Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2782(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B9-0290/2020

Debatten :

PV 17/09/2020 - 11.1
CRE 17/09/2020 - 11.1

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0233

Aangenomen teksten
PDF 137kWORD 49k
Donderdag 17 september 2020 - Brussel
De situatie in de Filipijnen, onder meer het geval van Maria Ressa
P9_TA(2020)0233RC-B9-0290/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over de situatie in de Filipijnen, met inbegrip van de zaak van Maria Ressa (2020/2782(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in de Filipijnen, met name die van 15 september 2016(1), 16 maart 2017(2) en 19 april 2018(3),

–  gezien de diplomatieke betrekkingen die op 12 mei 1964 zijn aangeknoopt tussen de Filipijnen en de EU (destijds de Europese Economische Gemeenschap (EEG)),

–  gezien de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek der Filipijnen, anderzijds,

–  gezien de status van de Filipijnen als stichtend lid van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean),

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 februari 2020 over de beoordeling van de Filipijnen in het kader van de bijzondere stimuleringsregeling van de EU voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+) over de periode 2018-2019 (SWD(2020)0024),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 16 juni 2020 over de veroordeling van Maria Ressa en Reynaldo Santos,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 11 juli 2019 over de bevordering en bescherming van de mensenrechten in de Filipijnen,

–  gezien het verslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, van 30 juni 2020 over de mensenrechtensituatie in de Filipijnen,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien Wet nr. 11479 van 3 juli 2020 van de Republiek der Filipijnen, ook bekend als de antiterrorismewet,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Filipijnen en de EU reeds lang diplomatieke, economische, culturele en politieke betrekkingen onderhouden; overwegende dat de Europese Unie en de Filipijnen met de ratificatie van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst bekrachtigd hebben dat zij zich gezamenlijk inzetten voor de eerbiediging van de beginselen van goed bestuur, democratie en de rechtsstaat, voor de mensenrechten, voor de bevordering van sociale en economische ontwikkeling alsook voor vrede en veiligheid in de regio;

B.  overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten in haar verslag over de mensenrechtensituatie in de Filipijnen van 30 juni 2020 heeft vastgesteld dat de moorden die verband houden met de antidrugscampagne van de regering “wijdverbreid en systematisch” waren en dat volgens gegevens van de overheid ten minste 8 663 mensen waren gedood; overwegende dat er ramingen zijn die oplopen tot het drievoud daarvan; overwegende dat president Duterte de politie uitdrukkelijk heeft aangemoedigd om buitengerechtelijke executies uit te voeren en daarbij immuniteit heeft beloofd, terwijl politieagenten die bij dergelijke praktijken betrokken zijn promotie hebben gekregen; overwegende dat president Duterte heeft verklaard zijn antidrugscampagne voort te zullen zetten tot het einde van zijn huidige ambtstermijn in 2022; overwegende dat een meerderheid van de slachtoffers afkomstig is uit arme en gemarginaliseerde gemeenschappen;

C.  overwegende dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld steeds kleiner wordt; overwegende dat mensenrechtenactivisten, journalisten en activisten doorlopend geconfronteerd worden met bedreiging, intimidatie, pesterij en geweld wanneer zij proberen buitengerechtelijke executies en andere mensenrechtenschendingen in het land in de openbaarheid te brengen; overwegende dat volgens het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) het verdedigen van de mensenrechten stelselmatig wordt gelijkgesteld met oproer; overwegende dat volgens het OHCHR tussen januari 2015 en december 2019 ten minste 208 mensenrechtenactivisten, journalisten en vakbondsleden, waaronder 30 vrouwen, zijn vermoord;

D.  overwegende dat Maria Ressa, een Filipijnse journaliste en medeoprichter en CEO van de nieuwssite Rappler, al lange tijd tot doelwit is gemaakt vanwege haar kritiek op de “oorlog tegen drugs” van de regering en vanwege de kritische berichtgeving van Rappler over buitengerechtelijke executies; overwegende dat Maria Ressa en Reynaldo Santos jr., onderzoeksjournalist bij Rappler, zijn beschuldigd van “cybersmaad” en op 15 juni 2020 door de regionale rechtbank van Manilla zijn veroordeeld voor onbepaalde tijd, waarbij zij tot zes jaar gevangenisstraf kunnen krijgen; overwegende dat tegen mevrouw Ressa en Rappler nog minstens zes andere aanklachten lopen;

E.  overwegende dat het Filipijnse Congres begin juli 2020 heeft geweigerd de zendvergunning van ABS-CBN, de grootste tv- en radio-omroep van het land, te verlengen; overwegende dat de weigering van president Duterte om deze zendvergunning te verlengen wordt gezien als een daad van vergelding voor de berichtgeving op deze omroep over de antidrugscampagne en ernstige schendingen van de mensenrechten;

F.  overwegende dat senator Leila de Lima, een van de belangrijkste tegenstanders van de antidrugscampagne van president Duterte, op 19 september 2016 uit haar ambt van voorzitter van de senaatscommissie voor Justitie en Mensenrechten werd ontzet en dat zij sinds haar arrestatie op 24 februari 2017 vastzit in afwachting van een proces; overwegende dat ernstig gevreesd wordt dat de vergrijpen waarvoor senator de Lima wordt aangeklaagd in scène zijn gezet en politiek gemotiveerd zijn;

G.  overwegende dat volgens Global Witness in 2019 ten minste 43 verdedigers van landrechten zijn gedood; overwegende dat de meesten van hen gemeenschapsleiders waren en actief deelnamen aan campagnes tegen mijnbouwprojecten en de agro-industrie;

H.  overwegende dat de inheemse bevolking van de Filipijnen 10 tot 20 % van de totale bevolking uitmaakt; overwegende dat de speciale rapporteur van de VN voor de rechten van inheemse volken de Filipijnen in 2018 heeft aangewezen als een van de landen met het hoogste aantal gevallen ter wereld van criminalisering van en aanvallen op inheemse mensenrechtenactivisten; overwegende dat de VN heeft gewaarschuwd dat de militarisering van inheemse gebieden en de beperkingen op de vrijheid van vergadering en van meningsuiting toenemen en dat deze ontwikkelingen nauw verband houden met zakelijke belangen; overwegende dat het aanhoudende gebrek aan veiligheid en economische ontwikkeling op het eiland Mindanao, alsmede de gemelde schendingen van het internationaal humanitair recht en het gebrek aan vooruitgang op het gebied van overgangsjustitie en verzoening ernstige zorgen blijven baren;

I.  overwegende dat Zara Alvarez, juridisch medewerker van de mensenrechtengroep Karapatan, op 17 augustus 2020 is doodgeschoten; overwegende dat mevrouw Alvarez herhaaldelijk is bedreigd en lastiggevallen vanwege haar mensenrechtenwerk, en dat zij al het 13e lid van haar organisatie is dat sinds medio 2016 is vermoord; overwegende dat Randall “Randy” Echanis, vredesactivist, verdediger van landrechten en lid van Karapatan, op 10 augustus 2020 is gemarteld en gedood; overwegende dat volgens het OHCHR zowel de heer Echanis als mevrouw Alvarez herhaaldelijk het mikpunt van “red-tagging” zijn geworden (d.w.z. als terroristen of communisten zijn bestempeld) en dat hun naam voorkwam op de lijst van ten minste 600 personen die het Filipijnse Ministerie van Justitie in 2018 aan een rechterlijke instantie heeft aangeboden met het verzoek deze personen tot “terrorist” te verklaren;

J.  overwegende dat het OHCHR en de speciale rapporteurs van de VN hun bezorgdheid hebben geuit omdat er sprake lijkt te zijn van “stelselmatige intimidatie” van onafhankelijke nieuwsbronnen; overwegende dat de Filipijnen op de index voor persvrijheid 2020 van Verslaggevers zonder grenzen van 180 landen de 136e plaats bekleden; overwegende dat er 16 journalisten zijn vermoord sinds de heer Duterte aan de macht is;

K.  overwegende dat de Filipijnen zich in maart 2018 uit het Internationaal Strafhof (ICC) hebben teruggetrokken nadat het Internationaal Strafhof een “vooronderzoek” had geopend naar de klacht die tegen de heer Duterte was ingediend in verband met het hoge aantal moorden in het kader van de antidrugscampagne;

L.  overwegende dat het Huis van Afgevaardigden van de Filipijnen in 2017 een wetsvoorstel heeft aangenomen tot herinvoering van de doodstraf; overwegende dat de Senaat dit wetsvoorstel moet goedkeuren voordat president Duterte – die actief campagne voert voor de herinvoering – het als wet kan afkondigen; overwegende dat herinvoering van de doodstraf een flagrante schending zou betekenen van het tweede facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), waarbij de Filipijnen partij zijn;

M.  overwegende dat de Filipijnse autoriteiten op 3 juli 2020 de nieuwe antiterrorismewet hebben aangenomen; overwegende dat in de wet volgens lokale maatschappelijke organisaties de waarborgen op het gebied van mensenrechten in alarmerende mate worden verzwakt, de definitie van terrorisme wordt verruimd en de periode waarin iemand zonder aanhoudingsbevel kan worden vastgehouden van 3 tot 14 dagen wordt uitgebreid, waardoor het belangrijke onderscheid tussen kritiek, criminaliteit en terrorisme vervaagt, wat vragen oproept over de wettigheid en de risico’s van mensenrechtenschendingen nog vergroot;

N.  overwegende dat president Duterte zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan seksistische en vrouwonvriendelijke uitlatingen en gedragingen; overwegende dat volgens lokale ngo’s het aantal gevallen van geweld en seksueel misbruik tegen vrouwen, met inbegrip van vrouwelijke mensenrechtenactivisten, tijdens het regime van Duterte is toegenomen; overwegende dat vrouwelijke mensenrechtenactivisten geconfronteerd worden met vernederende en seksueel getinte uitlatingen, bedreiging met verkrachting, en aanvallen;

O.  overwegende dat de Filipijnen in het verslag van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen van 2020 zijn opgenomen in de top 10 van gevaarlijkste landen ter wereld voor werknemers; overwegende dat de Filipijnse vakbeweging heeft geklaagd over de onderdrukking van de rechten van werknemers, onder meer door “red-tagging”, verdwijningen en moorden op vakbondsleiders en vakbondsleden;

P.  overwegende dat de LGTBQI-gemeenschap voortdurend wordt gepest; overwegende dat president Duterte herhaaldelijk naar de seksuele gerichtheid van politieke tegenstanders heeft verwezen om hen te bekladden en dat hij in mei 2019 in het openbaar heeft verklaard dat homoseksualiteit een ziekte is; overwegende dat de politie in juni 2020 is opgetreden tegen een LGBTQI-manifestatie en er naar verluidt 20 mensen heeft gearresteerd;

Q.  overwegende dat in de Filipijnen naar schatting 60 000 à 100 000 kinderen in prostitutienetwerken zitten; overwegende dat een onbepaald aantal kinderen wordt uitgebuit via dwangarbeid; overwegende dat Unicef zijn ernstige bezorgdheid heeft geuit over de verlaging van de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid;

R.  overwegende dat de Filipijnen op de corruptieranglijst 2019 van Transparency International van 180 landen de 113e plaats bekleden;

S.  overwegende dat de Filipijnen sinds 25 december 2014 in aanmerking komen voor voordelige handelspreferenties in het kader van het EU-stelsel van algemene tariefpreferenties (SAP+); overwegende dat deze status afhankelijk is van de ratificatie en tenuitvoerlegging van 27 internationale verdragen inzake mensenrechten, arbeidsrechten, milieubescherming en goed bestuur; overwegende dat in 2019 een kwart van de totale uitvoer uit de Filipijnen naar de EU (goed voor bijna 2 miljard EUR) in dit kader voor preferentiële behandeling in aanmerking kwam; overwegende dat de EU weliswaar de aanzienlijke terugval op het gebied van de mensenrechten in het land heeft opgemerkt, maar tot nu toe niet tot opschorting van deze handelsvoordelen is overgegaan;

1.  geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de snel verslechterende mensenrechtensituatie in de Filipijnen onder president Duterte; neemt kennis van de publicatie van het verslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van juni 2020 en roept de regering van de Filipijnen op om alle daarin vermelde aanbevelingen aan te nemen en uit te voeren;

2.  veroordeelt met klem de duizenden buitengerechtelijke executies en andere ernstige mensenrechtenschendingen in verband met de zogenaamde “oorlog tegen drugs”; roept de regering van de Filipijnen op onmiddellijk een einde te maken aan alle geweld tegen vermoedelijke drugsdelinquenten, en particuliere en door de staat gesteunde paramilitaire groeperingen te ontbinden; hamert erop dat de strijd tegen illegale drugs moet worden gevoerd met volledige inachtneming van een eerlijke rechtsgang, in overeenstemming met het nationaal en internationaal recht, en met de nadruk op de volksgezondheid;

3.  veroordeelt alle vormen van bedreiging, intimidatie, pesterij, verkrachting en geweld tegen degenen die proberen buitengerechtelijke executies en andere mensenrechtenschendingen in het land in de openbaarheid te brengen, zoals mensenrechten- en milieuactivisten, vakbondsleden en journalisten; veroordeelt dat het recht en het rechtsstelsel worden misbruikt als instrument om kritische stemmen het zwijgen op te leggen;

4.  roept de autoriteiten van de Filipijnen op onmiddellijk een onpartijdig, transparant, onafhankelijk en zinvol onderzoek in te stellen naar alle buitengerechtelijke executies, met inbegrip van de dood van Jory Porquia, Randall “Randy” Echanis en Zara Alvarez, alsook naar de andere vermeende schendingen;

5.  is verontrust over de verslechtering van de persvrijheid in de Filipijnen; veroordeelt alle vormen van bedreiging, pesterij, intimidatie, oneerlijke vervolging en geweld ten aanzien van journalisten, met inbegrip van de zaak van Maria Ressa; dringt erop aan dat alle politiek gemotiveerde aanklachten tegen haar en haar collega’s worden ingetrokken; herinnert eraan dat persvrijheid en vrijheid van meningsuiting fundamentele aspecten van de democratie zijn; roept de Filipijnse autoriteiten op de zendvergunning van de belangrijkste audiovisuele groep, ABS-CBN, te verlengen; verzoekt de EU-delegatie en de vertegenwoordigingen van EU-lidstaten in Manilla de zaken tegen Maria Ressa en Reynaldo Santos jr. nauwlettend in het oog te houden, en alle nodige bijstand te verlenen;

6.  herhaalt zijn oproep aan de autoriteiten van de Filipijnen om alle politiek gemotiveerde aanklachten tegen senator Leila de Lima in te trekken, haar in afwachting van haar proces vrij te laten, haar in staat te stellen haar rechten en plichten als verkozen vertegenwoordiger vrij uit te oefenen, en haar tijdens haar detentie adequate veiligheids- en sanitaire omstandigheden te bieden; dringt erop aan dat de EU haar zaak op de voet blijft volgen;

7.  herinnert aan zijn krachtige steun voor alle mensenrechten- en milieuactivisten in de Filipijnen en hun werk; verzoekt de EU-delegatie en de vertegenwoordigingen van EU-lidstaten in het land hun steun aan het maatschappelijk middenveld in het kader van hun betrekkingen met de Filipijnse autoriteiten te versterken, en alle beschikbare instrumenten te gebruiken om hun steun voor het werk van mensenrechten- en milieuactivisten op te voeren, en waar nodig de afgifte van noodvisa te vergemakkelijken en tijdelijk onderdak in de EU-lidstaten te bieden;

8.  dringt er bij de Filipijnse autoriteiten op aan te onderkennen dat mensenrechtenactivisten een legitieme rol spelen bij het waarborgen van vrede, gerechtigheid en democratie; verzoekt de Filipijnse autoriteiten in alle omstandigheden de fysieke en psychische integriteit van alle mensenrechtenactivisten en journalisten in het land te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij in een gunstig klimaat en zonder angst voor represailles kunnen werken; is verheugd over de unanieme goedkeuring door het Huis van Afgevaardigden van de Filipijnen van het wetsvoorstel inzake de bescherming van mensenrechtenactivisten, en roept de senaat en de president op het met spoed als wet af te kondigen;

9.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de recente goedkeuring van de antiterrorismewet en herinnert eraan dat steunbetuigingen, protest, afwijkende meningen, stakingen en andere soortgelijke vormen van uitoefening van burger- en politieke rechten in geen geval als terroristische daden mogen worden beschouwd;

10.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan tijdens de lopende 45e zitting van de VN-Mensenrechtenraad steun te verlenen aan de aanneming van een resolutie om een onafhankelijk internationaal onderzoek in te stellen naar de schendingen van de mensenrechten die sinds 2016 op de Filipijnen zijn begaan;

11.  betreurt ten zeerste dat de regering van de Filipijnen besloten heeft zich uit het Statuut van Rome terug te trekken; verzoekt de regering op dat besluit terug te komen; spoort het Internationaal Strafhof aan tot voortzetting van zijn onderzoek naar de misdrijven tegen de menselijkheid die zouden zijn gepleegd bij de executies in het kader van de “oorlog tegen drugs”; verzoekt de Filipijnse regering haar volledige medewerking te verlenen aan de procureur-generaal van het Internationaal Strafhof bij zijn vooronderzoek naar de situatie in de Filipijnen;

12.  verzoekt de autoriteiten van de Filipijnen om onmiddellijke beëindiging van de lopende procedures met het oog op de herinvoering van de doodstraf; herinnert eraan dat de EU de doodstraf beschouwt als een wrede en onmenselijke bestraffing die geen afschrikking vormt voor crimineel gedrag;

13.  verzoekt de Filipijnen te voldoen aan de uit het internationaal recht voortvloeiende verplichting om de mensenrechten van inheemse volken te beschermen, ook in het kader van gewapende conflicten; roept de regering op hun rechten te handhaven, hun meer zeggenschap te geven en een doeltreffend beleid te voeren om hun levensomstandigheden te verbeteren;

14.  veroordeelt elke vorm van geweld tegen vrouwen en herinnert eraan dat dit geweld een ernstige schending van de mensenrechten en van de waardigheid van vrouwen en meisjes betekent; veroordeelt met klem de herhaaldelijke vrouwonvriendelijke uitspraken van president Duterte; verzoekt de president vrouwen met respect te behandelen en zich te onthouden van het aanzetten tot geweld tegen vrouwen;

15.  veroordeelt elke vorm van geweld tegen LGBTQI-personen en herinnert eraan dat dit geweld een ernstige schending van de mensenrechten en van de waardigheid van de persoon betekent; veroordeelt met klem de vernederende en seksistische verklaringen van president Duterte over mensen die zich met de LGBTQI-gemeenschap vereenzelvigen;

16.  is bezorgd over het stijgende corruptieniveau onder het huidige Filipijnse bewind; verzoekt de Filipijnse autoriteiten zich meer in te spannen om corruptie effectief aan te pakken; benadrukt in dit verband het belang van naleving van de grondbeginselen van de democratie en de rechtsstaat;

17.  herinnert eraan dat de maatregelen van de regeringen naar aanleiding van de pandemie de mensenrechten van de burgers moeten beschermen en deze niet mogen ondermijnen; benadrukt dat deze maatregelen noodzakelijk, evenredig en niet-discriminerend moeten zijn, in overeenstemming moeten zijn met de internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en met het nationale recht, en slechts mogen worden gehandhaafd zolang zij strikt noodzakelijk zijn, en dat zij niet mogen worden gebruikt als voorwendsel om de ruimte voor democratie en het maatschappelijk middenveld, de fundamentele vrijheden en de eerbiediging van de rechtsstaat te beperken;

18.  is ontzet over de praktijk van handel in, militaire rekrutering en betrokkenheid van kinderen bij conflicten in het land en dringt er bij de Filipijnse regering op aan een einde te maken aan dergelijke praktijken; spoort de regering aan haar inspanningen op te voeren om alle kinderen tegen misbruik te beschermen en hun rechten te handhaven, met inbegrip van het recht op onderwijs voor inheemse kinderen; is sterk gekant tegen elk voorstel om de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid verder te verlagen;

19.  veroordeelt de bedreigingen, intimidatie en persoonlijke aanvallen ten aanzien van mandaathouders van de speciale procedures van de VN; dringt er bij de autoriteiten van de Filipijnen op aan om samen te werken met het OHCHR en alle VN-mechanismen ter verdediging van de mensenrechten, onder meer door landenbezoeken te faciliteren en af te zien van intimidatie of vergelding ten aanzien van de betrokkenen;

20.  verzoekt de Europese Commissie om gezien de ernst van de mensenrechtenschendingen in het land en bij gebrek aan substantiële verbeteringen en bereidheid tot samenwerking van de kant van de Filipijnse autoriteiten onmiddellijk de procedure in te leiden die tot de tijdelijke intrekking van de SAP+-preferenties kan leiden;

21.  roept de Filipijnse autoriteiten op om de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN (UNGP’s) te ondersteunen en te zorgen voor effectieve zorgvuldigheidsprocedures op het gebied van de mensenrechten voor investerings-, ontwikkelings- en bedrijfsprojecten, met name met betrekking tot grote overnames in de agro-industrie, de winningsindustrie, infrastructuurprojecten en samenwerking waarbij de veiligheidssector betrokken is; dringt er bij bedrijven die in de EU gevestigd zijn of actief zijn in de EU op aan de UNGP’s en zowel het internationaal recht als het nationaal recht op het gebied van de mensenrechten strikt na te leven, en om nauwgezette en alomvattende zorgvuldigheidsvereisten in acht te nemen in het kader van al hun zakelijke activiteiten en betrekkingen in het land;

22.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de situatie in de Filipijnen nauwlettend te volgen en regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen van de lidstaten, de president, de regering en het Congres van de Filipijnen, de regeringen van de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean), de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean).

(1) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 123.
(2) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 113.
(3) PB C 390 van 18.11.2019, blz. 104.

Laatst bijgewerkt op: 12 januari 2021Juridische mededeling - Privacybeleid