Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 16 januari 2020 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Burundi, met name de vrijheid van meningsuiting
 Nigeria, met name de recente terreuraanslagen
 Situatie in Venezuela na de illegale verkiezing van de voorzitter en het bureau van het nieuwe parlement (parlementaire coup)
 Lopende hoorzittingen uit hoofde van artikel 7, lid 1 van het VEU, met betrekking tot Polen en Hongarije
 COP15 bij het Biodiversiteitsverdrag (Kunming 2020)
 De werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2018
 Instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen

Burundi, met name de vrijheid van meningsuiting
PDF 141kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over Burundi, en met name de vrijheid van meningsuiting (2020/2502(RSP))
P9_TA(2020)0011RC-B9-0054/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Burundi, met name die van 9 juli 2015(1), 17 december 2015(2), 19 januari 2017(3), 6 juli 2017(4) en 5 juli 2018(5),

–  gezien het besluit van de Europese Commissie van 30 oktober 2019 betreffende de financiering van het jaarlijkse actieprogramma 2019 voor de Republiek Burundi,

–  gezien de verklaring van 29 november 2019 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) namens de EU over het zich aansluiten van bepaalde derde landen bij beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi,

–  gezien het verslagen van de secretaris-generaal van de VN van 23 februari 2017, 25 januari 2018 en 24 oktober 2019 over de situatie in Burundi,

–  gezien het verslag van de onderzoekscommissie van de VN-Mensenrechtenraad voor Burundi van september 2019,

–  gezien de brief van 9 december 2019 die door 39 leden van het Europees Parlement is ondertekend en waarin om de vrijlating van journalisten van het Burundese nieuwskanaal Iwacu wordt verzocht,

–  gezien de verklaring van 10 december 2019 van de VV/HV namens de EU over de dag van de mensenrechten,

–  gezien resolutie 2248 van 12 november 2015 en resolutie 2303 van 29 juli 2016 van de VN-Veiligheidsraad over de situatie in Burundi,

–  gezien het verslag van de onderzoekscommissie voor Burundi aan de Mensenrechtenraad van de VN van 15 juni 2017 ,

–  gezien de verklaring van de VN-Veiligheidsraad van 13 maart 2017 over de situatie in Burundi,

–  gezien het verslag van het onafhankelijke onderzoek van de VN inzake Burundi (UNIIB), dat is gepubliceerd op 20 september 2016,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening in Burundi van 28 augustus 2000,

–  gezien de verklaring over de situatie in Burundi die is aangenomen op de top van de Afrikaanse Unie van 13 juni 2015,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 29 september 2017 (nr. 36/19) over de verlenging van het mandaat van de onderzoekscommissie voor Burundi,

–  gezien Verordening (EU) 2015/1755 van de Raad van 1 oktober 2015(6), alsook de besluiten van de Raad (GBVB) 2015/1763 van 1 oktober 2015(7), (GBVB) 2016/1745 van 29 september 2016(8) en (GBVB) 2019/1788 van 24 oktober 2019(9) betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi,

–  gezien de verklaring van de VV/HV van 8 mei 2018 namens de EU over de situatie in Burundi in de aanloop naar het grondwettelijk referendum,

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (Overeenkomst van Cotonou),

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren dat werd aangenomen op 27 juni 1981 en in werking trad op 21 oktober 1986, en dat Burundi geratificeerd heeft,

–  gezien Besluit (EU) 2016/394 van de Raad van 14 maart 2016 betreffende de afsluiting van het overleg met de Republiek Burundi krachtens artikel 96 van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds(10),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het hoofdstuk van het World Report 2019 van Human Rights Watch over Burundi,

–  gezien de wereldindex voor persvrijheid 2019 die is opgesteld door Verslaggevers zonder grenzen,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de presidentsverkiezingen van 2015 in Burundi aanleiding hebben gegeven tot onrust onder de burgers, volgens de verkiezingswaarnemingsmissie van de Verenigde Naties in Burundi werden gekenmerkt door een ernstige aantasting van de essentiële voorwaarden voor een daadwerkelijke uitoefening van het stemrecht, en door de oppositie werden geboycot;

B.  overwegende dat onafhankelijke radiostations gesloten blijven, tientallen journalisten nog altijd niet kunnen terugkeren uit zelfopgelegd ballingschap, en journalisten die gebleven zijn moeilijkheden ondervinden om vrij te werken, vaak als gevolg van intimidatie door de veiligheidstroepen, die hierin worden gesterkt door het officiële discours dat zelfstandige media gelijkstelt met vijanden van het land;

C.  overwegende dat de situatie in Burundi zorgwekkend blijft, dat er talrijke schendingen van fundamentele burgerlijke en politieke vrijheden worden gemeld en dat de stijgende prijzen een negatieve impact hebben op economische en socioculturele rechten zoals het recht op een behoorlijke levensstandaard, het recht op onderwijs, het recht op adequaat en voldoende voedsel, vrouwenrechten, het recht op arbeid en vakbondsrechten;

D.  overwegende dat het bereiken van een politieke oplossing via een interne dialoog in Burundi in een impasse is geraakt en dat de voor mei 2020 geplande verkiezingen hierdoor ernstig in gevaar komen; overwegende dat deze verkiezingen Burundi nog verder in de richting van autoritarisme kunnen duwen indien er geen betekenisvolle politieke dialoog tot stand komt; overwegende dat er nog steeds onzekerheid bestaat over de betrokkenheid van alle belanghebbenden bij dit proces, in het licht van de krimpende politieke ruimte en het ontbreken van een klimaat dat bevorderlijk is voor vreedzame, transparante en geloofwaardige verkiezingen;

E.  overwegende dat de door de VN-mensenrechtenraad gemachtigde onderzoekscommissie voor Burundi (COIB) in haar verslag van 4 september 2019 heeft benadrukt dat diegenen die zich verzetten tegen de regeringspartij CNDD-FDD, enkele maanden voor de presidents- en parlementsverkiezingen van 2020 in angst leven en onder intimidatie lijden, en dat plaatselijke autoriteiten en leden van de beruchte jeugdafdeling van de regeringspartij, de Imbonerakure, zich in een context van gestaag toenemende spanningen in aanloop naar de verkiezingen van mei 2020 blijven schuldig maken aan politiek gemotiveerd geweld en ernstige mensenrechtenschendingen; overwegende dat de Burundese regering weigert om samen te werken met de COIB, ondanks herhaalde verzoeken van haar kant;

F.  overwegende dat het VN-bureau voor de mensenrechten in Burundi, dat met de Burundese regering heeft samengewerkt op het vlak van vredesopbouw en hervorming van de sectoren veiligheid en justitie en heeft meegewerkt aan de vergroting van de institutionele capaciteit en de capaciteit van het maatschappelijk middelveld betreffende mensenrechtenkwesties, in maart 2019 op aandringen van de Burundese regering is gesloten, en overwegende dat de Burundese regering al in oktober 2016 alle vormen van samenwerking met het VN-bureau had stopgezet;

G.  overwegende dat de economische groei van Burundi in 2019 volgens de Wereldbank 1,8 % bedroeg, en dat dit in 2018 1,7 % was; overwegende dat de totale overheidsbegroting voor 2019-2020 een tekort vertoont van 189,3 miljard Burundese frank (14,26 %), en dat dit tekort voor dezelfde periode in 2018-2019 163,5 miljard Burundese frank bedroeg; overwegende dat er zich volgens het UNHCR op 30 september 2019 369 517 Burundese vluchtelingen in de omringende landen bevonden; overwegende dat sinds september 2017 in totaal 78 000 vluchtelingen vrijwillig naar Burundi zijn teruggekeerd; overwegende dat 130 562 Burundezen op 28 februari 2019 intern ontheemd waren;

H.  overwegende dat Burundi in de wereldindex voor persvrijheid 2019 van Verslaggevers zonder grenzen de 159e plaats bekleedt op een ranglijst van 180 landen, overwegende dat de vrijheid van meningsuiting van essentieel belang is voor het waarborgen van vrije en geïnformeerde verkiezingen; overwegende dat vrije, onafhankelijke en onpartijdige journalistiek een verlenging vormt van het fundamentele mensenrecht op vrije meningsuiting; overwegende dat traditionele, door de staat gecontroleerde media zoals radio en kranten de belangrijkste bronnen van informatie blijven; overwegende dat een grotere mediageletterdheid en een betere toegang tot het internet en sociale media noodzakelijk zijn om informatie toegankelijk te maken en de sociale en politieke stabiliteit en de dialoog te versterken, en aldus te zorgen voor vrije, geïnformeerde en eerlijke verkiezingen;

I.  overwegende dat Burundi een van de armste landen ter wereld is, met 74,7 % van de bevolking die in armoede leeft, en op de menselijke ontwikkelingsindex op plaats 185 van in totaal 189 landen staat; overwegende dat ruim de helft van de Burundese bevolking onder chronische voedselonzekerheid lijdt, bijna de helft van de bevolking jonger is dan 15, en alleen al in 2019 meer dan acht miljoen Burundezen malaria hebben opgelopen en meer dan 3000 van hen aan de ziekte zijn gestorven; overwegende dat armoede, slechte sociale diensten, een hoge jeugdwerkloosheid en het gebrek aan kansen het geweld in het land blijven aanwakkeren,

J.  overwegende dat de nationale veiligheidsraad van Burundi op 27 september 2018 een drie maanden durende schorsing aankondigde ten aanzien van internationale niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), waardoor de activiteiten van ongeveer 130 internationale ngo’s - inclusief ngo’s die levensreddende bijstand verleenden - ernstig werden verstoord;

K.  overwegende dat de regering op 18 juli 2019 twee besluiten heeft aangenomen tot oprichting van een interministerieel monitoring- en evaluatiecomité voor internationale ngo’s die in Burundi werkzaam zijn;

L.  overwegende dat de Burundese regering sinds de sluiting van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (OHCHR) in Burundi op 28 februari 2019 heeft geweigerd om wat voor mensenrechtenschendingen dan ook te erkennen, en zich niet bereid heeft getoond tot enige vorm van voortgezette samenwerking met het Bureau; overwegende dat de VN-onderzoekscommissie voor Burundi (COIB) momenteel het enige onafhankelijke internationale mechanisme is dat de mensenrechtenschendingen in Burundi onderzoekt;

M.  overwegende dat de Burundese autoriteiten de werkzaamheden van de COIB systematisch en categorisch blijven verwerpen en geweigerd hebben om de commissie in het land binnen te laten, zogezegd omdat zij politiek vooringenomen zou zijn, zonder evenwel enig bewijs te leveren voor deze aantijging;

N.  overwegende dat Burundi zich in oktober 2017 heeft teruggetrokken uit het Statuut van Rome inzake de oprichting van het Internationaal Strafhof; overwegende dat de Burundese regering niet is ingegaan op de oproepen van de internationale gemeenschap om opnieuw toe te treden tot het Statuut van Rome;

O.  overwegende dat Tanzania en Burundi in 2019 een overeenkomst hebben ondertekend om de 180 000 Burundese vluchtelingen in Tanzania tegen 31 december 2019 terug te brengen naar Burundi, desnoods tegen hun zin; overwegende dat het UNHCR in augustus 2019 meldde dat de situatie in Burundi vluchtelingen er niet toe aanzet om vrijwillig terug te keren, aangezien terugkeerders tot de voornaamste doelwitten van mensenrechtenschendingen behoren;

P.  overwegende dat de openbare aanklager van Burundi op 30 december 2019 om een gevangenisstraf van 15 jaar heeft verzocht voor vier journalisten van de persgroep Iwacu, namelijk Christine Kamikazi, Agnès Ndirubusa, Térence Mpozenzi en Egide Harerimana, en voor hun chauffeur, Adolphe Masamarakiza, die op 22 oktober 2019 in de gemeente Musigati (provincie Bubanza) werden opgepakt terwijl zij confrontaties tussen rebellen en regeringstroepen in het noordwesten van Burundi aan het verslaan waren, en werden beschuldigd van medeplichtigheid aan de ondermijning van de interne veiligheid van de staat;

Q.  overwegende dat Iwacu-journalist Jean Bigirimana sinds 22 juli 2016 vermist is en naar verluidt het laatst is gezien onder bewaking van leden van de nationale inlichtingendienst (SNR) in Muramvya, 45 km ten oosten van de hoofdstad Bujumbura; overwegende dat de Burundese autoriteiten nooit iets hebben gezegd over zijn verdwijning;

R.  overwegende dat journalist Christophe Nkezabahizi en zijn echtgenote en twee kinderen op 13 oktober 2015 in hun huis in Bujumbura werden vermoord; overwegende dat de autoriteiten geen echte inspanningen hebben geleverd om dit geweldsmisdrijf te onderzoeken en de daders voor de rechter te brengen;

S.  overwegende dat artikel 31 van de Burundese grondwet de vrijheid van meningsuiting waarborgt, met inbegrip van de persvrijheid; overwegende dat Burundi ook partij is bij het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren, waarin het recht van elke Burundees op het verkrijgen en verspreiden van informatie wordt gegarandeerd; overwegende dat de Burundese regering de taak heeft om het recht op vrije meningsuiting en vrije vereniging te ondersteunen en te beschermen, conform de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), waarbij Burundi partij is;

T.  overwegende dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld en de media de afgelopen jaren aanzienlijk kleiner is geworden en dat veel maatschappelijk activisten en onafhankelijke journalisten in ballingschap verblijven; overwegende dat wie in Burundi is gebleven, vaak het slachtoffer wordt van intimidatie, opsluiting of rechtszaken op grond van valse beschuldigingen;

U.  overwegende dat de regering en de leden van de jeugdafdeling van de regeringspartij, de Imbonerakure, een nationale campagne op poten hebben gezet voor de inzameling van ‘vrijwillige’ bijdragen van de bevolking ter financiering van de verkiezingen van 2020; overwegende dat in het verslag van Human Rights Watch van 6 december 2019 werd vastgesteld dat leden van de Imbonerakure en plaatselijke overheidsambtenaren hiertoe vaak gebruik maken van geweld en intimidatie, onder meer door de verplaatsingen van mensen en hun toegang tot openbare diensten te beperken en wie niet bijdraagt, af te ranselen;

V.  overwegende dat mensenrechtenactivist Germain Rukuki, lid van de Actie van christenen voor de afschaffing van martelen en de doodstraf (ACAT), in april 2019 tot 32 jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens rebellie, bedreigen van de staatsveiligheid, deelname aan een opstandsbeweging en aanslagen op het staatshoofd; overwegende dat activist Nestor Nibitanga, waarnemer namens de vereniging voor de bescherming van de mensenrechten en de rechten van de mens (APRODH), in augustus 2018 tot vijf jaar opsluiting is veroordeeld wegens bedreiging van de staatsveiligheid;

W.  overwegende dat het Comité voor de bescherming van journalisten in mei 2018 bekendmaakte dat de uitzendvergunningen van de BBC en Voice of America (VOA) werden opgeschort, op dat ogenblik voor een periode van zes maanden, en overwegende dat de BBC en VOA sindsdien niet meer kunnen uitzenden in Burundi; overwegende dat de Nationale Raad voor communicatie (CNC), die toezicht houdt op de Burundese media, op 29 maart 2019 aankondigde dat hij de uitzendvergunning van de BBC introk en de opschorting van de vergunning van VOA verlengde; overwegende dat de CNC ook een verbod uitvaardigde voor alle journalisten in Burundi om ‘rechtstreeks of onrechtstreeks informatie te verstrekken die kan worden uitgezonden’ door de BBC of door VOA;

X.  overwegende dat de Raad op 24 oktober 2019 de beperkende maatregelen van de EU tegen Burundi heeft verlengd tot 24 oktober 2020;

Y.  overwegende dat deze maatregelen een reisverbod en een bevriezing van tegoeden omvatten ten aanzien van vier personen wier activiteiten geacht worden de democratie te ondermijnen of de zoektocht naar een politieke oplossing voor de crisis in Burundi te belemmeren;

Z.  overwegende dat de inspanningen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (OAG) om via bemiddeling een oplossing te vinden voor de politieke crisis die is ontstaan als gevolg van het besluit van de Burundese president in 2015 om zich kandidaat te stellen voor een derde mandaat, telkens opnieuw vastlopen; overwegende dat president Pierre Nkurunziza herhaaldelijk heeft verklaard geen vierde mandaat te ambiëren, maar dat de regerende partij nog geen kandidaat heeft aangewezen voor de komende presidentsverkiezingen;

1.  veroordeelt met klem de huidige beperkingen van de vrijheid van meningsuiting in Burundi, alsook de algemene beperkingen van openbare vrijheden, de op grote schaal plaatsvindende mensenrechtenschendingen, intimidatie en willekeurige arrestaties van journalisten en de uitzendverboden die het klimaat van angst voor de Burundese media versterken, verslaglegging bemoeilijken en behoorlijke berichtgeving verhinderen, met name in het licht van de op handen zijnde verkiezingen van 2020;

2.  blijft zich ernstig zorgen maken over de mensenrechtensituatie in Burundi, die elk initiatief voor verzoening, vrede en gerechtigheid ondermijnt, en is met name bezorgd over de aanhoudende willekeurige aanhoudingen en buitengerechtelijke executies;

3.  veroordeelt ten zeerste de voortdurende verslechtering van de mensenrechtensituatie in het land, in het bijzonder voor echte en vermeende aanhangers van de oppositie en voor Burundezen die uit het buitenland terugkeren; brengt in herinnering dat Burundi gebonden is door de mensenrechtenclausule van de Overeenkomst van Cotonou; dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan deze negatieve trend onmiddellijk om te buigen en de verplichtingen van hun land op het gebied van de mensenrechten na te komen, inclusief de verbintenissen die zijn opgenomen in het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCR) en andere internationale mechanismen die de Burundese regering heeft geratificeerd;

4.  herinnert de regering van Burundi eraan dat het recht op vrije meningsuiting, toegang tot informatie, persvrijheid, mediavrijheid en het bestaan van een vrije ruimte waarin mensenrechtenactivisten zich kunnen uitspreken zonder intimidatie of angst voor represailles essentieel zijn om inclusieve, geloofwaardige, vreedzame en transparante verkiezingen te kunnen houden; vraagt de Burundese autoriteiten daarom met klem om maatregelen die de werkzaamheden van het maatschappelijk middenveld beperken of belemmeren en die de toegang tot en de vrijheid van onafhankelijke traditionele en moderne media beperken, op te heffen;

5.  verzoekt de Burundese autoriteiten om de aanklachten tegen de onlangs gevangengenomen journalisten van Iwacu en alle andere personen die zijn gearresteerd omdat zij hun grondrechten uitoefenden, in te trekken en hen onverwijld en onvoorwaardelijk vrij te laten;

6.  benadrukt de cruciale rol van het maatschappelijk middenveld en van journalisten in een democratische samenleving, met name in de context van de naderende verkiezingen, en verzoekt de Burundese autoriteiten een einde te maken aan de intimidatie, pesterijen en willekeurige arrestatie van journalisten, mensenrechtenactivisten en leden van de oppositie; dringt er voorts bij de autoriteiten op aan mensenrechtenactivisten en journalisten in staat te stellen hun legitieme taken op het gebied van onderzoek naar en melding van mensenrechtenschendingen onbelemmerd uit te voeren;

7.  neemt met grote bezorgdheid kennis van het toenemende aantal intern ontheemden in Burundi en het toenemende aantal Burundese vluchtelingen in omringende landen; roept de EU op tot meer financiële en andere humanitaire inspanningen voor Burundezen die intern ontheemd zijn of hun land ontvlucht zijn;

8.  vraagt de Burundese autoriteiten een einde te maken aan de afpersing van burgers en ervoor te zorgen dat niemand de toegang tot openbare goederen en diensten, zoals gezondheidszorg, voedsel, water en onderwijs, wordt ontzegd, en humanitaire actoren in staat te stellen onafhankelijk op te treden en bijstand te verlenen op basis van de plicht om in de dringendste behoeften te voorzien;

9.  onderstreept dat de politieke situatie en de mensenrechtensituatie aanzienlijk moeten verbeteren, met name wat betreft de fundamentele vrijheden zoals de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de vrijheid van vereniging en vergadering, en dat er vooruitgang moet worden geboekt op het gebied van verzoening om geloofwaardige verkiezingen mogelijk te maken; vraagt de regering van Burundi ervoor te zorgen dat schendingen van deze rechten onpartijdig worden onderzocht en dat de daders worden vervolgd in rechtszaken die voldoen aan de internationale normen;

10.  dringt er bij de autoriteiten op aan grondige en transparante onderzoeken uit te voeren met als doel al wie vermoedelijk verantwoordelijk is voor moorden, verdwijningen, afpersing, afranselingen, willekeurige arrestaties, bedreigingen, intimidatie of andere vormen van misbruik eerlijk en geloofwaardig te berechten; is uitermate verontrust over het feit dat leden van de Imbonerakure die mensenrechtenschendingen begaan, ongestraft blijven; vraagt de Burundese autoriteiten met klem een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de verdwijning van journalist Jean Bigirimana, die sinds 22 juli 2016 vermist is, en naar de moord op journalist Christophe Nkezabahizi en zijn vrouw en kinderen, op 13 oktober 2015;

11.  erkent de sleutelrol van de regio, in het bijzonder de OAG en de Afrikaanse Unie (AU), voor het vinden van een duurzame oplossing voor de politieke crisis in Burundi, en benadrukt dat er actiever moet worden opgetreden en meer inspanningen moeten worden gedaan om een eind te maken aan de crisis en de Burundese bevolking te beschermen, teneinde verdere regionale escalatie te voorkomen; dringt er bij de AU op aan zo snel mogelijk mensenrechtenwaarnemers naar Burundi te sturen en ervoor te zorgen dat zij zich met het oog op de uitoefening van hun mandaat vrij doorheen het hele land kunnen bewegen;

12.  betreurt dat de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Arusha tot stilstand is gekomen en dringt er bij de garanten van de overeenkomst op aan te streven naar verzoening; verbindt zich ertoe de interne dialoog in Burundi aan te moedigen; verzoekt de VV/HV om de OAG te steunen bij het faciliteren van de interne dialoog in Burundi; dringt er bij alle deelnemers aan de interne dialoog in Burundi op aan constructief samen te werken en de oppositie, mensenrechtenverdedigers en maatschappelijke organisaties in staat te stellen onbelemmerd aan deze dialoog deel te nemen;

13.  dringt er bij Burundi op aan terug te keren naar de agenda van bijeenkomsten van de regionale en internationale gemeenschappen om overeenstemming te bereiken over een compromis voor de uitvoering van bestaande besluiten op het niveau van de VN en de AU, namelijk de uitvoering van resolutie 2303, de ondertekening van het memorandum van overeenstemming met de waarnemers van de AU, en hervatting van de samenwerking met het OHCHR;

14.  betreurt dat Burundi blijft weigeren om samen te werken met de VN-onderzoekscommissie en in te stemmen met de hervatting van de activiteiten van het plaatselijke kantoor van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten;

15.  vraagt de VN om alle vermeende schendingen van de mensenrechten en het humanitair recht onpartijdig te blijven onderzoeken, met inbegrip van schendingen door staatsfunctionarissen en leden van de Imbonerakure, en de verantwoordelijken op passende wijze te vervolgen; benadrukt dat criminelen en moordenaars voor de rechter moeten worden gebracht, ongeacht de groep waartoe zij behoren, en dat er passende schadeloosstelling moet worden geboden aan de slachtoffers en overlevenden van ernstige mensenrechtenschendingen in Burundi;

16.  dringt er bij de EU-lidstaten op aan flexibele en rechtstreekse financiële steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties en mediaorganisaties, inclusief vrouwenorganisaties, die nog ter plaatse actief zijn, maar ook aan organisaties die zich in ballingschap bevinden, met name wanneer zij zich inzetten voor de bevordering en bescherming van mediarechten en politieke, civiele, economische en sociale rechten;

17.  roept de diplomaten van de EU en de EU-lidstaten in Burundi ertoe op te zorgen voor de volledige uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, onder meer door de rechtszittingen bij te wonen van alle journalisten, politieke gevangenen en mensenrechtenactivisten in Burundi, en met name de journalisten van Iwacu, en door mensenrechtenactivisten, activisten en journalisten in de gevangenis te bezoeken;

18.  pleit voor de uitbreiding van de gerichte sancties van de EU en vraagt de VN-Veiligheidsraad om eigen gerichte sancties op te leggen, zoals reisverboden en bevriezing van activa ten aanzien van personen die verantwoordelijk zijn voor de aanhoudende ernstige mensenrechtenschendingen in Burundi; verzoekt de VV/HV met spoed een uitgebreide lijst op te stellen van de personen die verantwoordelijk zijn voor de planning, organisatie en uitvoering van mensenrechtenschendingen, met als doel deze toe te voegen aan de lijst van Burundese functionarissen voor wie er reeds EU‑sancties gelden;

19.  betreurt ten zeerste dat Burundi geen stappen heeft ondernomen om opnieuw toe te treden tot het Statuut van Rome; verzoekt de Burundese regering dringend om onmiddellijk een dergelijke procedure in te leiden; roept de EU ertoe op alle inspanningen van het Internationaal Strafhof om de in Burundi gepleegde misdaden te onderzoeken en de daders voor de rechter te brengen, te ondersteunen;

20.  betreurt het aanhoudende gebrek aan financiële middelen voor het aanpakken van de Burundese vluchtelingencrisis, dat ernstige gevolgen heeft voor de veiligheid en het welzijn van de vluchtelingen; verzoekt de internationale gemeenschap en humanitaire organisaties om meer bijstand te verlenen aan alle personen die momenteel op de vlucht zijn of intern ontheemd worden als gevolg van het conflict; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om, zoals aanbevolen door de VN-onderzoekscommissie voor Burundi, de status van vluchteling te verlenen aan asielzoekers uit Burundi en de situatie in Burundi met betrekking tot de verkiezingen van 2020 nauwlettend te volgen;

21.  uit zijn diepe bezorgdheid over meldingen dat Burundese vluchtelingen toenemend onder druk worden gezet om vóór de verkiezingen van 2020 naar hun land terug te keren; vraagt de overheden in de regio ervoor te zorgen dat de terugkeer van vluchtelingen vrijwillig gebeurt, op basis van weloverwogen beslissingen en op een veilige en waardige manier; wijst erop dat het UNHCR van mening is dat de voorwaarden voor veilige, waardige en vrijwillige terugkeer niet zijn vervuld;

22.  verzoekt de Burundese regering om politieke tegenstanders in ballingschap in staat te stellen terug te keren en zonder intimidatie, arrestatie of geweld campagne te voeren, en om externe waarnemers de voorbereidingen voor de verkiezingen en de stem- en telprocedures te laten observeren;

23.  herhaalt dat een inclusieve politieke dialoog, in het kader van internationale bemiddeling en met inachtneming van de Overeenkomst van Arusha en de grondwet van Burundi, de enige manier is om te zorgen voor duurzame vrede in Burundi; dringt er daarom op aan dat de OAG, die de voornaamste drijfkracht vormt achter de interne dialoog in Burundi, passende maatregelen neemt om de Burundese regering resoluut en zonder uitstel te betrekken bij een inclusieve dialoog met het oog op een vreedzame en duurzame oplossing voor de huidige crisis;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president van de Republiek Burundi, de voorzitter van het Burundese parlement, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS‑EU, alsmede de Afrikaanse Unie en haar instellingen.

(1) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 137.
(2) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 190.
(3) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 10.
(4) PB C 334 van 19.9.2018, blz. 146.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0305.
(6) PB L 257 van 2.10.2015, blz. 1.
(7) PB L 257 van 2.10.2015, blz. 37.
(8) PB L 264 van 30.9.2016, blz. 29.
(9) PB L 272 van 25.10.2019, blz. 147.
(10) PB L 73 van 18.3.2016, blz. 90.


Nigeria, met name de recente terreuraanslagen
PDF 134kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over Nigeria, met name de recente terreuraanslagen (2020/2503(RSP))
P9_TA(2020)0012RC-B9-0056/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Nigeria, met name de meest recente van 18 januari 2018(1),

–  gezien de verklaring van 24 december 2019 van de woordvoerder van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties over Nigeria,

–  gezien het verslag van 25 november 2019 van de speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de Europese Unie,

–  gezien de slotverklaring van 2 september 2019 van de speciale VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies bij haar bezoek aan Nigeria,

–  gezien de persverklaring van 31 juli 2019 van de VN-Veiligheidsraad over de terreurdaden in het noordoosten van Nigeria,

–  gezien de verklaring van 29 juli 2018 van de woordvoerder van de HV/VV over de terroristische aanslag van Boko Haram in Borno in het noordoosten van Nigeria,

–  gezien het hoofdstuk van het World Report 2019 van Human Rights Watch over Nigeria,

–  gezien de slotopmerkingen van 29 augustus 2019 van het Mensenrechtencomité van de VN over Nigeria, bij ontstentenis van een tweede periodiek verslag,

–  gezien de verklaring van de VN inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging,

–  gezien de EU-richtsnoeren over de bevordering en de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging van 2013,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van het Europees Parlement aan mensenrechtenverdediger Hauwa Ibrahim in 2005,

–  gezien de wereldwijde terrorisme-index voor 2019,

–  gezien de brief van de voorzitter van de Commissie ontwikkelingssamenwerking aan de HV/VV en de commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing over de beperkingen op humanitaire acties in het noordoosten van Nigeria,

–  gezien de grondwet van de Federale Republiek Nigeria en met name de bepalingen in Hoofdstuk IV over de bescherming van de godsdienstvrijheid en het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989, dat in april 1991 door Nigeria werd geratificeerd,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 1979,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de veiligheidssituatie in Nigeria de afgelopen jaren aanzienlijk slechter is geworden, wat een ernstige bedreiging vormt voor de regionale en internationale veiligheid; overwegende dat op grote schaal mensenrechten worden geschonden en massamoorden worden gepleegd, met name in het noordoosten van het land; overwegende dat er sinds 2009 in Nigeria meer dan 36 000 doden zijn gevallen door de opstand van Boko Haram;

B.  overwegende dat er al tien jaar een regionaal gewapend conflict woedt in dit land; overwegende dat met name gewelddadig extremisme en terroristische activiteiten toenemen en dat jihadistische groeperingen, zoals Boko Haram en de Islamitische Staat in de provincie West-Afrika (ISWAP), steeds meer macht en invloed krijgen; overwegende dat Boko Haram sedert 2009 met toenemende regelmaat aanvallen uitvoert op de politie en het leger, politici, scholen, religieuze gebouwen, openbare instellingen en burgers van Nigeria; overwegende dat de overgrote meerderheid van de slachtoffers moslims zijn;

C.  overwegende dat Nigeria op de derde plaats staat van de 163 landen op de wereldwijde terrorisme-index, na Irak en Afghanistan, en het daarmee het derde is in de lijst van landen die het zwaarst door terrorisme worden getroffen;

D.  overwegende dat de veiligheidssituatie slechter is geworden door een escalatie van religieus en etnisch geweld in een aantal delen van het land, onder meer het conflict in de agrarische Middle Belt-regio, waar boeren en nomadische herders een conflict hebben over land en watervoorraden;

E.  overwegende dat ISWAP momenteel naar verluidt tientallen gevangenen vasthoudt, onder meer christelijke leiders, ordestrijdkrachten en hulpverleners;

F.  overwegende dat de bevolking van Nigeria, de talrijkste van Afrika, bijna gelijkelijk verdeeld is over moslims en christenen; overwegende dat het land de grootste christelijke gemeenschap van de regio telt, met bijna 30 miljoen christenen die in het noorden van Nigeria wonen; overwegende dat de historische rivaliteit tussen het overwegend islamitische noorden en het christelijke zuiden dramatisch is toegenomen door het oprukken van de radicale islam;

G.  overwegende dat ISWAP de verantwoordelijkheid heeft opgeëist voor de executie van 11 personen in een video die op 26 december 2019 is vrijgegeven; overwegende dat de groep beweerde dat alle geëxecuteerden christenen waren en dat de aanslag een vergelding was voor de dood van IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi in Syrië;

H.  overwegende dat deze moorden deel uitmaken van een bredere reeks terroristische acties, waaronder de aanval op 24 december 2019 op een christelijk dorp bij Chibok, die geleid heeft tot de dood van zeven dorpelingen en de ontvoering van een tienermeisje, de moord op drie burgers in de buurt van Biu op 23 december 2019 en de moord op zeven burgers in Nganzai op 22 december 2019;

I.  overwegende dat volgens de Humanitarian Aid Relief Trust sinds 2015 meer dan 6 000 christenen zijn vermoord door jihadistische groeperingen of zijn omgekomen als gevolg van het “je land of je bloed”-beleid van de Fulani-militanten; overwegende dat christenen in de sharia-staten voortdurend worden gediscrimineerd en vaak als tweederangsburgers worden beschouwd;

J.  overwegende dat president Muhammadu Buhari de moorden weliswaar heeft veroordeeld en er bij de bevolking op heeft aangedrongen zich niet te laten verdelen volgens religieuze lijnen, maar dat deze aanvallen met volledige straffeloosheid zijn uitgevoerd en de daders zelden ter verantwoording worden geroepen; overwegende dat uit een rapport van Amnesty International blijkt dat er sprake is van moedwillige nalatigheid van de Nigeriaanse strijdkrachten ten aanzien van de dodelijke aanvallen op boerengemeenschappen;

K.  overwegende dat het Nigeriaanse leger volgens Human Rights Watch meer dan 3 600 kinderen vasthoudt, waarvan de helft meisjes, die verdacht worden van betrokkenheid bij islamitische en niet-statelijke gewapende groeperingen, vaak met weinig of geen bewijs; overwegende dat veel gedetineerden het slachtoffer zijn geworden van mishandeling, ook van seksueel geweld, en in gevangenschap zijn gestorven als gevolg van ziekte, honger, uitdroging of schotwonden; overwegende dat het leger systematisch weigert om toegang te verlenen tot de detentiefaciliteiten om de omstandigheden waarin de kinderen worden vastgehouden, te verifiëren;

L.  overwegende dat de situatie van meisjes en vrouwen in Nigeria bijzonder problematisch is als gevolg van veralgemeende discriminerende praktijken, beperkte toegang tot gezondheidsdiensten en onderwijs, wijdverbreide genitale verminking van vrouwen en kinderhuwelijken;

M.  overwegende dat het Internationaal Strafhof (ICC) heeft verklaard dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat Boko Haram en de Nigeriaans ordestrijdkrachten (NSF) zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 7 van het Statuut van Rome, waaronder moord en vervolging; overwegende dat het ICC in zijn verslag van 2019 over het vooronderzoek concludeert dat de Nigeriaanse autoriteiten weliswaar een aantal stappen hebben ondernomen om de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de vermeende daders vast te stellen, maar dat de onderzoeks- en vervolgingsmaatregelen die tot nu toe zijn genomen tegen leden van Boko Haram en de NSF, kennelijk zowel qua omvang als qua diepgang beperkt waren;

N.  overwegende dat sedert 2015 kritiek wordt geuit op de regering vanwege haar gebrekkige aanpak van de islamitische opstand in het hele land; overwegende dat het leger en de politie van Nigeria te maken hebben met een groot aantal veiligheidsdreigingen en dat zij kennelijk overbelast zijn en niet in staat zijn verschillende veiligheidscrises tegelijk aan te pakken;

O.  overwegende dat de multinationale gezamenlijke task force terroristische groeperingen heeft verdreven uit een groot aantal gebieden onder hun controle sinds de oprichting ervan in 2015, maar dat de regio nog altijd zeer onstabiel blijft; overwegende dat de recente terugtrekking van 1 200 Tsjadische soldaten, die samenviel met een golf van geweld in de noordoostelijke regio, tot bezorgdheid heeft geleid onder de bevolking; overwegende dat honderden omwonende Nigeriaanse burgers het gebied zijn ontvlucht uit vrees voor nieuwe aanvallen door de jihadisten na deze terugtrekking;

P.  overwegende dat de EU, de Bondsrepubliek Duitsland en de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) in oktober 2019 een project hebben opgestart voor vredes- en veiligheidsarchitectuur en -operaties (EPSAO); overwegende dat het project dient ter versterking van de mechanismen en het vermogen van de ECOWAS om conflicten te beheersen en een post-conflictomgeving in West-Afrika te ondersteunen;

Q.  overwegende dat de situatie in Nigeria een ongekende humanitaire crisis heeft veroorzaakt en heeft geleid tot de ontheemding van meer dan 2 miljoen mensen in het noordoosten, aldus het VN-Bureau voor de coördinatie van humanitaire zaken (OCHA); overwegende dat volgens Human Rights Watch de meeste binnenlandse ontheemden hun basisrechten op voedsel, huisvesting, onderwijs, gezondheid, bescherming tegen geweld alsook het recht op vrij verkeer niet kunnen uitoefenen; overwegende dat de EU 28,3 miljoen EUR heeft uitgetrokken voor de ondersteuning van humanitaire hulp in het land; overwegende dat de behoeften aan humanitaire hulp bij lange na niet worden gedekt door de huidige middelen;

R.  overwegende dat luidens het hoofdstuk van het World Report 2019 van Human Rights Watch over Nigeria in 2018 meer dan 35 000 binnenlandse ontheemden zijn teruggekeerd naar de noordoostelijke gemeenschappen, ondanks de veiligheidsrisico’s en het gebrek aan basisbehoeften, waaronder voedsel en onderdak;

S.  overwegende dat bijna de helft van de Nigeriaanse bevolking in extreme armoede leeft; overwegende dat naar schatting meer dan 7 miljoen Nigerianen dringend behoefte hebben aan levensreddende hulp;

T.  overwegende dat duizenden Nigerianen hun leven riskeren op de migratieroutes naar de EU, in de hoop in betere economische, sociale en veiligheidsomstandigheden te kunnen leven;

U.  overwegende dat de humanitaire ruimte in het land is gekrompen, met de ontvoering en het doden van verscheidene hulpverleners; overwegende dat in 2019 acht hulpverleners zijn gedood, op een totaal van 26 hulpverleners die sinds 2011 in het conflict om het leven zijn gekomen; overwegende dat veiligheidsrisico's de hulpverlening vaak belemmeren en hebben geleid tot het vertrek van vele humanitaire organisaties;

V.  overwegende dat de regering bovendien een aantal internationale hulporganisaties en liefdadigheidsinstellingen heeft geschorst, omdat zij zouden zijn opgetreden als witwassers voor islamitische groeperingen; overwegende dat de Nigeriaanse strijdkrachten in september 2019 zonder voorafgaande kennisgeving de stopzetting hebben geëist van de acties van Action Against Hunger en Mercy Corps, waardoor 400 000 mensen geen toegang meer hebben tot hulp;

W.  overwegende dat de EU ingevolge artikel 8 van de Cotonou-Overeenkomst een regelmatige politieke dialoog met Nigeria aangaat over mensenrechten en democratische beginselen, waaronder ook kwesties zoals etnische, religieuze en raciale discriminatie;

1.  betreurt de terroristische aanslagen die in het land hebben plaatsgevonden; spreekt opnieuw zijn bezorgdheid uit over de aanhoudende crisis in Nigeria en de instabiele veiligheidssituatie in het noordoosten van het land, en veroordeelt met klem de herhaalde schendingen van de mensenrechten en van het internationaal en humanitair recht, zij het op grond van religie of van etniciteit;

2.  veroordeelt met name de recente toename van het geweld tegen etnische en religieuze gemeenschappen, met inbegrip van aanvallen op religieuze instellingen en gelovigen;

3.  spreekt zijn medeleven uit met de families van de slachtoffers en betuigt zijn solidariteit met de Nigeriaanse bevolking, die al meer dan tien jaar lang te lijden heeft onder de gevolgen van het terrorisme in de regio;

4.  dringt er bij de Nigeriaanse autoriteiten op aan om de eerbiediging van de mensenrechten in het land te waarborgen en de burgerbevolking tegen terrorisme en geweld te beschermen; benadrukt dat dit moet gebeuren met volledige eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van het land;

5.  beschouwt elke vorm van uitroeiing van mensen of etnische zuivering als barbaars en een misdaad tegen de menselijkheid; verzoekt de Nigeriaanse regering met klem de onderliggende oorzaken van het geweld aan te pakken door te zorgen voor gelijke rechten voor alle burgers en door wetgeving inzake non-discriminatie vast te stellen; wijst in dit verband op de noodzaak om de interreligieuze dialoog en de vreedzame co‑existentie van burgers, ongeacht hun godsdienst, verder te bevorderen en daarbij alle relevante belanghebbenden, waaronder de Nigeriaanse interreligieuze raad, te betrekken;

6.  herinnert eraan dat vrouwen en kinderen het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen van conflicten, terrorisme en geweld in het land; betreurt het feit dat kinderen steeds vaker door terroristische groeperingen worden gerekruteerd en worden ingezet als kindsoldaten of voor zelfmoordaanslagen;

7.  is ernstig verontrust door meldingen over de slechte behandeling van kinderen die in militaire faciliteiten worden vastgehouden; verzoekt de Nigeriaanse autoriteiten om de VN toegang te verlenen tot de militaire detentiecentra, een formeel overdrachtsprotocol te ondertekenen om ervoor te zorgen dat kinderen die door het leger worden aangehouden snel worden overgedragen aan de bevoegde kinderbeschermingsautoriteiten, en een einde te maken aan de militaire detentie van kinderen; dringt erop aan dat de respons op het gebied van terrorismebestrijding en het kader voor de rechterlijke macht en de rechtshandhaving erop gericht moeten zijn de rechten van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, met inbegrip van kinderen, te beschermen;

8.  herinnert de Nigeriaanse autoriteiten aan hun verplichting om de rechten van kinderen te beschermen en de bescherming en verzorging van kinderen die getroffen zijn door terrorisme of conflicten te waarborgen, onder meer door te verzekeren dat zij toegang krijgen tot onderwijs; herinnert er voorts aan dat onderwijs en economische kansen krachtige instrumenten tegen radicalisering zijn en dringt er bij de internationale partners op aan het aanbieden van toegankelijk en kwalitatief hoogstaand onderwijs te ondersteunen als onderdeel van een strategie voor terrorismebestrijding in de regio;

9.  is ernstig bezorgd dat vrouwen in Nigeria nog steeds het slachtoffer worden van discriminatie, geweld, seksueel misbruik en verkrachting; vraagt Nigeria het Verdrag inzake de uitbanning van discriminatie van vrouwen volledig ten uitvoer te leggen; dringt erop aan dat de slachtoffers van het wijdverbreid seksueel en gendergerelateerd geweld meer steun krijgen, met inbegrip van psychologische bijstand;

10.  benadrukt dat de bestrijding van straffeloosheid van fundamenteel belang is voor de stabiliteit van het land en voor het tot stand brengen van duurzame vrede; verzoekt de Nigeriaanse autoriteiten daarom onmiddellijk grondige en transparante onderzoeken in te stellen om daders voor de rechter te brengen en ter verantwoording te roepen; dringt voorts aan op maatregelen om de capaciteit en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Nigeria te verbeteren, zodat het strafrecht kan worden ingezet als een doeltreffend middel in de strijd tegen geweld, terrorisme en corruptie;

11.  betreurt dat de vooruitgang in de strijd tegen Boko Haram en ISWAP stokt en dat het aantal en de ernst van de zelfmoordaanslagen en directe aanvallen tegen militaire posities zijn toegenomen; herinnert eraan dat de Nigeriaanse president Buhari in 2019 werd herkozen met de belofte een einde te maken aan het gewelddadige extremisme dat door Boko Haram en andere terreurgroepen wordt gepromoot, en roept de president op om zijn verkiezingsbeloften na te komen;

12.  steunt de doelstellingen van het project voor vredes- en veiligheidsarchitectuur onder de leiding van de EU en ECOWAS; moedigt de lidstaten aan om hun volle steun te geven aan dit project, teneinde bij te dragen tot de capaciteitsopbouw en conflictoplossing in West‑Afrika;

13.  bevestigt zijn steun voor de regionale multinationale gezamenlijke taskforce en prijst de inspanningen van de taskforce om terrorisme doeltreffend te bestrijden en de stabiliteit in de regio rond het Tsjaadmeer te herstellen; herinnert eraan dat terrorisme geen grenzen kent, en roept de landen in de regio op om hun inspanningen te blijven coördineren, teneinde de veiligheid in de volledige regio te waarborgen;

14.  pleit voor de verdere hervorming van de veiligheidssector in Nigeria om de capaciteit van de nationale en regionale actoren in de strijd tegen het terrorisme te versterken; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten om de technische bijstand van de EU op dit gebied voort te zetten;

15.  waarschuwt ervoor dat het conflict tussen boeren en nomadische herders niet mag worden aangegrepen om haatgevoelens op religieuze gronden te verspreiden; vraagt de Nigeriaanse regering uitvoering te geven aan het nationale plan voor de omvorming van de veestapel, dat erop gericht is de belangen van zowel landbouwers als veehouders te beschermen; meent dat verdere stappen noodzakelijk zijn, zoals het versterken van de mechanismen voor conflictbemiddeling en -beslechting, verzoening en vredesopbouw;

16.  benadrukt de onderlinge afhankelijkheid van ontwikkeling, democratie, mensenrechten, goed bestuur en veiligheid in het land; is van mening dat militair optreden alleen niet volstaat om terrorisme doeltreffend te bestrijden; verzoekt de Nigeriaanse regering een alomvattende strategie te ontwikkelen om de onderliggende oorzaken van terrorisme aan te pakken, door te kiezen voor een preventieve aanpak die als doel heeft de aantrekkingskracht van de terroristische ideologie weg te nemen, de mogelijkheden voor rekrutering en radicalisering te beperken en de financiering te stoppen, en door gemeenschapsgerichte programma’s van maatschappelijke organisaties te ondersteunen en te financieren;

17.  verzoekt de EU, de Afrikaanse Unie en de internationale gemeenschap om hun inspanningen ter ondersteuning van de strijd tegen het terrorisme in Nigeria op te voeren en hun bijstand op politiek en veiligheidsgebied in het land en in de hele regio voort te zetten;

18.  is ernstig bezorgd over de gevolgen van de veiligheidssituatie in het land voor de doeltreffendheid van de humanitaire en ontwikkelingshulp; verzoekt de EU haar inspanningen op het gebied van humanitaire en ontwikkelingshulp voort te zetten, niet alleen in Nigeria, maar in de gehele regio; is ingenomen met het bijkomend bedrag van 50 miljoen EUR dat de EU in 2019 heeft toegezegd om het herstel en de weerbaarheid in Nigeria te ondersteunen;

19.  erkent de druk die Nigeria en de buurlanden ervaren als gevolg van regionale ontheemding; dringt aan op meer steun en donorcoördinatie voor de ontheemde bevolking in Nigeria, met inbegrip van bijkomende financiële middelen van de internationale gemeenschap; herinnert eraan dat ontwikkelingsfondsen uitsluitend mogen worden gebruikt voor hun oorspronkelijke doelstelling om armoede in al haar vormen uit te roeien;

20.  veroordeelt alle aanvallen op personeel en faciliteiten van humanitaire hulporganisaties en dringt aan op maatregelen om de veiligheid van hulpverleners te verzekeren en te zorgen voor een veilige omgeving waarin hulporganisaties hun onontbeerlijke werk kunnen doen;

21.  is uitermate bezorgd over de snel toenemende klimaatverandering en de gevolgen daarvan voor het leven en de bestaansmiddelen, met name in de Middle Belt-regio; herhaalt dat er oplossingen voor de lange termijn moeten worden gevonden om de natuurlijke hulpbronnen te beschermen en de toegang tot die hulpbronnen te waarborgen; herinnert eraan dat het aanpakken van de klimaatcrisis van essentieel belang is om de economische stabiliteit en de vrede in de regio te verzekeren;

22.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president en het parlement van Nigeria, de Afrikaanse Unie, de Paritaire Parlementaire vergadering ACS-EU en het pan-Afrikaanse Parlement.

(1) PB C 458 van 19.12.2018, blz. 43.


Situatie in Venezuela na de illegale verkiezing van de voorzitter en het bureau van het nieuwe parlement (parlementaire coup)
PDF 124kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over de situatie in Venezuela na de illegale verkiezing van de voorzitter en het bureau van het nieuwe parlement (parlementaire coup) (2020/2507(RSP))
P9_TA(2020)0013RC-B9-0048/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Venezuela, met name die van 31 januari 2019(1), waarin Juan Guaidó als interim-president van Venezuela wordt erkend,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over Venezuela, met name de verklaring van 9 januari 2020 namens de EU over de jongste ontwikkelingen inzake de Nationale Vergadering, en de verklaring van zijn woordvoerder van 5 januari 2020 over de gebeurtenissen in de Nationale Vergadering van Venezuela,

–  gezien de verklaring van de Internationale Contactgroep over Venezuela van 9 januari 2020,

–  gezien Besluit (GBVB) 2019/1893 van de Raad van 11 november 2019 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2017/2074 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela(2), waarmee de gerichte beperkende maatregelen die momenteel van kracht zijn, worden verlengd tot 14 november 2020,

–  gezien de verklaring van het secretariaat-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) van 5 januari 2020 over de situatie in Venezuela, en de resolutie van de Permanente Raad van de OAS van 10 januari 2020 over de recente gebeurtenissen in Venezuela,

–  gezien de verklaring van de Groep van Lima van 5 januari 2020,

–  gezien de grondwet van Venezuela,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU, haar lidstaten en het Europees Parlement nogmaals nadrukkelijk hebben verklaard dat de Nationale Vergadering het enige legitiem en democratisch verkozen orgaan in Venezuela is; overwegende dat in artikel 194 van de Venezolaanse grondwet staat dat de Nationale Vergadering uit haar midden een Voorzitter en het bureau kiest, voor de duur van één jaar;

B.  overwegende dat Juan Guaidó in januari 2019 tot voorzitter van de Nationale Vergadering is gekozen en nadien is beëdigd als interim-president van Venezuela overeenkomstig artikel 233 van de Venezolaanse grondwet; overwegende dat hij door meer dan 50 landen, waaronder 25 EU-lidstaten, en door de EU zelf erkend is als interim-president van Venezuela;

C.  overwegende dat het illegale regime van Nicolás Maduro naar aanleiding van de geplande verkiezing van de voorzitter van de Nationale Vergadering in Venezuela op 5 januari 2020 heeft getracht een parlementaire staatsgreep te plegen, en dat er ernstige onregelmatigheden en acties tegen de democratische en constitutionele werking van de Nationale Vergadering hebben plaatsgevonden;

D.  overwegende dat strijdkrachten de voorzitter van de Nationale Vergadering, Juan Guaidó, hardhandig hebben belet de zitting voor te zitten, dat verscheidene parlementsleden de Nationale Vergadering niet mochten betreden en dat de pers de toegang tot het gebouw werd ontzegd;

E.  overwegende dat de poging om Luis Parra tot voorzitter van een nieuw pro-Maduro-bureau te benoemen nietig is, aangezien de zitting nooit officieel is geopend, de vergadering geen voorzitter had, geen telling van het quorum heeft plaatsgevonden en geen officiële hoofdelijke stemming is gehouden, zoals vereist in de artikelen 7, 8 en 11 van het reglement van orde van de Nationale Vergadering en artikel 221 van de Venezolaanse grondwet;

F.  overwegende dat uren later een overweldigende meerderheid van de parlementsleden, gedwongen door de omstandigheden, een buitengewone vergadering heeft gehouden in het hoofdkantoor van het dagblad El Nacional, overeenkomstig de Venezolaanse grondwet en het reglement van orde van de Nationale Vergadering, die toestaan dat zittingen buiten de wetgevingsgebouwen plaatsvinden; overwegende dat 100 van de 167 parlementsleden, die voldeden aan de vereisten inzake het quorum en de hoofdelijke stemming van artikel 221 van de Venezolaanse grondwet, hebben gestemd voor de herverkiezing van Juan Guaidó en zijn bureau als leiders voor het laatste jaar van de zittingsperiode 2015-2020;

G.  overwegende dat een officiële zitting van de Nationale Vergadering op 7 januari 2020 is afgesloten met de beëdiging van Juan Guaidó als voorzitter, ondanks pogingen van aanhangers van het regime van Maduro om de zitting te verhinderen, met inbegrip van het blokkeren van de ingang van het gebouw en het afsluiten van de elektriciteit in het gebouw;

H.  overwegende dat de leden van de Nationale Vergadering het parlementaire mandaat dat zij van de Venezolaanse bevolking kregen, zonder enige vorm van intimidatie of represailles moeten kunnen uitoefenen;

I.  overwegende dat bij de presidentsverkiezingen van 20 mei 2018 niet is voldaan aan de internationale minimumnormen voor een geloofwaardig verkiezingsproces; overwegende dat de EU, samen met andere regionale organisaties en democratische landen, noch die verkiezingen noch de autoriteiten die via dit onwettige proces aan de macht zijn gekomen, heeft erkend;

J.  overwegende dat de aanhoudende acties tegen de leden van de Nationale Vergadering, waaronder pesterijen en intimidatie jegens 59 leden door irreguliere groepen en veiligheidstroepen, 29 willekeurige arrestaties en 27 gedwongen ballingschappen, alsook foltering en gedwongen verdwijningen, de constitutionele werkzaamheden van de Nationale Vergadering belemmeren;

K.  overwegende dat de mensenrechtensituatie, de rechtsstaat en de democratie in Venezuela al jaren sterk aan het verslechteren zijn, in het bijzonder sinds Nicolás Maduro na de betwiste verkiezingen van 2013 aan de macht is gekomen; overwegende dat de politieke, economische, institutionele, sociale en multidimensionale humanitaire crisis in het land aanzienlijk aan het verergeren is;

1.  erkent en steunt Juan Guaidó als de rechtmatige voorzitter van de Nationale Vergadering en als de rechtmatige interim-president van de Bolivariaanse Republiek Venezuela overeenkomstig artikel 233 van de Venezolaanse grondwet, na een transparante en democratische stemming van de Nationale Vergadering;

2.  veroordeelt ten stelligste de poging tot parlementaire staatsgreep van het regime van Maduro en zijn medestanders, alsmede hun pogingen om de Nationale Vergadering – het enige rechtmatige democratische orgaan van Venezuela – te beletten het constitutionele mandaat dat haar door het Venezolaanse volk is verleend, naar behoren uit te oefenen;

3.  betreurt deze erge schendingen, die niet verenigbaar zijn met een legitiem verkiezingsproces voor de voorzitter van de Nationale Vergadering en een nieuwe stap zijn in de verslechterende crisis in Venezuela; verwerpt ten stelligste de inbreuk op het democratisch, constitutioneel en transparant functioneren van de Nationale Vergadering, alsmede de voortdurende intimidatie, chantage, afpersing, gewelddaden, foltering, gedwongen verdwijningen en willekeurige beslissingen waarvan haar leden het slachtoffer zijn;

4.  spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de Nationale Vergadering, het enige rechtmatig gekozen democratische orgaan van Venezuela, waarvan de bevoegdheden moeten worden geëerbiedigd, waaronder de prerogatieven en de veiligheid van haar leden; onderstreept dat een vreedzame en politieke oplossing slechts kan worden gevonden wanneer de constitutionele prerogatieven van de Nationale Vergadering volledig worden geëerbiedigd;

5.  herinnert eraan dat de EU bereid is om steun te bieden voor een concreet proces dat leidt tot een vreedzame en democratische oplossing voor de crisis op basis van het stappenplan dat in de Nationale Vergadering van Venezuela is vastgesteld; benadrukt dat eerdere pogingen om de crisis middels een proces van onderhandelingen en dialoog op te lossen geen tastbare resultaten hebben opgeleverd; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om zich via initiatieven als de Internationale Contactgroep te blijven inspannen;

6.  wijst andermaal op het feit dat de eerbiediging van de democratische instellingen en beginselen, en de handhaving van de rechtsstaat de essentiële voorwaarden vormen voor het vinden van een vreedzame en duurzame oplossing voor de crisis in Venezuela ten behoeve van ’s lands bevolking;

7.  dringt er bij de VV/HV op aan de inspanningen van de EU om de democratie in Venezuela te herstellen op te voeren, onder andere door de gerichte sancties tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en onderdrukking, te verlengen en deze sancties uit te breiden naar hun familieleden; ondersteunt de verklaring van de EU in dit verband;

8.  doet een beroep op de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, om het rechtmatige mandaat van president Guaidó te erkennen, en juicht toe dat de hoge vertegenwoordiger heeft verklaard dat hij de enige door de EU erkende democratische autoriteit is; vraagt daarom dat de door Juan Guaidó aangewezen politieke vertegenwoordigers worden erkend;

9.  vraagt om een onderzoeksmissie naar het land te sturen om de situatie te beoordelen;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de rechtmatige interim-president van de Republiek en voorzitter van de Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de regeringen en parlementen van de landen van de Groep van Lima, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering, en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0061.
(2) PB L 291 van 12.11.2019, blz. 42.


Lopende hoorzittingen uit hoofde van artikel 7, lid 1 van het VEU, met betrekking tot Polen en Hongarije
PDF 128kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over hoorzittingen die plaatsvinden in het kader van artikel 7, lid 1, van het VEU met betrekking tot Polen en Hongarije (2020/2513(RSP))
P9_TA(2020)0014B9-0032/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het VEU te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust(1),

–  gezien het met redenen omkleed voorstel van de Commissie van 20 december 2017 op grond van artikel 7, lid 1, van het VEU inzake de rechtsstaat in Polen: voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat (COM(2017)0835),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over het besluit van de Commissie om de procedure van artikel 7, lid 1, van het VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen(2),

–  gezien zijn resolutie van 14 november 2019 over de criminalisering van seksuele voorlichting in Polen(3),

–  gezien zijn resolutie van 18 december 2019 over openbare discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van LGBTI-personen, zoals LGBTI-vrije zones(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(6),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten(7),

–  gezien de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

–  gezien de standaardregelingen voor hoorzittingen bedoeld in artikel 7, lid 1, van het VEU, die op 18 juli 2019 door de Raad zijn goedgekeurd,

–  gezien de op 20 december 2019 door de Poolse Sejm aangenomen wet waarmee een reeks amendementen werd ingevoerd op de wet inzake gewone rechtbanken, de wet inzake het Hooggerechtshof en bepaalde andere wetten, gezien het verzoek van de Poolse Senaat aan de Commissie van Venetië om een dringend advies over deze wet uit te brengen,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Unie berust op de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, als vastgelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en als weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en ingebed in internationale mensenrechtenverdragen; overwegende dat deze waarden, die de lidstaten gemeen hebben en die zij vrijelijk hebben onderschreven, het fundament vormen van de rechten die allen die in de Unie wonen genieten;

B.  overwegende dat het bestaan van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 VEU verankerde waarden door een lidstaat niet alleen gevolgen heeft voor de lidstaat waar dit gevaar zich voordoet, maar ook gevolgen heeft voor de andere lidstaten, voor het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, voor de Unie in haar geheel en voor de rechten van haar burgers krachtens het Unierecht;

C.  overwegende dat artikel 7, lid 1, van het VEU voorziet in een preventieve fase, waarin de Unie de mogelijkheid heeft om in te grijpen in het geval van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de gemeenschappelijke waarden; overwegende dat er in deze preventieve fase een dialoog met de betrokken lidstaat moet worden aangegaan, om het opleggen van sancties te voorkomen;

D.  overwegende dat artikel 7, lid 1, van het VEU in werking is gesteld door de Commissie en het Parlement in verband met Polen resp. Hongarije op grond van de constatering dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van de waarden waarop de Unie berust;

E.  overwegende dat de Raad tot dusver drie hoorzittingen over Polen en twee hoorzittingen over Hongarije heeft georganiseerd binnen het kader van de Raad Algemene Zaken;

F.  overwegende dat het Finse voorzitterschap op 11 december 2019 heeft verzocht om een schriftelijke toelichting over een vermeende schending door een overheidsfunctionaris van de Hongaarse delegatie van artikel 339 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 6, lid 1, van het reglement van orde van de Raad over de vertrouwelijkheid van de vergaderingen;

1.  neemt kennis van de door de Raad georganiseerde hoorzittingen in het kader van artikel 7, lid 1, van het VEU als reactie op bedreigingen voor de gemeenschappelijke Europese waarden in Polen en Hongarije; stelt met bezorgdheid vast dat de hoorzittingen niet op regelmatige, gestructureerde en open wijze zijn georganiseerd; dringt er bij het Kroatische voorzitterschap en volgende voorzitterschappen op aan de hoorzittingen regelmatig te organiseren; onderstreept dat hoorzittingen objectief, op feiten gebaseerd en transparant moeten zijn en dat de betrokken lidstaten gedurende het hele proces te goeder trouw moeten samenwerken in overeenstemming met het in artikel 4, lid 3, van het VEU verankerde beginsel van loyale samenwerking; beveelt de Raad aan om als follow-up van de hoorzittingen concrete aanbevelingen te doen aan de betrokken lidstaten, zoals vastgelegd in artikel 7, lid 1, van het VEU, en termijnen voor de uitvoering van die aanbevelingen aan te geven; wijst erop dat het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten slechts kan worden hersteld zodra de eerbiediging van de in artikel 2 van het VEU verankerde waarden wordt gewaarborgd, en verzoekt de Raad in die richting op te treden; verzoekt de lidstaten de voorrang van het EU-recht te eerbiedigen;

2.  vindt het zeer zorgwekkend dat in de standaardregelingen voor hoorzittingen als bedoeld in artikel 7, lid 1, van het VEU niet is gewaarborgd dat het Parlement een gelijke behandeling moet krijgen als de Commissie en een derde van de lidstaten met het oog op de indiening van het met redenen omklede voorstel; herinnert eraan dat artikel 7, lid 1, van het VEU voorziet in gelijke rechten en een gelijke procedurele status voor een derde van de lidstaten, het Parlement en de Commissie met betrekking tot het inleiden van de procedure; is ingenomen met de inspanningen van het Finse voorzitterschap om een informele dialoog aan te gaan met het Parlement, maar is wel van mening dat een informele dialoog niet in de plaats kan komen van de formele toelichting van het met redenen omklede voorstel in de Raad; dringt erop aan dat de uitnodiging van het Parlement voor een formele zitting van de Raad nog steeds verstuurd moet worden op basis van het initiatiefrecht en het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen zoals vastgelegd in artikel 4, lid 3, van het VEU; herhaalt zijn verzoek aan de Raad om het Parlement in elk stadium van de procedure onmiddellijk en volledig op de hoogte te houden;

3.  uit zijn teleurstelling dat de hoorzittingen nog niet hebben geleid tot aanzienlijke vooruitgang van de twee betrokken lidstaten bij het wegnemen van de duidelijke gevaren voor een ernstige schending van de in artikel 2 van het VEU bedoelde waarden; stelt met bezorgdheid vast dat uit de verslagen en verklaringen van de Commissie en internationale organisaties, zoals de VN, de OVSE en de Raad van Europa blijkt dat de situatie in zowel Polen als Hongarije is verslechterd artikel 7, lid 1, van het VEU in stelling is gebracht; wijst erop dat het verzuim van de Raad om artikel 7 van het VEU doeltreffend in te zetten de integriteit van de gemeenschappelijke Europese waarden, het wederzijds vertrouwen en de geloofwaardigheid van de Unie als geheel blijft ondermijnen; herhaalt zijn standpunt over het besluit van de Commissie om artikel 7, lid 1, van het VEU in werking te stellen in verband met de situatie in Polen, en over zijn eigen voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het VEU te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust; verzoekt de Raad daarom erop toe te zien dat er bij hoorzittingen in het kader van artikel 7, lid 1, van het VEU ook rekening wordt gehouden met nieuwe ontwikkelingen en dat er een beoordeling plaatsvindt van de gevaren voor inbreuken op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van mediavrijheid, vrijheid van kunsten en wetenschappen, de vrijheid van vereniging en het recht op gelijke behandeling; verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van de beschikbare instrumenten om een duidelijk gevaar voor een ernstige schending door Polen en Hongarije van de waarden waarop de Unie berust, te ondervangen, met name versnelde inbreukprocedures en verzoeken in kortgedingprocedures bij het Hof van Justitie;

4.  stelt vast dat het met redenen omklede voorstel van de Commissie betreffende de rechtsstaat in Polen een beperkte reikwijdte heeft; verzoekt de Raad te onderzoeken hoe de vermeende schendingen van de grondrechten in Polen kunnen worden aangepakt in het kader van de lopende hoorzittingen;

5.  is van mening dat de laatste ontwikkelingen in de hoorzittingen die momenteel plaatsvinden in het kader van artikel 7, lid 1, van het VEU nogmaals de dringende noodzaak onderstrepen van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (DRG) zoals voorgesteld door het Parlement, in de vorm van een interinstitutioneel akkoord, bestaande uit een jaarlijkse onafhankelijke, op feiten gebaseerde en niet-discriminerende evaluatie waarin alle EU-lidstaten op voet van gelijkheid worden beoordeeld op de naleving van de in artikel 2 van het VEU vastgelegde waarden, met landenspecifieke aanbevelingen die worden gevolgd door een interparlementair debat, en een permanente DRG-beleidscyclus binnen de EU-instellingen; verzoekt de Commissie en de Raad in dit verband onverwijld in onderhandeling te treden met het Parlement over het interinstitutioneel akkoord overeenkomstig artikel 295 van het VWEU; herhaalt dat het mechanisme de lopende en toekomstige procedures in het kader van artikel 7 van het VEU moet aanvullen en versterken in plaats van vervangen;

6.  herhaalt zijn standpunt over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, en verzoekt de Raad zo snel mogelijk interinstitutionele onderhandelingen te openen;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, aan de president, de regering en het parlement van Polen resp. Hongarije, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 66.
(2) PB C 129 van 5.4.2019, blz. 13.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0058.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0101.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.
(6) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0349.


COP15 bij het Biodiversiteitsverdrag (Kunming 2020)
PDF 182kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15) (2019/2824(RSP))
P9_TA(2020)0015B9-0035/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU en zijn resolutie van 2 februari 2016 over de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie(2),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de 14e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP14)(3),

–  gezien het verslag van de Commissie van 20 mei 2015 getiteld “De stand van de natuur in de Europese Unie: Verslag over de staat van en trends voor typen habitats en soorten die onder de habitat- en de vogelrichtlijn vallen, in de periode 2007-2012, zoals vereist krachtens artikel 17 van de habitatrichtlijn en artikel 12 van de vogelrichtlijn” (COM(2015)0219),

–  gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu(4) (kaderrichtlijn mariene strategie),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(5) (kaderrichtlijn water),

–  gezien het mondiaal verslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het IPBES van 31 mei 2019,

–  gezien de Rode Lijst van bedreigde soorten van de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen,

–  gezien het Handvest van Metz voor biodiversiteit van 6 mei 2019,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) van de Verenigde Naties en de discussienota van de Commissie van 30 januari 2019 met de titel “Naar een duurzaam Europa in 2030” (COM(2019)0022),

–  gezien de speciale verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over klimaatverandering, woestijnvorming, bodemdegradatie, duurzaam bodembeheer, voedselzekerheid en broeikasgasstromen in terrestrische ecosystemen, het speciaal IPCC-verslag van 25 september 2019 over de oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat en het speciaal IPCC-verslag over de opwarming van de aarde met 1,5° C, het vijfde evaluatierapport (AR5) en het samenvattend verslag van september 2018,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 juli 2019 met de titel “Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren” (COM(2019)0352) en de mededeling van de Commissie van 20 september 2013 met de titel “ Een nieuwe EU‑bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector” (COM(2013)0659),

–  gezien het verslag van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties van 2019 over de stand van de biodiversiteit voor voedsel en landbouw in de wereld,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten in de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN in New York op 15 oktober 2019,

–  gezien de Oproep van Beijing inzake het behoud van de biodiversiteit en klimaatverandering van 6 november 2019,

–  gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap van 4 december 2019 getiteld “Het milieu in Europa: toestand en vooruitzichten 2020” (SOER 2020),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien de vragen aan de Commissie en de Raad over de COP15 bij het Verdrag inzake biologische diversiteit die in oktober 2020 zal plaatsvinden in Kunming, China (O‑000044/2019 en O-000043/2019),

A.  overwegende dat de verklaarde doelstelling van het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020 is “doeltreffende en urgente actie te ondernemen om het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen, teneinde ervoor te zorgen dat de ecosystemen uiterlijk in 2020 veerkrachtig zijn en essentiële diensten blijven bewijzen, en op die manier de diversiteit van het leven op onze planeet te vrijwaren en te behouden, en bij te dragen tot menselijk welzijn en het uitbannen van armoede”;

B.  overwegende dat de Visie voor biodiversiteit 2050 (hierna “Visie 2050”), die werd aangenomen in het kader van het Verdrag inzake de biologische diversiteit (VBD), “in harmonie met de natuur leven” inhoudt, zodat “biodiversiteit tegen 2050 wordt gewaardeerd, behouden, hersteld en verstandig wordt gebruikt, door ecosysteemdiensten te handhaven, een gezonde planeet in stand te houden en te laten profiteren van voordelen die essentieel zijn voor alle mensen” en voor de volgende generaties;

C.  overwegende dat de in het kader van het VBD aangenomen Visie 2050 wordt ondersteund door vijf algemene doelstellingen die ook ten grondslag liggen aan de Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen voor 2020: a) aanpak van de achterliggende oorzaken van het verlies van biodiversiteit door overheid en samenleving van biodiversiteit bewust te maken; b) vermindering van de directe druk op biodiversiteit en stimuleren van duurzaam gebruik; c) de status van de biodiversiteit verbeteren door ecosystemen, soorten en genetische diversiteit te beschermen; d) de baten van biodiversiteit en ecosysteemdiensten voor iedereen vergroten; en e) de tenuitvoerlegging versterken door participatieplanning, kennismanagement en capaciteitsopbouw;

D.  overwegende dat, zoals naar voren is gebracht in het mondiaal verslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het IPBES, de huidige negatieve trends in biodiversiteit en ecosystemen de vooruitgang naar 80 % van de vastgelegde streefcijfers van de SDG’s in verband met armoede, honger, gezondheid, water, steden, klimaat, oceanen en land zullen tegenwerken; overwegende dat dit volgens de prognoses vooral de inheemse volkeren en veel van de armste gemeenschappen op aarde het zwaarst zal treffen; overwegende dat het verlies en de aftakeling van de biodiversiteit daarom niet alleen moeten worden beschouwd als milieuproblemen maar ook als problemen op het gebied van ontwikkeling en economie en als sociale en ethische problemen;

E.  overwegende dat het massale gebruik van breedwerkende systemische herbiciden zoals glyfosaat rechtstreeks verantwoordelijk is voor het massale verlies van biodiversiteit;

F.  overwegende dat er volgens de IPCC en het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten geen duurzame oplossingen voor de klimaatverandering bestaan zonder een ruimere toepassing van samenhangende en doeltreffende natuurlijke oplossingen;

G.  overwegende dat klimaatverandering wordt erkend als de drijvende kracht achter de toename van extreme weersomstandigheden die wereldwijd natuurrampen veroorzaken, met inbegrip van bosbranden;

H.  overwegende dat het Protocol van Nagoya inzake toegang en verdeling van voordelen voorziet in een transparant wettelijk kader voor de eerlijke en billijke verdeling van voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische hulpbronnen en aanverwante traditionele kennis;

I.  overwegende dat de EU-biodiversiteitsstrategie 2020 erop gericht is het verlies van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de EU tegen te gaan en het biodiversiteitsverlies wereldwijd tegen 2020 een halt toe te roepen;

J.  overwegende dat de EU en de lidstaten de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de bijbehorende 17 SDG’s hebben goedgekeurd en dat zij zich volledig zullen inzetten voor de uitvoering ervan;

K.  overwegende dat uit de politieke richtsnoeren van de Europese Commissie 2019-2024 de ambitie spreekt om de Europese Unie de handen in elkaar te laten slaan met haar mondiale partners en de komende vijf jaar gezamenlijk het biodiversiteitsverlies tegen te gaan;

L.  overwegende dat bossen onontbeerlijk zijn voor het voortbestaan van de aarde en dat zij 80 % van de biodiversiteit huisvesten hoewel zij slechts 30 % van de landoppervlakte beslaan;

M.  overwegende dat habitats en soorten bedreigd worden door de klimaatverandering, zoals blijkt uit het afsterven van het grootste deel van het “Great Barrier Reef” in Australië, en door extreme weersomstandigheden zoals de enorme bosbranden in Australië, waarbij meer dan een miljard dieren zijn gedood; overwegende dat natuurbehoud en het stoppen van biodiversiteitsverlies van cruciaal belang zijn voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering;

N.  overwegende dat vier van de negen planetaire grenzen, zoals gedefinieerd door het Stockholm Resilience Centre, zijn overschreden;

Algemene opmerkingen

1.  constateert met bezorgdheid dat in het mondiaal verslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het IPBES duidelijk wordt gewezen op de omvang van de ecologische crisis en de noodzaak van dringende en gecoördineerde inspanningen ter bevordering van transformatieve verandering, aangezien de natuur wereldwijd in een ongekend tempo aftakelt en de biodiversiteit steeds sneller afneemt en ongeveer een miljoen dier- en plantensoorten met uitsterven bedreigd zijn, met ernstige gevolgen voor mensen wereldwijd, ook voor de volgende generaties;

2.  maakt zich ernstig zorgen over de bijkomende druk op de biodiversiteit ten gevolge van de klimaatverandering op het land, zoals is besproken in het speciaal IPCC-verslag van 8 augustus 2019; maakt zich ernstig zorgen over de achteruitgang van zeezoogdieren en andere visbestanden en de dramatische verdwijning van koraalriffen, zoals is beschreven in het speciaal IPCC-verslag van 24 september 2019, waarvan naar verwachting meer dan 99 % in een 2° C-scenario nog verder zullen achteruitgaan volgens het speciaal IPCC-verslag over de opwarming van de aarde met 1,5° C;

3.  maakt zich na de publicatie van het IPCC-verslag over de oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat ernstig zorgen, aangezien de klimaatverandering hierin wordt erkend als een van de belangrijkste directe oorzaken van het verlies van biodiversiteit, en onderstreept dat de negatieve gevolgen ervan voor de natuur en biodiversiteit, ecosysteemdiensten, oceanen en voedselzekerheid volgens de prognoses in de komende decennia steeds ernstiger zullen worden; vestigt de aandacht op de waarschuwing van de IPCC dat de gezondheid van de ecosystemen in de oceanen en zeeën momenteel lijdt onder de opwarming van de aarde, vervuiling, overexploitatie van de mariene biodiversiteit, stijgende zeeniveaus, verzuring, zuurstofverlies, mariene hittegolven, het nooit eerder geziene afsmelten van gletsjers en zee-ijs, kusterosie en vaker voorkomende natuurrampen, die de ecosystemen van zeeën en kustgebieden aantasten doordat ze ingrijpen op hun werking en de achteruitgang van zeezoogdieren en visbestanden versnellen, alsook de verdwijning van koraalriffen en mangroves sterk in de hand werken; herinnert eraan dat de oceaan deel uitmaakt van de oplossing voor het beperken van en aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering; vraagt daarom aan de EU om van de oceaan een van de prioriteiten van de biodiversiteitsstrategie te maken en verzoekt alle partijen bij het VBD (hierna “partijen”) om de oceaan te erkennen als gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid, teneinde een nieuwe aanpak te ontwikkelen die individuele en collectieve verantwoordelijkheden veel hoger plaatst dan de traditionele beginselen van vrijheid en eigendom van de oceaan om het behoud ervan te garanderen;

4.  is van mening dat we worden geconfronteerd met een ecologische noodtoestand, die ingrijpende maatregelen vereist, zowel op EU-niveau als wereldwijd; verzoekt de Commissie om natuurbescherming en -herstel, samen met klimaatverandering, te beschouwen als topprioriteiten voor de Europese Green Deal;

5.  merkt met bezorgdheid op dat de Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen voor 2020 niet gehaald zullen worden met de huidige ontwikkeling van het biodiversiteitsverlies, en verzoekt alle partijen opnieuw dringend hun inspanningen te verhogen; betreurt dat de EU niet op koers ligt om haar kerndoel wat betreft het tot staan brengen van het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosystemen tegen 2020 te halen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan zich te committeren aan onmiddellijke, substantiële en dwingende bijkomende inspanningen om de biodiversiteit te behouden en te herstellen en zo de mondiale en EU-doelstellingen te halen en bij te dragen tot het realiseren van de Aichi-doelstellingen;

6.  brengt in herinnering dat biodiversiteit en gezonde ecosystemen, onder meer de oceanen, die meer dan 25 % van de CO2-emissies absorberen en de belangrijkste zuurstofleveranciers zijn, van essentieel belang zijn voor het behalen van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en voor het versterken van de weerbaarheid en het aanpassingsvermogen van de EU ten aanzien van de klimaatverandering; betreurt dat slechts 7 % van de oceanen formele bescherming geniet; herinnert eraan hoe belangrijk het is natuurlijke oplossingen te ontwikkelen en toe te passen voor het behoud van de biodiversiteit en de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, met name wat de opname van koolstof betreft; vraagt daarom om de samenhang en de synergie tussen de drie verdragen van Rio(6) te verbeteren en deze beter af te stemmen op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN; verzoekt de Commissie om biodiversiteit volledig te integreren in haar klimaatbeleid;

7.  is ingenomen met de Oproep van Beijing inzake het behoud van de biodiversiteit en klimaatverandering van 6 november 2019;

8.  beklemtoont dat een afruil tussen de bescherming van het klimaat en de bescherming van de biodiversiteit altijd moet worden vermeden, met name in de sector van de bio-economie, die een centrale rol kan vervullen in de transitie naar een klimaatneutrale economie op voorwaarde dat de kwaliteit van de ecosystemen er niet door wordt bedreigd; merkt met bezorgdheid op dat deze afruil onvoldoende ter sprake is gekomen in recente beleidsdiscussies; verzoekt de Commissie en alle belanghebbenden om een samenhangende aanpak te ontwikkelen om een werkelijk duurzame bio-economie op te bouwen op basis van natuurbehoud en andere op ecosystemen gebaseerde oplossingen, aangezien een dergelijke benadering de beste resultaten oplevert voor zowel het klimaat als de biodiversiteit;

9.  benadrukt dat biodiversiteit niet alleen onmisbaar is voor de productie van voedsel, brandstof en geneesmiddelen, maar – samen met een gezonde natuurlijke omgeving – ook belangrijk is voor de economische ontwikkeling op lange termijn;

10.  is ingenomen met de toezeggingen die Ursula von der Leyen in de politieke richtsnoeren voor de Europese Commissie 2019-2024 en in haar opdrachtbrief aan de commissaris voor Milieu en Oceanen van 10 september 2019 heeft gedaan om binnen de 100 eerste werkdagen van de nieuwe Commissie een ambitieuze biodiversiteitsstrategie voor 2030 te presenteren als onderdeel van een Europese Green Deal; is eveneens verheugd over haar intentie om de EU, zoals bij de klimaatconferentie van Parijs in 2015 het geval was, het voortouw te laten nemen bij de Conferentie van de partijen bij het VBD 2020; dringt erop aan om hiervan een hoge prioriteit te maken voor de nieuwe Commissie en vraagt met aandrang dat de EU de mondiale ambitie op het gebied van biodiversiteit in de aanloop naar de COP15 stimuleert; verzoekt de Commissie om in het licht van de mondiale biodiversiteitscrisis die in het recente IPBES-verslag naar voren is gebracht, te kiezen voor een nieuwe aanpak waarbij minder wordt ingezet op vrijwillige toezeggingen en een ambitieuze en ruime biodiversiteitsstrategie voor 2030 voor te stellen waarin wettelijk bindende streefcijfers worden vastgesteld voor de EU en haar lidstaten, met inbegrip van specifieke doelstellingen op het niveau van de Unie tegen 2030 ten minste 30 % van het land en de mariene gebieden te beschermen en ten minste 30 % van de aangetaste ecosystemen te herstellen;

11.  is van mening dat in deze nieuwe strategie de aandacht in het bijzonder moet gaan naar het herstel van ecosystemen, habitats en soorten, met name via onderzoek en innovatie om de verspreiding van op de natuur gebaseerde economieën in alle sectoren te bevorderen, hetgeen een belangrijk instrument is om de biodiversiteitsdoelstellingen te halen;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij de COP15 te pleiten voor de vaststelling van bepalingen inzake horizonverkenning, technologische evaluatie en het toezicht op nieuwe technologische ontwikkelingen, met inbegrip van ontwikkelingen in de synthetische biologie;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij de COP15 aan te dringen op een wereldwijd verbod op de introductie van organismen voor genaandrijving in de natuur, met inbegrip van veldproeven, om te voorkomen dat deze nieuwe technologieën vroegtijdig worden vrijgegeven en om het voorzorgsbeginsel dat in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in het VBD is verankerd, te handhaven;

14.  onderstreept dat de bescherming en het behoud van de mondiale biodiversiteit een essentiële uitdaging is en een strategisch EU-belang dat hoog op de politieke agenda moet staan; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om met name via hun instrumenten voor extern optreden, zoals het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI), actief samen te werken met derde landen om beleidsmaatregelen te bevorderen en streefcijfers vast te leggen voor de bescherming en het behoud en herstel van biodiversiteit, met name in alle multilaterale en handelsovereenkomsten, en om maatregelen vast te stellen tegen niet-naleving; verzoekt de Commissie bijgevolg om bindende en afdwingbare hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling op te nemen in alle toekomstige handelsovereenkomsten;

15.  herinnert aan zijn standpunt dat 45 % van de middelen van het NDICI moet worden toegewezen aan investeringen die bijdragen tot de klimaatdoelstellingen, milieubeheer en -bescherming, biodiversiteit en de strijd tegen woestijnvorming;

16.  benadrukt dat er een allesomvattende meerlagige governanceaanpak moet komen waarin de bescherming, het behoud, het herstel en het duurzaam gebruik van biodiversiteit en ecosysteemdiensten wordt gestimuleerd; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan zich te blijven inzetten voor verdere aanscherping van het VBD en het voortouw te nemen bij de voorbereiding van het kader na 2020, met name in de aanloop naar de COP15, zich vast te leggen op een biodiversiteitsequivalent van de 1,5º C-doelstelling van de Klimaatovereenkomst van Parijs en hun visies en prioriteiten voor het mondiale biodiversiteitskader na 2020 op transparante wijze uiteen te zetten;

17.  herinnert eraan dat biodiversiteit en behoud van ecosystemen inherent synergetisch zijn en van essentieel belang voor de verwezenlijking van de SDG’s; verzoekt de Commissie en de lidstaten natuur en biodiversiteit op de kaart te zetten met biodiversiteitsdoelstellingen in alle sectoren, het economische model te richten op grotere duurzaamheid en het aanpakken van de voetafdruk van de EU, en te zorgen voor een verbeterde samenhang van milieumaatregelen in al het interne en externe beleid van de EU, onder meer in landbouw, visserij, hernieuwbare energie, vervoer, handel en het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027; is van mening dat meer doorgedreven samenwerking over alle sectoren heen noodzakelijk is voor een betere integratie van de bescherming en het behoud en herstel van de biodiversiteit; beklemtoont dat de aandacht in het bijzonder moet gaan naar de levenscyclus van goederen van ontwerp tot verbruik om de natuurlijke hulpbronnen en de biodiversiteit te beschermen, en dat rekening moet worden gehouden met de cumulatieve effecten, onder meer de gevolgen van het vervoer;

18.  acht het van essentieel belang om de belangrijkste oorzaken van biodiversiteitsverlies aan te pakken met een strategische langetermijnbenadering en om met spoed de meest kritieke en strategische hotspots voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten en ecosystemen van hoge integriteit aan te duiden en te beschermen, op basis van de gevoeligheid van een gebied, de aanwezigheid van bedreigde soorten, kenniskloven en/of doeltreffend beheer en de aanwezigheid van veelvoorkomende soorten die van fundamenteel belang zijn voor ecologische processen, en om paal en perk te stellen aan het biodiversiteitsverlies en de negatieve gevolgen voor het grondgebied en het bestaan van inheemse en lokale gemeenschappen;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten er bij de COP15 op aan te dringen dat inheemse volkeren en lokale gemeenschappen worden geraadpleegd en hun vrije, voorafgaande en geïnformeerde instemming verlenen alvorens gebruik wordt gemaakt van technologieën die van invloed kunnen zijn op hun traditionele kennis, innovatie, praktijken, bestaansmiddelen en gebruik van grond, hulpbronnen en water; benadrukt dat dit op een participatieve manier moet gebeuren, en dat nieuwe technologieën niet mogen worden ingezet zonder de betrokkenheid van alle potentieel getroffen gemeenschappen;

20.  herhaalt dat herstel, ondanks het belang ervan, nog steeds vrijwel genegeerd wordt door de lidstaten in de context van de uitdaging van Bonn;

21.  beklemtoont dat de klimaatcrisis en de gevolgen van massaal biodiversiteitsverlies ernstige bedreigingen vormen voor de mensenrechten; wijst erop dat fundamentele mensenrechten zoals het recht op leven, gezondheid, voedsel en veilig drinkwater in gevaar komen als het milieu niet gezond is; verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden te werken aan een EU- strategie ter bescherming van het recht op een gezond milieu door nauw samen te werken met derde landen en internationale organisaties zoals het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens (OHCHR) dat onlangs met het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) een gezamenlijke strategie heeft gelanceerd;

Tenuitvoerlegging van het Verdrag en het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020

22.  is ingenomen met het op de COP14 in Egypte genomen besluit om de partijen er onder meer toe aan te sporen grotere inspanningen te leveren voor de uitvoering van het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020 en te overwegen nationale evaluaties te verrichten van biodiversiteit en ecosysteemfuncties en -diensten; acht het van het uiterste belang de inspanningen voor de uitvoering van het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020 te verhogen, te focussen op de verwezenlijking van de Aichi‑biodiversiteitsdoelstellingen en het Protocol van Nagoya inzake toegang en verdeling van voordelen, en te werken aan een ambitieus strategisch plannings- en tenuitvoerleggingsmechanisme voor de periode na 2020, dat formeel de lokale en regionale autoriteiten omvat, en met betrekking tot een 2050-scenario rekening te houden met de nieuwe uitdagingen op het gebied van biodiversiteit in lijn met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

23.  merkt met bezorgdheid op dat uit de beoordelingen(7) van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen blijkt dat in de EU slechts 7 % van mariene soorten en 9 % van mariene habitattypen een “gunstige staat van instandhouding” heeft en dat 27 % van de soorten en 66 % van de habitattypen een “ongunstige staat van instandhouding” heeft; benadrukt bovendien dat volgens dezelfde beoordelingen 48 % van de mariene dier- en plantensoorten met bekende populatietrends tijdens het laatste decennium gestaag afneemt, en dat het risico op uitsterven van de gevolgde soorten derhalve toeneemt;

Mondiaal biodiversiteitskader voor de periode na 2020

24.  is verheugd over de vooruitgang die op de COP14 is geboekt met betrekking tot een breed en participatief proces om een mondiaal biodiversiteitskader te ontwikkelen voor de periode na 2020; is voorstander van het door de G7 aangenomen Handvest van Metz voor biodiversiteit;

25.  benadrukt dat het ambitieniveau, de inclusiviteit en de doeltreffendheid van het mondiaal biodiversiteitskader voor de periode na 2020 moeten worden opgeschroefd; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de uitvoeringsmechanismen van het VBD te versterken en zich actief in te zetten voor de ontwikkeling van wettelijk bindende doelstellingen, gedetailleerde tijdschema’s, duidelijke prestatie-indicatoren, meetinstrumenten en peer review/rapportage-regelingen op basis van gemeenschappelijke normen, idealiter in samenwerking met lokale en regionale overheden, om de volledige transparantie en de verantwoordingsplicht van de partijen bij het verdrag, alsook de algehele doeltreffendheid van het volgende biodiversiteitsstrategieplan te verzekeren;

26.  benadrukt dat er een sterker internationaal kader nodig is in de vorm van een mondiale wettelijk bindende overeenkomst om de mondiale biodiversiteit te beschermen, de huidige achteruitgang tegen te gaan en alle aspecten van biodiversiteit te herstellen; is van oordeel dat een dergelijk kader gebaseerd moet zijn op specifieke, meetbare, kwantificeerbare, ambitieuze, realistische en tijdgebonden doelstellingen en harde toezeggingen, waaronder versterkte nationale biodiversiteitsstrategieën en actieplannen en andere passende instrumenten zoals subnationale actieplannen, financiële toezeggingen en verbeterde capaciteitsopbouwgaranties, alsmede een vijfjarig controle- en herzieningsmechanisme, met de nadruk op een stijgend ambitieniveau; onderstreept dat regelmatige verslaglegging door de partijen en een geharmoniseerde verzameling en verwerking van vergelijkbare en consistente gegevens en indicatoren noodzakelijk zijn voor een goede controleprocedure;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om ervoor te pleiten dat het voorzorgsbeginsel, een op rechten gebaseerde benadering en horizonverkenning, technologische evaluatie en toezicht op de invoering van nieuwe technologieën als belangrijke pijlers in het mondiale biodiversiteitskader na 2020 worden opgenomen;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de vaststelling van een nieuwe algemene doelstelling te bevorderen, teneinde vanaf 2030 het biodiversiteitsverlies wereldwijd om te buigen, het herstel van de natuur op gang te brengen in het belang van iedereen, en bij te dragen tot de bescherming van de biodiversiteit, de matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, de bestrijding van woestijnvorming en bodemaantasting, alsook tot de voedselzekerheid; vraagt de EU om tijdens de onderhandelingen te ijveren voor een hoger ambitieniveau en er mogelijk toe op te roepen om tegen 2050 de helft van de planeet te beschermen; is van mening dat een duidelijke mondiale instandhoudingsdoelstelling voor 2030 van ten minste 30 % natuurgebieden en de doelstelling om ten minsten 30 % van de aangetaste ecosystemen die kunnen worden hersteld ook daadwerkelijk te herstellen, moeten worden verankerd in het kader na 2020, en dat de EU ook intern soortgelijke doelstellingen moet vastleggen;

29.  onderstreept dat internationale inspanningen en overeenkomsten slechts zullen worden nageleefd als alle belanghebbenden er actief bij worden betrokken; pleit voor het tot stand brengen van een coalitie van belanghebbenden, zowel uit de particuliere als uit de openbare sector, om het mondiaal biodiversiteitskader voor de periode na 2020 te verwezenlijken; wijst erop dat de oplossingenagenda die werd ontwikkeld in het kader van de Overeenkomst van Parijs nuttig kan zijn voor het vaststellen van een positieve agenda voor alle belanghebbenden bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, en vraagt om soortgelijke maatregelen op te nemen in het kader na 2020;

30.  benadrukt dat het belangrijk is om de termijnen tussen de goedkeuring van het mondiale biodiversiteitskader voor de periode na 2020 en de omzetting ervan in nationale biodiversiteitsdoelstellingen en subnationale actieplannen zoveel mogelijk te bekorten, om te voorkomen dat de vaststelling van concrete maatregelen om verlies van biodiversiteit tegen te gaan vertraging oploopt;

EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030

31.  dringt er bij de Commissie op aan een strategie te ontwikkelen waarin de belangrijkste oorzaken van biodiversiteitsverlies, zowel binnen de EU als wereldwijd, worden aangepakt;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de samenhang te garanderen tussen het “van boer tot bord”-initiatief en de ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen enerzijds, en het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2020 anderzijds, en met name het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen;

33.  vraagt de Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB) om in hun financiële instrumenten onderdelen op te nemen waarmee de gevolgen voor de biodiversiteit kunnen worden getoetst, teneinde negatieve gevolgen voor de biodiversiteit te voorkomen; verzoekt de EIB haar sociale en milieunormen te actualiseren in overeenstemming met de bepalingen van de biodiversiteitsstrategie voor 2030;

34.  pleit voor een EU-breed wettelijk bindend streefcijfer voor het herstel van aangetaste habitats tegen 2030, aan de hand van het herstel van natuurlijke bossen, veengebieden, overstromingsgebieden, watergebieden, graslanden met een rijke biodiversiteit, kust- en zeegebieden; betreurt dat de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 de doelstelling om 15 % van de aangetaste ecosystemen te herstellen niet heeft gehaald;

35.  dringt er bij de Commissie en de EIB op aan om in hun extern optreden, met name in hun extern financiële instrumenten, een toetsing van de gevolgen voor de biodiversiteit op te nemen teneinde te garanderen dat EU-middelen of -financieringsplannen in geen geval bijdragen aan nettoverlies van de biodiversiteit;

36.  is van mening dat de mondiale ambitie van de EU moet stroken met haar binnenlandse optreden in het kader van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030;

37.  verzoekt de Commissie de beperking van de mondiale voetafdruk van de EU als een belangrijk aandachtspunt op te nemen in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 om te zorgen voor samenhang tussen haar binnenlandse en haar internationale optreden;

Economische overwegingen en financiering

38.  staat positief tegenover de overeenkomst die op de COP14 door 196 regeringen is bereikt om in de aanloop naar en ook na 2020 meer te investeren in mensen en de natuur; benadrukt dat economische groei duurzame ontwikkeling alleen kan faciliteren als deze volledig wordt losgekoppeld van de achteruitgang van biodiversiteit en van de capaciteit van de natuur om bij te dragen tot het welzijn van de mensen;

39.  wijst op het belang van passende en voldoende financiering voor biodiversiteit; vraagt dat maatregelen ter verbetering van de biodiversiteit en de klimaatbestendigheid in het volgende MFK worden opgenomen en dat de integratie van biodiversiteit in alle beleidsterreinen wordt bevorderd, om zo aanzienlijke en positieve vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van de Visie 2050; verzoekt de Commissie en de Raad om voor die biodiversiteitsmainstreaming een duidelijk streefcijfer vast te stellen van ten minste 10 % van het MFK dat bij de uitgaven voor de klimaatmainstreaming wordt gevoegd; beklemtoont voorts dat er een transparantere, volledigere en strengere methodiek moet worden vastgesteld voor het traceren van uitgaven in verband met biodiversiteit en klimaat; herhaalt zijn oproepen om de huidige financiering van het LIFE-programma ten minste te verdubbelen; pleit daarnaast voor de geleidelijke afschaffing van schadelijke subsidies en voor samenhang tussen alle EU-fondsen en programma’s, zodat geen enkele uitgave uit de begroting van de EU kan bijdragen tot biodiversiteitsverlies;

40.  beklemtoont dat de mainstreaming van biodiversiteit gepaard moet gaan met de verzameling van gegevens; merkt met bezorgdheid op dat basisonderzoek, waaronder taxonomie, dat hiertoe van cruciaal belang is, veel te weinig middelen krijgt en onvoldoende beleids- en onderzoeksfinanciering ontvangt; pleit ervoor dat passende financiering voor basisonderzoeksprojecten en capaciteitsopbouw wordt uitgetrokken uit hoofde van Horizon Europa en dat ook de pijler inzake technische bijstand van andere EU-fondsen voor dit doel wordt benut;

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de invoering van nieuwe aan het VBD verbonden internationale financiële mechanismen voor de bescherming en het behoud van de biodiversiteit te bevorderen en tegelijkertijd al het mogelijke te doen om biodiversiteit te integreren in de bestaande fondsen; merkt op dat economische activiteiten belangrijke factoren zijn die het wereldwijde biodiversiteitsverlies en het verlies van natuurlijk kapitaal kunnen versnellen; verzoekt bedrijven en financiële organisaties derhalve krachtige toezeggingen te doen en bijdragen te leveren op het vlak van biodiversiteit, onder meer door in hun activiteiten rekening te houden met biodiversiteit, en onderstreept hoe belangrijk het is in dit verband particuliere financieringsinitiatieven aan te moedigen; betreurt dat er sprake is van inconsistenties in de gegevens over financieringsstromen met betrekking tot diversiteit uit binnenlandse en internationale publieke en particuliere bronnen, aangezien dit de volg- en rapportagesystemen in het gedrang brengt en potentiële hervormingen negatief beïnvloedt; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de EIB derhalve samenhangende normen te ontwikkelen voor gegevens inzake financieringsstromen met betrekking tot biodiversiteit; benadrukt dat het toekomstige plan voor duurzame financiën ertoe moet bijdragen dat financiële marktdeelnemers inzicht krijgen in de risico’s in verband met biodiversiteitsverlies, door biodiversiteit op te nemen in de vereisten voor financiële bekendmakingen;

42.  benadrukt het belang van hogere investeringen, onder meer in natuurlijke oplossingen en bijbehorende initiatieven, die uitmonden in gezamenlijke voordelen voor de biodiversiteit en de klimaatactie die er verder voor zullen zorgen dat de gevolgen van de klimaatverandering voor de biodiversiteit worden beperkt, terwijl tegelijkertijd milieuschadelijke investeringen worden afgebouwd; wijst erop dat het merendeel van de in het kader van de Overeenkomst van Parijs gedane investeringen moet worden aangewend voor het behoud en herstel van de biodiversiteit; betreurt dat koolstofvastleggingen op het land, ondanks het potentieel van natuurlijke klimaatoplossingen, slechts ongeveer 2,5 % ontvangen uit de begroting voor wereldwijde klimaatmitigatie; pleit voor een ruimer gebruik van internationale en EU‑klimaatfinanciering om natuurlijke ecosystemen te beschermen en te herstellen als middel om gezamenlijke voordelen te realiseren voor de biodiversiteit en voor de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering;

43.  is ingenomen met het besluit van de EIB-groep om al zijn financieringsactiviteiten in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en om ten minste 50 % van alle EIB-financiering beschikbaar te stellen voor klimaatactie; verzoekt de EIB om de maatregelen voor de bescherming en het behoud van biodiversiteit in zijn financiële toewijzing te blijven uitbreiden; verzoekt de Commissie samen te werken met de lidstaten en de financiële sector om hun activiteiten in overeenstemming te brengen met de Overeenkomst van Parijs en om te zorgen voor een klimaat- en biodiversiteitstoetsing van transacties en investeringen binnen en buiten de EU;

44.  wijst erop dat internationale organisaties zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF), het UNEP en de OESO het erover eens zijn dat milieuheffingen een essentieel instrument zijn bij de aanpak van milieuproblemen zoals biodiversiteitsverlies; is ingenomen met initiatieven zoals het Green Fiscal Policy Network van het UNEP en het IMF die bedoeld zijn om kennisdeling te bevorderen en de dialoog over groene fiscale hervormingen te stimuleren; wijst op Aichi-doelstelling 3 en de behoefte aan positieve stimuli voor het behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit, en op SDG 15 en de noodzaak om financiële middelen uit alle bronnen te mobiliseren en fors op te trekken om de biodiversiteit en ecosystemen te behouden en duurzaam te gebruiken; beklemtoont in dat verband het potentieel van billijke milieuheffingen die stroken met het beginsel dat de vervuiler betaalt om schade aan het milieu te beperken en financiële middelen voor natuurbescherming te genereren; verzoekt de EU en de lidstaten om het gebruik van milieuheffingen in hun belastingstelsels te versterken;

45.  merkt met bezorgdheid op dat slechts 8,3 % van alle financiële toezeggingen verband houdt met het terugdraaien van de achteruitgang van de biodiversiteit en dat dit het laagste percentage is sinds 2015, ondanks het ongekende en toenemende tempo waarmee de soorten uitsterven; verzoekt de Commissie om de toewijzing van middelen te verhogen en zo de coherente bescherming van de biodiversiteit in de hele EU op de lange termijn te garanderen; dringt erop aan dat het volgende MFK uitgaat van een robuuste methodologie om de biodiversiteit te volgen en het risico te vermijden dat de maatregelen ten gunste van de biodiversiteit worden overschat;

Bosbouw, landbouw, visserij en bodems

46.  onderstreept dat landbouw- en visserijactiviteiten, een gezonde bodem en het behoud van biodiversiteit nauw samenhangen; wijst op de negatieve effecten van intensieve land- en bosbouw en visserij op de biodiversiteit; benadrukt dat duurzame land- en bosbouw en visserij daarentegen de negatieve gevolgen voor soorten, habitats en ecosystemen, en de gevolgen van de klimaatverandering kunnen beperken;

47.  dringt er bij de EU en de partijen op aan zich hard te maken voor duurzame voedselsystemen, land- en bosbouw en visserij, inclusief voorschriften en strategieën voor het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en voedingsmiddelen, de beperking van het gebruik van pesticiden en de bescherming van bodems, habitats en soorten die belangrijke ecosysteemdiensten leveren zoals bestuiving, alsook grotere selectiviteit om de cumulatieve gevolgen voor de ecosystemen van zeeën en kustgebieden te beperken en bij te dragen tot het herstel van de visbestanden in kwetsbare en overbeviste gebieden; verzoekt de Commissie om in de komende herziening van de EU-richtlijn inzake duurzaam gebruik van pesticiden (2009/128/EG) EU-brede en bindende streefcijfers voor de beperking van het gebruik van pesticiden op te nemen, en verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale regeringen om de ondersteuning die wordt toegewezen aan de land- en bosbouwsector te richten op duurzame werkwijzen en ecoregelingen;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om financiële steun te verlenen aan land- en bosbouwmethoden die stroken met de biodiversiteitsdoelstellingen, zoals geïntegreerde gewasbescherming en nutriëntenbeheer, biologische landbouw, agro-ecologische methoden, methoden voor bodem- en waterbehoud, conserveringslandbouw, boslandbouw, bosbegrazing, irrigatiebeheer, kleinschalige of perceelsystemen, en methoden ter verbetering van het dierenwelzijn;

49.  herinnert eraan dat bossen volgens de mededeling van de Commissie met de titel “Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren” van levensbelang zijn voor onze planeet, 30 % van het landoppervlak op aarde beslaan en 80 % van de biodiversiteit herbergen; beklemtoont dat ontbossing een belangrijke oorzaak is van biodiversiteitsverlies en dat emissies ten gevolge van ontbossing bij landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw een belangrijke oorzaak zijn van klimaatverandering; uit zijn bezorgdheid over de gevolgen van de consumptie in de EU voor de ontbossing aangezien de EU de eindverbruiker is van 10 % van de producten die met ontbossing in verband worden gebracht; verzoekt de Commissie om één enkele uniforme definitie vast te stellen voor het begrip “ontbossingsvrij”;

50.  roept de Commissie op om een uitgebreide reeks maatregelen, met inbegrip van wetgeving, voor te stellen om de consumptievoetafdruk van de EU op het land te beperken, op basis van passende zorgvuldigheid, teneinde te zorgen voor duurzame en ontbossingsvrije toeleveringsketens voor producten die in de EU in de handel worden gebracht, en een EU-actieplan voor palmolie op te stellen; is van mening dat de EU‑maatregelen tegen ontbossing de belangrijkste aanjagers daarvan, zoals palmolie, soja, rundvlees en cacao, moeten aanpakken; vraagt de Commissie om in de EU gebruikte biobrandstoffen die een groot risico op indirecte veranderingen in landgebruik inhouden, zo spoedig mogelijk af te bouwen;

51.  benadrukt dat het bosbeleid samenhangend moet zijn, het biodiversiteitsverlies en de gevolgen van de klimaatverandering in dezelfde mate moet bestrijden en de natuurlijke koolstofputten van de EU moet vergroten en daarbij de biodiversiteit moet beschermen, behouden en verbeteren;

52.  beklemtoont dat geen enkel vervangingseffect van bosproducten het verlies kan compenseren van oerbossen, die onvervangbaar worden geacht(8) en moeten worden beschermd met behulp van wettelijke instrumenten en stimulansen die gericht zijn op hun complexiteit, connectiviteit en representativiteit;

53.  wijst erop dat de wereldbevolking volgens de wereldbevolkingsprojecties van de VN van juni 2019 de komende 30 jaar naar verwachting met 2 miljard mensen zal toenemen, waardoor het zee- en landgebruik een grotere impact zal hebben op de biodiversiteit en koolstofvastlegging; merkt op dat een toenemend biodiversiteitsverlies de voedselzekerheid en voeding in het gedrang brengt; verzoekt de partijen om het duurzame gebruik van biodiversiteit te bevorderen in programma’s die bijdragen aan de voedselzekerheid en betere voeding en die tegelijkertijd een bijdrage leveren tot het behalen van de SDG’s, met bijzondere aandacht voor SDG 2 (geen honger);

Stedelijke gebieden

54.  merkt op dat vervuiling, stedelijke uitbreiding, bodemafdekking en de verwoesting van habitats andere belangrijke oorzaken zijn van het verlies van biodiversiteit; merkt op dat uit het mondiaal verslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het IPBES blijkt dat de oppervlakte van stedelijke gebieden sinds 1992 is verdubbeld en dat twee op drie EU-burgers in stedelijke gebieden wonen; pleit voor een betere evaluatie van de rol van stedelijke gebieden en steden in het behoud van biodiversiteit en een grotere betrokkenheid van steden en plaatselijke overheden bij de vaststelling van beleidsmaatregelen ter bescherming en behoud van biodiversiteit en ecosysteemdiensten alsook bij de monitoring, verslaglegging en controle;

55.  onderstreept dat het potentieel van steden om te helpen bij de bescherming van biodiversiteit en ecosysteemdiensten wordt onderschat; wijst erop dat een beter gebruik van de voordelen van biodiversiteit, ecosysteemdiensten en groene infrastructuur in steden en voorstedelijke gebieden de menselijke gezondheid ten goede komt; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de opname en verdere integratie van biodiversiteit en ecosysteemfuncties in stedenbouwkunde, planologie en beleid te bevorderen en daarbij de koolstofuitstoot te verminderen en de aanpassing aan de klimaatverandering te verbeteren;

56.  merkt op dat stedelijke gebieden in de EU een bepalende rol kunnen spelen bij het herstel van de biodiversiteit; beklemtoont dat plasticvervuiling en waterverontreiniging belangrijke oorzaken zijn voor het verlies van biodiversiteit; is van mening dat een sterke circulaire economie in het kader van het nieuwe Actieplan voor de circulaire economie kan dienen om de inspanningen van de EU voor het herstel van de biodiversiteit te ondersteunen;

57.  betreurt dat plastic en verontreiniging afkomstig van bv. waterzuiveringsinstallaties, farmacologische producten en niet-duurzame landbouwmethoden zoals een intensief gebruik van nutriënten, de gezondheid van ecosystemen in de oceanen grondig verstoren;

Beschermde gebieden in de EU

58.  pleit voor een diepgaande analyse van alle beschermde gebieden in de EU, met inbegrip van Natura 2000-gebieden, en voor de verbetering, betere verbinding en uitbreiding van deze gebieden; onderstreept de noodzaak van een gestandaardiseerde methode voor de vaststelling van beschermde gebieden en een duidelijke definitie van wat een “beschermd gebied” in de EU precies is; benadrukt dat in het licht van het recente IPCC-verslag over de oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat een diepgaande evaluatie en aanzienlijke uitbreiding nodig is van beschermde mariene gebieden in de EU alsook van het beheer ervan; pleit ervoor de beschermde mariene gebieden in de EU met meer offshorewateren uit te breiden; beklemtoont dat naast de kwantiteit ook de kwaliteit van de beschermde gebieden van essentieel belang is om het verlies van biodiversiteit te voorkomen en dat er daarom meer nadruk moet worden gelegd op een goed en duurzaam beheer van die gebieden;

59.  verzoekt de Commissie gerechtelijke stappen te ondernemen wanneer zij vaststelt dat de EU-wetgeving inzake natuurbescherming niet wordt nageleefd; wijst erop dat de procedures op het gebied van milieu-inbreuken doeltreffender moeten worden, gezien het risico van onomkeerbare schade aan het milieu; benadrukt dat de natuurrichtlijnen dringend correct moeten worden gehandhaafd en dat klachten over inbreuken op de wetgeving op een transparante manier moeten worden opgevolgd;

60.  merkt op dat het kader voor natuurbehoud ten gevolge van een gebrekkige uitvoering mogelijk een vijandige omgeving kan scheppen voor activisten en natuurbeschermers en hun leven direct of indirect in gevaar kan brengen; onderstreept dat moorden op milieuactivisten en natuurbeschermers door de EU actief moeten worden veroordeeld;

61.  beklemtoont dat met groene infrastructuur wordt voorzien in ecosysteemdiensten die de biodiversiteit ondersteunen, doordat bijvoorbeeld het aantal ecologische corridors in stedelijke omgevingen wordt verhoogd;

Innovatie, onderzoek en onderwijs

62.  brengt in herinnering hoe belangrijk innovatie, onderzoek en ontwikkeling zijn voor het behalen van de doelstellingen van Visie 2050; meent dat het belangrijk is onderzoek en participerende wetenschappen te ondersteunen om de kennis uit te breiden, met name over de oceanen, waarvan het grootste deel tot dusver niet is onderzocht; verzoekt de Commissie en de Raad om de begrotingskredieten voor Horizon Europa in het volgende MFK te verhogen tot 120 miljard EUR, met name ten gunste van de cluster voor natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van fundamenteel en toegepast onderzoek, bijvoorbeeld op het gebied van taxonomie, en om binnen Horizon Europa een opdracht te lanceren in verband met de bescherming en het herstel van de biodiversiteit; verzoekt de partijen bijzondere aandacht te schenken aan het verband tussen het behoud van biodiversiteit en de voordelen voor de menselijke gezondheid en het economisch welzijn, en om maatregelen voor de inzameling van gegevens te coördineren;

63.  vraagt de Commissie om verder onderzoek naar de effecten van landgebruik en veranderingen in landgebruik, met inbegrip van ontbossing en de productie van bio‑energie, op broeikasgasemissies te ondersteunen en om bij de toekomstige beleidsvorming rekening te houden met de resultaten;

64.  merkt op dat volgens de Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie die op 16 januari 2018 werd goedgekeurd, de 150 miljoen ton plastic die zich heeft opgehoopt in ‘s werelds oceanen tegen 2030 verdubbeld kan zijn, en dat dit meer dan 660 soorten bedreigt en ons milieu schade toebrengt; vraagt de Commissie vlaggenschipinitiatieven uit te voeren tegen plasticvervuiling en de gevolgen ervan voor de biodiversiteit; wijst op het specifieke geval van microplastics, die meer dan 80 % uitmaken van het ingezamelde zwerfvuil op zee en die de mariene biodiversiteit in gevaar brengen; is daarom ingenomen met de toezegging van Ursula von der Leyen om een nieuw front te openen in de strijd tegen plastic afval door microplastics aan te pakken; beklemtoont dat dit moet gebeuren in het kader van een circulaire economie waarbij de klemtoon wordt gelegd op onderzoek en innovatie voor duurzame producten;

65.  beklemtoont dat onderwijs een belangrijke rol speelt bij de bewustmaking omtrent biodiversiteit en milieubescherming; merkt op dat educatieve beschermde gebieden een relevant en doeltreffend instrument zijn om de bewustmaking van het publiek te vergroten en het behoud te verbeteren;

Capaciteitsopbouw, bewustmaking en betrokkenheid van alle actoren

66.  benadrukt dat capaciteitsopbouw en bewustmaking essentieel zijn voor een succesvolle tenuitvoerlegging en voor een beter inzicht in het belang van biodiversiteit; is daarom ingenomen met het besluit van de COP14 om de partijen, andere regeringen en donoren uit te nodigen om indien mogelijk financiële middelen ter beschikking te stellen voor capaciteitsopbouw, technische bijstand en technologieoverdracht;

67.  wijst erop dat het belangrijk is uitgebreidere informatie te verstrekken en te streven naar grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en leden van het publiek uit verschillende leeftijdsgroepen om de mondiale en EU-doelstellingen te realiseren;

68.  verzoekt de partijen het bewustzijn van het publiek en de betrokkenheid van de verschillende belanghebbenden te vergroten om te zorgen voor op maat gesneden oplossingen in samenwerking met plaatselijke gemeenschappen en inheemse volkeren teneinde duurzaam landgebruik en grotere biodiversiteit te stimuleren, zodat regionale verschillen in landschappen en habitats volledig worden gerespecteerd;

69.  staat positief tegenover de actieve keuze voor een multistakeholderaanpak, die van fundamenteel belang is om biodiversiteit te waarderen, te beschermen, te behouden, duurzaam te gebruiken en te herstellen, en benadrukt dat een grotere betrokkenheid van en tussen bestuursniveaus, sectoren en particuliere actoren mogelijkheden zal bieden om biodiversiteitsdoelstellingen in overig beleid te integreren; acht de betrokkenheid van het bedrijfsleven en financiële organisaties van essentieel belang, en is in dit verband verheugd over de inspanningen van de Commissie om de particuliere sector actief te betrekken bij het behoud van biodiversiteit, met name in het kader van het zakelijke biodiversiteitsplatform van de EU; is in dit verband ingenomen met initiatieven van de particuliere sector zoals de lancering van “One Planet Business for Biodiversity” tijdens de klimaatactietop van de VN in New York;

70.  verzoekt de Commissie zich te beraden over een geharmoniseerde methodologie voor de berekening van de ecologische voetafdruk van EU-ondernemingen en de gevolgen daarvan voor de biodiversiteit;

71.  is van menig dat transformaties in de samenleving noodzakelijk zijn om de klimaatverandering, de achteruitgang van het milieu en het biodiversiteitsverlies aan te pakken; beklemtoont dat het beginsel van een rechtvaardige transitie moet worden gehanteerd om de inclusiviteit en billijkheid van dit proces te waarborgen;

72.  merkt op dat bewustmaking en toegang tot uitgebreide en gemakkelijk te begrijpen informatie consumenten helpen om weloverwogen keuzes te maken en duurzame consumptie bevorderen, en dat zij daarom deel moeten uitmaken van een uitgebreide reeks maatregelen, met name in verband met producten die leiden tot ontbossing, de vernietiging van ecosystemen en schendingen van de mensenrechten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de traceerbaarheid en controle van producten over de gehele waarde- en toeleveringsketen te verbeteren en zo volledige transparantie voor consumenten te verzekeren;

73.  beklemtoont dat er betere ecolabels en certificaten tegen ontbossing moeten worden ontwikkeld;

74.  is ingenomen met de bijeenkomst van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur in Marseille in 2020; verzoekt de Commissie om in dit forum een duidelijk signaal te geven over haar inzet voor biodiversiteit;

o
o   o

75.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 2.
(2) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 38.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0431.
(4) PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.
(5) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(6) Het Verdrag inzake biologische diversiteit, het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming en het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.
(7) Het regionaal evaluatieverslag inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten voor Europa en Centraal-Azië.https://ipbes.net/sites/default/files/2018_eca_full_report_book_v5_pages_0.pdf
(8) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 23 juli 2019, Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren (COM(2019)0352).


De werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2018
PDF 152kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over de activiteiten van de Europese Ombudsman – jaarverslag 2018 (2019/2134(INI))
P9_TA(2020)0016A9-0032/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2018,

–  gezien artikel 15, artikel 24, derde alinea, en artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 11, 41, 42 en 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna “het Handvest”),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD),

–  gezien Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt(1),

–  gezien de Europese Code van goed administratief gedrag, zoals goedgekeurd door het Parlement op 6 september 2001,

–  gezien de raamovereenkomst inzake samenwerking die op 15 maart 2006 is gesloten tussen het Parlement en de Europese Ombudsman, en die op 1 april 2006 in werking is getreden,

–  gezien zijn resolutie van 17 januari 2019 over het strategisch onderzoek van de Ombudsman OI/2/2017 betreffende de transparantie van het wetgevingsoverleg in de voorbereidende instanties van de Raad van de EU(2),

–  gezien zijn resolutie van 13 februari 2019 over het resultaat van de beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften tijdens het jaar 2018(3),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman,

–  gezien artikel 54 en artikel 232, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het schrijven van de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A9-0032/2019),

A.  overwegende dat het Jaarverslag over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2018 op 2 oktober 2019 officieel werd aangeboden aan de Voorzitter van het Parlement en dat de Ombudsman, Emily O’Reilly, het op 4 september 2019 in Brussel aan de Commissie verzoekschriften heeft voorgelegd;

B.  overwegende dat de artikelen 24 en 228 VWEU de Europese Ombudsman in staat stellen klachten te ontvangen over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak;

C.  overwegende dat in artikel 10, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaald wordt dat iedere burger het recht heeft om aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen, en dat de besluitvorming plaatsvindt op een zo open mogelijke wijze en zo dicht bij de burgers als mogelijk is;

D.  overwegende dat in artikel 15 VWEU bepaald wordt dat om goed bestuur te bevorderen en de deelneming van het maatschappelijk middenveld te waarborgen, de instellingen, organen en instanties van de Unie in een zo groot mogelijke openheid moeten werken en dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat recht heeft op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie;

E.  overwegende dat in artikel 41, lid 1, van het Handvest bepaald wordt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld;

F.  overwegende dat in artikel 43 van het Handvest van de grondrechten bepaald wordt dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat het recht heeft zich tot de Europese Ombudsman te wenden in verband met gevallen van wanbeheer in het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak;

G.  overwegende dat de Ombudsman in 2018 490 onderzoeken opende, waarvan 482 uitgingen van een klacht en 8 op eigen initiatief werden verricht, en 545 onderzoeken afsloot (waarvan 534 op basis van een klacht en 11 op eigen initiatief); overwegende dat de meeste klachten betrekking hadden op de Commissie (285 onderzoeken oftewel 58,2 %), gevolgd door de EU-agentschappen (43 onderzoeken of 8,8 %), het Parlement (30 onderzoeken oftewel 6,1 %), het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) (23 onderzoeken oftewel 4,7 %), de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) (23 onderzoeken oftewel 4,7 %), de Europese Investeringsbank (16 onderzoeken oftewel 3,3 %), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (14 onderzoeken oftewel 2,8 %) en de overige instellingen (56 onderzoeken oftewel 11,4 %);

H.  overwegende dat de drie belangrijkste punten van zorg in de in 2018 door de Ombudsman afgesloten onderzoeken betrekking hadden op: transparantie, verantwoordingsplicht en publieke toegang tot informatie en documenten (24,6 %), de cultuur van dienstverlening (19,8 %) en het juiste gebruik van de beoordelingsbevoegdheid (16,1 %); overwegende dat de overige punten van zorg onder meer betrekking hadden op eerbiediging van procedurele rechten zoals het recht om gehoord te worden, eerbiediging van de grondrechten, ethische kwesties, inspraak van het publiek in het EU-besluitvormingsproces met inbegrip van inbreukprocedures, gezond financieel beheer van EU-aanbestedingen, -subsidies en -contracten, aanwerving en goed beheer van kwesties met betrekking tot EU-personeel;

I.  overwegende dat het nalevingspercentage van de aanbevelingen van de Ombudsman voor goed bestuur door de Europese Commissie in 2018 76 % bedroeg, wat een gestage daling betekent tegenover 82 % in 2016 en 77 % in 2017;

J.  overwegende dat 17 996 burgers in 2018 de hulp van de Ombudsman hebben ingeroepen; overwegende dat 14 596 burgers konden worden geholpen met advies via de interactieve gids op de website; overwegende dat 1 220 gevallen naar elders zijn doorgestuurd voor nadere informatie; overwegende dat de Ombudsman naar aanleiding van 2 180 binnengekomen klachten actie heeft ondernomen;

K.  overwegende dat Ombudsman in het kader van zijn strategische werkzaamheden in 2018 vijf nieuwe strategische onderzoeken heeft geopend, respectievelijk met betrekking tot de behandeling van personen met een handicap door het Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering, de toegankelijkheid van de websites van de Commissie voor personen met een handicap, de werkzaamheden van het Europees Geneesmiddelenbureau vóór indiening van een aanvraag, de behandeling door de Commissie van draaideurkwesties inzake EU-personeel en verantwoordingsplicht in verband met de wetgevingswerkzaamheden van de Raad; overwegende dat de Ombudsman daarnaast tien strategische initiatieven heeft ontplooid, onder meer met betrekking tot de taalregeling binnen het ambtenarenapparaat van de EU, het beleid tegen intimidatie binnen het ambtenarenapparaat van de EU en de bescherming van migrerende kinderen;

L.  overwegende dat de Ombudsman een cruciale rol te vervullen heeft bij het tot stand brengen van een Europees wetgevingsproces waarin meer openheid aan de dag wordt gelegd en waarin meer verantwoording wordt afgelegd aan de burgers, zodat deze hun recht kunnen uitoefenen om aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen en zich zo meer betrokken voelen en meer vertrouwen hebben;

M.  overwegende dat de Ombudsman een cruciale rol te vervullen heeft bij het waarborgen van verantwoordingsplicht van de EU-instellingen en de volledige transparantie en onpartijdigheid van het besluitvormingsproces en het bestuur van de EU, teneinde de rechten van de burgers te beschermen en daarmee hun vertrouwen in, hun betrokkenheid bij en deelname aan het democratisch leven van de Unie te vergroten;

N.  overwegende dat de Ombudsman er in de eerste plaats moet voor zorgen dat de rechten van de burger volledig worden geëerbiedigd;

O.  overwegende dat de Ombudsman in 2018 een nieuwe website heeft gelanceerd, met een herziene, gebruiksvriendelijke interface voor wie een klacht wil indienen; overwegende dat de versnelde procedure voor de afhandeling van klachten over de openbare toegang tot documenten, blijk geeft van de wil van de Ombudsman om hulp te bieden en om voor wie om hulp vraagt, binnen 40 dagen een besluit te nemen en dit in alle 24 officiële talen van de EU; overwegende dat dit nieuwe initiatief deel uitmaakt van een strategie om de doeltreffendheid van de diensten van de Ombudsman te verbeteren;

P.  overwegende dat de conclusie van het strategisch onderzoek van de Ombudsman OI/2/2017/TE luidde dat er bij de Raad een gebrek is aan transparantie inzake de toegang van het publiek tot zijn wetgevingsdocumenten en inzake de huidige praktijken van de Raad in zijn besluitvormingsproces, in het bijzonder tijdens de voorbereidende fase in het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) en op het niveau van de werkgroepen; overwegende dat de Ombudsman, gezien de onwil van de Raad om haar aanbevelingen uit te voeren, op 16 mei 2018 het speciaal verslag OI/2/2017/TE over de transparantie van het wetgevingsproces van de Raad aan het Parlement heeft voorgelegd; overwegende dat het Parlement op 17 januari 2019 zijn verslag over het strategisch onderzoek van de Ombudsman heeft aangenomen, waarin de aanbevelingen van de Ombudsman volledig worden onderschreven; overwegende dat het Finse voorzitterschap verklaard heeft dat het zich zal inzetten om de openheid en de transparantie van de wetgeving van de Raad te vergroten;

Q.  overwegende dat het Parlement op 12 februari 2019 zijn goedkeuring heeft gehecht aan een ontwerpverordening van het Europees Parlement inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (statuut van de Europese Ombudsman) en tot intrekking van Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom(4), waarvoor het Parlement de primaire wetgevende verantwoordelijkheid draagt; overwegende dat de goedkeuring van deze nieuwe verordening door de Raad nog hangende is;

R.  overwegende dat grotere openheid en meer transparantie over de standpunten van de regeringen van de lidstaten in de Raad, het vertrouwen in de EU zal versterken en het euroscepticisme en het populisme zal doen afnemen;

S.  overwegende dat meer transparantie in het besluitvormingsproces in trialogen het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen zal vergroten;

T.  overwegende dat de Ombudsman in 2018 een strategisch initiatief tegen intimidatie heeft gelanceerd om na te gaan welk beleid er binnen het ambtenarenapparaat van de EU wordt gehanteerd; overwegende dat de Ombudsman in 2018 besloten heeft 26 EU-instellingen en -agentschappen aan te schrijven met het verzoek om informatie over hun beleid en de uitvoering ervan;

U.  overwegende dat de Ombudsman in 2018 een onderzoek heeft ingesteld naar discriminatie op grond van geslacht en gelijke kansen bij de Europese Investeringsbank (EIB); overwegende dat de EIB gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen en suggesties van de Ombudsman met betrekking tot gelijke kansen en gendergelijkheid;

V.  overwegende dat de Ombudsman deel uitmaakt van het EU-kader voor het VN-verdrag over de rechten van personen met een handicap (UNCPRD), dat de tenuitvoerlegging van het verdrag in kwestie op het niveau van de EU-instellingen moet beschermen, bevorderen en bewaken;

W.  overwegende dat er in maart 2018 een conferentie werd georganiseerd met het Europees netwerk van ombudsmannen en de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement, en dat een van de belangrijkste discussiepunten was hoe ombudsmannen hun samenwerking kunnen versterken;

1.  is ingenomen met het jaarverslag 2018 dat de Europese Ombudsman heeft overgelegd;

2.  feliciteert Emily O’Reilly met haar uitstekende werk en haar constructieve inspanningen ter verbetering van de kwaliteit van de EU-administratie en van de toegankelijkheid en kwaliteit van de diensten die deze administratie aan de burgers biedt;

3.  onderstreept het belang van transparantie en toegang van het publiek tot de documenten die in het bezit zijn van de Raad; benadrukt dat een hoge mate van transparantie in het wetgevingsproces essentieel is opdat burgers, media en belanghebbenden hun verkozen functionarissen en regeringen verantwoording kunnen laten afleggen; erkent de waardevolle rol die de Ombudsman vervult bij het leggen van contacten en bemiddelen tussen de EU-instellingen en de burgers; meent dat de Raad zijn vertrouwelijkheidsbeleid moet herzien; wijst op de rol die de Ombudsman vervult bij het tot stand brengen van een EU-wetgevingsproces waarin meer verantwoording wordt afgelegd aan de burgers;

4.  benadrukt dat het noodzakelijk en belangrijk is dat de burgers actiever deelnemen aan de besluitvorming en dat er ook meer transparantie moet komen in de wijze waarop de administratie werkt, en dat dit maatregelen zijn ter versterking van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie die moeten helpen het vertrouwen te herstellen;

5.  dringt er bij de Ombudsman op aan te zorgen voor meer transparantie in het besluitvormingsproces in trialogen;

6.  benadrukt dat het herstel van het vertrouwen van de burgers in de instellingen van de Unie een van de belangrijkste punten van zorg van het Europees Parlement is en dat dit sociaal-politiek en ethisch van het allergrootste belang is;

7.  benadrukt dat niet alleen de dialoog tussen de organen, instellingen en burgers van de Unie, maar ook de sociale dialoog moet worden verbeterd en versterkt;

8.  staat volledig achter de aanbevelingen van de Europese Ombudsman aan de Raad en dringt er bij de Raad op aan alle nodige maatregelen te nemen om deze aanbevelingen zo spoedig mogelijk uit te voeren;

9.  spoort de Ombudsman aan de EU-instellingen nadere richtsnoeren te verstrekken over hoe de communicatie met de burgers in alle officiële talen van de EU verbeterd kan worden; dringt er bij de Ombudsman op aan de instellingen te adviseren over de wijze waarop zij hun taalbeleid zodanig kunnen ontwikkelen dat de productie van relevante inhoud en informatie in zoveel mogelijk talen mogelijk wordt gemaakt;

10.  is ingenomen met de strategie van de Ombudsman, die moet zorgen voor een grotere impact en zichtbaarheid van haar ambt bij de EU-burgers;

11.  is blij dat de website van de Europese Ombudsman is aangepast en zodoende een functioneler en toegankelijker instrument voor de burgers is geworden;

12.  verlangt dat de Raad als medewetgever zijn werkwijze in overeenstemming brengt met de normen van de parlementaire democratie zoals op grond van de Verdragen vereist is, in plaats van op te treden als een diplomatiek forum, een functie waarvoor de Raad niet bedoeld is; herinnert eraan dat de Ombudsman na haar strategisch onderzoek OI/2/2017/TE tot de conclusie is gekomen dat de praktijken van de Raad op het gebied van transparantie een geval van wanbeheer vormen; dringt er bij de Raad op aan onmiddellijk uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Ombudsman die voortvloeien uit haar strategisch onderzoek, met inbegrip van de aanbevelingen die het Parlement heeft gedaan in zijn eigen verslag over het speciaal verslag; moedigt de Ombudsman aan om te blijven toezien op de vooruitgang in verband met haar strategisch onderzoek;

13.  herhaalt zijn verzoek om nieuwe EU-wetgeving over toegang tot documenten en vraagt om een herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(5), om zo de toetsingswerkzaamheden van de Ombudsman in verband met de verlening van toegang tot documenten door het Parlement, de Raad en de Commissie te vergemakkelijken; vindt het jammer dat de Raad de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 heeft geblokkeerd en dringt bij de Raad aan op de heropening van zijn besprekingen op basis van het standpunt dat het Parlement in tweede lezing heeft aangenomen, zoals vastgelegd in de resolutie van 12 juni 2013 over de impasse bij de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001(6);

14.  herhaalt zijn verzoek om een herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001, aangezien deze sterk verouderd is en niet langer de huidige juridische situatie en de institutionele praktijken van de EU-instellingen, bureaus, organen en agentschappen weerspiegelt;

15.  is ingenomen met de formele start van de versnelde procedure voor onderzoeken in verband met toegang tot documenten en erkent dat deze procedure positief uitvalt voor wie een klacht indient;

16.  benadrukt dat het van groot belang is dat de Ombudsman het nauwlettend toezicht op en de strategische onderzoeken naar de transparantie van de Commissie voortzet; is zich ervan bewust dat er nog steeds sprake is van draaideuren, met name bij de hoogste ambtenaren van de instellingen; vraagt de Ombudsman met klem om toezicht te blijven houden op de tenuitvoerlegging van de herziene voorschriften van de Commissie inzake draaideurconstructies, die in september 2018 zijn ingevoerd als gevolg van haar initiatiefonderzoek;

17.  benadrukt dat de kwestie van belangenconflicten ruimer is dan de gevallen van draaideuren en dringt erop aan dat er nadere regels en strengere criteria worden ontwikkeld om er daadwerkelijk voor te zorgen dat besluiten en wetgeving worden afgestemd op de belangen van de burgers;

18.  wijst erop dat de beginselen van beschikbaarheid voor het publiek, openheid en transparantie inherent zijn aan het wetgevingsproces van de EU, zodat de burgers de mogelijkheid krijgen om kennis te nemen van de overwegingen die aan de wetgevingshandelingen ten grondslag liggen, waardoor wordt gezorgd voor een doeltreffende uitoefening van hun democratische rechten(7); erkent dat het besluitvormingsproces van de EU transparant moet zijn; is er voorstander van dat de diensten van de drie instellingen een gezamenlijk wetgevingsportaal ontwikkelen dat niet-specialisten op gebruiksvriendelijke wijze toegang biedt tot informatie over lopende wetgevingsprocedures;

19.  is er voorstander van dat de definitieve trialoogdocumenten worden gepubliceerd; onderstreept dat het Hof van Justitie in zijn arrest van maart 2018 in de zaak Emilio De Capitani (T-540/15) stelt dat de standpunten van de instellingen zoals weergegeven in de teksten met vier kolommen, niet onder het algemeen vermoeden van niet-openbaarmaking van documenten vallen; merkt op dat de gevoelige aard van het onderwerp dat in de trialoogdocumenten aan de orde werd gesteld, op zichzelf onvoldoende reden was om het publiek de toegang tot de documenten te ontzeggen; is van mening dat alle drie de instellingen een bijdrage moeten leveren om te komen tot transparantie in de trialogen; erkent dat het recht van het publiek op toegang tot documenten van de instellingen van de Unie het beschermde en onvervreemdbare recht van elke burger van de Unie is, een recht dat rechtstreeks voortvloeit uit het democratische beginsel en het grondrecht van vrijheid van meningsuiting, en dat er dus voor de Unie een dienovereenkomstige verplichting van naleving en verantwoordingsplicht is vastgelegd; benadrukt dat de instellingen die relevant zijn voor transparantie, zoals het Bureau van de Ombudsman, verder moeten worden bevorderd, zodat de Unie aan bovengenoemde verplichting voldoet;

20.  herhaalt dat de integriteit van de Europese Centrale Bank (ECB) en haar onafhankelijkheid van particuliere financiële belangen moeten worden gewaarborgd; benadrukt dat de leden van de raad van bestuur niet tegelijkertijd lid mogen zijn van fora of andere organisaties waarin ook directieleden van door de ECB gecontroleerde banken zitting hebben, en dat zij niet mogen deelnemen aan fora die niet toegankelijk zijn voor het publiek; is ingenomen met het advies van de Ombudsman van 5 juli 2018;

21.  vindt het jammer dat er nog geen minimumregels voor verantwoordingsplicht door de ECB zijn vastgesteld en toegepast, zoals aanbevolen; is van mening dat het niet waarborgen van de transparantie van de activiteiten van de ECB ertoe kan leiden dat haar onafhankelijkheid van particuliere financiële belangen in twijfel wordt getrokken;

22.  steunt de aanbevelingen van de Ombudsman van 15 januari 2018 over de betrokkenheid van de president van de Europese Centrale Bank en leden van haar besluitvormende organen bij de “Groep van Dertig” en dringt er bij de ECB op aan de relevante regels te wijzigen om ervoor te zorgen dat de hoogste normen op het gebied van ethiek en verantwoordingsplicht concreet worden uitgevoerd;

23.  verzoekt de Commissie om in de fase van informele dialoog tussen de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een hoog niveau van transparantie en toegang tot documenten en informatie met betrekking tot de EU-pilot- en inbreukprocedures, met name in verband met ontvangen verzoekschriften, en ook te zorgen voor volledige toegang met passende middelen tot de EU-pilot- en inbreukprocedures die reeds zijn beëindigd; verzoekt de Commissie in het vervolg een andere aanpak te hanteren bij onderzoek naar schendingen van EU-wetgeving en inbreukprocedures in te leiden zonder uitsluitend een beroep te doen op het EU-Pilot-mechanisme;

24.  onderstreept het belang van de maatregelen ter bevordering van de transparantie van besluiten die in het kader van inbreukprocedures worden genomen; herinnert eraan dat de Commissie in 2014 een centraal platform in het leven heeft geroepen op de Europa-website, waarop uitvoerig uitleg wordt gegeven over inbreuken; wijst erop dat de Commissie zowel het Europees Parlement als het publiek informatie verschaft over EU-Pilot-procedures en inbreukdossiers door middel van haar jaarverslagen over de controle op de toepassing van het EU-recht;

25.  steunt ten volle de inspanningen van de Ombudsman om de transparantie van lobbyactiviteiten op EU-niveau te verbeteren; steunt de inspanningen van de Ombudsman om de herziene horizontale regels voor deskundigengroepen ten uitvoer te leggen, onder meer de regels inzake transparantie en belangenconflicten; benadrukt hoe belangrijk het is dat personen en organisaties die particuliere belangen vertegenwoordigen, worden geregistreerd in het transparantieregister, zodat benoemingen overeenkomstig de horizontale regels kunnen worden verricht;

26.  benadrukt de noodzaak van een tripartiete overeenkomst tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, die een stap zou vormen in de richting van de versterking van de bestaande regels inzake lobbying en het dichten van de mazen in de wetgeving; is echter van mening dat de instellingen het daarbij niet mogen laten, maar dat zij voor alle instellingen en agentschappen van de EU bindende wetgevingsmaatregelen moeten blijven nemen;

27.  benadrukt dat alle informatie over de invloed van lobbyisten kosteloos, volledig begrijpelijk en gemakkelijk toegankelijk voor het publiek moet zijn en dat de nauwkeurigheid van gegevens in het transparantieregister van de EU moet worden verbeterd; onderstreept dat moet worden gezorgd voor volledige transparantie van de financiering van alle belangenvertegenwoordigers en dringt erop aan dat elke organisatie die de regels inzake draaideurconstructies overtreedt, wordt geschorst;

28.  benadrukt dat een wetgevingshandeling moet worden goedgekeurd om het transparantieregister van de EU volledig verplicht te stellen en juridisch bindend te maken voor alle EU-instellingen en -agentschappen en voor derden, zodat lobbyactiviteiten volledig transparant zijn; moedigt de EU-instellingen aan om na te gaan welke praktische regelingen kunnen leiden tot een snelle en efficiënte overeenkomst;

29.  betreurt het dat discriminatie op grond van geslacht en gendervertegenwoordiging nog steeds een probleem vormen binnen de EU-instellingen; neemt met bezorgdheid kennis van de bevindingen in zaak 366/2017/AMF en dringt er bij de EIB op aan volledig te voldoen aan de aanbevelingen van de Ombudsman om te komen tot een evenwichtige vertegenwoordiging van alle geslachten in leidinggevende functies;

30.  is ingenomen met het onderzoek dat de Ombudsman in 2018 heeft verricht naar de benoemingsprocedure van de voormalige secretaris-generaal van de Commissie en neemt er kennis van dat zij vier gevallen van wanbeheer heeft vastgesteld; betreurt het dat de Commissie, ondanks de steun van het Parlement voor de aanbevelingen van de Ombudsman, deze niet heeft uitgevoerd; wijst met name op het feit dat de Commissie niet heeft voorzien in een specifieke benoemingsprocedure en vraagt dat de nieuwe Commissie een dergelijke procedure instelt, waarbij de hoogste normen op het gebied van transparantie, ethiek en de rechtsstaat worden gewaarborgd;

31.  merkt met bezorgdheid op dat de Commissie de voorgestelde aanbevelingen, suggesties en oplossingen van de Ombudsman steeds minder in acht neemt; vraagt de Commissie dat zij zich verder inspant om alle gevallen van wanbeheer die de Ombudsman in haar activiteiten heeft vastgesteld, op te lossen;

32.  dringt er bij de Ombudsman op aan om, in de geest van transparantie en objectiviteit, toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van het nieuwe Reglement van het Parlement voor de hoorzittingen met de voorgedragen commissarissen, met name de bepalingen van bijlage VII, artikel 2, betreffende het onderzoek van de financiële belangen;

33.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie van 31 januari 2018 voor een nieuwe gedragscode voor de leden van de Europese Commissie; is van mening dat de bepalingen van de gedragscode verder moeten worden versterkt;

34.  herhaalt – en is er vast van overtuigd – dat binnen alle EU-instellingen strikte ethische regels en normen moeten worden toegepast, teneinde ervoor te zorgen dat de plicht om eerlijkheid te betrachten wordt geëerbiedigd;

35.  is er vast van overtuigd dat transparantie een essentieel onderdeel is van de rechtsstaat en gedurende het gehele wetgevingsproces moet worden gewaarborgd, aangezien transparantie invloed heeft op de daadwerkelijke uitoefening van het actief en passief kiesrecht, naast andere rechten (zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid om informatie te ontvangen); is van mening dat het tot stand brengen van een actief EU-burgerschap vereist dat het wetgevingsproces wordt onderworpen aan toezicht, toetsing en evaluatie door het publiek en dat de mogelijkheid bestaat om het resultaat aan te vechten; onderstreept dat dit de EU-burgers zou helpen om steeds meer vertrouwd te worden met de basisbegrippen van het wetgevingsproces en de deelname aan het democratische leven in de Unie zou bevorderen;

36.  vindt het goed dat de Ombudsman voortdurend inspanningen levert om invloed uit te oefenen op de veranderingen in de EU-instellingen door deel te nemen aan openbare raadplegingen die verband houden met haar werkterreinen; is ingenomen met haar voorstellen voor meer transparantie in het EU-risicobeoordelingsmodel in de voedselketen, onder meer de aanbeveling dat het Europees Agentschap voor voedselveiligheid de agenda’s en de notulen van vergaderingen in verband met risicobeoordeling zou publiceren;

37.  moedigt de Ombudsman aan door te gaan met haar initiatiefonderzoek naar de transparantie van de interacties tussen EMA en de farmaceutische bedrijven die voorafgingen aan de indiening van aanvragen voor een vergunning voor het in de handel brengen, en de openbare raadpleging die liep tot januari 2019;

38.  is ingenomen met haar onderzoek naar de veiligheidsverslagen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), dat ertoe heeft geleid dat het agentschap zijn praktijk in die zin heeft gewijzigd dat feedback wordt gegeven aan wie zijn bezorgdheid over veiligheid meldt;

39.  wenst dat de Ombudsman blijft nagaan in hoeverre het Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering (GSZV) in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; dringt bij de Commissie aan op een actualisering van de tekst van de algemene uitvoeringsbepalingen, waarin de regels zijn vastgelegd voor de vergoeding van medische kosten en de kosten voor redelijke aanpassingen op de werkplek van personen met een handicap of een ernstige ziekte door het GSZV; verzoekt de Ombudsman ervoor te zorgen dat het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap volledig wordt uitgevoerd door de gehele administratie van de Europese Unie;

40.  is ingenomen met de praktische aanbevelingen van de Ombudsman met betrekking tot de toegankelijkheid van de selectieprocedures van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) voor kandidaten met een visuele handicap; verzoekt de Ombudsman erop toe te zien dat EPSO de toegankelijkheidseisen voor de onlineselectieprocedures volledig naleeft; verzoekt de Ombudsman om verder gevolg te geven aan haar voorstellen voor ondersteunende technologieën tijdens de computertests, die overal ter wereld plaatsvinden;

41.  steunt de Ombudsman bij haar inspanningen om de EU-instellingen aan te sporen tot het introduceren van een krachtiger beleid ter bestrijding van intimidatie;

42.  steunt het initiatief van de Ombudsman om de # MeToo-beweging te volgen en dringt erop aan dat verder wordt toegezien op het beleid dat de EU-administratie voert ter bestrijding van intimidatie;

43.  steunt de inspanningen van de Ombudsman om de deelname van burgers aan de beleidsvorming van de EU te vergemakkelijken; vraagt dat de Ombudsman het gebruik van het instrument van het Europees burgerinitiatief (EBI) blijft volgen, en onder meer toeziet op de tenuitvoerlegging van de herziene EBI-verordening;

44.  wijst erop dat de rol van de Europese Ombudsman sedert de instelling van dit ambt in de loop der tijd is geëvolueerd, van het voorkomen van wanbeheer tot het bevorderen van goed bestuur; meent dat de logische evolutie van deze trend is dat de inspanningen om de administratie en de beste administratieve praktijken actief en ook tijdig te bevorderen, worden voortgezet;

45.  is ingenomen met het initiatief van de Ombudsman voor een prijs voor goed bestuur, die een erkenning is van de inspanningen van het Europese ambtenarenapparaat om innovatieve manieren te vinden voor het voeren van een burgervriendelijk beleid;

46.  herhaalt zijn verzoek om de huidige code van goed administratief gedrag te actualiseren in een naar behoren bindende regelgeving voor alle EU-instellingen en-agentschappen;

47.  herinnert eraan dat de Ombudsman zich tijdens de onderhandelingen over het terugtrekkingsakkoord van het VK uit de Europese Unie heeft ingezet om te zorgen voor een zeer hoge mate van transparantie van de kant van de EU;

48.  moedigt de Ombudsman aan de samenwerking met de nationale ombudsmannen via het Europees Netwerk van ombudsmannen voort te zetten; benadrukt dat deze vormen van samenwerking tussen de diverse nationale ombudsmannen verder moeten worden ontwikkeld;

49.  herinnert eraan dat het nieuwe ontwerpstatuut van de Europese Ombudsman, dat onlangs door het Parlement is goedgekeurd, voorziet in een afkoelingsperiode van 3 jaar voordat een lid van het Europees Parlement in aanmerking komt voor het ambt van de ombudsman;

50.  herhaalt dat het van cruciaal belang is de onafhankelijkheid en de integriteit van de Ombudsman te bewaren en ervoor te zorgen dat het ambt wordt uitgeoefend door personen die vrij zijn van duidelijke partijpolitieke banden, belangenconflicten en die een sterk gevoel voor ethiek hebben;

51.  spreekt zijn waardering uit voor de uitstekende en vruchtbare samenwerking tussen de ombudsman en haar team en de Commissie verzoekschriften;

52.  uit zijn erkenning voor de uitstekende samenwerking met de Ombudsman tijdens haar mandaat en verzoekt de aanstaande Ombudsman om deze samenwerking en structurele dialoog met de Commissie verzoekschriften voort te zetten, om zo de kwaliteit van de EU-administratie en de toegankelijkheid en kwaliteit van de diensten die deze administratie aan onze burgers biedt, verder te verbeteren;

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het verslag van de Commissie verzoekschriften te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de ombudsmannen of soortgelijke instanties in de lidstaten.

(1) PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0045.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0114.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0080.
(5) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0271.
(7) Gevoegde zaken C-39/05 en C-52/05 P, Koninkrijk Zweden en Maurizio Turco tegen de Raad van de Europese Unie, Jurisprudentie 2008, blz. I-04723.


Instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen
PDF 134kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen (2019/2950(RSP))
P9_TA(2020)0017B9-0047/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“het Statuut”), en met name de artikelen 11, onder a), 12, 16 en 17 daarvan(1),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2011 over de kwijting 2009: prestaties, financieel beheer en controle van de agentschappen(2),

–  gezien Speciaal verslag nr. 15/2012 van de Europese Rekenkamer getiteld: “Omgang met belangenconflicten bij een selectie van agentschappen van de EU”(3),

–  gezien het besluit van de Commissie van 29 juni 2018 betreffende nevenactiviteiten en ‑opdrachten en betreffende beroepsactiviteiten na beëindiging van de dienst (C(2018)4048),

–  gezien de persmededeling van de Europese Bankautoriteit (EBA) van 17 september 2019, waarin wordt aangekondigd dat Adam Farkas ontslag neemt als uitvoerend directeur van de EBA, met ingang van 31 januari 2020(4),

–  gezien de vraag aan de Commissie over de aanstelling van Adam Farkas, uitvoerend directeur van de EBA, als hoofd van de Vereniging van Financiële Markten in Europa (AFME) (O-000031/2019 – B9-0054/2019) en de antwoorden van de Commissie op 24 oktober 2019(5),

–  gezien de antwoorden van de voorzitter van de EBA tijdens een hoorzitting van de Commissie economische en monetaire zaken op 4 november 2019,

–  gezien het verslag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 23 augustus 2010, getiteld “Post-Public Employment: Good Practices for Preventing Conflict of Interest”(6),

–  gezien werkdocument 06/2010 van Transparency International, getiteld “Regulating the Revolving Door”(7),

–  gezien de ontwerpaanbevelingen van de Europese Ombudsman met betrekking tot het onderzoek naar klacht 775/2010/ANA tegen de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)(8),

–  gezien de brief van de Ombudsman aan de directeur van het Europees Agentschap voor chemische stoffen van 13 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van artikel 16 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie(9),

–  gezien de brief van de Ombudsman aan de directeur van de EBA van 13 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van artikel 16 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie(10),

–  gezien het verslag van de Europese Ombudsman van 28 februari 2019 over de openbaarmaking van informatie over voormalig personeel in hoge functies, teneinde het verbod van één jaar op lobbying of belangenbehartiging af te dwingen: SI/2/2017/NF(11),

–  gezien zijn resolutie van 12 februari 2019 over de ontwerpverordening van het Europees Parlement inzake het statuut en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van de Europese ombudsman (statuut van de Europese Ombudsman)(12),

–  gezien de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2019-2024(13),

–  gezien de vraag aan de Commissie getiteld “Instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen” (O-000048/2019 – B9‑0001/2020),

–  gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien de door de Commissie economische en monetaire zaken ingediende ontwerpresolutie,

A.  overwegende dat overeenkomstig artikel 298, lid 1, van het VWEU de instellingen, organen en instanties van de Unie bij de vervulling van hun taken op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat moeten steunen;

B.  overwegende dat in artikel 1, lid 68, van Verordening (EU) nr. 1093/2010(14) het volgende is bepaald: “Het Statuut, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Unie zijn vastgesteld ter uitvoering van genoemd Statuut en van genoemde Regeling zijn van toepassing op het personeel van de Autoriteit, met inbegrip van de uitvoerend directeur en de voorzitter”;

C.  overwegende dat met name in artikel 16 en artikel 17 van het Statuut van de ambtenaren beginselen zijn bepaald voor ambtenaren die de instellingen verlaten, met inbegrip van bepalingen over de preventie van belangenconflicten;

D.  overwegende dat de uitvoerend directeur van de EBA een aanstelling als hoofd van de Vereniging van Financiële Markten (AFME) per 1 februari 2020 heeft aanvaard en hij zijn ontslag heeft gegeven als uitvoerend directeur van de EBA met ingang van 31 januari 2020;

E.  overwegende dat de raad van bestuur en de raad van toezicht van de EBA besloten hebben de aanstelling van de uitvoerend directeur van de EBA als hoofd van de AFME te aanvaarden; overwegende dat de raad van toezicht het besluit genomen heeft zijn uitvoerend directeur relatief lichte beperkingen op te leggen, die volgens de EBA het belangenconflict zullen aanpakken dat voortvloeit uit zijn nieuwe functie bij de AFME; overwegende dat deze beperkingen van toepassing zijn op zijn werkzaamheden zolang hij in dienst is bij de EBA, maar ook na zijn uitdiensttreding;

F.  overwegende dat de voorzitter van de EBA tijdens een hoorzitting in het Europees Parlement benadrukte dat het moeilijk is beperkingen op te leggen met betrekking tot activiteiten na uitdiensttreding bij de overheid;

G.  overwegende dat personen met een leidinggevende functie die bij een toezichthoudende autoriteit uit dienst treden, momenteel geen tijdelijke vergoeding krijgen;

H.  overwegende dat belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid en draaideurconstructies een steeds terugkerende bron van zorg zijn, en zijn beoordeeld en geanalyseerd door internationale en EU-organen, met name de Europese Ombudsman en de Europese Rekenkamer;

I.  overwegende dat dergelijke draaideurconstructies lobbygroepen de kans geven om regulators te belonen voor hun optreden in het verleden, wat nadelige stimuleringsmaatregelen in de hand werkt;

1.  onderstreept het belang van een open, doeltreffende en onafhankelijke Europese administratie voor de EU in haar geheel, met inbegrip van instellingen, organen en agentschappen in de economische en monetaire unie;

2.  maakt zich zorgen over het belangenconflict dat is ontstaan als gevolg van de aanstelling van de uitvoerend directeur van de EBA als hoofd van de AFME met ingang van 1 februari 2020; merkt op dat deze overstap zonder afkoelingsperiode na zijn uitdiensttreding bij de overheid een risico vormt, en zowel de reputatie en de onafhankelijkheid van de EBA in gevaar brengt als die van alle EU‑instellingen en het Europese project als geheel;

3.  herinnert eraan dat, indien belangenconflicten niet worden aangepakt, niet alleen de handhaving van strenge ethische normen in de Europese administratie in gevaar wordt gebracht, maar ook het recht op behoorlijk bestuur wordt bedreigd, waardoor het voor de goede werking van de interne markt vereiste gelijke speelveld in het gedrang komt;

4.  roept op tot de doeltreffende en consequente toepassing van het Statuut van de ambtenaren, met name artikel 16 daarvan, teneinde belangenconflicten te voorkomen, in het bijzonder – maar niet uitsluitend – met betrekking tot hoge ambtenaren; benadrukt dat artikel 16 de EU‑instellingen de mogelijkheid biedt om het verzoek van een gewezen ambtenaar om een specifieke baan aan te mogen nemen, af te wijzen, indien beperkingen niet volstaan om de legitieme belangen van de instellingen te beschermen; benadrukt dat, in het geval van de heer Farkas, het verbod op een rechtstreekse overstap naar de AFME overwogen had kunnen worden uit hoofde van artikel 21, lid 3, onder b), van Besluit C(2018)4048 van de Commissie, aangezien de AFME als een “tegenpartij” kan worden beschouwd;

5.  vreest dat het vaak niet mogelijk is de voorwaarden te handhaven die met betrekking tot activiteiten na uitdiensttreding bij de overheid worden opgelegd; moedigt de EU-instellingen en -agentschappen bijgevolg aan te overwegen gebruik te maken van de volledige waaier aan instrumenten uit hoofde van artikel 16 van het Statuut van de ambtenaren;

6.  heeft twijfels bij het besluit van de raad van toezicht en de raad van bestuur van de EBA om de heer Farkas toe te staan een functie als hoofd van de AFME op te nemen; verzoekt hen dit besluit te herzien;

7.  merkt op dat ervaring in de particuliere sector waardevol kan zijn voor ambtenaren, maar ook aanleiding kan geven tot draaideurconstructies, wanneer er een direct verband bestaat tussen de voormalige werkgever en de nieuwe functie in de instelling; onderstreept dat dit de integriteit van de EU‑instellingen kan ondermijnen en het vertrouwen van de burgers kan schaden; wijst daarom op de steeds grotere noodzaak om na te gaan hoe belangenconflicten ook kunnen voortvloeien uit het bekleden van bepaalde functies voorafgaand aan de indiensttreding bij de overheid of voorafgaand aan de benoeming in een functie met regelgevende of uitvoerende bevoegdheden en verantwoordelijkheden, en beveelt aan hier meer aandacht aan te besteden;

8.  benadrukt dat belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid en draaideurconstructies een probleem vormen waar alle instellingen, organen en instanties in de EU en in de lidstaten mee kampen; onderstreept dan ook de behoefte aan een uniform wettelijk kader om deze kwesties doeltreffend aan te pakken;

9.  neemt kennis van de werkzaamheden op internationaal niveau (OESO) om een geharmoniseerd kader met betrekking tot uitdiensttreding bij de overheid te verzekeren; wijst op EU‑niveau op de werkzaamheden van de Europese Rekenkamer en de Europese Ombudsman in dit verband; merkt op dat een tijdige tenuitvoerlegging van deze aanbevelingen soortgelijke problemen in de toekomst kan voorkomen;

10.  benadrukt dat de arbeidservaring die personeelsleden van organen en instellingen van de Unie hebben opgedaan in de particuliere sector waardevol kan zijn voor een regelgevend of toezichthoudend orgaan, maar dat de EU‑instellingen en ‑organen doordrongen moeten zijn van een sterk dienstverleningsethos, om de Europese burgers zo goed mogelijk te dienen;

11.  verzoekt de Europese Rekenkamer grondig te analyseren hoe de organen en agentschappen in de economische en monetaire unie situaties met mogelijke belangenconflicten aanpakken; vraagt de Europese Rekenkamer beste praktijken in kaart te brengen;

12.  verzoekt de Commissie de huidige praktijk op het gebied van uitdiensttreding bij de overheid op nationaal en EU-niveau te beoordelen, met het oog op de vaststelling van krachtigere maatregelen ter voorkoming van belangenconflicten wanneer hoge ambtenaren van EU‑organen hun functie neerleggen om een baan in de particuliere sector aan te nemen of wanneer personen uit de particuliere sector benoemd worden in een hoge functie in een EU-orgaan; vraagt de Commissie rekening te houden met de bevindingen in dit verband bij de eventuele vormgeving van een geharmoniseerd wettelijk kader voor de voorkoming van belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid;

13.  herinnert aan de belofte van de Commissie tijdens het plenaire debat van 24 oktober 2019 om het wettelijk kader inzake uitdiensttreding te herzien; verzoekt de Commissie te voorzien in een geharmoniseerd wettelijk kader ter voorkoming van belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid, teneinde strenge ethische normen te waarborgen; benadrukt dat de werkwijze van de EU afgestemd moet zijn op de internationale normen; onderstreept dat dezelfde normen toegepast moeten worden op nationaal en op EU‑niveau;

14.  verzoekt de Commissie om bij haar beoordeling van het kader inzake uitdiensttreding bij de overheid specifieke risicogebieden vast te stellen waarop mogelijk versterking vereist is, onder meer aan de hand van meer mogelijkheden om het aannemen van een nieuwe baan te verbieden, en om te overwegen de afkoelingsperiode voor hoge ambtenaren te verlengen naargelang van het specifieke geval, teneinde gelijke behandeling in overeenstemming met artikel 15 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te verzekeren; benadrukt dat de vereiste van voorafgaande openbaarmaking van belangenconflicten, als bepaald in artikel 11 van het Statuut van de ambtenaren, ten uitvoer moet worden gelegd op een manier die verzekert dat de potentiële belangenconflicten van een kandidaat aan het licht komen ruim vóór de indiensttreding bij een EU‑orgaan; benadrukt voorts dat alle EU‑organen hun interne regels voor het aanpakken van belangenconflicten op hun website moeten zetten, en dat rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen van de Europese Ombudsman van 2017 betreffende de bekendmaking van de jaarlijkse informatie die vereist is uit hoofde van artikel 16, lid 4, van het Statuut van de ambtenaren;

15.  verzoekt de Commissie deze herziening uit te breiden tot belangenconflicten voorafgaand aan de indiensttreding bij de overheid, en te overwegen de bestaande maatregelen te versterken, bijvoorbeeld de verplichte afstoting van belangen in ondernemingen die onderworpen zijn aan de autoriteit van de instelling waartoe een recent benoemde ambtenaar behoort of die met die instellingen betrekkingen onderhouden, en ook nieuwe soorten preventieve maatregelen te overwegen, zoals een verplichte wraking bij de behandeling van zaken die een voormalige werkgever uit de particuliere sector betreffen;

16.  is van oordeel dat het verbod om een bepaalde nieuwe baan aan te nemen geen schending van het recht op werk vormt indien de betrokken persoon reeds een baan heeft en het verbod voldoende gericht en gerechtvaardigd is;

17.  merkt op dat, indien langere afkoelingsperioden worden ingevoerd voor hoge ambtenaren die bij een agentschap uit dienst treden, kan worden overwogen deze ambtenaren een passende tijdelijke toelage toe te kennen; onderstreept dat dergelijke tijdelijke toelagen moeten worden stopgezet wanneer tijdens de afkoelingsperiode een nieuwe baan wordt aanvaard;

18.  vraagt de Commissie te oordelen of het passend is dat de betrokken EU‑agentschappen zelf beslissingen nemen met betrekking tot de handhaving van de regels inzake de voorkoming van belangenconflicten en de manier waarop een consequente toepassing van de regels kan worden gewaarborgd; is van oordeel dat het onafhankelijke ethisch orgaan, zoals voorgesteld door Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, de meest geschikte instantie is om in de toekomst beslissingen te nemen in verband met belangenconflicten waarbij EU‑personeelsleden betrokken zijn;

19.  raadt alle leden van het Europees Parlement en alle vertegenwoordigers van de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie aan om gedurende een periode van twee jaar geen contact meer te hebben met de huidige uitvoerend directeur, als en wanneer hij zijn functie als hoofd van de AFME opneemt; dringt er bij de diensten die permanente toegangspasjes voor de gebouwen van het Parlement (“bruine badges”) afleveren op aan het geval van de heer Farkas grondig te bekijken, en te overwegen hem geen badge toe te kennen gedurende de hierboven genoemde periode (twee jaar), om een potentieel belangenconflict te vermijden;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Rekenkamer, en de Europese Ombudsman.

(1) PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385.
(2) PB L 250 van 27.9.2011, blz. 268.
(3) https://www.eca.europa.eu/Lists/News/NEWS1210_11/NEWS1210_11_EN.PDF
(4) https://eba.europa.eu/adam-farkas-steps-down-as-eba-executive-director
(5) https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/O-9-2019-000031_NL.html
(6) https://read.oecd-ilibrary.org/governance/post-public-employment_9789264056701-en#page7
(7) https://www.transparency.org/whatwedo/publication/working_paper_06_2010_regulating_the_revolving_door
(8) https://www.ombudsman.europa.eu/en/recommendation/en/11089
(9) https://www.ombudsman.europa.eu/en/correspondence/en/80697
(10) https://www.ombudsman.europa.eu/en/correspondence/en/80699
(11) https://www.ombudsman.europa.eu/en/report/en/110521
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0080.
(13) https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/political-guidelines-next-commission_en.pdf
(14) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

Juridische mededeling - Privacybeleid