Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2084(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0233/2020

Ingediende teksten :

A9-0233/2020

Debatten :

PV 14/12/2020 - 29
CRE 14/12/2020 - 29

Stemmingen :

PV 16/12/2020 - 15
PV 17/12/2020 - 9

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0371

Aangenomen teksten
PDF 221kWORD 75k
Donderdag 17 december 2020 - Brussel
Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities
P9_TA(2020)0371A9-0233/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities (2020/2084(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3 en 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 9, 151, 152, 153, 156, 157, 162 en 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de Protocollen 1, 8 en 28 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name titel IV (solidariteit),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten, die in november 2017 werd afgekondigd door de Raad, het Europees Parlement en de Commissie,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien de in 2015 tijdens de COP21 bereikte Overeenkomst van Parijs, en in het bijzonder de inleiding van deze overeenkomst, waarin de partijen worden opgeroepen om bij de uitvoering van hun beleidslijnen en maatregelen “een rechtvaardige transitie voor de beroepsbevolking en [...] het scheppen van fatsoenlijk werk en hoogwaardige banen in overeenstemming met nationaal vastgestelde ontwikkelingsprioriteiten” en -strategieën te bevorderen,

–  gezien de IAO-verdragen en -aanbevelingen, met name het Verdrag betreffende de arbeidsinspectie van 1947 (nr. 81), de eeuwfeestverklaring van de IAO (2019) en de IAO-richtsnoeren van februari 2016 voor een rechtvaardige overgang naar een duurzame economie en samenleving voor iedereen,

–  gezien de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG’s), met name de doelstellingen 1, 3, 4, 5, 8, 10 en 13,

–   gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), dat in de EU op 21 januari 2011 in werking is getreden, volgens Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,

–   gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–   gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(1) (richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep),

–   gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(2),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426), en het standpunt van het Parlement van 2 april 2009 hierover(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 januari 2020 getiteld “Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities” (COM(2020)0014),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 met als titel “Het moment van Europa: herstel en voorbereiding voor de volgende generatie” (COM(2020)0456),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 getiteld “De EU-begroting als drijvende kracht achter het herstelplan voor Europa” (COM(2020)0442),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 getiteld “Aangepast werkprogramma van de Commissie voor 2020” (COM(2020)0440),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 28 mei 2020 voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een herstelinstrument voor de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel in de nasleep van de COVID-19-pandemie (COM(2020)0441),

–  gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over Europese bescherming van grensoverschrijdende en seizoenarbeiders in het kader van de COVID-19-crisis(4),

–  gezien het verslag van de Commissie van 17 juni 2020 over de gevolgen van demografische veranderingen (COM(2020)0241),

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s van 18 januari 2017 getiteld “Het antwoord van de EU op de demografische uitdaging” (2017/C017/08),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2020 getiteld “De digitale toekomst van Europa vormgeven” (COM(2020)0067),

–  Gezien het voorstel van de Commissie van 1 juli 2020 voor een aanbeveling van de Raad inzake beroepsonderwijs en -opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht (COM(2020)0275),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 1 juli 2020 bij het voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake “Een brug naar banen – versterking van de jongerengarantie” (SWD(2020)0124),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 10 juli 2020 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(5),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 8 juli 2020 inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat de middelen voor de specifieke toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief betreft(6),

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2019 over het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de eurozone(7),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 4 april 2019 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(8),

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken over het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse duurzamegroeianalyse 2020,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 december 2019 over de jaarlijkse strategie voor duurzame groei 2020 (COM(2019)0650),

–  gezien het voorstel voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad van 17 december 2019 bij de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse strategie voor duurzame groei 2020,

–  gezien Besluit (EU) 2019/1181 van de Raad van 8 juli 2019 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(9),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2019 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2019(10),

–  gezien de “Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2019-2024: “Een Unie die de lat hoger legt”, die zijn gepresenteerd door voorzitter van de Commissie Ursula von der Leyen,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 januari 2019 over “Sociale dialoog voor innovatie in de digitale economie”(11),

–  gezien de economische voorjaarsprognose 2020 van de Europese Commissie van 6 mei 2020,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2020 over “Fatsoenlijke minimumlonen in heel Europa”,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 juli 2020 getiteld “Herstelplan voor Europa en meerjarig financieel kader 2021-2027”,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 december 2019 getiteld “Gemeenschappelijke minimumnormen op het gebied van de werkloosheidsverzekering in de EU-lidstaten – Een concrete stap naar de effectieve omzetting van de Europese pijler van sociale rechten”(12),

–  gezien de studie van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) over “COVID-19: Policy responses across Europe” (COVID-19: beleidsresponsen in Europa),

–  gezien het in 2020 gepubliceerde technische verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek met als titel “The COVID confinement measures and EU labour markets” (de lockdownmaatregelen in verband met COVID en de arbeidsmarkten van de EU) en, meer bepaald, de analyse die daarin wordt gemaakt van de recentste beschikbare bewijzen van telewerkpatronen in de EU,

–  gezien het herziene Europees Sociaal Handvest en het Proces van Turijn, dat in 2014 werd gelanceerd met als doel het verdragsysteem van het Europees Sociaal Handvest binnen de Raad van Europa te versterken en het nauwer te laten aansluiten bij het recht van de Europese Unie,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9‑0233/2020),

A.  overwegende dat duurzame ontwikkeling een fundamentele doelstelling van de Europese Unie is; overwegende dat de sociale markteconomie gebaseerd is op twee elkaar aanvullende pijlers, namelijk de handhaving van mededinging en krachtige maatregelen op het gebied van sociaal beleid, die tot de totstandbrenging van volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang moeten leiden; overwegende dat duurzame ontwikkeling op drie pijlers berust, te weten de economische pijler, de sociale pijler en de ecologische pijler; overwegende dat duurzame ontwikkeling onder meer is gebaseerd op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang; overwegende dat dit een van de fundamentele doelstellingen van de Europese Unie is, zoals vastgelegd in artikel 3, lid 3, VEU; overwegende dat economische en ecologische duurzaamheid tot nu toe prioriteit hebben gekregen;

B.  overwegende dat Europa voor nieuwe uitdagingen staat, zoals groeiende ongelijkheid tussen generaties, afnemende maatschappelijke, gezondheidsgerelateerde, economische en ecologische kansen en middelen, territoriale ongelijkheden en ongelijke toegang tot fundamentele sociale en gezondheidszorgvoorzieningen, werkgelegenheid, zakelijke kansen en sociale infrastructuur; overwegende dat het terugdringen van ongelijkheden een gedeelde verantwoordelijkheid is van de EU en de lidstaten; overwegende dat ongelijkheden (qua inkomen en qua kansen) in de meeste lidstaten sinds de economische crisis van 2008 zijn toegenomen, wat zowel de duurzaamheid als de inclusiviteit van groei en sociale cohesie bemoeilijkt, en dat het streven naar het behalen van de EU-streefdoelen voor 2020 in deze context moeilijk is gebleken;

C.  overwegende dat er in Europa en in de hele wereld een sterke en reële behoefte bestaat aan een rechtvaardige transitie naar een duurzame winning van grondstoffen, minder CO2-uitstoot en een hoge mate van milieubescherming, teneinde de middelen van bestaan, veiligheid, gezondheid en welvaart van toekomstige generaties te beschermen; overwegende dat de transitie naar een stabiele en duurzame groene, milieuvriendelijke economie en sociale dimensie samenwerking tussen publieke en private actoren vereist en gepaard moet gaan met een proces van herindustrialisatie, modernisering van de industriële basis en versterking van de interne markt; overwegende dat de groene, de digitale en de demografische transitie de Europese regio’s, sectoren, werknemers en bevolkingsgroepen op verschillende manieren treffen en dat deze transities aanzienlijke omscholing en een herverdeling van arbeid vereisen om het verloren gaan van banen in de getroffen sectoren te verhinderen;

D.  overwegende dat de Europese regio’s met de grootste nood aan een duurzame transitie over het algemeen ook regio’s zijn waar veel armoede en exclusie bestaat; overwegende dat voor een snel herstel beslissende maatregelen en investeringen noodzakelijk zijn die gericht moeten zijn op de verzachting van de economische en sociale gevolgen van de pandemie, die de economische activiteit moeten heropstarten, duurzame ontwikkeling, de groene transitie en de digitalisering moeten bevorderen en die de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten toepassen om tot effectievere en sterkere welvaartsstaten te komen; overwegende dat een internationaal competitief Europa moet stoelen op een sterk sociaal Europa, zodat de weg wordt geëffend voor duurzame groei, hoogwaardige banen en robuuste socialezekerheidsstelsels voor iedereen;

E.  overwegende dat onderzoek van Eurofound de complexiteit van de sociale dimensie in de Europese Unie aantoont en dat in dit onderzoek wordt voorgesteld het sociaal scorebord bij de Europese pijler van sociale rechten aan te vullen met extra indicatoren voor de kwaliteit van banen, sociale rechtvaardigheid, gelijke kansen, degelijke socialezekerheidsstelsels en eerlijke mobiliteit;

F.  overwegende dat de Europa 2020-strategie in 2010 werd gelanceerd ter bevordering van slimme, duurzame en inclusieve groei; overwegende dat duurzaamheid en inclusiviteit voorrang hadden moeten krijgen boven groei bij de tenuitvoerlegging van de Lissabon-strategie;

G.  overwegende dat de Unie en de lidstaten zich, indachtig sociale grondrechten zoals onder meer vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, overeenkomstig artikel 151 van het VWEU de volgende doelen stellen: bevordering van de werkgelegenheid, gestage verbetering van levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden met het oog op harmonisering hiervan, adequate sociale bescherming, sociale dialoog, ontwikkeling van menselijke hulpbronnen met het oog op een permanent hoog werkgelegenheidsniveau, en bestrijding van uitsluiting; overwegende dat initiatieven die voortkomen uit de Europese pijler van sociale rechten een gedeelde verantwoordelijkheid vormen van de EU en de lidstaten, die verschillende socialezekerheidsstelsels en -gebruiken bezitten; overwegende dat dergelijke initiatieven bijgevolg de nationale systemen voor collectieve onderhandelingen moeten beschermen en een hoger beschermingsniveau moeten bieden; overwegende dat de grondrechten en de beginselen van evenredigheid, rechtszekerheid, gelijkheid voor de wet en subsidiariteit algemene beginselen van het EU-recht vormen en bijgevolg moeten worden geëerbiedigd;

H.  overwegende dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in economische en politieke leidinggevende functies waar wordt beslist over de beleidsreacties op COVID-19; overwegende dat vrouwen meer bij de besluitvorming moeten worden betrokken zodat zij hun standpunten, kennis en ervaring kunnen aandragen, hetgeen zou leiden tot betere beleidsresultaten;

I.  overwegende dat socialezekerheidsstelsels bijdragen tot de garantie van een fatsoenlijke levensstandaard; overwegende dat deze stelsels sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting, werkgelegenheid, justitie en sociale diensten voor benadeelde groepen omvatten en een sleutelrol spelen bij de verwezenlijking van sociaal duurzame ontwikkeling, de bevordering van gelijkheid en sociale rechtvaardigheid en de waarborging van het recht op sociale bescherming dat is verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948); overwegende dat beleidsmaatregelen in verband met sociale bescherming cruciale onderdelen vormen van nationale ontwikkelingsstrategieën voor het terugdringen van armoede en kwetsbaarheid tijdens de levenscyclus en voor de ondersteuning van inclusieve en duurzame groei;

J.  overwegende dat sociale dialoog en collectieve onderhandelingen essentiële instrumenten zijn voor de vaststelling van billijke lonen en arbeidsomstandigheden door werkgevers en vakbonden, en dat krachtige systemen voor collectieve onderhandelingen de veerkracht van de lidstaten in tijden van economische crises vergroten; overwegende dat samenlevingen met een sterk systeem voor collectieve onderhandelingen vaak meer welvaart en gelijkheid kennen; overwegende dat het recht op collectieve onderhandelingen een kwestie is die alle Europese werknemers aangaat en die cruciale gevolgen kan hebben voor de democratie en de rechtsstaat, met inbegrip van de eerbiediging van fundamentele sociale rechten; overwegende dat collectieve onderhandeling een Europees grondrecht is en dat de EU-instellingen krachtens artikel 28 van het Handvest van de grondrechten verplicht zijn dit grondrecht te eerbiedigen; overwegende, in dit verband, dat beleidsmaatregelen die collectieve onderhandelingen en de positie van werknemers in stelsels voor loonvorming eerbiedigen, bevorderen en versterken een cruciale rol vervullen bij de totstandkoming van hoogwaardige arbeidsvoorwaarden;

K.  overwegende dat collectieve onderhandeling een sleutelinstrument vormt voor het bevorderen van de arbeidsrechten; overwegende dat uit gegevens van de OESO blijkt dat zowel het aantal vakbonden als het aantal collectieve onderhandelingen de afgelopen tientallen jaren aanzienlijk gedaald zijn; overwegende dat het aantal collectieve onderhandelingen in 22 van de 27 sinds 2000 gestaag daalt; overwegende dat de kwaliteit van het werk en van de werkomgeving gemiddeld hoger is in landen met goed georganiseerde sociale partners en veel collectieve overeenkomsten; overwegende dat collectieve onderhandelingen de arbeidsmarkt ten goede komen, mits breed en goed gecoördineerd toegepast;

L.  overwegende dat collectieve onderhandelingen volgens Eurofound onder druk staan en dat de recessie van 2008, ook volgens Eurofound, tot een decentralisatie van collectieve onderhandelingen heeft geleid; overwegende dat naar schatting een op de zes werknemers in de EU onder een collectieve loonovereenkomst valt, maar dat het lastig is betrouwbare en gedetailleerde gegevens te verkrijgen over collectieve onderhandelingen en collectieve overeenkomsten in de hele EU; overwegende dat het gemiddelde vakbondslidmaatschap in de Europese Unie volgens gegevens van het Europees Vakbondsinstituut (EVI) rond de 23 % ligt en varieert van 74 % tot slechts 8 %, met grote onderlinge verschillen tussen de lidstaten; overwegende dat ook het lidmaatschap van werkgeversorganisaties en de omvang van de markten die zij vertegenwoordigen, sterk uiteenlopen;

M.  overwegende dat sociale investeringen inhouden dat er in mensen wordt geïnvesteerd teneinde hun levensomstandigheden te verbeteren; overwegende dat de belangrijkste beleidsterreinen voor sociale investering sociale zekerheid, gezondheidszorg, langdurige zorg, onderwijs, huisvesting, werkgelegenheid, justitie en sociale diensten voor benadeelde groepen omvatten; overwegende dat een doortimmerd sociaal beleid een grote bijdrage kan leveren tot duurzame ontwikkeling en groei, alsook tot de bescherming van mensen tegen armoede, en als economische stabilisator kan fungeren;

N.  overwegende dat wordt voorspeld dat een van de gevolgen van de COVID-19-pandemie een toename van de armoede zal zijn; overwegende dat vrouwen, jongeren, ouderen, mensen met een handicap en grote gezinnen meer gevaar lopen om hierdoor te worden getroffen, en overwegende dat het aantal eenpersoonshuishoudens en alleenwonende ouderen toeneemt; overwegende dat eenpersoonshuishoudens een groter risico op armoede en sociale uitsluiting lopen en dat met name alleenwonende oudere vrouwen een hoger risico op armoede lopen dan alleenwonende oudere mannen; overwegende dat eenoudergezinnen een hoog risico op armoede en achterstand lopen en moeite hebben om rond te komen omdat ze van één inkomen moeten leven en minder vaak een baan hebben; overwegende dat een toenemend aantal jonge volwassenen inmiddels een beroep moeten doen op hun ouders om niet tot armoede te vervallen, en overwegende dat 29 % van alle huishoudens die drie generaties omvatten, risico op armoede loopt en 13 % een grote achterstand heeft;

O.  overwegende dat genderdiscriminatie thuis en op de arbeidsmarkt kan leiden tot een ongelijke verdeling van de middelen, waardoor vrouwen kwetsbaarder zijn voor armoede en sociale uitsluiting dan mannen; overwegende dat vrouwen die in armoede vervallen, minder kans hebben om eruit te raken;

P.  overwegende dat de horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt in de EU nog steeds aanzienlijk is, en dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in minder winstgevende sectoren; overwegende dat met name vrouwen met onzekere arbeidsovereenkomsten sterk zijn getroffen door de COVID-19-pandemie, aangezien zij als eersten hun baan hebben verloren, met alle financiële gevolgen van dien voor hun gezinnen en hun economische onafhankelijkheid, en aangezien zij in crisistijden onvoldoende worden beschermd door de sociale zekerheid;

Q.  overwegende dat in 2018 in de EU-27 bijna 109 miljoen mensen het risico liepen op armoede of sociale uitsluiting, wat goed is voor 21,7 % van de totale bevolking, en dat 23 miljoen daarvan kinderen waren(13); overwegende dat de EU haar streefdoel om in 2020 het aantal mensen dat een risico op armoede of sociale uitsluiting loopt met minimaal 20 miljoen terug te dringen, niet heeft gehaald; overwegende dat het aantal mensen in de Unie dat een risico op armoede of sociale uitsluiting loopt, waarschijnlijk zal toenemen door de COVID-19-crisis; overwegende dat het aantal daklozen in de meeste lidstaten de afgelopen tien jaar met ongeveer 70 % is toegenomen, en dat ten minste 700 000 mensen in de EU ’s nachts geen dak boven hun hoofd hebben; overwegende dat tijdens de COVID-19-crisis is gebleken dat dakloosheid zowel een sociale probleem als een volksgezondheidsprobleem vormt(14); overwegende dat ongeveer een vijfde van alle mensen in de EU het gevaar loopt diep in de schulden te komen en dat veel mensen niet de sociale voorzieningen ontvangen waarop zij volgens hun nationale stelsel recht hebben;

R.  overwegende dat een op de vijf werknemers in de EU geen fatsoenlijke baan heeft; overwegende dat arbeidsmarktpolarisatie en atypische arbeidsvormen de komende tien jaar naar verwachting naar verwachting verder zullen toenemen en dat er waarschijnlijk meer hoog en laag gekwalificeerde banen zullen komen(15); overwegende dat technologische veranderingen en het gebruik van kunstmatige intelligentie de arbeidsmarkt ingrijpend kunnen veranderen; overwegende dat inkomens hierdoor nog verder uit elkaar gaan lopen; overwegende dat de vraag op de arbeidsmarkt altijd het kleinst is geweest in het modale loonsegment, vooral tijdens de recessie en krimp op de arbeidsmarkt tussen 2008 en 2013, wat deels kwam door de verschuiving van de productie- en de bouwsector naar de dienstverlening; overwegende dat de pandemie deze trend waarschijnlijk nog zal versterken; overwegende dat laaggeschoold werk altijd onontbeerlijk zal zijn in een samenleving en dat het loon en de omstandigheden voor dergelijk werk fatsoenlijk moeten zijn; overwegende dat de digitalisering weliswaar kansen voor bijscholing kan scheppen, maar niet per se leidt tot betere arbeidsomstandigheden of tot nieuwe hoogwaardige banen voor iedereen;

S.  overwegende dat arbeidscontracten voor bepaalde tijd uitermate zelden worden omgezet in vaste contracten; overwegende dat 60 % van alle werknemers onvrijwillig vastzit in een dienstverband voor bepaalde tijd; overwegende dat de omzettingscijfers met name laag zijn in landen waar contracten voor bepaalde tijd veel voorkomen; overwegende dat zelfs overheidsdiensten te vaak een beroep doen op tijdelijke werknemers om ambtenaren te vervangen, en dat die werknemers doorgaans onzekerdere arbeidsvoorwaarden hebben;

T.  overwegende dat onderzoek van Eurofound naar nieuwe arbeidsvormen aantoont dat opkomende en steeds belangrijkere arbeidsvormen, die afwijken van de traditionele verhoudingen tussen werkgever en werknemer en/of een eveneens niet-traditionele invulling en patronen kennen, doorgaans minder vaak gepaard gaan met sociale bescherming, sociale dialoog en collectieve onderhandelingen; overwegende dat er in economisch moeilijke tijden ook vaker op dergelijke arbeidsvormen wordt teruggevallen en dat er moet worden nagedacht over eventuele maatregelen om de verwachte crisis op de arbeidsmarkt ten gevolge van de COVID-19-pandemie tegen te gaan;

U.  overwegende dat het werkloosheidspercentage meer dan 7 % bedraagt en de jeugdwerkloosheid is gestegen tot 17 %, en overwegende dat deze cijfers als gevolg van COVID-19 naar verwachting nog zullen toenemen(16), waarbij vooral vrouwen en laaggeschoolden zullen worden getroffen; overwegende dat het werkloosheidspercentage in de eurozone naar verwachting zal stijgen van 8,3 % in 2020 naar 9,3 % in 2021, met aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten(17); overwegende dat de werkloosheid binnen specifieke bevolkingsgroepen, zoals personen met een handicap, etnische minderheden zoals de Roma, jongeren en ouderen, aanzienlijk hoger kan zijn; overwegende dat de COVID-19-crisis volgens de Eurofound-enquête “Living, Working and COVID-19” ingrijpende gevolgen heeft gehad voor de arbeidsmarkt, te weten dat sinds het begin van de pandemie 8 % van alle werknemers en 13 % van alle zelfstandigen zonder personeel werkloos is geworden; overwegende dat ook degenen die hun baan hebben behouden, de impact van de crisis voelen in de vorm van een aanzienlijke daling van hun arbeidsuren, met inkomensverlies, twijfels over de toekomst op de arbeidsmarkt en financiële onzekerheid tot gevolg;

V.  overwegende dat er in de EU-28 in 2018 volgens Eurostat 8,3 miljoen deeltijdwerkers waren die graag meer uren hadden gewerkt, 7,6 miljoen mensen die beschikbaar waren voor werk maar niet naar een baan zochten, en nog eens 2,2 miljoen mensen die op zoek waren naar werk maar niet binnen afzienbare tijd beschikbaar waren; overwegende dat er zich in 2018 in de EU-28 in totaal 18,1 miljoen mensen in een situatie bevonden die op werkloosheid leek;

W.  overwegende dat de bestrijding van de werkloosheid bij zowel jongeren als ouderen een van de grootste uitdagingen op regionaal niveau in de EU blijft;

X.  overwegende dat de COVID-19-crisis schendingen van de rechten van grens- en seizoenarbeiders en de onzekerheid van hun situatie aan het licht heeft gebracht, met ontoereikende coördinatie van sociale bescherming en sociale zekerheid; overwegende dat er bijgevolg nood is aan strengere regelgeving, efficiënter toezicht en effectieve handhaving van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en huisvesting en van gezondheid en veiligheid op het werk; overwegende dat de richtlijn betreffende uitzendarbeid in dit opzicht moet worden verbeterd;

Y.  overwegende dat de participatiekloof tussen vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt in 2019 11,7 % bedroeg; overwegende dat dit verschil enorm hoge economische kosten met zich meebrengt voor de EU, te weten 320 miljard EUR per jaar, oftewel 2,37 % van het bbp van de EU; overwegende dat de COVID-19-crisis onevenredig veel gevolgen heeft voor de arbeids- en sociale situatie van vrouwen, aangezien 26,5 % van alle vrouwen een onzekere baan heeft en deze vrouwen 60 % van alle deeltijdwerkers uitmaken; overwegende dat vrouwen meer dan mannen worden getroffen door de problemen ten gevolge van de COVID-19-pandemie vanwege de sectoren waarin zij vooral werkzaam zijn en doordat zij nog altijd in bijzonder grote mate de last dragen van de zorg voor ouderen en kinderen;

Z.  overwegende dat personen met een handicap en ouderen bijzonder vatbaar zijn voor de COVID-19-crisis; overwegende dat zij waarschijnlijk onevenredig zwaar getroffen worden en specifieke hulpbehoeften hebben die bij alle tegenmaatregelen voor de pandemie meteen in aanmerking moeten worden genomen, en overwegende dat uit onderzoek blijkt dat deze bevolkingsgroepen een verhoogd risico hebben op mentalegezondheidsproblemen;

AA.  overwegende dat de Europese regio’s op de lange termijn met een aantal demografische trends moeten rekenen, gaande van een langere levensverwachting tot lagere geboortecijfers, vergrijzende samenlevingen, een krimpende beroepsbevolking, kleinere huishoudens en toenemende verstedelijking; overwegende dat het aandeel van de Europese bevolking in de wereldbevolking afneemt en in 2070 naar verwachting minder dan 4 % zal bedragen, en overwegende dat dit problemen met zich meebrengt; overwegende dat plattelands- en perifere gebieden zwaar getroffen zijn door de demografische veranderingen;

AB.  overwegende dat deze pandemie in het bijzonder ouderen treft en dat de situatie van wie al geïsoleerd leefde, in sommige gevallen nog is verergerd; overwegende dat ouderen de bevolkingsgroep vormen met het minst toegang tot internet en moderne technologieën, en bijgevolg een groter risico lopen op uitsluiting, waaronder digitale uitsluiting;

AC.  overwegende dat de crisis tot meer armoede in de steden heeft geleid en leidt, waardoor meer huishoudens met een modaal inkomen worden getroffen en nieuwe risicogroepen voor armoede zijn ontstaan, de territoriale ongelijkheden en de sociale achterstand in achtergestelde stedelijke gebieden nog toenemen en de toegang tot openbare voorzieningen nog ongelijker wordt, met als gevolg dat er lokaal vaker een beroep wordt gedaan op sociale voorzieningen en sociale infrastructuur, en dit alles nu de gemeentebegrotingen al onder grote druk staan;

AD.  overwegende dat onderzoek op basis van de Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden uit 2015 aantoont dat telewerkers twee keer vaker dan werknemers die op een bedrijfslocatie werken, aangeven langer te werken dan de 48 uur die in het EU-recht is vastgelegd en minder dan 11 uur te rusten tussen twee werkdagen; overwegende dat bijna 30 % van deze telewerkers aangeeft dat ze elke dag of meerdere keren per week ook in hun vrije tijd werken, terwijl dat slechts voor minder dan 5 % van de werknemers op kantoor het geval is; overwegende dat telewerkers ook een groter risico lopen op werkgerelateerde stress, slaapstoornissen en problemen bij het vinden van het juiste evenwicht tussen hun verantwoordelijkheden op het werk en ten opzichte van hun gezin;

AE.  overwegende dat vrouwen in gewelddadige relaties momenteel als gevolg van de COVID-19-crisis en de maatregelen om deze crisis tegen te gaan, zoals afzondering en telewerken, onafgebroken aan geweld zijn blootgesteld, en overwegende dat het aantal gevallen van geweld tegen vrouwen aldus is gestegen; overwegende dat de lockdown onder meer heeft geleid tot een explosieve toename van gendergerelateerd geweld en geweld binnen gezinnen, in sommige Europese landen zelfs met ongeveer 30 %; overwegende dat wereldwijd in totaal meer dan 243 miljoen vrouwen tussen 15 en 49 jaar de voorbije 12 maanden seksueel en/of fysiek geweld hebben ondervonden;

AF.  overwegende dat de druk op vrouwen nog is toegenomen; overwegende dat er nieuwe vormen van werk zijn opgelegd die rekbaar zijn en ten koste gaan van de scheiding tussen werk en privéleven, met als gevolg dat er tijdens de lockdown online en offline een heleboel nieuwe vormen van psychologische en seksuele intimidatie zijn verschenen; overwegende dat de overgrote meerderheid van de bedrijven en regeringen geen maatregelen heeft getroffen om dit soort fenomenen tegen te gaan;

1.  benadrukt dat de EU is begonnen aan een transitie naar een koolstofarme, klimaatneutrale, hulpbronnenefficiënte en circulaire economie die het hoogste niveau van sociale rechtvaardigheid moet waarborgen, welzijn, sociale vooruitgang, veiligheid, welvaart, gelijkheid en inclusie moet vergroten en niemand in de steek mag laten; is van mening dat duurzame ontwikkeling diep geworteld is in het Europese project en de Europese waarden, en dat sociale duurzaamheid een fundamentele voorwaarde is voor eerlijke en inclusieve groene, digitale en demografische transities; benadrukt dat deze ontwikkelingen met het oog op de vermindering van ongelijkheden moeten worden ingebed in een transitie die sociale kansen en gemeenschappelijke welvaart kan bieden; benadrukt dat sociale rechtvaardigheid, fatsoenlijk werk met een toereikend loon, gelijke kansen, eerlijke mobiliteit en degelijke socialezekerheidsstelsels essentiële elementen zijn in de rechtvaardige transitie naar een duurzaam en sociaal Europa;

2.  is van mening dat deze herstelperiode de tijd moet zijn voor hervormingen die naadloos aansluiten op de uitvoering van de VN-agenda 2030 en de daarin geformuleerde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) en die gebaseerd zijn op solidariteit, integratie, sociale rechtvaardigheid, een eerlijke verdeling van welvaart, gendergelijkheid, hoogwaardige openbare socialezekerheidsstelsels, volwaardige arbeidsplaatsen en duurzame groei – een model dat gelijkheid en sociale bescherming waarborgt, rekening houdt met de behoeften van kwetsbare groepen, participatie en burgerschap voorstaat en de levensstandaard voor iedereen verbetert; is van mening dat dit de beste manier is voor de EU om uit deze crisis te voorschijn te komen als een Unie die duurzamer, veerkrachtiger en eerlijker is voor de volgende generatie;

3.  benadrukt dat de weg naar een duurzaam, eerlijk en inclusief sociaal Europa een sterke en gemeenschappelijke inzet vergt voor het verwezenlijken van de VN-agenda 2030 en voor de uitvoering en praktische toepassing van de beginselen en rechten van de Europese pijler van sociale rechten; benadrukt dat er een ambitieuze politieke agenda moet worden uitgewerkt met identificeerbare, haalbare, duurzame, duidelijke en verplichte doelen en indicatoren voor sociale duurzaamheid; wijst erop dat de volgende sociale top van de EU, gepland voor mei 2021 in Porto, de perfecte gelegenheid zou zijn om deze agenda op het hoogste politieke niveau te laten goedkeuren door de leiders van de 27 lidstaten en van de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie; pleit ervoor de sociale partners bij dit proces te betrekken;

Governancekader voor sociale vooruitgang

4.  is van mening dat de agenda van Porto een dubbele aanpak moet inhouden: enerzijds moet de nadruk liggen op het onderdeel inzake sociale duurzaamheid van de EU-agenda voor duurzame ontwikkeling 2030, en anderzijds moet de weg worden geëffend voor de verwezenlijking van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, onder meer middels de aanneming van een actieplan en middels opvolging van de Lissabonstrategie aan de hand van ambitieuze doelen en instrumenten die de weg naar sociale vooruitgang en duurzaamheid uitstippelen; is van mening dat deze agenda het strategisch kader voor een duurzaam, eerlijk en inclusief sociaal Europa voor 2030 kan omvatten;

5.  benadrukt dat de doelstellingen van een nieuwe agenda voor een sterk sociaal Europa gericht moeten zijn op het beschermen van alle burgers en in het bijzonder van de meest kwetsbaren, zodat het herstel inclusief en sociaal rechtvaardig is, en onderstreept dat deze doelstellingen moeten worden versterkt door verplichte afdwingbaarheid, rekening houden met specifieke nationale kenmerken en naar analogie met de economische en ecologische verplichtingen waarvan de naleving is gekoppeld aan de toegang tot Europese fondsen; is in dit opzicht van mening dat de beleidsmaatregelen, programma’s en hervormingen van de EU en haar lidstaten zo moeten worden ingevuld dat ze bijdragen tot het behalen van deze verplichte doelstellingen, en dat wettelijke bescherming moet impliceren dat maatregelen, programma’s en hervormingen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de vooruitgang richting het behalen van deze doelstellingen of die deze vooruitgang belemmeren, moeten worden vermeden;

6.  is ervan overtuigd dat een governancekader voor een sociaal en duurzaam Europa moet worden verankerd in de volgende hervormingen: de integratie van de Europese pijler van sociale rechten en een protocol voor sociale vooruitgang in de Verdragen, een even grote bescherming van sociale rechten als van economische vrijheden op de interne markt, en de goedkeuring van een pact voor duurzame ontwikkeling en sociale vooruitgang, waarbij sociale en duurzame doelstellingen verplicht worden gesteld, met het oog op de verwezenlijking van de VN-SDG’s; is daarnaast van oordeel dat bij het semesterproces de communautaire methode moet worden gevolgd en overeengekomen tussen de Raad en het Europees Parlement, terwijl meer sociale beleidsgebieden onder de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid zouden moeten vallen, waaronder non-discriminatie, sociale bescherming van werknemers (grensoverschrijdende situaties uitgezonderd), bescherming van werknemers bij beëindiging van hun arbeidsovereenkomst, de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers alsook de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen die rechtmatig in de EU verblijven;

Financiële middelen voor een sterk sociaal en duurzaam Europa

7.  roept de lidstaten ertoe op zo flexibel mogelijk te zijn bij de toepassing van de EU-regelgeving inzake overheidsfinanciën en fiscaal beleid, om uitzonderlijke uitgaven mogelijk te maken en zo de sociale gevolgen van de COVID-19-pandemiecrisis te voorkomen en milderen, de socialezekerheidsstelsels te versterken en hoogwaardige banen, openbare diensten, armoedebestrijding alsook de groene en de digitale transitie te financieren; is verheugd over Next Generation EU, het herstelplan van de EU; benadrukt dat een rechtvaardige groene en digitale transitie alleen mogelijk is met passende steun voor onderwijs, sociale zorg en gezondheidszorginfrastructuur, ter garantie van sociale rechtvaardigheid, sociale cohesie en welvaart voor iedereen; is bezorgd over de ongekende druk die tijdens de huidige crisis op de socialezekerheidsstelsels wordt uitgeoefend en vreest dat de bijbehorende overheidsuitgaven exponentieel zullen stijgen; beklemtoont dat de uitgaven voor de crisismaatregelen niet ten koste mogen gaan van de minst bedeelden, maar eerlijk moeten worden gedragen; benadrukt daarom dat de investeringsinspanning van de EU via het herstelplan een sterke sociale dimensie moet hebben, waarbij de socialezekerheidsstelsels worden versterkt en waarbij wordt geïnvesteerd in sociale zekerheid, toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, betaalbare huisvesting, werkgelegenheid, justitie en sociale diensten voor kwetsbare groepen, met als doel het herstel te stimuleren en de negatieve sociale gevolgen van de crisis te bestrijden; is van oordeel dat investeringen in onderwijs, weldoordachte progressieve belasting- en uitkeringsstelsels, sociale investeringen en de verstrekking van hoogwaardige openbare en sociale diensten essentiële hefbomen zijn om te voorkomen dat de achterstand van generatie op generatie wordt doorgegeven; benadrukt het belang van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten in de context van het Europees herstelplan en de faciliteit voor herstel en veerkracht, op hetzelfde niveau als de Green Deal en de digitale transitie; dringt er daarom op aan, in het kader van de komende hervormingen in verband met het herstelpakket, dat opwaartse sociale convergentie als een van de belangrijkste doelstellingen van de nationale hervormingsprogramma’s wordt beschouwd, onder meer door middel van financiële steun; is in die zin van mening dat het herstelplan niet alleen de doelstellingen op het vlak van economie en milieu maar ook de nieuwe doelstellingen van Porto 2030 moet ondersteunen;

8.  benadrukt dat de omvang van de sociale investeringen in het herstelpakket aangepast moet zijn aan de doelstellingen van de agenda van Porto, en dat er voldoende financiële steun moet worden voorzien; is van mening dat in de specifieke plannen inzake sociale vooruitgang (SPP’s) moet worden beschreven hoe de doelstellingen van de Porto-agenda en de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten zullen worden uitgevoerd, met vermelding van de omvang van de sociale investeringen, de betrokken gebieden en de beoogde voortgangsresultaten;

9.  herinnert eraan dat arbeidstijdverkortingsregelingen een doeltreffend instrument zijn om de werkgelegenheid tijdens een economische crisis te vrijwaren; is ingenomen met de oprichting van het instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken (SURE), als een noodmaatregel ter ondersteuning van arbeidstijdverkortingsregelingen in de lidstaten in de context van de COVID-19-crisis; onderstreept dat dit een belangrijk instrument is om nationale regelingen voor arbeidstijdverkorting te ondersteunen, zodat banen en vaardigheden kunnen worden behouden en lonen en inkomens in grote mate kunnen worden veiliggesteld; verzoekt de Commissie de prestaties van dit tijdelijke instrument nauwkeurig te analyseren en de mogelijkheid te onderzoeken van de bestendiging ervan in de vorm van een permanent bijzonder instrument, dat op verzoek van de lidstaten zou worden geactiveerd wanneer er zich een onverwachte crisis voordoet die leidt tot een gestage toename van de uitgaven voor arbeidstijdverkortingsregelingen en soortgelijke maatregelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er alleen financiële ondersteuning wordt verstrekt aan ondernemingen die niet zijn opgenomen in de voor belastingdoeleinden ontwikkelde gemeenschappelijke EU-lijst van rechtsgebieden in derde landen, noch in bijlage 1 bij de conclusies van de Raad over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet coöperatief zijn op belastinggebied; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de begunstigden voldoen aan de in de Verdragen verankerde fundamentele waarden, en dat bedrijven die overheidssteun ontvangen, hun werknemers beschermen, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden garanderen, de vakbonden respecteren en toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten naleven, hun deel van de belastingen betalen en afzien van de terugkoop van bedrijfsaandelen of het uitkeren van bonussen aan de directie of van dividenden aan aandeelhouders; benadrukt het belang van het combineren van arbeidstijdverkortingsprogramma’s met onderwijs en beroepsopleiding voor de betrokken werknemers;

10.  is ingenomen met de aankondiging door de voorzitter van de Europese Commissie van een Europees systeem voor de herverzekering van werkloosheidsuitkeringen, en vraagt de Commissie met klem een voorstel hiertoe voor te leggen; pleit ervoor dat dit instrument alle soorten werknemers moet beschermen, de druk op de overheidsfinanciën bij externe schokken moet verminderen en de nationale werkloosheidsuitkeringsstelsels moeten vrijwaren tijdens crises die tot een plotse toename van de uitgaven leiden; pleit ervoor dat het voorstel in eerste instantie moet gelden voor de EMU-landen, maar dat ook niet-EMU-landen zich moeten kunnen aansluiten;

11.  is ingenomen met de invoering van een Fonds voor een rechtvaardige transitie; benadrukt dat een breed maatschappelijk draagvlak onontbeerlijk is voor de uitvoering van maatregelen in het kader van milieubescherming en klimaatactie; dringt er bij de lidstaten op aan de sociale partners, regionale en lokale overheden en het maatschappelijk middenveld daadwerkelijk te betrekken bij de opstelling van territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie; wijst erop dat de klimaatverandering en de daardoor veroorzaakte structurele veranderingen nu al ernstige gevolgen hebben voor veel Europese regio’s en hun inwoners; benadrukt dat het scheppen van fatsoenlijke groene banen van het allerhoogste belang is voor het bereiken van een inclusieve en evenwichtige arbeidsmarkt en het verwezenlijken van de eerlijke en rechtvaardige transitie naar een op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde, uiterst hulpbronnen- en energie-efficiënte, circulaire en koolstofneutrale economie, waarbij ervoor wordt gezorgd dat niemand buiten de boot valt; dringt erop aan het in mei 2020 door de Commissie in haar gewijzigde voorstel gesuggereerde bedrag voor het Fonds voor een rechtvaardige transitie te verhogen; eist dat het fonds over voldoende financiële middelen beschikt om regio’s in transitie te ondersteunen en nieuwe hoogwaardige banen te creëren, en dringt erop aan sociale cohesie als het leidende beginsel te beschouwen voor steunverlening in het kader van het fonds; benadrukt dat het herziene Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering een centrale rol speelt bij de ondersteuning van sociale regelingen voor door herstructureringsmaatregelen getroffen werknemers en vraagt de Commissie en de lidstaten in te stemmen met een aanzienlijke verhoging van de begroting voor dit instrument, in het kader van de ruimere financiële ondersteuning voor de Europese rechtvaardige transitie; dringt aan op een duurzaam en ambitieus gebruik van de beschikbare middelen om de kwetsbaarste en meest achtergestelde regio’s te ondersteunen, waar nodig aan de hand van overgangsmaatregelen; wijst erop dat projecten die voor steun in aanmerking komen, moeten voldoen aan de doelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050, de tussentijdse stappen daarvan tegen 2030 en de Europese pijler van sociale rechten;

12.  wijst op de veranderingen die een rechtvaardige transitie met zich meebrengt voor de arbeidsmarkt en de verdeling van de nieuwe groene banen; verzoekt de Commissie en de lidstaten strategieën te ontwikkelen die ervoor zorgen dat vrouwen toegang hebben tot nieuwe groene banen en die de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen in de sector hernieuwbare energie verkleinen;

13.  herinnert eraan dat voor de COVID-19-pandemie ruim 100 miljoen Europeanen dag in dag uit kampten met armoede en materiële ontberingen, en dat de toestand als gevolg van de crisis nog zal verslechteren; erkent de vitale rol van alle Europese fondsen en programma’s op sociaal gebied en de nog belangrijkere rol van het toekomstige ESF+ en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) de komende 7 jaar; benadrukt dat de herstelinspanningen ten goede moeten komen aan de werkgelegenheid, de groei, de veerkracht en de rechtvaardigheid van onze samenlevingen, en moeten worden aangevuld met een krachtige sociale dimensie, zodat sociale en economische ongelijkheid wordt aangepakt en de behoeften worden gelenigd van degenen die het hardst door de crisis worden getroffen, met name kwetsbare en achtergestelde groepen zoals mensen die in armoede verkeren, werklozen, ouderen, jongeren, mensen met een handicap, alleenstaande ouders, mobiele werknemers en migranten; wijst op de toezegging van de Commissie om het EFG in stelling te brengen voor het aanpakken van de gevolgen van de COVID-19-crisis op sociaal en economisch vlak, en benadrukt dat er de komende jaren voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken om het toepassingsgebied van het EFG uit te breiden tot de digitale en de groene transitie; roept de lidstaten ertoe op ten volle gebruik te maken van dit fonds om ontslagen werknemers bij deze transities te begeleiden;

14.  vreest dat er de komende jaren in de context van het herstel van de COVID-19-uitbraak dringend maatregelen nodig zullen zijn om armoede en kinderarmoede aan te pakken; benadrukt dat de lidstaten ten minste 5 % van de middelen van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) onder gedeeld beheer moeten toewijzen aan activiteiten in het kader van de Europese kindergarantie (EKG); beklemtoont dat het cruciaal is dat er een afzonderlijke begroting van 3 miljard EUR wordt gecreëerd voor het eerste jaar van de uitvoering van het ESF+, nu de EU kampt met de gevolgen van de COVID-19-pandemie, die des te groter zijn voor kinderen aangezien zij van alle achtergestelde groepen het kwetsbaarst zijn, en dat er in de periode 2021-2027 in totaal ten minste 20 miljard EUR wordt geïnvesteerd in de EKG; dringt erop aan dat dit wordt aangevuld met een globale strategie ter bestrijding van armoede, die onder meer maatregelen omvat om fatsoenlijke en betaalbare huisvesting te garanderen en dakloosheid tegen te gaan; wijst erop dat bij elke strategie om kinderarmoede uit te bannen rekening moet worden gehouden met het fenomeen van eenoudergezinnen en kroostrijke gezinnen, aangezien deze tot de kwetsbaarste groepen in de samenleving behoren; benadrukt eveneens dat de lidstaten ten minste 3 % van de middelen van het ESF+ onder gedeeld beheer moeten inzetten om voedselgebrek en materiële ontberingen te bestrijden en om de sociale inclusie van de meest behoeftigen te ondersteunen;

15.  benadrukt dat de COVID-19-crisis al veel mensen werkloos heeft gemaakt, met name jongeren, die vaker onzekere banen hebben; is in dit verband ingenomen met het voornemen van de Commissie om de Europese jongerengarantie te versterken en verzoekt de Commissie en de lidstaten prioriteit te geven aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid; benadrukt dat de lidstaten voldoende ESF+-middelen moeten blijven investeren in maatregelen ter ondersteuning van de werkgelegenheid voor jongeren en dat zij om die reden ten minste 15 % van hun ESF+-middelen onder gemeenschappelijk beheer moeten uittrekken voor gerichte acties en structurele hervormingen ter ondersteuning van hoogwaardige werkgelegenheid voor jongeren; wijst op de noodzaak van een bindende, doeltreffendere en inclusieve jongerengarantie die zorgt voor bezoldigde stageplaatsen, leerlingplaatsen en praktijkplaatsen voor alle categorieën van mensen die geen onderwijs of opleiding volgen en geen baan hebben, binnen een kader met duidelijke kwaliteitscriteria voor de jongerengarantie; hekelt het fenomeen van onbetaalde stages, tenzij zij verband houden met het verwerven van opleidingskwalificaties, omdat dit een vorm van uitbuiting van jongeren is en een schending inhoudt van hun rechten; vraagt de Commissie een wettelijk kader te presenteren voor een daadwerkelijk en afdwingbaar verbod op dergelijke onbezoldigde stageplaatsen, leerlingplaatsen en praktijkplaatsen;

De Porto-agenda: doelstellingen en voorstellen

16.  is van mening dat de Porto-agenda, als agenda voor een sterk sociaal Europa voor duurzame ontwikkeling, economische, sociale en ecologische welzijnsindicatoren moet omvatten en de volgende gebieden moet bestrijken: fatsoenlijk werk, sociale rechtvaardigheid en gelijke kansen, degelijke socialezekerheidsstelsels en eerlijke mobiliteit; is van oordeel dat, willen er tastbare resultaten worden geboekt, in deze nieuwe agenda kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen moeten worden gecombineerd en dat deze agenda moet worden verankerd in een op rechten gebaseerde benadering;

17.  vraagt dat de Commissie en de lidstaten de digitale kloof met betrekking tot de toegang tot openbare diensten, waarvan er vele gedigitaliseerd zijn tijdens de COVID-19-crisis, actief aanpakken door financiële steun van de EU te waarborgen voor sociale innovatie op lokaal niveau, teneinde openbare diensten beter toegankelijk te maken, onder meer door capaciteitsopbouw en schaalvergroting van initiatieven van onderaf ten behoeve van e-inclusie en datageletterdheid, om ervoor te zorgen dat alle burgers toegang hebben tot hoogwaardige, toegankelijke en gebruiksvriendelijke diensten van algemeen belang;

1.Fatsoenlijk werk en duurzame en inclusieve arbeidsmarkten

18.  merkt op dat fatsoenlijke lonen een cruciaal onderdeel zijn van billijke arbeidsomstandigheden en van zeer groot belang zijn voor een bloeiende sociale markteconomie, en dat lonen voldoende hoog moeten zijn zodat werkenden kunnen voorzien in hun eigen behoeften en die van hun gezin; meent dat elke werknemer in de EU een loon moet ontvangen dat ten minste een fatsoenlijke levensstandaard garandeert; is van mening dat versterkte collectieve onderhandelingen de beste manier vormen om fatsoenlijke lonen in de EU te bevorderen; roept de Commissie op om belemmeringen voor collectieve onderhandelingen in de EU in kaart te brengen en neemt kennis van het voorstel voor een richtlijn inzake minimumlonen en collectieve onderhandelingen; onderstreept dat deze richtlijn moet helpen om armoede onder werkenden uit te bannen en collectieve onderhandelingen te bevorderen in overeenstemming met wat in de lidstaten gebruikelijk is en met inachtneming van de autonomie van de nationale sociale partners en goed functionerende modellen voor collectieve onderhandelingen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een studie uit te voeren naar een index voor een leefbaar loon teneinde een raming uit te voeren van de kosten van levensonderhoud en het inkomen dat bij benadering nodig is om te voorzien in de basisbehoeften van een huishouden voor elke lidstaat en regio, aangezien dit zou kunnen dienen als referentie-instrument voor de sociale partners; houdt vol dat de wettelijke minimumlonen moeten worden vastgesteld op een niveau dat boven de fatsoensdrempel ligt, met volledige betrokkenheid van de sociale partners, aangezien dit helpt om armoede onder werkenden uit te bannen en een inkomen boven de armoedegrens voor elke werknemer garandeert, terwijl rekening wordt gehouden met de variaties in de kosten van levensonderhoud in de lidstaten; dringt aan op een gecoördineerde aanpak op EU-niveau om voor reële loongroei te zorgen, de neerwaartse spiraal van ongezonde loonkostenconcurrentie te vermijden en opwaartse sociale convergentie voor iedereen te bevorderen;

19.  roept de Commissie en de lidstaten op zich er samen met de sociale partners toe te verbinden tegen 2030 een collectieve onderhandelingsdekking van 90 % te bereiken in nationale systemen waarin werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden zowel bij wet als door de sociale partners worden geregeld; benadrukt dat collectieve onderhandelingen een bijdrage leveren aan de sociale markteconomie, zoals bedoeld in het Verdrag van Lissabon; herhaalt dat de Europese verdragen, die de autonomie van de sociale partners uitdrukkelijk beschermen, en de zelfregulerende systemen die in sommige lidstaten bestaan, beschermd moeten worden, zodat de sociale partners autonoom kunnen reguleren, waardoor een sterke legitimiteit en de dekking van de collectieve overeenkomsten worden gewaarborgd; roept de lidstaten op nationale wetgeving die collectieve onderhandelingen in de weg staat af te schaffen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de vakbonden toegang hebben tot de werkplek om organisatie mogelijk te maken; onderstreept dat hervormingen in de lidstaten niet ten koste mogen gaan van collectieve onderhandelingen en dat collectief onderhandelen op sectoraal niveau moet worden bevorderd, onder meer door de capaciteitsopbouw van de sociale partners te ondersteunen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de sociale partners volledig te betrekken bij de Europese beleidsvorming, onder andere het Europees Semester; is van mening dat de voorgestelde doelstellingen zouden helpen om armoede onder werkenden uit te bannen en eerlijke lonen voor Europese werknemers te garanderen;

20.  vraagt de Commissie de richtlijn inzake overheidsopdrachten te herzien teneinde een voorkeursbehandeling in te voeren voor bedrijven die collectieve arbeidsovereenkomsten naleven; verzoekt de Commissie ook de sociale clausule te versterken en bedrijven die zich schuldig hebben gemaakt aan criminele activiteiten of onderdrukking van vakbonden, of die hebben geweigerd deel te nemen aan collectieve onderhandelingen, uit te sluiten van inschrijvingsprocedures om er zo voor te zorgen dat overheidsgeld wordt aangewend voor investeringen in bedrijven die zich inzetten voor de rechtvaardige transitie, met als doel collectieve arbeidsovereenkomsten te bevorderen en het aantal vakbonden te vergroten; is bovendien van oordeel dat alle financiële steun van de EU aan ondernemingen afhankelijk moet worden gemaakt van de naleving van de toepasselijke arbeidsvoorwaarden en/of op de werkgever rustende verplichtingen die voortvloeien uit de relevante collectieve arbeidsovereenkomsten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat particulier of publiek beheerde openbare dienstverleners voorzien in fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden voor hun personeel, waarin met name de vrijheid om te onderhandelen over collectieve arbeidsovereenkomsten of arbeidsovereenkomsten op bedrijfsniveau en deze te sluiten, en het recht op een passend loon worden geëerbiedigd;

21.  wijst met grote bezorgdheid op het hoge niveau van de jeugdwerkloosheid in een aantal lidstaten en op de precaire aard van arbeidsovereenkomsten van jongeren, met name in sectoren die ernstig getroffen zijn door de COVID-19-crisis; dringt aan op een versterkt instrument voor de jongerengarantie met als doel de langdurige en jeugdwerkloosheid tegen 2030 met ten minste 50 % terug te dringen, onder meer criteria voor het scheppen van kwaliteitsbanen in overeenstemming met doelstelling 8 van de VN-agenda 2030; meent dat het tijd is om de jongerengarantie niet alleen bindend te maken voor alle lidstaten maar ook inclusief, onder meer door actief contact te leggen met mensen die al geruime tijd noch aan arbeidsmarkt noch onderwijs noch opleiding deelnemen alsmede jongeren met een kansarme sociaaleconomische achtergrond, waaronder jongeren met een handicap en Romajongeren;

22.  benadrukt dat een Europese agenda voor hoogwaardige banen niet alleen een kwestie van fatsoen is, maar ook een goede zaak is voor de economie aangezien deze de productiviteit en de interne vraag ten goede komt; is van oordeel dat bij een hoogwaardige baan een fatsoenlijk loon, werkzekerheid en toegang tot sociale bescherming, mogelijkheden voor een leven lang leren, goede arbeidsomstandigheden op veilige en gezonde werkplekken, redelijke werktijden met een goede balans tussen werk en privéleven, vakbondsvertegenwoordiging en onderhandelingsrechten behoren; vraagt dat de Commissie de algemene doelstelling om de kwaliteit van het werk op Europees niveau te verhogen, opneemt in het semesterproces en het sociaal scorebord, om zo de bijdrage van het werkgelegenheidsbeleid in de lidstaten tot de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de Europese pijler van sociale rechten te sturen en te beoordelen; vraagt dat de lidstaten evenveel aandacht besteden aan de landenspecifieke aanbevelingen op sociaal en werkgelegenheidsgebied, met name de aanbevelingen die zijn gedaan naar aanleiding van de COVID-19-crisis, als aan de economische en budgettaire aanbevelingen;

23.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de werkgelegenheidsrichtsnoeren van de EU uiterlijk één jaar na de vaststelling ervan in 2020 worden herzien, teneinde rekening te houden met de COVID-19-crisis en de sociale en werkgelegenheidsgevolgen daarvan, en om beter te reageren op soortgelijke toekomstige crises; wijst erop dat, om de democratische besluitvorming te versterken, het Europees Parlement op voet van gelijkheid met de Raad betrokken moet worden bij de opstelling van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid; roept Eurofound op een bijdrage te leveren aan het meten van de arbeidskwaliteit met verschillende contract- en arbeidsvormen, beleidsrelevante analyses te verrichten om te helpen bij het verbeteren van de arbeidskwaliteit en arbeid te verduurzamen;

24.  maakt zich zorgen over de toename van het aantal werknemers in onzekere en atypische vormen van werkgelegenheid, schijnzelfstandigen en werknemers met nulurencontracten, ook bij de nationale overheid; roept de Commissie en de lidstaten op te streven naar de doelstelling om tegen 2030 een einde te maken aan onvrijwillig tijdelijk en onvrijwillig deeltijdwerk, en naar de doelstelling dat 80 % van de gecreëerde banen middelmatig of hoogbetaald zijn en geconcentreerd zijn in duurzame sectoren; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de praktijk van nulurencontracten en schijnzelfstandigheid af te schaffen;

25.  roept de lidstaten op zich in te zetten voor het elimineren van dodelijke arbeidsongevallen en het terugdringen van het aantal werkgerelateerde ziektes tegen 2030; dringt er, met het oog op het bereiken van deze doelstelling, bij de Commissie op aan om een nieuwe strategie voor gezondheid en veiligheid op het werk uit te werken waarin zowel de fysieke als de geestelijke gezondheid van werknemers aan de orde komen; is van mening dat deze strategie de herziening van de kaderrichtlijn inzake gezondheid en veiligheid moet omvatten om werknemers te beschermen in noodsituaties zoals pandemieën, alsook ambitieuze wetgevingsvoorstellen inzake aandoeningen van het bewegingsapparaat en stressgerelateerde aandoeningen, in samenwerking met de sociale partners; verzoekt de Commissie de richtlijn betreffende carcinogene en mutagene agentia (CMD) te blijven bijwerken en tegen 2024 bindende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling vast te stellen voor ten minste 50 extra stoffen, en in deze richtlijn stoffen met schadelijke gevolgen voor het voortplantingssysteem op te nemen en strengere grenswaarden voor schadelijke stoffen zoals kankerverwekkende en mutagene stoffen in te voeren; beklemtoont dat de EU gevolg moet geven aan het Europees kader voor actie inzake geestelijke gezondheid; merkt op dat een van de doelstellingen ook de preventie van kanker is, aangezien 40 % van de kankergevallen als te voorkomen wordt beschouwd; vraagt dat de Commissie voorstellen doet voor een ambitieus plan voor het overwinnen van kanker om het door deze ziekte veroorzaakte lijden te helpen verminderen; vraagt dat de rol van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk wordt versterkt om gezonde en veilige werkplekken in de hele Unie te bevorderen en verdere initiatieven te ontwikkelen om preventie op het werk in alle activiteitensectoren te verbeteren;

26.  roept de Commissie op een strategische EU-zorgagenda te presenteren als een verdere stap voorwaarts in de kwalitatieve versterking van de gezondheidszorg in de EU en hierin eveneens verleners van persoonlijke en huishouddiensten op te nemen; herhaalt dat de zorgagenda ook de situatie moet weerspiegelen van de 100 miljoen informele zorgverleners in de EU, die 80 % van de langdurige zorg verlenen maar voor het grootste deel niet worden erkend; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten een regelgevingskader te ontwikkelen dat een kwalitatief hoogstaande zorgverlening garandeert, met inbegrip van de beoordeling van nieuwe mogelijkheden in de gezondheidszorg ten behoeve van consumenten en patiënten, waarbij rekening wordt gehouden met de rol van openbare en particuliere instellingen bij het verlenen van diensten aan de burgers en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor de verzorgers worden gewaarborgd;

27.  erkent dat eerlijk en sociaal duurzaam werk en echte werknemersparticipatie in het vormgeven van arbeidsomstandigheden belangrijker zijn dan ooit, zowel in digitale platforms als in alle andere sectoren, en dat werknemers democratische invloed moeten kunnen uitoefenen op het bestuur van het werk; beklemtoont dat de voordelen van de digitalisering breed en eerlijk moeten worden verdeeld en dat werknemers in de digitale sector dezelfde rechten en arbeidsomstandigheden moeten genieten als werknemers van andere sectoren; roept de Commissie op om een richtlijn voor te stellen over fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en rechten in de digitale economie, die betrekking heeft op alle werknemers, ook atypische werknemers met atypische arbeidsovereenkomsten, werknemers bij platformbedrijven en zelfstandigen; vraagt dat de Commissie met deze richtlijn verzekert dat platformbedrijven de bestaande nationale en Europese wetgeving naleven, de arbeidssituatie van platformwerknemers verduidelijkt door het weerlegbare vermoeden van een arbeidsverhouding, en waarborgen verschaft voor de bescherming van hun arbeidsomstandigheden, hun recht om zich te organiseren, om te worden vertegenwoordigd door vakbonden en om te onderhandelen over collectieve overeenkomsten, ook voor zelfstandigen; dringt er bij de Commissie op aan over te gaan tot een gerichte herziening van de mededingingsregels van de EU, zodat collectieve prijsstelling voor zelfstandigen met onzeker werk mogelijk wordt, om zo te zorgen voor een beter evenwicht in de onderhandelingspositie en een eerlijker interne markt;

28.  beklemtoont dat de COVID-19-pandemie het belang heeft onderstreept van digitale oplossingen, met name telewerken; dringt er bij de Commissie op aan een richtlijn in te dienen inzake minimumnormen en voorwaarden voor eerlijk telewerk, om de gezondheid en veiligheid van werknemers te beschermen en te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met inbegrip van het vrijwillige karakter ervan, de eerbiediging van werktijden, verlof, het evenwicht tussen werk en privéleven en andere digitale rechten op het werk, zoals het recht om offline te zijn, de bescherming van de privacy van werknemers, ook tegen toezicht op afstand of alle andere vormen van tracking, en het verbod op microchipimplantaten bij werknemers en op het gebruik van artificiële intelligentie bij aanwervingsprocedures, en daarbij rekening te houden met de kaderovereenkomst van de Europese sociale partners inzake digitalisering;

29.  roept de Commissie op om een nieuwe kaderrichtlijn in te voeren over werknemersinformatie, raadpleging en participatie voor Europese bedrijfsvormen, inclusief onderaannemingsketens en franchises, en voor bedrijven die gebruikmaken van Europese instrumenten voor bedrijfsmobiliteit, en om minimumnormen vast te stellen, ook inzake verwachte veranderingen en herstructureringen, met name op het niveau van het bedrijf; dringt tevens aan op een herziening van de richtlijn betreffende de Europese ondernemingsraad (EOR) om onder meer te zorgen voor behoorlijke handhaving, toegang tot de rechter en doeltreffende sancties voor inbreuken op de regels, en om de werking van de bijzondere onderhandelingsgroep te verbeteren, met inbegrip van een transnationaal informatie- en raadplegingsproces, dat naar behoren moet worden uitgevoerd en afgerond voordat er besluiten worden genomen; verzoekt de Commissie werknemersaandeelhouderschap te promoten als instrument om de inclusie van werknemers te verhogen, door de democratie op het werk te verbeteren, de ongelijkheid te verminderen en het risico op banenverlies in mindere tijden te beperken;

30.  roept de Commissie en de lidstaten op om de nodige voorwaarden en vereisten vast te stellen om ervoor te zorgen dat ten minste 80 % van de bedrijven tegen 2030 onder duurzame corporate governance-overeenkomsten valt, en met de werknemers overeengekomen strategieën vast te stellen om de ecologische, sociale en economische ontwikkeling positief te beïnvloeden door middel van bestuurspraktijken en marktaanwezigheid, de verantwoordingsplicht van de bestuurders met betrekking tot de integratie van duurzaamheid in de besluitvorming van ondernemingen te verbeteren en praktijken inzake ondernemingsbestuur te bevorderen die bijdragen tot de duurzaamheid van ondernemingen, onder meer met betrekking tot de verslaglegging van ondernemingen, de vergoedingen van de leden van de raad van bestuur, het maximale verschil tussen de salarissen, de samenstelling van de raad van bestuur en de betrokkenheid van de belanghebbenden;

31.  pleit voor een richtlijn inzake bindende zorgvuldigheidsverplichtingen op het gebied van mensenrechten en verantwoord ondernemerschap – met inbegrip van werknemersrechten zoals het recht op vrijheid van vereniging, het recht op collectieve onderhandelingen en het recht op gezondheid en veiligheid, sociale bescherming en goede arbeidsvoorwaarden, waarmee bindende zorgvuldigheidsverplichtingen worden vastgesteld die van toepassing zijn op de activiteiten en zakelijke relaties van bedrijven, met inbegrip van de toeleverings- en onderaannemingsketens; beklemtoont dat deze richtlijn moet zorgen voor de volledige betrokkenheid van vakbonden en vertegenwoordigers van werknemers bij het volledige zorgvuldigheidsproces en het recht moet garanderen om op de relevante niveaus een collectieve overeenkomst te sluiten over het zorgvuldigheidsbeleid; beklemtoont dat zowel de nationale arbeidsinspectiediensten als de Europese Arbeidsautoriteit (ELA) in de hele keten gezamenlijke inspecties moeten kunnen uitvoeren, met de mogelijkheid om klachten in te dienen, en steun moeten kunnen bieden bij de naleving van de regels, voor alle bedrijven in de EU en voor bedrijven die toegang willen krijgen tot de interne markt; verzoekt de Commissie erop aan te dringen dat alle handelspartners van de EU Verdrag nr. 81 (arbeidsinspectie) en Verdrag nr. 129 (arbeidsinspectie in de landbouwsector) van de IAO ratificeren;

32.  moedigt de Commissie aan om rekening te houden met de specifieke situatie van ondernemingen van de sociale economie, die tijdens de pandemie zeer belangrijk blijken te zijn voor de samenleving, en de ontwikkeling van specifieke programma's en financiële instrumenten te evalueren; verzoekt de Commissie om haar kader voor de oprichting en ontwikkeling van coöperaties en sociale ondernemingen bij te werken, aangezien deze intrinsiek meer nadruk leggen op eerlijke arbeidsvoorwaarden en het bieden van kansen aan werknemers;

33.  beklemtoont dat doeltreffende handhaving essentieel is voor de bescherming van werknemers en de uitvoering van sociale rechten; betreurt het dat de meeste lidstaten achterlopen met hun toezeggingen in het kader van het IAO-verdrag betreffende de arbeidsinspectie op het gebied van het aantal arbeidsinspecteurs; dringt erop aan dat de lidstaten hun handhavingscapaciteit vergroten om uiterlijk in 2030 een verhouding van ten minste één arbeidsinspecteur per 10 000 werkzame personen te bereiken;

2.Sociale rechtvaardigheid en gelijke kansen

34.  beklemtoont dat kinderarmoede uitroeien en zorgen voor het welzijn van en gelijke kansen voor kinderen tot de belangrijkste prioriteiten van Europa moeten behoren; roept de Commissie en de lidstaten op om vaart te zetten achter de goedkeuring en uitvoering van de Europese kindergarantie, zodat tegen 2030 elk kind in de EU volledige toegang heeft tot hoogwaardige en gratis gezondheidszorg, onderwijs en kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting geniet en voldoende te eten krijgt; merkt op dat dit beleid moet worden gecombineerd met andere maatregelen op het gebied van armoedebestrijding en gezinsbeleid om te komen tot veelzijdige beleidscycli die kinderen en hun gezin kansen op sociale integratie kunnen bieden, met inbegrip van nationale en lokale strategieën voor de bestrijding van kinderarmoede, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke uitdagingen waarmee verschillende groepen kinderen in nood op lokaal niveau worden geconfronteerd;

35.  veroordeelt het feit dat sommige regeringen de pandemie gebruiken als voorwendsel om een aantal fundamentele rechten van werknemers en vrouwen af te schaffen; herinnert aan het onvervreemdbare recht op toegang tot gezondheidszorg en het recht van zelfbeschikking over het eigen lichaam; onderstreept dan ook dat rechten met betrekking tot reproductieve gezondheidszorg, anticonceptie en abortus moeten worden gegarandeerd, onder meer door de wettelijk vastgestelde termijn voor een abortus te verlengen;

36.  is ingenomen met de conclusies van de Raad over het versterken van de bescherming van het minimuminkomen ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; vraagt dat de Commissie deze conclusies verder uitwerkt en een kader voor minimuminkomensregelingen voorstelt, teneinde het recht op een fatsoenlijk leven te waarborgen en armoede uit te roeien, en dat zij een oplossing zoekt voor de kwesties van toereikendheid en dekking, met inbegrip van een non-regressieclausule; benadrukt dat iedereen in Europa moet worden gedekt door een minimuminkomensregeling en dat pensioenen een inkomen moeten garanderen dat boven de armoedegrens ligt;

37.  verzoekt de lidstaten en de Commissie zich ertoe te verbinden de loonkloof tussen mannen en vrouwen, die momenteel 16 % bedraagt - en de daaruit voortvloeiende pensioenkloof - weg te werken met een streefcijfer van 0 % voor 2030, door het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk voor mannen en vrouwen te ondersteunen; verzoekt de Commissie met spoed een wettelijk kader voor loontransparantie te presenteren, zoals aanvankelijk voor de eerste 100 dagen was beloofd, met inbegrip van rapportage over loontransparantie en informatie over loonniveaus; herhaalt dat de genderpensioenkloof eveneens het gevolg is van tekortschietende pensioensregelingen die niet voldoende rekening houden met perioden van zwangerschaps- of ouderschapsverlof; verzoekt de Commissie en de lidstaten langetermijnmaatregelen te nemen om de hoge werkloosheidscijfers onder vrouwen terug te dringen en de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te waarborgen, te zorgen voor gelijke arbeidsparticipatie en gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en initiatieven te nemen om de toegang van vrouwen tot financiële middelen, vrouwelijk ondernemerschap en de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te bevorderen;

38.  verzoekt de Commissie concrete maatregelen in te voeren die van toepassing zijn op zowel overheids- als particuliere sectoren, waarbij voldoende rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van kleine en middelgrote ondernemingen, zoals de duidelijke vastlegging van criteria voor het beoordelen van de waarde van werk, genderneutrale taakevaluatie- en classificatiesystemen, loonkloofaudits en verslagen om gelijk loon te garanderen, het recht van werknemers op volledige looninformatie en verhaalsmogelijkheden, en duidelijke streefcijfers voor de gelijkheidsprestaties van bedrijven; dringt voorts aan op een betere toegang tot de rechter en op de invoering van sterkere procedurele rechten om loondiscriminatie te bestrijden; verzoekt de Commissie de rol van de sociale partners en van collectieve onderhandelingen op alle niveaus (nationaal, sectoraal, lokaal en in bedrijven) in de nieuwe wetgeving inzake loontransparantie te bevorderen; verzoekt de Commissie sterke handhavingsmaatregelen op te nemen voor diegenen die niet aan de regels voldoen, zoals straffen en sancties voor werkgevers die het recht op gelijk loon schenden;

39.  verzoekt de lidstaten de richtlijn vrouwelijke bestuurders uit het slop te halen en een ambitieus standpunt in de Raad goed te keuren om de wanverhouding tussen vrouwen en mannen in besluitvormingsfuncties op het hoogste niveau aan te pakken; roept de Commissie en de lidstaten op zich in te zetten voor het wegwerken van het “glazen plafond”-effect bij de raden van bestuur van beursgenoteerde bedrijven door de doelstelling in te voeren om een vertegenwoordiging van ten minste 40 % vrouwen in hogere managementfuncties te bereiken;

40.  verzoekt de Commissie een Europese strategie inzake handicaps voor de periode na 2020 voor te stellen, die alle bepalingen van het UNCRPD omvat alsook ambitieuze, duidelijke en meetbare doelstellingen, geplande acties met duidelijke tijdschema's en specifieke middelen, en die wordt ondersteund door een adequaat en voldoende gefinancierd controlemechanisme met duidelijke benchmarks en indicatoren, waarbij ook benadrukt wordt dat volledige toegankelijkheid van goederen en diensten, met inbegrip van de gebouwde omgeving, inclusief onderwijs en de arbeidsmarkt, en het gebruik van kunstmatige intelligentie moeten worden gewaarborgd, zodat personen met een handicap volledig kunnen deelnemen aan de samenleving, en vraagt dat de Commissie zich ook inzet om het proces van de-institutionalisering van voorzieningen voor langdurige zorg af te ronden; verzoekt de lidstaten om de middelen uit het Cohesiefonds, het EFRO en ook het ESF te gebruiken om de toegankelijkheid van openbare ruimten te verbeteren voor personen met bijzondere behoeften, met inbegrip van personen met een handicap, personen met kinderen en ouderen, die nog steeds worden geconfronteerd met het probleem van sociale uitsluiting;

41.  dringt erop aan dat het genderperspectief wordt opgenomen in de nieuwe strategie inzake handicaps en gelijke behandeling voor 2021, met gepaste aandacht voor betere toegang tot de arbeidsmarkt via gerichte maatregelen en acties;

42.  steunt de bevordering van inclusief en toegankelijk onderwijs, met inbegrip van toegang tot breedbandinternet, en beroeps- en digitale opleidingen, ook voor kwetsbare groepen en mensen met een handicap, om met name laaggeschoolde en oudere werknemers in staat te stellen zich om te scholen en nieuwe vaardigheden te leren; ondersteunt de totstandbrenging van EU-brede mogelijkheden voor leerlingplaatsen; vraagt dat de Commissie en de lidstaten extra inspanningen leveren voor de verdere integratie van personen met een handicap in de arbeidsmarkt door obstakels weg te nemen, gebruik te maken van de kansen die digitaal werk biedt voor hun integratie, en door stimulansen te creëren om deze mensen in dienst te nemen; herinnert eraan dat volgens Eurofound slechts één op de drie werknemers met een beperkende chronische of zeldzame ziekte over een aangepaste werkplek beschikt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de werkgelegenheid van mensen met een handicap of een chronische ziekte in Europa, alsook het behoud van hun banen en hun re-integratie op de arbeidsmarkt te blijven bevorderen;

43.  staat achter de nieuwe vaardighedenagenda van de EU; benadrukt het belang van toegang tot de opleiding en omscholing van werknemers in industrieën en sectoren die grondig moeten worden aangepast met het oog op een groene en digitale transitie; wijst erop dat kwalificaties en gecertificeerde vaardigheden werknemers een meerwaarde verschaffen waarmee hun positie op de arbeidsmarkt verbetert en die zij in de transities van de arbeidsmarkt kunnen meenemen; pleit voor een overheidsbeleid inzake vaardigheden dat gericht is op de certificering en validering van kwalificaties en vaardigheden; benadrukt dat er in bedrijven die toegang hebben tot overheidsmiddelen voor de bijscholing van werknemers, en in overleg met werknemersvertegenwoordigers, op vaardigheden gebaseerde compensatiesystemen moeten worden opgezet, aangezien dit systeem ervoor zou zorgen dat die overheidsinvesteringen rendabel zijn; benadrukt dat de Europese vaardighedenstrategie voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht het recht op levenslang leren voor iedereen en op alle gebieden moet waarborgen;

3.Degelijke socialezekerheidsstelsels

44.  merkt op dat de huidige investering in sociale infrastructuur in de EU op ongeveer 170 miljard EUR per jaar is geraamd en dat de Commissie de benodigde investering op 192 miljard EUR raamt, waarbij gezondheidszorg en langdurige zorg goed zijn voor 62 % van deze investering (betaalbare huisvesting, 57 miljard EUR; gezondheidszorg, 70 miljard EUR; langdurige zorg, 50 miljard EUR; onderwijs en levenslang leren, 15 miljard EUR); verzoekt de Commissie en de lidstaten een deel van de faciliteit voor herstel en veerkracht dat gelijkwaardig is aan de investeringen in milieu- en digitale prioriteiten, uit te trekken voor de tenuitvoerlegging van de beginselen van de EPSR; wijst erop dat bij de toewijzing van middelen uit de faciliteit voor herstel en veerkracht rekening moet worden gehouden met gendergelijkheid;

45.  verzoekt de Commissie toezicht te houden op de Europese strategie voor gendergelijkheid (2020-2025) en vraagt de lidstaten op basis daarvan nationale strategieën voor gendergelijkheid vast te stellen als belangrijk onderdeel van de sociaaleconomische maatregelen die zij treffen in de nasleep van de COVID-19-crisis;

46.  benadrukt voorts dat de Commissie en de lidstaten betere en meer geharmoniseerde gegevens moeten verzamelen over het aantal daklozen in Europa, aangezien een dergelijke gegevensverzameling de basis vormt van elk doeltreffend openbaar beleid;

47.  benadrukt dat de EU en haar lidstaten de plicht hebben jegens burgers om hun universele toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting te waarborgen overeenkomstig de VN-agenda 2030, met name doelstelling 11, en overeenkomstig de fundamentele rechten als vastgesteld in de artikelen 16, 30 en 31 van het Europees Sociaal Handvest en de Europese pijler van sociale rechten; vraagt in dit verband dat alle lidstaten het herziene Europees Sociaal Handvest ratificeren; benadrukt dat investeringen in sociale, fatsoenlijke en betaalbare huisvesting van cruciaal belang zijn om de kwaliteit van het leven voor iedereen te garanderen en te verbeteren; roept de Commissie en de lidstaten op om zoveel mogelijk te investeren in betaalbare huisvesting teneinde te voorzien in de huisvestingsbehoeften van de lagere en modale inkomensgroepen (de drie onderste kwintielen), en ervoor te zorgen dat ten minste 30 % van alle nieuwbouwwoningen betaalbare huisvesting biedt voor beide inkomensgroepen, en energiearmoede tegen 2030 uit te bannen door investeringen in energie-efficiëntie door huishoudens met lage inkomens te ondersteunen; vraagt dat de lidstaten in hun plannen voor herstel en veerkracht voorrang geven aan renovatie; dringt er bij de Commissie op aan om voorstellen te doen voor een ambitieus actieplan om dakloosheid geleidelijk uit te roeien tegen 2030, waaronder een “eerst een woning”-aanpak op Europese schaal; verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren voor een EU-kader voor nationale strategieën inzake dakloosheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten minimumnormen vast te stellen voor hoogwaardige huisvesting voor grensoverschrijdende werknemers en seizoensarbeiders, die moet worden losgekoppeld van hun bezoldiging, alsook voor fatsoenlijke voorzieningen, privacy voor huurders en schriftelijke huurovereenkomsten die door de arbeidsinspectie worden gehandhaafd, en ook in dit verband normen vast te stellen;

48.  dringt erop aan dat alle werknemers worden opgenomen in het socialezekerheidsstelsel en recht hebben op werkloosheidsuitkeringen, betaald ziekteverlof, moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, ongevallenverzekering en bescherming tegen onrechtmatig ontslag;

49.  maakt zich zorgen om de ongelijkheden in de kwaliteit van en de toegang tot de gezondheidszorg in de EU die door de COVID-19-crisis aan het licht zijn gekomen; herinnert eraan dat armere mensen gemiddeld 6 jaar minder lang leven dan rijkere mensen en dat personen met een handicap vaak problemen hebben om toegang te krijgen tot gezondheidszorg; benadrukt de noodzaak om aandacht te besteden aan de sociale, economische en ecologische determinanten van gezondheid om deze ongelijkheden in gezondheid aan te pakken; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke indicatoren en methoden te ontwikkelen voor het toezicht op de gezondheid en op de prestaties en de toegankelijkheid van de gezondheidszorgstelsels, teneinde de ongelijkheden te verminderen en de gebieden die voor verbetering vatbaar zijn en meer financiering nodig hebben, te identificeren en te prioriteren; verzoekt de Commissie te analyseren hoe de verschillende nationale socialezekerheidsstelsels in de huidige crisis voorzien in de socialezekerheidsbehoeften, om de sterke en zwakke punten met betrekking tot de toegang tot en de verlening van diensten en sociale bescherming in kaart te brengen, en vraagt dat zij zorgt voor een mechanisme voor de monitoring en evaluatie van de socialezekerheidsstelsels in Europa, om na te gaan hoe veerkrachtig deze stelsels zijn wanneer ze schokken van verschillende omvang ondergaan, en om te onderzoeken hoe ze veerkrachtiger en sterker kunnen worden gemaakt om toekomstige crises te doorstaan;

50.  benadrukt dat de universele toegang tot officiële, solidaire en adequate pensioenen en ouderdomspensioenen moet worden gegarandeerd voor iedereen; erkent de uitdagingen voor de lidstaten om de pensioenstelsels duurzamer te maken, maar benadrukt dat het belangrijk is solidariteit binnen de pensioenstelsels te waarborgen door de ontvangstenzijde te versterken; benadrukt het belang van officiële en bedrijfspensioenregelingen die voorzien in een adequaat pensioeninkomen dat boven de armoedegrens ligt en waarmee gepensioneerden hun levensstandaard kunnen handhaven; is van mening dat de beste manier om te zorgen voor duurzame, zekere en toereikende pensioenen voor vrouwen en mannen erin bestaat de totale arbeidsparticipatie te verhogen en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid voor alle leeftijdscategorieën te scheppen, de arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden te verbeteren en de nodige overheidsuitgaven in de begroting op te nemen; is van mening dat hervormingen van het pensioenstelsel onder meer gericht moeten zijn op de effectieve pensioenleeftijd en moeten inspelen op de tendensen op de arbeidsmarkt, de geboortecijfers, de gezondheids- en welvaartsituatie, de arbeidsomstandigheden en de economische afhankelijkheidsratio; is van mening dat bij deze hervormingen ook rekening moet worden gehouden met de situatie van miljoenen werkenden in Europa, met name vrouwen, jongeren en zelfstandigen, die het slachtoffer zijn van onzeker werk, perioden van onvrijwillige werkloosheid en verminderde arbeidsduur; vraagt de Commissie en de lidstaten dat zij rekening houden met de bijzondere situatie van oudere werknemers op de arbeidsmarkt en dat zij hun inspanningen op het gebied van actief en gezond ouder worden intensiveren door discriminatie van ouderen op de arbeidsmarkt tegen te gaan en programma's voor integratie op de arbeidsmarkt voor 55- plussers te ontwikkelen, met levenslang leren als hoofdprioriteit;

51.  maakt zich zorgen over de manier waarop de COVID-19-pandemie de kwetsbaarheid, de isolatie, de kans op armoede en sociale exclusie van de oudere bevolking verergert; onderstreept dat de pandemie heeft uitgewezen dat er een EU-model nodig is om de waardigheid en grondrechten van ouderen te bevorderen en te waarborgen; verzoekt de Commissie een plan in te dienen om de geestelijke gezondheid, de waardigheid en het welzijn van mensen, waaronder ouderen, te waarborgen door adequate kwaliteitsvolle gezondheids- en zorgdiensten te ondersteunen, te investeren in gemeenschapsdiensten, gezondheidspreventie en -bevordering, sociale bescherming en fatsoenlijke en betaalbare huisvesting en infrastructuur, alsook door steun te verlenen aan projecten van de sociale economie, onder meer gemeenschappelijk wonen en coöperatieve huisvesting, gezondheids- en welzijnsprogramma’s, dagopvang voor volwassenen en langdurige zorg, en door de rol en de werkomstandigheden van zorgverleners te beschermen, waarbij ook de solidariteit tussen de generaties moet worden bevorderd; roept de lidstaten op om gelijke toegang te bieden tot betaalbare, preventieve en curatieve gezondheidszorg van goede kwaliteit, zoals vastgelegd in de Europese pijler van sociale rechten, met inbegrip van medische en zorgdiensten en -faciliteiten die niet discrimineren op grond van leeftijd;

52.  verheugt zich over het recente verslag van de Commissie over de gevolgen van de demografische veranderingen voor verschillende groepen in de samenleving en voor gebieden en regio’s die onevenredig zwaar worden getroffen; roept de Commissie en de lidstaten op om meer gebruik te maken van de middelen die in het kader van het EFRO beschikbaar zijn, voor de verbetering van de vervoers- en telecommunicatie-infrastructuur in gebieden met een sterk vergrijzende bevolking en gebieden met een uitgesproken plattelandskarakter die ontvolkt raken;

4.Eerlijke mobiliteit

53.  roept de Commissie op de richtlijn betreffende uitzendbureaus te herzien om een wettelijk kader tot stand te brengen dat garanties biedt voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en gelijke behandeling van seizoensarbeiders en mobiele werknemers binnen de EU met een contract voor bepaalde tijd met uitzendbureaus of een ander soort arbeidsmarktbemiddelaar, inclusief wervingsbureaus; verzoekt de lidstaten de handhaving te verbeteren en de praktijken van malafide uitzendbureaus te bestrijden; wijst erop dat dit wettelijk kader het volgende zou kunnen omvatten: een verbod op arbeidsmarktbemiddelaars die niet voldoen aan de richtlijn betreffende uitzendarbeid en actief zijn op de interne markt, een gegarandeerd minimumloon bij collectieve overeenkomst of bij wet, een gegarandeerd minimumaantal uren per week/maand, dat de werkgever onder geen enkele post in mindering kan brengen op het minimumloon of in het kader van een collectieve overeenkomst vastgestelde lonen, een verbod op looninhoudingen in het geval van deeltijdcontracten, gegarandeerde gelijke behandeling van iedereen die in de betrokken lidstaat wordt beschermd als werknemer die in hetzelfde bedrijf/dezelfde sector werkt, een vereiste dat alle uitzendbureaus op de interne markt zijn opgenomen in een Europees register en gecertificeerd zijn om op de interne markt actief te zijn, sancties tegen bedrijven die gebruikmaken van frauduleuze wervingspraktijken en mensenhandel voor arbeidsuitbuiting en toegang tot informatie over arbeidscontracten en arbeidsrechten in een taal die de werknemer kan begrijpen; verzoekt de Commissie en de lidstaten een einde te maken aan rechtstreekse betalingen uit hoofde van het gemeenschappelijk landbouwbeleid aan begunstigden die zich niet houden aan het nationale en Europese arbeidsrecht, IAO-verdragen en de toepasselijke overeenkomsten inzake collectief onderhandelen;

54.  benadrukt dat het vrije verkeer van werknemers in de EU een fundamentele vrijheid en een integraal onderdeel van het succes van de interne markt is; benadrukt dat het vrije verkeer van diensten moet worden verwezenlijkt zonder de rechten van werknemers en de sociale rechten in het gedrang te brengen; is van oordeel dat het vrije verkeer van diensten hand in hand gaat met vrije en eerlijke mobiliteit van de werknemers die deze diensten verlenen, en dat de interne markt gebaat is bij de naleving van de regels inzake arbeidsvoorwaarden en de bescherming van de gezondheid en veiligheid van mobiele werknemers; merkt op dat er grijze gebieden en mazen in de wet zijn met betrekking tot bepaalde werknemers die dit recht onder precaire omstandigheden en vaak via frauduleuze arbeidsbemiddelingsbureaus en arbeidsmarktbemiddelaars uitoefenen; verzoekt de Commissie en de lidstaten fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en gelijke behandeling voor alle mobiele werknemers in de EU te waarborgen;

55.  dringt aan op een EU-aanpak om loonkostenconcurrentie te voorkomen en opwaartse sociale convergentie voor iedereen te bevorderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten eerlijke en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor mobiele werknemers en grens- en seizoensarbeiders in de EU te garanderen en ervoor te zorgen dat zij gelijke toegang hebben tot werkgelegenheid en kansen in andere lidstaten en gelijke niveaus van sociale bescherming genieten, zoals bepaald in artikel 45, lid 2, van het VWEU; dringt erop aan dat ook rekening wordt gehouden met praktijken met betrekking tot gedetacheerde werknemers; dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor een adequate coördinatie van de sociale zekerheid, onder meer door de herziening van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(18) en de versterking van de overdraagbaarheid van rechten; pleit ervoor dat de digitalisering van de socialezekerheidsstelsels verder wordt bevorderd; verzoekt de lidstaten en de Commissie de bescherming van alle betrokken werknemers bij de overgang van ondernemingen te waarborgen en na te gaan of een herziening van de richtlijn betreffende de overgang van ondernemingen nodig is;

56.  benadrukt dat de praktijken van het oprichten van dochterondernemingen of het creëren van onderaannemingsketens met als doel de verplichtingen en bijdragen van werkgevers inzake sociale zekerheid te verlagen zonder in de praktijk een effectieve socialezekerheidsdekking te creëren, schadelijk zijn voor de bescherming van werknemers en de duurzaamheid van socialezekerheidsstelsels en dat deze praktijken door de Commissie en de lidstaten moeten worden aangepakt; roept de Commissie en de lidstaten op om, met het oog op billijkheid op de interne markt, wettelijke maatregelen te nemen om een einde te maken aan wanpraktijken op het gebied van onderaanneming, en om de gemeenschappelijke en hoofdelijke aansprakelijkheid in de hele onderaannemingsketen te waarborgen, teneinde de rechten van de werknemers te beschermen alsook hun claims in gevallen van achterstallig loon, niet-betaling van sociale bijdragen, faillissement, verdwijningen en “brievenbusfirma's” die niet betalen zoals overeengekomen;

57.  verzoekt de Commissie de sociale clausule van de bestaande EU-richtlijn overheidsopdrachten krachtig te handhaven en te onderzoeken of deze richtlijn moet worden herzien om de sociale clausules in overheidsopdrachten te versterken, waarbij van de economische actoren en de onderaannemers wordt geëist dat zij het recht van de werknemers op collectieve onderhandelingen volledig eerbiedigen, en de voorwaarden vast te stellen voor de volledige uitvoering van de toepasselijke sectorale collectieve overeenkomsten en de daarin beschreven arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de nationale arbeidsmarkttradities en -modellen; dringt erop aan dat bij deze herziening alle sociale en welzijnsdiensten worden vrijgesteld van de aanbestedingsverplichtingen en dat er een Europees uitsluitingsmechanisme wordt ingesteld om hoofdcontractanten en onderaannemers die zich herhaaldelijk schuldig maken aan oneerlijke concurrentie en belastingfraude, uit te sluiten; roept de lidstaten op om te zorgen voor naleving, toezicht en handhaving;

58.  maakt zich zorgen over het grote bedrag aan gederfde belastinginkomsten als gevolg van grootscheepse belastingontwijking; verzoekt de Raad vaart te zetten achter de onderhandelingen over wetgeving inzake openbare verslaglegging per land en een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, en zowel de criteria van de Groep gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) als de criteria voor de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties te herzien;

59.  staat achter de oprichting van de Europese Arbeidsautoriteit (ELA); dringt erop aan dat de ELA zo spoedig mogelijk volledig operationeel wordt; vraagt dat deze autoriteit voortdurend informatie over beste praktijken uitwisselt met de respectieve arbeidsautoriteiten in de lidstaten en voorlopige inspecties uitvoert; benadrukt dat de ELA alleen doeltreffend kan zijn in de strijd tegen illegale praktijken en uitbuiting en misbruik van werknemers als het gemakkelijker wordt om controles uit te voeren en sancties op te leggen aan bedrijven die zich niet aan de regels houden; onderstreept dat hiervoor ook een uitgebreider mandaat van de autoriteit is vereist, dat wetgevingshandelingen van de EU omvat zoals Richtlijnen 2008/104/EG(19), 2014/36/EU(20) en 2009/52/EG(21) van het Europees Parlement en de Raad, alsook de relevante EU-wetgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk; is van mening dat de ELA en de nationale inspectiediensten verplicht zouden moeten worden om een gezamenlijke of gecoördineerde inspectie uit te voeren wanneer gevallen van misbruik door een nationale sociale partner onder haar aandacht worden gebracht; vraagt daarom met aandrang aan de Commissie dat zij deze aspecten opneemt in de evaluatie van het mandaat van de ELA die in 2024 moet plaatshebben, en dat zij belanghebbenden met een gedegen kennis van de verschillende arbeidsmarktmodellen bij de werkzaamheden en evaluaties van de ELA betrekt; is voorts van mening dat het bestuur van de ELA dezelfde tripartiete structuur als andere agentschappen moet volgen en dus een grotere vertegenwoordiging, inclusief stemrecht, van de nationale sociale partners in de raad van bestuur moet toestaan;

60.  verzoekt de Commissie om na een degelijke effectbeoordeling een voorstel in te dienen voor een digitaal EU-socialeverzekeringsnummer, zoals zij in 2018 heeft aangekondigd, teneinde de mobiliteit van werknemers te bevorderen en te beschermen, met ook de mogelijkheid om een controlemechanisme voor individuen en de betrokken autoriteiten in te stellen, om ervoor te zorgen dat werknemers gedekt zijn en de sociale zekerheid betaald wordt overeenkomstig de verplichtingen, zoals een persoonlijke arbeidskaart, en dat de EU-regels inzake arbeidsmobiliteit en de coördinatie van de sociale zekerheid op een eerlijke en doeltreffende manier worden gehandhaafd; meent bovendien dat de werknemers en hun vertegenwoordigers alsook de inspectiediensten up-to-date toegang moeten hebben tot informatie over hun werkgevers en hun loonrechten en sociale en arbeidsrechten, in overeenstemming met de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst of de nationale wetgeving, indien van toepassing, en in overeenstemming met de criteria voor de bescherming van gegevens;

61.  verzoekt de Commissie de mogelijkheden te onderzoeken om werknemers uit derde landen in staat te stellen een werkvergunning in de EU te verkrijgen, onder de voorwaarde dat alle waarborgen in het nationale en EU-arbeidsrecht ook voor onderdanen van derde landen effectief bescherming en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden garanderen en dat dit niet leidt tot verstoringen van de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie een uitgebreid onderzoek te laten uitvoeren naar de trends die kenmerkend zijn voor de arbeidsomstandigheden van gedetacheerde onderdanen van derde landen en benadrukt de noodzaak van mogelijke beleidsmaatregelen op EU- of nationaal niveau op basis van de uitkomst van dit onderzoek; is ernstig bezorgd over de huidige toename van het aandeel onderdanen van derde landen in sectoren met een reputatie van onzekere arbeidsomstandigheden en gevallen van misbruik; onderstreept dat onderdanen van derde landen vaak kwetsbaarder zijn voor uitbuiting en daarom moeten worden beschermd; benadrukt dat het hier gaat om wanpraktijken zoals valse detachering, schijnzelfstandigheid, frauduleuze onderaannemingsbedrijven en wervingsbureaus, brievenbusmaatschappijen en zwartwerk; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de toepasselijke wetten en regels inzake arbeidsvoorwaarden worden nageleefd bij de omgang met onderdanen van derde landen, teneinde misbruik uit te bannen, en verzoekt de lidstaten de beschermende elementen van Richtlijn 2009/52/EG ten uitvoer te leggen en daarbij te zorgen voor toegankelijke en doeltreffende klachtenmechanismen die het mogelijk maken om verschuldigde lonen en socialezekerheidsbijdragen daadwerkelijk terug te vorderen;

o
o   o

62.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(2) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(3) PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 68.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0176.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0194.
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0180.
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0033.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0337.
(9) PB L 185 van 11.7.2019, blz. 44.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0202.
(11) PB C 159 van 10.5.2019, blz. 1.
(12) PB C 97 van 24.3.2020, blz. 32.
(13) https://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/10163468/3-16102019-CP-EN.pdf/edc3178f-ae3e-9973-f147-b839ee522578
(14) https://www.feantsa.org/public/user/Resources/resources/Rapport_Europe_2020_GB.pdf
(15) Eurofound (2018), “Upward convergence in the EU: Concepts, measurements and indicators”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg. Eurofound (2017), Zesde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden - Overzichtsverslag (update 2017), Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
(16) Unemployment statistics: Eurostat, July 2020
(17) European Economic Forecast, Autumn 2020, European Commission, https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/economy-finance/ip136_en.pdf
(18) PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.
(19) Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid (PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9).
(20) Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 375).
(21) Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (PB L 168 van 30.6.2009, blz. 24).

Laatst bijgewerkt op: 16 maart 2021Juridische mededeling - Privacybeleid