Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2076(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0197/2020

Ingediende teksten :

A9-0197/2020

Debatten :

PV 23/11/2020 - 20
CRE 23/11/2020 - 20

Stemmingen :

PV 25/11/2020 - 14

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0321

Aangenomen teksten
PDF 204kWORD 75k
Woensdag 25 november 2020 - Brussel
Een nieuwe industriestrategie voor Europa
P9_TA(2020)0321A9-0197/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2020 over een nieuwe industriestrategie voor Europa (2020/2076(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 9, 151 en 152, artikel 153, leden 1 en 2, en artikel 173, dat betrekking heeft op het industriebeleid van de EU en onder meer verwijst naar het concurrentievermogen van de industrie van de Unie,

–  gezien de artikelen 14, 27 en 30 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het VWEU en het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name artikel 5, lid 3, daarvan en Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien artikel 3, lid 3, VEU waarin naar de interne markt, duurzame ontwikkeling en de sociale markteconomie wordt verwezen,

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten,

–  gezien de bevindingen van de index van de digitale economie en samenleving 2020, die op 11 juni 2020 zijn gepubliceerd,

–  gezien de publicatie van de Commissie van 2 juni 2020 over een routekaart voor de farmaceutische strategie met het oog op tijdige toegang tot betaalbare medicijnen voor patiënten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 met als titel “Het moment van Europa: herstel en voorbereiding voor de volgende generatie” (COM(2020)0456),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 getiteld “Aangepast werkprogramma van de Commissie voor 2020” (COM(2020)0440),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2020, getiteld “Een Europese datastrategie” (COM(2020)0066),

–  gezien het Witboek van de Europese Commissie van 19 februari 2020 over artificiële intelligentie – een Europese benadering op basis van excellentie en vertrouwen (COM(2020)0065),

–  gezien het verslag van de Commissie van 19 februari 2020 over de gevolgen van kunstmatige intelligentie, het internet der dingen en robotica op het gebied van veiligheid en aansprakelijkheid (COM(2020)0064),

–  gezien zijn resolutie van 15 mei 2020 over het nieuwe meerjarig financieel kader, eigen middelen en het herstelplan(1),

–  gezien de Europese economische voorjaarsprognose 2020 van de Commissie,

–  gezien de conclusies van 23 april 2020 van de voorzitter van de Europese Raad na de videoconferentie met de leden van de Europese Raad,

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(2),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van 8 april 2020 over de wereldwijde EU-respons op COVID-19 (JOIN (2020) 0011),

–  gezien de conclusies van 17 maart 2020 van de voorzitter van de Europese Raad na de videoconferentie met de leden van de Europese Raad over COVID-19,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 maart 2020 getiteld “Gecoördineerde economische respons op de uitbraak van COVID-19” (COM(2020)0112),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020 getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie - Voor een schoner en concurrerender Europa” (COM(2020)0098), gezien de conclusies met als titel “Meer circulariteit - Transitie naar een duurzame samenleving”, die de Raad op 4 oktober 2019 tijdens zijn 3716e zitting heeft aangenomen (12791/19), en gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld “Maak de cirkel rond – Een EU-actieplan voor de circulaire economie” (COM(2015)0614),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” (COM(2020)0102),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Een kmo-strategie voor een duurzaam en digitaal Europa” (COM(2020)0103),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 4 maart 2020 voor een verordening tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1999 (Europese klimaatwet) (COM(2020)0080),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2020 getiteld “De digitale toekomst van Europa vormgeven” (COM(2020)0067),

–  gezien het werkprogramma van de Commissie voor 2020 getiteld “Een Unie die de lat hoger legt” (COM(2020)0037),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 januari 2020 getiteld “Sustainable Europe Investment Plan European Green Deal Investment Plan” (COM(2020)0021),

–  gezien het verslag van de Commissie van 28 november 2019 getiteld “Masterplan for a Competitive Transformation of EU Energy-intensive Industries - Enabling a Climate-neutral, Circular Economy by 2050” (verslag van de groep op hoog niveau inzake energie-intensieve industrieën),

–  gezien zijn resolutie van 18 december 2019 over eerlijke belastingheffing in een gedigitaliseerde en gemondialiseerde economie: BEPS 2.0(4),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019 (EUCO 29/19),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 juni 2019 over “een nieuwe strategische agenda voor de Unie voor 2019-2024” (EUCO 9/19),

–  gezien de conclusies met als titel “Een toekomstige strategie voor het industriebeleid van de EU”, die de Raad op 29 november 2018 tijdens zijn 3655e zitting heeft aangenomen (14832/2018),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2018 getiteld “Een nieuwe Europese agenda voor cultuur” (COM(2018)0267),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2017 getiteld “Investeren in een slimme, innovatieve en duurzame industrie – Een hernieuwde strategie voor het industriebeleid van de EU” (COM(2017)0479),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2017 over het ontwikkelen van een ambitieuze industriestrategie van de EU als strategische prioriteit voor groei, banen en innovatie in Europa(5),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 over de digitalisering van de Europese industrie(6),

–  gezien de vraag met verzoek om mondeling antwoord aan de Commissie over “Werken aan een ambitieuze industriestrategie voor de EU als een strategische prioriteit voor groei, werkgelegenheid en innovatie in Europa” (O-000047/2017),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 getiteld “Naar een akte voor een digitale interne markt”(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld “De digitalisering van het Europese bedrijfsleven – De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten” (COM(2016)0180),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, die het Europees Parlement op 4 oktober 2016 heeft bekrachtigd,

–  gezien zijn resolutie van 5 oktober 2016 over de behoefte aan een Europees herindustrialiseringsbeleid in het licht van de recente Caterpillar- en Alstom-zaken(8),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 15 december 2016 en 23 juni 2017,

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector(9),

–  gezien de conclusies van de Raad over de agenda voor het concurrentievermogen van de industrie, over de digitale transformatie van het Europese bedrijfsleven en over het pakket “Technologieën van de digitale eengemaakte markt en modernisering van overheidsdiensten”,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld “Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid” (COM(2015)0497),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 getiteld “Voor een heropleving van de Europese industrie” (COM(2014)0014),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 22 mei 2013 en van 22 maart 2019 (EUCO 1/19),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie internationale handel, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie juridische zaken,

–  gezien de brief van de Commissie visserij,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0197/2020),

A.  overwegende dat de Europese Unie een nieuwe industriestrategie nodig heeft die beantwoordt aan de doelstelling van klimaatneutraliteit tegen uiterlijk 2050, de voorwaarden schept voor een innovatieve, inclusieve, veerkrachtige en gedigitaliseerde samenleving, en een belangrijke bijdrage levert aan het mondiale concurrentievermogen van de Europese industrie; overwegende dat deze strategie een hoog niveau van werkgelegenheid en hoogwaardige banen moet handhaven, waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten; overwegende dat deze strategie moet zorgen voor de dubbele overgang naar een moderne en gedigitaliseerde Europese industriële basis, waarbij het volledige potentieel van hernieuwbare energiebronnen, die uitermate energie- en hulpbronnenefficiënt en klimaatneutraal zijn, wordt benut; overwegende dat de strategie ook het mondiale leiderschap van Europa moet versterken en de afhankelijkheid van de Unie van andere delen van de wereld in strategische waardeketens moet verminderen door middel van meer diversificatie en duurzaamheid, waarbij de verplaatsing van Europese bedrijfstakken moet worden voorkomen en een open markt moet worden gehandhaafd;

B.  overwegende dat de COVID-19-pandemie en de gevolgen daarvan een ongekende economische neergang in Europa hebben veroorzaakt die de ongelijkheid en maatschappelijke spanningen in de Europese Unie dreigt te verergeren, met name onder de meest kwetsbare burgers;

C.  overwegende dat het industrieel concurrentievermogen en het klimaatbeleid elkaar onderling versterken en dat de totstandbrenging van een innovatieve en klimaatneutrale herindustrialisering nieuwe banen zal scheppen en het concurrentievermogen van de Europese economie zal waarborgen; overwegende dat deze benadering in al het beleid betreffende de groene en digitale moet worden voortgezet;

D.  overwegende dat de Unie het onbenutte ondernemerspotentieel van bepaalde sociale groepen, zoals jongeren, migranten, ouderen en vrouwen, ten volle moet ontsluiten; overwegende dat de industriestrategie van de Unie een kans kan bieden om de ondernemingsgeest van ondervertegenwoordigde of achtergestelde groepen aan te spreken en hen in staat te stellen een volwaardige bijdrage aan de digitale en groene transitie te leveren;

E.  overwegende dat alle sectoren van de economie, en in het bijzonder kmo’s, zijn getroffen door de COVID-19-pandemie en de ongekende economische neergang die deze heeft veroorzaakt, en overwegende dat sommige sectoren zelfs volledig tot stilstand zijn gekomen; overwegende dat in deze context een snel en rechtvaardig herstel niet kan worden bereikt door weer terug te keren naar de gebruikelijke gang van zaken, en overwegende dat gelijk welke toekomstgerichte industriestrategie moet beginnen met de aanpak van het industriële herstel en wereldwijde competitiviteit op lange termijn, met name in groeisectoren en in die sectoren die het hardst door de lockdownmaatregelen zijn getroffen;

F.  overwegende dat de nieuwe schulden die worden aangegaan om de economische neergang te overleven, de ondernemingen waarschijnlijk opzadelen met een kwetsbaarder financiële structuur, hetgeen op korte, middellange en lange termijn leidt tot trage groei en een gebrek aan investeringscapaciteit voor de tweeledige transitie naar een gedigitaliseerde en klimaatneutrale, hulpbronnenefficiënte en circulaire economie;

G.  overwegende dat de Unie in deze omstandigheden een industriële strategie nodig heeft met twee verschillende fasen, waarvan de ene gericht is op herstel en de andere op wederopbouw en veerkracht; overwegende dat het economisch herstel moet stoelen op een sterke sociale en ecologisch duurzame aanpak en de industriële wederopbouw richting een succesvolle digitale en groene transformatie moet ondersteunen, met geschoolde arbeidskrachten die deze transformaties begeleiden en zorgen voor een eerlijke en rechtvaardige transitie;

H.  overwegende dat de industriële sectoren in Europa in hoge mate met elkaar verweven zijn en dat er sterke onderlinge relaties bestaan tussen de lidstaten en verschillende houdingen tegenover bedrijven van verschillende omvang; overwegende dat een gecoördineerd Europees beleid dat gunstig is voor de gehele productieketen, van grote ondernemingen tot kmo’s, bijgevolg betere resultaten zal opleveren bij het vergroten van de wereldwijde competitiviteit en de duurzaamheid van Europa;

I.  overwegende dat de Unie ambitieuze multilaterale en bilaterale handelsakkoorden moet blijven sluiten; overwegende dat de Europese industrie vóór de COVID-19-crisis weliswaar nog altijd de pijler van de EU-economie vormde en werk bood aan ongeveer 32 miljoen mensen, maar al op een tweesprong stond, en dat haar bijdrage aan het bbp van de EU de afgelopen 20 jaar is gedaald van 23 % tot 19 %; overwegende dat de Europese industrie momenteel wordt geconfronteerd met hevige internationale concurrentie en geregeld wordt getroffen door toenemend protectionistische handelsmaatregelen van derde landen die geen strenge sociale en milieunormen hanteren;

J.  overwegende dat de nieuwe Europese industriestrategie moet zorgen voor de dubbele overgang naar een competitieve en duurzame Europese industriële basis; overwegende dat deze transformatie Europa de gelegenheid biedt om de grondslagen van de industrie te moderniseren, werkgelegenheid en belangrijke industriële productie te behouden en terug te halen en de vaardigheden en capaciteiten te ontwikkelen die essentieel zijn voor de mondiale inspanningen om de in de klimaatwet vastgestelde doelstellingen en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te halen;

K.  overwegende dat de strategie het noodzakelijke regelgevingskader moet bieden om deze dubbele transitie mogelijk te maken, alsook de nodige infrastructuur en financiële middelen, en zich moet richten op het beginsel “energie-efficiëntie eerst”, energie- en hulpbronnenbesparingen, hernieuwbare, koolstofvrije en koolstofarme energietechnologieën, circulariteit en niet-giftigheid;

L.  overwegende dat de COVID-19-crisis uiteraard een grote uitdaging vormt maar dat de klimaatverandering en de aantasting van het milieu tot de grootste uitdagingen blijven behoren en een alomvattende gemeenschappelijke aanpak vergen; overwegende dat de industriële emissies van de EU bijdragen aan de totale uitstoot van broeikasgassen in Europa; overwegende dat het koolstofvrij maken van energie-intensieve industrieën een van de grootste uitdagingen blijft op de weg naar klimaatneutraliteit tegen 2050; overwegende dat alle sectoren moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie;

M.  overwegende dat de COVID-19-crisis heeft aangetoond wat voor cruciale rol digitale middelen, zoals connectiviteit en netwerken, en digitale vaardigheden vervullen als instrumenten om werknemers en bedrijven in staat te stellen hun werkzaamheden en bedrijfsvoering aan te passen aan de noodsituatie; overwegende dat de veerkracht van de digitale infrastructuur en de verbetering van de digitale vaardigheden van de beroepsbevolking prioriteiten zijn voor het vergroten van het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen, met name kmo’s;

N.  overwegende dat de nieuwe industriestrategie van de Unie gericht moet zijn op grotere connectiviteit, geavanceerde digitale lagen, het industriële internet der dingen (IIoT), kunstmatige intelligentie, digital-ledgertechnologie, HPC (hyper-performance computing) en kwantumcomputing; overwegende dat de digitale sector ook zal bijdragen aan de Europese Green Deal en de industriële overgang naar klimaatneutraliteit, zowel als bron van technologische oplossingen en optimalisering van industriële processen, als door een verbetering van de prestaties van de digitale sector zelf op het gebied van energie-efficiëntie en circulaire economie;

O.  overwegende dat de soevereiniteit en strategische autonomie van de Unie een autonome en concurrerende industriële basis en massale investeringen in onderzoek en innovatie vereisen om leiderschap op het gebied van sleuteltechnologieën en innovatieve oplossingen te ontwikkelen en voor wereldwijde competitiviteit te zorgen; overwegende dat de industriestrategie van de Unie een actieplan moet omvatten om de toeleveringsketens van de Europese industrieën te versterken, te verkorten, duurzamer te maken en te diversifiëren, teneinde hun overmatige afhankelijkheid van enkele markten te verminderen en hun veerkracht te vergroten; overwegende dat er ook een slimme terughaalstrategie moet komen om industrieën opnieuw in Europa te vestigen, de productie en investeringen te verhogen en de industriële productie te verplaatsen naar sectoren die van strategisch belang zijn voor de Unie;

1.  is van mening dat de overgang naar een sociaal, economisch en ecologisch veerkrachtige samenleving, strategisch leiderschap, strategische autonomie en een goed functionerende interne markt centraal moet staan in alle strategieën van de Unie; is daarom van mening dat er een goed functionerend en toekomstgericht wetgevings- en beleidskader moet komen dat gebaseerd is op inzicht in de dynamiek tussen het herstelplan, onze klimaat- en digitale ambities en een doeltreffende industriële strategie die de verschillende benaderingen, streefcijfers en doelstellingen stroomlijnt; verzoekt de Commissie een alomvattende herziene industriestrategie vast te stellen die een duidelijk beleidskader en rechtszekerheid biedt, en onder meer:

   a) de voorwaarden schept voor groei op lange termijn, de op innovatie gebaseerde welvaart en het mondiale concurrentievermogen van de Unie verbetert en klimaatneutraliteit bereikt;
   b) de nodige financiële middelen vrijmaakt, met inbegrip van herstelmaatregelen;
   c) de tweevoudige groene en digitale transitie ondersteunt en stuurt, met instandhouding en schepping van hoogwaardige banen;
   d) de beloften van de Europese Green Deal waarmaakt;
   e) strategische waardeketens veiligstelt, duurzamer maakt, diversifieert en digitaliseert, onder meer door op regels gebaseerde internationale handel te bevorderen en te ondersteunen;
   f) de ondernemingsgeest versterkt, een ondernemingsvriendelijk klimaat tot stand brengt, kmo’s ondersteunt en de oprichting en opschaling van bedrijven, inclusief start-ups, aanmoedigt;
   g) de strategische weerbaarheid en autonomie van de Unie, onder meer op het gebied van grondstoffen, verbetert en het technologisch leiderschap van de Unie versterkt;
   h) de voorwaarden schept voor gelijke ontwikkeling en gelijke ontwikkeling aanmoedigt in alle regio’s van de Unie, zodat niemand aan zijn lot wordt overgelaten;

2.  roept op tot een inclusieve industriestrategie waarbij alle industriële ecosystemen, kmo’s, regio’s, gemeenschappen en werknemers zijn betrokken, zowel bij de uitwerking als bij de uitvoering ervan; is van mening dat een sterke industriële strategie potentiële kloven kan helpen overbruggen en ervoor kan zorgen dat de kansen die de dubbele transitie biedt, worden benut; is ervan overtuigd dat de industriestrategie van de Unie op een sterke sociale pijler moet berusten en de maatschappelijke gevolgen van structurele veranderingen tijdig moet kunnen ondervangen;

3.  acht het van essentieel belang te investeren in actieve arbeidsmarkten en onderwijs- en opleidingsprogramma’s aan te bieden die beantwoorden aan de behoeften van de economie; verzoekt de Commissie een EU-beleid in te voeren dat het aantal banen dat verloren kan gaan in de traditionele industrieën koppelt met de vraag naar werknemers in de sectoren digitale en groene transformatie; moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan, aangezien het onwaarschijnlijk is dat deze nieuwe banen zullen worden gecreëerd in dezelfde regio’s die traditionele industrieën zouden verliezen of door dezelfde werknemers zouden worden overgenomen, om de economische en sociale revitalisering te bevorderen van gebieden die ontvolking en verarming riskeren, met bijzondere aandacht voor genderverschillen;

4.  beschouwt deze dubbele transitie als een kans voor door fossiele brandstoffen gedomineerde gebieden om te evolueren naar de frontlijn van innovatie en naar een productiesysteem dat verenigbaar is met de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit; dringt er daarom bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat deze transitie de voorwaarden bevordert voor het scheppen van banen die rechtvaardig en sociaal rechtvaardig zijn in de geest van het beginsel dat niemand in de steek wordt gelaten, voor de volledige tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten, een verbeterde maatschappelijke standaard en levensstandaard, en degelijke arbeidsomstandigheden; onderstreept in dit verband dat elke actie die de dubbele transitie versnelt, vergezeld moet gaan van overeenkomstige beleidsmaatregelen en concrete maatregelen om de negatieve gevolgen voor zowel regio’s als bijzonder kwetsbare mensen aan te pakken;

5.  benadrukt dat met het oog hierop de nadruk moet worden gelegd op regionale en sociale cohesie evenals anticipatie op en beheer van herstructureringen, afgestemd op de specifieke kenmerken en behoeften van de lokale arbeidsmarkt, teneinde de getroffen regio’s economisch nieuw leven in te blazen en tegelijk de werkloosheid aan te pakken en het gebruik van overheidsinvesteringen te bevorderen, ook in essentiële sectoren die bijzonder hard getroffen zijn door de pandemie, teneinde kwalitatief hoogwaardige banen in de hele Unie te ondersteunen; onderstreept het belang van werknemersparticipatie in het bestuur en het beheer van bedrijven;

6.  dringt erop aan toekomstige vaardigheden in kaart te brengen en meer te investeren in personeel, onderwijs, gerichte opleiding, bijscholing en een leven lang leren, teneinde mensen en regio’s toekomstperspectieven en inkomsten te bieden en de industrie te voorzien van geschoolde arbeidskrachten; merkt op dat een concurrerende industrie sterk afhankelijk is van het aanwerven en behouden van gekwalificeerde arbeidskrachten met cruciale vaardigheden op het gebied van duurzaamheid en digitale transformatie van bedrijven, en dat dit moet worden ondersteund met passende financiering uit het programma Digitaal Europa en het programma voor de interne markt;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten op te treden om de coördinatie van het onderwijsbeleid te versterken, met enorme overheidsinvesteringen in dit beleid in heel Europa; verzoekt de Commissie bovendien met klem een deskundigengroep van belanghebbenden op te zetten met de opdracht om met behulp van kunstmatige intelligentie en digitale hulpmiddelen, met name big data, een prognose te geven van de toekomstige behoeften en tekortkomingen op het gebied van industriële vaardigheden;

8.  is van mening dat de nieuwe langetermijnstrategie voor de industriële toekomst van Europa moet bijdragen tot het bestrijden van de genderloonkloof en de genderpensioenkloof die nog steeds hun weerslag hebben op de Europese arbeidsmarkt en de Europese samenleving; verzoekt de Commissie terdege rekening te houden met de genderdimensie bij de uitvoering van Europese industriestrategie – zowel in de herstel- als in de wederopbouw- en transformatiefase –, met inbegrip van het gebruik van hulpmiddelen voor genderbudgettering bij de definitie van financiële instrumenten ter ondersteuning van de industriële en economische groei van de Europese Unie;

9.  onderstreept de belangrijke rol die de Europese industrie kan spelen bij het actief bevorderen van ambitieuze milieu-, sociale en economische doelstellingen, met inbegrip op het vlak van mensenrechten; is van mening dat de Unie zichzelf daartoe moet uitrusten met een overkoepelend zorgvuldigheidskader voor industrieën met als doel milieu- en sociale risico’s, effecten, misbruik en schade in hun binnenlandse en wereldwijde activiteiten en in al hun toeleveringsketens te identificeren, traceren, voorkomen en minderen en er verantwoording over af te leggen, zodat er minimumnormen worden gewaarborgd en er een gelijk speelveld wordt gecreëerd;

10.  is van mening dat de Unie een industriële strategie nodig heeft die de industrie helpt om de huidige economische crisis te boven te komen, investeringen aantrekt, de toegang tot kapitaal vergemakkelijkt en effectieve concurrentie stimuleert; is dan ook van mening dat een aangepaste strategie gestoeld moet zijn op twee met elkaar verweven hoofdfasen: de ene gericht op het consolideren van banen, het reactiveren van de productie en het aanpassen van de productie aan het “nieuwe normaal” na de COVID-19-crisis, en de andere gericht op wederopbouw en transformatie;

11.  verzoekt de Commissie in dit verband de relevante bestaande en toekomstige wetgeving te versterken om prioriteit te geven aan de groene en digitale transitie en tegelijkertijd het concurrentievermogen op lange termijn en de maatschappelijke en economische veerkracht in beide fasen te versterken; verzoekt de Commissie voorts de interne vraag en de groei op lange termijn binnen de Unie te stimuleren door meer publieke en private investeringen aan te trekken voor onderzoek en innovatie, voor de ontwikkeling van nieuwe duurzame en digitale technologieën, inclusief in arbeidsintensieve industrieën, voor nieuwe infrastructuurnetwerken en -projecten die verenigbaar zijn met de doelstellingen van de Europese Green Deal, voor energie- en hulpbronnenefficiëntie en voor de circulaire economie;

12.  verzoekt de Commissie een uitgebreid verslag op te stellen waarin de toestand van de economie van de Unie en de haalbaarheid van de dubbele transitie worden beoordeeld, rekening houdend met de mogelijkheden voor de industrie, inclusief kmo’s, voor het benutten van de synergieën en het maximaliseren van de voordelen van deze transities en voor het minimaliseren van de risico’s die zij voor elkaar kunnen inhouden; verzoekt de Commissie om op basis van haar bevindingen de in maart 2020 gepubliceerde strategie aan te passen aan de huidige situatie en beide fasen aan te pakken, met behoud van de nadruk op een groene, digitale, eerlijke en rechtvaardige transitie die de soevereiniteit en de strategische autonomie van de Unie versterkt;

13.  onderstreept dat de industriële strategie van de Unie duidelijk omschreven doelstellingen moet nastreven en verzoekt de Commissie, in het belang van volledige transparantie, om duidelijke, expliciete en concrete definities vast te stellen van “strategisch”, “autonomie”, “strategische autonomie”, “weerbaarheid”, “strategische weerbaarheid” en andere gerelateerde concepten, om ervoor te zorgen dat de met betrekking tot deze concepten genomen maatregelen specifiek zijn en gericht zijn op de prioriteiten en doelstellingen van de EU;

14.  is van oordeel dat traditionele verzekeringsinstrumenten niet toereikend zijn om de verliezen door bedrijfsonderbrekingen ten gevolge van de pandemie te dekken, en dat er een ambitieuze EU-brede oplossing nodig is voor het zich voorbereiden op en het aanpakken van de negatieve gevolgen die een toekomstige pandemie of systemische crisis kan hebben voor mensen, bedrijven en de economie als geheel; verzoekt de Commissie om te werken aan de creatie van een kader waarbij zowel institutionele investeerders als de lidstaten en de EU betrokken zijn, dat kan helpen om de verliezen door bedrijfsonderbrekingen in geval van een nieuwe pandemie te dekken;

15.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een nieuw herstelinstrument van 750 miljard EUR, het zogeheten “Next Generation EU” (NGEU), op te zetten; betreurt de door de Europese Raad in juli 2020 voorgestelde besparingen op toekomstgerichte programma’s, zowel in het MFK 2021-2027 als in het NGEU, en pleit voor een verhoging van de uitgaven uit de EU-begroting voor inspanningen op het gebied van de klimaatverandering tot ten minste 30 % van de begroting; is van mening dat deze besparingen de fundamenten van een duurzaam en veerkrachtig herstel voor de industrie van de Unie zullen ondermijnen en negatieve overloopeffecten zullen hebben op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie inzake klimaatneutraliteit tegen 2050, alsook op sociale rechtvaardigheid en de internationale competitiviteit; dringt daarom aan op een ambitieuze en sterkere langetermijnbegroting van de EU voor 2021-2027 die niet onder het voorstel van de Commissie ligt; wijst in dit verband op het standpunt van het Parlement over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, met inbegrip van de invoering van nieuwe middelen die beter aansluiten bij en die aanzetten tot vooruitgang met betrekking tot belangrijke beleidsprioriteiten van de EU;

16.  is ingenomen met de door de Unie genomen maatregelen om de COVID-19-crisis het hoofd te bieden, de injectie van liquide middelen door de ECB, de verhoging van het kapitaal van de EIB voor kmo’s en het SURE-instrument om de lidstaten te helpen arbeidsduurverkortingsregelingen te financieren, werkgelegenheid te handhaven en werknemers te beschermen; is eveneens ingenomen met de buitengewone financiële middelen uit hoofde van het kader voor staatssteun die zijn verstrekt om normaal gezien solvabele bedrijven en werknemers te helpen de economische gevolgen van de pandemie tegen te gaan; verzoekt de Commissie niettemin ervoor te zorgen dat de in de noodfase verstrekte steun wordt gerechtvaardigd op grond van de gevolgen van de pandemie, niet leidt tot een gebrek aan daadwerkelijke mededinging op de interne markt, en voor alle strategische sectoren wordt aangewend; kijkt bovendien uit naar een spoedige herziening van de staatssteunregels van de Unie om de lidstaten de nodige flexibiliteit te bieden voor gerichte ondersteuning bij het stimuleren van de decarbonisatie en digitalisering van de industrie, en met name naar de herziening van de richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming en energie; benadrukt in dit verband dat elke herziening van de staatssteunregels gebaseerd moet zijn op een effectbeoordeling van het concurrentievermogen van de Europese industrie, rekening moet houden met mogelijke verstoringen op mondiaal niveau en volledig moet stroken met de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit en de milieudoelstellingen van de EU voor 2050, zoals overeengekomen in de klimaatwet van de EU;

17.  onderstreept dat staatssteun alleen mag worden toegekend aan bedrijven die met de onmiddellijke economische gevolgen van de COVID-19-crisis te kampen hebben, en dat de versoepeling van de regels inzake staatssteun beperkt moet zijn in de tijd; verzoekt de Commissie in dit verband een specifieke staatssteunregeling voor te stellen ter ondersteuning van de sectoren die het meest te lijden hebben onder de COVID-19-noodmaatregelen, zoals de automobiel-, toerisme-, luchtvaart-, staal- en metaalindustrie; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke minimumvereisten vast te stellen voor ondernemingen die financiële steun ontvangen, om te voorkomen dat uiteenlopende nationale criteria aanleiding geven tot verdere discrepanties; onderstreept dat de ontvangen overheidssteun de werkgelegenheid moet beschermen en moet worden gebruikt om de activiteiten van de betrokken ondernemingen af te stemmen op de EU-doelstellingen inzake klimaatneutraliteit en milieu;

18.  onderstreept in het kader van de noodhulp dat het belangrijk is steun te verlenen aan ondernemingen die de geldende collectieve arbeidsovereenkomsten naleven en niet in belastingparadijzen zijn geregistreerd;

19.  onderstreept voorts dat in het kader van industrie- of ander beleid toegewezen staatssteun het gemeenschappelijke evenwichtsbeginsel moet volgen, zodat een gelijk speelveld wordt gewaarborgd en alle vormen van fiscale dumping en mededingingsverstoringen binnen de EU worden vermeden;

20.  verzoekt de Commissie een duidelijke, coherente en toegankelijke benadering vast te stellen voor het definiëren van de markt in mededingingskwesties in verschillende sectoren; wijst voorts op de noodzaak te zorgen voor voldoende voortvarendheid, transparantie en evenredigheid in het administratieve en procedurele kader van EU-mededingingsprocedures, in het bijzonder voor wat betreft EU-concentratiecontrole;

21.  spoort de Commissie ertoe aan te zorgen voor een rapportagesysteem voor de manieren waarop buitenlands protectionisme de EU-industrie beïnvloedt, alsook voor een regelmatige evaluatie van het concurrentievermogen van de diverse industriële sectoren in de Unie vergeleken met hun voornaamste concurrenten op wereldvlak, en snel op te treden indien de EU-regels moeten worden aangepast;

22.  verzoekt de Commissie om in het licht van een ingrijpend veranderde mondiale economische context de antitrustregels van de Unie te herzien en te streven naar een evenwicht tussen de noodzaak om het hoofd te bieden aan de mondiale concurrentie en de bescherming van toeleveringsketens en consumenten tegen de mogelijke negatieve gevolgen van een sterker geconcentreerde interne markt;

23.  is overtuigd van het nut van de door de lidstaten opgezette economische regelingen om kmo’s, start-ups en andere bedrijven te helpen het hoofd te bieden aan de liquiditeitscrisis op korte termijn, maar is van mening dat deze regelingen in sommige gevallen kunnen leiden tot een verhoogde schuldenlast van deze bedrijven; verzoekt de Commissie in dit verband steun te verlenen aan EU- en nationale programma’s die kapitaalverhoging stimuleren, en het herstel te vergemakkelijken;

24.  verzoekt de Commissie om de geest van de Small Business Act nieuw leven in te blazen aan de hand van initiatieven die specifiek gericht zijn op de ondersteuning van micro-ondernemingen en kmo’s, aangezien op een standaardaanpak gebaseerde maatregelen vaak niet geschikt zijn voor micro-ondernemingen en kmo’s; is van mening dat kmo’s het meest gebaat zijn bij ad hoc-maatregelen die bureaucratische rompslomp vermijden en waarborgen dat deze bedrijven de noodzakelijke liquide middelen ontvangen, via doeltreffende en toegankelijke instrumenten en snelle, flexibele en kmo-vriendelijke procedures; benadrukt dat veel kmo’s niet over voldoende liquide middelen beschikken om te investeren in een duurzame digitale transformatie;

25.  onderstreept dat de financieringsprogramma’s van de EU van invloed zijn op de groei op lange termijn van de begunstigde ondernemingen, maar benadrukt ook dat ondernemingen en met name kmo’s aanzienlijke moeilijkheden ondervinden om toegang te krijgen tot EU-financiering; verzoekt de Commissie bijgevolg om eveneens de reeds beproefde weg te volgen van medefinanciering van nationale voorlopige belastingkredietregelingen die gericht zijn op het bevorderen van investeringen in digitale en milieutechnologieën;

26.  wijst nogmaals op het belang van ad-hocsteunmaatregelen voor kmo’s, die de vorm moeten krijgen van deugdelijke financiële steun in het volgende MFK; moedigt de Commissie ertoe aan de invoering te overwegen van een voucherprogramma voor kmo’s om de inspanningen van kmo’s te ondersteunen, onder meer om verouderde apparatuur te moderniseren, kennisoverdracht te verbeteren, de doeltreffendste toepassingen van technologieën zoals industriële KI te identificeren, en werknemers dringend noodzakelijke vaardigheden aan te leren, zodat apparaten vanop afstand kunnen worden bediend, productieprocessen kunnen worden gemonitord en werknemers onderling kunnen samenwerken, en zodat ecologisch duurzame bedrijfsmodellen, circulaire economische benaderingen en energie- en hulpbronnenefficiëntie mogelijk worden gemaakt, dit zijnde gebieden waarop digitale knowhow vaak doorslaggevend is en kmo’s in staat stelt concurrerend te blijven;

27.  betreurt dat er nog steeds een aanzienlijke kloof bestaat tussen grote ondernemingen en kmo’s met betrekking tot de integratie van digitale technologieën in hun bedrijfsactiviteiten, alsook een kloof tussen koplopers en achterblijvers op het vlak van innovatie; benadrukt dat kmo’s meer kansen moeten krijgen wat betreft hun capaciteit om innovatieve technologieën te omarmen, en dat de digitale kloof op het gebied van infrastructuur in kleinere steden en landelijke en afgelegen gebieden moet worden verkleind; verzoekt de Commissie in dit verband verdere steun te verlenen aan de Europese digitale-innovatiehubs, die dankzij hun kennis van lokale ecosystemen een doeltreffend instrument kunnen vormen om de digitale kloof te verkleinen;

28.  is van mening dat sociale ondernemingen volledig moeten worden betrokken bij de uitvoering van de industriestrategie, aangezien zij publieke waarde creëren en bovendien bijdragen tot de ontwikkeling van de lokale gemeenschappen waarin ze zijn ingebed; verzoekt de Commissie in dit verband om bij het ontwerpen van de financiële instrumenten en werkprogramma’s rekening te houden met de specifieke kenmerken van deze categorie ondernemingen om hun toegang tot financiering te ondersteunen;

29.  onderstreept dat er specifieke kenmerken zijn die de economisch duurzame transitie naar een klimaatneutrale en geheel digitale economie bijzonder geschikt maken voor herstelmaatregelen die tot doel hebben de consumentenvraag en werkgelegenheid snel te doen stijgen; benadrukt dat er bewijs bestaat voor het feit dat groene en digitale projecten meer banen creëren, hogere opbrengsten op korte termijn per uitgegeven euro opleveren en tot grotere kostenbesparingen op de lange termijn leiden in vergelijking met traditionele fiscale prikkels, aangezien zij snel kunnen worden opgeschaald omdat de technologie onmiddellijk beschikbaar is (bv. hernieuwbare energie), zij vaak kmo’s behelzen en lokale economieën bevorderen door middel van sterke werkgelegenheidseffecten, en dus het beschikbaar inkomen van consumenten snel doen toenemen (bv. energie-efficiëntie), en zij minder aan externe schokken worden blootgesteld en bijgevolg bijdragen aan een veerkrachtiger sociaal en economisch herstel;

30.  merkt op, met het oog op de identificatie van investeringen met grote positieve ecologische en sociale effecten, dat de EU-taxonomie, voor zover die beschikbaar is, een kader biedt om vast te stellen in welke mate een belegging ecologisch duurzaam is en om ervoor te zorgen dat milieudoelstellingen en sociale doelstellingen niet significant worden geschaad;

31.  is van mening dat de Unie behoefte heeft aan een innovatieve industriestrategie die de digitalisering van onze industrieën en kmo’s versnelt – ook van degene die meer traditioneel van aard zijn –, de industriële capaciteit van de Unie op het gebied van kritieke digitale infrastructuur en mogelijkheden verbetert, en de eengemaakte digitale en datamarkt versterkt; is van mening dat de Unie bedrijven moet ondersteunen bij de automatisering en digitalisering van hun knowhow en opleiding en bij investeringen in digitale apparatuur (hardware en software), waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan het stimuleren van de deelname van vrouwen aan het digitaliseringsproces en aan de modernisering en verbetering van opleidings- en scholingssystemen; onderstreept het belang van het programma Digitaal Europa en van de versnelde toepassing van ondersteunende en opkomende technologieën in de industrie; is voorstander van de creatie van digitale innovatiehubs in heel Europa;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om onder meer te investeren in de data-economie, mensgerichte kunstmatige intelligentie, slimme productie, het internet der dingen (IoT), mobiliteit, supercomputers, softwaretechnologie en -technologie, de cloud, kwantumtechnologie, veerkrachtige, betaalbare en veilige supersnelle 5G- en 6G-netwerken van 5G en 6G, “distributed ledger”-technologieën (DLT’s), robotica, batterijen en internet via satellieten; vraagt de lidstaten en de Commissie in dit verband bijgevolg om een snelle uitvoering van de relevante kernmaatregelen die in de toolbox inzake 5G-cyberbeveiliging worden aanbevolen, en met name om, voor essentiële activa die in de gecoördineerde EU-risicobeoordelingen zijn aangemerkt als kritiek en gevoelig, waar passend de relevante beperkingen toe te passen op aanbieders met een hoog risico;

33.  onderstreept de belangrijke rol van de digitale sector bij de transformatie van de industriële sector, aangezien deze schone technologische oplossingen biedt, bijdraagt aan de stroomlijning van industriële processen en de milieueffecten van deze processen beperkt; verzoekt de Commissie, gezien het hoge verbruik van energie en hulpbronnen in verband met ICT, om de potentiële milieueffecten van de grootschalige ontwikkeling van digitale oplossingen te beoordelen en tegelijkertijd het Europese leiderschap op het gebied van zeer energie-efficiënte en circulaire digitale technologieën en datacentra veilig te stellen; verzoekt de Commissie om voorstellen te doen voor concrete manieren waarop digitale oplossingen kunnen bijdragen aan de ecologische transitie en om een methodologie vast te stellen voor het monitoren en kwantificeren van de milieueffecten van digitale technologieën;

34.  onderstreept dat gegevens een sleutelrol spelen bij de transformatie van de Europese industrie, en benadrukt het belang van slimme productiegroei en digitalisering; verzoekt de Commissie één Europese digitale en gegevensomgeving in te voeren, interoperabiliteit te waarborgen en te bevorderen, en te zorgen voor de toegankelijkheid en doorstroming van veilige gegevens en software binnen de Unie, tussen sectoren, in ondernemingen van elke omvang en tussen overheidsinstellingen; verzoekt de Commissie bovendien te zorgen voor Europees leiderschap bij het vaststellen van toekomstgerichte normen en het ontwikkelen van toekomstgerichte instrumenten en infrastructuren om gegevens op te slaan en te verwerken en om Europese gegevens in belangrijke sectoren te bundelen, met gemeenschappelijke en interoperabele dataruimten voor de hele Unie; verzoekt de Commissie in dit verband om bijzondere aandacht te besteden aan projecten die gericht zijn op gegevensbeheer en -etikettering, standaardisering van gegevensformaten en gegevensbeveiliging, om gegevens, met name gegevens van overheidsinstanties, op Europese bodem te ontwikkelen en te verwerken, om een beter digitaal belastingstelsel op te zetten waarin winsten worden belast en waarin bedrijven aanzienlijke interactie hebben met gebruikers, en om de Europese normen en certificering inzake cyberbeveiliging verder te ontwikkelen, zodat het concurrentievermogen toeneemt en baanbrekende technologieën worden aangemoedigd, met name voor kritieke infrastructuur, onder meer middels een herziening van de richtlijn netwerk- en informatiebeveiliging en middels de oprichting van een centraal kenniscentrum voor cyberbeveiliging; verzoekt de Commissie bovendien te zorgen voor een eerlijk platform voor handelsbetrekkingen dat ondernemingen in de EU, en met name kmo’s, in staat stelt om op platformen gegenereerde gegevens effectief te gebruiken;

35.  erkent het belang van een Europese benadering voor de data-economie, te weten een economie die transparant, betrouwbaar, interoperabel en mensgericht is; verzoekt de Commissie en de lidstaten de versnippering van de verschillende nationale strategieën geleidelijk te verminderen en onevenwichtigheden inzake marktmacht aan te pakken, ter ondersteuning van een EU-brede stroom van gegevens, interoperabiliteit, en het beheer, de bescherming en het (her)gebruik van gegevens;

36.  beklemtoont dat er behoefte is aan een Europees rechtskader inzake kunstmatige intelligentie, robotica en aanverwante technologieën, dat de toepassing regelt van ethische beginselen en grondrechten op de ontwikkeling, de implementatie en het gebruik daarvan, evenals de veiligheids- en aansprakelijkheidsaspecten; wijst erop dat het innovatie- en concurrentievermogen van de Europese industrie een horizontaal kader vergt waarin de waarden en beginselen van de Unie tot uitdrukking komen, en dat duidelijke richtsnoeren en rechtszekerheid biedt aan zowel burgers als bedrijven, met inbegrip van bedrijven die buiten de EU gevestigd zijn;

37.  is van mening dat alle wetgevingsmaatregelen in het kader van een herziening van het huidige rechtskader inzake intellectuele eigendom zorgvuldig moeten worden overwogen, aangezien deze aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de nog kwetsbare en onvolgroeide Europese data-economie; is van mening dat er geen eigendomsrechten mogen rusten op de intellectuele eigendom van niet-persoonlijke gegevens die gebruikt en geproduceerd worden met technologieën als kunstmatige intelligentie;

38.  verzoekt de Commissie concrete maatregelen op te nemen in het herstelplan om industrieën naar Europa aan te trekken, de repatriëring en diversificatie van Europese industrieën in termen van strategisch belang te vergroten, te versterken en te bevorderen, en, vanuit het oogpunt van klimaatneutraliteit, om de toeleveringsketens te verkorten en te diversifiëren; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat de Unie voldoende strategische goederen produceert, zoals medische apparatuur, apparatuur voor gezondheidszorg en hernieuwbare energie, om in tijden van crisis zelfvoorzienend te zijn, en pleit voor het inzetten van stimulansen om dit te bereiken, zoals de verplichting voor sectoren die tijdelijke steun ontvangen om een hogere mate van lokale (EU/EER) productie te kopen;

39.  erkent het risico dat de COVID-19-crisis zal leiden tot een toename van economisch nationalisme en protectionisme, hetgeen een groot probleem vormt voor op regels gebaseerde vrije handel en voor mondiale waardeketens, als gevolg van de hernationalisering van de productie en het uiteenvallen van die ketens; vraagt de betrokken partijen hiertoe hun bevoorradingsketens te diversifiëren, te verkorten en duurzamer te maken, zodat ze minder kwetsbaar worden;

40.  verzoekt de Commissie in dit verband op te komen voor een open en op regels gebaseerd multilateraal handelsstelsel dat in overeenstemming is met de wereldwijde inspanningen om de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen en met de strenge milieu- en sociale normen van de EU, dat de toegang tot internationale markten voor EU-bedrijven verbetert en dat sterke internationale actoren belet misbruik te maken van hun marktmacht; is van mening dat de Unie in dit verband waar nodig gebruik moet maken van het mededingingsbeleid ten aanzien van ondernemingen uit derde landen, de maatregelen van handelsbeschermingsinstrumenten assertiever moet toepassen om oneerlijke dumping- en subsidiepraktijken systematisch aan te pakken, en de bestaande regeling van handelsbeschermingsinstrumenten moet versterken;

41.  verzoekt de Commissie onmiddellijk een tijdelijk verbod voor te stellen op buitenlandse overnames van Europese ondernemingen in strategische sectoren door staatsbedrijven of ondernemingen die banden hebben met regeringen van derde landen; verzoekt de Commissie voorts zich te buigen over wederkerigheid inzake markttoegang, het screeningkader van de Unie voor directe buitenlandse investeringen (DBI) te versterken en systematisch te controleren met als doel de toegang tot strategische industrieën, infrastructuur, sleuteltechnologieën en andere beveiligings- en cyberbeveiligingsactiva te beschermen, en vijandige overnames te blokkeren met als doel het concurrentievermogen veilig te stellen en marktverstoringen op de interne markt te verminderen; verheugt zich in dit verband over het Witboek van de Commissie over het tot stand brengen van een gelijk speelveld wat betreft buitenlandse subsidies; pleit voor een aanzienlijke versterking en de snelle goedkeuring van Verordening (EU) nr. 654/2014 (de handhavingsverordening); benadrukt dat dit een belangrijk instrument is om de belangen van de Unie te beschermen in gevallen waarin derde landen illegale maatregelen vaststellen die schadelijk zijn voor EU-bedrijven;

42.  verzoekt de Raad te blijven vorderen in de onderhandelingen over het instrument voor internationale overheidsopdrachten (IPI), die in wederkerigheid en gemeenschappelijke normen voorzien; verzoekt de Commissie passende rechtsinstrumenten voor te stellen om de verstoringen op de interne markt aan te pakken, onder meer in het kader van openbare aanbestedingsprocedures; verzoekt de Commissie in dit verband te overwegen voorrang te geven aan ondernemingen die hun hoofdkantoor, productie en personeel in de Unie hebben en behouden; verzoekt de Commissie om, bij gebrek aan een sterk IPI en aan doeltreffende mondiale regels inzake toegang tot overheidsopdrachten, de invoering te onderzoeken van maatregelen ter ondersteuning van Europese fabrikanten, met name kmo’s, die geconfronteerd worden met toenemende concurrentie van opkomende landen die niet voldoen aan de gemeenschappelijke internationale handelsregels en sociale en milieunormen;

43.  is van mening dat een uitgebreide aanpak van de industriestrategie, waarbij alle EU-beleidslijnen worden betrokken, een belangrijke rol kan spelen in economische en “industriële” diplomatie; moedigt de Commissie ertoe aan actief gebruik te maken van het netwerk van kamers van koophandel van de EU in derde landen om nieuwe zakelijke partnerschappen te creëren;

44.  is ingenomen met de ambitie om leidende markten te creëren voor ecologisch duurzame en digitale technologieën en innovatieve oplossingen; is van mening dat de financiering van onderzoek en innovatie essentieel is voor innovatieve industriële projecten en digitale capaciteiten, en vindt dat dit hand in hand moet gaan met de huidige analyse door de Commissie van de richtsnoeren voor “belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang” (IPCEI); is van mening dat veerkracht en strategische autonomie moeten worden beschouwd als definiërende criteria en dat IPCEI moeten voldoen aan de digitale doelstellingen en de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit van de Unie; vraagt de Commissie de transparantie bij de tenuitvoerlegging van IPCEI’s te vergroten en de deelname van kmo’s te waarborgen; vraagt de Commissie bovendien de ontwikkeling te versnellen van Europese leiders en/of ecosystemen in strategische industriële sectoren die in staat zijn wereldwijd te concurreren en zullen bijdragen tot de totstandbrenging van een klimaatneutrale economie en digitaal leiderschap, zonder dat dit tot concurrentieverstoringen in de Unie leidt of het vertrouwen in de openheid van de markt en de toegang tot de markt ondermijnt;

45.  verzoekt de Commissie de werkzaamheden op het gebied van waardeketens voort te zetten door te zorgen voor een adequate follow-up van de voorgestelde acties voor de zes door het strategische forum over IPCEI’s geïdentificeerde strategische waardeketens, en transparante en in alle lidstaten identieke toepassingsvoorwaarden te creëren voor gezamenlijke IPCEI-projecten, om ervoor te zorgen dat deze ten goede komen aan de Unie als geheel; verzoekt de Commissie om gezien de huidige crisis te investeren in projecten met een duidelijke Europese toegevoegde waarde, administratieve processen te vereenvoudigen, de criteria voor kostensubsidiabiliteit uit te breiden en meer middelen vrij te maken;

46.  beschouwt het NGEU-initiatief als de pijler van de eerste fase van het industriële herstel van de EU na COVID-19; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het fonds snel in gebruik wordt genomen en eist volledige betrokkenheid van het Parlement bij het besluitvormingsproces en het uitvoeringsproces, om de democratische verantwoordingsplicht te waarborgen en voor zoveel mogelijk transparantie en parlementaire controle te zorgen; eist dat het NGEU, met het oog op een doeltreffende voorafgaande verdeling van de 750 miljard EUR:

   a) voorziet in streefdoelen voor sociale, duurzame en digitale investeringen, teneinde nadelige effecten tot een minimum te beperken en de voordelen op het gebied van klimaat, milieu en samenleving te maximaliseren;
   b) zich specifiek richt op kmo’s, die het hardst worden getroffen door de COVID-19-crisis, en de toegang van kmo’s tot financiering ondersteunt;
   c) waar mogelijk rechtstreeks wordt beheerd door de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, en via Europese programma’s, met als doel op gecoördineerder wijze vooruitgang te boeken, meer invloed uit te oefenen op de wereldmarkt, transparantie en parlementaire controle te maximaliseren en interne en externe verstoring van de eengemaakte markt te verhinderen;
   d) rekening houdt met de specifieke kenmerken van de lidstaten, die op verschillende manieren door de crisis zijn getroffen;
   e) de financiële steun over de verschillende industriële ecosystemen verdeelt, inclusief micro-ondernemingen en kmo’s, al naargelang de geleden schade, de sociale impact, de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd en het bedrag van de nationale financiële steun die reeds is ontvangen in het kader van nationale steunregelingen, hierbij rekening houdend met de structurele onderlinge afhankelijkheid tussen de verschillende waardeketens; rekening houdt met de ervaring die is opgedaan met de maatregelen inzake overheidssteun die zijn genomen als reactie op de financiële en economische crisis van 2008/2009 en met de impact van deze overheidssteun op de veerkracht en het economische en sociale herstel op de lange termijn; rekening houdt met het feit dat financiering afhankelijk moet zijn van bepaalde criteria, met als doel te verhinderen dat de middelen worden gebruikt om vroegere schulden terug te betalen of verouderde technologie te ondersteunen, en met als doel te waarborgen dat de steun naar bedrijven gaat die bijdragen aan groei op de lange termijn en een sterk potentieel hebben om de economie nieuw leven in te blazen; de middelen voor herstel ook naar klimaat- en innovatievriendelijke sectoren met een sterke multiplicatorwerking laat gaan, die zullen bijdragen aan de toekomstige economische veerkracht van de EU;
   f) nationale fiscale regelingen ondersteunt die kapitaalinvesteringen van de particuliere sector stimuleren en bedrijven in staat stellen een deel van de door het fonds verstrekte leningen om te zetten in eigen vermogen;
   g) specifieke financiering toewijst aan ondernemingen, met name kmo’s, micro-ondernemingen en start-ups waarvan de activiteiten en bedrijfsplannen verband houden met belangrijke innovaties, technologieën en diensten, die bijvoorbeeld de digitale en groene transformatie bevorderen, of waarvan de activiteiten noodzakelijk zijn voor de strategische autonomie van de Unie in kritieke sectoren, met name wat betreft verbeterde circulariteit, hulpbronnen- en energie-efficiëntie en -besparingen en een omschakeling op hernieuwbare energie; ertoe bijdraagt dat onze toeleveringsketens veerkrachtiger en onafhankelijker worden, middels reshoring, diversifiëring en versterking van deze ketens, zonder discriminatie ten aanzien van bedrijven die zich in een noodsituatie bevinden en begeleiding nodig hebben bij hun transitie;
   h) financiering verstrekt aan grote ondernemingen die geloofwaardige plannen hebben om over te stappen op een klimaatneutraal bedrijfsmodel;
   i) het EIB-garantieprogramma versterkt en dit tot een aanvulling maakt van de nationale programma’s, zodat het een waardevolle bijdrage kan vormen op deze programma’s en het effect ervan in de praktijk kan versterken;
   j) voorrang geeft aan ondernemingen die zich verbinden tot transparantie, ervoor zorgen dat de EU-financiering zichtbaar is, systemen invoeren ter bevordering van de participatie van werknemers in bedrijfsaangelegenheden en hun niet-financiële rapportageverplichtingen nakomen;

47.  benadrukt dat het noodzakelijk is een duurzaam en eerlijk herstel te ondersteunen, zodat het welzijn van de burgers ook na de COVID-19-crisis gevrijwaard wordt; is van mening dat het fonds de duurzaamheid en het concurrentievermogen van de Europese industrie moet bevorderen en eerlijke en rechtvaardige digitale en groene industriële transities moet garanderen;

48.  is van mening dat de Unie parallel met de huidige crisis een tweede fase van haar industriële strategie moet voorbereiden, om het concurrentievermogen, de ecologische duurzaamheid en de digitalisering van haar industrieën te waarborgen en te zorgen voor veerkracht op de lange termijn op maatschappelijk verantwoorde basis; herinnert eraan dat de rol van de lidstaten van cruciaal belang zal zijn voor een succesvol herstel waarbij de beperkte middelen van de EU ten volle worden benut, en dat het industriebeleid een horizontale taak moet worden voor de Commissie;

49.  is van mening dat de Unie een industriële strategie vereist die de bescherming van de gezondheid van het milieu en de biodiversiteit omvat, en benadrukt dat de klimaatneutrale transformatie van onze industrie moet worden versneld; benadrukt dat investeringen verenigbaar moeten zijn met de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit voor 2050, aangezien anders het risico bestaat van het ontstaan van waardeloze activa en lock-in-effecten in op fossiele brandstoffen gebaseerde en milieuonvriendelijke technologieën;

50.  benadrukt dat voor een daadwerkelijk effectieve Europese industriestrategie en een effectief Europees industriebeleid moet worden uitgegaan van ambitieuze klimaatactie en -doelstellingen op basis van de klimaatwet, met een routekaart om de toekomst van de industrie vorm te geven waarbij alle sectoren een bijdrage leveren om de doelstelling van klimaatneutraliteit zo spoedig mogelijk en uiterlijk tegen 2050 te bereiken;

51.  onderstreept dat de nieuwe industriestrategie moet worden afgestemd op de doelstelling van een klimaatneutrale economie tegen 2050, waarbij tegelijkertijd wordt benadrukt dat het Europese klimaatbeleid gebaseerd moet zijn op bewijs;

52.  beklemtoont dat er een aanzienlijk potentieel is op de binnenlandse en mondiale markten voor emissievrije en emissiearme technologieën, hernieuwbare energiebronnen, en duurzame producten, processen en diensten in de hele waardeketen, van grondstoffen tot energie-intensieve industriële sectoren, de maakindustrie en de sector industriële dienstverlening; is bovendien van mening dat de klimaatwet in hoge mate zal bijdragen tot het stroomlijnen van de inspanningen om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, door de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 vast te leggen in de wetgeving van de Unie; is van mening dat een holistischer en systematischer beleidskader ook nodig is om te zorgen voor beleidssamenhang in al het beleid van de Unie, evenals voor zekerheid voor investeerders en regelgevingsvoorspelbaarheid op de lange termijn en voor een coherente, transparante en inclusieve governancebenadering op alle beleidsterreinen, zodat de weg wordt geëffend voor een duidelijke en voorspelbare strategie voor de Europese industrie;

53.  is ingenomen met het voorstel voor een industrieel forum; verzoekt de Commissie verder te werken aan de oprichting van dit forum en binnen het kader van het forum een dialoog tot stand te brengen met een evenwichtige vertegenwoordiging van alle relevante wetenschappelijke deskundigen, organisaties en belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, consumentenorganisaties en vakbonden, met als doel onafgebroken toe te zien op en regelmatig verslag uit te brengen over de voortgang van de afzonderlijke industriële sectoren op EU-niveau ten aanzien van de uiterlijk in 2050 te verwezenlijken doelstellingen inzake klimaatneutraliteit, en de Commissie te adviseren over de bijdrage van investeringen tot en de coherentie van investeringen met de milieu- en klimaatdoelstellingen van de EU, in overeenstemming met de verordening inzake de governance van de energie-unie;

54.  is van mening dat alle sectoren moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie en onderstreept in dit verband dat de Commissie sectorspecifieke strategieën moet ontwikkelen, met inbegrip van de acties die nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken en om beleidssamenhang te waarborgen; dringt aan op de snelle afbouw van fossiele brandstoffen en wijst op de noodzaak om een uitermate efficiënt en klimaatneutraal energiesysteem te creëren met internationaal competitieve prijzen voor industrieën; benadrukt de rol van schone, duurzame en betaalbare energie en grondstoffen bij de overgang naar zeer energie-efficiënte en klimaatneutrale economieën; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het gebruik van energiebronnen zoals aardgas slechts van tijdelijke aard is, gezien de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te verwezenlijken; onderstreept dat verdere integratie van de energiemarkt van de EU een belangrijke rol zal spelen bij het verbeteren van de betaalbaarheid en de zekerheid van de energievoorziening; onderstreept in dit verband dat de ontwikkeling en integratie van hernieuwbare capaciteit in de energiemix moet worden versneld, en dat de uitrol van waterstofproductie op basis van hernieuwbare energiebronnen moet worden bevorderd, als potentiële baanbrekende technologie voor sectoren waar de transitie moeilijk te verwezenlijken is; verwelkomt de vorming van de Alliantie voor schone waterstof en de Alliantie voor een koolstofarme industrie; benadrukt dat het onderzoek naar grootschalige productie van waterstof en groene brandstoffen en naar decarbonisatietechnologieën zoals infrastructuur voor koolstofafvang en -opslag in industriële processen, bio-energiecentrales en productiefaciliteiten moet worden versneld met het oog op de energietransitie, en dat ook de mogelijkheid van het gebruik van geothermische energiebronnen moet worden onderzocht; herhaalt dat hiertoe op grote schaal betaalbare en schone energie nodig is, alsook ondersteunende infrastructuur, in overeenstemming met de decarbonisatiebehoeften van energie-intensieve industrieën;

55.  roept de EU-instellingen, lidstaten, regio’s, industrie en alle andere relevante actoren ertoe op om samen te werken aan het verbeteren van de Europese energie-efficiëntie, in de Unie leidende markten voor klimaatrelevante technologieën en innovaties te creëren, en investeringen in energie-infrastructuur als prioritair te beschouwen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er beter gebruik wordt gemaakt van de EIB, als de “klimaatbank” van de Unie, om de duurzame financiering voor de publieke en private sector te verbeteren en ondernemingen te helpen om koolstofarm te worden;

56.  benadrukt dat de grootschalige toepassing van kostenconcurrerende hernieuwbare-energievoorzieningen in alle sectoren van de economie vereist is; erkent dat de EU 40 % van alle octrooien wereldwijd op het gebied van hernieuwbare energie bezit, en benadrukt dat zij haar leidende positie op het gebied van doorbraaktechnologieën voor hernieuwbare energie moet behouden; benadrukt in dit verband dat de ontwikkeling van een robuust industrieel beleid voor hernieuwbare energie – dat zich zowel richt op de vraag- als de aanbodzijde van de markt en de integratie van de sector voor hernieuwbare energie mogelijk maakt – voor Europa van cruciaal belang is om de zekerheid van de energievoorziening op de lange termijn, haar technologisch leiderschap en haar strategische autonomie te waarborgen; vraagt de Commissie met klem om hernieuwbare-energietechnologieën aan te merken als een essentiële strategische waardeketen en als een industrieel ecosysteem dat in aanmerking komt voor financiering uit de strategische investeringsfaciliteit, en op gepaste wijze wordt vertegenwoordigd in het toekomstige industriële forum; benadrukt de noodzaak om steunmaatregelen uit te werken voor de ontwikkeling van technologieën voor hernieuwbare energie in Europa en om te zorgen voor een gelijk speelveld voor producenten binnen en buiten de Unie;

57.  benadrukt dat de Europese industrie alleen concurrerend kan zijn als zij wordt ondersteund door een efficiënt, duurzaam en onderling volledige verbonden vervoers-, digitaal en energie-infrastructuurnetwerk; roept op tot de ontwikkeling van een investeringsbeleid voor de lange termijn gericht op versterking en vernieuwing van de infrastructuur en vermindering van de administratieve belemmeringen die een hindernis vormen voor de snelle ontwikkeling van de trans-Europese netwerken; vraagt om meer middelen voor de Connecting Europe Facility in de drie sectoren, om de investeringen in infrastructuur, interconnecties, digitalisering en slimme netten een impuls te geven, overeenkomstig de doelstellingen van de Europese Green Deal; benadrukt het belang om projecten van gemeenschappelijk Europees belang in gang te zetten en de verordening inzake trans-Europese energienetwerken (TEN-E) zo spoedig mogelijk te herzien;

58.  wijst op het potentieel van een circulaire economie zonder vervuiling om de economie van de Unie te moderniseren, haar energie- en hulpbronnenverbruik terug te dringen, prioriteit te geven aan afvalpreventie, stimulansen te bieden voor innovatie, en hele industriële sectoren en hun waardeketens, producten, productieprocessen en bedrijfsmodellen om te vormen, waardoor de dematerialisering en detoxificatie van de economie van de Unie wordt bevorderd, Europa minder afhankelijk wordt van primaire materialen en tegelijk innovatie wordt gestimuleerd, inclusief de oprichting van markten voor emissievrije, koolstofarme en hernieuwbare oplossingen ter vervanging van fossiele brandstoffen en materialen, en de ontwikkeling van milieuvriendelijke oplossingen; wijst op de sterke synergieën tussen klimaatactie en de circulaire economie, met name in energie- en hulpbronnenintensieve en renovatie-industrieën, en benadrukt dat sectoren verschillende decarbonisatietrajecten en -uitgangsposities hebben; benadrukt het potentieel van de circulaire bio-economie en de houtverwerkende industrie voor het bevorderen van een concurrerende en duurzame industrie;

59.  herinnert eraan dat in het kader van het Europese klimaat- en energiebeleid hoge volumes metalen en mineralen zijn vereist voor zijn strategische technologieën; is bezorgd over het feit dat Europa in hoge mate afhankelijk is van andere delen van de wereld voor de toevoer van tal van deze metalen en mineralen en zelfs geleidelijk zijn mondiale aandeel verliest wat betreft materialen waarvoor het industriële capaciteit heeft; benadrukt dat de autonomie van Europa in strategische sectoren niet kan worden verwezenlijkt zonder een concurrerend en duurzaam EU-ecosysteem voor basis-, hoogwaardige en kritieke materialen uit primaire en secundaire bronnen; wijst in dit opzicht op het belang van het actieplan voor de circulaire economie, maar benadrukt dat Europa zijn capaciteit voor alle stadia in de grondstoffenketen moet vergroten, van winning, recycling, uitsmelten en raffinage tot verwerking; is van mening dat het toepassingsgebied van het actieplan en de alliantie voor kritieke grondstoffen zich niet mag beperken tot kritieke grondstoffen en gericht moet zijn op de ontwikkeling van een geïntegreerd ecosysteem voor de volledige waaier aan materialen, metalen en mineralen die voor de industriële transitie vereist zijn;

60.  verzoekt de Commissie om een Europese export- en importstrategie te ontwikkelen voor technologieën voor hernieuwbare energie en hulpbronnen- en energie-efficiënte technologieën;

61.  onderstreept het potentieel van sectorkoppeling en interconnectie van energieverbruikende sectoren zoals gebouwen en vervoer, en is in dit verband ingenomen met de mededeling van de Commissie over de integratie van energiestelsels;

62.  dringt aan op een aanzienlijke financieringslijn voor de energievernieuwing van gebouwen met het oog op het geplande initiatief voor een “renovatiegolf”, waarvoor de noodzakelijke financiële middelen beschikbaar kunnen worden gesteld in het kader van het herstelplan; benadrukt dat in de context van het op handen zijnde voorstel betreffende de renovatiegolf en in de context van de verplichting voor de lidstaten om langetermijnstrategieën op te stellen voor de totstandbrenging van een uiterst energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand, absolute voorrang moet worden gegeven aan het beginsel “energie-efficiëntie eerst”, zodat grondige renovaties en de vervanging van inefficiënte verwarmings- en koelsystemen die op fossiele brandstoffen werken, voorop komen te staan; onderstreept dat geïntegreerde programma’s voor grondige renovatie die betrekking hebben op hele gemeenten of districten, tegen lagere kosten en sneller kunnen worden uitgevoerd, het geen in het voordeel is van de consument en de energiekosten verlaagt;

63.  wijst erop dat procesverwarming en -koeling een van de belangrijkste vormen van energieverbruik in de industriële sector blijft; onderstreept bijgevolg dat, om de inspanningen voor de verlaging van de uitstoot van broeikasgassen in de industrie te versnellen, het potentieel inzake energie-efficiëntie bij industriële verwarming en koeling optimaal moet worden benut, iets waartoe een toenemend gebruik van hernieuwbare energie op basis van elektriciteit en warmtepompen, een beter gebruik van industriële clusters en symbiose in veel sectoren aanzienlijk kunnen bijdragen;

64.  wijst op het potentieel van groene mobiliteit voor het scheppen van nieuwe banen, het stimuleren van de Europese industrie en het ondersteunen van investeringen gericht op de uitbreiding van duurzame vervoersinfrastructuur, en merkt op dat hiermee een multiplicatoreffect kan worden bereikt, middels het plaatsen van bestellingen bij een vrede waaier aan entiteiten — contractanten, onderaannemers, leveranciers en hun onderaannemers —, en de emissies van de vervoerssector kunnen worden verlaagd; onderstreept de noodzaak om de Europese Alliantie voor batterijen sneller ten uitvoer te leggen teneinde het potentieel van de strategische waardeketen op dit gebied te benutten, de mogelijkheden voor innovatieve, lokaal geproduceerde batterijen en voor het recyclen van metaal in Europa te vergroten, Europese meerwaarde te creëren, bij te dragen tot het concurrentievermogen van de Europese auto-industrie en de transitie naar een gedecarboniseerd elektriciteitssysteem te vergemakkelijken; vraagt om meer investeringen in hogesnelheidstreinverbindingen, in de renovatie van intercitynetwerken en in emissiearm en -vrij openbaar vervoer; benadrukt de noodzaak om groene mobiliteit te bevorderen door te investeren in een betere infrastructuur, zoals een uitgebreid netwerk van laadstations; is van mening dat een hogere dichtheid van laadstations de voorwaarden zal scheppen voor een aanzienlijke en snellere groei van de markt voor elektrische voertuigen (EV’s), hetgeen een positief effect zal hebben op onze milieu- en koolstofvoetafdruk; verzoekt de Commissie een strategie voor de grootschalige uitrol van snelle oplaadinfrastructuur voor EV’s te presenteren, om het gebruik van EV’s door consumenten te bevorderen door hun zekerheid te verschaffen over het potentieel van de technologie en toegang te bieden tot een wijdvertakt netwerk van compatibele laadinfrastructuur, en om de Europese auto-industrie te ondersteunen;

65.  is van mening dat Europa voor een succesvolle energietransitie een aanzienlijke hoeveelheid betaalbare koolstofvrije/koolstofarme en hernieuwbare energie nodig heeft, die onder meer uit derde landen afkomstig is en gebruik maakt van ondersteunende infrastructuur; dringt erop aan dat strategische initiatieven binnen de EU evenals het energiebeleid centraal komen te staan in het buitenlands en nabuurschapsbeleid van de Unie, en pleit onder meer voor financiële steun voor op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde waterstof- en groenestroomallianties; is van mening dat die allianties ook onderdeel moeten zijn van handelsovereenkomsten; benadrukt het belang van sterke allianties met het oog op de schaarste aan en de duurzame aankoop van hulpbronnen en grondstoffen;

66.  herinnert aan het masterplan van de EU uit 2019 voor een concurrerende transformatie van energie-intensieve industrieën, waarmee de transitie werd benaderd met behoud van het concurrentievermogen van Europese ondernemingen; verzoekt de Commissie uitvoering te geven aan haar aanbeveling om importen uit derde landen die niet aan de EU-milieunormen voldoen te vervangen en een hoger klimaatambitieniveau bij de mondiale handelspartners van de EU te bevorderen;

67.  dringt aan op een herziening van de EU-regeling voor de handel in emissierechten (EU-ETS) in overeenstemming met de klimaatdoelstellingen, en op een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (CBAM) om bij te dragen aan een slimme terughaalstrategie van de maakindustrie en kortere waardeketens; onderstreept de potentieel belangrijke rol van een CBAM bij het voorkomen van koolstoflekkage;

68.  wijst erop dat meer dan de helft van het mondiale bbp afhankelijk is van de natuur en de diensten die zij levert, waarbij diverse sectoren uiterst afhankelijk zijn van de natuur; merkt op dat ruim 90 % van het verlies aan biodiversiteit en waterstress wordt veroorzaakt door de winning en verwerking van hulpbronnen; benadrukt dat het Europees industriebeleid moet overeenstemmen met de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie voor 2030;

69.  onderstreept dat volgens de “één gezondheid”-benadering het behoud van natuurlijke ecosystemen van fundamenteel belang is voor het waarborgen van de eerste levensbehoeften van de mens, zoals drinkwater, schone lucht en vruchtbare bodems; dringt aan op de snelle ontwikkeling van betrouwbare indicatoren voor het beoordelen van de gevolgen voor de biodiversiteit en het waarborgen van de progressieve vermindering van de verontreiniging als beschreven in de biodiversiteitsstrategie van de EU;

70.  wijst erop dat de industrie nog steeds in hoge mate verantwoordelijk is voor de vervuiling van het milieu, waarbij verontreinigende stoffen in lucht, water en bodem worden geloosd; onderstreept de rol van de richtlijn inzake industriële emissies bij het vaststellen van verplichtingen voor grote installaties ter vermindering van de uitstoot van verontreinigende stoffen; ziet uit naar het komende actieplan om de lucht- water- en bodemvervuiling tot nul terug te brengen en de herziening van de richtlijn inzake industriële emissies, die moeten leiden tot een aanzienlijke vermindering van de industriële verontreiniging;

71.  benadrukt het belang van de regionale dimensie van het industriebeleid, aangezien de economische verschillen tussen regio’s hardnekkig zijn en nog dreigen toe te nemen door de effecten van de COVID-19-crisis; onderstreept dat er, om de achteruitgang van regio’s te verhinderen en te verzachten, in regionale herontwikkelingsplannen moet worden gewerkt aan duurzame transformatiestrategieën, waarin economische revitaliseringsprogramma’s worden gecombineerd met actieve werkgelegenheidsprogramma’s; verzoekt de Commissie nauw samen te werken met de lidstaten bij het opstellen van prognoses voor de vaardigheden die op de middellange en lange termijn nodig zijn op de arbeidsmarkt;

72.  wijst in dit verband op het belang van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) ter ondersteuning van de schepping van hoogwaardige banen met fatsoenlijke lonen, het concurrentievermogen van bedrijven, duurzame economische ontwikkeling, en de modernisering en verbetering van onderwijs-, opleidings- en gezondheidszorgstelsels;

73.  wijst op de noodzaak om een eerlijke, inclusieve en rechtvaardige transitie te ondersteunen en op de noodzaak om sociale en economische ongelijkheden aan te pakken op een manier die verder gaat dan omscholing en het scheppen van nieuwe banen in nieuwe economische sectoren, met als doel te garanderen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten en dat geen enkele werknemer van de arbeidsmarkt wordt uitgesloten; is van oordeel dat een goed opgezet mechanisme voor een rechtvaardige transitie, dat een fonds voor een rechtvaardige transitie omvat, een belangrijk instrument zal zijn om de dubbele transitie te vergemakkelijken en de ambitieuze doelstellingen inzake klimaatneutraliteit te bereiken; benadrukt dat, met het oog op een inclusievere transitie en voor het opvangen van de sociale impact van de transitie, de deelname van alle lokale belanghebbenden vereist is bij de uitwerking en uitvoering van de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie, inclusief vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en gemeenschappen; onderstreept dat investeringen in duurzame technologie in dit verband een belangrijke rol vervullen ter ondersteuning van de economische ontwikkeling op lange termijn van regio’s; benadrukt dat consistente financiering van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, onder meer via aanzienlijke aanvullende begrotingsmiddelen, een cruciaal onderdeel is voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de Europese Green Deal;

74.  meent dat de interregionale samenwerking gericht op duurzame en digitale transformatie, zoals het geval is bij de strategieën voor slimme specialisatie, moet worden versterkt om een impuls te geven aan regionale ecosystemen; verzoekt de Commissie dan ook de ontwikkeling te ondersteunen van instrumenten die een duidelijke routekaart kunnen bieden voor regio’s met een op maat gemaakte aanpak om industrieel leiderschap te verzekeren;

75.  is van mening dat de industriële transformatie aanzienlijk meer inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling vereist, alsook de integratie van nieuwe kennis en innovatie in bestaande markten en het gebruik ervan bij de creatie van nieuwe markten; onderstreept dat innovatie een van de drijfveren is voor toonaangevende industriële ecosystemen en dat dit tot uiting moet komen in meer steun voor innovatie- en ondernemerscapaciteiten in elke fase van de innovatiecyclus; onderstreept de noodzaak om de uitgaven voor onderzoek en met name kwalitatief hoogstaand openbaar onderzoek, ontwikkeling en innovatie te verhogen, aangezien dit essentiële elementen zijn voor de verwezenlijking van de dubbele transitie en de verbetering van de strategische autonomie en het concurrentievermogen op lange termijn van de Unie; roept de lidstaten er in dit verband toe op zich te houden aan hun toezegging om 3 % van hun bbp te investeren in onderzoek en ontwikkeling, zodat de Unie haar leidende rol onder de mondiale concurrenten behoudt; betreurt het huidige gebrek aan innovatiecapaciteit in kmo’s als gevolg van een tekort aan risicokapitaal, de kosten en complexiteit van administratieve procedures, een tekort aan adequate vaardigheden en een gebrek aan toegang tot informatie;

76.  onderstreept de noodzaak om de begroting voor programma’s ter ondersteuning van de industriële transformatie van de Unie te verhogen, en herinnert er daarom aan dat het Parlement pleit voor het verhogen van de begroting voor Horizon Europa tot 120 miljard EUR, het waarborgen van de samenhang van het programma met de doelstellingen van de Unie inzake klimaatneutraliteit, en het ondersteunen van InvestEU en Digitaal Europa aan de hand van geschikte financieringsinstrumenten voor de marktontwikkeling van baanbrekende technologieën en innovaties, waarbij ook synergieën tussen regionale, nationale, Europese en particuliere financieringsbronnen worden bevorderd; vraagt om doeltreffende steun voor de Europese Innovatieraad (EIC) en het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) en pleit voor een versterking van hun mandaat; dringt erop aan dat een aanzienlijk deel van de middelen die in het kader van Horizon Europa beschikbaar zijn voor kmo’s, wordt gebruikt via de EIC en de samenwerkende onderdelen van het programma, met als doel nieuwe oplossingen te creëren en zowel incrementele als disruptieve innovatie te bevorderen; steunt de oprichting van Europese partnerschappen in het kader van Horizon Europa om particuliere investeringen aan te trekken ter bevordering van de overdracht van kennis, technologieën en innovatie van onderzoekscentra en universiteiten naar het industriële proces, gebruik makend van de regeling voor industriële ecosystemen, en met het oog op de ondersteuning van het herstel en van de groene en digitale transitie; verzoekt de Commissie bovendien ervoor te zorgen dat deze partnerschappen op transparante en inclusieve manier functioneren, met name wat betreft hun strategische onderzoeksagenda en jaarlijkse werkprogramma’s; benadrukt voorts dat de partnerschappen vrij moeten zijn van belangenconflicten en een werkelijke toegevoegde waarde moeten garanderen voor de samenleving;

77.  meent in dit verband eveneens dat een beter voorbereide en veerkrachtiger maatschappij essentieel is om ingrijpende gebeurtenissen op Europees of mondiaal niveau het hoofd te bieden en om op deze gebeurtenissen te reageren met uitgebreide beleidsmaatregelen, en is van mening dat gecoördineerde investeringen in O&O in dit opzicht van cruciaal belang zijn; verzoekt de Commissie hiertoe steun te verlenen aan het opzetten van een specifiek instrument voor pandemieparaatheid en maatschappelijke veerkracht, aangezien een dergelijk instrument de voorwaarden zou scheppen voor betere coördinatie op EU-niveau, prioritaire gebieden in kaart zou brengen en acties zou lanceren die medisch toponderzoek en gecoördineerde O&I-investeringen vereisen;

78.  benadrukt het belang van een op onderzoek gebaseerde farmaceutische industrie als cruciale factor voor het veiligstellen van een hoogwaardige productie en van de aanvoer van betaalbare geneesmiddelen voor alle patiënten die daaraan behoefte hebben, voor het versterken van innovatie in de Unie en van de veerkracht en paraatheid van de Unie, en voor het aangaan van toekomstige uitdagingen; herhaalt dat er een plan ter beperking van het risico op geneesmiddelentekorten moet worden vastgesteld teneinde het hoofd te bieden aan potentiële kwetsbaarheden van en risico’s voor de toeleveringsketen van essentiële geneesmiddelen, toekomstige innovaties te garanderen voor het voorzien in onvervulde behoeften, en de veerkracht, alertheid en paraatheid van gezondheidsstelsels te ondersteunen met het oog op toekomstige uitdagingen, waaronder pandemieën;

79.  benadrukt de rol van sleuteltechnologieën bij het opbouwen van technologische en innovatieve capaciteit in de hele EU; verzoekt de Commissie Horizon Europa en haar industriële strategie af te stemmen op de ontwikkeling, opschaling en commercialisering van baanbrekende technologieën en innovaties in de Unie, teneinde de kloof tussen innovatie en marktintroductie te overbruggen, door risicofinanciering te verstrekken voor beginnende technologie en demonstratieprojecten en door vroege waardeketens te ontwikkelen, in de eerste plaats ter ondersteuning van producten, technologieën, processen, diensten en bedrijfsmodellen op commerciële schaal, die ingang kunnen vinden op de markt, emissiearm of -loos zijn, hernieuwbaar, energie- en hulpbronnenefficiënt en circulair, evenals ter ondersteuning van de ontwikkeling van onderzoeksinfrastructuur, onder meer met het oog op het dichten van de huidige kloven tussen de lidstaten; moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan om centrale loketten te creëren met maatwerkinformatie over de financieringsmogelijkheden voor industriële demonstratieprojecten voor doorbraaktechnologieën;

80.  verzoekt de Commissie zich te buigen over maatregelen om het potentiële verlies aan kennis en innovatie tijdens de huidige crisis tegen te gaan, onder meer door middel van instrumenten ter ondersteuning van ondernemingen die tijdelijk kenniswerkers delen met openbare onderzoeksinstellingen en universiteiten, teneinde publiek-privaat onderzoek naar publieke prioriteiten mogelijk te maken en de werkgelegenheid en innovatiecapaciteit in crisistijd te behouden;

81.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten mogelijke fiscale stimulansen te ontwikkelen om investeringen in O&O, die vanwege de COVID-19-crisis drastisch zijn afgenomen, te bevorderen;

82.  verzoekt de Commissie om het innovatievermogen van Europese bedrijven te blijven ondersteunen aan de hand van een uitgebreide regeling inzake intellectuele eigendom (IER), die de flexibiliteit bij het verlenen van licenties vergroot, zodat hun O&O-investeringen op doeltreffende wijze beschermd blijven en er een eerlijk rendement wordt gewaarborgd, en zodat bedrijven open technologienormen blijven ontwikkelen die de mededinging en keuzemogelijkheden bevorderen en de deelname van EU-bedrijven aan de ontwikkeling van sleuteltechnologieën ondersteunen;

83.  erkent dat een krachtig en evenwichtig kader voor intellectuele-eigendomsrechten een cruciale basis vormt voor het Europese concurrentievermogen, teneinde bedrijfsspionage en namaak te bestrijden; verzoekt de Commissie dan ook dit kader te behouden en te versterken; beklemtoont dat het noodzakelijk is gelijke tred te houden met de VS en China op het gebied van stimulansen voor intellectuele eigendom in het domein van de biowetenschappen, om ervoor te zorgen dat Europa een aantrekkelijke locatie blijft voor investeringen in O&O en industriële ontwikkeling; verzoekt de Commissie het wereldvermaarde IER-systeem van Europa te behouden en te ontwikkelen door sterke bescherming van IER, alsook stimulansen en beloningsmechanismen voor O&O te bevorderen om investeringen aan te trekken in de ontwikkeling van toekomstige innovaties die de maatschappij ten goede komen; is ingenomen met de aankondiging van een actieplan inzake intellectuele eigendom dat de Europese bijdrage aan de ontwikkeling van normen zou kunnen bevorderen; pleit voor duurzame productie en werkgelegenheid en voor een verbetering van de aantrekkelijkheid en reputatie van hoogwaardige EU-producten wereldwijd; verzoekt de Commissie de overdracht van cruciale milieu- en klimaattechnologieën naar ontwikkelingslanden aan te moedigen door open licenties voor dergelijke technologieën te verlenen;

84.  verzoekt de Commissie het Europees eenheidsoctrooi zo snel mogelijk in te voeren, zoals voorzien door de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht van 19 februari 2013;

85.  wijst op het belang van alomvattende en doeltreffende algemene governance voor de industriële transformatie, die voor samenhang met de relevante EU-wetgeving en -strategieën zorgt, in het bijzonder de doelstellingen van de Europese Green Deal, hetgeen van cruciaal belang is voor het welslagen ervan; is ingenomen met de identificatie van 14 ecosystemen door de Commissie en de alomvattende benadering om alle in een waardeketen werkzame actoren bijeen te brengen teneinde Europees leiderschap in strategische sectoren en concurrentievermogen op mondiaal niveau te bevorderen; onderstreept dat moet worden gewaarborgd dat kmo’s binnen elk ecosysteem zullen gedijen; merkt op dat het nodig is te zorgen voor transparantie van de geïdentificeerde industriële ecosystemen, met name wat betreft de criteria waaraan moet worden voldaan om te worden beschouwd als onderdeel van een ecosysteem, de exacte uitsplitsing naar type actor in elk geïdentificeerd ecosysteem, informatie over uitkomsten en besproken onderwerpen en de rol van het industrieel forum en de industriële allianties ten aanzien van deze ecosystemen; benadrukt dat het maatschappelijk middenveld, consumentenorganisaties en vakbonden voldoende moeten worden betrokken bij de vaststelling van zowel de overkoepelende als de sectorale industriële strategieën en prioriteiten; benadrukt dat ecosystemen alle schakels met de waardeketens moeten omvatten, met inbegrip van kmo’s, en benadrukt dat kmo’s integraal deel moeten uitmaken van de oprichting van industriële allianties en hun productieketens; benadrukt dat er voor de allianties toereikende financieringsinstrumenten nodig zijn;

86.  is van mening dat ecosystemen belangrijke componenten zullen zijn van de volgende industriële revolutie, door geavanceerde en slimme productiemethoden in te zetten en door te zorgen voor betaalbare, schone, duurzame en veilige energie en voor de nodige energie-infrastructuur, transformerende productiemethoden en dienstverleningsmethoden; vraagt dat de ecosystemen worden geanalyseerd om voor elke sector de behoeften op het gebied van de transitie te evalueren en om een transitieplan te helpen vaststellen; is bovendien van mening dat het ondersteunen van de samenwerking tussen de industrie, de academische wereld, kmo’s, start-ups en scale-ups, vakbonden, het maatschappelijk middenveld, organisaties van eindgebruikers en alle andere belanghebbenden van cruciaal belang zal zijn voor het oplossen van tekortkomingen van de markt en voor het overbruggen van de kloof tussen een idee en de verwezenlijking ervan, waarbij de bescherming van werknemers wordt gewaarborgd, ook in gebieden die nog niet door industriële belangen worden bestreken maar die een grote maatschappelijke meerwaarde bieden; vraagt dat bij de governance van deze ecosystemen alle relevante belanghebbenden worden betrokken uit de industriële sectoren die essentieel zijn om de groene en digitale transitie waar te maken; is van mening dat ecosystemen een rol moeten spelen bij de vaststelling van oplossingen en van maatregelen die nodig zijn om de Europese industriële strategie ten uitvoer te leggen en robuuste Europese waardeketens te bevorderen die cruciaal zijn voor de tweevoudige groene en digitale transitie;

87.  beklemtoont dat investeringen in essentiële waardeketens een cruciale rol zullen spelen bij het behouden van onze strategische autonomie in de toekomst; is van mening dat er prioriteit moet worden verleend aan investeringen in industriële sectoren die van vitaal belang zijn voor onze strategische autonomie, zoals veiligheid, defensie, klimaatrelevante technologieën, voedselsoevereiniteit en gezondheid; wijst met name nogmaals op het belang van de farmaceutische industrie bij het waarborgen van toekomstige innovatie om onvervulde behoeften aan te pakken, en bij het ondersteunen van de veerkracht, het reactievermogen en de paraatheid van gezondheidszorgstelsels in het licht van toekomstige uitdagingen, waaronder pandemieën;

88.  onderstreept het belang van de sector hernieuwbare energie als een strategische sector voor het versterken van het concurrentievoordeel van de EU, het bereiken van veerkracht op lange termijn, het waarborgen van de energiezekerheid, en het versterken van de industrie; wijst voorts op de bijdrage van de sector hernieuwbare energie aan het scheppen van nieuwe lokale banen en handelsmogelijkheden, met name voor kmo’s, aan het stimuleren van de productie van apparatuur, en aan het verlagen van de energiekosten en het verbeteren van het kostenconcurrentievermogen;

89.  wijst erop dat de auto-industrie hard is getroffen door de COVID-19-crisis, waardoor ondernemingen en werknemers gedwongen worden om zich snel aan te passen aan veranderende toeleveringsketens en nieuwe gezondheids- en veiligheidseisen, bovenop het transformatieproces dat de sector al voor de pandemie was begonnen; is van mening dat de overgang naar slimme en schonere mobiliteit van essentieel belang is gezien we evolueren naar een klimaatneutrale, digitale en veerkrachtigere economie, en dat dit ook moet worden beschouwd als een kans om groene groei en schone banen te genereren, uitgaande van het wereldwijde concurrentievoordeel van de Europese industrie op het gebied van voertuigtechnologieën; verzoekt de Commissie prioriteiten te stellen op het gebied van onderzoek en innovatie, digitalisering en de steun voor startende ondernemingen, micro-ondernemingen en kmo’s, ook in de auto-industrie;

90.  benadrukt dat ook de toeristische sector zwaar wordt getroffen door de COVID-19-crisis, en verzoekt de Commissie prioriteiten vast te stellen met betrekking tot het helpen en bevorderen van het herstel van deze sector, die in grote mate bijdraagt aan het bbp van de EU en aan het concurrentievermogen van de Unie; verzoekt de Commissie de samenwerking tussen lidstaten en regio’s te bevorderen om mogelijkheden te creëren voor nieuwe investeringen en verdere innovaties, teneinde een Europees toeristisch ecosysteem tot stand te brengen dat duurzaam, innovatief en veerkrachtig is en de rechten van werknemers en consumenten beschermt;

91.  wijst op het potentieel van de culturele en creatieve sectoren voor innovatie door te fungeren als katalysator voor verandering, uitvindingen en vooruitgang in andere sectoren teweeg te brengen; merkt op dat innovatieve economische sectoren voor het behouden van hun concurrentievoordeel in toenemende mate afhankelijk zijn van creativiteit; merkt daarnaast op dat met de opkomst van in toenemende mate complexe, creatieve en onderling verweven bedrijfsmodellen de culturele en creatieve sectoren steeds vaker een doorslaggevende rol spelen bij het ontwerp van producten en diensten; is daarom van mening dat Europa gebruik moet maken van zijn creatieve en culturele hulpbronnen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten om voldoende oog te hebben voor de culturele en creatieve sectoren bij de ontwikkeling van een alomvattend, samenhangend en langetermijnbeleidskader voor de industrie, onder meer door deze sectoren toegang tot financiering en financieringsprogramma’s te verlenen;

92.  onderstreept het belang van het ruimtevaartbeleid van de EU, met name met het oog op verbetering van de ruimtevaartcapaciteit van de Europese industrie en het benutten van de mogelijke synergieën met andere belangrijke sectoren en beleidsgebieden, met name om geavanceerde technologieën te ontwikkelen en de industriële transformatie te ondersteunen;

93.  wijst op de bijdrage van de chemische industrie aan tal van strategische waardeketens en aan de productie van koolstofneutrale, hulpbronnenefficiënte en circulaire technologieën en oplossingen; pleit voor een duurzaam beleid voor chemische stoffen, dat in overeenstemming is met de industriestrategie;

94.  verzoekt het Europees Milieuagentschap samen met het Europees Agentschap voor chemische stoffen een verslag op te stellen over chemische stoffen in het Europese milieu. is van mening dat dit verslag een beoordeling moet inhouden van de systemische aard van gevaarlijke chemische stoffen in de Europese productie- en consumptiesystemen, het gebruik ervan in producten, het voorkomen ervan in het Europese milieu en de erdoor toegebrachte schade aan de menselijke gezondheid en ecosystemen;

95.  benadrukt dat een goed functionerende en concurrerende farmaceutische en medischehulpmiddelensector een centrale rol speelt bij het waarborgen van een duurzame toegang tot geneesmiddelen voor patiënten en een hoog niveau van gezondheidszorg voor patiënten in de EU; is van mening dat de Commissie de dialoog met de lidstaten en alle betrokken belanghebbenden moet bevorderen door de instelling van een farmaceutisch forum onder toezicht van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) teneinde een uitgebreide discussie mogelijk te maken over problemen in verband met onder meer farmaceutische duurzaamheid en de invoering van nieuwe technologieën in de gezondheidszorg; benadrukt dat bij het opzetten van dit forum rekening moet worden gehouden met de verschillende nationale benaderingen ten aanzien van prijsstelling en vergoeding alsook met betrekking tot investeringen in en de opzet van de gezondheidszorg;

96.  beschouwt overheidsopdrachten als een cruciale motor van industriële transformatie; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe ten volle gebruik kan worden gemaakt van de hefboomwerking van overheidsuitgaven en -investeringen om beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, onder meer door de duurzaamheid van overheidsopdrachten te vergroten en overheidsopdrachten een centrale rol toe te kennen in het economische herstelplan van de EU, door een prioriteit te maken van eco-innovatieve en duurzame goederen en diensten en de vraag naar deze goederen en diensten te bevorderen, en door het mogelijk te maken om essentiële strategische sectoren, zoals gezondheidsproducten, landbouw en hernieuwbare technologieën, terug te halen naar Europa en op die manier kortere en duurzame toeleveringsketens te bevorderen; verzoekt de Commissie en de overheidsinstanties na te gaan onder welke voorwaarden duurzaamheid bij overheidsopdrachten verplicht kan worden gesteld op basis van ecologische, sociale en ethische criteria, met inbegrip van de koolstofvoetafdruk, recyclinggehalte en arbeidsomstandigheden gedurende de hele levenscyclus van producten, en verzoekt de Commissie en overheidsinstanties om de bestaande regelingen voor de bevordering van groene diensten in overheidsopdrachten meer bekendheid te geven en beter te benutten; dringt erop aan dat kmo’s een eerlijke kans moeten krijgen om deel te nemen aan openbare aanbestedingen; verzoekt aanbestedende diensten om systematisch gebruik te maken van een aanpak op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding gedurende de volledige levensduur van producten en diensten; moedigt hen ertoe aan gebruik te maken van de bepaling (artikel 85 van de richtlijn nutsbedrijven) op grond waarvan zij inschrijvingen kunnen afwijzen wanneer het aandeel van uit derde landen afkomstige producten meer bedraagt dan 50 % van de totale waarde van de producten waarop de inschrijving betrekking heeft;

97.  erkent de bijdrage van normalisatie aan de Europese eengemaakte markt en aan de verhoging van het economisch, maatschappelijk en ecologisch welzijn, met inbegrip van de gezondheid en veiligheid van consumenten en werknemers; beklemtoont dat het nodig is geharmoniseerde normen te ontwikkelen, te beoordelen en te gebruiken om industrieën te helpen op efficiënte, veilige, duurzame en herhaalbare wijze producten van hoge kwaliteit te vervaardigen;

98.  verzoekt de Commissie een krachtig systeem voor kernprestatie-indicatoren in te voeren om de ex-ante-impact van de regelgeving en instrumenten van de Unie alsook de eventuele benodigde investeringen te analyseren, en om toezicht te houden op de voortgang en de resultaten, rekening houdend met de kmo-dimensie; beklemtoont dat het systeem voor kernprestatie-indicatoren moet worden gebaseerd op specifieke, meetbare, haalbare, relevante, en tijdgebonden doelstellingen;

99.  verzoekt de Commissie haar effectbeoordelingspraktijk te versterken en vóór het indienen van nieuwe voorstellen voor wetgeving of nieuwe maatregelen een gedetailleerde effectbeoordeling uit te voeren van de potentiële nalevingskosten, gevolgen op het vlak van werkgelegenheid alsook lasten en voordelen voor Europese burgers, sectoren en ondernemingen, inclusief kmo’s; is van mening dat de evaluatie van EU-beleid en -maatregelen meer moet zijn gericht op de uitvoering hiervan in de lidstaten en moet analyseren wat er gebeurt wanneer de EU-wetgeving wordt uitgevoerd of geïnterpreteerd op een manier die onnodige en onverwachte regelgevende belemmeringen creëert voor zowel kmo’s als grotere bedrijven; verzoekt de Commissie de coherentie van de regelgeving te ondersteunen en te erkennen dat er moet worden gestreefd naar slimme regelgeving om de bureaucratische lasten te verminderen zonder afbreuk te doen aan de doeltreffendheid van de wetgeving of de sociale en milieunormen te verlagen, met name wanneer een traditionele industrie zich moet aanpassen vanwege regelgevingsbesluiten; is van mening dat maatregelen voor digitalisering en decarbonisatie zodanig moeten worden ontworpen dat zij kansen creëren voor bedrijven, met inbegrip van kmo’s, en de lasten voor de sector in kwestie tot een minimum beperken;

100.  rekent erop dat de industriestrategie geen onnodige regelgevingsdruk creëert voor bedrijven en met name kmo’s, en de “one in, one out”-regel hanteert, die tot doel heeft na te gaan, telkens als nieuwe bepalingen nalevingskosten met zich mee brengen, welke bestaande bepalingen moeten worden ingetrokken of herzien, zodat de nalevingskosten in een bepaalde sector niet stijgen, dit alles onverminderd de prerogatieven van de medewetgever; is van mening dat een dergelijk voorstel moet stoelen op wetenschappelijk bewijsmateriaal en breed overleg, de doeltreffendheid van de wetgeving en van sociale en milieunormen moet waarborgen en de duidelijke voordelen van een Europees optreden moet aantonen; meent dat de EU het beginsel dat zij grote thema’s groot aanpakt en zich bescheiden opstelt waar het om kleine dingen gaat, moet versterken met het oog op een betere evenredigheid;

101.  benadrukt dat het openbaar bestuur een sleutelrol moet spelen bij het waarborgen van een bedrijfsvriendelijk economisch klimaat en het verminderen van de administratieve lasten voor ondernemingen, en tegelijkertijd moet zorgen voor de volledige toepassing van de ethische, sociale, milieu- en transparantienormen van de Unie en de regels inzake de veiligheid van werknemers; is van mening dat e-overheidsinstrumenten, beleid voor digitale innovatie en de verbetering van digitale vaardigheden moeten worden bevorderd in de publieke sector en bij de werknemers ervan; verzoekt de Commissie om de uitwisseling van nationale en regionale beste praktijken op dit gebied te verzekeren, met specifieke verwijzing naar het openbaar beheer van het economisch mededingingsvermogen;

102.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0124.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0102.
(5) PB C 334 van 19.9.2018, blz. 124.
(6) PB C 307 van 30.8.2018, blz. 163.
(7) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 55.
(8) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 21.
(9) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 28.
(10) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 89.

Laatst bijgewerkt op: 26 februari 2021Juridische mededeling - Privacybeleid