Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2657(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0170/2020

Ingediende teksten :

B9-0170/2020

Debatten :

PV 17/06/2020 - 24
CRE 17/06/2020 - 24

Stemmingen :

PV 18/06/2020 - 2
PV 18/06/2020 - 8

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0153

Aangenomen teksten
PDF 119kWORD 43k
Donderdag 18 juni 2020 - Brussel
Conferentie over de toekomst van Europa
P9_TA-PROV(2020)0153B9-0170/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 18 juni 2020 over het standpunt van het Europees Parlement over de conferentie over de toekomst van Europa (2020/2657(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resoluties van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(1), van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(2), van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone(3) en van 13 februari 2019 over de stand van het debat over de toekomst van Europa(4),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(5),

–  gezien het voorstel van de toenmalige voorgedragen voorzitter van de Commissie, Ursula von der Leyen, van 16 juli 2019, in het kader van de politieke richtsnoeren voor de volgende Europese Commissie 2019-2024, over de organisatie van een conferentie over de toekomst van Europa (“de conferentie”),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 januari 2020 getiteld “Vormgeven aan de conferentie over de toekomst van Europa” (COM(2020)0027),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019 met betrekking tot de algemene aanpak van de conferentie over de toekomst van Europa,

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over het standpunt van het Europees Parlement over de conferentie over de toekomst van Europa(6),

–  gezien de resolutie van het Comité van de Regio’s van 12 februari 2020 over de conferentie over de toekomst van Europa,

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(7),

–  gezien zijn resolutie van 15 mei 2020 over het nieuwe meerjarig financieel kader, eigen middelen en het herstelplan(8),

–  gezien de verklaring van de Conferentie van voorzitters ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van de Schumanverklaring,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat zowel de interne als de externe uitdagingen waarmee Europa wordt geconfronteerd, moeten worden aangepakt, alsmede de nieuwe maatschappelijke en transnationale uitdagingen die niet volledig te voorzien waren ten tijde van de goedkeuring van het Verdrag van Lissabon; overwegende dat het aantal grote crises dat de Unie heeft doorgemaakt, aantoont dat institutionele en politieke hervormingen nodig zijn op diverse bestuursgebieden;

B.  overwegende dat de huidige COVID-19-crisis tegen een zeer hoge prijs heeft aangetoond dat de EU een onvoltooid project is en dat de conferentie het uitblijven van solidariteit en coördinatie, de schokken op economisch en sociaal gebied en op het gebied van de gezondheidszorg, en de voortdurende aanvallen op de grondrechten en de rechtsstaat, beter moet aanpakken; overwegende dat de huidige crisis het des te urgenter maakt voor de Europese Unie om doeltreffender en democratischer te worden en dichter bij de burgers te staan.

C.  overwegende dat het Parlement, de Commissie en de Raad hebben verklaard dat er een conferentie over de toekomst van Europa moet worden georganiseerd, en dat dit proces een gelegenheid moet zijn om EU-burgers nauw te betrekken bij een bottom-upoefening waarin naar hen wordt geluisterd en waarin hun stem kan bijdragen aan het debat over de toekomst van Europa;

D.  overwegende dat de conferentie een open forum voor discussie tussen verschillende deelnemers zou moeten zijn, zonder een van tevoren bepaald resultaat; overwegende dat het gemeenschappelijk akkoord van de drie instellingen derhalve alleen betrekking mag hebben op de vorm en de organisatie van de conferentie;

1.  is van mening dat de tijd rijp is om de Unie nogmaals tegen het licht te houden, 10 jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, 70 jaar na de Schumanverklaring, en in het licht van de COVID-19-pandemie; is van oordeel dat de COVID-19-crisis de noodzaak van de conferentie nog urgenter heeft gemaakt;

2.  is van mening dat de COVID-19-crisis de noodzaak van een hervorming van de Europese Unie nog duidelijker heeft gemaakt, en heeft aangetoond dat er dringend behoefte is aan een doeltreffende en efficiënte Unie; is derhalve van mening dat in het proces van de conferentie rekening moet worden gehouden met de reeds bestaande herstelinstrumenten en solidariteitsmechanismen van de EU, en dat ecologische duurzaamheid, economische ontwikkeling, sociale vooruitgang, veiligheid en democratie moeten worden gewaarborgd;

3.  bevestigt het in zijn resolutie van 15 januari 2020 vervatte standpunt in al zijn dimensies en herhaalt zijn oproep aan de Raad en de Commissie om onderhandelingen aan te gaan met het oog op een gemeenschappelijke overeenkomst over de organisatie van de conferentie over de toekomst van Europa vóór het zomerreces;

4.  betreurt het dat de Raad nog geen standpunt over de conferentie heeft ingenomen, en dringt er bij de Raad op aan zijn meningsverschillen te boven te komen en spoedig tot een standpunt te komen over de vorm en de organisatie van de conferentie;

5.  verneemt met instemming dat de Commissie een standpunt over de conferentie heeft ingenomen en bereid is om snel voortgang te maken;

6.  dringt er bij de Raad op aan in zijn mandaat verbintenissen op te nemen in verband met zinvolle follow-up en een zinvolle rechtstreekse betrokkenheid van de burgers, en vraagt de Raad om alle mogelijke resultaten van de conferentie open te houden, met inbegrip van wetgevingsvoorstellen, ook als deze wijzigingen van de Verdragen zouden omvatten;

7.  benadrukt dat de rechtstreekse betrokkenheid van burgers, maatschappelijke organisaties, sociale partners en gekozen vertegenwoordigers ondanks de pandemie een prioriteit van de conferentie moet blijven; kijkt er bijgevolg naar uit de conferentie van start te laten gaan, om samen met alle EU-burgers een meer democratische, effectievere en veerkrachtigere Unie op te bouwen;

8.  erkent dat de start van de conferentie moest worden uitgesteld als gevolg van de pandemie; merkt echter op dat de pandemie bepaalde zwakke punten van onze Unie heeft blootgelegd; is daarom vastbesloten de conferentie zo spoedig mogelijk in het najaar van 2020 van start te laten gaan;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 215.
(2) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 201.
(3) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 235.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0098.
(5) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0010.
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(8) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0124.

Laatst bijgewerkt op: 19 oktober 2021Juridische mededeling - Privacybeleid