Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2167(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0145/2020

Ingediende teksten :

A9-0145/2020

Debatten :

PV 22/10/2020 - 5
CRE 22/10/2020 - 5

Stemmingen :

PV 22/10/2020 - 16
PV 23/10/2020 - 7

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0286

Aangenomen teksten
PDF 190kWORD 63k
Vrijdag 23 oktober 2020 - Brussel
Gendergelijkheid in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU
P9_TA(2020)0286A9-0145/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2020 over gendergelijkheid in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU (2019/2167(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s), en met name doelstellingen 5 en 16,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het strategisch partnerschap tussen de EU en de VN inzake vredesoperaties en crisisbeheersing: prioriteiten 2019-2021, dat op 18 september 2018 werd bekrachtigd door de Raad en waarin “vrouwen, vrede en veiligheid” is aangemerkt als overkoepelende prioriteit,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking, die uit de vierde Wereldvrouwenconferentie van 1995 zijn voortgekomen, en de resultaten van de toetsingsconferenties,

–  gezien resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid van 31 oktober 2000 en de bijbehorende vervolgresoluties 1820 (19 juni 2008), 1888 (30 september 2009), 1889 (5 oktober 2009), 1960 (16 december 2010), 2106 (24 juni 2013), 2122 (18 oktober 2013), 2242 (13 oktober 2015), 2467 (23 april 2019) en 2493 (29 oktober 2019),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, die op 12 december 2015 werd goedgekeurd op de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) in Parijs,

–   gezien de gezamenlijke verklaring over handel en economische empowerment van vrouwen ter gelegenheid van de Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in Buenos Aires in december 2017,

–   gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(1) en Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(2),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en de protocollen bij dit verdrag, en met name het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel,

–  gezien het Spotlight-initiatief van de EU en de VN,

–  gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2018 over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien de strategische aanpak van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid en het bijbehorende actieplan voor de periode 2019-2024,

–  gezien de richtsnoeren voor de bevordering en de bescherming van het genot van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI), die door de Raad van de Europese Unie zijn goedgekeurd op zijn bijeenkomst van 24 juni 2013,

–  gezien de lijst van maatregelen ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI’s, gepubliceerd door de Commissie in december 2015,

–  gezien het EU-genderactieplan voor de periode 2016-2020 (GAP II), dat op 26 oktober 2015 werd goedgekeurd door de Raad, en de jaarlijkse uitvoeringsverslagen hierover,

–  gezien zijn resolutie van 31 mei 2018 over de tenuitvoerlegging van het gezamenlijk werkdocument (SWD(2015)0182) – Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: Het leven van meisjes en vrouwen veranderen via de externe betrekkingen van de EU 2016-2020(3) en zijn resolutie van 25 november 2010 over het tienjarig bestaan van resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid(4),

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling van 19 mei 2017,

–  gezien de EU-strategie voor gendergelijkheid van de Commissie van 5 maart 2020 (COM(2020)0152),

–  gezien de operationele richtsnoeren van 8 oktober 2018 van de Commandant civiele operaties van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over gendermainstreaming voor leiding en personeel van de missie,

–  gezien het document getiteld “Implementation of UNSCRs on Women, Peace and Security in the context of CSDP missions and operations” (Uitvoering van resoluties van de VN-Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid in de context van GVDB-missies en -operaties), dat op 22 maart 2012 door de Raad werd goedgekeurd,

–  gezien de bijgewerkte algemene gedragsnormen voor GVDB-missies en -operaties van 22 januari 2018,

–  gezien de gender- en gelijkekansenstrategie 2018-2023 van de EDEO van november 2017,

–  gezien het verslag van de EDEO van 10 november 2016 over de basisstudie over de integratie van mensenrechten en gender in het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie,

–  gezien de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van de EDEO van juni 2016,

–  gezien artikel 2, artikel 3, lid 5, en artikel 21, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (A9-0145/2020),

A.  overwegende dat het beginsel van gelijkheid tussen vrouwen en mannen tot de kernwaarden van de EU behoort en verankerd is in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat gendermainstreaming daarom als een horizontaal beginsel moet worden toegepast en geïntegreerd in alle activiteiten en beleidsmaatregelen van de EU; overwegende dat de EU moet bijdragen aan de totstandbrenging van een wereld waarin alle mensen, ongeacht hun gender, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd, seksuele gerichtheid of genderidentiteit, vreedzaam kunnen samenleven, waarbij ze gelijke rechten genieten en dezelfde kansen krijgen om zichzelf te ontplooien;

B.  overwegende dat met de vijfde doelstelling voor duurzame ontwikkeling (SDG 5) wordt beoogd om overal ter wereld gendergelijkheid en een sterkere positie voor vrouwen en meisjes te verwezenlijken; overwegende dat ontwikkelingsstrategieën alleen doeltreffend kunnen zijn wanneer vrouwen en meisjes hierin een centrale rol spelen en overwegende dat SDG 5 horizontaal moet worden geïntegreerd in de verschillende beleidsgebieden waarop de EU bevoegd is om op te treden;

C.  overwegende dat verscheidene landen, zoals Zweden, Denemarken, Zwitserland en Noorwegen, een kader hebben vastgesteld om een sterk op gendergelijkheid gericht buitenlands beleid tot stand te brengen, en overwegende dat een aantal landen, waaronder Frankrijk, Spanje, Luxemburg, Ierland, Cyprus en Duitsland, hun voornemen hebben aangekondigd om van gendergelijkheid een prioriteit van hun buitenlands beleid te maken; overwegende dat dit soort beleid een gendertransformatieve visie moet bevorderen, waarbij de prioriteit uitgaat naar gendergelijkheid, de mensenrechten van vrouwen en andere traditioneel gemarginaliseerde groepen worden beschermd en bevorderd, billijke toegang van deze groepen tot sociale, economische en politieke middelen en participatie op alle niveaus wordt gewaarborgd, voldoende middelen worden toegewezen ter verwezenlijking van die visie en rekening wordt gehouden met de stem van verdedigers van de mensenrechten van vrouwen en het maatschappelijk middenveld; overwegende dat elk toekomstig buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU gericht moet zijn op de verwezenlijking van deze doelstellingen;

D.  overwegende dat vooral vrouwen en meisjes het slachtoffer zijn van lichamelijk, psychisch en seksueel geweld, armoede, gewapende conflicten en de gevolgen van de noodtoestand op het gebied van klimaat en gezondheid en andere noodsituaties, en dat hun empowerment essentieel is om deze problemen aan te pakken; overwegende dat er sprake is van weerstand tegen vrouwen- en LGBTIQ+-rechten; overwegende dat elke opvatting van veiligheid nadrukkelijk gericht moet zijn op de mensenrechten, teneinde acties te bevorderen die tot vrede leiden; overwegende dat de LGBTI-richtsnoeren van de Raad een doeltreffend instrument zijn om ervoor te zorgen dat LGBTI’s hun mensenrechten ten volle kunnen uitoefenen, en tevens een goede basis vormen voor de ontwikkeling van een ambitieuze toekomstige strategie voor gelijkheid van LGBTI’s;

E.  overwegende dat een buitenlands en veiligheidsbeleid dat de rechten van vrouwen, meisjes en LGBTI+ niet vertegenwoordigt en waarmee de bestaande onrechtvaardigheden niet worden aanpakt, de huidige onevenwichtigheden verder versterkt; overwegende dat iedereen die een einde wil maken aan deze onrechtvaardigheden het ongelijke machtsevenwicht tussen de genders moet erkennen;

F.  overwegende dat het overheersende discours rond vrouwen en meisjes er een is van slachtofferschap, waarmee wordt voorbijgegaan aan hun vermogen tot handelen en zij niet worden gezien als actoren die positieve verandering kunnen teweegbrengen; overwegende dat steeds meer bewijzen aantonen dat de betekenisvolle deelname van vrouwen en meisjes aan het voorkomen en oplossen van conflicten, vredesopbouw en wederopbouw na een conflict bijdraagt tot de houdbaarheid, kwaliteit en duurzaamheid van vrede en de veerkracht van lokale gemeenschappen, en alle vormen van gendergerelateerd geweld helpt te voorkomen; overwegende dat vrouwen, ook al is hun rol bij de totstandbrenging van duurzame vrede zo doorslaggevend, slechts 13 % van de onderhandelaars in de belangrijkste vredesprocessen in de periode van 1992 tot 2018 vertegenwoordigden en slechts 4 % van de ondertekenaars en 3 % van de bemiddelaars;

G.  overwegende dat vrouwen en meisjes te maken kunnen krijgen met meervoudige vormen van discriminatie; overwegende dat gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huwelijk op jonge leeftijd, gedwongen huwelijk en vrouwelijke genitale verminking, ontoereikende toegang tot gezondheidszorg, onderwijs, zuiver water, sanitaire voorzieningen en voeding, beperkte toegang tot diensten in verband met seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en ongelijke deelname aan politieke besluitvorming en aan openbare en particuliere instellingen, bijdraagt tot discriminatie en marginalisering; overwegende dat de bescherming van meisjes tegen geweld en discriminatie, met name met betrekking tot onderwijs, informatie en gezondheidsdiensten, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, van bijzonder groot belang is om hen in staat te stellen hun mensenrechten volledig uit te oefenen; overwegende dat meisjes met een vluchtelingen- of migrantenstatus zich in een bijzonder kwetsbare situatie bevinden;

H.  overwegende dat de meisjes van vandaag degenen zijn die de gevolgen van conflicten en noodsituaties in de toekomst zullen moeten opvangen en dat zij in het geval van langdurige conflicten degenen zijn die opgroeien in schadelijke omstandigheden met gevolgen die nog lang zullen doorwerken; overwegende dat meisjes specifieke behoeften hebben en te maken krijgen met specifieke uitdagingen die verschillen van die van volwassen vrouwen, en dat hier binnen de ruimere categorieën van “kinderen” en “vrouwen” vaak geen rekening mee wordt gehouden;

I.  overwegende dat 2020 een jaar is van belangrijke jubilea van kaders voor vrouwenrechten en gendergelijkheid, waaronder de verklaring en het actieprogramma van Peking van 1995 en Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid van 2000;

J.  overwegende dat uit de strategische aanpak van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid blijkt dat er aanzienlijke vooruitgang is geboekt wat de betrokkenheid van de EU bij de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid betreft; overwegende dat in de strategische aanpak wordt benadrukt dat concrete toezeggingen en acties noodzakelijk zijn en dat vrouwen en meisjes inspraak, bescherming en ondersteuning moeten krijgen om duurzame vrede en veiligheid te verwezenlijken; overwegende dat het EU-actieplan inzake vrouwen, vrede en veiligheid in 2019 werd aangenomen om deze strategische aanpak uit te voeren, maar dat de vertaling van deze beleidsverbintenis naar actie nog steeds een uitdaging vormt; overwegende dat het van het allergrootste belang is dat de personeelsleden van de EU de inspanningen opvoeren om vrouwen, vrede en veiligheid te integreren in hun werkzaamheden, met als doel om niet alleen de doeltreffendheid van missies te verbeteren, maar ook om vrouwenrechten en gendergelijkheid op zich te waarborgen;

K.  overwegende dat het genderactieplan II (GAP II) is voortgevloeid uit aanbevelingen van het Parlement, die gericht waren op een verschuiving binnen de institutionele cultuur van de EU op het niveau van hoofdkantoren en delegaties, teneinde te zorgen voor een systemische verandering van de wijze waarop de EU het beginsel van gendergelijkheid benadert, en die gericht waren op het transformeren van het leven van vrouwen en meisjes op vier cruciale gebieden; overwegende dat de mainstreaming en bevordering van gendergelijkheid in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU sterk afhankelijk is van de succesvolle uitvoering en evaluatie van het GAP II, zodat aanbevelingen kunnen worden geformuleerd voor een verbeterd toekomstig GAP-kader (een nieuw EU-genderactieplan III in 2020);

L.  overwegende dat het oorspronkelijke GAP I voor enige vooruitgang heeft gezorgd, maar ook werd gekenmerkt door een aantal tekortkomingen, zoals een beperkt toepassingsgebied, het ontbreken van genderbudgettering, een zwak inzicht in het kader voor gendergelijkheid bij de EU-delegaties, een gebrek aan inzet van de EU-leiders en een gebrek aan institutionele architectuur en stimulansen om het personeel te motiveren en op passende wijze te ondersteunen; overwegende dat het GAP II een belangrijke stap voorwaarts betekende voor de bevordering van gendergelijkheid in de externe betrekkingen van de EU, met een aantal positieve tendensen, maar dat de EU en haar lidstaten zeer alert moeten blijven en een niet-aflatende inzet aan de dag moeten leggen om niet opnieuw achteruit te gaan en om snellere vorderingen te maken; overwegende dat het GAP II nog steeds een aantal tekortkomingen vertoont wat betreft de uitvoering van centrale prioriteiten en gendergerelateerde SDG’s, uitdagingen op het gebied van nauwkeurige verslaglegging over de voortgang van alle doelstellingen en kwalitatieve gegevens, en gendermainstreaming in beleidsdialogen; overwegende dat het nog steeds nodig is het toepassingsgebied van het GAP uit te breiden, op passende wijze genderbudgettering toe te passen en de tijdschema’s van programmerings- en begrotingscycli op elkaar af te stemmen; overwegende dat de EU-leiders een grotere betrokkenheid aan de dag moeten leggen en moeten zorgen voor een institutionele architectuur en stimulansen om het personeel te motiveren en naar behoren te ondersteunen en op te leiden, en dat dit van cruciaal belang is om tastbare resultaten te boeken in de zin van grotere gendergelijkheid wereldwijd;

M.  overwegende dat in het GAP II het streefdoel is vastgesteld om in 2020 in 85 % van alle nieuwe EU-initiatieven genderacties te mainstreamen; overwegende dat er weliswaar vooruitgang is geboekt, maar dat het aspect gender in 2018 slechts in 55 à 68 % van de nieuwe programma’s was geïntegreerd;

N.  overwegende dat de EU-delegaties en -missies in de voorhoede staan bij de uitvoering van het GAP II in partnerlanden en dat het leiderschap en de kennis van de hoofden van delegaties en missies en personeelsleden een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van een succesvolle uitvoering van het GAP II; overwegende dat wordt aanbevolen dat meer vrouwen toegang krijgen tot leidinggevende functies en het hoger management van EU-delegaties;

O.  overwegende dat vrouwen nog steeds zwaar ondervertegenwoordigd en ondergewaardeerd zijn in de politiek en in de besluitvorming, onder meer op het gebied van buitenlands beleid en internationale veiligheid in de EU en wereldwijd; overwegende dat in de EU zes vrouwen de functie van minister van Defensie bekleden, en dat slechts drie van de 27 ministers van Buitenlandse Zaken vrouw zijn; overwegende dat genderevenwichtige benoemingen een hoge toegevoegde waarde hebben voor besluitvormingsprocessen;

P.  overwegende dat in de strategie voor gendergelijkheid 2020-2024 de doelstelling is opgenomen om eind 2024 een genderevenwicht van 50 % te bereiken op alle niveaus van het managementkader van de Commissie;

Q.  overwegende dat binnen de EDEO het middenkader voor 75 % uit mannen bestaat en het hoger management voor 87 %; overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) zich ertoe heeft verbonden om voor het einde van zijn mandaat het streefdoel van 40 % vrouwen in leidinggevende functies te bereiken; overwegende dat zijn meest recente benoemingen een structuur hebben opgeleverd waarin alle adjunct-secretarissen-generaal van het mannelijke geslacht zijn;

R.  overwegende dat vrouwen in het EU-beleid vaak worden voorgesteld als slachtoffers van seksueel en gendergerelateerd geweld en dat het beleid in de eerste plaats gericht lijkt op hun bescherming nadat dit geweld heeft plaatsgevonden; overwegende dat een sterkere beleids- en operationele nadruk op het voorkomen van mensenrechtenschendingen waarmee wordt ingespeeld op de onevenwichtige machtsverhoudingen in genderbetrekkingen, het EU-beleid op dit gebied zou verbeteren;

S.  overwegende dat er wereldwijd vooruitgang is geboekt met betrekking tot de verwezenlijking van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, maar dat er nog steeds aanzienlijke tekortkomingen bestaan bij het verlenen van en de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; overwegende dat er in de hele wereld sprake is van een zorgwekkende weerstand tegen vrouwen- en LGBTIQ+-rechten, waarbij de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten worden beperkt en seksuele voorlichting en genderstudies worden verboden; overwegende dat het aantal EU-acties op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in 2018 is afgenomen en dat van de wereldwijde acties van de diensten van de Commissie op het gebied van gendergelijkheid het kleinste aantal betrekking had op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; overwegende dat het uiterst belangrijk is dat de EU opnieuw bevestigt zich te zullen inzetten voor de bevordering, bescherming en gegarandeerde uitoefening van het recht van elke persoon op volledige zeggenschap over zaken die verband houden met de eigen seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, zonder discriminatie of geweld;

T.  overwegende dat de werkzaamheden van genderadviseurs en contactpunten voor genderkwesties van belang zijn om het EU-beleid inzake gendergelijkheid en vrouwen, vrede en veiligheid om te zetten in analyses, planning, uitvoering en evaluatie en een genderperspectief te integreren in dagelijkse taken en activiteiten; overwegende dat genderadviseurs en contactpunten voor genderkwesties een belangrijke rol spelen bij het horizontaal integreren van gendergerelateerd beleid; overwegende dat de contactpunten hun takenpakket pas naar behoren kunnen ontwikkelen als gender een grotere prioriteit krijgt in de EU-delegaties, als er voldoende tijd wordt besteed aan gendermainstreaming en als projectmanagers zich ertoe verbinden voldoende rekening te houden met gender bij hun werkzaamheden; overwegende dat verdere maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat er overeenstemming is tussen de functieomschrijving van contactpersonen voor genderkwesties en hun taken als verantwoordelijke voor gendermainstreaming en de bevordering van gendergelijkheid;

U.  overwegende dat slechts een derde van alle EU-delegaties zich bezighoudt met de rechten van LGBTIQ+; overwegende dat de LGBTIQ+-richtsnoeren van de EU niet op uniforme wijze worden toegepast en dat de uitvoering ervan sterk afhangt van de kennis en de belangstelling van de leiding van de delegatie en niet van het volgen van een structurele benadering;

V.  overwegende dat maatschappelijke organisaties voor vrouwen en vrouwelijke activisten een belangrijke rol spelen bij de bevordering van de agenda voor vrede en veiligheid en dat hun participatie essentieel is voor de integratie van gendergelijkheid; overwegende dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld op verschillende gebieden afneemt, waaronder met betrekking tot vrouwenorganisaties en verdedigers van de mensenrechten van vrouwen, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en de rechten van LGBTIQ+; overwegende dat verdedigers van de mensenrechten van vrouwen vaak te maken krijgen met aanvullende en andere risico’s en belemmeringen die intersectioneel van aard zijn en die worden gevormd door diepgewortelde stereotiepe opvattingen over gender; overwegende dat gedurende de volledige cyclus van planning, uitvoering, monitoring en evaluatie van het GAP III structureel overleg moet worden ingebouwd met vrouwenorganisaties en verdedigers van de mensenrechten van vrouwen; overwegende dat er ambitieuzere interne en externe maatregelen nodig zijn om alle soorten tegenreacties actief aan te pakken en vooruitgang te blijven boeken in de richting van samenlevingen waar gendergelijkheid heerst;

W.  overwegende dat beperkte financiering en onderbezetting fundamentele belemmeringen vormen voor de uitvoering van EU-doelstellingen op het gebied van gendergelijkheid; overwegende dat er evenmin sprake is van beleidscoherentie op het gebied van gendergelijkheid en dat er voorlopig geen uniform systeem bestaat dat ervoor zorgt dat gendermainstreaming in de EU-instellingen op identieke wijze wordt opgevat en uitgevoerd;

X.  overwegende dat als in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU een genderperspectief wordt ingevoerd, dit ook betekent dat de specifieke genderdimensies en -effecten van mondiale fenomenen zoals de klimaatverandering, migratie, handel en veiligheid moeten worden erkend en bestreden, en dat centraal in de beleidsvorming de nadruk moet komen te staan op de ervaringen en behoeften van vrouwen en groepen die te maken krijgen met meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie en marginalisering;

1.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de rechten van vrouwen en meisjes te blijven verbeteren en te werken aan een buitenlands en veiligheidsbeleid met een geïntegreerde gendertransformatieve visie; benadrukt dat een dergelijk beleid gefundeerd moet zijn op voortdurende gendermainstreaming, genderanalyses met naar gender en leeftijd uitgesplitste gegevens en gendergevoelige indicatoren, en systematische gendereffectbeoordelingen, teneinde in alle sectoren acties in kaart te brengen, te formuleren en te monitoren om gendergelijkheid te bevorderen, alsook te voorzien in een betekenisvolle en eerlijk verdeelde rol voor vrouwen en personen met diverse achtergronden in de besluitvorming; moedigt de EU aan om op zoek te gaan naar mogelijkheden voor het systematisch delen, beheren en bijwerken van genderanalyses;

2.  dringt er bij de Commissie, de VV/HV en de lidstaten op aan gendergelijkheid, volledige uitoefening van de mensenrechten door alle vrouwen en meisjes en hun empowerment overal ter wereld nog sterker te ondersteunen, en een belangrijke en steeds grotere rol op zich te nemen bij het stroomlijnen en vrijmaken van middelen om dit te verwezenlijken;

3.  is verheugd over de drie thematische pijlers van het GAP II, namelijk 1) de lichamelijke en psychische integriteit van meisjes en vrouwen waarborgen, 2) de economische en sociale rechten en de empowerment van meisjes en vrouwen bevorderen en 3) de inspraak en participatie van meisjes en vrouwen vergroten; wijst erop dat de vooruitgang ongelijk verloopt naargelang van de verschillende thematische prioriteiten en verschillende EU-actoren; verzoekt bijgevolg om een intensivering van de inspanningen van de Commissie, de VV/HV en alle lidstaten om het GAP volledig ten uitvoer te leggen en de hierin vastgestelde prestatienormen te behalen; betreurt dat in 2018 van de doelstellingen van het GAP II het laagste aantal gemelde acties betrekking had op de strijd tegen de handel in vrouwen en meisjes met het oog op alle vormen van uitbuiting, en dat dit de enige doelstelling was waarvoor het aantal gemelde acties lager lag dan in 2017;

4.  is verheugd over het voorstel van de Commissie om een evaluatie te verrichten en in 2020 met een voorstel te komen voor een nieuw GAP voor de periode 2021-2025 (GAP III); benadrukt dat het GAP III de weg die met het huidige GAP II is ingeslagen moet blijven volgen en verder moet uitbreiden en dat de ervaringen met de huidige uitvoering hierbij in aanmerking moeten worden genomen; benadrukt dat dit document in de vorm van een officiële mededeling moet worden opgesteld om een doeltreffende uitvoering te kunnen waarborgen; herinnert eraan dat voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid specifieke regels en procedures gelden en dat het beleid voor ontwikkelingssamenwerking van de Unie en dat van de lidstaten elkaar moeten aanvullen en versterken, met volledige inachtneming van de beginselen en Verdragen van de EU, waaronder de artikelen 2, 3 en 5 VEU; is ingenomen met de aanbevelingen van de Commissie aan de lidstaten met betrekking tot hun aanpak van gendergelijkheid via het extern beleid, waarin de Commissie de lidstaten verzoekt om op de gebieden waarop zij bevoegd zijn politieke doelstellingen na te streven die in overeenstemming zijn met het GAP;

5.  is ingenomen met het EU-actieplan inzake vrouwen, vrede en veiligheid en dringt aan op een daadkrachtige uitvoering; is verheugd dat in de gezamenlijke verklaring over de samenwerking EU-NAVO van 2018 een punt is opgenomen over de “bevordering van de agenda voor vrouwen, vrede en veiligheid”; toont zich verheugd over het besluit om het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie te verlengen en dringt erop aan dat ook gendermainstreaming en gerichte acties op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, hierin een plaats krijgen; is daarnaast verheugd over de nieuwe EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel die voor 2021 gepland staat;

6.  dringt aan op verdere beleidscoherentie en -coördinatie bij de uitvoering van de diverse verbintenissen inzake gendergelijkheid in het kader van het externe optreden van de EU; benadrukt dat er een koppeling en synchronisatie moet komen tussen de strategische aanpak van de EU en het nieuwe GAP III, en dringt erop aan dat het EU-actieplan inzake vrouwen, vrede en veiligheid van 2019 als afzonderlijk hoofdstuk wordt opgenomen in het GAP III; benadrukt het belang van het bestaande normatieve kader met betrekking tot de agenda voor vrouwen, vrede en veiligheid; dringt erop aan dat dit kader de basis vormt voor alle maatregelen op EU- en internationaal niveau en dat eventuele pogingen om af te zien van vastgelegde verbintenissen op dit gebied of deze terug te draaien resoluut moeten worden afgewezen;

7.  verzoekt alle lidstaten een feministisch buitenlands en veiligheidsbeleid vast te stellen waarmee wordt ingespeeld op de belemmeringen die vrouwen ondervinden om toegang te krijgen tot functies en deze te behouden, waarbij het niet alleen gaat om leidinggevende rollen op hoog niveau en belangrijke functies als ambassadeur of bemiddelaar in internationale vredesbesprekingen en -onderhandelingen, maar ook om startersfuncties; herinnert eraan dat ook rekening moet worden gehouden met bepaalde factoren die de participatie van vrouwen kunnen belemmeren, zoals de afwezigheid van beleidsmaatregelen ter stimulering van een goed evenwicht tussen werk en privéleven, een ongelijke taakverdeling binnen het gezin en de verwachting dat vrouwen de primaire verzorgers zullen zijn, die er vaak toe leiden dat vrouwen hun loopbaan onderbreken of parttime gaan werken, en dat tevens rekening moet worden gehouden met de wereldwijde publieke perceptie van vrouwelijk leiderschap; wijst er bovendien op dat gelijk loon voor gelijk werk moet gelden als een van de fundamentele beginselen van de EU bij de bevordering van vrouwelijk leiderschap in het kader van de agenda voor vrouwen, vrede en veiligheid, en dat dit beginsel moet worden geïntegreerd door middel van de bevordering van de economische en sociale rechten van vrouwen, zowel buiten als binnen de EU; wijst erop dat de lidstaten verplicht zijn een einde te maken aan discriminatie op grond van geslacht met betrekking tot alle aspecten en voorwaarden in verband met beloning voor gelijk of gelijkwaardig werk;

Gendergelijkheid als een leidend beginsel van het externe optreden van de EU

8.  verzoekt de EDEO, de desbetreffende diensten van de Commissie, de Europese agentschappen die buiten de Europese Unie actief zijn en de lidstaten om gendermainstreaming en een intersectioneel perspectief stelselmatig te integreren in het buitenlands en veiligheidsbeleid, het uitbreidingsbeleid en het handelsbeleid van de EU, onder meer in het kader van multilaterale fora en in alle beleidsformulering, politieke en strategische dialogen, publieke verklaringen, rapportering en monitoring van de wereldwijde mensenrechtensituatie en processen voor evaluatie en rapportering; staat erop dat gendergelijkheid een kernwaarde vormt in alle activiteiten van het externe optreden van de EU;

9.  benadrukt dat de machtsdynamiek die vervat zit in het beleid en de praktijken van de EU en de huidige programmeringscyclus verder moet worden onderzocht om de genderimplicaties ervan te analyseren en aan te pakken;

10.  wijst erop hoe belangrijk het is om een intersectioneel perspectief op te nemen in alle activiteiten van het externe optreden van de EU en om in EU-acties de ervaringen van vrouwen met verschillende achtergronden in aanmerking te nemen, met name van vrouwen die te maken hebben met overlappende vormen van discriminatie en marginalisering op basis van hun leeftijd, gender, ras, godsdienst, sociaal-economische en wettelijke status, vaardigheid, seksuele gerichtheid en genderidentiteit; herinnert eraan dat vrouwen geen homogene groep zijn en evenmin met één stem spreken;

11.  benadrukt dat het noodzakelijk is op de hoogste politieke niveaus blijvende inzet te waarborgen om het GAP III uit te voeren; vraagt dat in het GAP III specifiek wordt vermeld dat 85 % van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) moet worden besteed aan programma’s waarin gendergelijkheid een belangrijke of hoofddoelstelling vormt, en dringt erop aan dat als onderdeel van deze bredere verbintenis een aanzienlijk aandeel van de ODA wordt toegewezen aan programma’s waarin gendergelijkheid, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, is aangemerkt als een hoofddoelstelling; dringt aan op verdere gerichte acties om gendergelijkheid te verwezenlijken; dringt er voorts op aan dat de solide, empirisch onderbouwde aanpak van het GAP II in het nieuwe GAP wordt versterkt met kwalitatieve analyses om de werkelijke invloed van deze programma’s op de bevordering van gendergelijkheid te beoordelen; dringt erop aan te zorgen voor een betere verslaglegging met betrekking tot EU-financiering voor gendergelijkheid die in partnerlanden via het GAP III wordt toegewezen en uitgekeerd;

12.  beveelt aan om in het GAP III duidelijke, meetbare en tijdgebonden succesindicatoren op te nemen voor het volgen van veranderingen op de korte, middellange en lange termijn, om te zorgen voor de toekenning van verantwoordelijkheid aan verschillende actoren en om voor elk partnerland duidelijke doelstellingen op te nemen die worden ontwikkeld in nauwe samenwerking met het partnerland in kwestie en in actief overleg met lokale maatschappelijke organisaties, andere relevante actoren van het maatschappelijk middenveld en lokale kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s); verzoekt de EDEO, de Commissie en de EU-lidstaten het nieuwe GAP aan te grijpen om een hernieuwde inzet aan de dag te leggen voor gendermainstreaming in alle sectoren; verzoekt de EDEO, de desbetreffende diensten van de Commissie en de EU-lidstaten om voorstellen te formuleren voor nieuwe gendergerichte acties;

13.  dringt erop aan om via het GAP III de weerstand tegen de rechten van vrouwen te counteren door de toegang tot onderwijs, informatie en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor vrouwen en meisjes te versterken en te garanderen dat zij worden beschermd tegen dwang, geweld, discriminatie en misbruik; benadrukt eveneens dat het nieuwe GAP expliciet moet inspelen op de bescherming en participatie van vrouwen en bevordering van de rechten van vrouwen in alle contexten, waaronder in fragiele staten en conflictsituaties;

14.  is van mening dat onderwijs van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen en meisjes; dringt er daarom op aan dat de EU zich in het komende GAP III meer inzet voor het bevorderen van gendergelijkheid en het bestrijden van genderstereotypen in en via onderwijssystemen; vraagt in dit verband om rekening te houden met diverse mogelijkheden op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde;

15.  is ingenomen met de strategische aanpak van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid en het in 2019 goedgekeurde EU-actieplan inzake vrouwen, vrede en veiligheid, en dringt aan op een daadkrachtige uitvoering ervan; betreurt evenwel dat het een uitdaging blijft en niet-aflatende inspanningen vereist om deze beleidsverbintenis om te zetten in actie, ook al zijn er duidelijke doelstellingen en indicatoren vastgesteld; wijst op het belang van nationale actieplannen voor de uitvoering van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid; is verheugd dat bijna alle EU-lidstaten voor het einde van het jaar nationale actieplannen in het kader van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad zullen goedkeuren; betreurt echter dat slechts één lidstaat in een begroting voor de uitvoering ervan voorziet; verzoekt de lidstaten hiervoor begrotingsmiddelen toe te wijzen en nationale parlementaire toezichtmechanismen uit te werken, alsook quota in te voeren voor de deelname van vrouwen aan controle-, evaluatie- en toezichtmechanismen; betreurt dat vele EU-personeelsleden de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid niet in hun werk hebben geïntegreerd en dat deze agenda wordt gezien als iets dat naar eigen goeddunken en ter verbetering van de doeltreffendheid van missies kan worden toegepast, maar niet als een manier om de rechten van vrouwen en gendergelijkheid als zodanig te waarborgen;

16.  verzoekt de Commissie de inspanningen op te voeren om een gestructureerde aanpak inzake genderbudgettering te hanteren en alle gerelateerde uitgaven zorgvuldig te traceren, onder meer op het gebied van het externe optreden, en verzoekt gendereffectbeoordelingen vooraf en achteraf te verrichten voor de verschillende programma’s die door de EU worden gefinancierd en hierover verslag uit te brengen aan het Europees Parlement; benadrukt dat die beoordeling gebaseerd moet zijn op naar gender en leeftijd uitgesplitste gegevens en dat de resultaten ervan moeten worden geïntegreerd in de programmeringscyclus; benadrukt dat de betrouwbaarheid van genderanalyses moet worden verbeterd door de gegevens die door de EU-delegaties worden verzameld zodanig te harmoniseren dat vergelijking mogelijk wordt; dringt erop aan genderanalyses een rol te laten spelen bij het vaststellen van landelijke strategiedoelstellingen, programma’s, projecten en dialogen;

17.  dringt aan op steun voor de toewijzing van 85 % van de specifieke voor gendergelijkheid gereserveerde financiering aan programma’s waarin gendergelijkheid een belangrijke of hoofddoelstelling vormt in het kader van de voorgestelde verordening betreffende het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI), alsook op een vermindering van de administratieve beperkingen om toegang tot financiering mogelijk te maken voor plaatselijke en kleine maatschappelijke organisaties; benadrukt hoe belangrijk het is om verdere gendermainstreaming en gerichte acties op dit gebied op te nemen als duidelijke doelstellingen in het kader van de NDICI-verordening en om te waarborgen dat partners kunnen rekenen op voldoende politieke en financiële steun voor de uitvoering ervan; dringt erop aan om genderspecifieke indicatoren te hanteren in de fasen van projectselectie, -monitoring en -evaluatie voor alle maatregelen in het kader van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU die met middelen uit de EU-begroting worden gefinancierd; benadrukt dat bestaande en toekomstige EU-middelen efficiënter moeten worden gebruikt door middel van genderbudgettering, met name in uitdagende tijden vanwege het volgende meerjarig financieel kader (MFK), beperkte begrotingsmiddelen en de nasleep van de COVID-19-crisis;

18.  dringt er bij de Commissie, de EDEO en de EU-delegaties op aan meisjes en jonge vrouwen te erkennen als drijvende krachten achter verandering en hun veilige, betekenisvolle en inclusieve deelname aan het burgerlijke en openbare leven te ondersteunen, onder meer door rekening te houden met de feedback van door jongeren geleide organisaties en deze te ondersteunen via capaciteitsopbouw; benadrukt de positieve rol van meisjes, jonge vrouwen en vrouwen bij het verwezenlijken van duurzame vrede en sociale samenhang, onder meer door middel van plaatselijke, door meisjes en vrouwen geleide initiatieven op het gebied van conflictpreventie en vredesopbouw; verzoekt de EU en de lidstaten te zorgen voor een toereikende begroting voor onderwijs in noodsituaties om te waarborgen dat elk meisje kan slagen, ook in omstandigheden die worden bemoeilijkt door conflicten en natuurrampen;

19.  erkent dat humanitaire crises de uitdagingen op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten vergroten en herinnert eraan dat in crisisgebieden – met name onder kwetsbare groepen zoals vluchtelingen en migranten – vrouwen en meisjes bijzonder kwetsbaar zijn voor seksueel geweld, seksueel overdraagbare ziekten, seksuele uitbuiting, verkrachting als oorlogswapen en ongewenste zwangerschappen; verzoekt de Commissie en de lidstaten hoge prioriteit te verlenen aan gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het kader van hun respons op het vlak van humanitaire hulp, evenals aan verantwoordingsplicht en toegang tot de rechter en schadevergoeding voor schendingen van de seksuele en reproductieve rechten en gendergerelateerd geweld, ook wat opleiding voor humanitaire actoren en bestaande en toekomstige financiering betreft; benadrukt het belang van de aanbeveling van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO inzake de bestrijding van seksuele uitbuiting, misbruik en intimidatie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp; is in dit verband ingenomen met de aandacht die door betrokkenen die actief zijn op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp wordt besteed aan het aanpakken van misbruik en intimidatie in conflictgerelateerde omgevingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten te pleiten voor de inclusie van vrouwenrechtenorganisaties, door vrouwen geleide organisaties en verdedigers van de mensenrechten van vrouwen in humanitaire coördinatie- en besluitvormingsstructuren;

20.  dringt erop aan te onderzoeken of er synergieën mogelijk zijn tussen de interne en externe programma’s van de Unie om te zorgen voor een samenhangende en ononderbroken benadering van beleid binnen en buiten de Unie, zoals in het geval van vrouwelijke genitale verminking (VGV);

21.  verzoekt de Commissie een op waarden gebaseerd EU-handelsbeleid te voeren dat garant staat voor een hoog niveau van bescherming van de arbeids- en milieurechten en eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid; herinnert eraan dat gendermainstreaming moet worden toegepast op alle EU-handels- en investeringsovereenkomsten en dat deze een ambitieus en afdwingbaar hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling moeten bevatten; wijst erop dat onderhandelingen over handelsovereenkomsten een belangrijk instrument kunnen zijn voor het bevorderen van gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen in derde landen, en verzoekt met klem naar gender uitgesplitste gegevens te verzamelen over de effecten van handel; verzoekt de EU en haar lidstaten de landspecifieke en sectorspecifieke gendereffecten van het handelsbeleid en de handelsovereenkomsten van de EU op te nemen in effectbeoordelingen vooraf en achteraf; benadrukt dat bij handelsbesprekingen rekening moet worden gehouden met de resultaten van de gendergerichte analyses – met aandacht voor zowel de positieve als negatieve effecten gedurende het hele proces, van de onderhandelingen tot de uitvoering – en dat deze resultaten gepaard moeten gaan met maatregelen om mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen of te compenseren; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om een specifiek hoofdstuk over gender op te nemen in de gemoderniseerde associatieovereenkomst tussen de EU en Chili – de eerste keer dat de EU dit doet – en dringt erop aan dat het opnemen van dergelijke hoofdstukken in alle toekomstige handels- en investeringsovereenkomsten van de EU wordt bevorderd en gesteund, voortbouwend op bestaande internationale voorbeelden en op basis van de toegevoegde waarde ervan zoals blijkt uit de uitgevoerde beoordelingen;

22.  roept de lidstaten ertoe op het gemeenschappelijk standpunt inzake wapenuitvoer volledig na te leven en verzoekt de lidstaten met name rekening te houden met het risico dat uitgevoerde materialen worden gebruikt voor gendergerelateerd geweld of geweld tegen vrouwen of kinderen, of dit soort geweld mogelijk maken; benadrukt dat een genderbewuste benadering een mensgerichte benadering van veiligheid inhoudt die gericht is op een grotere veiligheid voor vrouwen – onder meer op economisch, sociaal en gezondheidsgebied;

Aandacht voor gender en diversiteit in de institutionele cultuur van de EU in de hoofdkantoren en de delegaties

23.  verzoekt de lidstaten om met betrekking tot gendergelijkheid een formele werkgroep op te richten; verzoekt de lidstaten om een nieuwe Raadsformatie op te richten waarin de EU-ministers en -staatssecretarissen die verantwoordelijk zijn voor gendergelijkheid bijeenkomen om gendermainstreaming te bevorderen in al het EU-beleid, met inbegrip van het buitenlands en veiligheidsbeleid;

24.  is verheugd over het werk dat tot nu toe is geleverd door de hoofdadviseur gender van de EDEO en de informele taskforce vrouwen, vrede en veiligheid van de EU, onder meer voor het waarborgen van deelname van relevante maatschappelijke organisaties aan hun besprekingen; betreurt echter de beperkte capaciteit op het vlak van personeel en middelen die aan de functie van hoofdadviseur gender is toegewezen en dringt erop aan dat de persoon die de functie bekleedt rechtstreeks verslag uitbrengt aan de VV/HV; benadrukt dat het noodzakelijk is nog efficiënter gebruik te maken van de middelen die aan deze functie zijn toegewezen; verzoekt de VV/HV om de inspanningen op het gebied van gendermainstreaming voort te zetten, in elk directoraat van de EDEO een voltijdse genderadviseur aan te stellen die rechtstreeks verslag uitbrengt aan de hoofdadviseur, en het personeel ertoe aan te sporen nauw samen te werken met het Europees Instituut voor gendergelijkheid; benadrukt dat het delen van kennis tussen de EU-instellingen en -agentschappen een belangrijk en uiterst efficiënt middel is om hoge administratieve kosten en een onnodige toename van bureaucratie te voorkomen;

25.  is verheugd over de gender- en gelijkekansenstrategie van de EDEO voor de periode 2018-2023 en dringt erop aan de strategie te actualiseren en er bindende politieke verbintenissen over de aanwezigheid van vrouwen in leidinggevende functies in op te nemen; dringt aan op de verwezenlijking van het streefdoel van 50 % vrouwen in leidinggevende functies, onder meer als hoofd van delegaties en van missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); is ingenomen met de vooruitgang die door de Commissie is geboekt op dit vlak, waarbij 41 % van de leidinggevende functies op alle niveaus is ingevuld door vrouwen; betreurt dat de EDEO nog ver van dit doel verwijderd is, waarbij slechts twee van de acht speciale vertegenwoordigers van de EU vrouwen zijn, het middenkader voor 31,3 % uit vrouwen bestaat en het hoger management voor 26 %; verzoekt de huidige VV/HV al het nodige te doen om deze situatie te verhelpen en doet een oproep aan de lidstaten om meer vrouwen voor te dragen voor hoge functies;

26.  benadrukt het belang van het beginsel van non-discriminatie en diversiteit in de EU-instellingen, als verankerd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; benadrukt dat de EDEO zijn aanwervings- en selectieprocedures moet aanpassen om nog meer aandacht te besteden aan diversiteit en inclusie; wijst op de noodzaak van genderresponsieve aanwervingsprocedures, onder meer door het Europees Bureau voor personeelsselectie; dringt erop aan dat genderresponsief leiderschap wordt opgenomen in functieomschrijvingen voor het middenkader en het hoger management;

27.  verzoekt de VV/HV te waarborgen dat de hoofden van EU‑delegaties in het buitenland formeel verantwoordelijk zijn om ervoor te zorgen dat gendergelijkheid wordt geïntegreerd in alle aspecten van het werk van de delegaties en om hierover verslag uit te brengen; verzoekt de VV/HV ervoor te zorgen dat er specifieke contactpunten voor genderkwesties worden opgericht in de EU-delegaties om soepele werkprocessen te garanderen en bureaucratie tot een minimum te beperken; benadrukt dat de contactpunten voor genderkwesties voldoende middelen en tijd moeten krijgen om hun taken te vervullen, en dat hun verantwoordelijkheden moeten worden vermeld in een functieomschrijving; benadrukt dat zij rechtstreeks verslag moeten uitbrengen bij hun delegatiehoofd/afdelingshoofd, toegang moeten krijgen tot alle relevante documenten, de nodige opleiding moeten krijgen om hun taken te kunnen vervullen en in voorkomend geval ook managementtaken moeten uitvoeren; dringt aan op richtsnoeren inzake gendergelijkheid voor alle EU-delegaties en roept in dit verband op tot de ontwikkeling van onlineverslaglegging, duidelijke sjablonen en de publicatie van een handleiding om de werkzaamheden van de delegaties te faciliteren;

28.  benadrukt dat de verwezenlijking van gendergelijkheid niet mogelijk is zonder genderresponsieve leiders; dringt in dit verband aan op verplichte en op maat gesneden opleidingen over gendergelijkheid en gendermainstreaming voor alle managers in de EDEO, het personeel van de diplomatieke diensten van de EU en de hoofden/commandanten van GVDB-missies en -operaties; benadrukt dat de opdrachtbrieven en functieomschrijvingen voor de nieuwe hoofden van EU-delegaties specifieke verwijzingen naar gendergelijkheid moeten omvatten; wijst erop dat hun evaluaties specifieke criteria moeten omvatten met betrekking tot het werk dat is verricht om gendermainstreaming te waarborgen; onderstreept dat het bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid een horizontale prioriteit moet zijn voor alle speciale vertegenwoordigers van de EU en een leidend beginsel van hun mandaat moet vormen, met name voor de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten;

29.  benadrukt dat de deelname van vrouwen aan GVDB-missies bijdraagt tot de doeltreffendheid van de missie en stimulerend is voor de geloofwaardigheid van de EU als voorstander van gelijke rechten voor mannen en vrouwen in de hele wereld; is verheugd dat alle civiele GVDB-missies inmiddels een genderadviseur hebben aangesteld en verzoekt de militaire GVDB-missies hetzelfde te doen; moedigt de EU‑lidstaten aan om vrouwen naar voren te schuiven als kandidaat voor openstaande betrekkingen; dringt erop aan dat al het namens de EU ingezette militaire en civiele personeel voldoende opleiding krijgt over gendergelijkheid en vrouwen, vrede en veiligheid, met name over de manier waarop ze een genderperspectief kunnen integreren in hun taken; betreurt dat het aantal vrouwen dat werkzaam is in het kader van GVDB-missies, en met name militaire operaties, nog steeds erg laag is; dringt er bij de EDEO op aan de noodzaak van een concreet streefcijfer en een politieke verbintenis te bepleiten om het aantal vrouwen in crisisbeheersingsmissies en -operaties van de EU te verhogen; dringt er bij de lidstaten op aan op zoek te gaan naar manieren om het beleid voor het werven en behouden van personeel te versterken en de participatie van vrouwen aan missies voor vredesopbouw en vredeshandhaving te bevorderen;

30.  betreurt dat slechts enkele GVDB-missies van de EU voorzien in opleiding over seksuele of gendergerelateerde intimidatie, en verzoekt de EDEO en de lidstaten verplichte opleiding aan te bieden om dit soort intimidatie in alle missies en operaties te bestrijden en ervoor te zorgen dat slachtoffers en klokkenluiders doeltreffend worden beschermd; verzoekt om een actualisering van de bijgewerkte algemene gedragsnormen voor GVDB-missies en -operaties om hieraan het beginsel toe te voegen van nultolerantie ten aanzien van het niet nemen van maatregelen door EU-leiderschap en ‑management met betrekking tot seksueel en gendergerelateerd geweld;

31.  dringt er bij de VV/HV en de lidstaten op aan om in GVDB-gerelateerde besluiten van de Raad en missiemandaten te verwijzen naar Resolutie 1325 van de VN‑Veiligheidsraad en vervolgresoluties hierop, en ervoor te zorgen dat GVDB-missies en ‑operaties beschikken over een jaarlijks actieplan inzake de manier waarop de doelstellingen van het toekomstige GAP III en het EU-actieplan inzake vrouwen, vrede en veiligheid moeten worden verwezenlijkt; dringt erop aan dat genderanalyse wordt opgenomen in nieuwe GVDB-instrumenten, waaronder het Europees Defensiefonds en de voorgestelde Europese Vredesfaciliteit;

32.  is ingenomen met het groeiende netwerk van contactpersonen voor genderkwesties, dat managementondersteuning en toegang tot opleiding krijgt; merkt in dit opzicht op dat er een regionale bijeenkomst voor contactpersonen voor genderkwesties in de Westelijke Balkan en Turkije werd gehouden met als doel de werkzaamheden op het gebied van gendergelijkheid en gendermainstreaming te intensiveren; is ingenomen met de verbeterde samenwerking met de landen van de Westelijke Balkan in het kader van het G7-partnerschapsinitiatief, waarbij de EU ermee instemde samen te werken met Bosnië en Herzegovina ter verbetering van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid;

33.  onderstreept hoe belangrijk het is gendergelijkheid te bevorderen in het buitenlands beleid van de EU, onder meer via de betrekkingen van het Parlement met derde landen; is in dit opzicht ingenomen met het besluit van de delegaties van het Parlement om in elke delegatie een vertegenwoordiger voor genderkwesties aan te stellen; onderstreept dat gelijkheid en diversiteit moeten worden bevorderd in alle activiteiten van de delegaties, ook tijdens officiële parlementaire vergaderingen met derde landen;

Een prioriteit maken van de bescherming en bevordering van de rechten en de participatie van vrouwen en meisjes

34.  roept de EU en de lidstaten ertoe op alle internationale verbintenissen met betrekking tot de mondiale agenda inzake gendergelijkheid na te leven; roept hen er bovendien toe op partnerlanden aan te moedigen en te ondersteunen om de voorbehouden die zij hebben gemaakt met betrekking tot het CEDAW in te trekken, alsook om uitvoering te geven aan de verklaring en het actieprogramma van Peking die uit de vierde Wereldvrouwenconferentie van 1995 zijn voortgekomen, onder meer door middel van wetgeving;

35.  wijst op de cruciale rol van vrouwen in vredesopbouw en beklemtoont het belang van de rol van vrouwen bij de bevordering van dialoog en vredesopbouw en het aandragen van verschillende perspectieven in verband met de betekenis van vrede en veiligheid; wijst erop dat het waarborgen van een betekenisvolle en evenwichtige participatie van vrouwen aan EU-onderhandelingen in het kader van het buitenlands beleid en processen voor vrede en veiligheid verband houdt met meer economische groei, minder mensenrechtenschendingen en de bevordering van mondiale veiligheid, democratie en duurzame vrede; merkt op dat de bevordering van de rechten van vrouwen in door crisis of conflict geteisterde landen bijdraagt tot sterkere en veerkrachtigere gemeenschappen; verzoekt de VV/HV, de EDEO en de lidstaten de rechten van meisjes en vrouwen te vrijwaren en te zorgen voor een volledige en betekenisvolle participatie van meisjes en vrouwen in de verschillende fasen van de conflictcyclus, in de context van EU‑activiteiten op het gebied van conflictpreventie en bemiddeling;

36.  wijst erop dat de inzet voor het voorkomen, bestrijden en vervolgen van alle vormen van seksueel en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van partnergeweld, onlinegeweld, schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking en kindhuwelijken, huwelijk op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, geweld dat wordt gepleegd in naam van “eer”, seksueel en gendergerelateerd geweld in de context van conflicten, mensenhandel en seksuele uitbuiting, misbruik en intimidatie, van cruciaal belang is; benadrukt in dit verband de noodzaak van slachtofferhulp; benadrukt dat specifieke aandacht moet worden besteed aan vrouwen en meisjes die te maken hebben met meervoudige en overlappende vormen van discriminatie; verzoekt de EU en haar lidstaten het Verdrag van Istanbul – het eerste wettelijk bindende internationale instrument ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen – te ratificeren en zo een voorbeeld te stellen voor de wereld en de EU-verbintenis om dit soort geweld uit te bannen geloofwaardig te maken in het kader van de externe betrekkingen; verzoekt om een herziening en actualisering van de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen;

37.  benadrukt dat de verwezenlijking van gendergelijkheid niet mogelijk is zonder de inclusie van mannen en jongens; is van mening dat mannen en jongens moeten worden uitgenodigd deel te nemen en actief bij te dragen aan de bevordering van gendergelijkheid, als actoren die verandering teweeg kunnen brengen, en dat op deze wijze moet worden ingespeeld op genderstereotypen; herinnert met name aan de rol en verantwoordelijkheid van mannen en jongens bij het bestrijden van seksueel en gendergerelateerd geweld;

38.  verzoekt de VV/HV, de EDEO en de lidstaten om de volledige uitvoering van de EU‑richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers te waarborgen en een bijlage vast te stellen om aanvullende strategieën en instrumenten te erkennen en te ontwikkelen waarmee op betere en doeltreffendere wijze kan worden gezorgd voor een respons op en de preventie van specifieke situaties, bedreigingen en risicofactoren waarmee verdedigers van de mensenrechten van vrouwen – soms zelf meisjes of jonge vrouwen – te kampen hebben; dringt aan op de onmiddellijke toepassing van een genderperspectief en specifieke maatregelen ter ondersteuning van verdedigers van de mensenrechten van vrouwen in alle programma’s en instrumenten ter bescherming van mensenrechtenverdedigers;

39.  wijst erop dat de mensenrechten van vrouwen en meisjes in veel delen van de wereld niet ten volle worden gegarandeerd en dat maatschappelijke organisaties, waaronder organisaties voor de rechten van vrouwen en meisjes, te kampen hebben met toenemende problemen in verband met een steeds beperktere democratische ruimte overal ter wereld; wijst op het essentiële werk dat wordt verricht door maatschappelijke organisaties ter plaatse om vrede te handhaven en vrouwen meer te betrekken bij vredesprocessen, politiek, governance, institutionele opbouw, de rechtsstaat en de veiligheidssector; verzoekt de EU-delegaties de weerstand tegen gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te monitoren, evenals de tendens om het maatschappelijk middenveld steeds minder ruimte te geven, en vraagt om specifieke maatregelen te nemen om maatschappelijke organisaties te beschermen tegen bedreigingen, intimidatie, geweld en haatzaaiende uitlatingen; dringt er bij de Commissie, de EDEO, de lidstaten en de hoofden van de EU-delegaties op aan een passend niveau van capaciteitsopbouw te bevorderen en zo te zorgen voor steun voor plaatselijke maatschappelijke organisaties, waaronder vrouwenorganisaties en mensenrechtenverdedigers, en vraagt om samenwerking en overleg met deze organisaties als standaardonderdeel op te nemen in hun werkzaamheden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan initiatieven te steunen die erop gericht zijn negatieve gendernormen en -stereotypen in alle contexten in twijfel te trekken en te transformeren;

40.  verzoekt de Commissie en de EDEO stelselmatig steun te geven aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, hetgeen zal bijdragen tot de verwezenlijking van alle aan gezondheid gerelateerde SDG’s, zoals prenatale zorg en maatregelen om geboortes met een hoog risico te voorkomen en baby- en kindersterfte te beperken; wijst op de noodzaak van toegang tot gezinsplanning en gezondheidszorg voor moeders, uitgebreide en op leeftijd afgestemde seksuele voorlichting, voorbehoedsmiddelen, veilige en legale abortusdiensten en de eerbiediging van het recht van vrouwen om over hun eigen lichaam te beslissen en te worden beschermd tegen alle vormen van discriminatie, dwang of geweld in dit opzicht; verzoekt de Commissie de gevolgen van de “Global Gag Rule” tegen te gaan door de financiering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten aanzienlijk te ondersteunen via de beschikbare financieringsinstrumenten van de externe dimensie van de EU;

41.  wijst erop dat vrouwen en meisjes onevenredig zwaar worden getroffen door klimaatverandering als gevolg van culturele en structurele genderongelijkheden; erkent dat gendergelijkheid essentieel is voor het verwezenlijken van vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van klimaatuitdagingen, en dat een intersectioneel perspectief van cruciaal belang is om een eerlijke en rechtvaardige transitie mogelijk te maken waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten; betreurt dat slechts 30 % van de klimaatonderhandelaars vrouw is en herinnert eraan dat een betekenisvolle en gelijke participatie van vrouwen in besluitvormingsorganen voor klimaatbeleid en -actie op EU-, nationaal en lokaal niveau essentieel is voor het bereiken van klimaatdoelstellingen voor de lange termijn; dringt erop aan dat in het GAP III duidelijke verbanden worden gelegd met de Overeenkomst van Parijs en verzoekt de EU en haar lidstaten de toegang van vrouwenorganisaties tot internationale klimaatfondsen te waarborgen;

42.  betreurt dat vrouwen en meisjes over de hele wereld nog steeds systematisch worden gediscrimineerd op diverse wijzen; merkt op dat het noodzakelijk is armoede onder vrouwen te bestrijden door gelijke toegang tot economische middelen te waarborgen; wijst erop dat een betere inclusie van vrouwen in de arbeidsmarkt, betere ondersteuning voor vrouwelijke ondernemers, gelijke toegang tot kapitaal, ook voor vrouwelijke ondernemers, het waarborgen van gelijke kansen en gelijk loon voor mannen en vrouwen voor gelijk werk, en de bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven belangrijke factoren zijn om langdurige duurzame en inclusieve economische welvaart te verwezenlijken, ongelijkheden te bestrijden en de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te stimuleren; verzoekt de lidstaten en de EU‑instellingen in dit verband om in voorkomend geval de beschikbare financiering te verhogen, onder meer door middel van microkredieten, en samen te werken met partnerlanden om de status van vrouwen te bevorderen, onder meer op het gebied van erfrechten op eigendom en grond, toegang tot een rechtspositie en tot financiële en digitale geletterdheid, en bescherming tegen kinderarbeid en andere vormen van uitbuiting;

43.  benadrukt dat het noodzakelijk is een genderperspectief toe te passen binnen het migratiebeleid van de EU om ervoor te zorgen dat de rechten van vrouwen en meisjes die asiel zoeken of op de vlucht zijn worden gewaarborgd, en dat het noodzakelijk is onmiddellijk gendergevoelige asiel- en migratieprocedures in te voeren en de inspanningen op te voeren om potentieel geweld, intimidatie, verkrachting en vrouwenhandel naar behoren te leren herkennen en hiertegen bescherming te bieden in opvangcentra in heel Europa;

44.  veroordeelt alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van mensenhandel; verzoekt de Commissie en de lidstaten de samenwerking met derde landen in de strijd tegen alle vormen van mensenhandel te intensiveren, met bijzondere aandacht voor de genderdimensie van mensenhandel, teneinde specifiek kindhuwelijken, de seksuele uitbuiting van vrouwen en meisjes en sekstoerisme te bestrijden; dringt aan op de ontwikkeling van een gendergevoelige aanpak van mensenhandel door uitgebreid in te spelen op de gevolgen van mensenhandel voor de verwezenlijking van een hele reeks mensenrechten;

45.  dringt erop aan dat meisjes en vrouwen die het slachtoffer zijn van verkrachting in de context van oorlog toegang moeten hebben tot niet-discriminerende zorg, en met name uitgebreide medische zorg; onderstreept in dit verband dat de bescherming van het recht van alle vrouwen en meisjes op leven en waardigheid moet worden gewaarborgd door schadelijke praktijken actief te bestrijden; benadrukt dat een einde moet worden gemaakt aan het gebruik van verkrachting als oorlogswapen en onderdrukkingsmiddel en dat de EU druk moet uitoefenen op regeringen van derde landen en alle betrokken partijen in regio’s waar dergelijk gendergerelateerd geweld plaatsvindt om deze praktijk te stoppen, daders voor het gerecht te brengen en overlevenden, getroffen vrouwen en gemeenschappen de hand te reiken om te werken aan genezing en herstel;

46.  stelt vast dat er gestaag vooruitgang wordt geboekt met de uitvoering van het Spotlight-initiatief van de EU en de VN om geweld tegen vrouwen en meisjes overal ter wereld uit te bannen, en dat het initiatief in 2018 voor 270 miljoen EUR aan toezeggingen voor programma’s in Afrika en Latijns-Amerika heeft opgeleverd; verzoekt de EU sterk leiderschap te laten zien met betrekking tot de oproep tot actie ter bescherming tegen gendergerelateerd geweld in noodsituaties en de steun die wordt verleend aan slachtoffers van seksueel en gendergerelateerd geweld in conflictsituaties; herinnert de Commissie en de EU-lidstaten aan het belang van de resultaten van de conferentie van Oslo over de uitbanning van seksueel en gendergerelateerd geweld in humanitaire crises;

47.  merkt op dat de EU en de VN in 2018 overeenstemming hebben bereikt over een nieuwe reeks toekomstgerichte prioriteiten voor samenwerking inzake vredesoperaties en crisisbeheer voor de periode 2019-2021; benadrukt dat de oprichting van een samenwerkingsplatform van de EU en de VN inzake vrouwen, vrede en veiligheid een belangrijk onderdeel van de agenda op het gebied van buitenlandse zaken en veiligheid moet vormen;

48.  merkt op dat de VN hebben gewaarschuwd dat de COVID-19-pandemie allerlei vormen van ongelijkheid, waaronder genderongelijkheid, aan het licht brengt en verergert; maakt zich ernstige zorgen over de ongelijke verdeling van zowel huishoudelijke als openbare zorgtaken, waarbij vrouwen wereldwijd ongeveer 70 % van alle gezondheidswerkers vertegenwoordigen, alsook over de zorgwekkende toename van gendergerelateerd geweld, deels vanwege lange perioden van lockdown, en de beperkte toegang tot reproductieve gezondheidszorg en kraamzorg; dringt derhalve aan op de ontwikkeling van gerichte en specifieke maatregelen om de sociaal-economische gevolgen van COVID-19 voor vrouwen en meisjes aan te pakken; benadrukt dat er dringend adequate financiering beschikbaar moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat vrouwenorganisaties, mensenrechtenverdedigers en vredesopbouwers volledige en onbelemmerde toegang hebben tot hoogwaardige technologie om tijdens de COVID-19-crisis op betekenisvolle wijze te kunnen deelnemen aan besluitvormingsprocessen; onderstreept dat de VV/HV en de Commissie de noodzaak moeten erkennen van menselijke veiligheid, hetgeen alle aspecten van de strategische aanpak van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid omvat; benadrukt dat bij de uitvoering van de algehele respons van de EU op COVID-19 het genderperspectief niet mag worden genegeerd en dat op passende wijze moet worden ingespeeld op de specifieke behoeften van vrouwen en andere gemarginaliseerde groepen, waarbij hun betrokkenheid bij de hele programmeringscyclus moet worden gewaarborgd;

o
o   o

49.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(2) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(3) PB C 76 van 9.3.2020, blz. 168.
(4) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 56.

Laatst bijgewerkt op: 22 januari 2021Juridische mededeling - Privacybeleid