Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 30 januari 2020 - BrusselDefinitieve uitgave
Onderzoek geloofsbrieven
 Benoeming van een lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
 Benoeming van een lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
 Benoeming van de vicevoorzitter van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
 Benoeming van de uitvoerend directeur van de Europese Bankautoriteit
 Universele oplader voor mobiele radioapparatuur
 Loonkloof tussen mannen en vrouwen

Onderzoek geloofsbrieven
PDF 205kWORD 66k
Besluit
Bijlage
Besluit van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over het onderzoek van de geloofsbrieven (2019/2180(REG))
P9_TA(2020)0019A9-0015/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 10, lid 1, en artikel 14, leden 2 en 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan Besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976(1), zoals gewijzigd en vernummerd bij Besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad van 25 juni 2002 en 23 september 2002(2),

–  gezien zijn Besluit 2005/684/EG, Euratom van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement(3), en met name artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1,

–  gezien Richtlijn 93/109/EG van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn(4), zoals gewijzigd door Richtlijn 2013/1/EU van de Raad van 20 december 2012(5),

–  gezien Besluit 2013/312/EU van de Europese Raad van 28 juni 2013 inzake de samenstelling van het Europees Parlement(6) en Besluit (EU) 2018/937 van de Europese Raad van 28 juni 2018 inzake de samenstelling van het Europees Parlement(7),

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juli 2005, 30 april 2009 en 19 december 2019(8),

–  gezien de officiële bekendmaking door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement,

–  gezien het besluit van de Spaanse Junta Electoral Central van 13 juni 2019 tot bekendmaking van de kandidaten die bij de verkiezingen voor het Europees Parlement van 26 mei 2019 verkozen zijn, dat gepubliceerd is in het Boletín Oficial del Estado van 14 juni 2019(9),

–  gezien de artikelen 3, 4 en 11 van en bijlage I bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0015/2020),

A.  overwegende dat overeenkomstig artikel 12 van de Akte van 20 september 1976, het Europees Parlement de geloofsbrieven onderzoekt van de leden van het Europees Parlement en dat het hiertoe nota neemt van de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen en beslist over de bezwaren die eventueel kunnen worden ingebracht op grond van de bepalingen van de Akte van 1976, met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar genoemde akte verwijst;

B.  overwegende dat alle lidstaten het Parlement overeenkomstig artikel 3, lid 1, van het Reglement de namen van de gekozen leden hebben meegedeeld; dat niet alle namen zijn doorgegeven;

C.  overwegende dat overeenkomstig artikel 3 van Besluit 2013/312/EU van de Europese Raad van 28 juni 2013 en artikel 3, lid 2, van Besluit (EU) 2018/937 van de Europese Raad van 28 juni 2018 het aantal vertegenwoordigers in het Europees Parlement dat aan Spanje is toegekend momenteel 54 bedraagt, terwijl de bekendmaking door de bevoegde Spaanse autoriteiten slechts 51 namen bevat; overwegende dat het Parlement op basis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie(10) en overeenkomstig artikel 12 van de Akte van 20 september 1976 kennis neemt van het besluit van de Junta Electoral Central van 13 juni 2019 tot bekendmaking van de kandidaten die bij de verkiezingen voor het Europees Parlement van 26 mei 2019 verkozen zijn, dat gepubliceerd is in het Boletín Oficial del Estado van 14 juni 2019, met het oog op de opstelling van de lijst van gekozen leden; overwegende dat het aantal in Spanje verkozen vertegenwoordigers in het Europees Parlement derhalve 54 bedraagt;

D.  overwegende dat bezwaren tegen de verkiezing van bepaalde leden van het Europees Parlement in de lidstaten kunnen worden onderzocht overeenkomstig de nationale wetgeving en dat deze procedures kunnen leiden tot nietigverklaring van de verkiezing van de betrokken leden;

E.  overwegende dat sommige lidstaten de lijst van de eventuele vervangers in de uit de verkiezingsuitslag blijkende volgorde, als vereist op grond van artikel 3, lid 3, van het Reglement, te laat hebben doorgestuurd, terwijl andere deze nog helemaal niet hebben doorgestuurd;

F.  overwegende dat overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het Reglement het mandaat van een lid van het Europees Parlement slechts geldig kan worden verklaard als de schriftelijke verklaring dat de betrokkene geen functie bekleedt die onverenigbaar is met de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement en de schriftelijke verklaring over de financiële belangen, die vereist zijn op grond van artikel 3 van en bijlage I bij het Reglement, ingediend zijn;

G.  overwegende dat in artikel 7, leden 1 en 2, van de Akte van 1976 duidelijk wordt bepaald welke functies onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement;

H.  overwegende dat overeenkomstig artikel 11 van en bijlage I bij het Reglement elk lid van het Europees Parlement een gedetailleerde verklaring moet indienen over: (a) de beroepswerkzaamheden van het lid gedurende de drie jaar voor zijn ambtsaanvaarding in het Parlement, alsook zijn deelname aan comités en raden van bestuur gedurende diezelfde periode bij een onderneming, niet-gouvernementele organisatie, vereniging of enige andere organisatie die aan het rechtsverkeer deelneemt; (b) elke bezoldiging die het lid voor de uitoefening van een mandaat in een ander parlement ontvangt; (c) elke vaste bezoldigde activiteit die het lid naast zijn taken uitoefent, in loondienst dan wel als zelfstandige; (d) zijn al dan niet bezoldigde deelname aan comités of raden van bestuur van ondernemingen, niet-gouvernementele organisaties, verenigingen of andere rechtens opgerichte organisaties, of van de uitoefening van enige andere externe werkzaamheid die hij al dan niet bezoldigd verricht; (e) incidentele externe werkzaamheden die hij tegen vergoeding verricht, wanneer de vergoedingen voor alle incidentele externe werkzaamheden van het lid in totaal meer bedragen dan 5 000 EUR per kalenderjaar; (f) deelname in ondernemingen of maatschappen wanneer dit gevolgen kan hebben voor het overheidsbeleid of wanneer die deelname het lid aanzienlijke invloed verschaft op de zakelijke belangen van de betrokken organisatie; (g) alle in het kader van zijn politieke activiteiten door derden verleende financiële, personele of materiële steun, naast de door het Parlement beschikbaar gestelde middelen, die aan het lid in het kader van zijn politieke activiteiten door derden wordt verleend, met vermelding van hun identiteit; (h) overige financiële belangen die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van zijn taken. Voor elk van deze punten moet het lid in voorkomend geval aangeven of de betrokken activiteit bezoldigd is of niet, en voor de punten a), c), d), e) en f) vermeldt het lid tevens de toepasselijke inkomstenscategorie; overwegende dat de verstrekte informatie wordt gepubliceerd op de website van het Parlement;

I.  overwegende dat het mandaat van de vertegenwoordigers die verkozen zijn in het Verenigd Koninkrijk, gebaseerd is op het EU-lidmaatschap van dit land; overwegende dat het mandaat van deze leden van het Europees Parlement als gevolg hiervan en krachtens artikel 3, lid 2, derde alinea, van Besluit (EU) 2018/937 van de Europese Raad van 28 juni 2018 automatisch afloopt indien en op de dag waarop de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie rechtsgeldig wordt;

J.  overwegende dat op grond van dezelfde bepalingen van Besluit (EU) 2018/937 van de Europese Raad de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie niet leidt tot een vacature overeenkomstig artikel 13 van de Akte van 1976 en artikel 4 van het Reglement en dat het einde van het mandaat van de vertegenwoordigers die verkozen zijn in het Verenigd Koninkrijk, bijgevolg automatisch zal zijn en er zal komen zonder dat dit door het Europees Parlement hoeft te worden vastgesteld;

K.  overwegende dat, in geval van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk, het aantal vertegenwoordigers in het Europees Parlement per lidstaat na het effectief worden van de terugtrekking is vastgesteld bij Besluit (EU) 2018/937 van de Europese Raad en ertoe zal leiden dat vertegenwoordigers van sommige lidstaten extra zetels invullen als gevolg van het aantal zetels dat overeenkomstig de eerste en tweede alinea van artikel 3, lid 2, van genoemd besluit is toegewezen;

L.  overwegende dat sommige lidstaten wet- of regelgeving hebben aangenomen waarin de voorwaarden voor de organisatie van verkiezingen met transnationale lijsten zijn vastgelegd;

M.  overwegende dat het actief kiesrecht in de lidstaat van herkomst kan worden ontnomen aan onderdanen van bepaalde lidstaten die sinds een bepaalde periode in een ander land wonen (disenfranchisement); overwegende dat dit in sommige gevallen tevens de ontneming van het passief kiesrecht kan inhouden;

1.  verklaart dat het mandaat van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen leden van het Europees Parlement, behoudens eventuele besluiten van de bevoegde autoriteiten waarbij de verkiezingsuitslagen kunnen zijn aangevochten, geldig is;

2.  herhaalt zijn verzoek aan de bevoegde nationale autoriteiten om niet alleen onmiddellijk alle namen van de gekozen kandidaten aan het Parlement mee te delen, maar ook de namen van eventuele vervangers door te sturen, in de uit de verkiezingsuitslag blijkende volgorde, en dringt er bij de autoriteiten die deze bekendmaking nog moeten doen, op aan om hier onmiddellijk toe over te gaan;

3.  verzoekt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om onverwijld het onderzoek van eventuele bezwaren die bij hen zijn ingediend, af te ronden en het Parlement in kennis te stellen van de resultaten daarvan; roept ertoe op het verloop van de Europese verkiezingen op transparante wijze te evalueren;

4.  merkt op dat het mandaat van de vertegenwoordigers die verkozen zijn in het Verenigd Koninkrijk, automatisch zal aflopen indien en op de dag waarop de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie rechtsgeldig wordt;

5.  verwacht in dat geval dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zonder onnodige vertraging de nodige bekendmakingen zullen doen om de extra zetels in te vullen;

6.  is van mening dat ontneming van het actief kiesrecht mogelijk een ontmoedigend effect heeft op de burgers die van plan zijn het recht van vrij verkeer binnen de EU uit te oefenen (artikel 20, lid 2, onder a), VWEU) en dat deze ontneming gevolgen heeft voor burgers die dit recht uitgeoefend hebben; is van mening dat ontneming van het actief kiesrecht in strijd is met het beginsel van algemeen kiesrecht (artikel 14, lid 3, VEU en artikel 1, lid 3, van de Akte van 1976); spreekt bovendien zijn bezorgdheid uit met betrekking tot situaties waarin burgers worden belemmerd hun stemrecht uit te oefenen door een gebrek aan duidelijkheid van de procedures, inclusief met betrekking tot stemlijsten, vereisten inzake fysieke aanwezigheid of moeilijkheden om toegang te verkrijgen tot de informatie van de lidstaten die nodig is om hun stemrecht uit te oefenen; is van mening dat ontneming van het actief kiesrecht of vereisten die de uitoefening van het stemrecht op onevenredige wijze belemmeren, onder geen beding mogen worden toegepast op de Europese verkiezingen, en verzoekt de Commissie erop toe te zien dat geen van de lidstaten in die mogelijkheid voorziet;

7.  verzoekt de lidstaten waar dergelijke problemen zich eventueel hebben voorgedaan, om de registratieformaliteiten voor de deelname van onderdanen van andere lidstaten aan de Europese verkiezingen, hetzij als kiezers hetzij als kandidaten, te vereenvoudigen, in het bijzonder door onnodige administratieve belemmeringen op te heffen, teneinde de in artikel 20, lid 2, onder a) en b), VWEU genoemde rechten effectief te maken; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de praktijken van de lidstaten in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving;

8.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Commissie en aan de bevoegde nationale autoriteiten en de parlementen van de lidstaten.

BIJLAGE: Lijst van leden van het Europees Parlement van wie het mandaat geldig is verklaard

(2 juli 2019)

België (21 leden)

ANNEMANS Gerolf

ARENA Maria

ARIMONT Pascal

BOTENGA Marc

BOURGEOIS Geert

BRICMONT Saskia

CHASTEL Olivier

DE MAN Filip

DE SUTTER Petra

FRANSSEN Cindy

KANKO Assita

LAMBERTS Philippe

LUTGEN Benoît

PEETERS Kris

RIES Frédérique

TARABELLA Marc

VAN BREMPT Kathleen

VAN OVERTVELDT Johan

VANDENDRIESSCHE Tom

VAUTMANS Hilde

VERHOFSTADT Guy

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Bulgarije (17 leden)

ADEMOV Asim

ALEXANDROV YORDANOV Alexander

ALIEVA-VELI Atidzhe

DZHAMBAZKI Angel

HRISTOV Ivo

KANEV Radan

KOVATCHEV Andrey

KYUCHYUK Ilhan

MAYDELL Eva

MIHAYLOVA Iskra

NOVAKOV Andrey

PENKOVA Tsvetelina

RADEV Emil

SLABAKOV Andrey

STANISHEV Sergei

VITANOV Petar

YONCHEVA Elena

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Tsjechische Republiek (21 leden)

BLAŠKO Hynek

CHARANZOVÁ Dita

DAVID Ivan

DLABAJOVÁ Martina

GREGOROVÁ Markéta

HLAVÁČEK Martin

KNOTEK Ondřej

KOLAJA Marcel

KONEČNÁ Kateřina

KOVAŘÍK Ondřej

MAXOVÁ Radka

NIEDERMAYER Luděk

PEKSA Mikuláš

POLČÁK Stanislav

POSPÍŠIL Jiří

ŠOJDROVÁ Michaela

TOŠENOVSKÝ Evžen

VONDRA Alexandr

VRECIONOVÁ Veronika

ZAHRADIL Jan

ZDECHOVSKÝ Tomáš

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Denemarken (13 leden)

AUKEN Margrete

CHRISTENSEN Asger

FUGLSANG Niels

GADE Søren

KOFOD Peter

LØKKEGAARD Morten

MELCHIOR Karen

PETER-HANSEN Kira Marie

PETERSEN Morten

SCHALDEMOSE Christel

VILLUMSEN Nikolaj

VIND Marianne (*)

WEISS Pernille

(*) Mandaat geldig per 2 juli 2019, d.w.z. de datum die vermeld is in de bekendmaking door de bevoegde nationale autoriteit van de verkiezing van mevrouw Marianne VIND ter vervanging van de heer Jeppe KOFOD, wiens besluit om de functie op te nemen van minister van de Deense regering en bijgevolg zijn mandaat als lid van het Europees Parlement niet in te leiden, door de Deense bekendgemaakt is op 27 juni 2019.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Duitsland (96 leden)

ANDERSON Christine

ANDRESEN Rasmus

BARLEY Katarina

BECK Gunnar

BEER Nicola

BENTELE Hildegard

BERG Lars Patrick

BERGER Stefan

BISCHOFF Gabriele

BLOSS Michael

BOESELAGER Damian

BREYER Patrick

BUCHHEIT Markus

BUCHNER Klaus

BULLMAN Udo

BURKHARDT Delara

BUSCHMANN Martin

BÜTIKOFER Reinhard

CASPARY Daniel

CAVAZZINI Anna

DEMIREL Özlem

DEPARNAY-GRUNENBERG Anna

DOLESCHAL Christian

DÜPONT Lena

EHLER Christian

ERNST Cornelia

EROGLU Engin

ERTUG Ismail

FERBER Markus

FEST Nicolaus

FRANZ Romeo

FREUND Daniel

GAHLER Michael

GEBHARDT Evelyne

GEESE Alexandra

GEIER Jens

GEUKING Helmut

GIEGOLD Sven

GIESEKE Jens

GLÜCK Andreas

HAHN Henrike

HAHN Svenja

HÄUSLING Martin

HERBST Niclas

HERZBERGER-FOFANA Pierrette

HOHLMEIER Monika

JAHR Peter

KAMMEREVERT Petra

KELLER Ska

KÖRNER Moritz

KÖSTER Dietmar

KRAH Maximilian

KREHL Constanze

KUHS Joachim

LAGODINSKY Sergey

LANGE Bernd

LANGENSIEPEN Katrin

LIESE Peter

LIMMER Sylvia

LINS Norbert

MARQUARDT Erik

McALLISTER David

MEUTHEN Jörg

MICHELS Martina

MORTLER Marlene

MÜLLER Ulrike

NEUMANN Hannah

NEUSER Norbert

NIEBLER Angelika

NIENASS Niklas

NOICHL Maria

OETJEN Jan-Christoph

PAULUS Jutta

PIEPER Markus

RADTKE Dennis

REIL Guido

REINTKE Terry

SCHIRDEWAN Martin

SCHNEIDER Christine

SCHOLZ Helmut

SCHULZE Sven

SCHUSTER Joachim

SCHWAB Andreas

SEEKATZ Ralf

SEMSROTT Nico

SIMON Sven

SIPPEL Birgit

SONNEBORN Martin

VERHEYEN Sabine

VON CRAMON-TAUBADEL Viola

VOSS Axel

WALSMANN Marion

WEBER Manfred

WIELAND Rainer

WÖLKEN Tiemo

ZIMNIOK Bernhard

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Estland (6 leden)

ANSIP Andrus

KALJURAND Marina

MADISON Jaak

MIKSER Sven

PAET Urmas

TOOM Yana

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Ierland (11 leden)

CARTHY Matt

CUFFE Ciarán

DALY Clare

FITZGERALD Frances

FLANAGAN Luke Ming

KELLEHER Billy

KELLY Seán

McGUINNESS Mairead

O’SULLIVAN Grace

WALLACE Mick

WALSH Maria

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Griekenland (21 leden)

ANDROULAKIS Nikos

ARVANITIS Konstantinos

ASIMAKOPOULOU Anna-Michelle

FRAGKOS Emmanouil (*)

GEORGOULIS Alexis

KAILI Eva

KEFALOGIANNIS Manolis

KOKKALIS Petros

KONSTANTINOU Athanasios

KOULOGLOU Stelios

KOUNTOURA Elena

KYMPOUROPOULOS Stelios

KYRTSOS Georgios

LAGOS Ioannis

MEIMARAKIS Vangelis

NIKOLAOU-ALAVANOS Lefteris

PAPADAKIS Kostas

PAPADIMOULIS Dimitrios

SPYRAKI Maria

VELOPOULOS Kyriakos (**)

VOZEMBERG-VRIONIDI Elissavet

ZAGORAKIS Theodoros

(*) Mandaat geldig per 10 juli 2019, d.w.z. de datum van de bekendmaking door de bevoegde nationale autoriteit van de verkiezing van de heer Emmanouil FRAGKOS ter vervanging van de heer Kyriakos VELOPOULOS.

(**) Het mandaat van de heer Kyriakos VELOPOULOS liep af op 6 juli 2019.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Spanje (54 leden)

AGUILAR Mazaly

AGUILERA Clara

ARIAS ECHEVERRÍA Pablo

BARRENA ARZA Pernando

BAUZÁ DÍAZ José Ramón

BENJUMEA BENJUMEA Isabel

BILBAO BARANDICA Izaskun

BUXADÉ VILLALBA Jorge

CAÑAS Jordi

del CASTILLO VERA Pilar

DURÁ FERRANDIS Estrella (*)

ESTARÀS FERRAGUT Rosa

FERNÁNDEZ Jonás

GÁLVEZ MUÑOZ Lina

GARCÍA DEL BLANCO Ibán

GARCÍA-MARGALLO Y MARFIL José Manuel

GARCÍA MUÑOZ Isabel

GARCÍA PÉREZ Iratxe

GARDIAZABAL RUBIAL Eider

GARICANO Luis

GONZÁLEZ Mónica Silvana

GONZÁLEZ CASARES Nicolás

GONZÁLEZ PONS Esteban

HOMS GINEL Alicia

LÓPEZ Javi

LÓPEZ AGUILAR Juan Fernando

LÓPEZ GIL Leopoldo

LÓPEZ-ISTÚRIZ WHITE Antonio

LUENA César

MAESTRE MARTÍN DE ALMAGRO Cristina

MALDONADO LÓPEZ Adriana

MILLÁN MON Francisco José

MONTSERRAT Dolors

MORENO SÁNCHEZ Javier

NART Javier

PAGAZAURTUNDÚA Maite

PINEDA Manu

REGO Sira

RIBA I GINER Diana

RODRÍGUEZ PALOP Eugenia

RODRÍGUEZ-PIÑERO Inma

RODRÍGUEZ RAMOS María Soraya

RUIZ DEVESA Domènec

SÁNCHEZ AMOR Nacho

SOLÍS PÉREZ Susana

TERTSCH Hermann

URBÁN CRESPO Miguel

URTASUN Ernest

VILLANUEVA RUIZ Idoia

ZARZALEJOS Javier

ZOIDO ÁLVAREZ Juan Ignacio

(*) Mandaat geldig per 2 juli 2019, na bekendmaking door de bevoegde nationale autoriteit van de verkiezing van mevrouw Estrella DURÁ FERRANDIS ter vervanging van de heer Josep BORRELL FONTELLES, die op 26 juni 2019 afstand had gedaan van zijn zetel en die de nodige verklaringen voor het onderzoek van zijn geloofsbrieven niet had ingediend.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Frankrijk (74 leden)

ALFONSI François

ANDRIEU Eric

ANDROUËT Mathilde

AUBRY Manon

BARDELLA Jordan

BAY Nicolas

BEIGNEUX Aurelia

BELLAMY François-Xavier

BIJOUX Stéphane

BILDE Dominique

BITEAU Benoît

BOMPARD Manuel

BOYER Gilles

BRUNA Annika

BRUNET Sylvie

CANFIN Pascal

CARÊME Damien

CHABAUD Catherine

CHAIBI Leïla

COLIN-OESTERLÉ Nathalie

COLLARD Gilbert

CORMAND David

DANJEAN Arnaud

DECERLE Jérémy

DELBOS-CORFIELD Gwendoline

DELLI Karima

DIDIER Geoffroy

DURAND Pascal

EVREN Agnès

FARRENG Laurence

GARRAUD Jean-Paul

GLUCKSMANN Raphaël

GRISET Catherine

GRUDLER Christophe

GUETTA Bernard

GUILLAUME Sylvie

HAYER Valerie

HORTEFEUX Brice

JADOT Yannick

JALKH Jean-François

JAMET France

JORON Virginie

JUVIN Herve

KARLESKIND Pierre

KELLER Fabienne

LALUCQ Aurore

LAPORTE Hélène

LARROUTUROU Pierre

LEBRETON Gilles

LECHANTEUX Julie

LOISEAU Nathalie

MARIANI Thierry

MAUREL Emmanuel

MÉLIN Joëlle

MORANO Nadine

OLIVIER Philippe

OMARJEE Younous

PELLETIER Anne-Sophie

PIRBAKAS Maxette

RIQUET Dominique

RIVASI Michèle

RIVIÈRE Jérôme

ROOSE Caroline

ROUGÉ André

SANDER Anne

SATOURI Mounir

SÉJOURNÉ Stéphane

TOLLERET Irène

TOUSSAINT Marie

TRILLET-LENOIR Véronique

VEDRENNE Marie-Pierre

YENBOU Salima

YON-COURTIN Stéphanie

ZACHAROPOULOU Chrysoula

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Kroatië (11 leden)

BORZAN Biljana

FLEGO Valter

GLAVAK Sunčana (*)

KOLAKUŠIĆ Mislav

MATIĆ Predrag Fred

PICULA Tonino

RESSLER Karlo

SINČIĆ Ivan Vilibor

SOKOL Tomislav

ŠUICA Dubravka (**)

TOMAŠIĆ Ruža

ZOVKO Željana

(*) Mandaat geldig per 1 december 2019, datum van de bekendmaking door de bevoegde nationale autoriteit van de verkiezing van mevrouw Sunčana GLAVAK ter vervanging van mevrouw Dubravka ŠUICA.

Het mandaat van mevrouw Dubravka ŠUICA liep af op 30 november 2019.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Italië (73 leden)

ADINOLFI Isabella

ADINOLFI Matteo

BALDASSARRE Simona

BARTOLO Pietro

BASSO Alessandra

BEGHIN Tiziana

BENIFEI Brando

BERLUSCONI Silvio

BIZZOTTO Mara

BONAFÈ Simona

BONFRISCO Anna

BORCHIA Paolo

CALENDA Carlo

CAMPOMENOSI Marco

CAROPPO Andrea

CASANOVA Massimo

CASTALDO Fabio Massimo

CECCARDI Susanna

CHINNICI Caterina

CIOCCA Angelo

CONTE Rosanna

CORRAO Ignazio

COZZOLINO Andrea

D’AMATO Rosa

DANTI Nicola (*)

DA RE Gianantonio

DE CASTRO Paolo

DONATO Francesca

DORFMANN Herbert

DREOSTO Marco

EVI Eleonora

FERRANDINO Giuseppe

FERRARA Laura

FIDANZA Carlo

FIOCCHI Pietro

FITTO Raffaele

FURORE Mario

GANCIA Gianna

GEMMA Chiara

GIARRUSSO Dino

GRANT Valentino

GUALMINI Elisabetta

GUALTIERI Roberto (**)

LANCINI Danilo Oscar

LIZZI Elena

MAJORINO Pierfrancesco

MARTUSCIELLO Fulvio

MILAZZO Giuseppe

MORETTI Alessandra

PANZA Alessandro

PATRICIELLO Aldo

PEDICINI Piernicola

PICIERNO Pina

PIGNEDOLI Sabrina

PISAPIA Giuliano

PROCACCINI Nicola

REGIMENTI Luisa

RINALDI Antonio Maria

ROBERTI Franco

RONDINELLI Daniela

SALINI Massimiliano

SARDONE Silvia

SASSOLI David Maria

SMERIGLIO Massimiliano

STANCANELLI Raffaele

TAJANI Antonio

TARDINO Annalisa

TINAGLI Irene

TOIA Patrizia

TOVAGLIERI Isabella

VUOLO Lucia

ZAMBELLI Stefania

ZANNI Marco

ZULLO Marco

(*) Mandaat geldig per 5 september 2019, de datum die vermeld is in de bekendmaking door de bevoegde nationale autoriteit van de verkiezing van de heer Nicola DANTI ter vervanging van de heer Roberto GUALTIERI.

(**) Het mandaat van de heer Roberto GUALTIERI liep af op 4 september 2019.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Cyprus (6 leden)

CHRISTOFOROU Lefteris

FOURLAS Loukas

GEORGIOU Giorgios

KIZILYÜREK Niyazi

MAVRIDES Costas

PAPADAKIS Demetris

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Letland (8 leden)

AMERIKS Andris

IJABS Ivars

KALNIETE Sandra

MELBĀRDE Dace

UŠAKOVS Nils

VAIDERE Inese (*)

ZĪLE Roberts

ŽDANOKA Tatjana

(*) Mandaat geldig per 2 juli 2019, na bekendmaking door de bevoegde nationale autoriteit van de verkiezing van mevrouw Inese VAIDERE ter vervanging van de heer Valdis DOMBROVSKIS, die voor het begin van de negende zittingsperiode afstand had gedaan van zijn zetel en die de nodige verklaringen voor het onderzoek van zijn geloofsbrieven niet had ingediend.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Litouwen (11 leden)

AUŠTREVIČIUS Petras

BLINKEVIČIŪTĖ Vilija

JAKELIŪNAS Stasys

JUKNEVIČIENĖ Rasa

KUBILIUS Andrius

MALDEIKIENĖ Aušra

MAŽYLIS Liudas

OLEKAS Juozas

ROPĖ Bronis

TOMAŠEVSKI Valdemar

USPASKICH Viktor

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Luxemburg (6 leden)

ANGEL Marc (*)

GOERENS Charles

HANSEN Christophe

METZ Tilly

SCHMIT Nicolas (**)

SEMEDO Monica

WISELER-LIMA Isabel

(*) Mandaat geldig per 10 december 2019, de datum die vermeld is in de officiële bekendmaking door de nationale autoriteiten van de verkiezing van de heer Marc ANGEL ter vervanging van de heer Nicolas SCHMIT.

(**) Het mandaat van de heer Nicolas SCHMIT liep af op 30 november 2019.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Hongarije (21 leden)

ARA-KOVÁCS Attila

BOCSKOR Andrea

CSEH Katalin

DELI Andor

DEUTSCH Tamás

DOBREV Klára

DONÁTH Anna Júlia

GÁL Kinga

GYÖNGYÖSI Márton

GYŐRI Enikő

GYÜRK András

HIDVÉGHI Balázs

HÖLVÉNYI György

JÁRÓKA Lívia

KÓSA Ádám

MOLNÁR Csaba

RÓNAI Sándor

SZÁJER József

TÓTH Edina

TRÓCSÁNYI László

UJHELYI István

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Malta (6 leden)

AGIUS SALIBA Alex

CASA David

CUTAJAR Josianne

DALLI Miriam

METSOLA Roberta

SANT Alfred

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Nederland (26 leden)

AZMANI Malik

BERENDSEN Tom

CHAHIM Mohammed

van DALEN Peter

EICKHOUT Bas

EPPINK Derk Jan

HAZEKAMP Anja

HUITEMA Jan

JONGERIUS Agnes Maria

de LANGE Esther

LENAERS Jeroen

MANDERS Antonius

NAGTEGAAL Caroline

PIRI Kati

RAFAELA Samira

ROOKEN Rob

ROOS Rob

RUISSEN Bert-Jan

SCHREIJER-PIERIK Annie

SCHREINEMACHER Liesje

van SPARRENTAK Kim

STRIK Tineke

TANG Paul

TAX Vera

in 't VELD Sophia

WOLTERS Lara (*)

(*) Mandaat geldig per 4 juli 2019, datum van de bekendmaking door de bevoegde nationale autoriteit van de verkiezing van mevrouw Lara WOLTERS ter vervanging van de heer Frans TIMMERMANS, die de nodige verklaringen voor het onderzoek van zijn geloofsbrieven niet had ingediend en ervoor had gekozen het ambt te behouden van Europees commissaris.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Oostenrijk (18 leden)

BERNHUBER Alexander

EDTSTADLER Karoline (*)

GAMON Claudia

HAIDER Roman

HEIDE Hannes

KARAS Othmar

MANDL Lukas

MAYER Georg

REGNER Evelyn

SCHIEDER Andreas

SCHMIEDTBAUER Simone

SIDL Günther

THALER Barbara

VANA Monika

VILIMSKY Harald

VOLLATH Bettina

WIENER Sarah

WINZIG Angelika

(*) Het mandaat van mevrouw Karoline EDTSTADLER liep af op 6 januari 2020.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Polen (51 leden)

ADAMOWICZ Magdalena

ARŁUKOWICZ Bartosz

BALT Marek Paweł

BELKA Marek

BIEDROŃ Robert

BIELAN Adam

BRUDZIŃSKI Joachim Stanisław

BUZEK Jerzy

CIMOSZEWICZ Włodzimierz

CZARNECKI Ryszard

DUDA Jarosław

FOTYGA Anna

FRANKOWSKI Tomasz

HALICKI Andrzej

HETMAN Krzysztof

HÜBNER Danuta Maria

JAKI Patryk

JARUBAS Adam

JURGIEL Krzysztof

KALINOWSKI Jarosław

KARSKI Karol

KEMPA Beata

KLOC Izabela-Helena

KOHUT Łukasz

KOPACZ Ewa

KOPCIŃSKA Joanna

KRASNODĘBSKI Zdzisław

KRUK Elżbieta

KUŹMIUK Zbigniew

LEGUTKO Ryszard Antoni

LEWANDOWSKI Janusz

LIBERADZKI Bogusław

ŁUKACIJEWSKA Elżbieta Katarzyna

MAZUREK Beata

MILLER Leszek

MOŻDŻANOWSKA Andżelika Anna

OCHOJSKA Janina

OLBRYCHT Jan

PORĘBA Tomasz Piotr

RAFALSKA Elżbieta

RZOŃCA Bogdan

SARYUSZ-WOLSKI Jacek

SIKORSKI Radosław

SPUREK Sylwia

SZYDŁO Beata

THUN UND HOHENSTEIN Róża

TOBISZOWSKI Grzegorz

WASZCZYKOWSKI Witold Jan

WIŚNIEWSKA Jadwiga

ZALEWSKA Anna

ZŁOTOWSKI Kosma

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Portugal (21 leden)

AMARO Álvaro

CARVALHAIS Isabel (*)

CARVALHO Maria de Graça

CERDAS Sara

DIONÍSIO BRADFORD André Jorge (**)

FERNANDES José Manuel

FERREIRA João

GUERREIRO Francisco

GUSMÃO José

LEITÃO MARQUES Maria Manuel

MARQUES Margarida

MARQUES Pedro

MATIAS Marisa

MELO Nuno

MONTEIRO DE AGUIAR Cláudia

PEREIRA Lídia

PEREIRA Sandra

PIZARRO Manuel

RANGEL Paulo

SANTOS Isabel

SILVA PEREIRA Pedro

ZORRINHO Carlos

(*) Mandaat geldig per 3 september 2019, datum van de bekendmaking door de bevoegde nationale autoriteit van de verkiezing van mevrouw Isabel CARVALHAIS ter vervanging van de heer André Jorge DIONÍSIO BRADFORD.

(**) Het mandaat van de heer André Jorge DIONÍSIO BRADFORD liep af op 18 juli 2019.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Roemenië (32 leden)

ARMAND Clotilde

AVRAM Carmen

BĂSESCU Traian

BENEA Adrian-Dragoş

BLAGA Vasile

BOGDAN Ioan-Rareş

BOTOŞ Vlad-Marius

BUDA Daniel

BUŞOI Cristian-Silviu

CIOLOŞ Dacian

CIUHODARU Tudor

CREŢU Corina

FALCĂ Gheorghe

GHINEA Cristian

GRAPINI Maria

HAVA Mircea-Gheorghe

MANDA Claudiu

MARINESCU Marian-Jean

MOTREANU Dan-Ştefan

MUREȘAN Siegfried

NICA Dan

NISTOR Gheorghe-Vlad (*)

PÎSLARU Dragoş

PLUMB Rovana

ŞTEFĂNUȚĂ Nicolae

STRUGARIU Ramona

TERHEŞ Cristian

TOMAC Eugen

TUDORACHE Dragoş

TUDOSE Mihai

VĂLEAN Adina-Ioana (**)

VINCZE Loránt

WINKLER Iuliu

(*) Mandaat geldig per 2 december 2019, de datum die vermeld is in de bekendmaking door de bevoegde nationale autoriteit van de verkiezing van de heer Gheorghe-Vlad NISTOR ter vervanging van mevrouw Adina-Ioana VĂLEAN.

(**) Het mandaat van mevrouw Adina-Ioana VĂLEAN liep af op 30 november 2019.

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Slovenië (8 leden)

BOGOVIČ Franc

BRGLEZ Milan

FAJON Tanja

GROŠELJ Klemen

JOVEVA Irena

NOVAK Ljudmila

TOMC Romana

ZVER Milan

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Slowakije (13 leden)

BEŇOVÁ Monika

BILČÍK Vladimír

ČÍŽ Miroslav

ĎURIŠ NICHOLSONOVÁ Lucia

HAJŠEL Robert

HOJSÍK Martin

JURZYKA Eugen

POLLÁK Peter

RADAČOVSKÝ Miroslav

ŠIMEČKA Michal

ŠTEFANEC Ivan

UHRÍK Milan

WIEZIK Michal

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Finland (13 leden)

HAKKARAINEN Teuvo

HAUTALA Heidi

HEINÄLUOMA Eero

HUHTASAARI Laura

KATAINEN Elsi

KUMPULA-NATRI Miapetra

MODIG Silvia

NIINISTÖ Ville

PEKKARINEN Mauri

PIETIKÄINEN Sirpa

SARVAMAA Petri

TORVALDS Nils

VIRKKUNEN Henna

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Zweden (20 leden)

AL-SAHLANI Abir

BERGKVIST Erik

BJÖRK Malin

DANIELSSON Johan

FEDERLEY Fredrick

FRITZON Heléne

GUTELAND Jytte

HOLMGREN Pär

INCIR Evin

KARLSBRO Karin

KOKALARI Arba

KUHNKE Alice

LEGA David

LUNDGREN Peter

POLFJÄRD Jessica

SKYTTEDAL Sara

STEGRUD Jessica

TOBÉ Tomas

WARBORN Jörgen

WEIMERS Charlie

PARLEMENTSLEDEN PER LIDSTAAT

(2 juli 2019)

Verenigd Koninkrijk (73 leden)

AINSLIE Scott

ALLARD Christian

ANDERSON Martina

BEARDER Catherine

BENNION Phil

BROPHY Jane

BULL David

BULLOCK Jonathan

BUNTING Judith

CHOWNS Ellie

CORBETT Richard

DANCE Seb

DAUBNEY Martin Edward

DAVIES Chris

DE LUCY Belinda

DHAMIJA Dinesh

DODDS Diane

DOWDING Gina

ENGLAND KERR Andrew

EVANS Jill

FARAGE Nigel

FORMAN Lance

FOX Claire

GIBSON Barbara Ann

GILL Nathan

GILL Neena

GLANCY James Alexander

GRIFFIN Theresa

HABIB Ben

HANNAN Daniel

HARRIS Lucy Elizabeth

HEAVER Michael

HOOK Anthony

HORWOOD Martin

HOWARTH John

JONES Jackie

JORDAN Christina Sheila

KIRTON-DARLING Jude

LONG Naomi

LONGWORTH John

LOWE Rupert

MAGID Magid

McINTYRE Anthea

McLEOD Aileen

MOBARIK Nosheena

MOHAMMED Shaffaq

MONTEITH Brian

MORAES Claude

MUMMERY June Alison

NETHSINGHA Lucy

NEWTON DUNN Bill

OVERGAARD NIELSEN Henrik

PALMER Rory

PATTEN Matthew

PHILLIPS Alexandra Lesley

PHILLIPS Alexandra Louise Rosenfield

PORRITT Luisa

PUGH Jake

REES-MOGG Annunziata Mary

RITCHIE Sheila

ROWETT Catherine

ROWLAND Robert

SCOTT CATO Molly

SMITH Alyn (*)

STEDMAN-BRYCE Louis

TENNANT John David Edward

TICE Richard

VAN ORDEN Geoffrey

VOADEN Caroline

VON WIESE Irina

WARD Julie

WELLS James

WIDDECOMBE Ann

(*) Het mandaat van de heer Alyn SMITH liep af op 12 december 2019.

BEKENDMAKINGEN DOOR DE LIDSTATEN

BE

24.06.2019

28.06.2019

BG

06.06.2019

09.10.2019

CZ

18.06.2019

DK

25.06.2019

DE

26.06.2019

EE

14.06.2019

IE

06.06.2019

GR

12.06.2019

20.06.2019

ES

17.06.2019

20.06.2019

FR

13.06.2019

HR

10.06.2019

IT

21.06.2019

22.06.2019

11.10.2019

CY

28.05.2019

04.06.2019

LV

07.06.2019

14.10.2019

LT

03.06.2019

LU

20.06.2019

HU

17.06.2019

21.10.2019

MT

27.05.2019

NL

25.06.2019

AU

17.06.2019

PL

28.05.2019

PT

25.06.2019

05.11.2019

RO

21.06.2019

11.10.2019

SL

19.06.2019

16.10.2019

SK

30.05.2019

14.10.2019

FI

31.05.2019

SV

03.06.2019

UK

31.05.2019

07.10.2019

(1) PB L 278 van 8.10.1976, blz. 1.
(2) PB L 283 van 21.10.2002, blz. 1.
(3) PB L 262 van 7.10.2005, blz. 1.
(4) PB L 329 van 30.12.1993, blz. 34.
(5) PB L 26 van 26.1.2013, blz. 27.
(6) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 57.
(7) PB L 165 van 2.7.2018, blz. 1.
(8) Le Pen/Parlement, C-208/03, EU:C:2005:429; Italië en Donnici/Parlement, C-393/07 en C-9/08, EU:C:2009:275; en Junqueras Vies, C-502/19, EU:C:2019:1115.
(9) Boletín Oficial del Estado, nr. 142 van 14 juni 2019, blz. 62477-62478.
(10) Junqueras Vies, C-502/19, EU:C:2019:1115.


Benoeming van een lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
PDF 116kWORD 42k
Besluit van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over het voorstel tot benoeming van een lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (N9-0005/2020[1] – C9-0009/2020 – 2020/0902(NLE))
P9_TA(2020)0020A9-0009/2020

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 januari 2020 om de heer Pedro Machado te benoemen als lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (C9-0009/2020),

–  gezien artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen(3),

–  gezien artikel 131 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0009/2020),

A.  overwegende dat in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 wordt bepaald dat de leden van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (“de afwikkelingsraad”), naar wie wordt verwezen in artikel 43, lid 1, onder b), van die verordening, worden benoemd op basis van verdienste, vaardigheden, kennis van bancaire en financiële aangelegenheden en ervaring die relevant is op het gebied van financieel toezicht en financiële regelgeving alsook bankafwikkeling;

B.  overwegende dat het Parlement het feit betreurt dat alle kandidaten mannen waren, ondanks de verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 en in weerwil van het herhaaldelijk aandringen van het Parlement om bij de presentatie van een lijst van kandidaten op genderevenwicht te letten; overwegende dat het Parlement betreurt dat vrouwen in leidinggevende posities op het gebied van bancaire en financiële diensten nog steeds ondervertegenwoordigd zijn en overwegende dat het Parlement eist dat bij de volgende benoeming het beginsel van genderevenwicht wordt gerespecteerd; overwegende dat alle EU- en nationale instellingen en organen concrete maatregelen moeten nemen om voor genderevenwicht te zorgen;

C.  overwegende dat de Commissie op 13 november 2019 overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 een shortlist heeft vastgesteld voor de functie van lid van de afwikkelingsraad, waarnaar wordt verwezen in artikel 43, lid 1, onder b), van die verordening;

D.  overwegende dat de Commissie de shortlist overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 aan het Parlement heeft toegezonden;

E.  overwegende dat de Commissie op 14 januari 2020 een voorstel heeft goedgekeurd om de heer Pedro Machado te benoemen als lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad en als directeur Afwikkelingsplanning en -besluiten in de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, en dat voorstel heeft toegezonden aan het Parlement;

F.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement de kwalificaties van de voor de functie van lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name met het oog op de vereisten in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014;

G.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken op 22 januari 2020 een hoorzitting heeft gehouden met Pedro Machado, tijdens welke hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Pedro Machado tot lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad voor een termijn van vijf jaar;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0211.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0017.


Benoeming van een lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
PDF 117kWORD 42k
Besluit van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over het voorstel tot benoeming van een lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (N9-0005/2020[2] – C9-0010/2020 – 2020/0903(NLE))
P9_TA(2020)0021A9-0011/2020

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 januari 2020 om de heer Jesús Saurina te benoemen als lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (C9-0010/2020),

–  gezien artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen(3),

–  gezien artikel 131 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0011/2020),

A.  overwegende dat in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 wordt bepaald dat de leden van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (“de afwikkelingsraad”), naar wie wordt verwezen in artikel 43, lid 1, onder b), van die verordening, worden benoemd op basis van verdienste, vaardigheden, kennis van bancaire en financiële aangelegenheden en ervaring die relevant is op het gebied van financieel toezicht en financiële regelgeving alsook bankafwikkeling;

B.  overwegende dat het Parlement betreurt dat alle kandidaten mannen waren, ondanks de verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 en in weerwil van het herhaaldelijk aandringen van het Parlement om bij de presentatie van een lijst van kandidaten op genderevenwicht te letten; overwegende dat het Parlement betreurt dat vrouwen in leidinggevende posities op het gebied van bancaire en financiële diensten nog steeds ondervertegenwoordigd zijn en overwegende dat het Parlement eist dat bij de volgende benoeming het beginsel van genderevenwicht wordt gerespecteerd; overwegende dat alle EU- en nationale instellingen en organen concrete maatregelen moeten nemen om voor genderevenwicht te zorgen;

C.  overwegende dat de Commissie op 13 november 2019 overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 een shortlist heeft vastgesteld voor de functie van lid van de afwikkelingsraad, waarnaar wordt verwezen in artikel 43, lid 1, onder b), van die verordening;

D.  overwegende dat de Commissie de shortlist overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 aan het Parlement heeft toegezonden;

E.  overwegende dat de Commissie op 14 januari 2020 een voorstel heeft goedgekeurd om de heer Jesús Saurina te benoemen als lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad en als directeur Afwikkelingsplanning en -besluiten in de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, en dat voorstel heeft toegezonden aan het Parlement;

F.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement vervolgens de kwalificaties van de voor de functie van lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name met het oog op de vereisten in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014;

G.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken op 22 januari 2020 een hoorzitting heeft gehouden met de heer Jesús Saurina, tijdens welke hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Jesús Saurina tot lid van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad voor een termijn van vijf jaar;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0211.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0017.


Benoeming van de vicevoorzitter van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
PDF 116kWORD 42k
Besluit van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over het voorstel tot benoeming van de vicevoorzitter van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (N9-0006/2020 – C9-0011/2020 – 2020/0904(NLE))
P9_TA(2020)0022A9-0010/2020

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 januari 2020 om de heer Jan de Carpentier te benoemen als vicevoorzitter van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (C9‑0011/2020),

–  gezien artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen(3),

–  gezien artikel 131 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0010/2020),

A.  overwegende dat in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bepaald is dat de vicevoorzitter van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad wordt benoemd op basis van verdienste, vaardigheden, kennis van bancaire en financiële aangelegenheden en ervaring die relevant is op het gebied van financieel toezicht en financiële regelgeving alsook bankafwikkeling;

B.  overwegende dat het Parlement betreurt dat alle kandidaten mannen waren, ondanks de verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 en in weerwil van het herhaaldelijk aandringen van het Parlement om bij de presentatie van een lijst van kandidaten op genderevenwicht te letten; overwegende dat het Parlement betreurt dat vrouwen in leidinggevende posities op het gebied van bancaire en financiële diensten nog steeds ondervertegenwoordigd zijn en overwegende dat het Parlement eist dat bij de volgende benoeming het beginsel van genderevenwicht wordt gerespecteerd; overwegende dat alle EU- en nationale instellingen en organen concrete maatregelen moeten nemen om voor genderevenwicht te zorgen;

C.  overwegende dat de Commissie op 13 november 2019 overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 een shortlist heeft vastgesteld voor de functie van vicevoorzitter van de afwikkelingsraad;

D.  overwegende dat de Commissie de shortlist overeenkomstig artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 aan het Parlement heeft toegezonden;

E.  overwegende dat de Commissie op 14 januari 2020 een voorstel heeft goedgekeurd om de heer Jan de Carpentier te benoemen als vicevoorzitter van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad en als directeur belast met het aansturen van de centrale diensten van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad en met het uitoefenen van toezicht op het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, en dat voorstel heeft toegezonden aan het Parlement;

F.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement vervolgens de kwalificaties van de voor de functie van vicevoorzitter van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name met het oog op de vereisten in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014;

G.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken op 22 januari 2020 een hoorzitting heeft gehouden met Jan de Carpentier, tijdens welke hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Jan de Carpentier tot vicevoorzitter van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad voor een termijn van vijf jaar;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0211.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0017.


Benoeming van de uitvoerend directeur van de Europese Bankautoriteit
PDF 113kWORD 42k
Besluit van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over het voorstel voor de benoeming van de uitvoerend directeur van de Europese Bankautoriteit (N9-0003/2020 – C9-0006/2020 – 2020/0901(NLE))
P9_TA(2020)0023A9-0008/2020

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de raad van toezichthouders van de Europese Bankautoriteit van 14 januari 2020 (C9‑0006/2020),

–  gezien artikel 51, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen(3).

–  gezien artikel 131 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9‑0008/2020),

A.  overwegende dat de huidige uitvoerend directeur van de Europese Bankautoriteit heeft aangekondigd ontslag te nemen met ingang van 31 januari 2020;

B.  overwegende dat de raad van toezichthouders van de Europese Bankautoriteit op 14 januari 2020, na een open selectieprocedure, heeft voorgesteld Gerry Cross te benoemen tot uitvoerend directeur voor een ambtstermijn van vijf jaar, overeenkomstig artikel 51, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1093/2010;

C.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken op 22 januari 2020 een hoorzitting heeft gehouden met Gerry Cross, tijdens welke hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  weigert zijn goedkeuring te hechten aan de benoeming van Gerry Cross tot uitvoerend directeur van de Europese Bankautoriteit en verzoekt om intrekking van de voordracht en de voorlegging van een nieuwe voordracht aan het Parlement;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Bankautoriteit en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0211.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0017.


Universele oplader voor mobiele radioapparatuur
PDF 124kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over een universele oplader voor mobiele radioapparatuur (2019/2983(RSP))
P9_TA(2020)0024RC-B9-0070/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG(1),

–  gezien het memorandum van overeenstemming over de harmonisatie van een oplader voor mobiele telefoons van 5 juni 2009,

–  gezien het memorandum van overeenstemming over de toekomstige oplossing voor het opladen van smartphones van 20 maart 2018,

–  gezien het verslag van de Commissie van 11 november 2018 over de werking van de richtlijn radioapparatuur (2014/53/EU) (COM(2018)0740),

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de eengemaakte markt de basis voor het economische succes van Europa, de hoeksteen van de Europese integratie en een motor voor groei en werkgelegenheid is en blijft;

B.  overwegende dat het potentieel van de eengemaakte markt niet ten volle wordt benut en dat de aanhoudende fragmentatie van de markt voor opladers voor mobiele telefoons en andere kleine en middelgrote elektronische apparaten leidt tot meer elektronisch afval en frustratie bij de consumenten;

C.  overwegende dat consumenten nog steeds verschillende opladers moeten kopen wanneer zij nieuwe toestellen kopen van verschillende verkopers, en verplicht zijn een nieuwe oplader te kopen wanneer ze een nieuw toestel kopen van dezelfde verkoper;

D.  overwegende dat leden van het Europees Parlement al meer dan tien jaar aandringen op een universele oplader voor mobiele radioapparatuur, met inbegrip van mobiele telefoons, tablets, e‑readers, slimme camera’s, draagbare elektronica en andere kleine of middelgrote elektronische toestellen; overwegende dat de Commissie de gedelegeerde handeling tot aanvulling van Richtlijn 2014/53/EU betreffende radioapparatuur herhaaldelijk heeft uitgesteld;

E.  overwegende dat de tijdige tenuitvoerlegging van vastgestelde EU-wetgeving door concrete wetgevende stappen van essentieel belang is voor de geloofwaardigheid van de Europese Unie, zowel ten aanzien van haar burgers als op het wereldtoneel;

F.  overwegende dat vrijwillige overeenkomsten tussen bedrijven in de sector er weliswaar toe hebben geleid dat er veel minder soorten opladers op de markt zijn, maar geen universele oplaadoplossing hebben opgeleverd, en dat consumenten op de markt nog steeds met verschillende soorten opladers worden geconfronteerd;

G.  overwegende dat jaarlijks ongeveer 50 miljoen ton elektronisch afval wordt gegenereerd, met een gemiddelde van meer dan 6 kg per persoon per jaar; overwegende dat de totale productie van elektronisch afval in Europa in 2016 in totaal 12,3 miljoen ton bedroeg, wat overeenkomt met gemiddeld 16,6 kg per inwoner(2); overwegende dat dit een onnodige ecologische voetafdruk achterlaat, die kan worden verminderd;

H.  overwegende dat het Parlement in het kader van de Europese Groene Deal heeft aangedrongen op een ambitieus nieuw actieplan voor de circulaire economie dat de totale voetafdruk van de productie en de consumptie in de EU ten aanzien van milieu en hulpbronnen te verminderen, met als voornaamste prioriteiten hulpbronnenefficiëntie, nul verontreiniging en afvalpreventie;

I.  overwegende dat de consumententrends in de afgelopen tien jaar laten zien dat steeds meer mensen meer dan één apparaat bezitten en dat de levensduur van bepaalde radioapparatuur, bv. smartphones, korter wordt; overwegende dat oudere apparatuur dikwijls vervangen wordt omdat ze als achterhaald wordt beschouwd; overwegende dat als gevolg van deze trends nog meer elektronisch afval wordt geproduceerd, waaronder opladers;

J.  overwegende dat consumenten veel verschillende opladers voor soortgelijke, op batterijen werkende apparaten bezitten, gebruiken en vaak bij zich hebben; overwegende dat het huidige overaanbod aan opladers buitensporige kosten en ongemak voor de consumenten met zich brengt en een onnodige ecologische voetafdruk achterlaat;

K.  overwegende dat mensen tegenwoordig in tal van dagelijkse situaties afhankelijk zijn van hun mobiele apparatuur, in het bijzonder in noodgevallen of op reis, ook door het gebrek aan openbare telefoons; overwegende dat mensen afhankelijk zijn van een makkelijk oplaadbare mobiele telefoon om snel toegang te krijgen tot essentiële diensten en onmisbare instrumenten zoals betaalmiddelen, zoekmachines, navigatie-apparatuur enz.; overwegende dat mobiele toestellen een essentieel instrument zijn om ten volle aan de samenleving te kunnen deelnemen;

1.  hamert erop dat het de EU dringend regelgeving moet vaststellen om de hoeveelheid elektronisch afval te verminderen en consumenten in staat te stellen duurzame keuzes te maken en ten volle deel te nemen aan een efficiënte en goed functionerende interne markt;

2.  verzoekt de Commissie onverwijld de resultaten van de effectbeoordeling van de invoering van universele opladers voor mobiele telefoons en andere compatibele apparaten voor te leggen en te publiceren zodat er bindende bepalingen kunnen worden voorgesteld;

3.  benadrukt dat er dringend behoefte is aan een norm voor een universele oplader voor mobiele radioapparatuur om verdere fragmentering van de interne markt te voorkomen;

4.  verzoekt de Commissie daarom onverwijld werk te maken van de invoering van de gemeenschappelijke oplader door uiterlijk in juli 2020 de gedelegeerde handeling tot aanvulling van Richtlijn 2014/53/EU betreffende radioapparatuur en tot vaststelling van een norm voor een universele oplader voor mobiele telefoons en andere kleine en middelgrote radioapparatuur vast te stellen of, zo nodig, door uiterlijk in juli 2020 een wetgevingsmaatregel vast te stellen;

5.  wijst erop dat de Commissie er, zonder innovatie te belemmeren, voor moet zorgen dat het wetgevingskader voor een universele oplader regelmatig wordt getoetst om rekening te houden met de technische vooruitgang; wijst nogmaals op het belang van onderzoek en innovatie op dit gebied om de bestaande technologieën te verbeteren en nieuwe technologieën uit te vinden;

6.  wijst erop dat het gebruik van draadloze oplaadtechnologie bijkomende potentiële voordelen inhoudt, zoals minder elektronisch afval; onderstreept dat veel mobiele telefoons al draadloos kunnen worden opgeladen en dat fragmentering op dit vlak moet worden voorkomen; vraagt de Commissie daarom maatregelen te nemen om de interoperabiliteit van verschillende draadloze opladers met verschillende mobiele radioapparatuur zo goed mogelijk te waarborgen;

7.  herinnert eraan dat de Europese normalisatieorganisaties, overeenkomstig de normalisatieverordening(3), de participatie van relevante belanghebbenden, waaronder in dit verband kmo-organisaties, milieuorganisaties, personen met een handicap, ouderen en consumenten, moeten faciliteren;

8.  is van mening dat de Commissie wetgevingsinitiatieven moet overwegen om ervoor te zorgen dat in de lidstaten meer kabels en opladers worden ingezameld en gerecycleerd;

9.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat consumenten niet langer worden verplicht met elk nieuw toestel nieuwe opladers te kopen, zodat er jaarlijks minder opladers worden geproduceerd; is van mening dat ontkoppelingsstrategieën meer milieuvoordelen zouden opleveren; benadrukt tegelijk dat bij maatregelen met het oog op ontkoppeling mogelijk hogere prijzen voor de consument moeten worden vermeden; onderstreept voorts dat ontkoppelingsstrategieën samen met een universele oplaadoplossing moeten worden ingevoerd, omdat de doelstellingen van de richtlijn anders niet zouden worden verwezenlijkt;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 153 van 22.5.2014, blz. 62.
(2) Global E-waste Monitor 2017.
(3) Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad, PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12.


Loonkloof tussen mannen en vrouwen
PDF 147kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen (2019/2870(RSP))
P9_TA(2020)0025B9-0073/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 8, 151, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de bepalingen over de gelijkheid van vrouwen en mannen,

–  gezien de artikelen 22 en 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien de Europese pijler voor sociale rechten, met name de beginselen 2, 3, 6, 9 en 15,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en de bijbehorende doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s), met name doelstellingen 1, 5, 8 en 10 en de bijbehorende streefcijfers en indicatoren,

–  gezien het Verdrag betreffende gelijke beloning uit 1951 en het Verdrag inzake geweld en intimidatie van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) uit 2019,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 7 maart 2014 “Het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen versterken door transparantie”(1),

–  gezien de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 (COM(2010)0491) van de Commissie,

–  gezien het Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 van de Commissie,

–  gezien het EU-actieplan 2017-2019 van de Commissie: De loonkloof tussen vrouwen en mannen aanpakken (COM(2017)0678),

–  gezien het verslag van de Commissie van 2019 over de gelijkheid van mannen en vrouwen in de EU,

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(2) en Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad(3),

–  gezien de gendergelijkheidsindex van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, met name het verslag 2019 bij de index,

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 maart 2011 over het Europees pact voor gendergelijkheid 2011-2020(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2015 over gelijke inkomenskansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 juni 2019 over het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen: kernbeleid en kernmaatregelen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2019 over gendergelijke economieën in de EU: volgende stappen,

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(5),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(6),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(7),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof(8),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de economische empowerment van vrouwen in de particuliere en openbare sector in de EU(9),

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren(10),

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat gendergelijkheid een van de gemeenschappelijke en fundamentele beginselen van de Europese Unie is, zoals vastgelegd in artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het VEU, artikel 8 van het VWEU en artikel 23 van het Handvest van de grondrechten; overwegende dat in artikel 157 VWEU expliciet staat verwoord dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast; overwegende dat economische onafhankelijkheid een essentiële voorwaarde is voor de zelfontplooiing van vrouwen en mannen en dat het waarborgen van gelijke toegang tot financiële middelen cruciaal is voor het proces om gendergelijkheid te bewerkstelligen;

B.  overwegende dat in beginsel 2 van de Europese pijler van sociale rechten wordt gesteld dat “gelijke behandeling en gelijke kansen voor vrouwen en mannen moet worden gewaarborgd en bevorderd op alle vlakken, waaronder dat van de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling” en dat “vrouwen en mannen recht [hebben] op gelijke beloning voor gelijkwaardige arbeid”;

C.  overwegende dat de aanbeveling van de Commissie van 2014 een reeks kernmaatregelen bevat om de lidstaten te helpen bij het vergroten van de transparantie en het versterken van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen; overwegende dat deze maatregelen het recht van werknemers omvatten om informatie te verkrijgen over loonniveaus, loonrapportages, loonaudits, collectieve onderhandelingen, statistieken en administratieve gegevens, gegevensbescherming, een verduidelijking van het concept van gelijkwaardige arbeid, functiewaarderings- en classificatiesystemen, steun voor organen voor de bevordering van gelijke behandeling, consequente monitoring en handhaving van rechtsmiddelen, en bewustmakingsactiviteiten;

D.  overwegende dat de inkomens van vrouwen in de hele EU onevenredig lager zijn dan die van mannen; overwegende dat volgens de meest recente cijfers van de Commissie het verschil in uurloon tussen mannen en vrouwen in de EU 16 % bedraagt, hoewel dit per lidstaat aanzienlijk verschilt; overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen oploopt tot 40 % wanneer ook de werkgelegenheidspercentages en de totale arbeidsmarktparticipatie in aanmerking worden genomen; overwegende dat slechts 8,7 % van de mannen in de EU in deeltijd werkt en dat bijna een derde van de vrouwen in de EU (31,3 %) dit doet; overwegende dat er een specifieke negatieve correlatie bestaat tussen de vervrouwelijking van een beroep en het loonniveau, zoals blijkt uit de daling van de gemiddelde lonen in bedrijven waar 65 % of meer van de werknemers vrouw is;

E.  overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen wordt omschreven als het verschil tussen het gemiddelde bruto-uurloon van mannen en vrouwen, dat wordt uitgedrukt als percentage van het gemiddelde bruto-uurloon van mannen; overwegende dat ongeveer twee derde van de loonkloof tussen mannen en vrouwen niet kan worden verklaard door genderverschillen in arbeidsmarktkenmerken zoals leeftijd, ervaring en opleiding, beroepscategorie of werktijden en andere waarneembare kenmerken, wat dus duidt op een duidelijke discriminerende factor, waarbij discriminatie op grond van geslacht andere vormen van discriminatie in de hand werkt; overwegende dat een intersectionele benadering van cruciaal belang is om inzicht te krijgen in de verschillende vormen van discriminatie die de loonkloof tussen mannen en vrouwen nog verder vergroten voor vrouwen vanwege de combinatie van identiteiten en de wisselwerking van gender en andere sociale factoren;

F.  overwegende dat de economische emancipatie van vrouwen essentieel is om de loonkloof tussen mannen en vrouwen op te heffen; overwegende dat het nemen van maatregelen op dit gebied niet alleen een kwestie van billijkheid is, maar ook een economische noodzaak, aangezien het economische verlies dat het gevolg is van de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen ongeveer 370 miljard EUR per jaar bedraagt(11); overwegende dat als vrouwen niet hetzelfde loon betaald krijgen, hun mogelijkheden beperkt zijn om economisch onafhankelijk te worden en dus ook om volledig op eigen benen te kunnen staan; overwegende dat volgens het Institute for Women’s Policy Research het armoedecijfer onder werkende vrouwen kan dalen van 8,0 % naar 3,8 % als vrouwen hetzelfde loon kregen als mannen; overwegende dat 2,5 miljoen van de 5,6 miljoen kinderen die vandaag de dag in armoede leven, niet meer arm zouden zijn als de loonkloof tussen mannen en vrouwen werd gedicht;

G.  overwegende dat de genderkloof in het brutomaandloon onder werknemers tussen 15 en 24 jaar (7 %) meer dan vijf keer lager was dan bij werknemers van 65 jaar of ouder (genderkloof van 38 %); overwegende dat er ook sprake is van een “moederschapsloonkloof”, met loonverschillen tussen vrouwen met resp. zonder afhankelijke kinderen, alsook tussen moeders en vaders; overwegende dat armoede het meest voorkomt in gezinnen waar vrouwen de enige kostwinner zijn, waarbij 35 % van de alleenstaande moeders in de EU in 2017 het risico liep in armoede te vervallen, tegenover 28 % van de alleenstaande vaders(12);

H.  overwegende dat zorg een fundamentele pijler van onze samenleving is, die voor een groot deel door vrouwen wordt uitgevoerd; overwegende dat deze onevenwichtigheid tot uiting komt in de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen; overwegende dat het moederschap en de zorg voor kinderen en voor oudere, zieke of gehandicapte familieleden en andere hulpbehoevenden extra of soms voltijds werk betekenen, dat bijna uitsluitend door vrouwen wordt verricht; overwegende dat dit tot uiting komt in de segregatie op de arbeidsmarkt en hogere percentage vrouwen dat in deeltijd werkt, tegen een lager uurloon, met loopbaanonderbrekingen en minder gewerkte jaren; overwegende dat dit werk vaak niet wordt betaald en niet naar behoren wordt gewaardeerd door de samenleving, ook al is het van groot maatschappelijk belang en draagt het bij tot het sociale welzijn;

I.  overwegende dat meer dan de helft van de vrouwen in de werkende leeftijd met een handicap economisch inactief is; overwegende dat het percentage vrouwen met een handicap in alle lidstaten dat te maken heeft met ernstige materiële deprivatie hoger is dan van vrouwen zonder handicap;

J.  overwegende dat het noodzakelijk is de rechten van de vrouw in de wetgeving en in de praktijk te verdedigen en maatregelen te nemen ter bestrijding van alle vormen van uitbuiting, geweld, onderdrukking en ongelijkheid tussen vrouwen en mannen;

K.  overwegende dat een van de gevolgen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen een genderkloof van 37 % in pensioeninkomsten is, een situatie die de komende decennia nog zal aanhouden, en een ongelijke mate van economische onafhankelijkheid tussen vrouwen en mannen, waarbij één op de vijf vrouwelijke werknemers in de EU in de laagste loongroep valt, en slechts één op de tien mannen; overwegende dat het terugdringen van de pensioenkloof ook een kwestie van solidariteit tussen de generaties is;

L.  overwegende dat deze pensioenkloof het gevolg is van de opeenstapeling van ongelijkheden waarmee vrouwen in de loop van hun beroepsleven te maken krijgen, van de perioden van afwezigheid van de arbeidsmarkt waartoe vrouwen gedwongen worden wegens diverse vormen van ongelijkheid en discriminatie, en van lagere lonen en loondiscriminatie; overwegende dat het om de pensioenongelijkheden weg te nemen en de pensioenen in het algemeen te beschermen en te verhogen, absoluut noodzakelijk is dat socialezekerheidsstelsels deel blijven uitmaken van de publieke ruimte en blijven berusten op de beginselen van solidariteit en herverdeling, en dat er tot het uiterste moet worden gegaan om onzeker en gedereguleerd werk te bestrijden;

M.  overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen en de oorzaken ervan schadelijke gevolgen hebben voor vrouwen en dat die exponentieel toenemen in de loop van hun leven, culminerend in een pensioenkloof tussen mannen en vrouwen die momenteel twee keer zo groot is als de loonkloof; overwegende dat het risico op armoede in de loop van het leven sterk toeneemt, waardoor het effect van loonverschillen geleidelijk toeneemt; overwegende dat armoede onder personen van 75 jaar en ouder voornamelijk voorkomt bij vrouwen, met name vanwege onbetaalde zorgtaken die vooral vrouwen op zich nemen, levenslange verschillen in loon en arbeidsduur met de lagere pensioenen die daar het gevolg van zijn, de afwijkende pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen in sommige lidstaten, en het feit dat meer oudere vrouwen alleen wonen;

N.  overwegende dat Richtlijn 2006/54/EG heeft bijgedragen tot de verbetering van de situatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, maar niet heeft geleid tot ingrijpende wijzigingen in de wetgeving inzake het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen in veel lidstaten;

O.  overwegende dat loontransparantie een cruciale rol kan spelen bij het bewerkstelligen van aanzienlijke vooruitgang bij de aanpak van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, aangezien daarmee de onderwaardering van het werk van vrouwen aan het licht komt en de gendergerelateerde segmentering van de arbeidsmarkt wordt benadrukt, onder meer via instrumenten die objectieve criteria aanreiken om een genderneutrale beoordeling en de vergelijkbaarheid van de waarde van werk in verschillende banen en sectoren mogelijk te maken;

P.  overwegende dat genderneutrale functiewaarderingsmethodes essentieel zijn om functies te kunnen vergelijken op grond van het belang en de complexiteit ervan, teneinde te kunnen bepalen hoe een functie zich verhoudt tot een andere functie in een bepaalde sector of organisatie, ongeacht of deze vervuld wordt door een man of een vrouw;

Q.  overwegende dat vanwege het risico op armoede en een geringere mate van financiële autonomie ten gevolge van zowel de loon- als de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen vrouwen meer worden blootgesteld aan gendergerelateerd geweld, met name huiselijk geweld, waardoor het moeilijker wordt voor hen om uit een gewelddadige relatie te stappen; overwegende dat volgens de VN bijna 35 % van de vrouwen wereldwijd psychologische of seksuele intimidatie op de werkplek of intimidatie met ernstige gevolgen voor de persoonlijke en professionele ambities ervaren, wat schadelijk is voor hun gevoel van eigenwaarde en voor hun onderhandelingspositie met het oog op een eerlijkere beloning;

R.  overwegende dat er tal van oorzaken zijn voor de loonkloof tussen mannen en vrouwen, die uit zowel structurele als culturele factoren bestaan, enerzijds arbeidsmarkten en sectoren waar gendersegregatie heerst, een gebrek aan opties en diensten voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven, aangezien vrouwen de hoofdverzorger zijn van zowel kinderen als andere afhankelijke personen, de nog altijd aanwezige “glazen plafonds” waardoor vrouwen niet de mogelijkheid hebben door te stoten tot de top en dus ook geen topsalaris kunnen verdienen, en anderzijds de genderstereotypes over de rol en ambities van vrouwen, gendervooroordelen in loonstructuren en instellingen waar lonen worden vastgesteld, en diepgewortelde verwachtingen ten aanzien van de rol van vrouwen als moeder die leiden tot loopbaanonderbrekingen of deeltijdwerk, alsmede een gebrek aan loontransparantie;

S.  overwegende dat er tal van structurele en vaak met elkaar verband houdende oorzaken zijn voor de loonkloof tussen mannen en vrouwen en de daarmee samenhangende verschillen in verdiensten en pensioenen; overwegende dat deze oorzaken kunnen worden ingedeeld in twee categorieën: oorzaken die ogenschijnlijk “verklaard” kunnen worden door verschillen in arbeidsmarktkenmerken van vrouwen en mannen, en oorzaken die ogenschijnlijk “onverklaard” blijven door dergelijke kenmerken, waarbij de loonkloof tussen mannen en vrouwen in bijna alle landen ter wereld in de laatste categorie valt;

T.  overwegende dat deze verschillen in arbeidsmarktkenmerken van vrouwen en mannen onder andere leeftijd, ervaring en onderwijs, beroepssector of arbeidstijd zijn; overwegende dat deze verschillen tot uiting komen in het feit dat vrouwen vaker deeltijds werken, geconfronteerd worden met het glazen plafond in bedrijven, werken in door vrouwen gedomineerde en slechter betaalde sectoren en functies of vaak de primaire verantwoordelijkheid moeten nemen voor de zorg voor hun gezin ten gevolge van gendergebonden sociale normen, die ertoe leiden dat zij gedurende bepaalde periodes niet kunnen werken; overwegende dat de grotere “onverklaarde” categorie kan worden toegeschreven aan genderstereotypen, loondiscriminatie en de veelvuldige onderwaardering – zowel direct als indirect – van door vrouwen gedomineerde banen, hetgeen een verborgen fenomeen blijft dat doeltreffender moet worden aangepakt;

U.  overwegende dat bijna 60 % van de afgestudeerden in de EU weliswaar vrouw is, maar dat zij ondervertegenwoordigd blijven in de wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) en digitale loopbanen; benadrukt dat de beroepsmatige ongelijkheid die hieruit voortvloeit nieuwe vormen aanneemt en dat, ondanks de investeringen in onderwijs, de kans dat jonge vrouwen economisch inactief zijn, nog steeds twee keer zo groot is als bij jonge mannen;

1.  herinnert eraan dat een gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid een van de grondbeginselen van de EU is en dat de lidstaten verplicht zijn discriminatie op grond van geslacht met betrekking tot alle aspecten van en voorwaarden voor beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid uit te bannen; betreurt het ten zeerste dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen voor gelijkwaardige arbeid blijft bestaan, waarbij er het afgelopen decennium slechts sprake was van een minimale verbetering van het EU-gemiddelde;

2.  verzoekt de Commissie met een ambitieuze nieuwe EU-strategie voor gendergelijkheid te komen, die voortborduurt op de vorige strategie en op strategische betrokkenheid en die bindende maatregelen inzake de loonkloof tussen mannen en vrouwen en loontransparantie moet omvatten, alsook duidelijke doelstellingen en monitoringprocessen om gendergelijkheid te bevorderen en vooruitgang te meten in de richting van de verwezenlijking ervan, met name wat betreft de gerelateerde verschillen in verdiensten en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen en de bevordering van vrouwen en mannen als gelijkwaardige kostwinners en verzorgers;

3.  wijst erop dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen en de oorzaken ervan, voor vrouwen schadelijke gevolgen hebben die exponentieel toenemen in de loop van hun leven, culminerend in een pensioenkloof tussen mannen en vrouwen die meer dan het dubbele is van de loonkloof; wijst erop dat vrouwen meer dan mannen het risico lopen om op oudere leeftijd in armoede terecht te komen, als gevolg van levenslange verschillen in loon en arbeidstijd, verschillende pensioenleeftijden voor mannen en vrouwen in sommige lidstaten, en het feit dat er meer alleenstaande oudere vrouwen zijn; verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om het risico op armoede voor oudere vrouwen tegen te gaan, niet alleen door de pensioenen te verhogen maar ook door sociale ondersteuning te bieden; herhaalt dat er enerzijds moet worden gepleit voor arbeidsregelgeving op basis van meer arbeidsrechten, gereguleerd werk en een verbod op onzeker werk, en dat er anderzijds moet worden ingezet op het herstel, de verdediging en de bevordering van collectieve onderhandelingen, als een beslissend instrument voor het wegwerken van ongelijkheden, met name op het gebied van salarissen, en voor het beschermen en versterken van de arbeidsrechten;

4.  verzoekt om de onmiddellijke herziening en een ambitieuze actualisering van het actieplan voor de loonkloof tussen mannen en vrouwen uiterlijk aan het eind van 2020, waarin duidelijke doelstellingen voor de lidstaten moeten worden vastgesteld om de loonkloof tussen mannen en vrouwen de komende vijf jaar te verkleinen en ervoor te zorgen dat dergelijke doelstellingen in de landenspecifieke aanbevelingen in aanmerking worden genomen; wijst er met name op dat in het nieuwe actieplan een intersectioneel perspectief moet worden opgenomen; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de factoren die leiden tot de pensioenkloof in het kader van het actieplan, en te beoordelen of er behoefte is aan specifieke maatregelen om deze kloof op Europees en nationaal niveau terug te dringen;

5.  verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de loonkloof tussen mannen en vrouwen weg te werken door het beginsel van gelijke beloning voor gelijk of gelijkwaardig werk af te dwingen, niet alleen door middel van wetgeving en maatregelen ter bestrijding van loondiscriminatie, maar ook door in te zetten op het herstel, de bevordering en de verdediging van collectieve onderhandelingen; dringt voorts aan op maatregelen ter bestrijding van verticale en horizontale segregatie op de arbeidsmarkt en van discriminerende praktijken bij de besluitvorming over aanwerving en bevordering; dringt aan op maatregelen voor meer sociale bescherming op het vlak van moederschap, werkloosheid, ziekte, arbeidsongevallen en beroepsziekten;

6.  is ingenomen met de toezegging van zowel de voorzitter van de Commissie als de commissaris voor gelijkheid om in de eerste honderd dagen van het mandaat van de Commissie bindende maatregelen voor loontransparantie in te voeren; is van mening dat de op stapel staande richtlijn krachtige handhavingsmaatregelen moet omvatten voor wie de richtlijn niet naleeft, zowel op de particuliere als op de publieke sector van toepassing moet zijn, afdoende rekening houdend met de specifieke kenmerken van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), alsook op het gehele beloningspakket, met inbegrip van alle onderdelen daarvan, en een ruime werkingssfeer moet hebben; verzoekt de Commissie de invoering van concrete maatregelen te overwegen, voortbouwend op haar aanbeveling uit 2014, zoals a) de vaststelling van duidelijke criteria voor de beoordeling van de waarde van werk, b) genderneutrale functiewaarderings- en classificatiesystemen, c) controles van en verslagen over het loon van mannen en vrouwen om gelijke beloning te waarborgen, d) het recht van werknemers op volledige looninformatie en op verhaal, en e) duidelijke doelstellingen voor de prestaties van bedrijven op het gebied van gelijke behandeling; is er sterk van overtuigd dat dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn om gevallen van loondiscriminatie vast te stellen, zodat werknemers weloverwogen beslissingen kunnen nemen en waar nodig maatregelen kunnen nemen; verzoekt de Commissie de rol van de sociale partners en van collectieve onderhandelingen op alle niveaus (nationaal, sectoraal, lokaal en in bedrijven) in de nieuwe wetgeving inzake loontransparantie te bevorderen;

7.  verzoekt de Commissie het initiatief inzake loontransparantie aan te vullen met de uitwerking - in nauw overleg met de sociale partners - en invoering van richtsnoeren voor genderneutrale functiewaarderings- en classificatiesystemen en de vaststelling van duidelijke criteria (zoals kwalificaties, verantwoordelijkheidsniveau, lichamelijke en geestelijke belasting, ploegendienst enz.) voor de beoordeling van de waarde van werk, zodat het mogelijk wordt om de waarde van werk in verschillende banen en sectoren te vergelijken en op die manier voor eerlijkere verloning te zorgen voor werk in door vrouwen gedomineerde sectoren, dat immers over het algemeen minder wordt gewaardeerd en bijgevolg minder goed wordt betaald dan werk in door mannen gedomineerde sectoren;

8.  verzoekt de Commissie de huidige evaluatie van de werking en de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving inzake gelijke beloning en het beginsel van gelijke beloning als basis te nemen voor haar optreden, en een tijdige herziening van Richtlijn 2006/54/EG voor te leggen teneinde de bestaande wetgeving inzake het beginsel van gelijke beloning in de praktijk te actualiseren en te verbeteren, de handhaving te verbeteren in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) en het verbod op discriminatie op grond van seksuele gerichtheid, genderidentiteit of geslachtsverandering op te nemen; dringt aan op een betere toegang tot de rechter en op de invoering van sterkere procedurele rechten om loondiscriminatie te bestrijden;

9.  wijst erop dat in het verslag van de Commissie van 2017 over de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Commissie “Het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen versterken door transparantie” (COM(2017)0671) werd geconcludeerd dat de maatregelen niet doeltreffend waren en dat de uitvoering ervan ontoereikend was; is daarom verheugd over de toezegging van de voorzitter van de Commissie in haar politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2019-2024 dat het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid het grondbeginsel van een nieuwe Europese genderstrategie zal zijn, en is verder verheugd over de erkenning dat gendergelijkheid een cruciaal onderdeel is van economische groei, alsook onlosmakelijk verbonden is met grondrechten en billijkheid;

10.  herhaalt zijn oproep om van de Europese pijler van sociale rechten, die opwaartse convergentie bevordert, een realiteit te maken, zowel op het niveau van de EU als op het niveau van de lidstaten, om te zorgen voor gelijke behandeling en gelijke kansen voor vrouwen en mannen, alsook om het recht op gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid voor vrouwen en mannen te waarborgen; benadrukt dat het dichten van de genderkloof een specifieke doelstelling moet zijn in het vervolgprogramma van de Europa 2020-strategie;

11.  verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de loonkloof tussen mannen en vrouwen definitief te dichten door strikt de hand te houden aan het beginsel van gelijke beloning, erop toe te zien dat de lonen van deeltijdwerkers in overeenstemming zijn met het voltijdsequivalent, wetgeving aan te nemen met het oog op meer loontransparantie en juridische duidelijkheid voor het opsporen van gendervooroordelen en discriminatie in beloningsstructuren, segregatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, ongeacht of het gaat om verticale of horizontale discriminatie, en vooroordelen van werkgevers bij beslissingen over aanwerving en bevordering tegen te gaan;

12.  benadrukt dat toegang tot werk en de faciliterende voorwaarden hiervoor van centraal belang zijn om de emancipatie en onafhankelijkheid van vrouwen op elk gebied van het leven te waarborgen, van arbeidsparticipatie tot sociale, economische en politieke participatie, en andere aspecten; is van mening dat vooruitgang in de richting van gelijkheid tussen vrouwen en mannen en de bevordering van de rechten van de vrouw niet alleen de sociaaleconomische situatie van vrouwen kunnen verbeteren maar ook de mogelijkheid bieden van sociale vooruitgang voor de samenleving als geheel;

13.  roept de lidstaten daarnaast op om op passende wijze te investeren in de verstrekking, toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van formele voor- en vroegschoolse educatie en opvang, puttend uit de Europese structuur- en investeringsfondsen, in overeenstemming met de doelstellingen van Barcelona, en te investeren in langdurige opvangfaciliteiten en gezinsvriendelijke werkregelingen zodat vrouwen op gelijkwaardige wijze en zonder onderbrekingen actief kunnen zijn op de arbeidsmarkt, en wel door te zorgen voor voldoende flexibiliteit om een grotere arbeidsparticipatie onder vrouwen te helpen bevorderen; herhaalt dat de lidstaten, om het risico op armoede onder oudere vrouwen te bestrijden en de oorzaken van de loonkloof tussen mannen en vrouwen aan te pakken, erop toe moeten zien dat er passende voorzieningen worden getroffen voor oudere vrouwen, met inbegrip van maatregelen zoals kredieten voor zorgperiodes, toereikende minimumpensioenen, uitkeringen voor nabestaanden en het recht op gezinsverlof voor mannen om de feminisering van armoede te voorkomen; verzoekt de Raad doelstellingen voor de zorg voor ouderen en afhankelijke personen in te voeren, die vergelijkbaar zijn met de doelstellingen van Barcelona voor kinderopvang;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten uitvoering te geven aan beleid ter bevordering van de werkgelegenheid van vrouwen en hun financiële onafhankelijkheid, waaronder beleid ter bevordering van de integratie van vrouwen uit gemarginaliseerde groepen op de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten de segmentering van de arbeidsmarkt op basis van geslacht aan te pakken door te investeren in formeel, informeel en niet-formeel onderwijs, een leven lang leren en beroepsopleidingen voor vrouwen, zodat zij toegang hebben tot hoogwaardige werkgelegenheid en kansen en andere of meer vaardigheden kunnen aanleren die aansluiten op de toekomstige veranderingen op de arbeidsmarkt; roept met name op tot een intensievere bevordering van ondernemerschap, STEM-vakken, digitaal onderwijs en financiële geletterdheid voor meisjes vanaf jonge leeftijd, om bestaande stereotypen in het onderwijs tegen te gaan en ervoor te zorgen dat er meer vrouwen in opkomende en goedbetaalde sectoren terechtkomen;

15.  verzoekt de lidstaten alles in het werk te stellen om de richtlijn inzake het evenwicht tussen werk en privéleven snel aan te nemen en ten uitvoer te leggen, en verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de voortgang die de lidstaten boeken, met het oog op het uiteindelijke verslag en bijbehorende studies over de tenuitvoerlegging van die richtlijn;

16.  merkt op dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities gevolgen heeft voor de loonkloof tussen mannen en vrouwen, en benadrukt dat er dringend werk moet worden gemaakt van de gelijkheid van mannen en vrouwen op alle besluitvormingsniveaus in het bedrijfsleven en het management; verzoekt de lidstaten de onderhandelingen in de Raad over de voorgestelde richtlijn inzake vrouwelijke bestuurders uit het slop te halen, aangezien mede daarmee een eind kan worden gemaakt aan het glazen plafond;

17.  verzoekt zowel de Commissie als de lidstaten uitgesplitste gegevens te verzamelen om de vooruitgang bij het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen beter te kunnen meten en op de voet te volgen, met bijzondere aandacht voor groepen die te maken hebben met meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie, zoals vrouwen met een handicap, migrantenvrouwen en vrouwen die tot een etnische minderheid behoren, Roma-vrouwen, oudere vrouwen, vrouwen in plattelandsgebieden en ontvolkte gebieden, alleenstaande moeders en LGBTIQ’s;

18.  benadrukt dat het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens verder moet worden verbeterd, onder meer op het gebied van informele werkgelegenheid, ondernemerschap, toegang tot financiering, toegang tot gezondheidszorg, geweld tegen vrouwen en onbetaald werk; benadrukt de noodzaak om gegevens en bewijsmateriaal van hoge kwaliteit te verzamelen en te gebruiken met het oog op een geïnformeerde en empirisch onderbouwde beleidsvorming; verzoekt zowel de Commissie als de lidstaten om uitgesplitste gegevens te verzamelen om de vooruitgang bij het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen beter te kunnen meten en op de voet te volgen, met bijzondere aandacht voor groepen die te maken hebben met meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie, zoals vrouwen met een handicap, migrantenvrouwen en vrouwen die tot een etnische minderheid behoren, Romavrouwen, oudere vrouwen, alleenstaande moeders en LGBTIQ’s;

19.  verzoekt de Commissie de sociale partners te betrekken bij de ontwikkeling van nieuw beleid om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten; roept de sociale partners in dit verband op om de dialoog met elkaar aan te gaan en samen te werken om iets te doen aan de loonkloof, onder meer door middel van positieve maatregelen, en samen te werken met organisaties van het maatschappelijk middenveld om de publieke opinie actiever bij het onderwerp te betrekken, aangezien het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen een universele prioriteit is;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer werk te maken van de bestrijding van onzekere, door vrouwen gedomineerde banen en de feminisering van armoede; wijst op het grote aandeel van zwartwerk door vrouwen, met negatieve gevolgen voor hun inkomen, socialezekerheidsdekking en -bescherming, en verzoekt de lidstaten het IAO-verdrag inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel van 2011 te ratificeren;

21.  verzoekt de lidstaten de bescherming van moederschap, vaderschap en ouderschap in de arbeidswetgeving te versterken, met name door het aantal verlofdagen op te trekken, met garantie op volledig loon, en het aantal werkuren tijdens de borstvoedingsperiode te verlagen, en door passende maatregelen te nemen om die bescherming te handhaven, maar ook door te investeren in de voorziening van een gratis openbaar netwerk van diensten op het gebied van voor- en vroegschoolse educatie en opvang en langdurige zorg; merkt op dat het gebrek aan beschikbare, kwaliteitsvolle kinderopvang, de buitensporige kosten hiervan en het gebrek aan toereikende infrastructuur belangrijke belemmeringen vormen voor gelijke deelname van met name vrouwen aan alle onderdelen van de samenleving, waaronder de arbeidsmarkt;

22.  onderkent dat gendergerelateerd geweld en intimidatie ook kunnen worden verergerd door de loonkloof tussen mannen en vrouwen, aangezien slachtoffers vaak gedwongen worden een slechter betaalde baan aan te nemen als gevolg van een vijandige werkomgeving elders; verzoekt de lidstaten het IAO-verdrag inzake geweld en intimidatie van 2019 te ondertekenen en te ratificeren om doeltreffende maatregelen te nemen teneinde geweld en intimidatie op het werk te definiëren, te voorkomen en te verbieden, met inbegrip van veilige en doeltreffende regelingen, ondersteuning, diensten en rechtsmiddelen voor de behandeling van klachten en de beslechting van geschillen;

23.  verzoekt de Commissie het goede voorbeeld te geven en met een grondige analyse te komen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen bij de EU-instellingen op de “gelijkelonendag” van de EU;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 69 van 8.3.2014, blz. 112.
(2) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(3) PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.
(4) PB C 155 van 25.5.2011, blz. 10.
(5) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 75.
(6) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.
(7) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.
(8) PB C 331 van 18.9.2018, blz. 60.
(9) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 6.
(10) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 89.
(11) Mascherini, M., Bisello, M. en Rioboo Leston, I.: The gender employment gap: Challenges and solutions, Eurofound, 2016.
(12) Volgens het informatieblad van het Europees Instituut voor gendergelijkheid getiteld “Poverty, gender and lone parents in the EU” (Armoede, gender en alleenstaande ouders in de EU), waarin de cijfers worden geciteerd uit de statistieken van de Europese Unie over inkomen en levensomstandigheden (EU-SILC) uit 2014.

Juridische mededeling - Privacybeleid