Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2128(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0103/2020

Ingediende teksten :

A9-0103/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0192

Aangenomen teksten
PDF 198kWORD 63k
Vrijdag 10 juli 2020 - Brussel Voorlopige uitgave
Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie - fraudebestrijding - jaarverslag 2018
P9_TA-PROV(2020)0192A9-0103/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 10 juli 2020 over bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie - fraudebestrijding - jaarverslag 2018 (2019/2128(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 310, lid 6, en artikel 325, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn resoluties over eerdere jaarverslagen van de Commissie en van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 11 oktober 2019 met als titel “30e jaarverslag over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – Fraudebestrijding – 2018” (COM(2019)0444) en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0361, SWD(2019)0362, SWD(2019)0363, SWD(2019)0364 en SWD(2019)0365),

–  gezien het verslag van OLAF over 2018(1) en het activiteitenverslag van het Comité van toezicht van OLAF over 2018,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Rekenkamer, getiteld “Fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie: krachtiger optreden om de EU-begroting te beschermen” (COM(2019)0196),

–  gezien het actieplan (SWD(2019)0170) en de frauderisicobeoordeling (SWD(2019)0171) bij de mededeling van de Commissie, getiteld “Fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie: krachtiger optreden om de EU-begroting te beschermen” (COM(2019)0196),

–  gezien het jaarverslag van de Europese Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2018, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(2),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten (COM(2018)0324),

–  gezien de opname van standaardbepalingen betreffende de bescherming van de financiële belangen van de EU in alle MFK-voorstellen van de Commissie,

–  gezien advies nr. 8/2018 van de Europese Rekenkamer van 22 november 2018 over het voorstel van de Commissie van 23 mei 2018 tot wijziging van OLAF-verordening 883/2013 wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de onderzoeken van OLAF (COM(2018)0338),

–  gezien advies nr. 9/2018 van de Europese Rekenkamer over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het fraudebestrijdingsprogramma van de EU (COM(2018)0386),

–  gezien speciaal verslag nr. 26/2018 van de Europese Rekenkamer van 10 oktober 2018, getiteld “Een reeks vertragingen bij de IT-douanesystemen: wat ging er mis?”,

–  gezien speciaal verslag nr. 1/2019 van de Europese Rekenkamer, getiteld “Bestrijding van fraude in verband met EU-uitgaven: maatregelen zijn nodig”,

–  gezien speciaal verslag nr. 6/2019 van de Europese Rekenkamer, getiteld “De aanpak van fraude bij EU-cohesie-uitgaven: de beheersautoriteiten moeten de opsporing, reactie en coördinatie versterken”,

–  gezien speciaal verslag nr. 12/2019 van de Europese Rekenkamer, getiteld “Elektronische handel: voor veel uitdagingen op het gebied van de inning van btw en douanerechten moet nog een oplossing worden gevonden”,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(3) en de tussentijdse evaluatie van de toepassing van die verordening, die door de Commissie op 2 oktober 2017 werd gepubliceerd (COM(2017)0589),

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt(4) (de “PIF-richtlijn”),

–  gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”)(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6) van de Raad,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(7),

–  gezien het rapport van 4 september 2019 dat in opdracht van de Commissie werd opgesteld, getiteld “Study and Reports on the VAT Gap in the EU-28 Member States: Final Report”,

–  gezien het rapport van mei 2015 dat in opdracht van de Commissie werd opgesteld, getiteld “Study to quantify and analyse the VAT Gap in the EU Member States: 2015 report” en de mededeling van de Commissie van 7 april 2016 over een actieplan betreffende de btw - Naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU - Tijd om knopen door te hakken” (COM(2016)0148),

–  gezien het corruptiebestrijdingsverslag van de EU, dat door de Commissie op 3 februari 2014 werd gepubliceerd (COM(2014)0038),

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 juni 2011, getiteld “Corruptiebestrijding in de EU” (COM(2011)0308),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU(9),

–  gezien het voortgangsverslag van 12 mei 2017 over de tenuitvoerlegging van de mededeling van de Commissie “Intensivering van de bestrijding van sigarettensmokkel en andere vormen van illegale handel in tabaksproducten – Een integrale EU-strategie (COM(2013)0324 van 6 juni 2013)” (COM(2017)0235),

–  gezien het door OLAF gecoördineerde rapport, getiteld “Fraude bij de gunning van overheidsopdrachten – Een verzameling rode vlaggen en beste praktijken”, gepubliceerd op 20 december 2017, en het handboek van OLAF uit 2017 voor het melden van onregelmatigheden bij gedeeld beheer,

–  gezien speciaal verslag nr. 19/2017 van de Europese Rekenkamer getiteld “Invoerprocedures: tekortkomingen in het rechtskader en een ondoeltreffende uitvoering zijn van invloed op de financiële belangen van de EU”,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-105/14: Strafzaak tegen Ivo Taricco e.a.(10),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-42/17: Strafzaak tegen M.A.S. en M.B.(11),

–  gezien het arrest van het Gerecht in Zaak T-48/16, Sigma Orionis SA/Europese Commissie(12),

–  gezien de vaststelling van Verordening (EU) 2018/1541 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde, om het vermogen van de lidstaten om de zwaarste vormen van btw-fraude tegen te gaan te vergroten en de btw-kloof te verkleinen,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over bescherming van de financiële belangen van de EU – Terugvordering van geld en activa van derde landen in fraudegevallen(13),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en het Comité van de Regio’s, getiteld “Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt - Het meerjarig financieel kader 2021-2027” (COM(2018)0321),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2018 over bestrijding van douanefraude en bescherming van de eigen middelen van de EU(14),

–  gezien de lopende uitvoering van het programma “Hercules III”(15),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0103/2020),

A.  overwegende dat de Commissie de Uniebegroting uitvoert in samenwerking met de lidstaten en dat 74 % van de Uniebegroting in 2018 in gedeeld beheer werd uitgevoerd;

B.  overwegende dat de Commissie zich moet houden aan haar respectieve verantwoordelijkheden onder gedeeld beheer voor toezicht, controle en audit;

C.  overwegende dat de lidstaten, wanneer zij taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting uitoefenen, volgens artikel 63 van het Financieel Reglement (Verordening (EU, Euratom) 2018/1046) alle nodige maatregelen moeten nemen om onregelmatigheid en fraude te voorkomen, op te sporen en te corrigeren;

D.  overwegende dat de lidstaten, teneinde de financiële belangen van de Unie te beschermen, vooraf en achteraf controles moeten verrichten, ten onrechte betaalde bedragen moeten terugvorderen en in voorkomend geval gerechtelijke procedures moeten instellen;

E.  overwegende dat een doelmatig financieel beheer en de bescherming van de financiële belangen van de EU belangrijke beginselen voor de uitvoering van het EU-begrotingsbeleid zijn, waarmee ernaar wordt gestreefd het vertrouwen van de burgers te vergroten door te waarborgen dat het geld van de belastingbetalers goed wordt gebruikt en dat de EU-begroting goed wordt uitgevoerd;

F.  overwegende dat een het beginsel van een deugdelijke besteding van overheidsmiddelen en de bescherming van de financiële belangen van de EU bijdragen tot een doeltreffend beheer van de EU-begroting;

G.  overwegende dat in artikel 310, lid 6, VWEU, wordt bepaald: “De Unie en de lidstaten bestrijden overeenkomstig artikel 325 fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad”; overwegende dat in artikel 325, lid 2, VWEU, wordt bepaald: “De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad”; overwegende dat in artikel 325, lid 3, VWEU, wordt bepaald: “de lidstaten [coördineren] hun optreden om de financiële belangen van de Unie tegen fraude te beschermen. Zij organiseren daartoe samen met de Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten”; overwegende dat in artikel 325, lid 4, VWEU is bepaald dat de Europese Rekenkamer moet worden geraadpleegd over maatregelen op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad;

H.  overwegende dat de EU-begroting gedeelde doelstellingen ondersteunt en gezamenlijke uitdagingen helpt aanpakken en overwegende dat goede prestaties een eerste voorwaarde zijn voor het behalen van resultaten en dat het stellen van prioriteiten en de vereenvoudiging van regelmatige beoordelingen van de kosten, opbrengsten, resultaten en gevolgen aan de hand van doelmatigheidscontroles essentiële elementen zijn voor resultaatgericht begroten;

I.  overwegende dat de EU verplicht is om op het gebied van corruptiebestrijding op te treden binnen de in het VWEU bepaalde grenzen; overwegende dat in artikel 67 VWEU is bepaald dat de Unie een hoog niveau van veiligheid moet waarborgen, onder meer door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit en de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen; overwegende dat corruptie in artikel 83 VWEU wordt genoemd als een vorm van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die negatieve gevolgen heeft voor de financiële belangen van de EU;

J.  overwegende dat fraude met Europese middelen een van de manieren is waarop criminele organisaties in de economie infiltreren en zo zowel de economische vrijheid als de vrije concurrentie aantasten;

K.  overwegende dat er op adequate wijze iets gedaan moet worden aan de diversiteit van de rechts- en bestuurssystemen in de lidstaten, om een beter gecoördineerd EU-optreden voor de preventie van onregelmatigheden en de bestrijding van fraude mogelijk te maken; overwegende dat de Commissie zich daarom sterker moet blijven inzetten voor fraudebestrijding en deze inspanningen doeltreffend moet blijven uitvoeren om tot nog tastbaarder en bevredigender resultaten te komen;

L.  overwegende dat corruptie niet alleen een ernstige bedreiging vormt voor de financiële belangen van de Unie, maar ook voor de democratie en het vertrouwen in de overheid;

M.  overwegende dat de door de lidstaten geïnde btw een belangrijke bron van inkomsten is voor de nationale begrotingen en dat de eigen middelen op basis van de btw in 2018 11,9 % van de totale EU-begroting uitmaakten;

N.  overwegende dat er in een aantal lidstaten sprake is van systematische en geïnstitutionaliseerde corruptie, hetgeen de belangen van de EU schaadt en tevens een bedreiging vormt voor de democratie, de grondrechten en de rechtsstaat; overwegende dat uit het speciale Eurobarometer-verslag 470 over corruptie, dat in december 2017 werd gepubliceerd, blijkt dat de perceptie van en houding tegenover corruptie over het algemeen stabiel is gebleven in vergelijking met 2013, wat aangeeft dat het vertrouwen van de EU-burgers in hun instellingen niet is toegenomen en dat er op dit vlak geen concrete resultaten zijn geboekt;

Opsporing en melding van onregelmatigheden

1.  is ingenomen met het 30e jaarverslag over de bescherming van de financiële belangen van de EU en fraudebestrijding, en met de vooruitgang die de voorbij drie decennia is geboekt met het opzetten en ontwikkelen van de wetgevingsgrondslagen en het institutionele kader (OLAF en het EOM) van de strijd tegen fraude en onregelmatigheden op EU-niveau, met de totstandkoming van samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie, en met het bereiken van resultaten op het gebied van de bescherming van de EU-begroting die onmogelijk waren geweest zonder de gezamenlijke inspanningen van de EU-instellingen en de nationale autoriteiten;

2.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de wijze waarop wordt gefraudeerd voortdurend verandert en dat er voortdurend nieuwe fraudepatronen ontstaan, en dat er steeds vaker sprake is van fraude met een sterke transnationale dimensie en van grensoverschrijdende fraudeconstructies (bijv. fraude bij de afzetbevordering van landbouwproducten, brievenbusondernemingen, ontduiking van douanerechten door onderwaardering van textiel en schoeisel dat in de Unie wordt ingevoerd en in diverse lidstaten wordt ingeklaard, e-handel, de toenemende grensoverschrijdende dimensie van fraude aan de uitgavenzijde, en namaak van producten), die negatieve gevolgen hebben voor de ontvangstenzijde van de EU-begroting en die nieuwe gecoördineerde reacties op EU- en nationaal niveau vereisen;

3.  merkt op dat het totale aantal frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden dat in 2018 werd gemeld (11 638 gevallen) met 25 % is afgenomen ten opzichte van 2017 (15 213 gevallen) en dat het bedrag dat daarmee gemoeid was vrijwel gelijk was aan het bedrag van het jaar daarvoor (2,5 miljard EUR in 2018 en 2,58 miljard EUR in 2017);

4.  wijst erop dat niet alle onregelmatigheden frauduleus zijn en dat er een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen de verschillende soorten gemaakte fouten;

5.  herinnert eraan dat het aantal gerapporteerde frauduleuze onregelmatigheden en de daarmee gemoeide bedragen geen rechtstreekse maatstaf zijn voor de werkelijke omvang van de fraude ten nadele van de EU-begroting of de fraude in een bepaalde lidstaat; merkt op dat het onduidelijk is hoeveel frauduleuze onregelmatigheden er jaarlijks niet worden gemeld door de Commissie en met name door de lidstaten; merkt op dat het Parlement daardoor moeilijk nuttige conclusies kan trekken over de doeltreffendheid van de door de Commissie uitgevoerde fraudebestrijdingsactiviteiten; verzoekt de Commissie derhalve een methodiek te ontwikkelen om de betrouwbaarheid te verbeteren en nauwkeuriger ramingen te verstrekken van de omvang van fraude in de EU; merkt op dat frauduleuze onregelmatigheden van invloed waren op 0,71 % van de betalingen in 2018 en 0,65 % van het brutobedrag aan TEM dat voor 2018 werd geïnd; merkt voorts op dat niet-frauduleuze onregelmatigheden van invloed waren op 0,58 % van de betalingen in 2018 en 1,78 % van het brutobedrag aan TEM dat voor 2018 werd geïnd;

6.  neemt met bezorgdheid kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat de Commissie onvoldoende inzicht heeft in de schaal, aard en oorzaken van fraude; verzoekt de Commissie nogmaals een uniform systeem in het leven te roepen voor het verzamelen van vergelijkbare gegevens over onregelmatigheden en fraudegevallen in de lidstaten, teneinde het meldingsproces te standaardiseren en de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de verstrekte gegevens te waarborgen;

7.  verzoekt de Commissie voorts omvattende controles te verrichten om de volledige transparantie en kwaliteit te garanderen van de gegevens die door de lidstaten zijn gemeld in het beheerssysteem voor onregelmatigheden (IMS);

8.  merkt op dat het aantal frauduleuze onregelmatigheden dat in 2018 werd gemeld (1 152 gevallen) vrijwel gelijk is gebleven aan dat in 2017; betreurt echter dat de bedragen die hiermee gemoeid waren zijn gestegen met maar liefst 183 %, wat ernstige zorgen baart; stelt vast dat deze stijging grotendeels valt toe te schrijven aan twee frauduleuze onregelmatigheden in verband met uitgaven in het kader van het cohesiebeleid; beklemtoont dat deze hoge bedragen zo spoedig mogelijk moeten worden teruggevorderd;

9.  stelt vast dat het aantal in 2018 geregistreerde niet-frauduleuze onregelmatigheden een daling vertegenwoordigde van 27 % (10 487 gevallen), en dat de daarmee gemoeide bedragen met 37 % daalden tot 1,3 miljard EUR;

10.  betreurt ten zeerste en herinnert eraan dat veel lidstaten niet beschikken over specifieke wetgeving tegen georganiseerde criminaliteit, die steeds vaker grensoverschrijdend van aard is en voortdurend toeneemt in sectoren die de financiële belangen van de Unie treffen, zoals smokkel en valsmunterij;

11.  roept de lidstaten op wat betreft het uitwisselen van informatie nauwer samen te werken, om zo het verzamelen van gegevens te verbeteren, de doeltreffendheid van de controles te versterken en de rechten en vrijheden van de burgers te waarborgen; herinnert aan de rol van de Commissie bij het coördineren van de samenwerking tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie om te helpen bij de coördinatie van de inrichting van een eenvormig systeem voor de verzameling van gegevens over onregelmatigheden en fraudegevallen in de lidstaten;

12.  verzoekt de Europese Rekenkamer om in haar controlesteekproeven altijd instellingen en beheersorganen op te nemen die verantwoordelijk zijn voor gevallen waarin opzettelijk misbruik werd gemaakt van geldmiddelen;

13.  vindt het zorgwekkend dat de autoriteiten van de lidstaten op grond van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (Verordening (EU) nr. 1303/2013) uitsluitend frauduleuze of niet-frauduleuze onregelmatigheden hoeven te melden als daarmee een bedrag van meer dan 10 000 EUR aan bijdragen uit de ESIF gemoeid is, dit om de administratieve lasten voor de autoriteiten van de lidstaten niet te veel te laten oplopen; herinnert eraan dat op het gebied van landbouw en in het kader van het Europees Sociaal Fonds veel betalingen ver onder de drempel van 10 000 EUR liggen, die worden uitbetaald in de vorm van betalingsrechten (mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan), en dat het dus mogelijk is dat er veel frauduleuze betalingen zijn die onder de rapportagedrempel liggen en dus niet worden gemeld; neemt echter kennis van de opmerking van de Rekenkamer in haar jaarlijkse verslagen voor 2017 en 2018 dat veel minder gemakkelijk fouten worden gemaakt met betalingsrechten dan met de terugbetaling van kosten, de methode die wordt gebruikt voor projecten van meer dan 10 000 EUR;

14.  veroordeelt krachtig het grootschalige misbruik van Europese structuur- en investeringsfondsen door hoge staatsambtenaren in Tsjechië en door andere overheidsinstanties in Hongarije, Griekenland, Polen, Roemenië en Italië; merkt op dat dergelijke fraude ten koste gaat van kleine familiebedrijven die de subsidies het hardst nodig hebben;

15.  veroordeelt misbruik van het Cohesiefonds krachtig; betreurt dat EU-middelen waarop in verband met frauduleuze onregelmatigheden financiële correcties zijn doorgevoerd opnieuw kunnen worden gebruikt zonder verdere gevolgen of beperkingen; is van mening dat een dergelijk systeem de financiële belangen van de EU in gevaar brengt; verzoekt de Commissie derhalve om het hergebruik van EU-fondsen nauwgezet te volgen en te overwegen een systeem te ontwikkelen waarbij correcties ook gepaard gaan met beperkingen op het verdere gebruik ervan;

16.  herinnert aan de transparantievereisten voor het GLB en het cohesiebeleid, die de verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaten ertoe verplichten een openbaar beschikbare lijst van uiteindelijke begunstigden bij te houden; roept de lidstaten op deze gegevens in een eenvormig, machinaal leesbaar formaat te publiceren en te zorgen voor de interoperabiliteit van de informatie; verzoekt de Commissie de gegevens te verzamelen en samen te voegen en lijsten bekend te maken van de grootste begunstigden voor elk fonds in elke lidstaat;

17.  dringt er bij de Commissie op aan een specifiek klachtenmechanisme op Unieniveau voor te stellen om landbouwers of begunstigden te steunen die werden geconfronteerd met bijvoorbeeld landroof, ambtsmisdrijven van nationale overheden, druk vanuit criminele structuren of organisaties, of personen die worden gedwongen slavenarbeid te verrichten, zodat zij de mogelijkheid krijgen om snel klacht in te dienen bij de Commissie die deze klachten vervolgens dringend dient te onderzoeken;

18.  beklemtoont dat de Europese Commissie momenteel onvoldoende maatregelen treft om dit soort fraude aan te pakken; dringt er bij de Commissie op aan doeltreffende controles te verrichten in combinatie met bindende maatregelen; merkt op dat het EOM een belangrijke rol dient te spelen bij het verrichten van grensoverschrijdend onderzoek, het opsporen en melden van fraudegevallen en het berechten van fraudeurs;

Ontvangsten – eigen middelen

19.  merkt op dat het aantal gemelde frauduleuze onregelmatigheden voor de geïnde TEM met 1 % is gestegen (tot 473 in 2018) en betreurt dat het daarmee gemoeide bedrag met 116 % is gestegen;

20.  merkt op dat het aantal gemelde niet-frauduleuze onregelmatigheden voor 2018 10 % lager lag dan het gemiddelde voor de jaren 2014-2018, maar betreurt dat het betrokken bedrag 17 % hoger ligt;

21.  is ernstig bezorgd over het feit dat de btw-kloof in 2018 volgens de “snelle ramingen” van de Commissie ongeveer 130 miljard EUR bedroeg, hetgeen ongeveer 10 % is van de totale verwachte btw-inkomsten, en dat de Commissie schat dat intracommunautaire btw-fraude de Unie jaarlijks ongeveer 50 miljard EUR kost; betreurt dat de verliezen op leveringen van goederen van geringe waarde uit derde landen jaarlijks zo’n 5 miljard EUR bedraagt;

22.  is ingenomen met de vaststelling van de richtlijn betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Unie, waarin wordt verduidelijkt welke problemen gemoeid zijn met de grensoverschrijdende samenwerking en wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten, Eurojust, het EOM en de Commissie bij de bestrijding van btw-fraude;

23.  herhaalt zijn standpunt dat de bevoegdheden van OLAF op het gebied van btw-onderzoeken geenszins mogen worden beperkt of aan verdere administratieve voorwaarden mogen worden onderworpen; verzoekt de Raad tijdens de onderhandelingen over de verordening betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de onderzoeken rekening te houden met het standpunt van het Parlement in deze kwestie;

24.  beklemtoont dat OLAF een belangrijke rol speelt in het onderzoek van btw-kwesties; is ingenomen met de wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde(16) die in 2018 werd vastgesteld en waarmee maatregelen werden ingevoerd ter versterking van de capaciteit van nationale belastingautoriteiten om leveringen van goederen uit derde landen te controleren, waarbij de bevoegdheden van OLAF om onderzoeken naar btw-fraude te faciliteren en te coördineren werden uitgebreid, de schadelijkste vormen van btw-fraude werden tegengegaan en de btw-kloof werd verkleind;

25.  is ingenomen met de wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad om de mogelijkheden van de nieuwe software voor transactienetwerkanalyse (TNA) optimaal te benutten voor de identificatie van frauduleuze netwerken in de gehele EU, met de bedoeling de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen nationale belastingautoriteiten te verbeteren teneinde btw-carrouselfraude beter op te sporen en snel te onderscheppen; pleit voor maatregelen om ervoor te zorgen dat de gegevensbescherming van economische actoren die onderzocht worden en van wie de naam voorkomt in de nieuwe TNA-software volledig gewaarborgd wordt;

26.  is ingenomen met de invoering van maatregelen voor de uitwisseling vanaf 2020 tussen nationale belastingautoriteiten van relevante gegevens met betrekking tot douaneregelingen 42 en 63, waardoor de lidstaat van invoer en de lidstaat van de klant kruiscontroles kunnen verrichten m.b.t onder andere btw-nummers, de waarde van de ingevoerde goederen en productsoorten;

27.  benadrukt dat de ontwikkeling van nationale fraudebestrijdingsstrategieën voor alle lidstaten een prioriteit moet zijn;

28.  wijst op de ernst van de btw-fraude, met name de zogenaamde carrouselfraude, in het kader waarvan er door de ontbrekende handelaar geen btw wordt afgedragen aan de bevoegde belastingautoriteiten, zelfs als de btw wel bij de klant in rekening is gebracht;

29.  merkt op dat in 2018 zonnepanelen de meest fraude- en onregelmatigheidsgevoelige goederen waren en dat dat in 2017 en 2016 ook al zo was; is ingenomen met de verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd en onderstreept het belang van de onderzoeken van OLAF en de coördinerende rol van OLAF op dit gebied;

30.  is verheugd over het feit dat verschillende lidstaten nieuwe IT-instrumenten, op risico gebaseerde benaderingen en initiatieven hebben uitgerold om uitdagingen op het gebied van de inning van traditionele eigen middelen het hoofd te bieden; spoort de lidstaten aan verder samen te werken aan een gemeenschappelijk gebruik van deze instrumenten, benaderingen en initiatieven, om goede praktijken te blijven uitwisselen en om de samenwerking binnen het Eurofisc-kader te verbeteren;

31.  vreest dat inkomstenfraude door de onderwaardering van goederen die in de EU worden ingevoerd vanuit derde landen een gevaar blijft vormen voor de financiële belangen van de EU; beseft dat grensoverschrijdende elektronische handel in goederen een belangrijke bron van fraude in de EU is en dat het daarbij vooral gaat om producten met een geringe omvang; verzoekt de lidstaten om de kwesties in verband met grensoverschrijdende elektronische handel, met name het mogelijke misbruik van ontheffingen voor zendingen met een lage waarde aan te pakken door de aanbevelingen van de Commissie in dit verband volledig toe te passen;

32.  merkt op dat de Commissie in december 2018 een nieuw actieplan ter bestrijding van de illegale tabakshandel heeft gepresenteerd, dat met name operationele rechtshandhavingsmaatregelen omvat;

33.  merkt op dat niet-frauduleuze onregelmatigheden eerst en vooral werden opgespoord aan de hand van controles na vrijgave, maar onderstreept het belang van douanecontroles vóór of tijdens de vrijgave van goederen, evenals vrijwillige toelatingen voor het opsporen van onregelmatigheden;

34.  herinnert eraan dat fraude het beste opgespoord kan worden door middel van een combinatie van opsporingsmethoden (inklaringscontroles, controles na inklaring, inspecties door fraudebestrijdingsdiensten e.d.) en dat de doeltreffendheid van elke opsporingsmethode afhangt van de lidstaat in kwestie, van de vraag in hoeverre de administratie van die lidstaat op doeltreffende wijze gecoördineerd wordt en van het vermogen van de bevoegde diensten van die lidstaat om onderling te communiceren;

35.  vindt het zorgwekkend dat sommige lidstaten geregeld geen enkel geval van fraude melden; verzoekt de Commissie de situatie te onderzoeken, omdat het Parlement het weinig waarschijnlijk acht dat in die lidstaten geen frauduleuze activiteiten plaatsvinden; verzoekt de Commissie in deze landen steekproeven ter plaatse te verrichten;

36.  stelt vast dat het gemiddelde terugvorderingspercentage bij gevallen die als fraude zijn gemeld in de periode 1989-2018 rond de 41 % lag; stelt eveneens vast dat het terugvorderingspercentage voor frauduleuze gevallen die in 2018 werden gemeld en opgespoord 70 % was, hetgeen aanzienlijk boven het gemiddelde percentage ligt; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een strategie te ontwikkelen ter verbetering van het terugvorderingspercentage in deze gevallen;

37.  stelt vast dat het algemene terugvorderingspercentage voor niet-frauduleuze gevallen die zijn gemeld in de periode 1989-2018 rond de 72 % lag;

38.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om jaarlijks verslag uit te brengen over het bedrag aan eigen middelen van de Unie dat naar aanleiding van de aanbevelingen van OLAF is teruggevorderd, en ook de nog terug te vorderen bedragen mee te delen;

Uitgaven

39.  merkt op dat het aantal als frauduleus gemelde onregelmatigheden (679) met 3 % is gedaald in 2018, hetgeen van invloed was op de uitgaven; wijst evenwel uitdrukkelijk op het alarmerende tempo waarmee de bedragen die hiermee gemoeid waren (1 032 miljoen EUR) een tegenovergestelde tendens lieten zien, namelijk een stijging van 198 %;

40.  is verheugd dat het aantal gemelde niet-frauduleuze onregelmatigheden met 4 % is gedaald en dat het daarmee gemoeide bedrag met 48 % is gedaald (844,9 miljoen EUR);

41.  is verheugd dat sommige lidstaten aan de uitgavenzijde verschillende operationele maatregelen hebben getroffen zoals de invoering van IT-instrumenten voor het toekennen van risicoscores, frauderisicobeoordelingen en opleidingscursussen om het algemene fraudebewustzijn te vergroten; verzoekt alle overige lidstaten meer inspanningen te leveren om zo spoedig mogelijk dergelijke maatregelen vast te stellen;

42.  merkt op dat sommige lidstaten geen frauduleuze onregelmatigheden melden; verzoekt de Commissie de lidstaten te blijven ondersteunen zodat zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de controles wordt verbeterd, en beste praktijken in het kader van fraudebestrijding te verspreiden;

43.  wijst op het belang van zorgvuldig beheer en nauwlettende controle van de subsidies die worden toegewezen in het kader van de programma’s van de ESI-fondsen (Europese structuur- en investeringsfondsen, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, het AMIF (Fonds voor asiel, migratie en integratie), het FEAD (Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen) en het EFG (Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering)), met het oog op een doeltreffende en inflatievrije budgettering in verband met deze fondsen en het voorkomen van fraude;

44.  verzoekt de Commissie, OLAF, het EOM en de lidstaten met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid en dat er in 2018 249 frauduleuze onregelmatigheden werden gemeld (-6 %) waarmee in totaal 63,3 miljoen EUR gemoeid was (+10 %) en dat er met betrekking tot het cohesiebeleid 363 frauduleuze onregelmatigheden werden gemeld (+5 %), waarmee een totaal bedrag van 959,6 miljoen EUR gemoeid was (+199 %), de krachtigste maatregelen toe te passen om fraude te bestrijden waarmee overheidsgeld is gemoeid dat uit de EU-begroting is betaald;

45.  stelt vast dat het niveau van fraudefrequentie (FFL), namelijk het percentage gevallen dat wordt aangemerkt als vermoedelijke fraude en vastgestelde fraude ten opzichte van het totaal aantal gemelde onregelmatigheden, met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de verslagjaren 2014-2018 op 10 % ligt en dat het niveau van de fraudebedragen op ongeveer 23 % ligt van het totale financiële bedrag dat door onregelmatigheden is getroffen; stelt voorts vast dat het opsporingspercentage van fraude (FDR), namelijk het percentage van het totale financiële bedrag dat door vermoedelijke en vastgestelde fraude is getroffen ten opzichte van de totale uitgaven, op slechts 0,11 % ligt en dat het opsporingspercentage van onregelmatigheden, namelijk het percentage van het totale financiële bedrag dat door onregelmatigheden is getroffen ten opzichte van de totale uitgaven, op 0,37 % ligt;

46.  beklemtoont eveneens dat het opsporingspercentage van fraude voor het cohesiebeleid op 0,86 % ligt en dat het opsporingspercentage van onregelmatigheden op ongeveer 0,34 % ligt;

47.  herhaalt het belang van transparantie in verband met de uitgaven, en vraagt volledige toegang tot de informatie als er sprake is van Europese financiering;

De fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie

OLAF

48.  merkt op dat OLAF in 2018 219 onderzoeken heeft opgestart en er 167 heeft afgerond, met aanbevelingen voor financiële terugvorderingen ter waarde van 371 miljoen EUR; merkt voorts op dat er op het einde van het jaar 414 lopende onderzoeken waren;

49.  neemt kennis van de versterking van de rol van de coördinatiedienst fraudebestrijding (AFCOS) wat betreft de bevordering van de doeltreffendheid van de diverse kanalen voor grensoverschrijdende samenwerking die tussen de nationale autoriteiten bestaan, met name als het gaat om douanefraude, maar ook voor samenwerking met OLAF;

50.  is ingenomen met de vaststelling van de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (CAFS) in april 2019, die aangepast is aan twee belangrijke in 2017 aangenomen aanvullingen op de EU-wetgeving inzake fraudebestrijding, te weten de PIF-richtlijn, die strengere gemeenschappelijke normen bevat voor de strafwetgeving van de lidstaten om de financiële belangen van de Unie te beschermen, en de verordening tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM);

51.  betreurt dat de Commissie in haar jaarlijkse werkprogramma nog geen voorstel heeft opgenomen inzake een instrument voor wederzijdse administratieve bijstand aan de uitgavenzijde; is van mening dat een dergelijk initiatief valt onder de bepalingen van artikel 225 van het Verdrag;

52.  wijst op de cruciale rol die OLAF vervult, en benadrukt dat dit bureau verder moet worden versterkt en dat zijn doeltreffende coördinatie met het Europees Openbaar Ministerie moet worden verzekerd;

53.  betreurt dat momenteel nog maar twaalf lidstaten de nieuwe PIF-richtlijn hebben omgezet, dat acht lidstaten de richtlijn ten dele hebben omgezet en dat de overige lidstaten op dit gebied nog geen stappen hebben gezet; stelt vast dat de uiterste termijn voor omzetting van de nieuwe PIF-richtlijn reeds op 6 juli 2019 verstreken is; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een lijst te publiceren van alle lidstaten die er niet in geslaagd zijn de richtlijn voor de uiterste termijn om te zetten; verzoekt alle resterende lidstaten alle nodige maatregelen te treffen en te zorgen voor de zo spoedig mogelijke volledige en correcte omzetting van de richtlijn; verzoekt de Commissie om het omzettingsproces in alle lidstaten nauwgezet te volgen, en gebruik te maken van haar prerogatieven om inbreukprocedures in te leiden wanneer lidstaten het omzettingsproces niet naleven;

54.  herinnert eraan dat de nieuwe CAFS betrekking heeft op: (i) fraude – met inbegrip van btw-fraude, corruptie en verduistering die de financiële belangen van de EU schaadt, zoals gedefinieerd in de artikelen 3 en 4 van de PIF-richtlijn; (ii) andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, bijvoorbeeld misdrijven in het kader van aanbestedingsprocedures die gevolgen voor de EU-begroting hebben; (iii) onregelmatigheden in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 (voor zover zij opzettelijk zijn, doch niet reeds zijn begrepen onder de hierboven genoemde strafbare feiten); en iv) ernstige schendingen van de professionele verplichtingen door personeelsleden of leden van de instellingen en organen van de Unie, als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de OLAF-verordening en in artikel 2, lid 1, tweede alinea, van Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie houdende oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding(17);

55.  is ingenomen met de nieuwe doelstellingen van het CAFS, zoals het verbeteren van de kennis van fraudepatronen, profielen van fraudeurs en systemische kwetsbare plekken waar het gaat om fraude ten nadele van de EU-begroting en het optimaliseren van de coördinatie, samenwerking en workflows voor fraudebestrijding, met name tussen diensten van de Commissie en uitvoerende agentschappen;

56.  betreurt dat slechts elf lidstaten een nationale antifraudestrategie (NAFS) hebben vastgesteld; verzoekt alle resterende lidstaten om werk te maken van de vaststelling van hun NAFS; verzoekt de Commissie de resterende lidstaten aan te manen werk te maken van de vaststelling van hun NAFS; verzoekt de Commissie de vaststelling van een nationale fraudebestrijdingsstrategie als voorwaarde te stellen voor toegang tot Europese middelen;

57.  is ingenomen met het nieuwe voorstel van het fraudebestrijdingsprogramma van de EU voor 2021-2027, dat in direct beheer door OLAF zal worden uitgevoerd; merkt op dat het fraudebestrijdingsprogramma van de EU het volgende omvat: het uitgavenprogramma Hercules III dat activiteiten ondersteunt ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ii) het antifraude-informatiesysteem (AFIS), dat een operationele activiteit behelst die in wezen bestaat uit een reeks IT-toepassingen voor de douane die met behulp van een gemeenschappelijk informatiesysteem worden beheerd door de Commissie, en iii) het beheerssysteem voor onregelmatigheden (IMS), een beveiligd elektronisch communicatie-instrument dat de lidstaten helpt bij de melding van opgespoorde onregelmatigheden, waaronder fraude, en dat het beheer en de analyse van die onregelmatigheden ondersteunt;

58.  stelt vast dat het fraudebestrijdingsprogramma van de EU en de nieuwe prioriteiten ervan moeten beschikken over toereikende middelen om resultaten te kunnen behalen; is daarom bezorgd over het voorstel van de voorzitter van de Europese Raad om de begroting van het fraudebestrijdingsprogramma van de EU van 156 miljoen EUR voor de periode 2014-2020 te verlagen naar 111 miljoen EUR voor de periode 2021-2027;

59.  herinnert eraan dat er in de nationale fraudebestrijdingsstrategieën proactieve methodes moeten worden opgenomen waarmee fraude kan worden vastgesteld, maar ook doeltreffend voorkomen;

Vorderingen met betrekking tot de instelling van het EOM

60.  neemt kennis van het feit dat er in 2018 een administratief directeur ad interim is benoemd;

61.  onderstreept dat de oprichting van het EOM een fundamentele ontwikkeling is voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie; wijst uitdrukkelijk op het belang van het EOM voor de bestrijding van fraude, corruptie en ernstige grensoverschrijdende btw-fraude;

62.  is verheugd dat Nederland en Malta in 2018 besloten hebben om deel te nemen aan het EOM; merkt op dat de stand van zaken per eind oktober 2019 zo was dat vijf lidstaten niet deelnamen aan het EOM; herinnert er evenwel aan dat in overweging 9 van Verordening (EU) 2017/1939 is vastgelegd dat deze lidstaten op elk moment kunnen besluiten alsnog aan de grensoverschrijdende samenwerking deel te nemen; spoort alle resterende lidstaten aan zo spoedig mogelijk deel te nemen aan het EOM; verzoekt de Commissie het lidmaatschap van het EOM actief te bevorderen en te stimuleren bij de lidstaten die zich tot dusver terughoudend hebben opgesteld, om een doeltreffende en doelmatige grensoverschrijdende werking van het EOM in de gehele EU te garanderen;

63.  wijst erop dat de selectieprocedure voor de Europese hoofdaanklager in 2019 werd afgerond; is ingenomen met de benoeming van mevrouw Laura Codruta Kovesi tot eerste Europese hoofdaanklager, na een selectieprocedure waarbij het Europees Parlement, de Raad en een onafhankelijke groep door de Commissie geselecteerde deskundigen betrokken waren;

64.  beklemtoont dat het toewijzen van ontoereikende financiële en personele middelen aan het EOM tijdens de oprichtingsfase onaanvaardbaar is; betreurt ten zeerste dat de nodige middelen zeer sterk werden onderschat door de Commissie; onderstreept dat het EOM wel 3 000 zaken per jaar moet behandelen, vanaf het eerste ogenblik waarop het operationeel wordt; benadrukt dat het EOM behoefte heeft aan minstens 76 aanvullende posten en 8 miljoen EUR, wil het tegen het einde van 2020, zoals beoogd, volledig operationeel zijn; kant zich tegen het beginsel van aanklagers in deeltijd; vraagt de lidstaten zo spoedig mogelijk voltijdse openbare aanklagers aan te stellen; dringt er sterk op aan dat de Commissie een ontwerp van gewijzigde begroting voorlegt;

65.  benadrukt dat OLAF in de lidstaten die hebben besloten zich niet bij het EOM aan te sluiten, na de oprichting van het EOM nog steeds het enige orgaan zal zijn dat belast is met de bescherming van de financiële belangen van de EU; benadrukt dat het voorstel van de Commissie tot wijziging van de OLAF-verordening volgens advies nr. 8/2018 van de Europese Rekenkamer geen oplossing biedt voor de geringe doeltreffendheid van de administratieve onderzoeken van OLAF; onderstreept hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat OLAF een sterke en goed functionerende partner van het EOM blijft;

66.  benadrukt dat de toekomstige samenwerking tussen OLAF en het EOM gebaseerd moet zijn op nauwe samenwerking, doeltreffende uitwisseling van informatie en complementariteit, terwijl tegelijkertijd doublures of conflicterende bevoegdheden moeten worden vermeden; herinnert eraan dat het Parlement zich verzet tegen een vermindering van het aantal personeelsleden bij OLAF met 45 posten;

67.  verzoekt de medewetgevers tijdig tot een akkoord te komen betreffende de herziening van de OLAF-verordening, zodat de bevoegdheden van OLAF en die van EOM duidelijk van elkaar gescheiden zijn, zonder overlappingen, voordat het EOM operationeel wordt;

Verbeterpunten

68.  wil de volgende twee verbeterpunten onder de aandacht brengen: in de eerste plaats dient, met het oog op de verbetering van frauderisicobeoordeling en frauderisicobeheer, de analytische capaciteit van de Commissie en de lidstaten verbeterd te worden, zodat zij gegevens met betrekking tot fraudepatronen, profielen van fraudeurs en zwakke punten in de internecontrolesystemen in de EU beter kunnen identificeren; ten tweede moeten frauderisicobeoordeling en -beheer sterk gecoördineerd en gecontroleerd worden om op die manier voor consistentie en een betere doelmatigheid en doeltreffendheid te zorgen;

69.  wijst erop dat het verband tussen corruptie en fraude in de EU negatieve gevolgen kan hebben voor de EU-begroting; betreurt dat de Commissie het niet langer nodig acht om het corruptiebestrijdingsverslag te publiceren; verzoekt de Commissie bovendien de oprichting van een netwerk van instanties ter voorkoming van corruptie in het kader van de Europese Unie te overwegen; betreurt het besluit van de Commissie om de monitoring op het gebied van corruptiebestrijding deel te laten uitmaken van het proces van economische governance in het kader van het Europees semester; is van mening dat hiermee het toezicht door de Commissie verder wordt verzwakt aangezien er slechts voor een paar landen gegevens beschikbaar zijn; betreurt voorts dat deze nieuwe aanpak vooral gericht is op de economische gevolgen van corruptie en dat de andere gevolgen van corruptie, zoals het effect van corruptie op het vertrouwen van de burgers in de overheid en zelfs in het democratische bestel van de lidstaten, hierbij vrijwel volledig over het hoofd worden gezien; dringt er daarom bij de Commissie op aan corruptiebestrijdingsverslagen te blijven publiceren; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een breder en coherenter EU-corruptiebestrijdingsbeleid te voeren en in dat kader ook het corruptiebestrijdingsbeleid in elke lidstaat grondig te evalueren;

70.  herhaalt dat het draaideureffect schadelijk kan zijn voor betrekkingen tussen de instellingen en belangenvertegenwoordigers; vraagt de EU-instellingen een systematische aanpak van dit probleem te ontwikkelen;

71.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om voor de EU-instellingen een intern evaluatiemechanisme in verband met corruptie op te zetten;

72.  dringt er bij de Commissie op aan om als een van haar overkoepelende prioriteiten te werken aan de ontwikkeling van een gezamenlijke Europese strategie die erop gericht is belangenconflicten bij alle financiële actoren die zich bezighouden met de uitvoering van de EU-begroting proactief te vermijden;

73.  vindt dat er ook andere initiatieven moeten worden ontplooid om de omvang van de gederfde douanerechten te kunnen meten en een doeltreffende methodologie voor dergelijke metingen te ontwikkelen, in ieder geval voor de belangrijkste elementen daarvan;

74.  is van oordeel dat douanecontroles aangepast moeten worden aan nieuwe frauderisico’s en aan de snelle groei van de grensoverschrijdende handel ten gevolge van de mogelijkheden die geboden worden door e-handel en papierloos ondernemen;

75.  stelt vast dat de groei van de e-handel problemen oplevert voor belastingautoriteiten, bijvoorbeeld omdat de verkoper geen fiscaal nummer in de EU heeft en omdat vaak voor veel lagere bedragen btw-aangiftes worden gedaan dan op grond van de werkelijke waarde van de transacties zou moeten;

76.  benadrukt dat een systeem voor informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten een kruiscontrole van de boekhoudkundige gegevens over transacties tussen twee of meer lidstaten mogelijk zou maken teneinde transnationale fraude in het kader van de structuur- en investeringsfondsen te voorkomen en zo te zorgen voor een horizontale en volledige aanpak van de bescherming van de financiële belangen van de lidstaten; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen inzake wederzijdse administratieve bijstand in de uitgavensectoren van de EU-fondsen waar daar nog niet in is voorzien;

77.  maakt zich zorgen over het gevaar van onderwaardering van leveringen van goederen in het kader van elektronische handel vanuit derde landen; is ingenomen met de stappen die door OLAF zijn genomen om oplossingen te vinden voor het probleem van btw-fraude bij elektronische handel;

78.  herinnert eraan dat de Commissie geen toegang heeft tot de informatie die tussen de lidstaten wordt uitgewisseld ter voorkoming en bestrijding van intracommunautaire ploffraude (MTIC), ook wel carrouselfraude genoemd; is van mening dat de Commissie toegang moet krijgen tot Eurofisc om de gegevensuitwisseling tussen de lidstaten beter te kunnen controleren, beoordelen en verbeteren; vraagt alle lidstaten deel te nemen aan alle terreinen waarop Eurofisc actief is om de uitwisseling van informatie met gerechtelijke en rechtshandhavingsautoriteiten zoals Europol en OLAF te vergemakkelijken en sneller te laten verlopen, zoals de Europese Rekenkamer heeft aanbevolen; vraagt de lidstaten en de Raad om de Commissie toegang te verlenen tot deze gegevens teneinde de samenwerking te bevorderen, de betrouwbaarheid van de gegevens te vergroten en grensoverschrijdende misdaad te bestrijden;

79.  verzoekt OLAF om het Parlement te informeren over het resultaat van zijn onderzoek naar de invoer van kleding met een geringe waarde; verzoekt de Commissie en de lidstaten om toezicht te houden op elektronische handelstransacties waarbij de ene partij een verkoper is van buiten de EU die geen btw aangeeft (bijvoorbeeld door een product ten onrechte aan te merken als “monster”) of die opzettelijk een te lage waarde van een product vermeldt om geen of minder btw te hoeven afdragen;

80.  onderstreept dat bepaalde tekortkomingen in de handhaving op het gebied van de bestrijding van handelsfraude in de EU moeten worden verholpen, met name als het gaat om de verzameling van juiste gegevens over frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden;

81.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, waar mogelijk, gemeenschappelijke verslagleggingsmethoden te gebruiken en te verbeteren om omvattende en vergelijkbare gegevens te verstrekken over het niveau van opgespoorde fraude wat betreft EU-uitgaven;

82.  verzoekt de Commissie om de doeltreffendheid van het beheerssysteem voor onregelmatigheden van OLAF (het zogenaamde “Irregularity Management System”) te waarborgen, zodat informatie over strafrechtelijke onderzoeken in verband met fraude waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad door alle bevoegde autoriteiten tijdig wordt gemeld;

83.  wijst erop dat volledige transparantie bij de verantwoording van uitgaven essentieel is, in het bijzonder bij infrastructuurwerken die rechtstreeks via fondsen of financieringsinstrumenten van de EU worden gefinancierd; verzoekt de Commissie de EU-burgers volledige inzage te geven in de informatie over medegefinancierde projecten;

84.  herinnert de lidstaten eraan dat samenwerking met de Commissie noodzakelijk is om een doelmatige besteding van middelen te garanderen en resultaten te evalueren;

85.  neemt er nota van dat de Commissie op gebieden waarop er sprake is van gedeeld beheer niet de bevoegdheid heeft om een verzoek tot uitsluiting van onbetrouwbare marktdeelnemers van de ontvangst van EU-middelen in te dienen als de autoriteiten van de lidstaten dit niet doen; verzoekt de lidstaten om frauduleuze onregelmatigheden onverwijld te melden via het beheerssysteem voor onregelmatigheden en zo goed mogelijk gebruik te maken van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting;

86.  staat erop dat de lidstaten optimaal gebruikmaken van het instrument voor fraudepreventie dat geboden wordt door de Arachne-databank, door tijdig gegevens te verstrekken en gebruik te maken van de mogelijkheden van big data voor de voorkoming van frauduleus en onregelmatig gebruik van EU-middelen; verzoekt de Commissie te overwegen het gebruik van Arachne verplicht te stellen;

87.  wijst op de rol en verantwoordelijkheid van de lidstaten bij de uitvoering van overeenkomsten voor administratieve samenwerking, de doeltreffendheid van controles, de handhaving van gegevensverzameling en de monitoring van de naleving van het regelgevingskader door handelaren;

88.  verzoekt de Commissie te voorzien in passende wettelijke bescherming voor onderzoeksjournalisten naar het voorbeeld van de bescherming die aan klokkenluiders wordt gegeven;

Openbare aanbestedingen

89.  merkt op dat een aanzienlijk deel van de overheidsinvesteringen wordt gedaan via openbare aanbestedingen (2 biljoen EUR per jaar); wijst op de voordelen van elektronische aanbestedingen voor fraudebestrijding, zoals besparingen voor alle partijen, meer transparantie en vereenvoudigde en kortere procedures;

90.  betreurt dat slechts een paar lidstaten nieuwe technologieën gebruiken voor alle belangrijke stappen van het aanbestedingsproces (elektronische kennisgeving, elektronische toegang tot aanbestedingsdocumenten, elektronische indiening, elektronische evaluatie, elektronische gunning, elektronische bestelling, elektronische facturering en elektronische betaling); vraagt de lidstaten alle formulieren van het openbare-aanbestedingsproces, alsook openbaar toegankelijke aanbestedingsregisters, online beschikbaar te stellen in een machinaal leesbaar formaat;

91.  is verheugd over het tijdschema van de Commissie voor de invoering van elektronische aanbestedingen in de EU en vraagt de Commissie daar verder werk van te maken;

Digitalisering

92.  verzoekt de Commissie een door alle lidstaten toe te passen kader voor de digitalisering van alle uitvoeringsprocessen met betrekking tot EU-beleid vast te stellen (oproepen tot het indienen van voorstellen, toepassing, evaluatie, tenuitvoerlegging, betalingen);

93.  vraagt de Commissie stimulansen te ontwikkelen om een elektronisch profiel van aanbestedende diensten op te stellen voor de lidstaten waar dergelijke profielen niet beschikbaar zijn;

94.  is ingenomen met het besluit van de EU om eindelijk als waarnemer toe te treden tot de Greco; vraagt de Commissie de onderhandelingen met de Greco zo snel mogelijk te hervatten om haar naleving van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC) tijdig te beoordelen en een intern evaluatiemechanisme voor de EU-instellingen op te zetten;

Internationale samenwerking

95.  neemt kennis van de inwerkingtreding op 1 september 2018 van de overeenkomst tussen de EU en Noorwegen inzake administratieve samenwerking en wederzijdse bijstand op het gebied van de inning van btw;

96.  is ingenomen met de organisatie van het jaarlijkse seminar voor partnerautoriteiten in kandidaat- en potentiële kandidaat-lidstaten over beste praktijken op het gebied van de opsporing en melding van fraude (dat in juni 2018 in Bosnië en Herzegovina gehouden werd) en over de workshop die in juli 2018 in het kader van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne in Oekraïne gehouden werd en waaraan werd deelgenomen door alle relevante fraudebestrijdingsdiensten;

97.  dringt er sterk op aan dat de Commissie, OLAF en alle andere instellingen en instanties van de Unie die belast zijn met de bescherming van de financiële belangen van de Unie actief contacten onderhouden en samenwerken met partnerautoriteiten in kandidaat- en potentiële kandidaat-lidstaten en in landen van het Oostelijk Partnerschap, en daarbij maatregelen bevorderen waarmee mogelijke fraudegevallen doeltreffend worden aangepakt; verzoekt de Commissie specifieke en algemene mechanismen te ontwikkelen om in deze landen fraude met EU-middelen doeltreffend te voorkomen en te bestrijden;

98.  is ingenomen met de ondertekening door OLAF van twee regelingen voor administratieve samenwerking, met de Afrikaanse Ontwikkelingsbank enerzijds en het Bureau van de inspecteur-generaal van het US Agency for International Development (USAID) anderzijds;

99.  wijst op de problemen in verband met de handhaving in derde landen als het gaat om de uitvoering van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging (“het FCTC-protocol”);

100.  spoort de agentschappen van de Europese Unie, in het bijzonder Europol, Eurojust en Olaf, aan nauwer te gaan samenwerken met de nationale autoriteiten om fraude doeltreffender te kunnen opsporen;

101.  benadrukt de belangrijke rol van klokkenluiders bij de preventie, opsporing en melding van fraude; beklemtoont dat klokkenluiders in de lidstaten en in de Unie met wettelijke middelen moeten worden beschermd en dat onderzoeksjournalistiek met wettelijke middelen moet worden aangemoedigd; is ingenomen met de nieuwe Europese richtlijn inzake klokkenluiders die vanaf december 2021 bescherming zal geven aan personen uit de particuliere of openbare sector die inbreuken melden; verzoekt de Commissie van nabij te volgen dat de lidstaten de richtlijn volledig, correct en tijdig omzetten en hen daarbij te helpen;

102.  is van mening dat onderzoeksjournalistiek een essentiële rol speelt in het verbeteren van de vereiste mate van transparantie in de EU en de lidstaten en dat deze zowel door de lidstaten als door de Unie met wettelijke middelen moet worden aangemoedigd en ondersteund; verzoekt de Commissie omvattende maatregelen te ontwikkelen voor de bescherming van onderzoeksjournalistiek, met onder meer een snellereactiemechanisme voor journalisten in nood en doeltreffende wetgeving tegen rechtszaken die worden aangespannen met het oogmerk een kritische partij te intimideren en tot zwijgen te brengen (SLAPP);

103.  wijst op de centrale rol van transparantie bij de preventie en vroegtijdige opsporing van fraudegevallen en belangenconflicten; verzoekt alle lidstaten meer inspanningen te leveren om de transparantie van de begroting te verbeteren, door ervoor te zorgen dat relevante gegevens betreffende openbare-aanbestedingsprocedures en de gunning van uit openbare middelen gefinancierde opdrachten beschikbaar zijn en gemakkelijk toegankelijk zijn voor het publiek;

Regels inzake transparantie en horizontale bepalingen

104.  verwelkomt de vaststelling van de omnibusverordening, en verwacht dat die zal leiden tot een drastische verlaging van de fraudepercentages voor het landbouw- en het cohesiebeleid, en bovendien de financiële regels van de EU zal vereenvoudigen;

105.  verzoekt de lidstaten om meer informatie over eventuele frauduleuze ondernemingen en transacties uit te wisselen via het Eurofisc-netwerk; herinnert eraan dat de uitwisseling van informatie en de toegang ertoe door de rechterlijke en onderzoeksinstanties, met inachtneming van de bescherming van de persoonsgegevens, van cruciaal belang zijn om fraude en georganiseerde misdaad te bestrijden;

106.  wijst op het belang van artikel 61 van het Financieel Reglement waarin het begrip “belangenconflict” breder wordt gedefinieerd voor alle financiële actoren, daaronder begrepen nationale autoriteiten, die onder welke vorm van beheer dan ook bij de uitvoering van de EU-begroting betrokken zijn;

107.  verzoekt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, alle vormen van belangenconflicten te bestrijden en regelmatig de preventieve maatregelen te beoordelen die de lidstaten hebben getroffen om ze te voorkomen; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke richtsnoeren voor te stellen voor het voorkomen van belangenconflicten bij politici met een grote bekendheid;

108.  wijst erop dat veel lidstaten niet beschikken over specifieke wetgeving tegen georganiseerde criminaliteit, die steeds vaker grensoverschrijdend van aard is en aanwezig is in sectoren die de financiële belangen van de EU treffen;

109.  dringt er bij de Raad op aan gemeenschappelijke ethische normen vast te stellen betreffende alle aangelegenheden die verband houden met belangenconflicten en een gemeenschappelijke interpretatie van deze kwestie in alle lidstaten te bevorderen; onderstreept dat het, gezien de wijdverbreide problemen met belangenconflicten bij de verdeling van het Landbouwfonds en het Cohesiefonds van de Unie, onaanvaardbaar is dat leden van de Europese Raad en de Raad van de EU of hun familieleden deelnemen aan de besluitvorming over toewijzingen in het kader van het toekomstige MFK of de nationale begroting ingeval zij op welke wijze ook persoonlijk van deze besluiten zouden profiteren;

110.  wijst opnieuw op het belang van afkoelingsperiodes voor ambtenaren die vroeger in dienst waren bij instellingen of agentschappen van de Unie, aangezien niet-behandelde belangenconflicten de afdwinging van hoge ethische normen in de hele Europese bestuurlijke administratie in gevaar kunnen brengen; benadrukt dat artikel 16 van het Statuut de instellingen en agentschappen van de Unie de mogelijkheid biedt om het verzoek van een gewezen ambtenaar om een specifieke baan aan te mogen nemen, af te wijzen, indien beperkingen niet volstaan om de legitieme belangen van de instellingen te beschermen; verzoekt het EU-bestuur zijn beoordeling van elk geval strikt te publiceren zoals dat vereist is volgens het Statuut;

111.  herhaalt zijn standpunt dat er een duidelijke rechtsgrondslag moet zijn op grond waarvan OLAF met de hulp van de nationale bevoegde autoriteiten toegang heeft tot informatie over bankrekeningen en btw-fraude kan behandelen, zoals vermeld in de herziening van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013;

o
o   o

112.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Comité van toezicht van OLAF en het Europees Openbaar Ministerie (EOM).

(1) OLAF, “Negentiende verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, 1 januari-31 december 2018”, 2019.
(2) PB C 340 van 8.10.2019, blz. 1.
(3) PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1.
(4) PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29.
(5) PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(8) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(9) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 56.
(10) Arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 8 september 2015, Strafzaak tegen Ivo Taricco e.a., Zaak C-105/14, ECLI:EU:C:2015:555.
(11) Arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 5 december 2017 in Zaak C-42/17, Strafzaak tegen M.A.S. en M.B., ECLI:EU:C:2017:936.
(12) Arrest van het Gerecht van 3 mei 2018 in Zaak T-48/16, Sigma Orionis SA/Europese Commissie, ECLI:EU:T:2018:245.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0419.
(14) PB C 11 van 13.1.2020, blz. 50.
(15) Verordening (EU) nr. 250/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 tot vaststelling van een programma voor de bevordering van acties op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie (programma “Hercules III”) (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 6).
(16) PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1.
(17) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 20.

Laatst bijgewerkt op: 13 juli 2020Juridische mededeling - Privacybeleid