Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2195(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0141/2020

Ingediende teksten :

A9-0141/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0211

Aangenomen teksten
PDF 163kWORD 54k
Dinsdag 15 september 2020 - Brussel Definitieve uitgave
Doeltreffende maatregelen voor een "groen" Erasmus+, Creatief Europa en het Europees Solidariteitskorps
P9_TA(2020)0211A9-0141/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2020 over de doeltreffende maatregelen voor een “groen” Erasmus+, Creatief Europa en het Europees Solidariteitskorps (2019/2195(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 11, 165, 166, 167, 191 en 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs die is gesloten uit hoofde van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering,

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Green Deal(1),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),

–  gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu(2),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(3),

–  gezien de resolutie van de Raad en van de vertegenwoordigers van de lidstaten, bijeengekomen in het kader van de Raad, van 5 juni 2019 tot vaststelling van richtsnoeren over de governance van de EU-jongerendialoog – EU-strategie voor jongeren 2019-2027,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2018 aan het Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s met als titel “Bouwen aan een sterker Europa: de rol van het beleid inzake jongeren, onderwijs en cultuur (COM(2018)0268)”,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van “Erasmus”, het programma van de Unie voor onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport(4),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot vaststelling van “Erasmus”, het programma van de Unie voor onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport (COM(2018)0367),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport(5),

–  gezien het verslag van de Commissie van 31 januari 2018 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de tussentijdse evaluatie van het programma Erasmus+ (2014-2020) (COM(2018)0050),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport(6),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 12 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma “Europees Solidariteitskorps”(7),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 11 juni 2018 tot vaststelling van het programma “Europees Solidariteitskorps” (COM(2018)0440),

–  gezien Verordening (EU) 2018/1475 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot vaststelling van het rechtskader van het Europees Solidariteitskorps(8),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027)(9),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) (COM(2018)0366),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het Programma Creatief Europa (2014-2020)(10),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 30 april 2018 over de tussentijdse evaluatie van het programma Creatief Europa (2014-2020) (COM(2018)0248),

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020)(11),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)(12),

–  gezien de toezeggingen die de commissaris voor Innovatie, Onderzoek, Cultuur, Onderwijs en Jeugd heeft gedaan tijdens de aan haar benoeming voorafgaande hoorzitting op 30 september 2019 voor het Europees Parlement,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A9-0141/2020),

A.  overwegende dat in de Green Deal het doel is vastgelegd van een klimaatneutrale EU tegen 2050, en dat de klimaatverandering hiermee centraal is komen te staan in alle programma’s en beleidsmaatregelen van de EU; overwegende dat de Europese Groene deal ook tot doel heeft de bevolking bewust te maken van en te betrekken bij de klimaatactie, aan de hand van een uitgebreide Europese agenda; overwegende dat een dergelijke aanpak bovendien moet stoelen op een andere kijk op onderwijs en opleiding, cultuur en jongerenprogramma’s; overwegende dat milieubescherming, duurzaamheid en bestrijding van de klimaatverandering in alle programma’s moeten worden geïntegreerd en moeten worden bevorderd als transversale vaardigheden;

B.  overwegende dat in het kader van de dertiende duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG 13) wordt opgeroepen tot maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering en de gevolgen daarvan, en dat SDG 13 onder meer als doel heeft de opvoeding, bewustwording en institutionele capaciteit met betrekking tot mitigatie, adaptatie en impactvermindering inzake klimaatverandering te verbeteren;

C.  overwegende dat de COVID-19-crisis dramatische gevolgen heeft voor het dagelijkse leven van de bevolking , in het bijzonder op het gebied van mobiliteit, onderwijs en de fysieke toegang tot cultuur, kunst en sport; overwegende dat ook de drie programma’s aanzienlijk zijn getroffen door de COVID-19-crisis; overwegende dat het in de nasleep van de pandemie van belang is om de culturele waarden van de Europese Unie te bewaren en het Europese imago voor toekomstige generaties opnieuw op te bouwen; overwegende dat de culturele uitwisseling en de interactie die door de drie programma’s worden bevorderd, Europa zullen helpen om uit deze crisis te geraken, die inmiddels meer is dan louter een gezondheidscrisis;

D.  overwegende dat onderwijs, sport, vrijwilligerswerk en cultuur een sleutelrol spelen in de ecologische transitie in termen van bewustmaking, scholing, communicatie en het delen van kennis en goede praktijken, en dat deze sectoren in de loop van de volgende programmeringsperiode dankzij hun potentieel innovatieve oplossingen kunnen ontwikkelen om milieu-uitdagingen aan te pakken;

E.  overwegende dat Erasmus+, het Europees Solidariteitskorps en het programma Creatief Europa een grote positieve impact hebben op het dagelijkse leven van miljoenen Europeanen en bijdragen aan een betere samenhang en een beter cultureel begrip in de hele Unie, in kandidaat-lidstaten en toetredingslanden, nabuurschapslanden en overal ter wereld, dankzij de deelname van derde landen;

F.  overwegende dat deze programma’s zich weliswaar niet in de eerste plaats richten op ecologie, en dat hun wezen behouden moeten blijven, maar dat zij bijdragen tot de ecologische transitie door hun inhoud en reikwijdte en door het kweken van een milieu- en klimaatbewuste mindset evenals het vormgeven van een op wederzijds begrip en respect gestoelde samenleving; overwegende dat het wezen van de programma’s bijgevolg behouden moet blijven;

G.  overwegende dat grote sport- en cultuurevenementen een verbindend karakter hebben;

H.  overwegende welk potentieel Erasmus+ heeft op het gebied van duurzame ontwikkeling; erop wijzend dat Erasmus+ een leven lang leren bevordert;

I.  overwegende wat de doelstellingen zijn en het wezen van het Europees Solidariteitskorps, dat jongeren de mogelijkheid biedt kennis uit te wisselen en zich concreet in te zetten voor het milieu;

J.  overwegende dat de mobiliteitservaring die deelnemers aan deze programma’s opdoen, een transformerende ervaring kan zijn en hun dagelijkse gedrag kan beïnvloeden, en overwegende dat dit soort mobiliteit daarom moet worden aangemoedigd;

K.  overwegende dat Creatief Europa een sleutelrol speelt bij de bevordering van kunst, cultuur en audiovisuele inhoud en bij de ondersteuning van kwalitatief hoogwaardige media; overwegende dat dit belangrijke pijlers van duurzame ontwikkeling zijn, die bijdragen aan de opbouw van veerkrachtigere samenlevingen; overwegende dat samenwerking op deze vlakken kan leiden tot de ontwikkeling van instrumenten om milieu-, klimaat- en duurzaamheidskwesties onder de aandacht te brengen en zo een onuitputtelijke bron kan vormen voor creatieve oplossingen in heel Europa en, via deelnemende derde landen, in de hele wereld;

L.  overwegende dat er behoefte is aan een gecoördineerd gezamenlijk initiatief om duurzame praktijken in de culturele en creatieve sector te ontwikkelen; overwegende dat een dergelijk initiatief vereist dat de kosten in verband met “vergroenende” activiteiten in aanmerking komen voor steun uit hoofde van de projecten;

M.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en artistieke creatie een onaantastbaar onderdeel van Creatief Europa vormt en overwegende dat inspanningen om Creatief Europa groener te maken, deze vrijheid moeten respecteren; overwegende dat een groene mindset bij de uitvoering van de projecten kan worden aangemoedigd door in de projectevaluatie milieuaspecten in aanmerking te nemen;

N.  overwegende dat in de periode 2014-2020 een aanzienlijk aantal milieugerelateerde projecten is uitgevoerd;

O.  overwegende dat de programma’s toegankelijk moeten zijn en vrij van discriminatie; overwegende dat het van essentieel belang is concrete maatregelen te nemen om de programma’s inclusiever te maken voor mensen met minder kansen, in het bijzonder mensen met een handicap;

P.  overwegende dat het Europees Parlement voor de volgende programmeringsperiode een ambitieuze begroting heeft gevraagd voor alle drie de programma’s, met name om ze inclusiever en toegankelijker te maken, en overwegende dat de verwezenlijking van deze doelstelling niet kan worden bereikt met een lagere begroting, en dat er met een lagere begroting geen doeltreffende milieu-, klimaat- en duurzaamheidsmaatregelen kunnen worden ingevoerd zonder dat andere kernelementen van de programma’s hieronder lijden;

Q.  overwegende dat de doelstelling van het huidige meerjarig financieel kader om 20 % van de uitgaven aan klimaatactie te besteden, onwerkzaam is, aangezien de gegevens en instrumenten die noodzakelijk zijn om de bijdrage van de programma’s aan deze doelstelling te meten, niet beschikbaar zijn, en overwegende dat deze gegevens en instrumenten bijgevolg dringend beschikbaar moeten worden gemaakt;

R.  overwegende dat fysieke mobiliteit een onderdompeling in andere culturen en optimale interactie met deze culturen mogelijk maakt; overwegende dat virtuele uitwisselingen en virtueel leren een waardevolle aanvulling vormen op de fysieke mobiliteit, maar niet dezelfde ervaring opleveren;

S.  overwegende dat ook digitale technologieën een ecologische voetafdruk hebben;

T.  overwegende dat er momenteel slechts weinig stimulansen bestaan, met name financiële, die deelnemers aan de drie programma’s ertoe kunnen aanzetten voor groenere vervoerswijzen en een groenere manier van leven te kiezen; overwegende dat milieuvriendelijkere vervoermiddelen doorgaans minder toegankelijk en duurder zijn;

Gemeenschappelijke doelstellingen van de drie programma’s

1.  merkt op dat de begrippen klimaat, milieu en zelfs mobiliteit slechts een deel van de door de Europese Green Deal beoogde doelstellingen vormen; is van mening dat het erom gaat pure milieukwesties te overstijgen en een samenleving te scheppen die voor alle mensen rechtvaardiger is, gebaseerd op een verstandig en complementair gebruik van hulpbronnen, verantwoorde consumptie, een vorm van samenleven waarin iedereen elkaar en elkaars verschillen respecteert en waarin oog is voor de manier waarop regio’s en landen elkaar aanvullen; benadrukt dat ook leerkrachten, artiesten en creatieve ontwerpers van cruciaal belang zijn voor de verwezenlijking van deze maatschappelijke verandering, en dat de programma’s Erasmus+, Creatief Europa en het Europees Solidariteitskorps een belangrijke rol spelen bij de verwezenlijking van de bredere doelstellingen van de Europese Green Deal;

2.  is in dit verband ingenomen met de vastbeslotenheid van jongeren om bij te dragen aan de uitvoering van de inspanningen van de EU op het gebied van duurzaamheid en stelt verheugd vast dat zij een “Duurzaam Groen Europa” als een van de Europese jeugddoelen hebben gekozen;

3.  benadrukt het belang van de drie programma’s voor de bevordering van samenwerking en innovatie in het Europese onderwijs-, cultuur- en jeugdbeleid en onderstreept de positieve sociale en economische gevolgen van mobiliteit; benadrukt dat de programma’s kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van creatieve en innovatieve oplossingen waarmee onderwijs- en culturele activiteiten in het geval van een crisis zoals de COVID-19-crisis daadwerkelijk kunnen worden voortgezet; verzoekt de Commissie en de nationale agentschappen en desks zich zo flexibel mogelijk op te stellen en deelnemers en projectontwikkelaars te ondersteunen zodat zij hun activiteiten na de pandemie op duurzame manier kunnen hervatten;

4.  benadrukt dat er een basisbeoordeling van de bijdrage van de programma’s aan en de impact ervan op de milieu- en klimaatdoelstellingen nodig is die de vormgeving van de programma-uitvoering in de toekomst onderbouwt; betreurt dat de Commissie geen enkele milieu-, klimaat- of duurzaamheidsindicator heeft vastgesteld voor de nieuwe programma’s; verzoekt de Commissie daarom de medewetgevers specifieke indicatoren voor te stellen die kunnen worden opgenomen in de regels betreffende de komende generatie van programma’s; is van mening dat dergelijke indicatoren zorgvuldig moeten worden vastgesteld op basis van degelijk onderzoek en een gemeenschappelijke methodologie, en een grondige analyse moeten bieden van de bijdrage van de programma’s aan de milieu- en klimaatdoelstellingen (bijvoorbeeld door middel van hun doelstellingen en projectoproepen), enerzijds, en van hun milieueffect (bijvoorbeeld door middel van de verplaatsingswijzen waarvoor steun wordt verleend), anderzijds; benadrukt dat deze indicatoren rekening moeten houden met de kenmerken van de begunstigden van de relevante programma’s om het ontstaan van buitensporige lasten te verhinderen; vraagt dat er elk jaar een verslag wordt opgesteld met de verzamelde gegevens, dat aan het Europees Parlement wordt voorgelegd en openbaar wordt gemaakt;

5.  verzoekt de Commissie systematisch de transportgerelateerde koolstofvoetafdruk van elke deelnemer te berekenen en te registreren; acht het aangewezen hiertoe gebruik te maken van het mobiliteitsinstrument, en het gebruik van dit instrument uit te breiden tot alle onderdelen van Erasmus+ en tot het Europees Solidariteitskorps; verzoekt de Commissie te analyseren of het mogelijk is om een soortgelijk berekeningsinstrument in te voeren voor verplaatsingen in het kader van het programma Creatief Europa; verzoekt de Commissie om alle relevante verzamelde gegevens eenvoudig toegankelijk te maken voor het publiek, als aanvulling op haar verslagen over de programma’s, en hierbij goede praktijken voor het voetlicht te brengen; herinnert eraan dat digitale instrumenten en apps zonder uitzondering moeten voldoen aan de wetgeving inzake gegevensbescherming;

6.  onderstreept dat uitvoerende instanties een positieve en actieve rol spelen bij de formulering van voorstellen over hoe de toekomstige programma’s het best milieuproblemen kunnen aanpakken en hoe het milieubewustzijn bij de begunstigden kan worden vergroot; acht het noodzakelijk de goede praktijken die reeds worden gebruikt door de nationale agentschappen en desks en door de projectpromotoren, te identificeren, te coördineren en te evalueren; verzoekt de Commissie om samen met de belanghebbenden op basis van de analyse van goede praktijken een reeks aanbevelingen uit te werken en te verspreiden; dringt aan op de ontwikkeling van een keurmerk om groene en verantwoorde praktijken in elk programma als zodanig te certificeren en aan te duiden, en pleit voor de beloning van innovatieve en veelbelovende groene projecten in elk programma;

7.  wijst op het gebrek aan informatie over de financieringsmogelijkheden in elk van de drie programma’s voor milieu-, klimaat- en duurzaamheidsgerelateerde projecten; verzoekt de Commissie en de nationale agentschappen en desks hier beter over te communiceren en in de projectomgeving en bij de ontvangende organisaties en deelnemers meer zichtbaarheid te verlenen aan milieukwesties;

8.  verzoekt de belangrijkste actoren in de programma’s om de deelnemers op efficiënte wijze in te lichten over goede klimaat- en consumptiegerelateerde praktijken die zij tijdens hun deelname aan het programma in hun dagelijks leven kunnen hanteren, en om de deelnemers te informeren over de impact van hun handelingen op het milieu; ziet het nut van een aantal digitale instrumenten, zoals onlinecursussen vóór vertrek en eventueel een digitale app;

9.  onderstreept de sleutelrol van de organisaties die de deelnemers ontvangen, inclusief de “groene kantoren” en bestaande structuren in gaststeden, en het belang van bestaande netwerken zoals de Erasmus+-alumni bij het promoten van een duurzame levenswijze, namelijk door het delen van concrete aanbevelingen en tips op lokaal niveau in de gaststad, de gaststreek of het gastland;

10.  verzoekt de Commissie om de nationale agentschappen, desks en projectontwikkelaars ertoe aan te moedigen zich te registreren bij het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), zodat hun milieuprestaties en de duurzaamheid van hun eigen acties kunnen worden geëvalueerd, gecommuniceerd en verbeterd; verzoekt de Commissie om de initiatieven aan te moedigen en te coördineren die nationale agentschappen en desks ontplooien om hun ecologische voetafdruk te verkleinen, bijvoorbeeld via het gebruik van duurzaam promotiemateriaal, een zorgvuldig beheer van hun verplaatsingen, een toenemend gebruik van videoconferentietools en het terugdringen van afval; is van mening dat duurzame praktijken binnen nationale agentschappen en desks de deelnemers ertoe zullen aanzetten duurzamere consumptiegewoonten aan te nemen;

11.  verzoekt de Commissie en de nationale agentschappen en desks om criteria vast te stellen waarmee de milieuaspecten van projecten in de projectevaluatie worden opgenomen, en aldus groenere praktijken te bevorderen, en hierbij toe te zien op de consequente handhaving van het beginsel van de creatieve vrijheid en op de beoordeling van elk project in overeenstemming met de doelstellingen van het programma;

12.  onderstreept het potentieel en de waarde van virtueel leren en virtuele uitwisselingen wanneer het gaat om de voortzetting van mobiliteitsprogramma’s in de uitzonderlijke context van de COVID-19-crisis; verzoekt de Commissie om waar mogelijk het gebruik van virtuele formaten aan te moedigen als aanvulling op fysieke mobiliteit, zowel om het aantal onnodige verplaatsingen te verminderen als om ervoor te zorgen dat deelnemers die zich niet kunnen verplaatsen, toch van de programma’s kunnen profiteren;

13.  dringt er bij de Commissie op aan deelnemers ertoe aan te moedigen en in staat te stellen de minst vervuilende vervoerswijzen – zoals de trein – te kiezen, zonder evenwel deelnemers die geen andere redelijke keuze hebben dan met het vliegtuig te reizen, te stigmatiseren, te discrimineren of uit te sluiten; verzoekt in dit verband om bijzondere aandacht voor de ultraperifere regio’s en voor het platteland en afgelegen gebieden;

14.  verzoekt de Commissie de bestaande financiële regels aan te passen, zodat de werkelijke kosten en de langere reistijd van milieuvriendelijkere vervoerswijzen volledig worden terugbetaald en zodat er bij de toekenning van subsidies rekening wordt gehouden met langere reistijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten doeltreffende financiële steunregelingen in te voeren om ervoor te zorgen dat mensen die de programma’s nodig hebben, er toegang toe hebben;

15.  roept de Commissie ertoe op, met name in het kader van het voor 2021 geplande Europese Jaar van de spoorwegen, om partnerschappen aan te gaan met Europese treinbedrijven, met als doel de programmadeelnemers preferentiële tarieven aan te bieden; onderstreept dat dergelijke initiatieven ook kunnen worden uitgewerkt met busbedrijven, met name voor afgelegen en landelijke regio’s en voor regio’s waar geen treinen rijden;

16.  erkent dat de programmadeelnemers zich in hun gastland en daarbuiten verplaatsen om de lokale cultuur te verkennen; roept de nationale agentschappen, desks en projectmedewerkers ertoe op om “slow travel”, ecotoerisme en het gebruik van milieuvriendelijke reismogelijkheden aan te moedigen, zowel voor reizen over lange afstand als voor lokale verplaatsingen;

17.  merkt op dat een slim gebruik van digitale technologieën, kunstmatige intelligentie en robotica kan zorgen voor meer sociale inclusie en voor een lagere koolstofvoetafdruk van de programma’s; benadrukt dat de digitale kloof moet worden gedicht door te zorgen voor toegang tot digitale infrastructuur en apparatuur en de verwerving van digitale vaardigheden, zonder dewelke een slimme digitale transitie niet mogelijk is; wijst in dit verband op het belang van een ambitieuzer actieplan voor digitaal onderwijs, dat wordt ondersteund door met name het Erasmus+-programma;

18.  wijst er evenwel op dat een toenemende digitalisering negatieve gevolgen kan hebben voor het milieu; herinnert eraan dat alle drie de programma’s, en voornamelijk Creatief Europa, worden gekenmerkt door het gebruik van digitale instrumenten, en verzoekt de Commissie rekening te houden met de digitale milieu-impact van de programma’s; spoort de Commissie ertoe aan te onderzoeken hoe de ecologische voetafdruk van de digitale middelen die in het kader van de programma’s worden gebruikt, inclusief internetsites en software, kan worden verkleind; dringt er bij de belangrijkste actoren in de programma’s op aan het gebruik van milieuvriendelijker digitale instrumenten te promoten; onderstreept dat er nood is aan gezamenlijke beleidsvorming in het kader van de toekomstige digitale agenda en de Europese Green Deal, zodat digitale transformatie en milieubeleid aan elkaar worden gekoppeld;

19.  benadrukt dat doeltreffende maatregelen voor het groener maken van de programma’s Erasmus+, Creatief Europa en het Europees Solidariteitskorps geld zullen kosten, en dringt erop aan dat nieuwe maatregelen de nu al uitermate beperkte budgetten van de programma’s niet verder mogen uithollen; wijst in dit verband op de waarde van doeltreffende synergieën en complementariteit met andere relevante financieringsprogramma’s, zoals de structuurfondsen, het fonds voor een rechtvaardige transitie, LIFE, InvestEU, en Horizon Europa, met name in het kader van de tweede pijler, via het cluster cultuur, creativiteit en inclusieve samenlevingen, de huidige kennis- en innovatiegemeenschap inzake klimaat en het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT), in het bijzonder de voorgestelde kennis- en innovatiegemeenschap binnen het EIT voor de culturele en creatieve sector;

20.  wijst erop dat de begunstigden van de drie programma’s vaak klein zijn en moeite hebben met complexe administratieve vereisten; verzoekt de Commissie dan ook richtsnoeren te verstrekken aan de nationale agentschappen en desks, en de dialoog met belanghebbenden te ondersteunen en te bevorderen, zodat synergieën op zinvolle wijze worden verwezenlijkt;

Erasmus+

21.  verzoekt de Commissie om het beginsel van respect voor het milieu, goede milieupraktijken en milieubescherming vanaf januari 2021 op te nemen in het Erasmus+-handvest voor hoger onderwijs; dringt er bij de Commissie op aan deze aanpak toe te passen op alle sectoren die onder het programma vallen en de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de beginselen worden nageleefd; pleit voor samenwerking tussen nationale agentschappen, partneruniversiteiten en studentenverenigingen met het oog op het opnemen van informatie en advies over duurzaamheid en milieuvriendelijke praktijken in welkomst- en andere integratieactiviteiten;

22.  wijst op het potentieel van Europese universiteiten en kenniscentra voor het leerlingstelsel en voor de beroepsopleiding, en stelt dat zij curricula voor excellentie op het gebied van voorlichting en opleiding met betrekking tot milieu-, klimaat- en duurzaamheidsgerelateerde kwesties zouden kunnen ontwikkelen voor een groot aantal belanghebbenden en lerenden, en onderzoeksprojecten op dit gebied zouden kunnen ondersteunen; benadrukt dat de nieuwe initiatieven dit alleen zullen kunnen bereiken als er in het meerjarig financieel kader 2021-2027 voldoende financiering wordt voorzien voor het Erasmus+-programma;

23.  wijst erop dat de toekomstige invoering van de Europese studentenkaart een belangrijke stap kan zijn om het verblijf van deelnemers aan het Erasmus+-programma groener te maken, aangezien dankzij de kaart wordt overgeschakeld van een procedure op papier naar een gestroomlijnde digitale procedure die niet alleen van hoge kwaliteit is maar ook inclusief en toegankelijk, waardoor tegelijkertijd het beheer van de mobiliteitscyclus wordt vereenvoudigd; merkt op dat de Europese studentenkaart zodanig kan worden ontwikkeld dat zij toegang biedt tot diensten waarmee milieuvriendelijker keuzes in het dagelijks leven eenvoudiger worden; verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om de uitrol van de Europese studentenkaart te bespoedigen;

24.  wijst erop dat de online SALTO-platforms (SALTO: Support for Advanced Learning and Training Opportunities) in het kader van het programma een uitstekende bron van informatie en advies voor projectpromotoren vormen; verzoekt de Commissie een speciaal SALTO-platform voor vergroening op te richten;

25.  benadrukt de waarde van het netwerk “e-Twinning”, dat door leerkrachten wordt gebruikt om opleidingsmodules te ontwikkelen en te delen, met name op het gebied van duurzaamheid en klimaatverandering, de thema’s van 2020; verzoekt de Commissie het jaarverslag over deze prioriteit en de praktische kit voor leerkrachten zo breed mogelijk te verspreiden; herinnert in dit verband aan het belang van de ontwikkeling van Europese e-learningplatformen die bij crises zoals de COVID-19-crisis de continuïteit van het onderwijs waarborgen;

26.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan maatregelen te nemen ter ondersteuning van de uitwerking van schoolprogramma’s over klimaatverandering en duurzaamheid, zowel in het basisonderwijs als in het middelbaar onderwijs; is van mening dat kernactie 2 en kernactie 3 van het Erasmus+-programma deze inspanningen kunnen ondersteunen aan de hand van gerichte oproepen tot het indienen van voorstellen voor milieueducatie en de uitwisseling van goede praktijken tussen scholen en leerkrachten;

27.  verzoekt de Commissie om in haar initiatieven voor de coördinatie van de Europese hogeronderwijsruimte en de Europese onderwijsruimte ten behoeve van regionale en nationale onderwijsautoriteiten een lijst met groene criteria op te nemen betreffende infrastructuren voor het onderwijs en de opname van instellingen in openbaarvervoernetwerken die respect voor het milieu en energiebronnen verzekeren;

28.  benadrukt dat het programma Erasmus+ door de ondersteuning van formele en niet-formele vormen van onderwijs en opleiding en van activiteiten voor jongeren, van cruciaal belang is voor de bewustmaking van de Europese burgers, met name jonge generaties, en hen ertoe aanzet een actief en geïnformeerd standpunt in te nemen over duurzaamheidskwesties en het daarmee verband houdende beleid, en geëngageerde en bewuste toekomstige burgers te worden; benadrukt in dit verband de belangrijke rol die jongeren en maatschappelijke organisaties spelen bij de uitwisseling van beste praktijken en de uitvoering van projecten die het bewustzijn van jongere generaties over duurzaamheid vergroten; is van mening dat Erasmus+ moet bijdragen aan het verbeteren van de kennis over klimaatverandering en het milieu onder jongerenwerkers;

29.  pleit voor de aanmoediging, in het onderdeel “sport”, van gezamenlijke projecten van sportverenigingen over milieu en natuurbescherming, gezonde en duurzame levensstijlen, innoverende milieuvriendelijker sportpraktijken en de organisatie van duurzame breedtesportevenementen; wijst op de noodzaak om sportevenementen milieuvriendelijker te maken en is van mening dat Erasmus+ kan bijdragen tot de uitwerking en bevordering van goede praktijken op dit gebied; is van mening dat vrijwilligers van het Europees Solidariteitskorps kunnen meehelpen bij de organisatie van duurzame breedtesportactiviteiten;

30.  is van mening dat lokaal uitgevoerde langetermijnprogramma’s en het stimuleren van de mobiliteit van personeel van lokale sportorganisaties ertoe kan leiden dat zij bij de organisatie van sportevenementen meer rekening gaan houden met het milieu; dringt erop aan dat tijdens de Europese week van de sport de klemtoon wordt gelegd op milieu-, klimaat- en duurzaamheidskwesties;

31.  benadrukt het belang van een duurzame inclusie van deelnemers in de lokale gemeenschap, met het oog op het bereiken van actief burgerschap en culturele uitwisseling, als sleutelelement in het Erasmus+ programma; dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken welke programma-acties kunnen worden ontwikkeld in ontvolkte plattelandsgebieden waar actieve betrokkenheid van de gemeenschap bijvoorbeeld kan bijdragen tot natuurbehoud en de instandhouding van cultureel erfgoed;

32.  wijst op de mogelijkheid om een link te leggen met het Ambassador School Programme van het Europees Parlement, teneinde beide programma’s te verrijken, deelnemers bij de lokale samenleving te betrekken en de kennis van lokale studenten over wat het Europees burgerschap inhoudt te vergroten;

Europees Solidariteitskorps

33.  wijst erop dat de bescherming van het milieu als een belangrijke solidariteitsactiviteit binnen het Europees Solidariteitskorps wordt beschouwd, conform de huidige rechtsgrondslag ervan, het voorstel van de Commissie voor het nieuwe programma na 2020 en het in eerste lezing vastgestelde standpunt van het Europees Parlement;

34.  is van mening dat het kwaliteitskeurmerk dat elke organisatie die een vrijwilliger uitstuurt of verwelkomt, moet hebben voordat deze toegang krijgt tot het Europees Solidariteitskorps, in de loop der tijd ook de toepassing van goede milieupraktijken moet omvatten; herinnert eraan dat organisaties die deelnemen aan het Europees Solidariteitskorps vaak kleine verenigingen zijn; dringt er daarom op aan dat zij gerichte steun nodig hebben om duurzamere praktijken te kunnen toepassen;

35.  brengt in herinnering dat de Commissie oproepen kan doen voor thematische projecten; verzoekt de Commissie in dit verband de milieu-, klimaat- en duurzaamheidsdimensie van het Europees Solidariteitskorps te bevorderen door de zichtbaarheid van deze projecten op het PASS-platform (platform van het systeem voor administratie en beheer van plaatsingen) te vergroten;

36.  verzoekt de voor het Europees Solidariteitskorps verantwoordelijke nationale agentschappen om de uitzendende en ontvangende structuren actief te ondersteunen en te adviseren; benadrukt dat zij ook het best geplaatst zijn om groene projecten te identificeren en in de praktijk te helpen brengen en om vrijwilligers bewust te maken van goede milieupraktijken in hun werk en hun dagelijks leven; moedigt de ontwikkeling van digitale hulpmiddelen aan ter bevordering van de verspreiding en uitwisseling van goede praktijken en van ervaringen onder de deelnemers;

37.  verzoekt de Commissie en de nationale agentschappen om projecten in minder populaire bestemmingen te bevorderen teneinde de ontwikkeling van de lokale economie en duurzaamheid te stimuleren en tegelijkertijd de verkenning van nieuwe bestemmingen aan te moedigen;

Creatief Europa

38.  benadrukt dat de culturele en creatieve industrie een enorm potentieel bezit om burgers aan te zetten tot duurzaam handelen; merkt op dat musea, culturele en gemeenschapscentra, podiumkunsten, literatuur, beeldende kunst en kunstoverschrijdende initiatieven duurzaamheid kunnen promoten en kunnen bijdragen aan het keren van de klimaattrend, op voorwaarde dat er voldoende middelen beschikbaar zijn; benadrukt het belang van duurzaamheid en goede milieupraktijken bij het behoud van zowel materieel als immaterieel cultureel erfgoed;

39.  verzoekt de Commissie en de nationale desks de belanghebbenden uit de culturele en creatieve sector te raadplegen en informatie te verzamelen over bestaande handvesten op de verschillende artistieke gebieden, met het oog op de opstelling van een handvest met een reeks milieubeginselen die elke deelnemer aan het programma moet naleven; is van mening dat de vaststelling van de juiste beginselen door de sector moet worden geleid, wederzijds leren moet mogelijk maken en een brede kijk moet inhouden op de kwesties die moeten worden aangepakt, onder meer recycling, de circulaire economie en gedragsverandering, zowel bij scheppers als bij consumenten van cultuur;

40.  verzoekt de Commissie uitgebreid onderzoek te verrichten met het oog op de ontwikkeling, in overleg met de belanghebbenden, van een sectorspecifieke strategie en een leidraad voor goede milieupraktijken op het vlak van audiovisuele en culturele productie en op het vlak van de verspreiding en organisatie van evenementen, met name inzake vervoer, energie, hulpbronnenefficiëntie en afvalbeheer, met als doel deze goede praktijken tot de norm te verheffen voor uit hoofde van het programma gefinancierde projecten; merkt op dat de standaardisering van dergelijke praktijken niet ten koste mag gaan van culturele en audiovisuele kwaliteitsproducten en -evenementen;

41.  benadrukt het belang van groene overheidsopdrachten met het oog op de levering van duurzame, milieubewuste diensten en goederen bij culturele evenementen; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke criteria voor groene overheidsopdrachten in de culturele sector op te stellen en een instrument te ontwikkelen om de impact van culturele evenementen op het milieu te beoordelen; benadrukt voorts de milieu-impact van de productie van audiovisuele inhoud, en verzoekt de Commissie het onderdeel “Media” van het programma Creatief Europa te gebruiken ter bevordering van goede praktijken in de audiovisuele sector met betrekking tot duurzaamheid, energie-efficiëntie en milieubescherming;

42.  verzoekt de Commissie om duurzaamheid en respect voor het milieu op te nemen in criteria voor de selectie en de evaluatie van de Culturele Hoofdsteden van Europa; eist dat de Culturele Hoofdsteden van Europa zich ook houden aan het handvest waarin de bovengenoemde milieubeginselen zijn vastgelegd;

43.  verzoekt de Commissie om binnen het sectoroverschrijdende onderdeel de oprichting mogelijk te maken van een Europees netwerk van consultants inzake milieu, klimaat en duurzaamheid, die de initiatiefnemers van projecten en Creatief Europa-desks advies kunnen geven; is van mening dat goede praktijken moeten worden gedeeld en openbaar gemaakt;

o
o   o

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten en de nationale agentschappen en autoriteiten die bevoegd zijn voor de tenuitvoerlegging van de drie programma’s.

(1) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0324.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 5.
(6) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 31.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0150.
(8) PB L 250 van 4.10.2018, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0323.
(10) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.
(11) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 19.
(12) PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 12 januari 2021Juridische mededeling - Privacybeleid