Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2083(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0072/2020

Ingediende teksten :

A9-0072/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0117

Aangenomen teksten
PDF 172kWORD 55k
Donderdag 14 mei 2020 - Brussel Voorlopige uitgave
Kwijting 2018 : Europees Grens- en kustwachtagentschap
P9_TA-PROV(2020)0117A9-0072/2020
Besluit
 Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 13 mei 2020 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2018 (2019/2083(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2018,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2018, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05761/2020 – C9-0050/2020),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(4), en met name artikel 70,

–  gezien Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad(5), en met name artikel 76,

–  gezien Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624(6), en met name artikel 116,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(8), en met name artikel 105,

–  gezien artikel 100 en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0072/2020),

1.  verleent de uitvoerend directeur van het Europees Grens- en kustwachtagentschap kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2018;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB C 417 van 11.12.2019, blz. 1.
(2) PB C 417 van 11.12.2019, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(5) PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1.
(6) PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(8) PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1.


2. Besluit van het Europees Parlement van 13 mei 2020 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2018 (2019/2083(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2018,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2018, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05761/2020 – C9-0050/2020),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(4), en met name artikel 70,

–  gezien Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad(5), en met name artikel 76,

–  gezien Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624(6), en met name artikel 116,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(8), en met name artikel 105,

–  gezien artikel 100 en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0072/2020),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2018;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 417 van 11.12.2019, blz. 1.
(2) PB C 417 van 11.12.2019, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(5) PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1.
(6) PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(8) PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1.


3. Resolutie van het Europees Parlement van 14 mei 2020 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2018 (2019/2083(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2018,

–  gezien speciaal verslag nr. 24/2019 van de Rekenkamer: “Asiel, herplaatsing en terugkeer van migranten: tijd om de inspanningen op te voeren en de kloof tussen doelstellingen en resultaten te dichten”,

–  gezien artikel 100 en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0072/2020),

A.  overwegende dat de definitieve begroting van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (hierna “het Agentschap”) voor het begrotingsjaar 2018 volgens de staat van ontvangsten en uitgaven(1) 288 663 520 EUR bedroeg, een toename van 2,89 % ten opzichte van 2017; overwegende dat de begroting van het Agentschap voornamelijk afkomstig is uit de begroting van de Unie;

B.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2018 (hierna “het verslag van de Rekenkamer”) verklaart redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Agentschap betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Financieel en begrotingsbeheer

1.  merkt op dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2018 hebben geleid tot een uitvoeringspercentage van de begroting van 98,37 %, wat neerkomt op een lichte stijging met 0,74 % ten opzichte van 2017; stelt met bezorgdheid vast dat het uitvoeringspercentage voor de betalingskredieten laag was en 69,69 % bedroeg, een daling met 3,27 % ten opzichte van 2017;

2.  merkt, in het licht van de opmerkingen van de begrotingsautoriteit met betrekking tot de financiële operationele reserve voor de financiering van de inzet van snelle grensinterventies en terugkeerinterventies, op dat het Agentschap weliswaar wettelijk verplicht is om elk jaar een vastgesteld bedrag te reserveren voor de financiering van mogelijke snelle grensinterventies, maar dat de negatieve gevolgen daarvan tijdens de herziening van Verordening (EU) 2016/1624(2) door de medewetgevers zijn aangepakt; wijst erop dat de operationele reserve sinds de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2019/1896(3) elke maand kan worden vrijgemaakt en gebruikt voor operationele doeleinden, en niet alleen voor snelle grensinterventies of terugkeerinterventies;

3.  neemt kennis van de opmerking in het verslag van de Rekenkamer dat de financieringsovereenkomsten van het Agentschap met samenwerkende landen voor operationele activiteiten in 2018 59 % van de begroting van het Agentschap bedroegen; merkt op dat het Agentschap een nieuwe vereenvoudigde, grotendeels op eenheidskosten gebaseerde financieringsregeling heeft ingevoerd voor uitgaven voor personele middelen, en eind 2018 ook is overgegaan op een nieuw systeem voor controle achteraf dat alle soorten uitgaven bestrijkt en het in de financiële circuits ingebouwde systeem voor controles vooraf heeft aangepast; merkt op dat de Rekenkamer benadrukt dat de vergoeding van uitgaven in verband met apparatuur nog steeds gebaseerd is op de daadwerkelijke kosten en dat het project om over te gaan op vergoeding op basis van eenheidskosten voorlopig geen succes is; neemt voorts met bezorgdheid kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat de bewijsstukken voor door de samenwerkende landen gedeclareerde daadwerkelijke kosten in verband met apparatuur sinds 2014 nog steeds ontoereikend zijn en dat de verificaties vooraf van deze kosten door het Agentschap ondoeltreffend zijn indien zij niet worden gestaafd door bewijsstukken; wijst erop dat het Agentschap geen verificaties achteraf van vergoedingen heeft verricht, waardoor het risico op ongerechtvaardigde vergoeding van kosten verder toeneemt; constateert met bezorgdheid dat het Agentschap in verschillende gevallen de vergoeding van door samenwerkende landen gedeclareerde kosten heeft goedgekeurd, hoewel deze landen de door het Agentschap aangegeven en vereiste bewijsstukken niet hadden voorgelegd; neemt kennis van het antwoord van het Agentschap dat de betrokken samenwerkende landen ondersteunende documenten met een gedetailleerd overzicht van de kosten hadden ingediend; verzoekt het Agentschap om in de toekomst duidelijk aan te geven welk soort ondersteunende documenten het als bewijsstuk vereist; verzoekt het Agentschap verder alleen met erkende bewijsstukken gestaafde uitgaven te vergoeden; verwacht dat het Agentschap spoedig grondige verificaties achteraf invoert met betrekking tot deze vergoedingen en tegen juni 2020 bij de kwijtingsautoriteit verslag uitbrengt over de gemaakte vorderingen;

4.  maakt uit het verslag van de Rekenkamer op dat de begrotingsoverdrachten van het Agentschap naar 2019 83 000 000 EUR (29 %) bedroegen, een iets lager percentage dan vorig jaar; merkt op dat het aandeel geannuleerde overdrachten naar 2018 11 000 000 EUR (12 %) bedroeg, in relatieve termen iets minder dan vorig jaar; merkt op dat de belangrijkste redenen voor overdrachten en annuleringen verband hielden met uitdagingen voor het invullen van de personeelsformatie wat betreft het aantal personeelsleden en hun profiel, de vertraagde start van het bouwproject voor het nieuwe gebouw van het Agentschap, de meerjarige aard van de projecten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie en het feit dat de schaal en kosten van de activiteiten van samenwerkende landen werden overschat; neemt kennis van het antwoord van het Agentschap dat de operationele uitgaven in 2018 voornamelijk bestonden uit subsidies, die de operationele cyclus van februari N tot januari van het jaar N+1 omvatten, en uitgaven in verband met contracten waarvoor de betalingen in het jaar N+1 zullen plaatsvinden; vraagt het Agentschap om samen met de samenwerkende landen te blijven streven naar preciezere kosten- en begrotingsramingen;

5.  verzoekt het Agentschap om in de aanbestedingsdocumenten realistischer schattingen op te nemen van de behoefte aan diensten en bij overeenkomsten een streng financieel beheer te waarborgen; herinnert het Agentschap eraan dat kaderovereenkomsten weliswaar geen verplichting inhouden om tot de maximumwaarde van de overeenkomst aankopen te doen, maar dat het aanzienlijke verschil bij een aanbestedingsprocedure in 2018 tussen de maximumwaarde van de overeenkomst (8 miljoen EUR) en de winnende offerte (5,8 miljoen EUR) een aanzienlijk risico kan vormen voor het goed financieel beheer;

Functioneren

6.  merkt op dat, na de goedkeuring door de raad van bestuur van de reorganisatie van de structuren van het Agentschap in 2017, die van invloed was op de toewijzing van de middelen, in 2018 een geactualiseerde structuur werd goedgekeurd en dat deze structuur aangevuld werd met een nieuw intern reglement en werd goedgekeurd door delegaties en subdelegaties die formeel werden vastgelegd bij besluit van de uitvoerend directeur;

7.  wijst op de belangrijke rol van het Agentschap bij de bevordering, coördinatie en ontwikkeling van het Europees geïntegreerd grensbeheer met volledige inachtneming van de grondrechten;

8.  merkt op dat de belangrijkste operationele activiteiten in het kader van Europees geïntegreerd grensbeleid de twaalf gezamenlijke operaties aan de land-, lucht- en zeegrenzen waren, terwijl de focus van de operationele activiteiten in 2018 vooral lag op de centrale, oostelijke en westelijke mediterrane gebieden waar de migratiedruk het grootst was; is voorts ingenomen met de nauwe samenwerking tussen agentschappen, op het gebied van douanesamenwerking en rechtshandhaving maar met name voor kustwachtactiviteiten; dringt erop aan dat het Agentschap zijn werkzaamheden met het oog op de vaststelling van kwantitatieve doelstellingen en specifieke streefwaarden voor de gezamenlijke operaties, die naar verwachting zullen worden opgenomen in het enig programmeringsdocument voor de periode 2021-2023, bespoedigt en de kwaliteit ervan verzekert;

9.  merkt met bezorgdheid op dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 24/2019 tot de bevinding komt dat de tenuitvoerlegging van asielprocedures, met name in Griekenland en Italië, nog steeds te kampen heeft met lange wachttijden, knelpunten en een gebrek aan capaciteit in het gerechtelijk apparaat; verzoekt het Agentschap te streven naar samenwerking met het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Fonds voor asiel, migratie en integratie en de Commissie, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Rekenkamer;

10.  herhaalt zijn verzoek aan het Agentschap om transparanter te zijn met betrekking tot zijn activiteiten; is ingenomen met het feit dat het Agentschap ervoor gezorgd heeft dat documenten via zijn website toegankelijk zijn voor het publiek; dringt er bij het Agentschap op aan om een register van documenten op te zetten, hetgeen het op grond van Verordening (EG) nr. 1049/2001(4) ook verplicht is om te doen;

11.  is van oordeel dat het Agentschap proactief informatie moet verstrekken over zijn operationele activiteiten; nodigt het Agentschap uit om aan zijn verplichting tot verslaglegging aan het Europees Parlement te voldoen door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Parlement op gezette tijden op gedetailleerde wijze verslag uit te brengen; verzoekt het Agentschap om het verslag over de praktische toepassing van Verordening (EU) nr. 656/2014(5) over 2018 te publiceren, conform de op het Agentschap rustende wettelijke verplichting om dit te doen, en in de toekomst meer concrete informatie te verstrekken aan de hand waarvan de activiteiten van het Agentschap op zee naar behoren kunnen worden gecontroleerd.

Personeelsbeleid

12.  betreurt dat de personeelsformatie op 31 december 2018 voor slechts 72,49 % was uitgevoerd, waarbij 303 tijdelijke functionarissen waren aangesteld van de 418 tijdelijke functionarissen die in het kader van de begroting van de Unie waren toegestaan (tegenover 352 toegestane posten in 2017); stelt vast dat in 2018 verder nog 187 contractanten en 153 gedetacheerde nationale deskundigen voor het Agentschap werkten;

13.  maakt voorts uit het verslag van de Rekenkamer op dat het Agentschap zich weliswaar bleef inspannen voor aanwerving en het aantal personeelsleden verhoogde van 526 tot 630 in 2018, maar er niet in is geslaagd de 760 personeelsleden aan te werven die waren toegestaan in zijn personeelsformatie van 2018; neemt kennis van het antwoord van het Agentschap dat in totaal 187 vacatures zijn ingevuld, maar dat de netto personeelstoename in 2018, in vergelijking met 2017, als gevolg van een hoog intern en extern verloop slechts 117 bedroeg, aangezien in de loop van het jaar een groot aantal posten vacant was geworden; merkt verder op dat het Agentschap zich voor uitdagingen geplaatst ziet bij het aantrekken van een groter aantal geschikte externe kandidaten en het bereiken van een passend geografisch evenwicht, voornamelijk vanwege de lage aanpassingscoëfficiënt, die de laagste is van alle EU-agentschappen; wijst erop dat agentschappen die gevestigd zijn in landen met een lage aanpassingscoëfficiënt van de Commissie extra ondersteuning moeten krijgen voor het nemen van bijkomende maatregelen waardoor zij aantrekkelijker worden voor huidige en toekomstige personeelsleden; verzoekt de Commissie om de gevolgen en de haalbaarheid van de toepassing van aanpassingscoëfficiënten op de salarissen in de toekomst te evalueren; merkt op dat het Agentschap moeilijkheden blijft ondervinden bij het in stand houden van een wenselijk en degelijk geografisch evenwicht bij het ingezette personeel;

14.  wijst erop dat 2018 het derde jaar was van het vijfjarige groeiplan dat werd vastgesteld in Verordening (EU) 2016/1624, op grond waarvan de begrotings- en personele middelen aanzienlijk werden verhoogd; merkt op dat het personeelsbestand na de uitbreiding van het mandaat van het Agentschap tegen 2020 moet toenemen tot 1 000; merkt in het licht van de opmerkingen van de begrotingsautoriteit, waarin deze erop wees dat de geplande personeelsuitbreiding extra kantoorruimte zou vereisen, op dat een analyse om de optimale vastgoedstrategie te bepalen in voorbereiding is;

15.  merkt op dat het Agentschap sinds april 2018 gebruik maakt van de herziene bindende gedragscode voor terugkeeroperaties en terugkeerinterventies; merkt op dat de grondrechtenfunctionaris van het Agentschap voortdurend opmerkingen en aanbevelingen formuleert met betrekking tot alle operationele plannen en evaluatieverslagen opstelt ten behoeve van de operationele eenheden;

16.  betreurt dat de grondrechtenfunctionaris, ondanks herhaalde verzoeken van het Parlement en een aanzienlijke verruiming van het totale personeelsbestand van het Agentschap, nog altijd niet over voldoende personeel beschikt en daardoor duidelijk moeite heeft om de taken die hem/haar krachtens de verordening zijn toebedeeld, naar behoren uit te voeren; dringt er bij het Agentschap op aan zijn grondrechtenfunctionaris voldoende middelen en personeel ter beschikking te stellen, met name voor de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de strategie voor toezicht op en het waarborgen van de bescherming van de grondrechten; herinnert eraan dat het belangrijk is dat het Agentschap zich houdt aan het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie;

17.  merkt in het licht van de opmerkingen van de begrotingsautoriteit over de noodzaak om een uitgebreid bedrijfscontinuïteitsplan te ontwikkelen, op dat in 2018 een functionaris voor bedrijfscontinuïteit werd aangesteld;

18.  merkt op dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat agentschappen voor adviesfuncties op het gebied van IT vaak gebruikmaken van extern personeel en dat er in die zin sprake is van een horizontale trend; roept ertoe op de afhankelijkheid van externe rekrutering op dit belangrijke en gevoelige gebied zoveel mogelijk te verminderen om potentiële risico’s te beperken;

19.  wijst op het gebrek aan informatie over het genderevenwicht onder het personeel van het Agentschap; benadrukt nogmaals dat er een uitgesproken gebrek aan genderevenwicht is binnen de raad van bestuur van het Agentschap (50 mannelijke en 8 vrouwelijke leden); pleit ervoor dat dit gebrek aan evenwicht zo spoedig mogelijk wordt verholpen; verzoekt het Agentschap derhalve om de lidstaten actief te herinneren aan het belang van genderevenwicht en verzoekt de lidstaten bij de benoeming van leden van de raad van bestuur van het Agentschap te zorgen voor genderevenwicht;

Aanbestedingsprocedures

20.  merkt in het licht van de opmerkingen van de begrotingsautoriteit over de noodzaak om de gehele financiële regeling van het Agentschap te vereenvoudigen, op dat het Agentschap in 2018 een herziene regeling voor de financiering van gezamenlijke operaties en terugkeeroperaties heeft ingevoerd, die gebaseerd is op vereenvoudigde subsidieovereenkomsten met de lidstaten, waarbij gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde eenheidskosten voor personele middelen;

21.  merkt met voldoening op dat het Agentschap actief deelneemt aan interinstitutionele aanbestedingen van andere instellingen en dat het Agentschap in het kader van de procedures voor het plaatsen van opdrachten voor maritiem toezicht streeft naar samenwerking met Agentschappen van de Unie die soortgelijke activiteiten ondernemen, en dat het de beschrijving van de opdracht in die zin formuleert; merkt verder op dat het Agentschap in 2018 een eerste door het Agentschap beheerde interinstitutionele aanbestedingsprocedure heeft behandeld, samen met het Europees Bureau voor visserijcontrole; spoort het Agentschap ten zeerste aan om actief te zoeken naar verdere en bredere samenwerking met alle agentschappen van de Unie;

22.  verzoekt het Agentschap om onverwijld gevolg te geven aan de nog openstaande aanbeveling inzake e-aanbesteding, in het bijzonder de invoering van de mogelijkheid tot e-inschrijving;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

23.  is ingenomen met de bestaande maatregelen en lopende inspanningen van het Agentschap om transparantie te waarborgen, belangenconflicten te voorkomen en aan te pakken, en klokkenluiders te beschermen; stelt vast dat het Agentschap op 18 juli 2019 zijn beleid inzake klokkenluiders heeft vastgesteld; is ingenomen met het feit dat de personeelsleden van het Agentschap terecht kunnen bij vertrouwenspersonen en opleidingen krijgen inzake klokkenluidersprocedures; merkt voorts op dat het Agentschap, om transparanter te zijn, een meertalige versie van zijn website heeft gelanceerd in alle 24 talen van de Unie; betreurt dat het Agentschap geen belangenverklaringen publiceert, maar enkel verbintenisverklaringen waarbij de leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de adjunct-uitvoerend directeur verklaren dat zij geen belangenconflicten hebben; herhaalt dat het niet aan de leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur of de adjunct-uitvoerend directeur is om zichzelf vrij van belangenconflicten te verklaren; verzoekt het Agentschap om met het oog op meer transparantie tegen juni 2020 de cv’s en belangenverklaringen van alle leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de adjunct-uitvoerend directeur te publiceren;

Interne controle

24.  merkt in het licht van de opmerkingen van de begrotingsautoriteit over de aanzienlijke stijging van de subsidieuitgaven van het Agentschap op dat maatregelen zijn genomen om de vastgestelde risico’s te beperken, en dat in 2018 met name verificaties van de eenheidskosten werden verricht voor Spanje, Griekenland en Italië, dat het beleid van controle achteraf werd vastgesteld in 2018, dat een op risico’s gebaseerd jaarlijks ex-postcontroleplan is vastgesteld en zal worden herzien, en dat de controles achteraf voor Portugal en Estland zijn afgerond;

25.  neemt met bezorgdheid kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat het Agentschap geen beleid heeft inzake “gevoelige posten” in het kader waarvan gevoelige functies zouden worden vastgesteld, deze actueel zouden worden gehouden en passende maatregelen zouden worden vastgesteld om de risico’s van gevestigde belangen te beperken; verzoekt het Agentschap om een dergelijk beleid vast te stellen en ten uitvoer te leggen, in overeenstemming met de internecontrolenormen van het Agentschap; neemt kennis van het antwoord van het Agentschap dat het eind 2019 op het punt stond om de vaststelling van een beleid inzake “gevoelige posten” af te ronden;

26.  merkt op dat het Agentschap na de recente herziening van zijn internecontrolekader ervoor gezorgd heeft dat alle besluiten tot terzijdestelling van controles, of afwijkingen van gevestigde processen en procedures, worden vastgelegd, naar behoren worden goedgekeurd en centraal worden geregistreerd;

Overige opmerkingen

27.  is in het licht van de opmerkingen van de kwijtingsautoriteit over de bouw van het nieuwe hoofdkantoor en de oprichting van een Europese school in Warschau ingenomen met het feit dat de Poolse autoriteiten in 2019 een passend perceel hebben toegewezen aan het Agentschap, dat de planning voor de bouw van een speciaal voor het Agentschap ontworpen hoofdkantoor tegen eind 2024 lopende is, en dat de raad van gouverneurs van Europese scholen in het najaar van 2019 door de Poolse autoriteiten zal worden verzocht de erkenning van een Europese school van type II te overwegen, die vanaf het academisch jaar 2020-2021 operationeel zou zijn;

28.  vraagt het Agentschap zich te richten op de verspreiding van de resultaten van zijn onderzoek onder het publiek en contact te leggen met het publiek via sociale en andere media;

o
o   o

29.  verwijst voor andere opmerkingen van horizontale aard bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 14 mei 2020(6) over het functioneren en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) PB C 120 van 29.3.2019, blz. 103.
(2) Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).
(3) Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624 (PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(5) Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 93).
(6) Aangenomen teksten, P9_TA-PROV(2020)0121.

Laatst bijgewerkt op: 18 mei 2020Juridische mededeling - Privacybeleid