Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 17 september 2020 - BrusselDefinitieve uitgave
Typegoedkeuring van motorvoertuigen (emissies onder reële rijomstandigheden) ***I
 Fonds voor een rechtvaardige transitie ***I
 Wapenuitvoer: uitvoering van gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB
 Vaststelling van een duidelijk gevaar van ernstige schending van de rechtsstaat door de Republiek Polen
 Strategische benadering van geneesmiddelen in het milieu
 Het maximaliseren van het energie-efficiëntiepotentieel van het gebouwenbestand in de EU
 Tekort aan geneesmiddelen — hoe moet dit oprukkende probleem worden aangepakt?
 Uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma: bestrijding van een negatieve houding jegens personen met een Roma-achtergrond in Europa
 Voorbereiding van de buitengewone Europese Raad over de gevaarlijke escalatie in het oostelijke Middellandse Zeegebied en de rol van Turkije
 Situatie in Belarus
 Situatie in Rusland, vergiftiging van Aleksej Navalny
 De situatie in de Filipijnen, onder meer het geval van Maria Ressa
 Het geval van dr. Denis Mukwege in de Democratische Republiek Congo (DRC)
 De humanitaire situatie in Mozambique
 Een duurzame spoorwegmarkt naar aanleiding van de COVID-19-uitbraak ***I
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8: Verhoging van de betalingskredieten voor het instrument voor noodhulp ter financiering van de COVID-19-vaccinstrategie en met het oog op de effecten van het corona-investeringsinitiatief plus
 Bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: Maximumgehalten aan residuen van bepaalde stoffen, waaronder flonicamid, haloxyfop en mandestrobin
 Cultureel herstel van Europa
 COVID-19: EU-coördinatie van gezondheidsbeoordelingen en risicoclassificatie en de gevolgen voorhet Schengengebied en de interne markt
 Het belang van stedelijke en groene infrastructuur – Europees Jaar van groenere steden 2022

Typegoedkeuring van motorvoertuigen (emissies onder reële rijomstandigheden) ***I
PDF 183kWORD 56k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 september 2020 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (COM(2019)0208 – C9-0009/2019 – 2019/0101(COD))(1)
P9_TA(2020)0222A9-0139/2020

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Verordening (EG) nr. 715/2007 legt bepaalde emissiegrenswaarden op voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en bevat aanvullende voorschriften inzake de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie. De specifieke technische bepalingen die nodig zijn om die verordening ten uitvoer te leggen, werden vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie4 en vervolgens bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie5.
(2)  Verordening (EG) nr. 715/2007 legt bepaalde emissiegrenswaarden op voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en bevat aanvullende voorschriften inzake de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, zoals gewijzigd en geconsolideerd bij Verordening (EU) 2018/8583 bis, die van toepassing is sinds 1 september 2020. De specifieke technische bepalingen die nodig zijn om Verordening (EG) nr. 715/2007 ten uitvoer te leggen, werden vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie4 en vervolgens bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie5.
__________________
__________________
3 bis Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).
4 Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1).
4 Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1).
5 Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).
5 Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De emissievoorschriften voor typegoedkeuring van motorvoertuigen zijn geleidelijk doch aanzienlijk aangescherpt door de invoering en de daaropvolgende herziening van de Euro-normen. In het algemeen is voor voertuigen een aanzienlijke vermindering van emissies van de verschillende gereguleerde verontreinigende stoffen bewerkstelligd, maar dat is niet het geval voor NOx-emissies van dieselmotoren of deeltjesemissies van benzinemotoren met directe inspuiting, met name indien geïnstalleerd in lichte voertuigen. Daarom zijn maatregelen nodig om deze situatie te verbeteren.
(3)  De emissievoorschriften voor typegoedkeuring van motorvoertuigen zijn geleidelijk doch aanzienlijk aangescherpt door de invoering en de daaropvolgende herziening van de Euro-normen. In het algemeen is voor voertuigen een aanzienlijke vermindering van emissies van de verschillende gereguleerde verontreinigende stoffen bewerkstelligd, maar dat is niet het geval voor NOx-emissies van dieselmotoren of deeltjesemissies van benzinemotoren met directe inspuiting, met name indien geïnstalleerd in lichte voertuigen. Daarom zijn maatregelen nodig om deze situatie te verbeteren.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Volgens het door het Europees Milieuagentschap (EEA) gepubliceerde verslag over luchtkwaliteit 20191 bis was langdurige blootstelling aan luchtverontreiniging in 2016 verantwoordelijk voor naar schatting meer dan 506 000 gevallen van vroegtijdig overlijden in de EU-28. Het verslag bevestigt ook dat wegvervoer in 2017 nog steeds de belangrijkste bron van NOx-emissies in de EU-28 was en verantwoordelijk was voor circa 40 % van de totale NOx-emissies in de EU, en dat circa 80 % van de totale NOx-emissies van wegvervoer afkomstig is van dieselvoertuigen;
__________________
1 bis Verslag over de luchtkwaliteit in Europa 2019 van het EEA.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 ter (nieuw)
(3 ter)  Toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie voor onafhankelijke marktdeelnemers is van cruciaal belang om het vertrouwen van de consument te herstellen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 quater (nieuw)
(3 quater)  Recente schendingen door fabrikanten van het bestaande rechtskader, waaronder schendingen van hun wettelijke verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 715/2007, hebben tekortkomingen op het gebied van controle- en handhavingsmechanismen aangetoond. De consumenten hebben geen bevredigende compensatie ontvangen, aangezien de betrokken voertuigen zelfs als er compensatie werd toegekend, daardoor vaak niet in overeenstemming werden gebracht met de Euro 5- en 6-normen. Aangezien dieselvoertuigen in Europese steden in toenemende mate worden verboden en dit gevolgen heeft voor het dagelijkse leven van de bevolking, zouden er passende compensatiemaatregelen kunnen worden genomen, zoals de installatie in niet-conforme voertuigen van aangepaste uitlaatgasbehandelingstechnologieën (hardwarewijziging) of – indien de consument ervoor koos een reeds gekocht voertuig voor een schoner model in te wisselen – het aanbieden van omschakelingspremies.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Naar aanleiding van het resultaat van die analyse heeft de Commissie een nieuwe methode ontwikkeld voor het testen van voertuigemissies onder reële rijomstandigheden, de RDE-testprocedure. De RDE-testprocedure werd ingevoerd bij de verordeningen (EU) 2016/4276 en (EU) 2016/6467 van de Commissie, vervolgens overgenomen in Verordening (EU) 2017/1151 en bij Verordening (EU) 2017/11548 van de Commissie verder verbeterd
(5)  Naar aanleiding van het resultaat van die analyse heeft de Commissie een nieuwe methode ontwikkeld voor het testen van voertuigemissies onder reële rijomstandigheden, de RDE-testprocedure. De RDE-testprocedure werd ingevoerd bij de Verordeningen (EU) 2016/4276 en (EU) 2016/6467 van de Commissie, vervolgens overgenomen in Verordening (EU) 2017/1151 en bij Verordeningen (EU) 2017/11548 en (EU) 2018/18328 bis van de Commissie verder verbeterd.
__________________
__________________
6 Verordening (EU) 2016/427 van de Commissie van 10 maart 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PB L 82 van 31.3.2016, blz. 1).
6 Verordening (EU) 2016/427 van de Commissie van 10 maart 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PB L 82 van 31.3.2016, blz. 1).
7 Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PB L 109 van 26.4.2016, blz. 1).
7 Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PB L 109 van 26.4.2016, blz. 1).
8 Verordening (EU) 2017/1154 van de Commissie van 7 juni 2017 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1151 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 en van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen in reële rijomstandigheden betreft (Euro 6) (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 708).
8 Verordening (EU) 2017/1154 van de Commissie van 7 juni 2017 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1151 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 en van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen in reële rijomstandigheden betreft (Euro 6) (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 708).
8 bis Verordening (EU) 2018/1832 van de Commissie van 5 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie om de typegoedkeuringstests en -procedures voor de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen, waaronder die voor conformiteit tijdens het gebruik en emissies in reële rijomstandigheden, te verbeteren en bepalingen in te voeren betreffende instrumenten voor de meting van het brandstof- en elektriciteitsverbruik (PB L 301 van 27.11.2018, blz. 1).
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Bij Verordening (EU) 2016/6469 zijn de toepassingsdata van de RDE-testprocedure en de nalevingscriteria voor emissies onder reële rijomstandigheden vastgelegd. Daartoe werd gebruikgemaakt van voor de verontreinigende stoffen specifieke conformiteitsfactoren, waarmee de statistische en technische onzekerheden van de via een draagbaar emissiemeetsysteem uitgevoerde metingen in aanmerking konden worden genomen.
(6)  Bij Verordening (EU) 2016/64691 zijn de toepassingsdata van de RDE-testprocedure en de nalevingscriteria voor emissies onder reële rijomstandigheden vastgelegd. De toepassingsdata voor passagiersvoertuigen en lichte voertuigen zijn gekozen volgens een meerjarenplanning om te garanderen dat de fabrikant een tijdige planning kan maken voor elke groep voertuigen. Daartoe werden voor de verontreinigende stoffen specifieke conformiteitsfactoren ingevoerd, waarmee de statistische en technische onzekerheden van de via een draagbaar emissiemeetsysteem uitgevoerde metingen in aanmerking konden worden genomen.
_________________
_________________
Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PB L 109 van 26.4.2016, blz. 1).
Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PB L 109 van 26.4.2016, blz. 1).
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Volgens het verslag van het EEA van 2016 was de kloof tussen emissiemetingen in laboratoria en in reële omstandigheden hoofdzakelijk te wijten aan drie factoren: een verouderde testprocedure, flexibiliteit in de bestaande procedure en factoren tijdens het gebruik die afhankelijk zijn van de bestuurder. Een onderzoek is nodig om de marge vast te stellen die te wijten is aan de rijstijl en de buitentemperatuur. Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de conformiteitsfactor, de marge als gevolg van het systeem en de marge van de factor tijdens het gebruik die afhankelijk is van de bestuurder en de temperatuur.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Op 13 december 2018 heeft het Gerecht uitspraak gedaan in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/1622 betreffende een beroep tot nietigverklaring van Verordening (EU) 2016/646. Het Gerecht heeft het deel van Verordening (EU) 2016/646 waarin de conformiteitsfactoren zijn vastgelegd voor de beoordeling van overeenstemming van de RDE-testresultaten met de in Verordening (EG) nr. 715/2007 vastgestelde emissiegrenswaarden, nietig verklaard. Het Gerecht oordeelde dat alleen de wetgever die conformiteitsfactoren had kunnen invoeren, aangezien zij betrekking hadden op een essentieel onderdeel van Verordening (EG) nr. 715/2007.
(7)  Op 13 december 2018 heeft het Gerecht uitspraak gedaan in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/1622 betreffende een beroep tot nietigverklaring van Verordening (EU) 2016/646. Het Gerecht heeft het deel van Verordening (EU) 2016/646 waarin de conformiteitsfactoren waren vastgelegd voor de beoordeling van overeenstemming van de RDE-testresultaten met de in Verordening (EG) nr. 715/2007 vastgestelde emissiegrenswaarden, nietig verklaard. Het Gerecht oordeelde dat alleen de wetgever die conformiteitsfactoren had kunnen invoeren, aangezien zij betrekking hadden op een essentieel onderdeel van Verordening (EG) nr. 715/2007 “door een feitelijke aanpassing van de daarin genoemde voor Euro 6 vastgestelde emissiegrenswaarden van stikstofoxiden, hoewel die grenswaarden moeten worden gehanteerd in die testen”.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Het Gerecht trok de technische onderbouwing van de conformiteitsfactoren niet in twijfel. Daarom, en aangezien er in de huidige stand van de technologische ontwikkeling nog altijd een discrepantie bestaat tussen de emissies die worden gemeten onder reële rijomstandigheden op de weg en de emissies die in een laboratorium worden gemeten, is het passend om de conformiteitsfactoren op te nemen in Verordening (EG) nr. 715/2007.
(8)  Het Gerecht betwijfelde “of het feit dat de Commissie zich baseert op mogelijke statistische fouten goed gefundeerd is”, met name ten aanzien de tijdelijke conformiteitsfactor van 2,1 en stelde dat “statistische onduidelijkheden worden gecorrigeerd door de representativiteit van het monster of van de test of van het volume van de testen”. Bovendien stelde het Gerecht, ten aanzien van de ingevoerde marge van technische onzekerheid, dat “na een RDE-test niet kan worden vastgesteld of het geteste voertuig al dan niet aan deze grenswaarden voldoet of deze ook maar benadert”. Alle meetapparatuur heeft een marge van technische onzekerheid en draagbare emissiemeetsystemen hebben, gezien hun gebruik in variabele omstandigheden, een vrij ruime marge in vergelijking met niet-mobiele laboratoriumapparatuur, zelfs als dit inhoudt dat emissies feitelijk zowel kunnen worden over- als onderschat. Aangezien er in de huidige stand van de technologische ontwikkeling nog altijd een discrepantie bestaat tussen de emissies die worden gemeten onder reële rijomstandigheden op de weg en de emissies die in een laboratorium worden gemeten, is het passend om de conformiteitsfactoren tijdelijk op te nemen in Verordening (EG) nr. 715/2007.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  In de resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over recente ontwikkelingen in het dieselgate-schandaal wordt het arrest van het Gerecht verwelkomd en wordt de Commissie uitdrukkelijk verzocht geen nieuwe conformiteitsfactor in te voeren om ervoor te zorgen dat de Euro 6-normen niet verder worden verwaterd en in normale gebruiksomstandigheden worden nageleefd, zoals oorspronkelijk bepaald in Verordening (EG) nr. 715/2007.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Teneinde fabrikanten in staat te stellen om in het kader van de RDE-testprocedure aan de Euro 6-emissiegrenswaarden te voldoen, moeten de nalevingscriteria voor emissies onder reële rijomstandigheden in twee stappen worden ingevoerd. Tijdens de eerste stap kan, als de fabrikant daarom verzoekt, een tijdelijke conformiteitsfactor worden gehanteerd, maar tijdens de tweede stap mag alleen de definitieve conformiteitsfactor worden gebruikt. De Commissie moet de definitieve conformiteitsfactoren voortdurend herzien in het licht van de technische vooruitgang.
(9)  Teneinde fabrikanten in staat te stellen om in het kader van de RDE-testprocedure aan de Euro 6-emissiegrenswaarden te voldoen, moeten de nalevingscriteria voor emissies onder reële rijomstandigheden in twee stappen worden ingevoerd. Tijdens de eerste stap kan, als de fabrikant daarom verzoekt, een tijdelijke conformiteitsfactor worden gehanteerd, maar tijdens de tweede stap mag alleen de definitieve conformiteitsfactor worden gebruikt. De definitieve conformiteitsfactor moet gedurende een overgangsfactor worden toegepast en een marge hebben voor de aanvullende meetonzekerheid in verband met de invoering van de draagbare emissiemeetsystemen. De Commissie moet die conformiteitsfactor voortdurend evalueren in het licht van technologische vooruitgang en jaarlijks neerwaarts aanpassen op basis van wetenschappelijk bewijs, de toegenomen nauwkeurigheid van de meetprocedure en de technische vooruitgang van de draagbare emissiemeetsystemen. De conformiteitsfactor moet geleidelijk worden verlaagd en uiterlijk 30 september 2022 worden afgeschaft.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   De Commissie moet uiterlijk in juni 2021 strengere eisen voor apparatuur voor draagbare emissiemeetsystemen vaststellen die voor RDE-tests kunnen worden gebruikt. De gehanteerde normen moeten, zo mogelijk, rekening houden met relevante elementen van normering die zijn ontwikkeld door het CEN op basis van de beste beschikbare draagbare emissiemeetsystemen.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 ter (nieuw)
(9 ter)  Het is belangrijk te onderstrepen dat dit voorstel betrekking heeft op de conformiteitsfactor, terwijl de emissiegrenswaarden aan bod moeten komen in het komende voorstel voor de periode na Euro 6. Om vooruitgang te boeken bij de vaststelling van de toekomstige emissiegrenswaarden (na Euro 6) en de verbetering van de luchtkwaliteit voor Unieburgers is het essentieel dat de Commissie hier zo spoedig mogelijk en uiterlijk in juni 2021 in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel toe indient, zoals de Commissie heeft aangekondigd in haar mededeling van 11 december 2019 over de Europese Green Deal, waarin wordt benadrukt dat er gekozen moet worden voor duurzame en slimme mobiliteit en gezorgd moet worden voor een overgang naar emissiearme mobiliteit. Bij de tenuitvoerlegging van de post-Euro 6-normen mogen geen conformiteitsfactoren worden gebruikt.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 quater (nieuw)
(9 quater)  Om de fabrikanten aan te sporen om een vooruitziende, milieubewuste benadering te hanteren, moeten de nieuwe technologische innovaties voor de absorptie van NOx worden getest, in cijfers worden uitgedrukt en in overweging worden genomen bij de volgende herziening van de Euro-normen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Bij het Verdrag van Lissabon heeft de wetgever de mogelijkheid gekregen om aan de Commissie de bevoegdheid te delegeren om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling. De maatregelen waarop de in artikel 290, lid 1, van het VWEU bedoelde bevoegdheidsdelegatie betrekking kan hebben, zijn in beginsel dezelfde als die welke vallen onder de regelgevingsprocedure met toetsing die is ingevoerd bij artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG van de Raad11. Het is derhalve noodzakelijk de bepalingen van Verordening (EG) nr. 715/2007 die voorzien in het gebruik van de regelgevingsprocedure met toetsing aan te passen aan artikel 290 van het Verdrag.
(10)  Bij het Verdrag van Lissabon heeft de wetgever de mogelijkheid gekregen om aan de Commissie de bevoegdheid te delegeren om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling. De maatregelen waarop de in artikel 290, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bedoelde bevoegdheidsdelegatie betrekking kan hebben, zijn in beginsel dezelfde als die welke vallen onder de regelgevingsprocedure met toetsing die is ingevoerd bij artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG van de Raad11. Het is derhalve noodzakelijk de bepalingen van Verordening (EG) nr. 715/2007 die voorzien in het gebruik van de regelgevingsprocedure met toetsing aan te passen aan artikel 290 van het Verdrag.
_________________
_________________
11 Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23).
11 Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23).
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Teneinde te kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie inzake luchtkwaliteit en de voertuigemissies te verminderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van uitvoeringsbepalingen voor de specifieke procedures, tests en voorschriften voor typegoedkeuring. Ook moet zij worden bevoegd om Verordening (EG) nr. 715/2007 aan te vullen door herziening van die bepalingen alsook van de voor het meten van de emissies gebruikte testcycli; de voorschriften voor de uitvoering van het verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten die de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen; de maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van de verplichting van fabrikanten om onbeperkte en gestandaardiseerde toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie te bieden; het vaststellen van een herziene meetprocedure voor deeltjes. Verder moet de Commissie worden bevoegd om Verordening (EG) nr. 715/2007 te wijzigen teneinde de definitieve conformiteitsfactoren neerwaarts te herzien ter weerspiegeling van de technische vooruitgang van draagbare emissiemeetsystemen, op deeltjesmassa gebaseerde grenswaarden aan te passen en op het deeltjesaantal gebaseerde grenswaarden vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en moeten hun deskundigen systematisch toegang hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(11)  Teneinde te kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie inzake luchtkwaliteit en de voertuigemissies te verminderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van uitvoeringsbepalingen voor de specifieke procedures, tests en voorschriften voor typegoedkeuring. Ook moet zij worden bevoegd om Verordening (EG) nr. 715/2007 aan te vullen door herziening van die bepalingen alsook van de voor het meten van de emissies gebruikte testcycli; de voorschriften voor de uitvoering van het verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten die de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen; de maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van de verplichting van fabrikanten om onbeperkte en gestandaardiseerde toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie te bieden; en het vaststellen van een herziene meetprocedure voor deeltjes. De tijd tussen de inwerkingtreding van deze verordening en de intrekking van de bepalingen inzake reparatie- en onderhoudsinformatie bij Verordening (EU) 2018/858 is kort. Toch moet aan de Commissie ook de bevoegdheid worden overgedragen, met het oog op rechtszekerheid en om alle opties voor de wetgever open te houden, om de nodige maatregelen te nemen voor het opleggen van de verplichting voor fabrikanten om onbeperkte en gestandaardiseerde toegang te bieden tot reparatie- en onderhoudsinformatie. Verder moet de Commissie worden bevoegd om Verordening (EG) nr. 715/2007 te wijzigen teneinde de conformiteitsfactor jaarlijks neerwaarts te herzien ter weerspiegeling van de kwaliteitsverbeteringen van de meetprocedure of de technische vooruitgang van draagbare emissiemeetsystemen, op deeltjesmassa gebaseerde grenswaarden aan te passen en op het deeltjesaantal gebaseerde grenswaarden vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven1 bis. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
_________________
1 bis PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a
Verordening (EG) nr. 715/2007
Artikel 4 – lid 1 – alinea 2
In deze verplichtingen is inbegrepen dat wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden in bijlage I. Om naleving van de in bijlage I, tabel 2, vermelde Euro 6-emissiegrenswaarden te controleren, worden de emissiewaarden die tijdens eender welke geldige test van de emissies onder reële rijomstandigheden (RDE-test) zijn bepaald, gedeeld door de toepasselijke conformiteitsfactor zoals vermeld in bijlage I, tabel 2a. Het resultaat blijft onder de in tabel 2 van die bijlage vermelde Euro 6-emissiegrenswaarden.
In deze verplichtingen is inbegrepen dat wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden in bijlage I. Om naleving van de in bijlage I, tabel 2, vermelde Euro 6-emissiegrenswaarden te controleren, worden de emissiewaarden die tijdens eender welke geldige test van de emissies onder reële rijomstandigheden (RDE-test) zijn bepaald, gedeeld door de toepasselijke conformiteitsfactor zoals vermeld in bijlage I, tabel 2a. Het resultaat blijft onder de in tabel 2 van die bijlage vermelde Euro 6-emissiegrenswaarden. De conformiteitsprocedure wordt geleidelijk verlaagd met de jaarlijkse neerwaartse herzieningen, op basis van het JRC. De conformiteitsfactor moet uiterlijk 30 september 2022 worden afgeschaft.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter a
Verordening (EG) nr. 715/2007
Artikel 5 – lid 1
1.  De fabrikanten rusten hun voertuigen zo uit dat de onderdelen die van invloed kunnen zijn op de emissies zodanig ontworpen, geconstrueerd en gemonteerd zijn dat het voertuig onder normale gebruiksomstandigheden aan deze verordening kan voldoen.
1.  De fabrikanten rusten hun voertuigen zo uit dat de onderdelen die van invloed kunnen zijn op de emissies zodanig ontworpen, geconstrueerd en gemonteerd zijn dat het voertuig onder normale gebruiksomstandigheden aan deze verordening kan voldoen. De fabrikanten waarborgen bovendien de betrouwbaarheid van de emissiebeheersingssystemen en streven ernaar het risico op de diefstal van deze systemen of de manipulatie ervan te beperken.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 715/2007
Artikel 8 – alinea 1
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de artikelen 6 en 7 aan te vullen. Deze maatregelen omvatten de vaststelling en actualisering van de technische specificaties voor de wijze waarop de OBD en reparatie- en onderhoudinformatie van het voertuig ter beschikking worden gesteld, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de specifieke behoeften van kmo/mkb.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de artikelen 6 en 7 aan te vullen. Deze maatregelen omvatten de vaststelling en actualisering van de technische specificaties voor de wijze waarop de OBD- en reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig ter beschikking worden gesteld, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de specifieke behoeften van kmo’s, micro-ondernemingen en zelfstandige marktdeelnemers.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b
Verordening (EG) nr. 715/2007
Artikel 10 – lid 4 – alinea 2
Naleving van de Euro 6-emissiegrenswaarden wordt tijdens een geldige RDE-test bepaald door de voor de verontreinigende stof specifieke conformiteitsfactor zoals vermeld in bijlage I, tabel 2a, in aanmerking te nemen, overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea.
Naleving van de Euro 6-emissiegrenswaarden wordt tijdens een geldige RDE-test bepaald door de voor de verontreinigende stof specifieke conformiteitsfactor zoals vermeld in bijlage I, tabel 2a, in aanmerking te nemen, overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea. De conformiteitsprocedure wordt geleidelijk verlaagd met de jaarlijkse neerwaartse herzieningen, op basis van het JRC. De conformiteitsfactor moet uiterlijk 30 september 2022 worden afgeschaft.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b
Verordening (EG) nr. 715/2007
Artikel 10 – lid 5 – alinea 2
Naleving van de Euro 6-emissiegrenswaarden wordt tijdens een geldige RDE-test bepaald door de voor de verontreinigende stof specifieke conformiteitsfactor zoals vermeld in bijlage I, tabel 2a, in aanmerking te nemen, overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea.
Naleving van de Euro 6-emissiegrenswaarden wordt tijdens een geldige RDE-test bepaald door de voor de verontreinigende stof specifieke conformiteitsfactor zoals vermeld in bijlage I, tabel 2a, in aanmerking te nemen, overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea. De conformiteitsprocedure wordt geleidelijk verlaagd met de jaarlijkse neerwaartse herzieningen, op basis van het JRC. De conformiteitsfactor moet uiterlijk 30 september 2022 worden afgeschaft.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10
Verordening (EG) nr. 715/2007
Artikel 14 – lid 3 en lid 3 bis (nieuw)
3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om:
3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 14 bis uiterlijk 1 juni 2021 gedelegeerde handelingen vast in aanvulling op deze verordening om de procedures, tests en voorschriften, en de testcycli voor het meten van emissies van deze verordening aan te passen, teneinde de emissies bij reële rijomstandigheden onder normale gebruiksomstandigheden te weerspiegelen, met inbegrip van o.a. temperatuur en omgevingsrandvoorwaarden, om het nulresponsverloop te verlagen en gevaarlijke pieken in deeltjesaantallen als gevolg van filterreiniging aan te pakken, rekening houdend met relevante elementen van normering als ontwikkeld door het CEN en op basis van de best beschikbare apparatuur;
(a)  de procedures, tests en voorschriften, en de testcycli voor het meten van emissies van deze verordening aan te vullen, teneinde de emissies bij reële rijomstandigheden te weerspiegelen;
(b)  de in bijlage I, tabel 2a, van deze verordening vermelde, voor de verontreinigende stof specifieke definitieve conformiteitsfactor aan te passen aan de technische vooruitgang.
3 bis.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter wijziging van deze verordening om de in bijlage I, tabel 2a, van deze verordening vermelde, voor de verontreinigende stof specifieke conformiteitsfactoren aan te passen aan de technische vooruitgang en neerwaarts te herzien.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Bijlage – alinea 1
Verordening (EG) nr. 715/2007
Bijlage I – tabel 2a – rij 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

CFpollutant-final (2)

1,43

1,5

-

-

-

(2)   CFpollutant-final = de conformiteitsfactor die wordt gebruikt om naleving van de Euro 6-emissiegrenswaarden te bepalen door rekening te houden met technische onzekerheden die zijn verbonden aan het gebruik van een draagbaar emissiemeetsysteem.

Amendement

CFpollutant-final (2)

1 + marge (marge =0,32*)

1 + marge (marge =0,5*)

-

-

-

* Moet neerwaarts worden herzien op basis van de aankomende evaluatie door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek.

(2)   CFpollutant-final = de conformiteitsfactor die wordt gebruikt om naleving van de Euro 6-emissiegrenswaarden te bepalen gedurende een overgangsperiode door rekening te houden met aanvullende technische meetonzekerheden die zijn verbonden aan de invoering van een draagbaar emissiemeetsysteem. Daarom wordt deze uitgedrukt als 1 + een marge van meetonzekerheid. De marge is uiterlijk 30 september 2022 nul en de conformiteitsfactor wordt afgeschaft.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A9-0139/2020).


Fonds voor een rechtvaardige transitie ***I
PDF 217kWORD 70k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 september 2020 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (COM(2020)0022 – C9-0007/2020 – 2020/0006(COD))(1)
P9_TA(2020)0223A9-0135/2020

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Het regelgevingskader voor het cohesiebeleid van de Unie voor de periode 2021-2027 — in de context van het volgende meerjarig financieel kader — draagt bij tot de nakoming van de verbintenissen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties uit te voeren door de EU-financiering op groene doelstellingen te concentreren. Deze verordening voert een van de in de mededeling over de Europese Green Deal (“de Europese Green Deal”)11 beschreven prioriteiten uit en maakt deel uit van het investeringsplan voor een duurzaam Europa12, dat in specifieke financiering uit hoofde van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie in het kader van het cohesiebeleid voorziet om de economische en sociale kosten van de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie aan te pakken, waarbij de resterende broeikasgasemissies worden gecompenseerd door equivalente absorpties.
(1)  Het regelgevingskader voor het cohesiebeleid van de Unie voor de periode 2021-2027 — in de context van het volgende meerjarig financieel kader — draagt bij tot de nakoming van de verbintenissen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs, waarmee wordt beoogd de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot minder dan 1,5 °C, de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de Europese pijler van sociale rechten uit te voeren door de EU-financiering op groene doelstellingen te concentreren. Deze verordening voert een van de in de mededeling over de Europese Green Deal (“de Europese Green Deal”)11 beschreven prioriteiten uit en maakt deel uit van het investeringsplan voor een duurzaam Europa12, dat in specifieke financiering uit hoofde van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie in het kader van het cohesiebeleid voorziet om de economische, sociale en milieukosten van de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie aan te pakken, waarbij de resterende broeikasgasemissies worden gecompenseerd door equivalente absorpties, rekening houdend met de gevolgen van de COVID-19-pandemie.
__________________
__________________
11 COM(2019)0640, 11.12.2019.
11 COM(2019)0640, 11.12.2019.
12 COM(2020)0021, 14.1.2020.
12 COM(2020)0021, 14.1.2020.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  De transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie vormt een van de belangrijkste beleidsdoelstellingen van de Unie. Op 12 december 2019 heeft de Europese Raad zijn goedkeuring gehecht aan de doelstelling om tegen 2050 een klimaatneutrale Unie tot stand te brengen in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Hoewel de strijd tegen de klimaatverandering en de achteruitgang van het milieu op lange termijn iedereen ten goede zal komen en op middellange termijn iedereen kansen en uitdagingen biedt, starten de regio’s en de lidstaten hun transitie niet allemaal vanaf hetzelfde beginpunt en beschikken ze niet allemaal over dezelfde capaciteit om maatregelen te nemen. Sommige zijn verder gevorderd dan andere en de transitie heeft een groter sociaal en economisch effect op regio’s die sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen — vooral steenkool, bruinkool, turf en olieschalie — of broeikasgasintensieve industrieën. Een dergelijke situatie brengt niet alleen het risico mee dat de transitie in de Unie op het gebied van klimaatactie niet overal even snel verloopt, maar ook dat de verschillen tussen de regio’s toenemen, waardoor de doelstellingen van sociale, economische en territoriale cohesie in het gedrang komen.
(2)  De transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie vormt een van de belangrijkste beleidsdoelstellingen van de Unie. Op 12 december 2019 heeft de Europese Raad zijn goedkeuring gehecht aan de doelstelling om tegen 2050 een klimaatneutrale Unie tot stand te brengen in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Hoewel de strijd tegen de klimaatverandering en de achteruitgang van het milieu op lange termijn iedereen ten goede zal komen en op middellange termijn iedereen kansen en uitdagingen biedt, starten de regio’s en de lidstaten hun transitie niet allemaal vanaf hetzelfde beginpunt en beschikken ze niet allemaal over dezelfde capaciteit om maatregelen te nemen. Sommige zijn verder gevorderd dan andere en de transitie heeft grotere sociale, economische en milieueffecten op regio’s die sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen — vooral steenkool, bruinkool, turf voor energie en olieschalie — of broeikasgasintensieve industrieën. Een dergelijke situatie brengt niet alleen het risico mee dat de transitie in de Unie op het gebied van klimaatactie niet overal even snel verloopt, maar ook dat de verschillen tussen de regio’s toenemen, in het bijzonder in ultraperifere regio’s, afgelegen, insulaire en geografisch benadeelde gebieden en gebieden met ontvolkingsproblemen, waardoor de doelstellingen van sociale, economische en territoriale cohesie in het gedrang komen.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De transitie kan alleen slagen als ze eerlijk en sociaal aanvaardbaar is voor iedereen. Daarom moeten zowel de Unie als de lidstaten vanaf het begin rekening houden met de economische en sociale gevolgen ervan en alle mogelijke instrumenten inzetten om negatieve gevolgen te verzachten. De begroting van de Unie speelt daarbij een belangrijke rol.
(3)  De transitie kan alleen slagen als ze eerlijk, inclusief en sociaal aanvaardbaar is voor iedereen. Daarom moeten de Unie, de lidstaten en hun regio’s vanaf het begin rekening houden met de economische, sociale en milieugevolgen ervan en alle mogelijke instrumenten inzetten om negatieve gevolgen te verzachten. De begroting van de Unie speelt daarbij een belangrijke rol om ervoor te zorgen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Zoals uiteengezet in de Europese Green Deal en het investeringsplan voor een duurzaam Europa, moet een mechanisme voor een rechtvaardige transitie de andere acties aanvullen in het kader van het volgende meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027. Het mechanisme moet de sociale en economische gevolgen van de transitie naar klimaatneutraliteit in de Unie helpen aanpakken door de begrotingsuitgaven van de Unie voor sociale en klimaatdoelstellingen op regionaal niveau samen te brengen.
(4)  Zoals uiteengezet in de Europese Green Deal en het investeringsplan voor een duurzaam Europa, moet een mechanisme voor een rechtvaardige transitie de andere acties aanvullen in het kader van het volgende meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027. Het mechanisme moet de sociale, economische en milieugevolgen, met name voor tijdens het proces getroffen werknemers, van de transitie naar klimaatneutraliteit in de Unie tegen 2050 helpen aanpakken door de begrotingsuitgaven van de Unie voor sociale en klimaatdoelstellingen op regionaal niveau samen te brengen en door een duurzame economie, groene banen en de volksgezondheid te bevorderen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Bij deze verordening wordt het Fonds voor een rechtvaardige transitie (“JTF”) opgericht, een van de pijlers van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, dat in het kader van het cohesiebeleid wordt geïmplementeerd. Doel van het JTF is de negatieve gevolgen van de klimaattransitie te verzachten door steun te verlenen aan de meest getroffen gebieden en werknemers. Overeenkomstig de specifieke doelstellingen van het JTF moeten de door het JTF gesteunde acties het effect van de transitie rechtstreeks helpen temperen door de diversificatie en de modernisering van de lokale economie te financieren en de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid te verzachten. Dit komt tot uiting in de specifieke doelstelling van het JTF, die op hetzelfde niveau is vastgesteld en samen met de in artikel [4] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] genoemde beleidsdoelstellingen wordt vermeld.
(5)  Bij deze verordening wordt het Fonds voor een rechtvaardige transitie (“JTF”) opgericht, een van de pijlers van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, dat in het kader van het cohesiebeleid wordt geïmplementeerd. Doel van het JTF is de negatieve gevolgen van de klimaattransitie te verzachten en te compenseren door steun te verlenen aan de meest getroffen gebieden en werknemers en een evenwichtige sociaal-economische transitie te bevorderen waarbij sociale onzekerheid en een instabiel ondernemingsklimaat worden tegengegaan. Overeenkomstig de specifieke doelstellingen van het JTF moeten de door het JTF gesteunde acties het effect van de transitie rechtstreeks helpen temperen door de diversificatie en de modernisering van de lokale economie te financieren, natuurlijke rijkdommen te laten herstellen en de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid en de levensstandaard te verzachten. Dit komt tot uiting in de specifieke doelstelling van het JTF, die op hetzelfde niveau is vastgesteld en samen met de in artikel [4] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] genoemde beleidsdoelstellingen wordt vermeld.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Aangezien het belangrijk is dat bij de strijd tegen klimaatverandering de verbintenissen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs, de verbintenis met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de in de Europese Green Deal voorgestelde verhoogde ambitie van de Unie worden gerespecteerd, moet het JTF een cruciale bijdrage leveren bij de mainstreaming van klimaatacties. De middelen uit het eigen budget van het JTF zijn aanvullende middelen en komen bovenop de investeringen die nodig zijn om het algemene streefcijfer van 25 % van de begrotingsuitgaven van de Unie voor klimaatdoelstellingen te halen. De uit het EFRO en het ESF+ overgedragen middelen zullen ten volle bijdragen tot het halen van dit streefcijfer.
(6)  Aangezien het belangrijk is dat bij de strijd tegen klimaatverandering de verbintenissen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs, de verbintenis met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de in de Europese Green Deal voorgestelde verhoogde ambitie van de Unie worden gerespecteerd, moet het JTF een cruciale bijdrage leveren bij de mainstreaming van klimaat- en milieuacties. De middelen uit het eigen budget van het JTF zijn aanvullende middelen en komen boven op de investeringen die nodig zijn om het algemene streefcijfer van 30 % van de begrotingsuitgaven van de Unie voor klimaatdoelstellingen te halen. Op vrijwillige basis uit het EFRO en het ESF+ overgedragen middelen kunnen ten volle bijdragen tot het halen van dit streefcijfer.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De middelen uit het JTF moeten de beschikbare middelen uit hoofde van het cohesiebeleid aanvullen.
(7)  De middelen uit het JTF moeten de beschikbare middelen uit hoofde van het cohesiebeleid aanvullen. De oprichting van het JTF mag niet leiden tot bezuinigingen op of verplichte overdrachten van middelen uit de andere cohesiefondsen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
8)  De transitie naar een klimaatneutrale economie is een uitdaging voor alle lidstaten. De transitie zal bijzonder lastig zijn voor lidstaten die sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen of broeikasgasintensieve industriële activiteiten die geleidelijk moeten verdwijnen, of die zich moeten aanpassen vanwege de transitie naar klimaatneutraliteit en daartoe niet over de nodige financiële middelen beschikken. Het JTF moet daarom alle lidstaten ten goede komen, maar de verdeling van de financiële middelen van het JTF moet de capaciteit van de lidstaten weerspiegelen om de nodige investeringen te financieren om de transitie naar klimaatneutraliteit te realiseren.
(8)  De transitie naar een klimaatneutrale economie is een uitdaging voor alle lidstaten. De transitie zal bijzonder lastig zijn voor lidstaten die sterk afhankelijk zijn of tot voor kort sterk afhankelijk waren van fossiele brandstoffen of broeikasgasintensieve industriële activiteiten die geleidelijk moeten verdwijnen, of die zich moeten aanpassen vanwege de transitie naar klimaatneutraliteit en daartoe niet over de nodige financiële middelen beschikken. Het JTF moet daarom alle lidstaten ten goede komen, maar de verdeling van de financiële middelen van het JTF moet toegespitst zijn op de zwaarst getroffen gebieden en de capaciteit van de lidstaten weerspiegelen om de nodige investeringen te financieren om de transitie naar klimaatneutraliteit te realiseren, met bijzondere aandacht voor de minst ontwikkelde regio’s, ultraperifere regio’s, bergachtige, insulaire, dunbevolkte, landelijke, afgelegen en geografisch benadeelde gebieden, waar de energietransitie naar klimaatneutraliteit moeilijker te verwezenlijken is vanwege het lage aantal inwoners, en daarbij moet rekening worden gehouden met de uitgangspositie van elke lidstaat.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Om een passend financieel kader voor het JTF vast te stellen moet de Commissie de jaarlijkse verdeling van de beschikbare toewijzingen per lidstaat in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” vaststellen op basis van objectieve criteria.
(9)  Om een passend financieel kader voor het JTF vast te stellen moet de Commissie de jaarlijkse verdeling van de beschikbare toewijzingen per lidstaat in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” vaststellen op basis van objectieve criteria. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de gemeenten en steden rechtstreeks toegang hebben tot de JTF-middelen die aan hen beschikbaar moeten worden gesteld overeenkomstig hun objectieve behoeften.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  In deze verordening worden de soorten investeringen vermeld waarvoor de uitgaven door het JTF kunnen worden ondersteund. Alle ondersteunde activiteiten moeten worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de klimaat- en milieuprioriteiten van de Unie. De lijst van investeringen moet de investeringen omvatten die lokale economieën ondersteunen en duurzaam zijn op lange termijn, rekening houdend met alle doelstellingen van de Green Deal. De gefinancierde projecten moeten bijdragen tot de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie. Voor krimpende sectoren — zoals de energieproductie op basis van steenkool, bruinkool, turf en olieschalie of de winning van deze vaste fossiele brandstoffen — moet de steun worden gekoppeld aan de geleidelijke beëindiging van de activiteit en de overeenkomstige vermindering van de werkgelegenheid. Wat de transformatie van sectoren met hoge emissies van broeikasgassen betreft, moet de steun nieuwe activiteiten bevorderen via het gebruik van nieuwe technologieën, nieuwe processen of producten die tot een aanzienlijke reductie van de emissies leiden — overeenkomstig de EU-klimaatdoelstellingen voor 2030 en het streven naar klimaatneutraliteit in de EU tegen 205013 — en tegelijkertijd de werkgelegenheid vrijwaren en bevorderen en een verslechtering van het milieu vermijden. Bijzondere aandacht moet ook uitgaan naar activiteiten ter bevordering van innovatie en onderzoek op het gebied van geavanceerde en duurzame technologieën, digitalisering en connectiviteit, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen de negatieve neveneffecten van de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie helpen verzachten en tot een dergelijke economie bijdragen.
(10)  In deze verordening worden de soorten investeringen vermeld waarvoor de uitgaven door het JTF kunnen worden ondersteund. Alle ondersteunde activiteiten moeten worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de verplichtingen en prioriteiten van de Unie op het gebied van klimaat en milieu en op sociaal gebied. De lijst van investeringen moet de investeringen omvatten die mensen, gemeenschappen en lokale economieën ondersteunen en duurzaam zijn op lange termijn, rekening houdend met alle doelstellingen van de Europese Green Deal en de Europese pijler van sociale rechten. De gefinancierde projecten moeten bijdragen tot een geleidelijke en volledige transitie naar een duurzame, klimaatneutrale, niet-vervuilende en circulaire economie. Voor krimpende sectoren — zoals de energieproductie op basis van steenkool, bruinkool, turf en olieschalie of de winning van deze vaste fossiele brandstoffen — moet de steun worden gekoppeld aan de geleidelijke beëindiging van de activiteit en de overeenkomstige vermindering van de werkgelegenheid. Wat de transformatie van sectoren met hoge emissies van broeikasgassen betreft, moet de steun nieuwe activiteiten bevorderen via het gebruik van nieuwe technologieën, nieuwe processen of producten die tot een aanzienlijke reductie van de emissies leiden — overeenkomstig de EU-klimaatdoelstellingen voor 2030 en het streven naar klimaatneutraliteit in de EU tegen 205013 — en tegelijkertijd geschoolde arbeid vrijwaren en bevorderen en een verslechtering van het milieu vermijden. Bijzondere aandacht moet ook uitgaan naar activiteiten ter bevordering van innovatie en onderzoek op het gebied van geavanceerde en duurzame technologieën, digitalisering, connectiviteit en slimme en duurzame mobiliteit, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen de negatieve neveneffecten van de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie helpen verzachten en tot een dergelijke economie bijdragen, waarbij rekening moet worden gehouden met de economische, sociale en energiekenmerken van elke lidstaat. Er moet voldoende belang worden gehecht aan cultuur, onderwijs en gemeenschapsvorming voor het transitieproces door activiteiten te ondersteunen die betrekking hebben op het mijnbouwerfgoed.
__________________
__________________
13 Zie “A Clean Planet for all European strategic long-term vision for a prosperous, modern, competitive and climate neutral economy”, mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank – COM(2018)0773.
13 Zie “Een schone planeet voor iedereen. Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie”, mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank – COM(2018)0773.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Ter bescherming van de burgers die het meest kwetsbaar voor de klimaattransitie zijn, moet het JTF niet alleen worden gebruikt voor de om- en bijscholing van de getroffen werknemers — om hen te helpen nieuwe arbeidskansen te benutten — maar werkzoekenden ook bijstaan bij het zoeken naar werk en hun actieve inclusie op de arbeidsmarkt bevorderen.
(11)  Ter bescherming van de burgers die het meest kwetsbaar voor de klimaattransitie zijn, moet het JTF niet alleen worden gebruikt voor de om- en bijscholing en opleiding van de getroffen werknemers en werkzoekenden, met name vrouwen — om hen te helpen nieuwe arbeidskansen te benutten en nieuwe kwalificaties te verwerven die aansluiten bij de groene economie — maar werkzoekenden ook bijstaan bij het zoeken naar werk en hun actieve inclusie op de arbeidsmarkt bevorderen. Bevordering van de sociale cohesie moet een leidend beginsel zijn voor het verlenen van steun uit hoofde van het JTF.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Om de economische diversificatie van door de transitie getroffen gebieden te bevorderen moet het JTF steun verlenen voor productieve investeringen in kmo’s. Onder productieve investeringen worden investeringen verstaan in vaste activa of immateriële activa van ondernemingen met het oog op de productie van goederen en diensten, waardoor wordt bijgedragen tot de vorming van bruto-kapitaal en het scheppen van werkgelegenheid. Voor andere ondernemingen dan kmo’s mogen productieve investeringen alleen worden ondersteund indien ze noodzakelijk zijn om het banenverlies als gevolg van de transitie te beperken — door een aanzienlijk aantal banen te creëren of te beschermen — en niet leiden tot of het gevolg zijn van relocatie. Investeringen in bestaande industriële installaties, met inbegrip van die welke onder het emissiehandelssysteem van de Unie vallen, moeten worden toegestaan als ze bijdragen tot de transitie naar een klimaatneutrale economie tegen 2050, aanzienlijk lager zijn dan de relevante benchmarks voor kosteloze toewijzing uit hoofde van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad14 en leiden tot de bescherming van een aanzienlijk aantal banen. Dergelijke investeringen moeten bijgevolg worden gerechtvaardigd in het betrokken territoriale plan voor een rechtvaardige transitie. Om de integriteit van de interne markt en het cohesiebeleid te beschermen, is het zaak dat de steun voor ondernemingen voldoet aan de in de artikelen 107 en 108 van het VWEU vastgestelde staatssteunregels van de Unie en dat met name de steun voor productieve investeringen door andere ondernemingen dan kmo’s wordt beperkt tot ondernemingen die gevestigd zijn in gebieden die zijn aangewezen als steungebieden in de zin van artikel 107, lid 3, onder a) en c), van het VWEU.
(12)  Om de economische diversificatie van door de transitie getroffen gebieden te bevorderen moet het JTF steun verlenen voor productieve investeringen in kmo’s. Onder productieve investeringen worden investeringen verstaan in vaste activa of immateriële activa van ondernemingen met het oog op de productie van goederen en diensten, waardoor wordt bijgedragen tot de vorming van bruto-kapitaal en het scheppen van werkgelegenheid. Voor andere ondernemingen dan kmo’s mogen productieve investeringen alleen worden ondersteund indien ze noodzakelijk zijn om het banenverlies als gevolg van de transitie te beperken — door een aanzienlijk aantal banen te creëren of te beschermen — en niet leiden tot of het gevolg zijn van relocatie. Investeringen in bestaande industriële installaties, met inbegrip van die welke onder het emissiehandelssysteem van de Unie vallen, moeten worden toegestaan als ze bijdragen tot de transitie naar een klimaatneutrale economie tegen 2050, aanzienlijk lager zijn dan de relevante benchmarks voor kosteloze toewijzing uit hoofde van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad14 en leiden tot de creatie en instandhouding van een aanzienlijk aantal banen. Dergelijke investeringen moeten bijgevolg worden gerechtvaardigd in het betrokken territoriale plan voor een rechtvaardige transitie, duurzaam zijn en in voorkomend geval stroken met het beginsel dat de vervuiler betaalt en het beginsel dat energie-efficiëntie op de eerste plaats komt. Om de integriteit van de interne markt en het cohesiebeleid te beschermen, is het zaak dat de steun voor ondernemingen voldoet aan de in de artikelen 107 en 108 van het VWEU vastgestelde staatssteunregels van de Unie.
__________________
__________________
14 Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
14 Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Steun met middelen van het JTF voor productieve investeringen in andere ondernemingen dan kmo’s moet worden beperkt tot de minder ontwikkelde regio’s en overgangsregio’s als bepaald in artikel 102, lid 2, van Verordening .../... [ GB-verordening].
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Met het oog op flexibiliteit bij de programmering van de JTF-middelen in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” moet het mogelijk zijn een op zichzelf staand JTF-programma op te stellen of JTF-middelen te programmeren voor een of meer specifieke prioriteiten van een door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (“EFRO”), het Europees Sociaal Fonds Plus (“ESF+”) of het Cohesiefonds ondersteund programma. Overeenkomstig artikel 21 bis van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] moeten de JTF-middelen worden versterkt met aanvullende financiering uit het EFRO en het ESF+. De respectieve bedragen die uit het EFRO en het ESF+ worden overgedragen, moeten consistent zijn met het soort concrete acties dat in de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie wordt beschreven.
(13)  Met het oog op flexibiliteit bij de programmering van de JTF-middelen in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” moet het mogelijk zijn een op zichzelf staand JTF-programma op te stellen of JTF-middelen te programmeren voor een of meer specifieke prioriteiten van een door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (“EFRO”), het Europees Sociaal Fonds Plus (“ESF+”) of het Cohesiefonds ondersteund programma. Overeenkomstig artikel 21 bis van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] kunnen de JTF-middelen op vrijwillige basis worden versterkt met aanvullende financiering uit het EFRO en het ESF+. De respectieve bedragen die uit het EFRO en het ESF+ worden overgedragen, moeten consistent zijn met het soort concrete acties dat in de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie wordt beschreven.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  De steun van het JTF moet afhankelijk worden gesteld van de daadwerkelijke uitvoering van een transitieproces in een specifiek gebied om een klimaatneutrale economie tot stand te brengen. In dat verband moeten de lidstaten — in samenwerking met de betrokken belanghebbenden en ondersteund door de Commissie — territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie opstellen waarin bijzonderheden over het transitieproces zijn opgenomen en die consistent zijn met hun nationale energie- en klimaatplannen. Daartoe moet de Commissie — op basis van het bestaande platform voor steenkoolregio’s in transitie — een platform voor een rechtvaardige transitie opzetten voor bilaterale en multilaterale uitwisselingen van ervaringen en beste praktijken in alle getroffen sectoren.
(14)  De steun van het JTF moet afhankelijk worden gesteld van de daadwerkelijke en meetbare uitvoering van een transitieproces in een specifiek gebied om een klimaatneutrale economie tot stand te brengen. In dat verband moeten de lidstaten — via sociale dialoog en in samenwerking met de betrokken belanghebbenden overeenkomstig het partnerschapsbeginsel als vastgesteld bij artikel 6 van Verordening (EU) .../... [nieuwe GB-verordening] en ondersteund door de Commissie — territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie opstellen waarin bijzonderheden over het transitieproces zijn opgenomen en die consistent zijn met en verder kunnen gaan dan hun nationale energie- en klimaatplannen. Daartoe moet de Commissie — op basis van het bestaande platform voor steenkoolregio’s in transitie — een platform voor een rechtvaardige transitie opzetten voor bilaterale en multilaterale uitwisselingen van ervaringen en beste praktijken in alle getroffen sectoren.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  In de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie moeten de meest getroffen gebieden worden vermeld waarop de steun van het JTF moet worden geconcentreerd, en de nodige specifieke acties worden beschreven om tot een klimaatneutrale economie te komen, met name wat betreft de omschakeling of sluiting van installaties die met de productie van fossiele brandstoffen of met andere broeikasgasintensieve activiteiten verband houden. Die gebieden moeten nauwkeurig worden gedefinieerd en overeenkomen met regio’s van NUTS-niveau 3 of delen daarvan. In de plannen moeten de uitdagingen en behoeften van die gebieden gedetailleerd worden beschreven en het soort concrete acties worden vermeld die nodig zijn voor de coherente ontwikkeling van klimaatbestendige economische activiteiten die ook consistent zijn met de transitie naar klimaatneutraliteit en de doelstellingen van de Green Deal. Alleen investeringen die met de transitieplannen stroken, mogen financiële steun van het JTF krijgen. De territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie moeten deel uitmaken van de door de Commissie goedgekeurde programma’s (ondersteund door het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds of het JTF, al naargelang het geval).
(15)  In de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie moeten de meest getroffen gebieden worden vermeld waarop de steun van het JTF moet worden geconcentreerd, en de nodige specifieke acties worden beschreven om de klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 te bereiken en tegen 2050 tot een klimaatneutrale economie te komen, met name wat betreft de omschakeling of sluiting van installaties die met de productie van fossiele brandstoffen of met andere broeikasgasintensieve activiteiten verband houden, en hierbij moeten de werkgelegenheidskansen in de getroffen gebieden worden behouden en uitgebreid, zodat sociale uitsluiting kan worden voorkomen. Er moet rekening worden gehouden met verzwarende factoren zoals de werkloosheidspercentages en de ontvolkingstendensen. Die gebieden moeten nauwkeurig worden gedefinieerd en overeenkomen met regio’s van NUTS-niveau 3 of delen daarvan. In de plannen moeten de uitdagingen, behoeften en kansen van die gebieden gedetailleerd worden beschreven en het soort concrete acties worden vermeld die nodig zijn voor de coherente ontwikkeling van klimaatbestendige economische activiteiten die ook consistent zijn met de transitie naar klimaatneutraliteit en de doelstellingen van de Europese Green Deal. Alleen investeringen die met de transitieplannen stroken, mogen financiële steun van het JTF krijgen. De territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie moeten deel uitmaken van de door de Commissie goedgekeurde programma’s (ondersteund door het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds of het JTF, al naargelang het geval).
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  De doelstellingen van deze verordening — namelijk steun verlenen aan gebieden die een economische en sociale transformatie ondergaan bij de transitie naar een klimaatneutrale economie — kunnen niet voldoende door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt. De voornaamste redenen daarvoor zijn enerzijds de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de verschillende gebieden en de achterstand van de minst begunstigde gebieden, alsook de beperking van de financiële middelen van de lidstaten en gebieden, en anderzijds de noodzaak van een coherent uitvoeringskader dat verschillende fondsen van de Unie onder gedeeld beheer bestrijkt. Aangezien deze doelstellingen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
(19)  De doelstellingen van deze verordening — namelijk steun verlenen aan de bevolking, de economie en het milieu van gebieden die een economische en sociale transformatie ondergaan bij de transitie naar een klimaatneutrale economie — kunnen niet voldoende door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt. De voornaamste redenen daarvoor zijn enerzijds de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de verschillende gebieden en de achterstand van de minst begunstigde gebieden, alsook de beperking van de financiële middelen van de lidstaten en gebieden, en anderzijds de noodzaak van een coherent uitvoeringskader dat verschillende fondsen van de Unie onder gedeeld beheer bestrijkt en de naleving van hoge sociale en milieunormen en de bevordering van werknemersparticipatie waarborgt. Aangezien deze doelstellingen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1
1.  Bij deze verordening wordt het Fonds voor een rechtvaardige transitie (Just Transition Fund, “JTF”) opgericht om steun te verlenen aan gebieden die met ernstige sociaaleconomische uitdagingen worden geconfronteerd als gevolg van het transitieproces naar een klimaatneutrale economie van de Unie tegen 2050.
1.  Bij deze verordening wordt het Fonds voor een rechtvaardige transitie (Just Transition Fund, “JTF”) opgericht om steun te verlenen aan de bevolking, de economie en het milieu van gebieden die met ernstige sociaaleconomische uitdagingen worden geconfronteerd als gevolg van het transitieproces dat leidt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie voor 2030 op het gebied van energie en klimaat, en een klimaatneutrale economie van de Unie tegen 2050.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1
Overeenkomstig de tweede alinea van artikel [4, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] draagt het JTF bij tot de specifieke doelstelling “regio’s en mensen in staat te stellen de sociale, economische en milieueffecten van de transitie naar een klimaatneutrale economie aan te pakken”.
Overeenkomstig de tweede alinea van artikel [4, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] draagt het JTF bij tot de specifieke doelstelling “regio’s, mensen, ondernemingen en andere belanghebbenden in staat te stellen de sociale, werkgelegenheids-, economische en milieueffecten van de transitie naar een klimaatneutrale economie tegen 2050 en de tussentijdse doelstellingen voor 2030 aan te pakken, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs”.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – alinea 1
2.  De middelen voor het JTF in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” die voor de periode 2021-2027 beschikbaar zijn voor vastlegging in de begroting, bedragen 11 270 459 000 EUR in lopende prijzen, die al naargelang het geval verhoogd kunnen worden met in de begroting van de Unie toegewezen aanvullende middelen en andere middelen overeenkomstig de toepasselijke basishandeling.
2.  De middelen voor het JTF in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” die voor de periode 2021-2027 beschikbaar zijn voor vastlegging in de begroting, bedragen 25 358 532 750 EUR in prijzen van 2018 (“hoofdsom”) en zijn niet het resultaat van de overdracht van middelen uit andere fondsen die onder Verordening (EU) .../... [nieuwe GB-verordening] vallen. De hoofdsom kan al naargelang het geval verhoogd worden met in de begroting van de Unie toegewezen aanvullende middelen en andere middelen overeenkomstig de toepasselijke basishandeling.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 bis – lid 3
3.  De jaarlijkse verdeling van het in lid 1 bedoelde bedrag door de lidstaten wordt opgenomen in het in artikel 3, lid 3, bedoelde besluit van de Commissie overeenkomstig de in bijlage I vastgestelde methode.
3.   Op verzoek van een lidstaat wordt het in lid 1, eerste alinea, van dit artikel bedoelde bedrag ook beschikbaar gesteld voor de jaren 2025 tot en met 2027. Voor elke periode wordt de respectieve jaarlijkse verdeling van het in lid 1 van dit artikel bedoelde bedrag door de lidstaten opgenomen in het in artikel 3, lid 3, bedoelde besluit van de Commissie overeenkomstig de in bijlage I vastgestelde methode.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 ter (nieuw)
Artikel 3 ter
Groen beloningsmechanisme
Voor 18 % van het totaal van de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, en artikel 3 bis, lid 1, eerste alinea, bedoelde bedragen wordt de toewijzing afhankelijk gemaakt van de snelheid waarmee de lidstaten hun broeikasgasuitstoot terugdringen, gedeeld door hun meest recente gemiddelde bni.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 quater (nieuw)
Artikel 3 quater
Specifieke toewijzingen voor ultraperifere gebieden en eilanden
1 % van het totaal van de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, en artikel 3 bis, lid 1, eerste alinea, bedoelde bedragen is een specifieke toewijzing voor eilanden, en 1 % is een specifieke toewijzing voor de ultraperifere gebieden, als bedoeld in artikel 349 VWEU, aan de betrokken lidstaten.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 quinquies (nieuw)
Artikel 3 quinquies
Toegang tot het JTF
De toegang tot het JTF is afhankelijk van de goedkeuring van een nationale doelstelling voor het verwezenlijken van klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050.
Voor lidstaten die zich nog niet hebben verplicht tot een nationale doelstelling voor klimaatneutraliteit, wordt slechts 50 % van hun nationale toewijzing vrijgegeven, waarbij de resterende 50 % ter beschikking van deze lidstaten wordt gesteld zodra ze genoemde doelstelling hebben goedgekeurd.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter a
a)  productieve investeringen in kmo’s — met inbegrip van startende ondernemingen — die leiden tot economische diversificatie en reconversie;
a)  productieve en duurzame investeringen in micro-ondernemingen en kmo’s — met inbegrip van startende ondernemingen en duurzaam toerisme — die leiden tot het scheppen van werkgelegenheid, modernisering, economische diversificatie en reconversie;
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter b
b)  investeringen in de oprichting van nieuwe bedrijven, onder meer via bedrijfsincubatoren en adviesdiensten;
b)  investeringen in de oprichting van nieuwe bedrijven en de ontwikkeling van bestaande bedrijven, onder meer via bedrijfsincubatoren en adviesdiensten, die leiden tot het scheppen van werkgelegenheid;
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  investeringen in sociale infrastructuur, die leiden tot het scheppen van werkgelegenheid en economische diversificatie;
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter c
c)  investeringen in onderzoek en innovatie en de bevordering van de overdracht van geavanceerde technologieën;
c)  investeringen in onderzoek en innovatie, onder meer aan universiteiten en in openbare onderzoeksinstellingen, en de bevordering van de overdracht van geavanceerde en marktrijpe technologieën;
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter d
d)  investeringen in het gebruik van technologie en infrastructuur voor betaalbare schone energie, in de vermindering van broeikasgasemissies, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;
d)  investeringen in het gebruik van technologie en infrastructuur voor betaalbare schone energie en de systemen daarvoor, in de vermindering van broeikasgasemissies, energie-efficiëntie, technologieën voor energieopslag en duurzame hernieuwbare energie, waar dit leidt tot het scheppen van werkgelegenheid en het behoud van duurzame werkgelegenheid op aanzienlijke schaal;
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  investeringen in slimme en duurzame mobiliteit en milieuvriendelijke vervoersinfrastructuur;
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter d ter (nieuw)
d ter)  investeringen in projecten ter bestrijding van energiearmoede, met name in sociale huisvesting, en ter bevordering van energie-efficiëntie, een klimaatneutrale aanpak en stadsverwarming met een lage uitstoot in de zwaarst getroffen regio’s;
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter e
e)  investeringen in digitalisering en digitale connectiviteit;
e)  investeringen in digitalisering, digitale innovatie en digitale connectiviteit, waaronder digitale en precisielandbouw;
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter f
f)  investeringen in de regeneratie en decontaminatie van sites, bodemherstel en herbestemmingsprojecten;
f)  investeringen in groene infrastructuur en in de regeneratie en decontaminatie van sites, brownfields en herbestemmingsprojecten, indien het beginsel dat de vervuiler betaalt niet kan worden toegepast;
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter g
g)  investeringen in de bevordering van de circulaire economie, onder meer door het voorkomen en verminderen van afval, efficiënt gebruik van hulpbronnen, hergebruik, herstel en recycling
g)  investeringen in de bevordering van de circulaire economie, door het voorkomen en verminderen van afval, efficiënt gebruik van hulpbronnen, hergebruik, herstel en recycling:
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter g bis (nieuw)
g bis)  opzet en ontwikkeling van sociale en openbare diensten van algemeen belang;
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter g ter (nieuw)
g ter)  investeringen in cultuur, onderwijs en gemeenschapsvorming, met inbegrip van de valorisatie van materieel en immaterieel mijnbouwerfgoed en ontmoetingsplaatsen voor de gemeenschap;
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter h
h)  bij- en omscholing van werknemers;
h)  bij- en omscholing en opleiding van werknemers en werkzoekenden;
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter i
i)  hulp voor werkzoekenden bij het zoeken van een baan;
i)  hulp voor werkzoekenden bij het zoeken van een baan, steun voor actief ouder worden en inkomenssteun voor werknemers in een overgangsfase tussen banen;
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1 – letter j
j)  actieve inclusie van werkzoekenden;
j)  actieve inclusie van werkzoekenden, met name vrouwen, personen met een handicap en kwetsbare groepen;
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 2
Daarnaast kan het JTF in gebieden die zijn aangewezen als steungebieden in de zin van artikel 107, lid 3, onder a) en c), van het VWEU, steun verlenen voor productieve investeringen in andere ondernemingen dan kmo’s, op voorwaarde dat dergelijke investeringen zijn goedgekeurd als onderdeel van het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie op basis van de krachtens artikel 7, lid 2, onder h), vereiste informatie. Dergelijke investeringen komen alleen in aanmerking als ze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie.
Daarnaast kan het JTF in de minder ontwikkelde regio’s en overgangsregio’s als bepaald in artikel 102, lid 2, van Verordening .../... [nieuwe GB-verordening] steun verlenen voor productieve investeringen in andere ondernemingen dan kmo’s, op voorwaarde dat dergelijke investeringen zijn goedgekeurd als onderdeel van het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie op basis van de krachtens artikel 7, lid 2, onder h), vereiste informatie. Dergelijke investeringen komen alleen in aanmerking als ze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie, om nieuwe banen te scheppen, en wanneer zij voldoen aan de sociale doelstellingen voor het scheppen van werkgelegenheid, gendergelijkheid en gelijke beloning en milieudoelstellingen, en wanneer zij de transitie naar een klimaatneutrale economie vergemakkelijken zonder steun voor relocatie, overeenkomstig artikel 60, lid 1, van Verordening .../... [nieuwe GB-verordening].
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 3
Het JTF kan ook steun verlenen voor investeringen ter vermindering van de broeikasgasemissies van de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad vermelde activiteiten, op voorwaarde dat dergelijke investeringen zijn goedgekeurd als onderdeel van het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie op basis van de krachtens artikel 7, lid 2, onder i), vereiste informatie. Dergelijke investeringen komen alleen in aanmerking als ze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie.
Het JTF kan ook steun verlenen voor investeringen ter vermindering van de broeikasgasemissies van de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad vermelde activiteiten, op voorwaarde dat dergelijke investeringen zijn goedgekeurd als onderdeel van het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie op basis van de krachtens artikel 7, lid 2, onder i), van deze verordening vereiste informatie en voldoen aan de andere voorwaarden uit de tweede alinea van dit lid. Dergelijke investeringen komen alleen in aanmerking als ze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter c
c)  ondernemingen in moeilijkheden, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 18, van Verordening (EU) nr. 651/201416;
c)  ondernemingen in moeilijkheden, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 18, van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie16, behalve in de gevallen waar de moeilijkheden voortvloeien uit de energietransitie of waar de moeilijkheden na 15 februari 2020 zijn begonnen en voortvloeien uit de COVID-19-crisis;
__________________
__________________
16 Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).
16 Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter d
d)  investeringen met betrekking tot de productie, de verwerking, de distributie, de opslag of de verbranding van fossiele brandstoffen;
d)  investeringen met betrekking tot de productie, de verwerking, het vervoer, de distributie, de opslag of de verbranding van fossiele brandstoffen;
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter e
e)  investeringen in breedbandinfrastructuur in gebieden met ten minste twee breedbandnetwerken van een gelijkwaardige categorie.
e)  investeringen in breedbandinfrastructuur in gebieden waar de markt onder concurrerende voorwaarden gelijkwaardige oplossingen aan klanten biedt;
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter e bis (nieuw)
e bis)  investeringen in andere ondernemingen dan kmo’s, waarbij sprake is van de overdracht van banen en productieprocessen van de ene lidstaat naar de andere of naar een derde land;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter e ter (nieuw)
e ter)  concrete acties in een regio van NUTS-niveau 2 waar tijdens de looptijd van het programma een nieuwe steenkool‑, bruinkool- of olieschaliemijn of een turfwinningsgebied wordt geopend of waar een tijdelijk buiten gebruik gestelde steenkool-, bruinkool- of olieschaliemijn of een turfwinningsgebied wordt heropend.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 bis (nieuw)
In afwijking van artikel 5, lid 1, onder d), van deze verordening kan de Commissie voor regio’s die sterk afhankelijk zijn van de winning en verbranding van steenkool, bruinkool, olieschalie of turf, territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie goedkeuren die investeringen in activiteiten in verband met aardgas omvatten, op voorwaarde dat deze activiteiten overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) 2020/85216a als ecologisch duurzaam worden aangemerkt en aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
a)  zij worden gebruikt als overgangstechnologie ter vervanging van steenkool, bruinkool, turf of olieschalie;
b)  zij vallen binnen de grenzen van de duurzame beschikbaarheid of zijn verenigbaar met het gebruik van schone waterstof, biogas en biomethaan;
c)  zij leveren een bijdrage aan de milieudoelstellingen van de Unie inzake de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering, door de volledige afschaffing van steenkool, bruinkool, turf of olieschalie te versnellen;
d)  zij leiden tot een aanzienlijke vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en van de luchtverontreiniging en tot meer energie-efficiëntie;
e)  zij leveren een bijdrage aan de bestrijding van energiearmoede;
f)  zij staan de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen in de betrokken gebieden niet in de weg en zijn verenigbaar en in synergie met een later gebruik van hernieuwbare energiebronnen.
In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie ook investeringen goedkeuren in activiteiten die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 indien zij aan alle andere voorwaarden van de eerste alinea van dit lid voldoen en de lidstaat in het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie kan rechtvaardigen dat ondersteuning van deze activiteiten noodzakelijk is, en aantoont dat deze activiteiten consistent zijn met de doelstellingen en wetgeving van de Unie op het gebied van energie en klimaat en met het nationale energie- en klimaatplan.
______________________
____________________
16a Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – alinea 1
De JTF-middelen worden geprogrammeerd voor de categorieën regio’s waar de betrokken gebieden zich bevinden, op basis van de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie die overeenkomstig artikel 7 zijn opgesteld en door de Commissie zijn goedgekeurd als onderdeel van een programma of een programmawijziging. De geprogrammeerde middelen bestaan uit een of meer specifieke programma’s of een of meer prioriteiten binnen een programma.
De JTF-middelen worden geprogrammeerd voor de categorieën regio’s waar de betrokken gebieden of economische activiteiten zich bevinden, op basis van de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie die overeenkomstig artikel 7 zijn opgesteld en door de Commissie zijn goedgekeurd als onderdeel van een programma of een programmawijziging. De geprogrammeerde middelen bestaan uit een of meer specifieke programma’s of een of meer prioriteiten binnen een programma.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – alinea 2
De Commissie keurt een programma alleen goed wanneer de vaststelling van de zwaarst door het transitieproces getroffen gebieden in het betrokken territoriale plan voor een rechtvaardige transitie naar behoren is gemotiveerd en het betrokken territoriale plan voor een rechtvaardige transitie consistent is met het nationale energie- en klimaatplan van de betreffende lidstaat.
De Commissie keurt een programma goed wanneer de zwaarst door het transitieproces getroffen gebieden in het betrokken territoriale plan voor een rechtvaardige transitie naar behoren zijn vastgesteld en het betrokken territoriale plan voor een rechtvaardige transitie consistent is met het nationale energie- en klimaatplan van de betreffende lidstaat, de doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050, de tussentijdse doelstellingen voor 2030 en de Europese pijler van sociale rechten, tenzij de Commissie naar behoren motiveert waarom zij haar goedkeuring weigert te geven.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  De prioriteit of prioriteiten van het JTF omvatten de JTF-middelen die bestaan uit de volledige of gedeeltelijke JTF-toewijzing voor de lidstaten en de overeenkomstig artikel [21 bis] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] overgedragen middelen. Het totaal van de middelen die van het EFRO en het ESF+ naar het JTF worden overgedragen, bedraagt ten minste anderhalf maal het bedrag van steun uit het JTF voor die prioriteit, met uitzondering van de in artikel 3 bis, lid 1, bedoelde middelen, maar niet meer dan driemaal dat bedrag.
2.  De prioriteit of prioriteiten van het JTF omvatten de JTF-middelen die bestaan uit de volledige of gedeeltelijke JTF-toewijzing voor de lidstaten. Deze middelen kunnen worden aangevuld met de overeenkomstig artikel [21 bis] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] op vrijwillige basis overgedragen middelen. Het totaal van de naar de JTF-prioriteit over te dragen middelen van het EFRO en het ESF+ bedraagt niet meer dan anderhalf maal het bedrag van steun uit het JTF voor die prioriteit. De uit het EFRO en het ESF+ overgedragen middelen behouden hun oorspronkelijke doelstellingen en worden opgenomen in de niveaus van thematische concentratie van het EFRO en het ESF+.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Het JTF is bedoeld voor de meest kwetsbare gemeenschappen in elke regio en daarom worden voor financiering uit het JTF in aanmerking komende projecten die bijdragen aan de specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 2, medegefinancierd tot maximaal 85 % van de relevante kosten.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  De lidstaten stellen samen met de betrokken autoriteiten van de betreffende gebieden en volgens het model in bijlage II een of meer territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie op voor een of meer getroffen gebieden van niveau 3 van de bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 868/201417 van de Commissie, vastgestelde gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (“regio’s van NUTS-niveau 3”) of delen daarvan. Het betreft gebieden die het zwaarst getroffen zijn door de economische en sociale effecten van de transitie, met name wat betreft het verwachte banenverlies bij de productie en het gebruik van fossiele brandstoffen en de transformatiebehoeften van de productieprocessen van industriële installaties met de hoogste broeikasgasintensiteit.
1.  De lidstaten stellen samen met de betrokken lokale en regionale autoriteiten van de betreffende gebieden in overeenstemming met het in artikel 6 van Verordening (EU) .../... [nieuwe GB-verordening] neergelegde partnerschapsbeginsel en zo nodig met bijstand van de EIB en het EIF volgens het model in bijlage II een of meer territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie op voor een of meer getroffen gebieden van niveau 3 van de bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad, gewijzigd bij Verordening (EU2016/206617 van de Commissie, vastgestelde gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (“regio’s van NUTS-niveau 3”) of delen daarvan. Het betreft gebieden die het zwaarst getroffen zijn door de economische en sociale effecten van de transitie, met name wat betreft het verwachte banenverlies bij de productie en het gebruik van fossiele brandstoffen en de transformatiebehoeften van de productieprocessen van industriële installaties met de hoogste broeikasgasintensiteit.
__________________
__________________
17 Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
17 Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter a
a)  een beschrijving van het transitieproces op nationaal niveau naar een klimaatneutrale economie, met inbegrip van een tijdschema voor belangrijke stappen in het transitieproces die consistent zijn met de meest recente versie van het nationale energie- en klimaatplan (“NECP”);
a)  een beschrijving van het transitieproces op nationaal niveau naar de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 en een klimaatneutrale economie tegen 2050, met inbegrip van een tijdschema voor belangrijke stappen in het transitieproces die consistent zijn met de meest recente versie van het nationale energie- en klimaatplan (“NECP”);
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter b
b)  een motivering voor het vaststellen van de gebieden die het zwaarst door het onder a) bedoelde transitieproces worden getroffen en door het JTF moeten worden ondersteund overeenkomstig lid 1;
b)  een motivering voor het vaststellen van de gebieden die het zwaarst door het onder a) bedoelde transitieproces worden getroffen en door het JTF moeten worden ondersteund overeenkomstig lid 1, met inbegrip van indicatoren zoals het werkloosheidspercentage en het ontvolkingspercentage;
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter c
c)  een beoordeling van de transitieproblemen in de zwaarst getroffen gebieden — met inbegrip van de sociale, economische en milieueffecten van de transitie naar een klimaatneutrale economie — waarbij het potentiële aantal getroffen banen en banenverlies, de ontwikkelingsbehoeften en de tegen 2030 te verwezenlijken doelstellingen worden vastgesteld met betrekking tot de transformatie of de stopzetting van broeikasgasintensieve activiteiten in die gebieden;
c)  een effectbeoordeling van de transitieproblemen in de zwaarst getroffen gebieden — met inbegrip van de sociale, economische en milieueffecten van de transitie naar een klimaatneutrale economie — waarbij het potentiële aantal getroffen banen en banenverlies, de mogelijke gevolgen voor de overheidsinkomsten, de ontwikkelingsbehoeften en de doelstellingen met betrekking tot de transformatie of de stopzetting van broeikasgasintensieve activiteiten in die gebieden, alsook de uitdagingen op het gebied van energiearmoede worden vastgesteld;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter d
d)  een beschrijving van de bijdrage die de JTF-steun naar verwachting zal leveren tot het aanpakken van de sociale, economische en milieueffecten van de transitie naar een klimaatneutrale economie;
d)  een beschrijving van de bijdrage die de JTF-steun naar verwachting zal leveren tot het aanpakken van de sociale, demografische, economische, gezondheids- en milieueffecten van de transitie naar een klimaatneutrale economie;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter e
e)  een beoordeling van de samenhang ervan met andere nationale, regionale of territoriale strategieën en plannen;
e)  in voorkomend geval, een beoordeling van de samenhang ervan met andere nationale, regionale of territoriale strategieën en plannen;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter h
h)  wanneer steun wordt verleend voor productieve investeringen aan andere ondernemingen dan kmo’s, een volledige lijst van dergelijke concrete acties en ondernemingen en een motivering van de noodzaak van dergelijke steun op basis van een kloofanalyse waaruit blijkt dat het verwachte banenverlies zonder de investering groter zou zijn dan het verwachte aantal gecreëerde banen;
h)  wanneer steun wordt verleend voor productieve investeringen aan andere ondernemingen dan kmo’s, een indicatieve lijst van dergelijke concrete acties en ondernemingen en een motivering van de noodzaak van dergelijke steun op basis van een kloofanalyse waaruit blijkt dat het verwachte banenverlies zonder de investering groter zou zijn dan het verwachte aantal gecreëerde banen;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3
3.  Bij het opstellen en uitvoeren van territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie worden de betreffende partners betrokken overeenkomstig artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].
3.  Bij het opstellen en uitvoeren van territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie worden de betreffende partners betrokken overeenkomstig artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en zo nodig de EIB en het EIF.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  Voor de outputindicatoren bedragen de uitgangswaarden nul. De mijlpalen voor 2024 en de streefcijfers voor 2029 zijn cumulatief. De streefcijfers worden niet herzien nadat het overeenkomstig artikel [14, lid 2,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] ingediende verzoek tot wijziging van het programma door de Commissie is goedgekeurd.
2.  Voor de outputindicatoren bedragen de uitgangswaarden nul. De mijlpalen voor 2024 en de streefcijfers voor 2029 zijn cumulatief.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1
Wanneer de Commissie op basis van het onderzoek van het eindverslag over de prestaties van het programma concludeert dat voor een of meer output- of resultaatindicatoren voor de JTF-middelen minder dan 65 % van het streefcijfer is gehaald, kan zij financiële correcties toepassen overeenkomstig artikel [98] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] door de steun uit het JTF voor de betreffende prioriteit in verhouding tot de resultaten te verminderen.
Op basis van het eindverslag over de prestaties van het programma kan de Commissie financiële correcties toepassen overeenkomstig Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Overgangsbepalingen
Voor de lidstaten geldt een overgangsperiode tot en met ... [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor het opstellen en goedkeuren van de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie. Alle lidstaten komen in die overgangsperiode volledig in aanmerking voor financiering uit hoofde van deze verordening, en de Commissie houdt bij het nemen van een besluit in verband met vrijmaking of verlies van financiering geen rekening met de overgangsperiode.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 ter (nieuw)
Artikel 10 ter
Evaluatie
Uiterlijk aan het einde van de tussentijdse herziening van het volgende meerjarig financieel kader evalueert de Commissie de uitvoering van het JTF en beoordeelt zij of het wenselijk is het toepassingsgebied ervan aan te passen overeenkomstig mogelijke wijzigingen in Verordening (EU) 2020/852, de klimaatdoelstellingen van de Unie uit hoofde van Verordening (EU) 2020/... [Europese klimaatwet] en de ontwikkelingen met betrekking tot de uitvoering van het actieplan voor duurzame financiering. Op basis daarvan dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, dat vergezeld kan gaan van wetgevingsvoorstellen.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A9-0135/2020).


Wapenuitvoer: uitvoering van gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB
PDF 183kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over wapenuitvoer: uitvoering van gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB (2020/2003(INI))
P9_TA(2020)0224A9-0137/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de in artikel 346, lid 1, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) inzake de productie van of handel in wapens, de in artikel 42, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) inzake “het bepalen van een Europees beleid inzake vermogens en bewapening”, en de in artikel 21 VEU vastgelegde beginselen, met name de bevordering van de democratie en de rechtsstaat, de handhaving van de vrede, de voorkoming van conflicten en de versterking van de internationale veiligheid,

–  gezien Besluit (GBVB) 2019/1560 van de Raad van 16 september 2019 tot wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (“het gemeenschappelijk standpunt”) tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(1) en gezien de conclusies van de Raad van 16 september 2019 met de evaluatie door de Raad van het gemeenschappelijk standpunt,

–  gezien het twintigste jaarverslag, opgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 2, van het gemeenschappelijk standpunt(2),

–  gezien het eenentwintigste jaarverslag, opgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 2, van het gemeenschappelijk standpunt(3),

–  gezien Besluit nr. 2018/101/GBVB van de Raad van 22 januari 2018 betreffende het bevorderen van doeltreffende controle op de wapenuitvoer(4) en gezien Besluit nr. 2017/915 van de Raad van 29 mei 2017 over activiteiten van de Unie ter ondersteuning van de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag(5),

–  gezien Besluit van de Raad (GBVB) 2019/2191 van 19 december 2019 ter ondersteuning van een mondiaal rapportagemechanisme inzake illegale conventionele wapens en munitie daarvoor om het risico op omleiding of illegale overdracht te beperken (“iTrace IV”)(6),

–  gezien de bijgewerkte gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen die door de Raad is goedgekeurd op 17 februari 2020(7),

–  gezien de Gids voor de gebruiker bij het gemeenschappelijk standpunt,

–  gezien het Wassenaar Arrangement van 12 mei 1996 betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, alsmede de in 2019 bijgewerkte lijsten van die goederen en technologieën en munitie,

–  gezien het Wapenhandelsverdrag (WHV), dat op 2 april 2013 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aangenomen(8) en op 24 december 2014 in werking is getreden,

–  gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(9), en gezien Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG(10),

–  gezien Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik(11), als gewijzigd in de Gedelegeerde verordening (EU) 2016/1969 van de Commissie van 12 september 2016(12), en de lijst van goederen en technologie voor tweeërlei gebruik in bijlage I (“verordening tweeërlei gebruik”),

–  gezien Verordening (EU) 2018/1092 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot instelling van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de EU(13),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2018 tot oprichting van het Europees Defensiefonds (EDF) (COM(2018)0476),

–  gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met steun van de Commissie, aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit (HR(2018)94),

–  gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties, met name doelstelling 16 ter bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling,

–  gezien resolutie 2216 (2015) van de VN-Veiligheidsraad inzake een wapenembargo tegen Jemen, en verslag A/HRC/39/43 van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de VN (OHCHR) inzake de mensenrechtensituatie in Jemen, met inbegrip van schendingen en misbruiken sinds september 2014,

–  gezien Besluit (GBVB) 2020/472 van de Raad van 31 maart 2020 inzake een militaire operatie van de Europese Unie in het Middellandse Zeegebied (EUNAVFOR MED IRINI)(14),

–  gezien de op 10 juni 2019 aangenomen resolutie 2473 (2019) van de VN-Veiligheidsraad waarbij de maatregelen gericht op de tenuitvoerlegging van het wapenembargo tegen Libië zijn verlengd, en de verklaring van de Ondersteuningsmissie van de Verenigde Naties in Libië (UNSMIL) van 25 januari 2020 inzake de aanhoudende schendingen van het wapenembargo in Libië,

–  gezien resolutie 1970 (2011) van de VN-Veiligheidsraad tot instelling van het wapenembargo tegen Libië en alle daaropvolgende resoluties van de VN-Veiligheidsraad over dit onderwerp, evenals resoluties 2292 (2016), 2357 (2017), 2420 (2018) en 2473 (2019) inzake de strikte tenuitvoerlegging van het wapenembargo,

–  gezien de publicatie van de Verenigde Naties uit 2018 met als titel “Securing our Common Future: An Agenda for Disarmament” (onze gezamenlijke toekomst veiligstellen: een agenda voor ontwapening),

–  gezien Verordening (EU) 2019/125 van het Europees Parlement en de Raad van 16 januari 2019 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing(15),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 16 oktober 2019 over Turkije, waarin de conclusies zijn bekrachtigd van de Raad Buitenlandse Zaken van 14 oktober 2019 inzake de illegale praktijken van Turkije in Noord-Syrië en het oostelijk Middellandse Zeegebied,

–  gezien duurzameontwikkelingsdoelstelling 16 van de Verenigde Naties ter bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling(16),

–  gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de VN aan de Mensenrechtenraad over het effect van wapenleveringen op het genot van mensenrechten(17),

–  gezien zijn eerdere resoluties over wapenuitvoer en de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt, met name die van 14 november 2018(18), 13 september 2017(19) en 17 december 2015(20),

–  gezien zijn aanbeveling van 28 maart 2019 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met steun van de Commissie, aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit(21),

–  gezien zijn resoluties over de humanitaire situatie in Jemen van 25 februari 2016(22), 15 juni 2017(23) en 30 november 2017(24),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(25),

–  gezien de workshop over de uitvoering van het EU-wapenuitvoercontrolesysteem, die plaatsvond tijdens de vergadering van de Subcommissie veiligheid en defensie van 12 april 2017,

–  gezien de studie getiteld “Aanbevelingen voor een transparant en gedetailleerd rapportagesysteem over wapenuitvoer binnen de EU en naar derde landen” in opdracht van de Subcommissie veiligheid en defensie,

–  gezien het verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Frankrijk inzake Frans-Duitse samenwerking en integratie van 22 januari 2019 (het Frans-Duitse Verdrag van Aken),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 21 augustus 2013 over Egypte,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0137/2020),

A.  overwegende dat uit de recentste cijfers(26) van het SIPRI blijkt dat de EU-28 in de periode van 2015 tot 2019 verantwoordelijk was voor 26 % van de totale wereldwijde wapenuitvoer, wat inhoudt dat de EU-28 de op een na grootste wapenleverancier ter wereld is, met als grootste leverancier de Verenigde Staten (36 %) en op de derde plek Rusland (21 %); overwegende dat volgens artikel 346 VWEU de lidstaten verantwoordelijk blijven voor de productie van of de handel in wapens;

B.  overwegende dat uit de recentste cijfers van het SIPRI blijkt dat de EU-28 de op een na grootste wapenleverancier is voor zowel Saudi-Arabië als de Verenigde Arabische Emiraten (VAE); overwegende dat volgens de groep van gezaghebbende internationale en regionale deskundigen van de VN de partijen bij het gewapend conflict in Jemen zich schuldig hebben gemaakt en nog steeds maken aan misdaden die een inbreuk vormen op het internationaal recht;

C.  overwegende dat de uitvoer van wapens en militaire goederen de defensie-industrie toelaat defensietechnologieën efficiënter te onderzoeken en ontwikkelen en de EU-lidstaten bijgevolg in staat te stellen zichzelf en hun burgers te verdedigen en beschermen;

D.  overwegende dat er wereldwijd sprake is van een toenemende nieuwe wapenwedloop en dat de militaire grootmachten niet langer een beleid voeren van wapenbeheersing en ontwapening om de internationale spanningen te verminderen en de mondiale veiligheidssituatie te verbeteren;

E.  overwegende dat het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 8 december 2008 een essentieel instrument is ter versterking van de samenwerking en ter bevordering van de convergentie van het uitvoerbeleid van de lidstaten;

F.  overwegende dat de lidstaten zich bewust zijn van het feit dat zij een bijzondere verantwoordelijkheid dragen door het uitvoeren van militaire technologie en goederen naar derde landen, aangezien deze uitvoer mogelijk van invloed is op bestaande spanningen en conflicten of deze mogelijk verergert;

G.  overwegende dat de wereldwijde crisis als gevolg van de COVID-19-pandemie mogelijk grote geostrategische gevolgen zal hebben en de behoefte aan een echte Europese strategische autonomie onderstreept;

H.  overwegende dat in de conclusies van de Raad buitenlandse zaken van de EU van 21 augustus 2013 wordt gesteld: “De lidstaten zijn tevens overeengekomen dat zij de vergunningen voor de uitvoer naar Egypte van uitrusting die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt, opschorten en dat zij de vergunningen voor de uitvoer van uitrusting die onder Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB valt, opnieuw zullen beoordelen en hun bijstand aan Egypte op veiligheidsgebied opnieuw zullen bekijken”; overwegende dat bedrijven in verschillende EU-lidstaten nog steeds wapens, bewakingstechnologie en andere veiligheidsapparatuur naar Egypte uitvoeren en zo hacking en malware gemakkelijker maken, alsook andere vormen van aanvallen op mensenrechtenverdedigers en burgeractivisten, zowel fysiek als online; overwegende dat deze activiteit heeft geleid tot onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting online;

I.  overwegende dat het in een steeds instabielere, multipolaire wereld, waarin nationalistische, xenofobische en antidemocratische bewegingen almaar toenemen, van essentieel belang is dat de Europese Unie uitgroeit tot een invloedrijke speler op het wereldtoneel en haar leidende rol behoudt als mondiale “zachte kracht” die zich inzet voor ontwapening waar het nucleaire en conventionele wapens betreft en investeert in conflictpreventie, crisisbeheer en -bemiddeling, vóór militaire opties in overweging te nemen;

J.  overwegende dat de uitvoer van wapens van essentieel belang is voor de versterking van de industriële en technologische basis voor de Europese defensie en dat de defensie-industrie in de eerste plaats zorgt voor het waarborgen van de defensie en veiligheid van de lidstaten van de Unie, terwijl zij bijdraagt aan de uitvoering van het GBVB;

K.  overwegende dat de verschillen op het gebied van wapenuitvoergedrag in de lidstaten ertoe leiden dat de EU soms minder goed in staat is haar doelstellingen inzake buitenlands beleid uit te voeren, en de geloofwaardigheid ondermijnen van de EU als speler die met één stem spreekt in de internationale arena;

L.  overwegende dat zowel de mondiale als de regionale veiligheidssituatie drastisch is veranderd, met name waar het de zuidelijke en oostelijke buurlanden van de Unie betreft;

M.  overwegende dat maatregelen gericht op militaire transparantie, zoals verslaglegging over wapenuitvoer, het opbouwen van vertrouwen over de grenzen heen bevorderen;

Het 20e en 21e EU-jaarverslag over wapenuitvoer

1.  onderstreept dat het bestaan van een defensie-industrie deel uitmaakt van het systeem ter zelfverdediging van de Unie en onderdeel vormt van haar strategische autonomie; merkt op dat dit alleen mogelijk is als de lidstaten binnen hun programma’s inzake defensiematerieel voorrang geven aan Europese producten; benadrukt dat een levensvatbare Europese markt de afhankelijkheid van de wapenuitvoer aan derde landen zou doen afnemen;

2.  herinnert eraan dat het gemeenschappelijk standpunt voorziet in een transparantieprocedure die zich vertaalt in de publicatie van EU-jaarverslagen over de uitvoer van wapens; is ingenomen met de publicatie van het 20e en 21e EU-jaarverslag, overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, dat is opgesteld door de Groep export van conventionele wapens van de Raad (COARM) en is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, zij het met vertraging; is van mening dat de publicatie van beide verslagen een stap vormt richting een gemeenschappelijk EU-standpunt op het gebied van wapenuitvoer in het kader van een steeds gecompliceerdere internationale context die wordt gekenmerkt door een toenemende uitvoer en een afnemende mate van transparantie; ziet beide verslagen als waardevolle aanvullingen op de VN-verslagen inzake transparantie van de mondiale en regionale wapenuitvoer;

3.  merkt op dat de lidstaten zich inspannen om artikel 346, lid 1, onder b), van het VWEU inzake de productie van of handel in wapens na te leven;

4.  stelt vast dat 19 lidstaten een volledige bijdrage aan het 20e jaarverslag hebben ingediend, en 19 lidstaten aan het 21e; dringt er bij alle lidstaten op aan om tijdens de huidige periode van afnemende transparantie in de handel in wapens op mondiaal niveau volledig te voldoen aan hun verplichtingen zoals die in het gemeenschappelijk standpunt zijn vastgelegd, en richt zich hierbij met name op een aantal belangrijke wapenexporterende landen; onderstreept dat een volledige bijdrage zowel het aantal verleende vergunningen als de waarde ervan behelst, alsook de waarde van de feitelijke uitvoer, uitgesplitst naar het land van bestemming en naar categorie in de lijst van militaire goederen; stelt vast dat 27 lidstaten, met uitzondering van Griekenland, voor het 20e jaarverslag in ieder geval gedeeltelijke bijdragen hebben ingediend, dat voor het 21e jaarverslag alle 28 lidstaten gegevens hebben ingediend, en dat ongeveer een derde van de landen onvolledige bijdragen hebben ingediend; is evenwel ingenomen met de aanvullende gegevens die via nationale verslagen door de regeringen zijn aangeleverd; herhaalt zijn verzoek dat alle lidstaten die geen volledige bijdrage hebben ingediend, met het oog op het volgende jaarverslag aanvullende informatie aanleveren over voltooide uitvoertransacties;

5.  vindt het verontrustend dat de lidstaten heel uiteenlopende informatie gebruiken om gegevens te genereren over de waarde van vergunningen, waardoor het effectieve gebruik van coherente en vergelijkbare gegevens wordt bemoeilijkt; onderstreept dat het van belang is verslag uit te brengen over de feitelijke wapenuitvoer in het kader van globale en algemene vergunningen, met inbegrip van de waarde en het volume van deze uitvoer, uitgesplitst naar categorie in de lijst van militaire goederen en naar land van bestemming;

6.  roept de lidstaten ertoe op beter met elkaar samen te werken en een gemeenschappelijke aanpak vast te stellen voor het verzamelen en verwerken van informatie en gegevens, met als doel beter geharmoniseerde jaarverslagen te produceren en op die manier de transparantie en bruikbaarheid van de verslagen te vergroten;

7.  merkt op dat de landen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, waar verscheidene gewapende conflicten heersen, volgens de laatste twee jaarverslagen de belangrijkste regionale bestemming voor de uitvoer blijven; stelt vast dat deze regio’s te maken hebben met grote en aanhoudende problemen op het gebied van veiligheid en dat iedere uitvoertransactie per geval moet worden beoordeeld aan de hand van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt;

8.  steunt de inzet van de Raad voor intensivering van de uitvoercontrole voor militaire goederen en technologie; neemt kennis van de bereidheid van de lidstaten om de samenwerking en convergentie op dit gebied te intensiveren in het kader van het GBVB; is verheugd over deze inspanningen aangezien zij aansluiten bij de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) zoals uiteengezet in artikel 21 VEU en van de regionale prioriteiten in de integrale EU-strategie (2016); verzoekt de lidstaten in dit opzicht gemeenschappelijke normen te ontwikkelen, toe te passen en te handhaven voor het beheer van de overdracht van militaire goederen en technologie;

9.  herinnert eraan dat de EU een aantal wapenembargo’s heeft uitgevoerd, onder meer alle VN-embargo’s, conform de doelstellingen van het GBVB, tegen landen als Belarus, de Centraal-Afrikaanse Republiek, China, Iran, Libië, Myanmar, Noord-Korea, de Russische Federatie, Somalië, Zuid-Soedan, Soedan, Syrië, Venezuela, Jemen en Zimbabwe; merkt op dat bepaalde landen als gevolg van deze embargo’s mogelijk geen toegang hebben tot militaire middelen, maar dat de embargo’s in sommige gevallen bijdragen tot regionale vrede en stabiliteit; wijst erop dat dergelijke embargo’s verhinderen dat de EU humanitaire crises, schendingen van mensenrechten en wreedheden in de hand werkt; verzoekt de EU de capaciteit van de lidstaten te helpen versterken voor wat betreft de toepassing van krachtigere procedures voor het toezicht op de naleving door alle lidstaten die EU-wapenembargo’s hebben ingesteld, en alle relevante bevindingen hieromtrent bekend te maken(27);

10.  herinnert aan zijn resolutie van 4 oktober 2018 over de situatie in Jemen; dringt er in dit opzicht bij alle EU-lidstaten op aan geen wapens en militaire goederen te verkopen aan Saudi-Arabië, de VAE en leden van de internationale coalitie, noch aan de regering van Jemen en andere partijen bij het conflict;

11.  is ingenomen met de beslissing van de regeringen van België, Denemarken, Finland, Duitsland, Griekenland, Italië en Nederland tot het vaststellen van beperkingen op de uitvoer van wapens naar landen die lid zijn van de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië die betrokken is bij de oorlog in Jemen; stelt vast dat ngo’s hebben meegedeeld dat de naar die landen uitgevoerde wapens in sommige gevallen zijn gebruikt in Jemen, waar 22 miljoen mensen humanitaire hulp en bescherming nodig hebben; herinnert eraan dat dergelijke uitvoer een duidelijke schending van het gemeenschappelijk standpunt vormt; neemt kennis van de hernieuwde verlenging door Duitsland tot eind 2020 van het moratorium op de uitvoer van wapens naar Saudi-Arabië, en van het besluit door verschillende lidstaten om volledige beperkingen toe te passen; herinnert eraan dat het Parlement tussen 25 februari 2016 en 14 februari 2019 de HV/VV door middel van in de plenaire vergaderingen aangenomen resoluties minstens tien keer heeft verzocht een procedure te starten voor de instelling van een EU-wapenembargo tegen Saudi-Arabië, en daar in 2018 ook de andere leden van de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië in Jemen heeft aan toegevoegd; herhaalt dit verzoek nogmaals;

12.  roept de lidstaten ertoe op het voorbeeld te volgen van Duitsland, Finland en Denemarken, die na de moord op de journalist Jamal Khashoggi beperkingen hebben ingesteld op de uitvoer van wapens naar Saudi-Arabië;

13.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om gevolg te geven aan de conclusies van de Raad van 21 augustus 2013 inzake Egypte en de opschorting aan te kondigen van uitvoervergunningen voor alle goederen die kunnen worden gebruikt voor binnenlandse repressie, in overeenstemming met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, en veroordeelt de aanhoudende niet-naleving van deze verbintenissen door sommige lidstaten; verzoekt de lidstaten daarom de uitvoer naar Egypte van wapens, bewakingstechnologie en andere veiligheidsapparatuur die aanvallen op mensenrechtenverdedigers en activisten van het maatschappelijk middenveld – ook op sociale media – en andere vormen van binnenlandse repressie in de hand kunnen werken, stop te zetten; verzoekt de VV/HV verslag uit te brengen over de huidige stand van de militaire en veiligheidssamenwerking van de lidstaten met Egypte; roept de EU ertoe op haar uitvoercontroles ten aanzien van Egypte volledig uit te voeren waar het gaat om goederen die kunnen worden gebruikt voor repressie, foltering of terechtstellingen;

14.  herhaalt zijn recente verzoeken om stopzetting van de uitvoer naar verschillende landen, waaronder Egypte, Bahrein, Saudi-Arabië, de VAE en Vietnam, van bewakingstechnologie en andere veiligheidsapparatuur die kunnen worden gebruikt voor binnenlandse repressie;

15.  stelt vast dat de EU missies uitvoert in het kader van het GVDB, met inbegrip van een missie gericht op de naleving van een wapenembargo tegen Libië, met tot doel het versterken van regionale vrede en stabiliteit; betreurt ten zeerste de flagrante schendingen van het wapenembargo in Libië die zelfs na de in dit kader door de betrokken landen gedane toezeggingen tijdens de internationale conferentie over Libië in Berlijn van 19 januari 2020, nog altijd aanhouden; verzoekt alle lidstaten om alle overdrachten van wapens, bewakings- en inlichtingenapparatuur en -materieel aan alle partijen bij het conflict in Libië stop te zetten;

16.  is verheugd over de doelstelling van de operatie IRINI betreffende de strikte uitvoering van het VN-wapenembargo tegen Libië met lucht-, satelliet- en maritieme middelen door het uitvoeren van inspecties van vaartuigen op volle zee voor de kust van Libië indien er redenen zijn om aan te nemen dat die vaartuigen wapens of aanverwant materieel naar of vanuit Libië vervoeren, in overeenstemming met resoluties 2292 (2016), 2357 (2017), 2420 (2018) en 2473 (2019) van de VN-Veiligheidsraad;

17.  veroordeelt ten stelligste de ondertekening van de twee memoranda van overeenstemming tussen Turkije en Libië inzake de afbakening van maritieme rechtsgebieden en de intensieve samenwerking op militair en veiligheidsgebied die onderling zijn verbonden en een duidelijke schending vormen van zowel het internationaal recht als de resolutie van de VN-Veiligheidsraad tot instelling van een wapenembargo tegen Libië; herinnert eraan dat sommige lidstaten hebben besloten vergunningen voor wapenuitvoer naar Turkije op te schorten; herinnert eraan dat de lidstaten zich hebben verbonden tot krachtige nationale standpunten over hun beleid inzake wapenuitvoer naar Turkije op basis van het bepaalde in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, inclusief de strikte toepassing van criterium 4 inzake regionale stabiliteit; verzoekt de VV/HV, zolang Turkije doorgaat met zijn huidige illegale unilaterale acties in het oostelijke Middellandse Zeegebied die ingaan tegen de soevereiniteit van EU-lidstaten (in het bijzonder Griekenland en Cyprus) en het internationaal recht en geen dialoog aangaat op basis van internationaal recht, in de Raad voor te stellen dat alle EU-lidstaten overgaan tot de opschorting van vergunningen voor wapenuitvoer naar Turkije, overeenkomstig het Gemeenschappelijk Standpunt; verzoekt de relevante fora binnen de NAVO, en in het bijzonder de Taskforce op hoog niveau voor de beheersing van conventionele wapens, met spoed wapenbeheersing in het oostelijke Middellandse Zeegebied te bespreken;

18.  verzoekt de lidstaten waar het uitvoercontroles betreft meer aandacht te besteden aan goederen die voor zowel civiele als militaire doeleinden kunnen worden gebruikt;

19.  merkt op dat er geen sanctiemechanismen zijn ingesteld voor het geval een lidstaat zich bezighoudt met uitvoertransacties die duidelijk niet met de acht criteria overeenstemmen;

Evaluatie door de Raad van het gemeenschappelijk standpunt

20.  verheugt zich over het voornemen van de Raad om voor meer convergentie en transparantie te zorgen, en herinnert eraan dat dit bij de vorige evaluatie door de Raad van het gemeenschappelijk standpunt als belangrijkste doelstelling is aangemerkt, en is eveneens ingenomen met de conclusies van de Raad inzake de evaluatie van het gemeenschappelijk standpunt en met de verklaring van de Raad dat de versterking van een technologische en industriële basis voor de Europese defensie vergezeld moet gaan van nauwere samenwerking en convergentie op het gebied van de uitvoercontrole voor militaire goederen en technologie(28);

21.  is verheugd over de hernieuwde verbintenis van de lidstaten aan het juridisch bindende gemeenschappelijk standpunt zoals gewijzigd bij het besluit van de Raad (GBVB) 2019/1560, en benadrukt het belang van grondige beoordelingen van aanvragen inzake uitvoervergunningen voor militaire technologie en goederen overeenkomstig de daarin uiteengezette bepalingen; wijst erop dat Besluit (GBVB) 2019/1560 van de Raad en de desbetreffende conclusies van 16 september 2019 blijk geven van een toenemend besef onder de lidstaten dat er op nationaal en EU-niveau grotere transparantie en convergentie op het gebied van de wapenuitvoer nodig is en dat er behoefte is aan scherper publiek toezicht met betrekking tot dit gevoelige gebied van nationale veiligheid; wijst erop dat deze besluiten ervoor kunnen zorgen dat nationale toezichtorganen, parlementen en de burgers van de Unie beter worden geïnformeerd over de strategische keuzes van hun regeringen op een gebied dat rechtstreeks samenhangt met hun veiligheid en met de waarden en normen die hun land uitdraagt;

22.  maakt zich zorgen over de toenemende wapenwedloop in de wereld; herinnert aan de ambitie van de EU om een rol als wereldspeler voor vrede te vervullen; verzoekt de EU daarom een actieve rol te spelen op het gebied van non-proliferatie van wapens en wereldwijde ontwapening; is verheugd over het feit dat in de actualisering van het gemeenschappelijk standpunt rekening wordt gehouden met relevante ontwikkelingen in dit verband, zoals de goedkeuring van het Wapenhandelsverdrag (WHV), waarbij alle lidstaten partij zijn; verheugt zich over de EU-activiteiten gericht op de universalisering van het WHV, met name over de hulp aan derde landen bij het verbeteren en toepassen van doeltreffende systemen voor wapenbeheersing overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt; roept de belangrijkste wapenexporterende landen, zoals de VS, China en Rusland, ertoe op het WHV te ondertekenen en ratificeren;

23.  steunt de hernieuwde bevestiging door de Raad dat militaire goederen en technologie op verantwoorde en controleerbare wijze moeten worden verhandeld; is ingenomen met de hernieuwde verbintenis van de Raad aan het verder bevorderen van samenwerking en convergentie tussen het beleid van de lidstaten, met als doel de uitvoer te verhinderen van militaire technologie en goederen die voor binnenlandse repressie of internationale agressie kunnen worden gebruikt of regionale instabiliteit in de hand kunnen werken;

24.  merkt bezorgd op dat de verschillen tussen het beleid en de praktijken van de lidstaten op het gebied van wapenuitvoer de convergentie ten aanzien van de EU-regels op dit vlak vertragen; wijst op de noodzaak om in dit verband nieuwe instrumenten in te voeren; merkt op dat toekomstige acties die door het Europees Defensiefonds worden gefinancierd, zullen bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe militaire technologieën en uitrusting;

25.  is verheugd over het feit dat de Raad het belang erkent van een consistent beleid inzake uitvoercontrole waar het defensiegerelateerde producten en goederen voor tweeërlei gebruik betreft; is van mening dat de EU duidelijke criteria en richtlijnen moet vaststellen met betrekking tot de uitvoer van dergelijke goederen;

26.  is ingenomen met de invoering van concrete maatregelen voor het realiseren van correcte, samenhangende en tijdige verslaglegging over de wapenuitvoer door de lidstaten; steunt in het bijzonder het besluit van de Raad om een duidelijke termijn voor de indiening van nationale bijdragen en duidelijke normen voor het verslagleggingsformaat in te voeren, en aanvullende richtsnoeren te verstrekken met betrekking tot de verslagleggingsinhoud en -processen; spoort de lidstaten ertoe aan hun gegevens zo snel mogelijk in te dienen, en ten laatste in de maand mei die volgt op het verslagleggingsjaar, zodat er op tijd een publiek debat kan plaatsvinden; is ingenomen met de stappen die zijn genomen betreffende een online-aanpak en moedigt de verdere ontwikkeling hiervan aan; is eveneens verheugd over de steun van de Raad voor het vaststellen van duidelijke richtsnoeren over het delen en uitwisselen van informatie tussen de lidstaten over hun wapenuitvoerbeleid; is ingenomen met de stappen die zijn gezet betreffende een digitale aanpak door middel van het onlinesysteem van COARM, en pleit voor de verdere uitbreiding hiervan;

Intensivering van de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de wapenproductie

27.  merkt op dat de lidstaten de regels voor hun wapenuitvoer hebben versterkt sinds de goedkeuring van het juridisch bindende gemeenschappelijk standpunt in 2008; wijst er eveneens op dat steeds meer in Europa geproduceerde wapensystemen bestaan uit componenten die afkomstig zijn uit verschillende EU-lidstaten, en om technologische, industriële en politieke redenen bi- of multilaterale samenwerking inhouden; onderstreept de positieve rol van dit soort samenwerking bij het bevorderen van vertrouwensopbouw in de lidstaten en derde landen;

28.  benadrukt dat de ambitie om het concurrentievermogen van de Europese defensiesector te verhogen niet in de weg mag staan van de toepassing van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt die immers voorrang hebben op de economische, sociale of industriële belangen van de lidstaten;

29.  wijst op een toename van de overdracht van kennis en technologie, waardoor derde landen officieel Europese militaire technologie kunnen vervaardigen; is van mening dat dit proces geen belemmering mag vormen voor het vermogen van de EU inzake de controle op de productie van wapens en militaire goederen, maar in plaats daarvan moet bijdragen tot de convergentie van publieke toezicht- en transparantienormen in de defensieproductie en moet zorgen voor een versnelde totstandbrenging van internationaal erkende en geaccepteerde regels inzake de productie en uitvoer van wapens;

30.  merkt op dat een toenemend aantal componenten in wapensystemen van civiele oorsprong zijn of goederen voor tweeërlei gebruik betreffen; acht het daarom noodzakelijk een coherent systeem op te zetten voor het toezicht op de overbrenging van deze componenten tussen alle lidstaten;

31.  wijst erop dat de lidstaten geen gemeenschappelijk beleid hebben uitgestippeld voor de overbrenging van wapenonderdelen naar een andere lidstaat, hoewel een dergelijk beleid zou garanderen dat alle uitvoer naar derde landen vanuit de lidstaat van assemblage in overeenstemming is met het uitvoerbeleid van de lidstaat die de componenten verstrekt; merkt op dat sommige lidstaten de overbrenging van wapens en defensiegerelateerde producten binnen de EU nog altijd beschouwen als gelijkwaardig met uitvoertransacties naar derde landen; beschouwt dit in de context van de toenemende verschillen tussen vergunningspraktijken in de EU als bijzonder problematisch; merkt op dat Richtlijn 2009/43/EG inzake intracommunautaire overdrachten in zijn huidige vorm niet geschikt is voor het vaststellen van optimale gemeenschappelijke normen voor het toezicht op de uitvoer van wapens naar derde landen, tegelijk met het vergemakkelijken van overdrachten binnen de Europese wapenmarkt;

32.  wijst erop dat de harmonisatieovereenkomst van Schmidt-Debré tussen Frankrijk en Duitsland, met de de-minimisregeling, een eerste poging vormde om de intra-Europese overdrachten te reguleren; wijst in dit verband op de overeenkomst tussen Frankrijk en Duitsland inzake het toezicht op de uitvoer van defensiegoederen;

33.  stelt vast dat het nationale beleid van elke lidstaat op het gebied van wapenuitvoer een belemmering kan vormen voor samenwerkingsprojecten; merkt op dat de verschillen tussen de lidstaten aanleiding kunnen geven tot bilaterale en specifieke overeenkomsten over wapensystemen, die in sommige gevallen leiden tot uitvoertransacties naar derde landen op basis van de minst restrictieve normen, en niet op basis van een gezamenlijke, EU-brede aanpak; herinnert eraan dat het doel van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad inzake de wapenuitvoer bestaat uit het voorkomen van dergelijke verschillen en het vaststellen van een samenhangend gemeenschappelijk wapenuitvoerbeleid; wijst op het verband tussen de verschillen op het gebied van uitvoerbeleid en de problemen met betrekking tot samenwerking binnen de EU, op een gestage versnippering van de interne markt voor defensiegerelateerde producten en op het bestaan van overlappende industriële capaciteiten; dringt er bijgevolg bij de Commissie, de Raad en de lidstaten op aan toereikende financiering ter beschikking te stellen om deze marktversplintering tegen te gaan en industriële consolidering te bevorderen, en er hierbij op toe te zien dat de EU en haar lidstaten over de nodige militaire capaciteiten beschikken; verzoekt de Commissie toe te zien op de daadwerkelijke toepassing van Richtlijn 2009/81/EG en Richtlijn 2009/43/EG, inclusief de dwingende maatregelen inzake aanbestedingen;

34.  merkt op dat de bilaterale samenwerking tussen de lidstaten inzake industriële defensiegerelateerde projecten resulteert in uitvoercontroleovereenkomsten die als basis kunnen dienen voor de gehele EU;

35.  benadrukt dat bilaterale en multilaterale overeenkomsten het pad moeten effenen naar meer convergentie en harmonisering van het uitvoerbeleid op EU-niveau, aangezien het gebrek aan convergentie en transparantie van de besluiten betreffende uitvoer naar derde landen negatieve gevolgen kunnen hebben voor het vermogen van de EU om met één stem te spreken en invloed uit te oefenen op het internationale toneel met betrekking tot de bevordering van de mensenrechten, het internationaal recht en de regionale vrede en stabiliteit; vreest dat deze verschillen marktverstoringen kunnen veroorzaken en een belemmering kunnen vormen voor industriële strategische planning, schaalvoordelen en een gelijk speelveld;

Het toenemende belang van het EU-niveau voor wat de productie van wapens betreft

36.  merkt op dat de ontwikkeling van defensiegoederen een belangrijk middel is ter versterking van de industriële en technologische basis voor de Europese defensie; merkt op dat initiatieven van de Unie zoals de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek (PADR), het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie (EDIDP) en het Europees Defensiefonds (EDF), initiatieven zoals de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie (CARD) en de Europese vredesfaciliteit (EPF), wetgeving zoals de richtlijnen inzake intracommunautaire overdrachten en defensieopdrachten van 2009, en de totstandbrenging van administratieve capaciteit zoals het directoraat-generaal voor de defensie-industrie en ruimtevaart van de Commissie (DG DEFIS), bijdragen aan de versterking van de Europese samenwerking op het vlak van wapenproductie en aan vermogensontwikkeling op Europees niveau; is van mening dat de versterking van een technologische en industriële basis voor de Europese defensie vergezeld moet gaan van nauwere samenwerking en convergentie op het gebied van de uitvoercontrole voor militaire goederen en technologie, met als doel het verhogen van de doeltreffendheid van het GBVB, en met name van het GVDB;

37.  verzoekt de lidstaten het huidige gebrek aan doelmatigheid van nationale defensie-uitgaven te verhelpen, welk gebrek het gevolg is van overlappingen, versnippering en een gebrek aan interoperabiliteit, en ernaar te streven de EU te laten uitgroeien tot een verstrekker van veiligheid, onder meer door een beter toezicht op de wapenuitvoer;

38.  merkt op dat verschillende lidstaten het voornemen hebben geuit om gezamenlijk grote wapensystemen te ontwikkelen, zoals gevechtstanks, straaljagers en bewapende drones;

39.  onderstreept dat het voorlopige Interinstitutionele Akkoord over de oprichting van het EOF de Commissie machtigt om te beoordelen of de overdracht van eigendom of de verlening van een exclusieve vergunning voor door het EOF medegefinancierde militaire technologie in strijd is met de veiligheids- en defensiebelangen van de EU en haar lidstaten en met de doelstellingen van het fonds zoals bedoeld in artikel 3 van de voorgestelde verordening; merkt op dat deze nieuwe wetgeving onder meer voorziet in een civiele-toezichttaak voor de Commissie met betrekking tot een specifieke categorie van de uitvoer van militaire technologie naar derde landen, met verhoogde transparantie en een lager risico op onrechtmatig gebruik van EU-middelen tot gevolg, maar zonder dat dit afbreuk doet aan de bevoegdheid van de controle-instanties voor uitvoer van de lidstaten om hiervoor uitvoervergunningen te verlenen;

40.  benadrukt dat de Europese partners in het kader van hun internationale verbintenissen informatie over hun nationale controlesystemen en de gegevens over hun overdracht van wapens overmaken; merkt op dat de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in het kader van de EPF de mogelijkheid hebben om derde landen militaire uitrusting te verstrekken, en wijst erop dat hiervoor monitoring op EU-niveau nodig is; benadrukt dat een nieuw instrument op EU-niveau in de context van de EPF mogelijk zou voorzien in gezamenlijke risicobeoordelingen voorafgaande aan besluiten om wapens en munitie over te dragen aan derde landen in het kader van de pijler voor militaire capaciteitsopbouw van de EPF, afzonderlijke maatregelen zou beoordelen aan de hand van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt en waarborgen en mogelijke sancties zou vaststellen ten aanzien van de eindgebruiker;

41.  verzoekt de Commissie het Parlement naar behoren op de hoogte te houden van de EU-middelen die worden ingezet in het kader van alle projecten voor onderzoek en ontwikkeling die verband houden met de ontwikkeling van drones; dringt er bij de VV/HV op aan om een verbod uit te vaardigen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd;

42.  wijst erop dat het onderzoek naar en de ontwikkeling van wapens en defensiematerieel voor de lidstaten van belang zijn om zich te verzekeren van middelen om zichzelf te beschermen, en voor de defensie-industrie om technologische vooruitgang te kunnen boeken;

Uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt in het licht van het toenemende belang van het EU-niveau voor wat de productie van wapens betreft

43.  wijst op het gebrek aan convergentie van het wapenuitvoerbeleid van de lidstaten en van hun nationale besluitvorming hierover, in de context van het toenemende belang van het EU-niveau voor wat de wapenproductie betreft, en de aangegeven ambities en plannen om dit belang nog te vergroten; merkt op dat het gebrek aan convergentie van het wapenuitvoerbeleid van de lidstaten bijkomende verstoringen van de markt kan veroorzaken en een belemmering kan vormen voor de strategische planning door de betreffende ondernemingen en strijdkrachten, en dat er daarom een geleidelijke convergentie van het wapenuitvoerbeleid van de lidstaten en van hun nationale besluitvorming moet plaatsvinden; wijst op het belang van de betrokkenheid van de lidstaten bij dit proces; betreurt de huidige verschillen in het wapenuitvoerbeleid van de lidstaten en in hun besluitvorming hierover; roept de Raad ertoe op zich verder te blijven inspannen voor de bevordering van de convergentie van het wapenuitvoerbeleid van de lidstaten en van hun nationale besluitvorming hierover;

44.  stelt voor dat de uitvoer van producten die worden gefinancierd vanuit het EDIDP en/of het Europees Defensiefonds (EDF) afzonderlijk in de aan COARM verstrekte gegevens wordt vermeld teneinde nauwlettend toezicht te houden op producten die vanuit de Europese begroting worden gefinancierd en te waarborgen dat de criteria uit hoofde van het gemeenschappelijk standpunt strikt worden toegepast op de producten die worden gefinancierd vanuit het EDIDP en het EDF;

45.  is ingenomen met de intensivering van de EU-samenwerking op defensiegebied in het kader van het GVDB; is van mening dat het toenemende belang van het EU-niveau met betrekking tot de wapenproductie gepaard moet gaan met meer transparantie; is van mening dat er op dit gebied nog ruimte voor verbetering is, met name wat betreft de kwaliteit en de uniformiteit van de door de lidstaten verstrekte gegevens; is van mening dat de vaststelling van een “Europees beleid inzake vermogens en bewapening” overeenkomstig artikel 42, lid 3, VEU, in overeenstemming moet zijn met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB; is van mening dat een toenemende convergentie van gemeenschappelijke regels en normen inzake de transparantie van de wapenuitvoer en militaire technologie bevorderlijk is voor het vertrouwen tussen de lidstaten en derde landen; is ingenomen met de door COARM ondernomen inspanningen, dankzij met name het gebruik van de uitgebreide Gids voor de gebruiker bij het gemeenschappelijk standpunt, om de lidstaten te helpen deze op het gebied van samenwerking, coördinatie en convergentie toe te passen bij de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt; stelt vast dat het informatie-uitwisselingssysteem van COARM en de gebruikersgids voor de toepassing van het gemeenschappelijk standpunt, praktische instrumenten zijn voor dagelijks gebruik door de controle-instanties; herinnert aan de door de lidstaten geleverde inspanningen om bij te dragen aan de werkzaamheden van COARM teneinde goede praktijken uit te wisselen; stelt COARM voor om:

   a) ter uitvoering van de conclusies van de Raad van september 2019 het rapportagemodel te herzien en hierin de volgende aanvullende categorieën op te nemen overeenkomstig internationaal erkende normen: het exacte soort wapen en de uitgevoerde hoeveelheid, de benaming van de munitie, de omvang van de partij en de specifieke eindgebruiker, ingetrokken vergunningen, en de waarde en looptijd van contracten met betrekking tot diensten na levering, zoals opleiding en onderhoud; de EU-definitie van handvuurwapens in overeenstemming te brengen met de bredere definitie van de VN;
   b) op EU- en internationaal niveau erkende definities te ontwikkelen, zoals de in vergunning gegeven waarde en de werkelijke uitvoer, teneinde de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten te vergemakkelijken;

46.  is ingenomen met het besluit om het jaarverslag om te vormen tot een interactieve, betrouwbare en doorzoekbare onlinedatabank, en verwacht dat deze databank vóór de publicatie van de uitvoergegevens voor 2019 operationeel is; verzoekt de EDEO het Parlement in kennis te stellen van de precieze datum waarop deze databank online beschikbaar wordt; dringt er bij COARM op aan te kiezen voor een structuur die gebruiksvriendelijk en eenvoudig toegankelijk is voor Europese burgers en het maatschappelijk middenveld en het mogelijk maakt gegevens in veilige en gestructureerde vorm uit te voeren;

47.  verzoekt COARM om inspanningen te blijven leveren om een uitwisselingsplatform te creëren waar de lidstaten informatie verstrekken en delen over hun beleid voor uitvoer naar niet-EU-landen en over hun besluiten om aanvragen voor vergunningen voor uitvoer naar niet-EU-landen af te wijzen; verzoekt COARM, conform artikel 7 van het gemeenschappelijk standpunt, te werken aan een betere uitwisseling van relevante informatie, inclusief informatie over kennisgevingen van weigering en wapenuitvoerbeleid, en andere maatregelen om de convergentie verder te vergroten; stelt met het oog hierop voor om nationale evaluaties uit te wisselen en te werken aan een gemeenschappelijke EU-beoordeling van landensituaties of mogelijke uitvoerontvangers, overeenkomstig de beginselen en criteria van het gemeenschappelijk standpunt in het kader van het GBVB en in overleg met externe belanghebbenden, waaronder het Parlement; vraagt om de regelmatige actualisering van de lijst van derde landen die de in het gemeenschappelijk standpunt vastgelegde criteria naleven;

48.  is van mening dat de EU-instellingen wederzijdse beoordelingen moeten voorstellen, met als doel nationale autoriteiten ertoe aan te moedigen goede praktijken uit te wisselen over de verzameling en verwerking van gegevens, een beter inzicht in de verschillende nationale benaderingen te bevorderen, verschillen in interpretatie van de acht criteria in kaart te brengen en manieren en middelen te onderzoeken om voor meer harmonisatie, consistentie en coherentie tussen de lidstaten te zorgen;

49.  is er stellig van overtuigd dat een consequentere toepassing van het gemeenschappelijk standpunt van de EU van essentieel belang is voor de geloofwaardigheid van de EU als een vanuit normen en waarden optredende wereldspeler, en dat meer convergentie met betrekking tot de volledige toepassing van de criteria doeltreffender zal zijn voor het waarborgen van de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal recht door alle bij de wapenhandel betrokken partijen, zal bijdragen tot de bevordering van vrede en stabiliteit, en de strategische veiligheidsbelangen en de strategische autonomie van de EU zal ondersteunen; is van mening dat de uitvoering van het GBVB hierdoor zal worden versterkt;

50.  is van mening dat vergunningen voor productie in derde landen niet meer mogen worden verleend als dit omzeiling van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt of andere EU-richtlijnen inzake de wapenuitvoer met zich mee zou brengen;

51.  benadrukt dat doeltreffende controles op het eindgebruik leiden tot een meer verantwoord uitvoerbeleid en in het bijzonder het risico kunnen verlagen op misbruik; verheugt zich in dit opzicht over het door de EU gefinancierde iTrace-project, steunt de voortzetting hiervan en steunt de voortzetting ervan en pleit voor het gebruik van een soortgelijk instrument om de legale wapenuitvoer vanuit de EU-lidstaten naar derde landen te traceren; verzoekt de Raad, de lidstaten en de EDEO een grootschalig programma voor opleiding en capaciteitsopbouw inzake controle op de uitvoer van wapens op te zetten voor nationale en Europese ambtenaren dat sterk gericht is op het creëren van wederzijds inzicht in de acht criteria, gezamenlijke risicobeoordelingen, het inrichten van waarborgen, en controle voor en na vergunningverlening; spoort de overheden van de lidstaten ertoe aan maatregelen te nemen voor een betere naleving van hun regelgeving inzake eindgebruik, inclusief de uitvoering van controles na verzending; benadrukt dat er voldoende EU-middelen moeten worden verstrekt om ervoor te zorgen dat de nodige personele middelen beschikbaar zijn op nationaal en Europees niveau alsook binnen delegaties en ambassades in de landen van invoer, zodat goede risicobeoordelingen kunnen worden uitgevoerd, het eindgebruik daadwerkelijk kan worden gecontroleerd en er controles na verzending kunnen plaatsvinden; dringt er bij de EDEO en COARM op aan om in het kader van het jaarverslag via iTrace melding te maken van alle eventuele gevallen van misbruik van uit de EU afkomstige goederen;

52.  is van mening dat het toenemende belang van het EU-niveau voor wat de wapenproductie betreft, de recente conclusies van de Raad over de convergentie van de wapenuitvoer en de oprichting van de EPF moeten worden aangevuld met een mechanisme voor toezicht en controle op EU-niveau op basis van volledige naleving van de acht criteria; wijst op de vaststelling van een “Europees beleid inzake vermogens en bewapening”, zoals voorzien in artikel 42, lid 3, VEU; is van mening dat “samenvoegen en delen” en betere samenwerking op het gebied van het wapen- en aanbestedingsbeleid alleen mogelijk zijn als er wordt gezorgd voor strenge uitvoercontroles, regelingen voor de uitwisseling van informatie en regelmatige parlementaire controle, en als er bij niet-naleving van de gemeenschappelijke regels krachtige sancties kunnen worden opgelegd met betrekking tot door de EU gefinancierde projecten; eist voorts dat het Europees Parlement – naast de nationale parlementen – in staat is de parlementaire controle op het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU te waarborgen, alsook op haar begroting;

53.  verzoekt COARM zich te verdiepen in het vraagstuk betreffende transparantie in de wapenuitvoer en het vraagstuk betreffende transparantie bij de verlening van uitvoervergunningen voor producten voor tweeërlei gebruik, en na te denken over een gemeenschappelijke aanpak om transparantie in beide instrumenten te bewerkstelligen; is van mening dat de toenemende controle door de Commissie op de handel in producten voor tweeërlei gebruik in de context van de toepassing van een herziene EU-verordening betreffende producten voor tweeërlei gebruik gepaard moet gaan met grotere betrokkenheid van en meer toezicht door het Europees Parlement, teneinde de verantwoordingsplicht te garanderen;

54.  onderstreept de mogelijke schadelijke gevolgen van de ongecontroleerde uitvoer van cyberbeveiligingstechnologie door bedrijven in de EU voor de veiligheid van de digitale infrastructuur van de EU en de mensenrechten; uit zijn bezorgdheid over het almaar toenemende gebruik van bepaalde cyberbeveiligingstechnologieën voor tweeërlei gebruik tegen politici, activisten en journalisten; veroordeelt ten zeerste dat een toenemend aantal mensenrechtenverdedigers te maken krijgt met digitale bedreigingen, waaronder gecompromitteerde gegevens door inbeslagname van apparatuur, bewaking op afstand en datalekken; benadrukt in dit opzicht het belang van een snelle, doeltreffende en veelomvattende actualisering van de verordening betreffende producten voor tweeërlei gebruik; herhaalt het standpunt van het Parlement over de herschikking van de verordening betreffende producten voor tweeërlei gebruik, dat tot doel heeft de uitvoer, verkoop, actualisering en het onderhoud van cyberbeveiligingsapparatuur die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie, inclusief voor internettoezicht, te verhinderen; is ingenomen met de aanhoudende inspanningen in dit verband van de EU-instellingen in de context van de lopende interinstitutionele onderhandelingen over de actualisering van de verordening inzake controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik;

55.  is van mening dat regelmatig overleg met het Europees Parlement, de nationale parlementen, controle-instanties voor wapenuitvoer, sectorale organisaties en de burgermaatschappij bevorderlijk is voor daadwerkelijke transparantie; verzoekt de nationale parlementen beste praktijken uit te wisselen inzake verslaglegging en toezicht teneinde de controlerende rol van alle nationale parlementen te vergroten waar het beslissingen met betrekking tot de controle op wapenuitvoer betreft; dringt er bij COARM op aan de dialoog met het maatschappelijk middenveld en de relevante industrie, alsook het overleg met het Parlement en met de controle-instanties voor wapenuitvoer voort te zetten; spoort het maatschappelijk middenveld en de academische wereld ertoe aan hun betrokkenheid bij en dialoog met COARM te vergroten en de uitvoer van defensietechnologie en -goederen aan een onafhankelijke toetsing te onderwerpen; verzoekt de lidstaten en de EDEO dergelijke activiteiten te ondersteunen, onder meer aan de hand van meer financiële middelen;

56.  benadrukt, in de lijn van de conclusies van de Raad van 16 september 2019, het belang van daadwerkelijke parlementaire controle, en onderstreept dat het van belang is ieder jaar een reactie te geven op het jaarverslag van COARM in de vorm van een verslag van het Europees Parlement, teneinde een basisniveau van parlementaire controle te waarborgen;

57.  spoort de lidstaten ertoe aan derde landen te helpen bij het inrichten, verbeteren en toepassen van wapencontrolesystemen overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

o
o   o

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB L 239 van 17.9.2019, blz. 16.
(2) PB C 453 van 14.12.2018, blz. 1.
(3) PB C 437 van 30.12.2019, blz. 1.
(4) PB L 17 van 23.1.2018, blz. 40.
(5) PB L 139 van 30.5.2017, blz. 38.
(6) PB L 330 van 20.12.2019, blz. 53.
(7) PB C 85 van 13.3.2020, blz. 1.
(8) Wapenhandelsverdrag, VN, 13-27217.
(9) PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.
(10) PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.
(11) PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.
(12) PB L 307 van 15.11.2016, blz. 1.
(13) PB L 200 van 7.8.2018, blz. 30.
(14) PB L 101 van 1.4.2020, blz. 4.
(15) PB L 30 van 31.1.2019, blz. 1.
(16) https://sustainabledevelopment.un.org/sdg16
(17) A/HRC/35/8.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0451.
(19) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 63.
(20) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 178.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0330.
(22) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 142.
(23) PB C 331 van 18.9.2018, blz. 146.
(24) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 104.
(25) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 110.
(26) Internationaal Instituut voor Vredesonderzoek van Stockholm (SIPRI), factsheet van maart 2020 getiteld “Trends in international arms transfers, 2019” (Trends in de internationale wapenhandel, 2019).
(27) https://www.sanctionsmap.eu/#/main?checked=
(28) Conclusie nr. 11 van de conclusies van de Raad inzake de evaluatie van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 inzake controle op de wapenuitvoer, zoals aangenomen door de Raad (Algemene Zaken), Raad van de Europese Unie, 12195/19, COARM 154, Brussel, 16 september 2019.


Vaststelling van een duidelijk gevaar van ernstige schending van de rechtsstaat door de Republiek Polen
PDF 227kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat (COM(2017)08352017/0360R(NLE))
P9_TA(2020)0225A9-0138/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2017)0835),

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 2 en artikel 7, lid 1,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de protocollen bij dit verdrag,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien de internationale mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties, zoals het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 20 april 2004 over de mededeling van de Commissie over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 15 oktober 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie – Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 getiteld “Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat”(3),

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de situatie in Polen(4),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over de recente ontwikkelingen in Polen en hun impact op de grondrechten als vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken(6),

–  gezien de activering door de Commissie in januari 2016 van de gestructureerde dialoog uit hoofde van het kader voor de rechtsstaat,

–  gezien Aanbeveling (EU) 2016/1374 van de Commissie van 27 juli 2016 over de rechtsstaat in Polen(7),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2017/146 van de Commissie van 21 december 2016 over de rechtsstaat in Polen ter aanvulling van Aanbeveling (EU) 2016/1374(8),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2017/1520 van de Commissie van 26 juli 2017 over de rechtsstaat in Polen ter aanvulling van de Aanbevelingen (EU) 2016/1374 en (EU) 2017/146(9),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2018/103 van de Commissie van 20 december 2017 over de rechtsstaat in Polen ter aanvulling van de Aanbevelingen (EU) 2016/1374, (EU) 2017/146 en (EU) 2017/1520(10),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over het besluit van de Commissie om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen(11),

–  gezien zijn resolutie van 14 november 2019 over de criminalisering van seksuele voorlichting in Polen(12),

–  gezien zijn resolutie van 18 december 2019 over openbare discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van LGBTI-personen, zoals LGBTI-vrije zones(13),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017(14),

–  gezien zijn resolutie van 3 mei 2018 over pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie(15),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over hoorzittingen die plaatsvinden in het kader van artikel 7, lid 1, van het VEU met betrekking tot Polen en Hongarije(16),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID‑19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(17),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(18),

–  gezien zijn resolutie van 13 februari 2019 over verslechteringen op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU(19),

–  gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul en andere maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld(20),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten(21),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Rechten en waarden(22),

–  gezien de vier inbreukprocedures die de Commissie tegen Polen heeft ingeleid met betrekking tot de hervorming van het Poolse rechtssysteem, waarvan er twee tot een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie hebben geleid(23) waarin werd vastgesteld dat er sprake is van schendingen van de tweede alinea van artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming is verankerd, en waarvan de twee andere procedures nog hangende zijn,

–  gezien de drie hoorzittingen met Polen die in 2018 in het kader van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU zijn gehouden door de Raad Algemene Zaken,

–  gezien het verslag van het werkbezoek van 3 december 2018 naar aanleiding van het bezoek van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan Warschau van 19 tot en met 21 september 2018, en de hoorzittingen over de situatie in verband met de rechtsstaat in Polen die op 20 november 2018 en 23 april 2020 hebben plaatsgevonden in diezelfde commissie,

–  gezien de jaarverslagen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en het Europees Bureau voor fraudebestrijding,

–  gezien de aanbevelingen van de WHO uit 2018 over de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van adolescenten,

–  gezien het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 juli 2014, Al Nashiri/Polen (verzoek nr. 28761/11),

–  gezien artikel 89 en artikel 105, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,

–  gezien het interimverslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9‑0138/2020),

A.  overwegende dat de Unie berust op de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot een minderheid behoren, als vastgelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en als opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en verankerd in internationale mensenrechtenverdragen;

B.  overwegende dat het toepassingsgebied van artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in tegenstelling tot artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, niet beperkt is tot de werkingssfeer van het recht van de Unie, zoals wordt aangegeven in de mededeling van de Commissie van 15 oktober 2003, en overwegende dat de Unie bijgevolg niet alleen in het geval van een schending binnen dit beperkte kader, maar ook in geval van een schending op een gebied dat onder de autonome actiebevoegdheid van een lidstaat valt, kan beoordelen of er sprake is van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de gemeenschappelijke waarden als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

C.  overwegende dat het bestaan van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde waarden door een lidstaat niet alleen de afzonderlijke lidstaat aangaat waar het gevaar zich voordoet, maar ook negatieve gevolgen heeft voor de andere lidstaten, voor het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en voor het wezen zelf van de Unie;

D.  overwegende dat de lidstaten zich op grond van artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie geheel uit vrije wil hebben verbonden aan de gemeenschappelijke waarden als bedoeld in artikel 2 van dat Verdrag;

1.  deelt mee dat de bezorgdheid van het Parlement betrekking heeft op de volgende punten:

   de werking van het wetgevingssysteem en het kiesstelsel,
   de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de rechten van rechters,
   de bescherming van de grondrechten;

2.  herhaalt zijn standpunt als weergegeven in verschillende van zijn resoluties over de situatie in verband met de rechtsstaat en de democratie in Polen dat de som van alle feiten en tendensen die in deze resolutie worden genoemd, neerkomt op een systemische bedreiging van de waarden van artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en een duidelijk gevaar vormt voor een ernstige schending daarvan;

3.  toont zich diep bezorgd over het feit dat in weerwil van drie hoorzittingen met de Poolse autoriteiten in de Raad, meerdere gedachtewisselingen in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement in aanwezigheid van de Poolse autoriteiten, alarmerende rapporten van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Raad van Europa, en de inleiding door de Commissie van vier inbreukprocedures, de situatie in verband met de rechtsstaat in Polen niet alleen niet is aangepakt, maar zelfs aanzienlijk is achteruitgegaan sinds de inwerkingtreding van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU; is van mening dat de discussies in de Raad in het kader van de in artikel 7, lid 1, VEU, bedoelde procedure regelmatig noch gestructureerd hebben plaatsgevonden, en dat hierbij onvoldoende is ingegaan op de substantiële kwesties die aanleiding gaven tot de inleiding van de procedure en niet naar behoren in kaart is gebracht welke gevolgen het handelen van de Poolse regering heeft op de waarden als bedoeld in artikel 2 VEU;

4.  merkt op dat het met redenen omkleed voorstel van de Commissie van 20 december 2017 op grond van artikel 7, lid 1, van het VEU inzake de rechtsstaat in Polen: voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat(24), een beperkt toepassingsgebied heeft, namelijk de situatie in verband met de rechtsstaat in Polen in de strikte zin van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; acht het dringend noodzakelijk het toepassingsgebied van het met redenen omkleed voorstel uit te breiden en hier ook duidelijke gevaren voor een ernstige schending van andere basiswaarden van de Unie aan toe te voegen, met name democratie en eerbiediging van de mensenrechten;

5.  is van mening dat de laatste ontwikkelingen in de lopende hoorzittingen in het kader van artikel 7, lid 1, VEU nogmaals de dringende noodzaak onderstrepen van een aanvullend en preventief Uniemechanisme inzake democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, zoals voorgesteld in zijn resolutie van 25 oktober 2016;

6.  herhaalt zijn standpunt over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, met inbegrip van de noodzaak om de rechten van begunstigden te waarborgen, en verzoekt de Raad zo snel mogelijk interinstitutionele onderhandelingen te beginnen;

7.  herhaalt zijn standpunt met betrekking tot de begrotingsmiddelen voor het nieuwe programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden in het kader van het volgend meerjarig financieel kader, en dringt er bij de Raad en de Commissie op aan te garanderen dat toereikende middelen beschikbaar worden gesteld voor nationale en lokale maatschappelijke organisaties om bij de burgers een draagvlak te creëren voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in de lidstaten, waaronder in Polen;

****

Werking van het wetgevingssysteem en het kiesstelsel in Polen

Gebruik van bevoegdheden inzake grondwetsherziening door het Poolse parlement

8.  hekelt dat het Poolse parlement zich bevoegdheden inzake grondwetsherziening heeft toegeëigend waarover het niet beschikte toen het als gewone wetgever optrad bij het goedkeuren van de wet van 22 december 2015 tot wijziging van de wet inzake het Constitutioneel Hof(25) en de wet van 22 juli 2016 inzake het Constitutioneel Hof(26), zoals is vastgesteld door het Constitutioneel Hof in zijn uitspraken van 9 maart(27), 11 augustus(28) en 7 november 2016(29) (30);

9.  betreurt bovendien dat veel bijzonder gevoelige wetgevingshandelingen door het Poolse parlement zijn goedgekeurd op een moment dat onafhankelijke grondwettelijke toetsing van wetgeving niet langer daadwerkelijk kon worden gegarandeerd, zoals de wet van 30 december 2015 tot wijziging van de wet inzake de overheidsdiensten en sommige andere wetten(31), de wet van 15 januari 2016 tot wijziging van de wet inzake de politiediensten en sommige andere wetten(32), de wet van 28 januari 2016 inzake het openbaar ministerie(33) en de wet van 28 januari 2016 – uitvoeringsbepalingen bij de wet inzake het openbaar ministerie(34), de wet van 18 maart 2016 tot wijziging van de wet inzake de ombudsman en sommige andere wetten(35), de wet van 22 juni 2016 inzake de Nationale Mediaraad(36), de wet van 10 juni 2016 inzake terrorismebestrijdingsmaatregelen(37), en verscheidene andere wetten die een fundamentele herschikking van het rechtssysteem inhouden(38);

Het gebruik van versnelde wetgevingsprocedures

10.  betreurt dat het Poolse parlement vaak gebruikmaakt van versnelde wetgevingsprocedures om cruciale wetgeving goed te keuren die de organisatie en werking van de rechterlijke macht hertekenen, zonder betekenisvolle raadpleging van belanghebbenden, waaronder de rechtsgemeenschap(39);

De kieswet en de organisatie van verkiezingen

11.  stelt bezorgd vast dat de OVSE tot de conclusie is gekomen dat vooringenomenheid van de media en onverdraagzame retoriek in de campagne voor de parlementsverkiezingen van oktober 2019 zorgwekkende proporties hebben aangenomen(40) en dat alle kandidaten weliswaar vrij campagne konden voeren, maar dat hoge overheidsambtenaren gebruik hebben gemaakt van door de overheid gefinancierde evenementen om hun campagneboodschap te verspreiden; stelt bovendien vast dat de dominantie van de regeringspartij in de openbare media het voordeel van die partij nog heeft versterkt(41); betreurt dat vijandigheid, bedreigingen jegens de media, onverdraagzame retoriek en gevallen van misbruik van staatsmiddelen afbreuk hebben gedaan aan het proces van de Poolse presidentsverkiezingen in juni en juli 2020(42);

12.  maakt er zich zorgen over dat de nieuwe kamer van buitengewone controle en openbare aangelegenheden van het Hooggerechtshof (hierna de “buitengewone kamer” genoemd), die voor het grootste deel is samengesteld uit personen die zijn benoemd door de nieuwe Nationale Raad voor Justitie en die volgens de beoordeling van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna “Hof van Justitie” genoemd) niet in aanmerking dreigt te komen als onafhankelijke rechtbank, tot taak heeft de geldigheid van verkiezingen te verifiëren en electorale geschillen te behandelen; stelt dat dit ernstige bezorgdheid doet rijzen over de scheiding der machten en de werking van de Poolse democratie, in zoverre dat rechterlijke toetsing van electorale geschillen hierdoor bijzonder kwetsbaar wordt voor politieke beïnvloeding en er hierdoor rechtsonzekerheid kan ontstaan met betrekking tot de geldigheid van een dergelijke toetsing(43);

13.  merkt op dat de Commissie van Venetië in 2002 in haar Gedragscode in verkiezingsaangelegenheden(44) duidelijke richtsnoeren heeft gegeven voor het houden van algemene verkiezingen tijdens publieke noodsituaties, met inbegrip van epidemieën; merkt op dat deze gedragscode voorziet in de mogelijkheid van uitzonderlijke stemprocedures, maar dat wijzigingen om dit soort procedures in te voeren alleen kunnen worden geacht in overeenstemming te zijn met Europese beste praktijken “als het beginsel van vrije verkiezingen wordt gegarandeerd”; is van mening dat dit niet het geval is voor de wijzigingen van het electorale kader voor de op 10 mei 2020 geplande presidentsverkiezingen, aangezien deze zouden kunnen verhinderen dat de verkiezingen eerlijk, geheim en gelijk verlopen, met volledige inachtneming van het recht op privacy(45) en in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(46); merkt bovendien op dat die wijzigingen in strijd zijn met de jurisprudentie van het Constitutioneel Hof van Polen die tot stand is gekomen toen er nog sprake was van daadwerkelijke grondwettelijke toetsing en waarin staat aangegeven dat de kieswet in de periode van zes maanden voorafgaand aan verkiezingen niet meer mag worden gewijzigd; stelt bezorgd vast dat de aankondiging van het uitstel van de presidentsverkiezingen slechts vier dagen voor de geplande datum bekend werd gemaakt;

Onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en andere instellingen en de rechten van rechters in Polen

Hervorming van het rechtssysteem – algemene overwegingen

14.  erkent dat de organisatie van het rechtssysteem weliswaar een bevoegdheid van de lidstaten is, maar dat het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft besloten dat de lidstaten hun verplichtingen op grond van het Unierecht moeten nakomen bij de uitoefening van die bevoegdheid; herhaalt dat nationale rechters ook Europese rechters zijn die het Unierecht toepassen, en dat hun onafhankelijkheid daarom de hele Unie aanbelangt, met inbegrip van het Hof van Justitie, dat moet toezien op de eerbiediging van de rechtsstaat als vastgelegd in artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna het “Handvest” genoemd) binnen het toepassingsgebied van het Unierecht; verzoekt de Poolse autoriteiten de onafhankelijkheid van Poolse rechters te beschermen en te handhaven;

De samenstelling en werking van het Constitutioneel Hof

15.  wijst erop dat de wetten met betrekking tot het Constitutioneel Hof die zijn aangenomen op 22 december 2015 en 22 juli 2016, evenals het pakket van drie wetten dat eind 2016 werd goedgekeurd(47), de onafhankelijkheid en legitimiteit van het Constitutioneel Hof zwaar hebben aangetast en dat de wetten van 22 december 2015 en 22 juli 2016 op respectievelijk 9 maart 2016 en 11 augustus 2016 door het Constitutioneel Hof ongrondwettig zijn verklaard; wijst erop dat die uitspraken toen niet zijn bekendgemaakt en evenmin zijn uitgevoerd door de Poolse autoriteiten; betreurt ten zeerste dat de grondwettigheid van Poolse wetten sinds de inwerkingtreding van bovengenoemde wetswijzigingen niet langer daadwerkelijk kan worden gegarandeerd in Polen(48); verzoekt de Commissie te overwegen een inbreukprocedure in te leiden in verband met de wetgeving inzake het Constitutioneel Hof, de onrechtmatige samenstelling ervan en de actieve rol van dit hof in de belemmering van de naleving van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van 19 november 2019(49);

De pensioen‑, benoemings‑ en tuchtregelingen voor rechters van het Hooggerechtshof

16.  wijst erop dat reeds in 2017, als gevolg van wijzigingen in de methode voor het benoemen van kandidaten voor de functie van eerste voorzitter van het Hooggerechtshof (hierna de “eerste voorzitter” genoemd), de deelname van rechters van het Hooggerechtshof aan de selectieprocedure volkomen zinloos is geworden; hekelt dat de wet van 20 december 2019 tot wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken, de wet inzake het Hooggerechtshof en sommige andere wetten(50) (hierna de “wet van 20 december 2019” genoemd) de deelname van de rechters aan de selectieprocedure voor de functie van eerste voorzitter nog verder heeft beperkt door de invoering van een functie van waarnemend eerste voorzitter van het Hooggerechtshof (hierna de “waarnemend eerste voorzitter” genoemd) die benoemd wordt door de president van de Republiek Polen, en door een verlaging van het quorum in de derde ronde tot slechts 32 van de 125 rechters, waardoor daadwerkelijk werd afgestapt van het model van het delen van bevoegdheden tussen de president van de Republiek Polen en de rechtsgemeenschap als verankerd in artikel 183, lid 3, van de Poolse grondwet(51);

17.  neemt met bezorgdheid kennis van de onregelmatigheden omtrent de benoeming van de waarnemend eerste voorzitter en diens verdere optreden; stelt diep bezorgd vast dat het verloop van de procedure voor het kiezen van kandidaten voor de functie van eerste voorzitter niet in overeenstemming was met artikel 183 van de Poolse grondwet of het reglement van orde van het Hooggerechtshof, en bovendien in strijd was met basisnormen inzake beraadslaging onder de leden van de Algemene Assemblee van de rechters van het Hooggerechtshof (hierna de “Algemene Assemblee” genoemd); stelt tot zijn spijt vast dat twijfels met betrekking tot de geldigheid van het verkiezingsproces in de Algemene Assemblee en de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de waarnemende eerste voorzitters tijdens het verkiezingsproces, aanleiding kunnen geven tot een verdere aantasting van de scheiding der machten en de legitimiteit van de nieuwe eerste voorzitter, die op 25 mei 2020 is benoemd door de president van de Republiek Polen, en bijgevolg twijfel kan zaaien over de onafhankelijkheid van het Hooggerechtshof; wijst erop dat vergelijkbare wetsovertredingen door de president van de Republiek Polen hebben plaatsgevonden bij de benoeming van de voorzitter van het Constitutioneel Hof;

18.  deelt de bezorgdheid van de Commissie dat de macht van de president van de Republiek Polen (en in sommige gevallen ook de minister van Justitie) om invloed uit te oefenen op tuchtprocedures jegens rechters van het Hooggerechtshof door het benoemen van een met de tuchtprocedure belaste functionaris die de zaak zal onderzoeken, waardoor de met de tuchtprocedure belaste functionaris van het Hooggerechtshof van de lopende procedure wordt uitgesloten, aanleiding geeft tot bezorgdheid met betrekking tot het beginsel van de scheiding der machten en de rechterlijke onafhankelijkheid nadelig kan beïnvloeden(52);

19.  wijst erop dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 24 juni 2019(53) heeft geconcludeerd dat de verlaging van de pensioenleeftijd voor de huidige rechters van het Hooggerechtshof in strijd is met het Unierecht en een inbreuk vormt op het beginsel dat rechters niet uit hun functie kunnen worden ontheven en dus op het beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid, nadat het Hof van Justitie eerder al, op 17 december 2018, het verzoek van de Commissie had ingewilligd om voorlopige maatregelen toe te passen met betrekking tot deze zaak(54); merkt op dat de Poolse autoriteiten de wet van 21 november 2018 tot wijziging van de wet inzake het Hooggerechtshof(55) hebben goedgekeurd om te voldoen aan de beschikking van het Hof van Justitie, vooralsnog het enige geval waarin zij wijzigingen van het wetgevingskader voor het rechtssysteem hebben teruggedraaid in het kader van een besluit van het Hof van Justitie;

De samenstelling en werking van de tuchtkamer en buitengewone kamer van het Hooggerechtshof

20.  wijst erop dat er in 2018 twee nieuwe kamers zijn opgericht binnen het Hooggerechtshof, namelijk de tuchtkamer en de buitengewone kamer, waarin nieuwe rechters zijn aangesteld die werden geselecteerd door de nieuwe Nationale Raad voor Justitie en die bijzondere bevoegdheden hebben gekregen – waaronder de bevoegdheid van de buitengewone kamer om een eindvonnis van een lagere rechtbank of van het Hooggerechtshof zelf te vernietigen door middel van buitengewone toetsing, en de bevoegdheid van de tuchtkamer om andere rechters van het Hooggerechtshof en van gewone rechtbanken te disciplineren – waardoor de facto een “Hooggerechtshof binnen het Hooggerechtshof” is gecreëerd(56);

21.  wijst erop dat het Hof van Justitie in zijn uitspraak van 19 november 2019(57), waarin het antwoordde op een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Hooggerechtshof (kamer van arbeidsrecht en sociale zekerheid, hierna de “kamer van arbeid” genoemd) met betrekking tot de tuchtkamer, heeft geconcludeerd dat nationale rechtbanken de plicht hebben bepalingen van het nationale recht buiten toepassing te laten wanneer deze de bevoegdheid om kennis te nemen van een zaak waarin het Unierecht van toepassing kan zijn, voorbehouden aan een orgaan dat niet voldoet aan de vereisten inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid;

22.  merkt op dat het verwijzende Hooggerechtshof (kamer van arbeid) vervolgens in zijn arrest van 5 december 2019(58) heeft geconcludeerd dat de tuchtkamer niet voldoet aan de vereisten van een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank in de zin van het Poolse recht en het Unierecht, en dat het Hooggerechtshof (burgerlijke kamer, strafkamer en kamer van arbeid) op 23 januari 2020(59) een resolutie heeft aangenomen waarin wordt herhaald dat de tuchtkamer geen rechtbank is vanwege het gebrek aan onafhankelijkheid en dat de arresten van de tuchtkamer bijgevolg niet kunnen worden beschouwd als arresten van een naar behoren aangewezen rechtbank; stelt met grote bezorgdheid vast dat de Poolse autoriteiten hebben verklaard dat die besluiten rechtens geen betekenis hebben voor wat betreft de voortzetting van de werking van de tuchtkamer en de nieuwe Nationale Raad voor Justitie, en dat het Constitutioneel Hof de resolutie van het Hooggerechtshof op 20 april 2020 ongrondwettig heeft verklaard(60), hetgeen een gevaarlijke tweedeling van de rechtspraak creëert in Polen en openlijk indruist tegen het primaat van het Unierecht en met name artikel 19, lid 1, VEU als uitgelegd door het Hof van Justitie, in de zin dat hierdoor de doelmatigheid en toepassing van het arrest van het Hof van Justitie van 19 november 2019(61) door de Poolse rechtbanken wordt verhinderd(62);

23.  neemt kennis van de beschikking van het Hof van Justitie van 8 april 2020(63), met de instructie aan Polen om de toepassing van de nationale bepalingen inzake de bevoegdheden van de tuchtkamer onmiddellijk op te schorten, en verzoekt de Poolse autoriteiten de beschikking spoedig ten uitvoer te leggen; verzoekt de Poolse autoriteiten de beschikking volledig na te leven en doet een oproep aan de Commissie om een aanvullend verzoek aan het Hof van Justitie te richten met het oog op de vaststelling van een beschikking inzake de betaling van een geldboete in het geval van aanhoudende niet-naleving; verzoekt de Commissie om zo spoedig mogelijk een inbreukprocedure in te leiden met betrekking tot de nationale bepalingen inzake de bevoegdheden van de buitengewone kamer, aangezien de samenstelling ervan dezelfde tekortkomingen kent als de tuchtkamer;

De samenstelling en werking van de nieuwe Nationale Raad voor Justitie

24.  wijst erop dat het aan de lidstaten toekomt om een raad voor justitie op te richten, maar dat de onafhankelijkheid van deze raad, eens ze is opgericht, moet worden gegarandeerd in overeenstemming met Europese normen en de grondwet van de lidstaat; wijst erop dat de rechtsgemeenschap in Polen sinds de hervorming van de Nationale Raad voor Justitie, het orgaan dat verantwoordelijk is voor het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechtbanken en rechters overeenkomstig artikel 186, lid 1, van de Poolse grondwet, door middel van de wet van 8 december 2017 tot wijziging van de wet inzake de Nationale Raad voor Justitie en sommige andere wetten(64) de bevoegdheid heeft verloren om zich te laten vertegenwoordigen in de Nationale Raad voor Justitie, en daardoor ook zijn invloed heeft verloren op aanwervingen en de bevordering van rechters; wijst erop dat 15 van de 25 leden van de Nationale Raad voor Justitie vóór de hervorming werden gekozen door hun collega’s, en dat die rechters sinds de hervorming van 2017 door het Poolse parlement worden gekozen; betreurt ten zeerste dat deze maatregel, in samenhang met de vroegtijdige beëindiging begin 2018 van het mandaat van alle volgens de oude regels benoemde leden, heeft geleid tot een verregaande politisering van de Nationale Raad voor Justitie(65);

25.  wijst erop dat het Hooggerechtshof bij de toepassing van de criteria die door het Hof van Justitie in zijn arrest van 19 november 2019 zijn vastgesteld, in het kader van zijn arrest van 5 december 2019, zijn besluiten van 15 januari 2020(66) en zijn resolutie van 23 januari 2020 heeft geconcludeerd dat de doorslaggevende rol van de nieuwe Nationale Raad voor Justitie bij de selectie van de rechters van de pas opgerichte tuchtkamer de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die kamer ondermijnt(67); is bezorgd over de juridische status van de rechters die zijn benoemd of bevorderd door de Nationale Raad voor Justitie in zijn huidige samenstelling en over de consequenties die hun participatie in de rechtspraak kan hebben op de geldigheid en rechtmatigheid van procedures;

26.  wijst erop dat het Europees Netwerk van Raden voor de rechtspraak (ENCJ) de nieuwe Nationale Raad voor Justitie op 17 september 2018 heeft geschorst omdat de raad niet langer voldeed aan de vereisten om onafhankelijk te zijn van de uitvoerende en wetgevende macht, en in april 2020 de uitsluitingsprocedure heeft ingeleid(68);

27.  verzoekt de Commissie een inbreukprocedure in te leiden met betrekking tot de wet van 12 mei 2011 inzake de Nationale Raad voor Justitie(69), zoals gewijzigd op 8 december 2017, en het Hof van Justitie te vragen de activiteiten van de nieuwe Nationale Raad voor Justitie bij wijze van voorlopige maatregel op te schorten;

De regels betreffende de organisatie van de gewone rechtbanken, de benoeming van voorzitters van rechtbanken en de pensioenregeling voor rechters van gewone rechtbanken

28.  betreurt dat de minister van Justitie, die in het Poolse systeem ook procureur-generaal is, de bevoegdheid heeft gekregen om tijdens een overgangsperiode van zes maanden naar eigen goeddunken voorzitters van de lagere rechtbanken te benoemen en te ontslaan, en dat de minister van Justitie in de periode 2017‑2018 meer dan 150 voorzitters en ondervoorzitters van rechtbanken heeft vervangen; merkt op dat het afzetten van rechtbankvoorzitters na afloop van deze periode in handen van de minister van Justitie bleef, en dat op die bevoegdheid zo goed als geen doeltreffende controle mogelijk is; merkt voorts op dat de minister van Justitie ook andere “tuchtrechtelijke” bevoegdheden heeft gekregen ten aanzien van rechtbankvoorzitters en voorzitters van hogere rechtbanken, en dat deze laatsten op hun beurt uitgebreide administratieve bevoegdheden hebben ten aanzien van voorzitters van lagere rechtbanken(70); betreurt deze enorme achteruitgang voor de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen(71);

29.  betreurt dat de wet van 20 december 2019, die op 14 februari 2020 in werking is getreden, de samenstelling van de assemblees van rechters heeft gewijzigd en bepaalde bevoegdheden van die organen van rechterlijk zelfbestuur heeft verplaatst naar colleges van rechtbankvoorzitters die door de minister van Justitie worden benoemd(72);

30.  wijst erop dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 5 november 2019(73) heeft geconcludeerd dat de bepalingen van de wet van 12 juli 2017 tot wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken en sommige andere wetten(74), op grond waarvan de pensioengerechtigde leeftijd voor rechters van gewone rechtbanken werd verlaagd, waarbij de minister van Justitie kan beslissen over de verlenging van hun actieve dienst, en op grond waarvan de pensioengerechtigde leeftijd varieert naargelang van het geslacht van de rechter, in strijd zijn met het Unierecht;

De rechten en de onafhankelijkheid van rechters, met inbegrip van de nieuwe tuchtregeling voor rechters

31.  verwerpt de nieuwe bepalingen waarmee bijkomende tuchtrechtelijke overtredingen en sancties ten aanzien van rechters en voorzitters van rechtbanken worden ingevoerd, omdat deze een ernstig risico vormen voor de rechterlijke onafhankelijkheid(75); verwerpt de nieuwe bepalingen op grond waarvan het rechters verboden wordt politieke activiteiten uit te oefenen, rechters verplicht zijn hun lidmaatschap van verenigingen openbaar te maken, en de beraadslagingen van rechterlijke autonome organen aanzienlijk worden beperkt, aangezien deze bepalingen een overschrijding inhouden van de beginselen van rechtszekerheid, noodzakelijkheid en evenredigheid doordat de vrijheid van meningsuiting van rechters aan banden wordt gelegd(76);

32.  is diep bezorgd over de tuchtprocedures die zijn ingesteld tegen rechters en aanklagers in Polen in verband met hun rechterlijke beslissingen tot toepassing van het Unierecht of openbare verklaringen ter verdediging van de rechterlijke onafhankelijkheid en de rechtsstaat in Polen; veroordeelt in het bijzonder de dreiging met tuchtprocedures(77) tegen meer dan 10 % van de rechters omdat zij een brief aan de OVSE hebben ondertekend over het verloop van de presidentsverkiezingen en omdat zij hun steun uitspreken voor onderdrukte rechters; veroordeelt de lastercampagne tegen Poolse rechters en de rol die overheidsfunctionarissen hierin spelen; verzoekt de Poolse autoriteiten zich te onthouden van misbruik van tuchtprocedures en van andere activiteiten die de autoriteit van de rechterlijke macht ondermijnen;

33.  verzoekt de Poolse autoriteiten de nieuwe bepalingen (onder meer over tuchtrechtelijke overtredingen) te schrappen die de rechtbanken verhinderen vragen in verband met onafhankelijkheid en onpartijdigheid van andere rechters te behandelen vanuit het standpunt van het Unierecht en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en die rechters dus verhinderen hun taak uit hoofde van het Unierecht uit te oefenen om nationale bepalingen die in strijd zijn met het Unierecht buiten toepassing te laten(78);

34.  is verheugd over de inleiding door de Commissie van een inbreukprocedure met betrekking tot bovengenoemde nieuwe bepalingen; betreurt dat er sinds 29 april 2020 geen vooruitgang is geboekt; vraagt de Commissie de kwestie als prioriteit te behandelen en het Hof van Justitie te verzoeken om toepassing van de versnelde procedure en van voorlopige maatregelen wanneer de zaak naar het Hof van Justitie wordt verwezen;

De status van de procureur-generaal en de organisatie van de vervolgingsdiensten

35.  verwerpt de samenvoeging van de openbare functies van minister van Justitie en procureur-generaal, de uitbreiding van de bevoegdheden van de procureur-generaal ten opzichte van de vervolgingsinstanties, de uitbreiding van de bevoegdheden van de minister van Justitie ten aanzien van de rechterlijke macht (wet van 27 juli 2001 inzake de organisatie van gewone rechtbanken(79), zoals gewijzigd) en de zwakke positie van de controle op die bevoegdheden (Nationale Raad van openbare aanklagers), hetgeen een opeenstapeling van al te veel bevoegdheden in de handen van één persoon tot gevolg heeft en rechtstreekse negatieve gevolgen heeft voor de onafhankelijkheid van het vervolgingssysteem ten opzichte van de politieke sfeer, zoals aangegeven door de Commissie van Venetië(80);

36.  herinnert eraan dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 5 november 2019 constateerde dat het verlagen van de pensioenleeftijd voor openbare aanklagers in strijd is met het Unierecht, omdat hiermee uiteenlopende pensioenleeftijden werden vastgesteld voor mannen en vrouwen die het ambt bekleden van openbaar aanklager in Polen;

Algemene beoordeling van de situatie met betrekking tot de rechtsstaat in Polen

37.  is het eens met de Commissie, de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, de Groep van Staten tegen Corruptie en de speciaal rapporteur voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten van de Verenigde Naties dat bovengenoemde afzonderlijke hervormingen van het rechtskader voor het rechtssysteem, als rekening wordt gehouden met hun interactie en algehele impact, neerkomen op een ernstige, aanhoudende en systemische schending van de rechtsstaat, die de wetgevende en uitvoerende macht in staat stellen in te grijpen in de volledige structuur en in alle prestaties van het rechtssysteem op een wijze die onverenigbaar is met de beginselen van de scheiding der machten en de rechtsstaat, waardoor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen aanzienlijk wordt verzwakt(81); veroordeelt de destabiliserende effecten die de maatregelen en de benoemingen van de Poolse autoriteiten sinds 2016 hebben gehad op de Poolse rechtsorde;

Bescherming van de grondrechten in Polen

De Poolse commissaris voor de mensenrechten

38.  maakt zich zorgen over de politieke aanvallen op de onafhankelijkheid van het Bureau van de commissaris voor de mensenrechten(82); wijst erop dat de commissaris voor de mensenrechten zich binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in het openbaar kritisch heeft uitgelaten over tal van maatregelen die door de huidige regering zijn genomen; wijst erop dat het statuut van de commissaris voor de mensenrechten is verankerd in de Poolse grondwet en dat de ambtstermijn van de huidige commissaris voor de mensenrechten in september 2020 afloopt; wijst erop dat volgens de Poolse grondwet de commissaris door de Sejm moet worden verkozen met goedkeuring van de senaat;

Het recht op een onpartijdig gerecht

39.  toont zich bezorgd over verslagen waarin wordt beweerd dat er sprake is van onnodige vertragingen in gerechtelijke procedures, moeilijkheden om toegang te krijgen tot rechtsbijstand tijdens arrest en gevallen van onvoldoende eerbiediging van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen raadsman en cliënt(83); verzoekt de Commissie nauw toezicht te houden op de situatie met betrekking tot advocaten in Polen; herinnert eraan dat alle burgers overeenkomstig de artikelen 47 en 48 van het Handvest het recht hebben om te worden geadviseerd, verdedigd en vertegenwoordigd door een onafhankelijke advocaat;

40.  is bezorgd over het feit dat sinds de inwerkingtreding op 14 februari 2020 van de wet van 20 december 2019 alleen de buitengewone kamer, wier onafhankelijkheid en onpartijdigheid in twijfel wordt getrokken, kan besluiten of een rechter of rechtbank onafhankelijk en onpartijdig is, en dat burgers hierdoor een belangrijk element van rechterlijke toetsing in alle andere instanties wordt ontnomen(84); herinnert eraan dat ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie het recht op een onpartijdig gerecht impliceert dat elke rechterlijke instantie uit eigen beweging moet toetsen of zij voldoet aan de criteria van onafhankelijkheid en onpartijdigheid(85);

Het recht op informatie en vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van vrijheid en pluralisme van de media

41.  herhaalt dat vrijheid en pluralisme van de media niet los kunnen worden gezien van democratie en de rechtsstaat, en dat het recht om te informeren en het recht om te worden geïnformeerd deel uitmaken van de democratische kernwaarden waarop de Unie is gebaseerd; herinnert eraan dat het Parlement de Raad in zijn resolutie van 16 januari 2020 heeft verzocht erop toe te zien dat er bij hoorzittingen in het kader van artikel 7, lid 1, van het VEU ook rekening wordt gehouden met eventuele nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van mediavrijheid;

42.  wijst erop dat het Parlement in zijn resolutie van 14 september 2016 zijn bezorgdheid heeft geuit over reeds goedgekeurde en recentelijk voorgestelde wijzigingen in de Poolse mediawetgeving; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een beoordeling te verrichten van de goedgekeurde wetgeving om na te gaan of die verenigbaar is met het Unierecht, met name met artikel 11 van het Handvest en het Unierecht inzake openbare media;

43.  uit zijn ernstige bezorgdheid over acties die de Poolse autoriteiten in de afgelopen jaren hebben uitgevoerd met betrekking tot de openbare omroep, waarbij de openbare omroep werd omgevormd tot een regeringsgezinde omroep, onafhankelijke of afwijkende stemmen het zwijgen werd opgelegd in de openbare media en hun bestuursorganen, en controle werd uitgeoefend op de uitgezonden inhoud(86); herinnert eraan dat artikel 54 van de Poolse grondwet de vrijheid van meningsuiting garandeert en censuur verbiedt;

44.  maakt zich grote zorgen over het buitensporig gebruik door sommige politici van rechtszaken tegen journalisten wegens smaad, waarbij deze onder meer geldboetes of een tijdelijk verbod op het uitoefenen van het beroep van journalist krijgen opgelegd; vreest dat dit een afschrikkend effect zal hebben op het beroep en de onafhankelijkheid van journalisten en de media(87); verzoekt de Poolse autoriteiten toegang tot passende rechtsmiddelen te garanderen voor journalisten en hun gezinsleden tegen wie een rechtszaak wordt aangespannen met de bedoeling onafhankelijke media het zwijgen op te leggen of te intimideren; verzoekt de Poolse autoriteiten volledig uitvoering te geven aan de aanbeveling van de Raad van Europa van 13 april 2016 over de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten en andere media-actoren(88); betreurt dat de Commissie vooralsnog niet met een voorstel is gekomen voor anti‑SLAPP-wetgeving (Strategic Lawsuit Against Public Participation – strategisch rechtsgeding tegen publieke participatie), waarmee ook Poolse journalisten en de Poolse media zouden worden beschermd tegen vexatoire rechtszaken;

45.  maakt zich zorgen over meldingen in verband met journalisten die worden vastgehouden omdat ze hun werk doen wanneer ze verslag uitbrengen van de protesten tegen de lockdown tijdens de COVID‑19-epidemie(89);

Academische vrijheid

46.  toont zich bezorgd over het feit dat er rechtszaken wegens smaad worden aangespannen tegen academici, of dat hiermee wordt gedreigd; verzoekt de Poolse autoriteiten de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid te eerbiedigen, in overeenstemming met internationale normen(90);

47.  verzoekt het Poolse parlement om hoofdstuk 6c van de wet van 18 december 1998 betreffende het Instituut voor Nationale Herinnering – Commissie voor de vervolging van misdaden tegen de Poolse natie(91) in te trekken, omdat dit hoofdstuk de vrijheid van meningsuiting en onafhankelijk onderzoek in gevaar brengt doordat het schaden van de reputatie van Polen en zijn volk, bijvoorbeeld door Polen en het Poolse volk te betichten van medeplichtigheid aan de Holocaust, hierin wordt aangemerkt als een civielrechtelijk strafbaar feit dat vervolgbaar is voor een burgerlijke rechtbank(92);

Vrijheid van vergadering

48.  herhaalt zijn oproep aan de Poolse regering om het recht op vrijheid van vergadering te eerbiedigen door in de huidige wet van 24 juli 2015 inzake openbare bijeenkomsten(93), als gewijzigd op 13 december 2016(94), de bepalingen te schrappen waarin voorrang wordt toegekend aan door de overheid goedgekeurde “cyclische” bijeenkomsten(95); verzoekt de Poolse autoriteiten met klem geen strafrechtelijke sancties op te leggen aan personen die deelnemen aan vreedzame bijeenkomsten of tegendemonstraties en aanklachten tegen vreedzame betogers te laten vallen; dringt er bovendien bij de Poolse autoriteiten op aan vreedzame bijeenkomsten naar behoren te beschermen en daders van gewelddadige aanvallen op personen die deelnemen aan vreedzame bijeenkomsten voor de rechter te brengen;

49.  uit zijn zorgen over het bijzonder restrictieve verbod op openbare bijeenkomsten(96) dat tijdens de COVID‑19-pandemie van kracht was zonder dat er een noodtoestand als gevolg van een natuurramp werd afgekondigd, zoals vastgelegd in artikel 232 van de Poolse grondwet, en benadrukt dat het noodzakelijk is het beginsel van evenredigheid toe te passen wanneer de vrijheid van vergadering wordt beperkt;

Vrijheid van vereniging

50.  verzoekt de Poolse autoriteiten om een wijziging van de wet van 15 september 2017 betreffende het Nationaal Instituut voor vrijheid – Centrum voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld(97),(98), teneinde ervoor te zorgen dat kritische maatschappelijke groeperingen op lokaal, regionaal en nationaal niveau toegang krijgen tot overheidsfinanciering en dat overheidsmiddelen op eerlijke, onpartijdige en transparante wijze worden verdeeld over het maatschappelijk middenveld, waarbij een pluralistische vertegenwoordiging wordt gewaarborgd(99); herhaalt zijn oproep om toereikende financiële middelen beschikbaar te stellen voor de organisaties in kwestie via verschillende financieringsinstrumenten op Unieniveau, zoals het onderdeel Waarden van de Unie van het nieuwe programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden, en proefprojecten van de Unie; is diep bezorgd over de politieke druk die wordt uitgeoefend op Poolse leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité wegens de maatregelen die in het kader van hun mandaat worden genomen(100);

51.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de persverklaring van de minister van Justitie en de minister van Milieu over bepaalde non-gouvernementele organisaties, die was bedoeld om hen te stigmatiseren als organisaties die zich inzetten voor de belangen van buitenlandse actoren; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het geplande project voor een wetsvoorstel inzake het creëren van een openbaar register met betrekking tot de financiering van non-gouvernementele organisaties, waarbij zij worden verplicht buitenlandse financieringsbronnen bekend te maken(101);

Bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van persoonsgegevens

52.  herhaalt de conclusie van zijn resolutie van 14 september 2016 dat de procedurele waarborgen en materiële voorwaarden als bepaald in de wet van 10 juni 2016 inzake terrorismebestrijdingsmaatregelen en de wet van 6 april 1990 inzake de politiediensten(102), zoals gewijzigd, voor de uitvoering van geheime surveillance, onvoldoende zijn om excessief gebruik ervan of ongeoorloofde interferentie met de privacy en de gegevensbescherming van personen te voorkomen, waaronder die van leiders van de oppositie en het maatschappelijk middenveld(103); herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een beoordeling te verrichten van die wetgeving om na te gaan of ze verenigbaar is met het Unierecht, en dringt er bij de Poolse autoriteiten op aan de persoonlijke levenssfeer van alle burgers ten volle te eerbiedigen;

53.  maakt zich grote zorgen om de overdracht van persoonsgegevens die het Poolse Ministerie van Digitale Zaken op 22 april 2020 uitvoerde vanuit het Algemeen Elektronisch Bevolkingsregistersysteem (hierna het “PESEL-register” genoemd) naar de exploitant van de postdiensten om de organisatie van de presidentsverkiezingen van 10 mei 2020 via stemming per brief mogelijk te maken, ondanks de afwezigheid van een passende rechtsgrond, aangezien het Poolse parlement pas op 7 mei 2020 een wet goedkeurde die het mogelijk maakt om verkiezingen volledig via de postdiensten te laten plaatsvinden; merkt bovendien op dat het PESEL-register niet identiek is aan het kiesregister en ook persoonsgegevens bevat van burgers van andere lidstaten, en dat de hierboven genoemde overdracht bijgevolg een inbreuk zou kunnen vormen op Verordening (EU) 2016/679; herinnert eraan dat het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) heeft verklaard dat overheidsinstanties informatie over personen op kieslijsten mogen vrijgeven, maar alleen wanner dit specifiek is toegestaan uit hoofde van het nationale recht(104); merkt op dat de Poolse commissaris voor de mensenrechten een klacht heeft ingediend bij de provinciale administratieve rechtbank van Warschau op grond van een mogelijke inbreuk op de artikelen 7 en 51 van de Poolse grondwet door het Poolse Ministerie van Digitale Zaken;

Integrale seksuele voorlichting

54.  herhaalt zijn diepe bezorgdheid, zoals uitgedrukt in zijn resolutie van 14 november 2019 en gedeeld door de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa(105), in verband met de ontwerpwet tot wijziging van artikel 200b van het Poolse Strafwetboek die door het initiatief “Stop pedofilie” is ingediend bij het Poolse parlement, vanwege de uiterst vage, brede en buitensporige bepalingen in het voorstel, die er de facto op gericht zijn het geven van seksuele voorlichting aan minderjarigen strafbaar te stellen en waarbij iedereen, en met name ouders, leerkrachten en seksuele voorlichters, tot drie jaar gevangenisstraf boven het hoofd hangt voor lesgeven over menselijke seksualiteit, gezondheid en intieme relaties;

55.  benadrukt dat naargelang de leeftijd aangepaste en op feiten gebaseerde, integrale voorlichting over seksualiteit en relaties van cruciaal belang is voor jongeren om de vaardigheden te kunnen verwerven die zij nodig hebben om gezonde, gelijkwaardige, zorgzame en veilige relaties aan te gaan, vrij van discriminatie, dwang en geweld; is van mening dat integrale seksuele voorlichting ook een positieve invloed heeft op gendergelijkheid, doordat voorlichting schadelijke gendernormen en houdingen tegenover gendergerelateerd geweld kan bijstellen, partnergeweld en seksuele dwang, homofobie en transfobie helpt te voorkomen, de stilte rond seksueel geweld, seksuele uitbuiting of seksueel misbruik doorbreekt en jongeren in staat stelt hulp te zoeken; verzoekt het Poolse parlement de voorgestelde ontwerpwet tot wijziging van artikel 200b van het Poolse Strafwetboek niet goed te keuren en dringt er bij de Poolse autoriteiten op aan te garanderen dat alle schoolkinderen toegang hebben tot wetenschappelijk correcte en integrale seksuele voorlichting, in overeenstemming met internationale normen, en ervoor te zorgen dat de personen en organisaties die dergelijke voorlichting en informatie geven, worden ondersteund zodat ze dit op feitelijke en objectieve wijze kunnen doen;

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten

56.  wijst erop dat de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen volgens het Handvest, het EVRM en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verband houden met meerdere mensenrechten, waaronder het recht op leven en waardigheid, vrijwaring van onmenselijke en vernederende behandeling, het recht op toegang tot gezondheidszorg, het recht op privacy, het recht op onderwijs en het verbod op discriminatie, zoals ook tot uiting komt in de Poolse grondwet; wijst erop dat het Parlement zich reeds in zijn resolutie van 15 november 2017 uiterst kritisch heeft uitgelaten over elk wetgevingsvoorstel dat abortus verbiedt in geval van ernstige of dodelijke aantasting van de foetus, hetgeen de toegang tot abortushulpverlening in Polen drastisch zou inperken en in de praktijk zo goed als een verbod zou betekenen, aangezien de meeste legale abortussen op deze grond worden uitgevoerd(106), en tevens benadrukte dat universele toegang tot gezondheidszorg, waaronder tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en tot de daarmee verband houdende rechten, een fundamenteel mensenrecht is(107); betreurt de voorgestelde amendementen(108) op de wet van 5 december 1996 inzake het beroep van arts en tandarts(109), uit hoofde waarvan artsen niet langer wettelijk verplicht zijn een alternatieve voorziening of medisch deskundige aan te wijzen in het geval ze weigeren seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten te verlenen op grond van persoonlijke overtuigingen; drukt zijn bezorgdheid uit over het gebruik van de gewetensclausule, met inbegrip van het ontbreken van betrouwbare doorverwijsmechanismen en het gebrek aan tijdige beroepsmogelijkheden voor vrouwen aan wie deze diensten worden ontzegd; verzoekt het Poolse parlement geen verdere pogingen te ondernemen om de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen te beperken; stelt met klem dat een weigering van diensten met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten neerkomt op een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes; verzoekt de Poolse autoriteiten maatregelen te nemen om volledig uitvoering te geven aan de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zaken tegen Polen, waarbij het Hof meermaals heeft geoordeeld dat een restrictieve abortuswetgeving en een uitblijvende uitvoering een schending vormt van de mensenrechten van vrouwen(110);

57.  wijst erop dat eerdere pogingen om het recht op abortus – een recht dat in Polen al uiterst beperkt is in vergelijking met de meeste andere landen in de Unie – verder aan banden te leggen een halt is toegeroepen in 2016 en 2018 als gevolg van massale protesten van Poolse burgers tijdens de “zwarte marsen”; verzoekt de Poolse autoriteiten met klem te overwegen de wet die de toegang tot de morning-afterpil voor vrouwen en meisjes beperkt in te trekken;

Haatzaaiende taal, openlijke discriminatie, geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en onverdraagzaam gedrag ten aanzien van minderheden en andere kwetsbare groepen, met inbegrip van LGBTI’s

58.  dringt er bij de Poolse autoriteiten op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om racistische haatzaaiende taal en het aanzetten tot geweld, zowel online als offline, daadkrachtig te bestrijden en racistische haatzaaiende uitspraken van publieke figuren, waaronder politici en ambtenaren van mediabedrijven, openlijk te veroordelen en er afstand van te nemen(111), teneinde vooroordelen en negatieve sentimenten jegens nationale en etnische minderheden (waaronder Roma), migranten, vluchtelingen en asielzoekers aan te pakken en een doeltreffende handhaving te waarborgen van de wetten op grond waarvan partijen of organisaties die rassendiscriminatie stimuleren of hiertoe aanzetten, buiten de wet worden gesteld(112); verzoekt de Poolse autoriteiten gevolg te geven aan de aanbevelingen van 2019 van de Commissie van de Verenigde Naties voor de uitbanning van rassendiscriminatie(113);

59.  uit zijn diepe bezorgdheid over het recente besluit(114) van de Poolse Minister van Justitie om officieel te beginnen met de terugtrekking van Polen uit het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul); spoort de Poolse autoriteiten ertoe aan dat verdrag in de praktijk en op doeltreffende wijze toe te passen, onder meer door de toepassing van de bestaande wetgeving in het hele land te waarborgen, en te voorzien in voldoende kwaliteitsvolle opvangplaatsen voor vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld en voor hun kinderen; vreest dat dit besluit een serieuze stap terug betekent op het gebied van gendergelijkheid en de rechten van vrouwen;

60.  merkt op dat uit de resultaten van de tweede LGBTI-enquête van mei 2020, uitgevoerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, nadrukkelijk bleek dat de intolerantie en het geweld jegens LGBTI-personen en vermeende LGBTI-personen in Polen toenemen en dat de Poolse LGBTI-respondenten absoluut niet geloven dat de regering vooroordelen en intolerantie bestrijdt, waarbij het laagste percentage van de hele Unie werd opgetekend (slechts 4 %), tegenover het hoogste percentage respondenten dat aangaf bepaalde plekken te mijden uit angst voor aanvallen, intimidatie of dreigementen (79 %);

61.  wijst, onder meer in de context van de campagne voor de presidentsverkiezingen van 2020, op zijn standpunt als weergegeven in zijn resolutie van 18 december 2019, waarin het Parlement zijn sterke veroordeling uitspreekt over elke vorm van discriminatie van LGBTI’s en de schending van hun grondrechten door overheidsinstanties, met inbegrip van haatzaaiende uitlatingen van overheidsinstanties en verkozen overheidsfunctionarissen, over het onvoldoende beschermen tegen aanvallen en verbieden van pride-optochten en bewustmakingsprogramma’s, alsook over de zones in Polen die zichzelf hebben uitgeroepen als “zones vrij van LGBT-ideologie”, en waarin het de Commissie ertoe oproept deze vormen van openlijke discriminatie sterk te veroordelen; stelt vast dat er sinds de aanneming van die resolutie geen enkele verbetering is waargenomen in de situatie van LGBTI’s in Polen en dat met name de mentale gezondheid en fysieke veiligheid van Poolse LGBTI’s in het gedrang komen; herinnert aan de veroordeling van dergelijke acties door de Poolse commissaris voor de mensenrechten, die negen klachten heeft ingediend bij administratieve rechtbanken met als argument dat de LGBTI-vrije zones een schending vormen van het Unierecht, en de veroordeling door de Commissie en internationale organisaties; wijst erop dat uitgaven in het kader van het cohesiebeleid geen discriminatie op grond van seksuele gerichtheid mogen inhouden en dat steden en gemeenten zich als werkgever moeten houden aan Richtlijn 2000/78/EG van de Raad(115), op basis waarvan discriminatie en intimidatie op grond van seksuele geaardheid in arbeid verboden zijn(116); uit, gezien deze context, zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat de Minister van Justitie financiële steun heeft gegeven aan gemeenten die zijn uitgesloten van het Europese jumelageprogramma wegens het uitroepen van een “LGBT-vrije zone”; vreest verder dat er financiële steun zal worden verleend via het justitiefonds van het ministerie, dat is opgezet om slachtoffers van misdrijven te ondersteunen; dringt er bij de Commissie op aan om aanvragen voor EU-financiering van autoriteiten die dergelijke zones hebben uitgeroepen, te blijven afwijzen; verzoekt de Poolse autoriteiten om de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uit te voeren en om in dat verband in te gaan op de situatie van echtgenoten en ouders van hetzelfde geslacht, opdat zij zowel rechtens als feitelijk het recht op non-discriminatie genieten(117); veroordeelt de rechtszaken tegen de maatschappelijke activisten die de zogenoemde “Haatatlas” hebben gepubliceerd waarin gevallen van homofobie in Polen worden gedocumenteerd; verzoekt de Poolse regering met klem de wettelijke bescherming van LGBTI’s tegen alle vormen van haatmisdrijven en haatzaaiende taal te garanderen;

62.  betreurt ten zeerste de massa-arrestatie van 48 LGBTI-activisten op 7 augustus 2020 bij de protestactie die bekendstaat als de “Polish Stonewall”, en wijst erop dat deze arrestaties een verontrustend signaal afgeven over de vrijheid van meningsuiting en vergadering in Polen; betreurt de manier waarop de gearresteerden zijn behandeld, zoals gemeld door het nationaal mechanisme voor preventie van foltering(118); dringt er bij alle Europese instellingen op aan om het politiegeweld tegen LGBTI-personen in Polen onmiddellijk te veroordelen;

63.  betreurt het officiële standpunt(119) van het Poolse episcopaat waarin wordt aangedrongen op een “bekeringstherapie” voor LGBTI-personen, ten zeerste; herhaalt het standpunt van het Parlement(120) dat de lidstaten aanmoedigt dergelijke praktijken strafbaar te stellen en herinnert aan het verslag van mei 2020 van de onafhankelijke VN-deskundige inzake bescherming tegen geweld en discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en genderidentiteit, waarin deze de lidstaten oproept dergelijke praktijken van “bekeringstherapie”(121) te verbieden;

****

64.  merkt op dat het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen het wederzijdse vertrouwen tussen Polen en andere lidstaten reeds aan het aantasten is, met name op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, gezien het feit dat nationale rechtbanken hebben geweigerd of geaarzeld om Poolse verdachten in het kader van de procedure van het Europees aanhoudingsbevel uit te leveren vanwege diepgaande twijfels over de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht; is van mening dat de bedreiging die de achteruitgang van de rechtsstaat in Polen vormt voor de uniformiteit van de rechtsorde van de Unie bijzonder ernstig is; wijst erop dat het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten pas kan worden hersteld als de eerbiediging van de in artikel 2 van het VEU verankerde waarden wordt gewaarborgd;

65.  verzoekt de Poolse regering zich te houden aan alle bepalingen met betrekking tot de rechtsstaat en de grondrechten als vervat in de Verdragen, het Handvest, het EVRM en de internationale normen inzake de mensenrechten, en een oprechte dialoog aan te gaan met de Commissie; benadrukt dat een dergelijke dialoog moet worden gevoerd op een onpartijdige, op feiten gebaseerde en coöperatieve wijze; dringt er bij de Poolse regering op aan samen te werken met de Commissie overeenkomstig het beginsel van oprechte samenwerking als vastgelegd in het VEU; verzoekt de Poolse regering snel en volledig uitvoering te geven aan de uitspraken van het Hof van Justitie en het primaat van het Unierecht te eerbiedigen; dringt er bij de Poolse regering op aan gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië bij de inrichting van het rechtsstelsel, met name wanneer zij hervormingen doorvoert in het Hooggerechtshof;

66.  verzoekt de Raad en de Commissie het beginsel van de rechtsstaat niet in enge zin te interpreteren en het potentieel van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU volledig te benutten door oog te hebben voor de implicaties van het optreden van de Poolse regering voor alle beginselen die zijn verankerd in artikel 2 VEU, met inbegrip van de democratie en de grondrechten, zoals benadrukt in dit verslag;

67.  verzoekt de Raad de formele hoorzittingen – waarvan de laatste maar liefst dateert van december 2018 – zo snel mogelijk te hervatten en tijdens die hoorzittingen ook alle recente en belangrijkste negatieve ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten aan bod te laten komen; spoort de Raad ertoe aan om eindelijk maatregelen te nemen op grond van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU, door vast te stellen dat er sprake is van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 VEU genoemde waarden door de Republiek Polen, gezien de overweldigende bewijzen die hiervoor worden aangevoerd in deze resolutie en in zo veel verslagen van internationale en Europese organisaties, de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en verslagen van maatschappelijke organisaties; beveelt de Raad ten zeerste aan om als follow‑up van de hoorzittingen concrete aanbevelingen te formuleren ter attentie van Polen, zoals bepaald in artikel 7, lid 1, VEU, en termijnen voor de uitvoering van die aanbevelingen aan te geven; verzoekt de Raad voorts zich ertoe te verbinden de uitvoering van deze aanbevelingen tijdig te beoordelen; verzoekt de Raad het Parlement regelmatig op de hoogte te brengen en nauw betrokken te houden, transparant te werk te gaan en ervoor te zorgen dat alle Europese instellingen en organen en maatschappelijke organisaties een betekenisvolle rol kunnen spelen en toezicht kunnen houden;

68.  verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van de beschikbare instrumenten om op te treden tegen duidelijke gevaren voor een ernstige schending door Polen van de waarden waarop de Unie berust, met name via versnelde inbreukprocedures en verzoeken tot verkrijging van voorlopige maatregelen in kort geding bij het Hof van Justitie, alsook via begrotingsinstrumenten; verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te brengen en nauw betrokken te houden;

o
o   o

69.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Polen, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1) PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 408.
(2) COM(2003)0606.
(3) COM(2014)0158.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0123.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0344.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0442.
(7) PB L 217 van 12.8.2016, blz. 53.
(8) PB L 22 van 27.1.2017, blz. 65.
(9) PB L 228 van 2.9.2017, blz. 19.
(10) PB L 17 van 23.1.2018, blz. 50.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0055.
(12) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0058.
(13) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0101.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0204.
(16) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0014.
(17) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0111.
(20) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0080.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0349.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0407.
(23) Arrest van het Hof van Justitie van 24 juni 2019, Commissie/Polen, C-619/18, ECLI:EU:C:2019:531; arrest van het Hof van Justitie van 5 november 2019, Commissie/Polen, C-192/18, ECLI:EU:C:2019:924.
(24) COM(2017)0835.
(25) Ustawa z dnia 22 grudnia 2015 r. o zmianie ustawy o Trybunale Konstytucyjnym (Dz.U. 2015 poz. 2217).
(26) Ustawa z dnia 22 lipca 2016 r. o Trybunale Konstytucyjnym (Dz.U. 2016 poz. 1157).
(27) Uitspraak van het Constitutioneel Hof van 9 maart 2016, K 47/15.
(28) Uitspraak van het Constitutioneel Hof van 11 augustus 2016, K 39/16.
(29) Uitspraak van het Constitutioneel Hof van 7 november 2016, K 44/16.
(30) Zie het advies van de Commissie van Venetië van 14 oktober 2016 over de wet van 22 juli 2016 inzake het Constitutioneel Hof, Advies nr. 860/2016, punt 127; zie ook het met redenen omkleed voorstel van de Commissie van 20 december 2017, punt 91 en volgende.
(31) Ustawa z dnia 30 grudnia 2015 r. o zmianie ustawy o służbie cywilnej oraz niektórych innych ustaw (Dz.U. 2016 poz. 34).
(32) Ustawa z dnia 15 stycznia 2016 r. o zmianie ustawy o Policji oraz niektórych innych ustaw (Dz.U. 2016 poz. 147).
(33) Ustawa z dnia 28 stycznia 2016 r. Prawo o prokuraturze (Dz.U. 2016 poz. 177).
(34) Ustawa z dnia 28 stycznia 2016 r. Przepisy wprowadzające ustawę - Prawo o prokuraturze (Dz.U. 2016 poz. 178).
(35) Ustawa z dnia 18 marca 2016 r. o zmianie ustawy o Rzeczniku Praw Obywatelskich oraz niektórych innych ustaw (Dz.U. 2016 poz. 677).
(36) Ustawa z dnia 22 czerwca 2016 r. o Radzie Mediów Narodowych (Dz.U. 2016 poz. 929).
(37) Ustawa z dnia 10 czerwca 2016 r. o działaniach antyterrorystycznych (Dz.U. 2016 poz. 904).
(38) Zie het met redenen omkleed voorstel van de Commissie van 20 december 2017, punten 112 en 113.
(39) Europees Netwerk van Raden voor de rechtspraak (ENCJ), verklaring van Warschau van 3 juni 2016.
(40) OVSE/ODIHR, verklaring inzake voorlopige bevindingen en conclusies naar aanleiding van de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie, 14 oktober 2019.
(41) OVSE/ODIHR, definitief verslag van de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie in het kader van de parlementsverkiezingen van 13 oktober 2019, Warschau, 14 februari 2020.
(42) OVSE/ODIHR, Bijzondere verkiezingsevaluatiemissie, verklaring inzake voorlopige bevindingen en conclusies in het kader van de tweede ronde van de presidentsverkiezingen van 12 juli 2020, Warschau, 13 juli 2020.
(43) Commissie van Venetië, advies van 8-9 december 2017, CDL-AD(2017)031, punt 43; Aanbeveling (EU) 2018/103 van de Commissie van 20 december 2017 over de rechtsstaat in Polen ter aanvulling van de Aanbevelingen (EU) 2016/1374, (EU) 2017/146 en (EU) 2017/1520, punt 25 (PB L 17 van 23.1.2018, blz. 50).
(44) Commissie van Venetië, CDL-AD (2002) 23, Advies nr. 190/2002, “Code of good practice in electoral matters. Guidelines and explanatory report” (Gedragscode in verkiezingsaangelegenheden. Richtsnoeren en toelichting), 30 oktober 2002; zie ook Commissie van Venetië, CDL­PI(2020)005rev­e, “Report on Respect for Democracy Human Rights and Rule of Law during States of Emergency – Reflections” (Verslag over de eerbiediging van de democratie, mensenrechten en rechtsstaat tijdens een noodsituatie – Overwegingen), blz. 23.
(45) Zie eveneens OVSE/ODIHR, Advies over de ontwerpwet inzake speciale regels voor het houden van de algemene presidentsverkiezingen in de Republiek Polen die in 2020 moeten plaatsvinden (Senaatsdocument nr. 99), 27 april 2020.
(46) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(47) Ustawa z dnia 30 listopada 2016 r. o organizacji i trybie postępowania przed Trybunałem Konstytucyjnym (Dz.U. 2016 poz. 2072); ustawa z dnia 30 listopada 2016 r. o statusie sędziów Trybunału Konstytucyjnego (Dz.U. 2016 poz. 2073); Ustawa z dnia 13 grudnia 2016 r. - Przepisy wprowadzające ustawę o organizacji i trybie postępowania przed Trybunałem Konstytucyjnym oraz ustawę o statusie sędziów Trybunału Konstytucyjnego (Dz.U. 2016 poz. 2074).
(48) Commissie van Venetië, advies van 14-15 oktober 2016, punt 128; VN-mensenrechtencommissie, slotopmerkingen over het zevende periodieke verslag over Polen, 31 oktober 2016, punten 7-8; Aanbeveling (EU) 2017/1520 van de Commissie.
(49) Arrest van het Hof van Justitie van 19 november 2019, A. K. e.a./Sąd Najwyższy, C-585/18, C-624/18 en C-625/18, ECLI:EU:C:2019:982.
(50) Ustawa z dnia 20 grudnia 2019 r. o zmianie ustawy - Prawo o ustroju sądów powszechnych, ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (Dz.U. 2020 poz. 190).
(51) Commissie van Venetië en directoraat-generaal Mensenrechten en Rechtsstaat (DGI) van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, CDL-PI(2020)002, punten 51-55.
(52) Zie het met redenen omkleed voorstel van de Commissie van 20 december 2017, COM(2017)0835, punt 133. Zie ook OVSE/ODIHR, advies over sommige bepalingen van de ontwerpwet inzake het Hooggerechtshof van Polen (per 26 september 2017), 13 november 2017, blz. 33.
(53) Arrest van het Hof van Justitie van 24 juni 2019, Commissie/Polen, C-619/18, ECLI:EU:C:2019:531.
(54) Beschikking van het Hof van Justitie van 17 december 2018, Commissie/Polen, C-619/18 R, ECLI:EU:C:2018:1021.
(55) Ustawa z dnia 21 listopada 2018 r. o zmianie ustawy o Sądzie Najwyższym (Dz.U. 2018 poz. 2507).
(56) OVSE/ODIHR, advies van 13 november 2017, blz. 7-20; Commissie van Venetië, advies van 8-9 december 2017, punt 43; Aanbeveling (EU) 2018/103 van de Commissie, punt 25; Groep van Staten tegen Corruptie (Greco), addendum bij het verslag van de vierde evaluatieronde inzake Polen (artikel 34) van 18-22 juni 2018, punt 31; Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punt 8.
(57) Arrest van het Hof van Justitie van 19 november 2019, A. K. e.a./Sąd Najwyższy, C-585/18, C-624/18 en C-625/18, ECLI:EU:C:2019:982.
(58) Arrest van het Hooggerechtshof van 5 december 2019, III PO 7/19.
(59) Resolutie van de gezamenlijke burgerlijke kamer, strafkamer en kamer van arbeid van het Hooggerechtshof van 23 januari 2020, BSA I-4110-1/2020.
(60) Arrest van het Constitutioneel Hof van 20 april 2020, U 2/20.
(61) Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punt 38.
(62) Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punt 38.
(63) Beschikking van het Hof van Justitie van 8 april 2020, Commissie/Polen, C-791/19 R, ECLI:EU:C:2020:277.
(64) Ustawa z dnia 8 grudnia 2017 r. o zmianie ustawy o Krajowej Radzie Sądownictwa oraz niektórych innych ustaw (Dz.U. 2018 poz. 3).
(65) Adviesraad van Europese rechters (CCJE), adviezen van het bureau van 7 april 2017 en 12 oktober 2017; OVSE/ODIHR, definitief advies over de ontwerpwijzigingen van de wet inzake de Nationale Raad voor Justitie, 5 mei 2017; Commissie van Venetië, advies van 8-9 december 2017, blz. 5-7; Greco, ad-hocverslag over Polen (artikel 34) van 19-23 maart 2018 en addendum van 18-22 juni 2018; Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punten 42 en 61.
(66) Besluit van het Hooggerechtshof van 15 januari 2020, III PO 8/18. Besluit van het Hooggerechtshof van 15 januari 2020, III PO 9/18.
(67) Zie met betrekking tot dit onderwerp ook de volgende zaken die aanhangig zijn bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: Reczkowicz en twee anderen/Polen (verzoek nr. 43447/19, nr. 49868/19 en nr. 57511/19), Grzęda/Polen (nr. 43572/18), Xero Flor w Polsce sp. z o.o./Polen (nr. 4907/18), Broda/Polen en Bojara/Polen (nr. 26691/18 en nr. 27367/18), Żurek/Polen (nr. 39650/18) en Sobczyńska e.a./Polen (nr. 62765/14, nr. 62769/14, nr. 62772/14 en nr. 11708/18).
(68) ENCJ, brief van 21 februari 2020 van de raad van bestuur van het ENCJ. Zie ook de brief van 4 mei 2020 van de Europese Vereniging van rechters, waarmee die zich achter het ENCJ schaart.
(69) Ustawa z dnia 12 maja 2011 r. o Krajowej Radzie Sądownictwa (Dz.U. 2011 nr 126 poz. 714).
(70) Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punt 45.
(71) Zie ook Raad van Europa, bureau van de Adviesraad van Europese rechters (CCJE-BU), CCJE-BU(2018)6REV, 18 juni 2018.
(72) Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punten 46 t/m 50.
(73) Arrest van het Hof van Justitie van 5 november 2019, Commissie/Polen, C-192/18, ECLI:EU:C:2019:924.
(74) Ustawa z dnia 12 lipca 2017 r. o zmianie ustawy - Prawo o ustroju sądów powszechnych oraz niektórych innych ustaw (Dz.U. 2017 poz. 1452).
(75) OVSE/ODIHR, urgent tussentijds advies over de wet tot wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken, de wet inzake het Hooggerechtshof en sommige andere wetten van Polen (per 20 december 2019), 14 januari 2020, blz. 23-26; Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punten 44-45.
(76) OVSE/ODIHR, urgent tussentijds advies, 14 januari 2020, blz. 18-21; Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punten 24-30.
(77) Mededeling van de met tuchtprocedures van rechters van gewone rechtbanken belaste plaatsvervangend aanklager, juli 2020, http://rzecznik.gov.pl/wp-content/uploads/2020/07/KomunikatFWS.pdf
(78) OVSE/ODIHR, urgent tussentijds advies, 14 januari 2020, blz. 13-17; Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punten 31-43.
(79) Ustawa z dnia 27 lipca 2001 r. Prawo o ustroju sądów powszechnych (Dz.U. 2001 nr 98 poz. 1070).
(80) Commissie van Venetië, advies van 8-9 december 2017 over de wet inzake het openbaar ministerie, zoals gewijzigd, CDL(2017)028, punt 115.
(81) Aanbeveling (EU) 2018/103 van de Commissie; Verenigde Naties, speciaal rapporteur voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, verklaring van 25 juni 2018; Europese Commissie, Europees Semester 2019: Landverslag Polen, 27 februari 2019, SWD(2019)1020 final, blz. 42; brief d.d. 20 september 2019 van de voorzitters van het Europees Netwerk van Raden voor de rechtspraak, het Netwerk van voorzitters van de Hoge Rechtscolleges van de Europese Unie en de Europese Vereniging van rechters; Greco, follow-up van het addendum bij het verslag van de vierde evaluatieronde inzake Polen (artikel 34) – Polen, 6 december 2019, punt 65; Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, Resolutie 2316 (2020) van 28 januari 2020 over de werking van democratische instellingen in Polen, punt 4.
(82) Zie ook de brief van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa aan de premier van Polen, 19 januari 2018; gezamenlijke steunbetuiging aan de Poolse commissaris voor de mensenrechten, ondertekend door het Europees netwerk van nationale mensenrechteninstituten (ENNHRI), het Europees netwerk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet), de Global Alliance of National Human Rights Institutions (GANHRI), het International Ombudsman Institute (IOI) en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR Europe), juni 2019.
(83) VN-Comité voor de rechten van de mens (HRC), slotopmerkingen over het zevende periodieke verslag over Polen, 23 november 2016, punt 33.
(84) Commissie van Venetië en DGI van de Raad van Europa, urgent gezamenlijk advies van 16 januari 2020, punt 59.
(85) Arrest van het Hof van Justitie van 26 maart 2020, Simpson/Raad en HG/Commissie, gevoegde zaken C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II, ECLI:EU:C:2020:232, punt 57.
(86) Zie ook de wereldindex voor persvrijheid, waaruit blijkt dat Polen sinds 2015 in de rangschikking is gezakt van de 18e naar de 62e plaats.
(87) Platform van de Raad van Europa ter bevordering van de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten, jaarverslag 2020, maart 2020, blz. 42.
(88) Raad van Europa, Aanbeveling CM/Rec(2016)4 van 13 april 2016 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten en andere media-actoren.
(89) Tracker van het Internationaal Persinstituut (IPI) over schendingen van de persvrijheid in verband met verslaggeving over COVID-19, https://ipi.media/covid19-media-freedom-monitoring/.
(90) Raad van Europa, Organisatie van Amerikaanse Staten et al., verklaring naar aanleiding van het Wereldforum over academische vrijheid, institutionele autonomie en de toekomst van democratie, 21 juni 2019.
(91) Ustawa z dnia 18 grudnia 1998 r. o Instytucie Pamięci Narodowej - Komisji Ścigania Zbrodni przeciwko Narodowi Polskiemu (Dz.U. 1998 nr 155 poz. 1016).
(92) Zie ook de verklaring van 28 juni 2018 van de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid.
(93) Ustawa z dnia 24 lipca 2015 r. - Prawo o zgromadzeniach (Dz.U. 2015 poz. 1485).
(94) Ustawa z dnia 13 grudnia 2016 r. o zmianie ustawy - Prawo o zgromadzeniach (Dz.U. 2017 poz. 579).
(95) Zie ook de mededeling van 23 april 2018 van VN-deskundigen waarin zij Polen met klem verzoeken om vrije en volledige deelname aan klimaatbesprekingen te garanderen.
(96) Poolse commissaris voor de mensenrechten, brief aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Bestuurszaken, 6 mei 2020.
(97) Ustawa z dnia 15 września 2017 r. o Narodowym Instytucie Wolności - Centrum Rozwoju Społeczeństwa Obywatelskiego (Dz.U. 2017 poz. 1909).
(98) OVSE/ODIHR, advies over de Poolse ontwerpwet inzake het Nationaal Instituut voor vrijheid – Centrum voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld, Warschau, 22 augustus 2017.
(99) EESC, “Report on Fundamental rights and the rule of law: national developments from a civil society perspective 2018-2019” (Verslag over de situatie in verband met de grondrechten en de rechtsstaat: nationale ontwikkelingen vanuit het perspectief van het maatschappelijk middenveld 2018-2019), juni 2020, blz. 41-42.
(100) EESC, persbericht “Alarming pressure on civil society: Polish EESC member becomes a target of government retaliation and NGOs no longer able to choose their own candidates” (Alarmerende druk op het maatschappelijk middenveld: Pools lid EESC het doelwit van overheidsrepresailles en ngo’s niet langer in staat hun eigen kandidaten te kiezen), 23 juni 2020.
(101) Persbericht van de minister van Milieu, in samenwerking met de minister van Justitie, 7 augustus 2020, https://www.gov.pl/web/srodowisko/nowe-prawo-wzmocni--przejrzystosc-finansowania-organizacji-pozarzadowych
(102) Ustawa z dnia 6 kwietnia 1990 r. o Policji (Dz.U. 1990 nr 30 poz. 179).
(103) VN-Comité voor de rechten van de mens (HRC), slotopmerkingen over het zevende periodieke verslag over Polen, 23 november 2016, punten 39-40. Zie ook de mededeling van VN-deskundigen waarin zij Polen met klem verzoeken om vrije en volledige deelname aan klimaatbesprekingen te garanderen, 23 april 2018.
(104) EDPB, brief over het vrijgeven van gegevens in verband met de Poolse presidentsverkiezingen, 5 mei 2020.
(105) Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa, verklaring van 14 april 2020.
(106) In 2017 werd 97,9 % van alle abortussen uitgevoerd op grond van afwijkingen bij de foetus: Centrum voor gezondheidsinformatiesystemen, rapporten van het Statistisch onderzoeksprogramma openbare statistieken MZ-29, als gepubliceerd op de website van de Poolse Sejm. Sprawozdanie Rady Ministrów z wykonywania oraz o skutkach stosowania w 2016 r. ustawy z dnia 7 stycznia 1993 r. o planowaniu rodziny, ochronie płodu ludzkiego i warunkach dopuszczalności przerywania ciąży (Dz. U. poz. 78, z późnn. zm.).
(107) Zie ook de discussienota van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa van december 2017 getiteld “Women’s sexual and reproductive health and rights in Europe” (De seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen in Europa); zie eveneens de verklaring van VN-deskundigen van 22 maart 2018 waarin zij advies uitbrengen aan de VN-werkgroep inzake discriminatie van vrouwen, en de verklaring van 14 april 2020 van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa.
(108) Ustawa z dnia 16 lipca 2020 r. o zmianie ustawy o zawodach lekarza i lekarza dentystyoraz niektórych innych ustaw (nog niet bekendgemaakt in het publicatieblad).
(109) Ustawa z dnia 5 grudnia 1996 r. o zawodach lekarza i lekarza dentysty (Dz.U. 1997 nr 28 poz. 152).
(110) Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 20 maart 2007, Tysiąc/Polen (verzoek nr. 5410/03); arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 20 maart 2007, R. R./Polen (verzoek nr. 27617/04); arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 30 oktober 2012, P. en S./Polen (verzoek nr. 57375/08).
(111) Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017, paragraaf 18; Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, Resolutie 2316 (2020) van 28 januari 2020 over de werking van democratische instellingen in Polen, punt 14; VN-Comité voor de rechten van de mens (HRC), slotopmerkingen over het zevende periodieke verslag over Polen, 23 november 2016, CCPR/C/POL/CO/7, punten 15-18.
(112) Commissie van de Verenigde Naties voor de uitbanning van rassendiscriminatie, gecombineerde slotopmerkingen over het 22e t/m 24e periodieke rapport over Polen, augustus 2019.
(113) Ibid.
(114) Ministerie van Justitie, persbericht over het voorstel om het Verdrag van Istanbul op te zeggen, 25 juli 2020, https://www.gov.pl/web/sprawiedliwosc/ministerstwo-sprawiedliwosci-konwencja-stambulska-powinna-zostac-wypowiedziana-poniewaz-jest-sprzeczna-z-prawami-konstytucyjnymi
(115) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16).
(116) Europese Commissie, DG REGIO, brief aan de autoriteiten van de Poolse regio’s Lublin, Łódź, Klein-Polen, Subkarpaten en Święty Krzyż, 27 mei 2020. Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI, C-507/18, ECLI:EU:C:2020:289.
(117) Arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, ECLI:EU:C:2018:385; arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 maart 2010, Kozak/Polen (verzoek nr. 13102/02); arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 22 januari 2008, E.B./Frankrijk (verzoek nr. 43546/02); arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 2013, X e.a./Oostenrijk (verzoek nr. 19010/07); arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 30 juni 2016, Taddeucci en McCall/Italië (verzoek nr. 51362/09); arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 juli 2015, Oliari e.a./Italië (verzoeken nrs. 18766/11 en 36030/11); arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 december 2017, Orlandi e.a./Italië (verzoeken nrs. 26431/12, 26742/12, 44057/12 en 60088/12); arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 januari 2020, Beizaras en Levickas/Litouwen (verzoek nr. 41288/15).
(118) Poolse commissaris voor mensenrechten, persbericht over een bezoek van het nationaal mechanisme voor preventie van foltering aan de detentieplaatsen na nachtelijke detenties in Warschau, 11 augustus 2020, https://www.rpo.gov.pl/en/content/national-preventive-mechanism-prevention-torture-kmpt-visits-police-places-detention-after-overnight
(119) Standpunt van het Poolse episcopaat inzake LGTB+aangelegenheden, augustus 2020, https://episkopat.pl/wp-content/uploads/2020/08/Stanowisko-Konferencji-Episkopatu-Polski-w-kwestii-LGBT.pdf
(120) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.
(121) De onafhankelijke VN-deskundige inzake bescherming tegen geweld en discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en genderidentiteit, verslag over bekeringstherapie, mei 2020, https://undocs.org/A/HRC/44/53


Strategische benadering van geneesmiddelen in het milieu
PDF 161kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over een strategische benadering van geneesmiddelen in het milieu (2019/2816(RSP))
P9_TA(2020)0226B9-0242/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”), en met name artikel 11, artikel 168 en artikel 191, lid 2,

–  gezien Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen(1),

–  gezien Verordening (EU) 2019/4 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van gemedicineerde diervoeders(2),

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten(3),

–  gezien Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid(4),

–  gezien Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik(5),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(6),

–  gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie)(7),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (“de Reach-verordening”)(8),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 “Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (het “7e MAP”)(9),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (COM(2017)0753),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake minimumeisen voor hergebruik van water (COM(2018)0337),

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2019 over de volgende stappen om van de EU een regio met de beste praktijken in de strijd tegen antimicrobiële resistentie te maken,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 juni 2019, getiteld “Naar een EU-strategie voor een duurzaam beleid inzake chemische stoffen”,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 11 maart 2019 getiteld “Een strategische Europese aanpak van geneesmiddelen in het milieu” (COM(2019)0128),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 november 2018 getiteld “Een alomvattend EU-kader voor hormoonontregelende stoffen” (COM(2018)0734),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2017 over een Europees “één gezondheid”-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (COM(2017)0339),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 november 2011 getiteld “Actieplan tegen het toenemende gevaar van antimicrobiële resistentie” (COM(2011)0748),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 10 december 2008 getiteld “Veilige, innovatieve en toegankelijke geneesmiddelen: een nieuwe visie voor de farmaceutische sector” (COM(2008)0666),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal”(COM(2019)0640),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over een Europees “één gezondheid”-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal(11),

–  gezien verschillende programma’s van de lidstaten om residuen van geneesmiddelen in het water te verminderen,

–  gezien het gezamenlijke wetenschappelijke advies van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 1 december 2016 over de maatregelen ter vermindering van de noodzaak om antimicrobiële stoffen te gebruiken bij voedselproducerende dieren in de Europese Unie en de gevolgen daarvan voor de voedselveiligheid (het “Ronafa-advies”),

–  gezien de achtereenvolgende jaarlijkse verslagen van het Europees Toezicht op veterinaire antimicrobiële consumptie (ESVAC) (sinds 2011),

–  gezien de publicatie van de Commissie “Science for Environment Policy - Future brief” van mei 2015 (nr. 11) getiteld “Sustainable Aquaculture”,

–  gezien de discussienota van de Commissie van 30 januari 2019, getiteld “Naar een duurzaam Europa in 2030” (COM(2019)0022),

–  gezien de studie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 13 november 2019 getiteld “Pharmaceutical Residues in Freshwater – Hazards and Policy Responses”,

–  gezien de politieke verklaring van de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 22 september 2016 over antimicrobiële resistentie,

–  gezien het Drinking Water Parameter Cooperation Project van de VN,

–  gezien het rapport van de Wereldbank van maart 2017, getiteld “Drug-resistant infections: a threat to our economic future”,

–  gezien het verslag van de Commissie van juli 2018 over opties voor een strategische aanpak van geneesmiddelen in het milieu,

–  gezien het rapport van het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten van 12 december 2013 over de milieurisico’s van geneesmiddelen,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de strategische aanpak van geneesmiddelen in het milieu (O-000040/2020 – B9‑0015/2020 en O-000041/2020 – B9‑0016/2020),

–  gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A.  overwegende dat geneesmiddelen een cruciale rol vervullen bij het waarborgen van een hoog gezondheidsniveau voor mens en dier; overwegende dat er op dit moment meer dan 3 000 actieve farmaceutische ingrediënten op de Europese markt beschikbaar zijn;

B.  overwegende dat het grootschalige gebruik van geneesmiddelen – waaronder antimicrobiële agentia – in de geneeskunde voor mens en dier de afgelopen 20 jaar tot een toename van de concentraties daarvan in het milieu (bodem, sedimenten en wateroppervlakken) heeft geleid; overwegende dat de concentraties in het milieu waarschijnlijk verder zullen toenemen naarmate de bevolking toeneemt en vergrijst; overwegende dat de klimaatverandering bovendien gevolgen zal hebben voor zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de watervoorraden, aangezien in tijden van droogte de concentraties hoger zullen zijn, wat ook een domino-effect heeft op de waterzuivering; overwegende dat gegevensverzameling op grote schaal nodig is om dit probleem wereldwijd te meten; overwegende dat de voornaamste bron van geneesmiddelen in het milieu hun gebruik en het weggooien ervan is;

C.  overwegende dat geneesmiddelen in het milieu terechtkomen via de afvalstromen van installaties voor de zuivering van stedelijk afvalwater, het uitrijden van dierlijke mest, aquacultuur, afval van productieprocessen, het uitrijden van rioolslib, grazend vee, de behandeling van huisdieren en de niet correcte stort van ongebruikte geneesmiddelen en besmet afval;

D.  overwegende dat het verkeerde gebruik van antibiotica, met name in de veeteelt, en meer in het algemeen slechte praktijken in zowel de menselijke als de dierlijke geneeskunde de antimicrobiële resistentie in toenemende mate tot een enorme bedreiging voor de gezondheid van mens en dier hebben gemaakt;

E.  overwegende dat de OESO in haar laatste verslag over residuen van geneesmiddelen in zoet water heeft vastgesteld dat de huidige beleidsbenaderingen voor het beheer van residuen van geneesmiddelen ontoereikend zijn voor de bescherming van de waterkwaliteit en van zoetwaterecosystemen waar gezond leven van afhankelijk is;

F.  overwegende dat de scheikundige en/of metabole stabiliteit van bepaalde geneesmiddelen inhoudt dat wel 90 % van de werkzame stoffen ervan na gebruik in hun oorspronkelijke vorm vrijkomen in het milieu;

G.  overwegende dat vóór 2006 in de handel gebrachte voor menselijk gebruik toegelaten geneesmiddelen niet aan milieu-effectbeoordelingen werden onderworpen in het kader van de toelatingsprocedure, en dat voor die producten mogelijkerwijs dus nog steeds geen milieu-effectbeoordeling beschikbaar is;

H.  overwegende dat bij de baten-risicobeoordeling van diergeneeskundige producten wel rekening wordt gehouden met een milieu-effectbeoordeling, maar bij geneesmiddelen voor de mens niet;

I.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 11 maart 2019 zelf erkent dat er lacunes zijn in de kennis over de concentraties van bepaalde geneesmiddelen in het milieu en de daaruit voortvloeiende risiconiveaus;

J.  overwegende dat er voldoende bewijs is voor de noodzaak van maatregelen om de milieueffecten van farmaceutische stoffen, die een risico voor het milieu kunnen vormen, te verminderen, met name voor de bescherming van water dat wordt gebruikt voor de winning van drinkwater;

K.  overwegende dat de milieu-impact van geneesmiddelen door een groot aantal internationale organisaties, derde landen, Europese instellingen, branche-organisaties en niet-gouvernementele organisaties als een bron van zorg wordt erkend; overwegende dat sommige EU-lidstaten, zoals Nederland, Duitsland en Zweden, reeds actie hebben ondernomen om de toenemende aanwezigheid van geneesmiddelen in het milieu aan te pakken;

L.  overwegende dat de Commissie in 2008 toegezegd heeft een voorstel te zullen doen voor maatregelen gericht op het verminderen van de potentieel schadelijke impact van geneesmiddelen op het milieu(12);

M.  overwegende dat de Commissie uit hoofde van artikel 8 ter van Richtlijn 2013/39/EU verplicht was om vóór 13 september 2015 een strategische aanpak voor waterverontreiniging door farmaceutische stoffen te ontwikkelen en ten laatste op 14 september 2017 maatregelen voor te stellen;

N.  overwegende dat de Raad de Commissie in zijn conclusies van juni 2019 opgeroepen heeft te beoordelen en te bepalen welke maatregelen, met inbegrip van wetgevingsmaatregelen, het meest doeltreffend zijn om de effecten van geneesmiddelen in het milieu in te perken en om de ontwikkeling van antimicrobiële resistentie te bestrijden, en om op dit gebied de banden met de gezondheidssector te versterken; overwegende dat de Raad erkende dat verder onderzoek vereist is om beter inzicht te krijgen in de omvang van de toenemende impact van geneesmiddelen en hun residuen op de menselijke gezondheid en het milieu;

O.  overwegende dat de sector-alliantie voor antimicrobiële resistentie door de sector aangestuurde beginselen van het gemeenschappelijke kader voor de productie van antibiotica heeft ontwikkeld en streefdoelen voor de concentraties van lozingen van antibiotica heeft vastgesteld om ecologische rijkdommen te beschermen en het potentiële risico van ontwikkeling van antimicrobiële resistentie in het milieu te verlagen;

P.  overwegende dat alle actoren, beroepsbeoefenaren in de menselijke of dierengezondheidszorg, patiënten, industrie, beheerders van afval- en waterzuiveringsinstallaties enz. een rol moeten spelen bij het verminderen van de gevolgen van geneesmiddelen voor het milieu;

Q.  overwegende dat de OESO pleit voor vier proactieve strategieën met de nadruk op preventieve opties vroeg in de levenscyclus van een geneesmiddel om geneesmiddelen in het milieu op een kosteneffectieve wijze te beheren en de meest langdurige en grootschalige milieuvoordelen te bieden;

R.  overwegende dat verschillende belanghebbenden een campagne hebben opgezet om de bewustwording te vergroten over het correct weggooien van ongebruikte of vervallen geneesmiddelen in Europa als onderdeel van het MedsDisposal-initiatief;

S.  overwegende dat voor elke maatregel ten aanzien van de milieu-impact van geneesmiddelen het recht van patiënten op snelle toegang tot geneesmiddelen die veilig en doeltreffend worden geacht met betrekking tot de huidige criteria van de risico-batenanalyse als leidend beginsel moet worden beschouwd;

Algemene overwegingen

1.  is ingenomen met het feit dat de Commissie eindelijk goedkeuring heeft gehecht aan haar mededeling van 11 maart 2019; vindt het betreurenswaardig dat de strategische aanpak en de voorgestelde maatregelen met zoveel vertraging zijn gepresenteerd;

2.  is het eens met de vier voornaamste doelstellingen van de strategische aanpak zoals voorgesteld door de Commissie;

3.  wijst evenwel met bezorgdheid op het zeer softe karakter van de maatregelen zoals genoemd in de mededeling; is van oordeel dat doeltreffende maatregelen vereist zijn om de negatieve impact van geneesmiddelen in het milieu te beperken;

4.  is van oordeel dat alle toekomstige initiatieven voor het aanpakken van de milieu-impact van geneesmiddelen op wetenschappelijke kennis moeten stoelen en op dit specifieke doel toegesneden moeten zijn, én een technologieneutraal karakter moeten hebben, waarbij erop toe moet worden gezien dat veiligheid en werkzaamheid belangrijke prioriteiten blijven voor de toegang van patiënten tot behandelingen met geneesmiddelen;

5.  is van mening dat er behoefte is aan een holistische benadering, waarbij alle betrokken belanghebbenden worden betrokken, voor de aanpak van verontreiniging door geneesmiddelen, rekening houdend met de hele levenscyclus van geneesmiddelen; benadrukt dat het, om de doeltreffendheid van de regelgevingsmaatregelen te waarborgen, van cruciaal belang is dat deze worden genomen in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat milieuschade bij voorrang aan de bron moet worden hersteld; benadrukt dat het beginsel “de vervuiler betaalt” moet worden toegepast, in eerste instantie wat het productieproces aangaat, maar ook als stimulans voor betere praktijken bij het voorschrijven van geneesmiddelen en voor verantwoord consumentengedrag; wijst met bezorgdheid op de rol die geneesmiddelen spelen in het bijdragen aan antimicrobiële resistentie wanneer zij in het milieu vrijkomen via de lozing van dierlijke mest, waterverontreiniging of niet correcte verwijdering; verzoekt de Commissie de toepassing van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te overwegen om de negatieve gevolgen van geneesmiddelen voor het milieu te verminderen;

6.  acht het noodzakelijk om in samenwerking met de lidstaten campagnes te organiseren om het publiek te informeren en voor te lichten over de gevaren van de overconsumptie van geneesmiddelen die zonder recept kunnen worden verkregen; vestigt de aandacht op de toename van de verkoop van receptvrije geneesmiddelen in supermarkten en op het internet en wijst op het gevaar van media die reclame maken voor dergelijke verkooppunten buiten de apotheek of andere inrichtingen met een erkende bevoegdheid;

7.  geeft aan dat geneesmiddelen die in het milieu terechtkomen niet alleen ecosystemen en populaties van dieren kunnen beschadigen, maar ook een negatieve uitwerking kunnen hebben op de doeltreffendheid van de stoffen in kwestie zelf, met name in het geval van antibiotica, aangezien zij kunnen leiden tot resistentie tegen antibiotica;

8.  herinnert eraan dat geneesmiddelen verschillende effecten hebben op aquatische en mariene ecosystemen maar ook op natuurlijke fauna, waaronder gedragsveranderingen, vermindering van de vruchtbaarheid, veranderingen van grootte of ontwikkeling van geslachts- en voortplantingsstoornissen; verzoekt de Commissie concrete maatregelen te nemen, rekening houdend met de cumulatieve gevolgen van verontreiniging door geneesmiddelen voor aquatische en mariene soorten;

9.  herinnert eraan dat studies hebben aangetoond dat farmaceutische producten en residuen vooral aanwezig zijn in waterlichamen en dat ze niet volledig worden verwijderd door conventionele waterzuiveringsinstallaties, die momenteel niet alle farmaceutische producten effectief kunnen uitfilteren; benadrukt dat verontreiniging van zoet water en stroomgebieden leidt tot verontreiniging van de oceanen;

10.  wijst erop dat de in het algemeen lage concentraties in drinkwater betekenen dat de risico’s voor de menselijke gezondheid meer zitten in de mogelijke cumulatieve gevolgen van langdurige geringe blootstellingen dan in een acute of onmiddellijke impact op de gezondheid; maakt zich met name zorgen over de hormoonontregelende werking van bepaalde geneesmiddelen die in het milieu terechtkomen;

11.  wijst op de noodzaak om het niveau van de farmaceutische residuen in het kader van de waterwetgeving te reguleren;

12.  vraagt om speciale aandacht voor lozingshotspots, zoals fabrieken waar geneesmiddelen worden vervaardigd, ziekenhuizen en waterzuiveringsinstallaties;

13.  verzoekt de Commissie ook rekening te houden met de impact van geneesmiddelen in de context van het door de Commissie voor 2021 aangekondigde actieplan om de vervuiling van lucht, water en bodem terug te brengen tot nul;

14.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van bestaande beste praktijken tussen de lidstaten en belanghebbenden te vergemakkelijken om de milieueffecten van de productie, het gebruik en de verwijdering van geneesmiddelen te beperken;

15.  is van mening dat bestaande en zelfregulerende initiatieven moeten worden geanalyseerd en, waar passend, moeten dienen voor toekomstige EU-initiatieven op het gebied van geneesmiddelen in het milieu;

Het bewustzijn verhogen en preventiemaatregelen en een verstandig gebruik van geneesmiddelen bevorderen

16.  verzoekt de lidstaten goede praktijken op het vlak van het preventieve gebruik van antibiotica uit te wisselen en het “één gezondheid”-actieplan tegen antimicrobiële resistentie volledig uit te voeren en, indien nodig, te versterken; bekrachtigt de standpunten zoals tot uitdrukking gebracht in zijn resolutie van 13 september 2018 over een Europees “één gezondheid”-actieplan tegen antimicrobiële resistentie;

17.  roept de lidstaten en de Commissie op om de opleiding van gezondheidswerkers, waaronder dierenartsen, artsen en apothekers, en bewustmakingscampagnes voor patiënten, over het verstandig gebruik van geneesmiddelen, zoals antimicrobiële stoffen, antidepressiva en contrastvloeistoffen, te bevorderen; roept de actoren in de farmaceutische toeleveringsketen op om bij te dragen aan het verstrekken van duidelijke en voldoende informatie aan patiënten en veehouders over de wijze waarop geneesmiddelen, wanneer ze op onjuiste wijze worden verwijderd, een negatief effect kunnen hebben op het milieu; dringt aan op een systeem waarbij middels een pictogram op de verpakking informatie aan de consument wordt verstrekt over het op juiste wijze omgaan met ongebruikte geneesmiddelen;

18.  beklemtoont dat zorgverleners voortdurend op de hoogte moeten worden gehouden van de recentste ontwikkelingen op het gebied van onderzoek en van de recentste goede praktijken om de verspreiding van antimicrobiële resistentie te voorkomen;

19.  verzoekt de lidstaten de kwestie van geneesmiddelen in het milieu in hun grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van stroomgebieden op te nemen en waar zinvol maatregelen te coördineren;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten vaccinatie als een maatregel voor ziektepreventie te bevorderen om de noodzaak van het gebruik van geneesmiddelen tot een minimum te beperken;

De ontwikkeling ondersteunen van geneesmiddelen die intrinsiek minder schadelijk zijn voor het milieu en groenere productie bevorderen

21.  wijst op het belang van snellere, ambitieuzere en doelgerichtere maatregelen om de door geneesmiddelen veroorzaakte milieurisico’s te beperken en erkent dat er verder onderzoek nodig is om een beter inzicht te verwerven in de omvang van de huidige impact van geneesmiddelen op de menselijke gezondheid en het milieu, wat niet mag leiden tot een verhoging van de geneesmiddelenprijzen;

22.  merkt op dat met het oog op de gezondheidszorg overmatige werkdruk op artsen moet worden aangepakt om ervoor te zorgen dat gezondheidswerkers antimicrobiële stoffen correct voorschrijven; merkt voorts op dat gezondheidswerkers verder moeten worden bijgestaan door middel van de verstrekking van duidelijke, op bewijs gebaseerde richtsnoeren voor het voorschrijven van geneesmiddelen die consistent advies geven voor verschillende klinische indicaties;

23.  roept de lidstaten en de Commissie op om steun te verlenen aan onderzoek, ontwikkeling en innovatie op het gebied van geneesmiddelen die even doeltreffend zijn voor patiënten en intrinsiek minder schadelijk voor het milieu, aangezien “groenere geneesmiddelen” niet toxisch zijn voor het milieu, zich niet biologisch ophopen en gemakkelijker afbreken in onschadelijke stoffen in waterzuiveringsinstallaties en in het milieu, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat een grotere biologische afbreekbaarheid de doeltreffende werking mogelijkerwijs kan aantasten;

24.  roept de lidstaten en alle betrokken partijen op om gebruik te maken van EU-programma’s om te investeren in technologie die gericht is op het verbeteren van de effectiviteit van de verwijdering van farmaceutische producten en antimicrobieel resistente genen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat dergelijke producten net zo effectief zijn om aan de behoeften van de patiënten te voldoen;

25.  is van mening dat de milieueffecten van farmaceutische producten moeten worden opgenomen in de risico-batenbeoordeling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals reeds het geval is voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, op voorwaarde dat vergunningen voor het in de handel brengen niet worden vertraagd of geweigerd uitsluitend op grond van schadelijke milieueffecten;

26.  is van mening dat de milieu-effectbeoordeling van geneesmiddelen hun afbraakproducten en metabolieten moet omvatten;

27.  verzoekt de Commissie, in voorkomend geval, rekening te houden met het werk dat de belanghebbende partijen nu reeds verrichten ter ontwikkeling van toekomstige initiatieven gericht op het reduceren van de milieurisico’s, het bevorderen van milieuvriendelijke werkwijzen en het juiste gebruik en het inleveren van geneesmiddelen;

28.  dringt erop aan de bij de toepassing van de kaderrichtlijn water verzamelde monitoringgegevens te gebruiken voor “post market”-beoordeling;

29.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het in water terechtkomen van farmaceutische producten wordt beschouwd als een potentieel belangrijk milieuvraagstuk bij de herziening van de referentiedocumenten over de beste beschikbare technieken op grond van de richtlijn inzake industriële emissies voor de betreffende sectoren;

30.  wijst op de belangrijke rol van het beleid inzake aanbestedingen voor het bevorderen van groenere farmaceutica; verzoekt de Commissie hiervoor heldere richtsnoeren te ontwikkelen;

31.  verzoekt de Commissie al het nodige te doen om te bewerkstelligen dat ingevoerde geneesmiddelen aan dezelfde hoge milieunormen voldoen als die welke in de Unie worden geproduceerd;

32.  verzoekt het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) gezamenlijke inspecties van productieafval in farmaceutische fabrieken in het buitenland die aan de EU-markt leveren, te vergemakkelijken;

De milieurisicobeoordeling en de herziening ervan verbeteren

33.  is van oordeel dat er behoefte is aan een heldere routekaart voor het uitvoeren van milieu-effectbeoordelingen in gevallen waarin die nog niet zijn uitgevoerd;

34.  verzoekt de lidstaten en het EMA erop toe te zien dat aanvragers ten laatste op het moment van de verlening van een vergunning voor menselijke geneesmiddelen een volledige beoordeling inleveren, zodat adequate risicobeheersmaatregelen kunnen worden genomen en gepubliceerd;

35.  acht het passend dat farmaceutische ondernemingen per werkzame stof een gemeenschappelijke milieurisicobeoordeling indienen, teneinde over samenhangende informatie te beschikken, dubbel werk te vermijden en het aantal dierproeven te reduceren;

36.  geeft aan dat het belangrijk is dat de verordeningen inzake diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders volledig worden geïmplementeerd om het gebruik van antibiotica te reduceren, onder meer door in kaart te brengen of het haalbaar is tegen 28 januari 2022 een EU-breed systeem voor beoordeling van werkzame stoffen op te zetten, alsook andere mogelijke alternatieven voor de milieurisicobeoordeling;

37.  verzoekt de Commissie steun te verlenen aan onderzoek naar de beoordeling van mengseleffecten, chronische blootstelling aan lage doses en ontwikkeling van resistentie tegen antibiotica, met name ten aanzien van kwetsbare groepen;

Verspilling verminderen en het afvalbeheer verbeteren

38.  beklemtoont dat maatregelen op wetenschappelijk bewijs moeten stoelen en dringt er bij alle relevante belanghebbenden op aan ervoor te zorgen dat hun maatregelen geen afbreuk doen aan de veilige en doeltreffende behandeling van mensen en dieren met geneesmiddelen; steunt in dit verband de intentie van de Commissie om verspilling te verminderen door toe te staan dat geneesmiddelen worden verstrekt in hoeveelheden die beter aansluiten bij de behoeften van patiënten, waarbij wordt gezorgd voor naleving van de huidige wetgeving inzake traceerbaarheid, onder meer door de grootte van de verpakkingen te optimaliseren, en te bekijken of het mogelijk is de uiterste houdbaarheidsdatum van geneesmiddelen te verlengen om te voorkomen dat geneesmiddelen die nog veilig kunnen worden gebruikt onnodig worden weggegooid;

39.  verzoekt om een actualisering van de eisen ten aanzien van de milieurisicobeoordeling om een goede beoordeling van persistente, bio accumulatieve en toxische stoffen en van mengseleffecten te waarborgen en om rekening te houden met het risico van ontwikkeling van resistentie tegen antibiotica in het milieu;

40.  is van oordeel dat het gebruik van geneesmiddelen per persoon moet worden gereduceerd, zonder problemen te veroorzaken met de toegang tot geneesmiddelen en zonder de doeltreffendheid van behandelingen te verminderen; is van mening dat het totale verbruik van diergeneesmiddelen per dier ook moet dalen, zonder dat dit ten koste gaat van de gezondheid en het welzijn van de dieren, en dat er betere alternatieven moeten worden gevonden;

41.  is van mening dat Richtlijn 86/278/EEG inzake zuiveringsslib al lang had moeten worden herzien; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel voor te leggen om Richtlijn 86/278/EEG uiterlijk eind 2021 te herzien en te actualiseren, teneinde kwaliteitsnormen te actualiseren volgens de meest recente wetenschappelijke gegevens en een circulaire economie te bevorderen die niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid en het milieu;

42.  is van mening dat producenten van geneesmiddelen hun afvalwater zelf met toepassing van de beste beschikbare technieken aan een eerste zuivering moeten onderwerpen;

43.  roept de lidstaten op om bepalingen voor terugnameprogramma’s voor ongebruikte geneesmiddelen vast te stellen, op grote schaal te bevorderen en onverkort te handhaven;

44.  roept de Commissie op tot coördinatie van de samenwerking op het gebied van regelingen ter voorkoming van de ongeoorloofde verwijdering van farmaceutische producten;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen aan onderzoek, innovatie en ontwikkeling van geavanceerdere waterzuiveringstechnologieën voor het opsporen en beter verwijderen van farmaceutische residuen;

Milieumonitoring uitbreiden

46.  vindt het zorgwekkend dat de monitoring van geneesmiddelen in het milieu, met name in de bodem, nog steeds in de kinderschoenen staat; wijst op de noodzaak van het versterken van de mechanismen voor controle na het in de handel brengen, waaronder met betrekking tot de milieueffecten, om stelselmatig alle milieugegevens in kaart te brengen;

47.  verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan de mogelijke impact van de geneesmiddelen op de lijst van de kaderrichtlijn water en te onderzoeken of de lijst moet worden geactualiseerd;

48.  verzoekt de Commissie geneesmiddelen die een significant risico voor het milieu vormen in de lijst van prioritaire stoffen uit hoofde van de kaderrichtlijn water op te nemen en milieukwaliteitsnormen en concentratiegrenswaarden krachtens de richtlijn inzake milieukwaliteitsnormen vast te stellen;

49.  benadrukt dat in de landbouwsector een alomvattende antibioticamonitoring is ontwikkeld; verzoekt de Commissie een vergelijkbaar systeem te ontwikkelen voor de monitoring van menselijke antibiotica;

Andere lacunes in de kennis invullen

50.  benadrukt het belang van nader onderzoek, in het bijzonder in het kader van het volgende meerjarig financieel kader, naar de directe impact op de menselijke gezondheid en de ecologie van de blootstelling aan geneesmiddelen en hun residuen in het milieu, alsmede naar een beter begrip van hoe deze in het milieu terechtkomen en aanwezig blijven, waaronder in aquatische en mariene ecosystemen;

51.  is van oordeel dat de analysemethoden voor het kwantificeren van geneesmiddelen in het milieu en de ontwikkeling ervan moeten worden verbeterd en dat analytische opsporingsmethoden openbaar moeten worden gemaakt;

Grotere transparantie

52.  herinnert eraan dat informatie over geneesmiddelen in het milieu, zoals de impact op water, gedrag in het milieu, afbreekbaarheid en mogelijke cocktaileffecten, belangrijk is voor risicobeheer en dat dit soort informatie transparant moet zijn en ter beschikking moet worden gesteld aan de relevante betrokken partijen; verzoekt de Commissie en de bevoegde autoriteiten derhalve een gecentraliseerde en beveiligde databank op te zetten die alle belanghebbenden toegang biedt tot de resultaten van de milieurisicobeoordelingen van producten;

53.  is van mening dat een sterk wetgevingskader tot stand moet worden gebracht om in de hele toeleveringsketen tot meer transparantie te komen, aangezien dit beter toezicht mogelijk maakt en betekent dat bedrijven ter verantwoording kunnen worden geroepen wanneer geneesmiddelen in het milieu terechtkomen;

54.  roept de farmaceutische sector op te zorgen voor meer transparantie in de toeleveringsketens door de oorsprong van geneesmiddelen en actieve farmaceutische ingrediënten in de fase van de productie van grondstoffen openbaar te maken met het oog op volledige traceerbaarheid van alle farmaceutische producten;

o
o   o

55.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43.
(2) PB L 4 van 7.1.2019, blz. 1.
(3) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(4) PB L 226 van 24.8.2013, blz. 1.
(5) PB L 311 van 28.1.2001 blz. 67.
(6) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(7) PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.
(8) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(9) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(10) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 153.
(11) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.
(12) Mededeling van de Commissie van 10 december 2008 getiteld “Veilige, innovatieve en toegankelijke geneesmiddelen: een nieuwe visie voor de farmaceutische sector” (COM(2008)0666).


Het maximaliseren van het energie-efficiëntiepotentieel van het gebouwenbestand in de EU
PDF 216kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over het maximaliseren van het energie-efficiëntiepotentieel van het gebouwenbestand in de EU (2020/2070(INI))
P9_TA(2020)0227A9-0134/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 194,

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten, die het Parlement, de Raad en de Commissie tijdens de sociale top voor eerlijke banen en groei in Göteborg op 17 november 2017 hebben afgekondigd,

–  gezien de Overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) op 12 december 2015 in Parijs werd goedgekeurd (de Overeenkomst van Parijs),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 getiteld “Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM(2018)0773),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” (COM(2020)0102),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie – Voor een schoner en concurrerender Europa” (COM(2020)0098),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld “Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa” (COM(2011)0571) en de daarin aangekondigde ecologische voetafdruk van producten,

—  gezien het Speciaal verslag nr. 11/2020 van de Europese Rekenkamer van 28 april 2020: “Energie-efficiëntie in gebouwen: nog steeds meer aandacht voor kosteneffectiviteit nodig”,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2019 over de toekomst van energiesystemen in de energie-unie om de energietransitie en de energie- en klimaatdoelen voor 2030 en daarna te verwezenlijken,

—  gezien het Pact van Amsterdam betreffende de stedelijke agenda voor de EU, dat op 30 mei 2016 in Amsterdam werd overeengekomen tijdens de informele bijeenkomst van EU-ministers met verantwoordelijkheid voor stedelijke aangelegenheden,

—  gezien het Handvest van Leipzig betreffende duurzame Europese steden, dat op 24 en 25 mei 2007 werd aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van EU-ministers met verantwoordelijkheid voor stedelijke ontwikkeling,

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie(1),

–  gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen, als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 houdende wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie(2),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen(3),

—  gezien Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU(5),

–  gezien Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad(7),

–  gezien Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit(8),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(9),

–  gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal(11),

–  gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu(12),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over klimaatverandering – een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs(13),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in de Europese Unie: tijd voor actie!(14),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2018 inzake versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie(15),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 getiteld “Naar een nieuwe opzet van de energiemarkt”(16),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over een EU-strategie betreffende verwarming en koeling(17),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9‑0134/2020),

A.  overwegende dat in de EU gebouwen ongeveer 40 % van het energieverbruik voor hun rekening nemen en 36 % van de CO2-emissies veroorzaken en dat het derhalve van cruciaal belang is die gebouwen grondig te renoveren, ook in gefaseerde vorm, om de EU-doelstelling van broeikasgasneutraliteit tegen 2050 te verwezenlijken;

B.  overwegende dat de bouwsector de grootste energieverbruiker in de EU is en dat 97 % van het gebouwenbestand van de EU niet energie-efficiënt is en elk jaar slecht 0,2 % van de residentiële gebouwen in de EU grondig wordt gerenoveerd of gefaseerd grondig wordt gerenoveerd, overwegende dat meer dan 94 % van het huidige gebouwenbestand er in 2050 nog steeds zal staan en de meeste woningen, scholen en kantoorgebouwen die we zullen gebruiken reeds gebouwd zijn;

C.  overwegende dat ruimte- en waterverwarming goed zijn voor ongeveer 80 % van het huishoudelijk energieverbruik, aangezien de helft van de gebouwen in de EU is uitgerust met individuele verwarmingsketels die vóór 1992 zijn geplaatst, met een efficiëntie van 60 % of minder, en dat 22 % van de individuele gasgestookte verwarmingsketels, 34 % van de verwarmingsketels met rechtstreekse elektrische verwarming, 47 % van de oliegestookte verwarmingsketels en 58 % van de met kolen gestookte verwarmingsketels ouder zijn dan hun technische levensduur;

D.  overwegende dat het verhogen van het renovatiepercentage tot bijna 3 % en het renoveren van 210 miljoen bestaande gebouwen kan zorgen voor tot wel 2 miljoen extra banen(18) in de bouwsector, die goed is voor ongeveer 9 % van het bbp van de Unie en een belangrijk onderdeel vormt van de strategie voor herstel na de COVID-19-crisis, en kan bijdragen aan een schone economie als onderdeel van de Europese Green Deal;

E.  overwegende dat het EU Building Stock Observatory (BSO) een cruciale rol speelt bij het toezicht op en de verbetering van de totale energieprestaties van de gebouwen in de EU, door middel van betrouwbare, samenhangende en eenvoudig te vergelijken gegevens;

F.  overwegende dat de levenskwaliteit van alle burgers kan worden verbeterd door maatregelen te nemen ter verbetering van de energie-efficiëntie van het gebouwenbestand van de EU en derhalve de belangrijkste uitdaging is de lasten te verminderen van de naar schatting 50 miljoen huishoudens in de Europese Unie die te lijden hebben onder energie-armoede, energierekeningen te verlagen en comfortabele, betaalbare en energie-efficiënte woningen te realiseren voor iedereen;

G.  overwegende dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) raamt dat mensen ongeveer 90 % van hun tijd binnen doorbrengen in residentiële en niet-residentiële gebouwen, en dat elk jaar meer dan een half miljoen Europeanen vroegtijdig sterven vanwege slechte luchtkwaliteit binnenshuis(19), en overwegende dat een goede ventilatie door ramen open te zetten de luchtkwaliteit in woningen verbetert, daglicht binnenlaat en mensen gezonder maakt, waarvan het belang des te duidelijker is geworden tijdens de huidige COVID-19-crisis;

H.  overwegende dat het Europees Parlement heeft gevraag “dat de richtlijn inzake energie-efficiëntie (EED) en de richtlijn inzake energie-efficiëntie van gebouwen (EEBD) worden herzien in overeenstemming met de toegenomen klimaatambitie van de EU, en dat de uitvoering ervan wordt versterkt, door middel van bindende nationale streefcijfers”(20);

I.  overwegende dat voor het bereiken van een energie-efficiënt gebouwenbestand en de verwezenlijking van de energie-efficiëntiedoelstelling van de Unie voor 2030 investeringen van meer dan 282 miljard EUR in de renovatie van het Europese gebouwenbestand nodig zijn, evenals een slimme combinatie van de nauwgezette uitvoering van bestaand beleid, nieuwe beleidsinitiatieven om de slechtst presterende gebouwen op het gebied van energie uit te faseren, meer en passende financieringsmechanismen en investeringen in innovatieve oplossingen;

J.  overwegende dat geïntegreerde renovatieprogramma’s (integrated renovation programmes, IRP’s) bedoeld zijn als holistische programma’s, waarin energie-efficiëntie op de eerste plaats komt, en toegespitst zijn op de ruimere wijkecosystemen, met hoge energiebesparingsdoelen voor afzonderlijke gebouwen, gebaseerd zijn op beste praktijken en hoofdzakelijk uit drie pijlers bestaan:

   a) bouwtypologie en bouwmaterialen, hetgeen een grondige kennis vereist van de leeftijd, het gebruik en de constructie van gebouwen en van het energiebesparingspotentieel dat zij vertegenwoordigen, en een beschrijving van de soorten materialen die dienen te worden gebruikt tijdens de gehele renovatieperiode, met inbegrip van het levenscycluseffect ervan;
   b) het verstrekken en toegankelijk maken van duurzame energiebronnen, met name plaatselijke en nabijgelegen hernieuwbare energiebronnen, waaronder systemen voor stadsverwarming of -koeling of het gebruik van de warmteopslagcapaciteit van gebouwen, voertuig-naar-X-diensten en andere flexibiliteitsoplossingen die sectorale integratie mogelijk maken;
   c) voordelen voor de gemeenschap/samenleving, met name de integratie van plaatselijke gemeenschappen in alle energierenovatieprojecten en -programma’s om problemen zoals energiearmoede, een gebrek aan technische en/of financiële middelen en informatiekloven aan te pakken;

K.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van deze aanpak op basis van drie pijlers ervoor zorgt dat IRP’s worden opgezet en uitgevoerd op een manier waarbij de nadruk komt te liggen op de ruimere voordelen die via energierenovaties kunnen worden geboden aan mensen en gemeenschappen, zoals energie-efficiëntie, klimaatveranderingsbestendigheid, industrieel concurrentievermogen, duurzaamheid, sociale insluiting en toegankelijkheid;

Wijken en gemeenschappen

1.  beklemtoont de rol van wijken, gemeenschappen en andere actoren zoals lokale en regionale autoriteiten en kmo’s bij IRP’s, als holistische benadering voor renovatie, teneinde uiterlijk in 2050 te komen tot een zeer energie-efficiënte en klimaatneutrale bouwsector, in overeenstemming met de richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD);

2.  eist dat het gevoerde bouw- en renovatiebeleid alomvattend en exclusief is, een bijdrage levert aan de klimaatdoelstellingen van de EU, IRP’s omvat die plaatselijke waardeketens, sociale diensten en betaalbaarheid, gereedheid voor slimme toepassingen, een degelijk en een gezond binnenklimaat en binnenluchtkwaliteit, mobiliteit en de technische, industriële en energie-efficiëntiefuncties van gebouwen integreren, en de productie en uitwisseling “ter plaatse” en in de buurt van energie uit hernieuwbare bronnen en flexibiliteit aan de vraagzijde mogelijk maakt, evenals het gebruik van overtollige warmte en koude uit nabijgelegen industriële installaties, plaatselijke vervoersystemen, of waar dit een duurzame optie is, uit waterlopen;

3.  wijst op de belangrijke rol die burgers spelen in de renovatie van het residentiële gebouwenbestand en wijst erop dat er efficiënte hulpmiddelen en beste praktijken moeten worden uitgewerkt en dat alle mogelijke informatie en kennis beschikbaar moet worden gesteld op het plaatselijke niveau, met inbegrip van de technologische mogelijkheden (bijv. slimme meters); onderkent voorts de impuls die energiegemeenschappen geven doordat zij burgers bij elkaar brengen, hen informeren en hen ertoe aanzetten te starten met hun eigen renovaties en/of opwekking van hernieuwbare energie, en verzoekt om een omvattend pakket met beleidsmaatregelen om deze aanpak op grotere schaal toe te passen;

4.  verzoekt de Commissie de gevolgen van gentrificatie en “renovictie” van wijken te beoordelen, evenals genderongelijkheid en de situatie van kwetsbare burgers; is van oordeel dat een benadering die de gemeenschap centraal stelt, naast in regelgeving verankerde garanties, de bestaande gemeenschappen in stand zou kunnen houden en stimulansen kan scheppen die van essentieel belang zijn om de energie-efficiëntie te maximaliseren en de noodzakelijke particuliere en publieke investeringen aan te trekken; benadrukt dat de meest kwetsbare burgers moeten worden ondersteund door de toegang tot waardige leefomstandigheden, comfort en gezondheid voor hen mogelijk te maken en wijst op de belangrijke rol van sociale woningen;

5.  onderstreept het feit dat de eigendom van gebouwen, het huurrecht en het aantal eigenaren en huurders, evenals de investeringsmogelijkheden en de steunregelingen voor huisvesting, de weersomstandigheden en energiesystemen van lidstaat tot lidstaat variëren; is van mening dat in een “renovatiegolf”-strategie rekening moet worden gehouden met de verschillende omstandigheden in elke lidstaat, ook in overeenstemming met de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen; onderstreept in het bijzonder dat deze renovaties niet mogen leiden tot een ondraaglijke huurlast voor huurders;

6.  onderstreept de mate van energiearmoede in de Unie, die naar schatting 50 miljoen huishoudens treft(21); is van mening dat de renovatiegolf en de verwachte daarmee verband houdende initiatieven in ieder geval tot doel moeten hebben een einde te maken aan de energiearmoede en gezonde en veilige levensomstandigheden voor iedereen te waarborgen; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om bijzondere aandacht te schenken aan de renovatie van energiearme huishoudens en onderstreept dat het belangrijk is energiebesparende maatregelen vast te stellen en energie-efficiënte consumptiegewoonten en gedragsverandering te bevorderen; benadrukt dat de overheidssector op dit gebied de toon moet aangeven;

7.  wijst op het onmiddellijke succes van “one-stop”-shops voor energierenovaties van gebouwen als transparante en toegankelijke adviesverstrekkers, uit het oogpunt van de klant, die het bundelen van projecten en herhaalbare modellen en de verstrekking van informatie over externe financiering stimuleren, renovaties coördineren en begeleiden, de opbouw van capaciteit voor gemeenten en de actieve betrokkenheid tijdens het gehele proces van plaatselijke actoren verzekeren, zoals energiegemeenschappen, consumentenorganisaties, plaatselijke ondernemersorganisaties, waaronder die in de bouwsector, en woningcoöperaties;

8.  wijst erop op dat zowel publieke als particuliere inspanningen vereist zijn om concrete resultaten te boeken ten aanzien van de energie-efficiëntie van het bestaande gebouwenbestand; onderstreept dat er niet alleen “one-stop”-adviesdiensten moeten worden opgezet, maar dat zij ook moeten worden ondersteund om de markt voortdurend te voeden met een pijplijn van projecten, waaronder ook kleinschaligere projecten; is van mening dat het opzetten van een “one-stop”-shop op regionaal of lokaal niveau een betere toegang tot financieringsmechanismen zal verzekeren;

9.  juicht de voorstellen betreffende open platforms in de Europese Green Deal toe; benadrukt dat deze transparant, meerlaags en inclusief moeten zijn en een brede waaier van belanghebbenden moeten omvatten en mogelijk moeten maken dat de versnippering van de bouwsector wordt tegengegaan; herinnert eraan dat de platforms de doelstelling moeten dienen om het gebouwenbestand uiterlijk in 2050 zeer energie-efficiënt en koolstofarm te maken en is van mening dat zij het instrument moeten zijn om de belemmeringen voor renovatie aan te pakken en burgers te mobiliseren teneinde een breed draagvlak te creëren op basis van de behoeften van de gemeenschap;

10.  onderstreept dat regionale platforms meetbare doelstellingen moeten vaststellen, werk moeten maken van stappenplannen en regelmatig informatie moeten uitwisselen met de bestaande platforms voor gezamenlijke actie in het kader van de EED, EPBD, de EPBD en de richtlijn hernieuwbare energie(22), en met bestaande agentschappen en organen in de lidstaten om ervoor te zorgen dat zij zoveel mogelijk effect sorteren; is ervan overtuigd dat de platforms een belangrijk instrument zijn voor de uitvoering van geïntegreerde programma’s voor de renovatie van gebouwen en voor het ondersteunen van de lidstaten bij de uitvoering van hun langetermijnstrategieën inzake renovatie;

11.  neemt nota van het nieuwe Handvest van Leipzig dat tijdens het Duitse voorzitterschap zal worden aangenomen en deelt de mening dat steden een essentiële rol spelen bij het drastisch reduceren van de broeikasgasemissies en het verhogen van de energie-efficiëntie; is van mening dat de renovatie van gebouwen een belangrijke bijdrage zal leveren aan die doelstellingen en tegelijkertijd rechtvaardige, groene en productieve steden zal bevorderen via veerkrachtige wijken; verzoekt het Duitse voorzitterschap van de Raad van de EU, de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat steden worden voorzien van de nodige direct toegankelijke financieringsmiddelen voor renovatiemaatregelen, in het bijzonder gezien de behoefte aan economische herstel;

12.  verzoekt de Commissie beleid vast te stellen voor het faciliteren van IRP’s op gemeenschaps- en regionaal niveau in de lidstaten dat grondige renovaties omvat, met inbegrip van gefaseerde grondige renovaties, en waarbij op een inclusieve en interactieve manier rekening wordt gehouden met de behoeften van gebouwen; wijst op de mogelijkheid om via de IRP’s te zorgen voor meer hernieuwbare energieoplossingen ter plaatse en in de buurt of vraagresponsmechanismen; verzoekt de Commissie het werk aan het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie en de EU-City Facility te intensiveren; wijst in dit verband voorts op het grote belang van de stedelijke agenda en het stedelijk partnerschap;

13.  verzoekt de lidstaten om hun plaatselijke overheden beter in staat te stellen om IRP’s uit te rollen op wijk- en gemeenschapsniveau, en om burgers tegelijkertijd een centrale plaats toe te kennen, renovaties naar behoren te combineren met de instandhouding van het Europees materieel historisch erfgoed (monumenten en gebouwen) en de plaatselijke overheden te verplichten feedback te geven over de behaalde resultaten en over beste praktijken voor de ontwikkeling van toekomstig beleid op het nationale niveau;

14.  verzoekt de lidstaten een kader te ontwikkelen voor het verhelpen van gescheiden prikkels, bijvoorbeeld door te zorgen voor juiste informatie, juiste stimulansen en doeltreffende handhaving(23), en naar behoren aandacht te bestreden aan gezinnen en gemeenschappen die in energiearmoede leven door middel van een regelgevingskader voor het vermijden van renovictie, bijvoorbeeld door voor te schrijven dat een passend deel van de ruimte in grondig gerenoveerde gebouwen aan hen wordt voorbehouden, of door bij het ontwerpen van IRP’s prioriteit toe te kennen aan gebouwen die meer energie verbruiken of verspillen, en door de stijging van de huurprijzen te beperken, tenzij hierdoor de capaciteit voor het uitvoeren van energie-efficiëntierenovaties wordt beperkt;

15.  verzoekt de Commissie een ondersteuningsdienst voor door burgers geleide renovatieprojecten op te zetten en uitvoeringsrichtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten met betrekking tot de begrippen van een ondersteunend kader en gelijke mededingingsvoorwaarden voor energiegemeenschappen die bij de richtlijn elektriciteitsmarkt(24) en de richtlijn hernieuwbare energie zijn ingevoerd, teneinde de geslaagde tenuitvoerlegging te verzekeren en de voordelen van burgerenergieprojecten ten volle te erkennen;

16.  verzoekt de Commissie zo snel mogelijk platforms op te richten, zoals vermeld in haar mededeling over de Europese Green Deal, en deze platforms als kernprioriteit op te nemen in de IRP’s; benadrukt dat de IRP’s dienen te worden geflankeerd door EU-initiatieven voor het uitwisselen van goede praktijken betreffende de herhaalbaarheid van programma’s, de verspreiding van capaciteiten, sectorintegratie, en vrijwaringsmaatregelen voor gemeenschappen die met energie-armoede kampen, in overeenstemming met de verbintenissen uit de EPBD;

Financiën

17.  benadrukt dat initiële investeringskosten, ingewikkelde financieringsregelingen, gescheiden prikkels (het dilemma huurder versus eigenaar), middellange tot lange terugverdientijden, de wettelijke en administratieve belemmeringen, onder meer voor gebouwen met meerdere eigenaars, het ontwerp van de bestaande ondersteuning en een gebrek aan een voorspelbaar beleidskader voor de lange termijn belangrijke belemmeringen voor investeringen vormen;

18.  benadrukt dat, in de context van het COVID-19-herstel en de effecten ervan op de publieke en particuliere financiën, financieringsregelingen stimulansen moeten bieden voor en prioriteit moeten verlenen aan grondige renovaties, onder meer in gefaseerde vorm, met het oog op de klimaatneutraliteitsdoelen voor 2050, met passende stimulansen en streefdoelen, teneinde een zeer energie-efficiënt en koolstofarm gebouwenbestand te verwezenlijken; gelooft dat dit een voorwaarde is om de renovatie van gebouwen als duurzame langetermijninvestering te overwegen; onderstreept in dit verband de rol van indicatoren voor kosteneffectiviteit, met inbegrip van nevenvoordelen;

19.  benadrukt dat de lidstaten duidelijke richtsnoeren moeten bieden en moeten zorgen voor meetbare, gerichte acties en gelijke toegang tot financiering moeten bevorderen, ook voor de slechtst presterende segmenten van het nationale gebouwenbestand, energiearme consumenten, sociale huisvesting en huishoudens die voor dilemma’s in verband met gescheiden prikkels staan, rekening houdend met de betaalbaarheid;

20.  beklemtoont dat huiseigenaars, met name energiearme eigenaars en eigenaars met een laag inkomen, woningbouwverenigingen en -coöperaties, aanbieders van openbare huisvesting en lokale overheden steun moeten krijgen bij het klimaatbestendig maken van hun gebouwen en hun bebouwde omgeving, bijvoorbeeld in de vorm van subsidies of financiële instrumenten op basis van de additionaliteit van de financiering in het kader van het meerjarig financieel kader (MFK), nationale budgetten en bronnen in de particuliere sector;

21.  is van oordeel dat binnen ieder relevant Europees fonds prioritair middelen moeten worden toegewezen voor de energie-efficiëntierenovatie van gebouwen en sterke coördinatie nodig is om synergieën vast te stellen, gemengde financiering mogelijk te maken, projecten te bundelen en projectpijplijnen aan te leggen om de tijdige absorptie van middelen te waarborgen; verzoekt de financiële instellingen om aanzienlijke middelen vrij te maken voor capaciteitsopbouw en technische bijstand; onderstreept dat, in aanvulling op doorlopende en stabiele financiering op Europees, nationaal en regionaal niveau en particuliere investeringen ten minste 75 miljard EUR per jaar aan EU-prikkels nodig is om te zorgen voor grondige renovaties teneinde tegen 2050 over een bijzonder energie-efficiënt en koolstofarm gebouwenbestand te kunnen beschikken; verzoekt de medewetgevers te zorgen voor de noodzakelijke financiering binnen het economische herstelplan van de EU, niet in de laatste plaats om diegenen in de samenleving te helpen die het meeste baat zouden hebben bij renovaties;

22.  is ingenomen met de bevindingen waaruit blijkt dat bijzonder energie-efficiënte gebouwen een meerprijs met zich meebrengen(25), wat gebouweneigenaars een rendement op investering verzekert, maar erkent dat de kosten van huisvesting, bouw en renovatie in het algemeen moeten worden verminderd;

23.  wijst erop dat moet worden gezorgd voor adequate, eenvoudige toegang tot krediet en financiering om kmo’s, gemeenschappen en gezinnen te helpen bij het uitvoeren van de nodige renovaties van het bestaande gebouwenbestand;

24.  is ingenomen met de beschikbare financieringsmogelijkheden voor de renovatie van gebouwen, waaronder groene subsidies, belasting- en leningstimulansen; erkent de rol van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) bij het financieren van energie-efficiëntieprojecten en het vaststellen van energie-efficiëntie als specifieke doelstelling voor regionale ontwikkeling in de periode 2021-2027; onderstreept de rol van de Europese Investeringsbankgroep bij het verstrekken van leningen, waarborgen en financiële instrumenten, zoals de garantiefaciliteit van particuliere financiering voor energie-efficiëntie (PF4EE), de garantiefaciliteit van slimme financiering voor slimme gebouwen en het InvestEU-fonds, waarmee ook de financiering van projecten voor de renovatie van sociale huisvesting mogelijk wordt gemaakt;

25.  vestigt de aandacht op de goede praktijken van de lidstaten, zoals het gebruik van de inkomsten die met de EU-regeling voor de handel in emissies (ETS) worden gegenereerd, blending, waarborgen dat de behoeften van huishoudens met een laag inkomen worden erkend en het gebruik van de regionale fondsen van de EU als garanties en roterende fondsen; benadrukt dat opleiding op het gebied van hernieuwbare energie en energie- en hulpbronnenefficiëntie kan worden gefinancierd met middelen van het Fonds voor een rechtvaardige transitie;

26.  benadrukt dat de absorptiepercentages van de fondsen moeten worden verhoogd middels het elimineren van obstakels, in het bijzonder via technische bijstand, minder complexe criteria en de vereenvoudiging van combinaties met andere fondsen; betreurt dat de faciliteit voor Europese plaatselijke bijstand op energiegebied (Elena) nog steeds vooral grote projecten omvat, en dat kleinere projecten en projecten waarbij gemeenschappen betrokken zijn meer steun nodig hebben en moeten worden gebundeld; ziet de EU-City Facility als een potentieel bijzonder krachtig mechanisme om steden te ondersteunen bij de ontwikkeling van IRP’s, dat moet worden voortgezet en waarmee ook steun moet worden verleend aan kleinere projecten;

27.  erkent de belangrijke rol van subsidies voor onderzoek en innovatie; acht het noodzakelijk continue en stabiele financiering voor IRP’s te verstrekken uit zowel Europese als nationale bronnen, zonder onderbrekingen veroorzaakt door verschillende maatregelen op het gebied van begrotingsplanning;

28.  is van oordeel dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat alle IRP’s financiële middelen reserveren voor het aanpakken van energiearmoede, toegankelijkheid en technische en infrastructurele belemmeringen voor kwetsbare huishoudens en huishoudens met lage inkomens, opdat zij kunnen profiteren van adequate, gezonde en energie-efficiënte woningen en deel kunnen uitmaken van wijkrenovatieprogramma’s; vraagt om beste praktijken met betrekking tot innovatieve financieringsinstrumenten te ontwikkelen en te delen, bijvoorbeeld inzake financiering via de energierekening en soortgelijke regelingen, waaronder energie-efficiëntiehypotheken, EuroPACE-leningen en REnOnBill-leningen;

29.  wijst op de rol van zowel de regionale autoriteiten als de Europese Investeringsbank bij het verstrekken van financiële steun door middel van leningen van de publieke sector die commerciële banken, pensioenfondsen en de particuliere sectoren ertoe zullen aanzetten om meer te investeren in de renovatie van gebouwen, bijvoorbeeld door middel van kredietgaranties van de overheid en innovatieve financieringsmethoden;

30.  onderkent de rol die nieuwe ondernemingsmodellen zoals energieprestatiecontracten, door burgers geleide renovaties, energiegemeenschappen en leveranciers van energiediensten kunnen spelen bij renovaties, en in het bijzonder buitenbalansfinanciering voor sociale huisvesting, woningcorporaties en bedrijventerreinen; onderstreept dat de financieringsintensiteit moet worden gekoppeld aan de bereikte energie-efficiëntie, zoals voorgeschreven door de EPBD, en stelt voor om een premie toe te kennen voor energieplusgebouwen; dringt er bij de Commissie op aan om richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van de relevante bepalingen van het pakket “schone energie voor alle Europeanen” op te stellen, met name om een ondersteunend kader op te zetten via een verplichting tot regelmatige raadplegingen om de behoeften op de markt te begrijpen, en de combinatie van particuliere en publieke middelen en het gebruik van duidelijke modelcontracten en specifieke aanbestedingsprocedures met nadere toelichtingen over het correct boeken van publieke investeringen met betrekking tot de efficiëntie van gebouwen te bevorderen;

31.  verzoekt de Commissie de energie-efficiëntiedoelstellingen aan te scherpen, zoals vereist uit hoofde van de EED, door eerst en vooral het hoofddoel voor 2030 te verhogen op basis van een gedegen effectbeoordeling en op voorspelbare wijze, en door minimale jaarlijkse renovatiepercentages voor gebouwen alsook beleidsmaatregelen voor te stellen, teneinde grondige renovaties te waarborgen, met inbegrip van gefaseerde grondige renovaties, omkaderd door financiële triggers en een stabiel investeringsklimaat;

32.  vraagt de Europese instellingen te voorzien in specifieke toewijzingen voor energie-efficiëntie en de renovatie van gebouwen in het nieuwe MFK, met duidelijke voorwaarden en een duidelijk tijdspad, inclusief technische bijstand, om te zorgen voor toereikende absorptiepercentages; wijst op het belang van Europese garanties voor investeringen, gemengde financiering en subsidie-elementen om residentiële energie-efficiëntierenovaties te stimuleren; erkent de rol en het succesvolle model van het Europees Fonds voor strategische investeringen (dat zal worden vervangen door InvestEU); roept ertoe op om binnen het onderdeel “duurzame infrastructuur” van InvestEU prioritair middelen toe te wijzen voor de energie-efficiëntie van gebouwen, en aparte bedragen te oormerken voor energie-efficiëntie als een specifieke doelstelling voor regionale ontwikkeling, die moet worden weerspiegeld in de respectieve partnerschapsovereenkomsten die de lidstaten met de Commissie hebben gesloten;

33.  verzoekt de Commissie de financiële en niet-financiële belemmeringen voor een hogere absorptiegraad van de regionale fondsen voor geïntegreerde renovatie van gebouwen tegen 2021 weg te nemen;

34.  dringt aan op een vergroting van de slagkracht van de faciliteit voor Europese plaatselijke bijstand op energiegebied (ELENA) en de Europese Investeringsbank, teneinde lokale overheden op maat gesneden en rechtstreekse financiële en technische bijstand te verlenen, en specifieke richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten in het kader van de COVID-19-herstelplannen;

35.  vraagt de Commissie te onderzoeken of het haalbaar is de ETS-opbrengsten te benutten voor energie-efficiëntiemaatregelen, bijvoorbeeld voor de renovatie van gebouwen, inclusief mechanismen ter bescherming tegen schommelingen, en of het haalbaar is een deel van de veilingopbrengsten op EU-niveau te gebruiken; vraagt de Europese Investeringsbank en de nationale financiële instellingen steun te verlenen aan projectontwikkelaars gedurende de volledige projectcyclus, en een vast subsidiepercentage te bepalen om renovaties aantrekkelijk en betaalbaar te maken voor de burgers;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten flexibele modellen op te zetten voor synergieën tussen de verschillende financieringsprogramma’s en -instrumenten voor het financieren van energie-efficiëntie in gebouwen; vraagt voorts om, in lijn met het verslag van de Europese Rekenkamer(26), een benadering op basis van kosteneffectiviteit te hanteren voor energie-efficiëntierenovaties van gebouwen; pleit voor een grondig toezicht op de kosteneffectiviteit van operationele programma’s op basis van de kosten per bespaarde eenheid CO2; is voorts van mening dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de nationale overheden de beginselen van kosteneffectiviteit en geschiktheid voor energiebesparing eerbiedigen bij de toewijzing van EU-geld aan renovatieprojecten;

37.  verzoekt de Commissie om publiek-private partnerschappen in verband met slimme en duurzame financiering, zoals PF4EE, verder te faciliteren, en na te gaan of lokale investeringsconcepten mogelijk zijn;

38.  verzoekt de Commissie de EU-staatssteunregels, onder meer voor investeringen door kleine en middelgrote ondernemingen, te herzien, teneinde een ondersteunend kader voor energie-efficiëntiemaatregelen te creëren en IRP’s te bevorderen, met inbegrip van de installatie of vernieuwing van stadsverwarmingssystemen via vereenvoudigde procedures en passende drempels, en via sloopregelingen voor verwarmingstoestellen op fossiele brandstoffen en inefficiënte toestellen wanneer deze door individuele of collectieve toestellen op hernieuwbare energie worden vervangen, of door restwarmte; onderstreept evenwel dat elke herziening van de EU-staatssteunregels hoofdzakelijk moet bijdragen aan een gelijke behandeling en aan verscherpte concurrentie;

Constructietechnologieën en bouwmaterialen

39.  benadrukt dat de kosten moeten worden verlaagd, de looptijd moet worden verkort, en de doeltreffendheid en integratie moeten worden versterkt om het aantal IRP’s te verhogen, door open en concurrerende markten voor renovatie, industrieel geproduceerde en duurzame prefabelementen te creëren en door het potentieel van bestaande technologieën voor de integratie van hernieuwbare energiebronnen in bouwmaterialen te erkennen, die kunnen worden gebruikt als multifunctionele bekledingselementen om het bestaande gebouwenbestand te vernieuwen; benadrukt de noodzaak van renovaties in serie en per gebied; onderstreept de rol van de prefabricage van componenten buiten het bedrijf met betrekking tot snelheid, schaal en kosteneffectiviteit; merkt op dat er in de lidstaten beste praktijken op het gebied van gebouwenrenovaties in verschillende bouwsegmenten bestaan, die nu moeten worden overgenomen en op grotere schaal moeten worden toegepast om resultaten te bereiken; benadrukt dat meer onderzoeksinspanningen op dit gebied waardevol zouden zijn;

40.  benadrukt het belang van flexibiliteit bij de keuze van technologieën die worden gebruikt voor renovaties en bouw; is van mening dat alle beschikbare technologieën moeten worden toegepast in een resultaatgerichte benadering om de decarbonisatie van het gebouwenbestand te versnellen; onderstreept dat het gebruik van hernieuwbare energie een cruciale rol speelt in deze decarbonisatie; benadrukt het belang van koolstofarme stadsverwarming en -koeling met geïntegreerde opslag, voor meer verbonden en geïntegreerde gemeenschappen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de volledige integratie van hernieuwbare energie in de bouwsector actief te bevorderen en te stimuleren;

41.  verzoekt de Commissie onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s (O&O) voor efficiënte bouwmaterialen te ondersteunen en vraagt om, rekening houdend met de sociale situatie, goedkope verwarmingssystemen op basis van hernieuwbare energie in te voeren in landelijke en afgelegen gebieden; wijst op de Deense beste praktijk om verwarming te decarboniseren via stadsverwarmingsnetten in eigendom van de gemeenschap, die draaien op zonnewarmte, warmtepompen en biomassa;

42.  wijst op de noodzaak om consumenten te informeren en te stimuleren om oude, inefficiënte verwarmings- en koelingstechnologieën te vervangen door moderne, zeer efficiënte en hernieuwbare oplossingen, met name bij het nemen van beslissingen over vervanging; beseft dat daarbij in acht moet worden genomen dat fossiele brandstoffen, met name aardgas, momenteel een rol spelen in verwarmingssystemen voor gebouwen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om sloopregelingen voor te stellen in overeenstemming met de circulaire economie, en efficiëntie-etikettering en advies bij routinecontroles te benutten om vervanging te bespoedigen; verzoekt de lidstaten een stappenplan op te stellen om op fossiele brandstoffen gebaseerde verwarmings- en koelingstechnologieën uit te bannen, als onderdeel van hun nationale energie- en klimaatplannen;

43.  onderstreept het Europese leiderschap in de bouw van geïntegreerde fotovoltaïsche systemen; stelt voor technologieën voor hernieuwbare energie in het algemeen als een belangrijke strategische waardeketen te erkennen, en suggereert eveneens om voor de komende renovatiegolf een Europees programma voor zonnepanelen op daken op te zetten;

44.  onderstreept dat het beginsel “energie-efficiëntie eerst” in alle beleidsmaatregelen opgenomen moet worden, ook om de energiebehoeften voor verwarming, koeling en warm water en voor verlichting en ventilatie te verlagen, en tegelijkertijd de resterende behoefte te elektrificeren door middel van energie uit hernieuwbare bronnen, in combinatie met warmtepompen of efficiënte verwarmings- of koelingssystemen per gebied aan de hand van hernieuwbare energie, alsook voor afnamebeheer en flexibiliteit;

45.  wijst op de noodzaak om belemmeringen weg te nemen en de toegang tot het net te verbeteren, hetgeen onder meer de noodzaak van harmonisatie en vereenvoudiging van vergunningen voor kmo’s omvat; onderstreept de noodzaak om IRP’s te plannen om synergieën te creëren, bijvoorbeeld op het gebied van de verbetering van de toegankelijkheid, de seismische en de brandveiligheid, de elektromobiliteit (met inbegrip van bekabeling en laadpunten voor elektrische voertuigen), en de verbetering van de klimaatbestendigheid van gebouwen, onder meer door het creëren van groene ruimten, daken en muren, die het waterbeheer verbeteren en de stedelijke biodiversiteit helpen vergroten;

46.  herinnert eraan dat brandveiligheidsaspecten in overweging moeten worden genomen bij het ontwerp, de materiaalkeuze, de bouw, de renovatie en de exploitatie van gebouwen, met het oog op een verbeterde preventie, detectie, snel blussen, evacuatie, compartimentering, bestendigheid van de constructie en brandbestrijding, en dat ook rekening moet worden gehouden met de kwalificaties van de professionals die bij het ontwerp, de bouw en de renovatie betrokken zijn;

47.  is van mening dat energie-efficiënte gebouwen gezond, betaalbaar, veilig en duurzaam moeten zijn; wijst in het bijzonder op het belang van ingebedde energie, duurzaamheid van gebouwen, hulpbronnenefficiëntie, thermisch comfort, een verbeterde luchtkwaliteit, een gezond binnenklimaat en levenscyclusbenaderingen, in lijn met de circulaire economie, en op de noodzaak van een holistische, geïntegreerde aanpak in de strategie voor een duurzame gebouwde omgeving; wijst in dit verband op het belang van het opnemen van passieve en natuurlijke elementen in het ontwerp van gebouwen en het enorme potentieel van het gebruik van de bouwschil, waarbij de gebouwde omgeving wordt omgevormd tot een gedecentraliseerde producent van hernieuwbare energie, terwijl gronden en landschapsterreinen worden gespaard;

48.  benadrukt de behoefte aan een adequaat beheer en vermindering van bouw- en sloopafval; merkt op dat inzamelings- en terugnamesystemen en sorteerinstallaties moeten worden opgezet om te zorgen voor een passende en veilige behandeling van alle bouwafval, alsook voor de recycling of het hergebruik van bouwmaterialen, en voor het veilig hanteren, verwijderen en vervangen van gevaarlijke stoffen in afvalstromen, teneinde de gezondheid van bewoners en werknemers en het milieu te beschermen; is van oordeel dat er een etiketteringssysteem voor de circulaire economie moet worden ontwikkeld, met milieunormen en criteria voor materialen op basis van hun potentieel om vlot en met minimaal energieverbruik in de waardeketen te worden gere-integreerd, met inachtneming van de rol van secundaire grondstoffen; merkt op dat de bestaande aanpak op basis van milieuproductverklaringen moet worden verruimd en moet worden gebruikt als input voor gebouwenbeoordelingen, zoals het geval is bij het Level(s)-kader; verzoekt de Commissie concrete maatregelen ten aanzien van deze kwesties voor te stellen in het kader van het actieplan voor de circulaire economie en de strategie voor een duurzame bebouwde omgeving;

49.  wijst erop dat steden in toenemende mate te maken zullen krijgen met stijgende zomertemperaturen als gevolg van de klimaatverandering; wijst voorts op de vele voordelen van groene infrastructuuroplossingen, die de luchtkwaliteit, het comfort en de klimaatbestendigheid verbeteren, de energiebehoeften aanzienlijk beperken, de watercyclus helpen herstellen en de biodiversiteit in steden ondersteunen, en tegelijkertijd een bijdrage leveren aan de beginselen van circulariteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten het gebruik van natuurlijke bouwmaterialen met een laag koolstofgehalte, groene daken en muren, koele oppervlakken en andere passieve technieken te stimuleren bij grote renovatie- en nieuwbouwprojecten; verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden en oplossingen op het gebied van groene infrastructuur en biodiversiteitskenmerken te stimuleren in het renovatiegolf-initiatief;

50.  herinnert eraan dat duurzame bouwmaterialen, zoals gecertificeerd hout, van essentieel belang zijn om een koolstofarm, duurzaam gebouwenbestand te verwezenlijken, en wijst erop dat bouwen kansen biedt om binnen de grenzen van de duurzame beschikbaarheid koolstof op te slaan in biogebaseerde bouwproducten;

51.  benadrukt dat het van belang is de bestaande geharmoniseerde normen te herzien om de duurzaamheidsprestaties van bouwproducten te dekken, in overeenstemming met de gemeenschappelijke Europese aanpak voor de berekening van de levenscyclus en de bestaande Europese normen, d.w.z. EN 15978 voor gebouwen en EN 15804 voor bouwproducten; wijst erop dat bij het ontwerpen van renovaties de energie- en klimaateffecten van de volledige levenscyclus van het gebouw moeten worden geoptimaliseerd in lijn met de doelstellingen van de circulaire economie, rekening houdend met het effect van de vervaardiging, het gebruik en het ontwerp op de mogelijkheid om gerecycled te worden, de recycling van bouwproducten, de afvalproductie en de uitrusting die nodig is voor herstellingen; verzoekt de Commissie deze kwesties aan te pakken in de strategie voor de circulaire economie, en vraagt haar om tegen 2021 Verordening (EU) nr. 305/2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten(27) te herzien om de goede werking van de interne markt voor deze producten mogelijk te maken en technologisch onderzoek en innovatie te belonen, om de renovatie en bouw van zeer energie-efficiënte gebouwen te ondersteunen;

52.  verzoekt de Commissie door te gaan met het in kaart brengen van goede praktijken, zodat ook IRP’s voor historische gebouwen en gebouwen op erfgoedlijsten mogelijk zijn; erkent de specifieke kenmerken en de kwetsbaarheid van erfgoedgebouwen, en is van mening dat de bescherming van gebouwen in de meeste gevallen hand in hand kan gaan met een verbeterde energieprestatie; onderstreept in dit verband dat renovaties van erfgoedgebouwen altijd moeten gebeuren in overeenstemming met de nationale voorschriften inzake instandhouding, het Internationaal Handvest van Venetië van 1964 inzake de instandhouding en de restauratie van historische monumenten en plaatsen alsmede met de oorspronkelijke architectuur;

53.  onderstreept dat voor daadwerkelijke energiebesparingen moet worden gezorgd via verificatie door erkende deskundigen en via de monitoring van energieprestaties na de renovatie, aangezien dat zal zorgen voor hoogwaardige renovaties, betere investeringskansen en een hogere kosteneffectiviteit(28);

54.  verzoekt de lidstaten ook in hun aanbestedingsstrategieën en in door de overheid gefinancierde renovatie- en bouwprojecten te streven naar maximalisering en bevordering van hergebruik, recycling en terugwinning van materialen, bijvoorbeeld door de streefdoelen voor groene overheidsopdrachten (GPP’s)(29) te verhogen en energie-efficiëntie-, milieu- en sociale criteria voor gebouwenrenovaties te stroomlijnen, alsook gelijke mededingingsvoorwaarden te verzekeren bij openbare aanbestedingen; herinnert aan het belang van bouwmaterialen van lokale oorsprong om de bouwtradities in stand te houden, een materiaalkeuze te verzekeren die goed bij de klimatologische omstandigheden van de regio past, en emissies en vervoerskosten te drukken;

Normen, vaardigheden en gezonde gebouwen

55.  onderstreept het belang van nevenvoordelen middels renovatievereisten op “spilmomenten”, aangezien dergelijke vereisten niet alleen tot energiebesparingen leiden, maar ook de waarde van het gebouw verhogen en helpen om belemmeringen, zoals gescheiden prikkels, te overwinnen; is van mening dat grondige renovaties, met inbegrip van gefaseerde grondige renovaties, van de slechtst presterende gebouwen prioriteit moeten krijgen, door met name minimumnormen voor de energieprestatie te ontwikkelen, die van essentieel belang zijn voor investeringen in renovatie en horizontaal van toepassing dienen te zijn, en tevens gebaseerd dienen te zijn op de bestaande nationale energielabels; is van mening dat dergelijke maatregelen de gebruikers van gebouwen ten goede komen en kunnen helpen om burgers uit de energiearmoede te halen(30); stelt vast dat het percentage grondige renovaties erg laag zal zijn, naar verwachting 0,2 %; stelt voor minimale renovatiepercentages te onderzoeken en in te voeren, om de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit tegen 2050 te halen;

56.  onderstreept dat geleidelijk aangescherpte minimumnormen voor de energieprestatie, op voorwaarde dat zij correct worden gepland en op het juiste moment worden aangescherpt, helpen om renovatiestrategieën op de lange termijn uit te voeren, en de markt investeringszekerheid bieden, in het bijzonder als zij gepaard gaan met capaciteitsopbouw, advies op maat, technische bijstand en financiële steun;

57.  verzoekt om een sterke, op feiten gebaseerde aanpak, die het mogelijk zal maken om, aan de hand van betrouwbare en versterkte gegevens, de energie-efficiëntie van gebouwen en de kosteneffectiviteit van maatregelen nauwkeurig in te schatten en zo gelijke mededingingsvoorwaarden te scheppen voor beste praktijken op het gebied van kosteneffectieve oplossingen in de EU;

58.  is ervan overtuigd dat de invoering van een renovatiepaspoort voor gebouwen, waarin verbeteringen stelselmatig worden gestimuleerd, gecoördineerd en geregistreerd, en waarin het niveau van de renovaties en de energieprestatie worden vermeld, voordelen heeft voor huiseigenaren, beheerders van gebouwen en huurders, die toegang moeten krijgen tot het renovatiepaspoort; benadrukt dat dit renovatiepaspoort een gemeenschappelijk EU-instrument moet worden, dat kan worden aangepast aan specifieke nationale en regionale kenmerken, om tegemoet te kunnen komen aan de uitdagingen die het heterogene gebouwenbestand oplevert, en dat is afgestemd op de bestaande energieprestatiecertificering van gebouwen;

59.  benadrukt hoe belangrijk het is om informatie over gebouwen in één enkel digitaal instrument te consolideren; is van oordeel dat dit het circulariteitspotentieel van materialen, de evaluatie van factoren die van invloed zijn op de luchtkwaliteit binnen, ook uit gezondheids- en veiligheidsoogpunt, en robuuste indicatoren op basis van bestaande milieu-instrumenten en -normen zou moeten omvatten;

60.  wijst op het belang en het potentieel van het Fonds voor een rechtvaardige transitie in het kader van het herstelplan na de COVID-19-crisis, met betrekking tot opleidingen en kwalificaties voor werknemers in de bouw- en renovatiesector en om werknemers in getroffen regio’s nieuwe en ruimere vaardigheden bij te brengen voor de transitie naar een koolstofneutrale economie;

61.  onderstreept dat projecten voor de renovatie van gebouwen steeds moeten leiden tot gezonde, schimmelvrije gebouwen, met inachtneming van de binnenluchtkwaliteit; benadrukt dat de herziening van de normen voor luchtkwaliteit, thermische omstandigheden en andere gezondheids- en comfortaspecten die verband houden met het binnenklimaat, zoals voldoende daglicht en mechanische ventilatie, bijdraagt tot de gezondheid en de productiviteit van de gebruikers van de gebouwen en leidt tot betere arbeids- of leerprestaties en aanzienlijke besparingen op het gebied van de sociale zekerheid, hetgeen de overheidsuitgaven van de lidstaten kan drukken en voordelen kan opleveren voor de EU-economie en al haar burgers;

62.  benadrukt dat moet worden gezorgd voor voldoende knowhow op het gebied van het onderhoud van gebouwen en het gebruik ervan door professionals en bewoners, met inbegrip van gedragsverandering, om ten volle te profiteren van de voordelen die met een betere energieprestatie gepaard gaan;

63.  verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren voor een vaardigheden- en informatie-initiatief voor de bouw- en renovatiesector, inclusief een genderdimensie, teneinde samen met belanghebbende partijen te werken aan bij- en nascholing, verwerving van meer vaardigheden en opbouw van capaciteit, met bijzondere aandacht voor werkgelegenheid, in het bijzonder om jongeren warm te maken voor een baan in de renovatiesector; onderstreept dat het, om kwaliteit, naleving en veiligheid te waarborgen, nodig is dat de professionals die betrokken zijn bij het ontwerp en de bouw/renovatie over toereikende kwalificaties en vaardigheden beschikken, en dat dit ook voor tussenpersonen geldt, zoals installateurs, architecten of aannemers; verzoekt de lidstaten om een nationale strategie te ontwikkelen om de vaardigheden in de bouwsector te verbeteren, gericht op energie-efficiëntie, duurzaamheid en circulariteit van materialen, passieve technieken en integratie van hernieuwbare energie, met inbegrip van eigen gebruik, en digitale oplossingen, en om specifieke ondersteuning te bieden aan werknemers in micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

64.  verzoekt de Commissie om vaardigheden en innovatie voor IRP’s te ondersteunen via het Fonds voor een rechtvaardige transitie, gerichte Marie Skłodowska-Curie-acties en het Erasmus+-programma, en om een Horizon Europa-missie op te zetten rond de renovatie van gemeenschappen en wijken; verzoekt daarnaast het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) om een strategische vaardighedenalliantie voor de bouwsector te bevorderen en in te voeren, teneinde gemeenschappelijke opleidingsinhoud te ontwerpen en te verstrekken en aldus bestaande vaardighedentekorten aan te pakken; verzoekt individuen, ondernemingen en organisaties voorts om het proefproject vaardigheden- en onderwijsgarantie te benutten, evenals soortgelijke regelingen voor opleidingen, vaardighedenuitbreiding en onderwijs in de renovatiesector;

65.  verzoekt de Commissie ten laatste in 2022 gedetailleerde effectbeoordelingen van gebouw-, gebruikers- en eigendomstypologieën te verrichten en een wetgevingskader voor de invoering van minimumnormen voor de energieprestatie voor bestaande gebouwen te ontwikkelen, die geleidelijk aan aangescherpt moeten worden om de doelstellingen tegen 2050 te halen; onderstreept dat dergelijke normen zouden helpen om het pad te effenen voor een zeer energie-efficiënt en gedecarboniseerd gebouwenbestand tegen ten laatste 2050, en de markt meer zicht op en zekerheid over de transformatie van het bestaande gebouwenbestand kunnen bieden; benadrukt dat minimumvereisten voor de energieprestatie op het nationale niveau dienen te worden vergezeld van een omvattend pakket beleidsmaatregelen, dat op zijn minst de verstrekking van informatie en advies op maat aan de burgers en passende financiële steun omvat;

66.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om uiterlijk in 2025 versnelde digitale paspoorten voor de renovatie van gebouwen in te voeren, die informatie moeten bevatten over verbeterde binnenluchtkwaliteit en gezonde gebouwen;

67.  verzoekt de Commissie om een Europese rekentool voor het klimaat te ontwikkelen in het kader van de renovatiegolf, om een nauwkeurige en eenvoudig te begrijpen etikettering te verzekeren voor bouwmaterialen, producten en diensten die verbandhouden met de renovatie van het Europese gebouwenbestand tegen 2050; benadrukt dat deze tool gelijke mededingingsvoorwaarden moet waarborgen voor de belangrijkste spelers die betrokken zijn bij – of verband houden met – de voetafdruk van de IRP’s op het gebied van broeikasgasemissies binnen het Europese gebouwenbestand en dat een dergelijke “holistische benadering” het pad zou effenen voor positieve effecten op het gedrag van burgers, relevante economische sectoren en kmo’s in de EU; benadrukt dat het concept gebaseerd moet zijn op de beginselen van de circulaire en de levenscycluseconomie om de vraag naar klimaatvriendelijke “made in Europe”-goederen te stimuleren en zo het concurrentievermogen van de Europese bouwsector te versterken; stelt voor dat de Commissie reeds bekende wetenschappelijke methodes gebruikt voor haar ramingen van de broeikasgasemissies en zich bijvoorbeeld laat inspireren door haar “ecologische voetafdruk van producten”;

68.  roept op om bij de komende herziening van de richtlijn energie-efficiëntie meer ambitie te tonen in de artikelen 3, 5 en 18, en om een nieuwe benadering voor het vaststellen van de bouwnormen volgens de Europese energie- en klimaatdoelstellingen te ontwikkelen bij de herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen;

69.  verzoekt de Commissie om de effecten van de energieprestatiecertificaten (EPC’s) in de lidstaten te beoordelen en de bestaande bepalingen te versterken; merkt op dat de betrouwbaarheid, samenhang en vergelijkbaarheid van EPC’s in de gehele EU moet worden verbeterd, zodat EPC’s een betrouwbaar marktinstrument kunnen worden om de prestaties en de kwaliteit van gebouwen te beoordelen, in het bijzonder voor de financiële sector;

Digitalisering en betrouwbare gegevens

70.  beschouwt digitalisering als een factor die de actieve participatie van burgers in het energiesysteem mogelijk maakt, door middel van gedistribueerde productie, opslag, flexibiliteit en sectorintegratie en -koppeling; onderstreept dat digitalisering en gegevens een rol hebben bij de bespoediging van de planning, uitvoering, controle en monitoring van de resultaten van de renovatieplannen, en ook van belang zijn voor een efficiëntere energieplanning en een efficiënter energiebeheer;

71.  verzoekt de Commissie de betrouwbaarheid van en het tekort aan gegevens over gebouwen te bestuderen, en er rekening mee te houden dat een ruimer gebruik van digitalisering een positieve bijdrage kan leveren om een sterke, op feiten gebaseerde aanpak te verzekeren bij de beleidsontwikkeling inzake energie-efficiëntie en renovaties; erkent dat de nationale EPC-databanken moeten worden gedigitaliseerd, en dat bouwgegevens en andere bouwinformatie beschikbaar moeten zijn op het moment dat een aanvraag wordt gedaan voor een digitaal paspoort voor een gebouw of een andere slimme bouwtoepassing;

72.  beschouwt het internet van de dingen als een manier om de werkelijke effecten van renovatie op de energieprestatie van gebouwen te meten en als een instrument om grootschalige, kosteneffectieve renovatiestrategieën mogelijk te maken; onderstreept het potentieel dat geïntegreerde kunstmatige intelligentie kan hebben voor de analyse van gegevens en de monitoring, het beheer en de aanpassing van het energieverbruik in gebouwen;

73.  is van mening dat de digitalisering van gebouwen en bouwtechnologieën belangrijke drijvende krachten zijn voor meer energie-efficiëntie; vraagt alle betrokken actoren op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau om proactief deel te nemen aan de bevordering van digitalisering;

74.  wijst op de voordelen die netwerken voor communicatie-infrastructuur met hoge capaciteit hebben om slimme huizen te bevorderen, d.w.z. huizen die geïntegreerd zijn in een ruimer digitaal energie-ecosysteem dat gebouwen in staat stelt slimme functionaliteiten te benutten en aan te bieden, waardoor energie-integratie en besparingen in verschillende sectoren van de economie mogelijk worden, waaronder vraagrespons en optimalisering van het energiegebruik in het gebouw, zoals slimme toestellen, technologieën voor de automatisering van gebouwen, elektrische warmtepompen, accu-opslag, laadpunten voor elektrische voertuigen en slimme meters; is ingenomen met het doel van de herziene richtlijn energieprestatie van gebouwen om technologieën voor slimme gebouwen verder te bevorderen, via een indicator van gereedheid voor slimme toepassingen (“smart readiness indicator” of SRI) als hulpmiddel om de gereedheid van gebouwen voor slimme toepassingen te beoordelen en eigenaren en gebruikers van gebouwen bewust te maken van de waarde die systemen voor de automatisering en controle van gebouwen hebben voor de globale prestaties van gebouwen; is van oordeel dat de toepassingen overeenkomstig artikel 14 en artikel 15 moeten worden uitgebreid;

75.  wijst op het belang van slimme netten om de efficiënte integratie van hernieuwbare energie in het elektriciteitsnet mogelijk te maken en stimuleert het onderzoek naar nieuwe mogelijkheden met interfaces met transmissiesysteembeheerders en distributiesysteembeheerders om de energie-efficiëntie en de elektriciteitsdiensten te verbeteren; benadrukt dat slimme gebouwen die aangesloten zijn op nano- of micronetten een betere stabiliteit van de elektriciteitsvoorziening en een betere beschikbaarheid van verwarmings- en koelingssystemen kunnen verzekeren;

76.  onderstreept dat het recht op huisvesting en consumentenrechten sociale beschermingsmaatregelen, gegevensbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en instemming behoeven, in overeenstemming met de algemene verordening gegevensbescherming; benadrukt dat de digitale oplossingen die tijdens renovaties worden geboden intuïtief, eenvoudig en interoperabel moeten zijn, en dat de installatie ervan gepaard moet gaan met de nodige opleiding, voorlichting en ondersteuning van gebruikers; wijst in dit verband op het potentieel van niet-invasieve digitale technologieën;

77.  verzoekt de Commissie om na te gaan of de vereisten voor laadinfrastructuur in de richtlijn energieprestatie van gebouwen herzien moeten worden; benadrukt dat slimme laadinfrastructuur een absolute voorwaarde is voor de toename van schone elektrische mobiliteit;

Renovatiegolf

78.  beschouwt de renovatiegolf als een kans om tegen 2050 over een energie-efficiënt en klimaatneutraal gebouwenbestand te beschikken middels een actieplan voor IRP’s, met speciale aandacht voor gemeenschappen, in het bijzonder gemeenschappen die met energie-armoede worden geconfronteerd, en om te voorzien in gezonde, fatsoenlijke, betaalbare en energie-efficiënte gebouwen waar mensen hun potentieel volledig tot ontwikkeling kunnen brengen, in overeenstemming met de Europese Green Deal en de doelstelling van koolstofneutraliteit voor 2050; is van oordeel dat dit ten uitvoer kan worden gelegd in synergie met de nieuwe industriële strategie voor Europa, de kmo-strategie voor een duurzaam en digitaal Europa, de strategie voor de circulaire economie, het mechanisme voor een rechtvaardige transitie en de herstelinstrumenten, alsook de strategieën om Europa klaar te maken voor het digitale tijdperk;

79.  is ervan overtuigd dat de renovatiegolf de impact van de COVID-19-crisis kan helpen opvangen, door de nationale en lokale economieën te stimuleren, en door bijvoorbeeld kwalitatief hoogwaardige en essentiële banen in de bouw- en hernieuwbare energiesector te stimuleren en werknemers in micro-, kleine, middelgrote ondernemingen (kmo’s) te ondersteunen, die 97 % van de sector uitmaken; is bijgevolg van oordeel dat de renovatiegolf uiteindelijk heel wat kansen en verschillende voordelen kan opleveren dankzij de verbeterde energie-efficiëntie in het Europese gebouwenbestand, met inbegrip van sociale en ecologische nevenvoordelen; benadrukt dat de renovatiegolf een belangrijke rol kan spelen in een duurzaam herstel, en een cruciaal onderdeel kan zijn in alle COVID-19-herstelplannen; onderstreept bijgevolg dat de Commissie niet mag dralen met dit voorstel en dat zij met een overzicht moet komen van alle beschikbare financieringsmogelijkheden;

80.  verlangt een ambitieuze uitvoering van het pakket schone energie; wijst in het bijzonder op de rol van de nationale energie- en klimaatplannen bij het maximaliseren van de mogelijkheden in de bouwsector; bevestigt zijn voornemen om nauw toe te zien op de tenuitvoerlegging van deze en alle andere bepalingen, en vraagt de Commissie te zorgen voor de handhaving van de maatregelen die in de herziene richtlijn energieprestatie van gebouwen zijn opgenomen;

81.  verzoekt de Commissie het beginsel van “energie-efficiëntie eerst” een centrale rol toe te kennen in het proces voor de renovatie van het gebouwenbestand in de EU, in overeenstemming met de verordening inzake de governance van de energie-unie;

82.  juicht de langetermijnstrategieën van de lidstaten inzake renovatie toe, in die zin dat zij streefdoelen voor 2030 en 2040 bevatten en streven naar klimaatneutraliteit; uit zijn bezorgdheid over de aanzienlijke vertragingen van sommige lidstaten bij het indienen van hun langetermijnstrategieën; verzoekt deze lidstaten de kans te grijpen om hun wettelijke verplichtingen uit hoofde van de richtlijn energieprestatie van gebouwen na te komen en de langetermijnstrategieën alsnog in te dienen; spoort de regeringen ertoe aan een innovatief beleid te voeren om burgers actief te betrekken bij energie-efficiëntieprogramma’s; is van mening dat langetermijnstrategieën voor renovatie moeten worden erkend als essentieel instrument voor de planning, het meten van de vorderingen en de verwezenlijking van energie-efficiëntiedoelstellingen;

83.  onderstreept dat een zeer energie-efficiënt gedecarboniseerd gebouwenbestand moet worden bereikt door het energieverbruik aanzienlijk terug te dringen via de tenuitvoerlegging van sterk en ondersteunend energie-efficiëntiebeleid, terwijl in de resterende behoefte moet worden voorzien met hernieuwbare energie; onderstreept dat de renovatie van gebouwen gecombineerd moet worden met bredere inspanningen om het energiesysteem te decarboniseren, en gepaard moet gaan met investeringen in, onder meer, efficiënte stadsenergienetwerken en warmtepompen, door uit te gaan van een benadering per systeem/gebied waarin alle potentiële efficiëntiemaatregelen worden geïntegreerd, zoals het terugwinnen van restwarmte; benadrukt de behoefte aan concrete maatregelen om het vastgestelde potentieel voor bijzonder efficiënte warmtekrachtkoppeling en stadsverwarming te verwezenlijken; onderstreept dat deze systemische aanpak nodig is om de transitie naar een zeer energie-efficiënte, volledig op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde economie te verwezenlijken en overeenstemming te verzekeren met de doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 1,5 °C;

84.  verwelkomt de aankondiging van de Commissie dat zij de renovatie van scholen, ziekenhuizen en woningen voor mensen in nood gaat bevorderen, in het bijzonder het openbaar gebouwenbestand, dat vaak in slechte staat is; wijst er in dit verband op dat het renoveren van het grote aantal woningen, die 75 % van de gebouwde oppervlakte in de EU uitmaken, een uitdaging van formaat is;

85.  deelt de analyse dat begeleidende renovaties om de energie-efficiëntie van gebouwen te verbeteren talrijke voordelen bieden, zoals beter leren, sneller revalideren en mensen uit de energiearmoede tillen; wijst op de betere kwaliteit van de binnen- en buitenlucht, emissiereducties, een toename van de energie-efficiëntie, een hoger thermisch comfort en een lagere afhankelijkheid van invoer; vraagt deze voordelen systematisch op te nemen in IRP’s;

86.  verzoekt de lidstaten om sectoroverschrijdende, landspecifieke en op maat gesneden communicatiecampagnes op te zetten over de talrijke mogelijkheden en voordelen van een verbeterde energie-efficiëntie van het gebouwenbestand, en om informatie te verstrekken over éénloketsystemen en beschikbare financieringsmogelijkheden, ook op EU-niveau;

87.  verzoekt de Commissie de maatregelen in het kader van de renovatiegolf in nieuwe en herziene EU-regelgeving vast te leggen en de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 te herzien, met inachtneming van het beginsel van subsidiariteit en kosteneffectiviteit, om synergieën tussen de verschillende onderdelen van de wetgeving mogelijk te maken en het pad te effenen voor klimaatneutraliteit in 2050, en daarbij energie-efficiëntiemaatregelen, met inbegrip van de renovatie van gebouwen, tot kernbeleid te verklaren om de kloof ten aanzien van de doelstellingen voor 2030 te dichten; onderstreept de behoefte aan financiële steun om de betaalbaarheid van huisvesting voor eigenaren en huurders te verzekeren;

88.  vraagt de Commissie de langetermijnstrategieën inzake renovatie te beoordelen en aanbevelingen op te stellen voor de lidstaten, waarin zowel bestaande tekortkomingen als beste praktijken worden aangestipt; verzoekt de lidstaten toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van hun langetermijnstrategieën inzake renovatie en deze elke vijf jaar te herzien, in overeenstemming met de inventarisatiecyclus van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en zijn architectuur om de inspanningen op te drijven, teneinde ervoor te zorgen dat de doelstelling van een bijzonder energie-efficiënt en klimaatneutraal gebouwenbestand wordt gehaald; verzoekt de lidstaten om de langetermijnstrategieën te benutten als instrument om een economisch traject van stimulansen en herstel uit te stippelen, waartoe deze strategieën dringend op ambitieuze en gedetailleerde wijze moeten worden voltooid; roept de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan op hun langetermijnstrategieën inzake renovatie met spoed in te dienen;

89.  vindt dat de bouw- en renovatiesector, in het bijzonder micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, in herstelpakketten moet worden opgenomen; vraagt prioriteit te verlenen aan investeringen in de renovatie van gebouwen om tot een zeer energie-efficiënt en op hernieuwbare energie gebaseerd gebouwenbestand te komen binnen het economisch stimuleringsplan;

o
o   o

90.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan alle EU-instellingen en de lidstaten.

(1) PB L 328 van 21.12.2019, blz. 210.
(2) PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75.
(3) PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.
(4) PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1.
(5) PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125.
(6) PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54.
(7) PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5.
(8) PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.
(9) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(10) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(11) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0001.
(12) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0217.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0438.
(15) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 10.
(16) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 23.
(17) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 35.
(18) Ürge-Vorsatz, Diana, Tirado-Herrero, Sergio, Fegyverneky, Sándor, Arena, Daniele, Butcher, Andrew and Telegdy, Almos, Employment Impacts of a Large-Scale Deep Building Energy Retrofit Programme in Hungary, 2010; Janssen, Rod and Staniaszek, Dan, How Many Jobs? A Survey of the Employment Effects of Investment in Energy Efficiency of Buildings, The Energy Efficiency Industrial Forum, 2012.
(19)  Wereldgezondheidsorganisatie: Over half a million premature deaths annually in the European Region attributable to household and ambient air pollution (Meer dan een half miljoen vroegtijdige sterfgevallen in de Europese regio zijn toe te schrijven aan luchtverontreiniging en verontreiniging van de binnenlucht), 2018.
(20) Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal, Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.
(21) Mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640), blz. 10.
(22) Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 210); Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75); Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(23) Castellazzi, L., Bertoldi, P., Economidou, M., Overcoming the split incentive barrier in the building sectors: unlocking the energy efficiency potential in the rental & multifamily sectors, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2017, https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/bitstream/JRC101251/ldna28058enn.pdf
(24) Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van14.6.2019, blz. 125).
(25) Hyland, Marie, Lyons, Ronan, Lyons, Sean, The value of domestic building energy efficiency - evidence from Ireland, Energy Economics, Vol. 40, 2012; Mangold, Mikael, Österbring, Magnus, Wallbaum, Holger, Thuvander, Liane, Femenias, Paula, Socio-economic impact of renovation and retrofitting of the Gothenburg building stock, Energy and Buildings, Vol. 123, 2016.
(26) Speciaal verslag nr. 11/2020 van de Europese Rekenkamer van 28 april 2020: “Energie-efficiëntie in gebouwen: nog steeds meer aandacht voor kosteneffectiviteit nodig”, https://www.eca.europa.eu/nl/Pages/DocItem.aspx?did=53483
(27) Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011).
(28) Europese Rekenkamer, op. cit.
(29) Mededeling van de Commissie van 16 juli 2008: "Overheidsopdrachten voor een beter milieu" (COM(2008)0400).
(30) Werkdocument van de diensten van de Commissie: “Impact Assessment accompanying the document Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council amending Directive 2010/31/EU on the energy performance of buildings” (SWD(2016)0414).


Tekort aan geneesmiddelen — hoe moet dit oprukkende probleem worden aangepakt?
PDF 228kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over het tekort aan geneesmiddelen — hoe moet dit oprukkende probleem worden aangepakt? (2020/2071(INI))
P9_TA(2020)0228A9-0142/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 6, lid 1, VEU en artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzake het recht op bescherming van de gezondheid van alle Europese burgers,

–  gezien artikel 14 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 36 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 101 en 102 VWEU en protocol nr. 27 betreffende de interne markt en de mededinging,

–  gezien de artikelen 107 en 108 VWEU inzake staatssteun,

–  gezien artikel 168 VWEU, waarin bepaald wordt dat bij de bepaling en uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid moet worden verzekerd,

–  gezien Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik(1), de in artikel 81 hiervan vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het feit dat geneesmiddelen in voldoende mate continu voorradig moeten zijn en artikel 23, letter a, hiervan over de melding aan de bevoegde autoriteit wanneer een product tijdelijk dan wel voorgoed aan de markt wordt onttrokken,

–   gezien het beoordelingsrapport van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig artikel 59, lid 4, van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (COM(2017)0135),

–   gezien de conclusies van de Raad van 8 juni 2010 over rechtvaardigheid en gezondheid in alle beleidsmaatregelen: solidariteit in de gezondheidszorg,

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG(2),

–   gezien Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG(3),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie(4),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 van de Commissie van 2 oktober 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van gedetailleerde regels voor de veiligheidskenmerken op de verpakking van geneesmiddelen voor menselijk gebruik(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad(6),

–   gezien Verordening (EU) 2020/561 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/745 betreffende medische hulpmiddelen wat de datum van toepassing van een aantal bepalingen ervan betreft(7),

–  gezien Verordening (EU) 2019/5 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau, Verordening (EG) nr. 1901/2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik(8),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad op het gebied van de evaluatie van gezondheidstechnologie en tot wijziging van Richtlijn 2011/24/EU (COM(2018)0051), en het standpunt in eerste lezing van het Parlement over dit voorstel van 14 februari 2019,

–  gezien de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) en de Verklaring van Doha over de TRIPS-overeenkomst en de volksgezondheid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 april 2020 getiteld “Richtsnoeren inzake de optimale en rationele aanvoer van geneesmiddelen om tekorten tijdens de uitbraak van COVID-19 te voorkomen” (C(2020)2272),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 getiteld “Het moment van Europa: herstel en voorbereiding voor de volgende generatie” (COM(2020)0456),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 over de EU-begroting als drijvende kracht achter het herstelplan voor Europa (COM(2020)0442),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” (COM(2020)0102),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 (COM(2020)0380),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(9),

–  gezien zijn resolutie van 18 december 2019 over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg – de burger meer zeggenschap geven en bouwen aan een gezondere maatschappij(10),

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over de EU-opties voor een betere de toegang tot geneesmiddelen(11),

–  gezien de richtsnoeren van de taskforce inzake de beschikbaarheid van geneesmiddelen die toegelaten zijn voor menselijk en diergeneeskundig gebruik, waarin het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de hoofden van de geneesmiddelenautoriteiten (HMA’s) worden samengebracht, met name die van 1 juli 2019 getiteld “Guidance on detection and notification of shortages of medicinal products for Marketing Authorisation Holders (MAHs) in the Union (EEA)” (EMA/674304/2018) (richtsnoeren voor de opsporing en melding van geneesmiddelentekorten voor houders van vergunningen voor het in de handel brengen in de Unie (EER)) en die van 4 juli 2019 getiteld “Good practice guidance for communication to the public on medicines’ availability issues” (EMA/632473/2018) (richtsnoeren voor goede praktijken voor publieksvoorlichting over de beschikbaarheid van geneesmiddelen),

–   gezien de onlangs in het licht van de huidige COVID-19-crisis opgerichte platforms, zoals het i-SPOC-systeem (“industry single point of contact”) van het EMA, dat is opgezet om de informatie-uitwisseling over mogelijke geneesmiddelentekorten te versnellen teneinde deze tekorten te voorkomen en zo vroeg mogelijk te signaleren, gezien het feit dat deze platforms de dialoog tussen belanghebbenden in de farmaceutische toeleveringsketen en de regelgevende instanties mogelijk hebben gemaakt en hebben vergemakkelijkt,

–  gezien het verslag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) getiteld “La sélection des médicaments essentiels. Rapport d’un Comité d’experts de l’OMS” (Selectie van essentiële geneesmiddelen. Rapport van een Comité van deskundigen van de WHO) (vergadering van 17-21 oktober 1977 in Genève) (Technische verslagen van de WHO, nr. 615), het rapport van het WHO-secretariaat van 7 december 2001 getiteld “Stratégie pharmaceutique de l’OMS — procédure révisée pour la mise à jour de la liste modèle OMS des médicaments essentiels” (Farmaceutische strategie van de WHO — herziene procedure voor de bijwerking van de WHO-modellijst van essentiële geneesmiddelen) (EB109/8), het rapport van de WHO van maart 2015 getiteld “Access to New Medicines in Europe” (Toegang tot nieuwe geneesmiddelen in Europa) en het rapport van de WHO van 9 juli 2013 getiteld “Priority Medicines for Europe and the World” (Prioritaire geneesmiddelen voor Europa en de wereld”),

–  gezien de “één gezondheid”-benadering van de WHO,

–  gezien duurzame-ontwikkelingsdoelstelling nr. 3 van de VN: “Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd”,

–  gezien informatief rapport nr. 737 van de Franse Senaat van 27 september 2018 getiteld “Pénuries de médicaments et de vaccins: renforcer l’éthique de santé publique dans la chaîne du médicament” (Tekorten aan geneesmiddelen en vaccins: versterking van de volksgezondheidsethiek in de geneesmiddelenketen), opgesteld door Jean-Pierre Decool in het kader van de informatieopdracht van de Senaat inzake het tekort aan geneesmiddelen en vaccins,

–   gezien de richtsnoeren van de Commissie betreffende buitenlandse directe investeringen en het vrije verkeer van kapitaal uit derde landen en de bescherming van de strategische activa van Europa in het kader van de COVID-19-crisis, in afwachting van de toepassing van Verordening (EU) 2019/452 (“BDI-screeningverordening”), die volledig van toepassing zal zijn vanaf 11 oktober 2020,

–  gezien de conclusies van de vergadering van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken van 9 en 10 december 2019,

–   gezien het verslag van het panel op hoog niveau van de secretaris-generaal van de VN over de toegang tot geneesmiddelen van 2016 getiteld “Promoting innovation and access to health technologies”,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

–   gezien zijn resolutie over de Europese Green Deal, die op 15 januari 2020 werd aangenomen(12),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie juridische zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9-0142/2020),

A.  overwegende dat het reeds lang bestaande probleem van geneesmiddelentekorten in de EU de afgelopen jaren exponentieel is toegenomen; overwegende dat de toename van de mondiale vraag en de COVID-19-pandemie de geneesmiddelentekorten nog hebben verergerd, met als gevolg een verzwakking van de zorgstelsels van de lidstaten en aanzienlijke risico’s voor de gezondheid van en de zorg voor de patiënten, met inbegrip van ziekteprogressie en/of een verergering van de klachten, langere wachttijden voor zorg of behandeling of onderbreking hiervan, langere ziekenhuisopnamen, een verhoogd risico op blootstelling aan vervalste geneesmiddelen, medicatiefouten of ongewenste voorvallen wanneer het ontbrekende geneesmiddel wordt vervangen door een ander geneesmiddel, de vermijdbare overdracht van infectieziekten, ernstige psychische problemen en hogere uitgaven voor de gezondheidszorg; overwegende dat het de plicht van de lidstaten is om snelle en concrete oplossingen te vinden, onder meer door middel van gemeenschappelijke Europese coördinatie en maatregelen;

B.  overwegende dat in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is bepaald dat iedereen toegang heeft tot preventieve gezondheidszorg en het recht heeft om medische behandeling te krijgen volgens de voorwaarden die bij de nationale wetten en praktijken zijn vastgesteld; overwegende dat dit recht voor alle burgers moet worden gehandhaafd, met inbegrip van burgers die in de kleinere lidstaten en meest afgelegen gebieden van de EU wonen; overwegende dat de geneesmiddelentekorten een steeds grotere bedreiging van de volksgezondheid vormen met ernstige gevolgen voor de gezondheidszorgstelsels en het recht van alle patiënten in de EU op passende medische verzorging;

C.  overwegende dat het waarborgen van de toegang van patiënten tot essentiële geneesmiddelen een van de kerndoelstellingen van de EU en van de WHO is, alsook van ontwikkelingsdoelstelling nr. 3; overwegende dat de universele toegang tot geneesmiddelen afhankelijk is van de tijdige beschikbaarheid van geneesmiddelen en de betaalbaarheid ervan voor iedereen, zonder enige geografische discriminatie;

D.  overwegende dat patiënten toegang moeten hebben tot de gezondheidszorg en de behandelingsopties die zij verkiezen en die hun voorkeur wegdragen;

E.  overwegende dat de toegang tot geschikte en betaalbare diagnostische tests en vaccins van even cruciaal belang is als de toegang tot veilige, doeltreffende en betaalbare geneesmiddelen;

F.  overwegende dat de geneesmiddelentekorten diverse en complexe onderliggende oorzaken hebben; overwegende dat sommige besluiten van de farmaceutische industrie, bijvoorbeeld om producten niet langer aan te bieden en uit de handel te nemen in lidstaten met een minder winstgevende markt, ook vaak oorzaak zijn van geneesmiddelentekorten;

G.  overwegende dat geneesmiddelentekorten moeten worden voorkomen en dat, als zij toch voorkomen, de gevolgen ervan moeten worden beperkt;

H.  overwegende dat een doeltreffende strategie niet alleen maatregelen moet omvatten om geneesmiddelentekorten te beperken, maar ook om te voorkomen dat tekorten ontstaan, rekening houdend met de diverse onderliggende oorzaken van de tekorten;

I.  overwegende dat er geen tussen de lidstaten geharmoniseerde definities bestaan van “tekort”, “spanning”, “verstoring van de aanvoer”, “uitgeputte voorraad” en “excessieve voorraad”; overwegende dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen “geneesmiddelen van groot therapeutisch belang” (médicaments d’intérêt thérapeutique majeur, MITM) en “geneesmiddelen die van strategisch belang zijn voor de gezondheid” (médicaments d’intérêt sanitaire et stratégique, MISS);

J.  overwegende dat geneesmiddelentekorten aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor zowel publieke als private partijen in de gezondheidszorg;

K.  overwegende dat geneesmiddelen een van de pijlers van de gezondheidszorg vormen en dat een gebrekkige toegang tot essentiële geneesmiddelen en hoge prijzen van innoverende geneesmiddelen een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid en de duurzaamheid van de nationale gezondheidszorgstelsels;

L.  overwegende dat de prijzen van vele nieuwe geneesmiddelen, met name voor de behandeling van kanker, in de afgelopen decennia zijn gestegen tot een dusdanig niveau dat veel EU-burgers deze geneesmiddelen niet kunnen betalen;

M.  overwegende dat de industrie voor generieke en biosimilaire geneesmiddelen het merendeel van de geneesmiddelen aan EU-patiënten levert (bijna 70 % van de verstrekte geneesmiddelen);

N.  overwegende dat markttoegang voor generieke en biosimilaire geneesmiddelen een belangrijk mechanisme is om de concurrentie aan te zwengelen, de prijzen te verlagen en de duurzaamheid van gezondheidszorgstelsels te waarborgen; overwegende dat de markttoegang van deze geneesmiddelen geen vertraging mag oplopen;

O.  overwegende dat de in de EU gevestigde producenten van generieke geneesmiddelen een belangrijke rol moeten vervullen bij het voldoen van de toenemende vraag naar betaalbare geneesmiddelen in de lidstaten;

P.  overwegende dat de geneesmiddelen tegen kanker, diabetes, infecties en zenuwaandoeningen goed zijn voor meer dan de helft van de tekorten; overwegende dat specialistische injecteerbare geneesmiddelen het hoogste risico lopen dat er tekorten voor ontstaan, als gevolg van de complexiteit van het productieproces ervan;

Q.  overwegende dat geneesmiddelentekorten het welslagen in gevaar kunnen brengen van gezondheidsinitiatieven van de Unie en de lidstaten, zoals het Europees plan voor kankerbestrijding;

R.  overwegende dat in lidstaten met kleine markten geneesmiddelen voor de behandeling van zeldzame ziekten vaak niet beschikbaar zijn, of alleen tegen prijzen die veel hoger ligger dan op grotere markten;

S.  overwegende dat uit de COVID-19-pandemie is gebleken dat een goed werkende interne markt en degelijke toeleveringsketens voor geneesmiddelen en medische apparatuur belangrijk zijn; overwegende dat er behoefte is aan een Europese dialoog over de manier waarop dit kan worden gewaarborgd;

T.  overwegende dat ongecoördineerde initiatieven op nationaal niveau, zoals excessieve voorraden en boetes, niet de juiste aanpak zijn en tot een verhoogd risico op geneesmiddelentekorten kunnen leiden;

U.  overwegende dat het verlies van Europese onafhankelijkheid op het gebied van gezondheid verband houdt met de verplaatsing van de productie, waardoor 40 % van de afgewerkte geneesmiddelen die in de EU in de handel worden gebracht, afkomstig is uit derde landen; overwegende dat Europa een sterke productiecapaciteit heeft, maar dat de toeleveringsketen nog steeds in hoge mate afhankelijk is van onderaannemers voor de productie van farmaceutische grondstoffen buiten de EU, waar de arbeidskosten vaak lager zijn en de milieunormen minder streng, met als gevolg dat 60 tot 80 % van de werkzame chemische stoffen wordt geproduceerd buiten de EU, voornamelijk in China en India; overwegende dat dit 30 jaar geleden nog 20 % was; overwegende dat de twee genoemde landen naar verluidt wereldwijd 60 % van de paracetamol, 90 % van de penicilline, en 50 % van de ibuprofen produceren; overwegende dat het tot op heden niet verplicht is om patiënten en consumenten met behulp van voor hen zichtbare etiketten of etikettering te informeren over de herkomst en het land van productie van geneesmiddelen en actieve farmaceutische ingrediënten; overwegende dat de beperkte toegang tot de actieve farmaceutische ingrediënten die nodig zijn voor de vervaardiging van algemene geneesmiddelen bijzonder problematisch is; overwegende dat de verstoring van de mondiale toeleveringsketen als gevolg van de COVID-19-pandemie de afhankelijkheid van de EU van derde landen in de gezondheidszorg nog duidelijker heeft gemaakt; overwegende dat het nieuwe gegeven van de pandemie tevens de tekorten aan medische hulpmiddelen, producten en beschermingsmiddelen aan het licht heeft gebracht;

V.  overwegende dat de EU nog altijd over een sterke farmaceutische productiesector beschikt, met name in de innoverende sector, en dat zij de grootste exporteur van farmaceutische producten ter wereld is, in het kader van de mondiale handel in farmaceutische producten; overwegende dat het aanbod van generieke geneesmiddelen tegen lagere kosten op basis van productie buiten de EU ervoor zorgt dat geneesmiddelen betaalbaar zijn, met positieve gevolgen voor de gezondheidsbegrotingen van de lidstaten en de toegang van patiënten;

W.  overwegende dat de EU als gevolg van de COVID-19-gezondheidscrisis zal worden geconfronteerd met een economische crisis die van invloed zal zijn op de geneesmiddelentekorten en op het concurrentievermogen van haar farmaceutische industrie;

X.  overwegende dat het even belangrijk is de bestaande productievestigingen in de EU te beschermen en te onderhouden en het Europese onderzoekslandschap te versterken;

Y.  overwegende dat de toenemende vraag in combinatie met het comprimeren van de prijzen leidt tot een concentratie van het aanbod van actieve farmaceutische ingrediënten, een vermindering van het aantal operatoren voor de productie van chemische stoffen en het ontbreken van alternatieve oplossingen in geval van problemen, zoals gebleken is met de huidige COVID-19-crisis;

Z.  overwegende dat de voorraden geneesmiddelen van groot therapeutisch belang en van strategisch belang voor de gezondheid ontoereikend zijn, actieve farmaceutische ingrediënten goedkoop en eenvoudig te produceren zijn en er een groot tekort is aan rijpe geneesmiddelen, die van essentieel belang zijn voor de volksgezondheid; overwegende dat farmaceutische bedrijven opereren volgens de just-in-time-methode, waardoor producenten kwetsbaar kunnen zijn voor schokken aan de aanbodzijde in geval van onvoorziene verstoringen in de productie en de toeleveringsketen, of schommelingen in de behoeften van de markt;

AA.  overwegende dat verschillende prijzen tussen de lidstaten aanleiding geven tot parallelle export naar de landen waar het geneesmiddel duurder verkocht wordt; overwegende dat parallelle export in sommige gevallen het onbedoelde effect kan hebben dat verstoringen worden veroorzaakt in de toeleveringsketens in de lidstaten, met als gevolg onevenwichten op de markt; overwegende dat het in zijn resolutie van 2 maart 2017 de Commissie en de Raad heeft verzocht om de effecten te beoordelen van parallelhandel binnen de EU en leveringscontingenten;

AB.  overwegende dat bij gebrek aan effectieve coördinatie op Europees niveau de ongepaste aanleg van voorraden in sommige lidstaten leidt tot onevenwichtigheid op de markt, een toename van de geneesmiddelentekorten en een vermindering van de toegang tot behandeling voor patiënten in de hele EU;

AC.  overwegende dat ongecoördineerde maatregelen op nationaal niveau ondoeltreffend zijn gebleken om de COVID-19-crisis aan te pakken, en dat er behoefte is aan pan-Europese coördinatie en dialoog;

AD.  overwegende dat de COVID-19-pandemie heeft laten zien dat coördinatie tussen EU-instellingen, regelgevende instanties en deskundigen inzake farmaceutische toeleveringsketens van levensbelang is om te kunnen reageren op crises op het gebied van de volksgezondheid en op verstoringen bij de toelevering, leidend tot geneesmiddelentekorten; overwegende dat de pandemie ook duidelijk heeft gemaakt dat het belangrijk is dat de beleidsmaatregelen van de EU op elkaar worden afgestemd en dat de EU-diensten met elkaar overleg plegen om snel en efficiënt op noodsituaties te reageren en om geneesmiddelentekorten te voorkomen dan wel te beperken;

AE.  overwegende dat een toenemend aantal lidstaten streeft naar het aanleggen van nationale voorraden van medische producten en dat de daaruit voortvloeiende toename van de vraag de huidige voorspelling van de vraag op basis van de epidemiologische behoeften zou overtreffen; overwegende dat plotse grote pieken in de vraag leveranciers onder zware druk kunnen zetten en het bijgevolg moeilijker kunnen maken om aan de vraag te voldoen in andere landen;

AF.  overwegende dat de Europese landen door de financiële crisis van 2009 gedwongen werden onhoudbare kostenbeperkende maatregelen toe te passen – zoals terugvorderingen en inefficiënte aankoopmechanismen – teneinde de uitgaven voor geneesmiddelen terug te dringen, met als gevolg dat er producten en bedrijven van de markt zijn verdwenen;

AG.  overwegende dat het verkeer van geneesmiddelen binnen de interne markt wordt belemmerd door het ontbreken van geharmoniseerde regels tussen de lidstaten;

AH.  overwegende dat de COVID-19-crisis duidelijk heeft gemaakt dat er een verhoogd risico verbonden is aan pogingen om zorgvoorzieningen te verkrijgen via buitenlandse directe investeringen en dat het nodig is om deze waardevolle voorzieningen binnen de interne markt te behouden en om ze beter te delen;

AI.  overwegende dat een sterke, innoverende en concurrerende farmaceutische industrie in Europa van cruciaal belang is voor de EU en de lidstaten;

AJ.  overwegende dat de farmaceutische industrie het juiste rechtskader nodig heeft om zich binnen de EU bezig te houden met onderzoek, ontwikkeling en productie met betrekking tot farmaceutische producten;

AK.  overwegende dat octrooibescherming zorgt voor een juridisch kader, dat van groot belang is voor innovatie in de farmaceutische sector, omdat het bedrijven financiële stimulansen biedt om kosten te maken voor onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot nieuwe geneesmiddelen;

AL.  overwegende dat de lidstaten de vrijheid hebben verdere redenen vast te stellen voor het toekennen van dwanglicenties, en te bepalen wanneer er sprake is van een nationale noodsituatie;

AM.  overwegende dat de mechanismen om geneesmiddelentekorten te melden voor exploitanten van de toeleveringsketen en met name voor apothekers momenteel in de lidstaten zeer gefragmenteerd zijn; overwegende dat dit ervoor kan zorgen dat de autoriteiten in de lidstaten geen behoorlijk toezicht uitoefenen en niet goed met elkaar communiceren met betrekking tot geneesmiddelentekorten;

AN.  overwegende dat in artikel 81 van Richtlijn 2001/83/EG wordt gevraagd om maatregelen om geneesmiddelentekorten of problemen bij de distributie van geneesmiddelen in de lidstaten te voorkomen; overwegende dat de Commissie richtsnoeren inzake de optimale en rationele bevoorrading van geneesmiddelen heeft opgesteld om tekorten tijdens de COVID-19-pandemie te voorkomen; overwegende dat de Commissie in deze richtsnoeren beaamt dat geen enkel land zelfvoorzienend is wat betreft de grondstoffen, actieve farmaceutische ingrediënten, tussenproducten of afgewerkte geneesmiddelen die nodig zijn voor de goede werking van het zorgstelsel;

AO.  overwegende dat de respons van de lidstaten op de COVID-19-pandemie volgens de Commissie een aanzienlijke opvoering van de productie van zowel actieve farmaceutische ingrediënten als medische producten in de EU vereiste, als gevolg waarvan ook de bevoorradingsketens en productielijnen moesten worden gereorganiseerd; overwegende dat commissaris Stella Kyriakides tijdens een vergadering met leden van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI) van het Europees Parlement van 22 april 2020 in haar verklaringen heeft benadrukt dat de productie van geneesmiddelen en het niveau van innovatie binnen de EU moeten worden opgeschroefd; overwegende dat kleine en middelgrote farmaceutische laboratoria waardevol zijn en een kweekvijver vormen voor onderzoek en ontdekkingen en daarom in stand moeten worden gehouden en moeten worden ondersteund, aangezien ze kunnen bijdragen aan de voorkoming van geneesmiddelentekorten;

AP.  overwegende dat zowel in de resolutie van het Parlement van 8 maart 2011(13) als in de conclusies van de Raad van 13 september 2010 wordt beklemtoond dat er een gemeenschappelijke procedure moet komen voor de gezamenlijke aankoop van medische tegenmaatregelen, met name pandemische vaccins; overwegende dat de lidstaten in Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad(14) worden aangespoord om gebruik te maken van gezamenlijke aanbestedingsprocedures, mits deze procedures worden voorafgegaan door een gezamenlijke aanbestedingsovereenkomst van de deelnemende lidstaten;

AQ.  overwegende dat de Commissie heeft aangekondigd uiterlijk eind 2020 aanbevelingen voor een toekomstige farmaceutische strategie van de EU te zullen bekendmaken;

AR.  overwegende dat vervoers- en logistiek beheer van cruciaal belang zijn voor de aanvoer van geneesmiddelen, farmaceutische producten, medisch materiaal, persoonlijke veiligheidsapparatuur, andere medische uitrusting en grondstoffen, vooral gezien de steeds complexere aard van de vervoersketen; overwegende dat het belangrijk is om efficiënte green lanes met snelle rijstroken te hebben om de onbelemmerde levering van geneesmiddelen te waarborgen, administratieve belemmeringen te beperken en de toegang tot vervoersdiensten te vergemakkelijken;

AS.  overwegende dat strenge veiligheidsnormen en het behoud van behoorlijke arbeidsvoorwaarden voor werkenden gewaarborgd moeten worden; overwegende dat farmaceutische regelgeving de kwaliteit, kwantiteit, veiligheid en doeltreffendheid van de aanvoer van geneesmiddelen tussen lidstaten moet waarborgen;

AT.  overwegende dat patiënten afhankelijk zijn van eerlijke en doeltreffende toegang tot geneesmiddelen op basis van een duurzame, concurrerende en goed functionerende eengemaakte markt met meerdere bronnen, waar de interne Europese vervoersruimte deel van uitmaakt;

AU.  overwegende dat de COVID-19-uitbraak duidelijk heeft gemaakt dat het verkeer van geneesmiddelen binnen en buiten de EU van essentieel belang is om een oplossing te vinden voor bestaande beperkingen en voorrang te geven aan het verkeer van essentiële goederen;

AV.  overwegende dat het noodzakelijk is om te voorkomen dat de COVID-19-uitbraak ervoor zorgt dat de sociaal-economische en leefomstandigheden van kwetsbare burgers verslechteren;

AW.  overwegende dat het grotere aantal epidemieën, de ruimere geografische verspreiding ervan en de grotere impact ervan deels te wijten zijn aan de klimaatverandering, in combinatie met de mondialisering, de verstedelijking en het feit dat er meer gereisd wordt; overwegende dat het Europese toezicht is aangescherpt ten aanzien van vectorziekten als malaria, dengue, chikungunya, zika en het westnijlvirus;

AX.  overwegende dat er een toegenomen correlatie bestaat tussen de vernietiging van biodiversiteit, illegale handel in wilde dieren, de uitbreiding van door de mens gecreëerde habitats en schade aan natuurgebieden met een hoge menselijke dichtheid, alsmede niet-duurzame methoden van voedselproductie, en de verspreiding van zoönosen, d.w.z. de overgang op mensen en snelle verspreiding van dierlijke ziektekiemen; overwegende dat de biodiversiteit een belangrijke bron vormt voor bestaande geneesmiddelen en de ontwikkeling van mogelijke toekomstige geneesmiddelen;

1.  benadrukt het feit dat het voor de Unie een geostrategische noodzaak is om haar onafhankelijkheid op het gebied van gezondheidszorg terug te winnen, teneinde snel en op efficiënte wijze de voorziening veilig te stellen van betaalbare geneesmiddelen, medische apparatuur, medische hulpmiddelen, werkzame stoffen, diagnose-instrumenten en vaccins en tekorten daarvan te voorkomen, en daarbij voorrang te geven aan de belangen en de veiligheid van de patiënten; benadrukt het feit dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat alle lidstaten eerlijke toegang hebben tot de toeleveringsketen; wijst erop dat de farmaceutische industrie van de Unie met het oog hierop moet beschikken over een gediversifieerde bevoorradingsketen en een plan ter beperking van het risico op geneesmiddelentekorten, om eventuele zwakke plekken en risico’s in haar toeleveringsketen aan te pakken;

2.  wijst erop dat de lidstaten weliswaar verantwoordelijk zijn voor de vaststelling en organisatie van hun gezondheidsbeleid, maar dat de Unie verantwoordelijk is voor de farmaceutische wetgeving en voor diverse beleidsmaatregelen op het gebied van volksgezondheid, en dat het de taak van de EU is om de nationale maatregelen ter waarborging van de toegang tot betaalbare en hoogwaardige gezondheidszorg voor alle burgers en inwoners van de EU te coördineren en aan te vullen;

3.  benadrukt het feit dat het belangrijk is altijd de belangen en de veiligheid van patiënten centraal te stellen in het gezondheidsbeleid en alle discriminatie in de toegang tot geneesmiddelen en behandelingen uit te sluiten, alsmede het feit dat er tussen de lidstaten nauwer moet worden samengewerkt en gecoördineerd en dat de uitwisseling van goede praktijken moet worden gefaciliteerd; benadrukt het feit dat patiënten schade kunnen lijden als gevolg van tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten nauw samen te werken om de veerkracht en de duurzaamheid van de toeleveringsketen in de gezondheidszorg te beschermen en de continue beschikbaarheid van geneesmiddelen te garanderen;

4.  benadrukt het feit dat geneesmiddelentekorten een ernstige bedreiging vormen van het recht van patiënten in de EU op essentiële medische zorg, en dat zij leiden tot ongelijkheden tussen patiënten op basis van het land waar zij wonen, alsmede een verstoring kunnen veroorzaken van de interne markt;

5.  benadrukt het feit dat het belangrijk is te beschikken over op EU-niveau geharmoniseerde definities van “tekort”, “spanning”, “verstoring van de aanvoer”, “uitgeputte voorraad” en “excessieve voorraad”; verzoekt de Commissie om in nauwe samenwerking met de lidstaten en alle belanghebbenden, inclusief patiëntenorganisaties, deze geharmoniseerde definities te ontwikkelen; verzoekt de Commissie met name om de door de gezamenlijke taskforce van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de hoofden van de geneesmiddelenagentschappen (HMA’s) in 2019 voorgestelde definitie van “tekort” te versterken; verzoekt de Commissie een onderscheid te maken tussen “geneesmiddelen van groot therapeutisch belang” (médicaments d’intérêt thérapeutique majeur, MITM), d.w.z. geneesmiddelen waarvoor een onderbreking van de behandeling waarschijnlijk de levensprognose van patiënten op korte of middellange termijn in gevaar brengt of de kansen van de patiënt met betrekking tot het progressieve potentieel van de ziekte aanzienlijk vermindert, of waarvoor geen geschikte therapeutische alternatieven in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn, en “geneesmiddelen die van strategisch belang zijn voor de gezondheid” (médicaments d’intérêt sanitaire et stratégique, MISS), waarvoor de onderbreking van de behandeling een onmiddellijke bedreiging vormt voor het leven van de patiënt;

6.  acht het van essentieel belang dat de diverse onderliggende oorzaken van het tekort aan geneesmiddelen worden beoordeeld en aangepakt; is in verband hiermee verheugd over de door de Commissie gestarte aanbesteding voor een studie naar de oorzaken van het tekort aan geneesmiddelen in de Unie en dringt erop aan dat de studie uiterlijk eind dit jaar wordt gepubliceerd; vraagt evenwel dat ook een onderzoek wordt uitgevoerd naar de gevolgen van geneesmiddelentekorten voor de zorg, behandeling en gezondheid van patiënten;

7.  verzoekt de Commissie in het kader van haar geplande farmaceutische strategie ambitieuze en concrete maatregelen voor te stellen om deze problemen aan te pakken; vraagt de Commissie om in het voor 2021 geplande wetsvoorstel inzake zorgvuldigheid voor ondernemingen ook maatregelen op te nemen voor de farmaceutische sector;

8.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een nieuw Europees gezondheidsprogramma (EU4Health) en met het feit dat een van de doelstellingen ervan de bevordering is van de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van geneesmiddelen en medische apparatuur; roept op tot een gezamenlijke actie ter voorkoming van geneesmiddelentekorten, die met middelen van het toekomstige gezondheidsprogramma moet worden gefinancierd;

9.  brengt in herinnering dat geneesmiddelentekorten een wereldwijde uitdaging vormen; benadrukt het feit dat ontwikkelingslanden, zoals een aantal Afrikaanse landen, het zwaarst door deze tekorten worden getroffen; dringt erop aan dat de toegang tot geneesmiddelen in ontwikkelingslanden wordt aangepakt in een ruimere context in het kader van de WHO; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun steun aan de ontwikkelingslanden te verhogen, met name door middel van de strategische reserve in het kader van het rescEU-mechanisme;

10.  onderstreept het feit dat iedereen recht heeft op een levensstandaard die toereikend is voor zijn eigen gezondheid en welzijn en die van zijn gezin, zoals vastgesteld in artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens; herinnert er in verband hiermee aan dat de EU zich ertoe heeft verplicht in al haar beleidsmaatregelen en werkzaamheden een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen, overeenkomstig artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, met volledige inachtneming van haar internationale verplichtingen, met name in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en duurzameontwikkelingsdoelstelling 3 (“Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd”);

De voorziening in het belang van de patiënten veiligstellen, de toegang tot medische zorg voor alle patiënten waarborgen en de onafhankelijkheid van de EU op het gebied van gezondheid herstellen

11.  brengt in herinnering dat geneesmiddelentekorten rechtstreeks van invloed zijn op de gezondheid en veiligheid van patiënten, alsook op de voortzetting van hun behandeling; benadrukt dat geneesmiddelentekorten voor patiënten de volgende gevolgen hebben: ziekteprogressie en/of een verergering van de klachten als gevolg van het uitstellen van de behandeling, de vermijdbare overdracht van infectieziekten, een verhoogd risico op blootstelling aan vervalste geneesmiddelen en ernstige psychische problemen voor patiënten en hun familie; herinnert eraan dat geen enkele lidstaat zelfvoorzienend is wat de grondstoffen, tussenproducten, actieve farmaceutische ingrediënten en afgewerkte geneesmiddelen betreft die nodig zijn voor de goede werking van zijn gezondheidszorgstelsel;

12.  merkt op dat de risico’s het grootst zijn voor kwetsbare personen, zoals kinderen, bejaarden, zwangere vrouwen, personen met een handicap, patiënten met een chronische ziekte of kanker en personen op een intensivecareafdeling;

13.  herinnert aan de tekorten aan hormonale geneesmiddelen voor vrouwen bestemd voor anticonceptie en hormoonvervangende therapie; stelt met bezorgdheid vast dat deze tekorten risico’s opleveren voor de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes; benadrukt het feit dat het belangrijk is de productie van deze geneesmiddelen, het aanleggen van voorraden ervan en het in de handel brengen ervan beter te controleren en te beheren, om continuïteit in de toeleveringsketen, eerlijke prijsstelling en beschikbaarheid voor vrouwen te waarborgen;

14.  benadrukt het feit dat een hogere prijs voor het aan de patiënt aangeboden vervangende geneesmiddel, een lager terugbetalingstarief of het ontbreken van terugbetaling in diverse lidstaten grote belemmeringen zijn voor de toegang tot geneesmiddelen voor personen met een laag inkomen of personen die lijden aan een chronische ziekte; verzoekt de lidstaten in geval van leveringstekorten toegang te garanderen tot een vervangend geneesmiddel tegen een vergelijkbare prijs of op basis van een vergelijkbare terugbetaling;

15.  verzoekt de Commissie in de EU-statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC) gegevens op te nemen over zelfgerapporteerde onvervulde behoeften met betrekking tot de toegang tot geneesmiddelen, aangezien de toegang tot geneesmiddelen momenteel in de EU-SILC niet wordt gemeten;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de snelle maatregelen te nemen die nodig zijn om de continuïteit van de voorziening van medische producten te waarborgen, de afhankelijkheid van de EU van derde landen te verminderen en de lokale farmaceutische productie te ondersteunen, waarbij in nauwe samenwerking met de lidstaten prioriteit wordt gegeven aan geneesmiddelen die van strategisch belang zijn voor de gezondheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten met de hulp van de belanghebbenden een kaart op te stellen van de productievestigingen van de EU in derde landen, alsmede een aanpasbare kaart, die kan worden gebruikt als referentie, van de bestaande en potentiële productievestigingen in de EU, om de capaciteiten van deze vestigingen te kunnen handhaven, moderniseren en opvoeren, waar dat nodig, mogelijk en haalbaar is; benadrukt het feit dat het belangrijk is dat de farmaceutische industrie over de nodige capaciteit beschikt om te reageren op plotse toenamen van de vraag in kritieke situaties;

17.  verzoekt de Commissie in haar komende farmaceutische strategie en industriestrategie de kwesties aan te pakken in verband met de beschikbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen, de samenwerking tussen nationale regelgevende instanties en de afhankelijkheid van de EU van derde landen met betrekking tot productiecapaciteit, levering van actieve farmaceutische ingrediënten en basismaterialen; is van mening dat de genoemde strategieën regelgevingsmaatregelen moeten omvatten en dat in het kader ervan de productie moet worden aangemoedigd van essentiële actieve farmaceutische ingrediënten en geneesmiddelen in Europa, met als doel geneesmiddelen verkrijgbaar, betaalbaar, duurzaam en in gelijke mate toegankelijk te maken;

18.  verzoekt de Commissie om van het tekort aan geneesmiddelen een van de pijlers van de komende farmaceutische strategie te maken en een door het EMA gecontroleerd farmaceutisch forum te creëren waarin beleidsmakers, regelgevende instanties, betalende instanties, patiënten- en consumentenorganisaties, vertegenwoordigers van de sector en andere belanghebbenden in de zorgketen bij elkaar worden gebracht om tekorten te voorkomen, kwesties in verband met de houdbaarheid van de farmaceutische industrie aan te pakken en het concurrentievermogen van de Europese farmaceutische industrie te waarborgen; verzoekt de Commissie met name intensiever overleg te plegen met de belanghebbenden en met internationale actoren voor de beoordeling van nieuwe behandelingen en vaccins, alsook met het EMA om manieren te vinden voor een snelle onderlinge aanpassing van de wetenschappelijke beoordelingen tussen de nationale agentschappen, inclusief samenwerking in de aan de beoordeling voorafgaande fase vóór de beschikbaarheid van doorslaggevende klinische gegevens, onderlinge afstemming van de gegevensproductie na de goedkeuring en flexibele manieren om de productie van behandelingen en vaccins op te schalen;

19.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat haar farmaceutische strategie gegarandeerd de bestrijding omvat van ontoelaatbare handelspraktijken waar dan ook in het geneesmiddelencircuit, die de transparantie en de evenwichtige verhoudingen kunnen verstoren tussen de diverse publieke en particuliere entiteiten die direct of indirect betrokken zijn bij het verlenen van de essentiële openbare dienst om toegang tot geneesmiddelen te garanderen;

20.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, indien dit nodig is voor het algemeen belang, de invoering te overwegen van maatregelen en financiële stimulansen die stroken met de staatssteunregels en de beleidsmaatregelen op het gebied van duurzaamheid in ruil voor toezeggingen, om de sterke industriële basis van de farmaceutische industrie in Europa te beschermen en de industrie ertoe aan te zetten haar activiteiten te vestigen in de EU, van de productie van actieve farmaceutische ingrediënten tot de productie, verpakking en distributie van geneesmiddelen; dringt er bij de lidstaten op aan bestaande operaties veilig te stellen, bijvoorbeeld door investeringen in de kwaliteit van geneesmiddelen en in de continuïteit van de voorziening te belonen; herinnert eraan dat deze sector strategisch belangrijk is en dat het belangrijk is te investeren in Europese ondernemingen om de hulpbronnen te diversifiëren en de ontwikkeling te stimuleren van innoverende productietechnologieën die het reactievermogen van volledige productielijnen kunnen verbeteren; herinnert eraan dat alle overheidsfinanciering afhankelijk moet worden gesteld van volledige transparantie en traceerbaarheid van de investeringen, van leveringsverplichtingen op de Europese markt en van het faciliteren van het beste resultaat voor de patiënten, inclusief wat de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de vervaardigde geneesmiddelen betreft;

21.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem een gepast economisch kader te creëren om de bestaande productiecapaciteit van geneesmiddelen, technologie en actieve farmaceutische ingrediënten in Europa veilig te stellen en te moderniseren, bijvoorbeeld door investeringen in de kwaliteit van geneesmiddelen en de continuïteit van de voorziening te belonen;

22.  benadrukt het feit dat de farmaceutische sector nog steeds een belangrijke industriële pijler is, alsmede een drijvende kracht op het gebied van banencreatie;

23.  is van mening dat de Europese Green Deal een uitgelezen kans is om de farmaceutische producenten aan te moedigen deel te nemen aan het groene herstelplan door geneesmiddelen te vervaardigen in overeenstemming met de ecologische en milieunormen;

24.  onderstreept het feit dat een volledige repatriëring van de medische toeleveringsketens in de huidige mondiale economie wellicht niet haalbaar is; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de multilaterale partners van de EU, in het bijzonder de WHO en de WTO, een internationaal kader vast te stellen om de kwaliteit en integriteit van de mondiale toeleveringsketens te waarborgen, teneinde het gebruik van schadelijke protectionistische maatregelen te beperken, met inachtneming van de hoogste arbeids- en milieunormen in de productie wereldwijd; verzoekt de Commissie in deze context om in de farmaceutische strategie maatregelen op te nemen om het hoofd te bieden aan verstoringen in de mondiale waardeketens; verzoekt de Commissie de kwesties in verband met de voorziening van geneesmiddelen aan te pakken, onder meer in het kader van de komende herziening van het handelsbeleid;

25.  merkt op dat het voor bepaalde biologische geneesmiddelen, bijvoorbeeld geneesmiddelen op basis van bloed en plasma, essentieel zal zijn dat Europa haar inzamelingscapaciteit voor bloed en plasma kan vergroten om haar afhankelijkheid van de invoer van plasma uit derde landen te verminderen; verzoekt de Commissie om de herziening van de wetgeving inzake bloed, weefsels en cellen (Richtlijn 2002/98/EG(15) en Richtlijn 2004/23/EG(16)) te versnellen om het risico op tekorten van deze essentiële levensreddende geneesmiddelen te beperken;

26.  herinnert eraan dat in de artikelen 81 en 23 bis van Richtlijn 2001/83/EG algemene verplichtingen inzake de levering van geneesmiddelen zijn vastgesteld voor de houders van vergunningen voor het in de handel brengen en groothandelaars, evenals een meldingsplicht in het geval van een tijdelijke of definitieve stopzetting van de levering; betreurt echter de verschillen die de Commissie heeft geconstateerd bij de omzetting van deze verplichtingen in nationale wetgeving; verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat houders van een vergunning voor het in de handel brengen en groothandelaars voldoen aan het vereiste van Richtlijn 2001/83/EG om te zorgen voor een gepaste en ononderbroken levering van geneesmiddelen; verzoekt de Commissie de verplichtingen van houders van een vergunning voor het in de handel brengen uit hoofde van Richtlijn 2001/83/EG te verduidelijken en wijst op de noodzaak ervoor te zorgen dat zij alle geneesmiddelentekorten binnen de gestelde termijnen melden; benadrukt het feit dat afschrikkende en evenredige sancties moeten worden toegepast in geval van niet-naleving van deze wettelijke verplichtingen overeenkomstig met het bestaande wetgevingskader;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de invoering te overwegen van geharmoniseerde plannen voor de preventie en het beheer van tekorten, op grond waarvan bedrijven verplicht zijn de geneesmiddelen van groot therapeutisch belang te identificeren waarvoor preventieve en corrigerende maatregelen moeten worden genomen om onderbrekingen van de levering te voorkomen of te beperken; wijst erop dat deze plannen oplossingen moeten omvatten voor de strategische opslag van geneesmiddelen, om levering gedurende een redelijke periode te garanderen, alsmede transparante, permanente communicatiemechanismen aan de hand waarvan patiënten en gezondheidswerkers tekorten kunnen melden en voorzien; verzoekt de Commissie met klem richtsnoeren te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat nationale initiatieven voor de aanleg van voorraden in verhouding staan tot de behoefte en geen onbedoelde gevolgen hebben in andere lidstaten;

28.  merkt op dat continuïteit van de voorziening een essentiële factor is om tekorten te bestrijden en moet worden gehanteerd als kwaliteitscriterium bij de plaatsing van overheidsopdrachten voor apotheken en de publicatie van offerteaanvragen voor de levering van geneesmiddelen, overeenkomstig de aanbeveling in artikel 67 van Richtlijn 2014/24/EU; benadrukt het feit dat gediversifieerde bevoorrading en inkooppraktijken voor geneesmiddelen belangrijk zijn; dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van Richtlijn 2014/24/EU snel richtsnoeren voor de lidstaten voor te stellen, met name met betrekking tot de manier om de criteria inzake de economisch voordeligste inschrijving het beste toe te passen, waarbij verder gekeken wordt dan alleen naar het criterium van de laagste prijs; stelt voor dat investeringen in de productie van werkzame stoffen en afgewerkte geneesmiddelen binnen de EU eveneens als criterium worden gehanteerd, alsook het aantal productievestigingen en de ligging ervan, de betrouwbaarheid van de leveringen, de herinvestering van winsten in O&O en de toepassing van sociale, ecologische, ethische en kwaliteitsnormen;

29.  merkt op dat aanbestedingsprocedures met slechts één geselecteerde inschrijver en/of één productielocatie voor de basisstof de kwetsbaarheid kunnen vergroten in geval van onderbreking van de voorziening; verzoekt de Commissie en de lidstaten te overwegen om aanbestedingssystemen in te voeren waarbij meer dan één inschrijver kan worden geselecteerd, waaronder gezamenlijke inschrijvers, door zich te richten op productie in de EU en door ten minste twee verschillende bronnen voor de basisstof te waarborgen, teneinde de concurrentie op de markt te handhaven en het risico op tekorten te verminderen, en tegelijk kwalitatief hoogstaande zorg en betaalbare behandelingen voor patiënten te garanderen; vraagt de Commissie om te onderzoeken of het mogelijk is een wetgevingskader te creëren dat zorgstelsels stimuleert en in staat stelt om inschrijvingen te openen waarbij farmaceutische bedrijven worden geselecteerd die de voorziening van geneesmiddelen ook in moeilijke omstandigheden garanderen;

30.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid te onderzoeken een of meer Europese farmaceutische instellingen zonder winstoogmerk en van algemeen belang op te richten om geneesmiddelen die van strategisch belang zijn voor de gezondheid en de gezondheidszorg te produceren bij gebrek aan bestaande industriële productie, zodat de voorzieningszekerheid kan worden vervolledigd en gewaarborgd en tekorten in noodsituaties kunnen worden voorkomen; wijst op de essentiële rol die nieuwe technologieën, digitalisering en kunstmatige intelligentie kunnen spelen doordat zij onderzoekers van Europese laboratoria in staat stellen in een netwerk te werken en hun doelstellingen en resultaten te delen, met volledige inachtneming van het Europees kader voor gegevensbescherming;

31.  roept de Commissie op om de positieve rol die artificiële intelligentie zou kunnen spelen in de snelle en betrouwbare levering van medische hulpmiddelen, zorgvuldig te beoordelen;

32.  benadrukt het belang van publiek-private partnerschappen, zoals het Europees initiatief innovatieve geneesmiddelen (IMI), in het kader van programma’s voor onderzoek en innovatie; is van mening dat de Commissie ook de oprichting van een Europees model van de Amerikaanse Biomedical Advanced Research and Development Authority moet overwegen;

33.  benadrukt dat de dringende behoefte aan geneesmiddelen en medische uitrusting er niet toe mag leiden dat de kwaliteit, veiligheid, doeltreffendheid en kostenefficiëntie van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en gezondheidsproducten in gevaar komen;

34.  verzoekt de Commissie om actie te ondernemen tegen de verspreiding van vervalste geneesmiddelen door onbevoegde websites en verkopers, waarover momenteel de bezorgdheid groeit; is van mening dat deze praktijk zeer schadelijk kan zijn en ernstige gezondheidsproblemen bij EU-burgers kan veroorzaken of hun aandoeningen kan verergeren; benadrukt dat EU-coördinatie bij het in kaart brengen en bestrijden van nagemaakte geneesmiddelen essentieel is;

35.  dringt aan op een betere dialoog tussen de farmaceutische industrie en andere productiesectoren, zoals de landbouw-, tuinbouw- en bosbouwsector, met het oog op de ontwikkeling van werkzame stoffen in de EU; dringt aan op het bestrijden van de overspecialisatie in bepaalde sectoren en op massale investeringen in onderzoek, bio-economie en biotechnologie, met het oog op een diversifiëring van de hulpbronnen; is van mening dat bij het herstel van de Europese industrie voorrang moet worden gegeven aan de gelijktijdige digitale en ecologische transformatie van onze samenleving en het opbouwen van weerbaarheid tegen externe schokken;

36.  onderstreept het belang van hoogwaardig medisch onderzoek en innovatie, ook op het gebied van niet-geoctrooieerde middelen; dringt aan op de instelling van een echt Europees netwerk ter ondersteuning van therapeutisch en medisch onderzoek en onderstreept dat het verplaatsen van ondernemingen niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van medisch onderzoek; benadrukt dat een stabiel onderzoeks-en ontwikkelingssysteem een gunstige uitwerking kan hebben op de productiecapaciteit en de leveringsstabiliteit;

37.  erkent dat de op onderzoek gebaseerde farmaceutische industrie een essentiële sector is die bijdraagt aan het waarborgen van de hoogwaardige productie en voorziening van geneesmiddelen, toekomstige innovaties om te voorzien in onvervulde behoeften en aan het ondersteunen van de veerkracht, alertheid en paraatheid van gezondheidsstelsels met het oog op toekomstige uitdagingen, waaronder pandemieën;

38.  vraagt de Commissie een omgeving te creëren waarin de op onderzoek gebaseerde geneesmiddelenindustrie wordt gestimuleerd om betaalbare oplossingen te ontwikkelen voor onvervulde medische behoeften, zoals de strijd tegen antimicrobiële resistentie; verzoekt de Commissie een robuust Europees systeem van intellectuele-eigendomsrechten in stand te houden in het kader van de aankomende farmaceutische strategie, om onderzoek en ontwikkeling (O&O), evenals productie in Europa aan te moedigen, ervoor te zorgen dat Europa innovatief en wereldwijd toonaangevend blijft, en tot slot de strategische onafhankelijkheid van Europa op het gebied van volksgezondheid te beschermen en te versterken;

39.  dringt er bij de Commissie op aan om maatregelen voor te stellen ter stimulering van een grotere deelname van kleine en middelgrote EU-ondernemingen (kmo’s) aan de bevoorradingsketen voor geneesmiddelen, gezien de essentiële rol die deze ondernemingen spelen op het gebied van onderzoek en innovatie, en gezien het feit dat zij van nature het zwaartepunt van hun productie snel kunnen verschuiven om onverwachte schokken beter op te kunnen vangen;

40.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een omgeving te creëren waarin Europa nog altijd een aantrekkelijke locatie is voor O&O-investeringen om de actieve en concurrerende, op onderzoek gebaseerde geneesmiddelenindustrie in stand te houden en ervoor te zorgen dat deze wordt ondersteund door aanvullende investeringen in O&O-capaciteit en in infrastructuur, waaronder universiteiten, rekening houdend met het feit dat de EU nog altijd veruit de toonaangevendste regio ter wereld is wat de vervaardiging van werkzame stoffen voor geoctrooieerde geneesmiddelen betreft; verzoekt de Commissie te voorzien in passende financiële middelen in het kader van Horizon Europa en andere EU-programma’s, de onderzoeks- en investeringsactiviteiten (O&I-activiteiten) van de EU ter ondersteuning van de productie in belangrijke industriële sectoren, met inbegrip van de geneesmiddelenindustrie, te versterken, en daarbij via Europese samenwerkingsprojecten en -programma’s te streven naar geografisch evenwicht en deelname door lidstaten die minder actief zijn op het gebied van I&O, met inachtneming van het beginsel van topkwaliteit;

41.  benadrukt het feit dat in het kader van Horizon 2020 reeds financiering is verstrekt voor een groot aantal onderzoeks- en innovatie-activiteiten op het gebied van gezondheid; onderstreept dat de financiering van onderzoek in verband met het coronavirus niet ten koste mag gaan van andere gezondheidsprioriteiten in het kader van Horizon 2020; pleit voor de verstrekking van meer financiering in het kader van Horizon Europa voor de verwezenlijking en ondersteuning van op geneesmiddelenonderzoek en medische innovatie gerichte ecosystemen, met inbegrip van publiek-private partnerschappen en steun voor openbaar onderzoek in innovatieve sectoren met een hoge toegevoegde waarde; beklemtoont dat een toonaangevend ecosysteem op het gebied van medisch onderzoek vaardigheden, netwerken en academische betrekkingen, infrastructuur voor gezondheidsgegevens, een goed werkend regelgevingskader en beleid op het gebied van intellectuele eigendom vereist die innovatie stimuleren; pleit voor de herziening van de bestaande prikkels ter stimulering van onderzoek naar zogenaamde “weesgeneesmiddelen” om te bepalen of deze succesvol zijn, en pleit voor de invoering van nieuwe prikkels indien dit niet het geval is; onderstreept dat Horizon Europa en andere EU-programma’s moeten voorzien in ondersteuning op het gebied van zeldzame aandoeningen, en dat onderzoek, beste praktijken, klinische proeven en geneesmiddelen met betrekking tot zeldzame aandoeningen ten behoeve van de burgers van alle lidstaten beschikbaar moeten worden gesteld; herinnert aan het belang van niet-exclusieve vergunningen voor de beperking van tekorten en de stabilisering van de prijzen van geneesmiddelen, met name tijdens gezondheidscrises;

42.  verzoekt de Commissie na te gaan welke gevolgen het coronavirus heeft gehad voor de industrie en kmo’s, en met een nieuwe Europese industriestrategie te komen waarin prioriteit wordt toegekend aan de gelijktijdige digitale en ecologische transformatie van onze samenlevingen, alsook aan de opbouw van veerkracht om externe schokken op te kunnen vangen; dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten in staat te stellen alle nodige stappen te nemen om ervoor te zorgen dat kleine en middelgrote farmaceutische ondernemingen hun onderzoeksactiviteiten voortzetten of hervatten en bijdragen aan de diversificatie van onze productie en de instandhouding van de daaraan verbonden banen, en legt daarbij de nadruk op het belang van duurzame, ethische en hoogwaardige productie voor banen, groei en het concurrentievermogen;

43.  benadrukt dat patiëntenverenigingen meer betrokken moeten worden bij het vaststellen van onderzoeksstrategieën met betrekking tot openbare en particuliere klinische proeven teneinde te waarborgen dat deze proeven voorzien in de onvervulde behoeften van patiënten in Europa;

44.  vraagt de Commissie de transparantie van overheidsinvesteringen met betrekking tot de O&O-kosten van geneesmiddelen te bevorderen, zodat deze investeringen tot uitdrukking komen in de beschikbaarheid en prijsstelling voor het publiek; herinnert aan zijn standpunt over Richtlijn 89/105/EG(17) en verzoekt de Commissie in verband daarmee passende maatregelen te nemen in het kader van de komende strategie voor de farmaceutische sector, onder meer door een herziening van de richtlijn in overweging te nemen;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om buitenlandse directe investeringen in farmaceutische fabrieken die deel uitmaken van Europa’s kritieke infrastructuur op het gebied van gezondheid, aan een grondig onderzoek te onderwerpen;

46.  benadrukt dat gewaarborgd moet worden dat zorgverleners en het publiek toegang hebben tot veilige en effectieve geneesmiddelen en gezondheidsproducten van goede kwaliteit door toe te zien op en regels op te stellen voor voortdurende naleving van goede klinische praktijken met betrekking tot de toelating van klinische proeven en de uitvoering daarvan, in overeenstemming met de hoogste gezondheidsbeschermingsnormen;

47.  roept op tot versterking van de Europese geneesmiddelenmarkt om patiënten sneller toegang te bieden tot geneesmiddelen, zorg betaalbaarder te maken, maximale besparingen voor de nationale zorgbudgetten mogelijk te maken en administratieve lasten voor farmaceutische bedrijven te voorkomen;

48.  wijst erop dat generieke en biosimilaire geneesmiddelen kunnen leiden tot meer concurrentie, lagere prijzen en besparingen voor de gezondheidszorgstelsels, en zo kunnen bijdragen tot een betere toegang tot geneesmiddelen voor patiënten;

49.  onderstreept dat de meerwaarde en de economische gevolgen van biosimilaire geneesmiddelen voor de duurzaamheid van de gezondheidszorgstelsels moeten worden onderzocht, dat de markttoegang van deze geneesmiddelen niet mag worden vertraagd en dat in voorkomend geval maatregelen moeten worden bestudeerd die het op de markt brengen ervan bevorderen;

50.  betreurt de octrooigeschillen die tot doel hebben de markttoegang voor generieke geneesmiddelen te vertragen; verzoekt de Commissie om te waarborgen dat het einde van de periode van marktexclusiviteit door de innovator in acht wordt genomen;

51.  is bezorgd over de mogelijke negatieve gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU voor de levering van geneesmiddelen, met name voor Ierland; dringt aan op opname in de toekomstige overeenkomst inzake de betrekkingen met het VK van gerichte bepalingen, zoals overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning, die beide partijen in staat stellen te reageren op nieuwe bedreigingen voor de gezondheid en te zorgen voor een continue en snelle toegang tot veilige geneesmiddelen en medische hulpmiddelen voor patiënten en voor noodplannen in het geval van een “no deal”;

Krachtiger optreden op Europees niveau om het gezondheidsbeleid van de lidstaten beter te coördineren en aan te vullen

52.  beveelt de Commissie, de lidstaten en de industrie aan om onder leiding van het EMA, gezamenlijk te werken aan een grotere transparantie van de productie- en distributieketen van geneesmiddelen en een Europese eenheid voor het voorkomen en beheren van tekorten op te zetten;

53.  roept de lidstaten op om gelijktijdig en in nauwe samenwerking met de Commissie en andere betrokken partijen alternatieve benaderingen te verkennen om voor adequate voorraden te zorgen, zoals de doeltreffende handhaving van bestaande reglementaire vereisten bij alle actoren in de bevoorradingsketen op nationaal niveau, samen met maatregelen om de transparantie binnen de bevoorradingsketen te vergroten;

54.  verzoekt de Commissie op Europees niveau gezondheidsstrategieën te ontwikkelen op basis van een gemeenschappelijke korf van geneesmiddelen tegen kanker, infecties en zeldzame ziekten en op andere gebieden, om de toegang van patiënten tot een behandeling te waarborgen, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in de klinische aanpak van de lidstaten; verzoekt de Commissie ook de mogelijkheid te onderzoeken van geharmoniseerde prijsstellingscriteria om deze geneesmiddelen betaalbaar te maken in een poging om terugkerende tekorten tegen te gaan, waarbij rekening wordt gehouden met de koopkrachtpariteit in alle lidstaten;

55.  verzoekt de Commissie de kwestie van het tekort aan oncologische geneesmiddelen centraal te stellen in het onderdeel over behandeling in het toekomstig Europees kankerbestrijdingsplan;

56.  roept op om bepaalde beproefde geneesmiddelen een speciale status te verlenen, die gepaard gaat met prikkels voor de producenten van die middelen om hun producten op de Europese markt te blijven brengen en zo de diversificatie van de Europese productie te waarborgen;

57.  dringt er bij de Commissie op aan een Europese strategische reserve in het leven te roepen van geneesmiddelen die van strategisch belang zijn voor de gezondheid (médicaments d’intérêt sanitaire et stratégique, MISS) en waarvoor een hoog risico op tekorten bestaat, met het oog op het opvangen van terugkerende tekorten en het opzetten van een Europese noodapotheek, naar het voorbeeld van het rescEU-mechanisme; dringt erop aan dat deze reserve in verhouding staat tot het doel en moet worden gebruikt op een wijze die transparant, controleerbaar en billijk is voor alle lidstaten; benadrukt dat een dergelijk mechanisme zorgvuldig moet worden beheerd, met bijzondere aandacht voor houdbaarheid en het vermijden van verspilling;

58.  vraagt dat er een Europese regelgevingsinstantie wordt aangewezen om samen met de Commissie een mechanisme op te zetten voor de eerlijke toewijzing van de geneesmiddelen uit de Europese noodreserve aan lidstaten die kampen met onderbrekingen of tekorten in de bevoorrading; verzoekt deze aangewezen Europese regelgevende instantie onafhankelijke en transparante evaluaties te plannen om ervoor te zorgen dat alle lidstaten gelijk worden behandeld;

59.  verzoekt de Commissie en de lidstaten innoverende, gecoördineerde strategieën te ontwikkelen en de uitwisseling van goede praktijken inzake voorraden te intensiveren; is van mening dat het EMA de meest geschikte instantie is om te worden aangewezen als de regelgevende instantie die belast is met het voorkomen van tekorten aan geneesmiddelen op EU-niveau in noodsituaties en daarbuiten, waarvoor het een ruimer mandaat en meer middelen moet krijgen; roept de Commissie daarom op de huidige wetgeving aan te passen en de capaciteiten van het EMA te versterken; onderstreept dat het EMA op lange termijn in staat moet zijn om handelsvergunningen te verlenen, mits de fabrikanten aan de leverings- en toegankelijkheidseisen voldoen, zonder dat dit leidt tot een tekort aan geneesmiddelen; hoopt dat de versterking van het personeelsbestand het EMA in staat zal stellen het huidige systeem voor het inspecteren van productielocaties in derde landen in stand te houden via de coördinatie van de nationale inspecteurs;

60.  roept op tot herziening van Verordening (EG) nr. 141/2000 inzake weesgeneesmiddelen(18) met het oog op de omkering van de “bewijslast” betreffende de exclusiviteitsperiode van tien jaar, zodat de houder van de vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel moet aantonen dat het product niet rendabel genoeg is om de O&O-kosten te dekken;

61.  verzoekt de Commissie om een fonds voor weesgeneesmiddelen te onderzoeken en te creëren, dat door de lidstaten moet worden gefinancierd, zodat namens alle lidstaten weesgeneesmiddelen voor de hele EU kunnen worden ingekocht;

62.  pleit voor het opzetten van gezamenlijke EU-aankoopprocedures op Europees niveau om tekorten tegen te gaan, met name in tijden van gezondheidscrises, zoals is gebeurd aan het begin van de COVID-19-pandemie, met vereenvoudigde en transparante procedures om sneller te kunnen reageren; verzoekt in het bijzonder om gezamenlijke EU-aanbestedingen voor geneesmiddelen voor de behandeling van zeldzame ziekten om te waarborgen dat deze geneesmiddelen in alle lidstaten verkrijgbaar zijn; verzoekt de Commissie dringend een evaluatie en mogelijke herziening uit te voeren van Besluit nr. 1082/2013/EU betreffende grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, waarin het gemeenschappelijk aanbestedingsmechanisme in overeenstemming met de Verdragen is vastgesteld;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de ideeën over de transparantie van de prijsstelling en vergoeding van verschillende behandelingen op basis van nettoprijzen nog eens te onderzoeken om de lidstaten een gelijkwaardige positie te bieden wanneer zij onderhandelen met farmaceutische bedrijven over behandelingen die niet gezamenlijk worden aangekocht;

64.  verzoekt de Commissie om lidstaten meer ondersteuning te bieden bij de bescherming van kritieke infrastructuur op het gebied van gezondheid en om het Europees programma voor de bescherming van kritieke infrastructuur ook toe te passen op de zorginfrastructuur;

65.  dringt aan op de volledige en snelle toepassing van Verordening (EU) nr. 536/2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik; is van mening dat deze verordening het gemakkelijker zou maken om grootschalige klinische proeven op geharmoniseerde en gecoördineerde wijze op EU-niveau uit te voeren;

66.  verzoekt de Commissie en het EMA om met de sector samen te werken om ervoor te zorgen dat geneesmiddelen die in een bepaalde lidstaat beschikbaar zijn gesteld in alle andere lidstaten beschikbaar zijn, met name in kleinere lidstaten;

67.  verzoekt de Commissie het effect te beoordelen van de parallelhandel op het tekort aan geneesmiddelen in de lidstaten en de problemen adequaat aan te pakken door de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat geneesmiddelen alle patiënten in de EU tijdig bereiken; benadrukt in dit verband de noodzaak om de ervaringen van patiënten, consumentengroepen en gezondheidswerkers daarin mee te nemen;

68.  onderstreept het belang van een versterking van de positie van patiënten en een patiëntgerichte benadering; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor betere vertegenwoordiging en inbreng van patiënten in de besluitvorming omtrent de aanpak van mogelijke bevoorradingsproblemen met betrekking tot hun geneesmiddelen;

69.  verzoekt de lidstaten een gemeenschappelijk standpunt te bepalen en onderhandelingen te starten over het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de evaluatie van gezondheidstechnologie en tot wijziging van Richtlijn 2011/24/EU;

Intensievere samenwerking tussen de lidstaten

70.  verzoekt de Commissie een innovatief, gebruiksvriendelijk, transparant en gecentraliseerd digitaal platform te creëren voor het rapporteren en bekendmaken van geharmoniseerde informatie over de beschikbare voorraden van en tekorten aan geneesmiddelen en medische uitrusting en ter voorkoming van dubbel werk, waarbij de informatie geleverd wordt door de nationale agentschappen en alle belanghebbenden, waaronder fabrikanten, groothandelsbedrijven en apotheken; is ingenomen met de inspanningen van de gezamenlijke taskforce van het EMA en de hoofden van geneesmiddelenautoriteiten (HMA’s) met betrekking tot de beschikbaarheid van geneesmiddelen, en de invoering door EMA van het SPOC-systeem (systeem van een centraal contactpunt) en het i-SPOC-systeem (systeem van een centraal contactpunt in de farmaceutische industrie); dringt aan op de evaluatie en verbetering van de bestaande informatiesystemen om een duidelijk overzicht te verkrijgen van de moeilijkheden, tekorten en vereisten in elke lidstaat ter voorkoming van excessieve voorraden; spoort de Commissie in dit verband aan om digitale en telematische hulpmiddelen op pan-Europees niveau te gebruiken en in te voeren, en om te overwegen de verordening inzake wijzigingen(19) en de richtsnoeren over de indeling van wijzigingen te herzien; verzoekt de Commissie en de lidstaten een nationaal en Europees systeem voor vroegtijdige waarschuwing op te zetten ter versterking van de meldingsplicht van farmaceutische bedrijven in geval van verstoringen of spanningen in de aanvoer van geneesmiddelen;

71.  acht het essentieel om de vroegtijdige communicatie met zorgverleners en patiënten over de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren door middel van innovatieve digitale instrumenten waarmee in realtime actuele informatie kan worden verstrekt over de beschikbaarheid, locatie, de hoeveelheid en de prijs van een bepaald geneesmiddel, met inachtneming van de wetgeving inzake gegevensbescherming; wijst erop dat gezondheidswerkers toegang moeten krijgen tot actuele informatie om op passende wijze te kunnen reageren op dreigende en bestaande tekorten; benadrukt dat vroegtijdige onderkenning van problemen bij de bevoorrading en vroegtijdige identificatie van mogelijke therapeutische alternatieven de veiligheid van patiënten kunnen vergroten; beveelt daarom aan zorgverleners informatie te verstrekken over beschikbare alternatieven;

72.  is van mening dat de lidstaten informatie, zoals epidemiologische voorspellingen, moeten delen met alle betrokken partijen, zodat zij hun activiteiten beter kunnen plannen in het licht van een stijgende vraag en beter kunnen inspelen op de behoeften wanneer er sprake is van tekorten;

73.  wijst erop dat desinformatie kan leiden tot oneigenlijk gebruik van geneesmiddelen en het onnodig aanleggen van voorraden;

74.  merkt in dat verband op dat mensen momenteel geneesmiddelen inslaan, omdat ze bang zijn dat ze zonder komen te zitten; vraagt regeringen hun onderdanen voor te lichten en gerust te stellen om deze angst weg te nemen en zo een einde te maken aan het buitensporige verbruik van middelen;

75.  vraagt om de invoering van een elektronische bijsluiter met productinformatie ter aanvulling van de papieren bijsluiter met productinformatie, in alle talen voor alle landen waar het geneesmiddel in de handel wordt gebracht, om de verplaatsing en verkoop van geneesmiddelen binnen de eengemaakte markt te vergemakkelijken en tekorten te beperken; verzoekt de Commissie te kijken naar de mogelijkheid om producenten toe te staan vrijwillig en zonder bijkomende lasten een etiketteringssysteem in te voeren waarbij geneesmiddelen worden voorzien van voor de patiënt en consument zichtbare en herkenbare etiketten waarop de herkomst en het land van productie van de geneesmiddelen en de werkzame stoffen worden vermeld;

76.  onderstreept dat het belangrijk is de soepele werking van de eengemaakte markt te garanderen om ervoor te zorgen dat alle burgers ongehinderd toegang hebben tot geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en beschermingsmiddelen, met name burgers die wonen in lidstaten die vanwege hun geringe omvang of hun afgelegen ligging sterk afhankelijk zijn van invoer en geen gemakkelijke toegang hebben tot de bevoorradingsketen;

77.  beveelt aan in alle lidstaten een inventaris van tekorten op te stellen, wat het EMA de mogelijkheid zou bieden om snel zijn openbare inventaris van tekorten te actualiseren, zoals beoordeeld door zijn Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik (CHMP) en/of het Risicobeoordelingscomité voor geneesmiddelenbewaking (PRAC);

78.  benadrukt dat de Commissie alle nodige maatregelen moet nemen om speculatie, fraude en prijsmisbruik bij de handel in essentiële geneeskundige stoffen te bestrijden;

79.  veroordeelt het misbruik van tekorten voor criminele doeleinden; wijst erop dat het namaken of vervalsen van geneesmiddelen en medische producten de spanningen op het gebied van bevoorrading nog verergert; dringt aan op een versterking van de maatregelen ter bestrijding van deze praktijken, zoals controle op onlineplatforms waarop geneesmiddelen worden aangeboden, versterking van de samenwerking tussen de desbetreffende nationale en EU-instanties en de waarborging van de eerbiediging van de rechten van slachtoffers;

Preventie en respons met betrekking tot tekorten in het geval van een gezondheidscrisis

80.  wijst met bezorgdheid op de tekorten aan bepaalde geneesmiddelen die zich tijdens de COVID-19-crisis hebben voorgedaan, waaronder tekorten aan geneesmiddelen die in de intensieve zorg worden gebruikt; onderstreept dat het van belang is om de productie, bevoorrading, distributie en ontwikkeling van, evenals de gelijke toegang tot hoogwaardige geneesmiddelen in stand te houden en te coördineren onder leiding van het EMA; neemt met bezorgdheid kennis van de wereldwijde verbodsbepalingen op de uitvoer van bepaalde geneesmiddelen, maar is verheugd dat de Commissie zich inzet om de bevoorrading van geneesmiddelen veilig te stellen; onderstreept dat het experimentele gebruik van geneesmiddelen om COVID-19 te behandelen niet mag leiden tot tekorten voor mensen met andere aandoeningen die afhankelijk zijn van deze geneesmiddelen;

81.  verzoekt de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten een Europees draaiboek voor pandemieën vast te stellen om een gecoördineerde en doeltreffende respons te garanderen; is in dat verband ingenomen met de oprichting door de Commissie van een clearinghouse voor medische uitrusting met betrekking tot COVID-19; benadrukt dat het in zijn resolutie van 17 april 2020 heeft aangedrongen op de instelling van een Europees gezondheidsresponsmechanisme om op ieder soort gezondheidscrisis te reageren;

82.  benadrukt dat een Europees draaiboek voor pandemieën de coördinatie moet omvatten van informatie over de distributie en het gebruik van geneesmiddelen in de lidstaten, alsook een passende omschrijving van flexibiliteit in de regelgeving om spanningen op het gebied van bevoorrading aan te pakken; is van mening dat een dergelijk draaiboek ook het brede gebruik moet omvatten van coöperatieve crisismechanismen op EU-niveau die gericht zijn op ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, zoals rescEU en de gezamenlijke aanbestedingsovereenkomst, om de responscapaciteit van de lidstaten op doeltreffende wijze te ondersteunen;

83.  benadrukt dat de invoering van een open, vrij, rechtvaardig, transparant, handhaafbaar en op regels gebaseerd multilateraal handelssysteem van fundamenteel belang is om ervoor te zorgen dat medische producten wereldwijd beschikbaar zijn en we in de toekomst in noodsituaties minder kwetsbaar zijn;

84.  is ingenomen met de invoering van flexibeler regelgeving na het uitbreken van de COVID-19-crisis om tekorten te beperken en het verkeer van geneesmiddelen tussen de lidstaten te vergemakkelijken, zoals de aanvaarding van verschillende verpakkingsformaten, een hergebruiksprocedure waardoor houders van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel toestemming kunnen krijgen om het in een andere lidstaat in de handel te brengen, verlenging van de geldigheidsduur van certificaten voor goede fabricagemethoden, verlenging van de vervaltermijnen en het gebruik van diergeneeskundige middelen; verzoekt de Commissie strikt toezicht te houden op het gebruik van deze oplossingen en te waarborgen dat de veiligheid van patiënten niet in het gedrang komt, met behoud van deze oplossingen in geval van problemen of tekorten; is in dit verband verheugd over de tijdelijke verlenging van de toepassingsdatum van Verordening (EU) 2017/745 betreffende medische hulpmiddelen; vraagt met het oog hierop om een specifieke aanpak met betrekking tot weesgeneesmiddelen;

85.  merkt op dat octrooibescherming een belangrijke stimulans is voor bedrijven om te investeren in innovatie en nieuwe geneesmiddelen te produceren; merkt tegelijkertijd op dat het uitsluitingseffect van octrooien kan leiden tot een beperkt marktaanbod en een verminderde toegang tot geneesmiddelen en farmaceutische producten; benadrukt dat er een juist evenwicht moet worden gevonden tussen het stimuleren van innovatie door middel van de uitsluitende werking van octrooien en het garanderen van toegang tot geneesmiddelen en het beschermen van de volksgezondheid; wijst erop dat een onderneming die een geneesmiddel in de handel brengt krachtens artikel 14, lid 11, van Verordening (EG) nr. 726/2004 gedurende acht jaar vanaf de eerste vergunning voor het in de handel brengen ervan gegevensexclusiviteit geniet; verzoekt de Commissie een herziening van deze verordening voor te stellen om in het geval van een gezondheidscrisis te voorzien in de mogelijkheid om tijdelijk het verlenen van verplichte vergunningen toe te staan, zodat er generieke versies van levensreddende geneesmiddelen kunnen worden geproduceerd; herinnert eraan dat dit een van de flexibele volksgezondheidsmaatregelen op het gebied van octrooibescherming is die al in de Overeenkomst van de WTO inzake handelsgerelateerde aspecten van intellectuele eigendom (de TRIPS-overeenkomst) zijn opgenomen, en die opnieuw werden bevestigd in de Verklaring van Doha van 2001; verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU geen belemmering vormt om gebruik te maken van de flexibele mogelijkheden die geboden worden door de TRIPS-overeenkomst, en om richtsnoeren voor de lidstaten op te stellen waarin wordt aanbevolen gebruik te maken van een systeem van vrijwillige licenties in plaats van onmiddellijke verplichte afgifte van licenties;

86.  herinnert eraan dat Verordening (EG) nr. 816/2006(20) de procedure voor de verlening van dwanglicenties voor octrooien en aanvullende beschermingscertificaten voor de vervaardiging en de verkoop van farmaceutische producten harmoniseert, indien deze producten zijn bestemd voor uitvoer naar in aanmerking komende invoerende landen die dergelijke producten nodig hebben om hun problemen op het gebied van de volksgezondheid aan te pakken; verzoekt de Commissie om in het kader van haar komende farmaceutische strategie de mogelijkheid te overwegen van geharmoniseerde regels voor het verlenen van dwanglicenties voor geneesmiddelen, zoals vaccins, waardoor de lidstaten sneller en effectiever kunnen reageren op toekomstige Europese volksgezondheidscrises;

87.  benadrukt dat dwanglicentieregelingen deel moeten uitmaken van breder EU-optreden om de kwestie van de toegang tot geneesmiddelen aan te pakken; verzoekt de Commissie in dit verband een Europees actieplan voor te stellen;

88.  benadrukt dat bij de bescherming van octrooien en de handhaving van octrooirechten rekening moet worden gehouden met de maatschappelijke belangen, te weten de waarborging van de mensenrechten en de prioriteiten ten aanzien van de volksgezondheid; herinnert er in dit opzicht aan dat octrooibescherming geen afbreuk mag doen aan het recht op gezondheid en de kloof tussen rijke en arme burgers niet mag helpen vergroten waar het de toegang tot geneesmiddelen betreft; is van mening dat de aanpak van de Unie in deze kwestie gericht moet zijn op het waarborgen van de harmonisatie en coherentie tussen de verschillende maatregelen die de lidstaten ter beschikking staan;

89.  benadrukt dat een breed netwerk van billijke en correct toegepaste vrijhandelsovereenkomsten met evenwichtige bepalingen inzake intellectuele eigendom en samenwerking op regelgevingsgebied, in combinatie met een goed functionerend multilateraal handelssysteem dat is opgebouwd rond de Wereldhandelsorganisatie en een operationele beroepsinstantie, de beste manier is om te waarborgen dat er wereldwijd verschillende productiebronnen voor essentiële geneesmiddelen beschikbaar zijn en dat de reguleringsnormen over de hele wereld op elkaar afgestemd zijn, zodat de Europese productie wordt aangevuld met een solide mondiaal kader voor innovatie; benadrukt dat het van groot belang is om over meerdere opties te beschikken voor het waarborgen van een voldoende grote beschikbaarheid van essentiële farmaceutische producten, en dat we zo nodig ook bereid moeten zijn om in te stemmen met de invoer van in het buitenland onder dwanglicenties geproduceerde geneesmiddelen; geeft aan dat verschillen tussen regelgevingskaders en normen voor geneesmiddelen de handel onnodig kunnen belemmeren; benadrukt het belang van Europese kwaliteits- en veiligheidsnormen; pleit voor de vaststelling van internationale normen en dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat alle geneesmiddelen, zowel halffabrikaten als eindproducten, die in Europa op de markt worden gebracht, aan de toepasselijke Europese kwaliteits- en veiligheidsnormen voldoen en niet nagemaakt zijn; merkt op dat een andere manier om de strategische autonomie van de EU op het gebied van gezondheid te waarborgen, erin bestaat de farmaceutische productie van bepaalde producten op te nemen in het IPCEI-programma (belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang);

90.  spoort alle landen er met klem toe aan zich aan te sluiten bij de WTO-Overeenkomst ter opheffing van tarieven voor farmaceutische producten; dringt erop aan dat het toepassingsgebied van deze overeenkomst wordt uitgebreid tot alle farmaceutische producten en geneesmiddelen, waarbij de beleidsruimte van elk land in acht wordt genomen en de toegang van hun burgers tot geneesmiddelen wordt gewaarborgd; benadrukt dat er bij handelsgeschillen nooit retorsiemaatregelen mogen worden genomen met betrekking tot medische producten en geneesmiddelen, inclusief de halffabrikaten daarvan, en dat medische producten en geneesmiddelen gemakkelijk verkrijgbaar moeten zijn; dringt bovendien aan op de ogenblikkelijke, unilaterale en tijdelijke afschaffing van alle heffingen op medische en farmaceutische producten, met als doel de invoer ervan te vergemakkelijken; benadrukt dat bij de ontwikkeling van medische producten de internationale mensenrechtennormen en de Overeenkomst van Parijs in acht moeten worden genomen, en dat wat de arbeidsrechten betreft de kernverdragen van de IAO moeten worden nageleefd; neemt kennis van de werkzaamheden van de Commissie inzake zorgvuldigheidswetgeving;

91.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de snelle en volledige toepassing – en, indien nodig, een herziening – van de verordening screening BDI, en pleit voor de opname van gezondheidszorg als strategische sector in deze verordening;

92.  herinnert eraan dat de COVID-19-crisis de veerkracht van de gezondheidsstelsels op de proef heeft gesteld; is van mening dat de invoering van stresstests ter beoordeling van de veerkracht van de volksgezondheidsstelsels in noodsituaties structurele risicofactoren in kaart kan helpen brengen en een doeltreffend instrument zou vormen om tekorten tegen te gaan in het geval van een pandemie; verzoekt de Commissie en de Raad op basis van de met deze stresstests verkregen resultaten aanbevelingen op te stellen voor de lidstaten ter versterking van hun gezondheidsstelsels en om in noodsituaties op het gebied van gezondheid te voorzien in essentiële behoeften;

93.  is van mening dat er meer gemeenschappelijke normen nodig zijn voor de gezondheidszorgstelsels in de EU, evenals een betere interoperabiliteit, teneinde geneesmiddelentekorten te voorkomen en hoogwaardige gezondheidszorg voor iedereen in de samenleving te bieden; verzoekt de Commissie daarom op basis van de resultaten van de stresstests een voorstel in te dienen voor een richtlijn inzake minimumnormen voor hoogwaardige gezondheidszorgstelsels;

94.  is van mening dat in het geval van een gezondheidscrisis de sluiting van grenzen en douanecontroles het grensoverschrijdende verkeer van zeer belangrijke geneesmiddelen binnen de Unie niet mag verhinderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om veilige en snelle procedures in te stellen voor het controleren van producten aan de grens tijdens een gezondheidscrisis, in overeenstemming met het EU-recht;

95.  merkt op dat de COVID-19-uitbraak het belang van samenwerking en solidariteit tussen de lidstaten heeft aangetoond, alsook het belang van een snelle levering van geneesmiddelen in dringende en uitzonderlijke omstandigheden, die zich in de toekomst opnieuw kunnen voordoen; benadrukt verder dat een nieuw industrie- en vervoersbeleid en investeringen in O&O van essentieel belang zijn om ervoor te zorgen dat de farmaceutische industrie kan inspelen op de behoeften van morgen;

96.  benadrukt de noodzaak van een efficiënter en duurzamer vervoers- en logistiek netwerk en kortere vervoerstrajecten, hetgeen zou leiden tot minder uitstoot en minder schadelijke gevolgen voor het milieu en het klimaat, en zo tot een betere werking van de interne markt en minder administratieve belemmeringen;

97.  roept de lidstaten op de door de Commissie in haar richtsnoeren voor grensbeheermaatregelen tot bescherming van de gezondheid en tot waarborging van de beschikbaarheid van goederen en essentiële diensten voorgestelde prioritaire rijstroken (“green lanes”) uit te voeren, zodat niet alleen geneesmiddelen, maar ook grondstoffen, halffabricaten en bijbehorende producten, zoals verpakkingsmaterialen, vlot vervoerd kunnen worden; benadrukt de noodzaak om de open grenzen in stand te houden door middel van prioritaire rijstroken, die bij toekomstige onverwachte gebeurtenissen kunnen worden gebruikt;

98.  acht het noodzakelijk om knelpunten weg te nemen en bestaande obstakels voor een volledig geïntegreerde en goed werkende interne Europese vervoersruimte voor alle vervoerswijzen aan te pakken; benadrukt de noodzaak om intermodaliteit te stimuleren (en tegelijkertijd de overschakeling naar vervoer per spoor te bevorderen), de belangrijkste hubs te financieren, en de ononderbroken levering van verschillende soorten goederen te waarborgen, waaronder gevaarlijke goederen die onmisbaar zijn voor de productie door de chemische en farmaceutische industrie; dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat medische voorzieningen en medisch personeel versterking krijgen met het oog op toenemende handelsvolumes als gevolg van de opheffing van de beperkingen;

99.  benadrukt het belang van IT-systemen om het toezicht op en de traceerbaarheid en snelle levering van geneesmiddelen mogelijk te maken, evenals de uitwisseling van informatie tussen de verschillende spelers binnen de vervoerslogistieke keten, waaronder de douaneautoriteiten;

100.  roept de Commissie op om, in samenwerking met de lidstaten, mechanismen te ontwikkelen voor het waarborgen van snel en veilig vervoer en beter toezicht op vervoer en voorraden van geneesmiddelen, met name door een noodplan vast te stellen waarmee onbelemmerd vervoer van geneesmiddelen wordt gewaarborgd wanneer de vervoerssector verstoord is, evenals onconventionele distributieplannen, bijvoorbeeld spoedleveringen van geneesmiddelen via gepland gemengd vervoer;

101.  merkt op dat het belangrijk is om niet-discriminatoire en strenge veiligheidsnormen te waarborgen voor zowel vervoersinfrastructuur als werknemers in de vervoerssector, waardoor het mogelijk wordt om zonder onderbrekingen aanzienlijke volumes in de toeleveringsketen te beheren en de bevoegde autoriteiten proportionele en aangepaste maatregelen kunnen nemen om de gezondheidsrisico’s te minimaliseren; benadrukt het belang van het behoud van goede werkomstandigheden voor chauffeurs;

102.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat werknemers in de zorg die in een buurland werken de interne grenzen over mogen;

103.  wijst op het belang van zorgvuldig beheer van de opslagcapaciteit op kamertemperatuur en voor de koudeketen bij infrastructuur voor inkomend en uitgaand vervoer;

104.  beklemtoont dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat alle burgers ongehinderd toegang hebben tot geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en beschermingsmiddelen, met name burgers die wonen in lidstaten die vanwege hun geringe omvang of afgelegen ligging sterk afhankelijk zijn van invoer en geen gemakkelijke toegang hebben tot de bevoorradingsketen;

105.  benadrukt dat het belangrijk is om te voorzien in specifieke vervoersbehoeften op lokaal en regionaal niveau, met name in perifere, dunbevolkte, plattelands-, berg- en eilandgebieden en ultraperifere regio’s die lastiger te bereiken zijn en waarvoor hogere leveringskosten gelden; is van mening dat strategische plannen om infrastructuur in de lidstaten te verbeteren concrete maatregelen voor deze regio’s moeten bevatten; wijst erop dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat de digitale transitie deze gebieden bereikt en dat de toepassing van nieuwe, op hun behoeften toegespitste oplossingen moet worden versneld, wat zal leiden tot betere connectiviteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid; benadrukt dat de toegang tot geneesmiddelen in deze gebieden op geen enkele manier mag worden belemmerd;

106.  verzoekt de Commissie om in noodsituaties, zoals pandemieën, organisatorische en financiële ondersteuning te verlenen aan de lidstaten en vervoersondernemingen, onder meer door middel van de werkprogramma’s die zijn vastgesteld in het meerjarig financieel kader voor 2021-2027, prioriteit te geven aan essentiële goederen, zoals geneesmiddelen, actieve farmaceutische ingrediënten en medische uitrusting, en te waarborgen dat hiervoor in alle vrachtzendingen ruimte wordt gereserveerd;

107.  pleit voor de toepassing van versnelde en innovatieve oplossingen om het geneesmiddelentekort tijdig te verhelpen en veilig vervoer van temperatuurgevoelige geneesmiddelen mogelijk te maken, waarbij producten worden getraceerd door middel van constante monitoring op afstand; roept de Commissie op om de bevoegdheden van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) op het gebied van volksgezondheid uit te breiden en de uitwisseling van optimale werkwijzen te stimuleren;

108.  verzoekt het ECDC om modelleringsgegevens te publiceren over de verwachte ontwikkeling van de COVID-19-pandemie in elke lidstaat, alsook gegevens over de behoeften van patiënten en de capaciteit van ziekenhuizen in alle lidstaten zodat er beter kan worden geanticipeerd op de vraag en er geneesmiddelen kunnen worden geleverd waar deze nodig zijn; is van oordeel dat het EMA samen moet werken met het ECDC om tekorten aan geneesmiddelen en veelgebruikte medicijnen beter te voorkomen met het oog op mogelijke toekomstige epidemieën en pandemieën;

109.  verzoekt de Commissie, het EMA en de nationale regelgevingsautoriteiten alle pragmatische inspanningen die tijdens de COVID-19-crisis zijn geleverd maximaal te benutten en te blijven toestaan dat er flexibel wordt omgegaan met de regels voor houders van vergunningen voor het in de handel brengen, bijvoorbeeld met betrekking tot procedures voor wijzigingen van de leveranciers van actieve farmaceutische ingrediënten, de aanwijzing van nieuwe productielocaties en een snellere verlening van invoervergunningen, teneinde een tekort aan geneesmiddelen beter te kunnen opvangen;

110.  erkent dat de leveringsquota die door de houders van vergunningen voor het in de handel brengen worden gehanteerd voor de distributie van gezondheidsproducten berusten op verschillende parameters, waaronder een inschatting van de nationale patiëntbehoeften; vraagt de Commissie met belanghebbenden uit de geneesmiddelenindustrie van gedachten te wisselen over de omvang van de beschikbare geneesmiddelenvoorraden; wijst er in dit verband op dat de quota die distributeurs hanteren voor de omvang van voorraden vaak te krap zijn en vertragingen en tekorten veroorzaken, en dat in bepaalde delen van de distributieketen een gebrek aan transparantie is opgemerkt met betrekking tot de voorraden;

111.  benadrukt dat farmaceutisch prijsbeleid waarin alleen uitgaven zijn opgenomen, niet de mogelijkheid biedt om wijzigingen in de kosten van goederen, de productie, wettelijke procedures en distributie tot uiting te laten komen in prijsaanpassingen, en bovendien een negatief effect heeft op de voorzieningszekerheid; stelt met bezorgdheid vast dat de toename van de vraag naar producten in perioden van geneesmiddelentekorten leidt tot een verhoogd risico op oneerlijke prijsbepalingspraktijken in regio’s die door de tekorten worden getroffen en in gevallen waarin alternatieve farmaceutische producten worden aangeboden ter vervanging van de producten waaraan een tekort is;

112.  wijst op voorbeelden van tekorten die ontstaan als gevolg van de wettelijke voorschriften waaraan moet worden voldaan, waaronder vertragingen door wettelijke termijnen en nationale voorschriften, maar benadrukt dat de behoefte aan geneesmiddelen en medische uitrusting in geen geval ten koste mag gaan van de kwaliteit, veiligheid, doelmatigheid en kosteneffectiviteit van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en gezondheidsproducten, met inbegrip van medische hulpmiddelen; wijst erop dat de naleving van de voorschriften voor de verlening van vergunningen voor klinische proeven met geneesmiddelen en het toezicht op de handhaving van goede klinische praktijken bij de uitvoering ervan, ook in de toekomst volgens de hoogste normen van bescherming van de volksgezondheid moeten worden gereguleerd en gemonitord; wijst er voorts op dat prioriteit moet worden gegeven aan de verbetering van de regelgevingsprocedures terwijl hoge wetenschappelijke normen gehandhaafd blijven, teneinde de administratieve taken in verband met het op de markt houden van geneeskundige producten door het wijzigen van de bestaande verordening inzake wijzigingen te vereenvoudigen, de toegang tot informatie voor patiënten en zorgverleners te verbeteren en het overbrengen van geneesmiddelen van de ene lidstaat naar de andere in geval van tekorten te vereenvoudigen; spoort de Commissie aan optimaal gebruik te maken van de informatietechnologie voor regelgevingsprocessen, waaronder digitale en telematica-instrumenten, om de doelmatigheid van de regelgeving in de hele EU te verbeteren en daarbij de normen voor gegevensbescherming zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2016/679 (de algemene verordening gegevensbescherming – AVG) te handhaven(21);

113.  verzoekt de Commissie met klem, met het oog op de Europese datastrategie en de digitale transformatie van de gezondheidszorg en gezien het enorme potentieel van gezondheidsgegevens voor de verbetering van de gezondheidszorg en de resultaten voor patiënten, aan te sporen tot invoering van interoperabele technologieën in de zorgsectoren van de lidstaten die het gemakkelijker maken om patiënten innovatieve gezondheidsoplossingen te bieden; pleit voor de totstandbrenging van een volledig operationele Europese samenwerkingsruimte voor gezondheidsgegevens met een governancekader dat moet bijdragen tot het ontstaan van een innovatief, gegevensgestuurd ecosysteem op basis van beveiligde, gemonitorde uitwisseling van informatie en kritieke gegevens tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie aan te sturen op de meest geavanceerde normen, instrumenten en infrastructuur voor het opslaan en verwerken van gegevens die geschikt zijn voor onderzoek naar en de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten; onderstreept dat persoonsgebonden gezondheidsgegevens alleen mogen worden verzameld en verwerkt op de in artikel 6, lid 1, van de AVG opgenomen wettelijke gronden en overeenkomstig de in artikel 9 van de AVG genoemde voorwaarden; is van oordeel dat de verdere verwerking van persoonsgebonden gezondheidsgegevens moet worden verboden; herinnert verwerkingsverantwoordelijken aan het gegevensbeschermingsbeginsel van transparantie en aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van patiënten en andere betrokkenen;

114.  benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor universele toegang tot vaccins en medische behandeling, in het bijzonder in noodsituaties en bij nieuwe ziekten waarvoor geen behandeling bestaat, zoals COVID-19; dringt aan op nauwe samenwerking tussen de WHO en de WTO, teneinde de bevoorrading met een vaccin, zodra dat er is, veilig te stellen; doet tegelijk een beroep op de Commissie om haar mechanismen voor de gezamenlijke aankoop van geneesmiddelen te versterken, teneinde te garanderen dat alle burgers, ongeacht waar ze wonen, toegang hebben tot behandeling;

115.  beklemtoont dat ter voorbereiding van de ontwikkeling en goedkeuring van een veilig en doeltreffend vaccin of veilige en doeltreffende behandeling voor COVID-19 alle maatregelen moeten worden genomen om een snelle productie en distributie in Europa en de rest van de wereld mogelijk te maken, waarbij eerlijke en gelijke toegang tot het vaccin of de behandeling wordt gegarandeerd;

116.  erkent dat de COVID-19-pandemie het hardnekkige probleem van het tekort aan genees- en beschermingsmiddelen in de EU heeft verergerd, en benadrukt daarbij dat de toegang tot genees- en beschermingsmiddelen een kwestie van wereldbelang is die bovendien ernstige gevolgen heeft voor ontwikkelingslanden, waar aan armoede gerelateerde ziekten zich verspreiden en geneesmiddelen schaars zijn; beklemtoont dat de EU moet zorgen voor samenhangend beleid, met name op het gebied van ontwikkeling, handel, gezondheid, onderzoek en innovatie, om de permanente toegang tot essentiële geneesmiddelen in de armste landen en, in het bijzonder, in de minst ontwikkelde landen (MOL’s) te helpen verzekeren;

117.  merkt op dat de gebrekkige toegang tot geneesmiddelen ernstige gevolgen heeft gehad voor het kwetsbaarste en meest gemarginaliseerde segment van de samenleving, met inbegrip van vrouwen en kinderen, mensen met hiv of andere chronische aandoeningen, migranten, vluchtelingen en intern ontheemden, ouderen en personen met een handicap;

118.  verzoekt de Commissie een mondiale voortrekkersrol te vervullen om ervoor te zorgen dat ontwikkelingslanden gegarandeerd toegang hebben tot en bevoorraad worden met essentiële geneesmiddelen, met name in noodsituaties;

119.  benadrukt dat de COVID-19-pandemie heeft laten zien dat de bestaande toeleveringsketens zo veel mogelijk moeten worden verkort, met name om afhankelijkheid van lange en kwetsbare mondiale ketens voor kritieke medische uitrusting en geneesmiddelen te voorkomen; dringt er bij de EU op aan om ontwikkelingslanden te helpen bij de opbouw van de lokale productie- en distributiecapaciteit door middel van technische ondersteuning, kritieke kennis en informatie, door de overdracht van technologie te stimuleren en door de consistentie met betrekking tot regelgevingsrichtsnoeren, monitoringsystemen en de opleiding van gezondheidswerkers te bevorderen; vestigt de aandacht op de behoefte aan sterkere zorgstelsels en goed functionerende toeleveringsketens; onderstreept het feit dat ontwikkelingslanden, in het bijzonder MOL’s, sterk afhankelijk zijn van internationale toeleveringsketens, wat tot ernstige tekorten kan leiden wanneer de mondiale vraag toeneemt en de voorraden beperkt zijn;

120.  pleit voor een collectieve, mondiale respons en is in dit verband ingenomen met het resultaat van de donorconferentie voor een mondiale respons op het coronavirus van 4 mei 2020, waarbij door donoren uit de hele wereld 7,4 miljard EUR werd toegezegd om de ontwikkeling van vaccins, diagnostiek en behandelingen tegen het virus te op te voeren; benadrukt dat de medische hulpmiddelen die nodig zijn voor de bestrijding van COVID-19 voor iedereen en overal betaalbaar, veilig, doeltreffend, gebruiksvriendelijk en universeel toegankelijk moeten zijn en beschouwd moeten worden als “collectieve wereldgoederen”; is daarom van oordeel dat toegang en betaalbaarheid integraal deel moeten uitmaken van het volledige O&O- en productieproces; meent dat overheidsfinanciering daartoe aan strenge voorwaarden moet worden onderworpen, met name op het gebied van onder meer collectief beheer, transparantie en uitwisseling van technologie, technische knowhow en klinische resultaten; beklemtoont dat deze voorwaarden openbaar moeten worden gemaakt, aangezien blanco cheques niet thuishoren in overheidsfinanciën;

121.  beklemtoont dat het delen van monsters van ziekteverwekkers en sequentie-informatie van cruciaal belang is voor de snelle ontwikkeling van diagnostiek, behandelingen en vaccins; herinnert aan de bindende internationale verplichting tot eerlijke en billijke verdeling van de voordelen in het kader van het Verdrag inzake biologische diversiteit en het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen;

o
o   o

122.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.
(2) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(3) PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1.
(4) PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9.
(5) PB L 32 van 9.2.2016, blz. 1.
(6) PB L 117 van 5.5.2017, blz. 1.
(7) PB L 130 van 24.4.2020, blz. 18.
(8) PB L 4 van 7.1.2019, blz. 24.
(9) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(10) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0105.
(11) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 4.
(12) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.
(13) Resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2011 over de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak in 2009-2010 in de EU (PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 7).
(14) Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1).
(15) Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor de inzameling, het testen, de bewerking, de opslag en de distributie van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong (PB L 33 van 8.2.2003, blz. 30).
(16) Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PB L 102 van 7.4.2004, blz. 48);
(17) Standpunt van het Europees Parlement van 6 februari 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de openbare stelsels van gezondheidszorg (Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0039).
(18) Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (PB L 18 van 22.1.2000, blz. 1).
(19) Verordening (EG) nr. 1234/2008 van de Commissie van 24 november 2008 betreffende het onderzoek van wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 334 van 12.12.2008, blz. 7).
(20) Verordening (EG) nr. 816/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de verlening van dwanglicenties voor octrooien inzake de vervaardiging van farmaceutische producten voor uitvoer naar landen met volksgezondheidsproblemen (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 1).
(21) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).


Uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma: bestrijding van een negatieve houding jegens personen met een Roma-achtergrond in Europa
PDF 197kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma: bestrijding van een negatieve houding ten opzichte van mensen met een Romani-achtergrond in Europa (2020/2011(INI))
P9_TA(2020)0229A9-0147/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Europees Sociaal Handvest (ESH), het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden en de verslagen en aanbevelingen van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa, de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI) en andere mechanismen van de Raad van Europa,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties, met inbegrip van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 getiteld “Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020” (COM(2011)0173) en de daaropvolgende uitvoerings- en evaluatieverslagen,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten(5), en de conclusie van de Raad van 8 december 2016 over de versnelling van het proces van de integratie van de Roma en van 13 oktober 2016 over speciaal verslag nr. 14/2016 van de Europese Rekenkamer,

–  gezien de verslagen van het Europees Parlement van 2010 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma en het verslag van 2013 over de genderaspecten van het Europees kader van nationale strategieën voor de integratie van Roma,

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma – zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II(6),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat(7),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 februari 2019 over de behoefte aan een versterkt strategisch EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma voor de periode na 2020 en intensivering van de bestrijding van zigeunerhaat(9),

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de bescherming en non-discriminatie ten aanzien van minderheden in de EU-lidstaten(10),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over achterstandsregio’s in de EU(11),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de opkomst van neofascistisch geweld in Europa(12),

–  gezien zijn resolutie van 13 november 2018 over minimumnormen voor minderheden in de EU(13),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 september 2019 getiteld “Verslag over de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma – 2019” (COM(2019)0406)(14),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 december 2018 getiteld “Verslag inzake de evaluatie van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020” (COM(2018)0785)(15),

–  gezien de inbreukprocedures getiteld “Non-conformity with Directive 2000/43/EC on Racial Equality – Discrimination of Roma children in education” (“Niet-naleving van Richtlijn 2000/43/EG inzake rassengelijkheid – Discriminatie van Roma-kinderen in het onderwijs”) (inbreukprocedures nrs. 20142174, 20152025 en 20152206),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de situatie van Romavrouwen (SOC/585-EESC-2018),

–  gezien de Verklaring van Poznan van de partners van de Westelijke Balkan inzake de integratie van de Roma binnen het uitbreidingsproces van de EU,

–  gezien de Tweede enquête van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II),

–  gezien algemene beleidsaanbeveling nr. 13 van de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties,

–  gezien de armoedekaart van de Wereldbank van 2016, waarop de meest achtergestelde regio’s van Europa duidelijk zichtbaar zijn,

–  gezien de desbetreffende verslagen en aanbevelingen van onderzoeksinstanties, maatschappelijke organisaties van mensen met een Romani-achtergrond en maatschappelijke organisaties die zich voor deze mensen inzetten, met inbegrip van uit particulier initiatief voortgekomen ngo’s van mensen met een Romani-achtergrond,

–  gezien het Europees burgerinitiatief “Minority SafePack” en het Europees burgerinitiatief “Cohesiebeleid voor de gelijkheid van de regio’s en het behoud van de regionale culturen”,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement, alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0147/2020),

A.  overwegende dat de Roma de grootste etnische minderheid in Europa vormen;

B.  overwegende dat in het huidige kader wel het diverse karakter van de overkoepelende term “Roma” wordt belicht, maar geen aandacht wordt besteed aan de diversiteit binnen de Romanigemeenschap; overwegende dat de term “Roma” en de tweeledige term “Sinti en Roma” werden gebruikt in een tijdperk waarin beleid inzake de Roma werd gevormd zonder dat mensen met een Romani-achtergrond echt bij het proces werden betrokken en dat deze termen de desbetreffende gemeenschappen daarom een gevoel van vervreemding geven; overwegende dat deze termen, die in EU-beleidsdocumenten en -discussies worden gebruikt, geen goed beeld geven van de heterogeniteit van de Romanigemeenschap en om die reden door de minderheid worden bekritiseerd;

C.  overwegende dat de diversiteit van de Romanigemeenschap vele malen beter aan bod zal komen in het wetgevingsvoorstel voor de gelijkheid, inclusie en deelname van mensen met een Romani-achtergrond in de periode na 2020; overwegende dat de term “mensen met een Romani-achtergrond” zowel betrekking heeft op Roma als op Kalé, Manoesjen, Lovara, Rissende, Boyash, Domare, Kalderash, Romanichal en Sinti; overwegende dat de definitie van deze nieuwe term zelfs mensen omvat die bestempeld worden als zigeuners zonder dat hun etnische achtergrond daarvoor enige aanleiding biedt, zoals Egyptenaren, Ashkali en Travellers;

D.  overwegende dat een aanzienlijk deel van de mensen met een Romani-achtergrond in Europa zowel in plattelands- als in stedelijke gebieden onder bijzonder onzekere omstandigheden leeft en zich bovendien in een zeer slechte sociaal-economische situatie bevindt(16); overwegende dat de meeste mensen met een Romani-achtergrond in alle facetten van het leven hun fundamentele mensenrechten wordt ontzegd;

E.  overwegende dat 61 % van de EU-burgers volgens EU-MIDIS II van mening is dat de discriminatie ten aanzien van mensen met een Romani-achtergrond in zijn land wijdverbreid is; overwegende dat zich op alle niveaus van de Europese samenleving nog elke dag een diepgewortelde, hardnekkige, structurele en vaak ook institutionele zigeunerhaat alsook zigeunerhaat binnen de overheid voordoet en dat beaamd is dat deze haat een grote belemmering vormt voor de verwezenlijking van het volledige potentieel van mensen met een Romani-achtergrond als EU-burgers die in alle facetten van het leven volledige grondrechten, sociale inclusie en gelijkheid genieten, onder meer wat huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg en werkgelegenheid betreft;

F.  overwegende dat mensen met een Romani-achtergrond nog altijd vaak te maken krijgen met haatzaaiende uitlatingen, niet alleen in het openbaar en op de sociale media, maar ook van prominente figuren, politici en ambtenaren; overwegende dat zij ook vaak het slachtoffer worden van politiegeweld, met inbegrip van collectieve bestraffing, etnische profilering en segregatie op het gebied van huisvesting en in het onderwijs; overwegende dat er specifieke maatregelen nodig zijn om dit verschijnsel tegen te gaan; overwegende dat slachtoffers van politiegeweld vanwege tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat en het strafrechtelijk systeem ontoereikende bescherming en toegang tot de rechter genieten en vaak door overheidsinstanties worden vervolgd;

G.  overwegende dat de bestaande antidiscriminatiewetgeving niet volstaat om zigeunerhaat te bestrijden; overwegende dat de lidstaten vastberaden moeten optreden om de vicieuze cirkel van zigeunerhaat te doorbreken, met name in de interacties van mensen met een Romani-achtergrond met lokale, regionale en nationale overheidsinstanties, om de gelijkheid en non-discriminatie van hun burgers met een Romani-achtergrond te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij volledig hun fundamentele mensenrechten kunnen genieten;

H.  overwegende dat racisme ten aanzien van mensen met een Romani-achtergrond al eerder tot geweld en moord heeft geleid; overwegende dat door haat ingegeven intimidatie en haatmisdrijven ten aanzien van mensen met een Romani-achtergrond nog altijd vaak voorkomen en dat het merendeel van de door haat ingegeven incidenten niet wordt gemeld;

I.  overwegende dat volgens EU-MIDIS II ongeveer 80 % van de Roma in de negen EU-lidstaten met de grootste Romanigemeenschap in 2016 onder de armoederisicodrempel van zijn land leeft; overwegende dat armoede zowel een resultaat als een katalysator is van uitsluiting op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid, gezondheid en huisvesting; overwegende dat het een van de kerndoelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei is om twintig miljoen mensen, waaronder mensen met een Romani-achtergrond, een uitweg te bieden uit dreigende armoede; overwegende dat het aantal mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd tussen 2008 en 2017 met 3,1 miljoen is gedaald, maar dat de EU niettemin nog een lange weg te gaan heeft om de Europa 2020-doelstelling van twintig miljoen voor 2020 te verwezenlijken;

J.  overwegende dat een op de drie mensen met een Romani-achtergrond in een huishouden zonder kraanwater leeft en een op de tien in een huishouden zonder elektriciteit; overwegende dat iets meer dan de helft van de mensen met een Romani-achtergrond over een doorspoeltoilet of douche binnenshuis beschikt en 78 % in een overvolle woonruimte woont; overwegende dat een groot aantal mensen met een Romani-achtergrond nog altijd in informele, onhygiënische en irreguliere nederzettingen woont, onder erbarmelijke leefomstandigheden; overwegende dat velen van hen niet over identeitsdocumenten beschikken en evenmin een ziektekostenverzekering hebben(17);

K.  overwegende dat 43 % van de mensen met een Romani-achtergrond bij het huren of kopen van een woonruimte wordt gediscrimineerd en niet voldoende op de hoogte is van zijn rechten op het gebied van gelijkheid; overwegende dat de regularisatie van eigendomsrechten waar mogelijk moet worden versterkt, met name wat informele nederzettingen betreft; overwegende dat de afschaffing van informele nederzettingen (uitzetting) gepaard moet gaan met passende begeleidende maatregelen, waaronder het aanbieden van alternatieve huisvesting; overwegende dat er geen juridische of politieke maatregelen zijn getroffen tegen lidstaten om een einde te maken aan de segregatie op het gebied van huisvesting en aan gedwongen uitzettingen, en om de toegang van mensen met een Romani-achtergrond tot hoogwaardige huisvesting te waarborgen; overwegende dat de gebrekkige toegang tot huisvesting en openbare nutsvoorzieningen, zoals schoon water en sanitaire voorzieningen, een nadelig effect heeft op de resultaten op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid en gezondheid, en de sociale inclusie in het algemeen belemmert;

L.  overwegende dat de levensverwachting en gezondheidstoestand van mensen met een Romani-achtergrond in alle Europese landen aanzienlijk achterblijft bij die van mensen met een andere achtergrond; overwegende dat de levensverwachting bij geboorte in de EU 76 jaar is voor mannen en 82 jaar voor vrouwen; overwegende dat mensen met een Romani-achtergrond naar schatting tien jaar korter leven; overwegende dat onderzoek lijkt uit te wijzen dat het kindersterftecijfer, dat in de EU 4,3 per duizend levendgeborenen bedraagt, in Romanigemeenschappen veel hoger ligt;

M.  overwegende dat veel Romanigemeenschappen kampen met extreem hoge percentages analfabetisme en voortijdige schoolverlaters; overwegende dat slechts een op de twee kinderen met een Romani-achtergrond naar de peuter- of kleuterschool gaat en slechts een zeer klein aantal kinderen naar school blijft gaan wanneer de leerplichtige leeftijd eenmaal is bereikt; overwegende dat 50 % van de Roma in de leeftijd van 6 tot 24 jaar niet naar school gaat; overwegende dat slechts 21 % van de vrouwen en 25 % van de mannen met een Romani-achtergrond in de leeftijd van 16 tot 24 jaar het voortgezet onderwijs (ISCED3) of hoger onderwijs heeft afgemaakt; overwegende dat het streefcijfer voor voortijdig schoolverlaten in het vorige EU-kader en in de Europa 2020-strategie was vastgesteld op 10 %, maar dat 68 % van de kinderen met een Romani-achtergrond in 2019 voortijdig zijn school verliet; overwegende dat slechts 18 % van de kinderen met een Romani-achtergrond doorstroomde naar het hoger onderwijs en dat het verzuimpercentage en het percentage voortijdige schoolverlaters onder leerlingen met een Romani-achtergrond aanzienlijk hoger lagen dan voor andere leerlingen; overwegende dat de discriminerende misdiagnose dat kinderen met een Romani-achtergrond speciale onderwijsbehoeften hebben ertoe leidt dat naar verhouding veel kinderen met een Romani-achtergrond naar scholen voor kinderen met een beperking worden gestuurd, waardoor zij van het reguliere onderwijs worden afgescheiden en vaak onderwijs van lagere kwaliteit krijgen; overwegende dat veel lidstaten zich nog altijd schuldig maken aan de directe en indirecte segregatie van kinderen met een Romani-achtergrond;

N.  overwegende dat mensen met een Romani-achtergrond discriminatie ondervinden wanneer zij toegang proberen te krijgen tot werkgelegenheidsinitiatieven zoals de jongerengarantie; overwegende dat openbare diensten voor arbeidsvoorziening vaak niet over de capaciteit beschikken om deze mensen te bereiken, of indirect discriminerende praktijken toepassen; overwegende dat het percentage mensen met een Romani-achtergrond in de leeftijd van 20 tot 64 jaar met betaald werk in 2015 met 43 % ver onder het EU-gemiddelde van 70 % lag; overwegende dat de situatie van jongeren aanmerkelijk slechter was, aangezien 63 % van de jongeren met een Romani-achtergrond in de leeftijd van 16 tot 24 jaar geen onderwijs of opleiding volgt en evenmin een baan heeft (NEET’s), ten opzichte van het EU-gemiddelde van 12 %; overwegende dat de cijfers een duidelijke genderkloof laten zien, aangezien 72 % van de jonge vrouwen met een Romani-achtergrond NEET is, ten opzichte van 55 % van de jonge mannen met een Romani-achtergrond; overwegende dat 43 % van de mannen met een Romani-achtergrond en 22 % van de vrouwen een vorm van betaald werk heeft; overwegende dat met de vaststelling van de Europese pijler van sociale rechten de aandacht werd gevestigd op ieders grondrecht om te werken, alsook op de versterking van de sociale rechten, wat positieve gevolgen heeft gehad voor het leven van gemarginaliseerde groepen, zoals de Romanigemeenschap; overwegende dat veel mensen met een Romani-achtergrond die op de grens van extreme armoede leven zich door hun situatie gedwongen zien banen aan te nemen met een loon dat ver onder het minimumloon ligt en dat anderen het moeten stellen met informele activiteiten, zoals het inzamelen van schroot of plastic flessen, waardoor de kans op uitbuiting van deze mensen flink toeneemt;

O.  overwegende dat zowel in de verslagen van deskundigen als in het verslag van de Europese Commissie over de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma – 2019 wordt beaamd dat intersectionele, sectoroverschrijdende en geïntegreerde aanpakken succesfactoren zijn met behulp waarvan discriminatie en multidimensionale uitsluiting kan worden aangepakt, en dat vrouwen, LGBTI-personen en mensen met een beperking met een Romani-achtergrond intersectionele discriminatie ondervinden; overwegende dat de ondersteuning van de toegang van mensen met een Romani-achtergrond tot de rechter in de verslagen als prioriteit wordt genoemd, waarbij de nadruk wordt gelegd op slachtoffers van intersectionele discriminatie en op de versterking van de capaciteit van instanties voor gelijke kansen om discriminatie ten aanzien van mensen met een Romani-achtergrond aan te pakken;

P.  overwegende dat vrouwen met een Romani-achtergrond in het bijzonder te maken krijgen met inbreuken op hun vrouwenrechten, alsook met ernstige vormen van verbale, lichamelijke, psychologische en racistische intimidatie in kraamklinieken; overwegende dat deze vrouwen in aparte kamers met aparte badkamers en aparte eetruimten worden geplaatst; overwegende dat vrouwen met een Romani-achtergrond in sommige lidstaten stelselmatig aan praktijken zoals gedwongen sterilisatie en sterilisatie onder dwang zijn onderworpen en geen passende herstelbetaling of vergoeding hebben kunnen krijgen voor de daaruit resulterende inbreuken op hun mensenrechten;

Q.  overwegende dat milieuonrechtvaardigheden vaak verband houden met gezondheidsrisico’s en nadelige gevolgen voor mensen met een Romani-achtergrond; overwegende dat deze mensen naar verhouding zwaarder worden getroffen door milieulasten, beperkte toegang hebben tot milieuhulpbronnen en -diensten en worden gediscrimineerd wat hun recht op informatie, deelname aan besluitvormingsprocessen en toegang tot de rechter bij milieuaangelegenheden betreft;

R.  overwegende dat de totstandbrenging van het eerste EU-kader voor de NRIS ervoor zorgde dat de dringend nodige verbetering van de situatie van mensen met een Romani-achtergrond op de Europese beleidsagenda werd geplaatst, wezenlijke institutionele structuren en netwerken werden opgezet en de lidstaten onder druk werden gezet om nationale strategieën te ontwikkelen om hun tekortkomingen op dit gebied weg te werken; overwegende dat niet alleen moet worden voortgebouwd op de resultaten van de evaluatie van het huidige EU-kader, maar dat het bovendien belangrijk is dat de NRIS worden voortgezet en verbeterd, en vergezeld gaan van een voorstel voor de periode na 2020, waarbij moet worden ingezet op de striktere naleving in de lidstaten en het gebruik van bindendere streefcijfers moet worden bevorderd om de inzet en de verantwoordingsplicht van de lidstaten te versterken; overwegende de uitvoering van nationale strategieën alleen kan worden verbeterd mits de strategieën in nationale, regionale en lokale sectorale beleidsmaatregelen worden opgenomen en mits efficiënter gebruik wordt gemaakt van EU-financiering, met name voor langetermijnprojecten op het gebied van integratie;

S.  overwegende dat er behoefte is aan een wetgevingsvoorstel voor de gelijkheid, inclusie en deelname van mensen met een Romani-achtergrond en ter bestrijding van zigeunerhaat, en dat dit voorstel gestoeld moet zijn op realistischere kwantitatieve en kwalitatieve uitgesplitste gegevens die in samenwerking met de steun van maatschappelijke organisaties van mensen met een Romani-achtergrond, met inbegrip van lokale organisaties, worden verzameld;

T.  overwegende dat de cultuur van de Romanigemeenschap deel uitmaakt van de Europese cultuur en waarden en dat mensen met een Romani-achtergrond hebben bijgedragen aan de culturele rijkdom, verscheidenheid, economie en gemeenschappelijke geschiedenis van de EU; overwegende dat de bescherming en versterking van het culturele erfgoed in verband met nationale minderheden in de lidstaten een cruciale rol speelt in de sociale cohesie binnen de EU;

U.  overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de totstandbrenging en doeltreffende uitvoering van de NRIS volgens het subsidiariteitsbeginsel; overwegende dat er in de lokale, regionale en nationale begrotingen van de lidstaten toereikende financiële middelen moeten worden toegewezen voor de uitvoering van de NRIS voor de periode na 2020 en dat deze middelen moet worden aangevuld met EU-middelen; overwegende dat er efficiëntere en sterkere toezicht- en sanctiemechanismen moeten worden vastgesteld; overwegende dat de EU en de lidstaten ervoor moeten zorgen dat alle toegewezen middelen naar doelstellingen en projecten gaan die het grootste potentieel hebben om op de lange termijn iets aan de situatie van mensen met een Romani-achtergrond te doen, en dat de EU en de lidstaten ervoor moeten waken dat deze middelen worden misbruikt;

V.  overwegende dat ongeveer de helft van de mensen met een Romani-achtergrond in Europa buiten de Europese Unie woont; overwegende dat de situatie van deze mensen nog altijd bijzonder problematisch is in de meeste kandidaat-lidstaten, potentiële kandidaat-lidstaten en buurlanden; overwegende dat de Europese Unie een sterke invloed kan uitoefenen op de situatie van deze mensen via de toetredingsonderhandelingen met en de verlening van financiële bijstand aan deze landen;

W.  overwegende dat de gelijkwaardige deelname en de sterkere betrokkenheid van mensen met een Romani-achtergrond bij de beleidsvorming op alle niveaus beter moet worden gewaarborgd en dat lokale, regionale, nationale en Europese belanghebbenden, zoals ngo’s, activisten, deskundigen en leden van de gemeenschap, intensief moeten worden betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van en het toezicht op het openbare beleid inzake mensen met een Romani-achtergrond voor de periode na 2020;

X.  overwegende dat het grootste deel van de achtergestelde Romanigemeenschappen vaak buiten de boot valt en vanwege de beperkte methoden die gebruikt worden om de meest behoeftige gemeenschappen in kaart te brengen niet van nationale inclusieprogramma’s kan profiteren; overwegende dat de analyses bij de totstandbrenging van programma-interventies gericht moeten zijn op het specifieke geografische gebied en het aantal gezinnen of personen dat met sociaal-economische uitsluiting wordt bedreigd;

Y.  overwegende dat de doelstellingen in het kader van de integratie van mensen met een Romani-achtergrond moeten worden afgestemd op de horizontale doelstellingen van de EU, en met name op het herstelplan, het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027, de Europese Green Deal, de Europese pijler van sociale rechten, het Europees Semester, de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het Fonds voor een rechtvaardige transitie, de nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa, de Europese digitale strategie en de kmo-strategie voor een duurzaam en digitaal Europa; overwegende dat politieke steun een cruciale rol speelt bij de inclusie van mensen met een Romani-achtergrond; overwegende dat er meer relevante belanghebbenden bijeen moeten worden gebracht om de mogelijkheden in het kader van de aankomende EU-voorzitterschappen te verkennen en de politieke inzet en verantwoordingsplicht van de lidstaten te garanderen;

Z.  overwegende dat zigeunerhaat al eeuwenlang in onze samenlevingen voorkomt en het wreedst tot uiting kwam tijdens de holocaust, waarbij naar schatting 500 000 mensen met een Romani-achtergrond werden uitgeroeid; overwegende dat mensen met een Romani-achtergrond in Roemenië vanwege de zigeunerhaat in het land bijna vijfhonderd jaar in de slavernij hebben gezeten; overwegende dat mensen met een Romani-achtergrond door deze eeuwenlange discriminatie en sociale uitsluiting niet efficiënt genoeg de vruchten hebben kunnen plukken van de voortdurende sociaal-economische ontwikkeling van onze samenlevingen; overwegende dat zij werden gepasseerd en dat de verschillen tussen mensen met een Romani-achtergrond en de algemene bevolking daardoor zijn verscherpt;

AA.  overwegende dat de situatie van gemarginaliseerde Romanigemeenschappen die in overvolle omheinde gebieden en nederzettingen wonen als gevolg van de COVID-19-crisis is verslechterd, dat het racisme, de discriminatie, de uitsluiting, het politiegeweld en de zigeunerhaat ten aanzien van mensen met een Romani-achtergrond zijn toegenomen, waarbij de gemeenschap ervan wordt beschuldigd het virus te verspreiden, en dat mensen met een Romani-achtergrond vanwege hun beperkte toegang tot degelijke gezondheidszorg, drinkwater, sanitaire voorzieningen en voedsel een verhoogd risico lopen om met het virus besmet te raken; overwegende dat tijdens de COVID-19-crisis sterker dan ooit aan het licht is gekomen dat de integratie van mensen met een Romani-achtergrond dringend door de EU en de lidstaten aan de orde moet worden gesteld; overwegende dat de lidstaten noodhulp en medische zorg moeten verlenen om de verspreiding van het virus in te dammen; overwegende dat de economische en maatschappelijke gevolgen van de COVID-19-crisis de Romanigemeenschap het zwaarst dreigt te treffen en de reeds bestaande ongelijkheden op alle prioriteitsgebieden dreigt te verscherpen;

Wetgevingsvoorstel van de EU voor de gelijkheid, inclusie en deelname van mensen met een Romani-achtergrond en ter bestrijding van zigeunerhaat – strategisch EU-voorstel voor de periode na 2020, prioriteiten en toereikende financiering

1.  merkt op dat mensen met een Romani-achtergrond te maken hebben met hardnekkige zigeunerhaat, een specifieke vorm van racisme die ertoe leidt dat extreem grote aantallen mensen met een Romani-achtergrond met armoede en sociale uitsluiting worden bedreigd; stelt tot zijn spijt vast dat de algemene situatie van mensen met een Romani-achtergrond in de EU ondanks de continue sociaal-economische ontwikkeling in de Unie en de inspanningen op EU- en nationaal niveau ter waarborging van de integratie van deze mensen, niet is verbeterd; constateert dat dit in veel gevallen het gevolg is van hardnekkige zigeunerhaat en een gebrek aan politieke wil; verzoekt de Commissie daarom het goede voorbeeld te geven en een mainstreamingbeleid voor mensen met een Romani-achtergrond in te voeren om het perspectief van de Romanigemeenschap op alle niveaus en in alle stadia van de gewone beleidsmaatregelen, programma’s en projecten op te nemen zonder daarbij de gerichte aanpak buiten beschouwing te laten, en om discriminatie in EU-beleid in het algemeen te voorkomen en meer ruimte te bieden voor positieve discriminatie evenals het betrekken van mensen met een Romani-achtergrond bij deze processen; vraagt de lidstaten dit voorbeeld te volgen en beleidsmaatregelen vast te stellen die bijdragen aan de actieve integratie van mensen met een Romani-achtergrond in onze samenlevingen;

2.  verzoekt de Commissie met een wetgevingsvoorstel te komen voor de gelijkheid, inclusie en deelname van mensen met een Romani-achtergrond en ter bestrijding van zigeunerhaat dat gestoeld is op een grondige effectbeoordeling en tot stand is gekomen in overleg met mensen en deskundigen met een Romani-achtergrond, deskundigen die gespecialiseerd zijn in Romani-aangelegenheden en nationale, regionale en, in het bijzonder, uit particulier initiatief voortgekomen ngo’s, alsook met andere geïnteresseerde belanghebbenden, zoals de Raad van Europa en het FRA; is van oordeel dat artikel 19, lid 2, VWEU de grondslag kan vormen van dit voorstel, als passende maatregel ter bestrijding van discriminatie op grond van de etnische afkomst van mensen met een Romani-achtergrond; is van mening dat de aanbeveling van de Raad die voorheen werd gebruikt niet volstaat als handeling, aangezien zij niet juridisch bindend was en geen significant positief effect heeft gehad voor mensen met een Romani-achtergrond; verzoekt de Commissie in de prioriteitsgebieden van het voorstel voor de periode na 2020 rekening te houden met de interne heterogeniteit van de gemeenschap en ervoor te zorgen dat niemand wordt buitengesloten; vraagt de Commissie voorts de term “mensen met een Romani-achtergrond” te gebruiken om in toekomstige EU-beleidsdocumenten en -discussies naar groepen met een Romani-achtergrond te verwijzen; merkt op dat de gelijkwaardige deelname in alle facetten van het openbare leven, alsmede de politieke deelname, taal, kunst, cultuur en geschiedenis van de Romanigemeenschap uitdrukkelijk in het voorstel moeten worden genoemd als maatregelen die een aanvulling vormen op de vier belangrijkste prioriteitsgebieden van onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg;

3.  is van mening dat in het voorstel prioriteit moet worden toegekend aan het bereiken van een aanzienlijk, positief effect; meent dat de sociaal-economische aspecten in het voorstel gepaard moeten gaan met een op rechten gebaseerde aanpak, die onder meer een plan voor de uitbanning van ongelijkheden op het gebied van huisvesting, gezondheidszorg, werkgelegenheid en onderwijs omvat; is voorts van oordeel dat het voorstel specifieke, vergelijkbare, bereikbare, bindende en tijdgebonden doelstellingen moet omvatten en de inclusie van mensen met een Romani-achtergrond, met inbegrip van groepen in de gemeenschap die het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie, zoals jongeren, vrouwen en meisjes, LGBTI-personen en mensen met een beperking, moet verbeteren om inclusief onderwijs en de ontwikkeling van jonge kinderen te bevorderen en discriminatie en segregatie tegen te gaan; meent dat in het voorstel prioriteit moet worden toegekend aan een aanpak waarin rechtvaardigheid centraal staat, met het oog op de collectieve en stelselmatige discriminatie van mensen met een Romani-achtergrond; onderstreept dat het voorstel van de Europese Commissie voor de periode na 2020 gericht moet zijn op de bestrijding van armoede en zigeunerhaat, de verbetering van de leef- en gezondheidsomstandigheden, en de vereniging van een gerichte en een mainstreamingaanpak;

4.  merkt op dat de toekomstige inclusie van mensen met een Romani-achtergrond alleen kan slagen en geloofwaardig kan zijn mits fundamenteel van aanpak wordt veranderd en bij de ontwikkeling van beleid inzake de Romanigemeenschap de overstap wordt gemaakt van een paternalistische naar een niet-paternalistische aanpak; benadrukt dat de nationale inspanningen op het gebied van de inclusie van mensen met een Romani-achtergrond in alle lidstaten moeten worden geïntensiveerd; onderstreept niettemin dat de meeste aandacht moet uitgaan naar de lidstaten met een grote Romanigemeenschap waar als gevolg van een ondoeltreffend integratieproces macro-economische problemen, grotere regionale verschillen en belemmeringen voor de sociale cohesie in de EU ontstaan; onderstreept dat de EU-steun aan deze landen op de problemen aldaar moet worden afgestemd en dat meer aandacht moet worden besteed aan de doeltreffendheid van nationale (beleids)maatregelen; is van mening dat het voorstel voor de periode na 2020 bovendien een externe component moet bevatten voor kandidaat-lidstaten, potentiële kandidaat-lidstaten en buurlanden, aan de hand waarvan de EU deze landen kan bijstaan bij de vaststelling van alomvattende langetermijnstrategieën voor de integratie van mensen met een Romani-achtergrond en financiële steun kan bieden op gebieden zoals onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en werkgelegenheid;

5.  verzoekt de Commissie het verband te versterken tussen de algemene financiële en beleidsinstrumenten van de EU en de in het juridisch bindende voorstel van de Commissie uiteengezette doelstellingen in verband met de sociaal-economische ontwikkeling en inclusie van mensen met een Romani-achtergrond; verzoekt de Commissie financiële middelen ter beschikking te stellen voor de gelijkheid, inclusie en deelname van mensen met een Romani-achtergrond in het kader van het MFK 2021-2027 en het herstelplan van de EU; staat er in dit verband op dat entiteiten die zich schuldig maken aan discriminerende praktijken ten aanzien van mensen met een Romani-achtergrond of besluiten of maatregelen nemen die dergelijke praktijken in de hand werken, niet in aanmerking mogen komen voor steun uit de EU-begroting; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de uitbreidingslanden de bestaande gewone financiële mechanismen aan te passen en flexibeler te maken zodat ze in Romanigemeenschappen met financiering kunnen worden gecombineerd, door toegang te bieden tot informatie, ondersteuning, capaciteitsopbouw, technische hulp en waarborgen tijdens de aanvraagprocedure voor financiering; is van mening dat middelen op lokaal niveau vaak het doeltreffendst worden besteed door lokale overheden en ngo’s, en verzoekt de Commissie daarom meer middelen rechtstreeks aan deze partijen toe te wijzen en lokale vertegenwoordigers uit de Romanigemeenschap bij de uitvoering te betrekken; is van oordeel dat flexibelere medefinancieringsvereisten moeten worden gehanteerd om maatschappelijke organisaties van mensen met een Romani-achtergrond en maatschappelijke organisaties die zich voor deze mensen inzetten te ondersteunen, aangezien veel ngo’s, en met name lokale ngo’s, zich geen eigen financiële bijdragen kunnen veroorloven, wat de toegang van uit particulier initiatief voortgekomen ngo’s tot EU-financiering belemmert; verzoekt de Commissie passend te reageren op de bezorgdheid over de steeds kleiner wordende ruimte voor het onafhankelijk maatschappelijk middenveld in bepaalde lidstaten; is bezorgd dat de uitbraak van het coronavirus mogelijk zal leiden tot bezuinigingen in het programma Rechten en waarden in het kader van het MFK 2021-2027, wat negatieve gevolgen zal hebben voor maatschappelijke organisaties die de belangen van Romanigemeenschappen behartigen en als gevolg waarvan deze gemeenschappen minder goed ondersteund zullen worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten dit risico op doeltreffende wijze aan de orde te stellen;

6.  verzoekt de lidstaten de financiële steun van de EU aan te vullen om de situatie van mensen met een Romani-achtergrond te verbeteren; verzoekt de lidstaten aan te geven hoeveel financiering nodig is om de voorgestelde maatregelen voor de inclusie van mensen met een Romani-achtergrond uit te voeren en tevens het bedrag door te geven dat in de nationale en EU-begrotingen voor deze maatregelen wordt uitgetrokken;

7.  verzoekt de lidstaten in hun regionale en lokale ontwikkelingsstructuren betere methoden te hanteren om gemarginaliseerde Romanigemeenschappen in kaart te brengen, alsook sterkere financieringsmechanismen om meer gerichte investeringen in gemarginaliseerde Romanigemeenschappen mogelijk te maken en een betere inclusie van deze gemeenschappen wat de uitvoering van de fondsen betreft om te waarborgen dat de toegewezen middelen daadwerkelijk mensen met een Romani-achtergrond bereiken, naar behoren worden besteed en niet worden misbruikt;

Verzameling van uitgesplitste gegevens

8.  vestigt de aandacht op het belang van de systematische verzameling van naar gender en leeftijd uitgesplitste gegevens om de behoeften en context te kunnen analyseren, alsook op het belang van steun bij het vaststellen van streefcijfers en impactindicatoren om optimale resultaten te behalen wat betreft de afstemming van de planning en begrotingen, zowel op nationaal als op EU-niveau, op de daadwerkelijke behoeften; beklemtoont dat methoden voor contrafeitelijke effectbeoordelingen van belang zijn om de kloof tussen de beleidskaders en de tenuitvoerlegging in de praktijk te verminderen; herinnert eraan dat voor sommige interventies een cruciale beperking bestaat in de vorm van een kloof tussen de ambitie en de mate waarin resultaten kunnen worden geboekt met behulp van de bestaande structuur, als gevolg van een gebrek aan op gegevens gebaseerde planning, ontoereikende middelen en nieuwe, onvoorziene behoeften;

9.  herinnert eraan dat de Rekenkamer in 2016 tot de conclusie kwam dat het toezicht op en de beoordeling van de voortgang van de NRIS voor alle bezochte lidstaten redelijk problematisch bleken; verzoekt de Commissie innoverende, impactgerichte en op gegevens gebaseerde aanpakken te ontwikkelen om zo rechtstreeks een bijdrage te leveren aan de volgende generatie programma’s;

10.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten te werken aan een gemeenschappelijke methodologie voor de verzameling en publicatie van gegevens op het gebied van gelijkheid die, in overeenstemming met de EU-richtlijn rassengelijkheid, naar etnische afkomst zijn uitgesplitst; benadrukt dat deze gegevens op vrijwillige en anonieme wijze moeten worden verzameld in betrokken gemeenschappen zodat, in overeenstemming met de desbetreffende nationale rechtskaders en de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming, betrouwbare en vergelijkbare gegevens kunnen worden verkregen waarmee empirisch onderbouwd beleid kan worden gevormd om de doeltreffendheid van de uitgevoerde strategieën en maatregelen te bevorderen en structurele problemen op te sporen;

11.  verzoekt de lidstaten alle beschikbare gegevens te gebruiken om benchmarks vast te stellen en de ontwikkeling van het beleidsprogramma te helpen sturen; benadrukt dat het van wezenlijk belang is een nauwkeuriger profiel van de bevolking met een Romani-achtergrond, waaronder die in de kandidaat-lidstaten, en haar behoeften op te stellen; onderstreept dat de richtsnoeren van het FRA in dit verband een cruciale rol spelen;

Gelijkwaardige deelname van mensen met een Romani-achtergrond aan besluitvormingsprocessen – nationale strategieën voor integratie van de Roma (NRIS)

12.  verzoekt de Commissie de gelijkwaardige deelname te waarborgen van maatschappelijke organisaties van mensen met een Romani-achtergrond en maatschappelijke organisaties die zich voor deze mensen inzetten, deskundigen en leden uit alle lagen van de gemeenschap, met inbegrip van degenen die op lokaal en regionaal niveau actief zijn, waarbij zowel in beleidsdebatten als bij de besluitvorming de overstap moet worden gemaakt van een paternalistische naar een niet-paternalistische aanpak en rekening moet worden gehouden met een genderperspectief; verzoekt de lidstaten de voorlichting van en opkomst onder kiezers met een Romani-achtergrond te bevorderen;

13.  verzoekt de Commissie een EU-taskforce voor Romani-aangelegenheden in het leven te roepen om de inclusie van mensen met een Romani-achtergrond op verschillende beleidsterreinen te vergemakkelijken en de positie van deze mensen te versterken door op krachtige, waardige, onpartijdige, inclusieve en transparante wijze de capaciteitsopbouw van alle bij het beheer en de tenuitvoerlegging van EU- en nationaal beleid inzake de Romanigemeenschap betrokken actoren te ondersteunen; vraagt de lidstaten hetzelfde te doen bij de vaststelling van hun eigen NRIS voor de periode na 2020; benadrukt dat lokale en regionale belanghebbenden, met inbegrip van ngo’s, activisten, lokale en regionale deskundigen, leden van de gemeenschap en slachtoffers van zigeunerhaat, in aanzienlijke mate moeten worden betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van en het toezicht op de NRIS en ander openbaar beleid inzake mensen met een Romani-achtergrond om ervoor te zorgen dat de deelname van mensen met een Romani-achtergrond in het kader van het toekomstige kader en de NRIS een bindende gemeenschappelijke kwaliteitsnorm wordt;

14.  verzoekt de lidstaten NRIS voor de periode na 2020 te ontwikkelen en deze vergezeld te doen gaan van een alomvattend gezamenlijk evaluatiekader en een toereikende, vooraf vastgestelde begroting die is opgenomen in de nationale, regionale en lokale begrotingen en periodiek wordt beoordeeld en geëvalueerd, en die tevens is afgestemd op de behoeften op het gebied van de sociale inclusie van mensen met een Romani-achtergrond; benadrukt dat bij de vaststelling van lokale, regionale en nationale begrotingen onder meer prioriteit moet worden toegekend aan de inclusie van mensen met een Romani-achtergrond; vraagt de lidstaten de bestrijding van zigeunerhaat in alle facetten van het openbare leven op te nemen in een horizontale aanpak in het kader van hun NRIS; verzoekt de Commissie in de landspecifieke aanbevelingen een beoordeling op te nemen van de voortgang met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen in het kader van de NRIS;

Zigeunerhaat en intersectionele discriminatie

15.  wijst nogmaals op het standpunt en de aanbevelingen die zijn uiteengezet in zijn resolutie van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat; verzoekt de Commissie, gezien het feit dat er tot dusver niet veel op dit gebied is ondernomen, deze aanbevelingen op te nemen in haar voorstel voor de gelijkheid, inclusie en deelname van mensen met een Romani-achtergrond voor de periode na 2020, en met name de aanbevelingen die betrekking hebben op zigeunerhaat, waarheid en verzoening, aangezien deze ten grondslag liggen aan de totstandbrenging van een sterke en inclusieve samenleving; verwerpt nadrukkelijk het politieke en populistische discours in het kader waarvan wordt gestreefd naar de vaststelling van overheidsbeleid dat tot doel heeft zigeunerhaat aan te wakkeren, mensen met een Romani-achtergrond als zondebok aan te wijzen en directe en indirecte discriminatie en segregatie aan te moedigen; is van mening dat dergelijke politieke acties niet alleen indruisen tegen de nationale grondwetten, maar bovendien tegen de grondrechten en fundamentele waarden die in de EU-Verdragen zijn verankerd; verzoekt de Commissie daarom onmiddellijk op te treden en een inbreukprocedures in te leiden indien het EU-recht dreigt te worden geschonden;

16.  vraagt de lidstaten om zigeunerhaat officieel te erkennen als specifieke vorm van racisme ten aanzien van mensen met een Romani-achtergrond;

17.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zigeunerhaat via de belangrijkste gebieden van het voorstel voor de periode na 2020 aan te pakken en eist dat er doeltreffende Europese en nationale wetgevings- en beleidsmaatregelen worden vastgesteld om dit verschijnsel zowel in de lidstaten als in de uitbreidingslanden tegen te gaan; beschouwt de bestrijding van racisme als horizontale kwestie waarmee op alle EU-beleidsgebieden, en ook in het kader van nieuwe technologieën, rekening moet worden gehouden; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat nieuwe, door rechtshandhavingsinstanties ontwikkelde en gebruikte technologieën niet uitmonden in de discriminatie van etnische minderheden; verzoekt de Commissie bij de totstandbrenging en uitvoering van het toekomstige beleidskader meer rekening te houden met de werkzaamheden van de nationale instanties voor gelijke kansen; verzoekt de Commissie voorts ter bestrijding van zigeunerhaat sterkere synergieën tot stand te brengen tussen de nationale instanties voor gelijke kansen en nationale contactpunten voor de integratie van de Roma; verzoekt de lidstaten de daadwerkelijke onafhankelijkheid en het mandaat van, alsook de nodige middelen voor de instanties voor gelijke kansen te waarborgen zodat de desbetreffende instanties hun taken kunnen vervullen, die erin bestaan de grondrechten, ook die van mensen met een Romani-achtergrond, te bevorderen en te beschermen; is van mening dat de instanties voor gelijke kansen de juiste instellingen zijn voor de verzameling van gegevens en het in kaart brengen van tendensen met betrekking tot zigeunerhaat, en bij uitstek geschikt zijn om deze informatie naar Europees niveau te tillen;

18.  verzoekt de lidstaten de gelijkwaardige toegang van mensen met een Romani-achtergrond tot de rechter en hun gelijkheid voor de wet te waarborgen; vraagt de lidstaten mensen met een Romani-achtergrond te beschermen tegen de bedreigingen van extreem-rechtse groeperingen, onderzoek te doen naar meldingen van mishandeling door de politie en ervoor te zorgen dat mensen met een Romani-achtergrond in wetshandhavingsinstanties en bij veiligheidsdiensten kunnen werken;

19.  spoort de lidstaten aan richtsnoeren vast te stellen en opleidingen voor de politiediensten te ontwikkelen om de onevenredige criminalisering van mensen met een Romani-achtergrond tegen te gaan, alsook etnische profilering, buitensporige arrestatie- en zoekprocedures, ongegronde invallen in Romaninederzettingen, willekeurige beslaglegging op en vernieling van eigendommen, gebruik van buitensporig geweld bij arrestaties, mishandeling, bedreiging, vernedering, lichamelijk geweld, ontzegging van rechten tijdens verhoor en inhechtenisneming door de politie, en te zwak politieoptreden bij misdrijven ten aanzien van mensen met een Romani-achtergrond, waarbij vaak weinig of geen bijstand of bescherming wordt geboden (bijvoorbeeld in gevallen van mensenhandel en huishoudelijk geweld) en evenmin onderzoek wordt ingesteld naar door deze mensen gemelde misdrijven (in het bijzonder haatmisdrijven); vraagt de lidstaten erop toe te zien dat in dergelijke gevallen grondig onderzoek wordt gedaan door de bevoegde instanties; verzoekt de lidstaten passende corrigerende maatregelen te treffen;

20.  is verheugd over de verklaringen van de Raad van Europa dat haatzaaiende taal op het internet noopt tot nadenken en tot aanvullende maatregelen voor het reguleren van dit verschijnsel en het vinden van nieuwe manieren om het te bestrijden, bijvoorbeeld door een tegengeluid te bieden en factchecktechnologieën in te zetten;

21.  vraagt de lidstaten toe te zien op de doeltreffende, praktische tenuitvoerlegging en handhaving van de richtlijn rassengelijkheid, alsook op de doeltreffende handhaving van het kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat om het hardnekkige verschijnsel van zigeunerhaat te bestrijden; verzoekt de Raad nogmaals de onderhandelingen over de horizontale antidiscriminatierichtlijn weer op gang te brengen, aangezien de verwezenlijking van gelijkheid in de EU hiervan afhangt;

22.  vraagt de lidstaten voorts hun inspanningen ter bestrijding van discriminatie, haatzaaiende taal en haatmisdrijven, met name wat betreft het toezicht op en de (juridische) bijstand aan slachtoffers met een Romani-achtergrond, in het kader van de nationale en Europese antidiscriminatiewetgeving te intensiveren;

23.  herinnert de lidstaten eraan dat zij uit hoofde van de richtlijn rassengelijkheid een gespecialiseerde instantie moeten aanwijzen voor de bevordering van de gelijke behandeling van iedereen, zonder discriminatie op grond van ras of etnische afkomst;

24.  meent dat de EU en de lidstaten actie moeten ondernemen met betrekking tot de situatie en de rechten van personen in de EU die zich op het snijvlak tussen verschillende discriminatiegronden bevinden, zoals, in het bijzonder, vrouwen, LGBTI-personen en mensen met een beperking;

25.  wijst erop dat de media een cruciale rol spelen bij het terugdringen van opvattingen en houdingen die getuigen van zigeunerhaat via niet-discriminerende berichtgeving over minderheden;

Gezondheid

26.  verzoekt de lidstaten maatregelen vast te stellen om de toegang van mensen met een Romani-achtergrond, en met name die van vrouwen, kinderen, ouderen en mensen met een beperking, tot hoogwaardige, betaalbare preventieve en curatieve gezondheidszorg, met inbegrip van seksuele- en reproductieve-gezondheidsdiensten, te verbeteren; wijst er nogmaals op dat betere toegang tot gezondheidsdiensten in dit verband van wezenlijk belang is en dat niet alleen de fysieke toegang moet worden bevorderd, maar ook korte metten moet worden gemaakt met immateriële belemmeringen zoals vooroordelen en racisme;

27.  vraagt de lidstaten genoeg financiële middelen uit te trekken voor de verbetering van de algemene gezondheid van Romanigemeenschappen door middel van gezondheids- en seksuele voorlichting, mobiel bevolkingsonderzoek in gesegregeerde gebieden, voorlichtingscampagnes over preventie, en opleidingen voor gezondheidswerkers en maatschappelijk werkers over diversiteit, zodat de zorgstelsels in de EU beter op dit thema kunnen worden afgestemd;

28.  veroordeelt met klem de etnische segregatie van vrouwen met een Romani-achtergrond in kraamklinieken; verzoekt de lidstaten onverwijld alle vormen van etnische segregatie in zorginstellingen, met inbegrip van kraamklinieken, te verbieden;

29.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van gedwongen sterilisatie en sterilisatie onder dwang daadwerkelijk en tijdig schadeloos worden gesteld, onder meer door robuuste vergoedingsregelingen vast te stellen;

Gelijke en billijke toegang tot onderwijs – de kunst, taal en cultuur van de Romanigemeenschap

30.  verzoekt de Commissie nieuwe financieringsinstrumenten of subprogramma’s te ontwikkelen ter aanvulling van de maatregelen van de lidstaten voor gerichte, op de doelgroep afgestemde steun voor hoogwaardig onderwijs voor leerlingen van drie jaar en ouder met een Romani-achtergrond die zeer arm zijn en geen toegang hebben tot de bestaande en toekomstige financieringsinitiatieven van de EU op het gebied van onderwijs en sociale inclusie, zoals het Erasmus+-programma, de kindergarantie en het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+);

31.  merkt op dat in de afgelopen jaren in sommige lidstaten slechts beperkte vooruitgang is geboekt op het gebied van onderwijs aan sociaal achtergestelde kinderen met een Romani-achtergrond, met name door een gebrek aan politieke wil en door zigeunerhaat, waardoor de kloof tussen leerlingen en studenten met een Romani-achtergrond en leerlingen en studenten met een andere achtergrond wat betreft hun onderwijsresultaten nog altijd groot is; wijst erop dat het essentieel is dat kinderen met een Romani-achtergrond een gelijkwaardige uitgangspositie hebben om de overdracht van armoede van generatie op generatie te doorbreken; verzoekt de lidstaten een holistische aanpak te hanteren die alle beleidsterreinen omvat, en het onderwijs aan kinderen met een Romani-achtergrond hoog op de agenda van de regeringen te plaatsen;

32.  beveelt aan dat het onderwijs aan kwetsbare leerlingen met een Romani-achtergrond zo vroeg mogelijk begint, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden in de verschillende lidstaten, en dat deze leerlingen worden toegelaten tot gelijkwaardige, betaalbare, toegankelijke en inclusieve instellingen voor voor- en vroegschoolse opvang en onderwijs en kinderopvang; dringt er bij de lidstaten op aan om strategieën en programma’s te ontwikkelen en uit te voeren om de toegang van kinderen met een Romani-achtergrond tot kinderopvang, scholen en universiteiten te bevorderen, hetgeen een voorwaarde is voor hun persoonlijke en loopbaanontwikkeling, herinnert eraan dat extracurriculaire activiteiten zoals sport- en artistieke activiteiten een uitstekende manier zijn om voor inclusie te zorgen;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor toereikende financiële middelen voor ngo’s die dergelijke activiteiten aanbieden, aangezien deze activiteiten van essentieel belang zijn voor het scheppen van een omgeving waarin en voorwaarden waaronder kinderen ongeacht hun achtergrond gelijke kansen hebben; is van oordeel dat ook de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten in dit opzicht van cruciaal belang is;

34.  is zeer bezorgd over de hoge mate van segregatie van kinderen met een Romani-achtergrond op scholen en over de discriminerende praktijk waarbij kinderen met een Romani-achtergrond naar scholen voor kinderen met een geestelijke beperking worden gestuurd, die in sommige lidstaten tot op de dag van vandaag wordt toegepast; dringt er bij de betreffende lidstaten op aan een eind te maken aan dergelijke praktijken overeenkomstig de toepasselijke antidiscriminatiewetgeving; verzoekt de lidstaten prioriteit toe te kennen aan maatregelen ter uitbanning van alle vormen van segregatie van leerlingen met een Romani-achtergrond op scholen en in klassen, overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van 2013, door een brede reeks maatregelen in te voeren om lokale belanghebbenden, en met name ouders en kinderen met een Romani-achtergrond, evenals gemeenschapsorganisaties, actief bij de kwestie te betrekken, en door bewustmakingscampagnes op te zetten;

35.  vraagt de lidstaten erop toe te zien dat alle scholen en schoolinspecties hun juridische verplichting tot desegregatie van scholen nakomen en zich ertoe verbinden ieder jaar een overzicht te maken en te publiceren van de situatie betreffende segregatie op scholen op alle niveaus; verzoekt de lidstaten er voorts voor te zorgen dat de partijen die hun verplichtingen niet nakomen worden bestraft; vraagt de lidstaten goede praktijken uit te wisselen, zoals het oprichten van een ministeriële commissie voor desegregatie en het voorzien van deze commissie van toereikende capaciteit en middelen om scholen die tot desegregatie willen overgaan te ondersteunen en partijen die in overtreding zijn te bestraffen; herinnert eraan dat de Commissie tegen drie lidstaten een inbreukprocedure heeft ingeleid in verband met de segregatie van kinderen met een Romani-achtergrond; is van mening dat er ondanks de inspanningen van de Commissie in de afgelopen jaren geen vooruitgang is geboekt; verzoekt de Commissie daarom aanvullende maatregelen te treffen en deze zaken zo nodig naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen;

36.  wijst er nogmaals op dat het dringend noodzakelijk is om ouders met een Romani-achtergrond bij ieder stadium van het onderwijs van hun kinderen te betrekken; dringt er bij de lidstaten op aan om programma’s te ontwikkelen die gericht zijn op het betrekken van ouders met een Romani-achtergrond bij het onderwijs aan en de pedagogische en persoonlijke ontwikkeling van hun kinderen; benadrukt dat het vermogen van de lidstaten om ouders met een Romani-achtergrond hierbij te betrekken sterk afhangt van meerdere maatschappelijke en economische factoren; vraagt dat aan gezinnen met een Romani-achtergrond die kampen met economische, sociale, medische en huisvestingsproblemen bijzondere steun wordt verleend op het gebied van gezondheid, schoolmaaltijden en kleding; meent dat er nieuwe mogelijkheden moeten worden gecreëerd voor kinderen die voortijdig van school zijn gegaan, analfabeet zijn en niet over de basisvaardigheden beschikken, zodat zij hun opleiding kunnen voortzetten; verzoekt de lidstaten hiertoe ten volle gebruik te maken van het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD);

37.  verzoekt de lidstaten gelijke toegang tot hoogwaardig onderwijs voor kinderen met een Romani-achtergrond te waarborgen, onder meer in de vorm van ervaringsgericht onderwijs en mogelijkheden voor een leven lang leren; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat in reguliere onderwijsprogramma’s en in de media structureel aandacht wordt besteed aan de eerbiediging van diversiteit, intercultureel begrip en de mensenrechten, en dat de thema’s mensenrechten, leiderschap en democratisch burgerschap, evenals de geschiedenis van de Romanigemeenschap, in de schoolcurricula worden opgenomen; vraagt de lidstaten bovendien universitaire EU-programma’s voor jongeren met een Romani-achtergrond op Europees niveau onder de aandacht te brengen en uit te breiden;

38.  verzoekt de lidstaten wetten en beleidsmaatregelen vast te stellen die gericht zijn op het vergoeden van alle kinderen met een Romani-achtergrond die verkeerd zijn gediagnosticeerd en naar scholen voor kinderen met een beperking zijn gestuurd of op basis van hun etnische afkomst in voor kinderen met een Romani-achtergrond voorbehouden klassen en scholen zijn geplaatst, en bijgevolg verstoken zijn van hun grondrechten en kansen op hoogwaardig onderwijs en een goede baan;

39.  is van mening dat het actieve gebruik van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en -methoden sinds de uitbraak van het coronavirus noodzakelijk is geworden; beklemtoont niettemin dat de pandemie heeft laten zien dat de Romanigemeenschap niet goed genoeg op de digitale overgang is voorbereid, aangezien veel gezinnen en de scholen niet over geschikte ICT-apparatuur en -vaardigheden beschikken en zich vaak geen elektriciteit en/of internet kunnen veroorloven; is van oordeel dat het bezit van ICT-apparatuur van cruciaal belang is voor digitaal onderwijs en verzoekt de Commissie daarom met klem een pool van ICT-apparatuur tot stand te brengen en de apparatuur onder de kwetsbaarste gezinnen en kinderen te verdelen, zodat zij over de basismiddelen beschikken om onderwijs op afstand te volgen en klaar zijn voor het digitale tijdperk; meent dat internettoegang en ICT-vaardigheden in het opkomende digitale tijdperk voor alle burgers onmisbaar zijn en daarmee ook van essentieel belang zijn voor de versterking van de positie van mensen met een Romani-achtergrond; verzoekt de Commissie daarom bepalingen betreffende internettoegang op te nemen in het voorstel voor de periode na 2020; vraagt de lidstaten ICT-vaardigheden aan hun schoolcurricula toe te voegen en te investeren in programma’s voor digitale geletterdheid ter ondersteuning, vanaf jonge leeftijd, van kinderen met een Romani-achtergrond;

40.  verzoekt de lidstaten de taal, cultuur en geschiedenis van de Romanigemeenschap te bevorderen in schoolcurricula, musea en andere culturele en historische verbanden, en de bijdrage van de cultuur van de gemeenschap aan het Europees erfgoed te erkennen; verzoekt de lidstaten met samenhangende, consequente maatregelen te komen en deze gepaard te laten gaan met passende begrotingen om de kunst en cultuur van de Romanigemeenschap te stimuleren, te ondersteunen en te bevorderen, om het materieel en immaterieel erfgoed van de traditionele Romanicultuur te onderzoeken en in stand te houden, en om traditionele ambachten in ere te herstellen en te stimuleren;

Hoogwaardige en betaalbare huisvesting – milieurechtvaardigheid

41.  beklemtoont dat huisvesting geen “hulpbron” is, maar een eerste levensbehoefte, en dat mensen zonder een huis noch volledig aan de samenleving kunnen deelnemen, noch hun grondrechten kunnen genieten; verzoekt de Commissie en de lidstaten in hun beleid de aanbevelingen uit het verslag van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa getiteld “The right to affordable housing: Europe’s neglected duty” op te nemen, en in het bijzonder aan de aanbeveling dat alle lidstaten onverwijld toezeggen zich te zullen houden aan artikel 31 van het herziene Europees Sociaal Handvest over het recht op huisvesting, en meer te investeren in sociale en betaalbare woningen om een eind te maken aan buitensporige huisvestingskosten, zeker voor gemarginaliseerde groepen;

42.  spoort de lidstaten ten zeerste aan erop toe te zien dat mensen met een Romani-achtergrond naar behoren staan ingeschreven op basis van identiteitsdocumenten en een geboorteakte, en dat ook hun bezittingen (grond en huis) naar behoren zijn geregistreerd, en vraagt de lidstaten in de toekomst tevens te zorgen voor flexibelere juridische en administratieve procedures;

43.  vraagt de lidstaten de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor mensen met een Romani-achtergrond in overvolle woningen en onmenselijke leefomstandigheden tot een minimum te beperken door hun informele nederzettingen te legaliseren, te investeren in de infrastructuur en betere huisvesting van recentelijk gelegaliseerde informele nederzettingen;

44.  verzoekt de lidstaten een omvattend mechanisme vast te stellen om ervoor te zorgen dat de discriminatie van en misstanden ten aanzien van mensen met een Romani-achtergrond op het gebied van huisvesting worden voorkomen en bestraft, en om het probleem van dak- en thuisloosheid aan te pakken en voldoende passende verblijfslocaties beschikbaar te stellen voor reizende mensen met een Romani-achtergrond; verzoekt de lidstaten de gedwongen uitzetting van mensen met een Romani-achtergrond in het vervolg te voorkomen door ervoor te zorgen dat uitzetting altijd met volledige inachtneming van de internationale, EU- en nationale wetgeving gebeurt; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de betrokken personen tijdig in kennis worden gesteld en naar behoren worden geïnformeerd, en wijst erop dat mensen alleen mogen worden uitgezet mits alternatieve betaalbare, hoogwaardige standaardhuisvesting kan worden aangeboden in niet-gesegregeerde wijken met toegang tot openbare diensten; benadrukt dat er een dringende behoefte is aan overheidsinvesteringen om de segregatie op te heffen; vraagt de lidstaten ruimtelijke desegregatie te bevorderen en wijst op het feit dat een geografisch isolement en segregatie op het gebied van huisvesting leden van etnische minderheden belemmeren fatsoenlijke banen te vinden, ongeacht hun kwalificaties; merkt op dat het vinden van oplossingen voor uitzettingen door de inzet van verschillende instellingen van cruciaal belang is, en dat maatregelen op het gebied van huisvesting voor mensen met een Romani-achtergrond deel moeten uitmaken van bredere nationale activiteiten en wetgevingsinitiatieven gericht op sociale huisvesting of steunprogramma’s;

45.  herinnert eraan dat de gevolgen van de uitbraak van het coronavirus met name de meest behoeftigen in de EU treffen, waaronder Romanigemeenschappen, en betreurt het feit dat deze gemeenschappen als gevolg van de COVID-19-pandemie nog sterker worden gediscrimineerd en gemarginaliseerd; verzoekt de lidstaten in het kader van de COVID-19-crisis met spoed maatregelen vast te stellen om het gebrek aan water, degelijke sanitaire voorzieningen, elektriciteit en de nodige infrastructuur in arme Romanigemeenschappen aan te pakken; verzoekt de lidstaten volledig rekening te houden met Romanigemeenschappen bij het vaststellen van desinfectiemaatregelen, het afsluiten van nutsvoorzieningen tijdens de pandemie te verbieden, te overwegen subsidies voor verbruikskosten te verstrekken voor de meest kwetsbare mensen en de mensen die inkomensverlies hebben geleden, of de betalingen op te schorten tot het einde van de periode van het herstelplan, financiële steun te verlenen aan alleenstaande ouders/moeders voor kinderopvang, huur en andere huishoudelijke uitgaven om de financiële lasten te verlichten, vooral gezien het huidige banenverlies;

46.  pleit voor de EU-brede tenuitvoerlegging van het Verdrag van Aarhus, waarin milieurechten en mensenrechten aan elkaar worden gekoppeld; beveelt aan dat milieuonrechtvaardigheden worden opgenomen in het voorstel voor de periode na 2020 en verzoekt de Commissie de verschillende vormen van milieuonrechtvaardigheid aan te pakken;

Vrouwen en meisjes met een Romani-achtergrond

47.  beklemtoont dat prioriteit moet worden toegekend aan een genderperspectief en genderbewust beleid, en dat geweld (met inbegrip van mensenhandel) moet worden bestreden; verzoekt de lidstaten die het Verdrag van Istanbul nog niet hebben geratificeerd met klem dit onverwijld te doen; merkt op dat in toekomstig beleid rekening moet worden gehouden met deze verschillen en dat hierop moet worden ingespeeld in de vorm van specifieke interventies en speciale vormen van steun voor vrouwen met een Romani-achtergrond; benadrukt dat vrouwen en meisjes met een Romani-achtergrond vaak kampen met meervoudige discriminatie en dat met het oog op de versterking van hun positie in specifieke maatregelen moet worden voorzien;

48.  vraagt de regeringen van de lidstaten, de lokale overheden en, in voorkomend geval, de instellingen van de EU vrouwen met een Romani-achtergrond via vrouwenorganisaties en belanghebbenden te betrekken bij de voorbereiding, tenuitvoerlegging, beoordeling en monitoring van de NRIS, en gendergelijkheidsorganen, vrouwenrechtenorganisaties en strategieën voor sociale inclusie aan elkaar te koppelen om het vertrouwen van gemeenschappen te winnen en ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de plaatselijke situatie;

49.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat in hun NRIS een speciaal hoofdstuk over vrouwenrechten en gendergelijkheid wordt opgenomen en dat elke sectie daarvan gendermainstreamingmaatregelen omvat die gericht zijn op de bevordering van vrouwenrechten en het gendergelijkheidsperspectief, met name wat de toewijzing van middelen betreft, in overeenstemming met de conclusies van de Raad met betrekking tot een EU-kader voor de NRIS, waarin erop wordt aangedrongen dat in alle beleidsmaatregelen en acties ter bevordering van de integratie van mensen met een Romani-achtergrond een genderperspectief wordt opgenomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan of beleidsmaatregelen de gewenste verbeteringen voor vrouwen en meisjes met een Romani-achtergrond opleveren, en actie te ondernemen indien er te weinig vooruitgang wordt geboekt;

50.  verzoekt de lidstaten maatregelen vast te stellen om vrouwen met een Romani-achtergrond te helpen hun volledige potentieel te verwezenlijken als onafhankelijke, zelfverzekerde en geëmancipeerde actieve burgers; vraagt de lidstaten de verplichte voorzieningen voor gezondheids- en schoolbemiddeling uit te breiden naar alle Romanigemeenschappen en ervoor te zorgen dat er één bemiddelaar per vijfhonderd mensen beschikbaar is; vraagt bovendien dat deze voorzieningen passende financiering en ondersteuning ontvangen, zodat de bemiddelaars een centralere rol kunnen spelen in het inclusieproces;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten vrouwen en meisjes met een Romani-achtergrond uitdrukkelijker in arbeidsmarktbeleid alsook in de jongerengarantie op te nemen;

52.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat de grondrechten van vrouwen en kinderen met een Romani-achtergrond worden geëerbiedigd en er, onder meer met behulp van bewustmakingscampagnes, voor te zorgen dat vrouwen en meisjes met een Romani-achtergrond hun rechten uit hoofde van de bestaande nationale wetgeving inzake gendergelijkheid en discriminatie kennen; vraagt de Commissie en de lidstaten voorts door te gaan met het bestrijden van patriarchale en seksistische tradities;

Hoogwaardige diensten voor arbeidsvoorziening

53.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor hoogwaardige diensten voor arbeidsvoorziening voor jongeren met een Romani-achtergrond, met inbegrip van NEET’s en zeer arme jongeren;

54.  vraagt de Commissie om een mededeling uit te brengen betreffende de richtsnoeren en normen voor een wervingsbeleid zonder enige vorm van discriminatie voor lidstaten en werkgevers, met inbegrip van aanbevelingen voor de vaststelling van gelijkheidsplannen op bedrijfsniveau en in sectorale collectieve overeenkomsten en de inzet van diversiteitswerkgroepen op de werkplek, onder meer gericht op het aanpakken van stereotypen, vooroordelen en negatieve opvattingen, en het tegengaan van discriminatie bij werving, promotie, beloning en de toegang tot opleiding; benadrukt dat deze actieplannen ter bevordering van de gelijkheid ook moeten worden ingezet voor het stimuleren van etnische en culturele diversiteit op de werkplek, het ontwikkelen van interne voorschriften tegen racisme en de daarmee samenhangende discriminatie en intimidatie op de werkplek, voor het monitoren en herzien van het wervingsbeleid, de loopbaanontwikkeling en het behoud van personeel in het kader van gelijkheid, teneinde directe of indirecte discriminerende praktijken te identificeren, en benadrukt dat corrigerende maatregelen dienen te worden vastgesteld om ongelijkheden op deze gebieden te beperken en dat hiertoe gegevens betreffende gelijkheid moeten worden verzameld, waarbij de normen voor privacy en de grondrechten moeten worden geëerbiedigd;

55.  benadrukt dat de meest kritieke punten die moeten worden aangepakt op het gebied van werkgelegenheid voor mensen met een Romani-achtergrond bestaan uit de doeltreffende overgang van school naar de open arbeidsmarkt; benadrukt het belang van het aanpakken van verschillende vormen van zwart werk en van discriminatie door werkgevers, alsmede van het afstemmen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt;

56.  verzoekt de Commissie aan haar verbintenis te voldoen om een actieplan vast te stellen voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de integratie van mensen met een Romani-achtergrond als indicator op te nemen in het sociaal scorebord; spoort de Commissie en de lidstaten aan om de toegang van mensen met een Romani-achtergrond tot fatsoenlijke banen en billijke lonen en arbeidsomstandigheden te waarborgen, en te verzekeren dat de socialebeschermingsstelsels en sociale diensten toereikend en toegankelijk zijn voor en worden gebruikt door alle potentiële begunstigden, met inbegrip van universele gezondheidszorg, vrij van discriminatie, een minimuminkomen en pensioenrechten;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en kandidaat-lidstaten, de subnationale parlementen en raden van de lidstaten en kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, het Europees Comité van de Regio’s, de Raad van de Europa en de Verenigde Naties.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(3) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(4) PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13.
(5) PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1.
(6) PB C 328 van 6.9.2016, blz. 4.
(7) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 171.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0075.
(10) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 21.
(11) PB C 162 van 10.5.2019, blz. 24.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0428.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0447.
(14) Europese Commissie, “Verslag over de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma – 2019”.
(15) European Commissie, “Mid-term evaluation of the EU framework for NRIS”.
(16) “Tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie: Roma – Geselecteerde resultaten”, Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, 2016.
(17) “Tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie: Roma – Geselecteerde resultaten”, Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, 2016.


Voorbereiding van de buitengewone Europese Raad over de gevaarlijke escalatie in het oostelijke Middellandse Zeegebied en de rol van Turkije
PDF 144kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over de voorbereiding van de buitengewone top van de Europese Raad, met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke escalatie en de rol van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied (2020/2774(RSP))
P9_TA(2020)0230RC-B9-0260/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 24 november 2016 over de betrekkingen tussen de EU en Turkije(1), van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(2), van 8 februari 2018 over de huidige mensenrechtensituatie in Turkije(3), van 13 maart 2019 over het Commissieverslag 2018 over Turkije(4), van 19 september 2019 over de situatie in Turkije, met name de afzetting van verkozen burgemeesters(5), en van 13 november 2014 over het Turkse optreden dat tot spanningen leidt in de exclusieve economische zone van de Republiek Cyprus(6),

–  gezien zijn debat van 9 juli 2020 over stabiliteit en veiligheid in het oostelijke Middellandse Zeegebied en de negatieve rol van Turkije,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 mei 2019 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU (COM(2019)0260) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0220),

–  gezien de eerdere verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over de illegale booractiviteiten van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied, en met name die van 16 augustus 2020 over de hernieuwde booractiviteiten van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied, en gezien de opmerkingen die zijn gemaakt tijdens de persconferentie na zijn ontmoeting met de Turkse minister van Buitenlandse Zaken Mevlut Çavuşoğlu van 6 juli 2020, de opmerkingen die zijn gemaakt na zijn ontmoeting met de Griekse minister van Defensie Nikolaos Panagiotopoulos van 25 juni 2020 en de opmerkingen die zijn gemaakt na zijn ontmoeting met de Cypriotische minister van Buitenlandse Zaken Nikos Christodoulides van 26 juni 2020,

–  gezien de conclusies van de Raad en de Europese Raad over Turkije in dit verband, en met name de conclusies van de Europese Raad van 19 augustus 2020 over het oostelijke Middellandse Zeegebied, de conclusies van de Raad van 27 februari 2020 over illegale booractiviteiten van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied en de conclusies van de Raad van 17-18 oktober 2019 over de illegale booractiviteiten van Turkije in de exclusieve economische zone van Cyprus,

–  gezien de verklaringen van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU van 15 mei 2020 en 14 augustus 2020 over de situatie in het oostelijke Middellandse Zeegebied,

–  gezien de uitkomst van de informele bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU (Gymnich) van 28 augustus 2020,

–  gezien het NAVO-Verdrag van 1949 en de verklaring van de secretaris-generaal van de NAVO van 3 september 2020,

–  gezien de verklaring van Ajaccio naar aanleiding van de zevende top van de zuidelijke landen van de Unie (Med7) van 10 september 2020,

–  gezien het internationale gewoonterecht ter zake en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) van 1982, waarbij zowel Griekenland en Cyprus als de Europese Unie partij zijn, en gezien het VN-Handvest,

–  gezien het Statuut van Rome en de oprichtingsdocumenten van het Internationaal Gerechtshof en de precedenten die zijn geschapen door de rechtspraak van dit hof,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het oostelijke Middellandse Zeegebied, een gebied dat van strategisch belang is voor de EU en cruciaal is voor vrede en stabiliteit in het gehele Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten, wordt geteisterd door een aantal langdurige en meerlagige geschillen van politieke, economische en geostrategische aard; overwegende dat de escalerende spanningen in het oostelijke Middellandse Zeegebied worden aangewakkerd door unilaterale stappen van Turkije, waaronder zijn militair optreden, het ontbreken van een inclusieve diplomatieke dialoog en de betreurenswaardige mislukking van de pogingen om in het conflict te bemiddelen;

B.  overwegende dat Turkije sinds de ontdekking van offshore aardgasreserves in het begin van deze eeuw zijn buurlanden heeft uitgedaagd met betrekking tot het internationaal recht en de afbakening van hun exclusieve economische zones; overwegende dat de ontdekking van aanzienlijke gasreserves in de Middellandse Zee, waaronder de ontdekking van het Leviathan-veld in 2010 en het Zohr-gasveld – de grootste ontdekking van aardgas ooit in de Middellandse Zee – voor de kust van Egypte in 2015, de belangstelling voor de regio heeft aangewakkerd en heeft geleid tot verdere exploratie- en booractiviteiten in 2018 en 2019;

C.  overwegende dat Turkije het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, waarbij Griekenland en Cyprus partij zijn, niet heeft ondertekend vanwege het lopende maritieme geschil over de afbakening van een exclusieve economische zone; overwegende dat Griekenland en Turkije het inherent complexe en zich ontwikkelende zeerecht op verschillende wijze uitleggen; overwegende dat aan beide kanten wordt beweerd dat de uitlegging van het zeerecht door de andere partij in strijd is met het internationaal recht en dat de activiteiten van de andere partij illegaal zijn; overwegende dat het bovengenoemde geschil over de afbakening van de exclusieve economische zones en het continentaal plat tussen Turkije enerzijds en Griekenland anderzijds al sinds november 1973 op een oplossing wacht;

D.  overwegende dat Turkije een kandidaat-lidstaat en een belangrijke partner van de EU is en dat van het land als kandidaat-lidstaat wordt verwacht dat het de hoogste normen op het gebied van democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat handhaaft, ook bij de naleving van internationale verdragen; overwegende dat de EU duidelijk en resoluut de belangen van de Europese Unie zal verdedigen, haar onwrikbare steun en solidariteit met Griekenland en Cyprus zal blijven tonen en het internationaal recht zal handhaven;

E.  overwegende dat de illegale exploratie- en booractiviteiten van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied tot een intense en gevaarlijke militarisering van dat gebied hebben geleid, wat een ernstige bedreiging vormt voor de vrede en veiligheid in de hele regio; overwegende dat Frankrijk op 12 augustus 2020, ter ondersteuning van Griekenland en Cyprus, twee marineschepen en gevechtsvliegtuigen heeft ingezet in het gebied, en op 26 augustus 2020 samen met Griekenland, Cyprus en Italië heeft deelgenomen aan militaire oefeningen;

F.  overwegende dat een Frans marineschip op 10 juni 2020 werd geconfronteerd met een uiterst vijandige reactie van Turkse oorlogsschepen toen het in het kader van de NAVO-missie Sea Guardian verzocht een Turks vaartuig dat verdacht werd van schending van het VN-wapenembargo tegen Libië te inspecteren; overwegende dat Griekenland sinds januari 2020 meer dan 600 schendingen van zijn luchtruim door de Turkse luchtmacht heeft geregistreerd; overwegende dat deze activiteiten van Turkije gepaard gaan met een steeds vijandigere retoriek zowel tegen Griekenland en Cyprus als tegen andere EU-lidstaten en de EU zelf;

G.  overwegende dat de verkennende gesprekken tussen Griekenland en Turkije sinds maart 2016 stilliggen; overwegende dat zowel de Griekse premier als de Turkse president na hun ontmoeting in september 2019 tijdens de Algemene Vergadering van de VN een positieve impuls hebben gegeven aan de bilaterale betrekkingen en zij in december de politieke dialoog hebben hervat, waarna hoge functionarissen in januari 2020 bijeenkwamen in Ankara en er in februari 2020 in Athene besprekingen werden gevoerd over vertrouwenwekkende maatregelen;

H.  overwegende dat de regeringen van Cyprus, Egypte, Griekenland, Israël, Italië, Jordanië en de Palestijnse Autoriteit in januari 2019 het forum voor gas in het oostelijke Middellandse Zeegebied (Eastern Mediterranean Gas Forum) hebben opgericht, een multinationaal orgaan dat tot taak heeft een regionale gasmarkt tot stand te brengen en een mechanisme te ontwerpen om deze hulpbronnen te ontwikkelen; overwegende dat het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken hier kritiek op heeft gegeven aangezien hiermee zou worden geprobeerd Ankara van regionale samenwerking en coördinatie op de gasmarkt uit te sluiten;

I.  overwegende dat Turkije en de regering van nationale overeenstemming van Libië in november 2019 een Memorandum van overeenstemming hebben ondertekend, waarin een nieuwe afbakening van de wateren van beide landen wordt vastgesteld hoewel zij geen aangrenzende of tegenoverliggende kusten hebben; overwegende dat het Memorandum van overeenstemming tussen Turkije en Libië inzake de afbakening van maritieme rechtsgebieden in de Middellandse Zee een inbreuk vormt op de soevereine rechten van derde landen, niet in overeenstemming is met het zeerecht en geen rechtsgevolgen kan hebben voor derde landen; overwegende dat toepassing van dit Memorandum van overeenstemming zou neerkomen op het trekken van een scheidslijn tussen het oostelijke en het westelijke deel van het Middellandse Zeegebied, waardoor de maritieme veiligheid in gevaar zou komen;

J.  overwegende dat Turkije op 20 april 2020 het boorschip Yavuz samen met een Turks marineschip de exclusieve economische zone van Cyprus in heeft gestuurd; overwegende dat Turkije op 30 juli 2020 het seismische onderzoeksvaartuig Barbaros samen met een Turks oorlogsschip en een tweede ondersteuningsvaartuig de exclusieve economische zone van Cyprus in heeft gestuurd; overwegende dat Turkije op 10 augustus 2020 het onderzoeksschip Oruç Reis samen met 17 marineschepen de Griekse wateren in heeft gestuurd om het zeegebied in kaart te brengen voor mogelijke olie- en gasboringen in een gebied waar Turkije ook aanspraak op maakt; overwegende dat Griekenland hierop heeft gereageerd door zijn eigen oorlogsschepen te sturen om de Turkse schepen te volgen, waarbij een Grieks en een Turks schip in aanvaring zijn gekomen; overwegende dat Turkije op 31 augustus 2020 zijn exploratieactiviteiten in het oostelijke Middellandse Zeegebied door de Oruç Reis opnieuw heeft verlengd tot 12 september 2020; overwegende dat het Navtex-waarschuwingsbericht dat Turkije heeft gestuurd, betrekking had op een gebied dat zich op het Griekse continentaal plat bevindt; overwegende dat deze activiteiten van Turkije tot een aanzienlijke verslechtering van de betrekkingen tussen Griekenland en Turkije hebben geleid;

K.  overwegende dat na het verlopen van het Navtex-waarschuwingsbericht voor de wateren tussen Turkije, Cyprus en Kreta, dat op 10 augustus 2020 is uitgestuurd, het schip van Turkije voor seismisch onderzoek, de Oruç Reis, na verschillende onderhandelingsinspanningen op 13 september 2020 is teruggekeerd naar de wateren in de buurt van de zuidelijke provincie Antalya, en dat dit ervoor kan zorgen dat de spanningen tussen Ankara en Athene afnemen;

L.  overwegende dat in november 2019 een kader voor beperkende maatregelen is ingesteld als reactie op de illegale booractiviteiten van Turkije in het oostelijk Middellandse Zeegebied, nadat de Raad herhaaldelijk uiting had gegeven aan zijn bezorgdheid over de booractiviteiten en deze in verschillende conclusies, waaronder de conclusies van de Europese Raad van 22 maart 2018 en 20 juni 2019, krachtig had veroordeeld; overwegende dat de Raad op 27 februari 2020 twee leidinggevenden van Turkish Petroleum Corporation (TPAO) op de EU-sanctielijst heeft geplaatst, waardoor hun een reisverbod en bevriezing van tegoeden werd opgelegd, naar aanleiding van de illegale booractiviteiten van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied; overwegende dat tijdens een informele bijeenkomst van de Raad (Gymnich) op 28 augustus 2020 werd opgeroepen tot verdere gerichte sancties tegen Turkije als de spanningen in de regio niet worden opgelost; overwegende dat deze beperkende maatregelen zullen worden besproken tijdens de buitengewone top van de Europese Raad op 24 en 25 september 2020; overwegende dat de nationale leiders op de Med7-top van mediterrane landen op 10 september 2020 hun volledige steun aan en solidariteit met Griekenland hebben betuigd en het betreurenswaardig vonden dat Turkije niet heeft gereageerd op de herhaalde oproepen van de EU om een einde te maken aan zijn unilaterale en illegale acties in het oostelijke Middellandse Zeegebied en in de Egeïsche Zee;

M.  overwegende dat VV/HV Josep Borrell actief optreedt in de regio, samen met het Duitse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, en dat de VV/HV werkt aan oplossingen om de situatie aan te pakken door middel van een dialoog tussen Turkije, Griekenland en Cyprus; overwegende dat Turkije zich moet onthouden van unilaterale acties, teneinde de dialoog te doen vorderen; overwegende dat de bemiddelingspogingen onder leiding van het Duitse voorzitterschap van de Raad in juli en augustus helaas zijn mislukt; overwegende dat Griekenland en Egypte tijdens lopende onderhandelingen op 6 augustus 2020 een bilaterale maritieme overeenkomst hebben gesloten tot afbakening van een exclusieve economische zone voor het recht om naar olie en gas te boren, na 15 jaar onderhandelingen met Turkije en Cyprus over deze kwestie;

N.  overwegende dat ook de NAVO verschillende initiatieven voor dialoog tussen Griekenland en Turkije heeft voorgesteld en gesprekken tussen deze landen tot stand heeft gebracht; overwegende dat in artikel 1 van het NAVO-Verdrag is vastgelegd dat de partijen bij dit Verdrag zich ertoe verbinden om alle internationale geschillen waarin zij mochten worden gewikkeld met vreedzame middelen te beslechten op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties;

O.  overwegende dat in het VN-Handvest is bepaald dat staten zich ertoe moeten verbinden om alle internationale geschillen waarin zij verwikkeld raken te beslechten met vreedzame middelen op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties;

1.  is uiterst bezorgd over het lopende geschil en het hiermee samenhangende risico van verdere militaire escalatie in het oostelijke Middellandse Zeegebied tussen EU-lidstaten en een EU-kandidaat-lidstaat; is er sterk van overtuigd dat een duurzame oplossing voor het conflict alleen kan worden gevonden via dialoog, diplomatie en onderhandelingen, in een geest van goede wil en in overeenstemming met het internationaal recht;

2.  veroordeelt de illegale activiteiten van Turkije op het continentaal plat/de exclusieve economische zones van Griekenland en Cyprus, waardoor de soevereine rechten van deze EU-lidstaten worden geschonden, en betuigt zijn volledige solidariteit met Griekenland en Cyprus; dringt er bij Turkije op aan zich in te zetten voor de vreedzame beslechting van geschillen en zich te onthouden van unilaterale en illegale maatregelen of bedreigingen, aangezien dat negatieve gevolgen kan hebben voor de betrekkingen van goed nabuurschap;

3.  is ingenomen met de beslissing van Turkije van 12 september 2020 om zijn schip voor seismisch onderzoek, de Oruç Reis, terug te roepen en zo een eerste stap te zetten om de spanningen in het oostelijke Middellandse Zeegebied te verminderen; veroordeelt het besluit van Turkije van 15 september 2020 om een nieuw Navtex-bericht te verzenden tot verlenging van de opdracht van het boorschip Yavuz tot en met 12 oktober 2020; dringt er bij Turkije op aan zich terughoudend op te stellen en proactief bij te dragen aan de de-escalatie van de situatie, onder andere door de territoriale integriteit en soevereiniteit van al zijn buurlanden te eerbiedigen, onmiddellijk een einde te maken aan alle verdere illegale exploratie- en booractiviteiten in het oostelijke Middellandse Zeegebied, af te zien van schendingen van het Griekse luchtruim en de Griekse en Cypriotische territoriale wateren en zich te distantiëren van nationalistische oorlogsretoriek; verwerpt het gebruik van bedreigingen en beledigende taal jegens lidstaten en de EU als onaanvaardbaar en ongepast voor een kandidaat-lidstaat van de EU;

4.  wijst erop dat er een oplossing moet worden gevonden door middel van diplomatie, bemiddeling en internationaal recht en is er groot voorstander van dat de dialoog tussen de partijen wordt hervat; verzoekt alle betrokken actoren, met name Turkije, zich te verbinden tot een onmiddellijke de-escalatie door hun militaire aanwezigheid in de regio stop te zetten, teneinde een dialoog en doeltreffende samenwerking mogelijk te maken;

5.  verzoekt Turkije, als kandidaat-lidstaat van de EU, het zeerecht en de soevereiniteit van de EU-lidstaten Griekenland en Cyprus over hun territoriale wateren ten volle te eerbiedigen, met inbegrip van hun soevereiniteitsrechten in maritieme zones; herhaalt zijn oproep aan de Turkse regering tot ondertekening en ratificatie van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee en herinnert eraan dat ook als Turkije geen ondertekenaar is, het gewoonterecht ook voor onbewoonde eilanden voorziet in exclusieve economische zones;

6.  betreurt dat de toenemende escalatie van de spanningen de vooruitzichten voor een hervatting van rechtstreekse gesprekken over een alomvattende oplossing voor de kwestie Cyprus op de helling zet, terwijl dit nog steeds de meest doeltreffende weg is met betrekking tot de vooruitzichten voor de afbakening van de exclusieve economische zones tussen Cyprus en Turkije; dringt er bij alle betrokken partijen op aan de onderhandelingen met het oog op een eerlijke, alomvattende en levensvatbare oplossing van de kwestie Cyprus binnen het kader van de VN, zoals omschreven in de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, actief te steunen, in overeenstemming met het internationaal recht, het EU-acquis en op basis van de eerbiediging van de beginselen waarop de Unie is gegrondvest;

7.  is verheugd over de uitnodiging van de regeringen van Cyprus en Griekenland aan Turkije om te goeder trouw te onderhandelen over de afbakening van de wateren aan hun respectieve kusten; dringt er bij de partijen op aan de relevante geschillen te verwijzen naar het Internationaal Gerechtshof in Den Haag of een beroep te doen op internationale arbitrage in het geval dat het geschil niet kan worden beslecht via bemiddeling;

8.  is ingenomen met de inspanningen van de EU, met name van VV/HV Josep Borrell en het Duitse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, en van andere internationale instellingen zoals de NAVO, om bij te dragen aan het vinden van een oplossing door middel van dialoog en diplomatie; roept alle partijen op tot echte collectieve inzet om te goeder trouw te onderhandelen over de afbakening van exclusieve economische zones en het continentaal plat, met volledige inachtneming van het internationaal recht en het beginsel van goed nabuurschap; steunt het voorstel voor een multilaterale conferentie over het oostelijke Middellandse Zeegebied waaraan alle betrokkenen deelnemen, om een platform te bieden voor het beslechten van geschillen door middel van dialoog;

9.  verzoekt de Commissie en alle lidstaten te streven naar een bredere, inclusieve dialoog met Turkije, evenals een alomvattende en strategische veiligheidsarchitectuur en samenwerking op het gebied van energie in het Middellandse Zeegebied; verzoekt de Commissie en de lidstaten om zich in het kader van deze dialoog resoluut te blijven inzetten voor de fundamentele waarden en beginselen van de Unie, met inbegrip van de eerbiediging van de mensenrechten, de democratie, de rechtsstaat en het beginsel van solidariteit;

10.  doet een dringende oproep om een uitgebreide milieurisicobeoordeling uit te voeren van alle booractiviteiten, gezien de vele risico’s voor het milieu, de werknemers en de lokale bevolking die verbonden zijn aan offshoregasexploratie; roept alle betrokken partijen ertoe op om te investeren in hernieuwbare energie en in een duurzame, klimaatvriendelijke toekomst, en verzoekt de EU om steun te geven aan de ontwikkeling van een dergelijke Green Deal voor het Middellandse Zeegebied, die onder meer kan bestaan uit plannen voor investeringen in hernieuwbare energie in de ruimere regio, teneinde geschillen over beperkte fossiele hulpbronnen die schadelijk zijn voor ons klimaat en milieu te vermijden;

11.  uit zijn grote bezorgdheid over de huidige toestand van de betrekkingen tussen de EU en Turkije, vooral met betrekking tot de erbarmelijke mensenrechtensituatie in Turkije en de uitholling van de democratie en de rechtsstaat; onderstreept dat de unilaterale initiatieven van Turkije op het gebied van buitenlands beleid zowel in het verleden als nu nadelige gevolgen hebben in de ruimere regio en dat de illegale exploratie- en booractiviteiten van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied de betrekkingen tussen de EU en Turkije in het algemeen nog verder verslechteren; verzoekt Turkije en de EU-lidstaten om samen een vreedzame oplossing van het conflict en de politieke dialoog in Libië te steunen en zich te houden aan het door de VN-Veiligheidsraad ingestelde wapenembargo; betreurt de negatieve gevolgen van het huidige buitenlands beleid van Turkije en andere acties in het Middellandse Zeegebied voor de stabiliteit in de regio; herhaalt zijn standpunt zoals vastgesteld in zijn resolutie van 24 oktober 2019 over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan(7);

12.  verzoekt de passende fora binnen de NAVO, en met name de taskforce op hoog niveau voor de beheersing van conventionele wapens, met spoed de wapenbeheersing in het oostelijke Middellandse Zeegebied te bespreken;

13.  herhaalt dat de parlementaire dialoog tussen de EU en Turkije een belangrijk element is van de inspanningen om een dialoog en een de-escalatie tot stand te brengen; betreurt ten zeerste dat de Turkse Grote Nationale Assemblee blijft weigeren de bilaterale bijeenkomsten van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije te hervatten; dringt aan op de onmiddellijke voortzetting van deze zittingen;

14.  wijst erop dat extra sancties alleen door dialoog, loyale samenwerking en concrete vooruitgang ter plaatse kunnen worden voorkomen; verzoekt de Raad om, bij gebrek aan significante vooruitgang in de betrekkingen met Turkije, klaar te staan om een lijst van verdere sancties op te stellen; stelt voor dat dergelijke maatregelen sectoraal en gericht zijn; is stellig van mening dat deze sancties geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de bevolking van Turkije, voor onze steun aan het onafhankelijke maatschappelijk middenveld in Turkije of voor vluchtelingen die in Turkije verblijven;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Parlementaire Assemblee en de secretaris-generaal van de NAVO, de president, de regering en het parlement van de Republiek Turkije, en de lidstaten van de EU.

(1) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 93.
(2) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 199.
(3) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 56.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0200.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0017.
(6) PB C 285 van 5.8.2016, blz. 11.
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0049.


Situatie in Belarus
PDF 136kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over de situatie in Belarus (2020/2779(RSP))
P9_TA(2020)0231RC-B9-0271/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Belarus, in het bijzonder die van 4 oktober 2018 over de achteruitgang van de mediavrijheid in Belarus, met name het geval van Charter ‘97(1), van 19 april 2018 over Belarus(2), van 6 april 2017 over de situatie in Belarus(3), van 24 november 2016 over de situatie in Belarus(4) en van 8 oktober 2015 over de doodstraf(5),

–  gezien de oprichting van het Oostelijk Partnerschap in Praag op 7 mei 2009 als een gemeenschappelijk initiatief van de EU en haar zes Oost-Europese partners Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne,

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de toppen van het Oostelijk Partnerschap van 2009 in Praag, van 2011 in Warschau, van 2013 in Vilnius, van 2015 in Riga en van 2017 in Brussel,

–  gezien de presidentsverkiezingen van 9 augustus 2020 in Belarus,

–  gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid namens de Europese Unie over de presidentsverkiezingen, met name die van 11 augustus 2020 en 17 augustus 2020,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, met name die van 7 augustus 2020 voorafgaand aan de presidentsverkiezingen en van 14 juli 2020 over het niet registreren van presidentskandidaten, en gezien de gezamenlijke verklaring van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de minister van Buitenlandse Zaken van Canada van 26 augustus 2020, alsook de gezamenlijke verklaring van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de commissaris voor Nabuurschap en Uitbreiding van 10 augustus 2020 over de presidentsverkiezingen,

–  gezien de verklaring van de Voorzitter van het Europees Parlement van 13 augustus 2020 en van de leiders van de vijf politieke fracties van 17 augustus 2020 over de situatie in Belarus na de zogenaamde presidentsverkiezingen van 9 augustus 2020,

–  gezien de belangrijkste resultaten van de buitengewone vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken van 14 augustus 2020 en de conclusies van de voorzitter van de Europese Raad van 19 augustus 2020 over de situatie in Belarus na de presidentsverkiezingen van 9 augustus 2020,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van 7 september 2020 over willekeurige en ongerechtvaardigde aanhoudingen en detenties op politieke gronden, en van 11 september 2020 over de escalatie van het geweld tegen en de intimidatie van leden van de coördinatieraad,

–  gezien de integrale EU-strategie en het herziene Europees nabuurschapsbeleid,

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de EDEO, met name die van 19 juni 2020 over recente ontwikkelingen in de aanloop naar de presidentsverkiezingen en van 18 november 2019 over parlementsverkiezingen in Belarus,

–  gezien het besluit van de Raad van 17 februari 2020 tot verlenging van het EU-embargo van 2004 ten aanzien van Belarus betreffende wapens en uitrusting die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie(6),

–  gezien de verklaring van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) van 15 juli 2020 dat geen verkiezingswaarnemingsmissie werd gestuurd wegens het ontbreken van een uitnodiging,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en alle mensenrechtenverdragen waarbij Belarus partij is,

–  gezien het verslag van de Speciaal Rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Belarus van 10 juli 2020,

–  gezien de verklaring van het ODIHR van de OVSE van 17 juli 2020 en de eerdere rapporten van het ODIHR van de OVSE over verkiezingen in Belarus,

–  gezien de verklaringen van de secretaris-generaal van de VN van 10 en 14 augustus 2020 over de ontwikkelingen in Belarus na de verkiezingen,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er sinds 2000 ondanks herhaalde pogingen geen enkele nieuwe politieke partij in Belarus geregistreerd is; overwegende dat de Belarussische centrale kiescommissie de registratie als kandidaat in de presidentsverkiezingen van 2020 heeft geweigerd aan politici die kritisch zijn voor het regime en naar verluidt meer dan 100 000 handtekeningen hadden verzameld, zoals is voorgeschreven in de nationale wetgeving, hetgeen de disproportionele en onredelijke hindernissen voor kandidaatstelling onderstreept en ingaat tegen verbintenissen in het kader van de OVSE en andere internationale normen;

B.  overwegende dat de campagne voor de presidentsverkiezingen al sinds begin mei 2020 werd gekenmerkt door politieoptreden tegen vreedzame demonstranten, activisten van het maatschappelijk middenveld, bloggers en journalisten in het hele land, alsook door ernstige intimidatie van politieke activisten, hun families en medestanders; overwegende dat meer dan 650 vreedzame betogers, journalisten en burgeractivisten uit het hele land zijn vastgezet omdat ze hebben gedemonstreerd tegen het regime;

C.  overwegende dat het Belarussische verkiezingsproces niet is verlopen volgens de richtsnoeren van de OVSE, waarin wordt opgeroepen tot de eerbiediging van fundamentele vrijheden, gelijkheid, universaliteit, politiek pluralisme, vertrouwelijkheid, transparantie en aansprakelijkheid, hoewel Belarus een deelnemende staat van de OVSE is;

D.  overwegende dat het verkiezingsproces niet kon worden waargenomen door een verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/ODIHR omdat de Belarussische autoriteiten met opzet niet tijdig een uitnodiging hebben verzonden;

E.  overwegende dat melding is gemaakt van structurele onregelmatigheden en schendingen van de internationale verkiezingsnormen tijdens het stemmen, waaronder intimidatie van kiezers, het ontkennen van het stemrecht van kiezers en het op massale schaal vervalsen van de protocollen van de kiesdistricten; overwegende dat onafhankelijke nationale waarnemers uit heel het land, waaronder degenen die toezicht hebben gehouden op het vervroegd stemmen voor de presidentsverkiezingen van Belarus, zijn vastgehouden nadat zij talloze schendingen van het kiesrecht hadden gedocumenteerd;

F.  overwegende dat de centrale kiescommissie van Belarus de zittende president Aljaksandr Loekasjenka heeft uitgeroepen tot de winnaar van de zogenaamde verkiezingen;

G.  overwegende dat geloofwaardige meldingen uit het hele land en particuliere initiatieven op sociale media aantonen dat op grote schaal verkiezingsfraude in het voordeel van de zittende president Aljaksandr Loekasjenka heeft plaatsgevonden, en dat veel Belarussen Svjatlana Tichanowskaja als de winnaar beschouwen;

H.  overwegende dat onmiddellijk na de aankondiging van de zogenaamde verkiezingsresultaten ongekende vreedzame protesten op gang kwamen waarin burgers uiting gaven aan hun verlangen naar democratische verandering en eerbiediging van grondrechten en mensenrechten, en dat deze protesten tot op vandaag doorgaan, waarbij honderdduizenden mensen in heel Belarus de straat opgaan, vooral tijdens het weekend wanneer eenheidsmarsen plaatsvinden, hetgeen aantoont hoe groot de ontevredenheid en het engagement in de Belarussische samenleving is;

I.  overwegende dat de protesten vergezeld gaan van wijdverbreide stakingen in fabrieken, waaronder grote staatsbedrijven in verscheidene sectoren van de economie, ondernemingen, scholen, universiteiten, steden en dorpen in het hele land;

J.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten de uitslag van de presidentsverkiezingen niet hebben erkend wegens ernstige twijfels over de eerlijkheid van de verkiezingen en wijdverbreide meldingen van vervalsing; overwegende dat de ambtstermijn van zittend president Loekasjenka op 5 november 2020 afloopt;

K.  overwegende dat de protesten in Belarus van een ongekende omvang zijn, in heel het land plaatsvinden en vertegenwoordigers van alle generaties tellen, waarbij vrouwen zichtbaar het leiderschap op zich nemen;

L.  overwegende dat de autoriteiten van Belarus op de legitieme en vreedzame demonstraties hebben gereageerd met buitensporig geweld; overwegende dat de veiligheidsdiensten zeer hardhandig hebben gereageerd op de vreedzame protesten, waarbij vaak buitensporig, onnodig en willekeurig geweld is gebruikt en intensief gebruik is gemaakt van traangas, wapenstok, flitsgranaten en waterkanonnen; overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties heeft gemeld dat de voorbije weken meer dan 6 700 mensen zijn opgepakt terwijl ze gebruikmaakten van hun recht op vrijheid van vreedzame vergadering; overwegende dat deskundigen meldingen hebben ontvangen over ten minste 450 gevallen van foltering en mishandeling van mensen van wie de vrijheid is ontnomen, en dat verschillende mensen sinds 9 augustus 2020 worden vermist of dood zijn teruggevonden, waaronder Aljaksandr Tarajkowski, Kanstantsin Sjysjmakow, Aljaksandr Vichor en Henadz Sjoetaw;

M.  overwegende dat de coördinatieraad is opgericht om een tijdelijke institutionele partner te vormen voor een nationale dialoog die is gericht op het organiseren van nieuwe verkiezingen die volgens internationale normen en met waarneming door ODIHR zou moeten plaatsvinden; overwegende dat duizenden mensen sindsdien hun steun hebben uitgesproken voor de oproep van de coördinatieraad voor nieuwe verkiezingen en dat alle vooraanstaande leden van de coördinatieraad zijn geïntimideerd, ondervraagd of gearresteerd (Lilija Oelasava, Maksim Znak, Sjarhej Dylewski, Maria Kalesnikava); overwegende dat aanhoudende intimidatie en bedreigingen vooraanstaande leden van de oppositie, Svjatlana Tichanowskaja, Veranika Tsapkala, Pavel Latoesjka en Volha Kavalkova, ertoe hebben bewogen naar de Europese Unie te vluchten; overwegende dat een andere leider, Maria Kolesnikova, op 7 september 2020 op klaarlichte dag op straat in Minsk door gemaskerde mannen in een anoniem busje is ontvoerd; overwegende dat Nobelprijswinnaar Svjatlana Aleksijevitsj het enige lid van het presidium van de coördinatieraad is dat nog in vrijheid is in Belarus; overwegende dat er ernstige zorgen zijn met betrekking tot haar veiligheid, ondanks de uitzonderlijke steun die zij heeft gekregen van Europese diplomaten;

N.  overwegende dat de Europese Raad van 19 augustus 2020 heeft besloten om sancties op te leggen aan een aanzienlijk aantal personen die verantwoordelijk zijn voor geweld, repressie en de vervalsing van de verkiezingsresultaten in Belarus, door hen te verbieden de EU binnen te komen en hun financiële tegoeden in de EU te bevriezen;

O.  overwegende dat de verkiezingscampagne en de presidentsverkiezingen plaatsvonden tijdens de COVID-19-pandemie, waarvan de gevolgen consequent werden ontkend door de politieke leiders en de autoriteiten, hetgeen ertoe heeft geleid dat journalisten, medisch personeel en gewone mensen in actie zijn gekomen om cruciale informatie over de pandemie en de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen te delen, waarmee zij het maatschappelijk engagement en de vitaliteit van het Belarussische maatschappelijk middenveld hebben aangetoond;

P.  overwegende dat de president van de Russische Federatie op 27 augustus 2020 zijn steun heeft uitgesproken voor de repressie door de Belarussische autoriteiten van gerechtvaardigde burgerlijke grieven door aan te bieden een speciale politiemacht in te zetten; overwegende dat de heer Loekasjenka op 21 augustus 2020 heeft bekendgemaakt dat stakende en opgestapte journalisten van de staatsmedia werden vervangen door zogenaamde Russische mediaspecialisten; overwegende dat Rusland, China en Turkije de eerste staten waren die de heer Loekasjenka met zijn frauduleuze verkiezingsoverwinning hebben gefeliciteerd;

Q.  overwegende dat de Belarussische autoriteiten hun gewelddadig optreden tegen onafhankelijke Belarussische verslaggevers en burgerjournalisten voortzetten en doelbewust pogen objectieve verslaggeving te hinderen om de binnenlandse en internationale bezorgdheid en afkeuring de kop in te drukken, onder meer door op 29 augustus 2020 de persaccreditatie van meer dan een dozijn internationale verslaggevers in te trekken;

R.  overwegende dat de mensenrechtensituatie tijdens de verkiezingscampagne en na de verkiezingen verder achteruit is gegaan; overwegende dat de werkomgeving van mensenrechtenverdedigers voortdurend is verslechterd en mensenrechtenverdedigers stelselmatig slachtoffer zijn van intimidatie, pesterijen en beperkingen van hun fundamentele vrijheden; overwegende dat Belarus als enige land in Europa nog steeds de doodstraf voltrekt;

1.  benadrukt dat het Europees Parlement, in overeenstemming met het standpunt van de Europese Raad, de uitslag van de zogenaamde presidentsverkiezingen van 9 augustus 2020 in Belarus niet erkent, aangezien deze verkiezingen in flagrante strijd met alle internationaal erkende normen zijn verlopen; zal Aljaksandr Loekasjenka na afloop van zijn huidige ambtstermijn niet als president van Belarus erkennen;

2.  laakt in de meest scherpe bewoordingen de Belarussische autoriteiten vanwege hun gewelddadige repressie van vreedzame protesten voor gerechtigheid, vrijheid en democratie in de nasleep van de frauduleuze presidentsverkiezingen van 9 augustus 2020; roept op het geweld onmiddellijk te stoppen en vraagt de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van en intrekking van alle aanklachten tegen alle personen die voor of na de zogenaamde verkiezingen van 9 augustus 2020 om politieke redenen zijn aangehouden, met inbegrip van alle personen die zijn aangehouden omdat zij hebben deelgenomen aan demonstraties tegen de verkiezingsuitslag of tegen het geweld door de autoriteiten, of omdat zij hun steun voor deze demonstraties hebben geuit;

3.  veroordeelt de voortdurende intimidatie, de vervolging en het buitensporige gebruik van geweld ten aanzien van deelnemers aan stakingen, leden van de coördinatieraad en andere personen uit de oppositie, activisten uit het maatschappelijk middenveld, onafhankelijke journalisten en bloggers; eist de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van al degenen die voor of na de vervalste verkiezingen van 9 augustus 2020 willekeurig zijn vastgehouden, waaronder Pavel Sevjarynets, Mikalaj Statkevitsj, Maria Kalesnikava, Andrej Jahoraw, Anton Radnjankow en Ivan Krawtsow; eist dat alle vervolgingen om politieke redenen worden stopgezet;

4.  is ingenomen met de coördinatieraad als interimvertegenwoordiging van de bevolking die democratische verandering in Belarus eist, en die open staat voor alle politieke en maatschappelijke belanghebbenden;

5.  steunt een vreedzame en democratische machtsoverdracht die het resultaat is van een inclusieve nationale dialoog met volledige eerbiediging van de democratische en grondrechten van het Belarussische volk; herhaalt in dit verband de eisen van het Belarussische volk dat zo spoedig mogelijk nieuwe, vrije en eerlijke verkiezingen moeten plaatsvinden onder internationaal toezicht onder leiding van OVSE/ODIHR en in overeenstemming met de internationaal erkende normen;

6.  spreekt zijn ondubbelzinnige steun uit voor het volk van Belarus en zijn gerechtvaardigde eisen en verlangen naar vrije en eerlijke verkiezingen, fundamentele vrijheden en mensenrechten, democratische vertegenwoordiging, politieke participatie, waardigheid en het recht om zijn eigen lot te kiezen; onderkent dat de huidige protestbeweging in Belarus gebaseerd is op het breed gedeelde algemene verlangen naar de democratisering van Belarus, waarvan de inwoners dezelfde fundamentele rechten op democratie en vrijheid moeten genieten als alle andere burgers op het Europese continent;

7.  verzoekt de Commissie, de VV/HV en de Raad bijstand te verlenen aan de democratische oppositie van Belarus, met inbegrip van de coördinatieraad onder leiding van Svjatlana Tichanowskaja;

8.  spreekt zijn waardering uit voor de belangrijke bijdrage die de vrouwen van Belarus onder leiding van Svjatlana Tichanowskaja, Veranika Tsapkala en Maria Kalesnikava hebben geleverd, en voor hun medestanders die de legitieme eisen van het Belarussische volk uitspreken en vertegenwoordigen; merkt op dat vele Belarussen Svjatlana Tichanowskaja als winnaar van de presidentsverkiezingen en als nieuw verkozen president zien;

9.  eist de onmiddellijke vrijlating van de gearresteerde leden van de coördinatieraad Lilija Oelasava, Maksim Znak, Sjarhej Dylewski en Maria Kalesnikava; staat erop dat iedere mogelijke nationale dialoog moet plaatsvinden met de volledige en ongehinderde deelname van de coördinatieraad; is verheugd over de bescherming die door de vertegenwoordigers van EU-lidstaten wordt geboden aan Svjatlana Aleksijevitsj;

10.  betreurt ten zeerste de ontstellende gewelddadigheden tegen en wrede repressie en mishandeling van vreedzame betogers en gedetineerden; pleit voor een onafhankelijk en doeltreffend onderzoek naar de dood van Aljaksandr Tarajkowski, Aljaksandr Vichor, Artsjom Paroekow, Henadz Sjoetaw en Kanstantsin Sjysjmakow;

11.  verzoekt dat alle mishandeling en marteling wordt beëindigd, een specifieke definitie van foltering wordt opgenomen in het Belarussische wetboek van strafrecht die overeenkomt met de internationale mensenrechtennormen, en dat de wetgeving wordt gewijzigd om gedwongen verdwijning strafbaar te stellen;

12.  benadrukt dat het noodzakelijk is het recht van burgers op vrijheid van vergadering, vereniging, meningsuiting en meningsvorming, evenals de vrijheid van de media te waarborgen, en derhalve alle beperkingen in de wet en in de praktijk die deze vrijheden belemmeren, op te heffen; veroordeelt met klem de aanhoudende voltrekking van de doodstraf en verzoekt dat deze onmiddellijk en onherroepelijk wordt afgeschaft, en verzoekt zolang dit nog niet is gebeurd om een effectief recht op beroep tegen doodvonnissen;

13.  steunt de Belarussische werknemers en onafhankelijke vakbonden volledig en verzoekt de Belarussische autoriteiten en werkgevers het fundamentele recht van Belarussische werknemers om te staken zonder dat zij het risico lopen op ontslag, arrestatie of andere vormen van vergelding te eerbiedigen, overeenkomstig IAO-verdragen nrs. 87 en 98; steunt het verzoek van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen aan de Internationale Arbeidsorganisatie om onverwijld optreden tegen de arrestaties en veroordelingen van de leiders van stakingscomités en onafhankelijke vakbondsactivisten om hun vrijheid van vergadering en vereniging te beschermen; spreekt zijn steun uit voor de coördinerende rol die het Belarussisch Congres van democratische vakbonden speelt;

14.  spreekt zijn krachtige steun uit voor EU-sancties tegen personen die verantwoordelijk zijn voor de vervalsing van de verkiezingsresultaten in Belarus, inclusief Aljaksandr Loekasjenka; verzoekt de Raad onverwijld en in nauwe samenwerking met internationale partners brede en doeltreffende sancties in te stellen tegen alle Belarussische schuldigen aan verkiezingsfraude, geweld en repressie in Belarus; verzoekt de Raad het voorbeeld te volgen van de Baltische staten, die Loekasjenka in hun sanctielijsten hebben opgenomen, door de aanvankelijk voorgestelde groep personen tegen wie sancties zouden worden ingesteld uit te breiden met een aanzienlijk aantal hooggeplaatste functionarissen en functionarissen uit het middenkader en met ondernemers van wie bekend is dat zij het regime ondersteunen of hun werknemers ontslaan omdat zij deelnemen aan stakingen; verzoekt de VV/HV en de Raad de mogelijkheid te onderzoeken de sanctielijst uit te breiden met Russische staatsburgers die rechtstreeks betrokken zijn bij steun aan het regime van Loekasjenka in Belarus;

15.  is zeer verheugd over het voorstel van de fungerend Voorzitter van de OVSE in samenwerking met zijn opvolger om Belarus bij te staan bij het organiseren van een dialoog; staat erop dat de Belarussische autoriteiten het aanbod dat hun door de huidige en aankomende fungerend Voorzitter van de OVSE is gedaan aanvaarden;

16.  verzoekt de EDEO en de Commissie met klem een alomvattende herziening van het beleid van de EU ten aanzien van Belarus op te stellen, met het oog op het ondersteunen van de bevolking van Belarus en haar democratische ambities en het ondersteunen van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers, onafhankelijke vakbonden en onafhankelijke media; pleit voor een verhoging van de EU-financiering voor het Belarussisch maatschappelijk middenveld en pleit ervoor alle overdrachten van EU-financiering naar de huidige Belarussische regering en door de staat beheerde projecten te bevriezen en EIB-, EBWO- en andere leningen aan het huidige regime stop te zetten; dringt er bij de EU op aan een donorconferentie voor een democratisch Belarus te organiseren, waar internationale financiële instellingen, de G7-landen, de lidstaten en instellingen van de EU en anderen die bereid zijn een pakket van meerdere miljarden euro’s toe te zeggen ter ondersteuning van toekomstige hervormingsinspanningen en de herstructurering van de economie, worden samengebracht;

17.  verzoekt de EDEO de onderhandelingen over de partnerschapsprioriteiten EU-Belarus op te schorten totdat vrije en eerlijke presidentsverkiezingen hebben plaatsgevonden;

18.  verzoekt de regering het gezondheidszorgstelsel te versterken en de bevolking op transparante en inclusieve wijze van alle relevante en levensreddende informatie over de pandemie te voorzien; benadrukt de noodzaak tot het verbeteren van de toegang tot en beschikbaarheid en kwaliteit van de gezondheidszorg in detentieoorden, in het bijzonder in het licht van de COVID-19-pandemie, alsook de noodzaak tot het verbeteren van de arbeidsomstandigheden van medisch personeel, in het licht van meldingen dat de politie verhindert dat gewonde demonstranten hulp krijgen en medisch personeel arresteert;

19.  moedigt de EU-lidstaten aan de totstandbrenging van een humanitaire corridor en de procedures voor het verkrijgen van visa voor personen die Belarus om politieke redenen ontvluchten en personen die medische behandeling nodig hebben vanwege het geweld dat tegen hen is gepleegd te vergemakkelijken en te versnellen, en deze personen en hun gezinnen alle nodige ondersteuning en bijstand te verlenen; verzoekt de Commissie om snel werk te maken van de daadwerkelijke uitvoering van financiële ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en de slachtoffers van repressie en om meer middelen beschikbaar te stellen voor fysieke, psychologische en materiële ondersteuning aan hen;

20.  verzoekt de EU de contacten tussen mensen verder te versterken door steun te verlenen aan onafhankelijke ngo’s, maatschappelijke organisaties, mensenrechtenverdedigers, mediavertegenwoordigers en onafhankelijke journalisten in Belarus door bijkomende mogelijkheden te creëren voor jonge Belarussen om in de EU te studeren en door de steun voor de Europese Universiteit voor menswetenschappen voort te zetten; verzoekt de Commissie snel een beurzenprogramma op te zetten voor studenten en wetenschappers die vanwege hun prodemocratische houding zijn uitgesloten van Belarussische universiteiten;

21.  benadrukt dat er een uitgebreid onderzoek nodig is naar de misdaden die door het regime tegen de bevolking van Belarus zijn gepleegd en onderstreept vastberaden te zijn aan dergelijke onderzoeken bij te dragen;

22.  veroordeelt de onderdrukking van de media en het internet, alsook de intimidatie van journalisten en bloggers om de informatiestroom over de situatie in het land te stoppen; onderstreept het recht van de Belarussische bevolking op ongehinderde toegang tot informatie; roept de EU op om via het Europees Fonds voor Democratie (EFD) en andere instrumenten deze omroepen en journalisten die worden geconfronteerd met repressie door het regime te ondersteunen;

23.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de EDEO volledige steun te verlenen aan de inspanningen van de VN-Mensenrechtenraad en het Moskou-mechanisme van de OVSE om te waarborgen dat mensenrechtenschendingen worden gedocumenteerd en gemeld door internationale organisaties en de daders vervolgens ter verantwoording worden geroepen en gerechtigheid voor de slachtoffers geschiedt;

24.  wijst op het belang van de bestrijding van elke verspreiding van desinformatie over de EU en haar lidstaten en instellingen in Belarus, en van desinformatie over de situatie in Belarus binnen de EU, alsook van andere vormen van hybride bedreigingen door derden; waarschuwt het regime ervoor dat nationale, religieuze, etnische en andere minderheden niet als doelwit mogen worden gebruikt om de aandacht van de bevolking af te leiden van de verkiezingsfraude en de daaropvolgende massale protesten en repressie; veroordeelt het feit dat het hoofd van de katholieke kerk van Belarus, aartsbisschop Tadeusz Kondrusiewicz, niet mag terugkeren naar Belarus;

25.  veroordeelt de hybride inmenging van de Russische Federatie in Belarus, met name het sturen van zogenaamde mediadeskundigen naar de Belarussische staatsmedia en adviseurs naar militaire en rechtshandhavingsorganen, en roept de regering van de Russische Federatie op iedere heimelijke of openlijke inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Belarus te beëindigen; verzoekt de Russische Federatie het internationaal recht en de soevereiniteit van Belarus te eerbiedigen; waarschuwt dat Aljaksander Loekasjenka geen politiek of moreel mandaat heeft om namens Belarus verdere contractuele betrekkingen aan te gaan, onder meer met de Russische autoriteiten, die de soevereiniteit en territoriale integriteit van Belarus zouden kunnen bedreigen;

26.  onderstreept dat het belangrijk is dat de ontwikkelingen in Belarus voor de EU een prioriteit blijven; herinnert eraan dat de EU verenigd en bestendig moet zijn in haar reactie op de situatie in Belarus;

27.  betreurt het feit dat Belarus reeds kernbrandstof heeft geladen in de eerste reactor van de kerncentrale in Astravets en van plan is om hier in november 2020 energie op te wekken, zonder de stresstestaanbevelingen volledig op te volgen, wat des te verontrustender is nu er veel politieke instabiliteit heerst;

28.  verzoekt de nationale ijshockeyfederaties van de EU-lidstaten en alle andere democratische landen er bij de Internationale IJshockeyfederatie (International Ice Hockey Federation, IIHF) op aan te dringen dat zij haar besluit om het Wereldkampioenschap ijshockey van 2021 gedeeltelijk in Belarus te organiseren intrekt tot de situatie en met name de mensenrechtensituatie in het land zijn verbeterd;

29.  verzoekt de Raad nogmaals onverwijld een alomvattend, doeltreffend en tijdig mechanisme voor beperkende maatregelen op EU-niveau (de zogeheten Magnitsky-lijst) tot stand te brengen waarmee gerichte sancties kunnen worden opgelegd jegens personen, statelijke en niet-statelijke actoren en andere entiteiten die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen en misbruik;

30.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsmede aan de autoriteiten van de Republiek Belarus en de Russische Federatie.

(1) PB C 11 van 13.1.2020, blz. 18.
(2) PB C 390 van 18.11.2019, blz. 100.
(3) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 60.
(4) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 135.
(5) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 41.
(6) PB L 45 van 18.2.2020, blz. 3.


Situatie in Rusland, vergiftiging van Aleksej Navalny
PDF 134kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over de situatie in Rusland: de vergiftiging van Aleksej Navalny (2020/2777(RSP))
P9_TA(2020)0232RC-B9-0280/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de grondwet van de Russische Federatie, in het bijzonder hoofdstuk 2, en met name artikel 29, dat de vrijheid van meningsuiting beschermt, en de internationale mensenrechtenverplichtingen die Rusland heeft onderschreven als lid van de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), en de VN,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid namens de EU van 3 september 2020 over de vergiftiging van Aleksej Navalny,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 24 augustus en 2 september 2020 over de vergiftiging van Aleksej Navalny,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten Michelle Bachelet van 8 september 2020, waarin wordt aangedrongen op een onafhankelijk onderzoek naar de vergiftiging van Aleksej Navalny,

–  gezien de verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van de G7 van 8 september 2020 over de vergiftiging van Aleksej Navalny,

–  gezien het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens (het “Verdrag inzake chemische wapens”), uit hoofde waarvan het gebruik, de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en de overbrenging van chemische wapens verboden is,

–  gezien de unanieme goedkeuring van Besluiten C-24/DEC.4 en C-24/DEC.5 tijdens de 24e zitting van de Conferentie van landen die partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens (CWC) op 27 november 2019, waarmee organofosfor-zenuwgassen die bekendstaan als novitsjok werden opgenomen in Lijst 1 van de bijlage inzake chemische stoffen van het verdrag, en de inwerkingtreding van deze besluiten op 7 juni 2020,

–  gezien de verklaring van het universitair ziekenhuis “Charité” in Berlijn van 24 augustus 2020 dat Aleksej Navalny het slachtoffer is van vergiftiging met een chemisch zenuwgas,

–  gezien de verklaring van de regering van de Bondsrepubliek Duitsland van 2 september 2020 waarin de Russische regering met klem wordt verzocht zich over het incident uit te spreken, en de aanslag in de sterkst mogelijke bewoordingen wordt veroordeeld,

–  gezien de verklaring van de directeur-generaal van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OVCW) van 3 september 2020 over het vermeende gebruik van chemische wapens tegen Aleksej Navalny, waarin staat dat “krachtens het Verdrag inzake chemische wapens elke vergiftiging van een persoon middels het gebruik van een zenuwgas beschouwd wordt als het gebruik van chemische wapens”,

–  gezien artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij de Russische Federatie partij is, die er beide in voorzien dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien de Verklaring betreffende het recht en de verantwoordelijkheid van personen, groeperingen en maatschappelijke instanties voor de bevordering en bescherming van universeel erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden, die op 9 december 1998 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Aleksej Navalny, een prominent lid van de oppositie, jurist, blogger en anti-corruptieactivist in Rusland, talrijke corruptiezaken aan het licht heeft gebracht waarbij bedrijven en Russische politici betrokken zijn, meerdere publieke protesten in heel Rusland heeft geleid, en is uitgegroeid tot een van de weinige effectieve leiders van de Russische oppositie; overwegende dat hij al eerder opgepakt, gearresteerd en veroordeeld is in pogingen om een einde te maken aan zijn politieke en publieke activiteiten; overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verklaard dat een aantal van deze procedures neerkomt op misbruik en in strijd is met het beginsel van een eerlijk proces; overwegende dat Navalny in 2017 fysiek is aangevallen met een medisch ontsmettingsmiddel, waardoor hij bijna blind raakte, en dat in 2019 tijdens zijn detentie naar verluidt geprobeerd is hem te vergiftigen; overwegende dat de daders in geen van deze gevallen zijn vervolgd;

B.  overwegende dat Aleksej Navalny volgens berichten op 20 augustus 2020 aan boord van een binnenlandse Russische vlucht in coma is geraakt, in een ziekenhuis in de Russische stad Omsk is opgenomen, en op verzoek van zijn familie is overgebracht naar het ziekenhuis “Charité” in Berlijn, waar hij sinds 22 augustus 2020 wordt verzorgd;

C.  overwegende dat de poging tot moord op Aleksej Navalny plaatsvond in de aanloop naar plaatselijke en regionale verkiezingen in Rusland op 13 september 2020, en dat hij en zijn team in dat verband actief betrokken waren bij de implementatie van een strategie voor ‘slim stemmen’ om de kandidaten van het regime-Poetin te verslaan; overwegende dat dit een bijzonder zorgwekkend licht werpt op de toestand van de democratie, fundamentele vrijheden en mensenrechten in Rusland;

D.  overwegende dat Aleksej Navalny vlak vóór de poging om hem te vergiftigen in Novosibirsk en Tomsk was voor het doen van onderzoek naar gevallen van corruptie onder de plaatselijke gouverneurs; overwegende dat Aleksej Navalny met zijn anti-corruptie-activiteiten in de regio’s het bewustzijn van dergelijke gevallen onder de plaatselijke bevolking, alsmede de opkomst in de regionale verkiezingen (en de mobilisatie van de oppositie), vergrootte; overwegende dat Aleksej Navalny een netwerk van 40 regionale kantoren in het hele land heeft opgericht, die de plaatselijke autoriteiten permanent in de gaten houden, maar ook geïntimideerd en vervolgd worden door de Russische autoriteiten;

E.  overwegende dat Aleksej Navalny zijn krachtige ondersteuning heeft uitgesproken voor de demonstranten van Khabarovsk en Belarus, en de veranderingen in Belarus als inspiratie zag voor de bevolking van Rusland;

F.  overwegende dat politieke moorden en vergiftigingen systemische instrumenten van het regime in Rusland zijn waarmee de oppositie bewust in het vizier wordt genomen; overwegende dat een bijkomende verzwarende factor het feit is dat de autoriteiten weigeren de politiek gemotiveerde gevallen van (pogingen tot) moord op Anna Politkovskaya, Boris Nemtsov, Sergei Protazanov, Vladimir Kara-Murza en anderen serieus te onderzoeken; overwegende dat vertegenwoordigers van de oppositie stelselmatig worden blootgesteld aan verbale aanvallen, persoonsgerichte campagnes en demonisering door de regering of regeringsgezinde media;

G.  overwegende dat deze recente poging tot moord slechts het laatste voorbeeld is van de zeer ernstige terugval op het gebied van de bescherming van mensenrechten en de eerbiediging van algemeen aanvaarde democratische beginselen en de rechtsstaat in de Russische Federatie;

H.  overwegende dat de aanhoudende onderdrukking van maatschappelijke tegenstand wordt versterkt door de straffeloosheid van politie en veiligheidstroepen, alsook door de onwil van de rechtbanken om de werkelijke daders van deze misdaden te vervolgen, die niet alleen niet worden bestraft, maar zelfs door het Kremlin worden beloond;

I.  overwegende dat er volgens de vooraanstaande Russische mensenrechtenorganisatie Memorial meer dan 300 politieke en religieuze gevangenen zijn in de Russische Federatie; overwegende dat de EU zich solidair verklaart met alle dissidenten en de Russische bevolking, die ondanks de bedreigingen voor hun vrijheid en leven, en de druk van het Kremlin en de Russische autoriteiten, blijven strijden voor vrijheid, mensenrechten en democratie;

J.  overwegende dat de politiek gemotiveerde gevallen van (pogingen tot) moord door de Russische geheime diensten directe gevolgen voor de interne veiligheid van de EU hebben;

K.  overwegende dat het universitair ziekenhuis “Charité” in Berlijn heeft geconcludeerd dat Aleksej Navalny vergiftigd is met een zenuwgas uit de novitsjok-familie, dat wil zeggen een door de Sovjet-Unie en de Russische Federatie ontwikkeld zenuwgas van militaire kwaliteit; overwegende dat een gespecialiseerd laboratorium van het Duitse leger en meerdere onafhankelijk werkende laboratoria deze conclusie hebben bevestigd; overwegende dat het zenuwgas novitsjok recent - in maart 2018 - op het grondgebied van de EU is gebruikt bij een aanslag op de voormalige medewerker van de Russische inlichtingendiensten Sergei Skripal en zijn dochter Yulia Skripal in Salisbury in het VK, waarbij inwoonster Dawn Sturgess van Amesbury per ongelijk om het leven is gekomen;

L.  overwegende dat Russische artsen Aleksej Navalny als eersten voor vergiftiging hebben behandeld en nadien hebben verklaard dat er geen gifsporen in zijn lichaam zijn aangetroffen, en dat zij geprobeerd hebben te beletten dat hij naar het buitenland over zou worden gebracht, en verder overwegende dat de Russische autoriteiten elke betrokkenheid bij het incident ontkennen;

M.  overwegende dat het zenuwgas novitsjok ontwikkeld en alleen beschikbaar is voor militaire structuren en geheime diensten in Rusland; overwegende dat dergelijke stoffen door Russische wetgeving gereglementeerd zijn; overwegende dat het zenuwgas novitsjok een chemisch wapen is dat alleen in militaire laboratoria van de staat kan worden ontwikkeld en niet door particuliere personen kan worden verworven; overwegende dat indien dit evenwel toch het geval zou zijn, er sprake is van een inbreuk op de door Rusland aangegane internationale wettelijke verplichtingen;

N.  overwegende dat de Raad de Russische autoriteiten heeft verzocht een grondig onderzoek uit te voeren naar de poging tot moord op Aleksej Navalny, heeft aangedrongen op een gezamenlijke internationale reactie en zich het recht heeft voorbehouden om passende maatregelen te treffen, met inbegrip van beperkende maatregelen;

O.  overwegende dat de vergiftiging van personen via het gebruik van zenuwgassen krachtens het Verdrag inzake chemische wapens beschouwd wordt als het gebruik van chemische wapens, en overwegende dat het gebruik van chemische wapens door eenieder onder om het even welke omstandigheden neerkomt op een grove schending van het internationaal recht en internationale mensenrechtennormen; overwegende dat novitsjok, na de unanieme goedkeuring van twee voorstellen daartoe, waaronder één afkomstig van de Russische Federatie, toegevoegd is aan de lijst van stoffen onder toezicht van het Verdrag inzake chemische wapens, en daarom onderworpen is aan de strengste controlerichtsnoeren waarin het Verdrag voorziet;

P.  overwegende dat de rechten van vrijheid van gedachte, van vrije meningsuiting, van vereniging en van vreedzame vergadering verankerd zijn in de grondwet van de Russische Federatie;

Q.  overwegende dat Russische, onder controle van de staat staande media de verantwoordelijkheid van de Russische autoriteiten voor de moordaanslag op het leven van Aleksej Navalny proberen te verdoezelen door desinformatie te verspreiden en de aandacht af te leiden van de voortdurende inbreuken op de democratie, de rechtsstaat en de fundamentele vrijheden, alsook van de mensenrechtenschendingen in Rusland;

R.  overwegende dat de regionale verkiezingen in Rusland op 13 september 2020 geresulteerd hebben in een recordaantal klachten over manipulatie van de uitslag; overwegende dat in de steden waar Aleksej Navalny vóór de aanslag op zijn leven aanwezig was (Novosibirsk en Tomsk) diens systeem voor “slim stemmen” doeltreffend is gebleken en bijgedragen heeft tot het verlies van kandidaten van Poetin;

S.  overwegende dat het Parlement officieel tot de conclusie is gekomen dat Rusland niet langer als een “strategische partner” kan worden beschouwd, ook in het licht van zijn antagonistische buitenlands beleid, met inbegrip van militaire interventies en illegale bezettingen van derde landen;

1.  veroordeelt met klem de moordaanslag op Aleksej Navalny en geeft uiting aan zijn grote bezorgdheid over het herhaaldelijke gebruik van chemische zenuwgassen tegen Russische burgers;

2.  wijst erop dat het gebruik van chemische wapens onder alle omstandigheden een verwerpelijk misdrijf is in het kader van het internationaal recht, en met name het Verdrag inzake chemische stoffen;

3.  onderstreept dat deze moordaanslag op Aleksej Navalny onderdeel uitmaakt van een systemische poging om hem en andere dissidenten het zwijgen op te leggen, en om hem en andere dissidenten ervan te weerhouden door te gaan met het blootleggen van ernstige corruptie in het regime, en om de politieke oppositie in het land in het algemeen af te schrikken, met name met het oog op het beïnvloeden van de Russische lokale en regionale tussentijdse verkiezingen op 11, 12 en 13 september 2020;

4.  herhaalt dat de zaak van Aleksej Navalny onderdeel uitmaakt van een algemener Russisch beleid van binnenlandse repressie en agressief optreden wereldwijd, van het verspreiden van instabiliteit en chaos, herstel van Ruslands invloedsfeer en dominante positie, en het ondermijnen van de op regels gebaseerde internationale orde;

5.  dringt erop aan onmiddellijk te starten met een internationaal onderzoek (met de participatie van de EU, de VN, de Raad van Europa, hun bondgenoten, en de OVCW), en onderstreept vastberaden te zijn om aan een dergelijk onderzoek mee te doen; verzoekt de OVCW een diepgaand onderzoek te initiëren naar inbreuken op Ruslands internationale verplichtingen met betrekking tot chemische wapens; verzoekt de Russische autoriteiten volledig met de OVCW mee te werken, teneinde tot een onpartijdig internationaal onderzoek te komen en de daders van de aanslag op Aleksej Navalny voor het gerecht te brengen;

6.  verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken om tijdens zijn bijeenkomst op 21 september 2020 een resoluut standpunt ten aanzien van deze kwestie in te nemen; verlangt dat de EU op zo kort mogelijke termijn een lijst opstelt van ambitieuze restrictieve maatregelen tegen Rusland, en de bestaande sancties tegen Rusland aanscherpt; dringt aan op de invoering van sanctiemechanismen die de inbeslagneming en bevriezing mogelijk maken van de Europese activa van personen die volgens de bevindingen van de corruptiebestrijdingsstichting van Aleksej Navalny corrupt zijn;

7.  verzoekt de Russische autoriteiten te stoppen met het lastigvallen, de intimidatie, het geweld en de onderdrukking van hun politieke tegenstanders door een eind te maken aan het heersende klimaat van straffeloosheid, dat al veel journalisten, mensenrechtenactivisten en politici van de oppositie het leven heeft gekost; onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat zij hun rechtmatige en nuttige activiteiten kunnen uitvoeren zonder inmenging en zonder te moeten vrezen voor hun leven of het leven van hun familie en vrienden;

8.  verzoekt de EU er bij Rusland op aan te blijven dringen dat het alle wetten die onverenigbaar zijn met internationale normen, waaronder de recente onwettige wijzigingen van de Russische grondwet en het wettelijk kader voor verkiezingen en de wetgeving inzake buitenlandse agenten en ongewenste organisaties, intrekt of wijzigt, teneinde pluralisme en vrije en eerlijke verkiezingen te faciliteren, en een gelijk speelveld voor kandidaten van de oppositie tot stand te brengen;

9.  betuigt zijn solidariteit met de democratische krachten in Rusland, die zich inzetten voor een open en vrije samenleving, en spreekt zijn steun uit voor alle personen en organisaties die het doelwit zijn van aanvallen en repressie;

10.  benadrukt dat de Russische Federatie, als lid van de VN-Veiligheidsraad, verplicht is het internationaal recht en de desbetreffende overeenkomsten en verdragen te eerbiedigen en haar internationale verplichtingen volledig na te komen, ook wat betreft het verlenen van medewerking aan de OVCW bij het onderzoeken van schendingen van het Verdrag inzake chemische wapens;

11.  verzoekt de Russische Federatie met klem op zo kort mogelijke termijn te reageren op de door de internationale gemeenschap te berde gebrachte kwesties en haar novitsjok-programma onmiddellijk, volledig en compleet aan de OVCW openbaar te maken;

12.  benadrukt dat de Russische Federatie, als lid van de Raad van Europa en de OVSE, ertoe gehouden is de in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten verankerde fundamentele vrijheden, mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen;

13.  roept de VV/HV en de Europese Dienst voor extern optreden ertoe op te waarborgen dat de zaken van alle om politieke redenen vervolgde personen ter sprake worden gebracht bij het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland, wanneer dit wordt hervat, en formeel te verzoeken dat de Russische vertegenwoordigers bij dit overleg een reactie geven op elke zaak; roept de voorzitters van de Raad en de Commissie en de VV/HV ertoe op deze zaken nauwlettend te blijven volgen en de gevallen in verschillende vormen en op verschillende vergaderingen met Rusland aan te kaarten, en verslag uit te brengen aan het Parlement over de gedachtewisselingen met de Russische autoriteiten;

14.  verzoekt de lidstaten hun Ruslandbeleid te coördineren en in de bilaterale en multilaterale fora met de Russische autoriteiten met één stem te spreken;

15.  herhaalt dat het de allerhoogste tijd is voor een grondige en strategische herbeoordeling van de betrekkingen van de EU met Rusland, waarbij:

   a. de VV/HV verzocht wordt het Ruslandbeleid van de EU en de vijf leidende beginselen voor de betrekkingen van de EU met Rusland tegen het licht te houden, en een nieuwe, alomvattende strategie te ontwikkelen, waarbij voor conditionaliteit moet worden gezorgd met verdere ontwikkelingen op het vlak van de democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van mensenrechten door de Russische leiders en autoriteiten;
   b. de lidstaten verzocht worden Rusland in internationale fora (zoals de G7 en andere formats) te blijven isoleren, en nog eens kritisch te kijken naar de samenwerking van de EU met Rusland in het kader van de verschillende buitenlandse beleidsplatforms;
   c. de Raad verzocht wordt prioriteit toe te kennen aan de goedkeuring van het EU-mechanisme voor het opleggen van sancties in verband met mensenrechtenschendingen (naar het voorbeeld van de Magnitski Act) en de toepassing daarvan in de nabije toekomst, dat onder meer zal bestaan uit een lijst van personen en - mogelijkerwijs - de oplegging van sectorale sancties aan het Russische regime;
   d. in het licht van de zaak-Navalny zijn oude standpunt wordt herhaald dat het Nord Stream 2-project moet worden stopgezet;
   e. de Raad verzocht wordt een EU-strategie vast te stellen voor het ondersteunen van Russische dissidenten, niet-gouvernementele organisaties, en onafhankelijke media/journalisten, en daarbij ten volle gebruik te maken van de mechanismen voor mensenrechtenverdedigers, aanvullende mogelijkheden te creëren voor jonge Russen om in de EU te studeren en te helpen bij de oprichting van een Russische universiteit in ballingschap in één van de lidstaten;
   f. de Raad verzocht wordt onmiddellijk te starten met het voorbereiden en vaststellen van een EU-strategie voor betrekkingen met een democratisch Rusland in de toekomst, inclusief een breed aanbod van stimulansen en voorwaarden voor het versterken van progressie in de richting van vrijheid en democratie in Rusland;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa alsook de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie.


De situatie in de Filipijnen, onder meer het geval van Maria Ressa
PDF 137kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over de situatie in de Filipijnen, met inbegrip van de zaak van Maria Ressa (2020/2782(RSP))
P9_TA(2020)0233RC-B9-0290/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in de Filipijnen, met name die van 15 september 2016(1), 16 maart 2017(2) en 19 april 2018(3),

–  gezien de diplomatieke betrekkingen die op 12 mei 1964 zijn aangeknoopt tussen de Filipijnen en de EU (destijds de Europese Economische Gemeenschap (EEG)),

–  gezien de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek der Filipijnen, anderzijds,

–  gezien de status van de Filipijnen als stichtend lid van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean),

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 februari 2020 over de beoordeling van de Filipijnen in het kader van de bijzondere stimuleringsregeling van de EU voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+) over de periode 2018-2019 (SWD(2020)0024),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 16 juni 2020 over de veroordeling van Maria Ressa en Reynaldo Santos,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 11 juli 2019 over de bevordering en bescherming van de mensenrechten in de Filipijnen,

–  gezien het verslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, van 30 juni 2020 over de mensenrechtensituatie in de Filipijnen,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien Wet nr. 11479 van 3 juli 2020 van de Republiek der Filipijnen, ook bekend als de antiterrorismewet,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Filipijnen en de EU reeds lang diplomatieke, economische, culturele en politieke betrekkingen onderhouden; overwegende dat de Europese Unie en de Filipijnen met de ratificatie van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst bekrachtigd hebben dat zij zich gezamenlijk inzetten voor de eerbiediging van de beginselen van goed bestuur, democratie en de rechtsstaat, voor de mensenrechten, voor de bevordering van sociale en economische ontwikkeling alsook voor vrede en veiligheid in de regio;

B.  overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten in haar verslag over de mensenrechtensituatie in de Filipijnen van 30 juni 2020 heeft vastgesteld dat de moorden die verband houden met de antidrugscampagne van de regering “wijdverbreid en systematisch” waren en dat volgens gegevens van de overheid ten minste 8 663 mensen waren gedood; overwegende dat er ramingen zijn die oplopen tot het drievoud daarvan; overwegende dat president Duterte de politie uitdrukkelijk heeft aangemoedigd om buitengerechtelijke executies uit te voeren en daarbij immuniteit heeft beloofd, terwijl politieagenten die bij dergelijke praktijken betrokken zijn promotie hebben gekregen; overwegende dat president Duterte heeft verklaard zijn antidrugscampagne voort te zullen zetten tot het einde van zijn huidige ambtstermijn in 2022; overwegende dat een meerderheid van de slachtoffers afkomstig is uit arme en gemarginaliseerde gemeenschappen;

C.  overwegende dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld steeds kleiner wordt; overwegende dat mensenrechtenactivisten, journalisten en activisten doorlopend geconfronteerd worden met bedreiging, intimidatie, pesterij en geweld wanneer zij proberen buitengerechtelijke executies en andere mensenrechtenschendingen in het land in de openbaarheid te brengen; overwegende dat volgens het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) het verdedigen van de mensenrechten stelselmatig wordt gelijkgesteld met oproer; overwegende dat volgens het OHCHR tussen januari 2015 en december 2019 ten minste 208 mensenrechtenactivisten, journalisten en vakbondsleden, waaronder 30 vrouwen, zijn vermoord;

D.  overwegende dat Maria Ressa, een Filipijnse journaliste en medeoprichter en CEO van de nieuwssite Rappler, al lange tijd tot doelwit is gemaakt vanwege haar kritiek op de “oorlog tegen drugs” van de regering en vanwege de kritische berichtgeving van Rappler over buitengerechtelijke executies; overwegende dat Maria Ressa en Reynaldo Santos jr., onderzoeksjournalist bij Rappler, zijn beschuldigd van “cybersmaad” en op 15 juni 2020 door de regionale rechtbank van Manilla zijn veroordeeld voor onbepaalde tijd, waarbij zij tot zes jaar gevangenisstraf kunnen krijgen; overwegende dat tegen mevrouw Ressa en Rappler nog minstens zes andere aanklachten lopen;

E.  overwegende dat het Filipijnse Congres begin juli 2020 heeft geweigerd de zendvergunning van ABS-CBN, de grootste tv- en radio-omroep van het land, te verlengen; overwegende dat de weigering van president Duterte om deze zendvergunning te verlengen wordt gezien als een daad van vergelding voor de berichtgeving op deze omroep over de antidrugscampagne en ernstige schendingen van de mensenrechten;

F.  overwegende dat senator Leila de Lima, een van de belangrijkste tegenstanders van de antidrugscampagne van president Duterte, op 19 september 2016 uit haar ambt van voorzitter van de senaatscommissie voor Justitie en Mensenrechten werd ontzet en dat zij sinds haar arrestatie op 24 februari 2017 vastzit in afwachting van een proces; overwegende dat ernstig gevreesd wordt dat de vergrijpen waarvoor senator de Lima wordt aangeklaagd in scène zijn gezet en politiek gemotiveerd zijn;

G.  overwegende dat volgens Global Witness in 2019 ten minste 43 verdedigers van landrechten zijn gedood; overwegende dat de meesten van hen gemeenschapsleiders waren en actief deelnamen aan campagnes tegen mijnbouwprojecten en de agro-industrie;

H.  overwegende dat de inheemse bevolking van de Filipijnen 10 tot 20 % van de totale bevolking uitmaakt; overwegende dat de speciale rapporteur van de VN voor de rechten van inheemse volken de Filipijnen in 2018 heeft aangewezen als een van de landen met het hoogste aantal gevallen ter wereld van criminalisering van en aanvallen op inheemse mensenrechtenactivisten; overwegende dat de VN heeft gewaarschuwd dat de militarisering van inheemse gebieden en de beperkingen op de vrijheid van vergadering en van meningsuiting toenemen en dat deze ontwikkelingen nauw verband houden met zakelijke belangen; overwegende dat het aanhoudende gebrek aan veiligheid en economische ontwikkeling op het eiland Mindanao, alsmede de gemelde schendingen van het internationaal humanitair recht en het gebrek aan vooruitgang op het gebied van overgangsjustitie en verzoening ernstige zorgen blijven baren;

I.  overwegende dat Zara Alvarez, juridisch medewerker van de mensenrechtengroep Karapatan, op 17 augustus 2020 is doodgeschoten; overwegende dat mevrouw Alvarez herhaaldelijk is bedreigd en lastiggevallen vanwege haar mensenrechtenwerk, en dat zij al het 13e lid van haar organisatie is dat sinds medio 2016 is vermoord; overwegende dat Randall “Randy” Echanis, vredesactivist, verdediger van landrechten en lid van Karapatan, op 10 augustus 2020 is gemarteld en gedood; overwegende dat volgens het OHCHR zowel de heer Echanis als mevrouw Alvarez herhaaldelijk het mikpunt van “red-tagging” zijn geworden (d.w.z. als terroristen of communisten zijn bestempeld) en dat hun naam voorkwam op de lijst van ten minste 600 personen die het Filipijnse Ministerie van Justitie in 2018 aan een rechterlijke instantie heeft aangeboden met het verzoek deze personen tot “terrorist” te verklaren;

J.  overwegende dat het OHCHR en de speciale rapporteurs van de VN hun bezorgdheid hebben geuit omdat er sprake lijkt te zijn van “stelselmatige intimidatie” van onafhankelijke nieuwsbronnen; overwegende dat de Filipijnen op de index voor persvrijheid 2020 van Verslaggevers zonder grenzen van 180 landen de 136e plaats bekleden; overwegende dat er 16 journalisten zijn vermoord sinds de heer Duterte aan de macht is;

K.  overwegende dat de Filipijnen zich in maart 2018 uit het Internationaal Strafhof (ICC) hebben teruggetrokken nadat het Internationaal Strafhof een “vooronderzoek” had geopend naar de klacht die tegen de heer Duterte was ingediend in verband met het hoge aantal moorden in het kader van de antidrugscampagne;

L.  overwegende dat het Huis van Afgevaardigden van de Filipijnen in 2017 een wetsvoorstel heeft aangenomen tot herinvoering van de doodstraf; overwegende dat de Senaat dit wetsvoorstel moet goedkeuren voordat president Duterte – die actief campagne voert voor de herinvoering – het als wet kan afkondigen; overwegende dat herinvoering van de doodstraf een flagrante schending zou betekenen van het tweede facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), waarbij de Filipijnen partij zijn;

M.  overwegende dat de Filipijnse autoriteiten op 3 juli 2020 de nieuwe antiterrorismewet hebben aangenomen; overwegende dat in de wet volgens lokale maatschappelijke organisaties de waarborgen op het gebied van mensenrechten in alarmerende mate worden verzwakt, de definitie van terrorisme wordt verruimd en de periode waarin iemand zonder aanhoudingsbevel kan worden vastgehouden van 3 tot 14 dagen wordt uitgebreid, waardoor het belangrijke onderscheid tussen kritiek, criminaliteit en terrorisme vervaagt, wat vragen oproept over de wettigheid en de risico’s van mensenrechtenschendingen nog vergroot;

N.  overwegende dat president Duterte zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan seksistische en vrouwonvriendelijke uitlatingen en gedragingen; overwegende dat volgens lokale ngo’s het aantal gevallen van geweld en seksueel misbruik tegen vrouwen, met inbegrip van vrouwelijke mensenrechtenactivisten, tijdens het regime van Duterte is toegenomen; overwegende dat vrouwelijke mensenrechtenactivisten geconfronteerd worden met vernederende en seksueel getinte uitlatingen, bedreiging met verkrachting, en aanvallen;

O.  overwegende dat de Filipijnen in het verslag van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen van 2020 zijn opgenomen in de top 10 van gevaarlijkste landen ter wereld voor werknemers; overwegende dat de Filipijnse vakbeweging heeft geklaagd over de onderdrukking van de rechten van werknemers, onder meer door “red-tagging”, verdwijningen en moorden op vakbondsleiders en vakbondsleden;

P.  overwegende dat de LGTBQI-gemeenschap voortdurend wordt gepest; overwegende dat president Duterte herhaaldelijk naar de seksuele gerichtheid van politieke tegenstanders heeft verwezen om hen te bekladden en dat hij in mei 2019 in het openbaar heeft verklaard dat homoseksualiteit een ziekte is; overwegende dat de politie in juni 2020 is opgetreden tegen een LGBTQI-manifestatie en er naar verluidt 20 mensen heeft gearresteerd;

Q.  overwegende dat in de Filipijnen naar schatting 60 000 à 100 000 kinderen in prostitutienetwerken zitten; overwegende dat een onbepaald aantal kinderen wordt uitgebuit via dwangarbeid; overwegende dat Unicef zijn ernstige bezorgdheid heeft geuit over de verlaging van de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid;

R.  overwegende dat de Filipijnen op de corruptieranglijst 2019 van Transparency International van 180 landen de 113e plaats bekleden;

S.  overwegende dat de Filipijnen sinds 25 december 2014 in aanmerking komen voor voordelige handelspreferenties in het kader van het EU-stelsel van algemene tariefpreferenties (SAP+); overwegende dat deze status afhankelijk is van de ratificatie en tenuitvoerlegging van 27 internationale verdragen inzake mensenrechten, arbeidsrechten, milieubescherming en goed bestuur; overwegende dat in 2019 een kwart van de totale uitvoer uit de Filipijnen naar de EU (goed voor bijna 2 miljard EUR) in dit kader voor preferentiële behandeling in aanmerking kwam; overwegende dat de EU weliswaar de aanzienlijke terugval op het gebied van de mensenrechten in het land heeft opgemerkt, maar tot nu toe niet tot opschorting van deze handelsvoordelen is overgegaan;

1.  geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de snel verslechterende mensenrechtensituatie in de Filipijnen onder president Duterte; neemt kennis van de publicatie van het verslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van juni 2020 en roept de regering van de Filipijnen op om alle daarin vermelde aanbevelingen aan te nemen en uit te voeren;

2.  veroordeelt met klem de duizenden buitengerechtelijke executies en andere ernstige mensenrechtenschendingen in verband met de zogenaamde “oorlog tegen drugs”; roept de regering van de Filipijnen op onmiddellijk een einde te maken aan alle geweld tegen vermoedelijke drugsdelinquenten, en particuliere en door de staat gesteunde paramilitaire groeperingen te ontbinden; hamert erop dat de strijd tegen illegale drugs moet worden gevoerd met volledige inachtneming van een eerlijke rechtsgang, in overeenstemming met het nationaal en internationaal recht, en met de nadruk op de volksgezondheid;

3.  veroordeelt alle vormen van bedreiging, intimidatie, pesterij, verkrachting en geweld tegen degenen die proberen buitengerechtelijke executies en andere mensenrechtenschendingen in het land in de openbaarheid te brengen, zoals mensenrechten- en milieuactivisten, vakbondsleden en journalisten; veroordeelt dat het recht en het rechtsstelsel worden misbruikt als instrument om kritische stemmen het zwijgen op te leggen;

4.  roept de autoriteiten van de Filipijnen op onmiddellijk een onpartijdig, transparant, onafhankelijk en zinvol onderzoek in te stellen naar alle buitengerechtelijke executies, met inbegrip van de dood van Jory Porquia, Randall “Randy” Echanis en Zara Alvarez, alsook naar de andere vermeende schendingen;

5.  is verontrust over de verslechtering van de persvrijheid in de Filipijnen; veroordeelt alle vormen van bedreiging, pesterij, intimidatie, oneerlijke vervolging en geweld ten aanzien van journalisten, met inbegrip van de zaak van Maria Ressa; dringt erop aan dat alle politiek gemotiveerde aanklachten tegen haar en haar collega’s worden ingetrokken; herinnert eraan dat persvrijheid en vrijheid van meningsuiting fundamentele aspecten van de democratie zijn; roept de Filipijnse autoriteiten op de zendvergunning van de belangrijkste audiovisuele groep, ABS-CBN, te verlengen; verzoekt de EU-delegatie en de vertegenwoordigingen van EU-lidstaten in Manilla de zaken tegen Maria Ressa en Reynaldo Santos jr. nauwlettend in het oog te houden, en alle nodige bijstand te verlenen;

6.  herhaalt zijn oproep aan de autoriteiten van de Filipijnen om alle politiek gemotiveerde aanklachten tegen senator Leila de Lima in te trekken, haar in afwachting van haar proces vrij te laten, haar in staat te stellen haar rechten en plichten als verkozen vertegenwoordiger vrij uit te oefenen, en haar tijdens haar detentie adequate veiligheids- en sanitaire omstandigheden te bieden; dringt erop aan dat de EU haar zaak op de voet blijft volgen;

7.  herinnert aan zijn krachtige steun voor alle mensenrechten- en milieuactivisten in de Filipijnen en hun werk; verzoekt de EU-delegatie en de vertegenwoordigingen van EU-lidstaten in het land hun steun aan het maatschappelijk middenveld in het kader van hun betrekkingen met de Filipijnse autoriteiten te versterken, en alle beschikbare instrumenten te gebruiken om hun steun voor het werk van mensenrechten- en milieuactivisten op te voeren, en waar nodig de afgifte van noodvisa te vergemakkelijken en tijdelijk onderdak in de EU-lidstaten te bieden;

8.  dringt er bij de Filipijnse autoriteiten op aan te onderkennen dat mensenrechtenactivisten een legitieme rol spelen bij het waarborgen van vrede, gerechtigheid en democratie; verzoekt de Filipijnse autoriteiten in alle omstandigheden de fysieke en psychische integriteit van alle mensenrechtenactivisten en journalisten in het land te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij in een gunstig klimaat en zonder angst voor represailles kunnen werken; is verheugd over de unanieme goedkeuring door het Huis van Afgevaardigden van de Filipijnen van het wetsvoorstel inzake de bescherming van mensenrechtenactivisten, en roept de senaat en de president op het met spoed als wet af te kondigen;

9.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de recente goedkeuring van de antiterrorismewet en herinnert eraan dat steunbetuigingen, protest, afwijkende meningen, stakingen en andere soortgelijke vormen van uitoefening van burger- en politieke rechten in geen geval als terroristische daden mogen worden beschouwd;

10.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan tijdens de lopende 45e zitting van de VN-Mensenrechtenraad steun te verlenen aan de aanneming van een resolutie om een onafhankelijk internationaal onderzoek in te stellen naar de schendingen van de mensenrechten die sinds 2016 op de Filipijnen zijn begaan;

11.  betreurt ten zeerste dat de regering van de Filipijnen besloten heeft zich uit het Statuut van Rome terug te trekken; verzoekt de regering op dat besluit terug te komen; spoort het Internationaal Strafhof aan tot voortzetting van zijn onderzoek naar de misdrijven tegen de menselijkheid die zouden zijn gepleegd bij de executies in het kader van de “oorlog tegen drugs”; verzoekt de Filipijnse regering haar volledige medewerking te verlenen aan de procureur-generaal van het Internationaal Strafhof bij zijn vooronderzoek naar de situatie in de Filipijnen;

12.  verzoekt de autoriteiten van de Filipijnen om onmiddellijke beëindiging van de lopende procedures met het oog op de herinvoering van de doodstraf; herinnert eraan dat de EU de doodstraf beschouwt als een wrede en onmenselijke bestraffing die geen afschrikking vormt voor crimineel gedrag;

13.  verzoekt de Filipijnen te voldoen aan de uit het internationaal recht voortvloeiende verplichting om de mensenrechten van inheemse volken te beschermen, ook in het kader van gewapende conflicten; roept de regering op hun rechten te handhaven, hun meer zeggenschap te geven en een doeltreffend beleid te voeren om hun levensomstandigheden te verbeteren;

14.  veroordeelt elke vorm van geweld tegen vrouwen en herinnert eraan dat dit geweld een ernstige schending van de mensenrechten en van de waardigheid van vrouwen en meisjes betekent; veroordeelt met klem de herhaaldelijke vrouwonvriendelijke uitspraken van president Duterte; verzoekt de president vrouwen met respect te behandelen en zich te onthouden van het aanzetten tot geweld tegen vrouwen;

15.  veroordeelt elke vorm van geweld tegen LGBTQI-personen en herinnert eraan dat dit geweld een ernstige schending van de mensenrechten en van de waardigheid van de persoon betekent; veroordeelt met klem de vernederende en seksistische verklaringen van president Duterte over mensen die zich met de LGBTQI-gemeenschap vereenzelvigen;

16.  is bezorgd over het stijgende corruptieniveau onder het huidige Filipijnse bewind; verzoekt de Filipijnse autoriteiten zich meer in te spannen om corruptie effectief aan te pakken; benadrukt in dit verband het belang van naleving van de grondbeginselen van de democratie en de rechtsstaat;

17.  herinnert eraan dat de maatregelen van de regeringen naar aanleiding van de pandemie de mensenrechten van de burgers moeten beschermen en deze niet mogen ondermijnen; benadrukt dat deze maatregelen noodzakelijk, evenredig en niet-discriminerend moeten zijn, in overeenstemming moeten zijn met de internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en met het nationale recht, en slechts mogen worden gehandhaafd zolang zij strikt noodzakelijk zijn, en dat zij niet mogen worden gebruikt als voorwendsel om de ruimte voor democratie en het maatschappelijk middenveld, de fundamentele vrijheden en de eerbiediging van de rechtsstaat te beperken;

18.  is ontzet over de praktijk van handel in, militaire rekrutering en betrokkenheid van kinderen bij conflicten in het land en dringt er bij de Filipijnse regering op aan een einde te maken aan dergelijke praktijken; spoort de regering aan haar inspanningen op te voeren om alle kinderen tegen misbruik te beschermen en hun rechten te handhaven, met inbegrip van het recht op onderwijs voor inheemse kinderen; is sterk gekant tegen elk voorstel om de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid verder te verlagen;

19.  veroordeelt de bedreigingen, intimidatie en persoonlijke aanvallen ten aanzien van mandaathouders van de speciale procedures van de VN; dringt er bij de autoriteiten van de Filipijnen op aan om samen te werken met het OHCHR en alle VN-mechanismen ter verdediging van de mensenrechten, onder meer door landenbezoeken te faciliteren en af te zien van intimidatie of vergelding ten aanzien van de betrokkenen;

20.  verzoekt de Europese Commissie om gezien de ernst van de mensenrechtenschendingen in het land en bij gebrek aan substantiële verbeteringen en bereidheid tot samenwerking van de kant van de Filipijnse autoriteiten onmiddellijk de procedure in te leiden die tot de tijdelijke intrekking van de SAP+-preferenties kan leiden;

21.  roept de Filipijnse autoriteiten op om de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN (UNGP’s) te ondersteunen en te zorgen voor effectieve zorgvuldigheidsprocedures op het gebied van de mensenrechten voor investerings-, ontwikkelings- en bedrijfsprojecten, met name met betrekking tot grote overnames in de agro-industrie, de winningsindustrie, infrastructuurprojecten en samenwerking waarbij de veiligheidssector betrokken is; dringt er bij bedrijven die in de EU gevestigd zijn of actief zijn in de EU op aan de UNGP’s en zowel het internationaal recht als het nationaal recht op het gebied van de mensenrechten strikt na te leven, en om nauwgezette en alomvattende zorgvuldigheidsvereisten in acht te nemen in het kader van al hun zakelijke activiteiten en betrekkingen in het land;

22.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de situatie in de Filipijnen nauwlettend te volgen en regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen van de lidstaten, de president, de regering en het Congres van de Filipijnen, de regeringen van de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean), de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean).

(1) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 123.
(2) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 113.
(3) PB C 390 van 18.11.2019, blz. 104.


Het geval van dr. Denis Mukwege in de Democratische Republiek Congo (DRC)
PDF 130kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over het geval van dr. Denis Mukwege in de Democratische Republiek Congo (DRC) (2020/2783(RSP))
P9_TA(2020)0234RC-B9-0287/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Democratische Republiek Congo (DRC), met name die van 18 januari 2018(1),

–  gezien de verklaring van 20 mei 2020 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie (VV/HV) namens de EU over de situatie in Ituri,

–  gezien de conclusies van de Raad van 9 december 2019 over de Democratische Republiek Congo,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, met name resolutie 2528 van 25 juni 2020 over de situatie in de DRC en resolutie 2463 van 29 maart 2019 over de verlenging van het mandaat van de Stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in de DRC (Monusco),

–  gezien de in resolutie 2528 van de VN-Veiligheidsraad vastgestelde maatregelen, waarbij een reeks sancties zijn verlengd tot juli 2021, zoals een wapenembargo voor gewapende groeperingen in de DRC, een reisverbod voor bepaalde personen en de bevriezing van tegoeden voor personen en entiteiten die door het Sanctiecomité zijn aangewezen,

–  gezien het verslag van de VN van augustus 2010 over het in kaart brengen van de ernstigste schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht die tussen maart 1993 en juni 2003 op het grondgebied van de DRC zijn begaan,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van het Europees Parlement aan dr. Denis Mukwege in 2014,

–  gezien de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan dr. Denis Mukwege in 2018,

–  gezien de verklaring van 28 augustus 2020 van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de VV/HV, Josep Borrell, en de speciale vertegenwoordiger van de VN voor seksueel geweld in conflictgebieden, Pramila Patten, van 18 juni 2020 over de Internationale Dag voor de uitbanning van seksueel geweld tijdens conflicten,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

–  gezien Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(2),

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (de Overeenkomst van Cotonou),

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren, dat werd aangenomen op 27 juni 1981 en in werking is getreden op 21 oktober 1986,

–  gezien resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, die met eenparigheid van stemmen op 31 oktober 2000 is aangenomen,

–  gezien de op 18 februari 2006 aangenomen grondwet van de Democratische Republiek Congo,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de DRC het toneel blijft van geweld, aanvallen, moorden en wijdverbreide mensenrechtenschendingen door binnenlandse en buitenlandse gewapende groeperingen, met name in het oosten van het land; overwegende dat deze aanvallen de afgelopen weken zijn toegenomen, met name op de grens tussen Ituri en Noord-Kivu;

B.  overwegende dat dr. Denis Mukwege, de gerenommeerde gynaecoloog uit de DRC, het grootste deel van zijn leven eraan heeft gewijd het gebruik van seksueel geweld als wapen in oorlogen en gewapende conflicten een halt toe te roepen; overwegende dat dr. Mukwege in 1999 het Panzi-ziekenhuis in Bukavu heeft opgericht om slachtoffers van seksueel en gendergerelateerd geweld in het oosten van de DRC te behandelen; overwegende dat tussen de oprichtingsdatum en augustus 2018 bijna 55 000 slachtoffers in het Panzi-ziekenhuis zijn behandeld;

C.  overwegende dat dr. Mukwege zich al lang uitspreekt vóór de mensenrechten, over de noodzaak van verantwoordingsplicht en over de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen in het VN-mensenrechtenverslag over het in kaart brengen van de mensenrechtenschendingen die tussen 1993 en 2003 in de regio zijn begaan; overwegende dat dr. Mukwege in oktober 2012 nipt is ontsnapt aan een poging tot moord, toen schutters in burgerkleren zijn huis in Bukavu hebben aangevallen en zijn lijfwacht om het leven is gekomen;

D.  overwegende dat dr. Mukwege ernstige en aanhoudende bedreigingen heeft ontvangen, waaronder doodsbedreiging jegens hem, zijn familie en het medisch personeel in het Panzi-ziekenhuis; overwegende dat het aantal bedreigingen de aflopen maanden is toegenomen als gevolg van de herhaalde oproepen van dr. Mukwege in juli 2020 om de straffeloosheid voor daders van seksuele misdrijven en bloedbaden in de provincies Kipupu, Sange en Ituri een halt toe te roepen;

E.  overwegende dat dr. Mukwege in 2018 de Nobelprijs voor de vrede heeft gekregen, en in 2014 de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van het Europees Parlement, voor zijn levenslange inzet om zorg te verlenen aan slachtoffers van seksueel geweld in de DRC; overwegende dat dr. Mukwege als winnaar van de Sacharovprijs recht heeft op de volledige steun van het Europees Parlement; overwegende dat dr. Mukwege dankzij zijn verwezenlijkingen en internationale erkenning een prominente persoonlijkheid en een internationaal symbool is geworden en dat hij bijzondere bescherming tegen bedreigingen verdient;

F.  overwegende dat de president van de Democratische Republiek Congo, Félix Tshisekedi, in augustus 2020 de doodsbedreigingen heeft veroordeeld en zich ertoe heeft verbonden maatregelen te treffen om de veiligheid van dr. Mukwege te garanderen;

G.  overwegende dat de VN via Monusco de veiligheid van dr. Mukwege en het Panzi-ziekenhuis beschermt; overwegende dat deze bescherming in mei 2020 werd stopgezet, maar op 9 september 2020 opnieuw is ingevoerd na internationale ophef over de veiligheid van dr. Mukwege, waaronder oproepen van het Europees Parlement; overwegende dat de bescherming van dr. Mukwege op lange termijn nog onduidelijk is en moet worden verzekerd;

H.  overwegende dat demonstranten in Kinshasa, de hoofdstad van de DRC, op straat zijn gekomen om hun steun uit te spreken voor dr. Denis Mukwege en op te roepen tot zijn bescherming;

I.  overwegende dat gewapende mannen op 12 maart 2017 twee VN-onderzoekers – Zaida Catalán, een Zweed, en Michael Sharp, een Amerikaan – hebben geëxecuteerd toen zij mensenrechtenschendingen in de centrale provincie Kasaï van de DRC in kaart aan het brengen waren;

J.  overwegende dat verschillende mensenrechtenverdedigers en leden van de burgerbeweging Lutte pour le Changement (LUCHA) op 22 juli 2020 willekeurig zijn gearresteerd in Kalehe (Zuid-Kivu), omdat ze de diefstal van de openbare straatverlichting, die was geïnstalleerd om de veiligheid te verbeteren, aan de kaak stelden; overwegende dat mensenrechtenverdediger en lid van LUCHA Lucien Byamungu Munganga willekeurig is aangehouden in Kalehe toen hij vreedzaam protesteerde voor hun vrijlating, en dat hij momenteel vastzit in de gevangenis van Kalehe; overweging dat er bezorgdheid is geuit over de mensenrechtenverdediger Josué Aruna, de in Bukavu gevestigde provinciale voorzitter van de Société Civile Environnementale et Agro-Rurale du Congo;

K.  overwegende dat de DRC in maart 2018 het Protocol van Maputo heeft ondertekend;

L.  overwegende dat 20 soldaten en politieagenten uit de DRC op 3 september 2020 in het oosten van de DRC een gevangenisstraf tussen de 5 en 20 jaar hebben gekregen voor verkrachting;

M.  overwegende dat het Europees Parlement op 12 augustus 2020, de VV/HV op 20 augustus 2020, het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties op 28 augustus 2020, en een aantal nationale en internationale instellingen en organisaties bij meerdere gelegenheden de autoriteiten van de DRC ertoe hebben opgeroepen om een strafrechtelijk onderzoek te voeren naar de aanhoudende bedreigingen jegens dr. Mukwege en om de bescherming van de VN-vredeshandhavers opnieuw in te stellen;

N.  overwegende dat de Verenigde Naties zich ertoe hebben verbonden hun tegenhangers in de DRC te blijven opleiden teneinde een stabiele en langetermijnoplossing van het veiligheidsprobleem mogelijk te maken;

1.  is uiterst bezorgd over het ernstige gevaar dat dr. Mukwege nog steeds loopt; veroordeelt de doodsbedreigingen aan zijn adres en de bedreigingen tegen zijn gezin en zijn personeel; betuigt zijn volledige solidariteit met en zijn steun aan dr. Mukwege;

2.  prijst dr. Mukwege voor zijn levenslange inzet en zijn moed om het gebruik van seksueel geweld als wapen in oorlogen en gewapende conflicten te bestrijden; benadrukt het belang van het publieke standpunt dat dr. Mukwege de afgelopen decennia heeft ingenomen ten aanzien van het aan de kaak stellen van de mensenrechtenschendingen in de DRC;

3.  is verheugd over het besluit van de Verenigde Naties om de veiligheidsbescherming van dr. Mukwege door MONUSCO weer in te voeren; herhaalt dat zijn persoonlijke bescherming van het allergrootste belang en urgent is; dringt er bij de VN op aan ervoor te zorgen dat hij continu en blijvend beschermd wordt, met name in het licht van de ernstige doodsbedreigingen waarmee hij wordt geconfronteerd;

4.  dringt er bij de regering van de DRC op aan dat zij, zoals president Félix Tshisekedi heeft beloofd, onverwijld een uitgebreid onderzoek instelt naar de bedreigingen die via sociale media, telefoongesprekken en rechtstreekse berichten zijn geuit, niet alleen aan het adres van dr. Mukwege, maar ook tegen zijn gezin en het personeel van het Panzi-ziekenhuis;

5.  benadrukt dat de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken niet alleen maar een prijs is, maar dat deze inhoudt dat de leden van het Europees Parlement zich samen met de winnaars van de Sacharovprijs inzetten voor de bevordering van de mensenrechten en alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat de winnaars zich vrij en veilig kunnen blijven inzetten voor de verdediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

6.  is ingenomen met de uitgesproken inzet van dr. Mukwege voor het werk dat is verricht in het VN-inventarisatieverslag van 2010; veroordeelt het dat de internationale gemeenschap geen vorderingen maakt bij de uitvoering van de aanbevelingen van dit verslag; roept de autoriteiten van de DRC op hun inspanningen op te voeren om verdere schendingen van de mensenrechten in het oosten van de DRC te voorkomen en stappen te ondernemen om mechanismen in te stellen die garanderen dat de slachtoffers van toekomstige conflicten hun rechten op gerechtigheid en herstel kunnen uitoefenen;

7.  steunt derhalve de voorstellen voor de oprichting van gespecialiseerde gemengde kamers in de rechtbanken van de DRC zodat de magistraten van het land en de internationale gemeenschap kunnen samenwerken om mensenrechtenschendingen te vervolgen;

8.  dringt er bij de regering van de DRC op aan het werk van de vorige waarheids- en verzoeningscommissie te evalueren; steunt ten volle het verzoek van president Tshisekedi aan zijn regering om een gerechtelijk overgangsmechanisme in te stellen voor de berechting van de ernstigste misdaden en hoopt ten zeerste dat de Raad van Ministers de twee ontwerpdecreten die al enkele maanden in behandeling zijn, tijdig zal goedkeuren;

9.  vraagt dat de lidstaten van de VN-Veiligheidsraad zich inzetten voor de oprichting van een internationaal strafrechtelijk tribunaal dat de gedocumenteerde gevallen van mensenrechtenschendingen van vóór 2002 moet behandelen;

10.  veroordeelt ten stelligste de willekeurige arrestaties van Lucien Byamungu Munganga en andere LUCHA-leden en roept op tot hun onvoorwaardelijke en onmiddellijke vrijlating; onderstreept dat mensenrechtenactivisten, waaronder Josué Aruna, beschermd moeten worden;

11.  beschouwt het als een positieve stap voorwaarts dat op 3 september 2020 soldaten die zich schuldig hebben gemaakt aan verkrachting in het oostelijke deel van de DRC, veroordeeld zijn; vindt dat de strijd tegen de straffeloosheid van milities en strijdkrachten in het land moet worden opgevoerd om de vrede en veiligheid van de betrokken bevolkingen te waarborgen;

12.  prijst alle mensenrechtenactivisten in de DRC die ondanks de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd, nog steeds hun werk doen, en is verheugd dat verschillende nationale en internationale organisaties de gebeurtenissen openlijk hebben veroordeeld;

13.  verzoekt de HV/VV, de EU-delegatie en de EU-missies in de DRC om hun zichtbare steun aan mensenrechtenactivisten die in de DRC gevaar lopen, op te voeren en daarbij alle mogelijke instrumenten (politiek, diplomatiek en financieel) te gebruiken als beschermingsmaatregel om hun mensenrechtenwerk te erkennen en hun belangrijke rol als mensenrechtenactivisten in de strijd voor stabiliteit en vrede in de regio te erkennen;

14.  roept de EU op de sancties tegen de plegers van geweld en mensenrechtenschendingen in de DRC te handhaven en dringt erop aan deze sancties uit te breiden tot de daders die in het inventarisatieverslag van de VN worden genoemd;

15.  veroordeelt het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen in conflicten en roept de internationale gemeenschap op meer inspanningen te leveren om de plaag van seksueel en gendergerelateerd geweld in gewapende conflicten en oorlogen uit te roeien, de slachtoffers te beschermen, een einde te maken aan de straffeloosheid van de daders en de toegang tot justitie, herstelbetalingen en schadeloosstelling voor de overlevenden te garanderen;

16.  is verheugd over de vooruitgang die is geboekt met de ratificatie van het Protocol van Maputo voor de rechten van de vrouw; onderstreept het belang van de uitvoering van dit protocol;

17.  herinnert eraan dat het geweld in het oosten van de DRC wordt bestendigd door gewapende binnenlandse en buitenlandse rebellengroepen die door de handel in mineralen worden gefinancierd en strijden om toegang tot deze handel; benadrukt dat alle zakelijke, individuele of aan de staat of de staat gerelateerde actoren die dergelijke misdrijven helpen plegen, voor de rechter moeten worden gebracht; is verheugd over de geplande inwerkingtreding van de verordening inzake conflictmineralen in de EU in januari 2021, die de eerste van de vele stappen is die de internationale gemeenschap moet zetten om dit diepgewortelde probleem aan te pakken; benadrukt dat er dringend verdere maatregelen moeten worden genomen op het gebied van zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoord ondernemerschap van bedrijven die in conflictgebieden actief zijn;

18.  dringt met klem aan op grensoverschrijdende samenwerking in het gebied van de Grote Meren en op een regionale strategie van de buurlanden om het geweld en de schendingen van de mensenrechten in de DRC aan te pakken;

19.  betreurt het dat de minitop in Goma, die aanvankelijk was gepland op 13 september 2020 op uitnodiging van de DRC met het doel de vijf staatshoofden van het gebied van de Grote Meren bijeen te roepen om te bespreken hoe de vrede in de regio kan worden hersteld, voor onbepaalde tijd is uitgesteld; hoopt ten zeerste dat deze top zo spoedig mogelijk opnieuw kan worden gepland en dat hij kan leiden tot een vermindering van de spanningen tussen de buurlanden;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de Raad van ministers en Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, het Noorse Nobelcomité, de president, de eerste minister en het parlement van de Democratische Republiek Congo, en de Afrikaanse Unie en haar instellingen.

(1) PB C 458 van 19.12.2018, blz. 52.
(2) PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.


De humanitaire situatie in Mozambique
PDF 140kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over de humanitaire situatie in Mozambique (2020/2784(RSP))
P9_TA(2020)0235RC-B9-0300/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de internationale verdragen en protocollen tegen terrorisme,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) van de VN,

–  gezien het situatieverslag inzake Mozambique van het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) van 10 september 2020(1),

–  gezien het situatieverslag inzake Mozambique van OCHA van 29 juni 2020,

–  gezien het advies over Mozambique dat is goedgekeurd op de 87e vergadering van de werkgroep van de VN inzake willekeurige opsluiting (UNWGAD) van 1 mei 2020,

–  gezien de rapporten van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (OHCHR) over Mozambique,

–  gezien het rapport van de VN-werkgroep inzake de universele periodieke doorlichting van 12 april 2016,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN op 10 december 1984, en op het Facultatieve protocol bij dat verdrag, goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN op 18 december 2002,

–  gezien de conclusies van de Raad over Mozambique van 22 april 2020,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 maart 2020 getiteld “Naar een brede strategie met Afrika” (COM(2020)0004),

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld (2019): Mozambique,

–  gezien het nationaal indicatief programma van de EU voor Mozambique en het 11e Europees Ontwikkelingsfonds 2014-2020,

–  gezien het eindverslag van de verkiezingswaarnemingsmissie van de EU (EU EOM) naar Mozambique over de verkiezingen voor de algemene en provinciale vergaderingen van 15 oktober 2019,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de 28e politieke dialoog tussen de EU en Mozambique van 5 juni 2020,

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC) en de EU,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Mozambique en de SADC-regio,

–  gezien de verklaring van de medevoorzitter van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 29 juni 2020,

–  gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten van mensen en volkeren,

–  gezien het Afrikaans Handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien het Verdrag van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid inzake preventie en bestrijding van terrorisme,

–  gezien de grondbeginselen van de SADC,

–  gezien de conclusies van de SADC van 17 augustus 2020 over Mozambique,

–  gezien de overeenkomst voor vrede en nationale verzoening van 2019,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de zogenaamde Al-Shabaab-terreurgroep, die naar verluidt banden heeft met de gewapende groepering die zichzelf de Islamitische Staat van de provincie Centraal-Afrika noemt, sinds oktober 2017 meer dan 500 gewelddadige aanvallen heeft uitgevoerd in de noordelijke provincie Cabo Delgado, waarbij de plaatselijke bevolking werd geterroriseerd, meer dan 1 500 mensen om het leven zijn gebracht, meer dan 250 000 mensen op de vlucht zijn gejaagd, en aan meer dan 700 000 mensen hulp verleend moest worden;

B.  overwegende dat de terroristische aanslagen steeds gewelddadiger zijn geworden en dat talrijke dorpen zijn aangevallen, waarbij meer dan 1 000 huizen in brand zijn gestoken of zijn verwoest; overwegende dat militante strijders naar verluidt zijn begonnen met het ontvoeren van vrouwen en meisjes;

C.  overwegende dat jihadistische groepen in augustus de strategische havenstad Mocimboa de Praia hebben ingenomen, een cruciale haven voor het faciliteren van de winning van olie en vloeibaar aardgas (LNG); overwegende dat het feit dat al-Shabaab de stad nog steeds in handen heeft, erop wijst dat deze terroristische groepering steeds sterker en geavanceerder wordt;

D.  overwegende dat de islamistische rebellen in toenemende mate hun toevlucht nemen tot illegale drugshandel als financieringsbron;

E.  overwegende dat militante islamistische groeperingen tot voor kort een onbekend verschijnsel waren in Mozambique; overwegende dat ongeveer 30 procent van de 31 miljoen inwoners van Mozambique rooms-katholiek is, terwijl 18 procent moslim is en slechts twee provincies een moslimmeerderheid hebben, te weten Cabo Delgado en Niassa;

F.  overwegende dat de militaire acties van de Mozambikaanse autoriteiten niet toereikend waren om de aanvallen te stoppen en deze humanitaire noodsituatie, die in een alarmerend tempo verergert, aan te pakken;

G.  overwegende dat de veiligheidstroepen van de Mozambikaanse regering met buitensporig geweld hebben opgetreden, soms in strijd met de internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten; overwegende dat de Mozambikaanse president Filipe Nyusi heeft toegegeven dat “onvrijwillige schendingen” van de mensenrechten door de autoriteiten in Cabo Delgado hebben plaatsgevonden; overwegende dat incidenten zijn gemeld waarbij hardhandig is opgetreden tegen de vrijheid van meningsuiting en journalisten lastiggevallen zijn;

H.  overwegende dat het Mozambikaanse leger slecht is toegerust om iets te doen tegen de opkomst van het terrorisme in de regio; overwegende dat de gerechtvaardigde vrees bestaat dat de opstand overslaat naar de buurlanden en de regio zal destabiliseren;

I.  overwegende dat meer dan de helft van de slachtoffers van het geweld in Cabo Delgado kinderen zijn; overwegende dat er gevallen van rekrutering van kinderen in gewapende groeperingen, ontvoeringen en seksueel en gendergebaseerd geweld tegen vrouwen en meisjes zijn gemeld; overwegende dat de bevolking vaak gegijzeld wordt in de strijd tussen gewapende groepen en strijdkrachten van de staat;

J.  overwegende dat Mozambique uit hoofde van de internationale verdragen die het land heeft geratificeerd verplicht is de fundamentele mensenrechtennormen te handhaven, met name in zijn detentiecentra; overwegende dat de barbaarse acties die worden toegeschreven aan de groep die bekend staat als Al-Shabaab niet mogen worden beantwoord met verdere schendingen van de mensenrechten door de Mozambikaanse veiligheidstroepen;

K.  overwegende dat in maart 2020 het Agentschap voor de geïntegreerde ontwikkeling van het Noorden, ADIN (Agencia de desenvolvimento integrado do norte) is opgericht met het specifieke doel de sociaaleconomische tekortkomingen in Noord-Mozambique aan te pakken;

L.  overwegende dat in augustus 2019 een overeenkomst voor vrede en nationale verzoening is ondertekend die tot doel heeft de vrede in het land te herstellen, een einde te maken aan het geweld, democratische participatie te bewerkstelligen en de situatie op het gebied van de mensenrechten en de burgerrechten te verbeteren;

M.  overwegende dat Mozambique in een zeer onstabiele situatie verkeert en dat het land te kampen heeft met talrijke uitdagingen op het gebied van veiligheid, economie en maatschappij; overwegende dat Mozambique tot de armste en minst ontwikkelde landen behoort, en op de Human Development Index op de 180e plaats van de 189 staat, met een levensverwachting bij de geboorte van slechts 58 jaar; overwegende dat meer dan 10 miljoen Mozambikanen in extreme armoede en voedselonzekerheid leven; overwegende dat deze situatie vooral vrouwen en kwetsbare groepen treft die met de zwaarste problemen te kampen hebben;

N.  overwegende dat COVID-19 de zwakke punten van de regionale economie duidelijker aan het licht heeft gebracht, waardoor bij gebrek aan adequate sociale bescherming miljoenen mensen in de informele economie zijn blijven werken en degenen die hun baan zijn kwijtgeraakt in honger en armoede dreigen te vervallen en kwetsbaar zijn, en in sommige gevallen het slachtoffer worden van schendingen van de mensenrechten; overwegende dat Mozambique per 9 september 2020 in de 11 provincies van het land meer dan 4 500 bevestigde gevallen van COVID-19 telt, en 27 sterfgevallen;

O.  overwegende dat Mozambique de afgelopen jaren te maken heeft gehad met verwoestende klimaatgerelateerde natuurrampen, waaronder twee grote wervelstormen in 2019, die de toch al hoge armoedeniveaus en de onveiligheid nog hebben verergerd; overwegende dat deze rampen hebben geleid tot wijdverspreide voedselonzekerheid en chronische ondervoeding, en dat ruim 43 procent van de kinderen onder de 5 jaar een groeiachterstand heeft; overwegende dat in 2020 naar schatting zo’n 7,9 miljoen mensen dringend humanitaire hulp nodig hebben;

P.  overwegende dat de benarde situatie van de bevolking van Cabo Delgado ervoor heeft gezorgd dat de solidariteit binnen Mozambique is toegenomen, en dat jongeren in Mozambique het initiatief hebben genomen om een nationale solidariteitscampagne voor Cabo Delgado te lanceren met de hashtag #CaboDelgadoTambénÉMocambique (Cabo Delgado is ook Mozambique) om de aandacht te vestigen op de tragische situatie in de regio;

Q.  overwegende dat in 2010 en 2013 immense gasvoorraden zijn gevonden in Mozambique: overwegende dat deze gasreserves met circa 5 000 miljard kubieke meter de op 8 na grootste ter wereld zijn; overwegende dat Mozambique hiermee potentieel tot de vier grootste producenten van LNG ter wereld behoort; overwegende dat verwacht wordt dat er de komende jaren minstens 60 miljard USD zal worden geïnvesteerd in de exploitatie van deze reserves, de grootste investeringen die ooit in Afrika bezuiden de Sahara zijn gedaan;

R.  overwegende dat de Europese en andere buitenlandse industriële en economische activiteiten in Mozambique moeten worden verricht met de VN-beginselen voor het bedrijfsleven en de mensenrechten als uitgangspunt; overwegende dat de Commissie zich buigt over bindende due diligence-verplichtingen om ervoor te zorgen dat EU-investeerders en degenen die betrokken zijn bij de winningsindustrieën op verantwoordelijke wijze handelen en bijdragen aan de lokale ontwikkeling in landen als Mozambique;

S.  overwegende dat Mozambique, en met name de regio Cabo Delgado, de hoogste percentages analfabetisme, ongelijkheid en ondervoeding van kinderen kent, maar rijk is aan natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen, hetgeen investeringen heeft aangetrokken van talrijke internationale en Europese bedrijven die concurreren om de toegang tot de markt voor natuurlijke hulpbronnen; overwegende dat de opbrengsten uit natuurlijke hulpbronnen volgens sommige berichten ongelijk verdeeld zijn in Mozambique;

T.  overwegende dat het Internationale Monetaire Fonds (IMF) op 13 april 2020 zijn goedkeuring heeft gehecht aan de onmiddellijke verlichting van de schuldenlast voor 25 lidstaten, waaronder ongeveer 309 miljoen USD voor Mozambique in het kader van de Catastrofe Containment and Relief Trust (CCRT), om de gevolgen van de COVID-19-pandemie te helpen opvangen;

U.  overwegende dat de VN-coördinator voor humanitaire hulp voor Mozambique, Myrta Kaulard, op 4 juni 2020 de internationale gemeenschap heeft opgeroepen haar steun aan Mozambique op te voeren;

V.  overwegende dat de Europese Unie Mozambique 200 miljoen EUR aan herstelsteun heeft toegezegd na de doortocht van de cyclonen in 2019, gevolgd door 110 miljoen EUR aan steun van de Europese Unie in het kader van COVID-19;

W.  overwegende dat de regionale terrorismebestrijdingsstrategie van de SADC van 2015, die is ontwikkeld in overeenstemming met de mondiale terrorismebestrijdingsstrategie van de VN, voorziet in bijstand bij het voorkomen van radicalisering onder jongeren, grensbeveiliging, humanitaire hulp en het aanpakken van de onderliggende oorzaken van terrorisme;

X.  overwegende dat Mozambique momenteel het roulerende voorzitterschap van de SADC bekleedt; overwegende dat de regionale organisatie tijdens haar 40e top op 17 augustus 2020 “het land prees voor zijn voortdurende inspanningen om terrorisme en gewelddadige aanvallen te bestrijden” en “de solidariteit van de SADC uitsprak, toezegde om Mozambique te steunen bij de aanpak van terrorisme en gewelddadige aanvallen, en alle terroristische daden en gewapende aanvallen veroordeelde”;

Y.  overwegende dat zowel de EU-delegatie in Mozambique als de Raad in april 2020 ernstige bezorgdheid hebben geuit over de aanvallen in Cabo Delgado en de escalatie van geweld tegen burgers;

Z.  overwegende dat de situatie in Cabo Delgado ondanks haar brutaliteit en het verschrikkelijke verlies van mensenlevens geen internationale aandacht heeft gekregen, waardoor kostbare tijd verloren ging om het probleem in een eerder stadium doeltreffend aan te pakken;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de verslechterende veiligheidssituatie in het noorden van Mozambique, met name in de provincie Cabo Delgado, en betuigt zijn medeleven met de meer dan 1 500 slachtoffers van het geweld; betuigt zijn solidariteit met en steun aan de bevolking, en met name de meer dan 250 000 mensen die hun huis moesten verlaten;

2.  onderstreept dat de huidige veiligheidsproblemen de reeds uiterst precaire humanitaire situatie als gevolg van de ernstige onderontwikkeling, klimaatschokken en conflicten nog verder verergeren;

3.  roept de Mozambikaanse autoriteiten op doeltreffend en doortastend op te treden tegen de islamistische opstand en alle burgers van Cabo Delgado te beschermen; uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat de opstand steeds bredere steun krijgt van regionale en internationale terroristische organisaties; wijst in dit verband op de betreurenswaardige overeenkomsten met andere regio’s, zoals de Sahel en de Hoorn van Afrika;

4.  onderstreept dat als de opstand niet wordt gestopt, hij kan uitgroeien en op buurlanden kan overslaan, wat de regionale stabiliteit in gevaar dreigt te brengen; benadrukt in dit verband dat er doeltreffend en duurzaam beleid nodig is van zowel de nationale regering als regionale en internationale actoren;

5.  herinnert de regering van Mozambique aan haar verantwoordelijkheid om al degenen die verdacht worden van terroristische activiteiten, voor de rechter te brengen door middel van eerlijke processen; verzoekt de regering van Mozambique een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen naar foltering en andere ernstige schendingen die naar verluidt door haar veiligheidstroepen zijn begaan in Cabo Delgado; wijst erop dat Mozambique partij is bij het ICCPR, het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en het VN-Verdrag tegen foltering, die foltering, andere mishandeling en levensberoving verbieden;

6.  onderstreept het belang van de bescherming van de rechten van journalisten, mensenrechtenverdedigers, activisten en allen die simpelweg hun mensenrechten uitoefenen en hun standpunten over kwesties van openbaar belang kenbaar maken; verzoekt de Mozambikaanse autoriteiten een onpartijdig onderzoek in te stellen naar alle vermoedelijke gevallen van vandalisme jegens nieuwskanalen, de onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting en beschuldigingen van pesterijen en intimidatie jegens journalisten;

7.  roept de Mozambikaanse autoriteiten op te zorgen voor de bevordering van democratie, mensenrechten, doeltreffend lokaal bestuur en het effectieve herstel van de rechtsstaat in het noorden van Mozambique; wijst erop dat naleving van het internationaal humanitair recht en eerbiediging van de democratische vrijheden ook van cruciaal belang zijn voor het welslagen van het definitieve vredesakkoord dat in 2019 is ondertekend tussen het Mozambikaanse Bevrijdingsfront (Frelimo) en het Mozambikaans Nationaal Verzet (Renamo);

8.  onderstreept dat het belangrijk is de nodige hervormingen door te voeren om adequaat te kunnen inspelen op de behoeften van de Mozambikaanse bevolking en te voorkomen dat zij een kwetsbaar doelwit van radicalisering wordt; onderstreept met name dat het dringend noodzakelijk is banen en kansen te scheppen voor de mensen in Cabo Delgado, en dan met name jongeren; benadrukt voorts dat moet worden gestreefd naar het wegnemen van een aantal onderliggende oorzaken van terrorisme, zoals onveiligheid, armoede, mensenrechtenschendingen, ongelijkheid, uitsluiting, werkloosheid, aantasting van het milieu, corruptie, misbruik van overheidsmiddelen en straffeloosheid, wat een enorme bijdrage kan leveren aan de uitroeiing van terroristische organisaties;

9.  benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat bij alle militaire interventies in de regio de mensenrechten beschermd, geëerbiedigd en bevorderd worden, en spoort de Mozambikaanse autoriteiten aan steun te verlenen aan en samen te werken met regionale en internationale organisaties, maatschappelijke organisaties en gemeenschapsgroepen om platforms voor vredesopbouwinitiatieven in te voeren die vreedzame betrokkenheid, dialoog, verzoening en co-existentie tussen alle belanghebbenden aanmoedigen; betreurt dat in dit conflict particuliere veiligheidstroepen worden ingezet die zonder internationaal toezicht opereren, waardoor de monetaire kosten voor het land verder stijgen;

10.  neemt met bezorgdheid kennis van de verslechterende situatie van intern ontheemden in Mozambique; verzoekt de EU en haar lidstaten nauw samen te werken met de SADC en haar lidstaten om de verslechterende humanitaire crisis in de regio op te lossen en een doeltreffend actieplan op te stellen;

11.  verzoekt de Mozambikaanse regering openlijk samen te werken met internationale instellingen zoals de speciale rapporteurs van de VN, onafhankelijke mensenrechtenonderzoekers en waarnemers in het land toe te laten, en de humanitaire behoeften van de bevolking in Cabo Delgado correct te analyseren om haar de nodige hulp te bieden; is voorts van mening dat de slachtoffers van geweld moeten worden beschermd door middel van een noodplan, zodat zij hun leven kunnen voortzetten;

12.  is van mening dat een meer gecoördineerde regionale en internationale inspanning nodig is om te reageren op de dreigende humanitaire en veiligheidscrises in Cabo Delgado, met inbegrip van de noodzaak om grensoverschrijdende bedreigingen zoals terroristische opstand, voedselzekerheid, intern ontheemden en mensensmokkel aan te pakken; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) daarom aanvullende steun aan de SADC en de Afrikaanse Unie (AU) te verlenen om tot een duurzame en vreedzame oplossing te komen;

13.  wijst erop dat het Orgaan voor samenwerking op het gebied van politiek, defensie en veiligheid (OPDS) van de SADC, met zijn multinationale gevechtseenheid voor ernstige oproerbestrijding, een belangrijke actieve rol moet spelen bij de beheersing van dit conflict en het op korte termijn moet veroordelen, terwijl het de Mozambikaanse autoriteiten op de lange termijn moet aanmoedigen en ondersteunen bij het doorvoeren van verdere hervormingen ter bevordering van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, die een voorwaarde vormen voor stabiliteit, vrede en ontwikkeling;

14.  herhaalt dat de EU bereid is een dialoog met Mozambique aan te gaan om doeltreffende opties voor de tenuitvoerlegging van de EU-steun vast te stellen, rekening houdend met het complexe en regionale karakter van de situatie, en verzoekt de regering van Mozambique meer aandacht te besteden aan deze dialoog en samenwerking met de EU en de SADC; moedigt in dit verband samenwerking aan tussen de Mozambikaanse autoriteiten en alle niveaus van het maatschappelijk middenveld om een inclusieve oplossing te vinden en dringend in te spelen op de behoeften van de meest kwetsbaren;

15.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Josep Borrell, en de EU-lidstaten de situatie op de voet te blijven volgen en hun steun aan de nationale en regionale autoriteiten op te voeren; is in dit verband ingenomen met de conclusies van de Raad van 22 juni 2020, maar dringt erop aan dat er verdere diplomatieke maatregelen worden genomen, met name door de lidstaten die historische en vriendschappelijke banden met het land hebben, om te benadrukken dat er dringend actie moet worden ondernomen met betrekking tot deze kwestie en haar humanitaire en veiligheidsdimensies voor de regio, en om de aandacht van de regering te vestigen op de geopolitieke gevolgen van het uitblijven van een gecoördineerde regionale en internationale respons;

16.  spreekt de hoop uit dat de nieuwe EU-strategie voor Afrika, zodra deze operationeel is, zal bijdragen tot de intensivering van de samenwerking tussen de EU en Afrika op basis van een partnerschap van gelijken op het hele continent, en dat beide partijen zullen samenwerken om de economische, sociale, veiligheids- en mensenrechtensituatie in landen als Mozambique te verbeteren;

17.  is van mening dat de huidige ontwikkelingen in Mozambique en de sociale en economische gevolgen daarvan naar behoren zullen worden aangepakt in het EU-beleid ten aanzien van Afrika in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) 2021; onderstreept dat de bevolking van Mozambique, die vaak door overstromingen en andere natuurrampen getroffen wordt, alle beschikbare steun en humanitaire hulp moet ontvangen;

18.  is van mening dat de komende top EU-Afrika een uitstekende gelegenheid biedt om het probleem van deze humanitaire tragedie beter aan te pakken en om de steun van de EU aan regionale en continentale organisaties op te voeren;

19.  herinnert aan de internationale steuntoezeggingen die zijn gedaan tijdens de internationale donorconferentie in Beira op 30 mei en 1 juni 2019, tijdens welke de Europese Unie 200 miljoen EUR aan herstelsteun heeft toegezegd; verzoekt de EU en haar lidstaten deze toezeggingen volledig na te komen; wijst erop dat herstel op lange termijn alleen kan worden bereikt door middel van duurzame en inclusieve economische ontwikkeling; dringt er daarom op aan dat de EU steun verleent aan de inspanningen van Mozambique om zijn economie te stabiliseren, banen te scheppen en het concurrentievermogen van het platteland te bevorderen, en tegelijkertijd te zorgen voor inclusiviteit en milieubehoud;

20.  verwelkomt de CCRT van het IMF als een stap in de goede richting om Mozambique te helpen bij de bestrijding van de economische gevolgen van COVID-19; verzoekt de EU en haar lidstaten verdere donaties aan het IMF te verstrekken en verzoekt het IMF verdere alternatieven te onderzoeken om de beschikbare middelen voor de CCRT te verhogen, zoals het gebruik van zijn eigen bestaande reserves; herinnert eraan dat bijdragen aan het fonds in geen geval in de plaats mogen komen van officiële ontwikkelingshulp;

21.  acht het van het grootste belang dat de plaatselijke bevolking, met name in de armste provincies van het land, profiteert van de exploitatie van haar natuurlijke hulpbronnen; verzoekt de regering de inkomsten uit exploitatieprojecten eerlijk toe te wijzen aan lokale ontwikkelingsprojecten, met inachtneming van strenge sociale en milieunormen;

22.  stipt aan dat de inwoners van Mozambique, zowel christenen als moslims, al geruime tijd vreedzaam samenleven, en is ervan overtuigd dat dit model van tolerantie en solidariteit ondanks de aanvallen van islamistische terroristen zal prevaleren;

23.  benadrukt dat onderwijs prioriteit moet krijgen en plattelandsontwikkeling bevorderd moet worden om radicalisering aan te pakken, met name onder jongeren in plattelandsgebieden;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het parlement van Mozambique, en de leden en leiders van de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika en de Afrikaanse Unie.

(1) https://reliefweb.int/report/mozambique/mozambique-situation-report-10-september-2020


Een duurzame spoorwegmarkt naar aanleiding van de COVID-19-uitbraak ***I
PDF 129kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maatregelen voor een duurzame spoorwegmarkt naar aanleiding van de COVID-19-pandemie (COM(2020)0260 – C9-0186/2020 – 2020/0127(COD))
P9_TA(2020)0236

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2020)0260),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0186/2020),

—  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 juli 2020(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 9 september 2020 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 163 van zijn Reglement,

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 17 september 2020 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2020/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maatregelen voor een duurzame spoorwegmarkt naar aanleiding van de COVID-19-uitbraak

P9_TC1-COD(2020)0127


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2020/1429.)

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8: Verhoging van de betalingskredieten voor het instrument voor noodhulp ter financiering van de COVID-19-vaccinstrategie en met het oog op de effecten van het corona-investeringsinitiatief plus
PDF 125kWORD 43k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2020 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 - Verhoging van de betalingskredieten voor het instrument voor noodhulp ter financiering van de COVID-19-vaccinstrategie en met het oog op de effecten van het corona-investeringsinitiatief plus (10696/2020 – C9-0290/2020 – 2020/1997(BUD))
P9_TA(2020)0237

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

—  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(1), en met name artikel 44,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, definitief vastgesteld op 27 november 2019(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2020, goedgekeurd door de Commissie op 28 augustus 2020 (COM(2020)0900),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2020, op 11 september 2020 vastgesteld door de Raad en dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (10696/2020 – C9-0290/2020),

–  gezien de artikelen 94, 96 en 163 van zijn Reglement,

1.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2020 goed;

2.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 6/2020 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1
(2) PB L 57 van 27.2.2020.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: Maximumgehalten aan residuen van bepaalde stoffen, waaronder flonicamid, haloxyfop en mandestrobin
PDF 150kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van de bijlagen II, III en IV bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten aan residuen van cycloxydim, flonicamid, haloxyfop, mandestrobin, mepiquat, Metschnikowia fructicola stam NRRL Y-27328 en prohexadione in of op bepaalde producten (D063880/06 – 2020/2734(RPS))
P9_TA(2020)0238B9-0245/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van de bijlagen II, III en IV bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten aan residuen van cycloxydim, flonicamid, haloxyfop, mandestrobin, mepiquat, Metschnikowia fructicola stam NRRL Y-27328 en prohexadione in of op bepaalde producten (D063880/06),

–  gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad(1), en met name artikel 5, lid 1, en artikel 14, lid 1, onder a),

–  gezien het advies dat het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders op 17-18 februari 2020 heeft uitgebracht,

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(2),

–  gezien het met redenen omkleed advies dat op 27 mei 2019 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 2 augustus 2019 werd gepubliceerd(3),

–  gezien de conclusies die op 18 december 2009 door de EFSA werden goedgekeurd en op 7 mei 2010 werden gepubliceerd(4),

–  gezien het met redenen omkleed advies dat op 18 oktober 2018 door de EFSA werd goedgekeurd en op 2 november 2018 werd gepubliceerd(5),

–  gezien artikel 5 bis, lid 3, onder b), en artikel 5 bis, lid 5, van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(6),

–  gezien artikel 112, leden 2 en 3 en lid 4, onder c), van zijn Reglement,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A.  overwegende dat flonicamid een selectief insecticide is dat onder meer wordt gebruikt op aardappelen, tarwe, appelen, peren, perziken en paprika’s;

B.  overwegende dat de goedkeuringsperiode van flonicamid als werkzame stof is verlengd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2069 van de Commissie(7);

C.  overwegende dat in het advies van het Comité risicobeoordeling van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) van 5 juni 2013(8), waarin een geharmoniseerde classificatie en etikettering van flonicamid werd voorgesteld, de bevoegde nationale autoriteit van Denemarken heeft opgemerkt dat bij konijnen duidelijke effecten op viscerale misvormingen zijn vastgesteld, bij voor het moederdier niet-toxische hoeveelheden;

D.  overwegende dat momenteel in de Verenigde Staten een onderzoek loopt naar flonicamid omdat het mogelijk een groter risico vormt voor bestuivende insecten dan tot dusver gedacht, aangezien uit nieuwe studies van flonicamid-producent ISK Biosciences blijkt dat bijen worden blootgesteld aan hoeveelheden flonicamid die tot 51 keer hoger liggen dan de drempelwaarde waarop zij ernstige schade oplopen(9);

E.  overwegende dat haloxyfop-P een herbicide is dat onder meer wordt gebruikt op wortelen, voederleguminosen, koolzaad, sojabonen en suikerbieten;

F.  overwegende dat haloxyfop-P volgens de ECHA-classificatie schadelijk is bij opname door de mond en schadelijk is voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen; overwegende dat effecten van hepatotoxiciteit, nefrotoxiciteit en oxidatieve stress zijn vastgesteld bij ratten na blootstelling aan haloxyfop-P-methyl(10);

G.  overwegende dat de productie, de distributie en het gebruik van haloxyfop-P voor alle agrarische en niet-agrarische doeleinden in Frankrijk sinds 4 september 2007 zijn verboden(11); overwegende dat haloxyfop-P in de hele Unie vier jaar lang verboden was krachtens Verordening (EG) nr. 1376/2007 van de Commissie(12);

H.  overwegende dat haloxyfop-P als werkzame stof is goedgekeurd in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie(13), met een zeer beperkt gebruik(14) en strenge eisen voor de lidstaten met betrekking tot de bescherming van het grondwater, de bescherming van in het water levende organismen en de veiligheid van toedieners;

I.  overwegende dat de Commissie in haar Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2233(15) met betrekking tot het gebruik van haloxyfop-P als werkzame stof tot de conclusie is gekomen dat “de vereiste verdere bevestigende informatie niet volledig is verstrekt en dat een onaanvaardbaar risico voor het grondwater alleen kan worden uitgesloten door het opleggen van verdere beperkingen”;

J.  overwegende dat de Commissie in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2233 tevens tot de conclusie is gekomen dat “het aangewezen [is] de gebruiksvoorwaarden van deze werkzame stof te wijzigen, met name door beperkingen op te leggen voor de dosering en de frequentie van de toepassing van de stof”;

K.  overwegende dat de Commissie op 30 april 2018 heeft besloten de goedkeuringsperiode voor haloxyfop-P als werkzame stof te verlengen tot 31 december 2023(16);

L.  overwegende dat in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat het voorzorgsbeginsel een van de grondbeginselen van de Unie is;

M.  overwegende dat in artikel 168, lid 1, VWEU is bepaald dat “bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie [...] een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid [wordt] verzekerd”;

N.  overwegende dat Richtlijn 2009/128/EG tot doel heeft een duurzaam gebruik van pesticiden in de Unie tot stand te brengen door de risico’s en de effecten van het gebruik van pesticiden voor de menselijke en dierlijke gezondheid en het milieu te verminderen en door het gebruik van geïntegreerde plaagbestrijding en alternatieve benaderingswijzen of technieken, zoals niet-chemische alternatieven voor pesticiden, te bevorderen;

O.  overwegende dat bij de vaststelling van maximumgehalten aan residuen (MRL’s) rekening moet worden gehouden met cumulatieve en synergetische effecten, en dat het van essentieel belang is om dringend passende methoden voor deze beoordeling te ontwikkelen;

P.  overwegende dat de verhoging van de MRL’s voor haloxyfop-P op lijnzaad en voor mandestrobin op aardbeien en druiven gebaseerd is op verzoeken van derde landen om normatieve afstemming;

Q.  overwegende dat de aanvragers aanvoeren dat het toegestane gebruik van haloxyfop-P en mandestrobin op dergelijke gewassen in Australië en Canada leidt tot residugehalten die de MRL’s in Verordening (EG) nr. 396/2005 overschrijden en dat hogere MRL’s nodig zijn om handelsbelemmeringen voor de invoer van deze gewassen te vermijden;

1.  maakt bezwaar tegen de aanneming van het ontwerp van verordening van de Commissie;

2.  is van mening dat het ontwerp van verordening van de Commissie niet verenigbaar is met het doel en de inhoud van Verordening (EG) nr. 396/2005;

3.  is van mening dat de Unie en de Commissie het beginsel van milieuverantwoordelijkheid moeten eerbiedigen en het gebruik in derde landen van producten die sommige lidstaten op hun grondgebied verbieden en waarvan de Unie het gebruik probeert te beperken, niet mogen aanmoedigen;

4.  is van mening dat vrijhandelsregels nooit mogen leiden tot een verlaging van de beschermingsnormen van de Unie;

5.  erkent dat de EFSA bezig is met de ontwikkeling van methoden om cumulatieve risico’s te beoordelen, maar wijst er tevens op dat het probleem van de beoordeling van cumulatieve effecten van pesticiden en residuen al decennia bekend is; verzoekt de EFSA en de Commissie daarom dit probleem met absolute spoed aan te pakken;

6.  merkt op dat de MRL’s voor flonicamid volgens de ontwerpverordening zouden stijgen van 0,03 tot 0,5 mg/kg voor aardbeien, van 0,03 tot 1 mg/kg voor bramen en frambozen, van 0,03 tot 0,7 mg/kg voor ander klein fruit en bessen, van 0,03 tot 0,3 mg/kg voor andere wortel- en knolgewassen in het algemeen, maar van 0,03 tot 0,6 mg/kg voor radijzen, van 0,03 tot 0,07 mg/kg voor slasoorten en van 0,03 tot 0,8 mg/kg voor peulvruchten;

7.  is van mening dat het huidige maximumresidugehalte voor flonicamid van 0,03 mg/kg behouden moet blijven;

8.  merkt op dat het MRL voor haloxyfop-P volgens de ontwerpverordening zou stijgen van 0,01 tot 0,05 mg/kg voor lijnzaad;

9.  is van mening dat het huidige maximumresidugehalte voor haloxyfop-P van 0,01 mg/kg behouden moet blijven;

10.  merkt op dat de MRL’s voor mandestrobin volgens de ontwerpverordening zouden stijgen van 0,01 tot 5 mg/kg voor druiven en van 0,01 tot 3 mg/kg voor aardbeien;

11.  is van mening dat het huidige maximumresidugehalte voor mandestrobin van 0,01 mg/kg behouden moet blijven;

12.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van verordening in te trekken en een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(2) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(3) Met redenen omkleed advies van de EFSA inzake wijziging van de bestaande maximumgehalten aan residuen van flonicamid in aardbeien en andere bessen, EFSA Journal 2019;17(7):5745, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5745
(4) Conclusie over de intercollegiale toetsing van de risicobeoordeling van de werkzame stof flonicamid, EFSA Journal 2010; 8(5):1445, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/1445
(5) Met redenen omkleed advies van de EFSA over de vaststelling van invoertoleranties voor haloxyfop‐P in lijnzaad en koolzaad, EFSA Journal 2018;16(11):5470, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5470
(6) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2069 van de Commissie van 13 november 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen flonicamid (IKI‑220), metalaxyl, penoxsulam en proquinazid (PB L 295 van 14.11.2017, blz. 51).
(8) Advies van 5 juni 2013 van het Comité risicobeoordeling met een voorstel voor een geharmoniseerde classificatie en etikettering van flonicamid op EU-niveau, https://echa.europa.eu/documents/10162/0916c5b3-fa52-9cdf-4603-2cc40356ed95
(9) https://oag.ca.gov/news/press-releases/attorney-general-becerra-warns-against-expanded-use-pesticide-found-harm-bees
(10) Olayinka, E.T, en Ore, A., “Hepatotoxicity, Nephrotoxicity and Oxidative Stress in Rat Testis Following Exposure to Haloxyfop-p-methyl Ester, an Aryloxyphenoxypropionate Herbicide”, Toxics, December 2015, 3(4), pp. 373–389, https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5606644/
(11) https://www.legifrance.gouv.fr/affichTexte.do;jsessionid=235653D01B24A4B694A6C342E7323D6F .tplgfr38s_1?cidTexte=JORFTEXT000000464899&dateTexte=&oldAction=rechJO&categorieLien=id&idJO=JORFCONT000000005119
(12) Verordening (EG) nr. 1376/2007 van de Commissie van 23 november 2007 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 304/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PB L 307 van 24.11.2007, blz. 14).
(13) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).
(14) Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide in een dosering van maximaal 0,052 kg werkzame stof per hectare per toepassing, waarbij slechts één toepassing elke drie jaar is toegelaten.
(15) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2233 van de Commissie van 2 december 2015 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof haloxyfop‑P (PB L 317 van 3.12.2015, blz. 26).
(16) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/670 van de Commissie van 30 april 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen bromuconazool, buprofezin, haloxyfop‑P en napropamide (PB L 113 van 3.5.2018, blz. 1).


Cultureel herstel van Europa
PDF 144kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over het cultureel herstel van Europa (2020/2708(RSP))
P9_TA(2020)0239RC-B9-0246/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule en de artikelen 2, 3 en 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 6 en 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en met name artikel 19,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 22,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2018 getiteld “Bouwen aan een sterker Europa: de rol van het beleid inzake jongeren, onderwijs en cultuur” (COM(2018)0268),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2018 getiteld “Een nieuwe Europese agenda voor cultuur” (COM(2018)0267),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 november 2017 getiteld “De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur” (COM(2017)0673),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector(1),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(2),

–  gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over toerisme en vervoer in en na 2020(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(4) (“de verordening”),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 17, 18, 19, 20 en 21 juli 2020,

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 november 2018 over het werkplan voor cultuur 2019-2022 (2018/C 460/10),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld “Identifying Europe’s recovery needs” (de herstelbehoeften van Europa aanwijzen) bij de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 getiteld "Het moment van Europa: herstel en voorbereiding voor de volgende generatie” (COM(2020)0456),

–  gezien het verslag uit 2015 “Cultureel Erfgoed telt voor Europa”,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat cultuur voor de Europese Unie een strategische sector is, die niet alleen een belangrijk onderdeel van onze economie vormt maar ook bijdraagt tot democratische, duurzame, vrije en inclusieve samenlevingen en onze Europese diversiteit, waarden, geschiedenis, vrijheden en levenswijze weerspiegelt;

B.  overwegende dat cultuur en de vrijheid van kunsten een aanzienlijke bijdrage leveren aan de levendigheid van een samenleving en alle geledingen van de samenleving in staat stellen hun identiteit tot uitdrukking te brengen, hetgeen bijdraagt tot sociale cohesie en interculturele dialoog, die de weg effenen voor een steeds hechtere Europese Unie;

C.  overwegende dat cultuur, als uitdrukking van menselijkheid, democratie en maatschappelijk engagement, een intrinsieke waarde heeft die van cruciaal belang kan zijn voor de bevordering van duurzame ontwikkeling;

D.  overwegende dat cultuur het maatschappelijk kapitaal van samenlevingen versterkt, democratisch burgerschap in de hand werkt, creativiteit, welzijn en kritisch denken stimuleert, integratie en cohesie ten goede komt en diversiteit, gelijkheid en pluralisme bevordert;

E.  overwegende dat culturele participatie is erkend als een van de belangrijkste versnellers van sociale verandering en van de opbouw van inclusieve, veerkrachtige samenlevingen;

F.  overwegende dat cultuur en de culturele en creatieve sector een belangrijk instrument zijn in de strijd tegen alle vormen van discriminatie, met inbegrip van racisme en vreemdelingenhaat, en een platform vormen voor de vrijheid van meningsuiting;

G.  overwegende dat de pandemie de werkelijke maatschappelijke waarde van de culturele en creatieve sector voor de Europese samenleving en het economische gewicht ervan aan het licht heeft gebracht; overwegende dat de economische kant van cultuur voor de Europese Unie en haar economie van strategisch belang is, miljoenen Europeanen zinvolle banen oplevert, voor duurzame financiering van de Europese diversiteit zorgt en tegelijkertijd onze Europese waarden, geschiedenis en vrijheden weerspiegelt;

H.  overwegende dat Europese culturele en creatieve actoren belangrijk zijn voor het behoud en de bevordering van de culturele en taalkundige verscheidenheid in Europa, en een bijdrage leveren aan de versterking van een Europese identiteit op alle niveaus; overwegende dat deze actoren een waardevolle drijvende kracht zijn voor sociale cohesie en duurzame ontwikkeling en economische groei in de Europese Unie en haar lidstaten, en een belangrijke bron van mondiaal concurrentievermogen vormen;

I.  overwegende dat de culturele en creatieve sector in Europa goed is voor ongeveer 4 % van het Europese bruto binnenlands product, hetgeen vergelijkbaar is met de ICT- of de horecasector; overwegende dat de culturele sector in de EU-27 in 2019 aan 7,4 miljoen mensen werk bood, hetgeen neerkomt op 3,7 % van de totale werkgelegenheid in de EU-27; overwegende dat er in 2019 in de culturele sector in de EU-27 meer dan twee keer zoveel mensen als zelfstandige werkzaam waren als in de economie in haar geheel(5);

J.  overwegende dat de culturele en creatieve sector – die goed is voor 509 miljard EUR aan toegevoegde waarde voor het bbp – volgens ramingen van de Commissie in het tweede kwartaal van 2020 waarschijnlijk 80 % van zijn omzet heeft verloren als gevolg van de COVID-19-crisis en de inperkingsmaatregelen;

K.  overwegende dat in Europa meer dan 300 000 mensen werkzaam zijn in de erfgoedsector, terwijl 7,8 miljoen banen in Europa er indirect verband mee houden; overwegende dat de Europese creatieve beroepsbevolking in de culturele en creatieve sector momenteel ondervertegenwoordigd is in statistische systemen;

L.  overwegende dat de culturele en creatieve sector en industrieën nauw met elkaar verbonden zijn en ten goede blijken te komen aan andere sectoren, zoals toerisme en vervoer; overwegende dat volgens de Wereldorganisatie voor Toerisme vier van de tien toeristen hun bestemming kiezen op basis van het culturele aanbod en dat twee derde van de Europeanen van mening is dat de aanwezigheid van cultureel erfgoed meeweegt bij de keuze van hun vakantiebestemming; overwegende dat Europa de populairste culturele toeristische bestemming ter wereld blijft;

M.  overwegende dat het diverse culturele landschap in Europa ernstig te lijden heeft onder de COVID-19-pandemie en dat veel actoren in de culturele en creatieve sector zonder overheidsinvesteringen en -steun ten onder dreigen te gaan; overwegende dat het stilleggen van deze sector heeft doorgewerkt in andere sectoren, zoals vervoer, toerisme en onderwijs;

N.  overwegende dat de culturele en creatieve sector op basis van zijn specifieke economische model, behoeften en omvang een atypische sector is maar hoofdzakelijk bestaat uit kleine structuren (kmo’s, micro-organisaties en zelfstandigen) met weinig of geen toegang tot financiële markten en vaak met onregelmatige en gemengde inkomens uit verschillende bronnen, zoals overheidssubsidies, particuliere sponsoring, publieksgerelateerde inkomsten of auteursrechten;

O.  overwegende dat de COVID-19-pandemie ook de reeds bestaande kwetsbaarheden van de culturele en creatieve sector aan het licht heeft gebracht, waaronder de onzekere bestaansmiddelen van kunstenaars en cultuurwerkers, alsook de krappe begrotingen van veel culturele instellingen;

P.  overwegende dat de volledige gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de culturele en creatieve sector nog maar net tot uiting komen en dat de algemene impact op middellange en lange termijn nog onbekend is; overwegende dat dit van invloed is op de sociale rechten van kunstenaars en beroepsbeoefenaren in de culturele sector, die recht hebben op een billijke financiële vergoeding voor hun werk, en op de bescherming van een verscheidenheid aan cultuuruitingen;

Q.  overwegende dat de COVID-19-crisis reeds een negatief effect heeft gehad en ook een langdurig negatief effect zal blijven hebben op de culturele en creatieve productie, verspreiding en inkomsten, en dus ook op de Europese culturele diversiteit;

R.  overwegende dat theaters, operahuizen, bioscopen, concertzalen, musea, erfgoedlocaties en andere artistieke trekpleisters tot de eerste behoorden die moesten sluiten vanwege de lockdownmaatregelen, en dat zij pas als laatste weer mochten openen; overwegende dat tal van culturele en artistieke evenementen zoals beurzen, festivals, concerten en optredens geannuleerd of voor lange tijd uitgesteld zijn; overwegende dat de gezondheids- en veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van een nieuwe uitbraak deze zalen beletten om binnen afzienbare tijd weer op volle capaciteit te draaien;

S.  overwegende dat het delen van culturele en creatieve inhoud tijdens de pandemie, toen veel Europeanen zich in een situatie van isolement bevonden, voor veel burgers een steun betekende; overwegende dat de mogelijkheden om online toegang te krijgen tot culturele inhoud zijn toegenomen en dat culturele inhoud dankzij de auteurs, scheppende en uitvoerende kunstenaars en andere makers daardoor toegankelijker is geworden, vaak zelfs gratis; overwegende dat de inkomsten van scheppende kunstenaars daardoor verder slinken; overwegende dat de onlinebeschikbaarheid van culturele inhoud niet heeft geleid tot een hoger inkomen voor rechthebbenden en uitvoerende kunstenaars;

T.  overwegende dat het grondrecht op toegang tot cultuur, het recht op deelname aan cultuur en het recht op kunstuiting worden beknot door ongelijkheden bij de toegang tot digitale infrastructuur;

U.  overwegende dat de opeenvolgende begrotingsvoorstellen voor het programma Creatief Europa in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) zelfs vóór de COVID-19 crisis duidelijk niet voldeden aan de verwachtingen van de sector noch aan die van het Parlement, en dat dit laatste heeft aangedrongen op een verdubbeling van de middelen ervan ten opzichte van het niveau dat in het MFK 2014-2020 is toegekend;

V.  overwegende dat het herziene MFK-voorstel van de Commissie ten opzichte van haar MFK-voorstel uit 2018 neerkomt op een bezuiniging van 20 % op het Europees Solidariteitskorps, 13 % op Creatief Europa en 7 % op Erasmus+; overwegende dat het standpunt dat de Europese Raad op 17 juli 2020 heeft ingenomen, slechts overeenstemt met het voorstel van de Commissie uit 2018; overwegende dat Creatief Europa het enige EU-programma is dat rechtstreekse steun verleent aan de culturele en creatieve sector in heel Europa; overwegende dat noch de initiatieven die Creatief Europa geacht wordt te dekken, noch de begroting van dit reeds overvraagde en ondergefinancierde programma de nodige steun bieden;

W.  overwegende dat de pandemie een kans biedt om de toekomst van cultuur kritisch tegen het licht te houden, en dat de totstandbrenging van een veerkrachtiger cultureel ecosysteem een bredere reflectie vereist over de toekomst van de planeet en de urgentie om op de klimaatcrisis te reageren;

X.  overwegende dat de culturele en creatieve sector van vitaal belang is voor het bereiken van ecologische duurzaamheid; overwegende dat hij naar behoren gefinancierd moet blijven en als veilige investering moet worden aangemerkt om klaar te zijn voor de overgang naar een koolstofneutrale economie, in overeenstemming met de Europese Green Deal en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

1.  betuigt zijn oprechte solidariteit met uitvoerende en scheppende kunstenaars, makers, auteurs, uitgevers, hun bedrijven en alle andere cultuurmakers en werknemers in de culturele sector, met inbegrip van amateurkunstenaars, die allemaal zwaar zijn getroffen door de wereldwijde COVID-19-pandemie, en brengt hulde aan hun acties en solidariteit toen miljoenen Europeanen moeilijke tijden beleefden;

2.  benadrukt dat het herstel en de heropleving van het Europese cultuurbeleid na de pandemie nauw verbonden zijn met de andere uitdagingen waarmee de Europese Unie en de wereld worden geconfronteerd, te beginnen met de klimaatcrisis; is ervan overtuigd dat het toekomstige cultuurbeleid nauw verbonden moet zijn met sociale uitdagingen en met de groene en de digitale transitie;

3.  acht het van fundamenteel belang een aanzienlijk deel van de door de Europese instellingen geplande maatregelen voor economisch herstel te richten op de culturele en creatieve sector en dit te combineren met grootschalige en snelle maatregelen ter ondersteuning van de culturele en creatieve krachten van Europa, zodat zij in de komende maanden hun werk kunnen voortzetten en deze tijden van crisis kunnen overleven en zodat de sector aan veerkracht wint; verzoekt de lidstaten en de Commissie hun optreden ter ondersteuning van de culturele en creatieve sector te coördineren;

4.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie en de Europese Raad om het herstelplan “Next Generation EU” op te stellen; is echter verontrust over het feit dat er geen specifiek bedrag duidelijk bestemd is om rechtstreeks ten goede te komen aan de culturele en creatieve sector; benadrukt in dit verband dat culturele en creatieve actoren bij de gerichte acties van de lidstaten een duidelijk aandachtspunt moeten vormen en snel ten volle moeten profiteren van alle herstelfondsen;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ten minste 2 % van de faciliteit voor herstel en veerkracht te reserveren voor het herstel van de culturele en creatieve sector, afhankelijk van zijn specifieke behoeften; benadrukt dat dit percentage het belang van de culturele en creatieve sector voor het bbp van de EU moet weerspiegelen, aangezien die goed is voor 7,8 miljoen banen en 4 % van het bbp; wijst nogmaals op de noodzaak van nauwkeurige programmering en precieze financiële plannen om de bedrijfscontinuïteit in de culturele en creatieve sector te waarborgen en voorspelbaarheid te bieden aan de mensen die erin actief zijn;

6.  is ingenomen met de oprichting van React-EU als een direct actieplan om aanvullende financiering te verstrekken aan zwaar getroffen regio’s en economische sectoren; is verheugd dat cultuur is aangemerkt als een belangrijke getroffen sector; is echter bezorgd dat er geen maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat de culturele en creatieve sector van dit initiatief kan profiteren; dringt er bij de lidstaten op aan de culturele en creatieve sector als een strategische sector en een prioriteit in het kader van het herstelplan van de EU te beschouwen en een duidelijke begroting vast te stellen die vergezeld gaat van snelle en concrete maatregelen voor het herstel van deze actoren, waarvan alle belanghebbenden, met inbegrip van zelfstandige kunstenaars, moeten kunnen profiteren en die niet alleen gericht zijn op hun economische herstel maar ook op de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de mensen die in de culturele en creatieve sector werkzaam zijn;

7.  uit kritiek op het feit dat Creatief Europa geen aanvullende financiering uit het herstelfonds Next Generation EU heeft ontvangen en dringt erop aan de totale begroting van Creatief Europa te verhogen tot 2,8 miljard EUR;

8.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de specifieke nationale sociale, fiscale en economische regels die gewoonlijk van toepassing zijn op spelers in de culturele en creatieve sector, tijdens en na de crisis kunnen worden verlengd; verzoekt de lidstaten kmo’s uit de culturele en creatieve sector op te nemen in de specifieke kmo-herstelplannen die zij reeds ten uitvoer hebben gelegd; verzoekt de lidstaten te overwegen om bij de uitvoering van nieuwe gezondheids- en veiligheidsmaatregelen financiële steun te verlenen aan culturele centra en evenementen;

9.  dringt aan op meer coördinatie om beste praktijken en concrete oplossingen in kaart te brengen die de culturele en creatieve sector kunnen ondersteunen in de huidige situatie en bij een toekomstige heropstart; is ingenomen met de door de sector ondernomen campagnes #saveEUculture en #double4culture, alsook met de inspanningen van de Commissie om de culturele en creatieve sector te promoten met de campagne #CreativeEuropeAtHome;

10.  stelt met bezorgdheid vast dat sociale vangnetten vaak niet toegankelijk waren voor creatieve professionals in atypische arbeidsvormen; verzoekt de lidstaten te zorgen voor toegang tot sociale voordelen voor alle creatieve professionals, met inbegrip van mensen in atypische arbeidsvormen;

11.  verzoekt de Commissie op EU-niveau een Europees kader voor arbeidsomstandigheden in de culturele en creatieve sector in te voeren, waarin rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de sector en richtsnoeren en beginselen worden ingevoerd om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, met bijzondere aandacht voor transnationale werkgelegenheid;

12.  merkt op dat reisbeperkingen de Europese culturele samenwerking nog steeds belemmeren en ernstige gevolgen hebben gehad voor de internationale mobiliteit en tournees, die een belangrijke bron van inkomsten vormen voor culturele actoren; merkt op dat de financiering voor internationale samenwerking, tournees en coproducties vaak is geschrapt en verschoven naar noodfondsen in verband met de pandemie; is bezorgd over de schadelijke gevolgen van deze maatregelen voor de Europese culturele samenwerking; verzoekt de lidstaten ongerechtvaardigde Schengenbeperkingen terug te schroeven en verzoekt de Commissie richtsnoeren voor veilige grensoverschrijdende tournees, culturele live-evenementen en culturele activiteiten voor de lidstaten te ontwikkelen;

13.  verzoekt de Commissie de mobiliteit van kunstenaars te ondersteunen, zodat zij praktijken en technieken kunnen uitwisselen, en hun integratie op de arbeidsmarkt aanzienlijk te bevorderen; spreekt zijn krachtige steun uit voor de daarmee gepaard gaande wederzijdse erkenning van artistieke vaardigheden;

14.  is ingenomen met de invoering van het Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken (SURE), dat bedoeld is ter ondersteuning van de regelingen voor werktijdverkorting die door de lidstaten zijn ingevoerd, met name de regelingen die gericht zijn op kmo’s en zelfstandigen; is van mening dat dit instrument – door zo veel mogelijk culturele actoren in aanmerking te laten komen, waaronder zelfstandige auteurs, uitvoerende en scheppende kunstenaars en andere makers – culturele en creatieve actoren in staat kan stellen om op hun werkterrein actief te blijven en tegelijkertijd hun inkomensverlies kan compenseren en ervoor kan zorgen dat er geen deskundigheid verloren gaat; verzoekt de lidstaten in dit verband passende garanties te bieden zodat SURE snel operationeel en beschikbaar kan zijn voor alle juridische entiteiten, met inbegrip van niet-formele entiteiten in de culturele en creatieve sector;

15.  is van mening dat de huidige pandemie en de gevolgen ervan voor onze economieën niet mogen worden gebruikt als argument om de nationale of Europese overheidsuitgaven voor cultuur verder te verlagen; wijst op de cruciale rol van het programma Creatief Europa, het subprogramma MEDIA en de culturele en sectoroverschrijdende onderdelen ervan bij het waarborgen van Europese samenwerking en een redelijke mate van stabiliteit in de sector door toegang te verlenen tot Europese financiering, waarmee projecten in staat worden gesteld partnerschappen op lange termijn tot stand te brengen; verzoekt de Commissie de culturele en creatieve sector in het MFK te mainstreamen; wijst er in dit verband op dat het Parlement heeft aangedrongen op een noodzakelijke verdubbeling van de begroting voor het programma Creatief Europa in het volgende MFK, en bevestigt met klem zijn standpunt inzake de ondersteuning van de culturele en creatieve sector en zijn werknemers; acht het uiterst belangrijk dat de programma’s zo snel mogelijk worden afgerond en goedgekeurd om een soepele overgang van hun voorgangers te waarborgen; benadrukt dat, als de start van de nieuwe financieringsperiode vertraging oploopt, de Commissie voor een overgang moet zorgen om de kloof tussen het huidige programma Creatief Europa en het nieuwe programma te overbruggen;

16.  verzoekt de Commissie een breed scala aan gemengde financieringsbronnen ten gunste van de culturele en creatieve sector aan te wijzen en daar duidelijk over te communiceren; benadrukt dat de toekomstige kennis- en innovatiegemeenschap voor de culturele en creatieve sector, die deel uitmaakt van het Europees Instituut voor innovatie en technologie, in dit kader een leidende rol dient te spelen; verzoekt de Commissie middelen uit Horizon Europa te bestemmen voor culturele en creatieve spelers die actief zijn op het gebied van culturele experimenten, innovatie en kunstonderzoek; wijst nogmaals op de noodzaak van meer synergie op Europees niveau en tegelijkertijd de bevordering van nieuwe innovatieve en digitale oplossingen die de sector in de huidige situatie en daarna kunnen helpen;

17.  erkent het belang van digitalisering voor de creatie, productie, verspreiding en toegankelijkheid van culturele en creatieve werken en verzoekt de Commissie verder te zoeken naar financieringsmogelijkheden voor de digitalisering van Europese culturele werken en de toegang van kmo’s en organisaties tot digitale vaardigheden en infrastructuur te vergemakkelijken;

18.  merkt op dat de meeste steunmaatregelen die tot dusver ontwikkeld zijn, op kredietverlening berusten en dat dit niet voor alle belanghebbenden in de culturele ecosystemen een haalbare kaart is; dringt aan op omvangrijke en voornamelijk op subsidies gebaseerde steun voor de culturele en creatieve sector om de bestaansmiddelen van lokale gemeenschappen veilig te stellen;

19.  is ingenomen met de nieuwe steunmaatregelen in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sector, die bedoeld zijn om de toegang tot betaalbare schuldfinanciering voor kmo’s in de culturele en creatieve sector te verbeteren; onderstreept dat deze faciliteit op ruimere schaal beschikbaar moet worden gesteld, waarbij ernaar moet worden gestreefd alle lidstaten en regio’s en kmo’s van diverse omvang te bestrijken; vraagt om deze garantiefaciliteit sterker in te zetten in het kader van InvestEU teneinde de culturele en creatieve sector meer flexibiliteit te bieden;

20.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat culturele en creatieve kmo’s meer steun krijgen in de vorm van schuldfinanciering via de toekomstige garantie-instrumenten in het kader van het InvestEU-programma 2021-2027;

21.  betreurt dat er geen verdere ontwikkeling heeft plaatsgevonden om ngo’s en kleinere organisaties toegang te geven tot financiële middelen; verzoekt de lidstaten en de Commissie daarom hun huidige criteria en beleid op het gebied van garanties te herzien, met name voor kmo’s met hogere risicoprofielen die weinig of geen toegang hebben tot de financiële markten en die immateriële activa genereren;

22.  roept de Commissie op actie te ondernemen ter verzachting van de toenemende gevolgen van de crisis op de culturele en creatieve sector nu festivals en culturele evenementen nog steeds niet kunnen doorgaan, hetgeen rampzalige financiële gevolgen heeft, met name voor de muzieksector, de sector van de podiumkunsten en zelfstandige kunstenaars; is van mening dat er Europese digitale platforms voor podiumkunsten moeten worden opgericht om zo veel mogelijk Europese culturele inhoud en creatieve producten te delen; dringt erop aan dat bij het opzetten van dergelijke platforms rekening wordt gehouden met de billijke vergoeding van scheppende kunstenaars, uitvoerende kunstenaars en bedrijven; vraagt om samen met de relevante actoren nauwer te worden betrokken bij het vinden van oplossingen ter ondersteuning van hun activiteiten, en met name de kunstenaars en makers die getroffen zijn door de annulering van grote festivals en culturele evenementen;

23.  verzoekt de Commissie na te gaan of de nationale financiële distributiemethoden voor culturele financiering toegankelijk zijn voor alle scheppende kunstenaars en of de toewijzing onafhankelijk, vrij en eerlijk is; verzoekt de Commissie te werken aan betere kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren om te zorgen voor een betrouwbare en gestage stroom van gegevens over de culturele en creatieve sector;

24.  wijst de lidstaten erop dat er andere maatregelen kunnen worden gebruikt om de culturele en creatieve sector te helpen de crisis te boven te komen, zoals verlaagde btw-tarieven voor alle culturele goederen en diensten, een betere waardering van immateriële activa en belastingkredieten voor culturele productie;

25.  wijst erop dat toerisme goed is voor 10,3 % van het bbp van de Europese Unie, waarvan meer dan 40 % verband houdt met het culturele aanbod; is van mening dat het geleidelijke herstel van het toerisme kansen biedt om de Europese cultuur en het Europese erfgoed actief te promoten en tegelijkertijd de basis te leggen voor duurzaam Europees toerisme; dringt in dit verband aan op de lancering van een jaarlijks programma voor waardecreatie met Europese cultuur en Europees erfgoed waarin de Europese culturele diversiteit tot uiting komt; vraagt dat bij de structuurfondsen zo veel mogelijk aandacht uitgaat naar cultuurbehoud en artistieke creatie in de projecten die zij ondersteunen; benadrukt de belangrijke meerwaarde van historisch en cultureel toerisme; verzoekt de Commissie en de lidstaten een geïntegreerd beleid vast te stellen om de heropleving van deze sector te ondersteunen;

26.  is van mening dat deze gelegenheid moet worden aangegrepen om Europese culturele inhoud wereldwijd te promoten door de Europese productie aan te moedigen en Europese omroepnetwerken te ontwikkelen; verzoekt de Commissie met de lidstaten samen te werken met het oog op een zo soepel mogelijke omzetting van de desbetreffende wetgeving, zoals de herziening van de richtlijn audiovisuele mediadiensten(6), de richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt(7) en de satelliet- en kabelrichtlijn(8); onderstreept het potentieel van de film- en videosector en dringt aan op een pan-Europees partnerschap ter ondersteuning van Europese makers op dit gebied; benadrukt dat bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen en toekomstige wetgevingsvoorstellen collectieve mechanismen in stand moeten worden gehouden en bevorderd om te zorgen voor een adequate bescherming van individuele scheppende kunstenaars;

27.  erkent de verzwakte toestand van het media-ecosysteem en de slechte toestand van lokale en regionale nieuwsmedia en van de media die actief zijn op kleinere markten; is van mening dat de Commissie in dit verband strategieën voor de middellange en lange termijn moet presenteren, met inbegrip van specifieke initiatieven ter ondersteuning van lokale en regionale media en media die actief zijn op kleine markten, aangezien vrije, onafhankelijke en voldoende gefinancierde media ook een tegenwicht vormen tegen de verspreiding en doeltreffendheid van desinformatie; is van mening dat moet worden nagedacht over de oprichting van een fonds voor nieuwsmedia, met inachtneming van het zakelijkheidsbeginsel; steunt de aangekondigde voorstellen van de Commissie voor een wetgevingspakket inzake digitale diensten, en met name de nieuwe en herziene regels inzake onlineplatforms en onlinereclame; is van mening dat aandacht moet worden besteed aan de concentratie van media-eigendom, die vaak de pluriformiteit en diversiteit van nieuws vermindert en ook negatieve gevolgen kan hebben voor de informatiemarkt; steunt het op stapel staande actieplan voor de media en de audiovisuele sector en de daarin geformuleerde doelstellingen om het concurrentievermogen te vergroten en de digitale transformatie van de sector te ondersteunen;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de vrijheid van artistieke expressie te steunen en te bevorderen, daar die van vitaal belang is voor het cultiveren van de democratie en een gezond herstel van de samenleving van de ongekende crisis; onderstreept het belang van Europese financiering voor de bevordering en instandhouding van de vrijheden en diversiteit op het gebied van cultuur en media; is van mening dat de culturele en creatieve sector tot de meest dynamische sectoren van de economie behoort, gendergelijkheid moet bevorderen en een sterke katalysator voor duurzame ontwikkeling en rechtvaardige transitie kan zijn;

29.  onderstreept het potentieel van culturele diversiteit voor het wereldwijde bereik van de Europese culturele en creatieve sector, en dringt aan op een evenwichtige aanpak waarbij een breed scala van actoren uit verschillende regio’s en van verschillende omvang wordt betrokken; verzoekt de Commissie in dit verband de bestaande programma’s en EU-acties, zoals het Europees erfgoedlabel, naar behoren te evalueren en daarbij een financiële evaluatie uit te voeren om betere communicatie over erfgoed en culturele routes mogelijk te maken, zodat de burgers het optreden van de EU beter kunnen begrijpen; verzoekt de Commissie voorts een ambitieus en inclusief communicatie- en promotiebeleid voor cultuur in Europa voor te stellen, zodat Europese culturele inhoud, evenementen en locaties een echt Europees en mondiaal publiek kunnen bereiken;

30.  is van oordeel dat de maatregelen die door de lidstaten en de Commissie worden genomen ter ondersteuning van culturele en creatieve actoren in Europa, spelers en initiatieven moeten ondersteunen die de culturele en linguïstische diversiteit van Europa weerspiegelen, met inbegrip van minderheidstalen en kleine talen;

31.  verzoekt de Commissie met de Culturele Hoofdsteden van Europa, en dan met name met de steden die zich in 2020 en 2021 Culturele Hoofdstad van Europa mogen noemen, samen te werken om praktische oplossingen te vinden en hen te helpen de door de pandemie veroorzaakte ontwrichting zo veel mogelijk te beperken, door middel van een diepgaande dialoog met de organisatoren; benadrukt dat het belangrijk is hen meer steunmechanismen en financiële oplossingen ter beschikking te stellen; wijst er nogmaals op dat er als gevolg van de huidige omstandigheden wijzigingen in de kalender van de Culturele Hoofdsteden van Europa zijn aangebracht, en verzoekt de besluitvormers de mogelijkheid te onderzoeken om de periode voor de komende organiserende steden te verlengen;

32.  roept op tot meer inspanningen om voort te bouwen op het elan dat is ontstaan dankzij het Europees Jaar van het cultureel erfgoed, en op basis daarvan duurzaam beleid te ontwikkelen; dringt er bij de Commissie op aan een beter geïntegreerde benadering van cultureel erfgoed te hanteren, en daarbij materieel, immaterieel, natuurlijk en digitaal erfgoed te beschouwen als onderling en onlosmakelijk verbonden; beklemtoont dat er een permanent platform moet worden opgericht, met in de kern maatschappelijke organisaties, voor samenwerking en coördinatie van het beleid inzake cultureel erfgoed op EU-niveau; dringt tevens aan op een alomvattend kader voor digitaal cultureel erfgoed, met bijzondere aandacht voor inspanningen om bestaand erfgoed te digitaliseren en een brede toegankelijkheid van gedigitaliseerd cultureel materiaal te waarborgen; wijst in dit verband op het belang van interoperabiliteit en normen; dringt aan op een grondige herziening van de aanbeveling van de Commissie van 27 oktober 2011 betreffende de digitalisering en online-toegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring(9);

33.  onderstreept dat veel cultureelerfgoedlocaties tijdens de lockdown zonder toezicht en zonder behoorlijk onderhoud kwamen te zitten en daardoor schade hebben geleden, terwijl deze locaties al kwetsbaar zijn voor milieuschade, natuurrampen en klimaatverandering, alsook illegale opgraving of sluikhandel; benadrukt dat de werkgelegenheid in de sector cultureel erfgoed moet worden beschermd, dat restauratoren en erfgoeddeskundigen moeten worden ondersteund en dat zij de nodige middelen moeten krijgen om Europese erfgoedlocaties te beschermen;

34.  is van mening dat in het kader van de dialoog met de burgers rekening moet worden gehouden met de culturele dimensie, met name tijdens de komende conferentie over de toekomst van Europa;

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 28.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0169.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.
(5) https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Culture_statistics_-_cultural_employment#Self-employment
(6) PB L 303 van 28.11.2018, blz. 69.
(7) PB L 130 van 17.5.2019, blz. 92.
(8) PB L 248 van 6.10.1993, blz. 15.
(9) PB L 283 van 29.10.2011, blz. 39.


COVID-19: EU-coördinatie van gezondheidsbeoordelingen en risicoclassificatie en de gevolgen voorhet Schengengebied en de interne markt
PDF 150kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over COVID-19: EU-coördinatie van gezondheidsbeoordelingen en risico-indeling en de gevolgen voor Schengen en de interne markt (2020/2780(RSP))
P9_TA(2020)0240RC-B9-0257/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), alsmede de artikelen 4, 6, 9, 21, 67, 114, 153, 169 en 191,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 35 en 45,

–  gezien Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen(1) (Schengengrenscode),

–  gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(2) (de richtlijn vrij verkeer), en het daarin vastgelegde non-discriminatiebeginsel,

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie voor grensbeheermaatregelen tot bescherming van de gezondheid en tot waarborging van de beschikbaarheid van goederen en essentiële diensten(3) en de richtsnoeren van de Commissie betreffende de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers tijdens de uitbraak van COVID-19(4),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2020, getiteld “Naar een gefaseerde en gecoördineerde aanpak van het herstel van het vrije verkeer en de opheffing van de binnengrenscontroles – COVID-19”(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2020 over de derde beoordeling van de toepassing van de tijdelijke beperking van niet-essentiële reizen naar de EU (COM(2020)0399),

–  gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over de situatie in het Schengengebied als gevolg van de COVID-19-pandemie(7),

–  gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2020 over kortetermijnparaatheid van de EU op gezondheidsgebied voor COVID-19-uitbraken (COM(2020)0318),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 4 september 2020 voor een aanbeveling van de Raad betreffende een gecoördineerde benadering van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie (COM(2020)0499),

–  gezien het meest recente rapport van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ‑bestrijding (ECDC) over overdraagbare ziekten (CDTR) en gezien de volksgezondheidsrichtsnoeren en de verslagleggingsprotocollen van het ECDC inzake COVID-19,

–  gezien Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91(9),

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de COVID-19-pandemie is verschoven van de beheersfase voor een acuut risico naar de beheersfase voor een chronisch risico; overwegende dat het virus waarschijnlijk actief zal blijven totdat een effectief en veilig vaccin is gevonden en in voldoende grote hoeveelheden is geleverd om een zeer groot deel van de wereldbevolking afdoende te beschermen; overwegende dat dit betekent dat we nog ten minste enkele maanden in moeilijke omstandigheden zullen moeten leven;

B.  overwegende dat de prevalentie alsook de intensiteit en de duur van de verspreiding van COVID-19 per lidstaat en per regio binnen dezelfde lidstaat sterk uiteenlopen;

C.  overwegende dat verschillende vaccins zich in een gevorderd teststadium bevinden, maar dat tot dusver voor geen enkel vaccin de EU-vergunningsprocedure voor het in de handel brengen is afgerond;

D.  overwegende dat het reguliere griepseizoen naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een stijging van het aantal mensen met milde symptomen die getest moeten worden;

E.  overwegende dat de testcapaciteit in sommige lidstaten nog steeds ontoereikend is; overwegende dat mensen soms dagen moeten wachten op de uitslag van hun COVID-19-test; overwegende dat dit van grote invloed is op hun mogelijkheden om te werken en te reizen;

F.  overwegende dat sommige lidstaten weigeren COVID-19-tests te erkennen die zijn uitgevoerd in ander lidstaten; overwegende dat dit wantrouwen het leven van de burgers ernstig bemoeilijkt;

G.  overwegende dat het door de uiteenlopende wijzen waarop de lidstaten gegevens met betrekking tot COVID-19 verzamelen moeilijk is om gegevens met elkaar te vergelijken;

H.  overwegende dat er nog steeds geen geharmoniseerde methode bestaat met betrekking tot het registreren van het aantal besmette personen of het evalueren daarvan, noch met betrekking tot de COVID-19-waarschuwingssystemen; overwegende dat door dit gebrek aan harmonisatie de gegevens over besmettingen in de verschillende lidstaten vaak zeer verschillend worden geïnterpreteerd, hetgeen leidt tot ongerechtvaardigde discriminatie van burgers uit verschillende lidstaten;

I.  overwegende dat de EU-respons op de COVID-19-pandemie tot dusver een gebrek aan coördinatie tussen de lidstaten onderling en met de EU-instellingen heeft aangetoond op het gebied van de coördinatie van de volksgezondheidsmaatregelen, met inbegrip van beperkingen van het verkeer van personen binnen de grenzen en over grenzen heen;

J.  overwegende dat met de recente toename van nieuwe COVID-19-gevallen in de hele EU de lidstaten opnieuw verschillende en ongecoördineerde maatregelen hebben genomen met betrekking tot het vrije verkeer van personen die inreizen uit andere EU‑landen, en in sommige gevallen de grenzen hebben gesloten; overwegende dat elke lidstaat zijn eigen nationale maatregelen heeft getroffen, zonder coördinatie op EU‑niveau, waaronder verplichte of aanbevolen quarantaine (waarbij verschillende quarantaineperioden worden opgelegd), een negatieve polymerasekettingreactietest (PCR‑test) bij aankomst met verschillende maximale geldigheidsduur, het gebruik van verschillende nationale formulieren voor het lokaliseren van reizigers, de toepassing van verschillende criteria voor het definiëren van risicogebieden en verschillende maatregelen voor het gebruik van mondkapjes;

K.  overwegende dat veel Europeanen te maken kregen met verschillende regels, waarbij het niet alleen uitmaakte wat hun nationaliteit of woonplaats was, maar ook waar zij naartoe reisden; overwegende dat dit gebrek aan coördinatie tijdens de zomerperiode heeft geleid tot wanordelijke controles en maatregelen aan de grenzen en op luchthavens en in treinstations;

L.  overwegende dat de COVID-19-crisis grote gevolgen voor de gezondheid heeft gehad, en in veel gevallen ook zeer aanzienlijke negatieve gevolgen voor de grondrechten en voor de economische, wetenschappelijke, sociale, toeristische en culturele uitwisselingen;

M.  overwegende dat de verlening van gezondheidszorg in de eerste plaats een nationale bevoegdheid is, maar dat volksgezondheid een gedeelde bevoegdheid is van de lidstaten en de EU;

N.  overwegende dat de Europese Unie nog steeds mogelijkheden heeft om binnen de bestaande parameters van de Verdragen een grotere bijdrage te leveren op het gebied van volksgezondheidsbeleid; overwegende dat de volksgezondheidsbepalingen van de Verdragen, gelet op de doelstellingen waarvoor zij zouden kunnen worden ingezet, nog grotendeels onderbenut zijn; overwegende dat het in dit verband wenselijk is de oproep van het Parlement voor de oprichting van een Europese gezondheidsunie, in overeenstemming met zijn resolutie van 10 juli 2020, te herhalen;

O.  overwegende dat grensoverschrijdende bedreigingen enkel samen kunnen worden aangepakt en dat dit dus samenwerking en solidariteit binnen de Unie vereist, alsook een gemeenschappelijke Europese aanpak;

P.  overwegende dat het Parlement sinds het begin van de bredere verspreiding van COVID-19 in de EU de Commissie en de lidstaten herhaaldelijk heeft verzocht om gecoördineerde maatregelen vast te stellen inzake het vrije verkeer van personen, goederen en diensten binnen de interne markt; overwegende dat het vrije verkeer van personen, goederen en diensten drie essentiële pijlers zijn van de vier vrijheden, waarop de goede werking van de interne markt is gebaseerd;

Q.  overwegende dat de door de lidstaten genomen maatregelen, met inbegrip van de herinvoering van controles aan de binnengrenzen, van invloed zijn op de rechten en vrijheden van personen die zijn verankerd in het recht van de Unie; overwegende dat de door de lidstaten of de Unie genomen maatregelen altijd in overeenstemming moeten zijn met de grondrechten; overwegende dat deze maatregelen noodzakelijk, evenredig, tijdelijk en van beperkte omvang moeten zijn;

R.  overwegende dat solidariteit tussen de lidstaten niet facultatief is, maar een uit het Verdrag voortvloeiende verplichting, en deel uitmaakt van onze Europese waarden;

S.  overwegende dat ongecoördineerde beperkingen van het vrije verkeer van personen binnen de EU de interne markt sterk fragmenteren;

T.  overwegende dat de Commissie al diverse initiatieven heeft ontplooid om de coördinatie te verbeteren, zoals de vaststelling van richtsnoeren, mededelingen en administratieve brieven, en van een voorstel voor een aanbeveling van de Raad betreffende een gecoördineerde benadering van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie;

U.  overwegende dat de Raad deze aanbeveling moet goedkeuren en de nodige maatregelen moet vaststellen om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun besluiten en acties om de verspreiding van het virus te stoppen of te beperken coördineren;

V.  overwegende dat de terugkeer naar een volledig functionerend Schengengebied van het grootste belang is om het beginsel van vrij verkeer en de goede werking van de interne markt te waarborgen als twee van de belangrijkste verworvenheden van de Europese integratie, en een belangrijke voorwaarde is voor het economisch herstel van de EU na de COVID-19-pandemie;

W.  overwegende dat de verschillende reisbeperkingen ertoe hebben geleid dat de vluchten van veel reizigers zijn geannuleerd, waarvoor zij nog steeds geen terugbetaling hebben ontvangen;

X.  overwegende dat het Parlement, als medewetgever en enige rechtstreeks door de Europese burgers verkozen instelling, volledig en als essentiële deelnemer betrokken moet worden bij alle discussies over coördinatie op EU-niveau om deze gezondheidscrisis aan te pakken;

Y.  overwegende dat de lidstaten geen lering lijken te hebben getrokken uit de beginperiode van de crisis; overwegende dat er geen gemeenschappelijk Europees gezondheidsbeleid is, maar slechts een veelheid van nationale beleidsmaatregelen;

Z.  overwegende dat de EU vooruit moet plannen om de mogelijke voortzetting van de COVID-19-pandemie en/of andere mogelijke soortgelijke crises aan te pakken;

1.  uit zijn bezorgdheid over de gevolgen van de COVID-19-uitbraak en de langetermijngevolgen ervan op het welzijn van mensen over de hele wereld, met name de meest kwetsbare groepen en mensen in kwetsbare situaties, zoals ouderen en mensen die al te kampen hebben met een zwakke gezondheid;

2.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de toename van het aantal COVID-19-gevallen in diverse lidstaten sinds juni en wijst met klem op de noodzaak van een gedeeld en gecoördineerd gezondheidsbeheer om deze pandemie doeltreffend te bestrijden;

3.  wijst erop dat het belangrijk is de burgers gerust te stellen met betrekking tot de onderlinge consistentie van de maatregelen die door de verschillende lidstaten worden genomen, omdat de burgers daardoor eerder geneigd zullen zijn de regels na te leven;

4.  herinnert eraan dat vrij verkeer voor de burgers van de Unie een grondrecht is dat is verankerd in de EU-Verdragen en het EU-Handvest van de grondrechten;

5.  benadrukt dat dit recht alleen kan worden beperkt om specifieke en beperkte redenen van algemeen belang, namelijk de bescherming van de openbare orde en de openbare veiligheid; benadrukt dat deze beperkingen moeten worden toegepast in overeenstemming met de Schengengrenscode en de algemene beginselen van het EU‑recht, met name evenredigheid en non-discriminatie;

6.  wijst erop dat controles aan de binnengrenzen een laatste redmiddel zijn en herinnert eraan dat de lidstaten moeten nagaan of andere maatregelen even geschikt of beter geschikt zijn om de doelstelling te realiseren; dringt er bij de lidstaten op aan de mogelijkheid te erkennen om minimale gezondheidscontroles en/of evenredige politiecontroles op te leggen als een beter alternatief voor de invoering van controles aan de binnengrenzen en alleen maatregelen te nemen die strikt noodzakelijk, gecoördineerd en evenredig zijn;

7.  acht het van essentieel belang de binnengrenzen van de EU open te houden voor goederen en diensten binnen de EU en de Europese Economische Ruimte, aangezien een sluiting van de binnengrenzen nadelige gevolgen kan hebben voor de interne markt; wijst erop dat het van essentieel belang is dat er een engagement komt voor de vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen, die het vertrouwen tussen de lidstaten zullen herstellen, zodat het vrije verkeer van personen, goederen en diensten binnen de interne markt kan worden hervat;

8.  herhaalt zijn dringende oproep aan de Commissie en de lidstaten om in deze context een specifieke, gestructureerde en doeltreffende samenwerking in te stellen om de behoefte aan gemeenschappelijke maatregelen te definiëren en erop te anticiperen;

9.  wijst erop dat het Europees Centrum voor ziektepreventie -bestrijding (ECDC) nog steeds wijst op verschillen in gegevensverzameling en -rapportage door de lidstaten; betreurt het feit dat dit gebrek aan harmonisatie ons belet een duidelijk en volledig beeld te krijgen van de verspreiding van het virus in Europa op een bepaald moment;

10.  benadrukt dat het ECDC werk van onschatbare waarde verricht en onmiddellijk meer middelen moet krijgen, waaronder meer vast personeel, om zijn werkzaamheden met betrekking tot COVID-19 voort te zetten en daarnaast zijn werkzaamheden met betrekking tot andere ziekten te kunnen voortzetten en hervatten; verzoekt de Commissie een herziening van het mandaat van het ECDC voor te stellen, gepaard gaand met een substantiële verhoging van zijn begroting en een aanzienlijke uitbreiding van zijn personeelsbezetting en bevoegdheden, zodat het Centrum te allen tijde, ook tijdens epidemieën, een optimale bescherming van de volksgezondheid kan bieden;

11.  merkt op dat elke lidstaat gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van zijn eigen wetenschappelijke raad, met slechts beperkte coördinatie met de andere lidstaten of de Commissie;

12.  is van mening dat het ECDC in staat moet zijn het risico op verspreiding van het virus adequaat en efficiënt te evalueren en wekelijks een bijgewerkte kaart van het risico te publiceren op basis van een gemeenschappelijke kleurcode, opgesteld op basis van de door de lidstaten verzamelde en verstrekte informatie;

13.  steunt de kleurcode die de Commissie heeft voorgesteld in haar recente voorstel voor een aanbeveling van de Raad; is van mening dat de voorgestelde categorieën (groen, oranje, rood en grijs) het verkeer binnen de EU zullen vergemakkelijken en de informatie voor de burgers transparanter zullen maken;

14.  verzoekt de Raad daarom het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad betreffende een gecoördineerde benadering van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie snel goed te keuren en uit te voeren; is van oordeel dat een dergelijk gemeenschappelijk kader cruciaal is om verstoringen op de interne markt te voorkomen, niet in de laatste plaats door middel van de vaststelling van duidelijke regels voor personen die moeten reizen in verband met de uitoefening van een essentieel beroep, zoals vervoerspersoneel, grensoverschrijdende dienstverleners, zoals mensen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg of de ouderenzorg, en seizoensarbeiders;

15.  onderstreept dat de door het ECDC vastgestelde gemeenschappelijke methodologie en criteria en de door het ECDC ontwikkelde kaarten een gecoördineerde aanpak van de eigen besluitvormingsprocessen van de lidstaten moeten vergemakkelijken en ervoor moeten zorgen dat alle besluiten van de lidstaten consistent en goed gecoördineerd zijn;

16.  erkent het belang van het cumulatieve-incidentiecijfer en het aantal positieve tests om de verspreiding van het virus te beoordelen, maar is van mening dat ook rekening moet worden gehouden met andere criteria, zoals het aantal ziekenhuisopnames en het aantal bezette ic-bedden;

17.  verzoekt de Commissie een gemeenschappelijke methode te bevorderen voor het verzamelen van gezondheidsgegevens en het tellen en rapporteren van het aantal sterfgevallen;

18.  dringt er bij de lidstaten op aan dezelfde definitie te hanteren voor een positief COVID-19-geval, een sterfgeval door COVID-19 en een genezing na een infectie;

19.  onderstreept dat gemeenschappelijke definities, gezondheidscriteria en methodologieën de lidstaten en de Commissie in staat zullen stellen het epidemiologische risico op EU-niveau gezamenlijk te analyseren;

20.  staat zeer positief tegenover de door de Commissie voorgestelde regionale aanpak; is van mening dat het in kaart brengen van risico’s door het ECDC niet alleen op nationaal niveau, maar ook op regionaal niveau moet worden gedaan; verzoekt de lidstaten daarom aan het ECDC de door regionale overheden verzamelde gegevens te verstrekken;

21.  herinnert eraan dat het ECDC de lidstaten heeft aanbevolen minimale basismaatregelen te nemen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, zoals hygiënemaatregelen, fysieke afstand houden en beperking van bijeenkomsten, gebruik van mondkapjes in bepaalde omstandigheden, thuiswerken, uitgebreide tests, isolatie van positief geteste personen, quarantaine van nauwe contacten en bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen;

22.  verzoekt de lidstaten bovenstaande aanbevelingen van het ECDC op te volgen en een gemeenschappelijk kader van gezondheidsmaatregelen vast te stellen die overheidsinstanties in getroffen gebieden moeten nemen om de pandemie een halt toe te roepen;

23.  is van oordeel dat aanvullende maatregelen moeten worden overwogen en door de overheden gedeeld moeten worden als de overdracht toeneemt, waaronder maatregelen om het aantal verplaatsingen door de bevolking te beperken, het aantal contacten per persoon te verminderen en massabijeenkomsten te verbieden, met bijzondere aandacht voor hoogrisicogebieden;

24.  is van mening dat een dergelijk kader het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en tussen de getroffen gebieden zou versterken, waardoor een reactie in de vorm van restrictieve maatregelen kan worden voorkomen;

25.  wijst erop dat de economie en het dagelijks leven van mensen die wonen in grensoverschrijdende regio’s negatief zijn beïnvloed door grenssluitingen en dat diverse lidstaten specifieke vrijstellingen en aanpassingen van de regels voor deze regio’s hebben ingevoerd; verzoekt de lidstaten daarom bijzondere aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken van grensoverschrijdende regio’s, waar veel grensoverschrijdend woon-werkverkeer is, en aan te dringen op samenwerking op lokaal en regionaal niveau op dit gebied, om gezamenlijk gezondheidsmechanismen in te stellen voor coördinatie en uitwisseling van informatie in real time, en zogenaamde “groene rijstroken” in te voeren voor essentiële werknemers;

26.  vraagt de vaststelling en uitvoering van een gemeenschappelijke teststrategie, waarbij de testresultaten worden erkend in alle lidstaten en gezorgd wordt voor voldoende testcapaciteit, om te garanderen dat iedereen die getest moet worden, dit kan laten doen zonder onevenredig lange wachttijden; is van mening dat tests voor reisdoeleinden, als die nodig zijn, bij voorkeur worden uitgevoerd in het land van herkomst; is voorts van mening dat de lidstaten en de Commissie een lijst moeten opstellen van de instanties die voor deze doeleinden een testcertificaat mogen afgeven, teneinde dit proces te beschermen tegen misbruik;

27.  verzoekt de Commissie en het ECDC te onderzoeken of gebruik kan worden gemaakt van betrouwbare, maar goedkope tests van 15 minuten;

28.  herinnert eraan dat de meeste lidstaten COVID-19-traceringsapps hebben ontwikkeld waarbij gebruik wordt gemaakt van hetzelfde gedecentraliseerde ontwerp; verwacht dat deze apps uiterlijk in oktober op EU-niveau interoperabel zullen zijn, zodat COVID-19 in de hele EU kan worden getraceerd; moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan de burgers verder aan te moedigen deze apps te gebruiken en hierbij volledig de algemene verordening gegevensbescherming na te leven;

29.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om, rekening houdend met het advies van het ECDC, overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke quarantaineperiode voor essentiële en niet-essentiële reizen binnen de EU en essentiële en niet-essentiële reizen naar de EU vanuit derde landen;

30.  verzoekt de lidstaten een gemeenschappelijk protocol vast te stellen voor de monitoring van symptomatische gevallen, maatregelen inzake de isolatie van patiënten die positief hebben getest op COVID-19 en isolatiemaatregelen voor personen die met hen in contact zijn geweest;

31.  vindt het een goede zaak dat burgers gebruikmaken van traceringsformulieren voor passagiers (passenger locator forms); is van mening dat bij wijze van prioriteit een geharmoniseerde versie van het formulier voor traceringsinformatie in digitaal formaat moet worden gebruikt om de verwerking van de gegevens te vereenvoudigen, en dat dit formulier moet worden aangeboden in analoog formaat om toegang te garanderen voor alle Europeanen; verzoekt de Commissie een geharmoniseerd traceringsformulier voor passagiers te ontwikkelen, om vertrouwen te wekken in een monitoringsysteem voor de hele EU;

32.  benadrukt dat elke maatregel die strekt tot beperking van de privacy en gegevensbescherming wettig en doeltreffend moeten zijn om de risico’s voor de volksgezondheid aan te pakken, dat ze strikt evenredig moeten zijn en alleen voor volksgezondheidsdoeleinden mogen worden gebruikt, en dat ze aan strikte tijdslimieten moeten worden gebonden; benadrukt dat noodmaatregelen niet mogen leiden tot massale surveillance na de crisis en roept op tot het bieden van garanties in dit verband;

33.  benadrukt het feit dat het traceringsformulier voor passagiers en het gebruik ervan volledig moeten stroken met de regels inzake gegevensbescherming, met name de vereisten inzake integriteit en vertrouwelijkheid; wijst er met klem op dat de geregistreerde gegevens op grond van het doelbindingsbeginsel alleen mogen worden gebruikt voor contactonderzoek in verband met COVID-19 en niet voor andere doelen; dringt er bij de lidstaten op aan hun toepasselijke wetgeving dienovereenkomstig bij te werken;

34.  herhaalt het verzoek dat het aan de Commissie heeft gericht in zijn resolutie over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19, namelijk om de instelling voor te stellen van een Europees gezondheidsresponsmechanisme om op ieder soort gezondheidscrisis te reageren, de operationele coördinatie op EU-niveau te versterken, en toezicht te houden op de oprichting en inwerkinstelling van de strategische voorraad geneesmiddelen en medische uitrusting en de goede werking ervan te waarborgen; is van mening dat met het Europees gezondheidsresponsmechanisme de tijdens de COVID-19-gezondheidscrisis vastgestelde werkmethoden geformaliseerd zouden moeten worden, voortbouwend op de maatregelen van de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg, het besluit over grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid(10) en het Uniemechanisme voor civiele bescherming;

35.  dringt aan op de oprichting van een COVID-19-taskforce onder leiding van de Commissie in het kader van het EHRM; is van mening dat elke lidstaat in deze taskforce vertegenwoordigd moet zijn en een contactpunt van zijn nationale leidinggevenden moet aanwijzen; stelt voor dat de belangrijkste doelstelling van de taskforce erin bestaat regelmatig aanbevelingen te verspreiden die op Europees en nationaal niveau worden doorgestuurd; is van mening dat het Parlement een permanent evaluatiemandaat moet hebben om het werk van deze taskforce te beoordelen;

36.  herinnert eraan dat de tijdige verstrekking van duidelijke en volledige informatie aan de bevolking van cruciaal belang is om de gevolgen van eventuele beperkingen van het vrije verkeer zo klein mogelijk te houden en om voorspelbaarheid, rechtszekerheid en naleving door de burgers te waarborgen;

37.  benadrukt het belang van duidelijke, toegankelijke en begrijpelijke informatie over de Europese, nationale, regionale en lokale aantallen besmettingen, de gezondheidszorgstelsels, de genomen maatregelen en de reisbeperkingen; benadrukt dat deze cruciale informatie beschikbaar moet zijn in alle officiële talen en in talen die worden gesproken door grote delen van de bevolking, waaronder mensen met een migratieachtergrond;

38.  benadrukt dat alle informatie gemakkelijk te begrijpen moet zijn voor de hele bevolking, ook voor laaggeletterden, door in publieke informatie duidelijke, geharmoniseerde kleuren en begrijpelijke symbolen te gebruiken, en benadrukt dat deze informatie ook moet worden verstrekt in analoog formaat op passende plaatsen, om mensen te bereiken die geen of beperkte toegang hebben tot het internet;

39.  roept luchtvaartmaatschappijen op om passagiers van wie de vlucht als gevolg van de pandemie is geannuleerd, zo snel mogelijk te compenseren, en hun verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 261/2004 na te komen; verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen naar de inbreuken op de rechten van passagiers tijdens deze pandemie;

40.  herinnert eraan dat tijdens de COVID-19-pandemie verscheidene kritieke bedrijfstakken, zoals de voedingsmiddelen-, farmaceutische en zorgsectoren, en hun toeleveringsketens ernstig werden ontwricht;

41.  wijst erop dat gezorgd moet worden voor een effectieve, veerkrachtige en toekomstbestendige interne markt, waar essentiële producten en diensten continu geleverd worden in de hele EU en beschikbaar zijn voor alle burgers;

42.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten een omvattende en sectoroverschrijdende analyse van de economieën in de EU uit te voeren om inzicht te krijgen in de ernst van de gevolgen van de COVID-19-pandemie en de mate van verstoring van de grensoverschrijdende waardeketens te beoordelen; is van oordeel dat dit een essentiële empirische basis is om de Commissie in staat te stellen geactualiseerde aanbevelingen te doen en de belangrijkste beleidsmaatregelen vast te stellen die een collectief herstel binnen de interne markt op lange termijn zullen versterken, waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten;

43.  herhaalt dat het voor het dagelijks leven van mensen van cruciaal belang is dat de levering van essentiële goederen, zoals voedsel, medische hulpmiddelen of beschermingsmiddelen, te allen tijde in de hele EU voortgaat; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een verbeterde richtlijn inzake kritieke infrastructuur, om het continue vrije verkeer van essentiële goederen en diensten binnen de interne markt te waarborgen in tijden van crisis zoals een pandemie;

44.  is van mening dat in verband hiermee een omvattende strategie moet worden ontwikkeld om het vrije verkeer van goederen te allen tijde te waarborgen en unilaterale beperkende maatregelen te voorkomen, rekening houdend met maatregelen op het gebied van openbare veiligheid en volksgezondheid, en om het economisch herstel aan te moedigen teneinde de veerkracht van de interne markt te versterken en zich voor te bereiden op een nieuwe crisis;

45.  steunt krachtig de oproep van de Commissie aan de lidstaten om geen nationale maatregelen te nemen waarbij de uitvoer van persoonlijke beschermingsmiddelen of andere belangrijke medische instrumenten of van geneesmiddelen binnen de EU wordt verboden;

46.  benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten middelen, onder andere productiecapaciteit, kunnen bundelen om tegemoet te kunnen komen aan de toegenomen vraag naar persoonlijke beschermingsmiddelen, beademingstoestellen en andere medische apparatuur, laboratoriumbenodigdheden en desinfectieproducten in de EU, hetgeen ook zou helpen om de reserves van de strategische rescEU-voorraad te vergroten;

47.  verzoekt de lidstaten gebruik te maken van het bestaande wetgevingskader voor overheidsaanbestedingen om maximaal het potentieel te benutten van de bestaande flexibiliteitsvoorzieningen voor eenvoudigere, snellere en flexibelere aanbestedingen en wijst op het belang van gezamenlijke aanbestedingen voor geneesmiddelen, medische apparatuur en persoonlijke-beschermingsmiddelen, om ervoor te zorgen dat deze beschikbaar zijn in alle regio’s, inclusief plattelands-, afgelegen en ultraperifere gebieden;

48.  wijst erop dat de COVID-19-crisis tekortkomingen op het gebied van consumentenbescherming aan het licht heeft gebracht, met name vanwege de toename van oplichtingspraktijken en het groeiende aanbod onveilige producten, vooral online; wijst erop dat deze tekortkomingen aangepakt moeten worden en dat er – door middel van de wetgeving inzake digitale diensten die momenteel in de maak is – voor gezorgd moet worden dat de digitale eengemaakte markt eerlijk en veilig voor iedereen is, door onlineplatforms te dwingen passende maatregelen tegen dergelijke producten te nemen;

49.  benadrukt dat consumenten goed geïnformeerd moeten worden over hun rechten en over de opties die zij hebben als ze goederen of diensten aanschaffen, met name in tijden van crisis; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan actie te ondernemen om betrouwbare, juiste en gemakkelijk toegankelijke informatie te verstrekken aan de consumenten in de hele Unie;

50.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de Next Generation EU-maatregelen zo snel mogelijk volledig ten uitvoer te leggen, door de vereiste nationale procedures zo eenvoudig en onbureaucratisch mogelijk te maken, om ervoor te zorgen dat het economisch herstel van de EU effectief is, zodat de Unie het hoofd kan bieden aan de diepste crisis waarmee zij de laatste tijd te maken heeft gekregen; onderstreept dat de COVID-19-crisis niet mag worden gebruikt als excuus om de tenuitvoerlegging van diverse product- en sectoriële normen uit te stellen, af te zwakken of af te schaffen, met inbegrip van de normen die bedoeld zijn ter bevordering van duurzaamheid, maar dat zij veeleer moet worden aangegrepen om de interne markt te verbeteren op een manier die duurzame productie en consumptie bevordert;

51.  is van mening dat de snelle terugkeer naar een volledig functionerend Schengengebied van het grootste belang is en dringt er bij de lidstaten krachtig op aan om samen met het Parlement, de Raad en de Commissie een herstelplan voor het Schengengebied op te stellen, waarin maatregelen worden uiteengezet om terug te keren naar een volledig werkend Schengengebied zonder binnengrenstoezicht, en met op zo kort mogelijke termijn door te voeren noodplannen, om te voorkomen dat de tijdelijke controles aan de binnengrenzen op middellange termijn semipermanent worden;

52.  verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de integratie van alle lidstaten in het Schengengebied te verwezenlijken, zodat gecoördineerde en geharmoniseerde maatregelen gelijkelijk van toepassing zijn in de hele Unie en in gelijke mate ten goede komen aan alle burgers die er verblijven;

53.  wijst erop dat tijdelijke reisbeperkingen voor alle niet-essentiële reizen vanuit derde landen naar het Schengengebied zijn ingevoerd; benadrukt dat alle besluiten tot weigering van toegang aan de buitengrenzen moeten stroken met de bepalingen van de Schengengrenscode, met name wat betreft de eerbiediging van de grondrechten, zoals vastgelegd in artikel 4;

54.  verzoekt de Commissie en de nationale autoriteiten om tijdens en na de crisis proactief toezicht te houden op de markt om schade voor consumenten als gevolg van de COVID-19-situatie te voorkomen en hen te helpen hun uit het EU-recht voortvloeiende rechten uit te oefenen;

55.  onderstreept dat beperkende maatregelen die naar aanleiding van de COVID-19-pandemie door de nationale autoriteiten worden opgelegd, per definitie beperkt moeten zijn in de tijd, aangezien de hun enige rechtvaardiging erin bestaat de pandemie aan te pakken; verwacht dat de Commissie er zorgvuldig op toeziet dat tijdelijke maatregelen geen ongerechtvaardigde permanente belemmeringen worden voor het vrije verkeer van goederen, diensten en personen binnen de interne markt;

56.  verzoekt de Commissie een strategie te ontwikkelen voor een “veerkrachtig Europa”, bestaande uit een kaart voor risicobeoordeling en opties voor het aanpakken van goed beheer en investeringen in zorgstelsels en reacties op pandemieën op EU-niveau, met inbegrip van veerkrachtige toeleveringsketens in de EU om de productie van essentiële producten, zoals geneesmiddelen, farmaceutische producten en medische apparatuur, te garanderen;

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1.
(2) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(3) PB C 86 I van 16.3.2020, blz. 1.
(4) PB C 102 I van 30.3.2020, blz. 12.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(6) PB C 169 van 15.5.2020, blz. 30.
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0175.
(8) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0205.
(9) PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1.
(10) PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1.


Het belang van stedelijke en groene infrastructuur – Europees Jaar van groenere steden 2022
PDF 143kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 september 2020 over het Europees Jaar van groenere steden 2022 (2019/2805(RSP))
P9_TA(2020)0241B9-0243/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand(1),

–  gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(2),

–  gezien Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over de beoordeling en het beheer van overstromingsrisico’s(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over Groene infrastructuur (GI) - Het natuurlijke kapitaal van Europa vergroten(4),

–  gezien het zevende milieuactieprogramma,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s met de titel “Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020” (COM(2011)0244),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: De natuur terug in ons leven brengen” (COM (2020)0380),

–  gezien de EU-strategie inzake groene infrastructuur(5),

–  gezien het verslag van de Commissie van 24 mei 2019 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de evaluatie van de voortgang betreffende de implementatie van de EU-strategie voor groene infrastructuur (COM(2019)0236),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2013 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) – Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013)0249),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 oktober 2013 inzake de mededeling van de Commissie “Groene infrastructuur (GI) – Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal”(6),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 oktober 2013 inzake de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) – Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal”(7),

–  gezien de vraag aan de Commissie van 19 september 2013 over de ontwikkeling van EU-beleid voor groene infrastructuur (GI) (O-000094/2013 – B7-0525/2013),

–  gezien het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden,

–  gezien de Prijs voor de Groene Hoofdstad van Europa(8),

–  gezien het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie(9),

–  gezien de vraag aan de Commissie over het belang van stedelijke en groene infrastructuur – Europees Jaar van groenere steden 2022 (O-000039/2020 – B9‑0014/2020),

–  gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat onder groene infrastructuur een strategisch opgezet netwerk wordt verstaan van natuurlijke en seminatuurlijke gebieden met diverse milieukenmerken, dat is ontworpen en wordt beheerd voor het leveren van een breed scala aan ecosysteemdiensten, en dat groene ruimten (of blauwe, wanneer het om aquatische ecosystemen gaat) en andere fysieke elementen in landzones (met inbegrip van kustzones) en zeezones in plattelands- en stedelijke omgevingen omvat;

B.  overwegende dat 72 % van de bevolking van de EU in steden en voorsteden woont, en dat het aandeel van de stedelijke bevolking blijft groeien tot misschien wel 80 % in 2020(10); overwegende dat deze cijfers laten zien dat groenere steden belangrijker dan ooit zijn om de grote uitdagingen waar onze planeet zich voor gesteld ziet het hoofd te bieden, en dat zij een groeiend potentieel hebben als essentiële centra voor zowel uitvoering van internationale agenda’s als de betrokkenheid van burgers bij de beleidsvorming;

C.  overwegende dat steden voor een hele reeks uitdagingen staan, variërend van de impact van klimaatverandering op de volksgezondheid tot milieuproblemen, en overwegende dat groene infrastructuur een enorm potentieel heeft om voor een groot aantal van deze problemen op de natuur gebaseerde ecologische, economische en sociale oplossingen te bieden die doorgaans goedkoop en duurzaam zijn en werkgelegenheid scheppen;

D.  overwegende dat het van belang is kennis te verhogen over groene infrastructuur en over de vele positieve gevolgen van groene infrastructuur voor ecosystemen en voor de diensten die ecosystemen aan de bevolking bewijzen, teneinde beter te kunnen pleiten voor op de natuur gebaseerde oplossingen op het gebied van ruimtelijke ordening en de creatie en regeneratie van groene ruimten, de overgang te versnellen van de norm van grijze infrastructuur naar die van groene infrastructuur in het kader van stedelijke planning en territoriale ontwikkeling, en steden in staat te stellen zich beter aan de nadelige effecten van klimaatverandering aan te passen;

E.  overwegende dat groene infrastructuur ecosysteemdiensten biedt die van cruciaal belang zijn voor ons welzijn, de voedselproductie voor steden, de watercirculatie en -retentie, betere infiltratie en minder vervuiling door natuurlijke processen, de regulering van de omgevingstemperatuur, de ondersteuning van biodiversiteit (inclusief bestuivers), om de kringloop van voedingsstoffen te verbeteren, woonwijken op te fleuren, bewoners meer te laten bewegen en hun welzijn te verhogen;

F.  overwegende dat groene infrastructuur bijdraagt tot de ontwikkeling van het Natura 2000-netwerk in stedelijke gebieden, voor betere verbindingen zorgt tussen groene en blauwe ecologische corridors, de instandhouding van voor het ecosysteem essentiële soorten en habitats bevordert, en de verlening van ecosysteemdiensten in stedelijke gebieden helpt te behouden; overwegende dat de jaarlijkse voordelen van de ecosysteemdiensten die door het Natura 2000-netwerk worden geboden, in de hele EU op 300 miljard EUR per jaar worden geraamd, en overwegende dat de voordelen van groene infrastructuur nog veel groter zijn;

G.  overwegende dat het vergroenen van steden verder gaat dan het uitvoeren van initiatieven om meer groen aan te brengen in steden, en dat er met het oog op de duurzaamheid van groene ruimten moet worden gezorgd voor schone lucht, schoon water en een schone bodem, en voor een stadslandschap dat de biodiversiteit bevordert;

H.  overwegende dat groene infrastructuur een essentieel onderdeel vormt van de biodiversiteitsstrategie voor 2020 en de biodiversiteitsstrategie voor 2030;

I.  overwegende dat groene infrastructuur ecosystemen helpt zich aan te passen aan de klimaatverandering en op die manier bijdraagt tot de beperking van de klimaatverandering, en overwegende dat groene infrastructuur helpt om de CO2-omvang in de atmosfeer te beperken door middel van directe koolstofvastlegging, in het bijzonder in veengebieden, zeeën en bossen; overwegende dat groene infrastructuur ook bijdraagt aan de vermindering van het rondpompen en behandelen van water en afvalwater en een afname van de daaraan verbonden energiebehoeften, en aan een vermindering van het energieverbruik en de emissies van gebouwen dankzij ‘slimme gebouwen’ met groene elementen zoals daken en muren en met nieuwe materialen die de efficiëntie van hulpbronnen vergroten; overwegende dat groene infrastructuur ook bijdraagt aan de vermindering van de vraag naar energie en van de vervuiling door het vervoer, door het gebruik van alternatieve, schone vervoersmiddelen te vergemakkelijken, zoals fietsen, de benenwagen en schoon openbaar vervoer, inclusief vervoer over water;

J.  overwegende dat groene infrastructuur bijdraagt aan klimaataanpassing door de bescherming van natuurlijk kapitaal, instandhouding van natuurlijke habitats en soorten, verbetering van ecologische status, het beheer van waterlichamen en voedselzekerheid; overwegende dat de ontwikkeling van groene infrastructuur een van de doeltreffendste maatregelen voor de aanpassing aan de klimaatverandering vormt die kan worden uitgevoerd in steden, aangezien groene infrastructuur de negatieve gevolgen matigt van klimaatverandering en toenemende extreme weersverschijnselen, zoals hittegolven, bosbranden, extreme regenval, overstromingen en droogtes, extreme temperatuurverschillen beperkt, en de levenskwaliteit verbetert voor EU-ingezetenen die in steden wonen;

K.  overwegende dat volgens de rode lijst van bedreigde soorten van de IUCN momenteel meer dan 22 % van de Europese soorten met uitsterven wordt bedreigd; overwegende dat het vergroenen van steden de biodiversiteit helpt te bevorderen en een belangrijke rol kan spelen bij het beperken van de biodiversiteitscrisis; overwegende dat het bevorderen van de biodiversiteit in steden bijkomende voordelen kan opleveren door de veerkracht van ecosystemen te vergroten en het potentieel voor koolstofvastlegging te verhogen;

L.  overwegende dat goede stadsplanning, beplanting en doorlaatbare bestrating meer bijdragen aan de waterretentie, beheersing van de infiltratie, voorkoming van bodemerosie en de bestrijding van het wegsijpelen van water in steden dan asfalt en beton; overwegende dat groene infrastructuur van goede kwaliteit het risico van overstromingen vermindert;

M.  overwegende dat goed ontworpen, groene infrastructuur een van de beste manieren is om het aantal groene en blauwe ecologische corridors te vergroten, en aldus de biodiversiteit te beschermen;

N.  overwegende dat planten de lucht zuiveren doordat zij fijnstof uit de lucht filteren en zuurstof produceren; overwegende dat de luchtkwaliteit in onze steden vandaag de dag een van de grootste uitdagingen op gezondheidsgebied voor de EU vormt; overwegende dat schonere lucht de levenskwaliteit van miljoenen mensen, inclusief de mensen die aan astma en luchtwegaandoeningen lijden, zou verbeteren; overwegende dat in de EU elk jaar 430 000 mensen vroegtijdig overlijden als gevolg van het inademen van vervuilde lucht; overwegende dat het verbeteren van de luchtkwaliteit een prioriteit moet zijn voor de EU en de lidstaten, regio’s en gemeenten, teneinde mensen en ecosystemen te beschermen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging; overwegende dat een betere luchtkwaliteit het aantal voortijdige sterfgevallen aanzienlijk zou kunnen verminderen;

O.  overwegende dat het gebruik van bomen en vegetatie geluidshinder in stedelijke gebieden kan verminderen; overwegende dat lawaai na de luchtkwaliteit de belangrijkste milieugerelateerde oorzaak van gezondheidsproblemen is; overwegende dat uit het door de EU gefinancierde Hosanna-project is gebleken dat uit natuurlijke planten bestaande geluidswallen bewoners beter beschermen tegen verkeerslawaai dan de rechte geluidsschermen die doorgaans worden gebruikt; overwegende dat de biodiversiteit en de natuur negatieve gevolgen ondervinden van geluidshinder en dat initiatieven voor de vergroening van steden ook initiatieven moeten omvatten om geluidshinder te verminderen;

P.  overwegende dat groene infrastructuur ook moet worden gestimuleerd in kuststeden, die gewoonlijk grenzen aan drassige gronden, om de biodiversiteit en ecosystemen van zeeën en kustgebieden te bewaren en de duurzame ontwikkeling van de kusteconomie, het kusttoerisme en het kustlandschap te bevorderen, positieve ontwikkelingen die bijdragen tot een grotere weerbaarheid tegen de gevolgen van de klimaatverandering in deze kwetsbare gebieden, die in het bijzonder te lijden hebben onder de stijging van de zeespiegel;

Q.  overwegende dat groene infrastructuur moet worden gestimuleerd in havengebieden, aangezien deze een belangrijk onderdeel vormen van kuststeden en meestal grote oppervlakten beslaan die ook deel uitmaken van het Natura 2000-netwerk; overwegende dat hierdoor milieukwesties zoals vervuiling en verlies aan biodiversiteit beter aangepakt kunnen worden en bijgedragen wordt aan de bevordering van de ontwikkeling van nieuwe infrastructurele projecten, zoals de elektrificatie van havens;

R.  overwegende dat groene infrastructuur de natuur toegankelijk maakt voor mensen voor wie het anders moeilijk zou zijn zich in de natuur te begeven, zoals kinderen, ouderen en mensen met een handicap, en bijdraagt aan hun kennis en bewustzijn van de natuur en van milieuproblemen;

S.  overwegende dat groenere steden kunnen zorgen voor grote gezondheidsvoordelen, omdat zij de luchtkwaliteit verbeteren, de bewoners ertoe aanmoedigen meer te bewegen en te sporten, depressiviteit helpen te voorkomen en genezen, het immuniteitssysteem verbeteren en uiteindelijk leiden tot meer geluk en welzijn(11);

T.  overwegende dat met name meer stedelijke parken en tuinen, groenere straten, groene daken op gebouwen, met vegetatie bedekte bushaltes en groenere speeltuinen de aantrekkelijkheid en het comfort van wijken en steden vergroot; overwegende dat zij eveneens de sociale contacten tussen bewoners bevorderen, positieve gedragsveranderingen stimuleren en een sterker gemeenschapsgevoel creëren; overwegende dat openbare groene ruimten ontelbare voordelen kunnen opleveren voor de inwoners van steden;

U.  overwegende dat gebleken is dat de economische waarde van onroerende goederen in groene wijken stijgt, aangezien zij aantrekkelijker zijn voor mogelijke kopers, waardoor het cruciaal is maatregelen tegen gentrificering te treffen en billijke toegang tot groenere wijken te waarborgen;

V.  overwegende dat vergroening van steden duurzamere, kleinschalige voedselproductie kan bevorderen en de milieu-impact van levensmiddelen kan verlagen middels de versterking van korte ketens, waardoor nieuwe micro-ondernemingen kunnen ontstaan en bewoners ertoe worden aangemoedigd actief te worden op dit gebied en de voedselketen beter te begrijpen, in het bijzonder het organisch en milieuduurzaam boeren;

W.  overwegende dat 80 % van het afval dat op zee wordt aangetroffen, afkomstig is van steden, ook van steden uit stroomopwaarts gelegen rivierbekkens; overwegende dat het belangrijk is het afvalbeheersysteem in stedelijke gebieden te verbeteren, in het bijzonder voor wat betreft diffuse verontreiniging, zwerfvuil en macroafval, bijvoorbeeld door de filtering in waterzuiveringsinstallaties te intensiveren, teneinde steden te vergroenen en de vervuiling van oceanen aan te pakken;

X.  overwegende dat burgers moeten worden betrokken bij en een stem moeten krijgen in stedelijke planning en het ontwerp van groene infrastructuur, waarbij rekening moet worden gehouden met de lokale milieu-, sociale, economische en technologische kenmerken;

Y.  overwegende dat de ontwikkeling van groene infrastructuur zinvol is als deze duurzaam wordt beheerd, met name wat de waterreserves betreft; overwegende dat het van belang is de groene en blauwe infrastructuur op een milieuverantwoorde wijze op elkaar af te stemmen, onder meer door hergebruik van water en regenwater en doeltreffend waterbeheer;

Z.  overwegende dat de ecosysteemdiensten van bomen in belang toenemen naarmate ze ouder zijn; overwegende dat een gezond en geïntegreerd beheer en planning van de stedelijke ruimte van fundamenteel belang is om het ontwikkelingspotentieel optimaal te kunnen benutten en de burgers optimaal te laten profiteren van het potentieel en de diensten van de groene infrastructuur;

1.  wijst op de rol die groenere steden kunnen spelen bij de verwezenlijking van de in de Overeenkomst van Parijs opgenomen doelstellingen en bij het versterken van de weerbaarheid van de EU tegen en het aanpassingsvermogen van de EU aan de klimaatverandering; onderstreept dat groenere steden van groot belang kunnen zijn voor de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de nakoming van de verbintenissen in het kader van de nieuwe stedelijke agenda, met name wat betreft beter gebruik van watervoorraden en om de biodiversiteit in de stedelijke omgeving te verbeteren;

2.  dringt er bij de Commissie op aan een nieuw EU-plan voor groenere steden en groene infrastructuur op te stellen om steden te helpen hun verantwoordelijkheden te nemen met betrekking tot de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, en om het welzijn van de bevolking in steden te vergroten;

3.  verzoekt de Commissie om in het kader van de Europese Green Deal specifieke maatregelen voor te stellen met betrekking tot de rol van steden, en het gebruik van investeringen in groene infrastructuur te bevorderen;

4.  benadrukt het belang van effectieve mainstreaming van klimaat- en milieudoelstellingen in lokale, regionale, nationale en mondiale stedelijke beleidsvorming;

5.  benadrukt het belang van het vaststellen van een aanpassingsstrategie voor steden die worden blootgesteld aan de gevolgen van klimaatverandering, gebaseerd op een nieuwe, innovatieve ecosysteemgerichte benadering van risicopreventie en risicobeheer, met name door gebieden aan te duiden waar water zich zal terugtrekken, gebieden waar overstromingen worden geabsorbeerd, gebieden met natuurlijke bescherming en, in gevallen waar dit cruciaal is, gebieden met een artificiële bescherming;

6.  dringt er bij de lidstaten en de lokale en regionale autoriteiten op aan actieplannen op te stellen en actief activiteiten te ontplooien die bedoeld zijn om stedelijke gebieden te vergroenen en stedelijke groenvoorzieningen te behouden, in samenwerking met de desbetreffende belanghebbenden, inclusief het maatschappelijk middenveld;

7.  erkent het grote belang van openbare groene ruimten voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van stadsbewoners, met name in het licht van de COVID-19-pandemie; roept lokale, regionale en nationale autoriteiten op om stedelijke groene ruimten te beschermen en te bevorderen, de kwaliteit ervan te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun inwoners gemakkelijk toegang hebben tot openbare groene ruimten in hun omgeving;

8.  onderstreept dat het potentieel van steden om te helpen bij de bescherming van biodiversiteit en ecosysteemdiensten wordt onderschat; wijst erop dat meer biodiversiteit, ecosysteemdiensten en groene infrastructuur in steden en voorstedelijke gebieden de menselijke gezondheid ten goede komt; herinnert eraan dat de ontwikkeling en uitvoering van op de natuur gebaseerde oplossingen voor de instandhouding van de biodiversiteit en de opname en verdere integratie van biodiversiteit en ecosysteemfuncties in stedenbouwkunde, planologie en beleid een belangrijke rol kunnen spelen bij het beperken van en aanpassen aan de klimaatverandering in steden, en verzoekt de Commissie en de lidstaten deze praktijken te bevorderen;

9.  is ingenomen met het feit dat de biodiversiteitsstrategie voor 2030, als onderdeel van de Europese Green Deal, sterk gericht is op het vergroenen van stedelijke en voorstedelijke gebieden en het vergroten van de biodiversiteit in stedelijke gebieden; is met name ingenomen met de nieuwe plannen voor stedelijke vergroening en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat Europese steden zeer ambitieus zijn bij het opstellen van deze plannen en dat ze effectief worden uitgevoerd; verzoekt de lidstaten ook in stedelijke gebieden met minder dan 20 000 inwoners de vergroening te bevorderen;

10.  pleit ervoor het jaar 2022 uit te roepen tot Europees jaar van groenere steden;

11.  stelt voor het Europees jaar van groenere steden 2022 de volgende doelstellingen voor:

   a. meer bekendheid geven aan de voordelen van groene ruimten in de bebouwde omgeving; initiatieven nemen voor meer groene ruimten, ook in de nabijheid van woonwijken;
   b. de kwantiteit en kwaliteit van onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe innovaties op diverse vakgebieden vergroten, om in steden groene meerwaarde te creëren en voor meer levenskwaliteit te zorgen; gerichte steun verlenen voor duurzame digitalisering in de EU en daarmee ook voor start-ups en digitale innovaties; meer opschaling van groene-infrastructuurprojecten;
   c. lokale autoriteiten en burgers ertoe aanmoedigen om in actie te komen en hun eigen wijk en milieu te verbeteren, door als een gemeenschap samen te werken aan een grotere weerbaarheid en een andere toekomst voor hun stad; het engagement van de burgers vergroten in andere activiteiten en de besluitvorming over het milieu en het stadsleven in het algemeen;
   d. een cultuur van waardering voor groene ruimten en blauw-groene infrastructuur creëren; bevorderen van stedelijke ontwikkeling die rekening houdt met de behoefte aan groene ruimten als belangrijk aspect van de levenskwaliteit in steden;
   e. bevorderen van het gebruik van klimaatvriendelijke materialen en diensten door middel van aanbestedingen;
   f. het aantal groene-infrastructuurprojecten vergroten; financiële middelen blijven vrijmaken voor de EU-strategie inzake groene infrastructuur;
   g. bestaande initiatieven koppelen en beste praktijken uitwisselen tussen lidstaten, zoals voorzien in talrijke initiatieven en strategieën, onder meer op het gebied van stedelijke planning, duurzame steden en duurzame infrastructuur, op de natuur gebaseerde oplossingen, groene architectuur, schonere energie, mobiliteit van voetgangers en fietsers, doelmatig beheer van watervoorraden en duurzaam en circulair beheer van afval op basis van de afvalhiërarchie, die erop gericht is afval te minimaliseren of het hergebruik van afval te maximaliseren, met als doel het volledig vermijden van afval;
   h. een routekaart voor 2030 opstellen voor de vergroening van steden in de EU en het behoud van groene ruimten, op basis van het beginsel van ecologische stedenbouw als een middel om harmonieuze banden te creëren tussen plattelands- en stedelijke omgevingen, de wederzijdse afhankelijkheid onder de aandacht te brengen en de noodzaak van tweerichtingsverkeer te benadrukken;
   i. ontplooien van educatieve activiteiten die gericht zijn op verschillend publiek en die zijn afgestemd op de doelgroep, met name kinderen;
   j. initiatieven aanmoedigen om het stadsverkeer terug te dringen en om openbaar vervoer te bevorderen en in openbaar vervoer te investeren;
   k. geleidelijke stopzetting van het gebruik van pesticiden en herbiciden in stedelijke gebieden om bewoners en stedelijke biodiversiteit te beschermen;
   l. zorgen voor een zo breed mogelijke deelname van milieu-ngo’s die zich bezighouden met milieubescherming en educatie;
   m. de bedekking met groen van daken en gevels in steden in aanzienlijke mate intensiveren om het klimaat, de luchtkwaliteit en isolatie in steden verbeteren;
   n. ondersteuning bieden voor stedelijk tuinieren en voor het behoud en de ontwikkeling van volkstuinen en schooltuinen in steden in heel Europa, dit laatste als een belangrijke pijler van de milieu-educatie van kinderen;

12.  dringt er bij de Commissie op aan snel te handelen om de luchtkwaliteit van de steden te verbeteren, en daarbij de nadruk te leggen op verlaging van emissies met nieuwe oplossingen van stedelijke mobiliteit waarbij sterker gebruik wordt gemaakt van efficiënter en duurzamer openbaar vervoer;

13.  benadrukt dat het van belang is om burgerparticipatie bij de vergroening van stedelijke gebieden en het behoud van groene ruimten te stimuleren en mogelijk te maken, door burgers in voorkomend geval te betrekken bij de duurzame ruimtelijkeplannings- en uitvoeringsfase, teneinde tot duurzame oplossingen voor stedelijke planning te komen, betrokkenheid bij de desbetreffende maatregelen in de hand te werken en sociaal inclusieve, weerbare en emissiearme steden te creëren die aantrekkelijk zijn voor de bewoners; acht het van groot belang ervoor te zorgen dat het publiek bekend is met de manieren om bij te dragen aan het vergroenen van hun stad, het behoud van groene ruimten en de transformatie van hun stad in een meer gezonde omgeving; moedigt gemeenten en regio’s ertoe aan door burgers voorgestelde groene initiatieven zo veel mogelijk te steunen en sponsoringprojecten voor open ruimten op te zetten; dringt er bij gemeenten en regio’s op aan om ambitieuze initiatieven voor groene steden goed te keuren en uit te voeren;

14.  dringt er bij de Commissie op aan ambitieuze maatregelen met betrekking tot energie- en hulpbronnenefficiëntie te blijven ondersteunen; dringt er bij de Commissie op aan te helpen zorgen voor voldoende financiering van acties die bijdragen aan duurzame stedelijke planning en groene infrastructuur, zoals innovatieve partnerschappen en regelingen voor gezamenlijke aanbesteding door EU-steden; dringt er bij de Commissie op aan bij te dragen aan het vergroten van de collectieve macht van steden om doelmatige oplossingen snel op te schalen; dringt aan op ondersteuning van de Commissie van de deelname van de privésector via publiek-private partnerschappen, van een ambitieuzer programma van de Europese Investeringsbank, en van stimulansen voor kmo’s, die een cruciale rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van innovatieve duurzame oplossingen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de nationale parlementen.

(1) PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.
(2) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(3) PB L 288 van 6.11.2007, blz. 27.
(4) OJ C 468. 15.12.2016, blz. 190.
(5) zoals uiteengezet in de EU-strategie inzake groene infrastructuur van de Commissie: http://ec.europa.eu/environment/nature/ecosystems/strategy/index_nl.htm
(6) PB C 356 van 5.12.2013, blz. 43.
(7) PB C 67 van 6.3.2014, blz. 153.
(8) https://ec.europa.eu/environment/europeangreencapital/index_nl.htm
(9) https://www.covenantofmayors.eu/en/
(10) Europees Milieuagentschap, “Analysing and managing urban growth”, Europees Milieuagentschap, Kopenhagen, 2019, https://www.eea.europa.eu/articles/analysing-and-managing-urban-growth
(11) Europese Commissie, “Urban Green Spaces Increase Happiness”, Europese Commissie, Brussel, http://ec.europa.eu/environment/europeangreencapital/space-increase-happiness/

Juridische mededeling - Privacybeleid