerking met derde landen op te voeren om derde landen aan te sporen nationale wetgeving ter uitbanning van VGV aan te nemen, rechtshandhavingsinstanties te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van deze wetten en VGV en andere praktijken die schadelijk zijn voor vrouwen en meisjes prioriteit te geven in hun externe mensenrechtenbeleid, met name in de bilaterale en multilaterale mensenrechtendialogen en andere vormen van diplomatieke betrokkenheid; benadrukt dat de EU kan helpen om VGV wereldwijd uit te bannen door optimale werkwijzen hier in de EU vast te stellen en te bevorderen;

18.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in het komende genderactieplan III de uitbanning van VGV en het verlenen van zorg aan overlevenden opnieuw wordt opgenomen als een van de belangrijkste actiepunten, door middel van concrete en meetbare indicatoren en als onderdeel van de strijd tegen alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes;

19.  roept de Commissie, waaronder de EDEO, op om ervoor te zorgen dat in het komende nieuwe EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie het uitbannen van VFV en het verlenen van zorg aan overlevenden opnieuw wordt opgenomen als een van de doelstellingen;

20.  verzoekt de Raad opnieuw de ratificatie van het Verdrag van Istanbul door de EU zo snel mogelijk af te ronden op basis van een brede toetreding zonder enige beperkingen, en te pleiten voor de ratificatie van het verdrag door alle lidstaten; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan het verdrag volledig te integreren in het wetgevings- en beleidskader van de EU teneinde de preventie van VGV, de bescherming van vrouwen, de vervolging van overtreders en passende dienstverrichting inzake VGV door alle partijen bij het verdrag te waarborgen;

21.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat er in alle sectoren aandacht is voor de preventie van VGV, met name op het gebied van gezondheidszorg, waaronder seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, maatschappelijk werk, asielsysteem, onderwijs, waaronder seksuele voorlichting, werk, rechtshandhaving, rechtspraak, kinderbescherming, media, technologie en communicatie; pleit voor de oprichting van platformen voor samenwerking tussen de verschillende sectoren met meerdere belanghebbenden om deze samenwerking beter te coördineren;

22.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie en de manier waarop zij actief streeft naar het uitbannen van VGV door middel van interne gesprekken met het maatschappelijk middenveld en externe beleidsmaatregelen via dialogen met partnerlanden, alsook haar toezegging om jaarlijks een beoordeling uit te voeren van de strijd van de EU tegen VGV;

23.  roept de Commissie en de lidstaten op om ervoor te zorgen dat er passende en gestructureerde mechanismen zijn waarmee er in het kader van beleid- en besluitvorming betekenisvol samen kan worden gewerkt met vertegenwoordigers van gemeenschappen waar VGV voorkomt en basisvrouwenorganisaties, waaronder door overlevenden geleide organisaties;

24.  roept de Commissie op om door bepalingen inzake de mensenrechten op te nemen ervoor te zorgen dat bij de onderhandelingen over en beoordeling van de EU-samenwerking en handelsovereenkomsten met derde landen wordt gekeken naar hun verenigbaarheid met internationale mensenrechtennormen, waaronder de uitbanning van VGV als een stelselmatige schending van mensenrechten en een vorm van geweld die de volledige ontwikkeling van vrouwen en meisjes belemmert;

25.  is ingenomen met de vernieuwde methodologie in het verslag over de schatting van het aantal meisjes dat in de Europese Unie wordt bedreigd met genitale verminking, met een stap-voor-stap-leidraad (2e editie), dat is uitgegeven door EIGE en gericht is op het verzamelen van meer betrouwbare en robuuste gegevens; roept de Commissie en de lidstaten op om de relevante gegevens te actualiseren, een oplossing te vinden voor het gebrek aan betrouwbare vergelijkbare statistieken op EU-niveau over de gangbaarheid van VGV en de verschillende soorten VGV, en academici, alsook gemeenschappen die VGV toepassen en overlevenden, te betrekken bij de gegevensverzameling en het onderzoek, door middel van een op gemeenschappen en participatie gebaseerde benadering; dringt er bij organisaties, regeringen en de EU-instellingen op aan om samen te werken om nauwkeurigere kwalitatieve en kwantitatieve informatie over VGV te verkrijgen, en deze informatie beschikbaar en toegankelijk te maken voor een breder publiek; pleit bovendien voor de uitwisseling van optimale werkwijzen en samenwerking tussen de betrokken instanties (politie en openbare aanklagers), inclusief internationale signaleringen;

26.  verzoekt de Commissie meer duurzame middelen te investeren in onderzoek naar VGV, aangezien diepgaand kwalitatief en kwantitatief onderzoek de enige manier is om het fenomeen beter te begrijpen en ervoor te zorgen dat het op een passende en doeltreffende manier wordt bestreden;

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(2) PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96.
(3) PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9.
(4) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 87.
(5) PB C 93 van 24.3.2017, blz. 142.
(6) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 26.
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0007.
(8) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 167.
(9) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0080.

Laatst bijgewerkt op: 14 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid