Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2061(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0104/2020

Ingediende teksten :

A9-0104/2020

Debatten :

Stemmingen :

PV 18/06/2020 - 2

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0143

Aangenomen teksten
PDF 122kWORD 43k
Donderdag 18 juni 2020 - Brussel
Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2020 om het overschot van het begrotingsjaar 2019 erin op te nemen
P9_TA(2020)0143A9-0104/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 18 juni 2020 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2020 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020: boeking van het overschot van het begrotingsjaar 2019 (07764/2020 – C9-0131/2020 – 2020/2061(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(1), en met name artikel 44,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, definitief vastgesteld op 27 november 2019(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2020, goedgekeurd door de Commissie op 15 april 2020 (COM(2020)0180),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2020, vastgesteld door de Raad op 6 mei 2020 en de volgende dag toegezonden aan het Europees Parlement (07764/2020 – C9‑0131/2020),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(6),

–  gezien de artikelen 94 en 96 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0104/2020),

A.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2020 dient om het overschot van het begrotingsjaar 2019, te weten 3 218,4 miljoen EUR, op te nemen op de begroting 2020;

B.  overwegende dat de hoofdonderdelen van dat overschot bestaan uit een positief resultaat bij de ontvangsten ter hoogte van 2 414,8 miljoen EUR en een onderbesteding bij de uitgaven ter hoogte van 803,6 miljoen EUR;

C.  overwegende dat aan de ontvangstenzijde het grootste verschil voortvloeit uit achterstandsrente en boetes (2 510,5 miljoen EUR), waarbij het resultaat bestaat uit mededingingsboetes en achterstandsrente, andere dwangsommen en rente in verband met geldboetes en dwangsommen;

D.  overwegende dat aan de uitgavenzijde de onderbesteding voor 2019 van de betalingen door de Commissie 592,3 miljoen EUR bedraagt (waarvan 351,5 miljoen EUR voor de reserve voor noodhulp en 94,5 miljoen EUR in reserve in rubriek 3 “Veiligheid en burgerschap”) en 86,3 miljoen EUR voor de overdrachten van 2018, naast een onderbesteding door de andere instellingen van 82,4 miljoen EUR voor 2019 en 39 miljoen EUR voor overdrachten van 2017;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2020, zoals ingediend door de Commissie, dat uitsluitend tot doel heeft het overschot van 2019, voor een bedrag van 3 218,4 miljoen EUR, in de begroting op te nemen, overeenkomstig artikel 18 van het Financieel Reglement, en neemt kennis van het standpunt van de Raad hierover;

2.  herhaalt zijn standpunt dat alle beschikbare en ongebruikte middelen in de begroting van de Unie, met inbegrip van het overschot, moeten worden gebruikt voor de snelle verstrekking van financiële bijstand aan de regio’s en bedrijven die het zwaarst getroffen zijn door de COVID-19-pandemie; verzoekt de lidstaten in dit verband de verwachte verlagingen van hun bni-bijdragen die voortvloeien uit het overschot van 2019 volledig te besteden aan de budgettering van COVID-19-gerelateerde acties, bij voorkeur op het niveau van de Unie, om een optimale toewijzing van de middelen te waarborgen;

3.  wijst erop dat volgens de Commissie de mededingingsboetes in 2019 goed waren voor 2 510,5 miljoen EUR; herhaalt van mening te zijn dat de begroting van de Unie alle inkomsten die voortvloeien uit boetes of die verband houden met te late betalingen opnieuw moet kunnen gebruiken zonder dat de bni-bijdragen dienovereenkomstig worden verlaagd; herhaalt zijn standpunt dat de voorgestelde reserve van de Unie (overkoepelende marge voor vastleggingen) in het volgende meerjarig financieel kader moet worden verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan de inkomsten uit boetes en sancties;

4.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2020 goed;

5.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 3/2020 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en aan de nationale parlementen.

(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(2) PB L 57 van 27.2.2020.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.

Laatst bijgewerkt op: 8 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid