Index 
Aangenomen teksten
Vrijdag 19 juni 2020 - BrusselDefinitieve uitgave
Instelling van een Enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot de bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de Unie - bevoegdheden, aantal leden en ambstermijn
 De heropening van de vervolging van de premier van Tsjechië vanwege het misbruik van EU-fondsen en mogelijke belangenconflicten
 Bankenunie - jaarverslag 2019
 Richtsnoeren voor de begroting 2021 - afdeling III
 Oostelijk Partnerschap in de aanloop naar de top van juni 2020
 Westelijke Balkan, na de top van 2020
 Toerisme en vervoer in en na 2020
 Administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen: uitstel van bepaalde termijnen als gevolg van de COVID-19-pandemie *
 Uitzonderlijke, tijdelijke Elfpo-steun in reactie op de uitbraak van COVID-19 (wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013) ***I
 Europees burgerinitiatief: tijdelijke maatregelen inzake de verzamel-, verificatie- en onderzoeksperioden in het licht van de COVID-19-uitbraak ***I
 De demonstraties tegen racisme naar aanleiding van de dood van George Floyd
 De wet inzake de nationale veiligheid van de Volksrepubliek China voor Hongkong en de noodzaak voor de EU om de hoge mate van autonomie van Hongkong te verdedigen
 Situatie in het Schengengebied als gevolg van de COVID-19-pandemie
 Europese bescherming van grens- en seizoensarbeiders in het kader van de COVID-19-crisis

Instelling van een Enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot de bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de Unie - bevoegdheden, aantal leden en ambstermijn
PDF 132kWORD 45k
Besluit van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de instelling van een enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht in verband met de bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de Unie, en de vaststelling van haar bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat (2020/2690(RSO))
P9_TA(2020)0163B9-0191/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek van 183 leden voor de instelling van een enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op de toepassing van het Unierecht betreffende het vervoer van levende dieren binnen en buiten de Unie,

–  gezien het voorstel van de Conferentie van voorzitters,

–  gezien artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 19 april 1995 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement(1),

–  gezien artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97(2),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2015 in zaak C-424/13(3),

–  gezien artikel 208 van zijn Reglement,

1.  besluit tot instelling van een enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op de toepassing van het Unierecht in verband met de uitvoering door de lidstaten en de handhaving door de Europese Commissie van Verordening (EG) nr. 1/2005;

2.  besluit dat de enquêtecommissie tot taak heeft:

   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om stappen te ondernemen naar aanleiding van bewijzen van ernstige en systematische inbreuken op Verordening (EG) nr. 1/2005, die zich voordoen wanneer dieren levend worden vervoerd binnen de Unie en naar derde landen. De Commissie is geregeld op de hoogte gebracht van de systematische en ernstige schendingen die plaatsvinden tijdens het vervoer van levende dieren. Sinds 2007 heeft de Commissie ongeveer 200 meldingen ontvangen van inbreuken op Verordening (EG) nr. 1/2005. In 2016 heeft advocatenkantoor Conte & Giacomini namens Animal Welfare Foundation/Tierschutzbund Zurich (AWF/TSB) een formele klacht bij de Commissie ingediend wegens inbreuken op Verordening (EG) nr. 1/2005 tijdens het vervoer van dieren over de weg van Europa naar Turkije(4), en de Commissie daarbij verzocht inbreukprocedures in te leiden tegen de lidstaten die betrokken waren bij onwettige praktijken,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende betreffende het vloeroppervlak en de stahoogte waarover de dieren moeten beschikken, zoals vastgelegd in artikel 3, letter g), en in hoofdstuk II, punt 1.2, hoofdstuk III, punt 2.3, en hoofdstuk VII van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende goedkeuring van vervoermiddelen voor het wegvervoer en van veeschepen, vastgelegd in de artikelen 7, 18 en 19 van Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende water en voeder voor dieren tijdens het vervoer, vastgelegd in artikel 3, tweede alinea, letter h), in hoofdstuk V, punt 1.4, punt 1.5 en 2.1, letter a) en b), en in hoofdstuk VI, punten 1.3 en 2.2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende strooisel, vastgelegd in hoofdstuk II, punt 1.1, letter h), en punt 1.5, en hoofdstuk VI, punt 1.2, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende temperatuur en ventilatie, vastgelegd in hoofdstuk II, punt 1.1, letter b), hoofdstuk III, punt 2.6, en hoofdstuk VI, punt 3.1, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende het verbod op het vervoer van dieren die niet voor vervoer geschikt zijn, als vastgelegd in artikel 3, tweede alinea, letter b), en in hoofdstuk I van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende het gescheiden behandelen en vervoeren van bepaalde dieren, als vastgelegd in hoofdstuk III, punt 1.12, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bijkomende bepalingen betreffende lange transporten, als vastgelegd in artikel 14 en in hoofdstuk VI van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende de te verrichten controles, als vastgelegd in artikel 15, lid 2, en artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de verplichting voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om specifieke maatregelen te nemen in geval van overtredingen, en om van de overtredingen kennisgeving te doen, als vastgelegd in artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende de verplichting voor de bevoegde autoriteit om oponthoud tijdens het vervoer te voorkomen en te beperken en betreffende de in een dergelijk geval te nemen maatregelen, als vastgelegd in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende het vervoer van niet gespeende dieren, als vastgelegd in hoofdstuk V, punt 1.4, letter a), van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende het vervoer van levende dieren over zee, met inbegrip van praktijken tijdens het laden en de inrichting van de vaartuigen, als vastgelegd in artikel 19, 20 en 21 en in hoofdstuk II, punten 1 en 3, hoofdstuk III, punt 1, en hoofdstuk IV van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende vervoermiddelen, als vastgelegd in hoofdstuk II, punten 1, 2 en 5, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende het omgaan met de dieren, onder meer tijdens het laden en lossen, als vastgelegd in artikel 3, tweede alinea, letter e), en in hoofdstuk III, punten 1.2, 1.3, 1.4, 1.6, 1.7, 1.8, 1.9 en 1.11 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende de planning van de route en het journaal, als vastgelegd in artikel 5, lid 4, artikel 8, artikel 14, lid 1, letter a), b) en c), en artikel 21, lid 2, en in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen betreffende de taken en verplichtingen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, als vastgelegd in de artikelen 10 en 13 van Verordening (EG) nr. 1/2005,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om te zorgen voor doeltreffende handhaving, en van de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van Verordening (EG) nr. 1/2005 buiten de Unie, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie (Vijfde kamer) van 23 april 2015 in zaak C-424/13; in zijn arrest bracht het Hof van Justitie in herinnering dat Verordening (EG) nr. 1/2005 zwaarwegende verplichtingen oplegt niet alleen met betrekking tot het vervoer van levende gewervelde dieren dat volledig op het grondgebied van de Europese Unie plaatsvindt, maar ook met betrekking tot vervoersactiviteiten met vertrekplaats op dat grondgebied en bestemming in een derde land. In hetzelfde arrest oordeelde het Hof dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat ervoor moeten zorgen dat aan de voorschriften is voldaan wanneer zij toestemming geven voor vervoer naar een derde land,
   onderzoek te doen naar mogelijke inbreuken op het beginsel van loyale samenwerking, vastgelegd in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die relevant zijn voor het onderwerp van het onderzoek; hiertoe moet met name worden beoordeeld of een dergelijke inbreuk het gevolg kan zijn van vermeend verzuim om passende maatregelen te nemen om het gebruik van vervoerswijzen te verhinderen, en wel op zodanige wijze dat de identiteit van de uiteindelijke begunstigden verborgen blijft voor de instellingen van de Unie, de bevoegde autoriteiten en andere intermediairs, en schendingen van Verordening (EG) Nr. 1/2005 in de hand worden gewerkt,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om de missie van de OIE inzake de tenuitvoerlegging van internationale normen betreffende het dierenwelzijn tijdens het vervoer mogelijk te maken,
   onderzoek te doen naar het vermeende verzuim van de Commissie om de waarden van de Unie op het gebied van de handel, als vastgelegd in de nieuwe handelsstrategie van de EU “Trade4All” te eerbiedigen, met name in verband met de gruwelijke vervoerspraktijken die zijn gedocumenteerd in derde landen en die zeer ernstig zijn, niet alleen vanuit het oogpunt van dierenwelzijn, maar ook in verband met de voedselveiligheid en de volksgezondheid,
   de aanbevelingen te doen die zij nodig acht op dit gebied, waaronder met betrekking tot de tenuitvoerlegging door de lidstaten van bovengenoemd arrest van het Hof van Justitie;

3.  besluit dat de enquêtecommissie binnen 12 maanden na de vaststelling van dit besluit haar eindverslag moet indienen;

4.  besluit dat de enquêtecommissie bij haar werkzaamheden rekening moet houden met alle belangrijke ontwikkelingen die zich voordoen tijdens haar mandaat en die betrekking hebben op het onderwerp van haar mandaat;

5.  besluit dat de door de enquêtecommissie gedane aanbevelingen moeten worden behandeld door de bevoegde vaste commissies;

6.  besluit dat de enquêtecommissie 30 leden zal tellen;

7.  verzoekt zijn Voorzitter zorg te dragen voor de bekendmaking van dit besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(1) PB L 113 van 19.5.1995, blz. 1.
(2) PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.
(3) Arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2015, Zuchtvieh-Export GmbH v Stadt Kempten, C-424/13, ECLI:EU:C:2015:259.
(4) (CHAP(2016) 01703-01707-01708-01709-01710-01711-01712-01713-01714-01715-01716-01717-01718). In oktober 2016 heeft advocatenkantoor Conte & Giacomini de Commissie een vervolledigde klacht toegezonden.


De heropening van de vervolging van de premier van Tsjechië vanwege het misbruik van EU-fondsen en mogelijke belangenconflicten
PDF 223kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de heropening van het onderzoek tegen de premier van de Tsjechische Republiek inzake het misbruik van EU-middelen en potentiële belangenconflicten (2019/2987(RSP))
P9_TA(2020)0164B9-0192/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 13, lid 2, en artikel 17, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien zijn vorige besluiten en resoluties over het verlenen van kwijting aan de Commissie voor de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018,

–  gezien de administratieve onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) naar het project dat in de Tsjechische Republiek bekendstaat als het “ooievaarsnest”, waarin “ernstige onregelmatigheden” werden vastgesteld,

–  gezien het informatiebezoek dat de Commissie begrotingscontrole op 26 en 27 maart 2014 aan Tsjechië heeft gebracht,

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2018 over belangenconflicten en de bescherming van de EU-begroting in de Tsjechische Republiek(1),

–  gezien de Tsjechische wet nr. 159/2006 van 16 maart 2006 inzake belangenconflicten, en met name artikel 4 quater dat in februari 2017 in werking is getreden,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie(2) (hierna “het Financieel Reglement”), die op 2 augustus 2018 in werking is getreden, en met name artikel 61,

–  gezien de artikelen 144 en 145 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij(3),

–  gezien de aan de Commissie gestuurde vragen en klacht over het potentiële belangenconflict in de Tsjechische Republiek(4),

–  gezien het advies van de Juridische Dienst van de Commissie van 19 november 2018 over de impact van artikel 61 van het nieuwe Financieel Reglement (belangenconflicten) op betalingen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) (“Impact of Article 61 of the new Financial Regulation (conflict of interests) on payments from the European Structural and Investment (ESI) Funds”),

–  gezien de persconferentie van de hoofdaanklager op 4 december 2019 over de heropening van het onderzoek naar de premier van de Tsjechische Republiek inzake het misbruik van EU-middelen,

–  gezien zijn debat in de plenaire vergadering van 18 december 2019 over belangenconflicten en corruptie die de bescherming van de financiële belangen van de EU in de lidstaten schaden,

–  gezien zijn debat in de plenaire vergadering van 15 januari 2020 over de heropening van de vervolging van de premier van de Tsjechische Republiek voor het misbruik van EU‑middelen en potentiële belangenconflicten,

–  gezien het informatiebezoek dat de Commissie begrotingscontrole van 26 tot en met 28 februari 2020 aan de Tsjechische Republiek heeft gebracht,

–  gezien Besluit Pl. ÚS 4/17 van het Tsjechische grondwettelijk hof van 18 februari 2020,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het strafrechtelijk onderzoek naar de Tsjechische premier Andrej Babiš, dat volgde op het verslag van OLAF over het onregelmatige gebruik van EU‑subsidies voor kleine ondernemingen en dat twee jaar later werd opgeschort, onlangs door de Tsjechische hoofdaanklager werd heropend; herinnert eraan dat in het kader van het project “ooievaarsnest” Agrofert kunstmatig een middelgrote onderneming in het leven heeft geroepen, die nog steeds in handen is van Agrofert, teneinde voor in totaal circa 2 miljoen EUR aan middelen te verkrijgen voor kleine en middelgrote ondernemingen;

B.  overwegende dat de Tsjechische hoofdaanklager het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek als “onrechtmatig en voorbarig” heeft aangemerkt, aangezien er geen rekening was gehouden met het EU-recht, en ook heeft gesteld dat het proces voor het toewijzen van subsidies onvoldoende was gecontroleerd;

C.  overwegende dat in artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement (juncto artikel 61, lid 3) het volgende wordt bepaald:

   a) een negatieve verplichting voor financiële actoren om belangenconflicten met betrekking tot de EU-begroting te voorkomen;
   b) een positieve verplichting voor financiële actoren om passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat een belangenconflict ontstaat in de functies onder hun verantwoordelijkheid en situaties te verhelpen die objectief als belangenconflict kunnen worden gezien;

D.  overwegende dat de lidstaten overeenkomstig artikel 63 van het Financieel Reglement beheers- en controlesystemen moeten opzetten die, zoals bepaald in artikel 36, lid 3, belangenconflicten moeten kunnen vermijden;

E.  overwegende dat in februari 2017 de Tsjechische wet nr. 159/2006 inzake belangenconflicten is gewijzigd door middel van een uitgebreide lijst van verboden activiteiten, met inbegrip van bepalingen die bepaalde ondernemingen beletten betrokken te raken bij overheidsopdrachten, zelfs als onderaannemer of als ontvanger van subsidies; overwegende dat de wet tot doel heeft alle mogelijke vormen van belangenconflicten te voorkomen;

F.  overwegende dat de regels inzake openbare aanbestedingen de lidstaten verplichten belangenconflicten te vermijden (artikel 24 van Richtlijn 2014/24/EU(5)), inclusief directe of indirecte persoonlijke belangen, en dat voor de aanpak van situaties die als belangenconflicten kunnen worden gezien en voor specifieke verplichtingen bij gedeeld beheer, al regels bestaan (bijvoorbeeld Verordening (EU) nr. 1303/2013);

G.  overwegende dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie(6) “belangenverstrengeling [...] als zodanig en objectief een ernstige dysfunctie [is], zonder dat voor de kwalificatie ervan rekening moet worden gehouden met de bedoelingen van de betrokkenen en met hun goede of kwade trouw”;

H.  overwegende dat de Commissie verplicht is de betalingen van EU-middelen op te schorten in gevallen waarin sprake is van een ernstige tekortkoming in de werking van de beheers- en controlesystemen en waarin onontdekte, niet gemelde en niet gecorrigeerde ernstige onregelmatigheden met betrekking tot het belangenconflict aan het licht zijn gekomen;

I.  overwegende dat Agrofert een door de Tsjechische premier opgericht conglomeraat is, dat bestaat uit meer dan 230 ondernemingen en meer dan 34 000 werknemers (2017); overwegende dat de heer Babiš de uiteindelijke begunstigde van Agrofert blijkt te zijn, de controlerende vennootschap van de Agrofert-groep, die onder andere een aantal belangrijke Tsjechische mediakanalen omvat, via de trustfondsen AB I en AB II, waarvan hij de oprichter en tegelijk de enige begunstigde is; overwegende dat wanneer de heer Babiš besluit deze trustfondsen te ontbinden, hij volledig eigenaar wordt van alle activa in deze fondsen;

J.  overwegende dat in januari en februari 2019 een gecoördineerde, alomvattende audit is uitgevoerd door verschillende diensten van de Commissie (DG REGIO/DG EMPL, DG AGRI (geassocieerd DG)) over de toepassing van het EU-recht en het nationale recht; overwegende dat in een lopende AGRI-audit vermeende belangenconflicten met betrekking tot de Tsjechische minister van Landbouw worden onderzocht;

K.  overwegende dat de Commissie in november 2019 het definitieve auditverslag van DG REGIO naar de Tsjechische autoriteiten heeft gestuurd naar aanleiding van de beschuldigingen van belangenconflicten in de Tsjechische Republiek op basis van artikel 61 van het Financieel Reglement, dat naar de Tsjechische media is gelekt;

L.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole op 16 december 2019 een vergadering achter gesloten deuren heeft gehouden met commissaris voor Begroting en Administratie, Johannes Hahn;

M.  overwegende dat commissaris Hahn de Commissie begrotingscontrole ervan in kennis heeft gesteld dat de Commissie haar conclusies van de audit pas openbaar zal maken als alle bewijzen naar behoren zijn overwogen en grondig zijn geanalyseerd; overwegende dat de Tsjechische autoriteiten hun antwoorden op het definitieve auditverslag van DGREGIO op 29 mei 2020 hebben ingediend;

N.  overwegende dat de audit van de Commissie nog gaande is en dat, bij wijze van voorzorgsmaatregel en totdat de situatie is opgehelderd, geen betalingen uit de EU‑begroting in het kader van de ESI-fondsen worden verricht aan ondernemingen die direct of indirect eigendom zijn van de heer Babiš en die betrokken zouden kunnen zijn bij het vermeende belangenconflict;

O.  overwegende dat de Commissie betalingen in het kader van het Fonds voor plattelandsontwikkeling voor projecten van de Agrofert-groep die betrokken zouden kunnen zijn bij het vermeende belangenconflict niet vergoedt aan de Tsjechische autoriteiten;

P.  overwegende dat het Tsjechische parlement geen toezicht houdt op mogelijke openbare aanbestedingen, Tsjechische nationale subsidies of door de staat gesteunde overheidsinvesteringen waarvan de Agrofert-groep mogelijk nog steeds profiteert;

Q.  overwegende dat de Agrofert-groep eigenaar is van twee van de grootste Tsjechische dagbladen, Mladá fronta Dnes en Lidové Noviny, en zeggenschap heeft over televisiestation Óčko en de radiostations Impuls en Rockzone; overwegende dat de heer Babiš volgens een rapport van de Europese Federatie van Journalisten de facto eigenaar is van 30 % van de particuliere media in de Tsjechische Republiek(7);

R.  overwegende dat de inkomsten van de Agrofert-groep tijdens de ambtstermijn van de heer Babiš aanzienlijk zijn toegenomen, terwijl de Agrofert-groep tegelijkertijd alleen al in de Tsjechische Republiek landbouwsubsidies van de EU heeft ontvangen voor een totaalbedrag van 970 414 000 CZK in 2016, 1 048 685 000 CZK in 2017 en 973 284 000 CZK in 2018; overwegende dat de Agrofert-groep in de Tsjechische Republiek naar verluidt 427 385 000 CZK aan subsidies uit het Cohesiefonds van de EU heeft ontvangen voor de periode 2014-2020; overwegende dat de Agrofert-groep waarschijnlijk nog meer subsidies heeft ontvangen in andere lidstaten, zoals Slowakije en Duitsland;

S.  overwegende dat het Tsjechische grondwettelijk hof in Besluit Pl. ÚS 4/17 van februari 2020 de door de president en parlementsleden van de Tsjechische Republiek ingestelde rechtsvordering betreffende de intrekking van de Tsjechische wet waarin de belangenconflicten onder ambtenaren worden omschreven, heeft afgewezen; overwegende dat het grondwettelijk hof in hetzelfde besluit heeft verduidelijkt dat verkiezingen niet mogen worden gebruikt als middel om greep te krijgen op de staat teneinde gebruik te kunnen maken van de capaciteiten en middelen ervan of er zelfs misbruik van te maken;

1.  is ingenomen met het heropende strafrechtelijk onderzoek naar de Tsjechische premier vanwege zijn betrokkenheid bij het “ooievaarsnest”-project; vertrouwt erop dat het nationale rechtsstelsel dit proces onafhankelijk zal voortzetten en vrij zal zijn van elke mogelijke politieke invloed;

2.  veroordeelt alle potentiële situaties waarin zich belangenconflicten kunnen voordoen waardoor de uitvoering van de EU-begroting in het gedrang kan komen en het vertrouwen van de EU-burgers in een goed beheer van het geld van de belastingbetalers in de EU kan worden ondermijnd;

3.  vraagt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, alle vormen van belangenconflicten te bestrijden en de preventieve maatregelen te beoordelen die de lidstaten hebben getroffen om ze te voorkomen;

4.  verzoekt de Commissie een controlemechanisme op te zetten om de kwestie van belangenconflicten in de lidstaten aan te pakken en om een actieve vermijding van belangenconflicten vast te stellen, met inbegrip van de identificatie van eindbegunstigden van EU-subsidies, als een van haar prioriteiten;

5.  verzoekt de Commissie te zorgen voor een nultolerantiebeleid ten aanzien van belangenconflicten en voor een snelle terugvordering van eventueel onregelmatig betaalde subsidies, met inachtneming van de beginselen van de rechtsstaat en de procedurele vereisten, en doortastend op te treden, met name wanneer de nationale autoriteiten nalaten belangenconflicten bij hun hoogste vertegenwoordigers te voorkomen;

6.  benadrukt dat de nationale wetgeving ter voorkoming van belangenconflicten verenigbaar moet zijn met de letter en de geest van het nieuwe Financieel Reglement; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke richtsnoeren voor te stellen om de lidstaten bij te staan in het voorkomen van belangenconflicten bij politici die grote bekendheid genieten;

7.  vraagt de Raad en de Europese Raad met klem gemeenschappelijke normen vast te stellen voor alle kwesties in verband met belangenconflicten en te streven naar een gemeenschappelijke opvatting in alle lidstaten;

8.  verzoekt de Commissie om in geval van niet-naleving van de regels passende maatregelen te nemen om de EU-begroting te beschermen, met inbegrip van corrigerende maatregelen om alle bedragen die illegaal of onregelmatig betaald zijn, terug te vorderen wanneer hierin is voorzien;

9.  verzoekt alle lidstaten zich meer in te zetten voor de verbetering van de budgettaire transparantie, door ervoor te zorgen dat relevante gegevens betreffende openbare-aanbestedingsprocedures en de gunning van uit openbare middelen gefinancierde opdrachten gemakkelijk en vrij toegankelijk zijn voor het publiek;

10.  is bezorgd over berichten uit verschillende delen van de EU over de toenemende politieke invloed van politici met gevestigde belangen, dicht bij of in de regering, op wetgeving en het gebruik van overheidsgeld, mogelijk ten dienste van het eigenbelang van bepaalde personen in plaats van het algemeen belang;

11.  betreurt het feit dat de Tsjechische premier actief betrokken was en blijft bij de uitvoering van de EU-begroting in de Tsjechische Republiek in zijn hoedanigheid van premier (en voormalig voorzitter van de Raad voor de Europese structuur- en investeringsfondsen), terwijl hij als oprichter en enige begunstigde van twee trustfondsen nog steeds aan het roer zit van de Agrofert-groep, hetgeen in strijd is met artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement, en vraagt zich daarom af of hij zijn taken onafhankelijk en objectief kan uitvoeren; is diep bezorgd over recente berichten in de media(8) dat de premier nog steeds controle uitoefent over bij Agrofert genomen zakelijke besluiten;

12.  merkt op dat volgens recente berichten in de media de heer Babiš en zijn vrouw kennelijk nog steeds deel uitmaken van de groep van zes actieve personen die een aanzienlijke invloed uitoefenen op of controle hebben over de trustees van een trust die gelieerd is aan de dochteronderneming van Agrofert, GreenChem Solutions Ltd in het Verenigd Koninkrijk;

13.  benadrukt het feit dat een belangenconflict op het hoogste niveau van de regering van een lidstaat, indien bevestigd, niet kan worden getolereerd en door de betrokken persoon of personen moet worden opgelost:

   a) door maatregelen te nemen om te garanderen dat deze persoon met betrekking tot een bedrijfseenheid geen economisch belang meer heeft, noch andere belangen die vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 61 van het Financieel Reglement,
   b) doordat de bedrijfseenheden die onder hun toezicht staan, geen financiering met EU-middelen, overheidssubsidies of door de nationale overheid verstrekte financiering meer ontvangen;
   c) door zich te onthouden van deelneming aan besluiten die betrekking hebben op hun belangen; benadrukt evenwel dat het met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de premier en leden van zijn regering twijfelachtig lijkt dat deze maatregel het belangenconflict in de praktijk adequaat kan aanpakken, indien de betrokken personen hun openbare functies blijven uitoefenen, zodat ontslag uit de openbare dienst dus een geschiktere manier is om het belangenconflict aan te pakken;

14.  verzoekt de Commissie grondig toezicht te houden op het proces inzake de toewijzing van betalingen in de Tsjechische Republiek, in het bijzonder wat betalingen betreft van EU-middelen aan bedrijven die direct of indirect eigendom zijn van de premier of een ander lid van de regering dat betrokken is bij de uitvoering van de begroting;

15.  verzoekt de Commissie onverwijld te beoordelen of gevallen waarin ondernemingen die deel uitmaken van de Agrofert Group, nog steeds subsidies uit de nationale begroting ontvangen, in overeenstemming zijn met de staatssteunregels; wijst op het potentiële risico van financiële schade dat deze gevallen kunnen opleveren, en verzoekt de nationale autoriteiten deze situaties te beoordelen; is van mening dat de belastingbetalers van de Tsjechische Republiek en de EU naar behoren van deze situatie op de hoogte moeten worden gebracht;

16.  maakt zich grote zorgen over de berichten(9) dat de ondernemingen van de Agrofert Group activa kunstmatig kunnen verplaatsen tussen dochterondernemingen, zodat voldaan wordt aan de criteria om in aanmerking te komen voor subsidies aan kleine en middelgrote ondernemingen, of omgekeerd hun activiteiten kunnen samenvoegen om zich te presenteren als een grote onderneming en zo openbare aanbestedingen te winnen;

17.  betreurt de berichten dat de controleurs ernstige tekortkomingen hebben vastgesteld in de werking van de beheers- en controlesystemen op het gebied van het Regionaal Fonds en het Cohesiefonds in de Tsjechische Republiek, en daarom een financiële correctie hebben voorgesteld van bijna 20 %; verzoekt de Commissie kritisch te beoordelen of deze gevallen neerkomen op systemisch misbruik van EU-middelen;

18.  maakt zich zorgen over het financiële verlies dat het gevolg is van tekortkomingen bij de nationale betaalorganen en controlerende instanties; verzoekt de Raad in verband hiermee snel het voorstel goed te keuren voor een verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten;

19.  maakt zich ernstige zorgen over het feit dat het rechtskader in de Tsjechische Republiek de hoogste nationale controle-instantie het recht ontzegt om de regelmatigheid en de prestaties van de overheidsuitgaven op regionaal en lokaal niveau te controleren, zodat deze instantie belet wordt om inzicht te verkrijgen in de uiteindelijk begunstigden van de complexe bedrijfsstructuren; betreurt de berichten(10) dat de hoogste controle-instantie geen systematische controles ter plaatse van de eindbegunstigden verricht; is bezorgd over de laatdunkende opmerkingen van de Tsjechische premier met betrekking tot de werkzaamheden van de hoogste Tsjechische controle-instantie;

20.  benadrukt het feit dat een politiek onevenwichtige samenstelling van de raad van toezicht van het staatsinterventiefonds voor de landbouw (SZIF) het risico met zich meebrengt van politieke beïnvloeding, waardoor het vermogen om onafhankelijke audits uit te voeren wordt ondermijnd;

21.  maakt zich zorgen over de berichten dat ambtenaren(11) instructies hebben ontvangen en onder druk zijn gezet om beschuldigingen van vermeende belangenconflicten met betrekking tot de Agrofert Group niet te onderzoeken en opdracht zouden hebben gekregen om door Agrofert ontvangen commerciële aanbiedingen te beoordelen; maakt zich grote zorgen over de berichten dat ambtenaren aankeken tegen negatieve gevolgen, zoals ontslagen onder het voorwendsel van systematisering, als zij weigerden deze bevelen uit te voeren; onderstreept het feit dat deze maatregelen vragen doen rijzen over de onpartijdigheid van het staatsbestuur en de onafhankelijke uitoefening van de openbare functies;

22.  betreurt de indicaties van systeemgebreken bij de opsporing van belangenconflicten; betreurt het feit dat er geen kruiscontroles worden uitgevoerd en dat uiteenlopende verantwoordelijkheden leiden tot ondoorzichtige structuren die de doeltreffende preventie en opsporing van belangenconflicten in de Tsjechische Republiek belemmeren; herinnert eraan dat een positivistische benadering waarbij ambtenaren verplicht zijn eigen verklaringen over de afwezigheid van belangenconflicten in te dienen, niet volstaat om situaties van belangenconflicten doeltreffend te voorkomen; verzoekt de Tsjechische autoriteiten deze systemische tekortkomingen onverwijld aan te pakken, met name door een verifieerbare verklaring van belangenconflicten te verlangen, waarbij ambtenaren een lijst van hun respectieve financiële belangen verstrekken;

23.  betreurt dat EU-middelen waarop in verband met onregelmatigheden financiële correcties zijn doorgevoerd, opnieuw kunnen worden gebruikt zonder verdere gevolgen of beperkingen; is van mening dat een dergelijk systeem de financiële belangen van de EU in gevaar brengt; verzoekt de Commissie het hergebruik van EU-middelen nauwgezet te volgen en te overwegen een systeem te ontwikkelen waarbij correcties ook gepaard gaan met beperkingen op het verdere gebruik ervan;

24.  neemt nota van het besluit van de Commissie van 28 november 2019 om de door de Tsjechische autoriteiten in hun voorlopige uitgavendeclaraties voor het Tsjechische plattelandsontwikkelingsprogramma voor Q4-2018 en Q1-2019 opgenomen bedragen op te schorten;

25.  merkt op dat de Commissie heeft bevestigd betalingen uit hoofde van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) voor het jaar 2018 te hebben gedaan aan ondernemingen die deel uitmaken van de Agrofert Group, alsmede aan ondernemingen met dezelfde uiteindelijk begunstigde in diverse andere lidstaten buiten de Tsjechische Republiek; dringt erop aan dat de Commissie de kwijtingsautoriteit een volledig en betrouwbaar overzicht geeft van alle betalingen aan de Agrofert Group en aan ondernemingen met dezelfde uiteindelijk begunstigde in alle lidstaten voor de begrotingsjaren 2018 en 2019;

26.  verzoekt de Tsjechische autoriteiten te zorgen voor een eerlijke en evenwichtige verdeling van de EU-middelen, zodat het geld van de belastingbetalers van de EU ten goede komt aan de overgrote meerderheid van de bevolking, zowel in economisch als in sociaal opzicht;

27.  maakt zich zorgen over de gebrekkige tenuitvoerlegging van Richtlijn (EU) 2015/849(12) en Richtlijn (EU) 2018/843(13) inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (vierde en vijfde antiwitwasrichtlijn); wijst op de verplichting om beide richtlijnen volledig en correct om te zetten en ervoor te zorgen dat alle bepalingen, met inbegrip van de bepalingen betreffende transparantie met betrekking tot de uiteindelijk begunstigden, volledig ten uitvoer worden gelegd;

28.  dringt er bij de Tsjechische eenheid Financiële Analyse op aan een meer proactieve benadering te volgen bij de bestrijding van fiscale misdrijven, fraude en corruptie, alsmede te zorgen voor doeltreffende controles van uiteindelijk begunstigden door de op grond van de antiwitwasregels verantwoordelijke entiteiten;

29.  betreurt het feit dat de toestemming, de distributie en de controle met betrekking tot EU‑middelen onder gedeeld beheer complexe en ondoorzichtige processen zijn waarbij alleen de lidstaten volledige toegang tot de gegevens hebben, zodat de Commissie niet tijdig een volledig overzicht kan verstrekken aan het Parlement wanneer zij om informatie wordt verzocht over betalingen aan bepaalde begunstigden in diverse lidstaten; benadrukt dat dit een ernstige belemmering vormt voor de efficiëntie van de Commissie begrotingscontrole en de Rekenkamer en voor hun vermogen om hun taken als controle-entiteiten uit te voeren;

30.  verzoekt de Commissie om met volledige aanvaarding van het beginsel van gedeeld beheer uniforme en gestandaardiseerde werkwijzen voor de lidstaten in te stellen om informatie te verstrekken over de eindbegunstigden van EU-middelen; benadrukt het feit dat de informatie over de eindbegunstigden een specificatie moet omvatten van de uiteindelijk begunstigden van ondernemingen (natuurlijke en rechtspersonen); verzoekt de Commissie een voorstel voor een verordening in te dienen voor de invoering van een IT-systeem dat uniforme en gestandaardiseerde verslaglegging in realtime door de autoriteiten van de lidstaten mogelijk maakt, teneinde te zorgen voor interoperabiliteit met de systemen in de lidstaten, meer transparantie en een betere samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten te waarborgen, de aflegging van verantwoording voor de betalingen verder te verbeteren en met name bij te dragen tot een snellere opsporing van systemische fouten en misbruik;

31.  betreurt het feit dat geen van de verordeningen betreffende het gebruik van landbouw- of cohesiemiddelen de nationale autoriteiten verplicht de uiteindelijk begunstigde eigenaar te publiceren voor een individu, rechtspersoon of trust die voordelen uit de middelen haalt; verzoekt de medewetgevers bijzondere aandacht te besteden aan deze kwestie en haar uitvoerig aan te pakken bij het nemen van een besluit over toekomstige regels voor de transparantie van EU-subsidies;

32.  benadrukt het feit dat het register van uiteindelijk begunstigden alleen volledig geverifieerde informatie over de controlerende persoon of personen mag bevatten en volledig toegankelijk moet zijn voor het publiek;

33.  keurt ten stelligste de instelling en totstandbrenging af van oligarchische structuren op basis van de landbouw- en cohesiemiddelen van de EU, waarbij een kleine minderheid van begunstigden de overgrote meerderheid van de EU-middelen ontvangt; verzoekt de Commissie samen met de lidstaten doeltreffende wettelijke instrumenten te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de rechtsstaat geëerbiedigd wordt en om de bevordering van deze structuren te voorkomen;

34.  spreekt opnieuw zijn bezorgdheid uit over het feit dat gevallen van belangenverstrengeling schadelijk zijn voor de doelstellingen van het cohesiebeleid en het GLB, die een aanzienlijke economische, sociale en milieudimensie hebben, en dit beleid in een slecht daglicht stellen;

35.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen tot wijziging van de GLB-regels met het oog op een eerlijkere toewijzing van de EU-middelen, om ervoor te zorgen dat de GLB-middelen eerlijk worden toegewezen aan actieve landbouwers die de grond bewerken en dat zij niet leiden tot grondafspraken die ten goede komen aan een selecte groep van politieke insiders of wanpraktijken stimuleren tijdens veilingen voor het privatiseren van grond in overheidsbezit; neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een nieuw uitvoeringsmodel, met inbegrip van een plafonnering in combinatie met een degressief mechanisme; is echter van mening dat een plafonnering, met invoering van een compensatie voor de arbeidskosten vóór de plafonnering, onvoldoende is om een eerlijkere verdeling van de rechtstreekse betalingen te garanderen; steunt de idee van een verplicht herverdelingsmechanisme;

36.  neemt kennis van het feit dat de eigendomsrechten voor grond vaak niet duidelijk gedefinieerd zijn en dat grond geklasseerd gebleven is als staatsgrond onder het toezicht van het staatskadaster, dat het vaak verhuurde aan grootschalige landbouwbedrijven; erkent de inspanningen van de Tsjechische autoriteiten om de rechtmatige eigenaren te identificeren tegen 2023; dringt erop aan dat de veiling van grond waarvan de rechtmatige eigenaren niet kunnen worden vastgesteld, moet worden gehouden op een eerlijke manier, met gelijke kansen voor kleine en middelgrote landbouwers en jonge landbouwers om de grond aan te kopen;

37.  dringt er bij de Commissie op aan een voorstel in te dienen voor een maximumbedrag van de rechtstreekse betaling per natuurlijke persoon als uiteindelijk begunstigde van een of meer ondernemingen, met een nultolerantiebeleid ten aanzien van personen die in een belangenconflict verkeren; onderstreept het feit dat het niet mogelijk mag zijn om honderden miljoenen EU-subsidies te ontvangen tijdens één MFK-periode (meerjarig financieel kader);

38.  dringt erop aan dat degenen die verantwoordelijk zijn voor het misbruik van EU‑middelen, de gevolgen moeten ondervinden, en dat in het geval van financiële correcties de last niet mag worden verschoven naar de nationale belastingbetalers; dringt er bij de Tsjechische nationale autoriteiten op aan onterecht betaalde subsidies terug te vorderen van degenen die op er onrechtmatige wijze voordeel uit hebben gehaald; is van mening dat voor de volgende programmeringsperiode een randvoorwaarde voor het gebruik van EU-middelen moet worden ingevoerd, op grond waarvan de nationale wetgeving bepalingen moet omvatten om de verantwoordelijke begunstigde te verplichten de onterecht aangevraagde middelen terug te storten;

39.  krachtig het publieke gebruik door de premier tijdens zijn persconferentie van lasterlijke taal en haatzaaiende uitlatingen aan het adres van de deelnemers aan de onderzoeksmissie van 26-28 februari 2020; acht het onaanvaardbaar dat leden van het Europees Parlement die hebben deelgenomen aan de onderzoeksmissie van de Commissie begrotingscontrole in de Tsjechische Republiek, doodsbedreigingen hebben ontvangen en op andere manieren verbaal zijn aangevallen tijdens de uitoefening van hun functie als lid van het Europees Parlement;

40.  verzoekt de Commissie begrotingscontrole aan het Parlement verslag uit te brengen over alle relevante inzichten die tijdens de onderzoeksmissie zijn verworven en de Commissie en de bevoegde autoriteiten hiervan op de hoogte te stellen;

41.  verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om de nog lopende auditprocedures zonder onnodige vertraging te voltooien en haar bevindingen openbaar te maken zodra alle gegevens naar behoren zijn geëvalueerd; moedigt de Raad en de Europese Raad aan de bevindingen van deze audits te bespreken en de nodige aandacht te schenken aan artikel 61 van het Financieel Reglement met betrekking tot de onderhandelingen over het volgende MFK;

42.  verzoekt de Commissie gevolg te geven aan beschuldigingen van niet-opgeloste belangenconflicten in andere lidstaten;

43.  betreurt eens te meer dat het landenrapport niet langer is opgenomen in het tweede EU‑corruptiebestrijdingsverslag van de Commissie (ARES(2017)455202); dringt er nogmaals bij de Commissie op aan, los van het Economisch Semester, opnieuw verslag uit te brengen over de stand van corruptie in de lidstaten, en daarbij ook de doeltreffendheid te beoordelen van door de EU ondersteunde corruptiebestrijdingsinspanningen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om corruptiebestrijdingsinspanningen niet uitsluitend in termen van economisch verlies te beoordelen;

44.  benadrukt het feit dat het belangrijk is de rechtsstaat, de scheiding der machten, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de onafhankelijkheid en pluriformiteit van de media te handhaven, als voorwaarde voor een geslaagd gebruik van EU‑middelen;

45.  benadrukt het feit dat onafhankelijke openbare media en de onderzoeksjournalisten en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de versterking van de rechtsstaat, belangrijk zijn; onderstreept in verband hiermee dat EU-steun voor onafhankelijke journalisten en organisaties van het maatschappelijk middenveld cruciaal is, inclusief in de context van het volgende MFK; maakt zich zorgen over de hoge concentratie van particuliere media in de handen van enkelen in de Tsjechische Republiek;

46.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de in deze resolutie geuite bezorgdheid bij het toezicht op de situatie in het kader van het rechtsstatelijkheidsmechanisme;

47.  verzoekt de Tsjechische autoriteiten de EU-instellingen zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van de resultaten van het heropende onderzoek met betrekking tot Stork Nest;

48.  verzoekt de Raad en de Europese Raad alle noodzakelijke en passende maatregelen te treffen om belangenconflicten te voorkomen in het kader van de onderhandelingen over de toekomstige EU-begroting en het volgende MFK, overeenkomstig artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement;

49.  spreekt zijn solidariteit uit met de Tsjechische bevolking, die vraagt om eerlijkheid, rechtvaardigheid en de oplossing van de onverenigbaarheid van de zakelijke belangen van de Tsjechische premier met diens politieke rol en macht;

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de regering en het parlement van de Tsjechische Republiek.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0530.
(2) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(4) https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/P-8-2019-001656_EN.html
(5) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(6) Ismeri Europa Srl tegen Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, arrest van 15 juni 1999, T-277/97, ECLI:EU:T:1999:124.
(7) https://europeanjournalists.org/wp-content/uploads/2019/10/Czech-Republic-fact-finding-mission.pdf
(8) https://www.seznamzpravy.cz/clanek/babis-mu-zadal-praci-pro-agrofert-ja-jen-splnil-pokyn-rika-exnamestek-90945; https://www.seznamzpravy.cz/clanek/soukromy-obchod-agrofertu-na-stole-premiera-poslete-odpoved-napsal-babis-90494; https://www.seznamzpravy.cz/clanek/dukazy-z-e-mailu-babis-kvuli-agrofertu-ukoluje-vladou-placene-experty-90815
(9) Informatie ontvangen van de vereniging van particuliere landbouwbedrijven in de Tsjechische Republiek tijdens de onderzoeksmissie van 26-28 februari 2020.
(10) Informatie ontvangen van de hoogste controle-instantie van de Tsjechische Republiek tijdens de onderzoeksmissie van 26-28 februari 2020.
(11) Verslagen van ambtenaren en vertegenwoordigers van ngo’s, onder de aandacht gebracht van de leden van de onderzoeksmissie naar de Tsjechische Republiek van 26 -28 februari 2020.
(12) Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
(13) Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43).


Bankenunie - jaarverslag 2019
PDF 175kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de bankenunie - jaarverslag 2019 (2019/2130(INI))
P9_TA(2020)0165A9-0026/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de bankenunie – jaarverslag 2018(1),

–  gezien de feedback van de Commissie en de Europese Centrale Bank (ECB) over de resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 over de bankenunie – jaarverslag 2018,

–  gezien de goedkeuring van het bankenpakket door het Europees Parlement en de Raad,

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015, getiteld “De voltooiing van Europa’s Economische en Monetaire Unie”,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 24 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met het oog op de instelling van een Europees depositoverzekeringsstelsel (COM(2015)0586),

–  gezien het herziene kaderakkoord van 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie,

–  gezien de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2019-2024, getiteld “Een Unie die de lat hoger legt - Mijn agenda voor Europa”, die Ursula von der Leyen op 16 juli 2019 heeft gepresenteerd,

–  gezien zijn resolutie van 23 november 2016 over de afronding van Bazel III(2), en de conclusies van de Raad Ecofin van 12 juli 2016,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 24 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende door overheidsobligaties gedekte effecten (COM(2018)0339),

–  gezien het jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden in 2018 van maart 2019(3),

–  gezien het verslag van het Europees Comité voor systeemrisico’s van juli 2019, getiteld “EU Non-bank Financial Intermediation Risk Monitor 2019”(4),

–  gezien de conclusies van de Europese Bankautoriteit (EBA) over het fintech-stappenplan naar aanleiding van de raadpleging inzake de houding van de EBA ten opzichte van financiële technologie (fintech) van maart 2018,

–  gezien het verslag van de EBA van november 2019, getiteld “Risk Assessment of the European Banking System”(5),

–  gezien het verslag van de EBA van 18 juli 2019 over de regelgevingsreikwijdte, de regelgevingsstatus en de autorisatiebenadering met betrekking tot fintech-activiteiten,

–  gezien het verslag van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) van januari 2019, getiteld “FinTech: Regulatory sandboxes and innovation hubs”(6),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2013 tussen het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank over de praktische regelingen in verband met de uitoefening van democratische verantwoordingsplicht en toezicht op de uitoefening van de taken die in het kader van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme aan de Europese Centrale Bank zijn opgedragen(7),

–  gezien het memorandum van overeenstemming van 9 oktober 2019 tussen de ECB en de Europese Rekenkamer (ERK) over audits van de toezichthoudende taken van de ECB(8),

–  gezien de bekrachtiging van de Eurotop op 14 december 2018 van het verslag van de Eurogroep in inclusieve samenstelling tot oprichting van een werkgroep op hoog niveau,

–  gezien de bekrachtiging door diezelfde Eurotop van de voorwaarden voor het gemeenschappelijk opvangmechanisme voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds,

–  gezien het verslag van de Commissie van 30 april 2019 over de toepassing en herziening van Richtlijn 2014/59/EU (richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD)) en Verordening (EU) nr. 806/2014 (verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (SRMR)) (COM(2019)0213),

–  gezien de verklaring waarover de Eurotop op zijn bijeenkomst van 21 juni 2019 overeenstemming heeft bereikt,

–  gezien het speciaal verslag van de Rekenkamer van 10 juli 2019 over EU-brede stresstests voor banken(9),

–  gezien de mededeling van de ECB van 22 augustus 2019 over de herziening van de toezichtsverwachtingen omtrent de prudentiële voorzieningen voor nieuwe niet-renderende leningen, om rekening te houden met de nieuwe EU-verordening betreffende de toezichtsverwachtingen omtrent prudentiële voorzieningen(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 juni 2019, getiteld “Vierde voortgangsverslag over de terugdringing van niet-renderende leningen en verdere risicovermindering in de bankenunie” (COM(2019)0278),

–  gezien het technisch advies van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) van 18 juli 2019 aan de Europese Commissie inzake duurzaamheidsoverwegingen op de kredietbeoordelingsmarkt(11),

–  gezien de discussienota van het Europees stabiliteitsmechanisme van oktober 2019 over de voltooiing van de bankenunie ter ondersteuning van de Economische en Monetaire Unie(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Actieplan: duurzame groei financieren (COM(2018)0097),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over kredietratingbureaus: toekomstperspectieven(13),

–  gezien de studie van de Commissie van november 2019 over de verschillen in insolventiewetgeving voor banken en de mogelijke harmonisering van deze wetgeving,

–  gezien zijn resolutie van 19 september 2019 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de antiwitwaswetgeving van de Unie(14),

–  gezien het advies van de EBA van 8 augustus 2019 over in aanmerking komende deposito’s, dekkingsniveau en samenwerking tussen depositogarantiestelsels (DGS’en), dat van 30 oktober 2019 over uitbetalingen uit depositogarantiestelsels en van dat 23 januari 2020 over de financiering van DGS’en en het gebruik van de middelen van depositogarantiestelsels,

–  gezien het gezamenlijk advies van de ETA’s van 4 oktober 2019 inzake het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering in de financiële sector van de Europese Unie(15),

–  gezien de studie van de Europese Commissie van november 2019 over de keuzemogelijkheden voor en de bevoegdheden van de lidstaten in het kader van de richtlijn depositogarantiestelsels en over de behandeling hiervan in de context van een Europees depositoverzekeringsstelsel,

–  gezien de overeenkomst inzake de uitwisseling van informatie tussen de ECB en de autoriteiten die bevoegd zijn om het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te bestrijden (AML/CFT),

–  gezien de intrekking door de Commissie van haar voorstel betreffende structurele maatregelen ter verbetering van de weerbaarheid van EU-kredietinstellingen (COM(2014)0043),

–  gezien het verslag van de EBA van november 2019 over niet-renderende leningen en de in verband hiermee geboekte vooruitgang en in het verschiet liggende uitdagingen(16),

–  gezien het verslag van de ECB van november 2019 over de stabiliteit van het financiële stelsel in de eurozone (Financial Stability Review),

–  gezien het gezamenlijk advies van 10 april 2019 van de ETA’s aan de Europese Commissie over de noodzaak van verbeterde vereisten inzake ICT-risicobeheer in de financiële sector van de EU(17),

–  gezien het economisch jaarverslag 2018 van de Bank voor Internationale Betalingen,

–  gezien het verslag van de EBA van 29 oktober 2019 over mogelijke belemmeringen voor de grensoverschrijdende verlening van bank- en betalingsdiensten(18),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0026/2020),

A.  overwegende dat voor een stabielere, concurrerende en meer convergerende Economische en Monetaire Unie een solide bankenunie en een verder ontwikkelde en veiligere kapitaalmarktenunie zijn vereist, evenals het creëren van een begrotingsinstrument;

B.  overwegende dat de voltooiing van de bankenunie een essentiële bijdrage vormt tot het internationale beeld van de euro en tot een belangrijker rol van de euro op de wereldmarkten;

C.  overwegende dat de neerwaartse risico’s voor de economische groei wereldwijd en in de eurozone zijn toegenomen, met name sinds de wereldwijde uitbraak van de COVID-19-pandemie, en dat ze problemen blijven veroorzaken op het vlak van financiële stabiliteit;

D.  overwegende dat de bankenunie onvoltooid blijft zolang er geen opvangmechanisme is voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF), evenals een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS), dit laatste als derde pijler van de bankenunie;

E.  overwegende dat een goed functionerende markt voor financiële retaildiensten belangrijk is voor zowel de economie als de burgers van de EU;

F.  overwegende dat de bankenunie nog altijd over onvoldoende doeltreffende instrumenten beschikt om de problemen waarmee consumenten te maken krijgen, aan te pakken: kunstmatige complexiteit, oneerlijke handelspraktijken, uitsluiting van kwetsbare bevolkingsgroepen van het gebruik van basisdiensten en beperkte betrokkenheid van overheidsinstanties;

G.  overwegende dat ondanks de algehele terugdringing van niet-renderende leningen in de afgelopen jaren het niveau van niet-renderende leningen in sommige financiële instellingen nog steeds hoog is;

H.  overwegende dat het belasten van de ECB met het toezicht op systeemrelevante financiële instellingen succesvol gebleken is; overwegende dat de ECB indien nodig toezichthoudende taken kan uitoefenen ten aanzien van alle kredietinstellingen waaraan in deelnemende lidstaten een vergunning is verleend, en ten aanzien van alle in deelnemende lidstaten gevestigde bijkantoren;

I.  overwegende dat de ontwikkeling van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM), dat ten doel heeft te zorgen voor uniforme regels en procedures en een gemeenschappelijk besluitvormingsproces voor een ordelijke afwikkeling van falende banken, waarbij de gevolgen voor de reële economie en de overheidsfinanciën zo veel mogelijk worden beperkt, efficiënt was; overwegende dat er nog veel gedaan moet worden om doeltreffend te voorkomen dat door de belastingbetaler gefinancierde interventies in falende banken plaatsvinden;

J.  overwegende dat recente schandalen rond grootschalige witwasserij waarbij financiële instellingen in de EU waren betrokken, aantonen dat prudentieel toezicht en toezicht op antiwitwasmaatregelen niet los van elkaar mogen worden beschouwd, en dat er geen degelijk systeem bestaat voor het toezicht op en de handhaving van de EU-wetgeving;

K.  overwegende dat het leeuwendeel van de financiering voor ondernemingen in Europa nog altijd afkomstig is van de Europese bankensector, terwijl in andere jurisdicties de kapitaalmarkten een aanzienlijk aandeel van de financiering voor ondernemingen op zich nemen;

L.  overwegende dat het probleem van instellingen die te groot of te verweven zijn om failliet te kunnen gaan, ruim tien jaar na de financiële crisis nog altijd onvoldoende is aangepakt en worden gevolgd door de Raad voor financiële stabiliteit;

Algemene overwegingen

1.  herinnert aan de vooruitgang die is geboekt met de uitvoering van de bankenunie, met name met betrekking tot risicovermindering; benadrukt evenwel dat er nog meer vooruitgang moet worden geboekt op het gebied van risicodeling en risicovermindering om de uitdagingen aan te pakken die nog bestaan in bepaalde instellingen;

2.  herinnert eraan dat de bankenunie openstaat voor alle lidstaten die erin willen participeren;

3.  is ingenomen met de steun van de voorzitter van de Europese Commissie en van de president van de ECB voor de voltooiing van de bankenunie en, meer in het algemeen, van de Economische en Monetaire Unie, bijvoorbeeld door de totstandbrenging van een begrotingsinstrument om ervoor te zorgen dat de Unie stabieler, concurrerender en meer convergerend wordt;

4.  benadrukt dat de Eurogroep geen instelling, orgaan of agentschap van de Europese Unie is, maar een informeel forum voor intergouvernementeel overleg; betreurt dat er lidstaten zijn die buiten het communautaire kader blijven handelen en daarmee de rol van het Parlement als medewetgever en het recht van het Parlement op democratisch toezicht ondergraven;

5.  benadrukt het gebrek aan efficiëntie van de intergouvernementele onderhandelingen tot dusver, en in het bijzonder van het overleg over het begrotingsinstrument voor convergentie en concurrentievermogen (BICC) en de Eurogroepwerkgroep op hoog niveau voor de bankenunie; dringt aan op een voortzetting van de onderhandelingen in een open omgeving, die de actieve betrokkenheid van het Europees Parlement waarborgt, binnen de rechtsorde van de EU; onderstreept dat deze veranderingen, samen met strengere voorschriften inzake transparantie en de toegankelijkheid van documenten, tot meer rechtsbescherming zouden leiden;

6.  is ingenomen met de over het algemeen verhoogde veerkracht van het Europese bankwezen, zoals blijkt uit de risicobeoordeling van het Europese bankwezen voor 2019 door de EBA; verheugt zich met name over het feit dat de kapitaalratio’s van banken stabiel zijn gebleven en dat de kwaliteit van hun activa is verbeterd, hetgeen onder meer tot uiting komt in een verdere afname van niet-renderende leningen;

7.  wijst niettemin met nadruk op het aanhoudend lage winstgevendheidsniveau en de slechter wordende macro-economische omgeving, met name in het licht van de COVID-19-pandemie, die voor ongekende uitdagingen voor de mondiale economie heeft gezorgd en gevolgen heeft voor de kwaliteit van activa en dus voor de winstgevendheid van banken; wijst er voorts op dat de winstgevendheid van banken waarschijnlijk nog meer onder druk zal komen te staan als gevolg van een hoog mededingingsniveau, vooral op het vlak van financiële technologie (fintech), grotere operationele risico’s door digitalisering en innovatie, en een gebrekkige integratie van de markten door blijvende fragmentatie tussen de lidstaten;

8.  wijst op het vooruitzicht van lage risico’s en lage winstgevendheid in de bankensector; benadrukt dat de lage rentetarieven blijven bestaan in respons op de huidige macro-economische situatie; benadrukt voorts dat een vertraging van de economie, geopolitieke spanningen, waaronder de gevolgen van de brexit, evenals cyber- en gegevensbeveiligingsrisico’s tot de belangrijkste problemen voor de bankensector in de EU behoren, naast klimaatverandering en de risico’s van witwassen van geld en financiering van terrorisme;

9.  merkt op dat de winstgevendheid van de banken sinds 2012 gestaag is toegenomen, met rendement op het eigen vermogen van meer dan 6 % sinds 2017; benadrukt dat deze ontwikkeling echter voor de meeste banken niet de geraamde kapitaalkosten dekt; benadrukt dat het klimaat van geringe risico’s en een lage rente hebben geleid tot minder kosten voor voorzieningen en verliezen; wijst er evenwel op dat dit geen structurele verbetering vormt en dat de winstgevendheid op de korte termijn waarschijnlijk even zwaar onder druk zal blijven staan; herinnert eraan dat de omvang van de financiering door het financiële systeem als geheel voor de economie en met name voor kmo’s permanent moet worden geëvalueerd; pleit voor een gepaste evaluatie van de impact van verleden en toekomstige regelgeving op het bereiken van de doelstelling van het financieren van de economie;

10.  benadrukt dat het verlenen van krediet en liquiditeit door banken van doorslaggevend belang is om de zwaarste economische gevolgen van de COVID-19-uitbraak voor de mensen in de EU te beperken; wijst in deze context op de wetgevings- en toezichtsmaatregelen die zijn voorgesteld of goedgekeurd om te waarborgen dat banken gedurende de hele crisis krediet blijven verstrekken; is ingenomen met de flexibiliteit die banken hebben gekregen ten aanzien van de prudentiële behandeling van leningen, de toepassing van boekhoudregels en de vrijgave van kapitaalbuffers; benadrukt dat iedere hulp die wordt geboden volledig beschikbaar moet zijn voor de ondersteuning van bankcliënten, gezinnen en bedrijven; steunt de maatregelen die de bankentoezichthouders hebben getroffen om strenge tijdelijke beperkingen op de uitkering van dividenden en bonussen en de terugkoop van eigen aandelen door banken in te voeren;

11.  benadrukt de cruciale rol van de bankensector om financiering te sluizen naar de reële economie en vooral naar duurzame en maatschappelijk verantwoorde investeringen, om zo groei en werkgelegenheid te bevorderen en de overgang naar een klimaatneutrale economie mogelijk te maken, zonder dat hierbij de financiële stabiliteit in gevaar komt;

12.  is in dit verband ingenomen met het politiek akkoord dat is bereikt over de verordening betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen; pleit voor een herziening van de richtlijn betreffende de bekendmaking van niet-financiële informatie, met als doel de verslagleggings- en openbaarmakingsverplichtingen inzake ecologische, sociale en governanceciteria (ESG‑criteria) beter tot uiting te laten komen;

13.  vreest dat de kwetsbaarheid van banken voor klimaatgerelateerde risico’s niet ten volle wordt onderkend en is ingenomen met de toezegging van de EBA om in haar jaarlijkse risicobeoordeling rekening te gaan houden met klimaatrisico’s, en om specifieke stresstests met betrekking tot de klimaatverandering in te voeren; onderstreept in dit verband het belang van een gepaste openbaarmakings- en risicobeoordeling;

14.  doet voorts een beroep op alle Europese banken om de VN-beginselen voor verantwoord bankieren te onderschrijven en dienovereenkomstig jaarlijks verslag uit te brengen over hun inspanningen voor het in de praktijk brengen van duurzame financiering en het beperken van klimaatgerelateerde risico’s in hun balansen; roept de voor de bankensector bevoegde autoriteiten van de EU en de lidstaten ertoe op zich te laten leiden door de beginselen voor verantwoord bankieren van de Verenigde Naties, het netwerk voor duurzaam bankieren en het netwerk van centrale banken en toezichthouders voor de vergroening van het financiële systeem, en waar mogelijk hun aanbevelingen op dit gebied uit te voeren;

15.  pleit voor de opstelling van een in de hele EU geldende norm voor groene obligaties, en voor de uitwerking van een gunstig kader voor de ontwikkeling van deze obligaties, met als doel de transparantie, doeltreffendheid en geloofwaardigheid van duurzame beleggingen te vergroten;

16.  neemt nota van de werkzaamheden van het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) op het gebied van de risico’s die aan staatsschulden verbonden zijn; benadrukt dat het regelgevingskader van de EU inzake de prudentiële behandeling van staatsschulden dient te stroken met de internationale norm; roept op tot verdere discussie over het invoeren van een veilig Europees vermogensbestanddeel, op basis van een door de Commissie uit te voeren evaluatie van het voorstel betreffende door overheidsobligaties gedekte effecten (SBBS) en mogelijke ontwikkelingen, teneinde de internationale rol van de euro te versterken, de financiële markten te stabiliseren en banken in staat te stellen hun portefeuilles te diversifiëren;

17.  benadrukt het feit dat de financiële markten sterk met elkaar verweven zijn; beklemtoont dat het belangrijk is dat de bankentoezichthouders voorbereid zijn op alle mogelijke uitkomsten van de brexit, en wijst erop dat dit een aanvulling vormt op de voorbereidingen die de particuliere actoren zelf treffen; is ingenomen met alle acties van betekenis en met de samenwerking tot dusver; neemt kennis van de praktijk van Britse ondernemingen om filialen op de richten in de EU, met als doel hun diensten te kunnen blijven verstrekken; benadrukt in dit verband het risico van regelgevingsarbitrage als gevolg van de verschillende toepassing van regels in elke lidstaat; is daarom van mening dat er meer harmonisering nodig is om regelgevingsarbitrage te vermijden en om ervoor te zorgen dat mogelijke risico’s op gepaste wijze worden aangepakt; benadrukt het belang van een gelijk speelveld tussen de EU en het VK op het gebied van financiële regelgeving na de brexit en de noodzaak een race naar de bodem op het gebied van regelgeving te voorkomen;

18.  wijst nogmaals op de verbintenissen die de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk in het kader van de herziene politieke verklaring gemeenschappelijk zijn aangegaan; is vast van plan om op zowel politiek als technisch niveau te blijven zorgen voor nauwe, gestructureerde samenwerking op het gebied van regelgeving en toezicht;

19.  betreurt het dat de Commissie en de meeste EU-regeringen tot dusver gefaald hebben bij de waarborgen van een volledig genderevenwicht binnen de EU-instellingen en -organen, met name bij benoemingen op hoog niveau op het gebied van economische, financiële en monetaire zaken; verzoekt de regeringen van de lidstaten, de Europese Raad, de Eurogroep en de Commissie om in hun komende voorstellen voor shortlists en benoemingen actief te ijveren voor genderevenwicht, en te streven naar ten minste één mannelijke en één vrouwelijke kandidaat per benoemingsprocedure; wijst opnieuw op zijn voornemen het beginsel van genderevenwicht bij komende kandidatenlijsten te eerbiedigen;

20.  benadrukt het belang van de voltooiing van de kapitaalmarktenunie, die de bankenunie aanvult voor wat financiering van de reële economie betreft; onderstreept voorts dat de combinatie van een volledig geïntegreerde kapitaalmarktenunie en een volwaardige bankenunie publieke en private risicodeling zou mogelijk maken, en daarnaast de internationale rol van de euro zou versterken, de competitiviteit van de Europese markten verder zou verbeteren en duurzame private investeringen zou bevorderen; benadrukt in dit verband de noodzaak van een gelijk speelveld dat verhindert dat kmo’s worden benadeeld wat betreft toegang tot financiering, en de noodzaak nauwlettend toezicht te houden op de uitgifte van gesecuritiseerde producten;

Toezicht

21.  is ingenomen met de vooruitgang die in de banksector is geboekt bij het verminderen van de risico’s en het vergroten van de financiële stabiliteit; wijst er evenwel op dat de kwetsbaarheden in bepaalde instellingen nog altijd bestaan en dat er nog meer vooruitgang nodig is; herinnert aan de doelen van de bankenunie met betrekking tot het waarborgen van de financiële stabiliteit en het tot stand brengen van een echte interne markt, van gelijke randvoorwaarden en van voorspelbaarheid voor marktdeelnemers;

22.  is echter van oordeel dat in het huidige toezichtskader de aandacht primair is uitgegaan naar kredietrisicoposities, ten nadele van marktrisicoposities in verband met niet-liquide effecten, met inbegrip van derivaten; dringt aan op passende maatregelen om de doorlichting van de kwaliteit van activa te verbeteren, en is in dit verband ingenomen met de opneming van niveau 2- en niveau 3-instrumenten binnen de reikwijdte van de stresstest van 2018; herhaalt zijn oproep aan het GTM om het terugdringen van deze complexe en niet-liquide financiële instrumenten, met inbegrip van derivaten, tot een van zijn belangrijkste prioriteiten op het gebied van toezicht te maken;

23.  is verheugd over de inspanningen die zijn geleverd om de financiële sector te versterken en het aantal niet-renderende leningen op Europees niveau te verminderen, evenals over de risicobeperkingsmaatregelen in het recente bankenpakket; wijst erop dat het percentage niet-renderende leningen dat in handen is van grote instellingen, in juni 2019 met meer dan de helft was gedaald ten opzichte van de start van het bankentoezicht van de ECB in november 2014; wijst erop dat het gemiddelde percentage van niet-renderende leningen in de eurozone in september 2019 2,9 % bedroeg, een daling ten opzichte van 6,5 % in december 2014; is ingenomen met deze significante vooruitgang; wijst erop dat het aantal niet-renderende leningen in bepaalde instellingen nog steeds groot is en dat meer moeite moet worden gedaan om deze kwestie aan te pakken; neemt kennis van de lopende wetgevingswerkzaamheden betreffende de richtlijn inzake kredietservicers en kredietkopers, en benadrukt de noodzaak ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van secundaire markten voor leningen en het creëren van een buitengerechtelijk uitwinningsmechanisme (AECE) gepaard gaan met passende consumentenbescherming;

24.  benadrukt dat het noodzakelijk is de rechten van klanten bij transacties met niet-renderende leningen te beschermen; wijst op het belang van de volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn hypothecair krediet (2014/17/EU); verzoekt de lidstaten om maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat kredietnemers, die reeds in een kwetsbare financiële situatie kunnen verkeren, niet te maken krijgen met agressieve en oneerlijke werkwijzen en praktijken van slecht gereguleerde kopers en incassobureaus; dringt er bij de Commissie op aan van de komende herziening van de richtlijn consumentenkrediet gebruik te maken om meer ambitieuze bepalingen op te nemen inzake de bescherming van kredietnemers tegen wanpraktijken en ervoor te zorgen dat die rechten zowel op bestaande als op toekomstige leningen van toepassing zijn;

25.  onderstreept dat het belangrijk is de rechten van consumenten te waarborgen, in het bijzonder voor wat betreft bankkosten en de transparantie van productkosten, winstgevendheid en risico’s; roept de EBA er in dit verband toe op meer aandacht te besteden aan haar taken met betrekking tot het naar behoren inzamelen en analyseren van en verslag uitbrengen over consumententrends, alsook haar taken met betrekking tot de beoordeling en coördinatie van initiatieven van de bevoegde autoriteiten op het vlak van financiële geletterdheid en educatie;

26.  stelt vast dat recente bankencrises hebben aangetoond dat kredietinstellingen onder valse voorwendselen obligaties en andere financiële producten hebben verkocht aan particuliere klanten; verzoekt toezichthoudende en afwikkelingsautoriteiten de bepalingen inzake consumentenbescherming van de onlangs ingevoerde richtlijn herstel en afwikkeling van banken krachtig te handhaven, in het bijzonder de minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL); dringt er bij de Commissie op aan de verkoop onder valse voorwendselen van financiële producten door bancaire instellingen verder te evalueren;

27.  verzoekt de ETA’s volledig gebruik te maken van hun bevoegdheden om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, waaronder in voorkomend geval hun bevoegdheden voor productinterventie wanneer financiële en kredietproducten hebben geleid of waarschijnlijk leiden tot benadeling van consumenten;

28.  merkt op dat de werkzaamheden met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de definitieve Bazel III-normen reeds zijn begonnen; benadrukt dat de normen van het Bazels Comité voor het bankentoezicht tijdig en met voldoende oog voor de doelstellingen ervan moeten worden omgezet in Europees recht, waarbij in voorkomend geval naar voldoende rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van het Europese bankenstelsel, alsook met het evenredigheidsbeginsel; waarschuwt dat vanwege de diversiteit van bankmodellen in de EU een uniforme benadering mogelijk niet geschikt is voor de Europese markt; onderstreept dat het concurrentievermogen en de financiële stabiliteit van de bankensector van de EU en zijn vermogen om de economie en met name kmo’s te financieren, niet mogen worden geschaad; is ervan overtuigd dat levensvatbare en goed gekapitaliseerde financiële instellingen noodzakelijk zijn voor de solide financiering van de economie van de EU en een stabiele bankenunie; herinnert aan zijn resolutie van 23 november 2016 over de afronding van Bazel III en verzoekt de Commissie bij het opstellen van de nieuwe wetgevingsvoorstellen gevolg te geven aan de daarin vervatte aanbevelingen;

29.  neemt nota van het belang om de toereikendheid van interne modellen te beoordelen en deze voortdurend te evalueren, teneinde ervoor te zorgen dat zij betrouwbaar en robuust zijn; neemt kennis van de bevindingen van de gerichte toetsing van interne modellen (TRIM) die het ECB verricht; verzoekt banken het gebruik en uitvoering van hun interne modellen dienovereenkomstig te verbeteren;

30.  is bezorgd dat de EBA heeft gewaarschuwd dat zij haar voorstellen betreffende de vermindering van de administratieve lasten voor kleine instellingen niet binnen de door de medewetgevers in het bankenpakket gestelde termijn kan indienen;

31.  herinnert eraan dat normen die worden verstrekt door internationale fora regelgevingsversnippering moeten vermijden en gelijke randvoorwaarden moeten helpen bevorderen voor alle internationaal actieve banken;

32.  stelt vast dat in haar verslag waarin de risico’s voor en kwetsbaarheden van de EU-bankensector beoordeeld worden, de EBA wijst op verschillen tussen de lidstaten in de toepassing en de vaststelling van de ASI-buffer; verzoekt derhalve om de toepassing van kapitaalbuffers in de EU verder te harmoniseren, teneinde een gelijk speelveld te creëren;

33.  is ingenomen met het akkoord over een memorandum van overeenstemming tussen de Europese Centrale Bank en de Europese Rekenkamer, waarin de praktische regelingen voor de uitwisseling van informatie tussen de instellingen met betrekking tot hun respectieve mandaten zijn vastgesteld;

34.  dringt aan op hogere transparantienormen in het bankentoezicht, bijvoorbeeld voor de resultaten van de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder, om het vertrouwen van kapitaal- en financiële markten, het bedrijfsleven en burgers te vergroten, alsook om de consistentie van de behandeling in de verschillende lidstaten te waarborgen; is ingenomen met de verbeterde en verfijnde informatie-uitwisseling tussen toezichthoudende en afwikkelingsautoriteiten;

35.  merkt op dat innovatieve financiële technologieën een ingrijpende transformatie van de financiële sector, met inbegrip van bank- en betalingsdiensten, tot gevolg hebben, en is ingenomen met de hierdoor geboden efficiëntieverbetering en het door deze technologieën met zich mee gebrachte bredere keuzeaanbod voor consumenten op de markt; is voorstander van technologische neutraliteit als leidend beginsel en pleit voor investeringen in financiële technologie;

36.  benadrukt dat de uitdagingen van deze nieuwe technologieën, zoals het waarborgen van duurzame bedrijfsmodellen, die grensoverschrijdend interoperabel zijn, gelijke voorwaarden op het gebied van regelgeving en toezicht, en cyberbeveiliging, moeten worden aangepakt; benadrukt de verantwoordelijkheid van financiële instellingen voor het waarborgen van de bescherming en beveiliging van de gegevens van klanten overeenkomstig het EU-recht; neemt ook kennis van de toenemende afhankelijkheid van cloud-computing van de banksector en dringt er bij de Commissie op aan te reageren op het gezamenlijk advies van de ETA’s over de noodzaak van verbetering van de wetgeving in verband met ICT-risicobeheervereisten in de financiële sector van de EU; herhaalt dat een evenwichtig wetgevingskader en rechtszekerheid kunnen bijdragen tot een klimaat dat gunstig is voor innovatie, zonder dat de financiële stabiliteit wordt ondermijnd;

37.  erkent de bijdrage die de sector niet-bancaire financiële intermediatie, voorheen bekend als schaduwbankieren, kan leveren aan de verdere diversifiëring van financieringskanalen voor de economie; benadrukt echter dat er sprake is van een aanzienlijke verwevenheid tussen de sector niet-bancaire financiële intermediatie, en de “traditionele” banksector, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid over systeemrisico’s gezien het gebrek aan passende regelgeving en passend toezicht op de eerste sector;

38.  roept in dit verband op tot gecoördineerde actie om deze risico’s aan te pakken, waaronder de instelling van een macroprudentiële toolkit en de verdere operationalisering van bestaande instrumenten ter bestrijding van bedreigingen voor de financiële stabiliteit als gevolg van de toenemende rol van het systeem van niet-bancaire financiële intermediatie; is van oordeel dat het noodzakelijk is te beoordelen of prudentiële vereisten voor grote blootstellingen aan in het bijzonder niet-bancaire intermediatie voldoende zijn om de financiële stabiliteit te waarborgen; onderstreept voorts de risico’s die het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) heeft benadrukt in zijn EU Non-bank Financial Intermediation Risk Monitor voor 2019, zoals de risico’s verbonden aan liquiditeitstransformatie, risicovol handelen en hefboomwerking, welke de sector meer in het algemeen betreffen;

39.  is ingenomen met de overeenkomst over de uitwisseling van informatie tussen de ECB en de toezichthouders die bevoegd zijn om het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te bestrijden; wijst op zijn resolutie van 19 september 2019 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de antiwitwaswetgeving van de Unie; is ingenomen met de gezamenlijke standpuntnota van 8 november 2019, die is opgesteld door verscheidene ministers van Financiën waarin wordt opgeroepen tot de harmonisatie van het Europese regelgevingskader voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering;

40.  herhaalt dat de inspanningen voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering alleen doeltreffend kunnen zijn als de bevoegde autoriteiten en de financiële instellingen gecoördineerd optreden; is van mening dat bedrijfseconomisch toezicht en toezicht op antiwitwasmaatregelen beter moeten worden afgestemd; herinnert aan zijn ernstige bezorgdheid over de versnippering van de regelgeving en het toezicht inzake de bestrijding van witwassen van geld en terrorismefinanciering, die ertoe heeft geleid dat niet wordt voorzien in adequaat toezicht en antwoorden op tekortkomingen bij nationale toezichthoudende autoriteiten en die hun vermogen om toezicht te houden op de toenemende grensoverschrijdende activiteiten in de EU ondermijnt;

41.  is ervan overtuigd dat het GTM ook een rol kan spelen bij de bestrijding van witwassen van geld, en is ingenomen over de oprichting van een speciale afdeling voor de bestrijding van witwassen van geld; stelt met name de complexiteit vast van de uitvoering van de belangrijke geschiktheidsbeoordeling van het topmanagement van banken, vanwege de grote verschillen in de omzetting van de richtlijn kapitaalvereisten; moedigt daarom aan tot integratie van de geschiktheids- en betrouwbaarheidsvereisten in de richtlijn kapitaalvereisten;

42.  is ingenomen met de conclusies van de Raad van5 december 2019, waarin de Commissie de bevoegdheid wordt toegekend om te onderzoeken op welke wijze de samenwerking tussen autoriteiten kan worden verbeterd, taken inzake de bestrijding van witwassen van geld over te hevelen naar een EU-orgaan, en bepaalde delen van de antiwitwasrichtlijn om te zetten in een verordening, teneinde te zorgen voor één rulebook; is ingenomen met de mededeling van de Commissie inzake een actieplan voor een alomvattend EU-beleid voor de preventie van witwassen en financieren van terrorisme, waarin voorstellen worden gedaan om het rulebook inzake witwaspraktijken/terrorismefinanciering te harmoniseren, en de gevaren van grensoverschrijdende illegale activiteiten voor de integriteit van het financiële stelsel van de EU en de veiligheid van de EU-burgers doeltreffend aan te pakken, namelijk door de oprichting van een nieuw EU-orgaan;

43.  is van mening dat juridisch en toezichthoudend optreden nodig is om de risico’s van witwassen van geld en financiering van terrorisme als gevolg van cryptoactiva, aan te pakken; verzoekt de Commissie meer effectbeoordelingen te verrichten betreffende de risico’s van witwaspraktijken/terrorismefinanciering die kunnen voortvloeien uit kwetsbaarheden ten gevolge van het toenemende gebruik van nieuwe technologieën door financiële en kredietinstellingen, en de snelle spreiding van cryptoactiva gezien het ontbreken van een gemeenschappelijk regelgevingskader en de anonimiteit die met die activa verbonden is;

44.  verzoekt de Commissie in 2020 een beoordeling uit te voeren van de huidige staat van de markt van kredietratingbureaus, om deze markt te beoordelen wat betreft concurrentie, informatieasymmetrieën en transparantie voor de markten; merkt op dat duurzaamheidsbeoordelingen die gebaseerd zijn op ecologische, sociale en governancecriteria (ESG) een belangrijke aanvulling kunnen vormen op kredietrisicobeoordelingen; benadrukt het belang van de standaardisering van de criteria voor duurzaamheidsbeoordelingen en benadrukt dat het belangrijk is dat gezorgd wordt voor een concurrerende ontwikkeling van een markt voor de verstrekking van duurzaamheidsbeoordelingen die geen concentratie vertoont met een beperkt aantal aanbieders;

45.  wijst erop dat er inspanningen moeten worden geleverd om de activiteiten van de financiële markten beter af te stemmen op de doelstellingen inzake duurzaamheid en de ESG-criteria, en dat de Europese toezichthoudende autoriteiten een centrale rol spelen om deze doelstellingen te verwezenlijken; dringt er in dit verband op aan dat de EBA, in coördinatie met de ESRB, stappen zet voor een gemeenschappelijke methodologie voor het meten van de intensiteit van klimaatrisico’s waaraan financiële instellingen zijn blootgesteld, met inbegrip van risico’s in verband met de mogelijke waardevermindering van activa in geval van wijzigingen in de regelgeving uit hoofde van beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, de macro-economische impact van plotselinge veranderingen in energiegebruik en een stijging van het aantal natuurrampen;

Afwikkeling

46.  is ingenomen met het feit dat de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR ) in 2019 geen afwikkelingsmaatregelen heeft moeten nemen; verzoekt de Commissie na te denken over de geschikte follow-up van haar eigen verslag over de uitvoering van de BRRD en de SRMR van april 2019; dringt er bij de Commissie op aan na te gaan of de regelgeving toereikend is om ervoor te zorgen dat alle banken zo nodig kunnen worden afgewikkeld zonder dat de belastingbetaler hiervoor moet opdraaien; verzoekt de Commissie rekening te houden met de toetsing van de Raad voor financiële stabiliteit van de “too big to fail”-regelgeving en eventuele tekortkomingen aan te pakken, in het bijzonder met betrekking tot het beschermen van retaildeposito’s;

47.  roept de GAR op om het proces te voltooien van de totstandbrenging van afwikkelingsplannen en te onderzoeken of alle relevante banken voldoende MREL-buffers aanhouden; merkt op dat de GAR niet stelselmatig bekendmaakt in hoeverre de banken voldoen aan de MREL-streefcijfers;

48.  verzoekt de Commissie na te denken over de mogelijkheid van verdere harmonisatie van specifieke aspecten van nationale faillissementswetten, en te beoordelen in welke mate dergelijke verdere harmonisatie noodzakelijk is om te zorgen voor een consistente en doeltreffende toepassing van het kader voor crisisbeheer; verzoekt de Commissie in het kader van de herziening van de richtlijn depositogarantiestelsels (DGSD) meer duidelijkheid te scheppen over het beginsel van de laagste lasten in het kader van de DGSD;

49.  roept op verder na te denken over het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en de noodzaak de toepasselijkheid van de bankenmededeling van 2013 te beoordelen(19); wijst erop dat een gelijk speelveld en de consistente toepassing van de toets van het openbaar belang moeten worden gewaarborgd;

50.  merkt de belangrijke rol op die vroegtijdige interventiemaatregelen kunnen spelen bij het voorkomen van bankfaillissementen en crises; merkt evenwel op dat de vereisten voor het gebruik van vroegtijdige interventiemaatregelen een overlapping zijn van enkele standaardinterventiemaatregelen van de ECB; benadrukt dat in dergelijke gevallen standaardinterventiemaatregelen de voorkeur hebben; is derhalve van mening dat deze overlapping moet worden tegengegaan door de rechtsgrondslag van elk instrument in voldoende mate te verduidelijken, teneinde de geleidelijke toepassing van de maatregelen te waarborgen;

51.  neemt nota van het besluit van de Eurogroep over de beginselovereenstemming in verband met de hervorming van het Europees stabiliteitsmechanisme en de opdrachtomschrijving daarvan; pleit voor het instellen van een opvangmechanisme voor het GAF en een snelle ingebruikname; is bezorgd over het gebrek aan een mechanisme in de bankenunie om ervoor te zorgen dat bij een afwikkeling van een bank liquiditeitssteun kan worden verstrekt teneinde de soepele voortgang van dienstverlening en de stabiliteit van financiële markten te waarborgen, en verzoekt de Commissie deze tekortkoming dringend aan te pakken;

52.  benadrukt dat banken over de grenzen heen moeten kunnen opereren en tegelijkertijd hun kapitaal en liquiditeit op een geconsolideerd niveau moeten kunnen beheren, teneinde hun risico’s te diversifiëren en een gebrek aan winstgevendheid aan te pakken; benadrukt zijn mening dat de regels de moedermaatschappij in dit verband meer flexibiliteit moeten bieden, maar ook geloofwaardige en afdwingbare mechanismen die in geval van een crisis de moedermaatschappij (afwikkelingsentiteit) verplichten de dochterondernemingen in een ontvangend land binnen de bankenunie van kapitaal, MREL, en liquiditeit te voorzien;

Depositoverzekering

53.  stelt dat de bankenunie nog steeds niet over een derde pijler beschikt; dringt aan op de voltooiing van de bankenunie door middel van de oprichting van een Europees depositoverzekeringsstelsel dat ten volle ten uitvoer wordt gelegd, om depositohouders te beschermen tegen verstoringen van het bankwezen, ervoor te zorgen dat depositohouders en beleggers in de hele bankenunie vertrouwen hebben, en de stabiliteit te versterken van de gehele eurozone; onderkent de voordelen van risicodeling en een verdere risicoreductie in bepaalde instellingen;

54.  dringt er bij de Raad op aan de onderhandelingen over EDIS zo spoedig mogelijk te hervatten, en een coherent kader met de DGSD te waarborgen, teneinde de doelstelling van versterking van de financiële stabiliteit te verwezenlijken;

55.  verzoekt de Commissie het kader van functionerende institutionele protectiestelsels in de context van EDIS te analyseren;

56.  neemt nota van de voortdurende discussie over de voltooiing van de bankenunie binnen de werkgroep op hoog niveau inzake EDIS, die in januari 2019 is opgericht en verslag uitbrengt aan de Eurogroep, met inbegrip van verdere verbeteringen van het kader voor crisisbeheer van banken; is bezorgd dat het Parlement niet op de hoogte is gehouden van de besprekingen over EDIS in het kader van de werkgroep op hoog niveau, welke verslag uitbrengt aan de Eurogroep; merkt op dat de Commissie deelneemt aan de werkgroep van hoog niveau en herinnert aan artikel 9 van de kaderovereenkomst van 2010, waarin de Commissie wordt verplicht om het Parlement en de Raad, met name in wetgevingsaangelegenheden, gelijk te behandelen;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EBA, de ECB, de GAR, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan de bevoegde autoriteiten zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 40, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0030.
(2) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 45.
(3) https://www.bankingsupervision.europa.eu/press/publications/annual-report/html/ssm.ar2018~927cb99de4.nl.html#toc1
(4) https://www.esrb.europa.eu/pub/pdf/reports/nbfi_monitor/esrb.report190717_NBFImonitor2019~ba7c155135.en.pdf?aad1f4a011a6d589537645242475aa89
(5) https://eba.europa.eu/sites/default/documents/files/document_library/Risk%20Analysis%20and%20Data/Risk%20Assessment%20Reports/2019/Risk%20Assessment%20Report_November%202019.PDF
(6) JC 2018 74.
(7) PB L 320 van 30.11.2013, blz. 1.
(8) https://www.bankingsupervision.europa.eu/ecb/legal/pdf/memorandum_of_understanding_between_the_eca_and_the_ecb_regarding_the_ecbs_supervisory_tasks.pdf
(9) Speciaal verslag nr. 10/2019 “EU-brede stresstests voor banken: een ongeëvenaarde hoeveelheid verstrekte informatie over banken, maar meer coördinatie en aandacht voor risico’s nodig”, Europese Rekenkamer, 10 juli 2019, https://www.eca.europa.eu/nl/Pages/DocItem.aspx?did=50393
(10) Persbericht, “ECB herziet in het kader van nieuwe EU-verordening de toezichtsverwachtingen omtrent de prudentiële voorzieningen voor nieuwe niet-renderende leningen”, 22 augustus 2019, https://www.bankingsupervision.europa.eu/press/pr/date/2019/html/ssm.pr190822~f3dd1be8a4.nl.html
(11) ESMA 33-9-321.
(12) Discussion Paper Series/7, Europees stabiliteitsmechanisme, oktober 2019.
(13) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 24.
(14) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0022.
(15) JC 2019 59.
(16) https://eba.europa.eu/file/233465/download?token=xH5hxq39
(17) JC 2019 26, https://eba.europa.eu/file/102634/download?token=ZR98JZp8
(18) https://eba.europa.eu/file/178124/download?token=7fFsD9og
(19) PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1.


Richtsnoeren voor de begroting 2021 - afdeling III
PDF 178kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2021, afdeling III – Commissie (2019/2213(BUD))
P9_TA(2020)0166A9-0110/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) van 8 oktober 2018 over de opwarming van de aarde met 1,5 °C(1),

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020(6) en de daaraan gehechte gemeenschappelijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie,

–  gezien zijn tussentijds verslag van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord(7) en zijn resolutie van 10 oktober 2019 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen(8),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(9),

–  gezien zijn resolutie van 13 mei 2020 over Een vangnet ter bescherming van de begunstigden van EU-programma’s: opstelling van een noodplan voor het MFK(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 mei 2020 over het nieuwe meerjarig financieel kader, eigen middelen en het herstelplan(11),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15)(12),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten en zijn resolutie over dat onderwerp van 19 januari 2017(13),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal(14),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 februari 2020 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2021 (06092/2020),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN,

–  gezien artikel 93 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brieven van de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie begrotingscontrole; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie industrie, onderzoek en energie; de Commissie interne markt en consumentenbescherming; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken; de Commissie constitutionele zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0110/2020),

A.  overwegende dat de Europese Unie te maken heeft met een onverwachte en ongekende gezondheids-, economische, sociale en milieucrisis als gevolg van de COVID-19-pandemie;

B.  overwegende dat een begroting die bedoeld is voor normale omstandigheden niet toereikend is voor deze uitzonderlijke situatie;

C.  overwegende dat overeenkomstig artikel 311 VWEU de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar beleidsdoelstellingen te verwezenlijken en dat de begroting volledig uit eigen middelen wordt gefinancierd;

D.  overwegende dat overeenkomstig artikel 312 VWEU het meerjarig financieel kader (MFK) door de Raad met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld, na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij meerderheid van zijn leden;

E.  overwegende dat het huidige MFK eind 2020 afloopt en dat 2021 het eerste jaar van de uitvoering van het volgende MFK in herziene en omgewerkte vorm moet zijn;

F.  overwegende dat het Parlement al sinds november 2018 bereid is om te onderhandelen over het MFK, maar dat de Raad tot nu toe met het Parlement geen zinvolle gesprekken heeft gevoerd die verder gaan dan het minimale contact in de marge van de Raad Algemene Zaken; overwegende dat de termijn om in de Europese Raad een akkoord te bereiken herhaaldelijk is verlengd;

G.  overwegende dat de Commissie op 27 mei 2020 een geactualiseerd voorstel voor het volgende MFK heeft gepresenteerd;

H.  overwegende dat de wetenschappers van het IPCC in hun nieuwste rapport oproepen tot radicale maatregelen om de ecologische transitie mogelijk te maken, in het licht van hun waarschuwing dat de CO2-concentratie in de jaren 2018-2019 drie keer zo snel is gestegen als in de jaren ‘60, en wijzend op het feit dat er nog maar een paar jaar resteert om te voorkomen dat de klimaatverandering en de gevolgen voor het milieu daarvan volledig uit de hand lopen;

I.  overwegende dat als gevolg van de COVID-19-pandemie slachtoffers van gendergebaseerd geweld langdurig het slachtoffer kunnen zijn van mishandeling zonder dat zij toegang hebben tot sociale en professionele ondersteuning, zoals blijkt uit gegevens van verschillende lidstaten, en overwegende dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in beroepen die een groter risico op besmetting lopen;

De COVID-19-pandemie tegemoet treden: een begroting om te beschermen en te innoveren...

1.  benadrukt dat de begroting van de EU van vitaal belang is om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd en die nog zichtbaarder en dringender zijn geworden als gevolg van de COVID-19-pandemie, en dat zij het ambitieniveau van de lidstaten en de instellingen moet weerspiegelen; benadrukt daarom dat de nadruk van de begroting 2021 moet liggen op het beperken van de gevolgen van de COVID-19-pandemie en het ondersteunen van het herstel, op basis van de Europese Green Deal en de digitale transformatie;

2.  benadrukt dat de Unie en al haar lidstaten zich volledig solidair moeten verklaren met diegenen bij wie de nood het hoogst is, als gemeenschap moeten handelen en ervoor moeten zorgen dat geen enkel land de strijd tegen het virus en de nasleep ervan alleen moet voeren, onder meer door een begroting 2021 vast te stellen die passend is voor deze historische uitdaging;

3.  benadrukt in dit verband dat de begroting 2021 de eerste moet zijn van een geactualiseerd, op nieuwe leest geschoeid en zeer ambitieus MFK 2021-2027;

4.  herhaalt, overeenkomstig zijn resolutie van 13 mei 2020, zijn verzoek aan de Commissie om uiterlijk 15 juni 2020 een noodplan voor het MFK vast te stellen, uitgaande van een automatische verlenging van de plafonds voor 2020, teneinde de begunstigden van de EU-programma’s te beschermen en de continuïteit van de financiering te waarborgen; benadrukt dat dit noodplan voor het MFK het mogelijk moet maken om de bestaande EU-programma’s voort te zetten en meer te richten op het aanpakken van de gevolgen van de crisis, en tevens om de noodzakelijkste nieuwe instrumenten en initiatieven in te voeren; benadrukt dat ernaar gestreefd moet worden het gevaar van onderbrekingen of een chaotische verlenging van het huidige MKF en de programma’s in 2021 te voorkomen, te waarborgen dat de Unie in staat zal worden gesteld haar activiteiten voort te zetten en te zorgen voor een ambitieuze crisisrespons en een deugdelijke herstelstrategie;

5.  benadrukt dat lidstaten in hun eentje niet in staat zullen zijn een omvangrijk herstelplan te financieren om de COVID-19-crisis zo lang als het nodig is aan te pakken, en dat nationale herstelplannen zeer beperkt in omvang en duur zullen zijn als ze uitsluitend met schulden worden gefinancierd; is ervan overtuigd dat het herstelplan met ingang van 2021 gefinancierd moet worden met substantiële investeringen van de Uniebegroting en is daarom van mening dat de begroting 2021 een belangrijke bijdrage aan het herstelplan moet leveren;

6.  is van mening dat het herstelplan gebaseerd moet zijn op de Europese Green Deal en de digitale transformatie van onze maatschappij, en gericht moet zijn op de wederopbouw van onze economie, het waarborgen van veerkracht en inclusie, en het eerbiedigen van de grenzen van wat de planeet aankan, het beschermen van ieders welzijn en gezondheid tegen nieuwe risico’s en de aantasting van het milieu, het creëren van kwaliteitsbanen en het waarborgen van sociale, economische en territoriale samenhang en convergentie, met name door middel van investeringen in kmo’s in de sectoren die het zwaarst getroffen zijn door de crisis, zoals het toerisme, en in de ontwikkeling van duurzame openbare infrastructuur en diensten en van de strategische sectoren, zoals de zorgsector, die de frontlijn vormen van de strijd tegen de pandemie; verzoekt de Commissie een ontwerpbegroting 2021 te presenteren die deze prioriteiten weerspiegelt;

7.  is van mening dat de inkomstenzijde van de EU-begroting moet worden beschouwd als een instrument om het EU-beleid te verwezenlijken; benadrukt dat, teneinde de bijkomende kosten te dekken die de crisis met zich meebrengt en het grote aandeel van de bni-bijdragen aan de EU-begroting te verlagen, nieuwe bijkomende eigen middelen die als algemene ontvangsten rechtstreeks naar de EU-begroting vloeien een centrale rol moeten spelen met ingang van 2021; is van mening dat het niet invoeren van nieuwe eigen middelen negatieve politieke gevolgen zal hebben voor de begroting van de Unie voor 2021 en de nieuwe politieke agenda van de Commissie in het gedrang zal brengen; is in dit verband van mening dat de voorstellen van de Commissie inzake nieuwe eigen middelen van mei 2018 een goed uitgangspunt vormen dat verder moet worden uitgewerkt met het oog op de huidige crisis en andere uitdagingen; herinnert aan zijn standpunt zoals weergegeven in zijn tussentijds verslag van 14 november 2018 en zijn resolutie van 10 oktober 2019 dat het Europees Parlement niet zal instemmen met het MFK 2021-2027 als er geen overeenstemming wordt bereikt over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, onder meer door middel van de invoering van een nieuw pakket eigen middelen;

8.  is ervan overtuigd dat de huidige crisis geen bedreiging mag vormen voor het streven naar het bereiken van klimaatneutraliteit tegen 2050, waarvoor de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met 55 % verlaagd moet worden ten opzichte van 1990; herinnert eraan dat in het 2019 Emissions Gap Report van het milieuprogramma van de VN (UNEP) wordt opgeroepen tot een wereldwijde verlaging van de uitstoot van broeikasgassen met 7,6 % per jaar, om de temperatuurstijging onder de 1,5 °C te houden, wat voor de EU een verlaging met circa 6,8 % per jaar betekent; benadrukt wat voor enorme uitdaging dit is, vooral voor het verwezenlijken van de broodnodige duurzame, sociaal rechtvaardige transitie, waarbij rekening moet worden gehouden met de uiteenlopende situaties in de lidstaten en regio’s van de EU, en waarbij gezorgd moet worden voor een grootschalige toename van de werkgelegenheid; benadrukt dat, om in slechts tien jaar in deze ongekende uitdaging te slagen, dringend actie moet worden ondernomen en dat deze moet worden ondersteund door een sterke EU-begroting vanaf 2021;

9.  is bezorgd over verdere economische, sociale en politieke gevolgen van de crisis indien de EU niet snel zorgt voor nieuwe en doeltreffende instrumenten om de sociale samenhang te beschermen, banen te behouden en ontslagen op grote schaal te voorkomen; verwelkomt in dit verband het voorstel voor een programma voor steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken (SURE) en de toezegging van de voorzitter van de Commissie om een wetgevingsvoorstel te presenteren voor een Europees herverzekeringsstelsel voor werkloosheid, met als doel om het zo snel mogelijk in te voeren;

... en oplossingen te vinden voor de erger wordende sociale, milieu-, economische en financiële uitdagingen

10.  verwelkomt de voorstellen van de Commissie voor de Europese Green Deal en het investeringsplan voor een duurzaam Europa;

11.  wijst er evenwel op dat, om de doelstelling van een vermindering van de broeikasgasemissies met 40 % tegen 2030, dan wel de komende verhoogde doelstelling, te halen, volgens de raming van de Commissie jaarlijks een financieringstekort van ten minste 260 miljard EUR, plus bijkomende kosten voor milieubescherming, beheer van hulpbronnen en maatregelen voor sociale aanpassing, zal moeten worden opgevangen; is van mening dat, om de uitstoot van broeikasgassen en de totale koolstofvoetafdruk van de EU te verminderen, een grote sprong voorwaarts wat betreft politieke en financiële inspanningen gemaakt kan worden met behulp van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (CBAM), het EU-emissiehandelssysteem (ETS) en de EU-klimaatwet; is van mening dat er afdoende middelen toegewezen moeten worden aan een eerlijke transitie, die ook moet bijdragen aan de aanpak van de gevolgen van de crisis;

12.  herhaalt dat het mandaat van het Parlement voor het MFK is vastgesteld in zijn tussentijds verslag van 14 november 2018 en dat dit betrekking heeft op de bepalingen inzake maxima, toewijzingen voor programma’s, eigen middelen en flexibiliteit, de tussentijdse herziening en horizontale beginselen zoals het mainstreamen van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, klimaat en gendergelijkheid; wijst erop dat het resultaat van de MFK-onderhandelingen grotendeels bepalend zal zijn voor de financiering van de EU-programma’s voor de volgende periode en herhaalt zijn standpunt dat de vastleggingskredieten voor de periode 2021-2027 moeten worden vastgesteld op 1 324,1 miljard EUR in prijzen van 2018, wat overeenkomt met 1,3 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU-27; is vastbesloten dit standpunt door te zetten en bijgevolg een begroting 2021 te verdedigen van 192,1 miljard EUR aan vastleggingskredieten in lopende prijzen; benadrukt dat er omvangrijke bijkomende kredieten nodig zijn bovenop de voorgestelde bedragen, om de huidige crisis het hoofd te bieden;

13.  onderstreept zijn standpunt dat de doelstellingen van het MFK voor de periode 2021-2027 inzake klimaat- en biodiversiteitsmainstreaming verder moeten gaan dan de niveaus van de beoogde uitgavenpercentages die zijn vastgesteld in het tussentijds verslag; streeft daarom voor 2021 naar een uitgavenniveau voor biodiversiteit van 10 % en voor klimaatmainstreaming van 30 %; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om duidelijke subsidiabiliteitscriteria vast te stellen voor een nieuwe strenge en alomvattende methodologie, vast te leggen in een kaderverordening, voor het definiëren en volgen van de relevante klimaat- en biodiversiteitsuitgaven overeenkomstig het beginsel “geen schade berokkenen”, samen met de overeenkomstige correctiemaatregelen, indien van toepassing, en het bewijsmechanisme om potentiële schadelijke gevolgen van EU-maatregelen voor de biodiversiteit en het klimaat vast te stellen, overeenkomstig zijn verbintenissen in het kader van het Akkoord van Parijs en zijn verzoek om de directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen;

14.  ondersteunt de mobilisatie van middelen en de flexibiliteit om middelen voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) te mobiliseren voor maatregelen in verband met COVID-19, zoals de ontwikkeling van vaccins, nieuwe behandelingen, diagnostische tests en medische systemen om de verspreiding van het coronavirus te voorkomen en mensenlevens te redden;

15.  benadrukt dat de klimaatdoelstellingen van de Unie duurzame langetermijnoplossingen vereisen; benadrukt de cruciale rol van O&O bij het vinden van doeltreffende, realistische en uitvoerbare oplossingen ten behoeve van burgers, bedrijven en de maatschappij; onderstreept dat Horizon Europa het belangrijkste programma zal zijn voor de ontwikkeling van nieuwe oplossingen voor het klimaat; verzoekt om meer middelen voor alle deelnemende O&O-programma’s, teneinde de Unie te positioneren als wereldleider op het gebied van groene technologieën en haar mondiale concurrentievermogen op grotere schaal te versterken, haar afhankelijkheid van buitenlandse sleuteltechnologieën te verminderen, leider te worden op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën (ICT), kunstmatige intelligentie (AI) en cyberveiligheid, nieuwe behandelingen voor ernstige ziekten zoals kanker te ontwikkelen en capaciteiten voor supercomputers en gegevensverwerking op te bouwen;

16.  merkt met grote bezorgdheid op dat veel buitengewoon goede onderzoeksvoorstellen niet kunnen worden uitgevoerd, niet vanwege een gebrek aan kwaliteit, maar wegens een ernstige gebrek aan financiering voor de programma’s; benadrukt dat onderzoek en innovatie zeer competitieve markten zijn en dat onderzoekers vaak in andere regio’s in de wereld gaan werken omdat er in Europa geen financiering beschikbaar is; onderstreept dat het VK de belangrijkste begunstigde van veel O&O-programma’s van de Unie was, maar in de toekomst een sterke concurrent zal zijn; verzoekt de Raad rekening te houden met het feit dat elke ontbrekende 10 miljard EUR in Horizon Europa zal leiden tot een bbp-verlies van 110 miljard EUR in de loop van de volgende 25 jaar; komt tot de conclusie dat lage begrotingsambities voor O&O in tegenspraak zouden zijn met de belofte om het concurrentievermogen of de bestrijding van de klimaatverandering te stimuleren, met name wat betreft de inspanningen die nog moeten worden geleverd om de Europa 2020-doelstelling van 3 % van het bbp te halen;

17.  benadrukt dat investeringen in vervoersinfrastructuur kunnen bijdragen tot de ondersteuning van de economie van de EU in de huidige context en de inspanningen om de klimaatverandering te bestrijden, en tot een verschuiving naar duurzame mobiliteit, met name door de voltooiing van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T), Shift2Rail en het beleid inzake de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF); verzoekt de Commissie alle CEF-projecten in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van het Akkoord van Parijs;

18.  herhaalt dat een concurrerende ruimtevaartindustrie vitaal is voor het zakelijke klimaat in Europa, omdat deze zorgt voor kwalitatief hoogwaardige banen en een aanzienlijke hoeveelheid O&O-activiteiten en de autonomie van de Europese satellietinfrastructuur kan garanderen; benadrukt dat gegevens die worden gegenereerd in de ruimte als essentiële input kunnen dienen voor grond- en milieumonitoring;

19.  benadrukt dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) 99 % van alle bedrijven in de lidstaten uitmaken en een aanzienlijke bijdrage leveren aan het scheppen van werkgelegenheid, economische stabiliteit en, in toenemende mate, aan de inspanningen op het gebied van duurzaamheid, en dat deze bedrijven waarschijnlijk het meest te lijden hebben onder de economische neergang als gevolg van de COVID-19-uitbraak; benadrukt dat kmo’s moeilijkheden ondervinden bij het vinden van financieringsmogelijkheden en herinnert aan de rol van het EU-programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kmo’s (COSME) in dit verband; herinnert aan het standpunt van het Parlement over de verdubbeling van de financiële middelen voor de opvolger ervan binnen het programma voor de interne markt voor het volgende MFK, die naar verwachting een succespercentage van kwalitatief hoogstaande voorstellen van ten minste 80 % mogelijk zal maken; benadrukt dat financiële steun voor kmo’s ook verleend moet worden via het voor kmo’s bedoelde onderdeel van InvestEU, om producten en diensten marktklaar te maken en ervoor te zorgen dat ze snel kunnen worden opgeschaald op internationale markten; herhaalt dat de mogelijkheden voor het opzetten en opschalen van startende ondernemingen verder moeten worden uitgebreid en dat bijzondere nadruk moet worden gelegd op de digitale transformatie van het mkb, ook gesteund door de “Single Market Gateway” als facilitator van het bedrijfsleven op het gebied van e-overheid, in overeenstemming met een ambitieus beleid inzake consumentenbescherming en de ecologische transitie van deze bedrijven; verwelkomt in dit verband bovendien de verschillende initiatieven van de Europese Investeringsbank (EIB), te weten de beschikbaarstelling van 40 miljard EUR voor de getroffen kmo’s, de 5 miljard EUR die beschikbaar is voor bedrijven in de gezondheidssector en het garantiefonds van 25 miljard EUR dat door de aandeelhouders moet worden gefinancierd;

20.  benadrukt dat de huidige crisis veel regio’s en sectoren zwaar zal treffen; is er in dit verband van overtuigd dat het cohesiebeleid een sleutelrol zal spelen en meer dan ooit van essentieel belang zal zijn om het economisch herstel in alle EU-gebieden te stimuleren, de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie te versterken en extra financiering en meer flexibiliteit zal vereisen om de complexe ecologische, sociale, economische en demografische uitdagingen die voor ons liggen, aan te gaan; benadrukt dat, als de goedkeuring van het MFK voor 2021-2027 en de bijbehorende rechtsgrondslag wordt uitgesteld, een overgangsperiode tussen de twee programmeringsperioden onontbeerlijk zal zijn;

21.  is van mening dat voor het toerisme, als een van de sectoren die het zwaarst getroffen is door de crisis, een omvattende strategie opgesteld moet worden, die gepaard moet gaan met een specifieke toewijzing, te besteden via een nieuw EU-programma in het kader van het volgende MFK; dringt erop aan dat specifieke aandacht en steun moet worden gegeven aan familie- en kleine bedrijven, vooral in het agritoerisme en de kleinschalige horeca, voor wie het moeilijker zal worden te voldoen aan de nieuwe veiligheidsnormen, alsmede aan eiland- en ultraperifere regio’s;

22.  onderstreept, in het licht van de onmiddellijke en langdurige ernstige sociale gevolgen van de huidige situatie, het belang van de volledige tenuitvoerlegging van de Europese pijler van de sociale rechten in de EU-begroting voor 2021 en de cruciale rol van versterkte sociale acties van de EU, met name het Europees Sociaal Fonds+, in het economisch herstel, en in het bijzonder het aanpakken van de werkloosheid onder jongeren en ouderen, kinderarmoede, het risico van armoede en sociale uitsluiting, discriminatie, het waarborgen van een versterkte sociale dialoog, het aanpakken van de structurele demografische veranderingen op lange termijn en het garanderen van toegang voor iedereen, en met name voor de vergrijzende bevolking, tot vitale en essentiële diensten zoals gezondheidszorg, mobiliteit, adequate voeding en fatsoenlijke huisvesting;

23.  dringt erop aan dat in de begroting 2021 bijzondere aandacht wordt besteed aan de behoeften van en de betrekkingen met de landen en gebieden overzee, aangezien deze sterk te lijden kunnen hebben van de negatieve gevolgen van de klimaatverandering; benadrukt bovendien dat de toegang tot fondsen voor de landen en gebieden overzee, die vanwege hun bijzondere status en omvang over beperkte administratieve middelen en deskundigheid beschikken, moet worden verbeterd;

24.  benadrukt dat binnenlandse veiligheid een grote speelt bij de verwachtingen van de EU-burgers omtrent een Unie die hen beschermt; onderstreept dat veiligheidsrisico’s, zoals terroristische aanslagen, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en nieuwe soorten misdaad, zoals cybercriminaliteit, een constante dreiging vormen voor de cohesie in de Europese Unie en een sterke, gecoördineerde Europese respons vereisen; is van mening dat dit een intensievere grensoverschrijdende samenwerking vereist tussen de bevoegde autoriteiten; benadrukt dat het versterken en moderniseren van IT-systemen met bijzondere aandacht voor een hogere interoperabiliteit van systemen en een betere toegang tot en leesbaarheid van gegevens, onontbeerlijk is voor een doeltreffende en snelle samenwerking tussen politie, justitie en andere bevoegde autoriteiten; neemt kennis van het feit dat de Commissie in 2021 naar verwachting een nieuwe veiligheidsstrategie voor de Unie zal lanceren, die zal bestaan uit een reeks initiatieven op belangrijke terreinen in verband met deze bedreigingen;

25.  verzoekt de Commissie de financiële middelen toe te kennen die nodig zijn om een uitbreiding van de capaciteit van het EU-mechanisme voor civiele bescherming te waarborgen zodat de EU beter voorbereid is en kan reageren op allerlei soorten natuurrampen, pandemieën en noodsituaties, zoals chemische, biologische, stralinggerelateerde en nucleaire noodsituaties; herhaalt hoe belangrijk het EU-mechanisme voor civiele bescherming is om burgers beter te kunnen beschermen tegen rampen;

26.  benadrukt het succes van het programma Erasmus+ voor het stimuleren van de mobiliteit, training en vaardigheden van jongeren; wijst erop dat het programma adequaat moet worden gefinancierd, onder meer om het toegankelijk te maken voor mensen van alle achtergronden en leeftijdsgroepen;

27.  herinnert eraan dat de bevordering van Europese waarden en culturen een actieve rol speelt bij de ondersteuning van democratie, non-discriminatie en gendergelijkheid, alsmede bij de aanpak van desinformatie en nepnieuws; benadrukt in dit verband dat er voldoende middelen moeten worden uitgetrokken voor programma’s op het gebied van justitie, rechten en waarden en dat de middelen voor de ondersteuning van slachtoffers van gendergerelateerd geweld in het kader van dit programma moeten worden versterkt; onderstreept dat de culturele en creatieve sectoren, evenals het toerisme, tot de sectoren behoren die het zwaarst getroffen zijn door de crisis die de EU doormaakt, en dat dit ook in de toekomst het geval zal zijn; roept op tot noodmaatregelen voor deze sectoren en tot een versterking van het programma Creatief Europa;

28.  verwacht dat er in 2021 een sterk EU-mechanisme voor democratie, rechtsstaat en grondrechten zal zijn ingevoerd; benadrukt dat het toekomstige MFK voor 2021‑2027 een voorwaardelijkheidsclausule moet omvatten voor de bescherming van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, die moet waarborgen dat de lidstaten, om gebruik te kunnen maken van EU-financiering, artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie volledig moeten naleven;

29.  is van mening dat het Europees Solidariteitskorps een zeer belangrijk instrument is voor het bevorderen van de betrokkenheid van de burgers in de hele Unie en voor het versterken van het burgerschap van de Unie; benadrukt dat de begroting voor 2021 voor het Europees Solidariteitskorps aan moet sluiten bij de hoge verwachtingen die bij jongeren in heel Europa zijn gewekt, vooral in het onderdeel vrijwilligerswerk; roept op tot het toewijzen van afdoende middelen om te kunnen voldoen aan de hoge vraag naar vrijwilligerswerk;

30.  dringt erop aan voorrang te verlenen aan het toewijzen van toereikende middelen ter ondersteuning van de activiteiten van maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden die zich bezighouden met de bevordering van rechten en de versterking en bevordering van de waarden van de Unie en de rechtsstaat, onder meer via het toekomstige programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden, in een tijd waarin in sommige lidstaten de rol van het maatschappelijk middenveld kleiner wordt;

31.  wijst op het verontrustende en toenemende verzet tegen gendergelijkheid en vrouwenrechten en het belang van EU-instrumenten zoals het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) om deze situatie tegen te gaan; betreurt het dat de Commissie geen specifiek programma inzake gendergelijkheid heeft opgenomen in haar voorstel, en pleit voor ambitieuze en specifieke begrotingstoewijzingen ter ondersteuning van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers en de bescherming en bevordering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; onderstreept daarom de noodzaak om de begrotingstoewijzingen ter ondersteuning van de universele eerbiediging van en toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te versterken;

32.  wijst erop dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) hoekstenen zijn van de Europese integratie, die tot doel hebben een veilige en hoogwaardige voedselvoorziening en voedselsoevereiniteit voor alle Europeanen, de goede werking van de voedselmarkten, de duurzame ontwikkeling van de plattelandsgebieden, de generatievernieuwing en het duurzame beheer van de natuurlijke hulpbronnen en het behoud van de biodiversiteit te waarborgen; herinnert aan de sleutelrol die dit beleid speelt bij het leveren van een bijdrage aan een stabiel en aanvaardbaar inkomen voor boeren en vissers, met name in de huidige moeilijke context; herinnert aan zijn standpunt voor de onderhandelingen voor het MFK 2021-2027 dat de begrotingen voor het GLB en het GVB op hetzelfde niveau moeten blijven; vraagt om dit beleid te versterken en om bijzondere aandacht te besteden aan kleinschalige landbouw en visserij; merkt op dat het GLB, samen met andere beleidsmaatregelen van de Unie, een belangrijke rol zal moeten spelen bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europese Green Deal;

33.  verzoekt de Commissie om in haar voorstel en het latere wijzigingsbesluit voor de ontwerpbegroting 2021 rekening te houden met het resultaat van het politieke akkoord dat moet worden bereikt over de overgangsmaatregelen voor het jaar 2021 (toegelicht in het voorstel van de Commissie van 31 oktober 2019 (COM(2019)0581)); verzoekt de lidstaten voorts te waarborgen dat tijdig voldoende middelen worden toegewezen aan de voortdurende verbetering van de kwaliteit van de aan de Unie gerapporteerde gegevens en indicatoren, teneinde volledig te voldoen aan de doelstellingen van het initiatief voor een resultaatgerichte EU-begroting; dringt aan op de noodzaak van kwalitatief hoogstaande gegevens en indicatoren om het GLB naar behoren te kunnen beoordelen;

34.  neemt nota van de meest recente ontwikkelingen met betrekking tot de migratiesituatie aan de buitengrens van de EU met Turkije, die hebben geleid tot de recente goedkeuring van een gewijzigde begroting 1/2020 als reactie op de toegenomen migratiedruk; benadrukt dat er in de begroting voor 2021 voldoende middelen moeten worden uitgetrokken om te anticiperen op het mogelijke aanhouden of zelfs verslechteren van deze situatie; herinnert aan de noodzaak van solidariteit en samenwerking tussen alle lidstaten op dit gebied en bij het verwezenlijken van een gemeenschappelijk asielbeleid; benadrukt de extra noodzaak als gevolg van de uitbraak van COVID-19 om specifieke maatregelen te nemen voor migranten als bijzonder kwetsbare personen, met inbegrip van preventieve evacuatie en herhuisvesting; herinnert eraan dat het in de voorgaande periode regelmatig nodig is geweest meer middelen vrij te maken voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie om de lidstaten te helpen de vluchtelingencrisis in goede banen te leiden, en dat voor dat doel speciale instrumenten moesten worden gemobiliseerd of gewijzigde begrotingen moesten worden vastgesteld wegens een te laag plafond in rubriek 3; verwacht dat lidstaten begrijpen wat in hun eigen belang is en dat zij het effect van de vertraging in de goedkeuring van de Dublin IV-verordening zullen compenseren door de noodzakelijke kredieten beschikbaar te stellen en zich onderling solidair te tonen op dit terrein; wijst erop dat er voldoende financiële middelen nodig zijn om de levensomstandigheden van migranten en vluchtelingen in de vluchtelingenkampen in de EU te verbeteren, voor wetshandhaving, opleiding voor grens- en kustwachtpersoneel, en voor doeltreffende maatregelen voor de integratie van migranten en vluchtelingen;

35.  wijst erop dat goed beheerde legale migratie belangrijk is om te zorgen voor een adequate reactie op de evoluerende arbeidsmarkt;

36.  wijst erop dat Turkije de grootste vluchtelingenpopulatie ter wereld blijft herbergen en dat thans discussies plaatsvinden over de wijze waarop de EU steun aan Turkije moet blijven verlenen na afloop van haar verbintenissen in het kader van de EU-faciliteit voor vluchtelingen in Turkije;

37.  onderstreept dat onmiddellijke solidariteitsmaatregelen, in het bijzonder een herplaatsingsprogramma, moeten worden ingevoerd in afwachting van een zinvolle hervorming van de asielregels van de EU; dringt er voorts op aan dat in de begroting van de EU middelen beschikbaar blijven voor de ondersteuning van vluchtelingen in Turkije;

38.  dringt aan op een ambitieuze begroting voor 2021 die de EU in staat stelt de uitdagingen op het gebied van buitenlands beleid aan te gaan; herinnert eraan dat vrede en solidariteit kernwaarden zijn die consequent moeten worden bevorderd vanuit de EU-begroting; benadrukt de behoefte aan meer middelen voor de landen van de Westelijke Balkan en de landen van het Oostelijk en Zuidelijk Nabuurschap om de politieke en economische hervormingen te ondersteunen, alsmede voor andere regio’s die behoefte hebben aan financiële steun voor hun ontwikkeling;

39.  meent dat de financiering uit het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) vooral moet worden gericht op de werking van de democratische instellingen, de rechtsstaat, goed bestuur en openbaar bestuur; verwelkomt het feit dat het groene licht is gegeven voor het openen van de toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië en dringt aan op passende financiële maatregelen om de politieke hervormingen en de aanpassing aan het acquis te ondersteunen;

40.  benadrukt dat de financiële steun uit hoofde van IPA III afhankelijk moet worden gesteld van de eerbiediging van de Europese waarden zoals de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de democratie, de eerbiediging van de fundamentele waarden en goede nabuurschapsbetrekkingen; verzoekt de Commissie toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden; vraagt de Commissie om de middelen die momenteel in het kader van IPA III beschikbaar zijn, via rechtstreeks beheer door de EU te gebruiken om het maatschappelijk middenveld van Turkije, mensenrechtenverdedigers en journalisten te ondersteunen en om meer mogelijkheden te creëren voor interpersoonlijke contacten, academische dialoog, toegang voor Turkse studenten tot Europese universiteiten en mediaplatforms voor journalisten, met het doel om de democratische waarden en beginselen, de mensenrechten en de rechtsstaat te beschermen en te bevorderen;

41.  onderstreept dat het standpunt van het Parlement in eerste lezing over het NDICI op 4 maart 2019 werd aangenomen en dat zijn mandaat inzake het NDICI op 8 oktober 2019 werd bekrachtigd; wijst op zijn standpunt dat het voorstander is van een bijdrage van 45 % van de totale financiële middelen van het NDICI aan klimaatdoelstellingen, milieubeheer en -bescherming, biodiversiteit en het bestrijden van woestijnvorming, en over de aanpak van de onderliggende oorzaken van migratie en gedwongen ontheemding, en legt sterk de nadruk op de bevordering van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, waaronder de rechten van vrouwen, kinderen, vluchtelingen, ontheemden, LGBTI-personen, mensen met een handicap, inheemse volkeren en etnische en religieuze minderheden;

42.  herinnert eraan dat de langdurige oplossing voor het huidige migratieverschijnsel te vinden is in de politieke, economische en sociale ontwikkeling van de landen waaruit de migratiestromen afkomstig zijn; dringt erop aan dat de respectieve programma’s op het gebied van het buitenlands beleid voldoende financiële middelen krijgen om eerlijke en wederzijds voordelige partnerschappen tussen de EU en de landen van herkomst en doorvoer, met inbegrip van de landen op het Afrikaanse continent, te ondersteunen; roept de EU, in dit kader en met het oog op de moeilijke financiële situatie waarin de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) zich bevindt, op in 2021 meer financiële ondersteuning toe te kennen aan het agentschap zodat de verlening van vitale diensten aan miljoenen Palestijnse vluchtelingen niet wordt onderbroken;

43.  is bezorgd over de snelle wereldwijde verspreiding van de COVID-19-pandemie en de gevolgen daarvan voor de getroffen landen; is ervan overtuigd dat internationale samenwerking van cruciaal belang is om deze mondiale crisis te boven te komen; is van mening dat de EU het voortouw moet nemen bij de wereldwijde inspanningen om de pandemie in te dammen en de gevolgen ervan te beperken; roept de Unie op om solidariteit te tonen met de getroffen derde landen, onder meer door extra middelen vrij te maken om de getroffen landen te helpen hun economie weer op te bouwen, de sociaaleconomische gevolgen van deze crisis te verzachten en de capaciteit van de volksgezondheidsstelsels in de hele wereld te versterken;

44.  herinnert eraan dat mensenrechten een integrerend deel uitmaken van het EU-beleid voor extern optreden; benadrukt opnieuw dat meer financiering nodig is om de mensenrechten wereldwijd te ondersteunen, met bijzondere aandacht voor de bescherming van mensenrechtenverdedigers, vooral wanneer deze gevaar lopen; benadrukt in dit verband de noodzaak om de steun voor het EU-mechanisme ter verdediging van de mensenrechten (Protectdefenders.eu) te handhaven en de toewijzing voor dit mechanisme te verhogen; meent dat de EU zich volledig moet onthouden van bijstand via begrotingssteun in landen die schromelijk tekortschieten bij het naleven van de internationale normen op het gebied van mensenrechten en democratie en die onvoldoende bereidheid tonen om corruptie te bestrijden; wijst op het belang van verkiezingswaarnemingsmissies, met name door plaatselijke maatschappelijke organisaties, en dringt aan op een passend financieringsniveau hiervoor;

45.  dringt aan op meer financiële steun voor strategische communicatie om desinformatiecampagnes tegen te gaan, die steeds vaker worden gebruikt om de democratische orde in de Unie en de nabuurschapslanden van de Unie te ondermijnen; benadrukt het belang van “EUvsDisinfo”, het vlaggenschipproject van de taskforce East StratCom van de Europese Dienst voor extern optreden, in de strijd tegen desinformatie, propaganda en buitenlandse invloed;

46.  wijst op de noodzaak van het leveren van passende financiële steun om een kader te creëren voor een echte Europese defensie-unie, strategische autonomie te bevorderen en de rol van de EU op wereldniveau te ondersteunen; benadrukt in het bijzonder dat moet worden vastgehouden aan het standpunt van het Parlement over de bedragen voor het Europees Defensiefonds (EDF) en voor militaire mobiliteit; benadrukt dat in het kader van het Europees Defensieagentschap (EDA), de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), het EDF en andere initiatieven moet worden gezorgd voor voortdurende ondersteuning en betere coördinatie van het beleid en optreden op defensiegebied; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de administratieve en operationele uitgaven van EDA en PESCO uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, zodat het EP zijn begrotingstaken weer kan uitvoeren, overeenkomstig artikel 41 VEU;

47.  herhaalt dat de nieuwe architectuur van de externe financieringsinstrumenten (EFI) moet zorgen voor meer samenhang, verantwoording, efficiëntie en democratisch toezicht; benadrukt dat het Parlement een grotere rol moet spelen in de strategische sturing van de nieuwe instrumenten; verwacht reeds in een vroeg stadium betrokken te worden bij de (pre)programmering van de nieuwe instrumenten;

48.  dringt er bij de Commissie op aan alle mogelijke scenario’s te evalueren en hierop te anticiperen om een gedegen financieel beheer van de Uniebegroting te waarborgen door duidelijke toezeggingen te formuleren, mechanismen vorm te geven en de EU-begroting te beschermen; roept de Commissie op te garanderen dat bij de toekomstige deelname van het VK aan de programma’s van de EU wordt gezorgd voor een eerlijk evenwicht wat bijdragen en baten betreft;

49.  uit zijn voornemen het Verenigd Koninkrijk voor zo veel mogelijk EU-programma’s als een zo hecht mogelijke partner te behandelen, met name in het kader van Erasmus+ en Horizon Europa;

50.  herinnert aan de cruciale rol die EU-agentschappen spelen bij de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de EU en bevestigt wederom hoe belangrijk het is dat deze organen beschikken over voldoende en voorspelbare financiële en personele middelen om hun mandaat op efficiënte wijze te kunnen uitvoeren, en verwerpt ongerechtvaardigde en willekeurige bezuinigingen op hun begroting in reële termen; onderstreept de belangrijke rol die is weggelegd voor het Europees Milieuagentschap bij het creëren van bewustzijn omtrent klimaatverandering, voor de Europese Arbeidsautoriteit bij de bevordering van de arbeidsmobiliteit en voor het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten bij het ondersteunen van asielzoekers die in Europa bescherming zoeken;

51.  benadrukt tegelijkertijd dat het strikt noodzakelijk is mensenhandel en -smokkel te bestrijden en de EU-agentschappen voor justitie en binnenlandse zaken, die lidstaten bijstaan aan hun buitengrenzen, zoals het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), te ondersteunen; neemt nota van de rol die Frontex moet spelen in de context van de huidige migratiecrisis aan de buitengrenzen van de EU met Turkije; roept op tot de toewijzing van toereikende middelen voor het grensbeheer op de begroting 2021;

52.  wijst erop dat de agentschappen die zich bezighouden met samenwerking op het gebied van veiligheid, rechtshandhaving en strafrecht steeds meer taken krijgen; vraagt om meer financiële middelen en personeel voor deze agentschappen, met name voor het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), Europol, de Europese Politieacademie (CEPOL), het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging (ENISA) en het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD), alsmede om voldoende financiering en personeel voor agentschappen die zich bezighouden met de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;

53.  maakt zich zorgen over de ontoereikende financiering die in de begrotingsprocedure voor 2020 werd toegekend aan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en verzoekt de Commissie voor 2021 het aantal posten en financiële middelen voor dit institutionele orgaan te verhogen en de budgettaire autonomie van het EOM te waarborgen; benadrukt dat de oprichting van het EOM niet mag leiden tot een beperking van de capaciteit van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) om goed te functioneren;

54.  dringt er wegens de recente uitbraak van COVID-19 in Europa en de noodzaak van een snelle, gecoördineerde en samenhangende EU-respons bij de Commissie op aan te zorgen voor toereikende en hoognodige financiering voor de relevante EU-agentschappen die zullen deelnemen aan en de Commissie en lidstaten zullen ondersteunen bij de inspanningen om deze pandemie te bestrijden, in het bijzonder voor het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA); dringt er bij de Commissie en de Raad op aan zich te onthouden van het verlagen van de middelen voor het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA);

55.  benadrukt in het bijzonder de noodzaak om het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) aanzienlijk te versterken, rekening houdend met de bijkomende taken die het op grond van recente wetgeving, waaronder het “pakket schone energie”, toegewezen heeft gekregen; herinnert er verder aan dat het Bureau voor ondersteuning van Berec (Berec-Bureau) aanvullende middelen nodig heeft om uitvoering te kunnen geven aan zijn taken, die zijn vastgelegd in de Berec-verordening en het Europees wetboek voor elektronische communicatie;

56.  herinnert eraan dat geen enkel beleid van de Unie, of het nu gaat om het aanpakken van de COVID-19-crisis of om de uitvoering van de Europese Green Deal, naar behoren kan worden uitgevoerd zonder de steun van een toegewijd EU-ambtenarenapparaat en voldoende financiële middelen;

57.  is van mening dat de conferentie over de toekomst van Europa, in de huidige politieke en economische context, naar behoren moet worden gesteund, ook in financieel opzicht, en dat de Commissie, naast andere instellingen die bij dit project betrokken zijn, over de middelen moet beschikken die noodzakelijk zijn om er een succes van te maken;

58.  verzoekt de Commissie het goede voorbeeld te geven door te garanderen dat aanbestedingen kwalitatief hoogwaardig en sociaal verantwoord zijn, zodat contracten worden gegund aan bedrijven die de milieu- en belangrijkste arbeidsnormen eerbiedigen, en door betere en strengere criteria te hanteren ter voorkoming van belangenconflicten;

59.  verzoekt om een evaluatie vanuit genderperspectief van de vorige begrotingsperiode en de toepassing van genderbudgettering op de begroting 2021; vraagt de Commissie in dit verband om in de ontwerpbegroting een bijlage op te nemen waarin genderspecifieke informatie wordt gecompileerd met betrekking tot doelstellingen, inputs, outputs en resultaten, alsmede een overzicht van financiële toezeggingen voor gendergelijkheid en bijbehorende maatregelen voor het controleren van de effectiviteit;

Toereikende en realistische betalingsniveaus

60.  is vastbesloten een nieuwe betalingscrisis te voorkomen, in het bijzonder tegen de achtergrond van de COVID-19-pandemie; herhaalt dat bij het totale maximum voor de betalingskredieten rekening moet worden gehouden met het ongekende volume van eind 2020 nog te betalen vastleggingen, dat onder het volgende MFK moet worden afgewikkeld; wijst er verder op dat de aandacht bij de betalingskredieten in 2021 vooral gericht zal zijn op de voltooiing van de programma’s voor de periode 2014-2020; benadrukt evenwel dat dit de start van nieuwe programma’s niet in de weg mag staan;

61.  benadrukt daarom, in overeenstemming met de maatregelen voor 2020, dat het noodzakelijk is om in het kader van de aanpak van de COVID-19-pandemie een hoog liquiditeitsniveau voor de lidstaten te blijven waarborgen;

62.  onderstreept dat samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de heffing van inkomstenbelasting veel meer zou opleveren voor hun nationale begrotingen dan een willekeurige bezuiniging op de jaarlijkse uitgaven van de EU-begroting;

63.  verzoekt de Commissie te garanderen dat er geen EU-financiering wordt toegekend aan partijen waarvoor beperkende EU-maatregelen gelden (met inbegrip van contractanten of subcontractanten, deelnemers aan workshops en/of trainingen en ontvangers van financiële steun aan derden);

64.  is stellig van oordeel dat het alle rechtspersonen die begunstigden zijn van juridische entiteiten die financiële middelen ontvangen uit de EU-begroting op grond van de voorschriften van deze verordening betreffende het meerjarig financieel kader voor 2021-2027 moet worden verboden financiële middelen te ontvangen uit de bestaande en de toekomstige Europese begroting, met inbegrip van rechtstreekse landbouwbetalingen en uitkeringen, uitgaven, garanties of andere baten in dit kader, als er sprake is van een duidelijk belangenconflict in de zin van artikel 61 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 tot vaststelling van de financiële regels;

65.  herhaalt zijn reeds lang gehuldigde standpunt dat de nieuwe politieke prioriteiten en de toekomstige uitdagingen voor de EU moeten worden gefinancierd met nieuwe kredieten en niet door verlaging van de kredieten voor bestaande programma’s; is van mening dat dit beginsel ook moet worden toegepast bij gewijzigde begrotingen;

66.  merkt op dat voor de begroting voor 2021, de eerste begroting van het volgende MFK, waarover nog overeenstemming moet worden bereikt, een nieuwe begrotingsnomenclatuur zal worden gebruikt; verzoekt de Commissie de begrotingsautoriteit naar behoren bij de voorbereiding te betrekken; is van mening dat de nieuwe nomenclatuur niet alleen beter moet worden afgestemd op de beleidsprioriteiten, maar ook gedetailleerd genoeg moet zijn zodat de begrotingsautoriteit zijn rol op het gebied van besluitvorming doeltreffend kan vervullen en het Parlement met name zijn taken met betrekking tot democratisch toezicht en controle kan uitoefenen;

67.  merkt op dat het Parlement, als tak van de begrotingsautoriteit die rechtstreeks door de burgers is gekozen, zijn politieke rol zal vervullen en voorstellen zal doen voor proefprojecten en voorbereidende acties waarin zijn politieke visie voor de toekomst tot uiting zal komen; verbindt er zich in deze context toe een pakket proefprojecten en voorbereidende acties voor te stellen dat is uitgewerkt in nauwe samenwerking met elk van zijn commissies, om de juiste balans te vinden tussen politieke wil en de door de Commissie beoordeelde technische haalbaarheid;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

(1) https://www.ipcc.ch/sr15/
(2) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(6) PB L 57 van 27.2.2020, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.
(8) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0032.
(9) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(10) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0065.
(11) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0124.
(12) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0015.
(13) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.
(14) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.


Oostelijk Partnerschap in de aanloop naar de top van juni 2020
PDF 198kWORD 67k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 19 juni 2020 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over het Oostelijk Partnerschap, in de aanloop naar de top van juni 2020 (2019/2209(INI))
P9_TA(2020)0167A9-0112/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3 en 8, en Titel V, met name de artikelen 21, 22, 36 en 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), alsook het vijfde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de oprichting van het Oostelijk Partnerschap in Praag op 7 mei 2009 als een gemeenschappelijk initiatief van de EU en haar zes Oost-Europese partners Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne,

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de toppen van het Oostelijk Partnerschap van 2009 in Praag, van 2011 in Warschau, van 2013 in Vilnius, van 2015 in Riga en van 2017 in Brussel,

–  gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds(1), de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds(2), de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds(3), die ook diepe en brede vrijhandelsruimten (DCFTA’s) omvatten, en de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds(4),

–  gezien de prioriteiten voor het partnerschap tussen de EU en Azerbeidzjan, zoals op 28 september 2018 bekrachtigd door de Samenwerkingsraad(5),

–  gezien de slotverklaringen en de aanbevelingen van de bijeenkomsten van de Parlementaire Associatiecomité’s EU-Oekraïne en EU-Moldavië van 19 december 2019,

–  gezien het jaarverslag van het Parlement over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van 18 december 2019(6),

–  gezien Verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad(7) tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld,

–  gezien de overeenkomsten tussen de Europese Unie en de Republiek Armenië(8) en de Republiek Azerbeidzjan(9) inzake de versoepeling van de afgifte van visa, en de ondertekening van een overeenkomst inzake de versoepeling van de afgifte van visa door de Europese Unie en de Republiek Belarus op 8 januari 2020(10),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van 18 maart 2020 aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, getiteld “Het beleid inzake het Oostelijk Partnerschap na 2020: de weerbaarheid versterken – een Oostelijk Partnerschap dat iedereen ten goede komt”,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over het Europees nabuurschapsbeleid en het Oostelijk Partnerschap,

–  gezien de aanbevelingen door en de activiteiten van de Parlementaire Vergadering Euronest, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap, het Comité van de Regio’s en de Conferentie van de lokale en regionale overheden van het Oostelijk Partnerschap (Corleap),

–  gezien de resolutie van de Parlementaire Vergadering Euronest van 9 december 2019 over de toekomst van de trio-plus-strategie 2030 en het werken aan de toekomst van het Oostelijk Partnerschap,

–  gezien de integrale EU-strategie en het herziene Europees nabuurschapsbeleid,

–  gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden,

–  gezien zijn resoluties van 20 mei 2010 over de noodzaak van een EU-strategie voor de zuidelijke Kaukasus(11), van 23 oktober 2013 over het Europees nabuurschapsbeleid(12), van 18 september 2014 over de situatie in Oekraïne en de stand van zaken in de betrekkingen tussen de EU en Rusland(13), van 15 januari 2015 over de situatie in Oekraïne(14), van 15 april 2015 over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide(15), van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(16), van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten / diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne(17), van 23 november 2016 over de strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden(18), van 13 december 2016 over de rechten van vrouwen in de landen van het Oostelijk Partnerschap(19), van 16 maart 2017 over de Oekraïense gevangenen in Rusland en de situatie op de Krim(20), van 19 april 2018 over Belarus(21), van 14 juni 2018 over de Georgische bezette gebieden tien jaar na de Russische inval(22), van 4 juli 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de goedkeuring, namens de Unie, van de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds(23), van 4 oktober 2018 over de achteruitgang van de mediavrijheid in Belarus, met name het geval van Charter ’97(24), van 14 november 2018 over de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Moldavië(25), van 14 november 2018 over de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Georgië(26) en van 12 december 2018 over de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne(27),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, met name degene die betrekking hebben op het optreden van Rusland op het grondgebied van de landen van het Oostelijk Partnerschap, de schendingen van de rechten van de Krim-Tataren, de bezetting van delen van het Georgische grondgebied en de afbakening van grenzen, evenals op vijandige propaganda en desinformatie die is gericht tegen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap,

–  gezien zijn aanbeveling van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017(28) en zijn aanbeveling van 4 juli 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de onderhandelingen voor een brede overeenkomst tussen de EU en Azerbeidzjan(29),

–  gezien artikel 118 van zijn Reglement,

–  gezien de brief van de Commissie internationale handel,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0112/2020),

A.  overwegende dat de EU voorlopig de dominante politieke en economische macht in Europa zal blijven en dat zij hierdoor een bepaalde verantwoordelijkheid ten opzichte van haar buurlanden heeft;

B.  overwegende dat in de integrale strategie van de EU van juni 2016 wordt gesteld dat het de prioriteit van de EU is in haar nabuurschap veerkrachtige, goed bestuurde, welvarende en verbonden staten te bevorderen;

C.  overwegende dat het Oostelijk Partnerschap (OP) inclusief van aard is, gebaseerd is op wederzijdse belangen en begrip, gedeelde betrokkenheid en verantwoordelijkheid, differentiatie en conditionaliteit, en streeft naar een gedeeld engagement van Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Georgië, de Republiek Moldavië, Oekraïne en de Europese Unie om hun betrekkingen te verdiepen en zich te houden aan het internationaal recht en kernwaarden zoals democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, de rechtsstaat, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht, een sociale markteconomie, duurzame ontwikkeling en goed bestuur, met als doel het vergroten van de stabiliteit en welvaart;

D.  overwegende dat meer samenwerking tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap geen lineair proces is en een volwaardige samenwerking alleen kan worden bereikt en behouden voor zover de Europese kernwaarden en beginselen worden geëerbiedigd in het constitutionele en wetgevende proces en als de bestrijding van corruptie, georganiseerde misdaad, het witwassen van geld, oligarchische structuren en nepotisme wordt gegarandeerd; benadrukt echter dat de samenwerking in ernstige gevallen van terugval kan worden teruggedraaid;

E.  overwegende dat bepaalde landen van het Oostelijk Partnerschap ervoor hebben gekozen een sterkere politieke, menselijke en economische integratie met de EU na te streven, die is gebaseerd op het beginsel van differentiatie en aansluit op de resultaten en aspiraties, en ambitieuze associatieovereenkomsten (AO’s) hebben gesloten met diepe en brede vrijhandelsruimten (DCFTA’s), evenals visumvrije regelingen en overeenkomsten inzake een gemeenschappelijke luchtvaartruimte; daarnaast hebben zij verklaard dat het hun strategische doel is lid te worden van de EU en hebben zij aangetoond dat zij kunnen zorgen voor meer stabiliteit, veiligheid, welvaart en weerbaarheid in het Oostelijk Nabuurschap; overwegende dat de publieke steun voor Europese integratie onder hun bevolkingen zeer groot blijft;

F.  overwegende dat andere landen van het Oostelijk Partnerschap streven naar een genuanceerder niveau van ambitie met betrekking tot de EU; overwegende dat Armenië deel uitmaakt van de door Rusland geleide economische en militaire regionale integratiestructuren (de Euraziatische Economische Unie en de Organisatie van het Verdrag inzake collectieve veiligheid) en een brede en versterkte partnerschapsovereenkomst met de EU heeft gesloten; overwegende dat Azerbeidzjan sinds 2017 onderhandelt over een nieuwe brede overeenkomst met de EU ter vervanging van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst uit 1999; overwegende dat Belarus geen op een verdrag gebaseerde contractuele relatie met de EU heeft, maar er onlangs overeenkomsten inzake de versoepeling van visumafgifte en overname zijn ondertekend;

G.  overwegende dat de partnerlanden sinds de oprichting van het Oostelijk Partnerschap, wegens zowel interne als externe factoren, op een uiteenlopend tempo politieke en economische hervormingen hebben doorgevoerd en mogelijk nog niet het punt hebben bereikt waarop deze hervormingen niet meer kunnen worden teruggedraaid;

H.  overwegende dat het blijven bieden van een Europees vooruitzicht op de lange termijn voor de geïnteresseerde landen van het Oostelijk Partnerschap een factor is die de democratisering en verdere hervormingen in de landen van het Oostelijk Partnerschap kan bevorderen;

I.  overwegende dat de ontwikkeling moet worden aangemoedigd van op maat gemaakte strategieën voor alle landen van het Oostelijk Partnerschap en dat de stap moet worden gezet naar ambitieuzere vormen van samenwerking en integratie indien de partnerlanden dat willen, en dat een ambitieus tempo moet worden aangehouden bij het doorvoeren van hervormingen voor Europese integratie;

J.  overwegende dat die doelstelling kan worden verwezenlijkt op voorwaarde dat er vorderingen worden gemaakt met de eerbiediging van de rechtsstaat en de versterking van de democratie en tijdig en op authentieke, duurzame en doeltreffende wijze brede hervormingen worden doorgevoerd, met steun vanuit flexibele EU-instrumenten en in overeenstemming met internationale toezeggingen en verplichtingen, waarbij ook de fundamentele mensenrechten en rechten van minderheden in acht worden genomen;

K.  overwegende dat de verworvenheden van en het hogere niveau van differentiatie in de bilaterale betrekkingen tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap waarmee zij een associatieovereenkomst heeft ondertekend welkome ontwikkelingen zijn, en dat dit het moment is om deze landen duidelijkere oriëntatie te bieden met betrekking tot specifieke hervormingsprioriteiten, aanpassingscriteria en de volgende stappen in het proces van EU-integratie;

L.  overwegende dat de nodige voorwaarden scheppen voor een snellere politieke associatie en verdere economische integratie tussen de EU en geïnteresseerde partnerlanden het voornaamste doel van de associatieovereenkomsten en de DCFTA’s is;

M.  overwegende dat de onafhankelijkheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van de landen van het Oostelijk Partnerschap nog altijd worden geschonden door onopgeloste regionale conflicten, externe agressie en de aanhoudende bezetting van grondgebied van sommige van die landen, die de mensenrechtensituatie ondermijnen, een barrière vormen voor de totstandbrenging van meer welvaart, stabiliteit en groei in het Oostelijk Partnerschap en het optreden van de EU in het gedrang brengen, waardoor het gehele project van het Oostelijk Partnerschap in gevaar wordt gebracht; overwegende dat Rusland in de meerderheid van deze conflicten een actieve rol speelt als agressor, door middel van zijn hybride oorlogsvoering, beleid van illegale bezetting en annexatie, cyberaanvallen, propaganda en desinformatie, waardoor de Europese veiligheid in haar geheel in gevaar wordt gebracht;

N.  overwegende dat de Europese welvaart en veiligheid nauw samenhangen met de situatie in de buurlanden, in het bijzonder die in de landen van het Oostelijk Partnerschap; overwegende dat het Oostelijk Partnerschap gemeenschappelijke doelstellingen nastreeft van goede betrekkingen met buurlanden en regionale samenwerking, en het herziene Europese nabuurschapsbeleid het vermogen om bilaterale conflicten op te lossen moet vergroten en versterken en dat er mee moet worden gestreefd naar verzoening tussen gemeenschappen in het Oostelijk Nabuurschap;

O.  overwegende dat het Europees Parlement de schendingen van de soevereiniteit en territoriale integriteit van landen van het Oostelijk Partnerschap veroordeelt, de gedwongen wijzigingen van hun grenzen en pogingen tot annexatie van hun grondgebied niet erkent en het gebruik van geweld of de dreiging van geweld verwerpt en zich achter de inzet van de EU schaart voor het bevorderen van vreedzame oplossingen voor conflicten via diplomatieke kanalen en in overeenstemming met de normen en beginselen van het internationaal recht het VN-Handvest en de Slotakte van Helsinki, met name in de conflicten waarbij Rusland partij is;

P.  overwegende dat de EU sinds de oprichting van het Oostelijk Partnerschap haar politieke en economische aanwezigheid en betrokkenheid bij de veiligheid in de landen van het Oostelijk Partnerschap heeft vergroot, en zich daarom goed heeft gepositioneerd en kansen heeft geschapen om haar waarden en beginselen te bevorderen en de onderlinge afhankelijkheid tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap te vergroten;

Q.  overwegende dat de landen van het Oostelijk Partnerschap als betrouwbare Oost-Europese partners een aanzienlijke rol kunnen spelen door rechtstreekse toegang tot Centraal-Azië te bieden en een bijdrage te leveren aan de EU-strategie voor Centraal-Azië;

R.  overwegende dat de EU via het Oostelijk Partnerschap heeft kunnen helpen met het in gang zetten van structurele hervormingen van onder meer instellingen en governancesstructuren en het leggen van de basis voor een diepe sociaal-economische en politieke transformatie in het Oostelijk Nabuurschap; overwegende dat is bereikt dat de landen van het Oostelijk Partnerschap zich meer hebben aangepast aan het regelgevingskader van de EU en de bijbehorende normen, standaarden en werkwijzen;

S.  overwegende dat het Oostelijk Partnerschap er rechtstreeks aan heeft bijgedragen dat het maatschappelijk middenveld mondiger werd en hogere verwachtingen kreeg omtrent en bij de regeringen van partnerlanden sterker aandrong op verantwoording en transparantie, hetgeen een enorme interne stimulans is gebleken voor hervormingen; overwegende dat een geslaagde transformatie in de landen van het Oostelijk Partnerschap, met name de drie geassocieerde partnerlanden, als positief voorbeeld kan dienen voor andere landen;

T.  overwegende dat onafhankelijke aanklagers en rechters, ongebonden rechtbanken en instellingen, een sterk maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media - die allemaal fungeren als waakhonden - cruciale elementen zijn die de EU actief moet blijven ondersteunen en bevorderen in de landen van haar Oostelijk Nabuurschap;

U.  overwegende dat sterke, weerbare instellingen, de eerbiediging van de rechtstaat, de uitvoering van justitiële hervormingen en de bestrijding van corruptie en van het witwassen van geld cruciaal zijn voor de totstandbrenging van een eerlijk, stabiel en betrouwbaar klimaat dat investeringen en groei op de lange termijn kan aantrekken en vasthouden in de landen van het Oostelijk Partnerschap;

V.  overwegende dat de Europese Raad ter gelegenheid van het tienjarig jubileum van het Oostelijk Partnerschap het belang benadrukte van het strategische partnerschap met de landen van het Oostelijk Partnerschap en de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid verzocht beleidsvoorstellen voor de lange termijn te doen in voorbereiding op de top van juni 2020;

W.  overwegende dat het Europees Parlement zich ertoe verbindt jaarlijkse resoluties aan te nemen over de uitvoering van associatieovereenkomsten en de DCFTA’s door de geassocieerde landen en ten minste elke twee jaar aanbevelingen te doen over de betrekkingen met de andere landen van het Oostelijk Partnerschap en het OP-beleid in algemene zin;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan:

Gestructureerde dialoog, staatsopbouw en democratische verantwoordingsplicht

Sectorale samenwerking voor een gemeenschappelijke economische ruimte

Het menselijk kapitaal vergroten

Veiligheid, stabiliteit, territoriale integriteit en conflictoplossing

Lokale en regionale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld

Beter beheer van media, communicatie en beleid

   (a) te erkennen dat de landen van het Oostelijk Partnerschap steeds meer verantwoordelijkheid voor het OP-initiatief hebben genomen en betrokkenheid bij het initiatief hebben getoond; nadrukkelijk erop te wijzen dat het belangrijk is te streven naar een voortdurende impuls voor doeltreffende samenwerking, intensieve dialoog en een nauw partnerschap met het OP, die wordt versterkt door het transformerende effect van het OP-beleid, dat hervormingen bevordert die politieke, sociale, economische en juridische veranderingen tot stand brengen in alle landen van het Oostelijk Partnerschap, en hierbij rekening te houden met hun niveau van ambitie met betrekking tot de EU; erop te wijzen dat de geassocieerde landen streven naar steeds nauwere betrekkingen met de EU; het soevereine recht te bevestigen dat de landen van het Oostelijk Partnerschap hebben om hun individuele niveau van samenwerking of integratie met de EU vrij te kiezen en externe druk om invloed uit te oefenen op die keuze af te keuren;
   (b) te benadrukken dat elke Europese staat krachtens artikel 49 VEU kan verzoeken lid te worden van de EU, mits deze staat de in artikel 2 VEU genoemde waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en mensenrechten eerbiedigt; te onderkennen dat het OP-kader dan wel niet voorziet in toetreding, maar het OP-beleid een proces van geleidelijke integratie in de EU mogelijk kan maken; te beseffen dat zowel de EU als het betrokken land van het Oostelijk Partnerschap voor een eventueel toetredingsproces goed voorbereid moet zijn, waarbij rekening moet worden gehouden met de toekomstige hervormingsprocessen van de EU en de aanpassing van het partnerland aan het acquis van de EU, evenals de mate waarin het voldoet aan de criteria voor lidmaatschap van de EU; te garanderen dat de volledige uitvoering van de huidige afspraken tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap de eerste stap zal zijn in dit proces van geleidelijke integratie;
   (c) spoedig te handelen naar een strategische en toekomstgerichte visie voor het volgende decennium van het OP-beleid na 2020, met als primair doel het genereren van voordelen voor burgers, het vergroten van de weerbaarheid, het bevorderen van duurzame ontwikkeling, het verwezenlijken van onomkeerbare resultaten en de verdieping van de samenwerking tussen de EU en het Oostelijk Partnerschap en het integratieproces, hetgeen vanuit een veiligheids- en economisch perspectief in het belang van de EU is;
   (d) ervoor te zorgen dat in de conclusies van de in juni 2020 te houden top een duidelijke strategie en een gemeenschappelijke langetermijnvisie voor verdere betrokkenheid bij en ontwikkeling van het Oostelijk Partnerschap na 2020, krachtigere toezeggingen van de EU en politieke stimulansen, evenals een belofte van de landen van het Oostelijk Partnerschap om op hun beurt resultaten te behalen worden opgenomen; de toekomstige voorzitterschappen van de Raad van de EU in overeenstemming met de resoluties en aanbevelingen van het Europees Parlement aan te moedigen gedetailleerde en ambitieuze agenda’s op te stellen voor de samenwerking met landen van het Oostelijk Partnerschap, die helpen de betrekkingen met de landen van het Oostelijk Partnerschap de komende decennia in een voor alle partijen wenselijke richting te duwen;
   (e) te erkennen dat het Oostelijk Partnerschap een aantrekkelijk kader voor samenwerking moet blijven en dit proces in overeenstemming met het “meer voor meer”-beginsel te ondersteunen, teneinde de landen van het Oostelijk Partnerschap te stimuleren hun hervormingsproces en traject naar de EU voort te zetten;
   (f) te erkennen dat het Oostelijk Partnerschap twee kanten op werkt, aangezien de ervaring van landen van het Oostelijk Partnerschap kan worden gedeeld zodat zowel de EU en haar lidstaten als andere landen van het Oostelijk Partnerschap ervan kunnen profiteren;
   (g) een benadering te handhaven die in balans is tussen op maat gemaakte differentiatie binnen het Oostelijk Partnerschap en de inclusiviteit, samenhang en consistentie van het multilaterale kader, dat nog steeds een belangrijke referentie vormt voor alle landen van het Oostelijk Partnerschap; te voorkomen dat het Oostelijk Partnerschap wordt verdeeld aan de hand van het niveau van ambitie dat de verschillende landen hebben met betrekking tot de EU; er rekening mee te houden dat de reikwijdte en diepte van de samenwerking tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap moet worden bepaald aan de hand van de ambities van de partijen en de hervormingen die zij doorvoeren; te erkennen dat de associatieovereenkomsten en DCFTA’s die zijn ondertekend met Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne het bewijs vormen van een gedifferentieerde benadering en moeten leiden tot formaten en stappenplannen voor nog intensievere bilaterale betrekkingen op basis van het “meer voor meer”-beginsel;
   (h) in het licht van een op maat gemaakte aanpak te overwegen voor de drie geassocieerde landen een versterkte samenwerkingsstrategie op te zetten, waarbinnen een steunprogramma voor hervormingen en investeringen kan worden opgericht op terreinen als onder meer capaciteitsontwikkeling, vervoer, infrastructuur, connectiviteit, energie, justitie en de digitale economie, waarin de mogelijkheid is opgenomen van toekomstige uitbreiding naar de resterende landen van het Oostelijk Partnerschap op basis van individuele beoordelingen van EU-hervormingstoezeggingen en de gemaakte vorderingen, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak de samenhang van het Oostelijk Partnerschap te behouden, en in overeenstemming met het beginsel van inclusiviteit; deze dialoog kan structurele bijeenkomsten in de marge van de Europese Raad met leiders van de geassocieerde landen en regelmatige deelname van hun vertegenwoordigers aan de bijeenkomsten van de werkgroepen en comités van de Europese Raad omvatten;
   (i) een proces te beginnen dat leidt tot integratie met de vier vrijheden om een gemeenschappelijke economische ruimte te creëren die diepere economische integratie en convergentie van de landen van het Oostelijk Partnerschap met het EU-beleid en een diepere economische samenwerking tussen de landen van het Oostelijk Partnerschap zelf mogelijk maakt, door gebruik te maken van het traject dat is toegepast voor de landen van de Westelijke Balkan;
   (j) aanvullende maatregelen te lanceren voor een diepere integratie en verdere sectorale samenwerking van de landen van het Oostelijk Partnerschap met de EU en hun deelname aan bepaalde EU-agentschappen, platforms van het investeringskader, programma’s en initiatieven binnen de EU, in volledige overeenstemming met de bestaande voorwaarden en volgens de op stimuleringsmaatregelen gebaseerde benadering van de EU om verdere convergentie te realiseren in de geest van het “meer-voor-meer”-beginsel en met inachtneming van de beste werkwijzen om hervormingen te bevorderen;
   (k) meer financiële ondersteuning te verlenen aan de landen van het Oostelijk Partnerschap en hier voorwaarden aan te verbinden, ook in de context van de lopende wetgevingsonderhandelingen over de externe financieringsinstrumenten voor de periode 2021-2027; ervoor te zorgen dat die ondersteuning moet worden afgestemd op de specifieke behoeften van de afzonderlijke landen van het Oostelijk Partnerschap, onder begeleiding van het Europees Parlement via gedelegeerde handelingen, en worden gebruikt om activiteiten in het kader van het OP-programma uit te voeren; te erkennen dat de financiële steun van de EU ook een investering in de toekomst is, aangezien ermee wordt bijgedragen aan hervormingen die de economische en sociale stabiliteit van landen van het Oostelijk Partnerschap vergroten en de basis wordt gelegd voor een succesvolle toekomstige samenwerking;
   (l) te erkennen dat er behoefte is aan een aanvullend kader voor politieke, bestuurlijke en financiële ondersteuning voor de drie geassocieerde landen binnen het algehele Oostelijk Partnerschap op basis van individuele benaderingen, waarin aandacht wordt besteed aan hun specifieke behoeften op het gebied van structurele hervormingen, modernisering en institutionele ontwikkeling; op te merken dat deze toegang tot EU-financiering moet worden gekoppeld aan de hervormingstoezeggingen en een reeks ambitieuze benchmarks moet bevatten;
   (m) prioriteit toe te kennen aan de noodzaak van “meer voor meer” wat democratie en de rechtstaat betreft, met het oog op de recente ontwikkelingen in zowel de EU als de landen van het Oostelijk Partnerschap, en te garanderen dat de werking en weerbaarheid van democratische instellingen, de rechtsstaat, goed bestuur, de strijd tegen corruptie en nepotisme, persvrijheid en eerbiediging van de mensenrechten de belangrijkste criteria en voorwaarden blijven voor een nauwer politiek partnerschap en financiële steun;
   (n) regelmatig beoordelingen uit te voeren van de effecten van de EU-steunprogramma’s teneinde hun efficiëntie te verhogen en tijdige aanpassingen te doen; sneller te reageren op de verzwakking van de rechtstaat en de democratische verantwoording in de landen van het Oostelijk Partnerschap en slimme voorwaarden te stellen, onder meer door de koppeling van macrofinanciële bijstand aan democratisering en hervormingen, om te voorkomen dat de regeringen van partnerlanden verder afglijden; de voorwaarden te creëren om steun aan een bepaald land van het Oostelijk Partnerschap van de centrale overheid weg te leiden naar lokale overheden of actoren uit het maatschappelijk middenveld als de centrale overheid zich niet aan de afspraken houdt;
   (o) de rol te vergroten die het Europees Parlement via gedelegeerde handelingen speelt bij de controle en het toezicht op programma’s in het kader van de toepassing van de EU-instrumenten voor externe financiering;
   (p) meer gebruik te maken van parlementaire diplomatie en de werking van Euronest te herzien zodat het volledige potentieel kan worden benut;
   (q) de status van geassocieerd partner van gevorderde landen van het Oostelijk Partnerschap te erkennen, in het bijzonder van de ondertekenaars van associatieovereenkomsten met DCFTA’s, en samen met hen meer platforms voor versterkte politieke dialoog te creëren om verdere economische integratie en harmonisatie van de wetgeving te bevorderen, maar tegelijkertijd de inclusieve aard van het Partnerschap te behouden en contacten te blijven onderhouden met alle landen van het Oostelijk Partnerschap; de geassocieerde landen bijvoorbeeld als waarnemer te betrekken bij de procedures van de comités die zijn vastgesteld op grond van artikel 291 VWEU en Verordening (EU) nr. 182/2011 om te laten zien dat de EU zich inzet voor verdere integratie en om de hervormingsgerichtheid van de landen en hun bestuurlijke kennis te vergroten;
   (r) zich samen met de landen van het Oostelijk Partnerschap verder in te zetten voor staatsopbouw en de versterking van instellingen en hun verantwoordingsplicht door instrumenten die vergelijkbaar zijn met de steungroep voor Oekraïne beschikbaar te stellen aan alle landen van het Oostelijk Partnerschap, waarbij de geassocieerde partners prioriteit hebben; bestaande en nieuwe EU-instrumenten op het gebied van de rechtstaat en goed bestuur te ontwikkelen om de vorderingen van geassocieerde partners te volgen en beoordelen, in het bijzonder het EU-scorebord voor justitie en het mechanisme voor de rechtstaat; doeltreffende richtsnoeren en benchmarks te verschaffen voor hervormingen, onder meer door stappenplannen vast te stellen om de voor associatie vereiste toezeggingen te specificeren; gedetailleerde werkdocumenten te ontwikkelen met een duidelijke methodologie en een comparatief perspectief, zoals eerder gebeurde voor het actieplan en het toetredingsproces voor visumliberalisering, ook om de huidige voortgangsverslagen en associatie-agenda’s aan te vullen;
   (s) controle door verschillende belanghebbende in het beoordelingsproces van hervormingen in de landen van het Oostelijk Partnerschap verplicht te stellen en dit, zoals al gebeurt in Oekraïne, verplicht te stellen voor de regeringen van het Oostelijk Partnerschap; de aanhoudende publicatie te garanderen van de jaarlijkse associatie-uitvoeringsverslagen door de Commissie en de EDEO, waarin verslag wordt uitgebracht over de vorderingen die zijn gemaakt door de drie geassocieerde partners, en een uniforme evaluatiemethode toe te passen, met name wanneer hervormingen op dezelfde gebieden en in dezelfde sectoren worden geanalyseerd; regelmatig, ten minste tweejaarlijks, verslagen te publiceren over de betrekkingen met niet-geassocieerde landen van het Oostelijk Partnerschap; een uitvoeringsverslag te verstrekken over de handels- en associatieovereenkomsten tussen de Unie en de landen van het Oostelijk Partnerschap, waarbij de sociale, milieu- en economische ontwikkeling in de samenlevingen van de landen van het Oostelijk Partnerschap centraal staat, ook in het kader van de Overeenkomst van Parijs;
   (t) te erkennen dat sterke, onafhankelijke en efficiënte instellingen op centraal en lokaal niveau van essentieel belang zijn voor de democratische verantwoordingsplicht, de-oligarchisatie en de strijd tegen corruptie en “state capture”; daarom aan te dringen op nieuwe inspanningen bij de landen van het Oostelijk Partnerschap om brede hervormingen van de rechterlijke macht en het openbaar bestuur door te voeren die erop zijn gericht de onafhankelijkheid, bekwaamheid en op merite gebaseerde werving van rechters en ambtenaren te waarborgen, en erop aan te dringen dat prioriteit wordt toegekend aan de bestrijding van corruptie, onder meer door de ruimte voor corruptie te verkleinen door middel van meer transparantie, verantwoording en de bevordering van ethisch gedrag onder de bevolking in haar geheel, het versterken van de rechtsstaat en het bevorderen van goed bestuur; te erkennen dat het, als de hierboven genoemde doelstellingen niet worden gerealiseerd, praktisch onmogelijk zal zijn om duurzame groei te bewerkstelligen, de economische activiteit en ontwikkeling te vergroten, armoede terug te dringen, meer buitenlandse directe investeringen (BDI) aan te trekken en het maatschappelijk vertrouwen en de politieke stabiliteit te vergroten;
   (u) stappen voorwaarts te maken met een breder spectrum van juridische en economische hervormingen door de ervaring die is opgedaan door de EU-lidstaten over te dragen door middel van samenwerkingsprojecten, met name door het samenwerkingsprogramma uit te breiden naar lokale en regionale overheden;
   (v) een openbaar bestuur van Europese kwaliteit te ontwikkelen in de geassocieerde landen van het Oostelijk Partnerschap door regelingen voor meeloopstages op te zetten zodat ambtenaren uit deze landen tijdelijk en op specifieke terreinen kunnen werken bij de relevante diensten van de EU-instellingen en lidstaten;
   (w) het werk te bevorderen van politieke stichtingen die de volgende generatie politieke leiders in de landen van het Oostelijk Partnerschap kunnen voortbrengen;
   (x) de initiatieven van de regeringen van geassocieerde staten om hun wederzijdse samenwerking en gezamenlijke standpunten binnen het Oostelijk Partnerschap een impuls te geven, te onderkennen en de uitbreiding ervan op multisectoraal niveau aan te moedigen, in het bijzonder op het gebied van energie, vervoer, digitale aangelegenheden, cyberbeveiliging, milieubescherming, de maritieme economie, grensbewaking, douanesamenwerking, handelsbevordering en justitie en binnenlandse aangelegenheden; een soortgelijke benadering moet worden toegepast ten aanzien van de samenwerking tussen alle landen van het Oostelijk Partnerschap inzake verschillende kwesties;
   (y) de interregionale handel tussen landen van het Oostelijk Partnerschap te bevorderen, aangezien meer handel met verschillende partners bijdraagt tot de ontwikkeling van de weerbaarheid van landen en hun economieën; een grotere betrokkenheid te bevorderen van de landen van het Oostelijk Partnerschap bij de uitvoering van macroregionale EU-strategieën en efficiënte interregionale en grensoverschrijdende dialoog om de nationale en regionale capaciteit van partners te vergroten en hun sociale en economische ontwikkeling te bevorderen;
   (z) electorale hervormingen te bevorderen teneinde vrije, eerlijke, competitieve en transparante verkiezingen te garanderen en te bevorderen dat verkiezingsprocessen, in het bijzonder wat betreft de vaststelling van wijzigingen in verkiezingswetten en wetgeving inzake de financiering van partijen, volledig voldoen aan de internationale normen, de aanbevelingen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de adviezen van de Commissie van Venetië; de landen van het Oostelijk Partnerschap te verzoeken ervoor te zorgen dat politieke spelers die niet op één lijn zitten met de huidige regering niet worden geïntimideerd op justitiële, fysieke dan wel institutionele wijze, en hen te verzoeken de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, met inbegrip van het recht op vreedzame demonstraties te waarborgen; de landen van het Oostelijk Partnerschap te prijzen die hebben toegezegd democratiserende politieke hervormingen door te zullen voeren en de versterking van het wetgevingskader voor verkiezingen te ondersteunen door middel van inclusieve politieke dialogen;
   (aa) te garanderen dat de landen van het Oostelijk Partnerschap tijdens het proces van wijziging van hun wetgeving inzake verkiezingen gelijke mogelijkheden creëren voor de vertegenwoordiging van alle etnische en nationale minderheden;
   (ab) te garanderen dat reguliere Europese verkiezingswaarnemingsmissies naar landen van het Oostelijk Partnerschap afreizen om het proces van versterking van de instellingen, het verkiezingsproces en de democratische verantwoording te ondersteunen;
   (ac) bij te dragen aan de preventie van de inmenging van derden in politieke, electorale en andere democratische processen van de landen van het Oostelijk Partnerschap, of die inmenging nu is bedoeld om een verkiezing gunstig te laten verlopen voor de voorkeurskandidaat of -partij of om het vertrouwen in het democratische stelsel te ondermijnen, in het bijzonder door middel van desinformatie, onrechtmatige politieke financiering, cyberaanvallen op politieke en media-actoren of door andere illegale praktijken;
   (ad) een EU-sanctiemechanisme voor mensenrechten of een “Magnitsky-wet” goed te keuren, die van toepassing moet zijn op personen of entiteiten waarvan wordt vastgesteld dat ze mensenrechten of essentiële vrijheden hebben geschonden doordat zij zich schuldig hebben gemaakt aan arrestaties, ontvoeringen en mishandeling van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld of andersdenkende activisten en journalisten of aan de gewelddadige onderdrukking van vreedzame protesten, of betrokken zijn bij zaken van corruptie op hoog niveau in de landen van het Oostelijk Partnerschap;
   (ae) een constante en effectieve uitvoering van de DCFTA’s aan te moedigen teneinde geleidelijk de voorwaarden te creëren om de interne markt van de EU open te stellen; de oprichting te overwegen van een speciale faciliteit voor juridische aanpassing om geassocieerde partners te helpen met het afstemmen van hun wetgeving op het EU-acquis en de inspanningen om deze wetgeving in te voeren te ondersteunen; te onderschrijven dat de uitvoering van de DCFTA’s diverse positieve resultaten heeft opgeleverd, maar dat er nog steeds enkele kwesties zijn waaraan naar behoren aandacht dient te worden besteed;
   (af) het belang op te merken van een verdieping van de economische samenwerking en marktintegratie met de landen van het Oostelijk Partnerschap via een geleidelijke openstelling van de eengemaakte markt van de EU, met inbegrip van de volledige uitvoering van de DCFTA’s en naleving van juridische, economische en technische voorschriften en normen, en door de oprichting van een gemeenschappelijke economische ruimte;
   (ag) de mogelijkheid te onderzoeken en ernaar te streven dat de landen van het Oostelijk Partnerschap die hiervoor in aanmerking komen en dit willen, samenwerken met en sectoren geleidelijk en op basis van differentiatie integreren in, onder meer, de energie-unie, de Vervoersgemeenschap en de digitale eengemaakte markt; bijzondere aandacht te besteden aan telecommunicatie en prioriteit toe te kennen aan het zo spoedig mogelijk realiseren van een roamingvrije zone tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap en tussen de landen van het Oostelijk Partnerschap onderling; vertrouwensdiensten op te zetten, met inbegrip van cybercapaciteiten, om kritieke infrastructuur en persoonsgegevens te beschermen en meer samenwerking op het gebied van douane, bankzaken en financiële diensten te bewerkstelligen, wat zou bijdragen tot de strijd van de landen van het Oostelijk Partnerschap tegen het witwassen van geld en het aanscherpen van het financiële toezicht, maar ook zou leiden tot de eventuele uitbreiding van de gemeenschappelijke betalingsruimte voor de euro (SEPA) naar de landen van het Oostelijk Partnerschap;
   (ah) instrumenten zoals juridische screening en sectorale stappenplannen in te voeren om te bepalen in welke mate de landen van het Oostelijk Partnerschap bereid zijn te voldoen aan het EU-acquis en te bevestigen dat zij klaar zijn voor gedifferentieerde sectorale integratie;
   (ai) de ontwikkeling bevorderen van zowel commerciële als openbare elektronische diensten en de elektronische economie, evenals een breed scala van capaciteiten voor telewerk, teneinde de weerbaarheid en weerstand in crises als pandemieën te vergroten;
   (aj) ervoor te zorgen dat de landen van het Oostelijk Partnerschap sterk betrokken zijn bij en een bijdrage leveren aan de strijd tegen klimaatverandering, onder meer door deel te nemen aan de nieuwe Europese Green Deal en door ervoor te zorgen dat de DCFTA’s niet indruisen tegen de klimaatdoelstellingen en de initiatieven die in dat kader worden ontplooid; dergelijke betrokkenheid moet plaatsvinden via de investeringssteun van de EU, met inbegrip van de EBWO en de EIB en onder voorbehoud van een deugdelijke beoordeling van de milieueffecten en de impact op lokale gemeenschappen, met bijzondere aandacht voor de sectoren die mogelijk getroffen zullen worden en die extra steun nodig hebben;
   (ak) ervoor te zorgen dat toereikende maatregelen worden genomen en financiering beschikbaar wordt gesteld om het beheer van afvalwater te verbeteren, in overeenstemming met het absorptievermogen van de partnerlanden, en om de energiezekerheid en interconnectiviteit te verbeteren, in het bijzonder bidirectionele gasstromen, energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie in de landen van het Oostelijk Partnerschap; de belangrijke rol te erkennen die Azerbeidzjan speelt in de diversifiëring van de energielevering aan de EU, evenals het succes dat de Oekraïne heeft behaald met de ontkoppeling van het systeem voor gastransmissie en de inspanningen voor energieonafhankelijkheid en diversifiëring van de toelevering in de andere landen van het Oostelijk Partnerschap te ondersteunen; de landen van het Oostelijk Partnerschap aan te moedigen hun hervormingen in de energiesector te voltooien, in naleving van de wetgeving van de EU, met inbegrip van de wetgeving inzake milieu- en veiligheidsbeleid;
   (al) constante ondersteuning te bieden voor het upgraden van de systemen voor het beheer van vast afval van de landen van het Oostelijk Partnerschap zodat deze voldoen aan de EU-normen, door streefwaarden voor recycling te formuleren en recyclingsystemen op te zetten om die streefwaarden te realiseren; iets te doen aan de negatieve effecten op het milieu en de volksgezondheid van verouderde afvalvoorzieningen en voorzieningen zonder vergunning; financiële instrumenten te identificeren om financiering door de EU en vanuit nationale/lokale fondsen van projecten op het gebied van afvalbeheer te bevorderen;
   (am) te garanderen dat bestaande en nieuwe nucleaire installaties in de landen van het Oostelijk Partnerschap voldoen aan de hoogste milieunormen en normen van nucleaire veiligheid, in overeenstemming met de internationale verdragen; te garanderen dat onveilige energieprojecten zoals de nucleaire installatie Ostrovets geen deel uitmaken van het Europese elektriciteitsnetwerk;
   (an) een breed plan vast te stellen voor de aanleg van infrastructuur, met inbegrip van grensovergangen, en de uitvoering te ondersteunen van de prioritaire projecten die worden aangemerkt in de voorlopige actieplannen voor TEN-T- en andere investeringen, met als doel het verbeteren van de vervoers-, energie- en digitale connectiviteit tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap en de tussen de landen van het Oostelijk Partnerschap onderling en tegelijkertijd de ecologische duurzaamheid tijdens het uitvoeringsproces te garanderen; de convergentie van regelgeving in de vervoerssector aan te moedigen;
   (ao) de landen van het Oostelijk Partnerschap in samenwerking met de Commissie aan te sporen de kansen die zijn gemoeid met het actieplan voor investeringen in het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-T) volledig te benutten; te onderstrepen dat het noodzakelijk is het connectiviteitspotentieel van de Zwarte Zee beter te benutten en infrastructuurprojecten te ondersteunen die van cruciaal belang zijn om de connectiviteit met de regio en met Centraal Azië te verbeteren; in dit verband te onderkennen dat de landen van het Oostelijk Partnerschap een strategische geografische ligging hebben en als brug kunnen fungeren tussen de Europese Unie, Azië en het bredere nabuurschap, hetgeen toegevoegde waarde zou kunnen opleveren voor het optreden van de EU in het kader van haar buitenlandse beleid;
   (ap) de ambitieuze strategie van de EU voor Centraal-Azië uit te voeren met de actieve betrokkenheid van de landen van het Oostelijk Partnerschap, als betrouwbare partners die rechtstreekse toegang tot deze regio hebben;
   (aq) te garanderen dat de financiële steun van de EU voor infrastructuur- en investeringsprojecten in de landen van het Oostelijk Partnerschap wordt gewaarborgd in het MFK, zodat zij beter bestand zijn tegen cyberaanvallen en hun onderwijs kunnen verbeteren en moderniseren; actieve maatregelen te treffen om het absorptievermogen van de landen van het Oostelijk Partnerschap te verbeteren; de ervaring met het investeringskader voor de Westelijke Balkan toe te passen om financiële en technische bijstand aan te trekken en te coördineren en de efficiëntie van infrastructuurprojecten te verhogen;
   (ar) prioriteit toe te kennen aan de behoefte aan duurzame en geloofwaardige investeringen in landen van het Oostelijk Partnerschap door een strategie te formuleren voor betrokkenheid op de lange termijn waarin de nadruk niet alleen ligt op stabilisatie, maar met ook op democratisering;
   (as) de benadering die door de EU wordt gehanteerd om het herstel van de Oekraïense economie te ondersteunen, uit te breiden naar andere geassocieerde partners, onder meer door middel van op maat gemaakte en flexibele macrofinanciële bijstand en instrumenten en de betrokkenheid en coördinatie van internationale financiële instellingen en donors, en door het verbeteren van het klimaat voor buitenlandse directe investeringen (FDI), met inachtneming van de sociale, arbeids- en milieurechten; van de bevordering van BDI uit de EU een centraal aspect te maken van het OP-beleid en hiertoe een actieplan te formuleren om het zakelijke klimaat verder te verbeteren en rechtszekerheid te waarborgen;
   (at) meer diversifiëring en het concurrentievermogen van de economieën van de landen van het Oostelijk Partnerschap te ondersteunen, door middel van meer steun aan kmo’s, demonopolisering, de-oligarchisatie en privatisering, door de reikwijdte, geografische dekking en relevantie voor de behoeften van de ontvangers van programma’s als EU4Business te vergroten en te verbreden; in het bijzonder kredieten te verstrekken aan kmo’s in lokale valuta, nieuwe initiatieven te ontwikkelen die zijn bedoeld om durfkapitaal aan te trekken voor de landen van het Oostelijk Partnerschap en constante ondersteuning te bieden voor de ontwikkeling van op export gerichte sectoren;
   (au) iets te doen aan de kloof tussen stedelijke en plattelandsgebieden in de landen van het Oostelijk Partnerschap door middel van effectieve financiële en technische stimuleringsmaatregelen voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, kleinschalige landbouwers en familiebedrijven in plattelands- en voorstedelijke gebieden en door de verbindingen tussen mensen en infrastructuur tussen steden en het platteland te verbeteren teneinde de sociale samenhang te bevorderen;
   (av) de verhoging van de arbeidsmobiliteit tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap en tussen deze landen onderling te bevorderen, met een sterke nadruk op de legaliteit en duurzaamheid van het proces, waarbij de uitwisseling van vaardigheden en ervaringen mogelijk wordt gemaakt en een braindrain en lokale arbeidstekorten worden voorkomen; in dit verband een volledige inventaris op te maken van de geslaagde invoering van visumvrije regelingen met de drie geassocieerde landen;
   (aw) rekening te houden met de uitdagingen waarmee de landen van het Oostelijk Partnerschap worden geconfronteerd als gevolg van de braindrain en deze uitdagingen aan te pakken door kwalitatief hoogwaardige en inclusieve onderwijs-, beroepsopleidings- en andere opleidingsprogramma’s te bevorderen en werkgelegenheid te scheppen teneinde jongeren en gezinnen in hun lokale gemeenschappen sociaal-economische vooruitzichten te bieden;
   (ax) iets te doen aan de gevolgen van ontvolking en migratie in de landen van het Oostelijk Partnerschap door hen te betrekken bij de Europese migratieagenda;
   (ay) actieplannen per land te lanceren en te ondersteunen om de werkloosheid en sociale en regionale verschillen aan te pakken; te investeren in jongeren, ondernemerschap te bevorderen en nieuwe programma’s en maatregelen te ontwikkelen om jonge professionals te motiveren terug te keren naar de arbeidsmarkt van de landen van het Oostelijk Partnerschap;
   (az) de landen van het Oostelijk Partnerschap aan te moedigen te streven naar uitgebreide hervormingen van het arbeidsbeleid teneinde de arbeidsomstandigheden en rechten van werknemers te verbeteren; een actieplan te ontwikkelen om illegale arbeid te bestrijden, de oprichting van volwaardige vakbonden te ondersteunen en aan te dringen op de omzetting van de IAO-verdragen in de nationale wetgeving en op de uitvoering ervan;
   (ba) iets te doen aan de tekortkomingen in de uitvoering van de toezeggingen met betrekking tot sociaal beleid en arbeidsrechten en de arbeidsmarkt van de EU te beschermen tegen sociale dumping; niet alleen te controleren of relevante EU-richtlijnen en -normen zijn omgezet in de nationale wetgeving, maar ook of ze daadwerkelijk worden toegepast; samen met de landen van het Oostelijk Partnerschap een regeling op te zetten voor toezicht op fundamentele arbeidsrechten en hier vakbonden en organisaties van het maatschappelijk middenveld bij te betrekken; de betaling van macrofinanciële bijstand te gebruiken om af te dwingen of als voorwaarde te stellen dat de landen van het Oostelijk Partnerschap hun arbeidsomstandigheden verbeteren;
   (bb) ondersteuning te bieden voor onderwijshervormingen in de bereidwillige landen van het Oostelijk Partnerschap, aangezien dit van cruciaal belang is voor hun toekomst, met onder meer als doel iets te doen aan de kloof tussen de hervormingen van het onderwijsstelsel en de vraag op de arbeidsmarkt, en beroepsopleiding te bevorderen; het belang te onderkennen van grensoverschrijdende mobiliteit voor het versterken van de contacten tussen mensen, en de financiering voor en de deelname van de landen van het Oostelijk Partnerschap aan onderwijs- en uitwisselingsprogramma’s en programma’s voor de verbetering van beroepsvaardigheden zoals Erasmus+ en Creatief Europa uit te breiden en het vermogen van de landen van het Oostelijk Partnerschap om deel te nemen aan Horizon Europa te versterken;
   (bc) de academische en educatieve samenwerking tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap en ook tussen de landen van het Oostelijk Partnerschap onderling te versterken door: (i) een regionaal programma op te zetten voor de ondersteuning van centra voor academische topkwaliteit en onderzoek van topkwaliteit in de regio; (ii) een Universiteit van het Oostelijk Partnerschap op te richten in Oekraïne; (iii) gerichte programma’s op te zetten bij gespecialiseerde universiteiten en een elektronisch onderwijsplatform die gericht zijn op Europese waarden en de rechtsstaat, goed bestuur, bestuurskunde en het uitbannen van corruptie in de landen van het Oostelijk Partnerschap; en (iv) een forum te verschaffen voor de gezamenlijke opleiding van ambtenaren uit de landen van het Oostelijk Partnerschap, ook op het niveau van regionale en lokale overheden;
   (bd) een proefproject te lanceren voor de oprichting van een open wetenschaps- en innovatiecentrum van het Oostelijk Partnerschap, een netwerk van thematische competentiecentra in elk land van het Oostelijk Partnerschap die ondersteuning en diensten op het gebied van onderzoek en innovatie bieden;
   (be) ervoor te zorgen dat alle EU-steunprogramma’s een consequente dimensie gendergelijkheid en mensenrechten bevatten en gericht zijn op de meest achtergestelde en kwetsbaarste groepen in de samenleving, met inbegrip van etnische en andere minderheden zoals Roma, vluchtelingen en intern ontheemden uit gebieden waar gewelddadige conflicten gaande zijn; initiatieven voor de politieke en sociaaleconomische empowerment van die groepen te versterken en hun toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en fatsoenlijke huisvesting te verbeteren;
   (bf) te garanderen dat de EU-steun en programma’s de lokale niveaus bereiken, ook in de afgelegen delen van de landen van het Oostelijk Partnerschap, in het bijzonder op plattelandsgebieden, om de inwoners in staat te stellen positieve veranderingen te bewerkstelligen in hun gemeenschappen, in het bijzonder de gemeenschappen die kwetsbaarder zijn voor post-Sovjet-sentimenten en manipulatie door Rusland;
   (bg) sterk aan te dringen op de non-discriminatie van LGBTI+-personen, hun wettelijke bescherming tegen discriminatie en de vervolging van alle gevallen van misbruik, haatzaaien en fysiek geweld tegen hen; de geassocieerde landen van het Oostelijk Partnerschap te erkennen die hun juridische kader overeenkomstig hebben afgestemd;
   (bh) de vrijheid van geloof en meningsuiting en het recht op informatie in de moedertaal die alle burgers hebben te ondersteunen; haatzaaien en discriminatie op basis van etniciteit of taal, evenals nepnieuws en misinformatie gericht tegen etnische en nationale minderheden te veroordelen en te bestrijden;
   (bi) het fundamentele recht op vrijheid van godsdienst en geloof te waarborgen door de rechten van alle in de regio aanwezige religieuze segmenten te beschermen en bevorderen op basis van het concept van volledig en gelijkwaardig staatsburgerschap;
   (bj) de dialoog en samenwerking te versterken met kerken en religieuze gemeenschappen en organisaties op gebieden als vredesopbouw en verzoening en zodoende het vertrouwen in een rechtvaardige en vrije maatschappij en onderwijs, gezondheidszorg en elementaire sociale diensten versterken;
   (bk) te erkennen dat de EU door politieke, culturele en economische investeringen te doen in de landen van het Oostelijk Partnerschap investeert in de veiligheid en stabiliteit van de regio;
   (bl) te onderkennen dat de EU en het Oostelijk Partnerschap voor hun veiligheid steeds meer van elkaar afhankelijk zijn en te onderkennen dat veiligheid, stabiliteit en vrede van belang zijn voor de toekomstige ontwikkeling van de landen van het Oostelijk Partnerschap, in aanmerking genomen dat derde landen zoals China, Turkije en bepaalde Golfstaten interesse en ambities hebben getoond met betrekking tot deze landen en dat zij niet per definitie de waarden en belangen van de EU delen; de samenwerking tussen de EU en het Oostelijk Partnerschap op het gebied van veiligheid en defensie te intensiveren door bijzondere aandacht te schenken aan de vreedzame oplossing van regionale conflicten en het voorkomen en oplossen van de nieuwe soorten uitdagingen als hybride bedreigingen, cyberaanvallen, met inbegrip van cyberinmenging in verkiezingen, desinformatie- en propagandacampagnes en de inmenging van derden in politieke, electorale en andere democratische processen; de samenwerking en steun in verband met de weerbaarheid van de landen van het Oostelijk Partnerschap tegen corruptie, het witwassen van geld, terrorisme en georganiseerde misdaad in het algemeen te versterken en te wijzen op de noodzaak van het versterken van de weerbaarheid van personen, gemeenschappen en overheidsinstanties;
   (bm) het belang dat de EU hecht aan de soevereiniteit, territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid van alle landen van het Oostelijk Partnerschap binnen hun internationaal erkende grenzen opnieuw te onderstrepen en hun inspanningen om deze beginselen volledig te handhaven, te ondersteunen; in dit opzicht het belang te onderstrepen van eenheid en solidariteit onder de lidstaten;
   (bn) de aanhoudende schendingen door de Russische Federatie van de fundamentele beginselen en normen van het internationaal recht in de regio van het Oostelijk Partnerschap, en met name de destabilisatie, inval, de bezetting en annexatie van grondgebied van verschillende landen van het Oostelijk Partnerschap en de weigering van de Russische Federatie om te voldoen aan de beslissingen van internationale tribunalen en gerechten, met klem te veroordelen; het beleid van de EU-lidstaten naar de Russische Federatie toe beter te coördineren, met name als het gaat om de betrokkenheid bij kwesties die verband houden met de landen van het Oostelijk Partnerschap;
   (bo) op te roepen tot de onmiddellijke terugtrekking van buitenlandse troepen van alle bezet grondgebied en tot de beëindiging van de vijandigheden, die onnodige doden onder burgers en soldaten opleveren en de sociaaleconomische ontwikkeling afremmen, zodat honderdduizenden binnenlands ontheemden weer naar huis terug kunnen keren;
   (bp) een actievere rol voor de EU te ontwikkelen, vertegenwoordigd door de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, bij de vreedzame oplossing van de huidige conflicten en de voorkoming van eventuele toekomstige conflicten in haar Oostelijk Nabuurschap en hierbij de overeengekomen formats en processen voor onderhandeling zoals het internationaal overleg van Genève, de Minskgroep van de OVSE, het Normandiëkwartet en de 5+2-besprekingen te erkennen; een bijzondere EU-gezant voor de Krim en het Donetsbekken te benoemen;
   (bq) door te gaan met het bevorderen van een klimaat dat gunstig is voor de oplossing van conflicten en activiteiten te ondersteunen die het vertrouwen en de contacten tussen mensen in door conflicten verdeelde gemeenschappen bevorderen; prioriteit toe te kennen aan preventieve vredesopbouw, met inbegrip van preventieve diplomatie, evenals mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing en actie, en de financiering hiervoor te vergroten;
   (br) opnieuw steun te betuigen voor de inspanningen van de medevoorzitters van de Minskgroep van de OVSE om het conflict in Nagorno-Karabach op te lossen en voor hun elementaire beginselen uit 2009, met het oog op het bereiken van een oplossing op basis van de normen en beginselen van het internationale recht, het VN-Handvest en de Slotakte van Helsinki van de OVSE uit 1975; alle partijen aan te moedigen de dialoog te intensiveren en zich te onthouden van opruiende retoriek die de kans op een oplossing verkleint;
   (bs) actie te ondernemen om doeltreffende activiteiten en de uitvoering van een volledig mandaat te garanderen voor de volgende lopende EU-missies in de regio van het Oostelijk Partnerschap, met inbegrip van de coördinatie van hun activiteiten: de EU-waarnemingsmissie in Georgië, de EU-adviesmissie in Oekraïne, de EU-missie voor bijstandverlening inzake grensbeheer in Moldavië en Oekraïne, en de missie van de bijzondere EU-vertegenwoordiger voor de Zuid-Kaukasus en de crisis in Georgië;
   (bt) rekening te houden met de verzoeken van de Oekraïense regering om een uitgebreide internationale vredesmacht te stationeren langs de Oekraïens-Russische grens en in de districten Loehansk en Donetsk; zodra de situatie dit toelaat een door de EU geleide GVDB-missie aan te bieden aan de bij het conflict betrokken partijen, als onderdeel van de volledige uitvoering van de akkoorden van Minsk, waarbij deze missie ondersteuning biedt bij taken als het opruimen van mijnen, hulp bij de voorbereiding van lokale verkiezingen en het garanderen van onbelemmerde toegang voor humanitaire hulporganisaties;
   (bu) de vrijheid van scheepvaart te ondersteunen en ernstig bezwaar te maken tegen de blokkade van de Zee van Azov en de aanhoudende geleidelijke annexatie van de Zwarte Zee door de Russische Federatie;
   (bv) de unieke ervaring en deskundigheid van de landen van het Oostelijk Partnerschap te onderkennen; te onderkennen dat de landen van het Oostelijk Partnerschap een bijdrage leveren aan missies, gevechtsgroepen en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); de hervorming van de veiligheidssector (SSR) te blijven ondersteunen; de samenwerking op het gebied van aan de EU gerelateerd defensiebeleid te verdiepen, met inbegrip van deelname aan PESCO, zodra de kwestie van deelname van derde landen is opgelost;
   (bw) te onderkennen dat cyberbeveiliging een van de terreinen is waarop de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap effectiever kunnen samenwerken en te onderkennen dat de EU kan profiteren van de ervaring van de landen van het Oostelijk Partnerschap bij de bestrijding van hybride bedreigingen en bedreigingen van de cyberveiligheid; een formele cyberdialoog op te zetten met de geïnteresseerde landen van het Oostelijk Partnerschap en platforms voor samenwerking tussen de landen in de regio van het Oostelijk Partnerschap te bevorderen om doeltreffender korte metten te maken met hybride dreigingen, met de intentie de weerbaarheid van deze landen te vergroten, in het bijzonder naar aanleiding van de grootschalige cyberaanval door de Russische Federatie op Georgië in oktober 2019;
   (bx) de betrokkenheid van derde landen bij het ondermijnen van de democratische orde van de landen van het Oostelijk Partnerschap, het beïnvloeden van de verkiezingen, de verspreiding van desinformatie en het voeren van gerichte desinformatiecampagnes te veroordelen;
   (by) de samenwerking voor het opbouwen van de maatschappelijke en institutionele weerbaarheid van de landen van het Oostelijk Partnerschap te versterken met een sterke nadruk op het bestrijden van desinformatie, propaganda, manipulatie en vijandige beïnvloeding door externe krachten waarmee wordt gepoogd de landen van het Oostelijk Partnerschap te verdelen en te destabiliseren en hun politieke processen en betrekkingen met de EU te ondermijnen; de geïnteresseerde landen van het Oostelijk Partnerschap te helpen bij de activiteiten die op EU-niveau worden ondernomen om de bovengenoemde vijandelijkheden tegen te gaan, waaronder de toepassing van goede praktijken en oplossingen zoals het actieplan tegen desinformatie en de EU-praktijkcode betreffende desinformatie, ook door gebruik te maken van de expertise van het Helsinki European Centre of Excellence for Countering Hybrid Threats, het Riga NATO StratCom Centre of Excellence en de EU East StratCom Task Force;
   (bz) geïntegreerd grensbeheer en samenwerking op dit gebied tussen de EU en de geassocieerde landen te bevorderen en stappen voorwaarts te maken met de samenwerking op het gebied van wetshandhaving;
   (ca) verdere samenwerking tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap met het oog op de bevordering van internationale stabiliteit en veiligheid, in overeenstemming met de integrale EU-strategie te verwelkomen en nieuwe vormen van vrijwillige samenwerking voor te stellen op het gebied van veiligheid en defensie en dit in de nabije toekomst als gebied van ambitie te beschouwen aangezien de EU ernaar streeft geleidelijk een Europese defensie-unie op te richten;
   (cb) O&O en industriële samenwerking tussen de EU-lidstaten en de landen van het Oostelijk Partnerschap te bevorderen op het gebied van de ontwikkeling van wapens en militaire technologie en capaciteiten;
   (cc) te erkennen dat elke vorm van afwezigheid van de EU of passiviteit jegens haar oostelijke partners ruimte zal creëren die kan worden benut door andere spelers op het wereldtoneel; de samenwerking te vergroten of een forum op te richten van gelijkgezinde democratische bondgenoten en internationale spelers teneinde de negatieve invloed van derden in de regio van het Oostelijk Partnerschap af te zwakken en tegen te gaan;
   (cd) rekening te houden met de bijdrage van actoren en organisaties van het maatschappelijk middenveld van de landen van het Oostelijk Partnerschap aan de democratiserings- en hervormingsprocessen in hun landen en de gehele regio van het Oostelijk Partnerschap en bij de regeringen in de landen van het Oostelijk Partnerschap aan te dringen op meer openheid en betrokkenheid naar hen toe, en in het bijzonder een zinvollere en doeltreffendere betrokkenheid bij de beleidsvormingsprocessen;
   (ce) een brede dialoog te blijven onderhouden met de actoren van het maatschappelijk middenveld van de landen van het Oostelijk Partnerschap en de EU-steun voor de activiteiten van democratisch georiënteerde maatschappelijke organisaties uit te breiden door hun activiteiten te ondersteunen en hun werkomgeving te waarborgen;
   (cf) de inspanningen van de EU op te schalen om de betrokkenheid bij en steun voor initiatieven aan de basis in regio’s en plattelandsgebieden te verhogen teneinde de organisatorische en toezichtcapaciteiten van het maatschappelijk middenveld en lokale democratische praktijken te ontwikkelen;
   (cg) het vermogen van het maatschappelijk middenveld in het Oostelijk Partnerschap te vergroten om te fungeren als waakhond voor hervormingen en om de respectievelijke overheidsinstellingen tot de verantwoording te roepen, door de bureaucratie terug te dringen en hun aanwezigheid te garanderen in trilaterale bijeenkomsten, met inbegrip van alle mensenrechtendialogen en in associatie- en samenwerkingsraden;
   (ch) samenwerking te bevorderen tussen het maatschappelijk middenveld in de landen van het Oostelijk Partnerschap door een regionaal centrum op te richten om hun competenties te vergroten en beste praktijken en werkwijzen uit te wisselen, in het kader van het nieuwe project van de universiteit van het Oostelijk Partnerschap in Oekraïne;
   (ci) structurele financiële ondersteuning en ondersteuning voor capaciteitsontwikkeling te blijven bieden aan organisaties die onafhankelijke prodemocratische spelers in het maatschappelijk middenveld bijstaan; erop aan te dringen dat programma’s van de EU en van de EU-lidstaten en onafhankelijke programma’s die democratie, mensenrechten en de rechtsstaat bevorderen, met inbegrip van het Europees Fonds voor Democratie, vrij moeten kunnen blijven opereren, zonder intimidatie of juridische beperkingen; alle mogelijke maatregelen te treffen om te voorkomen dat onafhankelijke ngo’s worden weggedrukt doordat er juridische beperkingen en financiële barrières worden opgelegd, wettelijke bepalingen selectief worden toegepast of er meer door de overheid georganiseerde ngo’s bijkomen;
   (cj) bewustzijn te kweken omtrent de aanvallen op burgeractivisten in de landen van het Oostelijk Partnerschap door extremistische stromingen en ook door autoriteiten, die de EU-waarden, internationale mensenrechtennormen en gezamenlijke verplichtingen op grond van het EVRM ondermijnen;
   (ck) de ondersteuning en initiatieven van de EU op te schalen om de lokale autoriteiten en hun verenigingen te versterken en hen in staat te stellen de nationale hervormingen op lokaal niveau uit te voeren; de rol van lokale overheden als beleidsmakers en besluitvormers te bevorderen en te stimuleren dat centrale en lokale overheden regelmatig uitwisselingen houden over de hervormingsagenda’s, met actieve en inclusieve deelname van het maatschappelijk middenveld en andere relevante belanghebbenden;
   (cl) stappenplannen en indicatoren per land te ontwikkelen voor contacten met lokale en regionale overheden, door voorbeelden te volgen van vergelijkbare contacten met het maatschappelijk middenveld;
   (cm) bij de vorming en uitvoering van beleid voor het Oostelijk Partnerschap de vertegenwoordiging uit te breiden van de Conferentie van lokale en regionale overheden van het Oostelijk Partnerschap (Corleap) en haar vermogen te vergroten om lokale en regionale overheden te ondersteunen door middel van substantiële acties; in samenwerking met Corleap en het Europees Comité van de Regio’s een programma voor capaciteitsopbouw te ontwikkelen voor lokale en regionale overheden in de landen van het Oostelijk Partnerschap, met systematische stappen om de rol van deze autoriteiten te vergroten;
   (cn) de substantiële deelname aan te moedigen van burgers van het Oostelijk Partnerschap aan door de EU gefinancierde projecten en hun beheer, in overeenstemming met een “bottom-up”-benadering op basis van EU-waarden en -normen;
   (co) te onderkennen dat de afwezigheid van een gedegen communicatie- en informatiecampagne terwijl de landen van het Oostelijk Partnerschap worden blootgesteld aan een golf van desinformatie ertoe kan leiden dat de decennialange inspanningen, investeringen en verworvenheden van dit partnerschap verloren gaan; daarom de inspanningen op het gebied van strategische communicatie te intensiveren en in een open dialoog met burgers de zichtbaarheid van de door de EU verleende ondersteuning in de landen van het Oostelijk Partnerschap te vergroten, zowel op nationaal als op lokaal niveau; hiertoe contact te leggen met mensen in kleine gemeenschappen en plattelandsgebieden, zakelijke en gemeenschapsleiders, diasporagemeenschappen en nationale minderheden, naast de segmenten die al EU-gezind zijn;
   (cp) anti-EU-desinformatie en -propaganda te bestrijden door de weerbaarheid met betrekking tot informatie en het bewustzijn van de burgers van het de EU en het Oostelijk Partnerschap over het Oostelijk Partnerschap en de kansen en voordelen die dit partnerschap oplevert, te vergroten, in het bijzonder de voordelen en kansen die voortvloeien uit een nauwe politieke en economische samenwerking tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap en de uitvoering van de associatieovereenkomst of DCFTA, en deze voordelen en kansen te koppelen aan economische groei en meer handel;
   (cq) de bestaande EU-structuren als de East StratCom Task Force van de EDEO efficiënter te benutten om desinformatie- en propagandacampagnes die de betrekkingen tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap en de doelstellingen daarvan ondermijnen, te detecteren en erop te reageren;
   (cr) de EU-delegaties in de landen van het Oostelijk Partnerschap te versterken en hen in staat stellen de landen van het Oostelijk Partnerschap te helpen bij de voltooiing van de hervormingen en beter te communiceren hoe de EU burgers daar helpt; meer horizontale koppelingen tot stand te brengen en de samenwerking tussen EU-delegaties te bevorderen en regelmatige uitwisselingen van informatie, expertise en succesvolle werkwijzen aan te moedigen;
   (cs) en actievere rol van de liaisonbureaus van de EU in de lidstaten te waarborgen door ervoor te zorgen dat zij het belang van de landen van het Oostelijk Partnerschap voor het Europese project onderstrepen;
   (ct) het delen van informatie tussen de instellingen van de EU, vooral de Europese Commissie en de EDEO, te verbeteren en het institutionele geheugen te koesteren, in het bijzonder als het gaat om vergeven steun en uitgevoerde technische-bijstandsprojecten, teneinde voort te borduren op de behaalde resultaten wanneer er nieuwe projecten en programma’s worden gelanceerd;
   (cu) de vruchten te plukken van het programma Jonge Ambassadeurs en de beurzen van het Forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap door een actief netwerk van oud-leerlingen op te zetten op basis van bestaande succesvolle modellen;
   (cv) vrije media en vrijheid van meningsuiting te bevorderen als fundamenteel beginsel, en daarom in de landen van het Oostelijk Partnerschap een democratisch, onafhankelijk, pluralistisch en evenwichtig medialandschap te steunen waardoor de bescherming van lokale journalisten, opiniemakers en dissidenten tegen pesterijen en intimidatie wordt gewaarborgd, niet-discriminerende toegang tot online- en offline-informatie en zinvolle burgerparticipatie mogelijk worden gemaakt en de mensen- en civiele rechten worden gewaarborgd en gegarandeerd;
   (cw) de inspanningen te intensiveren om de lokale strijd tegen nepnieuws, hybride oorlogvoering in communicatie en de verschraling van mediaprogramma’s te steunen, die factoren zijn die de strijd tegen corruptie en tegen de verspreiding van onjuiste informatie voor economische of politiek gewin kunnen ondermijnen; de ontwikkeling voort te zetten van acties om de volledige transparantie met betrekking tot het eigendom van media te waarborgen; het lokale officiële toezichthoudende agentschap in elk land van het Oostelijk Partnerschap constant te helpen en monitoren;
   (cx) programma’s en hervormingen met betrekking tot media- en informatiegeletterdheid te ondersteunen, gezien het belang van deze vaardigheden in het huidige digitale tijdperk;
   (cy) het uitzenden van Europese mediaproducties in de landen van het Oostelijk Partnerschap en de producties van de landen van het Oostelijk Partnerschap in de EU te bevorderen om de culturele verschillen tussen de Europese Unie en deze landen, die zijn veroorzaakt door de geschiedenis en het in het laatste decennium verspreide nepnieuws, te overbruggen; de lokale media te ondersteunen bij het verkrijgen van toegang tot Europese mediaprogramma’s en initiatieven voor nauwe samenwerking tussen media uit de Europese Unie en het Oostelijk Partnerschap;
   (cz) het misbruik door autoriteiten van aan de pandemie verwante maatregelen als manier om de politieke oppositie, het maatschappelijk middenveld en de media monddood te maken door hun legitieme rechten te beperken, te veroordelen;
   (da) de gemeenschappelijke inspanningen van de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap op het gebied van contacten tussen personen en uitwisselingen om een wederzijds positief beeld te stimuleren onder de bevolking te versterken en, indien mogelijk, uit te breiden, en te profiteren van het pro-Europese sentiment onder de burgers van het Oostelijk Partnerschap;
   (db) inclusieve en participatieve platforms voor dialoog en samenwerking te bevorderen die belanghebbenden van verschillende sectoren en niveaus samenbrengen, waaronder beleidsmakers, economische spelers, academici, het maatschappelijk middenveld, en ook kerken, religieuze gemeenschappen en burgers met minder kansen, teneinde polariserende en extremistische tendensen in de politiek en maatschappij te kenteren en de effecten van desinformatie- en propagandacampagnes te beperken;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

(1) PB L 261 van 30.8.2014, blz. 4.
(2) PB L 260 van 30.8.2014, blz. 4.
(3) PB L 161 van 29.5.2014, blz. 3.
(4) PB L 23 van 26.1.2018, blz. 4.
(5) Aanbeveling nr. 1/2018 van de samenwerkingsraad EU-Azerbeidzjan van 28 september 2018 betreffende de prioriteiten van het partnerschap EU-Azerbeidzjan (PB L 265 van 24.10.2018, blz. 18).
(6) Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – jaarverslag (Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0008).
(7) Verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 303 van 28.11.2018, blz. 39).
(8) PB L 289 van 31.10.2013, blz. 2.
(9) PB L 128 van 30.4.2014, blz. 49.
(10) 12363/19 VISA 191 COEST 210.
(11) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 136.
(12) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 119.
(13) PB C 234 van 28.6.2016, blz. 14.
(14) PB C 300 van 18.8.2016, blz. 27.
(15) PB C 328 van 6.9.2016, blz. 2.
(16) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 110.
(17) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 82.
(18) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 58.
(19) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 42.
(20) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 109.
(21) PB C 390 van 18.11.2019, blz. 100.
(22) PB C 28 van 27.1.2020, blz. 97.
(23) PB C 118 van 8.4.2020, blz. 43.
(24) PB C 11 van 13.1.2020, blz. 18.
(25) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0458.
(26) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0457.
(27) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0518.
(28) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 130.
(29) PB C 118 van 8.4.2020, blz. 158.


Westelijke Balkan, na de top van 2020
PDF 163kWORD 62k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 19 juni 2020 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de Westelijke Balkan, naar aanleiding van de top in 2020 (2019/2210(INI))
P9_TA(2020)0168A9-0091/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018, de conclusies van de Raad van 18 juni 2019 en de conclusies van de Europese Raad van 17-18 oktober 2019 tot uitstel van de besluiten over de opening van toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië,

–  gezien de Verklaring van Zagreb van 6 mei 2020,

–  gezien de Definitieve Overeenkomst voor de regeling van de geschillen als beschreven in de Resoluties nrs. 817 (1993) en 845 (1993) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de beëindiging van het interimakkoord van 1995 en de instelling op 17 juni 2018 van een strategisch partnerschap tussen Griekenland en Noord-Macedonië (de zogenoemde Overeenkomst van Prespa),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 26 maart 2020 over het openen van toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië, waarmee de conclusies van de Raad van 25 maart 2020 over uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces werden bekrachtigd,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2020 getiteld “Versterking van het toetredingsproces – Een geloofwaardig EU-perspectief voor de Westelijke Balkan” (COM(2020)0057),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 mei 2019 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU (COM(2019)0260),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld “Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan” (COM(2018)0065),

–  gezien de integrale EU-strategie van 2016, waarin is bepaald dat een geloofwaardig uitbreidingsbeleid een strategische investering in de veiligheid en de welvaart van Europa vormt en reeds aanzienlijk heeft bijgedragen aan vrede in gebieden waar voorheen oorlog woedde,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 oktober 2013 getiteld “Uitbreidingsstrategie en belangrijkste uitdagingen 2013-2014” (COM(2013)0700),

–  gezien de nieuwe consensus over uitbreiding, die door de Europese Raad in december 2006 is goedgekeurd en daarna in de conclusies van de Europese Raad van juni 2019 werd bekrachtigd,

–  gezien de slotverklaring van de top van Zagreb van 24 november 2000,

–  gezien de verklaring van de top EU-Westelijke Balkan in Thessaloniki van 21 juni 2003 over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien de verklaring van Sofia van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de hieraan gehechte prioriteitenagenda van Sofia,

–  gezien het proces van Berlijn, dat op 28 augustus 2014 is gestart, in het bijzonder de verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van de landen van de Westelijke Balkan van 27 augustus 2015 over regionale samenwerking en bilaterale geschillen, en de oprichting van het regionaal bureau voor jongerensamenwerking (RYCO), gevolgd door latere topontmoetingen in Wenen (2015), Parijs (2016), Triëst (2017), Londen (2018) en Poznań (2019),

–  gezien de conclusies van de vergadering van de Raad Algemene Zaken van 29 en 30 april 1997 over de toepassing van conditionaliteit met het oog op de ontwikkeling van een coherente EU-strategie voor de betrekkingen met de landen in de regio,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van 13 EU-lidstaten van 11 juni 2019 over de verbintenis van de EU tot de Europese integratie van de Westelijke Balkan,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de top van de voorzitter van het Europees Parlement en de voorzitters van de parlementen van de landen van de Westelijke Balkan van 28 januari 2020,

–  gezien de informele vergadering van 16 februari 2020, waar de leiders van de landen van de Westelijke Balkan, de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Europese Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de premier van de Republiek Kroatië als voorzitter van de Raad van de Europese Unie bijeenkwamen,

–  gezien de resolutie van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 oktober 2019, getiteld “Opening van de toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië: de EU moet haar geloofwaardigheid behouden en geostrategische belangen blijven beschermen”(1),

–   gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s over het uitbreidingspakket 2019, dat op 13 februari 2020 is goedgekeurd(2),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de herdenking van Srebrenica(3),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)(4),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2019 over de opening van toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over het standpunt van het Europees Parlement over de conferentie over de toekomst van Europa(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 juni 2020 over intensievere samenwerking met de partners van de Westelijke Balkan op het gebied van migratie en veiligheid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 april 2020 getiteld “Steun aan de Westelijke Balkan voor de bestrijding van COVID-19 en het herstel na de pandemie” (COM(2020)0315),

–  gezien artikel 118 van zijn Reglement,

–  gezien de brief van de Commissie internationale handel,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0091/2020),

A.  overwegende dat het uitbreidingsbeleid van de EU een van haar meest succesvolle en strategische beleidslijnen is, alsook het meest doeltreffende instrument voor het buitenlands beleid, dat heeft bijgedragen tot de uitbreiding van de reikwijdte van de kernwaarden van de Unie inzake eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, bevordering van vrede en welvaart, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot een minderheid behoren, in heel Europa;

B.  overwegende dat het uitbreidingsproces een integrerend deel vormt van de Europese integratie en strategisch van belang blijft voor de Europese Unie;

C.  overwegende dat het vanuit politiek, economisch en veiligheidsoogpunt in het belang van de Unie zelf is de landen van de Westelijke Balkan een op verdiensten gebaseerd vooruitzicht op volwaardig lidmaatschap van de EU te geven;

D.  overwegende dat het vooruitzicht op EU-lidmaatschap een erkenning vormt van een grote geopolitieke uitdaging voor de eenwording van het Europese continent, evenals een fundamentele stimulans voor hervormingen in de landen van de Westelijke Balkan;

E.  overwegende dat de landen van de Westelijke Balkan geografisch, historisch en cultureel gezien bij Europa horen en dat het proces van hun integratie in de Europese Unie van cruciaal belang is voor de stabiliteit en veiligheid van het continent als geheel, als een plek waar vrijheid en vrede heerst;

F.  overwegende dat het uitbreidingsproces van de EU in twee richtingen werkt, waarbij beide partijen hun verbintenissen moeten nakomen, en dat het gefundeerd is op het uitgangspunt dat zowel de Europese Unie als de kandidaat-lidstaten hun verplichtingen moeten vervullen;

G.  overwegende dat de door Commissie voorgestelde verbeterde methode tot doel heeft een nieuwe dynamiek aan het uitbreidingsproces te geven en een nieuwe impuls geeft aan de transformatie van toetredingslanden;

H.  overwegende dat de EU de belangrijkste investeerder, handelspartner en donor in de regio is;

I.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resoluties heeft aangegeven verheugd te zijn over de door Noord-Macedonië en Albanië geboekte vooruitgang; overwegende dat het Parlement gezien deze vooruitgang heeft ingestemd met de toekenning aan Noord-Macedonië en Albanië van de prestatiebeloning uit hoofde van het instrument voor pretoetredingssteun;

J.  overwegende dat tijdens de top van Zagreb van 2020 het primaat van democratie en de rechtsstaat werd erkend en een oproep werd gedaan aan de EU om haar betrokkenheid bij de regio te blijven intensiveren;

K.  overwegende dat het Europees Parlement zijn afkeuring heeft laten blijken over het feit dat de Europese Raad er in 2019 niet in slaagde overeenstemming te bereiken over het openen van toetredingsgesprekken met Noord-Macedonië en Albanië; overwegende dat het niet-openen van onderhandelingen – na de aanbevelingen van de Commissie in 2018 en 2019, die door het Parlement werden goedgekeurd – de geloofwaardigheid van de Europese Unie heeft aangetast, heeft bijgedragen aan de opkomst van populisme, nationalisme en euroscepsis, de door kandidaat-lidstaten geleverde inspanningen heeft ondermijnd – hetgeen het risico van het ontstaan van een politiek vacuüm met zich meebrengt – en derde partijen heeft aangemoedigd om politieke invloed in de regio na te streven ten nadele van het EU-integratieproces;

L.  overwegende dat het uitbreidingsproces een bevordering en versterking inhoudt van de capaciteiten om bilaterale geschillen op te lossen, en gericht is op verzoening tussen samenlevingen in de regio;

M.  overwegende dat de landen van de Westelijke Balkan de inspanningen moeten opvoeren om politieke polarisatie en langdurige parlementaire boycots te boven te komen, teneinde het parlementaire toezicht te versterken;

N.  overwegende dat het Europees Parlement een betrouwbare partner van landen in het EU-toetredingsproces blijft, alsook een pleitbezorger van het uitbreidingsproces als positief mechanisme van de Europese Unie om hervormingen te stimuleren die zijn gericht op de institutionele en sociaal-economische versterking van die landen ten voordele van hun burgers;

O.  overwegende dat in de agenda van Thessaloniki en de verklaring van Sofia werd beklemtoond dat bijzondere nadruk zal worden gelegd op het creëren van bijkomende kansen voor jongeren, waarbij wordt gewaarborgd dat hiermee wordt bijgedragen aan de sociaal-economische ontwikkeling van de Westelijke Balkan;

P.  overwegende dat het Europees Parlement zich ertoe verbindt zijn politieke en institutionele steun voor democratische en economische hervormingen in de regio te intensiveren en de landen van de Westelijke Balkan te ondersteunen bij het proces van toetreding tot de EU;

Q.  overwegende dat de politieke richtsnoeren van de Commissie voor de periode 2019-2024 het Europese perspectief van de Westelijke Balkan opnieuw bevestigen;

R.  overwegende dat tijdens hun hoorzittingen in het Europees Parlement zowel vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Borrell als commissaris Várhelyi zich ertoe hebben verbonden prioriteit te geven aan het uitbreidingsproces, waarbij zij toezegden structurele en institutionele hervormingen en integratieprocessen in de Westelijke Balkan te bespoedigen;

S.  overwegende dat een ambitieus uitbreidingsbeleid om een passende begroting vraagt; overwegende dat de Raad moet voorzien in voldoende begrotingsmiddelen ter ondersteuning van het uitbreidingsbeleid;

T.  overwegende dat de EU ook de rechtsstaatmechanismen binnen de Unie moet versterken en een ambitieuze agenda voor de conferentie over de toekomst van Europa moet opstellen;

U.  overwegende dat de welvaart en veiligheid van Europa nauw verbonden zijn met het integratieproces en de bevordering van vrede, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat in de regio van de Westelijke Balkan en de toekomst van de betreffende landen in een sterke en hervormde EU;

V.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 5 februari 2020 heeft beloofd met een mededeling te komen waarin acties worden beschreven om fundamentele hervormingen voor te stellen, onder meer op het gebied van de rechtsstaat;

W.  overwegende dat de EU 3,3 miljard EUR heeft vrijgemaakt om de coronaviruspandemie in de Westelijke Balkan aan te pakken, waarvan 38 miljoen EUR voor onmiddellijke steun aan de gezondheidssector, 389 miljoen EUR voor sociaal en economisch herstel, 750 miljoen EUR voor macrofinanciële bijstand, 455 miljoen EUR voor economische relance en 1,7 miljard EUR aan preferentiële leningen van de Europese Investeringsbank;

X.  overwegende dat de landen van de Westelijke Balkan gebruik hebben kunnen maken van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, gezamenlijke aanbestedingen van medische uitrusting, vrijstelling van de Europese regeling voor uitvoervergunningen voor persoonlijke beschermingsmiddelen en “green lanes” voor essentiële goederen;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan:

   (a) het Europese perspectief van de landen van de Westelijke Balkan te ondersteunen en het toetredingsproces te versterken door te waarborgen dat het de fundamentele waarden en de rechtsstaat versterkt en duurzame democratische, economische en ecologische transformatie en sociale convergentie teweegbrengt en zorgt voor betrekkingen van goed nabuurschap en regionale samenwerking als essentiële onderdelen van het uitbreidings- en het stabilisatie- en associatieproces, alsook door ervoor te zorgen dat de uitbreiding van de Unie parallel blijft lopen met de besprekingen over de toekomst van Europa en de interne hervorming van de EU;
   (b) meer inspanningen te leveren om politieke bereidheid onder de lidstaten te creëren om vorderingen te maken met de uitbreiding naar de Westelijke Balkan in plaats van interne EU-processen een beletsel te laten vormen, en om de politieke en strategische aansturing door de EU van het algehele beleid in de regio te verbeteren;
   (c) uitbreiding te handhaven als noodzakelijke voorwaarde voor de geloofwaardigheid, het succes en de invloed van de EU in de regio en daarbuiten;
   (d) het toetredingsproces te versnellen van de landen die zich zowel op politiek als administratief vlak verbinden tot de uitvoering van EU-gerelateerde hervormingen;
   (e) ervoor te zorgen dat de verbeterde methode volwaardig EU-lidmaatschap als einddoel blijft houden en dat de EU beter voorspelbare regels en criteria vaststelt op grond van conditionaliteit en omkeerbaarheid en deze consistent toepast, teneinde het toetredingsproces dynamischer te maken en zo de geloofwaardigheid ervan te herstellen via de toepassing van de herziene methode;
   (f) ervoor te zorgen dat de grotere nadruk op de politieke aard van het proces, zoals uiteengezet in het voorstel voor de herziene uitbreidingsmethode van de Commissie, geen voorrang krijgt op evaluaties van de voltooiing van ijkpunten op deskundigenniveau of een belemmering vormt voor de verbintenis van de EU om een op verdiensten gebaseerd uitbreidingsproces tot stand te brengen;
   (g) ervoor te zorgen dat de diepgang, kwaliteit en duurzaamheid van hervormingen worden verhoogd door beleidsgebieden te groeperen, hetgeen concrete resultaten oplevert in de toetredingslanden en onderhandelingen over verschillende hoofdstukken tegelijk mogelijk maakt;
   (h) te voorzien in duidelijke, transparante en consistente toetredingsijkpunten en voortdurende politieke en technische steun gedurende het hele proces, onder meer voor parlementen om hun onafhankelijke toezichthoudende rol te waarborgen, en het meten van voortgang op het terrein te verbeteren door ervoor te zorgen dat elk toetredingsland op basis van conditionaliteit en het beginsel van eigen verdiensten wordt beoordeeld;
   (i) te zorgen voor continuïteit, verantwoording, consistentie en voorspelbaarheid van het uitbreidingsproces door de nieuwe methode van de Commissie te verankeren als een langdurige beleidsaanpassing en door ad-hoc-herzieningen van het proces en de parameters ervan als gevolg van politieke overwegingen van een lidstaat te vermijden; te waarborgen dat de ijkpunten en steun voor toetreding gebaseerd zijn op eerdere ervaringen, teneinde reeds vastgestelde tekortkomingen te voorkomen en het toetredingsproces te verbeteren;
   (j) de toepassing van de verbeterde methode te faciliteren voor de toetredingslanden waarmee al onderhandelingen lopen, als zij zouden beslissen die methode te willen gebruiken, met het oog op een betekenisvolle en duurzame afstemming op de EU-standaarden en normen;
   (k) de politieke en economische stimulansen voor de landen van de Westelijke Balkan te vergroten en de samenhang tussen het uitbreidingsproces en politieke initiatieven in de EU te verbeteren door middel van jaarlijkse regionale bijeenkomsten in de marge van de Europese Raad met leiders van de landen van de Westelijke Balkan en door te zorgen voor regelmatige deelname van vertegenwoordigers van de landen van de Westelijke Balkan aan de vergaderingen van de Europese Raad, het Politiek en Veiligheidscomité en werkgroepen van de Commissie;
   (l) aan te moedigen dat toetredingslanden vóór de toetreding geleidelijk worden geïntegreerd in processen, sectoraal beleid en programma’s van de EU, onder meer door middel van gerichte financiële steun uit EU-fondsen, om de burgers, met name kinderen en jongeren, tastbare voordelen te bieden en de pretoetredingssteun en aanwezigheid van de EU in deze landen te versterken nog voor ze volwaardig lid worden;
   (m) een grotere rol voor de parlementen in het toetredingsproces te steunen via de bestaande fora en nieuwe initiatieven op consistente wijze aan te moedigen, zoals de top van de voorzitters van de parlementen, die op 28 januari 2020 voor het eerst is bijeengeroepen door de voorzitter van het Europees Parlement en de voorzitters van de parlementen van de landen van de Westelijke Balkan;
   (n) te faciliteren en te bevorderen dat parlementsleden uit de landen waarmee wordt onderhandeld nauwer worden betrokken bij de werkzaamheden van het Europees Parlement;
   (o) de vertegenwoordigers van de landen van de Westelijke Balkan te betrekken bij de conferentie over de toekomst van Europa, met bijzondere aandacht voor de participatie van jongeren;
   (p) het conditionaliteitsmechanisme te versterken en de omkeerbaarheid van het toetredingsproces te benadrukken door objectieve criteria toe te passen om te besluiten of onderhandelingen moeten worden opgeschort of geschorst; ervoor te zorgen dat de Commissie deze procedures pas na grondige evaluatie en in antwoord op een voorstel van de lidstaten of het Europees Parlement inleidt, en hierbij ook rekening te houden met het feit dat het beginsel van de onevenwichtigheidsclausule en omkeerbaarheid al van toepassing is op de lopende onderhandelingskaders voor Servië en Montenegro; te waarborgen dat het conditionaliteits- en opschortingsmechanisme vergezeld gaat van een duidelijke communicatie van de EU-instellingen over de specifieke voorwaarden voor een eventuele opschorting;
   (q) het gevoel van zeggenschap over het uitbreidingsproces bij de lidstaten te vergroten door deskundigen uit de lidstaten op het gebied van onder meer de rechtsstaat meer bij het proces te betrekken, evenals het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers ter plaatse, en het meten van de algemene ontwikkelingen te verbeteren door te blijven vasthouden aan de reeds lange tijd gehanteerde objectieve normen en politisering van de technische aspecten van het toetredingsproces te vermijden, met name door voort te bouwen op de monitoringverslagen en aanbevelingen van de Raad van Europa en andere normstellende organen;
   (r) te erkennen dat het proces van Berlijn het EU-uitbreidingsbeleid ondersteunt en aanvult, en niet kan worden beschouwd als een alternatief voor toetreding, noch als een herhaling van de inspanningen die als onderdeel van het uitbreidingsproces worden geleverd;
   (s) te erkennen dat het openen van toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië in de eigen politieke, veiligheids- en economische belangen van de Unie is;
   (t) te erkennen dat het verzuim van de Europese Raad om toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië te openen in juni 2018, juni 2019 en oktober 2019 een negatief effect heeft gehad op de rol van de EU in de regio en op de publieke opinie in verband met toetreding tot de EU, hetgeen een negatief signaal afgeeft aan landen in de Westelijke Balkan, en te onderkennen dat het openen van toetredingsonderhandelingen het toetredingsproces opnieuw geloofwaardig zou maken, zoals aanbevolen door het Europees Parlement en de Commissie;
   (u) Kosovo zo snel mogelijk visumliberalisering toe te kennen, aangezien sinds juli 2018 aan de ijkpunten is voldaan;
   (v) de dynamiek van de onderhandelingen te vergroten om de toetreding van Montenegro en Servië te bespoedigen;
   (w) het primaat van democratie, rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden weer volledig centraal te stellen in het uitbreidingsproces door de hoofdstukken over de rechterlijke macht, corruptie en georganiseerde misdaad en die over de eerbiediging van de mensenrechten – met inbegrip van de rechten van minderheden – mediavrijheid en vrijheid van meningsuiting als eerste te openen en als laatste af te sluiten;
   (x) zich te richten op institutionele en administratieve capaciteitsopbouw om de transparantie en doeltreffendheid van goed bestuur op alle niveaus te vergroten;
   (y) gebruik te maken van de ervaringen in verband met recente uitbreidingen, met inbegrip van de lessen die zijn getrokken in verband met Midden-Europese landen;
   (z) te blijven samenwerken met de landen van de Westelijke Balkan in de strijd tegen terrorisme en georganiseerde misdaad;
   (aa) gerichte aandacht te besteden aan overheidscapaciteitsopbouw, de uitvoering van rechterlijke uitspraken, justitiële hervormingen en inspanningen ter bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad;
   (ab) aan te dringen op de eerbiediging en volledige uitvoering van nationale en internationale rechterlijke uitspraken, met inbegrip van de uitspraken van grondwettelijke hoven en alle uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) en de opvolger ervan, het mechanisme voor de uitoefening van de residuele functies van de internationale straftribunalen (IRMCT), de gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie voor Kosovo, alsook de aanbevelingen van de waarnemingscentra van de Raad van Europa, met inbegrip van de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI);
   (ac) er bij de landen van de Westelijke Balkan op aan te dringen dat zij hun internationale verplichtingen nakomen ten aanzien van de vervolging van oorlogsmisdaden en het achterhalen van het lot van vermiste personen; te pleiten voor volledige samenwerking met het IRMCT, de gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie voor Kosovo, en voor het uitdrukkelijk handhaven van het werk en de bevindingen van het ICTY, alsook de bevordering en verspreiding van zijn werkzaamheden en erfenis aan de burgers; alle pogingen tot verheerlijking van oorlogsmisdadigers en tot ontkenning van historische feiten te veroordelen en in dit verband steun te verlenen aan de Regionale Commissie voor de vaststelling van feiten over alle slachtoffers van oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië (het Recom-initiatief);
   (ad) de betrokkenheid van de EU te vergroten bij het oplossen van openstaande bilaterale kwesties, door betrekkingen van goed nabuurschap en regionale samenwerking te bevorderen door middel van vertrouwensopbouw en bemiddelingsinspanningen, en er bij de landen van de Westelijke Balkan op aan te dringen zich in te zetten voor verzoening en vreedzame oplossingen voor reeds lang aanslepende geschillen;
   (ae) het toetredingsproces te versterken om de solidariteit tussen de bevolking van de landen van de Westelijke Balkan en van de lidstaten te verdiepen, met inachtneming van hun geschiedenis, cultuur en tradities;
   (af) de onlangs benoemde speciale vertegenwoordiger van de EU voor de dialoog tussen Belgrado en Pristina en andere regionale kwesties in verband met de Westelijke Balkan te ondersteunen bij de totstandbrenging van een brede normalisering van de betrekkingen tussen Servië en Kosovo en de bevordering van goede nabuurschapsbetrekkingen in de regio tijdens zijn mandaat;
   (ag) een breder maatschappelijk draagvlak te creëren voor regionale verzoening, door onder andere de volledige betrokkenheid van de parlementen in de dialoog tussen Belgrado en Pristina te ondersteunen en de totstandbrenging van duurzame regionale verzoening na te streven;
   (ah) de gezamenlijke inspanningen van de EU en de landen van de Westelijke Balkan op het gebied van intermenselijke contacten en uitwisselingen te versterken en waar mogelijk op te voeren, teneinde bij hun respectieve bevolking een wederzijds positief beeld van elkaar tot stand te brengen;
   (ai) de totstandbrenging van een gelijk speelveld voor een inclusief politiek klimaat te bevorderen en in alle landen van de Westelijke Balkan inspanningen te faciliteren om politieke polarisatie en langdurige parlementaire boycots te boven te komen; een inclusieve en constructieve parlementaire cultuur te ontwikkelen en de parlementaire controle en het parlementaire toezicht te versterken; een verantwoordelijke benadering met betrekking tot het vertegenwoordigen van de belangen van burgers in de parlementen te bevorderen, teneinde democratische controle en een betere kwaliteit van wetgeving te bevorderen;
   (aj) de toetredingsgerelateerde werkzaamheden en activiteiten ter ondersteuning van de democratie van het Europees Parlement ter kennis te nemen en te faciliteren, met inbegrip van de activiteiten van de vaste commissies en delegaties, en de vaste rapporteurs van het Parlement voor de landen van de Westelijke Balkan te betrekken bij het controleproces en op het terrein;
   (ak) aan te zetten tot electorale hervormingen die vrije, eerlijke, competitieve en transparante verkiezingen op centraal en lokaal niveau waarborgen die vrij zijn van intimidatie- en desinformatiecampagnes, in overeenstemming met internationale normen, waaronder de normen inzake transparantie van partijfinanciering, en met aanbevelingen van internationale verkiezingswaarnemingsmissies; de uitvoering van adviezen van de Commissie van Venetië te volgen; bij te dragen aan de programma’s van het Europees Parlement ter ondersteuning van de democratie in de regio;
   (al) de nationale parlementen aan te moedigen gebruik te maken van de instrumenten ter ondersteuning van de democratie van het Europees Parlement, zoals de Jean Monnet-dialoog en de dialoog tussen partijen, om politieke werkzaamheden in verband met parlementaire dialoog te faciliteren en meer verantwoordingsplicht, toezicht, democratische controle en kwaliteit van wetgevingswerkzaamheden te bewerkstelligen;
   (am) het maatschappelijk middenveld te versterken in zijn rol als onmisbare speler in de processen van democratische consolidatie, regionale samenwerking en toetredingsgerelateerde hervormingen, met nadruk op pro-Europese en prodemocratische krachten in de regio, en het maatschappelijk middenveld hier nauw bij te betrekken;
   (an) ervoor te zorgen dat burgers en samenlevingen in de kandidaat-lidstaten nauwer betrokken worden en baat hebben bij het toetredingsproces; in dit kader met name pro-Europese en prodemocratische segmenten van de samenleving, standpunten en meningen te ondersteunen en aan te moedigen;
   (ao) ervoor te zorgen dat elke stap die wordt gezet een substantiële en uitgebreide dialoog met maatschappelijke organisaties, de academische wereld en jongeren inhoudt, vanaf de eerste fase van het besluitvormingsproces tot de uitvoerings- en evaluatiefase, waarbij er in het bijzonder op wordt toegezien geen bestaande lokale anti-Europese machtsstructuren of lokale structuren met een dubieuze democratische reputatie te steunen of te financieren, om aldus de ontwikkeling van EU-waarden, de rechtsstaat, de bestrijding van corruptie en de totstandbrenging van sterke en efficiënte democratische instellingen als grondslag voor een succesvolle toetreding tot de EU te bevorderen;
   (ap) lastercampagnes, bedreigingen en intimidatie jegens journalisten en de media krachtig te veroordelen en aan te dringen op onderzoek naar en vervolging van dergelijke misdrijven, zodat een veilige omgeving voor journalisten wordt gecreëerd en tegelijk iets wordt gedaan aan de problemen van concentratie, politieke en economische druk op de financiering van de media en het gebrek aan transparantie inzake media-eigendom;
   (aq) een democratisch, onafhankelijk en divers medialandschap actief te steunen en te versterken, evenals het bestuur en de verantwoordingsplicht van de media;
   (ar) meer steun te verlenen aan maatregelen ter bevordering van weerbaarheid tegen desinformatie en ontwrichtende mediacampagnes, met inbegrip van de pogingen om via buitenlandse inmenging democratische processen en de soevereiniteit van de landen van de Westelijke Balkan alsook de rol van de EU in de regio te ondermijnen door middel van hybride oorlogvoering;
   (as) de uitvoering van antidiscriminatiebeleid te bevorderen en actief te ondersteunen en aan te dringen op de vervolging van haatmisdrijven; snellere vooruitgang te bevorderen op het gebied van gendergelijkheid, bij het aanpakken van discriminatie en bij het waarborgen van sociale inclusie van etnische, nationale en religieuze minderheden, personen met een handicap, Roma en LHBTQI+, met bijzondere aandacht voor kinderen, door de vaststelling van inclusief beleid ter bescherming van de grondrechten van burgers;
   (at) aan te dringen op een sterker wettelijk kader om feminicide en geweld tegen vrouwen en kinderen en andere vormen van huiselijk geweld te voorkomen en actief te bestrijden, onder meer door te wijzen op de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en door de nodige stappen te nemen voor de ratificatie ervan; mensenhandel te voorkomen en te bestrijden;
   (au) oog te hebben voor de moeilijkheden die de landen van de Westelijke Balkan ondervinden bij het beheer van migratie- en vluchtelingenstromen, en voor de aanzienlijke inspanningen die de regio heeft geleverd om opvang en humanitaire hulp te bieden, voornamelijk met steun van de EU; een efficiënte uitvoering van de statusovereenkomsten tussen de landen van de Westelijke Balkan en het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) te verzekeren;
   (av) het belang te onderstrepen van de bijdrage van de landen van de Westelijke Balkan aan de bescherming van de buitengrenzen van de Europese Unie, en de Europese steun voor grensbeheer in de regio op te voeren; de capaciteit van het asielstelsel in de regio te versterken, in samenwerking met het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR);
   (aw) nadruk te leggen op het wezenlijke belang van de sociale dimensie en van sociaal-economische cohesie, en van de belangrijke rol hiervan tijdens het hele toetredingsproces;
   (ax) zich meer te richten op de uitbanning van armoede, de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en de uitvoering van de verbintenissen op het gebied van het arbeidsrecht;
   (ay) de landen van de Westelijke Balkan ertoe aan te sporen het niveau van hun arbeids- en sociale rechten te verhogen, groei te bevorderen en het sociale recht van de EU ten uitvoer te leggen, en hen aan te moedigen een breed scala aan belanghebbenden, zoals vakbonden, kamers van koophandel en arbeidskamers, te betrekken bij het onderhandelingsproces met EU-partners;
   (az) de braindrain aan te pakken met concrete maatregelen, bijvoorbeeld door kwaliteitsvolle onderwijshervormingen van inclusieve aard te bevorderen, met name op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding, om ervoor te zorgen dat de onderwijssector beter aansluit op de eisen van de arbeidsmarkt en bijdraagt tot het scheppen van duurzame werkgelegenheid voor de lange termijn voor jongeren;
   (bax) steun te verlenen aan het platform voor regionale dialoog “Bridging the Gap”, dat is opgericht in het kader van het programma voor jonge politieke leiders van het Europees Parlement, teneinde de kloof tussen jeugdbeleid, jongerenparticipatie en parlementsleden in de Westelijke Balkan te dichten en aan te sporen tot concrete acties om de participatie van jongeren in de politiek en de uitvoering van op jongeren gericht beleid in de hele regio te bevorderen;
   (bb) kansen te bevorderen op het gebied van vrijwilligerswerk en maatschappelijk engagement voor jongeren en meer te investeren in jongeren in de regio door deelname van de toetredingslanden aan bestaande mobiliteitsprogramma’s als Erasmus+, Creatief Europa en Horizon 2020 te vergroten en nieuwe programma’s voor intraregionale mobiliteit op te zetten;
   (bc) samenwerking op het gebied van wetenschap, onderzoek en innovatie via specifieke programmering van de Europese Commissie te versterken;
   (bd) de bijstand aan de landen van de Westelijke Balkan te intensiveren om hun wetgeving inzake milieu, energie-efficiëntie en klimaat te verbeteren en hen in staat te stellen om deze ten uitvoer te leggen in overeenstemming met de EU-normen en de Overeenkomst van Parijs, onder meer door hun internationale verplichtingen uit hoofde van het Energiegemeenschapsverdrag uit te voeren met betrekking tot een volledige afstemming op en uitvoering van het energieacquis van de Unie;
   (be) de autoriteiten ertoe op te roepen om dringend maatregelen te nemen met betrekking tot de bewaking, beperking en preventie van lucht- en waterverontreiniging; te zorgen voor strategische milieubeoordelingen en milieueffectbeoordelingen vooraf met het oog op de ontwikkeling van duurzame waterkracht en duurzaam toerisme, gepaard met inspanningen voor milieubehoud;
   (bf) regionale energie-integratie te vergemakkelijken, diversificatie en het veiligstellen van bevoorradingsbronnen te verbeteren, en de connectiviteit van energie-infrastructuur en digitale netwerken te vergroten;
   (bg) de noodzakelijke energietransitie naar schonere hernieuwbare energiebronnen te bevorderen, weg van steenkool en bruinkool, die ernstige sociale en gezondheidsrisico’s voor de plaatselijke bevolking en de buurlanden veroorzaken; de toetredingslanden van de Westelijke Balkan te betrekken bij de Europese Green Deal en het Fonds voor een rechtvaardige transitie;
   (bh) erop te wijzen dat de EU de grootste buitenlandse investeerder is in de regio, met 12,7 miljard EUR aan buitenlandse directe investeringen in de periode tussen 2014 en 2018; een strategisch economisch en investeringsplan op te zetten met het oog op de verbetering van het concurrentievermogen, het juridisch en ondernemingsklimaat, de situatie van kmo’s en duurzame ontwikkeling in de hele regio, in overeenstemming met de toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de Europese Green Deal, waarbij dient te worden opgemerkt dat de groei in de Westelijke Balkan na een korte heropleving van investeringen in de voorbije jaren opnieuw vertraagt en dat de bijdrage van investeringen en uitvoer tot groei aan het afnemen is;
   (bi) regionale economische integratie in de Westelijke Balkan, zoals reeds ingevoerd in het kader van de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst (Cefta) en gemodelleerd naar het EU-acquis, te bevorderen en te verbeteren, en actief steun te verlenen aan economische integratie tussen de EU en de regio door het EU‑beleid en de interne markt uit te breiden naar de landen van de Westelijke Balkan als aan bepaalde voorwaarden is voldaan;
   (bj) steun te verlenen aan initiatieven op basis van het meerjarenactieplan voor een regionale economische ruimte dat door de eerste ministers van de landen van de Westelijke Balkan op de top van Triëst in 2017 is goedgekeurd, bestaande uit vier pijlers – handel, investeringen, mobiliteit en digitale integratie – die van cruciaal belang zijn voor de economische ontwikkeling van de regio en voor een versnelde convergentie met de EU;
   (bk) steun te verlenen aan de samenwerking van de landen van de Westelijke Balkan met regionale en internationale organisaties zoals de Raad voor regionale samenwerking (RCC), het regionaal bureau voor jongerensamenwerking (RYCO), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), en met internationale financiële instellingen zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) en de Europese Investeringsbank (EIB);
   (bl) steun te blijven verlenen en zo spoedig mogelijk de nodige bijstand te verlenen om de toetredingsprocessen van Servië en Bosnië en Herzegovina tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) te kunnen verwezenlijken, door positief te reageren op hun aanvragen voor lidmaatschap van de WTO die respectievelijk in 1999 en 2005 zijn ingediend, en waarbij wordt gewezen op het belang van het WTO-lidmaatschap om handelsmogelijkheden te openen en de kandidaat-lidstaten dichter bij EU-lidmaatschap te brengen;
   (bm) de belangen van de Unie te verdedigen door middel van een verlichting van de negatieve gevolgen van vrijhandelsovereenkomsten met de Euraziatische Economische Unie die zijn ondertekend door landen die het lidmaatschap van de Europese Unie hebben aangevraagd en die de mogelijkheid tot het afsluiten van een stabilisatie- en associatieovereenkomst met de Europese Unie hebben gekregen, onder meer door het niveau van bijstand aan deze landen te herzien;
   (bn) regionale samenwerking op het gebied van infrastructuurontwikkeling tussen de landen van de Westelijke Balkan te stimuleren;
   (bo) een hoge prioriteit toe te kennen aan de regio in het kader van de EU-strategie voor sterkere banden, en daarbij te benadrukken dat het belangrijk is om de vervoersinfrastructuur in de regio te verbeteren en dat dit met name een grote rol speelt bij het faciliteren van de handel; steun te verlenen om overal in de landen van de Westelijke Balkan Europese spoorweg- en snelwegcorridors aan te leggen; spoort de Commissie ertoe aan de financiering van infrastructuurinvesteringen te bespoedigen;
   (bp) de bevolking en de economieën van de regio en de EU nader tot elkaar te brengen door de landen van de Westelijke Balkan op te nemen in het TEN-T- en TEN-E-netwerk, door te helpen zorgen voor hoogwaardige en veilige vervoer- en energiediensten en door de infrastructuur en algemene connectiviteit binnen de regio en tussen de regio en de EU te helpen verbeteren, overeenkomstig het voorstel van de Commissie voor een strategisch economisch en investeringsplan voor de Westelijke Balkan;
   (bq) de uitvoering van de digitale agenda voor de Westelijke Balkan te versnellen om burgers de voordelen van de digitale transformatie te bieden; de landen in de regio te ondersteunen bij het verbeteren van financierings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor start-ups en kmo’s;
   (br) een voorspelbaar tijdschema vast te stellen voor een regionale roamingvrije zone en de tenuitvoerlegging ervan te bespoedigen, en de tarieven voor communicatie met de EU verder te verlagen op basis van toegenomen fysieke en digitale regionale samenwerking en connectiviteit;
   (bs) de samenhang, efficiëntie, zichtbaarheid en transparantie in verband met de financiering van de Unie op het gebied van extern optreden te verbeteren, om zo de waarden van de Unie, de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie te bevorderen en sterke en efficiënte democratische instellingen tot stand te brengen; in voorkomend geval de IPA III-financiering af te stemmen op de doelstellingen van de Europese Green Deal;
   (bt) te zorgen voor adequate, eerlijke en evenredige, op prestaties gebaseerde en resultaatgerichte pretoetredingssteun die is afgestemd op de transformatiebehoeften van de begunstigden en hen helpt hun verplichtingen in het kader van de toetreding tot de EU te vervullen; prioriteit toe te kennen aan specifieke projecten die de bevolking van de betrokken landen ten goede komen en het absorptievermogen van begunstigden te vergroten;
   (bu) problemen in verband met economische governance nauwer te coördineren met internationale financiële instellingen (IFI’s) en een betere onderlinge samenwerking tot stand te brengen, teneinde de inspanningen op het gebied van steunverlening te stroomlijnen en dubbele financiering te voorkomen;
   (bv) de conditionaliteit tussen macrofinanciële steun, vorderingen in de strijd tegen corruptie en de eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten te versterken;
   (bw) te voorkomen dat er wordt bezuinigd op de IPA-middelen in het algemeen, aangezien dit een rem zou kunnen zetten op EU-gerelateerde hervormingen, het vermogen van de Unie om te voldoen aan haar strategische doelstelling om toetredingslanden te stabiliseren en te transformeren zou kunnen ondermijnen, en bovendien een aanzienlijke beperking zou kunnen inhouden van het vermogen om meerdere uitdagingen aan te pakken met betrekking tot de rechtsstaat, verzoening, regionale integratie en klimaatverandering, waardoor de regio nog gevoeliger zou worden voor de invloed van derde landen; te zorgen voor adequate en aanhoudende steun aan het maatschappelijk middenveld;
   (bx) ervoor te zorgen dat het IPA III vertrekt vanuit politieke prioriteiten die via concrete projecten rechtstreeks van invloed zijn op het leven van de burgers, en dat de middelen voor pretoetredingssteun op een transparante, evenredige en niet-discriminerende manier worden toegewezen op basis van degelijke prestatie-indicatoren, waarbij rekening wordt gehouden met de inzet en vorderingen van de begunstigde landen wat het doorvoeren van hervormingen betreft;
   (by) de op prestaties gebaseerde benadering te versterken door middel van een opschortingsmechanisme, waarbij samenhang met het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) wordt gewaarborgd; de IPA III-verordening aan te vullen met een hervormde en verbeterde “strategische dialoog”, waarbij het Europees Parlement tijdig wordt geïnformeerd en geraadpleegd;
   (bz) democratische verantwoording in stand te houden door te zorgen voor de volledige betrokkenheid van het Europees Parlement bij controle, toezicht en strategische sturing van de opzet, programmering, monitoring en evaluatie van het IPA III door middel van gedelegeerde handelingen;
   (ca) de algehele zichtbaarheid van de EU-steun in de regio te verbeteren door strategische communicatie en publieke diplomatie te versterken om de waarden van de Unie duidelijk te maken en de meerwaarde van door de EU gesteunde projecten en programma’s te benadrukken; een gezamenlijke communicatiestrategie uit te werken in samenwerking met de landen van de Westelijke Balkan; verder te werken aan een beter besef van de voordelen van het toetredings- en eenwordingsproces in heel Europa;
   (cb) erop aan te dringen dat toetredingslanden geleidelijk aansluiten bij het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk handelsbeleid van de EU;
   (cc) de communicatie rond de steun van de EU te intensiveren, met name over de aanzienlijke steun van de EU voor de Westelijke Balkan in de strijd tegen de COVID-19-pandemie, en te verzekeren dat de ontvangers van deze steun geen foute informatie verspreiden of negatieve uitspraken doen over de respons van de EU op COVID-19;
   (cd) aan te bevelen dat de landen van de Westelijke Balkan met de EU samenwerken in het kader van missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);
   (ce) acties van derde landen te veroordelen die bedoeld zijn om democratisch bestuur in de regio van de Westelijke Balkan te destabiliseren en te ondermijnen;
   (cf) de samenwerking voort te zetten op het gebied van de bestrijding van hybride dreigingen, met inbegrip van het tegengaan van Russische propaganda;
   (cg) te voorzien in follow-up voor de top EU-Westelijke Balkan in 2020, teneinde het uitbreidingsproces te evalueren, opnieuw te beoordelen en een nieuwe dynamiek te geven, en ervoor te zorgen dat deze top een nieuwe impuls geeft aan de transformatie van toetredingslanden;
   (ch) de herziene uitbreidingsmethode zo snel mogelijk toe te passen om het toetredingsproces opnieuw op te starten, en, in aansluiting op de top EU-Westelijke Balkan in Zagreb, onderhandelingskaders vast te stellen en intergouvernementele conferenties samen te roepen, teneinde de toetredingsgesprekken met Albanië en Noord-Macedonië aan te vangen;
   (ci) wijst op de 15 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde voorwaarden waaraan Albanië voorafgaand aan de eerste intergouvernementele conferentie met de EU-lidstaten moet voldoen;
   (cj) te blijven samenwerken met het Verenigd Koninkrijk in de Westelijke Balkan, rekening houdend met de Britse banden met de regio en gemeenschappelijke doelstellingen, van de bevordering van de rechtsstaat en het bestrijden van georganiseerde misdaad tot terrorismebestrijding en andere doelstellingen en streefdoelen van GVDB-missies;
   (ck) politieke dialoog op hoog niveau te intensiveren door middel van regelmatige topbijeenkomsten tussen de EU en de landen van de Westelijke Balkan;
   (cl) de aanbevelingen uit de in 2019 uitgevoerde thematische evaluatie met betrekking tot de EU-steun voor de rechtsstaat in nabuurschaps- en uitbreidingslanden (2010-2017) toepassen, in combinatie met de snelle goedkeuring van een mededeling van de Commissie over de aanpak van ernstige problemen in verband met de rechtsstaat via een mechanisme voor conditionaliteit en omkeerbaarheid;
   (cm) te voorzien in follow-up voor de aanzienlijke steun die aan alle landen in de Westelijke Balkan is uitgekeerd om de onmiddellijke behoeften als gevolg van COVID-19 op het gebied van gezondheidszorg en humanitaire hulp te lenigen;
   (cn) de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten in de Westelijke Balkan te blijven ondersteunen bij de responscoördinatie en bestrijding van de sociaal-economische gevolgen van COVID-19, en de maatregelen in overeenstemming te brengen met het gezamenlijke economische noodhulppakket dat de EU in samenwerking met de internationale financiële instellingen heeft voorbereid;
   (co) ervoor te zorgen dat het huidige MFK en het MFK van de volgende generatie, samen met het economisch en investeringsplan voor de Westelijke Balkan, een aanzienlijke bijdrage leveren aan het post-COVID-19-herstel, en de economische groei en integratie bevorderen door middel van versterkte en duurzame koppelingen op digitaal gebied en op het vlak van energie en vervoer;
   (cp) te garanderen dat het economisch en investeringsplan voor de Westelijke Balkan niet hoofdzakelijk wordt gefinancierd via de bestaande IPA-middelen, waardoor de financiering voor andere belangrijke beleidsmaatregelen en programma’s in gevaar kan komen; dit plan volledig in overeenstemming te brengen met de Europese Green Deal, met name de EU-doelstelling van een koolstofarme economie;
   (cq) binnen de nieuwe garantie voor extern optreden en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO +) prioriteit te geven aan de Westelijke Balkan in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI); te zorgen voor een tweevoudige verhoging van de verstrekking van subsidies via het investeringskader voor de Westelijke Balkan ter ondersteuning van de ontwikkeling van de particuliere sector, connectiviteit, digitalisering, de groene agenda en sociale investeringen, en de financiële garanties voor de ondersteuning van publieke en private investeringen in de regio aanzienlijk te verhogen via het garantie-instrument;
   (cr) het geografische toepassingsgebied van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, dat ingezet kan worden voor volksgezondheidscrises, uit te breiden tot alle landen van de Westelijke Balkan;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de regeringen en parlementen van de toetredingslanden.

(1) PB C 47 van 11.2.2020, blz. 15.
(2) CDR 2727/2019.
(3) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 142.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0299.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0050.
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0010.


Toerisme en vervoer in en na 2020
PDF 174kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over toerisme en vervoer in en na 2020 (2020/2649(RSP))
P9_TA(2020)0169RC-B9-0166/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat toerisme een horizontale economische activiteit is met verstrekkende gevolgen voor de economische groei, de werkgelegenheid, en de sociale en duurzame ontwikkeling;

B.  overwegende dat de toeristische sector werk biedt aan 22,6 miljoen mensen, wat overeenkomst met 11,2 % van de totale werkgelegenheid in de EU, en in 2019 goed was voor 9,5 % van het BBP van de EU, en een evenwichtige regionale structuur bevordert en een positief effect heeft op de regionale ontwikkeling; overwegende dat er in de EU minstens 6,4 miljoen banen op de tocht staan;

C.  overwegende dat toerisme, en met name massatoerisme, net als elke menselijke activiteit, van invloed is op klimaatverandering, en milieu- en economische gevolgen heeft, zoals toenemende vervuiling, verlies van biodiversiteit, files, kosten voor het onderhoud van infrastructuur en stijgende prijzen; overwegende dat de sector evenwel bereid is sneller vooruitgang te boeken in de richting van de ontwikkeling van duurzaam toerisme en ervoor te zorgen dat hij bijdraagt aan de Europese en de internationale klimaatdoelstellingen middels initiatieven voor het reduceren van emissies;

D.  overwegende dat het toerisme uit een complexe waardeketen van vele belanghebbenden bestaat en direct is verbonden met het personenvervoer;

E.  overwegende dat de sectoren vervoer, cultuur en toerisme van alle belangrijke economische sectoren het zwaarst door COVID-19 getroffen zijn, met grootschalige werkloosheid voor met name seizoenarbeiders en kwetsbare personen;

F.  overwegende dat culturele locaties en centra, festivals en musea bijzonder zwaar getroffen zijn door de gezondheidscrisis, terwijl vier van de tien toeristen hun bestemming kiezen op basis van het culturele aanbod;

G.  overwegende dat de Commissie, door op 13 mei 2020 de mededeling over toerisme en vervoer in en na 2020 (COM(2020)0550) en het pakket inzake toerisme en vervoer goed te keuren, de eerste noodzakelijke stap heeft gezet om onze waardevolle sectoren vervoer en toerisme te helpen herstellen van de COVID-19-pandemie;

H.  overwegende dat het tien jaar geleden is (juni 2010) dat de Commissie de mededeling “Europa, toeristische topbestemming in de wereld - een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa” (COM(2010)0352) goedkeurde, waarin een strategie en een actieplan voor het toerisme in de EU uiteen worden gezet;

I.  overwegende dat de EU sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009 over ondersteunende bevoegdheden beschikt, gericht op het coördineren en aanvullen van hetgeen de lidstaten op dit gebied doen(1);

Europese herstelplannen voor toerisme en vervoer na de uitbraak van COVID-19

1.  is van mening dat de sectoren vervoer en toerisme zowel snel kortetermijnsteun, als ondersteuning op de lange termijn behoeven om hun voortbestaan en concurrentievermogen te waarborgen, terwijl er maatregelen moeten worden getroffen om toeristen met een gerust hart naar en in Europa te laten reizen om extra verliezen in de sector tot een minimum te beperken en de duurzaamheid van de sector op langere termijn veilig te stellen; benadrukt dat de huidige crisis ook een historische kans biedt om het toerisme in de EU te moderniseren en duurzamer en toegankelijker te maken voor mensen met een beperking, door het te gaan zien als een industrieel ecosysteem met investeringsdoelstellingen, menselijk kapitaal, technologische innovatiebehoeften en prestatie-indicatoren, alsook als een belangrijke sector die een bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit voor 2050;

2.  onderstreept dat het in de huidige crisissituatie, waarin veel vervoersbedrijven moeite hebben om het hoofd boven water te houden, uitermate belangrijk is te blijven investeren in strategische vervoersinfrastructuur op EU-niveau; benadrukt verder dat herstelplannen voor de vervoerssector niet alleen gericht moeten zijn op het redden van bestaande onderdelen van de sector, maar ook en vooral op innovatieve groeimogelijkheden;

3.  is ingenomen met de mededeling “Naar een gefaseerde en gecoördineerde aanpak van het herstel van het vrije verkeer en de opheffing van de binnengrenscontroles – COVID‑19”, die de Commissie heeft goedgekeurd als onderdeel van het pakket, en met het voorstel voor een gefaseerde en gecoördineerde aanpak om terug te keren naar het onbeperkte vrije verkeer van personen; dringt erop aan op EU-niveau een mechanisme in het leven te roepen om te bepalen welk besmettingsniveau laag genoeg is, en vindt dat dit niveau in de hele EU op uniforme wijze moet worden gehanteerd; verzoekt de Commissie de “herstart van het toerisme” te steunen met een aanbeveling waarin “duurzaam toerisme” en geloofwaardig gecertificeerde bedrijven en bestemmingen worden geïdentificeerd als stuwende krachten achter milieuvriendelijk, sociaal verantwoord en ecologisch verstandig vervoer en toerisme; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om de continue stroom van goederen, met name levensmiddelen en medische hulpmiddelen, in de hele EU te garanderen, en met alle initiatieven die erop gericht zijn de volledige werking van de interne markt van de EU zonder ongerechtvaardigde controles en vertragingen te waarborgen;

4.  wijst eens te meer op het belang van het beginsel van non-discriminatie bij de geleidelijke opheffing van beperkingen binnen en tussen landen, alsook van de wederzijdse erkenning van de op EU-niveau overeengekomen maatregelen, en benadrukt dat het belangrijk is overeenkomsten tussen afzonderlijke lidstaten (zogenaamde toerismecorridors) te vermijden, omdat deze tot meer gevolgen zouden leiden voor de economieën, en met name de sector toerisme, van die lidstaten die reeds zwaar door de gezondheidscrisis getroffen zijn; uit zijn bezorgdheid over het feit dat verschillende lidstaten onlangs unilaterale maatregelen hebben vastgesteld, die niet alleen de werking van de interne markt ondermijnen en een negatieve impact hebben op het leven van miljoenen EU-burgers, maar ook het toerisme en het vertrouwen nog een extra klap toebrengen; dringt er daarom op aan dat de Commissie verhindert dat de lidstaten eender welke discriminerende en niet-epidemiologische maatregelen ten uitvoer leggen, die twijfel oproepen over de integriteit van het Schengengebied en een snel herstel van de Europese reis- en toerisme-industrie in de weg staan;

5.  benadrukt de noodzaak van steun aan en bevordering van toeristische gebieden in de EU, onder meer door middel van aantrekkelijke aanbiedingen voor bezoekers, mits de epidemiologische en sociaal-medische omstandigheden in de betreffende gebieden dit mogelijk maken; is van mening dat het van essentieel belang is dat alle gezondheids-, hygiëne- en sanitaire vereisten, zoals maatregelen inzake afstand houden, volledig worden nageleefd en uitgevoerd door zowel bedrijven als hun klanten, teneinde veilige omstandigheden voor bezoekers te waarborgen; dringt erop aan in de hele EU uniforme beoordelingscriteria te hanteren om de gebieden te identificeren die een veilige omgeving bieden voor inkomend en uitgaand toerisme; onderschrijft het belang van handhaving en behoud van het hoogste veiligheid- en beveiligingsniveau, waarvoor interoperabele digitale technologieën zouden kunnen worden gebruikt (bijv. een specifieke informatiewebsite van de Commissie, of middels de digitale innovatiehubs), met als doel het verlenen van hulp aan de sectoren vervoer en toerisme en de toeristen zelf, met inachtneming van de privacy van burgers en de regels inzake gegevensbescherming; benadrukt dat er een systeem voor vroegtijdige waarschuwing moet worden ontwikkeld waarmee toeristen op efficiënte wijze worden gewaarschuwd voor mogelijke gezondheidsdreigingen op hun bestemming, zodat de quarantaine- en evacuatieprotocollen onmiddellijk van kracht worden en doeltreffend zijn;

6.  erkent het belang van internationale reizigers voor onze toeristische sector; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook te beoordelen of de beperkingen voor niet-essentiële reizen aan de buitengrenzen van de EU kunnen worden opgeheven zonder de volksgezondheid en de openbare veiligheid in gevaar te brengen, rekening houdend met de epidemiologische situatie in elk desbetreffend derde land en strevend naar de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in verband met COVID-19, met name in de luchtvaart, op basis van de normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en het gezamenlijk document van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding getiteld “COVID-19 Aviation Health Safety Protocol: Operational Guidelines for the management of air passengers and aviation personnel in relation to the COVID-19 pandemic” voor een veilige herstart van het luchtvervoer in Europa, en dringt erop aan deze snel toe te passen;

7.  benadrukt het belang van grens- en seizoenarbeiders voor de dienstverlening in de toeristische sector als een essentieel onderdeel van de op economisch herstel gerichte inspanningen, en dringt aan op maatregelen om hun mobiliteit te stimuleren en hun rechten te beschermen, met inbegrip van een betere uitvoering van de bestaande wetgeving;

8.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld “Richtsnoeren betreffende het geleidelijke herstel van het vervoer en de connectiviteit – COVID-19”, alsook met de richtsnoeren die gebaseerd zijn op een kader van beginselen en een gemeenschappelijk instrumentarium dat zal bijdragen tot het hervatten van alle soorten vervoersdiensten in de EU door het nemen van gecoördineerde, niet-discriminerende en evenredige maatregelen;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten overeenstemming te bereiken over tijdelijke, evenredige maatregelen en niet-discriminerende maatregelen, op basis van wetenschappelijk bewijs, om veilige doorvoer en veilig reizen tussen landen te vergemakkelijken, gebaseerd op een degelijke risicobeoordeling en volgens internationale normen die zijn vastgesteld door instanties zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) of het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC); onderstreept het belang van het wederzijds erkennen van de op EU-niveau overeengekomen maatregelen voor de hervatting van het reisverkeer binnen de EU en het internationale reisverkeer; benadrukt bovendien dat de tenuitvoerlegging van inperkingsmaatregelen, net als de versoepeling ervan, op geen enkel moment mogen leiden tot een verlaging van de hoge veiligheids- en beveiligingsnormen van de EU in het vervoer;

10.  benadrukt dat screening een doeltreffend middel vormt om de verspreiding van het virus tegen te gaan en om mensen gerust te stellen wanneer het niet mogelijk is fysiek afstand te bewaren, op voorwaarde dat er snelle, betrouwbare en betaalbare screeningmethoden voorhanden zijn; verzoekt de Commissie om, in samenwerking met het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en de lidstaten, regelmatig na te gaan of er tests beschikbaar zijn die aan deze voorwaarden voldoen, en, indien dat het geval is, gecoördineerde aanbestedingen te plaatsen met als doel optimale voorwaarden en prijzen te garanderen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan gebruik te maken van alle beschikbare financieringsinstrumenten om ervoor te zorgen dat de bevolking gratis kan worden getest;

11.  benadrukt dat de reisbeperkingen en grenscontroles moeten worden opgeheven voor de regio’s, gebieden en lidstaten waarvan de epidemiologische situatie verbetert en voldoende vergelijkbaar is, zodra voor de beoordeling ervan gemeenschappelijke criteria zijn vastgesteld; benadrukt dat verbeteringen in de epidemiologische situatie van essentieel belang zijn om weer veilig te kunnen reizen en voor de hervatting van vervoers- en toeristische diensten; verzoekt de Commissie voorts om, in overleg met de lidstaten, de haalbaarheid en de toegevoegde waarde te onderzoeken van maatregelen voor gezondheidsscreening, zoals diagnostische tests (bijvoorbeeld serologische of wattenstaaftests) en temperatuurmeting van passagiers die vertrekken van vervoershubs; dringt erop aan normen en gedetailleerde protocollen voor gemeenschappelijke hygiënemaatregelen vast te stellen voor de verschillende vervoerswijzen; is van mening dat elke vervoersonderneming op geharmoniseerde wijze uniforme maatregelen moet nemen om te zorgen voor voorspelbaarheid en duidelijkheid; is van mening dat technische operationele protocollen als voorwaarde moeten worden gesteld voor veilig reizen;

12.  verwelkomt de mededeling van de Commissie getiteld “EU-richtsnoeren voor de geleidelijke hervatting van toeristische diensten en voor gezondheidsprotocollen voor horecagelegenheden — COVID-19”, en dringt er bij de lidstaten op aan om deze richtsnoeren te delen met de bevoegde autoriteiten op regionaal en lokaal niveau; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband de reis- en toerismesector financieel te helpen bij het implementeren van deze maatregelen, in nauwe samenwerking met de reis- en toerisme-industrie en met inachtneming van de ambities van de Europese Green Deal en het digitaliseringsbeleid;

13.  verzoekt de Commissie om, samen met de autoriteiten in de lidstaten, de toeristische sector en internationale organisaties, een EU-veiligheidscertificeringszegel te ontwikkelen en duidelijke en doeltreffende sanitaire protocollen vast te stellen, ter waarborging van de hoogste hygiëne- en veiligheidsnormen in toeristische faciliteiten en bij reisorganisaties en -operators in de EU, teneinde aan te zetten tot de toepassing van specifieke maatregelen op basis van de EU-richtsnoeren, ter vergroting van het vertrouwen bij en de veiligheid en beveiliging van reizigers die de lidstaten van de EU bezoeken en om het herstel van de sector te bevorderen;

14.  roept de Commissie op om gemeenschappelijke EU-regels voor te stellen voor de voorwaarden van de tegoedbonnen die wegens COVID-19 worden afgegeven, met inachtneming van een hoog niveau van consumentenbescherming, altijd onder de voorwaarde dat deze vrijwillig door de consument worden aanvaard, en zonder afbreuk te doen aan de verplichting voor bedrijven om reizigers binnen de door het EU-recht vastgestelde termijn te vergoeden, om tegoedbonnen flexibeler en dus aantrekkelijker en levensvatbaarder te maken, en om te voorkomen dat er een nieuwe lappendeken van uitvoering ontstaat wat zou leiden tot een verschillende behandeling van consumenten en tot concurrentieverstoring op de vervoers- en toerismemarkt; dringt er voorts bij de Commissie op aan alle tot haar beschikking staande middelen te gebruiken om te zorgen voor de correcte handhaving en uniforme toepassing van de EU-wetgeving, en om het gebruik van geharmoniseerde regels inzake tegoedbonnen op vrijwillige basis te bevorderen;

15.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is om, op basis van de ervaringen met de COVID-19-crisis en vergelijkbare regelingen in de lidstaten, een Europese reisgarantieregeling voor bedrijven te ontwikkelen voor het waarborgen van financiële liquiditeit, de gegarandeerde terugbetaling van reizigers, alsook de vergoeding van de kosten van repatriëring, in combinatie met een billijke vergoeding van eventuele schade in het geval van een faillissement; is verder van mening dat toeristen moeten worden aangespoord om een reisverzekering af te sluiten;

16.  verzoekt de Commissie een speciale EU-voorlichtingscampagne over reizen en toerisme op te zetten, inclusief een EU-informatie-app, om het reizen binnen de EU te bevorderen, het vertrouwen van de burgers in reizen en toerisme tijdens COVID-19 te herstellen, toeristen te informeren over de getroffen gezondheids- en veiligheidsmaatregelen, en duurzame en op cohesie gerichte waarden op te bouwen door middel van een “EU-keurmerk voor toerisme”; dringt erop aan het concept “veilige en slimme bestemming” centraal te stellen om te zorgen voor de ontwikkeling van duurzaam, verantwoord en toegankelijk toerisme;

17.  pleit ervoor op EU-niveau een mechanisme in te voeren voor het op basis van wetenschappelijk bewijs en betrouwbare en uniforme gegevens vaststellen van een veiligheids- en beveiligingsdrempel voor het vaststellen of opheffen van reisbeperkingen, en dat er een passend niveau van monitoring en een actieplan worden vastgesteld voor eventuele negatieve ontwikkelingen in de epidemiologische situatie; benadrukt in dit verband de noodzaak van een concreter en gedetailleerder actieplan voor het toezicht op en de evaluatie van de voorgestelde gefaseerde exitstrategie om de COVID-19-crisis de baas te worden;

18.  verzoekt de Commissie, de nationale autoriteiten en alle belanghebbenden samen te werken bij het op zo kort mogelijke termijn vaststellen van richtsnoeren en actieplannen voor voorbereidheid op een mogelijke tweede golf van de pandemie, met aandacht voor infectiepreventie en controlemaatregelen voor de reis- en toerismesectoren, gezien het feit dat een langer durende “lockdown” volgens sommige schattingen dit jaar een daling van het bbp met 16 % tot gevolg zou kunnen hebben;

19.  verwelkomt het SURE-programma, dat de lidstaten helpt bij het dekken van de kosten van nationale arbeidsregelingen voor de korte termijn en van vergelijkbare maatregelen die bedrijven helpen bij het behouden van banen in de toerisme-industrie; onderstreept verder dat het belangrijk is te investeren in her-, bij- en nascholing, in opleidingen op het gebied van digitale vaardigheden en in initiatieven voor werkgelegenheidsondersteuning, die aanhoudend banenverlies en sociale ongelijkheid als gevolg van de pandemie zullen voorkomen;

Meer solidariteit en coördinatie in de toeristische sector van de EU

20.  benadrukt dat het belangrijk is een daadwerkelijk Europees toerismebeleid te ontwikkelen dat significant bijdraagt tot vergroting van het concurrentievermogen van de Unie op dit vlak, tot samenwerking tussen de lidstaten en de regio’s, en tot nieuwe mogelijkheden voor meer investeringen en innovaties in deze sector; geeft aan dat overregulering van toeristische diensten op de interne markt moet worden vermeden, teneinde tegenstrijdigheden en overlappingen in de regelgeving weg te nemen en te voorkomen door te zorgen voor een betere coördinatie van maatregelen en wetgeving die van invloed zijn op de toeristische sector;

21.  verwelkomt het voorstel van de Commissie om een Europese top voor toerisme te organiseren waarbij de EU-instellingen, de sector, de regio’s, de steden en de belanghebbenden worden betrokken, om na te denken over het Europese toerisme van morgen, en steunt de ontwikkeling van een routekaart voor de totstandbrenging - tegen 2050 - van een duurzaam, innovatief en veerkrachtig Europees toeristisch ecosysteem (“Europese agenda voor toerisme 2050”); roept de Commissie daarom op om op basis van de resultaten van deze dialoog in 2021 een nieuwe strategie en een nieuw actieplan voor toerisme in de EU vast te stellen, zodat Europa zich door middel van een “EU-label voor toerisme” als toonaangevende bestemming kan blijven profileren; benadrukt dat deze langetermijnstrategie een plan moet omvatten voor de digitalisering van de sector, evenals regelingen voor het herstel van toeristische gebieden; benadrukt dat de strategie de groene transitie van de sector moet ondersteunen door processen aan te passen en infrastructuur en faciliteiten te vernieuwen; beklemtoont dat de Commissie er nauwlettend op toe moet zien dat deze strategie naar behoren ten uitvoer wordt gelegd;

22.  is er verheugd over dat de Commissie voorstelt bij de toepassing van de regels inzake staatssteun flexibiliteit in acht te nemen; hamert evenwel op het belang van levensvatbare projecten en concurrentievermogen en sociale en milieu-normen, alsook van heldere en sectorspecifieke richtsnoeren voor de sectoren vervoer en toerisme ten aanzien van een doeltreffende coördinatie tussen alle lidstaten, en benadrukt dat erop moet worden toegezien dat de nationale compensatieregelingen billijk, op een opportuun tijdstip en proportioneel worden toegepast en een in tijd beperkte looptijd hebben, en erop gericht zijn de verliezen als gevolg van de COVID-19-uitbraak op te vangen, zonder de mededinging al te veel te verstoren;

23.  benadrukt het belang van een nauwere samenwerking tussen de EU, de nationale, regionale en lokale autoriteiten, en alle betrokken partijen, met het oog op de aanpak van horizontale kwesties in verband met toerisme; verzoekt de Commissie in dit verband een EU-strategie voor toerisme te ontwikkelen met - onder meer - een duidelijker en gedetailleerder actieplan met doelstellingen voor de korte, middellange en lange termijn, inclusief de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, waarin wordt voorgesteld dat de lidstaten duidelijke, strategische en resultaatgerichte doelstellingen vaststellen; dringt erop aan dat in overleg met het Parlement en de lidstaten een passende strategie voor duurzaam toerisme wordt vastgesteld, met maatregelen die door alle lidstaten, bedrijfstakken en toeristen moeten worden toegepast en nageleefd;

24.  onderstreept dat het op 27 mei 2020 door de Commissie gepresenteerde voorstel voor een EU-herstelplan, dat een versterkte langetermijnbegroting voor de EU (MFK 2021‑2027) en een nieuw herstelinstrument ten belope van 750 miljard EUR omvat, dat afhankelijk wordt gesteld van de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen en de inachtneming van milieu- en sociale normen, een goede basis vormt voor verdere onderhandelingen; juicht het toe dat erkend wordt dat toerisme één van de sectoren is die het zwaarst door de COVID-19-crisis is getroffen; wijst erop dat het nieuwe herstelinstrument, Next Generation EU, laat zien dat de omzet van het toerisme in het tweede kwartaal van 2020 wel eens met meer dan 70 % zou kunnen dalen, terwijl de fundamentele investeringsbehoeften van de sector toerisme (maar liefst 161 miljard EUR) het grootst zijn van alle ecosystemen; verzoekt de Commissie daarnaast in het herstelpakket passende aandacht te besteden aan de toeristische sector en richtsnoeren uit te vaardigen om te zorgen voor een snelle toegang tot financiering in het kader van lopende en komende programma’s, zonder onevenredige administratieve rompslomp; benadrukt in dit verband het belang van investeringen in deze sector via de faciliteit voor herstel en veerkracht, die de ontwikkeling van een strategie voor een duurzame, flexibele en concurrerende toeristische sector in de hele EU mogelijk zullen maken; is van mening dat het EU-herstelplan de mogelijkheid moet bieden om aanvullende financiële steun aan de toeristische sector toe te kennen op basis van het aandeel van de reis- en toerismesector in het BBP van een lidstaat;

25.  betreurt het ontbreken van een speciale begrotingslijn voor duurzaam toerisme in het volgende meerjarig financieel kader (MFK 2021-2027), en betreurt het dat er momenteel geen concreet, specifiek financieel instrument voor de korte termijn bestaat om de sector te helpen bij het herstel; is van oordeel dat er nagedacht moet worden over een speciale behandeling van en specifieke maatregelen voor de ultraperifere en de eilandregio’s;

26.  roept de Commissie en de lidstaten op om bedrijven, werknemers en zelfstandigen in de vervoers-, cultuur- en toerismesector, en met name kmo’s, inclusief macro- en familiebedrijfjes, zo spoedig mogelijk steun te verlenen bij het beheer van hun liquiditeit en hen te helpen om banen te behouden, en onnodige administratieve lasten te verminderen; dringt daarnaast aan op een in nauw overleg met de sociale partners vast te stellen en voor alle categorieën werkenden geldend Europees kader voor werknemers in de hele waardeketen van de sector toerisme;

27.  pleit voor herziening van de Europese kmo-strategie, waarbij rekening moet worden gehouden met de gevolgen van COVID-19 voor kmo’s en concrete initiatieven worden voorgesteld om hen te helpen bij hun herstel door de administratieve rompslomp te verminderen, de kosten van toegang tot financiering te verlagen en investeringen in strategische waardeketens te stimuleren, in overeenstemming met het Europees industriebeleid op basis van ecosystemen, de Europese Green Deal en de digitale transitie; herinnert eraan dat de nodige aanpassingen moeten worden verricht om te voldoen aan de nieuwe gezondheids- en veiligheidsmaatregelen, waarbij aanzienlijke investeringen moeten worden gedaan om de veiligheid van de consument te waarborgen en de regels inzake afstand houden te kunnen naleven, alsook aan de andere relevante voorzorgsmaatregelen te kunnen voldoen; benadrukt het belang van het creëren van netwerken en clusters in de hele EU, die kunnen leiden tot de harmonisatie van goede praktijken, strategieën en synergieën binnen de kmo-sector;

28.  benadrukt dat duizenden ondernemingen, in het bijzonder kmo’s, moeite hebben om te overleven, en dat een groot aantal liquiditeitsproblemen heeft; verzoekt de Commissie en de lidstaten te volgen hoe de situatie zich ontwikkelt en te onderzoeken of het mogelijk is middels de reeds aangekondigde instrumenten meer noodhulp toe te kennen en passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat bedrijven failliet gaan;

Naar een toekomstbestendige toeristische sector in de EU

29.  benadrukt dat de toeristische sector sterk afhankelijk is van de vervoersector en dat het verbeteren van de toegankelijkheid, de duurzaamheid en de connectiviteit van alle vervoerswijzen, met behoud van het hoogste veiligheidsniveau in alle vervoersectoren (wegvervoer, spoorvervoer, luchtvaart, zeevaart en binnenvaart), derhalve van grote invloed zal zijn op het versterken van de toeristische sector in de EU; benadrukt in dit verband dat de Commissie in het kader van het Europees Jaar van de Spoorwegen 2021 en gezien de noodzaak om de transportemissies te reduceren, alle duurzame alternatieve vervoerswijzen moet bevorderen;

30.  beklemtoont dat duurzame wijzen van reizen moeten worden bevorderd, zoals middels meer toeristische fietsinfrastructuur en nachttreinen; benadrukt de economische en milieuvoordelen die duurzame vervoerswijzen zoals fietsen kunnen hebben voor toerisme, en verzoekt de Commissie fietsinfrastructuur te bevorderen en erin te investeren, teneinde dergelijk toerisme aantrekkelijker te maken;

31.  wijst erop dat alle lidstaten over een netwerk van ontwikkelde, moderne, veilige en duurzame infrastructuur moeten beschikken om reizen in de EU te vergemakkelijken en de perifere lidstaten beter toegankelijk te maken voor het intra-Europese en internationaal toerisme; verzoekt de Commissie dan ook steun te geven aan de heropening van momenteel ontbrekende grensoverschrijdende verbindingen, fitnesschecks van het bestaande infrastructuurnetwerk te verrichten, en onmiddellijke aanvullende maatregelen voor te stellen voor de minst ontwikkelde en afgelegen gebieden, die vaak over de slechtst ontwikkelde netwerken beschikken en bijzondere aandacht behoeven; geeft aan dat grensregio’s 40 % van het hele grondgebied van de EU uitmaken en dat een derde van de bevolking van de EU in grensgebieden woont; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten passende plannen hebben voor het voltooien van het volledige TEN-T-kernnetwerk tegen 2030 en de uitgebreide netwerken tegen 2050, met vermelding van het tijdschema en de beschikbare begrotingsmiddelen, en zich met name te richten op grensoverschrijdende trajecten, met name in lidstaten die op dit gebied geen vooruitgang boeken; geeft aan dat dit ook betrekking heeft op het uitermate belangrijke project voor een gemeenschappelijk Europees luchtruim (“Single European Sky”), dat, hoewel het reeds een groot aantal jaren “vastzit” op het niveau van de EU, zowel voor veiligheid, als doeltreffendheid én duurzaamheid in de Europese luchtvaart zou zorgen;

32.  verzoekt de Commissie zich te buigen over de haalbaarheid en de mogelijke voordelen van een mechanisme voor crisisbeheer voor de toerismesector in de EU, niet alleen om adequaat en snel te kunnen reageren op de gevolgen van de huidige COVID-19-uitbraak, maar ook om de sector voor te bereiden op toekomstige uitdagingen van soortgelijke aard en omvang; benadrukt dat een dergelijk mechanisme financieringsoplossingen voor financiële tekorten op de korte termijn moet omvatten, evenals kaders en strategieën voor de middellange en lange termijn; verzoekt de Commissie richtsnoeren uit te vaardigen op basis van goede praktijken in de toeristische sector in geval van grootschalige crises zoals de huidige pandemie, en de ontwikkeling en coördinatie te faciliteren van adequate onlineplatforms waar belanghebbenden goede praktijken en informatie kunnen uitwisselen;

33.  dringt er bij de Commissie op aan een nieuw Europees programma voor inclusief toerisme voor te stellen, voortbouwend op het model van het Calypso-initiatief, in het kader waarvan lidstaten hun sociaal kwetsbare burgers nationale toeristenvouchers verstrekken die kunnen worden gebruikt in deelnemende horecabedrijven in andere lidstaten die ook over een programma voor sociaal toerisme voor hun bevolking beschikken; merkt op dat dergelijke programma’s in veel lidstaten bestaan en dat de resultaten ervan uitstekend zijn, en is van mening dat het een bijzonder goed idee zou zijn om deze programma’s op EU-niveau interoperabel te maken;

34.  wijst op het belang van een gemeenschappelijke EU-aanpak om het concurrentievermogen van de sector te waarborgen door de communicatiestrategie ten aanzien van de burgers te verbeteren; wijst voorts op de coördinerende rol van de EU voor de toeristische sector, die moet worden verbeterd door EU-acties met een toegevoegde waarde te lanceren en de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten verder te vergemakkelijken; pleit ervoor de administratieve en fiscale lasten te verminderen, de oprichting van ondernemingen te ondersteunen, en de grensoverschrijdende verkoop van goederen en dienstverlening te bevorderen;

35.  onderstreept het belang van internationale samenwerking in de reis- en toerismesector, en spoort de EU-instellingen aan door te gaan met het bevorderen van dialoog en samenwerking binnen de Wereldorganisatie voor Toerisme van de VN (UNWTO);

36.  meent dat de opkomst van nieuwe technologieën en de verdere digitalisering de aantrekkelijkheid van de reis- en toerismesector aanzienlijk zouden vergroten, en dat gebruikersvriendelijke platforms en nieuwe bedrijfsmodellen de groei, het concurrentievermogen en de welvaart van de sector zouden bevorderen; meent dan ook dat regelmatige opleiding en bijscholing van de huidige arbeidskrachten in de sector van essentieel belang zijn, met bijzondere aandacht voor digitale vaardigheden en innovatieve technologieën;

37.  verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is een online visumaanvraagproces op te zetten en tegelijkertijd de sterke bescherming van de Europese grenzen in stand te houden, als middel om meer internationale toeristen naar Europa te lokken; merkt op dat de uitbraak van COVID-19 de noodzaak aan het licht heeft gebracht van het omarmen van innovatie en van het overwegen van een nieuwe benadering van de levering van diensten, met inbegrip van diensten die meer contacten tussen mensen mogelijk maken; verzoekt de Commissie daarom de mogelijkheden voor een goedkope en tijdsefficiënte toegang op afstand tot elektronische visa voor Europese toeristische bestemmingen te onderzoeken, bestemd voor bonafide onderdanen van derde landen die een visum nodig hebben en wier biometrische gegevens hoe dan ook zouden worden verzameld zodra het inreis-uitreissysteem volledig operationeel is geworden;

38.  wijst erop dat duurzaam toerisme moet worden bevorderd, dat bijdraagt tot het scheppen van werkgelegenheid, de bescherming en het herstel van natuurlijke ecosystemen en biodoversiteit, en tot groei en concurrentievermogen, door voort te bouwen op nieuwe bedrijfsmodellen; verzoekt de Commissie de toegang tot financiering voor alle belanghebbende partijen in de sector toerisme, en met name kleinschalige horeca-ondernemers, die bijzondere aandacht en ondersteuning behoeven, te vergemakkelijken; bevestigt dat dergelijke financiering de ontwikkeling van meer duurzame, innovatieve en veerkrachtige toeristische producten en diensten van hoge kwaliteit moet ondersteunen, en verder moet bijdragen tot duurzaamheid, reizen buiten het seizoen en een geografische spreiding van de toeristenstromen; is van mening dat er steun en coördinatie op EU-niveau nodig is om de administratie van het toerisme op nationaal, regionaal en lokaal niveau te verbeteren, onder meer door de invoering van een duurzaamheidscertificering voor het toerisme; onderstreept hoe belangrijk het is een verschuiving van massatoerisme naar andere vormen van cultureel en duurzaam toerisme te bevorderen, die ons milieu en ons cultureel erfgoed in acht nemen;

39.  benadrukt het belang van toerisme voor bepaalde landen en regio’s van de EU, waar diensten die verband houden met toerisme vaak een belangrijke factor voor het behoud van werkgelegenheid en een van de belangrijkste bronnen van inkomsten voor de plaatselijke bevolking vormen; verzoekt de Commissie om maatregelen op maat uit te werken voor de herinvoering van het vrije verkeer en het herstel van de transportverbindingen tussen de ultraperifere regio’s en eilanden en het vasteland van de EU; wijst erop dat specifieke verbindingen en aanvullende financiële en administratieve ondersteuning van het grootste belang zijn voor deze regio’s; benadrukt dat er in de EU‑strategie en ‑initiatieven op het gebied van toerisme aandacht moet komen voor kustgebieden en maritieme gebieden, onder meer in de vorm van financieringsmogelijkheden en promotie- en communicatiemiddelen, en dat de werking van de relevante markten moet worden versterkt door in samenwerking met de belanghebbenden en autoriteiten op maat gemaakt beleid te ontwikkelen; herinnert eraan dat het belangrijk is steun te geven aan familiebedrijven die lokale of regionale markten ontwikkelen en het lokale toerisme bevorderen, aangezien zij zorgen voor een groot deel van de werkgelegenheid in de Europese particuliere sector en de natuurlijke kweekvijver van een ondernemingscultuur vormen;

40.  herinnert eraan dat cultureel toerisme 40 % van al het Europese toerisme uitmaakt en dat 68 % van de Europeanen aangeven dat de aanwezigheid van cultureel erfgoed, inclusief toeristische routes, zoals de Weg naar Compostella, die in 2021 een jubileumjaar (ook wel Jakobsjaar genoemd) viert, meeweegt bij de keuze van hun vakantiebestemming(2); verzoekt de Commissie dan ook de lidstaten voor te stellen dat zij in het volgende werkplan voor cultuur duidelijke, strategische en operationele resultaatgerichte doelstellingen vaststellen, en het huidige strategische kader voor cultuur te verbeteren; benadrukt dat investeringen in cultureel belangrijke plaatsen moeten worden gezien en behandeld als een middel om het concurrentievermogen en de groei op lokaal niveau te verbeteren, waarbij niet mag worden voorbijgegaan aan de intrinsieke waarde van deze plaatsen als onderdeel van ons cultureel erfgoed, dat moet worden beschermd, met name tegen de klimaatverandering en het overtoerisme; verzoekt de Commissie de financiële duurzaamheid van culturele plaatsen waaraan financiering met middelen van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) wordt toegekend, te vergroten, en de ontwikkeling te bevorderen van financieringsregelingen die stoelen op particuliere middelen; dringt daarnaast aan op een verhoging van de begroting voor Discover EU, een programma met het potentieel om het jongerentoerisme flink aan te wakkeren; benadrukt de specifieke behoeften van de culturele instellingen die overheidssteun ontvangen tijdens deze periode van herstel, aangezien zij de veiligheid van de bezoekers moeten waarborgen en hun economische model in stand moeten kunnen houden; verzoekt de Commissie op zoek te gaan naar alternatieve ondersteuningsmechanismen voor de werkenden in de culturele sector, die sterk afhankelijk zijn van functioneel toerisme;

41.  wijst op de voordelen van het plattelands- en het agro-milieutoerisme, en verzoekt de Commissie initiatieven te bevorderen en te ondersteunen die extra inkomstenbronnen voor het platteland genereren, werkgelegenheidskansen bieden, ontvolking voorkomen en de sociale voordelen vergroten; benadrukt de rol die het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), en met name het Leader-programma, kan spelen bij de ondersteuning van initiatieven voor lokaal en plattelandstoerisme, en dringt erop aan dat dit programma naar behoren wordt gefinancierd voor de programmeringsperiode 2021‑2027; acht het noodzakelijk het agrotoerisme in plattelandsgebieden te versterken om de inkomstenbronnen van landbouwers, met name van kleine boeren, te diversifiëren en daardoor het opgeven van land en ontvolking te voorkomen en de plattelandseconomie te ondersteunen; benadrukt in dit verband de noodzaak om een specifieke toewijzing te reserveren voor agrotoerisme, dat een essentiële rol speelt bij de diversificatie van de inkomsten van landbouwers en bij de ontwikkeling van plattelandsgebieden;

42.  wijst op het belang van gezondheidstoerisme, dat medisch, wellness- en kuurtoerisme omvat; roept de Commissie op om, waar nodig, het Europees gezondheidspreventie-, balneologie-, duurzaam en medisch bergtoerisme te bevorderen; benadrukt de noodzaak van verdere investeringen ter verbetering van de infrastructuur voor duurzaam toerisme en het belang van een betere zichtbaarheid van de Europese kuuroorden voor kuur- en wellnesstoerisme; roept de Commissie op voorzieningen te treffen voor verdere, op wetenschap gebaseerde financieringsmogelijkheden, aangezien medisch toerisme kan helpen om de gezondheidskosten terug te dringen door middel van preventiemaatregelen en verminderd geneesmiddelenverbruik, en de duurzaamheid en kwaliteit van arbeid verder zou verbeteren;

43.  onderstreept het belang van de toegankelijkheid van reis- en toeristische diensten voor de ouder wordende bevolking, alsook voor personen met een handicap en functiebeperkingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de in gang gezette ontwikkeling van de norm van de Internationale Organisatie voor normalisatie inzake toegankelijke toeristische diensten actief te steunen en ervoor te zorgen dat deze snel en correct wordt uitgevoerd zodra hij is aangenomen en dat dienstverleners de reeds bestaande of nog in uitvoering zijnde toegankelijkheidsnormen in acht nemen; verzoekt de Commissie verder werk te maken van een bredere toepassing en erkenning van de EU-kaart voor gehandicapten;

44.  benadrukt de belangrijke rol die sport speelt in het toerisme, en herinnert eraan hoe essentieel sportevenementen en -activiteiten zijn om Europese regio’s aantrekkelijk te maken voor toeristen; wijst op de mogelijkheden van topsporters en toeschouwers die naar sportevenementen reizen, hetgeen toeristen ertoe kan aanzetten om zelfs naar de meest afgelegen gebieden te gaan; wijst op het belang van de Europese gastronomie, gastronomische routes en de horecasector voor de toeristische sector en de economie als geheel; benadrukt dat de bovenstaande facetten dan ook in de algemene toerismestrategie moeten worden opgenomen;

o
o   o

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Commissie, de voorzitter van de Europese Raad en het fungerend voorzitterschap van de Raad.

(1) Artikel 195, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
(2) Speciale Eurobarometer 466 – Verslag over het cultureel erfgoed, 12/2017.


Administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen: uitstel van bepaalde termijnen als gevolg van de COVID-19-pandemie *
PDF 150kWORD 45k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU om te voorzien in de dringende behoefte aan uitstel van bepaalde termijnen voor de verstrekking en uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied als gevolg van de COVID-19-pandemie (COM(2020)0197 – C9-0134/2020 – 2020/0081(CNS))
P9_TA(2020)0170

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2020)0197),

–  gezien de artikelen 113 en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9-0134/2020),

–  gezien de artikelen 82 en 163 van zijn Reglement,

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Bij het bepalen van de duur van het uitstel moet er enerzijds rekening mee worden gehouden dat dit uitstel bedoeld is om een uitzonderlijke situatie het hoofd te bieden en anderzijds dat het uitstel de bestaande structuur en werking van Richtlijn 2011/16/EU niet mag verstoren. Het zou dus passend zijn als de duur van het uitstel in verhouding staat tot de moeilijkheden die de COVID-19-pandemie veroorzaakt wat betreft de verstrekking en uitwisseling van inlichtingen.
(5)  Bij het bepalen van de duur van het uitstel moet er rekening mee worden gehouden dat dit uitstel bedoeld is om een uitzonderlijke situatie het hoofd te bieden. Het mag het beleid van de Unie ter bestrijding van belastingontduiking, belastingontwijking en agressieve belastingplanning middels de uitwisseling van informatie tussen belastingdiensten niet ondermijnen en mag de bestaande structuur en werking van Richtlijn 2011/16/EU bijgevolg niet verstoren. Het zou dus passend zijn als de duur van het uitstel in verhouding staat tot de moeilijkheden die de COVID-19-pandemie veroorzaakt wat betreft de verstrekking en uitwisseling van inlichtingen.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)   Aangezien het momenteel onzeker is hoe de COVID-19-pandemie zich verder zal ontwikkelen, zou het nuttig zijn om de mogelijkheid van een verder uitstel voor het verstrekken en uitwisselen van inlichtingen open te laten. Dit kan nodig zijn indien de ernstige volksgezondheidsrisico’s als gevolg van de COVID-19-pandemie aanhouden gedurende een (deel van) de periode van uitstel en de lidstaten nieuwe maatregelen moeten nemen of bestaande maatregelen moeten verlengen. Een dergelijke verlenging mag de bestaande structuur en werking van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad niet verstoren en moet van een beperkte en van tevoren vastgestelde duur zijn, in verhouding tot de praktische moeilijkheden die de tijdelijke lockdown veroorzaakt. De verlenging mag geen gevolgen hebben voor de essentiële elementen van de verplichting om inlichtingen te verstrekken en uit te wisselen uit hoofde van deze richtlijn. De termijn voor het nakomen van dergelijke verplichtingen kan wel verder worden uitgesteld, maar tegelijkertijd moet worden gegarandeerd dat alle inlichtingen uiteindelijk worden uitgewisseld.
Schrappen
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 27 ter
Artikel 27 ter
Verlenging van de periode van uitstel
Schrappen
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 27 quater een gedelegeerde handeling vast te stellen teneinde de periode van uitstel voor het verstrekken en uitwisselen van inlichtingen als bedoel in artikel 8 bis ter, leden 12 en 18, en artikel 27 bis, met maximaal drie extra maanden te verlengen.
De Commissie mag de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handeling alleen vaststellen als gedurende de hele periode van uitstel, of een deel ervan, de uitzonderlijke omstandigheden met ernstige risico’s voor de volksgezondheid als gevolg van de COVID-19-pandemie aanhouden en lidstaten lockdownmaatregelen moeten treffen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2011/16/EU
Artikel 27 quater
Artikel 27 quater
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Schrappen
1.  De bevoegdheid om de in artikel 27 ter bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend overeenkomstig de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De bevoegdheid om de in artikel 27 ter bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, wordt slechts aan de Commissie verleend voor de duur van het uitstel van de termijnen voor het verstrekken en uitwisselen van inlichtingen als bedoeld in artikel 8 bis ter, leden 12 en 18, en artikel 27 bis.
3.  De Raad kan de in artikel 27 ter bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handeling onverlet.
4.  Vóór de vaststelling van de gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.
5.  Zodra de Commissie de gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan kennisgeving aan de Raad. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan de Raad worden de redenen voor het gebruik van de spoedprocedure vermeld.
6.  De overeenkomstig artikel 27 ter vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang de Raad geen bezwaar maakt. De Raad kan binnen vijf werkdagen na kennisgeving van de gedelegeerde handeling bezwaar maken tegen die handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij de Raad bezwaar maakt.
7.  De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van een door haar vastgestelde gedelegeerde handeling, de mogelijke bezwaren die daartegen worden gemaakt en de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.

Uitzonderlijke, tijdelijke Elfpo-steun in reactie op de uitbraak van COVID-19 (wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013) ***I
PDF 124kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wat betreft specifieke maatregelen om uitzonderlijke, tijdelijke Elfpo-steun te verlenen in reactie op de uitbraak van COVID-19 (COM(2020)0186 – C9-0128/2020 – 2020/0075(COD))
P9_TA(2020)0171

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2020)0186),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 42 en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0128/2020),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 4 juni 2020 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 163 van zijn Reglement,

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 19 juni 2020 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2020/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wat betreft een specifieke maatregel om uitzonderlijke tijdelijke steun te verlenen uit hoofde van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) in reactie op de COVID-19-uitbraak

P9_TC1-COD(2020)0075


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2020/872.)

(1) Advies van 11 juni 2020.


Europees burgerinitiatief: tijdelijke maatregelen inzake de verzamel-, verificatie- en onderzoeksperioden in het licht van de COVID-19-uitbraak ***I
PDF 147kWORD 46k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 19 juni 2020 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van tijdelijke maatregelen inzake de verzamel-, verificatie- en onderzoeksperioden als vastgesteld in Verordening (EU) 2019/788 inzake het Europees burgerinitiatief in het licht van de COVID-19-uitbraak (COM(2020)0221 – C9-0142/2020 – 2020/0099(COD))(1)
P9_TA(2020)0172

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Op 11 maart 2020 kondigde de Wereldgezondheidsorganisatie aan dat de COVID-19-uitbraak een wereldwijde pandemie was geworden. De gevolgen van deze pandemie voor de lidstaten zijn ingrijpend en uitzonderlijk. De lidstaten hebben een reeks beperkende maatregelen genomen om de overdracht van COVID-19 tegen te houden of te vertragen, met inbegrip van lockdownmaatregelen ter beperking van het vrije verkeer van hun burgers, een verbod op openbare evenementen en de sluiting van winkels, restaurants en scholen. Deze maatregelen hebben het openbare leven in bijna alle lidstaten nagenoeg lamgelegd.
(1)  Op 11 maart 2020 kondigde de Wereldgezondheidsorganisatie aan dat de COVID-19-uitbraak een wereldwijde pandemie was geworden. De gevolgen van deze pandemie voor de lidstaten zijn ingrijpend en uitzonderlijk. De lidstaten hebben een reeks beperkende maatregelen genomen om de overdracht van COVID-19 tegen te houden of te vertragen, met inbegrip van lockdownmaatregelen ter beperking van het vrije verkeer van hun burgers, een verbod op openbare evenementen en de sluiting van winkels, restaurants en scholen. Deze maatregelen hebben het openbare leven in bijna alle lidstaten lamgelegd.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  De lidstaten hebben aangegeven dat zij de beperkingen die naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zijn ingevoerd, met het oog op de bewaking en de beheersing van de volksgezondheid slechts geleidelijk zullen versoepelen. Daarom is het passend de periode voor het verzamelen van steunbetuigingen met ingang van 11 maart 2020 – de datum waarop de Wereldgezondheidsorganisatie aankondigde dat de uitbraak een pandemie was geworden – met zes maanden te verlengen. Deze verlenging is gebaseerd op de aanname dat ten minste in de eerste zes maanden sinds 11 maart 2020 in een meerderheid van de lidstaten of een aantal lidstaten die samen meer dan 35 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, maatregelen van kracht zijn die het de organisatoren aanzienlijk moeilijker maken om lokaal campagne te voeren en steunbetuigingen op papier te verzamelen. De verzamelperiode voor initiatieven waarvoor het verzamelen van steunbetuigingen op 11 maart 2020 reeds aan de gang was, moet daarom met zes maanden worden verlengd. Wanneer de verzamelperiode voor een initiatief na 11 maart van start is gegaan, moet die periode dienovereenkomstig worden verlengd.
(6)  De lidstaten hebben aangegeven dat zij de beperkingen die naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zijn ingevoerd, met het oog op de bewaking en de beheersing van de volksgezondheid slechts geleidelijk zullen versoepelen. Daarom is het passend de periode voor het verzamelen van steunbetuigingen met ingang van 11 maart 2020 – de datum waarop de Wereldgezondheidsorganisatie aankondigde dat de uitbraak een pandemie was geworden – met zes maanden te verlengen. Deze verlenging is gebaseerd op de aanname dat ten minste in de eerste zes maanden sinds 11 maart 2020 in ten minste een kwart van de lidstaten of een aantal lidstaten die samen meer dan 35 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, maatregelen van kracht zijn die het de organisatoren aanzienlijk moeilijker maken om lokaal campagne te voeren en steunbetuigingen op papier te verzamelen. De verzamelperiode voor initiatieven waarvoor het verzamelen van steunbetuigingen op 11 maart 2020 reeds aan de gang was, moet daarom met zes maanden worden verlengd. Wanneer de verzamelperiode voor een initiatief na 11 maart van start is gegaan, moet die periode dienovereenkomstig worden verlengd.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Aangezien het einde van de pandemie in de Unie moeilijk te voorspellen is, is het passend de Commissie te machtigen tot het vaststellen van uitvoeringshandelingen om de verzamelperiode voor initiatieven waarvoor de verzamelperiode op 11 september 2020 nog steeds loopt, verder te verlengen wanneer de uitzonderlijke omstandigheden die voortvloeien uit de COVID-19-pandemie, nog steeds bestaan. De zesmaandelijkse verlenging van de verzamelperiode waarin deze verordening voorziet, moet de Commissie voldoende tijd geven om te bepalen of een verdere verlenging van de verzamelperiode gerechtvaardigd is. De machtiging moet de Commissie ook in staat stellen uitvoeringshandelingen vast te stellen om, in het geval van een nieuwe volksgezondheidscrisis ten gevolge van een nieuwe COVID-19-uitbraak, de verzamelperiode te verlengen, mits een meerderheid van de lidstaten of een aantal lidstaten die samen meer dan 35 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, maatregelen heeft genomen die waarschijnlijk hetzelfde effect zullen hebben.
(7)  Aangezien het einde van de pandemie in de Unie moeilijk te voorspellen is, is het passend de Commissie te machtigen tot het vaststellen van uitvoeringshandelingen om de verzamelperiode voor initiatieven waarvoor de verzamelperiode op 11 september 2020 nog steeds loopt, verder te verlengen wanneer de uitzonderlijke omstandigheden die voortvloeien uit de COVID-19-pandemie, nog steeds bestaan. De zesmaandelijkse verlenging van de verzamelperiode waarin deze verordening voorziet, moet de Commissie voldoende tijd geven om te bepalen of een verdere verlenging van de verzamelperiode gerechtvaardigd is. De machtiging moet de Commissie ook in staat stellen uitvoeringshandelingen vast te stellen om, in het geval van een nieuwe volksgezondheidscrisis ten gevolge van een nieuwe COVID-19-uitbraak, de verzamelperiode te verlengen, mits ten minste een kwart van de lidstaten of een aantal lidstaten die samen meer dan 35 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, maatregelen heeft genomen die waarschijnlijk hetzelfde effect zullen hebben.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De Commissie brengt de organisatoren en de lidstaten op de hoogte van de voor elk betrokken initiatief verleende uitbreiding en publiceert haar beslissing in het onlineregister als bedoeld in artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2019/788. Bovendien maakt zij de lijst van al deze initiatieven en de nieuwe verzamelperiode voor elk initiatief bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 – alinea 1
(2)  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de maximale verzamelperioden als bedoeld in lid 1 te verlengen indien een meerderheid van de lidstaten of een aantal lidstaten die samen meer dan 35 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, na 11 september 2020 nog steeds maatregelen naar aanleiding van de COVID-19-pandemie toepassen die het voor organisatoren aanzienlijk moeilijker maken steunbetuigingen op papier te verzamelen en het publiek over hun lopende initiatieven te informeren.
(2)  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de maximale verzamelperioden als bedoeld in lid 1 te verlengen indien ten minste een kwart van de lidstaten of een aantal lidstaten die samen meer dan 35 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, na 11 september 2020 nog steeds maatregelen naar aanleiding van de COVID-19-pandemie toepassen die het voor organisatoren aanzienlijk moeilijker maken steunbetuigingen op papier te verzamelen en het publiek over hun lopende initiatieven te informeren.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 – alinea 2
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de maximale verzamelperiode voor initiatieven waarvoor de verzameling op het moment van een nieuwe uitbraak van COVID-19 aan de gang is, te verlengen mits een meerderheid van de lidstaten of een aantal lidstaten die samen meer dan 35 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, om maatregelen toepassen die de organisatoren van deze initiatieven in dezelfde mate treffen.
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de maximale verzamelperiode voor initiatieven waarvoor de verzameling op het moment van een nieuwe uitbraak van COVID-19 aan de gang is, te verlengen mits ten minste een kwart van de lidstaten of een aantal lidstaten die samen meer dan 35 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, maatregelen toepassen die de organisatoren van deze initiatieven in dezelfde mate treffen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 – alinea 3
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 6, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure en moeten aangeven om welke initiatieven het gaat en wat de nieuwe einddatum van de verzamelperiode is.
In de in de eerste en tweede alinea bedoelde uitvoeringshandelingen worden de initiatieven vermeld waarvoor de verzamelperiode wordt verlengd, alsook de nieuwe einddatum van de verzamelperiode voor deze initiatieven en de resultaten van de in de vijfde alinea bedoelde beoordeling.
De in dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 6, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 – alinea 5
Om na te gaan of aan de in de eerste en tweede alinea vastgestelde vereiste is voldaan, verstrekken de lidstaten de Commissie op verzoek informatie over de maatregelen die zij naar aanleiding van de COVID-19-pandemie hebben genomen of van plan zijn te nemen.
De lidstaten verstrekken de Commissie op verzoek informatie over de maatregelen die zij hebben genomen of voornemens zijn te nemen naar aanleiding van de COVID-19-pandemie of naar aanleiding van een nieuwe COVID-19-uitbraak.
Om te beoordelen of aan de vereisten van de eerste en tweede alinea is voldaan, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin de gedetailleerde criteria voor een dergelijke beoordeling worden vastgelegd.
Amendment 14
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
(1)  Wanneer het Europees Parlement of de Commissie sinds 11 maart 2020 moeilijkheden bij het organiseren van een openbare hoorzitting of een bijeenkomst met de organisatoren ondervindt vanwege de maatregelen die naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zijn genomen door de lidstaat waar de betrokken instelling van plan is de hoorzitting of de bijeenkomst te organiseren, wordt de hoorzitting of de bijeenkomst, onverminderd artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2019/788, georganiseerd zodra de volksgezondheidssituatie in de betrokken lidstaat dit weer toelaat.
(1)  Wanneer het Europees Parlement of de Commissie sinds 11 maart 2020 moeilijkheden bij het organiseren van een openbare hoorzitting of een bijeenkomst met de organisatoren ondervindt vanwege de maatregelen die naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zijn genomen door de lidstaat waar de betrokken instelling van plan is de hoorzitting of de bijeenkomst te organiseren, wordt de hoorzitting of de bijeenkomst, onverminderd artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2019/788, georganiseerd zodra de volksgezondheidssituatie in de betrokken lidstaat dit weer toelaat, of, als de organisatoren instemmen met deelname vanop afstand aan de hoorzitting of bijeenkomst, zodra zij met de instellingen een datum hiervoor kunnen overeenkomen.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement.


De demonstraties tegen racisme naar aanleiding van de dood van George Floyd
PDF 153kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de antiracismedemonstraties na de dood van George Floyd (2020/2685(RSP))
P9_TA(2020)0173B9-0196/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name de tweede en de vierde tot en met de zevende alinea van de preambule, artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede alinea, en artikel 6,

–  gezien de artikelen 10 en 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 2, 3, 4, 5 en 21,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(2),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ(3),

–  gezien het verslag over de grondrechten 2020 van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), de Tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II), gepubliceerd in december 2017 door het FRA, de FRA-enquêtes “Being black in the EU”, gepubliceerd op respectievelijk 23 november 2018 en 15 november 2019, en het verslag van het FRA over ervaringen van mensen van Afrikaanse afkomst met rassendiscriminatie en racistisch geweld in de EU,

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017(4),

–  gezien zijn eerdere resoluties over racisme en haat tegen minderheden in de wereld,

–  gezien zijn resolutie van 26 maart 2019 over de grondrechten van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2019 over het recht op vreedzaam protest en het evenredig gebruik van geweld(6),

–  gezien de oprichting in juni 2016 van de EU-groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid,

–  gezien de algemene beleidsaanbevelingen van de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI),

–  gezien de persconferentie via een videoverbinding met de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 2 juni 2020 na de dood van George Floyd,

–  gezien zijn gedachtewisseling van 5 juni 2020 over het geval George Floyd in de Subcommissie mensenrechten,

–  gezien de publicatie van het FRA van 5 december 2018, getiteld “Preventing unlawful profiling today and in the future: a guide” (Het voorkomen van onrechtmatige profilering vandaag en in de toekomst: een leidraad),

–  gezien protocol nr. 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat discriminatie verbiedt,

–  gezien de aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 19 september 2001 betreffende de Europese code voor politie-ethiek,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en de algemene aanbevelingen van de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie,

–  gezien de verklaring van Michelle Bachelet, Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens, van 28 mei 2020 waarin het doden van George Floyd wordt veroordeeld,

–  gezien de verklaring over de protesten tegen systemisch racisme in de Verenigde Staten van 5 juni 2020 van de onafhankelijke deskundigen van de speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien de Verklaring en het actieprogramma van Durban en de follow-up daarvan, en het verslag van de Speciale rapporteur van de VN over hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, xenofobie en daarmee verband houdende onverdraagzaamheid over bestrijding van racisme, rassendiscriminatie, xenofobie en daarmee verband houdende onverdraagzaamheid,

–  gezien het Internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst,

–  gezien de grondwet van de VS,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 25 mei 2020 George Floyd, een 46-jarige ongewapende Afro-Amerikaanse man, werd gearresteerd wegens het vermeende gebruik van een vals bankbiljet en werd gedood in Minneapolis, Minnesota, nadat een witte politieagent gedurende 8 minuten en 46 seconden zijn knie op zijn hals hield; overwegende dat George Floyd herhaaldelijk zei dat hij niet kon ademen;

B.  overwegende dat de dood van George Floyd, toegevoegd aan de lijst van andere voorbeelden van gebruik van buitensporig geweld en van doodslag door politieagenten, heeft geleid tot massale betogingen en protesten tegen racisme en politiegeweld in de Verenigde Staten en de rest van de wereld;

C.  overwegende dat, na de massale protesten, de eerste aanklacht tegen politieagent Derek Chauvin voor onopzettelijke doodslag in de derde graad is vervangen door een aanklacht voor opzettelijke doodslag in de tweede graad, een aanklacht waarop een maximale straf van 35 jaar staat; overwegende dat de drie andere bij de arrestatie van George Floyd betrokken politieagenten ontslagen zijn en aangeklaagd zijn voor medeplichtigheid;

D.  overwegende dat het geweld en de vernieling van eigendommen het probleem van diepgewortelde discriminatie niet zullen oplossen en stevig aan de kaak moeten worden gesteld; overwegende dat de demonstranten op vreedzame wijze uiting moeten geven aan hun roep om gerechtigheid en dat de politie en andere ordehandhavingsdiensten de huidige gespannen situatie niet verder mogen laten escaleren door buitensporig geweld te gebruiken;

E.  overwegende dat aan de protesten na de dood van George Floyd een lange geschiedenis van politiegeweld en racisme in de VS is voorafgegaan; overwegende dat in de VS de gevangenispopulatie voor meer dan 40% bestaat uit zwarte en gekleurde mensen, terwijl deze groepen 13% van de totale bevolking uitmaken; overwegende dat het sterftecijfer tijdens inverzekeringstelling in de VS zes keer zo hoog is van zwarte mensen dan van blanke mensen en drie keer zo hoog is dan van Latijns-Amerikanen(7), en dat mensen van kleur onevenredig zwaar getroffen worden door het gebruik van buitensporig en dodelijk geweld;

F.  overwegende dat tijdens de protesten, waaronder in Minneapolis, enkele losstaande geweldsincidenten hebben plaatsgevonden;

G.  overwegende dat president Trump de nationale garde heeft ingezet;

H.  overwegende dat de reactie en de opruiende taal van de president van de VS, waaronder zijn dreigementen om het leger van de VS in te zetten als de aanhoudende protesten niet stopten, de protesten alleen maar hebben doen toenemen;

I.  overwegende dat een verslaggever van CNN, Omar Jimenez, en zijn collega’s zijn gearresteerd tijdens hun verslaggeving van de protesten van Minneapolis en naderhand zijn vrijgelaten nadat bevestigd was dat zij deel uitmaakten van de media; overwegende dat een groot aantal journalisten ervan werd weerhouden vrij te berichten over de demonstraties, ondanks het feit dat hun mediastatus zichtbaar was, tientallen door politieagenten aangevallen werden en enkelen daardoor ernstige verwondingen hebben opgelopen;

J.  overwegende dat de EU zich ertoe verbindt de vrijheid van meningsuiting en informatie alsook de vrijheid van vergadering en vereniging te eerbiedigen; overwegende dat volgens de jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie elke inperking van grondrechten en burgerlijke vrijheden de beginselen van rechtmatigheid, noodzaak en evenredigheid moet eerbiedigen;

K.  overwegende dat de uitoefening van deze vrijheid plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt en daarom kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechtelijke macht te waarborgen, zoals bepaald in artikel 10 van het EVRM;

L.  overwegende dat de EU overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie “de essentiële staatsfuncties [van de lidstaten eerbiedigt], met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid”; overwegende dat “met name de nationale veiligheid [...] de uitsluitende verantwoordelijkheid van elke lidstaat [blijft]”;

M.  overwegende dat na de dood van George Floyd en de protesten in de VS, duizenden mensen in Europese steden en andere steden over de hele wereld aan betogingen hebben deelgenomen ter ondersteuning van de protesten van de VS, en om samen met de beweging “Black Lives Matter” tegen racisme te demonstreren; overwegende dat de beweging “Black Lives Matter” niet nieuw is;

N.  overwegende dat in sommige EU-lidstaten de protesten de beweging tegen op zwarte mensen en mensen van kleur gericht racisme hebben versterkt, en tevens hebben geleid tot de herinnering aan het koloniale verleden van Europa en zijn rol in de trans-Atlantische slavenhandel; overwegende dat deze vormen van onrechtvaardigheid en misdaden tegen de menselijkheid op EU- en nationaal niveau moeten worden erkend en op institutioneel niveau en in het onderwijs moeten worden aangepakt;

O.  overwegende dat delen van de internationale gemeenschap het buitensporig gebruik van geweld krachtig heeft verworpen, geweld en racisme van welke aard ook heeft veroordeeld, en heeft opgeroepen al deze incidenten snel, doeltreffend en met volledige eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten aan te pakken; overwegende dat de leidende vertegenwoordigers van de EU-instellingen het racisme en de wreedheid door de politie die hebben geleid tot de dood van George Floyd en andere personen publiekelijk en onvoorwaardelijk moeten veroordelen;

P.  overwegende dat democratie, de rechtsstaat en de grondrechten belangrijke beginselen zijn die in het EU-recht zijn verankerd; overwegende dat deze gedeelde beginselen en waarden ons moeten verenigen bij de bestrijding van onrecht, racisme en discriminatie van alle vormen;

Q.  overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat verankerd is in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en volledig geëerbiedigd moet worden;

R.  overwegende dat op grond van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie elke vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, verboden is;

S.  overwegende dat het EU-motto “in verscheidenheid verenigd” niet alleen de nationaliteit omvat, maar ook alle bovengenoemde aspecten;

T.  overwegende dat racisme wereldwijd een punt van zorg is en dat racistische en xenofobe gedragingen nog steeds overal ter wereld bestaan;

U.  overwegende dat structureel racisme ook weerspiegeld wordt in sociaal-economische ongelijkheid en armoede, en dat deze factoren elkaar beïnvloeden en versterken; overwegende dat dit met name zichtbaar is op de arbeidsmarkt, waar gekleurde mensen het meest kwetsbaar zijn, maar ook tot uiting komt op het gebied van huisvesting en onderwijs; overwegende dat maatregelen voor gelijkheid en tegen structureel racisme hand in hand gaan, en dat deze kwesties systematisch moeten worden aangepakt;

V.  overwegende dat rassendiscriminatie en intimidatie volgens het FRA in de hele Europese Unie nog steeds gemeengoed zijn(8); overwegende dat raciale en etnische minderheden het slachtoffer zijn van intimidatie, geweld en haatzaaiende uitingen, zowel online als offline; overwegende dat raciale en etnische minderheden in de EU worden geconfronteerd met structurele discriminatie op alle gebieden, met inbegrip van huisvesting, gezondheidszorg, werkgelegenheid en onderwijs;

W.  overwegende dat uit de FRA-enquête blijkt dat de geracialiseerde groepen die vanwege hun etnische of migratieachtergrond het meest onder racisme en discriminatie in Europa te lijden hebben, bestaan uit Roma, mensen uit Noord-Afrika en Afrikanen van bezuiden de Sahara(9); overwegende dat uit de FRA-enquête ook blijkt dat het niveau van discriminatie en racisme ten aanzien van de moslim-(10) en joodse gemeenschap(11) hoog is;

X.  overwegende dat bepaalde opinieleiders en politici in de gehele EU er hardnekkige racistische en xenofobische denkbeelden op na houden, waardoor er een maatschappelijk klimaat ontstaat dat als voedingsbodem dient voor racisme, discriminatie en haatmisdrijven; overwegende dat dit klimaat verder wordt aangewakkerd door populistische en extremistische bewegingen die onze samenlevingen proberen te verdelen; overwegende dat dergelijke handelingen in strijd zijn met de gemeenschappelijke Europese waarden die alle lidstaten hebben onderschreven;

Y.  overwegende dat de werkzaamheden van de politie en rechtshandhavingsinstanties erop gericht zijn de veiligheid van de burgers in de EU te waarborgen en de burgers te beschermen tegen misdaad, terrorisme en illegale activiteiten en acties, en om - soms in moeilijke omstandigheden - toepassing te geven aan het recht; overwegende dat politieagenten vaak hun levens op het spel zetten om anderen te beschermen;

Z.  overwegende dat racisme, discriminatie en buitensporig en dodelijk politiegeweld verschijnselen zijn die ook binnen de EU voorkomen; overwegende dat er op rechtshandhavingsinstanties in diverse lidstaten kritiek is geuit omdat zij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan het gebruik van buitensporig geweld; overwegende dat fysiek geweld tegen een persoon, uitgeoefend door de politie of andere overheidsfunctionarissen, dat niet strikt noodzakelijk is vanwege het gedrag van de betreffende persoon een schending is van de menselijke waardigheid en in beginsel een inbreuk vormt op het in artikel 3 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens neergelegde recht(12); overwegende dat het gebruik van geweld waar dat niet nodig is ten strengste veroordeeld dient te worden;

AA.  overwegende dat uit verslagen van het FRA blijkt dat zwarte mensen en mensen van kleur in de EU te maken hebben met discriminerende profilering op basis van ras; overwegende dat een kwart van alle mensen van Afrikaanse afkomst die aan het onderzoek van het FRA meededen in de vijf jaar voorafgaand aan het onderzoek door de politie staande waren gehouden en dat van die groep 41 % van oordeel was dat er bij de laatste keer dat zij staande werden gehouden sprake was van raciale profilering(13);

AB.  overwegende dat de meerderheid (63 %) van de slachtoffers van racistische gewelddadige handelingen door de politie geen aangifte deed omdat zij verwachtten dat hun aangifte nergens toe zou leiden (34 %) of omdat zij geen vertrouwen hebben in of bang zijn voor de politie (28 %)(14); overwegende dat het belangrijk is dat de bescherming van en toegang tot de rechter voor slachtoffers van politiegeweld gewaarborgd wordt;

AC.  overwegende dat uit het jaarverslag van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE (ODIHR) over haatmisdrijven blijkt dat zwarte mensen en mensen van kleur dikwijls het slachtoffer zijn van racistisch geweld, maar dat er in veel landen geen juridische bijstand of financiële ondersteuning wordt geboden aan de slachtoffers van dergelijke gewelddadige aanvallen;

AD.  overwegende dat de EU-instellingen concrete maatregelen moeten nemen om structureel racisme, discriminatie en ondervertegenwoordiging van raciale en etnische minderheden binnen hun structuren aan te pakken;

AE.  overwegende dat de strijd tegen racisme en discriminatie in onze samenlevingen opgevoerd moet worden en dat wij daar met zijn allen verantwoordelijk voor zijn; overwegende dat de Europese Unie dringend moet gaan nadenken over en zich moet gaan inzetten voor de bestrijding van structureel racisme en structurele discriminatie van minderheden;

1.  bekrachtigt dat zwarte levens er toe doen;

2.  veroordeelt ten stelligste de vreselijke dood van George Floyd in de VS en alle andere gelijksoortige moorden waar dan ook in de wereld; spreekt zijn medeleven uit met de vrienden en familieleden van George Floyd en die van alle andere slachtoffers; dringt er bij de autoriteiten op aan om grondig onderzoek te doen naar dit voorval en naar gelijksoortige voorvallen en de personen die daarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen;

3.  veroordeelt met klem alle vormen van racisme, haat en geweld, alsook alle fysieke en verbale aanvallen gericht tegen mensen vanwege hun ras, etnische herkomst, godsdienst of overtuiging of nationaliteit in de publieke en de private sfeer; herinnert eraan dat er in onze samenlevingen geen plaats is voor racisme en discriminatie; dringt er bij de Commissie, de Europese Raad en de Raad op aan krachtig stelling te nemen tegen racisme, geweld en onrecht in Europa;

4.  verzoekt de regering en de autoriteiten van de Verenigde Staten om krachtdadige maatregelen te nemen tegen structureel racisme en structurele ongelijkheden in de VS, waarvan het hardhandige politieoptreden een uiting is; veroordeelt het hardhandige optreden van de politie tegen vreedzame demonstranten en journalisten in de VS en betreurt ten zeerste dat de president van de VS heeft gedreigd het Amerikaanse leger in te zetten;

5.  steunt de recente grootschalige demonstraties tegen racisme en discriminatie die sinds de dood van George Floyd overal ter wereld werden gehouden; wijst op de oproep van de demonstranten om stelling te nemen tegen onderdrukking en structureel racisme in Europa; geeft uiting aan zijn solidariteit met, waardering voor, en steun aan de vreedzame demonstraties en is van oordeel dat wij er allen aan moeten werken om een einde te maken aan structureel racisme en ongelijkheid; herinnert eraan dat in internationale verdragen is neergelegd dat elk individu het recht heeft om vreedzaam te demonstreren; veroordeelt de geweldsincidenten die hier en daar hebben plaatsgevonden;

6.  veroordeelt elke vorm van superioriteitsgevoel van blanke mensen, waaronder het gebruik van slogans die erop gericht zijn de Black Lives Matter-beweging te ondermijnen of te belasteren en de betekenis ervan te bagatelliseren;

7.  veroordeelt de gevallen van plundering, brandstichting, vandalisme en vernieling van openbare en particuliere eigendommen die door een aantal gewelddadige demonstranten zijn veroorzaakt; hekelt de extremistische en antidemocratische krachten die de vreedzame protesten doelbewust misbruiken om de conflicten te verergeren met als doel wanorde en anarchie te verspreiden;

8.  dringt er bij alle politieke leiders en alle burgers op aan om onze waarden niet te laten afbrokkelen, maar zich krachtig in te zetten voor de bevordering van de mensenrechten, democratie, gelijkheid voor de wet en vrije en onafhankelijke media; veroordeelt alle verklaringen en elk optreden door politieke leiders waarmee deze waarden onder druk komen te staan en waarmee de verdeeldheid in onze samenlevingen wordt verergerd; merkt op dat de EU en de VS deze waarden gemeen hebben en dat deze waarden ten grondslag liggen aan de trans-Atlantische samenwerking tussen de VS en de EU; wijst op het belang van nauwere interparlementaire samenwerking via de trans-Atlantische wetgeversdialoog, met als doel om tijdens de volgende vergadering van gedachten te wisselen, goede praktijken uit te wisselen en in kaart te brengen hoe via wetgeving een bijdrage geleverd kan worden aan de bestrijding van structureel racisme en aan de bescherming van de mensenrechten;

9.  dringt aan op nauwere multilaterale samenwerking om racisme en discriminatie te bestrijden; verzoekt de Commissie nauw samen te werken met internationale actoren zoals de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de VN, de Afrikaanse Unie en de Raad van Europa, alsook met andere internationale partners, om racisme op internationaal niveau te bestrijden; is ingenomen met het verzoek van 54 Afrikaanse landen om tijdens de bijeenkomst van de Mensenrechtenraad van de VN op 17 juni 2020 een debat te houden over de recente en door racistische motieven ingegeven mensenrechtenschendingen, systemisch racisme, gewelddadig politieoptreden en geweld tegen vreedzame demonstranten;

10.  dringt er bij de instellingen, organen en instanties van de EU op aan om als er zich in de EU, de VS of waar dan ook ter wereld incidenten voordoen waarbij onevenredig veel geweld wordt gebruikt en racistische motieven een rol spelen, daar krachtig en publiekelijk stelling tegen te nemen;

11.  beschouwt racismebestrijding als een horizontale kwestie waarmee op alle EU-beleidsgebieden rekening moet worden gehouden; herinnert eraan dat alle burgers het recht hebben om, zowel als groep als individueel, tegen dergelijke ongelijkheid beschermd te worden en vindt dat er constructieve maatregelen genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat elke burger zijn rechten ten volle en gelijkelijk kan uitoefenen;

12.  herinnert eraan dat het Parlement op 26 maart 2019 een resolutie heeft aangenomen over de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst en dringt er bij de EU en de lidstaten met klem op aan om uitvoering aan die resolutie te geven;

13.  is ernstig bezorgd over de gevallen van rechts-extremisme binnen veiligheidsdiensten in de EU die de laatste jaren naar buiten zijn gekomen(15);

14.  dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan om gevallen van onrecht en misdaden tegen de menselijkheid die zich in het verleden tegen zwarte mensen, mensen van kleur en Roma hebben voorgedaan, officieel te erkennen; beschouwt slavernij als een misdaad tegen de menselijkheid en pleit ervoor dat 2 december wordt uitgeroepen tot Europese dag ter herinnering aan de afschaffing van de slavenhandel; spoort de lidstaten aan om de geschiedenis van zwarte mensen, mensen van kleur en Roma op te nemen in het lesprogramma van scholen;

15.  wijst nogmaals op de cruciale rol die onderwijs speelt bij het uit de wereld helpen van vooroordelen en stereotypes en bij de bevordering van tolerantie, wederzijds begrip en diversiteit, en benadrukt dat onderwijs een belangrijk instrument is om een einde te maken aan structurele discriminatie en structureel racisme in onze samenlevingen;

16.  verzoekt de lidstaten racistische en afrofobische tradities, zoals blackface, te veroordelen en zich hier niet mee in te laten;

17.  verzoekt de EU-leiders om een Europese top over racismebestrijding te organiseren, met als thema de bestrijding van structurele discriminatie in Europa op de korte termijn; verzoekt de Commissie om een omvattende strategie te ontwikkelen tegen racisme en discriminatie en een EU-kader voor nationale actieplannen tegen racisme op te zetten met speciale aandacht voor de bestrijding van deze fenomenen binnen rechtshandhavingsinstanties, en daarbij een horizontale aanpak te hanteren; dringt er bij de Raad op aan een Raadsformatie voor gelijkheid op te richten; verzoekt de EU-instellingen om een interinstitutionele taskforce op te richten voor de bestrijding van racisme en discriminatie op EU-niveau;

18.  verzoekt de lidstaten om op alle beleidsgebieden invoering van antidiscriminatiemaatregelen te bevorderen en te werken aan de ontwikkeling van nationale actieplannen ter bestrijding van racisme die betrekking hebben op allerlei gebieden, waaronder onderwijs, huisvesting, gezondheid, werkgelegenheid, wetshandhaving, socialedienstverlening, het gerechtelijk apparaat en politieke participatie en vertegenwoordiging, en daarbij samen te werken met maatschappelijke organisaties en met de betrokken gemeenschappen;

19.  verlangt dat bij alle maatregelen ter bestrijding van discriminatie een intersectionele en gendergerichte aanpak wordt gevolgd om meervoudige discriminatie tegen te gaan;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij meer maatregelen nemen om de diversiteit binnen de politie te versterken en een kader te scheppen voor dialoog en samenwerking tussen de politie en gemeenschappen;

21.  benadrukt dat alle vormen van discriminatie in de EU bestreden moeten worden en verzoekt de Raad daarom om de onderhandelingen over de horizontale richtlijn inzake non-discriminatie, die al sinds het voorstel in 2008 door de Commissie werd ingediend muurvast zitten, weer op gang te brengen en af te ronden;

22.  spreekt zijn afkeuring uit over alle haatmisdrijven en uitingen van haattaal, offline dan wel online, die dagelijks in de EU plaatsvinden en herinnert eraan dat racistische en xenofobische uitingen niet onder de vrijheid van meningsuiting vallen;

23.  staat erop dat de lidstaten Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht ten uitvoer leggen en naar behoren handhaven, met name door onderzoek te doen naar door vooroordelen ingegeven motieven voor misdrijven op grond van ras, nationaliteit of etnische afkomst en door ervoor te zorgen dat racistische haatmisdrijven worden geregistreerd en onderzocht en dat de daders daarvan worden vervolgd en bestraft; verzoekt de Commissie voorts om waar nodig het Kaderbesluit te evalueren en te herzien, toe te zien op de tenuitvoerlegging ervan en maatregelen te nemen tegen lidstaten die het kaderbesluit niet ten volle ten uitvoering leggen;

24.  herinnert de lidstaten eraan dat onafhankelijke organen moeten worden opgericht waar klachten over de politie kunnen worden ingediend en onderzoek kan worden ingesteld naar wangedrag en machtsmisbruik door de politie; onderstreept dat democratisch politiewerk vereist dat de politie aan de wet, de autoriteiten en de samenleving die zij dient rekenschap over haar handelen aflegt; is van mening dat de instandhouding van effectieve en efficiënte toezichtsinstrumenten een cruciale voorwaarde is voor het afleggen van rekenschap;

25.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om inspanningen te verrichten om meer naar ras en etnische afstamming uitgesplitste gegevens te verzamelen (als bedoeld in de EU-richtlijn rassengelijkheid), maar wel op vrijwillige basis en volledig geanonimiseerd; is van mening dat er uitsluitend gegevens over etnische discriminatie en haatmisdrijven verzameld mogen worden om de onderliggende oorzaken van racistische en discriminerende uitlatingen en handelingen in kaart te brengen en aan te pakken, waarbij de nationale wettelijke kaders en de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming moeten worden geëerbiedigd;

26.  merkt op dat de Commissie haar eerste jaarlijkse Commissieverslag over de rechtsstaat zal indienen, met een beperkte reikwijdte; verzoekt nogmaals om een omvattend mechanisme voor de bescherming van de democratie, de rechtsstaat en grondrechten, in het kader waarvan ook de situatie op het gebied van racisme en discriminatie in alle EU‑lidstaten gemonitord wordt;

27.  veroordeelt raciale en etnische profilering door de politie of wetshandhavingsautoriteiten en vindt dat de politie en wetshandhavingsautoriteiten op het gebied van antiracisme en non-discriminatie absoluut het goede voorbeeld moeten geven; verzoekt de EU en de lidstaten om beleid en maatregelen te ontwikkelen om discriminatie aan te pakken en alle vormen van raciale of etnische profilering in het kader van rechtshandhaving, terrorismebestrijding en immigratiecontrole een halt toe te roepen; benadrukt in het bijzonder dat nieuwe technologieën voor rechtshandhavingsinstanties zodanig ontworpen en toegepast moeten worden dat zij het risico op discriminatie van raciale en etnische minderheden niet doen toenemen; pleit ervoor dat politiefunctionarissen en rechtshandhavers beter worden voorgelicht over strategieën op het gebied van de bestrijding van racisme en discriminatie en strategieën om raciale profilering te voorkomen, in kaart te brengen en aan te pakken; verzoekt de lidstaten gevallen van misbruik of wreedheden door de politie naar behoren te onderzoeken en niet onbestraft te laten en de schuldigen te vervolgen en te bestraffen;

28.  veroordeelt gewelddadig en buitenproportioneel optreden door overheidsinstanties; spoort de bevoegde autoriteiten aan om in geval van een vermoeden van buitensporig geweld of een melding daarvan te zorgen voor een transparant, onpartijdig, onafhankelijk en doeltreffend onderzoek; herinnert eraan dat rechtshandhavingsinstanties te allen tijde verantwoordelijk zijn voor de wijze waarop zij hun taken uitoefenen en gehouden zijn om te handelen in overeenstemming met de geldende wettelijke en operationele kaders, met name de VN-grondbeginselen inzake het gebruik van geweld en vuurwapens door wetshandhavers;

29.  verzoekt de lidstaten te waarborgen dat het gebruik van geweld door rechtshandhavingsautoriteiten altijd rechtmatig, evenredig en noodzakelijk is en uitsluitend als uiterste middel wordt toegepast, als dat nodig is om mensenlevens of de lichamelijke integriteit van mensen te beschermen; merkt op dat het buitensporig gebruik van geweld tegen menigten indruist tegen het evenredigheidsbeginsel;

30.  brengt in herinnering dat burgers gerechtigd zijn politiegeweld op te nemen, waarna deze opnames als bewijs kunnen dienen; wijst erop dat de politie of de bevoegde autoriteiten mensen nooit mogen bedreigen wanneer zij opnames maken, hen niet mogen verplichten bewijs te vernietigen en hun geen goederen mogen ontnemen om het hun onmogelijk te maken getuigenissen af te leggen;

31.  verzoekt de Commissie een onafhankelijke deskundigengroep in te stellen met als taak het opstellen van een Code voor politie-ethiek die een set beginselen en richtsnoeren voor de doelstellingen en prestatie van en het toezicht en de controle op de politie in democratische, rechtsstatelijke maatschappijen omvat en die politiefunctionarissen kan helpen om bij hun dagelijkse werk het verbod op racisme, discriminatie en etnisch profileren na te leven;

32.  benadrukt dat een vrije pers een belangrijke hoeksteen van de samenleving vormt; wijst op de belangrijke rol van journalisten en fotografen voor het uitbrengen van verslag over buitensporig geweld, en betreurt alle gevallen waarin zij het slachtoffer zijn geworden van tegen hen gericht geweld;

33.  roept de relevante agentschappen van de EU, waaronder het FRA, het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (CEPOL) en het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), op om met gebruikmaking van hun bevoegdheden zich intensiever in te zetten voor de bestrijding van racisme en discriminatie;

34.  verlangt een serieuze toezegging dat in het volgende MFK middelen worden uitgetrokken voor de bestrijding van racisme en discriminatie in de hele EU; betreurt dat het voorgestelde bedrag voor “Justitie, rechten en waarden” in de herziene voorstellen van de Commissie voor het meerjarig financieel kader aanzienlijk is verlaagd; verzoekt de Commissie adequaat te reageren op de bezorgdheid over de steeds geringer wordende ruimte in bepaalde lidstaten voor het onafhankelijk maatschappelijk middenveld; herinnert eraan dat het belangrijk is te zorgen voor toereikende steun voor actoren van het maatschappelijk middenveld die activiteiten ontplooien op het gebied van racisme en discriminatie;

35.  benadrukt dat instanties die zich inlaten met discriminerende activiteiten tegen bepaalde rassengemeenschappen, of met dat oogmerk besluiten of maatregelen nemen, niet in aanmerking mogen komen voor financiering uit de EU-begroting;

36.  hekelt het feit dat extremistische en xenofobe krachten wereldwijd steeds vaker historische, statistische en wetenschappelijke feiten verdraaien en gebruikmaken van symbolen en retoriek die doen denken aan aspecten van totalitaire propaganda, waaronder racisme, antisemitisme en haat jegens seksuele en andere minderheden;

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa, de Verenigde Naties, de president van de VS, Donald Trump, en zijn regering, en het congres van de VS.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(3) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0239.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0127.
(7) https://www.ncbi.nih.gov/pmc/articles/PMC5559881/
(8) https://fra.europa.eu/en/news/2019/rising-inequalities-and-harassment-fundamental-rights-protection-falters
(9) https://fra.europa.eu/en/publication/2017/second-european-union-minorities-and-discrimination-survey-main-results/
(10) https://fra.europa.eu/en/publication/2017/second-european-union-minorities-and-discrimination-survey-muslims-selected
(11) https://fra.europa.eu/en/publication/2018/experiences-and-perceptions-antisemitism-second-survey-discrimination-and-hate
(12) Arrest van het EHRM van 17 april 2012 in zaak Rizvanov/Azerbeidzjan, par. 49.
(13) FRA, tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie: Being black in the EU, https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/c046fe4f-f388-11e8-9982-01aa75ed71a1/language-en
(14) FRA, tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie: Being black in the EU, https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/c046fe4f-f388-11e8-9982-01aa75ed71a1/language-en
(15) https://www.dw.com/en/germany-over-500-right-wing-extremists-suspected-in-bundeswehr/a-52152558


De wet inzake de nationale veiligheid van de Volksrepubliek China voor Hongkong en de noodzaak voor de EU om de hoge mate van autonomie van Hongkong te verdedigen
PDF 150kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de wet inzake de nationale veiligheid die de Volksrepubliek China heeft uitgevaardigd voor Hongkong en het feit dat de EU de hoge mate van autonomie van Hongkong moet verdedigen (2020/2665(RSP))
P9_TA(2020)0174RC-B9-0169/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 18 juli 2019 over de situatie in Hongkong(1), zijn resolutie van 24 november 2016 over de in China gevangengezette uitgever Gui Minhai(2), zijn resolutie van 4 februari 2016 over de zaak van de vermiste boekhandelaars in Hongkong(3), en zijn eerdere aanbevelingen inzake Hongkong, met name die van 13 december 2017 over Hongkong, 20 jaar na de machtsoverdracht(4),

–  gezien zijn eerdere resoluties over China, in het bijzonder die van 12 september 2018(5) en van 16 december 2015(6) over de betrekkingen tussen de EU en China,

–  gezien de goedkeuring op 28 mei 2020 van de resolutie van het Nationaal Volkscongres van China over de wet inzake de nationale veiligheid voor Hongkong,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid (VV/HV) namens de Europese Unie van 22 en 29 mei 2020 over Hongkong,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de 21e top EU-China van 9 april 2019,

–  gezien de basiswet van de Speciale Administratieve Regio (SAR) Hongkong, die op 4 april 1990 werd aangenomen en op 1 juli 1997 in werking is getreden,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV van 22 juni 2016 getiteld “Nieuwe EU-strategie ten aanzien van China” (JOIN(2016)0030), de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV van 12 maart 2019 getiteld “EU‑China – Een strategische visie” (JOIN(2019)0005) en de conclusies van de Raad van 18 juli 2016 over de EU-strategie ten aanzien van China,

–  gezien de gezamenlijke verslagen van de Commissie en de VV/HV van 8 mei 2019 (JOIN(2019)008), 26 april 2017 (JOIN(2016)0016) en 25 april 2016 (JOIN(2016)0010) over de Speciale Administratieve Regio Hongkong: jaarverslag 2015, en de 20 vergelijkbare verslagen die hieraan voorafgingen,

–  gezien de 13e jaarlijkse gestructureerde dialoog die plaatsvond in Hongkong op 28 november 2019, en gezien de 37e mensenrechtendialoog EU-China die werd gehouden in Brussel op 1 en 2 april 2019,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk en de regering van de Volksrepubliek China over de kwestie Hongkong van 19 december 1984, de zogeheten Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring,

–  gezien het “één-China-beleid” van de EU,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring van 1984 is gewaarborgd en in de basiswet van de SAR Hongkong van 1990 is bepaald dat in Hongkong de autonomie en de onafhankelijkheid van de uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht, alsook de grondrechten en vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering, en de persvrijheid, gedurende 50 jaar na overdracht van de soevereiniteit worden gehandhaafd; overwegende dat de basiswet van de SAR Hongkong bepalingen bevat ter waarborging van haar autonomie bij de handhaving van orde en veiligheid en bij de uitvaardiging van wetten inzake elke vorm van verraad, afscheiding, opruiing of subversie tegen de Centrale Volksregering; overwegende dat in de Gezamenlijke Verklaring en in de basiswet het beginsel “één land, twee systemen” is vastgelegd, zoals overeengekomen tussen China en het Verenigd Koninkrijk; overwegende dat de Volksrepubliek China ook internationale overeenkomsten over deze rechten heeft ondertekend en geratificeerd, en daarmee het belang en het universele karakter van de mensenrechten heeft erkend; overwegende dat Hongkong partij is bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR);

B.  overwegende dat de EU pleit voor de bevordering en de eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat als kernwaarden die dienen als leidraad voor onze langdurige betrekkingen met de Volksrepubliek China, overeenkomstig het engagement van de EU om deze waarden in het kader van haar externe optreden te handhaven; overwegende dat de Europese Unie er sterk aan hecht dat Hongkong stabiel en welvarend blijft op grond van het beginsel “één land, twee systemen”, en het van groot belang acht dat Hongkong een hoge mate van autonomie behoudt, in overeenstemming met de basiswet en internationale toezeggingen, en dat dit beginsel wordt geëerbiedigd; overwegende dat met name sinds het “Occupy”-protest het beginsel van “één land, twee systemen” wordt uitgehold door de inmenging van de Chinese autoriteiten, politieke leiders gevangengezet zijn, de vrijheid van meningsuiting is uitgehold, de gedwongen verdwijningen zijn toegenomen en boekhandels en mediakanalen zijn opgekocht door eigenaren die Peking gunstig gezind zijn;

C.  overwegende dat het Nationaal Volkscongres van China op 28 mei 2020 een resolutie heeft aangenomen waarmee het Permanent Comité van het Nationaal Volkscongres in staat wordt gesteld wetgeving vast te stellen tegen separatisme, ondermijning van de staatsmacht, terrorisme en buitenlandse inmenging in Hongkong, en dat in de resolutie nog andere te nemen maatregelen worden genoemd, waaronder educatie over nationale veiligheid, de oprichting van organen voor nationale veiligheid van de Centrale Volksregering in Hongkong en regelmatige verslaglegging door de Chief Executive aan de Centrale Volksregering over de prestaties van Hongkong wat betreft zijn plicht om de nationale veiligheid te waarborgen;

D.  overwegende dat de internationale gemeenschap dit besluit ziet als een bedreiging voor het beginsel “één land, twee systemen” en van mening is dat dit besluit de bepalingen van de basiswet en de Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring negeert, dat het indruist tegen de toezeggingen inzake mensenrechten, dat het volkomen voorbijgaat aan het eigen wetgevingsproces van Hongkong en de meest recente en flagrantste van de jarenlang aanhoudende pogingen van Peking vormt om de vrijheid en autonomie van Hongkong en de burgerlijke vrijheden van zijn burgers in te perken;

E.  overwegende dat de burgers van Hongkong in de afgelopen jaren ongekend talrijk de straat zijn opgegaan om hun grondrechten op vrije vergadering en betoging uit te oefenen; overwegende dat deze wet de aanhoudende spanningen in de politiek en de maatschappij van Hongkong niet doet afnemen, maar veeleer de bestaande onrust aanwakkert; overwegende dat het bestuur van de SAR Hongkong in februari 2019 de wet inzake voortvluchtige delinquenten en wederzijdse rechtshulp in strafzaken heeft voorgesteld tot wijziging van de verordening inzake voortvluchtige delinquenten, als maatregel tegen de massale oppositie van burgers van Hongkong, waardoor de massaprotesten in Hongkong van 2019 en 2020 zijn ontketend, maar dat deze wet na 20 weken protesten weer is ingetrokken;

F.  overwegende dat Peking sedert april en mei 2020 zijn inspanningen heeft verdubbeld om zijn heerschappij aan Hongkong op te leggen en daarbij aan honderden prodemocratische activisten en oppositiegroeperingen het zwijgen heeft opgelegd, en hen heeft gearresteerd en vervolgd; overwegende dat de politie van Hongkong straffeloosheid geniet voor alle wreedheden die zij in 2019 en 2020 tegen demonstranten heeft begaan; overwegende dat op 27 mei 2020 meer dan 360 prodemocratische activisten uit Hongkong zijn gearresteerd tijdens betogingen tegen de Chinese wet tegen opruiing; overwegende dat de politie van Hongkong maatregelen inzake sociale afstand in verband met COVID-19 als voorwendsel heeft gebruikt om onnodig en buitensporig geweld te gebruiken tegen de overgrote vreedzame meerderheid van de betogers, en daarbij gebruikgemaakt heeft van traangas, rubberen kogels, beanbags en pepperspray;

G.  overwegende dat leden van het Europees Parlement op 20 april 2020 bij de Chief Executive erop hebben aangedrongen ervoor te zorgen dat de aanklachten tegen 15 prodemocratische activisten die in 2019 aan vreedzame protesten in Hongkong hebben deelgenomen, worden ingetrokken; overwegende dat mensenrechtendeskundigen van de Verenigde Naties op 13 mei 2020 bij de autoriteiten van de SAR Hongkong erop hebben aangedrongen de strafrechtelijke vervolging van de 15 prodemocratische activisten onmiddellijk te staken;

H.  overwegende dat activistische groeperingen kunnen worden verboden en vervolgd op grond van het voorgestelde plan inzake de nationale veiligheid en dat rechters lange gevangenisstraffen kunnen opleggen wegens schending van de nationale veiligheid; overwegende dat de Chinese veiligheidsinstanties in de stad openlijk actief kunnen zijn en dat een nieuw verbod op terrorisme de Chinese autoriteiten, veiligheidstroepen en strijdkrachten ruime en ongecontroleerde bevoegdheden geeft om in Hongkong te opereren; overwegende dat de wetshandhavingsinstanties van het Chinese vasteland naar verluidt reeds illegaal hebben geopereerd in Hongkong; overwegende dat elke operatie van wetshandhavingsinstanties van de Volksrepubliek China in Hongkong een ernstige schending is van het beginsel “één land, twee systemen”;

I.  overwegende dat Carrie Lam, de regeringsleider van Hongkong, de door Peking voorgestelde wetgeving heeft verdedigd en daarbij heeft toegegeven dat in Hongkong geen openbare raadpleging over het veiligheidsplan zal plaatsvinden, en dat zij tevens heeft verkondigd dat rechten en vrijheden niet absoluut zijn; overwegende dat de Chief Executive de burgers van Hongkong in een op 29 mei 2020 in kranten gepubliceerde brief heeft gevraagd om hun volledige begrip en krachtige steun voor het besluit van het Nationaal Volkscongres;

J.  overwegende dat de staatsraad van de Volksrepubliek China op 10 juni 2014 een witboek heeft uitgebracht over de praktijk van het “één land, twee systemen”-beleid in Hongkong, waarin wordt benadrukt dat de autonomie van de SAR Hongkong uiteindelijk afhankelijk is van de toestemming van de centrale regering van de Volksrepubliek China; overwegende dat de Chinese regering de regering van de SAR Hongkong heeft aangemoedigd een nieuw nultolerantiebeleid te voeren ten aanzien van elke vermelding van “zelfbeschikking” of “onafhankelijkheid” om redenen in verband met de nationale veiligheid, hetgeen in strijd is met de basiswet;

K.  overwegende dat de rechterlijke macht op het Chinese vasteland niet onafhankelijk van de regering en de Chinese Communistische Partij functioneert, en dat het gerechtelijk apparaat wordt gekenmerkt door willekeurige opsluitingen, foltering en andere vormen van mishandeling, ernstige schendingen van het recht op een eerlijk proces, gedwongen verdwijningen en verschillende vormen van opsluiting zonder contact met de buitenwereld en zonder proces;

L.  overwegende dat een partij-overschrijdende internationale coalitie onder leiding van voormalig gouverneur van Hongkong Lord Patten, waartoe tot dusver rond 900 parlementsleden en besluitvormers uit meer dan 40 landen zijn toegetreden, een verklaring heeft afgegeven waarin de “unilaterale invoering door Peking van wetgeving inzake de nationale veiligheid in Hongkong” wordt bekritiseerd en sympathiserende regeringen ertoe worden opgeroepen zich te verenigen tegen deze “flagrante schending van de Chinees-Britse Gemeenschappelijke Verklaring”;

M.  overwegende dat het Pan-democratiekamp een overweldigende overwinning heeft behaald bij de verkiezingen voor het district Hongkong op 24 november 2019; overwegende dat in september 2020 verkiezingen voor de Wetgevende Vergadering van Hongkong op de rol staan;

N.  overwegende dat de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Dominic Raab, op 2 juni 2020 in het Lagerhuis heeft verklaard dat als China zijn wetsvoorstel ten uitvoer legt, de Britse regering nieuwe regelingen zal invoeren om houders van een paspoort van Brits onderdaan overzee in Hongkong in staat te stellen langer dan de huidige maximale periode van zes maanden naar het Verenigd Koninkrijk te komen en een verblijfsvergunning voor een verlengbare periode van twaalf maanden aan te vragen om er te studeren en te werken, waarmee ook in een traject naar het staatsburgerschap wordt voorzien;

O.  overwegende dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) het volgende is bepaald: “Het internationaal optreden van de Unie berust en is gericht op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen”;

1.  betreurt de unilaterale vaststelling van wetgeving inzake de nationale veiligheid door Peking in Hongkong, aangezien dit een algehele aanval is op de autonomie, de rechtsstaat en de fundamentele vrijheden van de stad; benadrukt dat de integriteit van het beginsel “één land, twee systemen” ernstig wordt bedreigd; benadrukt dat de invoering van de geplande wetgeving inzake de nationale veiligheid wordt beschouwd als een schending van de toezeggingen en verplichtingen van de Volksrepubliek China uit hoofde van het internationaal recht, met name de Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring, ernstige schade dreigt toe te brengen aan de vertrouwensrelatie tussen China en de EU, en de toekomstige samenwerking, alsmede het vertrouwen van het bedrijfsleven in Hongkong als een belangrijk mondiaal financieel centrum dreigt aan te tasten;

2.  veroordeelt krachtig de voortdurende en toenemende inmenging van China in de interne aangelegenheden van Hongkong, alsook de recente verklaring van China dat de Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring van 1984 een historisch document is, en bijgevolg niet langer geldig is; benadrukt dat de Chinese regering gehouden is aan de Gezamenlijke Verklaring, die als wettelijk bindend verdrag bij de VN geregistreerd is, en dat zij de hoge mate van autonomie van Hongkong en zijn rechten en vrijheden in stand moet houden; is ernstig bezorgd dat een permanente schending van het autonome regeringskader van Hongkong een serieuze domper op zijn economie zal zetten; doet een beroep op de centrale regering van de Volksrepubliek China zich te onthouden van het uitoefenen van druk op het bedrijfsleven om de wetgeving inzake de nationale veiligheid te ondersteunen, en ervan af te zien de internationale steun voor de autonomie en de vrijheden van Hongkong aan te merken als “inmenging in interne aangelegenheden” en daden van subversie en afscheiding, aangezien de geuite bezorgdheid betrekking heeft op bindende internationale verplichtingen van de Volksrepubliek China;

3.  verzoekt de Chinese autoriteiten de internationale verplichtingen die China uit hoofde van de Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring is aangegaan, te respecteren; onderstreept dat China zich volledig moet houden aan de basiswet en het beginsel “één land, twee systemen”, mede door eindelijk algemene verkiezingen in te voeren; onderstreept dat China de hoge mate van autonomie van de SAR Hongkong niet mag ondermijnen;

4.  steunt de inschatting van de VV/HV dat een nieuwe en doortastendere strategie voor de omgang met een assertiever China nodig is, alsmede een open en eerlijke dialoog; roept de Raad en de EDEO nadrukkelijk ertoe op een krachtiger standpunt in te nemen ter ondersteuning van het behoud van de wettelijke autonomie van Hongkong; benadrukt dat dit cruciaal is om de ondersteuners van de democratie in Hongkong en de ruimere internationale gemeenschap te laten weten dat de EU vasthoudt aan haar grondwaarden van vrijheid, democratie, en de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat;

5.  vraagt de Raad en de VV/HV met klem ervoor te zorgen dat alle aspecten van de betrekkingen van de EU met de Volksrepubliek China afgestemd zijn op de in artikel 21 VEU vastgelegde beginselen en waarden, en de kwestie van de voor Hongkong uitgevaardigde wet inzake de nationale veiligheid als topprioriteit op de agenda van de komende top EU-China en de geplande bijeenkomst van de leiders van de EU en China te plaatsen, alsmede andere mensenrechtenkwesties, zoals de situatie van de Oeigoeren;

6.  onderstreept dat de EU de grootste uitvoerbestemming van China is; is van mening dat de EU haar economische gewicht in de schaal moet leggen om de harde campagne van China tegen de mensenrechten met economische middelen aan te vechten; onderstreept dat de huidige situatie zijn overtuiging versterkt dat de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden een belangrijke rol moet spelen in de onderhandelingen over een investeringsovereenkomst tussen de EU en China; verzoekt de Commissie alle middelen aan te grijpen die zij tot haar beschikking heeft, waaronder de lopende onderhandelingen over een bilaterale investeringsovereenkomst, om druk uit te oefenen op de Chinese autoriteiten, opdat zij de hoge mate van autonomie van Hongkong handhaven, alsook de grondrechten en vrijheden van zijn burgers en van onafhankelijke maatschappelijke organisaties, en de mensenrechtensituatie op het vasteland en in Hongkong verbeteren; herhaalt zijn oproep om een bindend en afdwingbaar hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling in de overeenkomst op te nemen; dringt er bij de EU op aan om, overeenkomstig artikel 21 van het VEU, een mensenrechtenclausule op te nemen in alle toekomstige handelsovereenkomsten met de Volksrepubliek China; draagt de Commissie op de Chinese zijde mee te delen dat het Parlement rekening zal houden met de mensenrechtensituatie in China, inclusief in Hongkong, wanneer het wordt verzocht zijn goedkeuring te hechten aan een brede investeringsovereenkomst of toekomstige handelsakkoorden met de Volksrepubliek China;

7.  benadrukt dat de internationale gemeenschap nauw moet samenwerken om druk uit te oefenen op Peking, zodat zijn maatregelen stroken met de internationale toezeggingen die het land heeft gedaan in het kader van de Chinees-Britse Verklaring van 1984;

8.  merkt op dat het beleid van de Volksrepubliek China om de aanpak van “één land, twee systemen” op te geven de bevolking van Taiwan sterk heeft vervreemd, en benadrukt bereid te zijn met internationale partners samen te werken om de democratie in Taiwan te helpen versterken;

9.  verzoekt de EU en haar lidstaten te overwegen om, indien de nieuwe veiligheidswet wordt toegepast, een zaak aanhangig te maken bij het Internationaal Gerechtshof, op basis van de stelling dat het besluit van China om wetgeving inzake de nationale veiligheid op te leggen aan Hongkong in strijd is met de Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring en het ICCPR;

10.  dringt er bij de lidstaten die lid zijn van de VN-Veiligheidsraad, op aan een “Arria-vergadering” bijeen te roepen om de situatie in Hongkong te bespreken met activisten, vertegenwoordigers van ngo’s en speciale rapporteurs van de VN; dringt in dit verband erop aan dat de EU zich actief ervoor inzet dat de secretaris-generaal van de VN of de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten een speciale gezant of speciale rapporteur van de VN voor de situatie in Hongkong benoemt, en zich zo aansluit bij het initiatief van de voorzitters van de commissies buitenlandse zaken van het VK, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland;

11.  verzoekt de Raad en de VV/VH samen te werken met de internationale gemeenschap om een internationale contactgroep inzake Hongkong op te richten en acties met internationale partners, met name het Verenigd Koninkrijk, te coördineren;

12.  verzoekt de Raad, en met name het komende voorzitterschap van de Raad, in 2020 de werkzaamheden af te ronden inzake een mondiaal sanctiemechanisme van de EU voor de mensenrechten, zoals ondersteund door het Parlement in zijn resolutie van 14 maart 2019(7), en verzoekt de Raad om vaststelling van gerichte sancties tegen en bevriezing van tegoeden van Chinese functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking en uitvoering van beleidsmaatregelen waarmee de mensenrechten worden geschonden; is van mening dat dit mensenrechtenkader gebruikt kan worden om sancties op te leggen aan de leiders die verantwoordelijk zijn voor dit harde optreden tegen Hongkong en zijn bevolking en voor ernstige schendingen van de mensenrechten, sancties die vergelijkbaar zijn met de in de wet-Magnitsky voorziene sancties; benadrukt dat dergelijke sancties besproken en, indien mogelijk, afgestemd moeten worden met democratische partners als Australië, Canada, de VS, Japan en Zuid-Korea;

13.  verzoekt de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap te werken aan het opleggen van passende mechanismen voor de controle op de uitvoer, met inbegrip van cyberbewakingsproducten, teneinde China, en met name Hongkong, de toegang te ontzeggen tot technologieën die worden gebruikt om de grondrechten te schenden; verzoekt de medewetgevers in dit verband een gemeenschappelijk standpunt te bepalen inzake de hervorming van de verordening betreffende tweeërlei gebruik; benadrukt dat het Parlement het voorstel van de Commissie over strenge exportcontrole op al dan niet in de lijst opgenomen technologieën voor cyberbewaking verder heeft ontwikkeld en versterkt;

14.  verzoekt de EU-lidstaten zorgvuldig na te gaan hoe economische, en met name technologische, afhankelijkheid van de Volksrepubliek China kan worden voorkomen, onder meer in hun besluiten over de ontwikkeling van 5G-netwerken;

15.  verzoekt de Raad en de Commissie te overwegen een “reddingsbootregeling” voor de burgers van Hongkong in het leven te roepen ingeval de mensenrechten en de fundamentele vrijheden er nog verder op achteruit zouden gaan;

16.  veroordeelt krachtig alle gevallen van mensenrechtenschendingen in Hongkong, in het bijzonder willekeurige arrestaties, uitleveringen, gedwongen bekentenissen, voorarrest zonder contact met de buitenwereld en schendingen van de vrijheid van publicatie en van meningsuiting; dringt aan op de onmiddellijke beëindiging van mensenrechtenschendingen en politieke intimidatie; is zeer bezorgd over de gemelde gevallen van geheime detentie, foltering en mishandeling, en van gedwongen bekentenissen; verzoekt de EU-lidstaten de desbetreffende richtsnoeren van de EU inzake de mensenrechten volledig toe te passen en alle diplomatiek personeel in te zetten om vastberaden te reageren op arrestaties en veroordelingen van activisten, onder meer door te zorgen voor waarneming van processen, het aanvragen van gevangenisbezoeken en het aanspreken van de betrokken autoriteiten om bij hen aan te dringen op de vrijlating van personen die zijn aangehouden en veroordeeld voor de vreedzame uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting;

17.  roept op tot een onafhankelijk, onpartijdig, doeltreffend en onverwijld onderzoek naar het gewelddadige optreden van de politie van Hongkong tegen betogers; vraagt de autoriteiten van de SAR Hongkong ervoor te zorgen dat de aanklachten tegen 15 prodemocratische activisten en politici en tegen vreedzame demonstranten worden ingetrokken en dat de vervolging wordt gestaakt, onder meer jegens Martin Lee, Margaret Ng, Lee Cheuk-yan, Benny Tai, Jimmy Lai, Albert Ho en Leung Kwok-hung;

18.  toont zich uitermate bezorgd over de voortdurende verslechtering van de burgerrechten, politieke rechten en persvrijheid; is uitermate bezorgd over de afschaffing van de rechten van journalisten, de ongekende druk op journalisten en hun steeds grotere zelfcensuur, vooral met betrekking tot verslaggeving over onderwerpen die voor het Chinese vasteland gevoelig liggen of kwesties die verband houden met de regering van de SAR Hongkong;

19.  uit zijn toenemende bezorgdheid over het verhoogde risico van de inwerkingtreding van de wet inzake de nationale veiligheid voor tienduizenden EU-burgers in Hongkong;

20.  dringt er bij de VV/HV en de delegaties van de lidstaten op aan nauwlettend toe te zien op en regelmatig verslag uit te brengen over de aanloop naar de verkiezingen voor de Wetgevende Raad, die momenteel zijn gepland voor september, met bijzondere aandacht voor de vraag of personen op onrechtmatige wijze belet wordt om zich kandidaat te stellen, hetzij door procedurele belemmeringen, hetzij door ongegronde gerechtelijke procedures, waarbij tevens wordt nagegaan of iedereen de mogelijkheid heeft om te vergaderen voor campagnedoeleinden en of de kiezers hun stem vrij kunnen uitbrengen; verzoekt de regering van de SAR Hongkong te garanderen dat de verkiezingen voor de Wetgevende Raad in september 2020 vrij en eerlijk verlopen; dringt bij China erop aan zich te onthouden van inmenging in het verkiezingsproces in de SAR Hongkong; herhaalt zijn oproep tot structurele hervormingen om de rechtstreekse verkiezing van de Chief Executive en de Wetgevende Raad mogelijk te maken, zoals vastgelegd in de basiswet, en dringt aan op een akkoord over een kiesstelsel dat volledig democratisch, eerlijk, open en transparant is, en dat de bevolking van de SAR Hongkong het recht geeft kandidaten te kiezen en zich kandidaat te stellen voor alle leidinggevende functies;

21.  verzoekt om onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de in China gedetineerde Zweedse boekhandelaar Gui Minhai;

22.  verzoekt de VV/HV, de EDEO en de lidstaten om al deze kwesties resoluut aan de orde te stellen en te zorgen voor een dialoog met de regeringen van de SAR Hongkong en China; herinnert eraan hoe belangrijk het is dat de EU de kwestie van mensenrechtenschendingen in China tijdens elke politieke en mensenrechtendialoog met de Chinese autoriteiten ter sprake brengt, in het bijzonder het geval van de minderheden in Tibet en Xinjiang, in overeenstemming met de belofte van de EU om met één sterke, duidelijke stem te spreken in haar benadering van China; brengt voorts in herinnering dat China in de context van zijn permanente hervormingsproces en steeds prominentere rol op het wereldtoneel ervoor heeft gekozen aan het internationale mensenrechtenkader deel te nemen door zijn handtekening te zetten onder een breed scala van internationale mensenrechtenverdragen; dringt erop aan de dialoog met China voort te zetten om ervoor te zorgen dat het land zijn verplichtingen nakomt;

23.  betuigt zijn respect aan de moedige Chinezen die in juni 1989 op het Tiananmen-plein in Peking bijeen zijn gekomen om op te roepen tot beëindiging van de corruptie, en tot politieke hervormingen en burgerlijke vrijheden; verzoekt de Chinese autoriteiten toe te staan dat het bloedbad op het Tiananmen-plein niet alleen in Hongkong, maar op het gehele grondgebied van de Volksrepubliek China kan worden herdacht;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het parlement van de Volksrepubliek China en de Chief Executive en de Wetgevende Vergadering van de Speciale Administratieve Regio Hongkong.

(1) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0004.
(2) PB C 244 van 27.6.2018, blz. 78.
(3) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 46.
(4) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 156.
(5) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 103.
(6) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 92.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0215.


Situatie in het Schengengebied als gevolg van de COVID-19-pandemie
PDF 134kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de situatie in het Schengengebied ten gevolge van de COVID-19-uitbraak (2020/2640(RSP))
P9_TA(2020)0175B9-0165/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de 35e verjaardag van het Schengenakkoord, ondertekend op 14 juni 1985(1), de 30e verjaardag van de overeenkomst tot uitvoering van het Schengenakkoord, ondertekend op 19 juni 1990(2), en de 25e verjaardag van de inwerkingtreding van het Schengenakkoord op 26 maart 1995,

–  gezien artikel 67, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) waarin wordt bepaald dat de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is en ervoor zorgt dat aan de binnengrenzen geen personencontroles worden verricht,

–  gezien artikel 21, lid 1, VWEU waarin wordt bepaald dat iedere burger van de EU het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 45, waarin wordt bepaald dat iedere burger van de Unie het recht heeft zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven,

–  gezien Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)(3), die de gecodificeerde versie is van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad(4) van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode), die de eerste handeling is die is vastgesteld volgens de medebeslissingsprocedure op het gebied van justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de richtlijn vrij verkeer)(5), en het daarin vastgelegde non-discriminatiebeginsel,

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie (“COVID-19: Richtsnoeren voor grensbeheermaatregelen tot bescherming van de gezondheid en tot waarborging van de beschikbaarheid van goederen en essentiële diensten”) van 16 maart 2020 (C(2020)1753), goedgekeurd door de staatshoofden en regeringsleiders op 17 maart 2020,

–  gezien de conclusies van de voorzitter van de Europese Raad na de videoconferentie van 17 maart 2020 met leden van de Europese Raad over COVID-19, waarin de oproep wordt gesteund om de externe grenzen te versterken door een gecoördineerde tijdelijke beperking van niet-essentieel verkeer naar de EU voor een periode van 30 dagen, op basis van de mededeling van de Commissie “COVID-19: Tijdelijke beperking van niet-essentiële reizen naar de EU” (COM(2020)0115), en gezien het feit dat die beperking is verlengd,

–  gezien de mededeling van de Commissie “COVID-19: Leidraad voor de uitvoering van de tijdelijke beperking van niet-essentiële reizen naar de EU, het faciliteren van doorreisregelingen voor de repatriëring van EU-burgers, en de gevolgen voor het visumbeleid” van 30 maart 2020 (C(2020)2050),

–  gezien het gezamenlijk Europees stappenplan voor de opheffing van de inperkingsmaatregelen in verband met COVID-19, gepresenteerd door de voorzitter van de Commissie en voorzitter van de Europese Raad,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 april 2020 over de beoordeling van de toepassing van de tijdelijke beperking van niet-essentiële reizen naar de EU (COM(2020)0148),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2020 getiteld “Naar een gefaseerde en gecoördineerde aanpak van het herstel van het vrije verkeer en de opheffing van de binnengrenscontroles – COVID-19” (C(2020)3250),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de werking van het Schengengebied(6),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2018 over de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië: afschaffing van de controles aan de binnengrenzen te land, ter zee en in de lucht(7),

–  gezien de voorbereidende werkzaamheden voor deze resolutie, uitgevoerd door de werkgroep Schengenevaluatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de situatie in het Schengengebied ten gevolge van de COVID-19-uitbraak (O-000037/2020 – B9‑0010/2020 en O‑000038/2020 – B9‑0011/2020),

–  gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de meeste lidstaten, waaronder de Schengenlanden, waar deze resolutie betrekking op heeft, als reactie op de COVID-19-pandemie controles aan de binnengrenzen hebben heringevoerd of deze grenzen geheel of gedeeltelijk hebben gesloten voor bepaalde soorten reizigers, waaronder EU-burgers en hun familieleden en onderdanen van derde landen die op hun grondgebied of dat van een andere lidstaat verblijven; overwegende dat het bij het invoeren van deze maatregelen overduidelijk ontbrak aan coördinatie tussen de lidstaten en met de instellingen van de Unie;

B.  overwegende dat controles aan de binnengrenzen een aantasting vormen van de rechten en vrijheden van personen als vastgelegd in het communautaire recht; overwegende dat beperkingen aan de buitengrenzen geen gevolgen mogen hebben voor het recht op het aanvragen van asiel;

C.  overwegende dat het vrije verkeer van personen als vastgelegd in het Schengenakkoord en de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord vergezeld gaat van compenserende maatregelen met als doel om de veiligheid op het grondgebied van de Schengenlanden te waarborgen(8); overwegende dat deze compenserende maatregelen instrumenten omvatten als het Schengeninformatiesysteem (SIS) en andere grootschalige IT-systemen die tot doel hebben om de uitwisseling van informatie tussen de autoriteiten van de Schengenlanden te waarborgen en de toepassing van gezamenlijke regels voor de bescherming van de buitengrenzen mogelijk te maken;

D.  overwegende dat het Schengengebied zonder binnengrenstoezicht alleen goed kan functioneren als er wederzijds vertrouwen is tussen de lidstaten;

E.  overwegende dat controles aan de binnengrenzen na het officiële opheffen ervan maar zelden opnieuw zijn ingevoerd; overwegende dat echter sinds 2015 verschillende lidstaten controles aan de binnengrenzen uitvoeren vanwege een toename van de migratie en/of veiligheidsdreigingen; overwegende dat het Parlement vraagtekens heeft geplaatst bij de wettigheid en proportionaliteit van deze controles aan de binnengrenzen;

F.  overwegende dat de terugkeer naar een volledig functionerend Schengengebied van het grootste belang is om het beginsel van vrijheid van verkeer te waarborgen als een van de belangrijkste verworvenheden van de Europese integratie en als belangrijkste voorwaarde voor het economisch herstel van de EU na de COVID-19-pandemie;

1.  wijst erop dat het Schengengebied een tastbare en geliefde verworvenheid is die centraal staat in het Europese project en die onbeperkt reizen mogelijk maakt voor meer dat 400 miljoen mensen, van onschatbare waarde is voor burgers en ondernemingen en uniek is in de wereldgeschiedenis;

2.  uit zijn bezorgdheid over de huidige situatie met betrekking tot de controles aan de binnengrenzen die door zoveel lidstaten zijn ingevoerd, en over de verschillende andere maatregelen die zijn genomen, waaronder de volledige of gedeeltelijke sluiting van de grenzen of de sluiting ervan voor bepaalde soorten reizigers, waaronder EU-burgers of onderdanen van derde landen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en over de zeer ernstige gevolgen die deze maatregelen hebben voor mensen en bedrijven, onder meer in de toeristische sector en de sector van de seizoensarbeid;

3.  wijst erop dat het Parlement het volledig eens is met de volksgezondheidsmaatregelen ter beperking van de verspreiding van COVID-19 door middel van fysiek afstand houden, onder meer via door de lidstaten vastgestelde beperkingen van de bewegingsvrijheid op hun grondgebied, maar dat de lidstaten in hun formele kennisgevingen in het kader van de Schengengrenscode maar weinig argumenten hebben aangevoerd voor het invoeren van grenstoezicht als passend middel om de verspreiding van COVID-19 in te dammen; herinnert er in dit verband aan dat grenstoezicht in de Schengengrenscode wordt omschreven als een aan de grens uitgevoerd activiteit die “uitsluitend wegens de voorgenomen of daadwerkelijke grensoverschrijding en dus niet om andere redenen wordt uitgeoefend”; is van mening dat gerichtere beperkingen op regionaal niveau, onder meer geldend voor grensoverschrijdende regio’s, passender en minder verstorend zouden zijn geweest;

4.  wijst erop dat de regels met betrekking tot de binnengrenzen van de Unie zijn vastgelegd in de Schengengrenscode en dat de lidstaten zowel de geest als de letter van die code moeten eerbiedigen wanneer zij maatregelen vaststellen die gevolgen hebben voor het overschrijden van de binnengrenzen;

5.  herinnert eraan dat de terminologie van de Schengengrenscode eenduidig is: binnengrenstoezicht moet de uitzondering blijven, een laatste redmiddel, toegepast op basis van objectieve criteria, en een goed middel zijn tegen ernstige bedreigingen van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, strikt noodzakelijk en proportioneel zijn, met een beperkt bereik en voor een strikt beperkte periode; is van mening dat de kennisgevingen van de lidstaten onvoldoende gedetailleerd zijn om te kunnen verifiëren of deze beginselen zijn nageleefd;

6.  wijst erop dat voor het inroepen van het idee van het “laatste redmiddel” geverifieerd moet worden of andere maatregelen even goed of beter geschikt zijn om het doel te bereiken; roept de lidstaten op de mogelijkheid in overweging te nemen van het opleggen van minimumgezondheidscontroles als doeltreffender maatregel dan het opleggen van binnengrenscontroles; wijst in dit verband op de gezondheidsmaatregelen die de Commissie in haar richtsnoeren heeft uiteengezet(9); wijst daarnaast op de aanbeveling van de Commissie over evenredige politiecontroles(10), waarin staat: “Als de lidstaten bij een ernstige bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid overwegen hoofdstuk II van titel III van Verordening (EU) 2016/399 toe te passen (invoering van binnengrenstoezicht), zouden zij eerst moeten nagaan of de situatie toereikend kan worden aangepakt met intensieve politiecontroles op het grondgebied, met inbegrip van de grensgebieden”;

7.   wijst erop dat het Schengengebied nog nooit eerder een dermate ernstige pandemie op haar grondgebied heeft meegemaakt; wijst erop dat in de Schengengrenscode expliciet wordt bepaald dat een gevaar voor de volksgezondheid een reden mag zijn voor weigering van toegang aan de buitengrenzen, en wijst er daarnaast op dat noch in de Schengengrenscode, noch in de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, volksgezondheid wordt genoemd als reden voor de herinvoering van controles aan de binnengrenzen, en dat alleen wordt voorzien in de herinvoering van controles aan de binnengrenzen in geval van ernstige bedreigingen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid;

8.  betreurt het feit dat sommige lidstaten op korte termijn grenscontroles en andere beperkingen aan de grenzen hebben ingevoerd zonder afdoende informatie te verstrekken aan hun eigen bevolking en aan die van andere lidstaten; betreurt bovendien de bijkomende nadelen van grenscontroles die zich voordoen aan sommige binnengrenzen, zoals buitensporige wachttijden zonder passende hygiënische voorzieningen en afdoende fysieke afstand, waarmee gezondheidsrisico’s worden gecreëerd voor zowel de personen die de grenscontroles moeten ondergaan als de grenswachters, en waarmee de toch al overbelaste grenswachten en politieagenten, die geen getrainde zorgwerkers zijn, nog extra worden belast; spreekt bovendien zijn bezorgdheid uit over het grote aantal obstakels waarmee veel grensarbeiders in het Schengengebied te maken hebben sinds de uitbraak van de pandemie, waaronder het gebrek aan duidelijke en beschikbare informatie over beperkingen die voor hen gelden bij het overschrijden van de grenzen;

9.  wijst erop dat krachtens de richtlijn vrij verkeer de lidstaten de vrijheid van verkeer en van verblijf van burgers van de Unie van hun familieleden, ongeacht nationaliteit, mogen beperken om redenen van volksgezondheid; benadrukt niettemin dat de waarborgen die zijn vastgelegd in die richtlijn door alle lidstaten moeten worden gegarandeerd en dat met name non-discriminatie tussen eigen onderdanen en ingezetenen uit de EU gewaarborgd moet zijn;

10.  is van mening dat een snelle terugkeer naar een volledig werkend Schengengebied van het grootste belang is, en zowel afhangt van de politieke wil van de lidstaten als van hun inzet om de maatregelen in het kader van het Schengenacquis te coördineren; verzoekt de Commissie het voortouw te nemen bij het coördineren van maatregelen op Europees niveau, met als doel het aanpakken van de uitdaging die COVID-19 vormt voor de gezondheid van de Europese burgers, en het Schengengebied te handhaven als gebied zonder binnengrenzen, met volledige inachtneming van de beginselen van solidariteit en wederzijds vertrouwen; is van mening dat het nemen van maatregelen op Europees niveau alle partijen voordeel zal opleveren; verwerpt en betreurt ten zeerste alle ongecoördineerde, bilaterale of multilaterale acties van individuele lidstaten die plaatsvinden buiten het kader van de Unie; is van mening dat bij alle maatregelen het non-discriminatiebeginsel leidend moet zijn;

11.  roept de lidstaten op om tegelijk met het versoepelen van de beperkende maatregelen in verband met COVID-19 de beperkingen van de vrijheid van verkeer te verminderen; is van mening dat, met een passende coördinatie op Unieniveau, een meer op regio’s gerichte benadering geschikter is dan nationale grenscontroles, en dat op deze wijze de beperkingen van het vrije verkeer opgeheven kunnen worden als de situatie in de buurlanden is verbeterd;

12.  dringt er bij de lidstaten krachtig op aan om samen met het Parlement, de Raad en de Commissie een herstelplan voor het Schengengebied op te stellen, waarin maatregelen worden uiteengezet om terug te keren naar een volledig werkend Schengengebied zonder binnengrenstoezicht, en met op zo kort mogelijke termijn door te voeren noodplannen in het geval van een eventuele tweede golf, om te voorkomen dat de tijdelijke controles aan de binnengrenzen op middellange termijn semipermanent worden;

13.  wijst erop dat volgens de Schengengrenscode de beoordeling van de noodzakelijkheid van het binnengrenstoezicht en de verlenging ervan, wanneer dit toezicht is ingevoerd omdat onmiddellijk optreden vereist was, op het niveau van de Unie moet worden gemonitord; roept de Commissie in dit verband op om terdege toezicht te houden op de toepassing van het Schengenacquis, en in het bijzonder de methodes te evalueren die de lidstaten al hebben genomen, alsmede de tijdigheid en kwaliteit van de kennisgevingen van de lidstaten, en daarnaast de ontwikkelingen nauwlettend te volgen en waar nodig de lidstaten te herinneren aan hun wettelijke verplichtingen, en adviezen op te stellen; moedigt de Commissie aan gebruik te maken van haar bevoegdheden om de lidstaten om aanvullende informatie te vragen; verzoekt de Commissie uitgebreider verslag uit te brengen aan het Parlement over de wijze waarop zij haar bevoegdheden uit hoofde van de verdragen uitoefent;

14.   betreurt het feit dat de bepaling van de Schengengrenscode, die inhoudt dat lidstaten binnen vier weken na de opheffing van de grenscontroles bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een verslag hierover moeten indienen, zijn betekenis heeft verloren, wat ertoe leidt dat het Parlement niet wordt geïnformeerd; roept de lidstaten die binnengrenscontroles hebben ingevoerd daarom op om het Parlement tijdig, en tenminste om de zes maanden, in te lichten door nauwkeurige en gedetailleerde gegevens te overleggen in verband met de herinvoering van controles aan de binnengrenzen; betreurt ten zeerste dat de Commissie sinds 2015 geen jaarverslag meer heeft gepubliceerd over de werking van de ruimte zonder binnengrenscontroles, hoewel zij daartoe op grond van de Schengengrenscode wel verplicht is;

15.  wijst erop dat tijdelijke reisbeperkingen voor alle niet-essentiële reizen vanuit derde landen naar het Schengengebied zijn ingevoerd; benadrukt dat alle besluiten tot weigering van toegang aan de buitengrenzen in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van de Schengengrenscode, met name wat betreft de eerbiediging van de grondrechten, zoals vastgelegd in artikel 4;

16.  roept de Raad en de lidstaten op zich nog meer in te spannen om de integratie van alle lidstaten van de EU in het Schengengebied te verwezenlijken; herhaalt zijn oproep aan de Raad om zo snel mogelijk een nieuw ontwerpbesluit voor te leggen inzake volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië; is bereid om op verzoek van de Raad overeenkomstig artikel 4 van het toetredingsverdrag advies uit te brengen over de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Kroatië; is van mening dat solidariteit en verantwoordelijkheid voor iedereen gelden en dat het Schengengebied alleen toekomst heeft zonder fragmentatie;

17.  is van mening dat te zijner tijd nagedacht moet worden over het verbeteren van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en hoe de wetgevende instrumenten van de Unie kunnen zorgen voor een werkelijk Europese bestuur voor het Schengengebied, zodat een doeltreffend gecoördineerd Europees optreden mogelijk is in situaties zoals de COVID-19-pandemie, met handhaving van het vrije verkeer en zonder controles aan de binnengrenzen, wat de kern vormt van het bij de Europese burgers zo geliefde Schengenproject; verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren inzake een hervorming van het bestuur van het Schengengebied in het licht van de nieuwe uitdagingen;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) Het Schengenacquis – Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 239 van 22.9.2000, blz. 13).
(2) Het Schengenacquis – Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19).
(3) PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1.
(4) PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1.
(5) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(6) PB C 76 van 9.3.2020, blz. 106.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0497.
(8) Verklaring van het Uitvoerend Comité van 26 juni 1996 inzake de uitlevering (SCH/Com-ex (96) decl. 6, 2e herz.) (PB L 239 van 22.9.2000, blz. 435).
(9) Aanbeveling van de Commissie C(2020)1753 van 16 maart 2020 getiteld Richtsnoeren voor grensbeheermaatregelen tot bescherming van de gezondheid en tot waarborging van de beschikbaarheid van goederen en essentiële diensten.
(10) Aanbeveling van de Commissie C(2017)3349 final van 12 mei 2017 inzake evenredige politiecontroles en politiële samenwerking in het Schengengebied.


Europese bescherming van grens- en seizoensarbeiders in het kader van de COVID-19-crisis
PDF 177kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over Europese bescherming van grensoverschrijdende en seizoenarbeiders in het kader van de COVID-19-crisis (2020/2664(RSP))
P9_TA(2020)0176B9-0172/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 4 en 9, artikel 26, lid 2, de artikelen 45, 46, 48, 151, 153 en 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de Europese pijler voor sociale rechten, met name de beginselen 5, 6, 10, 12 en 16,

–  gezien het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie(2),

–  gezien Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider(3),

–  gezien Richtlijn 2008/104/EG van 19 november 2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende uitzendarbeid(4),

–  gezien Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(7),

–  gezien Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (eerste bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)(8),

–  gezien Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(9),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(10),

–  gezien Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (“de IMI-verordening”)(11),

–  gezien Richtlijn 2000/54/EG van 18 september 2000 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk(12),

–  gezien Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden(13),

–  gezien Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen(14),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2020 getiteld “Naar een gefaseerde en gecoördineerde aanpak van het herstel van het vrije verkeer en de opheffing van de binnengrenscontroles – COVID-19” (C(2020)3250),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de Europese sociale partners in de landbouw — de groep Werkgevers van landbouworganisaties in de EU (GEOPPA-COPA) en de Europese vakfederatie voor voedselindustrie, landbouw en toerisme (EFFAT) — van 15 mei 2020 over de inzet van seizoenarbeiders uit Europese landen in de EU,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de sociale partners van de Europese horecasector – EFFAT en de overkoepelende organisatie van hotels, restaurants en cafés (HOTREC) – van 11 maart 2020 en 27 april 2020,

–  gezien de richtsnoeren van de sociale partners in de voedingsmiddelenindustrie EFFAT en FoodDrinkEurope van 9 april 2020 ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers in de voedingssector tijdens de COVID-19-pandemie,

–  gezien Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie(15),

–  gezien Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven(16),

–  gezien het mondiale pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie van 2018, met name de doelstellingen 5 en 22,

–  gezien het gezamenlijk Europees stappenplan voor de opheffing van de inperkingsmaatregelen in verband met COVID-19,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de Europese Raad van 26 maart 2020,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 maart 2020 getiteld “Gecoördineerde economische respons op de uitbraak van COVID-19” (COM(2020)0112),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 maart 2020 betreffende richtsnoeren voor de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers tijdens de uitbraak van COVID-19,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 maart 2020, getiteld: “COVID-19: Leidraad voor de uitvoering van de tijdelijke beperking van niet-essentiële reizen naar de EU, het faciliteren van doorreisregelingen voor de repatriëring van EU-burgers, en de gevolgen voor het visumbeleid” (C(2020)2050),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(17),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over arbeidsomstandigheden en onzeker werk(18),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), met name SDG’s 3 en 8,

–  gezien de fundamentele arbeidsnormen die zijn vastgesteld door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), alsook de verdragen en aanbevelingen van de IAO inzake arbeidsvoorwaarden,

–  gezien Verdrag 184 van de IAO (veiligheid en gezondheid in de landbouw),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2020 getiteld “Toerisme en vervoer in en na 2020” (COM(2020)0550),

–  gezien de richtsnoeren van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA) van 24 april 2020 getiteld “COVID-19: terug naar de werkplek – Aanpassing van werkplekken en veiligheidsmaatregelen voor werknemers”,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het vrije verkeer van werknemers een recht van werknemers en een fundamenteel beginsel van de Europese Unie is en van wezenlijk belang is voor de goede werking van de interne markt; overwegende dat arbeidsmobiliteit niet alleen vrij maar ook eerlijk moet zijn; overwegende dat het beginsel van gelijke behandeling verankerd is in artikel 45, lid 2, van het VWEU, waarin elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten op de gebieden werkgelegenheid, beloning en overige arbeidsvoorwaarden wordt verboden; overwegende dat dit beginsel evenzeer van toepassing is op grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders, die dezelfde behandeling moeten genieten als werknemers die onderdaan zijn van hun gastland, in overeenstemming met de EU‑wetgeving, ongeacht of het gaat om gelijke rechten, gelijke arbeidsvoorwaarden of gelijke bescherming;

B.  overwegende dat onder grensoverschrijdende werknemers zowel personen vallen die hun recht van vrij verkeer uitoefenen om in één EU-lidstaat te werken terwijl zij in een andere lidstaat wonen, als grensarbeiders en gedetacheerde werknemers; overwegende dat een grensarbeider een werknemer is die werkzaam is in het grensgebied van een EU‑lidstaat, maar die dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert naar het grensgebied van een buurland waarin hij of zij woont en waarvan hij of zij onderdaan is; overwegende dat een gedetacheerde werknemer een werknemer is die door zijn of haar werkgever wordt uitgezonden om op tijdelijke basis een dienst in een andere EU‑lidstaat te verrichten, in het kader van een dienstverleningsovereenkomst, een overplaatsing binnen een onderneming of een terbeschikkingstelling via een uitzendbureau; overwegende dat onder seizoenarbeiders zowel EU-onderdanen als onderdanen van derde landen vallen die naar een lidstaat reizen om daar tijdelijk te wonen en een seizoenafhankelijke activiteit te verrichten;

C.  overwegende dat meer dan 17 miljoen EU-burgers in een ander EU-land wonen en werken dan het land van hun nationaliteit (3,9 % van de totale beroepsbevolking in 2018); overwegende dat er 1,5 miljoen grensoverschrijdende werknemers zijn in de EU; overwegende dat er meer dan 2,3 miljoen detacheringen zijn in het kader waarvan tijdelijke basis diensten in een andere lidstaat worden verricht;

D.  overwegende dat de COVID-19-pandemie een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid, met gevolgen voor de gezondheid en het leven van alle personen die in de EU verblijven en voor de gezondheids- en zorgstelsels in de lidstaten; overwegende dat de crisis de Europese samenleving en de Europese economie nog verder heeft getroffen, met name werknemers en sectoren die in de frontlinie liggen; overwegende dat alle werknemers, ongeacht hun status, erdoor worden getroffen; overwegende dat het uitbreken van de pandemie het inherente verband tussen eerlijke en veilige mobiliteit aan het licht heeft gebracht;

E.  overwegende dat veel grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders essentieel zijn voor het leveren van kritieke goederen en diensten in belangrijke economische sectoren zoals landbouw en voedselproductie, vervoer, logistiek, bouw, sociale diensten, onder meer zorg, sociaal werk en toerisme, maar ook voor de verwerking en verpakking van levensmiddelen, de visserij, de bosbouw, de gezondheidszorg, onderzoek, de IT-sector, farmaceutische industrie, de kritieke-infrastructuurindustrie en andere sectoren, en van vitaal belang zijn voor elke vorm van economisch herstel; overwegende dat de bedrijfsmodellen van sommige uitzendbureaus en werkgevers in deze sectoren gebaseerd kunnen zijn op verlaging van de arbeidskosten en precaire arbeidsomstandigheden; overwegende dat arbeidsinspecties bij herhaling melding maken van schendingen van arbeidsrechten van grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders in deze sectoren;

F.  overwegende dat grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders zwaar getroffen zijn door zowel de crisis als maatregelen van de lidstaten om de verspreiding van het virus in te dammen en te voorkomen, met name grenssluitingen, tijdelijke beperkingen en controles aan de binnengrenzen; overwegende dat de COVID-19-pandemie heeft geleid tot de sluiting van grenzen en tot de stopzetting of opschorting van tal van economische activiteiten, wat op zijn beurt heeft geleid tot een toename van de werkloosheid en ernstige terugkeerproblemen voor grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders die in de lidstaten van hun vroegere dienstbetrekking vast kwamen te zitten, zonder inkomen, bescherming of vervoer en, soms, zonder onderdak en toegang tot gezondheidszorg of voedsel; overwegende dat jonge en vrouwelijke grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders bijzonder kwetsbaar kunnen zijn;

G.  overwegende dat talrijke grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders zijn aangesteld in het kader van kortlopende arbeidsovereenkomsten, die hun weinig of geen arbeidszekerheid en onvoldoende of geen sociale zekerheid bieden, zodat zij vaak onder de nationale kwalificatiedrempels voor een sociale uitkering vallen; overwegende dat talrijke grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders vaak afkomstig zijn uit arme en kwetsbare regio’s, minderheden en sociale groepen, vaak bedreigd worden door armoede onder werkenden en door sociale uitsluiting, en dat zij het slachtoffer kunnen worden van mogelijke schendingen van hun rechten door recruiters, uitzendbureaus of werkgevers, hetgeen allemaal is verergerd door de pandemie; overwegende dat werknemers met een kortlopende aanstelling vaak in groepsaccommodaties wonen, waardoor het moeilijk is fysieke afstand te bewaren en hun risico op infectie toeneemt; overwegende dat grote uitbraken van COVID-19-infecties zich hebben voorgedaan in sectoren als de voedselproductie-industrie, en waarschijnlijk zullen voortduren in sectoren en op werkplekken waar het moeilijk kan zijn fysieke afstand in acht te nemen, tenzij er passende maatregelen worden ingevoerd;

H.  overwegende dat talrijke grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders zich in de context van de COVID-19-crisis in een bijzonder kwetsbare situatie bevinden wat betreft hun arbeidsomstandigheden en hun gezondheid en veiligheid op het werk; overwegende dat er tijdens de crisis sprake is geweest van verontrustende berichtgeving over inbreuken op de rechten van grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders wat betreft hun werk- en leefomstandigheden, met name over werktijden, minimumlonen, oneerlijke ontslagen, gezondheids- en veiligheidsnormen op het werk, zoals het ontbreken van schriftelijke instructies en affichering op de werkplek, een gebrek aan veilig vervoer en fatsoenlijke huisvesting die voldoen aan sanitaire vereisten en waar maatregelen op het gebied van fysieke afstand kunnen worden nageleefd, hoge werkdruk en niet-aangepaste werkpatronen, detacheringsregelingen en onderaannemingspraktijken, niet-naleving van quarantainemaatregelen en repatriëringspraktijken, en ontoereikende verstrekking van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM); overwegende dat deze berichtgeving en de crisis in het algemeen sociale dumping en de bestaande onzekerheid van de situatie van veel grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders en de lacunes in de uitvoering en handhaving van de bestaande wetgeving met het oog op hun bescherming hebben blootgelegd en vergroot; overwegende dat veel grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders in de praktijk afhankelijk zijn van hun werkgever of uitzendbureau, niet alleen voor hun inkomen, maar ook voor hun huisvesting; overwegende dat talrijke grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders hun ontslag hebben gekregen en op straat zijn beland; overwegende dat deze werknemers, gezien hun kwetsbare situatie, het ook moeilijk kunnen vinden om misbruik te melden of niet naar het werk te gaan als zij zich ziek voelen, wegens een gebrek aan informatie of uit angst voor het verlies van hun inkomen, huisvesting of verblijfsstatus;

I.  overwegende dat grensoverschrijdende zelfstandigen en ondernemers ook zwaar getroffen zijn door de crisis; overwegende dat de stappen en maatregelen die de lidstaten tijdens de COVID-19-pandemie hebben genomen om werknemers, zelfstandigen en ondernemers financiële compensatie te geven, voornamelijk gebaseerd zijn op de nationale arbeidsmarkt en in veel gevallen geen adequate bepalingen bevatten voor grensoverschrijdende werknemers en zelfstandigen;

J.  overwegende dat een aantal werknemers COVID-19 heeft opgelopen, met dodelijke slachtoffers in verschillende lidstaten; overwegende dat de toegang van sommige van deze werknemers tot fatsoenlijke zorg, medische bijstand en voorzieningen, alsmede ziektekostenverzekeringen en sociale zekerheid, zelfs al voor de crisis problematisch was of in sommige gevallen zelfs ontbrak; overwegende dat de bevordering van en de toegang tot ziekteverlof voor deze werknemers ook een probleem vormt;

K.  overwegende dat de Europese Arbeidsautoriteit (ELA) in juli 2019 is opgericht om de lidstaten en de Commissie te ondersteunen bij de doeltreffende toepassing en handhaving van het recht van de Unie op het gebied van arbeidsmobiliteit en de coördinatie van de sociale zekerheid; overwegende dat de Europese Arbeidsautoriteit naar verwachting tegen 2024 volledig operationeel zal zijn;

L.  overwegende dat maatschappelijke organisaties en sociale partners een cruciale rol hebben gespeeld bij het verlenen van hulp aan werknemers tijdens de crisis, zowel in hun land van herkomst als in de lidstaat waar zij een dienstbetrekking hadden;

M.  overwegende dat de overgrote meerderheid van de grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders die de economische effecten van de COVID-19-pandemie ondervinden, nog geen toegang heeft tot adequate sociale bescherming en socialezekerheidsrechten vanwege de beperkte coördinatie tussen de socialezekerheidsinstellingen van de lidstaten, die verergerd is door COVID-19; overwegende dat grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders zich bevinden in situaties waarin zij niet noodzakelijkerwijs in aanmerking komen voor tijdelijke steunmaatregelen zoals werktijdverkortingsregelingen, aangepaste werkloosheidsuitkeringen en maatregelen ter bevordering van thuiswerken;

N.  overwegende dat sommige lidstaten tijdens de crisis actie hebben ondernomen om de kwetsbaarheden van grensoverschrijdende en seizoensgebonden arbeidsmigranten aan te pakken in de context van de COVID-19-crisis en aandacht te schenken aan hun rol in onze samenlevingen;

O.  overwegende dat ook grensarbeiders en grensregio’s van de EU zwaar getroffen zijn door de crisis wat betreft werkgelegenheid, toegang tot de werkplek en thuiswerkregelingen, en rechtsonzekerheid met betrekking tot de toepasselijke socialezekerheids- en belastingstelsels;

P.  overwegende dat in de Europese landbouwsector soms sprake is van inkomens die onder het gemiddelde liggen, in combinatie met lange werkdagen, ongevallen en ziekten en een lage deelname aan onderwijs- en opleidingsprogramma’s, met name voor grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders; overwegende dat slechte arbeidsomstandigheden in de landbouwsector een van de belangrijkste oorzaken zijn van tekorten aan arbeidskrachten in sommige lidstaten;

Q.  overwegende dat er geen EU-breed gegevensverzamelings- of digitaal traceringssysteem is opgezet om toereikende informatie te verschaffen over het totale aantal getroffen grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders of om werknemers in staat te stellen gemakkelijk en snel de situatie omtrent hun socialezekerheidsdekking vast te stellen en aanspraak te maken op verschillende rechten die zij vóór de crisis hadden opgebouwd; overwegende dat gemeenten vaak te weinig informatie hebben over de grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders die er wonen en werken;

R.  overwegende dat het risico bestaat dat de crisis de bestaande problemen bij de behandeling van grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders door sommige wervingsbureaus en lokale werkgevers verder verergert;

Bescherming van rechten, waarborging van veiligheid en handhaving van bestaande wetgeving

1.  is ingenomen met de niet-aflatende sturing van de Commissie in het kader van de voortdurende coördinatie van een gemeenschappelijke respons van de EU op de uitbraak van COVID-19, met name wat betreft de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie, en de uitoefening van het vrije en eerlijke verkeer van werknemers; benadrukt dat grenscontroles, gezondheidsscreenings en beperkingen op verplaatsingen evenredig en uitzonderlijk moeten blijven en dat al het vrije verkeer binnen het Schengengebied moet worden hersteld zodra dit gezien de situatie in de lidstaten ten aanzien van COVID-19 veilig wordt geacht; herinnert eraan dat het beginsel van gelijke behandeling niet alleen geldt voor grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders in essentiële sectoren en beroepen, maar ook voor alle werknemers die de binnengrenzen moeten overschrijden, aangezien de betrokken sectoren ook openstaan voor plaatselijke werknemers in het gastland; verzoekt de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan, zo spoedig mogelijk alle reisbeperkingen en discriminerende isolatie- en quarantainemaatregelen voor grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders op te heffen om een tekort aan arbeidskrachten in belangrijke sectoren te voorkomen en ten behoeve van die werknemers, en tegelijkertijd hun gezondheid en veiligheid te waarborgen;

2.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen uit te voeren om ervoor te zorgen dat grensoverschrijdende werknemers, seizoenarbeiders, grensoverschrijdende ondernemers en grensoverschrijdende zelfstandigen voldoende beschermd worden tegen COVID-19 en de gevolgen ervan, met inbegrip van eenvoudige toegang tot tests, en dat zij worden geïnformeerd over de risico’s en de te nemen voorzorgsmaatregelen in een taal die zij begrijpen; benadrukt de bijzondere kwetsbaarheid van jonge en vrouwelijke grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders; dringt voorts aan op maatregelen om te waarborgen dat hun gezondheid en veiligheid worden beschermd tijdens de reis en om te zorgen voor fatsoenlijke huisvesting waar zij fysieke afstand kunnen bewaren, indien de plaats waar zij werken anders is dan de plaats waar zij wonen, en dat er zo nodig repatriëringsoplossingen beschikbaar worden gesteld die niet ten koste van de werknemer gaan; onderstreept dat de bestaande wetgeving inzake de toegang tot sociale rechten, met inbegrip van de overdracht ervan, moet worden nageleefd; onderstreept dat grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders niet aan hun lot mogen worden overgelaten, vanwege het feit dat zij hun recht op vrij verkeer als EU-burgers hebben uitgeoefend;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het werk van de sociale partners en de maatschappelijke organisaties die op dit gebied actief zijn, te ondersteunen om ervoor te zorgen dat werknemers die als gevolg van de crisis of anderszins op hun grondgebied gestrand zijn voldoende en dringend toegang krijgen tot overheidsdiensten, ondersteuning door vakbonden, fatsoenlijke huisvesting, beschermende uitrusting, maaltijden en gezondheidszorg; is ingenomen met de inzet van de sociale partners om sectorspecifieke kwesties aan te pakken met betrekking tot de mobiliteit en de rechten van grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders;

4.  verzoekt de Commissie en de lidstaten er in de context van COVID-19 voor te zorgen dat seizoenarbeiders uit derde landen net zo worden behandeld als EU-onderdanen, zoals bepaald in Richtlijn 2014/36/EU, en herinnert eraan dat deze werknemers dezelfde arbeids- en sociale rechten hebben als EU-burgers;

5.  roept de Commissie en de lidstaten op om dringend de juiste uitvoering en handhaving van de toepasselijke EU-wetgeving inzake de rechten van grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders te waarborgen, met name wat betreft het recht op gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats, onder meer via nationale en grensoverschrijdende, onderling afgestemde en gezamenlijke arbeidsinspecties; dringt erop aan dat er duidelijke stappen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de werknemers vóór hun vertrek een duidelijk inzicht hebben in, volledig geïnformeerd zijn over en ongehinderd toegang hebben tot hun contracten, rechten en plichten, en dat deze contracten ter beschikking worden gesteld van de instanties die op hun arbeidsterrein actief zijn op het gebied van de arbeidsbescherming; verzoekt de lidstaten de capaciteit van de arbeidsinspectiediensten te vergroten en prioriteit te geven aan sectoren waar de werknemers gevaar lopen;

6.  verzoekt de Commissie om tijdens de COVID-19-pandemie toezicht te houden op de uitvoering van haar richtsnoeren inzake het vrije verkeer van werknemers, en met name om in de context van COVID-19 nieuwe specifieke richtsnoeren uit te vaardigen voor grensoverschrijdende werknemers, seizoenarbeiders, grensoverschrijdende ondernemers, grensoverschrijdende zelfstandigen en lidstaten, specifiek wat betreft de uitoefening van vrij en eerlijk verkeer, fatsoenlijke huisvesting, de toepasselijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden en gezondheids- en veiligheidsvoorschriften, waaronder de noodzaak om te zorgen voor voldoende fysieke afstand tijdens het vervoer, in huis en op de werkplek, de bescherming en coördinatie van de sociale zekerheid, de toegang tot en de verstrekking van gezondheidszorg, de verstrekking van informatie zoals schriftelijke instructies en affichering op de werkplek voor werknemers in een taal die zij kunnen begrijpen, en de uitwisseling van goede praktijken; onderstreept dat de sociale partners volledig moeten worden betrokken bij het opstellen van deze richtsnoeren;

7.  dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor hoogwaardige huisvesting voor grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders, die moet worden losgekoppeld van hun bezoldiging, en te zorgen voor fatsoenlijke faciliteiten, privacy voor huurders en schriftelijke huurovereenkomsten die door de arbeidsinspectie worden gehandhaafd, en om in dit verband normen vast te stellen;

8.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat prioriteit wordt gegeven aan het volledig operationeel maken van de ELA en dat de ELA werkt aan het verstrekken van relevante informatie over de rechten en plichten van personen bij grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit, onder meer via één EU-brede website, die moet fungeren als portaal voor de toegang tot informatiebronnen en -diensten op EU- en nationaal niveau; stelt vast dat een geharmoniseerd proces voor het signaleren van misbruik en problemen ontbreekt; verzoekt de ELA daarom, in samenwerking met de betrokken autoriteiten van de lidstaten, een Europese faciliteit voor grensoverschrijdende werknemers op te zetten om misstanden anoniem te melden, en om uitvoering te geven aan artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1149, met het oog op de uitvoering van gezamenlijke of in onderling overleg uitgevoerde inspecties indien gevallen van mogelijk misbruik onder haar aandacht worden gebracht;

9.  roept de Commissie op om langetermijnoplossingen voor te stellen om wanpraktijken op het gebied van onderaanneming aan te pakken en om seizoenarbeiders en grensoverschrijdende werknemers die in de onderaannemingsketen en de toeleveringsketen zijn aangesteld, te beschermen;

Bevordering van eerlijke mobiliteit en versterking van de interne markt

10.  verzoekt de lidstaten en de Commissie zich voor te bereiden op eventuele toekomstige golven van COVID-19, en dringt nogmaals aan op de coördinatie van nationale grensmaatregelen en de ontwikkeling van veiligheidsmaatregelen voor mobiele werknemers, met inbegrip van veilige onderkomens; merkt op dat er voorzieningen voor permanente mobiliteit moeten komen, door middel van de vaststelling en instandhouding van “groene corridors”, met inbegrip van veiligheidsmaatregelen en gevestigde en duidelijk gecommuniceerde reisbepalingen en voorwaarden; wijst in dit verband op de sleutelrol van regionale en lokale overheden en bestaande grensoverschrijdende instellingen, onder meer door het bijhouden en regelmatig bijwerken van de registers van alle grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders die zijn geregistreerd in de gemeenten waar zij gehuisvest zijn; onderstreept dat de leidende beginselen voor alle maatregelen die in het licht van de crisis en de weg tot herstel worden genomen, de gezondheid en veiligheid van alle werknemers moeten zijn, evenals de eerbiediging en doeltreffende handhaving van alle toepasselijke arbeidsvoorwaarden, waarbij de bijzonder kwetsbare situatie van grensoverschrijdende en mobiele werknemers tijdens de uitbraak van COVID-19 en de nasleep ervan worden erkend;

11.  herinnert aan het belang en de noodzaak van goede samenwerking met derde landen waar sprake is van grote aantallen grensoverschrijdende werknemers, zoals de Europese Economische Ruimte (EER), Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk;

12.  benadrukt de noodzaak van goede samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot het verzamelen van gegevens over grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders om lacunes in de nationale praktijken op te vullen, betere toegang te verkrijgen tot beschikbare informatie en een voorspelbare en toegankelijke interne arbeidsmarkt te creëren; verzoekt de Europese Arbeidsautoriteit een actieve rol te spelen bij het verzamelen en coördineren van gegevens met het oog op het uitvoeren van analyses op het gebied van arbeidsmobiliteit en risicobeoordelingen, overeenkomstig haar taken zoals uiteengezet in haar oprichtingsverordening;

13.  is van mening dat, om grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders te beschermen, ook werkgevers behoefte hebben aan heldere regels en juridische duidelijkheid; verzoekt de lidstaten om op de websites van hun respectieve nationale instellingen informatie te verzamelen en bij te houden over al deze regels, met inbegrip van regels die betrekking hebben op COVID-19 en reisbeperkingen; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is een portaal of mobiele applicatie in het leven te roepen waarop gegevens van de lidstaten zouden kunnen worden verzameld om de EU-burgers nauwkeurige en real-time reisbeperkende informatie te bieden, met inbegrip van de reismogelijkheden en de beschikbare routes ingeval de noodmaatregelen gedeeltelijk of volledig zouden worden heringevoerd;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat grensoverschrijdende werknemers, met name grensoverschrijdende arbeiders en zelfstandigen die getroffen zijn door de crisis, met inbegrip van degenen die telewerken vanuit het land waar zij wonen, toegang hebben tot de toepasselijke sociale zekerheid, arbeidsrechten en belastingstelsels, en weten welke autoriteit bevoegd is voor hun dekking, dat zij onder dezelfde voorwaarden als andere werknemers gebruik kunnen maken van regelingen voor arbeidstijdverkorting, en ten aanzien van hun belasting- of socialezekerheidsrechten geen negatieve gevolgen ondervinden van de duur van hun verblijf in de lidstaat waar zij wonen als gevolg van de pandemie; dringt erop aan dat de in het buitenland getelewerkte tijd wordt aangemerkt als tijd die in het land waar gewerkt wordt, werd doorgebracht;

Weerbaarheid, digitalisering en waarborging van transparantie

15.   verzoekt de Commissie dringend een onderzoek te verrichten naar de algemene situatie op het gebied van de werkomstandigheden en de gezondheids- en veiligheidsomstandigheden van grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders, met inbegrip van de rol van uitzendbureaus, aanwervende bureaus, andere tussenpersonen en onderaannemers, met het oog op het vaststellen van lacunes in de bescherming en de eventuele noodzaak van een herziening van het bestaande wetgevingskader, zoals het wetgevingskader voor gezondheid en veiligheid op het werk, Richtlijn 2014/36/EU betreffende seizoenarbeiders en Richtlijn 2008/104/EG betreffende uitzendarbeid, alsmede de pandemiebestendigheid ervan; benadrukt dat de lessen die zijn getrokken niet alleen geldig zijn voor de COVID-19-crisis, maar ook empirische onderbouwde beleidsvorming moeten versterken om de tekortkomingen in de wetgeving van de EU en de lidstaten in tijden van crisis en in normale situaties aan te pakken;

16.  onderstreept dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van een stabiel, betrouwbaar en crisisbestendig socialezekerheidsstelsel en dat de EU gemeenschappelijke regels biedt ter bescherming van socialezekerheidsrechten bij verplaatsingen binnen Europa; dringt er bij het huidige en toekomstige voorzitterschap van de Raad en de lidstaten op aan samen te werken met het Parlement om een snel en evenwichtig akkoord te bereiken over de voorgestelde herziening van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid met het oog op de totstandbrenging van gemoderniseerde en doelgerichte regels die eerlijke mobiliteit en sociale bescherming voor alle EU-burgers bevorderen, en tegelijkertijd sociale fraude en misbruik van sociale rechten van mobiele werknemers doeltreffend bestrijden; verzoekt de lidstaten in dit verband om met spoed alle onderdelen van het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende de sociale zekerheid (Electronic Exchange of Social Security Information, EESSI) te implementeren, teneinde een effectievere samenwerking tussen de socialezekerheidsinstellingen en een snellere, gedigitaliseerde verwerking van individuele gevallen ten behoeve van personen in grensoverschrijdende situaties te waarborgen;

17.  verzoekt de Commissie haar webpagina’s te actualiseren in het licht van COVID-19, deze dienovereenkomstig te promoten en informatie te verstrekken over de rechten van werknemers en over de relevante nationale wetgeving voor grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders, alsook gegevens over nationale en regionale arbeidsbeschermingsautoriteiten, en om in samenwerking met de lidstaten laagdrempelige voorlichtingscampagnes op te zetten die gericht zijn op grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders, met de betrokkenheid van sociale partners en maatschappelijke organisaties, teneinde de informatie verder te verspreiden;

18.  wijst nogmaals op het belang van een adequate bescherming van klokkenluiders in de lidstaten, onder meer voor grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders; moedigt de lidstaten aan verder te gaan dan de minimumvereisten van Richtlijn 2019/1937 voor alle werknemers, ongeacht hun status, en na te gaan hoe de nationale wetgeving inzake de bescherming van klokkenluiders kan worden toegepast op grensoverschrijdende werknemers of seizoenarbeiders die misbruik melden; benadrukt de noodzaak van een transparante uiteenzetting van de beschikbare opties om misbruik te melden en ondersteuning te krijgen bij arbeidscontracten zonder angst voor represailles; benadrukt dat de toegang tot vakbonden en maatschappelijke organisaties, ook in het gastland, voor deze werknemers moet worden gewaarborgd;

19.  is van mening dat de invoering van een digitaal en dynamisch systeem voor de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten de bestrijding van misbruik van en problemen met de rechten van grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders alsmede zwartwerk kan vergemakkelijken en de dekking van het verantwoordelijke socialezekerheidsstelsel kan helpen bepalen; verzoekt de Commissie in dit verband een uitgebreide effectbeoordeling voor te bereiden over de invoering van een digitaal Europees socialezekerheidsnummer met het oog op het indienen van een voorstel; onderstreept dat persoonsgegevens alleen mogen worden gebruikt voor een specifiek doel en uitsluitend door de voor sociale zekerheid bevoegde autoriteiten, overeenkomstig de algemene verordening gegevensbescherming(19);

20.  verzoekt de lidstaten de herziene detacheringsrichtlijn op een correcte, tijdige en ambitieuze wijze om te zetten en de volledige gelijke behandeling en bescherming van gedetacheerde werknemers te waarborgen, in het bijzonder met betrekking tot de naleving van de verplichting van de werkgever uit hoofde van artikel 3, lid 7, van deze richtlijn, om gedetacheerde werknemers in verband met de detachering daadwerkelijk gemaakte kosten, zoals reis-, maaltijd- en verblijfkosten te vergoeden, overeenkomstig het nationale recht en/of de praktijk die van toepassing is/zijn op de arbeidsrelatie;

21.  stelt vast dat de Commissie, samen met de lidstaten, het gebrek aan duidelijke bepalingen voor de oprichting van uitzend- en arbeidsbureaus voor grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders in de EU moet aanpakken; herinnert aan bestaande goede praktijken waarbij dergelijke ondernemingen onderworpen zijn aan door specifieke bestuursorganen afgegeven vergunningen waarin hun transparantie duidelijk wordt aangegeven;

22.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de “van boer tot bord” -strategie en de komende herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid resultaten opleveren voor werknemers in de landbouw in Europa, met inbegrip van seizoenarbeiders, arbeidsmigranten en andere mobiele werknemers;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het negatieve imago van seizoenarbeiders en grensoverschrijdende werknemers in voorkomende gevallen te bestrijden; merkt op dat de lidstaten van verblijf de verantwoordelijkheid hebben om grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders adequate toegang te bieden tot informatie over arbeid en sociale zekerheid; wijst op het belang van steun voor grensoverschrijdende werknemers en seizoenarbeiders bij werkgerelateerde ongevallen en bijstand voor repatriëring en re-integratie, en ervoor te zorgen dat hun rechten worden geëerbiedigd door de aanwervende bureaus, onderaannemers en andere tussenpersonen die op hun grondgebied actief zijn;

o
o   o

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Raad en de Commissie.

(1) PB L 128 van 30.4.2014, blz. 8.
(2) PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1.
(3) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 375.
(4) PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9.
(5) PB L 186 van 11.7.2019, blz. 21.
(6) PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1.
(7) PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.
(8) PB L 393 van 30.12.1989, blz. 1.
(9) PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.
(10) PB L 173 van 9.7.2018, blz. 16.
(11) PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11.
(12) PB L 262 van 17.10.2000, blz. 21.
(13) PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17.
(14) PB L 168 van 30.6.2009, blz. 24.
(15) PB L 186 van 11.7.2019, blz. 105.
(16) PB L 343 van 23.12.2011, blz. 1.
(17) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(18) PB C 334 van 19.9.2018, blz. 88.
(19) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

Juridische mededeling - Privacybeleid