Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2009(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0205/2020

Ingediende teksten :

A9-0205/2020

Debatten :

PV 23/11/2020 - 19
CRE 23/11/2020 - 19

Stemmingen :

PV 24/11/2020 - 11
PV 25/11/2020 - 14

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0320

Aangenomen teksten
PDF 198kWORD 66k
Woensdag 25 november 2020 - Brussel
Versterking van de mediavrijheid: bescherming van journalisten in Europa, haatzaaiende taal, desinformatie en de rol van platforms
P9_TA(2020)0320A9-0205/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2020 over versterking van de mediavrijheid: bescherming van journalisten in Europa, haatzaaiende taal, desinformatie en de rol van platforms (2020/2009(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM),

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–   gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, en het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van de Unesco,

–  gezien de relevante resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties en de verslagen van de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, met name die van 23 april 2020 getiteld “Ziektepandemieën en de vrijheid van mening en meningsuiting”,

–  gezien de gezamenlijke verklaring getiteld “Vrijheid van meningsuiting en ‘nepnieuws’, desinformatie en propaganda”, die op 3 maart 2017 werd afgelegd door de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, de vertegenwoordiger van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) voor mediavrijheid, de speciale rapporteur van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) inzake vrijheid van meningsuiting, en de speciale rapporteur van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken (ACHPR) inzake vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie,

–  gezien het actieplan van de VN inzake de veiligheid van journalisten en de kwestie van straffeloosheid,

–  gezien algemeen commentaar nr. 34 van het Comité voor de rechten van de mens van de VN over artikel 19 van het IVBPR (vrijheid van mening en vrijheid van meningsuiting),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die onder meer het bevorderen van vreedzame en inclusieve samenlevingen voor duurzame ontwikkeling als doelstelling heeft, onder meer door ervoor te zorgen dat informatie publiek toegankelijk is en door de grondrechten te beschermen,

–  gezien de inspanningen die zijn verricht door de Raad van Europa om de bescherming en de veiligheid van journalisten te bevorderen, waaronder Aanbeveling CM/Rec(2018)1 van het Comité van ministers aan de lidstaten over de pluriformiteit van de media en de transparantie van media-eigendom en de verklaring van het Comité van ministers over de financiële duurzaamheid van kwaliteitsjournalistiek in het digitale tijdperk, Aanbeveling CM/Rec(2016)4 van het Comité van ministers aan de lidstaten over de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten en andere actoren in de media, en zijn jaarverslag 2020 getiteld “Hands off press freedom: Attacks on media in Europe must not become a new normal”,

–  gezien Resolutie nr. 2300 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PACE) van 1 oktober 2019 over het verbeteren van de bescherming van klokkenluiders in heel Europa,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 10 juni 2020 getiteld “Desinformatie in verband met COVID-19 aanpakken: feiten onderscheiden van fictie” (JOIN(2020)0008),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 januari 2020 over het werkprogramma van de Commissie voor 2020 (COM(2020)0027),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 juli 2019 getiteld “Versterking van de rechtsstaat binnen de Unie: een blauwdruk voor actie” (COM(2019)0343),

–  gezien de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 van de Commissie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2018 getiteld “Bestrijding van online-desinformatie: een Europese benadering” (COM(2018)0236),

–  gezien de praktijkcode betreffende desinformatie van de Commissie, waarover op 26 september 2018 overeenstemming is bereikt,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 1 maart 2018 over maatregelen om illegale online-inhoud effectief te bestrijden (C(2018)1177),

–  gezien het actieplan van de Commissie tegen desinformatie van 5 december 2018,

–  gezien de gedragscode van de Commissie voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen op het internet, die in mei 2016 werd gepubliceerd, en de vierde beoordelingsronde daarvan, die heeft geleid tot het document “Factsheet - 4th monitoring round of the Code of Conduct” (Informatieblad - 4e beoordelingsronde van de gedragscode),

–  gezien Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden(1),

–  gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (“richtlijn audiovisuele mediadiensten”)(2) en Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU(3),

–   gezien het rapport van de Europese Groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten van 2020 getiteld “Disinformation: Assessment of the implementation of the Code of Practice” (Desinformatie: beoordeling van de toepassing van de gedragscode),

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 mei 2020 over mediawijsheid in een voortdurend veranderende wereld,

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 november 2018 over het versterken van Europese inhoud in de digitale economie, waarin het belang van media “en andere culturele en creatieve sectoren” die inhoud produceren wordt onderkend als “essentiële pijlers van de sociale en economische ontwikkeling van Europa”,

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(4),

–  gezien de op 12 mei 2014 aangenomen EU-richtsnoeren over mensenrechten inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, waarin artistieke vrijheid als inherente component van de vrijheid van meningsuiting en van mediavrijheid wordt erkend,

–  gezien de update van het speciaal verslag van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 24 april 2020 getiteld “Short Assessment of Narratives and Disinformation around the COVID-19/Coronavirus Pandemic” (korte beoordeling van narratieven en desinformatie rondom de COVID-19-/Coronavirus-pandemie),

–  gezien de werkzaamheden van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA),

–  gezien de resultaten van de World Press Freedom Index, die door Verslaggevers zonder grenzen wordt gepubliceerd, alsook die van de monitor voor de pluriformiteit van de media van het Centrum voor pluriformiteit van de media en mediavrijheid van het Europees Universitair Instituut,

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(5),

–  gezien zijn resolutie van 9 januari 2020 over hoorzittingen die plaatsvinden in het kader van artikel 7, lid 1, VEU met betrekking tot Polen en Hongarije(6),

–  gezien zijn resolutie van 18 december 2019 over openbare discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van LGBTI-personen, zoals LGBTI-vrije zones(7),

–  gezien zijn resolutie van 18 december 2019 over de rechtsstaat in Malta, na de recente onthullingen over de moord op Daphne Caruana Galizia(8),

–  gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul en andere maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld(9),

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2019 over buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in de nationale en Europese democratische processen(10),

–  gezien zijn resolutie van 19 september 2019 over het belang van Europese herinnering voor de toekomst van Europa(11),

–  gezien zijn resolutie van 28 maart 2019 over de stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, in het bijzonder in Malta en Slowakije(12),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017(13),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over gendergelijkheid in de mediasector in de EU(14),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over maatregelen ter voorkoming en bestrijding van pesterijen en seksuele intimidatie op het werk, in de openbare ruimte en in het politieke leven in de EU(15),

–  gezien zijn resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten(16),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over het gebruik van gegevens van Facebook-gebruikers door Cambridge Analytica en de impact op de gegevensbescherming(17),

–  gezien zijn resolutie van 3 mei 2018 over pluriformiteit van de media en mediavrijheid in de Europese Unie(18),

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de bescherming van onderzoeksjournalisten in Europa: de zaak van de Slowaakse journalist Ján Kuciak en Martina Kušnírová(19),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 over het verslag over het EU-burgerschap 2017: Versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering(20),

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(21),

–  gezien zijn resolutie van 15 juni 2017 over onlineplatforms en de digitale eengemaakte markt(22),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over de gevolgen van big data voor de grondrechten: persoonlijke levenssfeer, gegevensbescherming, non-discriminatie, veiligheid en rechtshandhaving(23),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over de rechtsstaat in Malta(24),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(25),

–   gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven(26),

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de Burger en Constitutionele Zaken van 28 februari 2019 getiteld “Desinformatie en propaganda – effect op de functionering van de rechtsstaat in de EU en haar lidstaten”,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie cultuur en onderwijs,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0205/2020),

A.  overwegende dat mediavrijheid, pluriformiteit en onafhankelijkheid van de media, en de veiligheid van journalisten cruciale onderdelen vormen van het recht van vrije meningsuiting en informatie, en essentieel zijn voor het functioneren van de democratie binnen de EU en haar lidstaten; overwegende dat tot de belangrijke democratische taken van media het versterken van de transparantie en van de democratische verantwoordingsplicht behoren; overwegende dat de media een essentiële rol vervullen in een democratische samenleving, te weten als publieke waakhonden, terwijl ze tevens burgers voorzien van informatie en mondiger maken in die zin dat ze hun meer inzicht verschaffen in het actuele politieke en maatschappelijke landschap en hun bewuste deelname aan het democratische leven stimuleren;

B.  overwegende dat de crisis de aandacht heeft gevestigd op de essentiële rol die journalisten spelen door burgers te voorzien van betrouwbare en gecontroleerde informatie; overwegende dat derhalve meer inspanningen moeten worden geleverd om veilige en passende werkomstandigheden voor journalisten te waarborgen; overwegende dat bij de bestrijding van corruptie en wanbeheer in de EU bijzondere aandacht moet worden besteed aan onderzoeksjournalistiek;

C.  overwegende dat sommige lidstaten de mediavrijheid inperken door middel van economische maatregelen, bijvoorbeeld door overheidsreclames aan bepaalde mediakanalen te gunnen en zo de concurrentie te verstoren, en doordat zij de publieke media direct beheersen, teneinde redactionele beslissingen te beïnvloeden en zo regeringsgezinde loyaliteit af te dwingen; overwegende dat overheden wetten en regels moeten vaststellen die bijdragen aan de ontwikkeling van vrije, onafhankelijke en door pluralisme gekenmerkte media;

D.  overwegende dat alle lidstaten geacht worden zich te houden aan de waarden van artikel 2 VEU;

E.  overwegende dat toe-eigening van de media, het gebrek aan institutionele transparantie, haatzaaiende taal en desinformatie in toenemende mate voor politieke doeleinden worden misbruikt, als instrumenten om de maatschappelijke polarisatie te vergroten; overwegende dat het bestrijden van deze verschijnselen niet alleen relevant is voor het domein van de mensenrechten, maar ook een fundamentele factor is bij de verdediging van de rechtsstaat en de democratie in de EU;

F.  overwegende dat de COVID-19-pandemie volgens de World Press Freedom Index van 2020 de aandacht heeft gevestigd op vele andere crises die het recht op vrije berichtgeving en onafhankelijke, diverse en betrouwbare informatie bedreigen, en deze crises heeft versterkt; overwegende dat de index grote verschillen tussen afzonderlijke lidstaten aan het licht heeft gebracht, in die zin dat sommige zéér goed scoren en andere héél slecht, hetgeen geresulteerd heeft in een kloof van meer dan 100 plaatsen tussen de lidstaten die het best scoren en de lidstaten die het slechtst scoren; overwegende dat meerdere lidstaten het in de internationale persvrijheidrankings nu slechter doen dan een aantal jaren geleden;

G.  overwegende dat de mediavrijheid de afgelopen jaren is afgekalfd en dat de COVID-19-uitbraak dit weliswaar heeft verergerd, maar het belang van de media en van het recht op toegang tot betrouwbare informatie nu anderzijds wel duidelijk is geworden;

H.  overwegende dat uit het Digital News Report 2019 van het Reuters Institute blijkt dat het gemiddelde vertrouwen in het nieuws in het algemeen (wereldwijd) met 2 procentpunt is gedaald naar 42 % in vergelijking met 2018, en dat nog niet de helft (49 %) aangeeft dat ze vertrouwen hebben in de nieuwsmedia die ze zelf gebruiken; overwegende dat het vertrouwen in het nieuws dat via zoekopdrachten en sociale media wordt gevonden stabiel blijft, maar nog steeds heel laag is met 33, respectievelijk 23 procent;

I.  overwegende dat transparantie van media-eigendom een absolute voorwaarde is voor het waarborgen van de pluriformiteit van de media en van onafhankelijke journalistiek;

J.  overwegende dat journalisten en andere actoren in de media in de EU nog steeds geconfronteerd worden met geweld, bedreigingen, intimidatie, druk, (zelf)censuur, publieke vernedering of zelfs moordaanslagen vanwege het uitvoeren van hun taak van het beschermen van het algemeen belang; overwegende dat zich de afgelopen jaren het patroon aftekent dat journalisten steeds vaker het zwijgen wordt opgelegd door ze te intimideren en dat dit dringende maatregelen vereist om de essentiële rol van de onafhankelijke media bij het waarborgen van de beginselen van de rechtsstaat veilig te stellen; overwegende dat de moord op Daphne Caruana Galizia en Ján Kuciak twee diep tragische voorbeelden zijn van de ernst van de gevaren waaraan onderzoeksjournalisten worden blootgesteld wanneer ze corruptie aan de kaak stellen en de democratie en de rechtsstaat beschermen;

K.  overwegende dat de bedreigingen van de mediavrijheid onder andere bestaan uit intimidatie van en aanvallen op journalisten, het negeren van hun wettelijke bescherming, de toe-eigening van media of door politieke beweegredenen ingegeven acties in de mediasector;

L.  overwegende dat vrouwelijke journalisten met genderspecifiek geweld worden geconfronteerd, zoals seksuele en online-intimidatie; overwegende dat meer dan 70 % van de vrouwen die in de mediasector werken meerdere vormen van intimidatie of bedreigingen heeft ervaren, of meerdere keren online is aangevallen; overwegende dat alleen al in het afgelopen jaar 52 % van de vrouwen met dergelijk wangedrag geconfronteerd werd; overwegende dat online-intimidatie en beledigingen vaak een sterk seksueel karakter hebben en niets te maken heeft met hun werk, maar betrekking heeft op hun fysieke kenmerken, culturele achtergrond of privéleven; overwegende dat deze bedreigingen vrouwelijke journalisten tot zelfcensuur aanzetten en een verlammend effect hebben op de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat onderzoek steeds weer aantoont dat vrouwen in de minderheid zijn in alle mediasectoren, met name in creatieve functies, en zwaar ondervertegenwoordigd zijn op de hogere besluitvormingsniveaus(27);

M.  overwegende dat in diverse lidstaten strategische rechtszaken tegen publieke inspraak een gangbare methode vormen om journalisten bang te maken zodat zij hun onderzoek naar corruptie en andere zaken van algemeen belang staken;

N.  overwegende dat er niet alleen sprake is van geweld tegen en van pesterijen en intimidatie van journalisten, maar dat de daders van deze misdrijven ook bijna nooit worden vervolgd en dat straffeloosheid verlammend werkt; overwegende dat de OVSE meldt dat straffeloosheid de norm is, aangezien minder dan 15 % van de moorden op journalisten binnen OVSE-gebied wordt opgelost;

O.  overwegende dat het recht van journalisten om verslag uit te brengen en onderzoek te doen verder aangescherpt en effectiever beschermd moet worden;

P.  overwegende dat het versterken van de mediavrijheid alleen mogelijk is indien we de beschikking hebben over geloofwaardige en gedetailleerde informatie over de omvang en de aard van de uitdagingen in de lidstaten en in de hele EU, waaronder over gevallen van inbreuk op de beginselen van de onafhankelijke media of van aantasting van de grondrechten van journalisten;

Q.  overwegende dat artistieke vrijheid onlosmakelijk deel uitmaakt van de vrijheid van meningsuiting en van essentieel belang is voor de culturele diversiteit en democratische gezondheid van Europa; overwegende dat aanvallen op de artistieke vrijheid hand over hand toenemen, maar onzichtbaar blijven;

R.  overwegende dat de mondiale COVID-19-crisis verwoestende sociale en economische gevolgen heeft voor de mediasector; overwegende dat de mediakanalen melding maken van sterk teruglopende reclame-inkomsten; overwegende dat duizenden mediawerkers reeds hun baan hebben verloren of het risico lopen tijdelijk of permanent werkloos te worden; overwegende dat dit vooral geldt vooral freelance journalisten en mediawerkers, waarvan het aantal in de hele EU steeds groter wordt en die nu reeds een aanzienlijk deel van alle journalisten en mediawerkers in Europa uitmaken; overwegende dat dit het ernstige risico met zich meebrengt dat informatie nog verder geconcentreerd raakt in de handen van enkelen en dat de verspreiding van vrije en onafhankelijke informatie wordt belemmerd; overwegende dat de financiële duurzaamheid van banen en de financiële onafhankelijkheid cruciale bestanddelen van de persvrijheid vormen;

S.  overwegende dat de inkomsten van digitale reclameboodschappen vaak bij actoren in derde landen terechtkomen en dat de inkomsten van de Europese media hard achter uithollen, waarmee de toekomst van traditionele, met reclame-inkomsten gefinancierde media-ondernemingen, zoals tv-zenders, kranten en tijdschriften, op het spel komt te staan;

T.  overwegende dat in sommige lidstaten de verlening van staatssteun aan de media niet transparant verloopt, hetgeen de onafhankelijkheid en de geloofwaardigheid daarvan ernstig in gevaar brengt;

U.  overwegende dat het bedrijfsmodel van socialemediaplatforms, dat op reclame volgens het microtargeting-principe gestoeld is, een rol speelt bij de verspreiding en uitvergroting van haatzaaiende taal die tot discriminatie en geweld aanzet, en bij het bevorderen van radicalisering die tot gewelddadig extremisme leidt, onder meer door de verspreiding van illegale inhoud; overwegende dat het bestrijden van alle vormen van intolerantie onlosmakelijk deel uitmaakt van de bescherming van de mensenrechten zoals opgebouwd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

V.  overwegende dat de COVID-19-pandemie tot de stigmatisering - waaronder door de media - van bepaalde zeer kwetsbare groepen heeft geleid, en dat de polarisatie van de Europese samenleving en de verspreiding van haatdragende taal daarbij werden aangewakkerd;

W.  overwegende dat het verschijnsel cybergeweld (met inbegrip van haatdragende taal online, cyberstalking en intimidatie online) om zich heen grijpt; overwegende dat vrouwen met een openbare rol, zoals politici, journalisten en activisten die zich sterk maken voor de rechten van vrouwen en seksuele minderheden, steeds vaker het mikpunt van cyberpesten en onlinegeweld zijn;

X.  overwegende dat de autoriteiten in iedere lidstaat op grond van de richtlijn audiovisuele mediadiensten verplicht zijn ervoor te zorgen dat audiovisuele mediadiensten en videoplatforms maatregelen treffen om het grote publiek te beschermen tegen programma’s, video’s van gebruikers en audiovisuele commerciële boodschappen die op grond van één of meer van de redenen als vermeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep; overwegende dat de richtlijn audiovisuele mediadiensten de lidstaten verplicht om de onafhankelijkheid van regelgevende instanties voor de media te waarborgen;

Y.  overwegende dat de verspreiding van onjuiste informatie en desinformatie, net als onevenredige maatregelen om dit op digitale platforms tegen te gaan, een bedreiging voor het recht op informatie, de democratische dialoog en de onafhankelijkheid van de media vormen, en de noodzaak van kwalitatief hoogwaardige traditionele media hebben vergroot; overwegende dat data-analyses en algoritmen een steeds grotere impact hebben op de informatie waarover burgers kunnen beschikken;

Z.  overwegende dat de grootschalige verspreiding van informatie uit verschillende moeilijk controleerbare bronnen, in combinatie met de steeds groter wordende rol van de sociale media en berichtenplatforms, negatieve gevolgen heeft voor de grondrechten van de burgers van de EU; overwegende dat de COVID-19-pandemie de impact van desinformatie online in een stroomversnelling heeft gebracht, soms met ernstige gevolgen voor de volksgezondheid, en eens te meer duidelijk heeft gemaakt hoe belangrijk vrije en onafhankelijke informatie is voor het beschermen van de grondrechten van burgers; overwegende dat het ontbreken van een gecoördineerde communicatiestrategie op Europees niveau een golf aan desinformatie over de pandemie heeft bevorderd, vooral op de sociale en berichtenplatforms;

AA.  overwegende dat desinformatie en onjuiste informatie in verband met COVID-19 paniek en maatschappelijke ontevredenheid hebben veroorzaakt en moeten worden aangepakt; overwegende dat maatregelen voor de bestrijding van desinformatie en onjuiste informatie niet mogen worden gebruikt als excuus voor het invoeren van onevenredige beperkingen van de persvrijheid, het ondermijnen van de pluriformiteit van de media, en het in gevaar brengen van de veiligheid van journalisten; overwegende dat berichten erop wijzen dat zowel in lidstaten, als in naburige regio’s gecoördineerde campagnes zijn gevoerd gericht op het verspreiden van onjuiste gezondheidsinformatie en desinformatie over de EU en haar partners; overwegende dat de Commissie dit verschijnsel aan de orde heeft gesteld in haar recente gezamenlijke mededeling over het aanpakken van desinformatie in verband met COVID-19; overwegende dat sommige regeringen noodwetten hebben uitgevaardigd, en dat een aantal beperkingen weliswaar van tijdelijke aard is, maar dat het gevaar bestaat dat andere beperkingen tot ver na het einde van de gezondheidscrisis zullen worden verlengd; overwegende dat pluriformiteit van informatiebronnen, verantwoordingsplicht en institutionele transparantie een primaire verdedigingslinie tegen desinformatie vormen;

AB.  overwegende dat werkelijk onafhankelijke en voldoende gefinancierde publieke media die op diverse platforms actief zijn een conditio sine qua non vormen voor een goed werkende democratie in de EU;

Vrijheid van de media, pluriformiteit van de media en de bescherming van journalisten in Europa

1.  wijst opnieuw op zijn voortdurende ernstige bezorgdheid over de staat van de vrijheid van de media binnen de EU in het licht van de misstanden en aanvallen tegen journalisten en mediamensen die nog steeds plaatsvinden in sommige lidstaten vanwege hun werk, evenals over de afnemende eerbied voor en de verzwakking van het beroep, wat in het bijzonder negatieve gevolgen heeft voor lokale, onderzoeks- en grensoverschrijdende journalistiek; benadrukt dat de lidstaten, in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad van Europa over de pluriformiteit van de media en transparantie van media-eigendom van 7 maart 2018, een positieve verplichting hebben om een gunstig klimaat voor de vrijheid van meningsuiting (offline en online) te scheppen waarin iedereen zijn recht op de vrijheid van meningsuiting kan uitoefenen, en verzoekt de lidstaten de aanbeveling volledig te ondersteunen en te bekrachtigen;

2.  is hevig ontdaan door de moorden op Daphne Caruana Galizia in Malta en Ján Kuciak en zijn verloofde Martina Kušnírová in Slowakije vanwege hun onderzoekswerkzaamheden om corruptie en andere misdrijven aan het licht te brengen, en wijst opnieuw op het belang van een onafhankelijk onderzoek om de daders en opdrachtgevers van deze misdrijven ter verantwoording te roepen; roept de nationale wethandhavingsautoriteiten op hieromtrent volledig samen te werken met Europol en andere relevante internationale organisaties;

3.  betreurt het feit dat journalisten en mediamensen vaak onder precaire omstandigheden moeten werken, waardoor zij hun werk niet naar behoren kunnen uitvoeren, hetgeen weer de mediavrijheid belemmert; benadrukt dat goede werkomstandigheden voor journalisten en mediawerkers cruciaal zijn om kwalitatief hoogwaardige journalistiek te stimuleren; verzoekt de Commissie en de lidstaten duurzame maatregelen te bevorderen gericht op het financieren en ondersteunen van kwalitatief hoogwaardige en onafhankelijke journalistiek;

4.  wijst eens te meer op de essentiële rol die de onderzoeksjournalistiek vervult bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad door relevante informatie te verzamelen, verbanden te leggen, en aldus criminele netwerken en illegale praktijken aan het licht te brengen; wijst op het feit dat onderzoeksjournalisten door deze activiteiten verhoogde persoonlijke risico’s lopen;

5.  onderstreept de cruciale rol die onderzoeksjournalisten vervullen middels het ter verantwoording roepen van machthebbers en het uitvoeren van hun functie als waakhond van de democratie en de rechtsstaat;

6.  herhaalt met klem zijn oproep aan de Commissie om pogingen door de regeringen van de lidstaten om de vrijheid en de pluriformiteit van de media te beschadigen, te beschouwen als ernstig en systematisch machtsmisbruik en als schending van de fundamentele waarden die zijn vastgelegd in artikel 2 VEU; is derhalve verheugd over het voornemen van de Commissie om in haar jaarverslag over de rechtsstaat in de EU een specifiek hoofdstuk op te nemen over het monitoren van de vrijheid en de pluriformiteit van de media; stelt in dit verband een ‘bottom-up’-aanpak voor die de stemmen van individuen en diversiteit weerspiegelt, om ervoor te zorgen dat de uitdagingen waarvoor journalisten en de mediasector zich gesteld zien, effectief worden vastgelegd; stelt verder voor om in dit hoofdstuk landenspecifieke aanbevelingen en effectieve reacties op te nemen, alsook een beoordeling van de transparantie van eigendom en van de mate van regerings- en particuliere inmenging in de EU-lidstaten; moedigt de Commissie aan actief samen te werken met de Raad van Europa, goede praktijken uit te wisselen en erop toe te zien dat de getroffen maatregelen elkaar aanvullen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een geloofwaardig kader ter bescherming van de mediavrijheid en de pluriformiteit van de media te ontwikkelen en in stand te houden; verzoekt de Commissie werk te maken van de vaststelling van normen en benchmarks voor mediavrijheid op het niveau van de Unie, alsook van stimulansen voor meer convergentie tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten volledige ondersteuning te geven aan de reeds ontwikkelde instrumenten voor de bevordering en bescherming van de rechten en vrijheden als bedoeld in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het EVRM, zoals de Media Pluralism Monitor en het Pltform voor de bescherming van journalistiek en de veiligheid van journalisten van de Raad van Europa, en deze instrumenten verder te versterken, en snel te reageren op mogelijke bedreigingen voor en schendingen van deze rechten en vrijheden; verzoekt de Commissie rekening te houden met de gevolgen van de in 2020 genomen noodmaatregelen in verband met COVID-19 voor de persvrijheid, institutionele transparantie, verantwoordingsplicht, de pluriformiteit van de media en de veiligheid van journalisten, met inbegrip van een overzicht van alle aanvallen op journalisten in de hele EU en de manier waarop de lidstaten daarop hebben gereageerd; herinnert aan de herhaalde verzoeken van het Parlement om een permanent, onafhankelijk en omvattend mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in de EU; is van mening dat het EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten mediavrijheid, waaronder artistieke vrijheid, moet garanderen als een essentiële pijler van een democratisch systeem; verzoekt de Commissie in dit verband informatie en statistieken te verzamelen over mediavrijheid en pluriformiteit van de media in alle lidstaten;

7.  wijst erop dat publieke media een onvervangbare rol spelen en benadrukt dat het van essentieel belang is hun onafhankelijkheid van politieke inmenging te waarborgen en te behouden; onderstreept verder dat het, om toe-eigening van de media te voorkomen, belangrijk is dat particuliere marktpartijen financieel onafhankelijk zijn en dat de continuïteit van hun activiteiten gewaarborgd is; herhaalt in dit verband het verzoek van het Parlement om een ambitieus EU-media-actieplan; veroordeelt de pogingen van de regeringen van sommige lidstaten om kritische en onafhankelijke media het zwijgen op te leggen en de vrijheid en pluriformiteit van de media te ondermijnen; waarschuwt voor pogingen om de media indirect aan banden te leggen door middel van financieel paternalisme, en veroordeelt in het bijzonder pogingen om publieke media te controleren; betreurt het feit dat de publieke omroep in sommige lidstaten tot een spreekbuis van regeringsgezinde propaganda verworden is, waarbij de oppositie en minderheden vaak van de samenleving worden buitengesloten of in een kwaad daglicht worden gesteld, en in sommige gevallen zelfs oproept tot geweld; onderstreept dat de toegang tot informatie in sommige lidstaten, vooral in plattelandsgebieden, beperkt is tot publieke propaganda en dat de toegang tot internationaal nieuws wordt belemmerd door taalbarrières; herhaalt dat toegang tot informatie en kwalitatief hoogwaardige journalistiek van het allergrootste belang is voor de democratie; wijst op het gebrek aan verplichte inhoudanalyses voor mediakanalen in sommige lidstaten, die vergelijkbare publieke gegevens zouden opleveren over de mate waarin regeringsgezinde geluiden en stemmen van de oppositie evenwichtig de ruimte krijgen op de tv en radio, met name tijdens verkiezingscampagnes;

8.  wijst op de aanbevelingen in Resolutie nr. 2255 van PACE van 23 januari 2019, waarin de lidstaten gevraagd wordt de redactionele onafhankelijkheid van de publieke media te garanderen, alsook hen met voldoende en stabiele financiering te ondersteunen; benadrukt dat de nationale, regionale en plaatselijke media, en met name die met een publiek karakter, een belangrijke verantwoordelijkheid hebben om het publieke belang te dienen, en de culturele, taalkundige, sociale en politieke verscheidenheid van onze samenlevingen adequaat te weerspiegelen; benadrukt dat de rol van publieke media als betrouwbare aanbieders van openbare diensten van algemeen belang verbeterd kan worden door passende langetermijnfinanciering, vrij van politieke inmenging door de lidstaten; verzoekt de lidstaten dan ook financieringsmodellen te gebruiken waarbij de publieke media geld krijgen uit bronnen die onafhankelijk zijn van politieke besluitvormingsprocessen; benadrukt het cruciale belang van het waarborgen van onafhankelijke autoriteiten, alsook van robuust en onafhankelijk toezicht op de media, als bescherming tegen ongeoorloofde overheids- en commerciële bemoeienis of pogingen om het redactionele beleid te beïnvloeden; verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren voor een rechtskader voor toezicht op de activiteiten van de publieke media, met inbegrip van controles om na te gaan of zij voldoen aan de criteria voor zorgvuldige bedrijfsvoering en taakgerichte financiering, en of hun diensten voldoen aan de verwachtingen in verband met op feiten gebaseerde, billijke en ethische journalistiek;

9.  hekelt het gebrek aan een evenwichtig politiek debat onder mediakanalen in bepaalde lidstaten en het feit dat het aan banden leggen van informatie vanuit politieke motivatie werkelijk voorkomt in de praktijk, bijvoorbeeld door het weigeren van toegang tot gegevens van algemeen belang, het toepassen van vertragingsmanoeuvres, het zonder geldige reden beperkt houden van de reikwijdte van gevraagde informatie, het opleggen aan journalisten van een toegangsverbod tot openbare ruimten, met inbegrip van parlementen, het beperken van gelegenheden voor journalisten om politici en bewindslieden vragen te stellen, en het uit de weg gaan van interviews aan niet-regeringsgezinde mediakanalen, zelfs in het geval van kanalen met een aanzienlijk nationaal bereik; benadrukt dat overheidsinstanties transparantie moeten waarborgen met betrekking tot hun activiteiten, om zo te helpen het vertrouwen van het publiek te versterken, aangezien de vrije uitwisseling van informatie bijdraagt tot de bescherming van het leven en de gezondheid en tevens het maatschappelijke, economische en politieke debat alsook de besluitvorming vergemakkelijkt en bevordert; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat journalisten en mediakanalen zinvolle toegang hebben tot parlementaire debatten, parlementsleden en hoge overheidsfunctionarissen, gegevens van algemeen belang, en openbare evenementen en persconferenties, met name van regeringen, aangezien het ontbreken van dat soort toegang een ernstige inperking van het begrip mediavrijheid betekent;

10.  uit opnieuw zijn bezorgdheid over het feit dat er binnen de EU op nationaal niveau geen specifieke wettelijke bepalingen of beleidskaders zijn om journalisten en mediawerkers te beschermen tegen geweld, bedreigingen en intimidatie; verzoekt publieke figuren en overheidsvertegenwoordigers om zich niet denigrerend uit te laten over journalisten, aangezien dit het vertrouwen in de media ondermijnt in de hele samenleving; onderstreept de belangrijke rol van journalisten voor de berichtgeving over protesten en demonstraties en dringt erop aan hen te beschermen zodat ze hun rol zonder angst kunnen vervullen; vraagt de lidstaten om te voorzien in specifieke opleidingsprogramma’s voor rechtshandhavingsinstanties die verantwoordelijk zijn voor de bescherming van journalisten; verzoekt de lidstaten en de Commissie de daadwerkelijke bescherming en veiligheid van journalisten en anderen media-actoren en van hun bronnen de jure en de facto te waarborgen, ook in een internationale context; is er in dit verband vast van overtuigd dat de lidstaten een verbod moeten instellen op het inzetten van privédetectives als een vorm van intimidatie om informatie over de beroepsmatige activiteiten van journalisten of over hun bronnen te achterhalen;

11.  maakt zich ernstig zorgen over de alsmaar frequentere politieke aanvallen op de media en betreurt het gebrek aan bescherming van journalistieke bronnen; herinnert de lidstaten aan hun plicht om snel, onpartijdig en effectief een onderzoek in te stellen bij een aanval op journalisten, bijvoorbeeld in het geval van bedreigingen, moord, pesterijen, intimidatie en mishandeling, en dringt er bij de lidstaten op aan zich meer in te spannen om bedreigingen en aanvallen ten aanzien van journalisten en mediawerkers een halt toe te roepen, de schuldigen ter verantwoording te roepen en te garanderen dat slachtoffers en hun familie toegang hebben tot passende rechtsmiddelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat meldingsmechanismen toegankelijk zijn; dringt aan op de toepassing van de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake de vrijheid van meningsuiting online en offline, waarin wordt benadrukt dat de EU alle nodige stappen zal ondernemen om de bescherming van journalisten te waarborgen, zowel door preventieve maatregelen te treffen als door aan te dringen op effectief onderzoek in geval van overtredingen; wijst erop dat vrouwelijke journalisten extra kwetsbaar zijn voor pesterijen en intimidatie en dat voor hen dan ook bijkomende waarborgen moeten gelden; toont zich diep verontrust over het toenemende aantal aanvallen op vrouwelijke journalisten en mediawerkers; herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om een genderbewuste aanpak te volgen bij het overwegen van maatregelen met het oog op de veiligheid van journalisten;

12.  verzoekt de lidstaten om de aanbeveling van de Raad van Europa over de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten en andere media-actoren volledig uit te voeren, en om Richtlijn (EU) 2019/1937 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, die tot doel heeft gemeenschappelijke minimumnormen vast te stellen voor een hoog niveau van bescherming van klokkenluiders, zo snel mogelijk in nationale wetgeving om te zetten; wijst erop dat het werk van klokkenluiders van essentieel belang is voor onderzoeksjournalistiek en de persvrijheid;

13.  veroordeelt het gebruik van strategische rechtszaken tegen publieke inspraak (SLAPP) om onderzoeksjournalisten en mediakanalen het zwijgen op te leggen of te intimideren en een klimaat van angst te creëren rond hun berichtgeving over bepaalde onderwerpen; herhaalt nadrukkelijk zijn oproep aan de Commissie om met een uitgebreid voorstel voor een wetgevingshandeling te komen dat tot doel heeft om voor de hele EU minimumnormen vast te stellen tegen SLAPP-praktijken;

14.  wijst op de slotaanbevelingen van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM), zoals opgenomen in zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen, waarin wordt gesteld dat wetten inzake laster en smaad het melden van gevallen van corruptie kunnen ontmoedigen; herhaalt zijn oproep aan alle lidstaten om laster en smaad in hun respectieve rechtsstelsels niet langer strafbaar stellen, althans voor gevallen waarin het gaat om beschuldigingen inzake georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen van geld in de lidstaten en daarbuiten;

15.  verzoekt de Commissie om een EU-hotline op te zetten als mechanisme voor snelle reactie ten behoeve van journalisten die om bescherming vragen, en om erop toe te zien dat hun situatie voldoende aandacht krijgt;

16.  benadrukt dat een overmatige concentratie van eigendom in sectoren die inhoud produceren of verspreiden de toegang van burgers tot allerlei inhoud in gevaar kan brengen; onderstreept dat mediapluriformiteit, een begrip dat staat of valt met het bestaan van verscheidenheid van media-eigendom en inhoud en het bestaan van onafhankelijke journalistiek, essentieel is om de verspreiding van desinformatie aan te pakken en ervoor te zorgen dat EU-burgers goed geïnformeerd zijn; wijst erop dat volgens de monitor voor de pluriformiteit van de media 2020 de concentratie van media-eigendom nog steeds een van de grootste risico’s voor de pluriformiteit van de media vormt en wordt beschouwd als een belemmerende factor voor de verscheidenheid van informatie; verzoekt de lidstaten regelgevingskaders inzake media-eigendom vast te stellen en toe te passen om horizontale concentratie van eigendom in de mediasector te voorkomen, en vraagt om transparantie en openbaarmaking van informatie over eigendom, financieringsbronnen en beheer van media te waarborgen, evenals een gemakkelijke toegang van burgers tot die informatie; verzoekt de Commissie om toe te zien op de uitvoering op het niveau van de lidstaten van bestaande EU-instrumenten tegen de concentratie van eigendom en illegale staatssteun, met het oog op grotere diversiteit in het medialandschap; veroordeelt elke poging om media-eigendom te monopoliseren in de lidstaten of om politieke invloed uit te oefenen op het beheer van media; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan snel en vastberaden te handelen om de transparantie omtrent media-eigendom en de financieringsbronnen waarover media-eigenaren beschikken te vergroten; verzoekt de Commissie meer inspanningen te leveren om ervoor te zorgen dat de media proactief informatie over hun eigendomsstructuur publiceren, met inbegrip van de uiteindelijk begunstigden, en dat er duidelijke regels worden ingevoerd om potentiële belangenconflicten in media-eigendomsstructuren te voorkomen, met bijzondere aandacht voor het vermijden van politieke inmenging; veroordeelt buitensporige inmenging van overheden in de pluriformiteit van de media door middel van overheidsreclame; verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op het gebruik van EU-middelen die zijn toegewezen ter ondersteuning van vrije en onafhankelijke media, zodat de middelen terechtkomen waar ze nodig zijn; benadrukt in dit verband dat er geen EU-geld mag worden uitgegeven aan media die door de staat worden gecontroleerd of aan media die politieke propaganda verspreiden;

17.  betreurt dat regelgevende instanties op het gebied van de media in een aantal lidstaten onder invloed van de overheid zijn komen te staan en functioneren op een wijze waaruit vooringenomenheid blijkt tegen mediakanalen die kritisch staan tegenover de overheid;

18.  is bezorgd over pogingen waarbij de COVID-19-pandemie wordt aangegrepen om onafhankelijke en kritische media te straffen en beperkingen in te voeren waarmee de toegang van de media tot regeringsbeslissingen en -maatregelen en de controle hierop worden belemmerd, waarbij mechanismen voor institutionele transparantie worden opgeheven of verzwakt door middel van uitzonderlijke maatregelen, alsook belemmeringen worden opgeworpen voor een behoorlijk debat met kennis van zaken over die maatregelen; benadrukt dat journalistiek en de vrije uitwisseling van informatie een essentiële rol spelen bij de inspanningen van de EU om de COVID-19-pandemie in te dammen; wijst erop dat journalistiek op het moment van een volksgezondheidscrisis bovendien een cruciale functie vervult; verzoekt de Commissie dergelijke praktijken door nationale regeringen grondig te bewaken en haar bevindingen in de jaarverslagen over de rechtsstaat op te nemen;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om via het economisch herstelplan naar aanleiding van COVID-19 met spoed EU- en nationale noodherstelpakketten in te voeren om de banen en het levensonderhoud van journalisten en mediawerkers te beschermen, bedrijven te ondersteunen en de publieke media te financieren, met volledige inachtneming van de EU-mededingingsregels; wijst erop dat bepaalde mediakanalen en met name lokale mediaplatforms tijdens de COVID-19-crisis tot wel 80 %(28) van hun inkomsten hebben verloren door teruglopende reclame; benadrukt dat Europese burgers tijdens de pandemie professionele, economisch zekere en onafhankelijke journalisten nodig hebben; herhaalt in dit verband zijn oproep tot oprichting van een permanent Europees fonds voor journalisten in het kader van het volgende MFK (2021-2027), zoals bijgewerkt naar aanleiding van de COVID-19-crisis, waarmee rechtstreekse financiële ondersteuning wordt geboden aan onafhankelijke journalisten en mediakanalen, freelancers en zelfstandige mediawerkers; onderstreept dat de financiering moet worden beheerd door onafhankelijke organisaties om elke inmenging in de redactionele besluitvorming te voorkomen en dat alleen steun mag worden verleend aan publieke en commerciële media die werkelijk onafhankelijk zijn en vrij zijn van overheids- of enige andere inmenging; wijst erop dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan onafhankelijke startende mediabedrijven, met name lokale start-ups, in die lidstaten waar de mediavrijheid de afgelopen jaren is verslechterd, de concentratie van media-eigendom aanzienlijk groter is geworden en de publieke media onder politieke invloed dreigen te komen;

20.  herhaalt in dit verband zijn oproep om een ambitieus EU-actieplan voor de media op te stellen ter ondersteuning van de ontwikkeling van een dynamisch en pluriform medialandschap;

21.  roept op tot een ambitieus MFK waarin meer geld wordt uitgetrokken voor steun aan de media en onafhankelijke journalistiek, met name onderzoeksjournalistiek; benadrukt het belang van innovatie in de journalistiek en nieuwsmedia, hetgeen door middel van EU-financiering kan worden gestimuleerd; stelt bezorgd vast dat in het herziene begrotingsvoorstel van de Commissie bezuinigingen worden voorgesteld op het programma Creatief Europa en het programma Justitie, rechten en waarden;

22.  is zeer verheugd over de toewijzing van EU-middelen om de opstart van nieuwe projecten mogelijk te maken, zoals het Europabrede mechanisme voor snelle reactie op schendingen van de pers- en mediavrijheid, en het grensoverschrijdend fonds voor onderzoeksjournalistiek, met het oog op een versterking van de mediavrijheid en de pluriformiteit van de media;

23.  onderstreept dat voor de media een sterke rol is weggelegd bij de bevordering van gendergelijkheid en antidiscriminatie; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om actieve stappen te ondernemen om gendergelijkheid in de mediasector te bevorderen, zodat meer vrouwen een creatieve functie of besluitvormingspositie kunnen vervullen en de media kunnen bijdragen tot het terugdringen van genderstereotypen;

Haatzaaiende taal

24.  veroordeelt alle soorten haatmisdrijven, haatzaaiende taal en beschuldigingen die zonder enige fundering of te kwader trouw worden geuit(29), zowel offline als online, waarvan de beweegredenen voortvloeien uit discriminatie op gelijk welke grond, zoals geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, die plaatsvinden in de EU en elders in de wereld; is bezorgd over de haatmisdrijven en misdrijven die aanzetten tot discriminatie of geweld die hebben plaatsgevonden tijdens de COVID-19-pandemie en hebben geleid tot de stigmatisering van een aantal bijzonder kwetsbare personen;

25.  betreurt de toename van haatzaaiende uitlatingen in de politieke communicatie van regeringen en politieke partijen in de hele EU; verzoekt de lidstaten haatmisdrijven, haatzaaiende taal en het aanwijzen van een zondebok door politici en overheidsfunctionarissen op alle niveaus en via alle soorten media stellig te veroordelen en te bestraffen, aangezien deze verschijnselen haat en geweld in de samenleving rechtstreeks normaliseren en versterken, en verzoekt tevens geen discriminerende en opruiende retoriek te gebruiken in overheidscommunicatie, wegens de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving; benadrukt dat sancties altijd in overeenstemming moeten zijn met de internationale normen inzake vrijheid van meningsuiting; verzoekt de lidstaten voorts om de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van artistieke vrijheid, te waarborgen en te stimuleren, weliswaar binnen de grenzen van de wet, hetgeen essentieel is voor een levendig democratisch debat; wijst erop dat racistische en xenofobe taal niet onder de vrijheid van meningsuiting vallen;

26.  herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om verdere maatregelen uit te voeren en te versterken om haatzaaiende taal en haatmisdrijven te voorkomen, te veroordelen en tegen te gaan, teneinde de verspreiding van haatzaaiende taal en geweld offline en online te bestrijden, alsook om erop toe te zien dat de rechtshandhaving effectieve praktijken voor het vastleggen van haatmisdrijven toepast op basis van de beginselen van de EU-groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid;

27.  wijst erop dat haatzaaiende taal op het internet de afgelopen jaren hand over hand is toegenomen, waarbij individuen en kwaadwillige actoren de kracht van onlineplatforms misbruiken om een boodschap van haat te verspreiden; benadrukt dat dit het collectieve algemene belang schaadt, aangezien schadelijke inhoud een respectvol en eerlijk publiek debat ondermijnt en tevens de openbare veiligheid in het gedrang brengt, omdat haatzaaiende taal op het internet kan aanzetten tot geweld in de echte wereld;

28.  wijst erop dat het rechtskader voor het aanpakken van haatzaaiende taal en discriminatie moet worden versterkt; herhaalt zijn oproep om met het oog hierop de onderhandelingen over de horizontale antidiscriminatierichtlijn te deblokkeren;

29.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om maatregelen te nemen om de veiligheid van vrouwen in de openbare ruimte en op het internet te vergroten, nieuwe vormen van gendergerelateerd geweld zoals cyberstalking en online-intimidatie aan te pakken, en uitgebreide mechanismen in te voeren om slachtoffers van dit soort geweld bij te staan;

30.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de Raad om de overbruggingsclausule van artikel 83, lid 1, VWEU te activeren, teneinde geweld tegen vrouwen en meisjes en andere vormen van gendergerelateerd geweld (met inbegrip van cybergeweld) op te nemen in de lijst van door de EU erkende misdrijven;

31.  neemt kennis van de gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen op het internet die door de Commissie naar voren wordt geschoven, en van de vijfde beoordelingsronde daarvan, waaruit is gebleken dat IT-bedrijven gemiddeld 71 % van de gemelde illegale haatzaaiende uitlatingen verwijderen; wijst erop dat journalisten en maatschappelijke organisaties moeten worden betrokken bij evaluaties en herzieningen van de gedragscode en dat de IT-bedrijven die de gedragscode hanteren de verzoeken tot verwijdering alleen toetsen aan hun algemene voorwaarden en communityrichtsnoeren; wijst op de grote speelruimte die particuliere ondernemingen hebben gekregen om zelf te bepalen wat illegaal is; spoort alle ondernemingen die een socialemediaplatform aanbieden ertoe aan de gedragscode te hanteren;

32.  herinnert eraan dat de lidstaten met alle passende middelen moeten waarborgen dat er in de media, met inbegrip van onlinemedia en sociale media, alsook in reclame, niet wordt aangezet tot geweld of haat ten aanzien van een persoon of een groep personen, hetgeen rechtstreekse gevolgen kan hebben voor de maatschappelijke participatie van die personen; dringt er nogmaals bij de Commissie, de lidstaten en socialemediabedrijven op aan op te treden tegen het verspreiden van racisme, vreemdelingenhaat, LGBTI-fobie en godsdiensthaat op het internet, in samenwerking met de maatschappelijke organisaties op dit gebied; verzoekt de lidstaten en de Commissie om meer betrouwbare gegevens over de omvang van haatzaaiende taal en haatmisdrijven te verzamelen;

33.  stelt bezorgd vast dat slachtoffers weinig melding maken van haatmisdrijven vanwege het gebrek aan passende waarborgen en het verzuim van autoriteiten om deze zaken naar behoren te onderzoeken en een einde te maken aan de straffeloosheid in verband met haatmisdrijven in de lidstaten; verzoekt de lidstaten instrumenten en mechanismen voor het melden van haatmisdrijven en haatzaaiende taal te ontwikkelen en te verspreiden, en ervoor te zorgen dat alle gevallen van vermeende haatmisdrijven of haatzaaiende uitlatingen effectief worden onderzocht, vervolgd en berecht;

Desinformatie en de rol van platforms

34.  merkt op dat de nieuwe digitale technologie en de sociale media een bepalende factor zijn geweest in het probleem van de verspreiding van desinformatie en het probleem van buitenlandse inmenging, en ertoe hebben geleid dat onlineplatforms een invloedrijke rol spelen bij het publiceren, verspreiden en promoten van nieuws en andere media-inhoud; uit nogmaals zijn bezorgdheid over de potentiële dreiging die desinformatie vormt voor de vrijheid van informatie, de vrijheid van meningsuiting, het democratisch debat, de onafhankelijkheid van de media en de volksgezondheid; wijst erop dat maatregelen ter bestrijding van desinformatie gericht moeten zijn op het bevorderen van een pluriformiteit van meningen door hoogwaardige journalistiek te bevorderen die betrouwbare, op feiten gebaseerde en geverifieerde informatie verstrekt, alsook op het ontwikkelen van mediageletterdheid, en dat dergelijke maatregelen garanties voor de vrijheid van informatie en de vrijheid van meningsuiting moeten bieden;

35.  dringt aan op meer samenwerking tussen onlineplatforms en rechtshandhavingsinstanties om de verspreiding van berichten die aanzetten tot haat of geweld uitlokken effectief aan te pakken; benadrukt het belang van het onmiddellijk verwijderen van illegale inhoud om de ongecontroleerde verspreiding ervan in de kiem te smoren; merkt evenwel op dat onlineplatforms geen particuliere censoren kunnen en mogen worden en dat de verwijdering van illegale inhoud door onlineplatforms altijd moet worden onderworpen aan waarborgen, waaronder toetsing door de rechterlijke instanties van de lidstaten, met het oog op de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van artistieke vrijheid, het recht op vrije en onafhankelijke informatie en de grondrechten van de burgers in het algemeen; herinnert eraan dat onlineplatforms deel uitmaken van de online publieke ruimte waar publiek debat plaatsvindt; verzoekt de Commissie te zorgen voor waarborgen voor platforms, zodat de grondrechten en de vrijheid van meningsuiting worden geëerbiedigd;

36.  wijst erop dat politieke profilering, desinformatie en manipulatie van informatie vaak worden gebruikt door politieke partijen en particuliere of openbare entiteiten, en uit nogmaals zijn bezorgdheid over het feit dat er in de aanloop naar alle grote nationale verkiezingen en EU-verkiezingen continu bewijs van inmenging aan het licht komt, met aanwijzingen voor buitenlandse beïnvloeding, waarbij veel van deze inmenging een voordeel oplevert voor anti-EU- en populistische kandidaten die uit zijn op polarisatie en ideologische pluriformiteit teniet willen doen, en die zich richten op specifieke minderheden en kwetsbare groepen; wijst erop dat het tegengaan van inmenging door derden in de toekomst een fundamentele factor zal zijn bij het handhaven van de Europese waarden en democratie; onderstreept dat in de context van de COVID-19-crisis desinformatie en aangedikte berichten in de media over de pandemie ook zijn gebruikt door uiterst rechtse en populistische groeperingen en politici om minderheden in het vizier te nemen en het anti-immigratiediscours te voeden, hetgeen heeft geleid tot een toegenomen aantal gevallen van racistische en xenofobe haatzaaiende taal en van discriminatie;

37.  wijst erop dat verschillende vormen van onjuiste informatie en desinformatie, evenals andere vormen van informatiemanipulatie in verband met onder meer de COVID-19-pandemie zich over de gehele wereld blijven verspreiden, vaak gericht zijn op de meest kwetsbare gemeenschappen en mogelijk schadelijke gevolgen hebben voor de openbare veiligheid, de gezondheid en een doeltreffend crisisbeheer; meent dat dergelijke desinformatiecampagnes tot doel hebben het democratisch proces en het vertrouwen van de burgers in de democratische instellingen van de lidstaten te ondermijnen; is ingenomen met de gezamenlijke mededeling van 10 juni 2020 over het aanpakken van desinformatie in verband met COVID-19; herinnert eraan dat alle maatregelen ter bestrijding van desinformatie, met inbegrip van de maatregelen die in het kader van de COVID-19-crisis worden genomen, noodzakelijk, evenredig, transparant en tijdelijk moeten zijn, onderworpen moeten zijn aan regulier toezicht, geen verschuiving mogen veroorzaken in de richting van een overheidsmonopolie op of concentratie van informatiebronnen, in geen geval mogen verhinderen dat journalisten en media-actoren hun werk doen en er in geen geval toe mogen leiden dat inhoud op internet onrechtmatig wordt verwijderd of dat de toegang tot die inhoud wordt geblokkeerd; betreurt dat bepaalde onlineplatforms inhoud, met inbegrip van journalistieke stukken, in verband met de COVID-19-pandemie verwijderen of censureren op basis van niet-transparante criteria die de vrijheid van meningsuiting onnodig inperken; benadrukt dat de toepassing van dit soort maatregelen tot gevolg kan hebben dat de toegang tot belangrijke informatie in verband met volksgezondheid wordt verhinderd of beperkt; wijst erop dat pogingen om informatie over de pandemie strafbaar te stellen wantrouwen jegens institutionele informatie kan opwekken, de toegang tot betrouwbare informatie kan vertragen en een afschrikkend effect kan hebben op de vrijheid van meningsuiting;

38.  veroordeelt samenzweringstheorieën en door de overheid gefinancierde desinformatiecampagnes die erop gericht zijn de EU in diskrediet te brengen en het publiek te misleiden over de doelstellingen en werkzaamheden ervan; verzoekt de Commissie de leugens en desinformatie die staatsorganen over de EU verspreiden publiekelijk te veroordelen en te ontkrachten, en als respons een weergave van de feiten te publiceren en te verspreiden om de burgers te informeren;

39.  is verheugd over het initiatief van de Commissie om een actieplan voor Europese democratie te presenteren dat als doel heeft desinformatie te bestrijden en zich aan te passen aan veranderende dreigingen en manipulaties, alsook vrije en onafhankelijke media te ondersteunen; benadrukt in dit verband dat het beschermen van de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van vrije, onafhankelijke en financieel levensvatbare media, artistieke vrijheid, inhoud in verband met grondrechten en democratisch debat, en het tegelijkertijd bestrijden van haatzaaiende uitlatingen en desinformatie, een fundamentele rol spelen wat de verdediging van de rechtsstaat en de democratie in de EU betreft; merkt bezorgd op dat een onderzoek van Global Disinformation Index (GDI) heeft uitgewezen dat websites die desinformatie verspreiden in de EU op jaarbasis ruim 70 miljoen EUR aan reclame-inkomsten binnenhalen; beklemtoont de potentieel negatieve effecten van bedrijfsmodellen op basis van microgerichte reclame; bevestigt dat de algemene verordening gegevensbescherming(30) voorziet in het recht van personen om niet te worden onderworpen aan verregaande onlinetracering bij het gebruik van websites en applicaties; verzoekt de Commissie verder overleg te plegen met digitale platforms in dit verband en de inspanningen op te voeren om dergelijke praktijken te verbieden, strategische, geautomatiseerde versterking van desinformatie door het gebruik van bots en valse internetprofielen te bestrijden, en de transparantie van de financiering en verspreiding van onlinereclame te vergroten; verzoekt alle onlineplatforms bovendien ervoor te zorgen dat de algoritmen die aan de basis liggen van hun zoekfuncties niet in de eerste plaats gebaseerd zijn op reclame; verzoekt om de oprichting van een deskundigengroep digitale rechten en grondrechten waarin meerdere belanghebbenden vertegenwoordigd zijn, zoals onafhankelijke media en ngo’s die zich met digitale rechten en mensenrechten bezighouden, teneinde de Commissie en de EU-instellingen in het algemeen bij te staan;

40.  is ingenomen met de start van het project van het Europees Waarnemingscentrum voor digitale media (EDMO), dat bedoeld is om de beschikbare wetenschappelijke kennis met betrekking tot onlinedesinformatie te vergroten, de ontwikkeling van een EU-markt van diensten voor het verifiëren van informatie te bevorderen en de totstandbrenging van een grensoverschrijdende en multidisciplinaire gemeenschap van factcheckers en academische onderzoekers te ondersteunen die samenwerken met belanghebbenden om potentiële desinformatiedreigingen op te sporen, te analyseren en aan het licht te brengen, bijvoorbeeld met betrekking tot COVID-19;

41.  herinnert de Commissie en de lidstaten, alsook de particuliere sector, met name onlineplatforms, en het maatschappelijk middenveld als geheel aan de noodzaak om gezamenlijk op te treden wat de strijd tegen desinformatie betreft; benadrukt dat onlineplatforms een sleutelrol moeten vervullen bij het opsporen en tegengaan van desinformatie; erkent de veelbelovende en noodzakelijke maar nog steeds ontoereikende effecten van de vrijwillige maatregelen van sommige dienstverleners en platforms om desinformatie, illegale inhoud en buitenlandse inmenging in verkiezingsprocessen in de EU tegen te gaan; wijst er echter op dat onlineplatforms op dit moment nog steeds onvoldoende verantwoordelijkheid nemen om die onmiddellijke dreigingen aan te pakken;

42.  benadrukt dat de effectiviteit van maatregelen die onlineplatforms nemen om desinformatie te bestrijden alleen kan worden beoordeeld wanneer deze maatregelen in alle transparantie worden uitgevoerd en de desbetreffende gegevens worden gedeeld; dringt er daarom bij de Commissie op aan alle mogelijke maatregelen te onderzoeken om onlineplatforms te verplichten de verspreiding van desinformatie doeltreffend en op transparante en verantwoordelijke wijze aan te pakken, en de desbetreffende gegevens dienovereenkomstig te delen; dringt er bij de Commissie op aan sancties te overwegen tegen onlineplatforms die zich hier niet aan houden; rekent erop dat dit vervolgens wordt opgenomen in het actieplan voor Europese democratie en de wet inzake digitale diensten;

43.  benadrukt in dit verband dat het verwijderen van online-inhoud zonder gerechtelijk bevel waarin deze als illegaal wordt bestempeld, grote gevolgen heeft voor de vrijheid van meningsuiting en informatie; dringt aan op regelmatige effectbeoordelingen van de vrijwillige maatregelen die door aanbieders van diensten en platforms worden genomen om desinformatie tegen te gaan; hamert op de plicht van de lidstaten om de grondrechten te eerbiedigen, te beschermen en te waarborgen en verzoekt om alle beschikbare opties voor het beschermen en handhaven van het recht op informatie en participatie te beoordelen; verzoekt de Commissie in dit verband EU-regels inzake onlineplatforms voor te stellen die onder meer tot doel hebben praktijken van regeringen die de vrijheid van meningsuiting onnodig inperken tegen te gaan; benadrukt dat het gebruik van geautomatiseerde instrumenten voor inhoudsmoderatie de vrijheid van meningsuiting en informatie in gevaar kan brengen en dat het digitale beleid en de digitale strategie van de EU moeten voorzien in passende rechtsmiddelen en waarborgen, met volledige inachtneming van de relevante bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de EU en het EVRM;

44.  is van mening dat de EU-praktijkcode betreffende desinformatie aangescherpt kan worden door middel van een betere monitoring van de bestaande afspraken, de verstrekking van transparante en uitgesplitste informatie en gegevens door onlineplatforms en een uitbreiding van deze afspraken; meent dat een benadering van coregulering waarbij continu de laatste ontwikkelingen op digitaal gebied in aanmerking worden genomen uitkomst kan bieden;

45.  verzoekt socialemediabedrijven en onlineplatforms mogelijkheden te onderzoeken om tools beschikbaar te stellen waarmee gebruikers potentiële desinformatie kunnen melden en markeren, teneinde een snelle rechtzetting mogelijk te maken, en om deze tools te laten beoordelen door onafhankelijke, onpartijdige externe factcheckingorganisaties, en daarbij misbruik van deze tools te voorkomen; benadrukt dat onlineplatforms met de lidstaten en de EU-instellingen moeten samenwerken om de beoordeling van desinformatie en buitenlandse inmenging alsook de identificatie van daders te vergemakkelijken;

Mediageletterdheid

46.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om het onderwijsbeleid te versterken met maatregelen om mediageletterdheid en informatievaardigheden te bevorderen, burgers in staat te stellen kritisch na te denken en hen te helpen desinformatie te herkennen; wijst erop dat het hooghouden van redactionele onafhankelijkheid binnen centrale en lokale mediakanalen en het opzetten van projecten op het gebied van mediageletterdheid essentiële bestanddelen zijn voor het opbouwen van veerkracht, het vergroten van het bewustzijn en het versterken van onderwijs met betrekking tot een effectieve bestrijding van propaganda, desinformatie en manipulatie; is van mening dat een continu lesprogramma op het gebied van mediageletterdheid en inspanningen voor alle leeftijdsgroepen van groot belang zijn om de maatschappelijke veerkracht ten aanzien van deze gevaren in de digitale ruimte te vergroten; verzoekt de Commissie in dit verband om nauw samen te werken met de lidstaten en maatschappelijke organisaties om lesprogramma’s op het gebied van informatie-, media- en datageletterdheid te ontwikkelen; benadrukt dat mediageletterdheid in toenemende mate een essentiële en kritieke vaardigheid is voor burgers; wijst erop dat het voor het bereiken van een bredere doelgroep en zo veel mogelijk leeftijdsgroepen van belang is dat er meer initiatieven op het gebied van mediageletterdheid worden ontplooid via socialemediaplatforms, met inbegrip van effectieve mediageletterdheidstrategieën voor ouderen en de meest kwetsbare groepen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om ook programma’s en beleidsmaatregelen te bevorderen die gericht zijn op het stimuleren van media- en nieuwsgeletterdheid voor journalisten en media-actoren en op het ontwikkelen van een kritisch en bewust beoordelingsvermogen in verband met het gebruik van ICT, bijvoorbeeld via bewustmakingscampagnes over rechten en mogelijke risico’s in de digitale omgeving; benadrukt dat er een alomvattende EU-strategie inzake mediageletterdheid moet worden ontwikkeld en verzoekt de Commissie meer inspanningen te leveren om dit te verwezenlijken; onderstreept de essentiële rol van maatschappelijke organisaties bij het stimuleren van mediageletterdheid en het helpen voorkomen van de verspreiding van haatzaaiende taal; wijst erop dat programma’s waarvan de strategieën ter bestrijding van haatmisdrijven en haatzaaiende taal als doeltreffend worden beschouwd, gericht zijn op samenwerking, communicatie, conflictoplossing, probleemoplossing, bemiddeling en bewustwording van voordelen;

47.  dringt er bij de Commissie op aan meer inspanningen te leveren om de EU-financiering voor programma’s op het gebied van mediageletterdheid te verhogen en zich actief in te zetten voor de bevordering van betrouwbare, op feiten gebaseerde en geverifieerde informatie door betere mediadistributiekanalen tot stand te brengen, teneinde de toegang tot deze informatie te verbeteren; verzoekt de lidstaten de bepalingen van de herziene richtlijn audiovisuele mediadiensten volledig uit te voeren, hetgeen inhoudt dat zij vaardigheden op het gebied van mediageletterdheid moeten stimuleren en ontwikkelen;

48.  spoort de Commissie ertoe aan steun te verlenen ter aanvulling van onderwijsprogramma’s in alle lidstaten, niet alleen op het gebied van mediageletterdheid, maar ook wat bredere burgerschapsvorming betreft, met inbegrip van vorming over democratische waarden en mensenrechten met het oog op verdere bewustmaking met betrekking tot desinformatie en propaganda;

49.  wijst erop dat lokale en gemeenschapsgebonden mediaorganisaties essentiële structuren vormen voor de bevordering, productie en verspreiding van informatie en feiten in verband met artistieke en culturele evenementen op het niveau van de lokale bevolking of minderheden; beschouwt deze als een belangrijk instrument voor de instandhouding van de pluriformiteit van de media en een multiculturele omgeving in Europa; is van mening dat gemeenschapsgebonden mediakanalen ook als belanghebbende partij moeten worden betrokken bij EU-programma’s ter bevordering van journalistiek en mediageletterdheid, en verzoekt de lidstaten deze mediakanalen passende ondersteuning te bieden waardoor zij hun educatieve en culturele rol kunnen vervullen;

50.  dringt er bij de EU-instellingen op aan om een aangescherpte en proactieve communicatie in alle officiële talen te waarborgen in geval van ernstige publieke noodsituaties, zoals de pandemie, om ervoor te zorgen dat EU-burgers toegang hebben tot correcte, gebruiksvriendelijke en geverifieerde informatie;

o
o   o

51.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17.
(2) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.
(3) PB L 303 van 28.11.2018, blz. 69.
(4) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0014
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0101.
(8) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0103.
(9) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0080.
(10) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0031.
(11) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0021.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0328.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.
(14) PB C 390 van 18.11.2019, blz. 19.
(15) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 31.
(16) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 57.
(17) PB C 324 van 27.9.2019, blz. 392.
(18) PB C 41 van 6.2.2020, blz. 64.
(19) PB C 390 van 18.11.2019, blz. 111.
(20) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 11.
(21) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 29.
(22) PB C 331 van 18.9.2018, blz. 135.
(23) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 82.
(24) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 5.
(25) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(26) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 89.
(27) International Women’s Media Foundation, “Global Report on the Status of Women in the News Media”, 2011.
(28) Zie The Economist, “The newspaper industry is taking a battering”, 18 april 2020, en News Media Europe, “COVID-19 and the news media: journalism always comes at a cost”, 24 maart 2020.
(29) Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 23 april 1992, applicatienr. 11798/85, paragraaf 46.
(30) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 26 februari 2021Juridische mededeling - Privacybeleid