Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2880(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B9-0375/2020

Debatten :

PV 26/11/2020 - 8.1
CRE 26/11/2020 - 8.1

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0329

Aangenomen teksten
PDF 142kWORD 52k
Donderdag 26 november 2020 - Brussel
De verslechterende mensenrechtensituatie in Algerije, in het bijzonder de zaak van journalist Khaled Drareni
P9_TA(2020)0329RC-B9-0375/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 26 november 2020 over de verslechterende mensenrechtensituatie in Algerije, in het bijzonder de zaak van journalist Khaled Drareni (2020/2880(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Algerije, met name die van 28 november 2019 over de situatie op het gebied van de vrijheden in Algerije(1) en die van 30 april 2015 over de detentie van werknemers en mensenrechtenactivisten in Algerije(2),

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2019 van 15 juni 2020,

–  gezien het briefingdocument van de Internationale Commissie van Juristen “Flawed and inadequate: Algeria’s Constitutional Amendment Process”, dat werd gepubliceerd in oktober 2020,

–  gezien de door 31 lokale, regionale en internationale maatschappelijke organisaties ondertekende gezamenlijke brief van 29 september 2020 over het harde optreden tegen het maatschappelijk middenveld in Algerije,

–  gezien de vier mededelingen die tussen 30 maart en 16 september 2020 aan de Algerijnse regering zijn toegezonden in het kader van de speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad over willekeurige en gewelddadige arrestaties, oneerlijke processen en represailles tegen mensenrechtenverdedigers en vreedzame activisten,

–  gezien de associatieovereenkomst tussen de EU en Algerije, en met name artikel 2, waarin is bepaald dat eerbiediging van de democratische beginselen en van de fundamentele mensenrechten een essentieel element van de overeenkomst is en de grondslag moet vormen van het binnenlandse en buitenlandse beleid van de partijen,

–  gezien de 11e Associatieraad EU-Algerije,

–  gezien de gemeenschappelijke partnerschapsprioriteiten die Algerije en de Europese Unie op 13 maart 2017 in het kader van het herziene Europese nabuurschapsbeleid hebben vastgesteld,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2020 over het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024, en met name het ter bescherming en ter ondersteuning van journalisten en mediamedewerkers ingestelde EU-mechanisme voor mensenrechtenverdedigers,

–  gezien het Algerijnse wetboek van strafrecht, en met name de artikelen 75, 79, 95 bis, 98, 100, 144, 144 bis, 144 bis 2, 146 en 196 bis,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers, over de doodstraf, inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en inzake de vrijheid van meningsuiting online en offline, en gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en het Verdrag inzake de rechten van het kind, die alle vier door de EU-lidstaten en Algerije zijn geratificeerd,

–  gezien advies nr. 7/2020 over de opsluiting van Fadel Breika, dat de werkgroep van de VN inzake willekeurige opsluiting heeft goedgekeurd,

–  gezien de derde universele periodieke doorlichting van Algerije door de VN‑Mensenrechtenraad tijdens zijn 36e zitting op 21 en 22 september 2017,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de door verslaggevers zonder grenzen opgestelde wereldindex voor persvrijheid van 2020,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en de VN‑Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Algerije begin februari 2019 te maken kreeg met een ongekende protestbeweging (Hirak) tegen het vooruitzicht op een vijfde ambtstermijn voor de toenmalige president Abdelaziz Bouteflika; overwegende dat er ’s dinsdags en ’s vrijdags regelmatig in het hele land vreedzame demonstraties tegen regeringscorruptie hebben plaatsgevonden, waarin werd aangedrongen op een burgerstaat, een onafhankelijke rechterlijke macht, democratische hervormingen, transparantie en een inclusief kader voor de voorbereiding van vrije verkiezingen, en dat deze gedurende een heel jaar werden gehouden, ook tijdens het verkiezingsproces; overwegende dat deze veelbetekenende wekelijkse demonstraties in maart 2020 vrijwillig zijn stopgezet vanwege de COVID-19-pandemie, hoewel de protestbeweging via de sociale media is voortgezet;

B.  overwegende dat president Bouteflika op 2 april 2019 vanwege de Hirak-beweging is afgetreden, dat de militaire leiding vervolgens een prominente rol heeft gespeeld bij het tweevoudige uitstel van de verkiezingen en dat op 12 december 2019 presidentsverkiezingen zijn gehouden in Algerije, waarbij voormalig premier Abdelmadjid Tebboune president is geworden; overwegende dat de Hirak-beweging de lijst van kandidaten afkeurde vanwege hun banden met het vroegere bestuur en uit protest niet heeft deelgenomen aan de verkiezingen, waarvoor de officiële opkomst minder dan 40 % bedroeg;

C.  overwegende dat de politieke arrestaties en willekeurige detentie van vreedzame Hirak- en vakbondsactivisten, evenals journalisten, sinds de zomer van 2019 zijn toegenomen, in strijd met de grondrechten op een eerlijk proces en een goede rechtsbedeling; overwegende dat onafhankelijke media er vaak van worden beschuldigd banden te hebben met buitenlandse mogendheden en zo de nationale veiligheid in gevaar te brengen en dat de situatie van deze media wat censuur, berechting en strenge bestraffing betreft, blijft verslechteren ondanks het officiële einde van de regering-Bouteflika; overwegende dat de veiligheidsbeperkingen ter bestrijding van de COVID-19-crisis tot scherper toezicht hebben geleid en door de autoriteiten worden gebruikt om de ruimte voor het maatschappelijk middenveld verder in te perken, vreedzaam protest te beperken en de vrijheid van meningsuiting te belemmeren;

D.  overwegende dat er tegen deze actuele achtergrond van repressie in Algerije steeds meer beschuldigingen worden geuit van foltering in politiebureaus en in het directoraat-generaal interne veiligheid (DGSI) in Algiers, bijvoorbeeld in de zaak van de gevangene Walid Nekkiche;

E.  overwegende dat tussen 30 maart en 16 april 2020 drie mededelingen aan de Algerijnse regering zijn toegezonden in het kader van de speciale procedures van de VN over willekeurige en gewelddadige arrestaties, oneerlijke processen en represailles tegen mensenrechtenverdedigers en vreedzame activisten, en daaropvolgend een vierde mededeling van 27 augustus 2020 over Mohamed Khaled Drareni;

F.  overwegende dat Mohamed Khaled Drareni, correspondent voor TV5MONDE, vertegenwoordiger van verslaggevers zonder grenzen en directeur van de nieuwssite Casbah Tribune, in augustus 2020 is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en een geldboete van 50 000 Algerijnse dinar omdat hij heeft gefilmd dat de politie demonstranten in Algiers heeft aangevallen; overwegende dat hij er officieel van werd beschuldigd aan te zetten tot een ongewapende bijeenkomst en de integriteit van het nationale grondgebied te ondermijnen; overwegende dat zijn straf op 15 september 2020 in beroep tot twee jaar werd teruggebracht; overwegende dat de speciale rapporteurs en de werkgroep van de speciale procedures van de VN op 16 september 2020 zijn gevangenisstraf in de krachtigste bewoordingen hebben veroordeeld, de Algerijnse autoriteiten hebben opgeroepen voor zijn onmiddellijke vrijlating te zorgen en zijn veroordeling hebben omschreven als een duidelijke schending van het recht op vrije meningsuiting, vreedzame vergadering en vereniging;

G.  overwegende dat Mohamed Khaled Drareni vanaf het begin in februari 2019 verslag heeft uitgebracht over de protestacties die de Hirak-beweging twee keer per week hield; overwegende dat hij het harde optreden van de Algerijnse overheid, dat in strijd was met het recht op vreedzame vergadering en op vrije meningsuiting, heeft bekendgemaakt, en dat dit ertoe heeft geleid dat hij drie keer vóór zijn veroordeling, meer bepaald op 14 mei 2019, 9 augustus 2019 en 9 januari 2020, werd opgesloten, ondervraagd en geïntimideerd vanwege zijn berichtgeving over de Hirak-protestacties, en dat overheidsfunctionarissen twee keer hebben geprobeerd hem om te kopen; overwegende dat hem werd gezegd dat zijn laatste opsluiting als definitieve waarschuwing gold vooraleer hij naar de rechter zou worden verwezen; overwegende dat Mohamed Khaled Drareni op 7 maart 2020 is gearresteerd tijdens een Hirak-protestactie; overwegende dat Drareni op 10 maart 2020 werd vrijgelaten, maar op 27 maart 2020 opnieuw werd gearresteerd;

H.  overwegende dat meer dan twintig andere vreedzame demonstranten werden aangehouden op de dag van zijn eerste arrestatie; overwegende dat twee van deze arrestanten werden aangehouden omdat zij met de Berbervlag hadden gezwaaid; overwegende dat de Berbervlag tijdens de Hirak-protestacties vaak werd gebruikt; overwegende dat generaal Ahmed Gaïd Salah het gebruik van de vlag in juni 2019 heeft verboden; overwegende dat voormalige functionarissen van het regime de afgelopen maanden zijn begonnen met een lastercampagne tegen de Kabylische bevolking die voor het grootste deel uit Berbers bestaat, wat zou kunnen leiden tot etnische verdeeldheid binnen de Hirak-beweging; overwegende dat Berber- en Hirak-activisten, waaronder Yacine Mebarki, nog steeds te maken krijgen met willekeurige arrestaties vanwege het uiten van afwijkende religieuze en politieke standpunten;

I.  overwegende dat de openbare ruimte voor de burgers werd opgeëist bij de Hirak-protestacties; overwegende dat de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en de aan journalisten opgelegde beperkingen zijn aangescherpt, met name sinds de Hirak-beweging vanwege COVID-19 online is gegaan, met name door internetsites te blokkeren, televisieprogramma’s te censureren en journalisten vast te houden en te intimideren, evenals mediamanagers en demonstranten die hun visie kenbaar maakten op sociale media, en dat in april en mei 2020 minstens zes onlinenieuwssites op Algerijnse netwerken zijn geblokkeerd;

J.  overwegende dat volgens schattingen van lokale rechtengroeperingen tussen maart en juni 2020 minstens 200 mensen te maken kregen met willekeurige arrestatie omdat zij hun mening hadden geuit of de Hirak-beweging zouden hebben gesteund; overwegende dat het nationaal comité voor de vrijlating van gedetineerden (CNLD) heeft aangetoond dat er op 17 november 2019 ten minste 91 gewetensgevangenen werden vastgehouden, tegenover 44 eind augustus, en dat een aantal van hen voor onbepaalde duur in voorlopige hechtenis zit; overwegende dat het risico van een COVID-19-uitbraak in de gevangenis een extra bedreiging vormt voor degenen die worden vastgehouden omdat zij hun politieke standpunten kenbaar hebben gemaakt; overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, op 25 maart 2020 in het kader van de COVID-19-pandemie heeft opgeroepen tot de vrijlating van politieke gevangenen en personen die worden vastgehouden vanwege het uiten van kritische standpunten;

K.  overwegende dat activisten, in het bijzonder Feminicides-dz sinds januari 2020 melding hebben gemaakt van 41 gevallen van femicide; overwegende dat vrouwenrechtenbewegingen het toenemende geweld tegen vrouwen en het aantal gevallen van femicide in 2020 sterker veroordeeld hebben en verzocht hebben om herziening van geldende wetten, met name het wetboek familierecht en een aantal artikelen van het wetboek van strafrecht, zodat de volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen gewaarborgd wordt;

L.  overwegende dat Algerije in april 2020 door middel van Wet 20-06 ook wijzigingen in het wetboek van strafrecht heeft aangenomen waarmee de uitoefening van grondrechten als de persvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging verder ingeperkt en strafbaar gesteld worden, hetgeen gerechtvaardigd werd met de kunstmatige motivering dat het hierbij gaat om “nepnieuws” ter ondermijning van de Algerijnse staat; overwegende dat de Algerijnse autoriteiten in toenemende mate gebruikmaken van vage artikelen in het wetboek van strafrecht, waaronder de in april 2020 toegevoegde artikelen, om mensen te vervolgen die hun recht op vrijheid van meningsuiting en op vreedzame vereniging en vergadering uitoefenen; overwegende dat iemand die voor het eerst een strafbaar feit pleegt veroordeeld kan worden tot maximaal vijf jaar gevangenisstraf wanneer het feit gepleegd is tijdens “een uitgaansverbod dat is afgekondigd met het oog op de volksgezondheid, tijdens een natuurramp, een biologische ramp, een technologische ramp, of een andere ramp”;

M.  overwegende dat de Algerijnse autoriteiten in het kader van hun optreden tegen het maatschappelijk middenveld een van boven naar onder gericht constitutioneel herzieningsproces hebben doorgevoerd, kennelijk als onderdeel van de toezegging die president Tebboune bij zijn beëdiging heeft gedaan om in reactie op de protesten van de Hirak-beweging “een nieuw Algerije” op te bouwen; overwegende dat deze herziening brede steun in de Algerijnse samenleving ontbeert en dat onafhankelijke maatschappelijke organisaties kritiek op de herziening hebben geleverd door te stellen dat deze strijdig is met internationale normen inzake inclusiviteit, participatie, transparantie en soevereiniteit bij het constitutioneel proces; overwegende dat de gelijktijdige grootschalige arrestaties van activisten van het maatschappelijk middenveld en journalisten de publieke legitimiteit van het constitutionele herzieningsproces volledig hebben ondermijnd;

N.  overwegende dat in Algerije op 1 november 2020 een referendum is gehouden over de herziening van de grondwet, waaronder een beperking van de presidentiële ambtstermijn tot twee termijnen; overwegende dat de opkomst bij het referendum in Algerije de laagste was sinds de onafhankelijkheid in 1962, waarbij officieel een opkomst van 23,7 % werd gemeld; overwegende dat de nieuwe grondwet officieel is goedgekeurd door 66,8 % van de kiezers; overwegende dat de nieuwe grondwet na terugkeer van de president in Algerije nog geratificeerd moet worden;

O.  overwegende dat de in artikel 54 van de herziene Algerijnse grondwet officieel verankerde persvrijheid gehandhaafd wordt, op voorwaarde dat daarbij de “tradities en de religieuze, morele en culturele waarden van de natie” geëerbiedigd worden; overwegende dat dergelijke inperkingen van de persvrijheid strijdig zijn met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door Algerije is geratificeerd; overwegende dat in algemene opmerking nr. 16 van de VN‑mensenrechtencommissie staat dat “geen enkel mediakanaal gestraft kan worden voor het bekritiseren van een politiek of sociaal systeem”; overwegende dat de herziening tevens een gevaarlijke wijziging met zich meebrengt, doordat de politieke rol en de bevoegdheden van het leger worden geconstitutionaliseerd; overwegende dat de invloed van de president op alle instituties, waaronder de rechterlijke macht, in de herziene grondwet gehandhaafd blijft;

P.  overwegende dat de Nationale Unie van Magistraten (SNM) heeft de Algerijnse autoriteiten heeft veroordeeld wegens het wijdverbreid toepassen en het maken van misbruik van het voorarrest; overwegende dat beroepsmatige sancties zijn opgelegd aan leden van de rechterlijke macht nadat zij vreedzame activisten hadden vrijgesproken of nadat zij eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht hadden geëist van de uitvoerende autoriteiten;

Q.  overwegende dat Algerije in 2020 op de 146e plaats van 180 landen staat in de wereldindex voor persvrijheid van Verslaggevers zonder grenzen – vijf plaatsen lager dan in 2019 en 27 plaatsen lager dan in 2015;

R.  overwegende dat Algerije een cruciale partner voor de Europese Unie is in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid, waarbij de Europese Unie belangrijke politieke, economische en intermenselijke belangen in het land en in de regio heeft; overwegende dat de prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Algerije een uitdrukking zijn van de gedeelde toewijding aan de universele waarden van democratie, de rechtsstaat en mensenrechten;

1.  veroordeelt ten stelligste de toename van willekeurige en onrechtmatige arrestaties, gevangenneming en gerechtelijke intimidatie van journalisten, voorvechters van de mensenrechten, vakbondsleden, advocaten, het maatschappelijk middenveld en vreedzame activisten in Algerije, waardoor er geen enkele ruimte bestond voor politieke dialoog over de ondemocratische herziening van de grondwet en de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering; veroordeelt het feit dat de invoering van noodmaatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie wordt gebruikt als voorwendsel om de grondrechten van de Algerijnse bevolking in te perken;

2.  verzoekt de Algerijnse autoriteiten Mohamed Khaled Drareni onmiddellijk en onvoorwaardelijk in vrijheid te stellen, evenals alle andere personen die gevangengehouden worden en aangeklaagd zijn wegens uitoefening van hun recht op vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, en van hun recht op vrijheid van vereniging en vergadering, onder wie Yacine Mebarki, Abdellah Benaoum, Mohamed Tadjadit, Abdelkrim Zeghileche, Walid Kechida, Brahim Laalami Aissa Chouha, Zoheir Kaddam, Walid Nekkiche, Nourreddine Khimoud en Hakim Addad; onderstreept andermaal het feit dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, in het kader van de COVID-19-pandemie heeft opgeroepen tot vrijlating van alle politieke gevangenen en personen die worden vastgehouden vanwege het uiten van afwijkende standpunten; verzoekt de Algerijnse autoriteiten de blokkade van mediakanalen op te heffen en een halt toe te roepen aan de arrestatie en gevangenhouding van politieke activisten, journalisten en voorvechters van de mensenrechten, en van alle personen die een afwijkend standpunt uiten of kritiek hebben op de regering;

3.  herhaalt dat de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van de vrijheid van journalisten en burgerjournalisten om protesten of andere uitdrukkingen van ontevredenheid met de regering of met aan de regering gerelateerde instituties of personen te verslaan, te analyseren en van commentaar te voorzien, fundamenteel is voor een volledig democratische politieke transitie;

4.  betuigt zijn solidariteit met alle Algerijnse burgers – vrouwen en mannen van uiteenlopende geografische, sociaaleconomische en etnische herkomst – die sinds februari 2019 vreedzaam hebben gedemonstreerd voor een staat onder civiele controle, volkssoevereiniteit, eerbiediging van de rechtsstaat, sociale rechtvaardigheid en gendergelijkheid; verzoekt de Algerijnse autoriteiten passende maatregelen te nemen ter bestrijding van corruptie;

5.  herhaalt zijn oproep aan de Algerijnse autoriteiten om een halt toe te roepen aan elke vorm van bedreiging, gerechtelijke intimidatie, criminalisering of willekeurige arrestatie en gevangenhouding van kritische journalisten, bloggers, voorvechters van de mensenrechten, advocaten en activisten, en om passende maatregelen te nemen, zodat iedereen zijn recht kan uitoefenen op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering, vrijheid van de media en vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of levensovertuiging, waarbij deze rechten gewaarborgd worden door de Algerijnse grondwet en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Algerije heeft ondertekend en geratificeerd; veroordeelt elke vorm van buitensporig gebruik van geweld door wetshandhavers bij het uiteendrijven van vreedzame demonstraties; herhaalt zijn verzoek aan de Algerijnse autoriteiten een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar alle gevallen waarbij wetshandhavers buitensporig geweld gebruikten, en alle daders ter verantwoording te roepen; roept de Algerijnse autoriteiten ertoe op hun internationale toezeggingen in het kader van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing ten uitvoer te leggen;

6.  merkt op dat enkele politieke activisten voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld sinds het Parlement zijn resolutie van 28 november 2019 heeft aangenomen, onder wie de oppositieleden Karim Tabbou, Mustapha Bendjema en Khaled Tazaghart;

7.  verzoekt de Algerijnse autoriteiten te zorgen voor de instelling van een vrije ruimte voor het maatschappelijk middenveld waar een echte politieke dialoog op gang kan komen en waar de fundamentele vrijheden niet strafbaar worden gesteld; verlangt dat de Algerijnse regering hiertoe nieuwe wetgeving aanneemt die volledig in overeenstemming is met internationale normen en die niet voorziet in uitzonderingen welke illegaal zijn uit hoofde van het internationaal recht, met name de door Algerije geratificeerde verdragen, waaronder de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie; benadrukt dat deze vrije ruimte voor het maatschappelijk middenveld een voorwaarde is voor een democratisch en door civiele krachten geleid Algerije; betreurt het feit dat buitenlandse verslaggevers nog steeds te maken krijgen met administratieve obstakels en belemmeringen bij het verkrijgen van de persvisa die zij nodig hebben om in het land te werken;

8.  herinnert eraan dat eerbiediging van de democratische beginselen en grondrechten zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens een van de essentiële aspecten is van de associatieovereenkomst tussen de EU en Algerije van 2005; onderstreept dat tijdens deze politieke transitie gewaarborgd moet worden dat Algerijnen van welk gender en welke geografische, sociaaleconomische en etnische herkomst dan ook, met inbegrip van de Imazighen, het recht hebben om ten volle deel te nemen aan het democratische proces en hun recht op deelname aan openbare aangelegenheden kunnen uitoefenen, onder meer door de afkalving van de ruimte voor een onafhankelijk maatschappelijk middenveld, journalistiek en politiek activisme te keren;

9.  geeft uitdrukking aan zijn bezorgdheid over nieuwe restrictieve wetten, zoals Wet 20‑06, die de verspreiding van “nepnieuws” waarmee de reputatie van overheidsfunctionarissen wordt beschadigd en de financiering van verenigingen wordt ondermijnd, op een willekeurige manier strafbaar stellen; benadrukt dat deze wet ettelijke bepalingen bevat die een schending vormen van de internationale normen inzake vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging, met inbegrip van de artikelen 19 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

10.  dringt erop aan dat de Algerijnse autoriteiten de huidige restrictieve Wet 12-06 van 2012 op verenigingen herzien, alsook Wet 91-19 van 1991 op openbare bijeenkomsten en demonstraties, die voorziet in toestemming vooraf, en erop toezien dat de betrokken bestuurlijke autoriteit onverwijld een registratiebevestiging afgeeft aan diverse organisaties van het maatschappelijk middenveld, aan non-gouvernementele organisaties, en aan religieuze en liefdadigheidsorganisaties die een verzoek tot hernieuwde registratie hebben ingediend;

11.  betreurt de wijzigingen van het Algerijnse wetboek van strafrecht in april 2020, waarmee de persvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging zijn ingeperkt; dringt erop aan dat de Algerijnse autoriteiten het wetboek van strafrecht herzien, in het bijzonder de artikelen 75, 79, 95 bis, 98, 100, 144, 144 bis, 144 bis 2, 146 en 196 bis, en in overeenstemming brengen met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren, zodat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering niet langer strafbaar worden gesteld;

12.  is ermee ingenomen dat de status van het Tamazight als nationale en officiële taal op grond van de artikelen 4 en 223 van de herziene grondwet versterkt is; benadrukt dat dergelijke verklaringen niet mogen dienen als middel om de structurele problemen van de Tamazight te veronachtzamen, of om tweedracht te zaaien binnen de Hirak-beweging; verzoekt de Algerijnse autoriteiten erop toe te zien dat het gebruik van het Arabisch en van het Tamazight voor de wet gelijk behandeld wordt; roept de Algerijnse regering ertoe op het verbod op de Amazigh-vlag op te heffen en alle personen die vastgehouden worden wegens het tonen van Amazigh-symbolen vrij te laten;

13.  ondersteunt de Algerijnse advocaten en andere juristen die ondanks de omstandigheden en de risico’s die hiermee gepaard gaan volharden in het toepassen van de strengste justitiële normen; verzoekt de Algerijnse autoriteiten de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de onpartijdigheid van het rechtsstelsel ten volle te waarborgen en beperkingen, ongepaste beïnvloeding, druk, bedreigingen of inmenging in de juridische besluitvorming en in andere juridische kwesties een halt toe te roepen en te verbieden;

14.  verzoekt de Algerijnse autoriteiten te voorzien in zowel volledige verantwoordingsplicht en civiel en democratisch toezicht op de strijdkrachten als in de effectieve onderwerping van de strijdkrachten aan een rechtmatig gevormde civiele autoriteit, en er zorg voor te dragen dat de rol van het leger adequaat gedefinieerd wordt in de grondwet en uitdrukkelijk beperkt wordt tot nationale defensieaangelegenheden;

15.  dringt er bij de Algerijnse autoriteiten op aan internationale mensenrechtenorganisaties en speciale procedures van de VN toegang tot het land te verlenen;

16.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de administratieve belemmeringen voor religieuze minderheden in Algerije, en met name over Besluit 06-03; moedigt de Algerijnse regering aan Besluit 06-03 te herzien en verder af te stemmen op de grondwet en de internationale mensenrechtenverplichtingen, met name artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; roept op tot eerbiediging van de vrijheid van geloofsbelijding van alle religieuze minderheden;

17.  verwacht van de EU dat zij de situatie van de mensenrechten centraal stelt in haar betrekkingen met de Algerijnse autoriteiten, met name tijdens de komende Associatieraad EU-Algerije; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden een lijst van bijzonder zorgwekkende gevallen op te stellen en deze bij te houden, met inbegrip van de in deze resolutie genoemde gevallen, en regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de voortgang bij de oplossing van deze gevallen;

18.  roept de EDEO, de Commissie en de lidstaten ertoe op om samen met de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten groepen van het maatschappelijk middenveld, voorvechters van de mensenrechten, journalisten en betogers te ondersteunen, onder meer door een assertiever publiek standpunt in te nemen inzake de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat in Algerije, door schendingen van de mensenrechten duidelijk en in het openbaar te veroordelen, door de autoriteiten ertoe op te roepen personen die willekeurig vastgehouden worden vrij te laten en een einde te maken aan de buitensporige toepassing van het voorarrest, door toegang tot gevangenen te eisen en processen tegen activisten, journalisten en voorvechters van de mensenrechten kritisch te volgen en de mensenrechtensituatie in Algerije nauwlettend te monitoren, en daarbij gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten;

19.  onderstreept hoe belangrijk de betrekkingen tussen de EU en Algerije zijn, waarbij Algerije een belangrijk buurland en partner is; herinnert aan het belang van sterke en diepgaande betrekkingen tussen de EU en Algerije en bevestigt andermaal vastbesloten te zijn deze betrekkingen te bevorderen op basis van volledige eerbiediging van gemeenschappelijke waarden zoals eerbiediging van de mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en vrijheid van de media;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de EU-delegatie in Algiers, de regering van Algerije, de secretaris-generaal van de VN en de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, en de Raad van Europa.

(1) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0072.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0188.

Laatst bijgewerkt op: 26 februari 2021Juridische mededeling - Privacybeleid