Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2206(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0245/2020

Ingediende teksten :

A9-0245/2020

Debatten :

PV 14/12/2020 - 27
CRE 14/12/2020 - 27

Stemmingen :

PV 16/12/2020 - 2
PV 17/12/2020 - 2

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0361

Aangenomen teksten
PDF 184kWORD 58k
Donderdag 17 december 2020 - Brussel
Tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening
P9_TA(2020)0361A9-0245/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening (2019/2206(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 78, lid 2, onder e), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 80 van het VWEU over de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, ook op financieel vlak,

–  gezien de artikelen 1, 2, 3, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 2, 3, 5, 8 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien het mondiaal pact inzake vluchtelingen van de Verenigde Naties,

—  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het bijbehorende Protocol van 1967 (Verdrag van Genève),

—  gezien Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking), ook wel de “Dublin III-verordening” genoemd(1),

—  gezien Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad van 14 september 2015(2) en Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad van 22 september 2015(3) tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0270) tot herziening van de Dublin III-verordening,

–  gezien het onderhandelingsmandaat dat op 19 oktober 2017 door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken werd goedgekeurd en dat op 16 november 2017 door de plenaire vergadering werd aangenomen en op 17 oktober 2019 door de Conferentie van voorzitters werd bevestigd,

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(4),

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie in verband met Verordening (EU) nr. 604/2013, met name C-695/15 PPU Mirza (ECLI:EU: C:2016:188), C-63/15 Ghezelbash (Grote kamer) (*) (ECLI:EU:C:2016:409), C-155/15 Karim (ECLI:EU:C:2016:410), C-578/16 PPU C.K. e.a. (*) (ECLI:EU:C:2017:127), C‑528/15 Al Chodor (ECLI:EU:C:2017:213), C-36/17 Ahmed (Beschikking) (ECLI:EU:C:2017:273), C-490/16 A.S. (Grote kamer) (ECLI:EU:C:2017:585), C‑646/16 Jafari (Grote kamer) (*) (ECLI:EU:C:207:586), C-670/16 Mengesteab (Grote kamer) (ECLI:EU:C:2017:587), C-60/16 Khir Amayri (ECLI:EU:C:2017:675), C-201/16 Shiri (ECLI:EU:C:2017:805), C-360/16 Hasan (ECLI:EU:C:2018:35), C‑647/16 Hassan (ECLI:EU:C:2018:368), C-213/17 X (ECLI:EU:C:2018:538), C‑56/17 Fathi (ECLI:EU:C:2018:803), C-47/17 X (Grote kamer) (ECLI:EU:C:2018:900), C-661/17 M.A. e.a. (Grote kamer) (*) (ECLI:EU:C:2019:53), C-163/17 Jawo (Grote kamer) (*) (ECLI:EU:C:2019:218), C-582/17 H. (Grote kamer) (*) ECLI:EU:C:2019:280 en C-715/17, C-718/17 en C-719/17 Commissie/Polen, Hongarije en de Tsjechische Republiek,

—  gezien de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in verband met Verordening (EU) nr. 604/2013, met name Sharifi/Oostenrijk van 5 december 2013 (Kamer), Mohammadi/Oostenrijk van 3 juli 2014 (Kamer), Sharifi e.a./Italië en Griekenland van 21 oktober 2014 (Kamer), Tarakhel/Zwitserland van 4 november 2014 (Grote kamer), en EHRM, M.S.S./België en Griekenland (Grote kamer),Verzoek nr. 30696/09, arrest van 21 november 2011 (Grote kamer) in verband met Verordening (EG) nr. 343/2003 van 18 februari 2003 (Dublin II),

—  gezien de Europese migratieagenda van de Commissie van 13 mei 2015 (COM(2015)0240),

—  gezien de zogenoemde Verklaring van Malta van september 2019,

—  gezien de studie van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen van augustus 2017, getiteld “Left in limbo”, over de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening,

—  gezien de evaluatie van de Dublin III-verordening in 2015 en de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening in 2016, die in opdracht van de Commissie door ICF International werden uitgevoerd,

—  gezien Speciaal verslag nr. 2019/24 van de Europese Rekenkamer van november 2019, getiteld “Asiel, herplaatsing en terugkeer van migranten: tijd om de inspanningen op te voeren en de kloof tussen doelstellingen en resultaten te dichten”,

—  gezien de mededeling van de Commissie getiteld “COVID-19: richtsnoeren betreffende de uitvoering van de relevante EU-bepalingen op het gebied van de asiel- en terugkeerprocedures en betreffende hervestiging” (2020/C 126/02),

—  gezien het verslag van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken van 2 juni 2020 over de COVID-19-noodmaatregelen in het asielstelsel en de opvangvoorzieningen,

–  gezien het jaarverslag over de asielsituatie in de Europese Unie van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) van juni 2020,

—  gezien de door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) verrichte evaluatie van de tenuitvoerlegging van de Dublinverordening van januari 2019, opgesteld door Dr. Amandine Scherrer van de afdeling Evaluatie achteraf, directoraat Effectbeoordeling en Europese Meerwaarde (eerste deel), en door het onderzoeksteam van de Europese Raad voor vluchtelingen en ballingen (ECRE), op verzoek van de afdeling Evaluatie achteraf (tweede deel),

—  gezien andere in opdracht van het Europees Parlement uitgevoerde studies, met name de EPRS-evaluatie van de tenuitvoerlegging van de Dublinverordening en de asielprocedures in Europa door Gertrud Malmersjo en Milan Remáč van 2016, de studie van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken (directoraat-generaal Intern Beleid) over de hervorming van de Dublin III-verordening door Francesco Maiani van juni 2016, de EPRS-studie “De kosten van een niet-verenigd Europa inzake asielbeleid” door Wouter van Ballegooij en Cecilia Navarra van oktober 2018 en de EPRS-studie over de hervorming van het Dublinsysteem door Anja Radjenovic van maart 2019,

—  gezien de hoorzitting van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) van 19 februari 2020,

—  gezien de antwoorden van de parlementen van de lidstaten over hun werkzaamheden met betrekking tot de Dublin III-verordening, verstrekt via het geautomatiseerde systeem van het Europees Centrum voor parlementair onderzoek en documentatie,

—  gezien het antwoord van Duitsland op een lijst van vijf vragen die de voorzitter van de LIBE-commissie en de rapporteur hebben gericht tot alle nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de Dublinprocedure,

—  gezien de studiebezoeken van de rapporteur aan Bochum (Duitsland), Ter Apel (Nederland), Boekarest (Roemenië) en Lampedusa (Italië),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement, alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien de brief van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,

—  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0245/2020),

A.  overwegende dat in 2015 door 1 393 920 asielzoekers en in 2016 door 1 292 740 asielzoekers een verzoek om internationale bescherming in de EU+-landen is ingediend, een verviervoudiging ten opzichte van 2012 (373 375) en 2013 (464 515); overwegende dat het aantal verzoeken om internationale bescherming in de EU+-landen in 2018 (665 920) en 2019 (738 425) opnieuw is gestegen, en in 2019 overeenkwam met 0,13 % van de totale bevolking van de EU;

B.  overwegende dat kinderen nagenoeg de helft van de in de EU ingediende asielverzoeken uitmaken en dat ongeveer 17 700 niet-begeleide minderjarigen in 2019 een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend; overwegende dat 86 % hiervan jongens waren en dat 90 % tussen 14 en 18 jaar oud waren;

C.  overwegende dat een lidstaat die een visum afgeeft aan een onderdaan van een derde land overeenkomstig artikel 12 van de Dublin III-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming; overwegende dat het verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze die het grondgebied betreedt van een lidstaat waar hij niet visumplichtig is, overeenkomstig artikel 14 van de Dublin III-verordening door die lidstaat moet worden behandeld;

D.  overwegende dat er in 2019 145 000 besluiten inzake Dublinverzoeken werden afgegeven; overwegende dat het aanvaardingspercentage bij besluiten over Dublinverzoeken in 2019 62 % bedroeg;

E.  overwegende dat tussen 2008 en 2017 slechts één derde van de lidstaten onderdak heeft geboden aan 90 % van de asielzoekers;

F.  overwegende dat de criteria voor het vaststellen van de verantwoordelijkheid van een lidstaat voor een asielverzoek, in rangorde van prioriteit, de gezinseenheid, de afgifte van verblijfstitels of visa, illegale binnenkomst of verblijf en visumvrijstelling omvatten; overwegende dat, wanneer geen enkel van deze criteria van toepassing is, de lidstaat waar een asielverzoek het eerst werd ingediend de verantwoordelijke lidstaat wordt uit hoofde van artikel 3, lid 2; overwegende dat door de onevenredige toepassing van artikel 13, dat bepaalt dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek bij de lidstaat van eerste illegale binnenkomst berust, de verantwoordelijkheden niet eerlijk over de EU-lidstaten zijn verdeeld; overwegende dat verschillende lidstaten van eerste binnenkomst in het Middellandse Zeegebied, met name Griekenland, Italië, Malta, Cyprus en Spanje, een groot aandeel van de eerste verzoeken hebben ontvangen, met name tijdens de crisis van 2015-16;

G.  overwegende dat in 2018 Duitsland (82,8 miljoen inwoners, 18,6 % van de totale EU-bevolking) het grootste aantal asielverzoeken heeft geregistreerd (184 180 verzoeken, ofwel 28 % van het totaal, en 0,22 % van zijn bevolking), gevolgd door Frankrijk (66,9 miljoen inwoners, 15 % van de totale EU-bevolking) met 120 425 verzoeken (19 % van het totale aantal verzoeken, 0,18 % van zijn bevolking), Griekenland (10,74 miljoen inwoners, 2,4 % van de totale EU-bevolking) met 66 695 verzoeken (11 % van het totale aantal verzoeken, 0,62 % van zijn bevolking), Italië (60,48 miljoen inwoners, 13,6 % van de totale EU-bevolking) met 59 950 verzoeken (10 % van het totale aantal verzoeken, 0,01 % van zijn bevolking), en Spanje (46,66 miljoen inwoners, 10,49 % van de totale EU-bevolking) met 52 700 verzoeken (9 % van het totale aantal verzoeken, 0,11 % van zijn bevolking);

H.  overwegende dat Duitsland en Frankrijk tussen 2016 en 2019 veruit de meeste Dublinverzoeken hebben ingediend (68 % van alle verzoeken in de EU), terwijl Spanje, Estland, Litouwen, Letland, Slowakije, Bulgarije, Polen en Tsjechië weinig verzoeken hebben ingediend; overwegende dat Spanje ondanks een groot en toenemend aantal asielverzoeken vrijwel geen Dublinverzoeken heeft ingediend; overwegende dat er grote verschillen zijn tussen de landen, en dat tussen 2016 en 2019 54,6 % van de overdrachten uitgevoerd zijn vanuit Griekenland, 42,2 % vanuit Zweden, 11,2 % vanuit Duitsland, 6,7 % vanuit Frankrijk en 1,6 % vanuit Italië; overwegende dat er voor een aantal landen een groot gebrek aan informatie bestaat;

I.  overwegende dat de Dublin III-verordening uitgaat van de basisveronderstelling dat asielzoekers gelijke rechten krijgen in alle lidstaten en dat elk verzoek eerlijk wordt onderzocht, eender waar dit in de EU werd ingediend; overwegende dat de werkelijkheid er heel anders uitziet;

J.  overwegende dat lidstaten slechts in zeer beperkte mate gebruik hebben gemaakt van de bepalingen betreffende afhankelijke personen (artikel 16) of de humanitaire en discretionaire bepalingen (artikel 17) van de verordening; overwegende dat deze bepalingen redelijke oplossingen bieden voor gezinshereniging of herplaatsing, ook na ontscheping;

K.  overwegende dat de bepalingen inzake de rangorde van criteria en de toepasselijke termijnen in de meeste Dublinprocedures niet correct worden toegepast en dat overdrachten niet worden uitgevoerd; overwegende dat die tekortkomingen in omstandigheden waarbij kinderen en gezinnen zijn betrokken, bijzonder schadelijk zijn voor het belang van het kind en het recht van asielzoekers op gezinshereniging;

L.  overwegende dat gegevens en studies over de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening een routinematige veronachtzaming van de bepalingen in verband met het gezin en een onjuiste toepassing van het beginsel inzake de prioritaire belangen van het kind aan het licht brengen; overwegende dat bijvoorbeeld in 2018 het criterium van gezinseenheid slechts werd ingeroepen in 5 % van de verzoeken tot overname in Frankrijk (op een totaal van 12 000 verzoeken) en in 3,7 % van de verzoeken in Duitsland (op een totaal van 17 500), met zelfs lagere percentages in België, Zweden en Zwitserland; overwegende dat Griekenland daarentegen 79,3 % van zijn verzoeken tot overname in 2018 heeft gebaseerd op het criterium van gezinseenheid; overwegende dat verzoeken voor gezinshereniging minder vaak worden aanvaard (48 % van de gevallen), in vergelijking met het aanvaardingspercentage voor alle procedures (67,6 %); overwegende dat de effectieve uitvoering van de artikelen 16 en 17 van de verordening ervoor kan zorgen dat het recht van asielzoekers op een gezinsleven en op eenheid van het gezin wordt geëerbiedigd;

M.  overwegende dat er aanzienlijke tekortkomingen zijn geweest bij de tenuitvoerlegging van de Dublin III- verordening, met name tijdens het grote aantal binnenkomsten in 2015 en tijdens de COVID-19-pandemie, hetgeen heeft geleid tot aantasting van het vertrouwen tussen de lidstaten en het recht op internationale bescherming en tot schendingen van de grondrechten; overwegende dat de Dublin III-regels ongeschikt zijn gebleken om het hoofd te bieden aan een aanzienlijke instroom van migranten, waardoor een systeem is ontstaan waarbij enkele lidstaten zowel qua verantwoordelijkheid als qua kosten onevenredig worden belast;

N.  overwegende dat het tijdelijke solidariteitsmechanisme voor opsporing en redding in de Middellandse Zee dat in de Verklaring van Malta werd vastgelegd en op 23 september 2019 door Duitsland, Frankrijk, Italië en Malta werd ondertekend, gedurende een periode van ten minste zes maanden geldig was; overwegende dat geen enkele andere lidstaat zich bij deze ad-hocovereenkomst heeft aangesloten;

O.  overwegende dat de bepaling inzake preventieve actie (artikel 33) nog nooit gebruikt is;

P.  overwegende dat artikel 28 van de Dublin III-verordening bewaring toestaat als uitzonderlijke maatregel “om overdrachtsprocedures [...] veilig te stellen”, wanneer er een “significant risico” bestaat dat de verzoeker onderduikt; overwegende dat deze definitie onduidelijk blijft en in de lidstaten verschillend wordt geïnterpreteerd;

Q.  overwegende dat het schort aan de naleving van de procedurele waarborgen voor asielzoekers, met name voor kinderen; overwegende dat de lengte van de procedures en het ontbreken van voorspelbare resultaten, in combinatie met slechte opvangomstandigheden en sociale onzekerheid, gevolgen hebben voor het welzijn van de asielzoekers, die in veel gevallen in eigen land en/of op weg naar de EU traumatische ervaringen hebben meegemaakt;

R.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening nauw samenhangt met de toepassing van andere handelingen in het Europees asiel- en migratiebeleid; overwegende dat met name tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de herschikte richtlijn asielprocedures (2013/32/EU), de herschikte opvangrichtlijn (2013/33/EU) en de herschikte erkenningsrichtlijn (2011/95/EU) gevolgen hebben gehad voor de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening; overwegende dat de Europese Commissie meer moet doen om ervoor te zorgen dat de lidstaten deze richtlijnen naleven, onder meer met behulp van inbreukprocedures;

S.  overwegende dat sommige van deze tekortkomingen eigen zijn aan het ontwerp van de Dublinverordening en niet kunnen worden opgelost door betere tenuitvoerlegging alleen;

T.  overwegende dat het door gebrek aan informatie niet mogelijk is een omvattende beoordeling van de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening te verrichten; overwegende dat statistische gegevens niet systematisch en consequent door de lidstaten worden verstrekt en niet dezelfde mate van gedetailleerdheid of frequentie hebben; overwegende dat er veel informatie ontbreekt over redenen voor verzoeken, duur van de procedures, middelen, ingetrokken verzoeken, mislukte overdrachten, beroepsprocedures, processen en bewaring;

U.  overwegende dat het Parlement op 6 november 2017 met een tweederdemeerderheid een wetgevingsresolutie over het herschikkingsvoorstel Dublin IV heeft aangenomen;

Inachtneming van het beginsel van solidariteit in het gemeenschappelijk Europees asielstelsel

1.  meent dat de huidige Dublin III-verordening een onevenredige verantwoordelijkheid legt bij een minderheid van lidstaten, vooral wanneer het aantal binnenkomsten groot is; meent dat het criterium van het land van eerste binnenkomst in de Dublin III-verordening wegens hun geografische ligging een ongeziene en onevenredige last legt op de landen in de frontlinie wat de registratie en opvang van asielzoekers betreft; wijst erop dat de Dublin III-verordening, zoals die is ontworpen en toegepast, niet in staat is gebleken de belangrijkste doelstelling ervan te waarborgen, namelijk snel te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor een asielaanvraag, en aldus te zorgen voor een eerlijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten en een doeltreffende en snelle toegang tot asielprocedures;

2.  beklemtoont dat de invoering van hotspots, in combinatie met het in 2015 door de Commissie voorgestelde tijdelijke herplaatsingsprogramma, bedoeld was om de behandeling van asielzoekers bij hun binnenkomst op EU-grondgebied te vergemakkelijken, en een pragmatische aanpak was om de tekortkomingen in de Dublin III-verordening, die op dat moment aan het licht kwamen, aan te pakken; herinnert er voorts aan dat EU-agentschappen zoals het EASO en Frontex hebben bijgedragen tot de ondersteuning van lidstaten die buitensporige lasten dragen bij de tenuitvoerlegging van het asielacquis en wijst op de noodzaak om de samenwerking tussen deze agentschappen te verbeteren;

3.  benadrukt dat de onjuiste toepassing van de rangorde van criteria, met name het buitensporige gebruik van het criterium van het eerste land van binnenkomst en de ondoeltreffende uitvoering van overdrachten, de onevenredige verantwoordelijkheid van bepaalde lidstaten, met name lidstaten in de frontlinie, heeft vergroot; is van mening dat de EU daarom behoefte heeft aan een duurzaam solidariteitsmechanisme dat billijke regels vaststelt voor de verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, overeenkomstig artikel 80 van het VWEU en met volledige eerbiediging van het fundamentele recht op veiligheid en bescherming van asielzoekers;

4.  acht het van essentieel belang om meer middelen en capaciteit ter beschikking te stellen van de lidstaten in de frontlinie, bijvoorbeeld via het EASO, zolang de Dublinregeling niet is hervormd;

5.  herinnert eraan dat het recht op asiel een grondrecht is; benadrukt dat de asielprocedure dient voor de behandeling van verzoeken om en het verlenen van internationale bescherming aan personen die daarvoor in aanmerking komen, waarbij een snelle en eerlijke beslissing wordt genomen voor degenen die niet in aanmerking komen;

6.  wijst erop dat lidstaten overeenkomstig artikel 24, lid 4, van de Dublin III-verordening kunnen verzoeken om een persoon terug te nemen of gebruik kunnen maken van een terugkeerprocedure voor personen van wie het verzoek om internationale bescherming in een lidstaat bij definitieve beslissing is afgewezen; benadrukt dat, in het kader van de toepassing van artikel 24, lid 4, de terugkeer van personen die niet in aanmerking komen voor internationale bescherming, met name op vrijwillige basis, kan bijdragen tot de goede werking van het migratiebeleid van de EU;

7.  is ingenomen met de herplaatsingsbesluiten van de Raad van 2015 en 2016 die werden aangenomen als een dringende solidariteitsmaatregel; spreekt zijn teleurstelling uit over de niet-nagekomen toezeggingen van de lidstaten inzake solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid, en erkent de positieve bijdrage van sommige lidstaten; herinnert eraan dat de Europese Commissie geen gevolg heeft gegeven aan de oproep van het Parlement in zijn resolutie van 18 mei 2017 om een verlenging van de herplaatsingsmaatregelen voor te stellen totdat de herschikking van de Dublin III‑verordening is aangenomen; benadrukt dat de ad-hocovereenkomsten inzake herplaatsing niet de plaats kunnen innemen van een geharmoniseerd en duurzaam gezamenlijk Europees asielstelsel (CEAS);

8.  betreurt dat de Raad, in tegenstelling tot het Parlement, geen standpunt over het herschikkingsvoorstel Dublin IV heeft ingenomen en daardoor de hervorming van de Dublin III-verordening, ondanks de goed gedocumenteerde tekortkomingen ervan, heeft geblokkeerd; meent dat deze blokkering kan worden gezien als een schending van het beginsel van loyale samenwerking tussen de EU-instellingen, zoals opgenomen in artikel 13, lid 2, van het VEU, ook gezien het feit dat de Raad altijd naar unanimiteit heeft gestreefd terwijl krachtens de Verdragen een gekwalificeerde meerderheid volstaat; betreurt ten zeerste dat de Unie nog steeds dezelfde regels hanteert die inefficiënt zijn gebleken om grote instromen te beheren; dringt aan op een snelle hervorming van het CEAS;

9.  merkt op dat het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing, paraatheid en crisisbeheersing van artikel 33 tot dusver nog niet is toegepast, zelfs niet tijdens de grote instroom van 2015-16; merkt voorts op dat nog geen beroep is gedaan op de bepalingen van de richtlijn tijdelijke bescherming die moeten zorgen voor tijdelijke bescherming in geval van een massale toestroom van ontheemden die niet naar hun land van herkomst kunnen terugkeren;

10.  meent dat in de EU een op solidariteit gebaseerd mechanisme moet worden opgezet om de continuïteit van het fundamentele asielrecht in de EU te waarborgen, met het doel de toegang tot asiel en de verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten te verzekeren; beklemtoont dat de bescherming van de grondrechten van asielzoekers altijd centraal moet staan in dit mechanisme; is van mening dat een dergelijk mechanisme moet voorzien in de deelname van maatschappelijke organisaties die professionele bijstand verlenen aan mensen die internationale bescherming nodig hebben, met name wanneer het juridische bijstand betreft;

11.  benadrukt dat de discretionaire bepaling in artikel 17, op basis waarvan een lidstaat kan besluiten een asielverzoek in behandeling te nemen ook al is hij op grond van de Dublin III-verordening niet als verantwoordelijke lidstaat aangewezen, op uiteenlopende wijze, zelden en slechts door enkele lidstaten wordt gebruikt; merkt op dat Duitsland, Nederland en Frankrijk in 2018 de meeste van deze gevallen voor hun rekening hebben genomen; verzoekt alle lidstaten beter gebruik te maken van de discretionaire bepaling in artikel 17 om bij gebrek aan een permanent solidariteitsmechanisme uitdagende situaties en humanitaire noodsituaties het hoofd te bieden; is van mening dat de discretionaire bepalingen van artikel 17 moeten worden gebruikt als solidariteitsinstrument voor het delen van verantwoordelijkheid, met name in situaties waarin een groot aantal personen aankomt over land of zee, of voor de overdracht van asielzoekers die momenteel in de hotspots wonen, in onmenselijke, onterende, ongezonde en onveilige omstandigheden en zonder voldoende toegang tot fysieke en mentale gezondheidszorg;

12.  is van mening dat bepalingen inzake de eenheid van het gezin, die bovenaan staan in de rangorde van criteria voor het vaststellen van de verantwoordelijkheid, doeltreffend moeten worden toegepast, en dat de bepalingen over afhankelijke personen (artikel 16) en de discretionaire bepalingen (artikel 17) breder kunnen worden gebruikt om de eenheid van het gezin te ondersteunen;

13.  wijst op de vele uitdagingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening; wijst op de aanzienlijke operationele en technische ondersteuning die het EASO aan de autoriteiten van de lidstaten biedt bij de tenuitvoerlegging van de Dublinprocedures, met name in de hotspots;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het werk van het EASO-personeel te vergemakkelijken door toe te staan dat het onderhoud met asielzoekers in een andere taal gebeurt dan die van het land waarin het onderhoud plaatsvindt, waarbij moet worden voorzien in vertolking in een taal die de asielzoeker begrijpt; beklemtoont dat het EASO zich bij zijn operationele werkzaamheden aan de hoogste normen moet houden en de belangen van de verzoekers die internationale bescherming nodig hebben, met inbegrip van de belangen van kinderen, centraal moet stellen; pleit voor de oprichting van een Europees Asielagentschap met voldoende financiële en personele middelen om de lidstaten bij de Dublinprocedures te ondersteunen; dringt aan op een adequate organisatie en personeelsbezetting van de Europese Dublineenheden om de afhandeling van de Dublinprocedures te stroomlijnen en te versnellen, en met name om de juiste toepassing van hoofdstuk III van de Dublin III-verordening te verzekeren, waarbij een asielzoeker met een bepaalde lidstaat wordt verbonden;

Eerbiediging van de grondrechten

15.  wijst erop dat de bescherming van de grondrechten een centrale plaats moet krijgen in alle maatregelen ter uitvoering van de Dublin III-verordening, met name de bescherming van kinderen, slachtoffers van mensenhandel, LGBTI-personen en andere kwetsbare personen; wijst op de menselijke kosten van de tekortkomingen van het CEAS voor asielzoekers, wier mentale gezondheid al verzwakt is door de trauma’s die zij hebben meegemaakt in hun land van herkomst en mogelijk op hun migratieroute;

16.  herinnert eraan dat asielzoekers het recht hebben om volledig geïnformeerd te worden over procedures; betreurt dat de informatie die aan asielzoekers wordt gegeven aanzienlijk verschilt van lidstaat tot lidstaat; dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat minderjarigen beschikken over kindvriendelijke informatie op maat en specifieke bijstand; beklemtoont dat het verstrekken van juridische bijstand en vertolking essentieel is om het recht van asielzoekers op informatie te garanderen;

17.  wijst erop dat de overdracht van asielzoekers, en met name kwetsbare personen, minderjarigen en gezinnen, kan leiden tot schendingen van hun mensenrechten; herhaalt dat non-refoulement en mensenrechtenschendingen voldoende redenen zijn om een overdracht op te schorten, zelfs wanneer het land van bestemming geen systemische tekortkomingen vertoont; dringt er bij de lidstaten op aan de risico’s waaraan verzoekers zouden worden blootgesteld in de lidstaat van bestemming correct te beoordelen; beklemtoont met name dat overdrachten zodanig moeten worden uitgevoerd dat personen in geen enkel geval worden blootgesteld aan het risico van refoulement;

18.  herinnert eraan dat, overeenkomstig artikel 28, de bewaring van asielzoekers in het kader van de Dublinprocedures een laatste redmiddel dient te zijn, enkel als dat in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, en als er geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast om te waarborgen dat de overdrachtsprocedures worden uitgevoerd in gevallen waarin er een significant risico bestaat op onderduiken; roept de lidstaten op concrete inspanningen te leveren om geldige alternatieven voor bewaring te vinden;

19.  is van mening dat bewaring zo kort mogelijk moet zijn en niet langer mag duren dan de tijd die redelijkerwijze nodig is om de vereiste administratieve procedures met de nodige zorgvuldigheid te vervullen totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening wordt uitgevoerd; beklemtoont dat de lidstaten bij gebrek aan geharmoniseerde criteria om het risico op onderduiken vast te stellen uiteenlopende en soms controversiële criteria hanteren; verzoekt de lidstaten en de Commissie om “een significant risico op onderduiken” te verduidelijken;

20.  spoort de lidstaten en de Commissie aan om duidelijk te stellen dat bewaring nooit in het belang van het kind is;

21.  herinnert eraan dat het volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens(5) onwettig is om bewaringsmaatregelen op te leggen aan minderjarigen zonder rekening te houden met hun belangen of indien van toepassing met hun individuele situatie als niet-begeleide minderjarige, of zonder dat er een evenredigheidsbeoordeling of alternatieven voor bewaring beschikbaar zijn;

22.  benadrukt dat het uiteindelijke doel van de bescherming van kinderen, onder andere tegen kinderhandel, altijd moet prevaleren, om ervoor te zorgen dat migrerende kinderen snel toegang hebben tot onderwijs, gezondheidszorg en passende huisvesting; benadrukt dat niet-begeleide kinderen passende bescherming moeten genieten, zoals doeltreffende voogdij;

23.  wijst op de talrijke en structurele tekortkomingen wat betreft de eerbiediging van de rangorde van criteria; beklemtoont dat de eenheid van het gezin verre van het vaakst toegepaste criterium is, hoewel het in hoofdstuk III van de verordening bovenaan in de rangorde staat; is van mening dat de lidstaten op basis van het beginsel van wederzijdse samenwerking de bevoegde autoriteiten en onderdanen van derde landen moeten helpen om tijdens de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is de vaststelling van bestaande familiebanden te verbeteren; verzoekt de Commissie de volledige eerbiediging van de rangorde van criteria te garanderen;

24.  acht het noodzakelijk om de voorwaarden voor de toepassing van het criterium voor gezinshereniging te verduidelijken en om, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de verordening, voorrang te geven aan de toepassing van de artikelen 8, 10 en 16 als voornaamste criteria om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, teneinde de efficiëntie van het recht op eenheid van het gezin te waarborgen en besluiten in verband met gezinshereniging sneller uit te voeren; roept de Commissie en de lidstaten op om de voor gezinshereniging vereiste bewijzen te harmoniseren met het oog op haalbaardere normen en vereisten; wijst erop dat definitie van een “gezin” verschilt van de ene lidstaat tot de andere, hetgeen bijdraagt tot het gebrek aan naleving van de rangorde van criteria en de slechte werking van het stelsel; roept de Commissie daarom op nauwlettend toe te zien op de correcte toepassing van de gezinsgerelateerde definities door de lidstaten, zoals bepaald in artikel 3 van de verordening;

25.  herinnert eraan dat het belang van het kind volgens de verordening in alle Dublinprocedures en besluiten met betrekking tot kinderen vooropgesteld moet worden; betreurt dat de lidstaten het belang van het kind verschillend interpreteren;

26.  betreurt dat ontoereikende identificatiemechanismen en soms foutieve methoden om de leeftijd te bepalen de situatie van minderjarigen vaak nog verergeren, vertragingen veroorzaken of het resultaat van de Dublinprocedures negatief beïnvloeden; merkt op dat in sommige lidstaten goede praktijken zijn ontwikkeld, zoals de inzet van gespecialiseerd personeel voor niet-begeleide minderjarigen of een multidisciplinaire aanpak om de leeftijd te bepalen;

27.  is erg bezorgd over het feit dat in veel lidstaten de benoeming van een vertegenwoordiger om niet-begeleide minderjarigen bij te staan bij de Dublinprocedures vaak vertraging oploopt of niet gewaarborgd is vanwege praktische problemen; merkt ook op dat de vertegenwoordigers in sommige landen onvoldoende op de hoogte zijn van de Dublinprocedures en dat niet-begeleide minderjarigen geen kindvriendelijke ondersteuning krijgen;

Vereenvoudiging van de procedures, aanzienlijke verkorting van de termijnen en handhaving van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte

28.  benadrukt dat het aantal overdrachtsprocedures in 2016-2017 aanzienlijk is toegenomen, wat aanzienlijke menselijke, materiële en financiële kosten met zich mee heeft gebracht; betreurt echter dat in slechts 11 % van de gevallen een overdacht heeft plaatsgevonden, hetgeen bijdraagt aan de frequente overbelasting van asielstelsels, waaruit duidelijk blijkt dat de verordening niet doeltreffend is; acht de inspanningen om toegang tot informatie, snelle procedures voor gezinshereniging en de overdracht van asielzoekers te waarborgen van essentieel belang;

29.  wijst op de uitgebreide jurisprudentie van het EHRM en HvJ-EU van de voorbije jaren waarin de toegestane redenen om Dublinoverdrachten te weigeren worden toegelicht, met name elke vorm van risico voor de betrokkene; wijst met name op het toenemende aantal besluiten van Europese en nationale rechtbanken waarin overdrachten worden opgeschort naar lidstaten waar een asielzoeker onterecht internationale bescherming zou worden ontzegd (indirect refoulement) of waar hem zijn rechten in de Dublinprocedure zouden worden ontzegd; betreurt dat asielzoekers in bepaalde lidstaten het slachtoffer zijn van onmenselijke of vernederende behandeling;

30.  merkt op dat tekortkomingen op het gebied van de structurele organisatie en werking van nationale asielautoriteiten en een tekort aan middelen hebben bijgedragen tot vertragingen in de Dublinprocedures en de toepassing van de verordening hebben belemmerd; merkt op dat de meeste landen een enkele gespecialiseerde asielautoriteit hebben, maar dat sommige landen ervoor hebben gekozen de verantwoordelijkheid te verdelen over verschillende autoriteiten, waardoor ze in bepaalde gevallen de praktische complexiteit voor asielzoekers hebben vergroot en verschillen in de toepassing van de verordening in de hand hebben gewerkt;

31.  beklemtoont dat de doeltreffendheid van de Dublinprocedures ook afhangt van de kwaliteit en personeelsbezetting van elke nationale asielautoriteit; merkt op dat er tussen de asielautoriteiten grote verschillen bestaan op het gebied van het aantal personeelsleden per asielzoeker; beklemtoont dat nationale Dublineenheden over te weinig personeel beschikken terwijl ze worden geconfronteerd met een forse toename van hun werkbelasting; verzoekt de lidstaten de middelen om Dublin III operationeel te maken, met name het aantal asielambtenaren, te verhogen;

32.  wijst op het gebrek aan samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten, hetgeen het beginsel van EU-solidariteit actief ondermijnt en in bepaalde lidstaten rechtstreeks bijdraagt tot de overbelasting van de stelsels;

33.  beklemtoont dat de buitensporige en deels onjuiste toepassing van het “irreguliere binnenkomst”-criterium landen van eerste binnenkomst, die vaak niet de middelen en capaciteit hebben om asielzoekers op te vangen en te registreren, onevenredig zwaar belast; merkt op dat verzoeken tot terugname de voorbije jaren de belangrijkste vorm van de Dublinprocedure zijn geweest, d.w.z. dat de meeste personen in een Dublinprocedure reeds asiel hadden aangevraagd in een andere lidstaat; merkt op dat in de lidstaten in het Schengengebied, en ook in de andere lidstaten, passende maatregelen moeten worden getroffen om secundaire bewegingen te voorkomen;

34.  herinnert eraan dat de uiterste termijnen voor elke fase van de Dublinprocedure bedoeld zijn om de procedure kort te houden en snelle toegang tot de asielprocedure mogelijk te maken; merkt op dat er nog altijd een gebrek aan duidelijkheid is en dat er nog steeds verschillen bestaan tussen de lidstaten wat betreft de berekening van de uiterste termijnen en het moment waarop een procedure van start gaat; stelt voor om de voorwaarden voor overdrachtsprocedures te verduidelijken en te harmoniseren;

35.  is van mening dat de regels inzake de overdracht van verantwoordelijkheid in het kader van Dublin III in bepaalde gevallen de efficiëntie van de asielprocedures en de uitvoering van de overdrachten ondermijnen door het risico op onderduiken te vergroten; betreurt de vaak oneigenlijke redenen die de lidstaten aanvoeren om overdrachten te weigeren; is van mening dat onder andere deze factoren hebben bijgedragen aan de stijging van het aantal secundaire bewegingen, door asielzoekers aan te moedigen buiten het systeem te blijven; verzoekt de Commissie om de regels te herzien om de uitvoering van overdrachten te verbeteren en de overdracht van verantwoordelijkheid af te schaffen in gevallen waarin een asielzoeker onderduikt, om het vertrouwen tussen de lidstaten te bevorderen, de situatie te monitoren en indien nodig sancties op te leggen aan lidstaten die overdrachten weigeren;

36.  merkt op dat de onjuiste toepassing van de regels inzake de rangorde van criteria, met name met betrekking tot gezinshereniging en de situatie van niet-begeleide kinderen, en het buitensporige gebruik van het criterium van het eerste land van onrechtmatige binnenkomst ook asielprocedures ondermijnen; merkt op dat deze hiaten in de uitvoering asielzoekers kunnen aanzetten om buiten het systeem te blijven; benadrukt dat verdere harmonisatie van de asielstelsels van de lidstaten van cruciaal belang is voor de goede werking van de Dublin III-verordening en om secundaire bewegingen te voorkomen; roept de Commissie op om een stelsel voor te stellen waarin naar behoren rekening wordt gehouden met bewezen, betekenisvolle banden van asielzoekers met een lidstaat, zoals eerder legaal verblijf of onderwijsdiploma’s, en waarin wordt gewaarborgd dat asielzoekers relatief gelijk worden behandeld in de hele EU;

37.  is van mening dat het verlenen van rechtsbijstand aan asielzoekers voor de Dublinprocedures, met name in de hotspots, van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat asielzoekers informatie krijgen over hun rechten en plichten tijdens een Dublinprocedure; benadrukt dat dit procedures zou bevorderen die de rechten van asielzoekers eerbiedigen, de Dublinprocedures zou vereenvoudigen en de besluitvorming zou verbeteren; merkt op dat een wettelijk vertegenwoordiger kan waarborgen dat elk dossier volledig en accuraat is en kan bijdragen tot het verminderen van het aantal beroepen en tot het waarborgen van het recht op non-refoulement; merkt bezorgd op dat enkele specifieke problemen op nationaal niveau blijven bestaan, zoals een beperkte toegang tot onafhankelijke wettelijk vertegenwoordigers in afgelegen asielcentra, een lage financiële vergoeding voor juridische bijstand, een gebrek aan passende voorzieningen voor voorbereidende en persoonlijke onderhouden en ontoereikende juridische bijstand voor asielzoekers in inrichtingen voor bewaring; roept de lidstaten en de Europese Commissie op om de beschikbare middelen voor juridische bijstand tijdens de Dublinprocedure te verhogen;

38.  beklemtoont dat de kwaliteit en hoeveelheid informatie die in de loop van de Dublinprocedure aan asielzoekers wordt verstrekt verre van bevredigend is en van land tot land – en in sommige gevallen binnen een en hetzelfde land – aanzienlijk verschilt; merkt op dat verschillende factoren van invloed zijn op de naleving van het recht op informatie, zoals de kwaliteit en duidelijkheid van de informatie, de toegang tot een tolk, de beschikbaarheid van vertaalde documenten en de tijdige toegang tot informatie; herinnert eraan dat het recht op informatie volgens artikel 4 van de verordening essentieel is gezien de complexe aard van de Dublinprocedures en om de toegang tot een eerlijk onderzoek van een asielaanvraag in de EU te garanderen; onderstreept dat tekortkomingen op dit gebied te wijten kunnen zijn aan een gebrek aan middelen, maar ook het gevolg kunnen zijn van weloverwogen beleidskeuzes in bepaalde landen waar maar heel weinig wettelijk vertegenwoordigers zijn benoemd; dringt er bij de lidstaten op aan om, met steun van de Commissie en het EASO, de informatie die aan asielzoekers wordt verstrekt over de complexe Dublinprocedures te verbeteren, om ervoor te zorgen dat de informatie, met name die met betrekking tot gezinshereniging, duidelijk en voor iedereen toegankelijk is, overeenkomstig de artikelen 4 en 26 van de verordening, en hen ook toegang te geven tot een doeltreffende voorziening in rechte en juridische bijstand, overeenkomstig artikel 27;

39.  roept de Commissie op om de algemene tenuitvoerlegging van het CEAS te beoordelen, evenals eventuele hiaten en tekortkomingen in de Dublin III-verordening die hebben geleid tot een onevenredige last van verantwoordelijkheid voor de landen aan de buitengrenzen van de EU;

Eén enkele, op rechten gerichte toepassing van de Dublinregelingen op asielzaken in de hele EU

40.  wijst erop dat het beginsel van één enkele asielaanvraag in de EU niet kan worden gehandhaafd, hetgeen haaks staat op het doel van de Dublin III-verordening; merkt op dat de toepassing van dit beginsel wordt belemmerd door verscheidene factoren, wat wil zeggen dat er meerdere redenen zijn voor de indiening van opeenvolgende asielaanvragen; meent dat de bevoegde nationale autoriteiten hun relevante informatie moeten delen, met name met betrekking tot de goedkeuring of afwijzing van asielaanvragen, via een Europese databank zoals Eurodac, teneinde de procedures te versnellen en meervoudige asielaanvragen te voorkomen, met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens; is van mening dat de registratie van alle verzoekers en migranten die de grens op irreguliere wijze oversteken prioriteit moet krijgen;

41.  merkt op dat het beschermingsniveau voor asielzoekers van bepaalde nationaliteiten erg verschilt van lidstaat tot lidstaat en dat dit ertoe kan bijdragen dat personen voortreizen; meent dat de inachtneming van de individuele behoeften van een asielzoeker in de Dublinprocedures het aantal secundaire bewegingen zou beperken; is van mening dat de inachtneming van bewezen betekenisvolle banden met een bepaalde lidstaat een doeltreffende manier is om secundaire bewegingen te verminderen, en roept op om dit als criterium voor herplaatsing op te nemen;

De governance en convergentie tussen lidstaten versterken

42.  beklemtoont dat het netwerk van Dublineenheden van de lidstaten dat door de Commissie is opgezet, slechts een- of tweemaal per jaar is samengekomen en geen operationele rol heeft vervuld; meent dat het ongecoördineerde gebruik van het netwerk van Dublineenheden van het EASO de doeltreffende werking van de Dublin III-verordening belet; merkt echter op dat het netwerk van Dublineenheden van het EASO actiever is geweest en dat het EASO een aantal nuttige missies heeft uitgevoerd ter ondersteuning van de lidstaten bij het uitvoeren van de Dublin III-verordening, zoals de opstelling van richtsnoeren en analyses, de organisatie van opleidingen en de inzet van functionarissen; dringt aan op nauwere samenwerking tussen de nationale asielautoriteiten om informatie te delen, de ontwikkeling van uniforme beste praktijken te bevorderen, overdrachten te stroomlijnen en bij te dragen aan het voorkomen van meervoudige asielaanvragen; stelt voor dat het EASO de taak krijgt om versterkte governanceregelingen op te zetten voor de toepassing van de Dublin III-verordening, met inbegrip van een maandelijkse operationele dialoog tussen de nationale autoriteiten en een platform voor het uitwisselen en delen van informatie en goede praktijken;

43.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om betrouwbare, actuele informatie van niet-gouvernementele actoren, met name internationale organisaties en ngo’s, ook als bron te gebruiken om de tenuitvoerlegging van de verordening te controleren;

44.  merkt op dat er tussen 2008 en 2017 een aanzienlijk aantal asielaanvragen is ingediend door onderdanen van derde landen die visumvrij of met een visum voor kort verblijf naar het Schengengebied zijn gereisd(6); merkt voorts op dat sommige van deze aanvragen zijn ingediend in een andere lidstaat dan die waarvoor het visum werd afgegeven; benadrukt dat het voor daaropvolgende Dublinprocedures is bewezen dat de regels in de artikelen 12 en 14 niet duidelijk genoeg zijn, waardoor het moeilijker is om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen; roept de Commissie op te verduidelijken hoe de artikelen 12 en 14 van de verordening moeten worden toegepast om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor een asielaanvraag; stelt voor om binnen de hiërarchie van criteria de mogelijke gevolgen van verzoeken na visumvrije binnenkomst voor de goede werking van het Dublinsysteem te beoordelen;

45.  merkt op dat er bilaterale overeenkomsten zijn gesloten tussen lidstaten om de doeltreffendheid van de Dublinprocedures te verbeteren of overdrachten van asielzoekers te verzekeren; benadrukt echter dat het bewezen is dat deze overeenkomsten een negatief effect hebben en in bepaalde gevallen de verwezenlijking van de doelstellingen van de verordening op Europees niveau in de weg staan; spoort de Commissie en alle lidstaten aan in de plaats daarvan de factoren in kaart te brengen die bijdragen tot meer efficiëntie, en gezamenlijke en gecoördineerde actie te ondernemen om de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening doeltreffender te maken en te werken aan de harmonisatie van de tenuitvoerlegging van de verordening;

46.  merkt op dat de lidstaten overeenkomstig artikel 33 met de hulp van en in coördinatie met de Commissie preventieve actieplannen kunnen opstellen wanneer de toepassing van de verordening in gevaar kan komen, hetzij door een kennelijk risico van bijzondere druk op het asielstelsel van een lidstaat en/of doordat er zich problemen voordoen in de werking van het asielstelsel van een lidstaat; merkt op dat bij deze preventieve maatregelen rekening kan worden gehouden met informatie van de Commissie en het EASO, en dat dergelijke maatregelen kunnen leiden tot echte en praktische solidariteit, overeenkomstig artikel 80 VWEU, met de lidstaten waarvan het asielstelsel in het algemeen bijzonder onder druk staat, onder meer als gevolg van gemengde migratiestromen, en met verzoekers, wat een betere voorbereiding op een mogelijke asielcrisis mogelijk maakt;

47.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van de Dublin III-verordening niet doeltreffend is, aangezien de belangrijkste doelstellingen ervan niet worden behaald, namelijk snel en eerlijk vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor een verzoek om internationale bescherming; herinnert eraan dat er voor een aantal Dublinbepalingen aanzienlijke hiaten in de tenuitvoerlegging zijn vastgesteld; benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de verordening erg inefficiënt is in vergelijking met de door de lidstaten geleverde inspanningen en ingezette personeelsleden en andere medewerkers;

48.  dringt er bij de Raad op aan om bij de hervorming van de Dublin III-verordening en wanneer hij handelt uit hoofde van artikel 78, lid 2, VWEU, te stemmen bij gekwalificeerde meerderheid;

49.  betreurt dat de Commissie haar evaluatieverslag uit hoofde van artikel 46 nog steeds niet heeft gepubliceerd; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de Dublin III-verordening doeltreffender ten uitvoer wordt gelegd;

o
o   o

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31.
(2) PB L 239 van 15.9.2015, blz. 146.
(3) PB L 248 van 24.9.2015, blz. 80.
(4) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 9.
(5) EDAL, EHRM, Rahimi tegen Griekenland, verzoek nr. 8687/08, arrest van 5 juli 2011: https://www.asylumlawdatabase.eu/en/content/ecthr-rahimi-v-greece-application-no-868708-1
(6) Europese Commissie, Europees migratienetwerk, “Impact of Visa Liberalisation on Countries of Destination”, maart 2019.https://ec.europa.eu/home-affairs/sites/homeaffairs/files/00_eu_visa_liberalisation_2019_synthesis_report_en_0.pdf

Laatst bijgewerkt op: 16 maart 2021Juridische mededeling - Privacybeleid