Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 16 december 2020 - Brussel
Overgangsbepalingen voor de steun uit het Elfpo en uit het ELGF in 2021 en 2022 ***I
 Extra middelen in de context van de COVID-19-pandemie: React-EU ***I
 Verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten ***II
 Verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 ***
 Interinstitutioneel Akkoord betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen
 Een nieuwe strategie voor Europese kmo's

Overgangsbepalingen voor de steun uit het Elfpo en uit het ELGF in 2021 en 2022 ***I
PDF 141kWORD 60k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2020 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor de steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in 2021 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 229/2013 en (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling ervan voor 2021 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing ervan in 2021 (COM(2019)0581 – C9-0162/2019 – 2019/0254(COD))
P9_TA(2020)0354A9-0101/2020

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2019)0581),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0162/2019),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 26 februari 2020(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 7 mei 2020(2),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s,

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord, en de informatie van de Raad betreffende de goedkeuring van het standpunt van het Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien de brief van de Begrotingscommissie,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9-0101/2020),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan zijn verklaringen die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaringen van het Europees Parlement en de Raad die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

4.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

5.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen.

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 december 2020 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2020/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022

P9_TC1-COD(2019)0254


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2020/2220.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement over de overgangsregelingen in het kader van het GLB en het meerjarig financieel kader

Crisisreserve

Sinds de instelling van de reserve voor crises in de landbouwsector in 2014 is nog nooit een beroep op het instrument gedaan vanwege het mechanisme voor financiële discipline waarin in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wordt voorzien, uit hoofde waarvan de middelen voor de reserve aan het begin van elk jaar worden opgenomen uit het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen. Ongebruikte middelen worden aan het eind van het jaar weer bij de rechtstreekse betalingen gevoegd. Als gevolg daarvan is de reserve nog nooit gebruikt om te voorkomen dat landbouwers middelen worden onthouden.

De reserve werd in het leven geroepen om landbouwers te helpen in geval van prijs- of marktinstabiliteit. Het feit dat er nog nooit een beroep op is gedaan, getuigt van de beperkingen van de financiële structuur en de werking van de reserve. Steeds vaker leiden economische omstandigheden en ongunstige omstandigheden op het gebied van klimaat en gezondheid tot aanzienlijke marktverstoringen. Dit laat zien dat er dringend behoefte is aan een goed functionerende crisisreserve waarop op responsieve en efficiënte wijze een beroep kan worden gedaan.

Het Europees Parlement benadrukt dat een volledig gefinancierde, cumulatieve crisisreserve, die aanvankelijk 400 miljoen EUR zou bedragen in aanvulling op de begrotingen van het ELGF en het Elfpo, en waarbij ongebruikte middelen in de loop van de programmeringsperiode worden overgeheveld naar en toegevoegd aan de middelen van het volgende jaar, doeltreffender zou werken en meer invloed zou hebben op de tijdige verlening van crisishulp en de financiering van gerichte maatregelen voor de getroffen sectoren.

Het Posei en de eilanden in de Egeïsche Zee

De ultraperifere gebieden, zoals bedoeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hebben vanwege hun geografische situatie, en in het bijzonder vanwege hun afgelegen ligging, eilandkarakter, kleine oppervlakte en moeilijke topografische kenmerken en klimaatomstandigheden, te maken met specifieke sociaal-economische problemen in verband met de toelevering van levensmiddelen en landbouwproducten die van wezenlijk belang zijn voor de consumptie en/of de landbouwproductie. In Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad wordt voorzien in specifieke maatregelen voor de landbouwsector om de moeilijkheden te verhelpen die de in bovengenoemd artikel beschreven specifieke omstandigheden met zich meebrengen. De regeling betreffende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee waarin Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad voorziet, heeft eveneens betrekking op dezelfde kwesties, zij het op een andere geografische locatie.

Het belang van specifieke maatregelen en mogelijkheden in deze gebieden en op deze eilanden rechtvaardigt het niveau van speciale steun dat van cruciaal belang is voor de succesvolle tenuitvoerlegging van deze maatregelen. Het Europees Parlement pleit derhalve, met inachtneming van de eerder gedane openbare toezeggingen van de Commissie ten aanzien van deze gebieden en eilanden, voor de ononderbroken voortzetting van de zeer succesvolle programma’s die in het kader van Verordeningen (EU) nr. 228/2013 en (EU) nr. 229/2013 zijn opgezet, alsook voor de instandhouding van ten minste het huidige niveau van steun voor de bovengenoemde gebieden en eilanden. Op deze manier kan de Unie blijk geven van haar solidariteit en inzet ten aanzien van deze gebieden en eilanden die met specifieke nadelen kampen.

Verklaring van het Europees Parlement over brancheorganisaties in de ultraperifere gebieden

De lokale markten in de ultraperifere gebieden zijn vanwege hun zeer kleine oppervlakte en eilandkarakter bijzonder gevoelig voor prijsschommelingen die samenhangen met invoerstromen uit de rest van de Unie of uit derde landen. In artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) worden de speciale behoeften van de ultraperifere gebieden erkend en wordt de basis gelegd voor een wetgevingskader om deze gebieden te helpen hun specifieke situatie het hoofd te bieden. Dit komt nader aan de orde in Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad. Aangezien het gebruik van brancheorganisaties in het bijzonder potentieel blijkt te hebben voor het tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van de landbouwproductiesectoren in de ultraperifere gebieden, moet reeds ruimte worden geboden voor flexibiliteit bij de tenuitvoerlegging van de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad in die gebieden, zodat de middelen die in het kader van deze overgangsverordening aan de betreffende gebieden zijn toegewezen, ten volle kunnen worden benut.

De krachtens artikel 157 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 erkende en als representatief beschouwde brancheorganisaties moeten derhalve de mogelijkheid hebben de nodige collectieve maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de lokale productie niet alleen duurzaam, maar ook concurrerend blijft op de lokale markten in kwestie.

Daartoe vestigt het Europees Parlement, niettegenstaande de artikelen 28, 29 en 110 VWEU en artikel 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013, onverminderd artikel 164 van deze verordening en op grond van artikel 349 VWEU zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest in de gevoegde zaken C-132/14 tot en met C-136/14, de aandacht op het belang van het verkennen van alle geschikte instrumenten om de desbetreffende lidstaten in het kader van uitgebreide brancheovereenkomsten toe te staan na overleg met de betrokken belanghebbenden afzonderlijke marktdeelnemers of groeperingen van marktdeelnemers die geen lid zijn van de brancheorganisatie maar actief zijn op de lokale markt in kwestie, ongeacht de herkomst ervan, alle of een deel van de door hun leden betaalde financiële bijdragen te laten betalen aan die organisatie, ook indien met de opbrengst van deze bijdragen maatregelen worden gefinancierd die enkel gericht zijn op het behoud van de lokale productie of indien de bijdragen in een ander handelsstadium worden gevorderd.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad over de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

Het Europees Parlement en de Raad wijzen op:

—  het belang van specifieke maatregelen voor de ultraperifere gebieden, in overeenstemming met artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad, om rekening te houden met de bijzondere kenmerken van deze gebieden;

—  het belang van specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad; en

—  het feit dat de bovengenoemde zaken speciale steun voor deze gebieden en eilanden rechtvaardigen met het oog op de tenuitvoerlegging van passende maatregelen.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad over de EU-financieringsregelingen voor het Posei en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

Het Europees Parlement en de Raad onderstrepen dat de in deze overgangsverordening voor 2021 en 2022 opgenomen EU-financieringsregelingen voor het Posei en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee uitzonderlijk zijn, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden, en geen precedent vormen voor toekomstige GLB-financiering, noch voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, noch voor rechtstreekse betalingen.

Verklaring van de Commissie betreffende afzetvoorschriften voor de sector olijfolie

De Commissie neemt kennis van het politieke akkoord dat het Parlement en de Raad hebben bereikt over amendement 106 van het Parlement, d.w.z. invoeging van een nieuw artikel 167 bis in de GMO-verordening betreffende de sector olijfolie. De Commissie merkt op dat dit door het Parlement en de Raad overeengekomen amendement niet in overeenstemming is met het beginsel van continuïteit van de huidige regels, dat van toepassing is op de overgangsverordening; een materiële wijziging is, en door de medewetgevers, in weerwil van punt 15 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven, is opgenomen zonder effectbeoordeling. De Commissie herinnert aan haar toezegging om de daadwerkelijke mededinging in de landbouwsector te handhaven, en volledige uitvoering te geven aan de in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgelegde doelstellingen van het GLB.

Verklaring van de Commissie inzake betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen

De Commissie neemt er kennis van dat de medewetgevers zijn overeengekomen dat de in het Elfpo geïntegreerde middelen uit het herstelinstrument voor de Europese Unie, mogen worden gebruikt voor de financiering van betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen.

De Commissie heeft reeds haar bezorgdheid geuit over de beperkte bijdrage van de betalingen voor dergelijke gebieden aan milieu- en klimaatdoelstellingen, in aanmerking nemend dat landbouwers geen specifieke praktijken moeten toepassen om de betaling te kunnen ontvangen. Het meetellen van betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen in het kader van het deel van de middelen uit het herstelinstrument dat is bestemd voor milieu- en klimaatdoelstellingen, mag derhalve niet als precedent worden gezien tijdens de onderhandelingen over het toekomstige GLB.

(1) PB C 109 van 1.4.2020, blz. 1.
(2) PB C 232 van 14.7.2020, blz. 29.


Extra middelen in de context van de COVID-19-pandemie: React-EU ***I
PDF 126kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2020 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft uitzonderlijke extra middelen en uitvoeringsregelingen in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU) (COM(2020)0451 – C9-0149/2020 – 2020/0101(COD))
P9_TA(2020)0355A9-0150/2020

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2020)0451),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 177 en artikel 322, lid 1, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0149/2020),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 13 juli 2020(1),

–  na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 14 oktober 2020(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de informatie van de Raad over de goedkeuring van het standpunt van het Parlement, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Begrotingscommissie,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A9-0150/2020),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 december 2020 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2020/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU)

P9_TC1-COD(2020)0101


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2020/2221.)

(1) PB C 272 van 17.8.2020, blz. 1.
(2) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten ***II
PDF 123kWORD 42k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2020 betreffende het standpunt, door de Raad in eerste lezing vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een algemeen conditionaliteitsstelsel ter bescherming van de begroting van de Unie (09980/1/2020 – C9-0407/2020 – 2018/0136(COD))
P9_TA(2020)0356A9-0262/2020

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (09980/1/2020 – C9-0407/2020),

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 17 augustus 2018(1),

–  gezien het advies van de Commissie (COM(2020)0843),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2018)0324),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord,

–  gezien artikel 67 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A9-0262/2020),

1.  keurt het standpunt van de Raad in eerste lezing goed;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

6.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen, nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gemeenschappelijke verklaring van het Parlement, de Raad en de Commissie

Onverminderd het initiatiefrecht van de Commissie komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen te overwegen de inhoud van deze verordening op te nemen in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 (het “financieel reglement”) bij de volgende herziening van die verordening.

Verklaring van de Commissie

De Commissie gaat ermee akkoord te overwegen het verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordening zo nodig vergezeld te doen gaan van passende voorstellen.

(1) PB C 291 van 17.8.2018, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten van 4.4.2019, P8_TA(2019)0349.


Verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 ***
PDF 226kWORD 70k
Resolutie
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2020 over het ontwerp van verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (09970/2020 – C9-0409/2020 – 2018/0166(APP))
P9_TA(2020)0357A9-0260/2020

(Bijzondere wetgevingsprocedure – goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Raad (09970/2020),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (C9‑0409/2020),

–  gezien zijn resolutie van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord(1),

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2019 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen(2),

–  gezien zijn resolutie van 23 juli 2020 over de conclusies van de buitengewone Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020(3),

–  gezien artikel 92 en artikel 105, leden 1 en 4, van zijn Reglement,

–  gezien de brieven van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien de aanbeveling van de Begrotingscommissie (A9-0260/2020),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 zoals weergegeven in de bijlage bij deze resolutie;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gezamenlijke verklaringen van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij de onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  hecht zijn goedkeuring aan zijn bij deze resolutie gevoegde verklaring;

4.  neemt kennis van de aan deze resolutie gehechte verklaringen van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter om tezamen met de voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Commissie de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie inzake begrotingstoezicht op nieuwe voorstellen op basis van artikel 122 VWEU met mogelijk noemenswaardige implicaties voor de Uniebegroting te ondertekenen;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE 1: ONTWERP VAN VERORDENING VAN DE RAAD TOT BEPALING VAN HET MEERJARIG FINANCIEEL KADER VOOR DE JAREN 2021-2027

VERORDENING (EU, Euratom) 2020/… VAN DE RAAD

van …

tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 312,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement(4),

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Omdat er voldoende voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn, dient de looptijd van het meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021.

(2)  De economische impact van de COVID-19-crisis noopt de Unie ertoe te zorgen voor een financieel langetermijnkader dat de weg vrijmaakt voor een eerlijke en inclusieve transitie naar een groene en digitale toekomst, de strategische autonomie van de Unie op langere termijn ondersteunt en haar bestand maakt tegen toekomstige schokken.

(3)  De jaarlijkse maxima voor vastleggingskredieten per uitgavencategorie en de jaarlijkse maxima voor betalingskredieten die bij deze verordening worden vastgesteld, moeten de toepasselijke maxima voor vastleggingskredieten en eigen middelen in acht nemen die worden vastgesteld overeenkomstig het vigerende besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (het "eigenmiddelenbesluit").

(4)  Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel 220, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(5) (het "financieel reglement"), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima voor de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK met inachtneming van het maximum van de eigen middelen.

(5)  In het MFK dient geen rekening te worden gehouden met de begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het financieel reglement.

(6)  Het MFK dient te worden vastgesteld in prijzen van 2018. De regels inzake de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK voor het herberekenen van de maxima en de beschik­bare marges dienen eveneens te worden vastgesteld.

(7)  Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vergen. Dergelijke aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde vaststelling van nieuwe regels of programma’s in gedeeld beheer, met maatregelen in verband met goed economisch bestuur of met maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting. Ook moeten er regels worden vastgesteld voor een mechanisme voor programmaspecifieke aanpassingen.

(8)  Specifiek en maximale flexibiliteit moet worden gerealiseerd om de Unie in staat te stellen overeenkomstig artikel 323 van het VWEU aan haar verplichtingen te voldoen.

(9)  De volgende thematische speciale instrumenten zijn nodig om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden of gevolgen te reageren en aldus de begrotings­procedure vlot te laten verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, de reserve voor solidariteit en noodhulp en de reserve voor aanpassing aan de brexit. De reserve voor solidariteit en noodhulp is niet bedoeld voor het aanpakken van de gevolgen van marktgerelateerde crises die de landbouwproductie of -distributie treffen.

(10)  De volgende niet-thematische speciale instrumenten zijn nodig om voor nog meer flexibiliteit te zorgen: het enkelvoudig marge-instrument en het flexibiliteits­instrument. Het enkelvoudig marge-instrument moet het mogelijk maken beschikbare marges onder de maxima voor vastleggings- en betalingskredieten over te dragen tussen begrotingsjaren en, wat de vastleggingskredieten betreft, tussen MFK-rubrieken, zonder de totale bedragen van de MFK-maxima voor vastleggings- en betalingskredieten voor de gehele periode van het MFK te overschrijden. Het flexibiliteitsinstrument moet de financiering mogelijk maken van specifieke onvoorziene uitgaven voor een bepaald jaar.

(11)  Er moet worden voorzien in een specifieke bepaling om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten die de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden, in de begroting te kunnen opvoeren indien speciale instrumenten moeten worden ingezet.

(12)  Herziening van het MFK moet mogelijk worden gemaakt in geval van herziening van de Verdragen met budgettaire gevolgen, van hereniging van Cyprus of van uitbreiding van de Unie, alsmede naar aanleiding van de uitvoering van de begroting.

(13)  Het kan wellicht ook nodig zijn deze verordening te herzien naar aanleiding van onvoorziene omstandigheden die niet kunnen worden verholpen binnen de in het MFK vastgestelde grenzen. Daarom moet in dergelijke gevallen een herziening van het MFK mogelijk worden gemaakt.

(14)  Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige projecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. Er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor de bijdragen uit de algemene begroting van de Unie aan deze projecten, opdat zij geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd.

(15)  In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd, met inachtneming van de in de Verdragen neergelegde budgettaire bevoegdheden van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (de "instellingen") alsmede transparantievereisten.

(16)  De Commissie moet vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw meerjarig financieel kader indienen, opdat de instellingen dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgende MFK kunnen aannemen. Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximum­bedragen voor het laatste jaar van het MFK dat onder deze verordening valt, van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw meerjarig financieel kader is vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

Meerjarig financieel kader

Deze verordening stelt het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2021 tot en met 2027 vast.

Artikel 2

Inachtneming van de maxima van het MFK

1.  Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (de "instellingen") nemen tijdens elke begrotings­procedure en tijdens de uitvoering van de begroting van het betrokken begrotingsjaar de in bijlage I vastgestelde jaarlijkse maximumbedragen aan uitgaven (de "MFK-maxima") in acht.

Het submaximum van rubriek 3 als opgenomen in bijlage I wordt bepaald onverminderd de flexibiliteit tussen de twee pijlers van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Het aangepaste maximum dat van toepassing is op pijler I van het GLB ten gevolge van de overdrachten tussen het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en de directe betalingen wordt vastgesteld in de desbetreffende rechtshandeling en het MFK zal dienovereenkomstig worden aangepast in het kader van de technische aanpassingen krachtens artikel 4 van deze verordening.

2.  Indien een beroep moet worden gedaan op de middelen van de in de artikelen 8, 9, 10 en 12 bedoelde speciale instrumenten, worden in de begroting vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten opgenomen boven de desbetreffende MFK-maxima.

Indien een beroep moet worden gedaan op de middelen van het enkelvoudig marge-instrument als vastgelegd in artikel 11, worden in de begroting vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten opgenomen boven de desbetreffende MFK-maxima voor een bepaald jaar.

3.  Indien gebruik moet worden gemaakt van een garantie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel 220, lid 1, van het financieel reglement, wordt het benodigde bedrag ter beschikking gesteld boven de MFK-maxima.

Artikel 3

Inachtneming van het maximum van de eigen middelen

1.  Voor elk van de jaren waarop het MFK betrekking heeft, mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse bijstelling en met inachtneming van de aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet tot een hoger opvragingspercentage van de eigen middelen leiden dan het in het vigerende besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU (het "eigenmiddelenbesluit") vastgestelde maximum.

2.  Indien nodig worden de MFK-maxima verlaagd om ervoor te zorgen dat het in het eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen in acht wordt genomen.

Hoofdstuk 2

Aanpassing van het MFK

Artikel 4

Technische aanpassingen

1.  Elk jaar brengt de Commissie, voorafgaand aan de begrotingsprocedure van jaar n+1, de volgende technische aanpassingen aan in het MFK:

a)  een herberekening, tegen de prijzen van jaar n+1, van de maxima en de totaalbedragen van de vastleggings- en betalingskredieten;

b)  een berekening van de marge die onder het in het eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen beschikbaar blijft;

c)  een berekening van het bedrag aan vastleggingskredieten dat beschikbaar is in het kader van het in artikel 11, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde enkelvoudig marge-instrument, alsmede van het in artikel 11, lid 2, eerste alinea, punt a), bedoelde totale maximumbedrag;

d)  een berekening van de aanpassing van het maximum voor de betalingskredieten in het kader van het enkelvoudig marge-instrument als bedoeld in artikel 11, lid 1, eerste alinea, punt b), en van het in artikel 11, lid 2, eerste alinea, punt b), bedoelde maximumbedrag;

e)  een berekening van de in artikel 5, lid 1, bedoelde extra toewijzingen voor specifieke programma's en het resultaat van de in artikel 5, lid 2, bedoelde jaarlijkse aanpassing.

2.  De Commissie verricht de in lid 1 bedoelde technische aanpassingen op basis van een vaste deflator van 2 % per jaar.

3.  De Commissie deelt de resultaten van de in lid 1 bedoelde technische aanpassingen en de eraan ten grondslag liggende economische prognoses mee aan het Europees Parlement en aan de Raad.

4.  Onverminderd de artikelen 6 en 7 worden er geen andere technische aanpassingen aangebracht ten aanzien van het betrokken jaar, noch tijdens het begrotingsjaar, noch bij wijze van correctie achteraf in latere jaren.

Artikel 5

Programmaspecifieke aanpassing

1.  Er wordt een bedrag beschikbaar gemaakt dat overeenkomt met de inkomsten uit geldboeten die krachtens Verordeningen (EG) nr. 1/2003(6) en (EG) nr. 139/2004(7) van de Raad door Unie-instellingen zijn opgelegd, dat in het jaar n-1 in de begroting is opgenomen overeenkomstig artikel 107 van het financieel reglement, na aftrek van het in artikel 141, lid 1, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie(8) bedoelde bedrag voor het jaar n-1, voor een extra toewijzing van:

a)  vastleggingskredieten voor jaar n+1, voor de jaren 2022 tot en met 2027, voor de in bijlage II genoemde programma's, volgens de percentages voor die programma's in de kolom getiteld "Verdeelsleutel" van de tabel in bijlage II; en

b)  betalingskredieten voor jaar n+1, voor de jaren 2022 tot en met 2027.

De totale extra toewijzingen voor de periode 2022 tot en met 2027 voor respectievelijk vastleggings- en betalingskredieten bedragen 11 000 miljoen EUR (in prijzen van 2018). Voor elk van de jaren 2022 tot en met 2026 bedragen de extra toewijzingen voor respectievelijk vastleggings- en betalingskredieten jaarlijks minstens 1 500 miljoen EUR (in prijzen van 2018) en hoogstens 2 000 miljoen EUR (in prijzen van 2018).

Het totale bedrag van extra toewijzingen voor vastleggingskredieten voor de programma's in de periode 2022 tot en met 2027 is opgenomen in de kolom getiteld "Totale extra toewijzing van vastleggingskredieten uit hoofde van artikel 5" van de tabel in bijlage II.

2.  De maxima voor vastleggingskredieten van de betrokken rubrieken voor jaar n+1, voor de jaren 2022 tot en met 2027 worden opwaarts aangepast met de bedragen die overeenkomen met de in lid 1 beschreven extra toewijzingen volgens de percentages voor die rubrieken in de kolom getiteld "Verdeelsleutel" in de tabel in bijlage II. Het maximum voor betalingskredieten voor jaar n+1 voor de jaren 2022 tot en met 2027 wordt automatisch opwaarts aangepast met de bedragen die overeenkomen met de in lid 1 beschreven extra toewijzingen.

Artikel 6

Aanpassingen betreffende maatregelen in verband met goed economisch bestuur of een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting

1.  Ingeval een schorsing van vastleggingen met betrekking tot middelen van de Unie wordt opgeheven overeenkomstig de toepasselijke basishandelingen in het kader van maatregelen in verband met goed economisch bestuur of van maatregelen vastgesteld uit hoofde van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting, worden de bedragen van de geschorste vastleggingen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende MFK-maxima dienovereenkomstig aangepast.

2.  De Commissie deelt het resultaat van de in lid 1 bedoelde aanpassingen mee aan het Europees Parlement en aan de Raad.

3.  Vastleggingen die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de algemene begroting van de Unie worden opgevoerd.

Artikel 7

Aanpassing naar aanleiding van nieuwe regels of programma's in gedeeld beheer

1.  Indien na 1 januari 2021 nieuwe regels of programma’s in gedeeld beheer voor de structuurfondsen, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het instrument voor grensbeheer en visa in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer worden vastgesteld, worden de toegewezen bedragen die in 2021 niet zijn gebruikt, in gelijke delen naar elk van de jaren 2022 tot en met 2025 overgedragen en worden de betrokken MFK-maxima dienovereenkomstig aangepast.

2.  De Commissie deelt het resultaat van de in lid 1 bedoelde aanpassingen mee aan het Europees Parlement en aan de Raad.

Hoofdstuk 3

Speciale instrumenten

Afdeling 1

Thematische speciale instrumenten

Artikel 8

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

1.  Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, waarvan de doelstellingen en het toepassingsgebied zijn vastgesteld in de Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, mag een jaarlijks maximumbedrag van 186 miljoen EUR (in prijzen van 2018) niet overschrijden.

2.  De kredieten van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.

Artikel 9

Reserve voor solidariteit en noodhulp

1.  De reserve voor solidariteit en noodhulp kan worden gebruikt ter financiering van:

a)  hulp voor het reageren op noodsituaties als gevolg van grote rampen die gedekt zijn door het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, waarvan de doelstellingen en het toepassingsgebied zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad(9); en

b)  snelle reacties op specifieke dringende behoeften in de Unie of in derde landen ten gevolge van gebeurtenissen die bij de opstelling van de begroting niet te voorzien waren; het gaat hierbij met name om reacties in noodsituaties en hulpoperaties bij natuurrampen die niet onder punt a) vallen, door mensen veroorzaakte rampen, humanitaire crises, grootschalige bedreigingen voor de gezondheid van mens, dier of plant, en bijzonder prangende situaties aan de buitengrenzen van de Unie ten gevolge van migratiestromen, wanneer de omstandigheden zulks vereisen.

2.  De reserve voor solidariteit en noodhulp mag een jaarlijks maximumbedrag van 1 200 miljoen EUR (in prijzen van 2018) niet overschrijden. Elk in jaar n niet gebruikt deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Elk deel van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.

3.  De kredieten voor de reserve voor solidariteit en noodhulp worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.

4.  Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van het in lid 2 bedoelde jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat begrotingsjaar ontstaan.

Onverminderd de eerste alinea mogen maximaal de volgende percentages van het totale bedrag dat beschikbaar is tot 1 september van elk jaar ter beschikking worden gesteld:

—  50 % voor bijstand in het kader van lid 1, punt a); het uit die berekening resulterende bedrag wordt verminderd met bedragen die in het voorgaande jaar ter uitvoering van lid 5 beschikbaar zijn gesteld;

—  35 % voor bijstand aan derde landen in het kader van lid 1, punt b);

—  15 % voor bijstand binnen de Unie in het kader van lid 1, punt b).

Onverminderd de eerste alinea mag het overblijvende deel van het beschikbare bedrag vanaf 1 september van elk jaar worden gebruikt voor bijstand als bedoeld in de tweede alinea om de behoeften die tot het einde van dat jaar ontstaan te dekken.

5.  In uitzonderlijke gevallen en indien de bedragen die nodig worden geacht voor de in lid 1, punt a), bedoelde hulp in het jaar waarin een ramp heeft plaatsgevonden als bedoeld in dat punt, niet op te brengen zijn uit de resterende beschikbare financiële middelen uit de reserve voor solidariteit en noodhulp, kan de Commissie voorstellen om het verschil te financieren via de jaarlijkse bedragen die beschikbaar zijn voor de reserve voor solidariteit en noodhulp in het volgende jaar, tot een maximumbedrag van 400 miljoen EUR (in prijzen van 2018).

Artikel 10

Reserve voor aanpassing aan de brexit

1.  Een reserve voor aanpassing aan de brexit voorziet in hulp ter bestrijding van onvoorziene en negatieve gevolgen in de lidstaten en in de sectoren die het zwaarst getroffen worden door de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, volgens en overeenkomstig de voorwaarden van het betrokken instrument.

2.  De reserve voor aanpassing aan de brexit mag maximaal 5 000 miljoen EUR bedragen (in prijzen van 2018).

3.  De kredieten van de reserve voor aanpassing aan de brexit worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.

Afdeling 2

Niet-thematische speciale instrumenten

Artikel 11

Enkelvoudig marge-instrument

1.  Het enkelvoudig marge-instrument omvat:

a)  vanaf 2022, de bedragen die overeenstemmen met beschikbare marges onder de maxima van het MFK voor vastleggingskredieten van jaar n-1, die beschikbaar zullen worden gesteld boven de maxima voor vastleggingskredieten van het MFK voor de jaren 2022 tot en met 2027;

b)  vanaf 2022, de bedragen die gelijk zijn aan het verschil tussen de uitgevoerde betalingen en het MFK-betalingsmaximum voor jaar n-1, om het maximum van de betalingen voor de jaren 2022 tot en met 2027 naar boven bij te stellen; en

c)  aanvullende bedragen die in een bepaald jaar boven de MFK-maxima beschikbaar kunnen worden gesteld voor vastleggings- of betalingskredieten, of beide, naargelang het geval, mits deze bedragen, wat betreft de vastleggings­kredieten, volledig worden verrekend met de marges in een of meer rubrieken van het MFK voor het lopende of de toekomstige begrotingsjaren, en wat betreft de betalingskredieten, volledig worden verrekend met de marges onder het maximum voor betalingen voor toekomstige begrotingsjaren.

Bedragen kunnen alleen op grond van de eerste alinea, punt c), ter beschikking worden gesteld, indien de bedragen die beschikbaar zijn op grond van die alinea, punt a) en punt b), naargelang het geval, ontoereikend zijn, en in ieder geval als laatste redmiddel om te reageren op onvoorziene omstandigheden.

Gebruikmaking van de eerste alinea, punt c), mag niet leiden tot overschrijding van de totale bedragen van de MFK-maxima voor vastleggings- en betalingskredieten voor het lopende begrotingsjaar en de toekomstige begrotingsjaren. De overeenkomstig dat punt verrekende middelen mogen daarom niet verder binnen het MFK worden aangewend.

2.  Het gebruik van het enkelvoudig marge-instrument uit hoofde van lid 1, eerste alinea, punt a) en punt c), mag in een bepaald jaar niet hoger zijn dan in totaal:

a)  0,04 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie aan vastleggings­kredieten, zoals berekend in de in artikel 4 bedoelde jaarlijkse technische aanpassing van het MFK;

b)  0,03 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie aan betalingskredieten, zoals berekend in de in artikel 4 bedoelde jaarlijkse technische aanpassing van het MFK.

Het gebruik van het enkelvoudig marge-instrument in een bepaald jaar is in overeenstemming met de in het eigenmiddelenbesluit vastgestelde maxima voor de eigen middelen.

3.  Voor de jaren 2025 tot en met 2027 mogen de jaarlijkse aanpassingen bedoeld in lid 1, eerste alinea, punt b), in vergelijking met het oorspronkelijke betalingsmaximum voor de betrokken jaren niet hoger liggen dan de volgende maximumbedragen (in prijzen van 2018):

—  2025 – 8 000 miljoen EUR;

—  2026 – 13 000 miljoen EUR;

—  2027 – 15 000 miljoen EUR.

De bedragen bedoeld in artikel 5, lid 2, tweede alinea, vormen een aanvulling op de in de eerste alinea van dit lid bedoelde maximumbedragen.

Opwaartse aanpassingen worden volledig gecompenseerd met een overeenkomstige verlaging van het betalingsmaximum voor het jaar n-1.

4.  De in lid 1, eerste alinea, punt a) en punt c), van dit artikel bedoelde bedragen kunnen door het Europees Parlement en de Raad in het kader van de in artikel 314 van het VWEU bedoelde begrotingsprocedure beschikbaar worden gesteld voor de financiering van uitgaven die niet kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de betreffende MFK-maxima die in een bepaald jaar beschikbaar zijn.

De in lid 1, eerste alinea, punt b), van dit artikel bedoelde opwaartse aanpassing wordt met ingang van 2022 door de Commissie uitgevoerd als onderdeel van de in artikel 4 bedoelde technische aanpassing.

Artikel 12

Flexibiliteitsinstrument

1.  Het flexibiliteitsinstrument kan worden gebruikt voor de financiering, voor een bepaald begrotingsjaar, van specifieke, onvoorziene uitgaven in vastleggingskredieten en de overeenkomstige betalings­kredieten die niet op een andere wijze kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima. Het jaarlijks bedrag voor het flexibiliteitsinstrument bedraagt maximaal 915 miljoen EUR (in prijzen van 2018).

2.  Het ongebruikte deel van het jaarlijks bedrag voor het flexibiliteitsinstrument kan worden aangewend tot en met jaar n+2. Delen van het jaarlijks bedrag uit voorgaande jaren worden het eerst gebruikt, te beginnen met het oudste. Delen van het bedrag van jaar n die in jaar n+2 niet zijn gebruikt, vervallen.

Hoofdstuk 4

Herziening van het MFK

Artikel 13

Herziening van het MFK

1.  Onverminderd artikel 3, lid 2, en de artikelen 14 tot en met 17, kan het MFK in geval van onvoorziene omstandigheden worden herzien met inachtneming van het overeenkomstig het eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen.

2.  Als algemene regel wordt een voorstel tot herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 vóór het begin van de begrotingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar of het eerste van de betrokken begrotingsjaren ingediend en goedgekeurd.

3.  Bij een voorstel tot herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 worden de mogelijk­heden onderzocht voor een herschikking van uitgaven tussen de programma's die onder de rubriek vallen waarop de herziening betrekking heeft, met name op basis van een verwachte onderbesteding van de kredieten.

4.  Bij elke herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 wordt nagegaan in hoeverre een verhoging van het maximum van een rubriek kan worden gecompenseerd met een verlaging van het maximum van een andere rubriek.

5.  Bij een herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 wordt een passende verhouding tussen vastleggings- en betalingskredieten gehandhaafd.

Artikel 14

Herziening met betrekking tot de uitvoering

Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, dient zij waar nodig tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de betalingskredieten die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de vastleggingskredieten te waarborgen.

Artikel 15

Herziening in geval van herziening van de Verdragen

In geval van een herziening van de Verdragen met gevolgen voor de begroting, wordt het MFK dienovereenkomstig herzien.

Artikel 16

Herziening in geval van uitbreiding van de Unie

Indien een of meer nieuwe lidstaten tot de Unie toetreden, wordt het MFK herzien om met de daaruit voortvloeiende uitgaven rekening te houden.

Artikel 17

Herziening in geval van de hereniging van Cyprus

In geval van de hereniging van Cyprus wordt het MFK herzien om rekening te houden met de integrale regeling voor de kwestie-Cyprus en de bijkomende financieringsbehoeften die uit de hereniging voortvloeien.

Hoofdstuk 5

Bijdrage aan de financiering van grootschalige projecten

Artikel 18

Bijdrage aan de financiering van grootschalige projecten

1.  Een maximumbedrag van 13 202 miljoen EUR (in prijzen van 2018) is beschikbaar uit de algemene begroting van de Unie voor de periode 2021 tot en met 2027 voor grootschalige projecten in het kader van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

2.  Een maximumbedrag van 5 000 miljoen EUR (in prijzen van 2018) is beschikbaar uit de algemene begroting van de Unie voor de periode 2021 tot e met 2027 voor de internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER).

Hoofdstuk 6

Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

Artikel 19

Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

1.  De instellingen nemen maatregelen om de jaarlijkse begrotingsprocedure vlot te doen verlopen.

2.  De instellingen werken tijdens de gehele procedure te goeder trouw samen om hun standpunten op één lijn te brengen. Hierbij maken de instellingen in alle stadia van de procedure gebruik van passende interinstitutionele contacten om de voortgang van de werkzaamheden te monitoren en de mate van overeenstemming te analyseren.

3.  De instellingen zorgen ervoor dat hun respectieve tijdschema's zoveel mogelijk op elkaar worden afgestemd, zodat de besprekingen op samenhangende en convergente wijze kunnen worden gevoerd en leiden tot de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie.

4.  Trialogen kunnen in alle stadia van de procedure en op verschillende niveaus van vertegen­woordiging worden gehouden, afhankelijk van de aard van de verwachte bespreking. Iedere instelling wijst overeenkomstig haar eigen reglement van orde de deelnemers aan elke bijeenkomst aan, stelt haar mandaat voor de onderhandelingen vast, en stelt de overige instellingen tijdig in kennis van de voor de bijeenkomsten getroffen regelingen.

Artikel 20

Eenheid van de begroting

De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, overeenkomstig artikel 7 van het financieel reglement, inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.

Hoofdstuk 7

Slotbepalingen

Artikel 21

Overgang naar het volgend meerjarig financieel kader

Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

BIJLAGE I

MEERJARIG FINANCIEEL KADER (EU-27)

(miljoen EUR - prijzen van 2018)

Vastleggingskredieten

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

1.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

19 712

19 666

19 133

18 633

18 518

18 646

18 473

132 781

2.  Cohesie, Veerkracht En Waarden

49 741

51 101

52 194

53 954

55 182

56 787

58 809

377 768

2a.  Economische, sociale en territoriale samenhang

45 411

45 951

46 493

47 130

47 770

48 414

49 066

330 235

2b.  Veerkracht en waarden

4 330

5 150

5 701

6 824

7 412

8 373

9 743

47 533

3.  Natuurlijke hulpbronnen en milieu

55 242

52 214

51 489

50 617

49 719

48 932

48 161

356 374

waarvan: marktgerelateerde uitgaven en directe betalingen

38 564

38 115

37 604

36 983

36 373

35 772

35 183

258 594

4.  Migratie en grensbeheer

2 324

2 811

3 164

3 282

3 672

3 682

3 736

22 671

5.  Veiligheid en defensie

1 700

1 725

1 737

1 754

1 928

2 078

2 263

13 185

6.  Nabuurschap en internationaal beleid

15 309

15 522

14 789

14 056

13 323

12 592

12 828

98 419

7.  Europees openbaar bestuur

10 021

10 215

10 342

10 454

10 554

10 673

10 843

73 102

waarvan: administratieve uitgaven van de instellingen

7 742

7 878

7 945

7 997

8 025

8 077

8 188

55 852

TOTAAL

VASTLEGGINGSKREDIETEN

154 049

153 254

152 848

152 750

152 896

153 390

155 113

1 074 300

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

156 557

154 822

149 936

149 936

149 936

149 936

149 936

1 061 058

BIJLAGE II

PROGRAMMASPECIFIEKE AANPASSING – LIJST VAN PROGRAMMA'S, VERDEELSLEUTEL

EN TOTALE EXTRA TOEWIJZINGEN VAN VASTLEGGINGSKREDIETEN

 

 

in miljoen EUR, prijzen van 2018

 

Verdeelsleutel

Totale extra toewijzingen van vastleggingskredieten op grond van artikel 5

1.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

36,36 %

4 000

Horizon Europa

27,27 %

3 000

InvestEU-fonds

9,09 %

1 000

2b.  Veerkracht en waarden

54,55 %

6 000

EU4Health

26,37 %

2 900

Erasmus+

15,46 %

1 700

Creatief Europa

5,45 %

600

Rechten en waarden

7,27 %

800

4.  Migratie en grensbeheer

9,09 %

1 000

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

9,09 %

1 000

TOTAAL

100,00 %

11 000

BIJLAGE 2: VERKLARINGEN

1.  Middelen van prioritaire programma's, kosten van NextGenerationEU en flexibiliteit

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over aanvullende middelen voor specifieke programma's en de aanpassing van basishandelingen

Onverminderd de bevoegdheden van de wetgevende en budgettaire autoriteit komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen de financiële middelen van de door het Europees Parlement aangewezen programma's in de basishandelingen of de financiële programmering, naargelang het geval, te verhogen met 2,5 miljard EUR in prijzen van 2018. Dit zal worden verwezenlijkt door een overeenkomstige verlaging van de onder de MFK-maxima beschikbare marges, onverminderd het eventuele gebruik van het flexibiliteitsinstrument in 2021.

Onverminderd de wetgevende bevoegdheden van de instellingen, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen om in de basishandelingen van de programma's die worden genoemd in bijlage II bij de MFK-verordening een bepaling in te voegen over de verhoging van de financiële middelen met de daarin vermelde bedragen. Voor programma's die begrotingsgaranties invoeren, zal het extra bedrag worden weerspiegeld in het aangepaste niveau van de verstrekte garanties.

Verklaring van het Europees Parlement over aanvullende middelen voor specifieke programma's uit niet-toegewezen marges

Het bedrag van 2,5 miljard EUR in prijzen van 2018 dat wordt genoemd in de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over aanvullende middelen voor specifieke programma's en de aanpassing van basishandelingen zal als volgt worden toegewezen:

—  Horizon Europa: +0,5 miljard EUR

—  Erasmus+: +0,5 miljard EUR, waarvan 165 miljoen EUR in 2021

—  EU4Health: +0,5 miljard EUR, waarvan 70 miljoen EUR in 2021

—  Europees Grens- en kustwachtagentschap: +0,5 miljard EUR

—  Humanitaire hulp: +0,5 miljard EUR

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over het gebruik van teruggevloeide middelen uit de ACS-investeringsfaciliteit ten behoeve van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking

De Raad stemt ermee in dat een bedrag van maximaal 1 miljard EUR (in prijzen van 2018) dat is teruggevloeid uit de ACS-investeringsfaciliteit voor activiteiten in het kader van het 9e, het 10e en het 11e Europese Ontwikkelingsfonds zal worden gebruikt ten behoeve van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking in de periode 2021-2027. De drie instellingen komen overeen dat in het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking moet worden voorzien in de mogelijkheid van ontvangst van die middelen.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over het hergebruik van vrijgemaakte middelen in verband met het onderzoeksprogramma

Onverminderd hun institutionele prerogatieven komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen om voor het onderzoeksprogramma in de periode 2021-2027 vastleggings­kredieten opnieuw beschikbaar te maken die overeenkomen met maximaal 0,5 miljard EUR (in prijzen van 2018) aan vrijmakingen die het resultaat zijn van een gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van projecten die deel uitmaken van dat programma of de voorloper ervan, als bepaald in artikel 15, lid 3, van het financieel reglement.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de behandeling in het MFK 2021-2027 van rentelasten en terugbetalingen in het kader van NextGenerationEU

De drie instellingen komen overeen dat ernaar wordt gestreefd uitgaven om de financieringskosten van NextGenerationEU te dekken niet ten koste te doen gaan van EU-programma's en -fondsen.

De drie instellingen komen overeen dat de behandeling in het MFK 2021-2027 van rentelasten en terugbetalingen in het kader van NextGenerationEU, die momenteel worden begroot op 12,9 miljard EUR voor de zeven jaar, de wijze waarop deze kwestie wordt aangepakt in toekomstige MFK's vanaf 2028 onverlet laat.

De drie instellingen komen overeen werk te maken van voldoende nieuwe eigen middelen om aan een bedrag te komen dat overeenkomt met de verwachte uitgaven voor terugbetalingen en rentelasten.

2.  Eigen middelen

Verklaring van de Commissie over de invoering van eigen middelen op basis van een heffing op digitale diensten

Rekening houdend met de ontwikkelingen op internationaal niveau zal de Commissie vaart zetten achter haar werkzaamheden in verband met de indiening van de nodige voorstellen voor de totstandbrenging van een heffing op digitale diensten in de Unie en zal zij zo spoedig mogelijk en uiterlijk in juni 2021 een voorstel doen voor een basishandeling. Op deze basis zal zij voorstellen dat inkomsten uit de heffing op digitale diensten uiterlijk in januari 2023 eigen middelen worden.

Verklaring van de Commissie over de invoering van eigen middelen op basis van een belasting op financiële transacties

Uiterlijk eind 2022 zouden de besprekingen over de belasting op financiële transacties in het kader van nauwere samenwerking moeten zijn afgerond. Mocht er over de belasting op financiële transacties een akkoord zijn, zal de Commissie een voorstel indienen om inkomsten uit deze belasting over te dragen naar de EU-begroting als eigen middelen.

Indien er uiterlijk eind 2022 geen akkoord is, zal de Commissie zich op effectbeoordelingen baseren om nieuwe eigen middelen voor te stellen op basis van een nieuwe belasting op financiële transacties. De Commissie streeft ernaar deze voorstellen uiterlijk in juni 2024 in te dienen met het oog op invoering uiterlijk op 1 januari 2026.

3.  Rol van de begrotingsautoriteit

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie inzake begrotingstoezicht op nieuwe voorstellen op basis van artikel 122 VWEU met mogelijk noemenswaardige implicaties voor de Uniebegroting

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (hierna "de drie instellingen") erkennen dat artikel 122 VWEU een rechtsgrondslag vormt voor de vaststelling van maatregelen om het hoofd te bieden aan specifieke crisissituaties, die budgettaire gevolgen zouden kunnen hebben met mogelijkerwijs een impact op de ontwikkeling van de uitgaven van de Unie binnen de grenzen van haar eigen middelen.

(2)  In het licht van hun begrotingsbevoegdheden uit hoofde van de Verdragen is het dienstig dat de twee takken van de begrotingsautoriteit beraadslagen over de budgettaire gevolgen van dergelijke voorgenomen handelingen wanneer die gevolgen waarschijnlijk belangrijk zijn. Daartoe moet de Commissie alle relevante informatie verstrekken die nodig is om het Europees Parlement en de Raad in hun beraadslagingen te ondersteunen,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

1.  Deze verklaring bevat afspraken over een procedure voor begrotingstoezicht tussen het Europees Parlement en de Raad, met actieve hulp van de Commissie (hierna "de procedure").

2.  Deze procedure kan worden gevolgd met betrekking tot een voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad op basis van artikel 122 VWEU met mogelijk belangrijke gevolgen voor de Uniebegroting.

3.  De Commissie zal een dergelijk voorstel vergezeld doen gaan van een beoordeling van de budgettaire gevolgen van de voorgestelde rechtshandeling en zal aangeven of deze handeling volgens haar belangrijke gevolgen voor de Uniebegroting kan hebben. Op basis daarvan kunnen het Europees Parlement en de Raad verzoeken de procedure in te leiden.

4.  De procedure verloopt in een gemengd comité bestaande uit vertegenwoordigers van het Europees Parlement en de Raad, op het passende niveau. De Commissie zal aan de werkzaamheden van het gemengd comité deelnemen.

5.  Onverminderd de bevoegdheden van de Raad uit hoofde van artikel 122 VWEU, gaan het Europees Parlement en de Raad een constructieve dialoog aan om tot een gemeenschappelijke kijk op de budgettaire gevolgen van de voorgenomen rechtshandeling te komen, rekening houdend met de urgentie van de aangelegenheid.

6.  De procedure dient plaats te vinden binnen een termijn van ten hoogste twee maanden, tenzij het betrokken besluit vóór een bepaalde datum moet worden vastgesteld of, indien de urgentie van de aangelegenheid zulks vereist, binnen een door de Raad vastgestelde kortere termijn.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over het opnieuw beoordelen van bepalingen in het financieel reglement inzake externe bestemmingsontvangsten en opgenomen en verstrekte leningen

In het licht van NextGenerationEU komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen dat in het kader van de volgende herziening van het financieel reglement de volgende punten zullen worden beoordeeld en waar nodig worden herzien:

—  de bepalingen inzake de externe bestemmingsontvangsten, met name als bedoeld in artikel 21, lid 5, van het financieel reglement;

—  de bepalingen inzake de rapportering over opgenomen en verstrekte leningen.

De drie instellingen erkennen dat de bestaande regels inzake audits en de kwijtingsprocedure van toepassing zijn op bestemmingsontvangsten.

4.  Horizontale vraagstukken - klimaat, biodiversiteit, gelijkheid van mannen en vrouwen en duurzame-ontwikkelingsdoelen

Verklaring van de Commissie over de methode voor klimaatmonitoring en de rol van het Europees Parlement en de Raad

De Commissie zal ervoor zorgen dat de methode voor monitoring van klimaatuitgaven toegankelijk, transparant en openbaar beschikbaar is. De Commissie zal over de methode van gedachten wisselen met het Europees Parlement en de Raad. Transparantie en informatie-uitwisseling met het Europees Parlement en de Raad over de voortgang met de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen zullen een kernbeginsel van de monitoring van klimaatuitgaven zijn.

Verklaring van de Commissie over de klimaatbijdragen per programma

Onverminderd de wetgevende bevoegdheden van het Europees Parlement en de Raad in verband met de betreffende sectorale basishandelingen, worden de klimaatbijdragen voor 2021-2027 met het oog op het behalen van een algemeen streefcijfer van ten minste 30 % van de totale Uniebegroting en NextGenerationEU-uitgaven, voor de relevante programma's en fondsen aangegeven als volgt:

Programma's

Verwachte minimumbijdrage

Horizon Europa

35 %

ITER

100 %

InvestEU-fonds

30 %

Connecting Europe Facility

60 %

EFRO

30 %

Cohesiefonds

37 %

React-EU

25 %

Faciliteit voor herstel en veerkracht

37 %

GLB 2021-2022

26 %

GLB 2023-2027

40 %

EFMZV

30 %

LIFE

61 %

Fonds voor een rechtvaardige transitie

100 %

NDICI

25 %

LGO

25 %

Pretoetredingssteun

16 %

De Commissie zal deze klimaatbijdragen gebruiken als referentiepunt om afwijkingen te beoordelen en maatregelen voor te stellen bij ontoereikende vorderingen.

Verklaring van de Commissie over de methode voor biodiversiteitmonitoring en de rol van het Europees Parlement en de Raad

De Commissie zal ervoor zorgen dat de methode voor monitoring van biodiversiteitsuitgaven toegankelijk, transparant en openbaar beschikbaar is. Zodra de recent door de Commissie gestarte studie over de methode is afgerond, zal de Commissie met het Europees Parlement en de Raad van gedachten wisselen over de methode. Transparantie en informatie-uitwisseling met het Europees Parlement en de Raad over de voortgang met de verwezenlijking van de biodiversiteits­doelstellingen zullen essentieel zijn voor de monitoring.

5.  Andere verklaringen

Verklaring van de Commissie over een tussentijdse evaluatie/herziening

Uiterlijk op 1 januari 2024 zal de Commissie een evaluatie van het functioneren van het MFK presenteren.

De evaluatie kan, voor zover passend, vergezeld gaan van relevante voorstellen tot herziening van de MFK-verordening overeenkomstig de in het VWEU beschreven procedures.

(1) PB C 363 van 28.10.2020, blz. 179.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0032.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0206.
(4)Goedkeuring van … (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(5)Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(6)Verordening (EG) Nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1).
(7)Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de "EG-concentratieverordening") (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).
(8)PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.
(9)Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3).


Interinstitutioneel Akkoord betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen
PDF 225kWORD 85k
Besluit
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Besluit van het Europees Parlement van 16 december 2020 over de sluiting van een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (2018/2070(ACI))
P9_TA(2020)0358A9-0261/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer van 2 mei 2018 (COM(2018)0323) en het gewijzigde voorstel (COM(2020)0444),

–  gezien het ontwerp van interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen,

–  gezien de artikelen 295, 310, 311, 312, 323 en 324 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, aangenomen tijdens de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, die in december 2015 in Parijs werd gehouden,

–  gezien zijn resolutie van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord(1),

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2019 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen(2),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 mei 2020 over het nieuwe meerjarig financieel kader, eigen middelen en het herstelplan(4),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 21 juli 2020,

–  gezien zijn resolutie van 23 juli 2020 over de conclusies van de buitengewone Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020(5),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 16 september 2020 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(6),

–  gezien artikel 148, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien de brief van de Begrotingscommissie,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A9-0261/2020),

A.  overwegende dat het passend is om in het kader van het meerjarig financieel kader (MFK) een interinstitutioneel akkoord vast te stellen met bepalingen voor de uitvoering ervan;

B.  overwegende dat op 10 november 2020 een politiek akkoord werd bereikt tussen vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2021-2027, eigen middelen en het herstelinstrument voor de Europese Unie (Next Generation EU (NGEU));

C.  overwegende dat dit politiek akkoord een hernieuwd interinstitutioneel akkoord betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer omvat, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (“het IIA”);

D.  daarnaast overwegende dat op 5 november 2020 een politiek akkoord is bereikt over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten;

E.  overwegende dat dit nieuwe akkoord in de plaats komt van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(7);

F.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de begrotingsdiscipline en samenwerking tussen de instellingen in verband met begrotingszaken en goed financieel beheer vereist dat de Raad de nodige informatie deelt met het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure met betrekking tot de Europese Raad en de Raad, zodat wordt gewaarborgd dat het Parlement over de noodzakelijke informatie beschikt over de wijze waarop de Raad zijn begroting uitvoert, hetzij rechtstreeks, hetzij via de Commissie;

G.  overwegende dat dit nieuwe akkoord belangrijke nieuwe elementen omvat, met name een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen in de komende zeven jaar, bepalingen over verscherpt begrotingstoezicht op de uitgaven van middelen in het kader van NGEU en regelingen voor het monitoren van de uitgaven voor klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen, gendergelijkheid en gendermainstreaming;

H.  overwegende dat het IIA voor het eerst bepalingen omvat betreffende eigen middelen van de Europese Unie, te weten een nieuwe bijlage met een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen in de loop van het MFK voor de periode 2021-2027 die toereikend zullen zijn om de rente en terugbetalingen van het herstelinstrument van de Europese Unie (NGEU) te dekken; overwegende dat de routekaart de wijziging van het eigenmiddelenbesluit geloofwaardiger en duurzamer maakt en ervoor zorgt dat de maxima van de eigen middelen hoog genoeg zijn om de aansprakelijkheid van de Unie te kunnen dekken, overeenkomstig het beginsel van begrotingsdiscipline in de zin van artikel 310, lid 4, VWEU; overwegende dat ontvangsten uit eigen middelen die de terugbetalingsbehoeften overschrijden als algemene ontvangsten zullen blijven terugvloeien naar de begroting van de Unie overeenkomstig het universaliteitsbeginsel; overwegende dat de routekaart verdere voorstellen voor nieuwe eigen middelen in de financiële periode 2021-2027 niet uitsluit;

I.  overwegende dat het IIA een nieuw onderdeel bevat inzake samenwerking met betrekking tot het herstelinstrument van de Europese Unie (NGEU) dat tot doel heeft te waarborgen dat de begrotingsautoriteit op passende wijze betrokken wordt bij het beheer van de externe bestemmingsontvangsten in het kader van NGEU; overwegende dat dit onderdeel betrekking heeft op een nieuwe gezamenlijke verklaring inzake begrotingstoetsing van nieuwe voorstellen op basis van artikel 122 VWEU, met mogelijk aanzienlijke gevolgen voor de Uniebegroting;

J.  overwegende dat het akkoord voorziet in de monitoring van de uitgaven in de diverse programma’s van de Unie op het gebied van klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen, gendergelijkheid en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties; overwegende dat het IIA aanzienlijke verbeteringen bevat met betrekking tot het ontwerp en de tenuitvoerlegging van methodologieën voor het traceren van het streefdoel van de besteding van 30 % van de algemene begroting van de Unie en van het herstelinstrument van de Europese Unie aan klimaatuitgaven, voor de ontwikkeling van een nieuw streefdoel voor uitgaven van het MFK voor biodiversiteit van 7,5 % met ingang van 2024 en 10 % in 2026 en 2027, en voor het meten van genderspecifieke uitgaven, waaronder de bevordering van gendermainstreaming;

K.  overwegende dat het IIA een nieuw onderdeel bevat met betrekking tot de kwaliteit en vergelijkbaarheid van gegevens betreffende begunstigden, met het oog op de invoering van gestandaardiseerde maatregelen voor het vergaren, vergelijken en samenvoegen van informatie en cijfers over de eindbegunstigden van Uniefinanciering;

L.  overwegende dat het IIA geacht wordt horizontaal van toepassing te zijn en niet belet dat de medewetgevers in het kader van een specifieke verordening bijkomende maatregelen overeenkomen om de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van de gegevens te verbeteren, met name wat de programma’s onder direct beheer betreft, of om de betrokkenheid van de begrotingsautoriteit bij het beheer van de externe bestemmingsontvangsten verder te verbeteren;

M.  overwegende dat het IIA voor het eerst bepalingen omvat met betrekking tot samenwerking en dialoog tussen de instellingen tijdens de onderhandelingen over het MFK, die tot doel hebben te voldoen aan de in het Verdrag gestelde eisen op grond waarvan de instellingen alle maatregelen moeten nemen die nodig zijn om de vaststelling van een MFK te vergemakkelijken, het overleg te bevorderen en hun standpunten in begrotingsaangelegenheden dichter bij elkaar te brengen;

N.  overwegende dat het IIA bestaande bepalingen behoudt en nieuwe regelingen omvat met betrekking tot de beschikbaarstelling van middelen uit de speciale instrumenten, zoals het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, de reserve voor solidariteit en noodhulp, de reserve voor aanpassing aan de brexit, het enkelvoudig marge-instrument en het flexibiliteitsinstrument;

O.  overwegende dat het IIA voorziet in verdere gerichte aanpassingen van de transparantie van de programmering en de prognoses;

P.  overwegende dat het herstelinstrument voor de Europese Unie een nieuwe faciliteit voor herstel en veerkracht omvat; overwegende dat het in het kader van het politieke akkoord dat is bereikt over het herstelinstrument van de Europese Unie en de betrokkenheid van de begrotingsautoriteit bij het beheer van de externe bestemmingsontvangsten in het kader van dit instrument gepast is om te wijzen op de noodzaak van een objectief, eerlijk en transparant rechtskader voor de selectie van de projecten die in het kader van de faciliteit voor herstel en veerkracht zullen worden gefinancierd, en om de nadruk te leggen op de rol van de regionale en lokale overheden bij het helpen verwezenlijken van een herstel dat niet alleen tussen de lidstaten, maar ook tussen de regio’s symmetrisch is.

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het akkoord in bijlage;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het akkoord met de voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Commissie te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, met de bijlage, ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD TUSSEN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE COMMISSIE BETREFFENDE BEGROTINGSDISCIPLINE, SAMENWERKING IN BEGROTINGSZAKEN EN GOED FINANCIEEL BEHEER, ALSMEDE BETREFFENDE NIEUWE EIGEN MIDDELEN, MET INBEGRIP VAN EEN ROUTEKAART VOOR DE INVOERING VAN NIEUWE EIGEN MIDDELEN

HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE COMMISSIE,

hierna de "instellingen",

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 295,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

1.  Dit Interinstitutioneel Akkoord beoogt voor begrotingsdiscipline te zorgen, het verloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure en de interinstitutionele samenwerking op begrotingsgebied te verbeteren, en goed financieel beheer te waarborgen, alsook een samenwerking tot stand te brengen en een routekaart op te stellen voor de invoering in de periode van het meerjarig financieel kader 2021-2027 ("MFK 2021-2027") van nieuwe eigen middelen die voldoende zijn ter dekking van de terugbetaling van het herstelinstrument voor de Europese Unie vastgesteld bij Verordening (EU) 2020/… van de Raad(8)(9) (de "EURI-Verordening").

2.  De begrotingsdiscipline als bedoeld in dit akkoord geldt voor alle uitgaven. Dit akkoord is bindend voor de instellingen zolang het van kracht is. De bijlagen bij dit akkoord vormen een integraal deel hiervan.

3.  Dit akkoord houdt geen wijziging in van de respectieve begrotings- en wetgevingsbevoegdheden van de instellingen, zoals vastgelegd in de Verdragen, in Verordening (EU, Euratom) 2020/… van de Raad(10)(11) (de "MFK-verordening"), in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(12) (het "financieel reglement"), en in Besluit (EU, Euratom) 2020/… van de Raad(13)(14) (het "eigenmiddelenbesluit"), en doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de nationale parlementen met betrekking tot de eigen middelen.

4.  Voor wijzigingen van dit akkoord is de gezamenlijke instemming van de instellingen nodig.

5.  Dit akkoord bestaat uit vier delen:

—  Deel I bevat bepalingen betreffende het meerjarig financieel kader (MFK) en betreffende de thematische en niet-thematische bijzondere instrumenten;

—  Deel II betreft de interinstitutionele samenwerking in begrotingszaken;

—  Deel III bevat bepalingen betreffende een goed financieel beheer van de middelen van de Unie;

—  Deel IV bevat bepalingen betreffende de kwaliteit en vergelijkbaarheid van gegevens over begunstigden in het kader van de bescherming van de Uniebegroting.

6.  Dit akkoord treedt in werking op …(15) en vervangt het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(16).

DEEL I

MFK EN BIJZONDERE INSTRUMENTEN

A.  Bepalingen betreffende het MFK

7.  Behalve wat betreft de subrubriek "economische, sociale en territoriale samenhang" zorgen de instellingen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de algemene begroting van de Unie zoveel mogelijk voor dat, met het oog op een goed financieel beheer, onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende marges beschikbaar blijven.

Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten

8.  Ieder jaar actualiseert de Commissie de prognoses voor de betalingskredieten voor de periode tot ten minste 2027. Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met inbegrip van de daadwerkelijke uitvoering van begrotingskredieten voor vastleggingen en begrotingskredieten voor betalingen, alsmede de prognoses voor de uitvoering. Tevens beoordeelt de Commissie de regels die zijn vastgesteld om te waarborgen dat de betalingskredieten zich op een geordende wijze ontwikkelen ten opzichte van de vastleggingskredieten en van de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie.

B.  BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE THEMATISCHE EN DE NIET-THEMATISCHE BIJZONDERE INSTRUMENTEN

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

9.  Indien is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, dient de Commissie een voorstel in om die middelen ter beschikking te stellen, en het besluit om die middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering ter beschikking te stellen wordt gezamenlijk door het Europees Parlement en door de Raad genomen.

Tegelijk met haar voorstel voor een besluit tot terbeschikkingstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in tot overschrijving naar de desbetreffende begrotingsonderdelen.

Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het financieel reglement.

Reserve voor solidariteit en noodhulp

10.  Indien de Commissie van oordeel is dat is voldaan aan de voorwaarden voor het ter beschikking stellen van middelen uit de Reserve voor solidariteit en noodhulp, dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in tot overschrijving uit die reserve naar de corresponderende begrotingsonderdelen overeenkomstig het financieel reglement.

Het besluit om bedragen ter beschikking te stellen uit hoofde van artikel 9, lid 1, punt a) van de MFK-verordening, wordt gezamenlijk door het Europees Parlement en door de Raad genomen na een voorstel van de Commissie overeenkomstig de desbetreffende basishandeling.

Voordat zij een voorstel tot overschrijving uit de Reserve voor solidariteit en noodhulp voor bijstand uit hoofde van artikel 9, lid 1, punt b), van de MFK-verordening doet, onderzoekt de Commissie de mogelijkheden tot herschikking van kredieten.

Reserve voor aanpassing aan de brexit

11.  Indien is voldaan aan de in het desbetreffende instrument gestelde voorwaarden inzake de terbeschikkingstelling van middelen uit de Reserve voor aanpassing aan de brexit, dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een voorstel in tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen.

Overschrijvingen betreffende de Reserve voor aanpassing aan de brexit geschieden overeenkomstig het financieel reglement.

Enkelvoudig marge-instrument

12.  De Commissie kan voorstellen de bedragen die overeenkomen met alle of een deel van de in artikel 11, lid 1, eerste alinea, punten a) en c), van de MFK-verordening bedoelde marges, ter beschikking te stellen met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting. De terbeschikkingstelling van bedragen bedoeld in artikel 11, lid 1, eerste alinea, punt c), van die verordening wordt voorgesteld door de Commissie na een grondige analyse van alle andere financiële mogelijkheden.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen die bedragen ter beschikking stellen in het kader van de in artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) beschreven begrotingsprocedure.

Flexibiliteitsinstrument

13.  De Commissie dient een voorstel in voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument nadat zij alle mogelijkheden heeft onderzocht om kredieten te herschikken binnen de rubriek waarvoor aanvullende uitgaven vereist zijn.

In dat voorstel worden de behoeften waarin moet worden voorzien en het bedrag vermeld. Een dergelijk voorstel kan worden gedaan met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking stellen in het kader van de in artikel 314 VWEU beschreven begrotingsprocedure.

DEEL II

VERBETERING VAN DE INTERINSTITUTIONELE SAMENWERKING IN BEGROTINGSZAKEN

A.  PROCEDURE VOOR INTERINSTITUTIONELE SAMENWERKING

14.  Het precieze verloop van de interinstitutionele samenwerking tijdens de begrotingsprocedure wordt beschreven in bijlage I.

15.  Conform artikel 312, lid 5, VWEU nemen de instellingen alle maatregelen die nodig zijn ter vergemakkelijking van de vaststelling van een nieuw MFK of een herziening ervan overeenkomstig de speciale wetgevingsprocedure bedoeld in artikel 312, lid 2, VWEU. Die maatregelen zullen regelmatige vergaderingen en informatie-uitwisseling tussen het Europees Parlement en de Raad omvatten, alsook, op initiatief van de Commissie, vergaderingen van de voorzitters van de instellingen als beschreven in artikel 324 VWEU om het overleg te bevorderen en de standpunten van de instellingen dichter bij elkaar te brengen. Indien een voorstel voor een nieuw MFK of voor een ingrijpende herziening is ingediend, zullen de instellingen ernaar streven in de loop van de vaststellingsprocedure specifieke regelingen voor samenwerking en dialoog vast te leggen.

Budgettaire transparantie

16.  De Commissie stelt een jaarverslag op te begeleiding van de algemene begroting van de Unie dat alle beschikbare niet-vertrouwelijke informatie bevat betreffende:

a)  de activa en passiva van de Unie, met inbegrip van die welke voortkomen uit leningen die de Unie overeenkomstig de haar bij de Verdragen toegekende bevoegdheden heeft opgenomen en verstrekt;

b)  de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds(17), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit, het Europees Stabiliteitsmechanisme, en andere mogelijke toekomstige mechanismen;

c)  de uitgaven van de lidstaten in het kader van de nauwere samenwerking, voor zover die niet in de algemene begroting van de Unie zijn opgenomen;

d)  klimaatuitgaven, op basis van een doeltreffende door de Commissie vastgestelde methode en, in voorkomend geval, in overeenstemming met sectorale wetgeving, voor het monitoren van de klimaatuitgaven en de resultaten ervan, met het oog op het bereiken van de algemene doelstelling dat ten minste 30 % van de totale uitgaven uit de Uniebegroting en uit het herstelinstrument voor de Europese Unie worden besteed ter ondersteuning van de klimaatdoelen, rekening houdend met de effecten van de afbouw van de financiering uit het herstelinstrument voor de Europese Unie en waar mogelijk een onderscheid makend tussen klimaatveranderingsmitigatie en -adaptatie.

Indien er binnen een of meer van de desbetreffende programma's onvoldoende vorderingen zijn gemaakt inzake de doelstelling voor klimaatuitgaven, zullen de instellingen overeenkomstig hun bevoegdheden en de wetgeving ter zake met elkaar overleggen over passende maatregelen die moeten worden genomen opdat de uitgaven van de Unie voor klimaatdoelstellingen tijdens het volledige MFK 2021-2027 overeenkomen met ten minste 30 % van de totale uitgaven uit de begroting van de Unie en uit het Europese herstelinstrument.

e)  uitgaven om het biodiversiteitsverlies tot staan te brengen en om te buigen, op basis van een effectieve, transparante en alomvattende methode die door de Commissie in samenwerking met het Europees Parlement en met de Raad wordt ontwikkeld en, waar relevant, overeenkomstig sectorale wetgeving, met het oog op de ambitie om in 2024 7,5 % , en in 2026 en 2027 10 %, van de jaarlijkse MFK-uitgaven te besteden aan biodiversiteitsdoelstellingen, rekening houdend met de bestaande overlapping tussen klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen;

f)  het bevorderen van de gelijkheid van vrouwen en mannen, alsmede van de rechten en gelijke kansen voor iedereen tijdens de uitvoering van en het toezicht op de betrokken programma's, en de integratie van deze doelstellingen en van de genderdimensie in het beleid, onder meer door in het kader voor betere regelgeving de gendereffecten beter te beoordelen in effectbeoordelingen en evaluaties. De Commissie zal onderzoeken hoe een methode kan worden ontwikkeld om de relevante uitgaven op programmaniveau te meten in het MFK 2021-2027. De Commissie zal deze methode gebruiken zodra zij beschikbaar is. Om de haalbaarheid van die methodiek te testen, zal de Commissie die uiterlijk op 1 januari 2023 toepassen op bepaalde centraal beheerde programma's. Halverwege de looptijd zal worden nagegaan of de methodiek voor de resterende looptijd van het MFK 2021-2027 kan worden uitgebreid naar andere programma's.

g)  de uitvoering van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties in alle betrokken Unieprogramma's van het MFK 2021-2027.

De in de eerste alinea, onder punten d) en e) bedoelde doeltreffende methodieken zullen waar mogelijk de bijdrage vermelden van de Uniebegroting aan de Europese Green Deal, die het "berokken geen schade-beginsel" omvat.

De in de eerste alinea, punt d), bedoelde doeltreffende methodiek zal transparant, alomvattend, resultaatgericht en op prestaties gebaseerd zijn, zal jaarlijkse raadpleging van het Europees Parlement en van de Raad door de Commissie behelzen, en zal de relevante maatregelen bevatten die moeten worden genomen wanneer er onvoldoende vooruitgang is geboekt bij het verwezenlijken van toepasselijke doelstellingen.

Geen van de in dit punt bedoelde methodieken zou mogen leiden tot buitensporige administratieve lasten voor projecthouders of voor begunstigden.

17.  De Commissie stelt een jaarverslag op over de uitvoering van het herstelinstrument voor de Europese Unie. In dat jaarverslag wordt beschikbare niet-vertrouwelijke informatie samengebracht over:

—  activa en passiva die voortkomen uit leningen die zijn opgenomen en verstrekt op grond van artikel 5 van het eigenmiddelenbesluit;

—  het totale bedrag van de opbrengsten die zijn toegewezen aan de programma's van de Unie ter uitvoering van het herstelinstrument voor de Europese Unie in het voorgaande jaar, uitgesplitst naar programma en begrotingsonderdeel;

—  de bijdrage van de middelen uit opgenomen leningen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het herstelinstrument voor de Europese Unie en de specifieke programma's van de Unie.

B.  OPNEMING VAN FINANCIËLE BEPALINGEN IN WETGEVINGSHANDELINGEN

18.  Wetgevingshandelingen betreffende meerjarenprogramma's die overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld, bevatten een bepaling waarin de wetgever de financiële middelen van het programma vaststelt.

Dit bedrag vormt voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure.

Voor programma's die worden genoemd in bijlage II bij de MFK-verordening, wordt het voornaamste referentiebedrag automatisch verhoogd met de extra toewijzingen bedoeld in artikel 5, lid 1, van de MFK-verordening.

Het Europees Parlement en de Raad, en de Commissie wanneer zij de ontwerpbegroting opstelt, verbinden zich ertoe voor de gehele looptijd van het betrokken programma niet meer dan 15 % van dit bedrag af te wijken, behalve in het geval van nieuwe objectieve en langdurende omstandigheden waarvoor uitdrukkelijke en nauwkeurige redenen worden gegeven, waarbij rekening wordt gehouden met de bij de tenuitvoerlegging van het programma verwezenlijkte resultaten, met name op basis van evaluaties. Uit dergelijke afwijkingen voortvloeiende verhogingen blijven onder het voor de betrokken rubriek geldende maximum, zonder afbreuk te doen aan het gebruik van de in de MFK-verordening of in dit akkoord bedoelde instrumenten.

De vierde alinea is niet van toepassing op de in de derde alinea bedoelde extra toewijzingen.

Dit punt geldt niet voor kredieten in het kader van het cohesiebeleid die overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld, van tevoren per lidstaat zijn toegewezen en die de financiële middelen voor de gehele duur van een programma regelen, noch voor de in artikel 18 van de MFK-verordening bedoelde grootschalige projecten.

19.  Juridisch bindende handelingen van de Unie betreffende meerjarenprogramma's die niet overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld, bevatten geen "noodzakelijk geacht bedrag".

Mocht de Raad wensen een financieel referentiebedrag op te nemen, dient dat bedrag slechts ter indicatie van de wil van de wetgever en laat dat de in het VWEU vastgestelde begrotingsbevoegdheden van het Europees Parlement en de Raad onverlet. In alle juridisch bindende handelingen van de Unie waarin een dergelijk financieel referentiebedrag is genoemd, wordt daartoe een bepaling opgenomen.

C.  UITGAVEN BETREFFENDE VISSERIJOVEREENKOMSTEN

20.  Voor uitgaven uit hoofde van visserijovereenkomsten gelden de volgende bijzondere regels.

De Commissie verbindt zich ertoe het Europees Parlement regelmatig op de hoogte te houden van de voorbereiding en het verloop van de onderhandelingen inzake visserijovereenkomsten, met inbegrip van de gevolgen van die overeenkomsten voor de begroting.

Gedurende de wetgevingsprocedure betreffende visserijovereenkomsten verbinden de instellingen zich ertoe alles in het werk te stellen opdat alle procedures zo spoedig mogelijk worden afgewikkeld.

Bedragen die in de begroting zijn voorzien voor nieuwe visserijovereenkomsten of voor de verlenging van visserijovereenkomsten, die in werking treden na 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, worden opgenomen in de reserve.

Indien de kredieten betreffende visserijovereenkomsten, met inbegrip van de reserve, ontoereikend blijken, verstrekt de Commissie het Europees Parlement en de Raad de nodige informatie over de oorzaken van die situatie en over maatregelen die volgens gevestigde procedures kunnen worden vastgesteld. Waar nodig stelt de Commissie passende maatregelen voor.

Elk kwartaal verstrekt de Commissie het Europees Parlement en de Raad gedetailleerde informatie over de tenuitvoerlegging van geldende visserijovereenkomsten en een financiële prognose voor de rest van het jaar.

21.  Onverminderd de toepasselijke procedure voor onderhandelingen over visserijovereenkomsten verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe in het kader van de begrotingssamenwerking tijdig een akkoord te bereiken over de adequate financiering van visserijovereenkomsten.

D.  FINANCIERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID (GBVB)

22.  Het totale bedrag van de beleidsuitgaven van het GBVB wordt volledig in een begrotingshoofdstuk opgenomen, met als titel GBVB. Dat bedrag voorziet in de voorspelbare reële behoeften, zoals geraamd bij de opstelling van de ontwerpbegroting, op basis van jaarlijks door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid ("de hoge vertegenwoordiger") gemaakte prognoses. Er wordt voorzien in een redelijke marge ter dekking van onvoorziene acties. Er mogen geen middelen in een reserve worden opgenomen.

23.  Ten aanzien van de uitgaven van het GBVB die overeenkomstig artikel 41 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ten laste van de Uniebegroting komen, streven de instellingen ernaar elk jaar in het in artikel 314, lid 5, VWEU bedoelde bemiddelingscomité en op basis van de door de Commissie opgestelde ontwerpbegroting overeenstemming te bereiken over het bedrag van de beleidsuitgaven en over de verdeling van dat bedrag over de artikelen van het GBVB-hoofdstuk van de begroting. Wordt geen overeenstemming bereikt, dan nemen het Europees Parlement en de Raad in de begroting het bedrag op dat in de voorgaande begroting was vastgelegd of, indien het lager is, het bedrag dat in de ontwerpbegroting wordt voorgesteld.

Het totale bedrag van de beleidsuitgaven van het GBVB wordt verdeeld over de artikelen van het GBVB-hoofdstuk van de begroting zoals voorgesteld in de derde alinea. Elk artikel heeft betrekking op reeds vastgestelde acties, op acties die zijn voorzien maar nog niet zijn vastgesteld en op bedragen voor toekomstige, d.w.z. niet-voorziene, acties die door de Raad in de loop van het betrokken begrotingsjaar worden vastgesteld.

Binnen het GBVB-hoofdstuk van de begroting zouden de artikelen waaronder de GBVB-acties moeten worden ondergebracht, als volgt kunnen luiden:

—  de belangrijkste missies bedoeld in artikel 52, lid 1, punt g), van het financieel reglement;

—  andere missies (voor crisisbeheersingsoperaties, preventie, oplossing en stabilisering van conflictsituaties en het toezien op en de tenuitvoerlegging van vredes- en veiligheidsprocessen);

—  non-proliferatie en ontwapening;

—  spoedeisende maatregelen;

—  voorbereidende en vervolgmaatregelen;

—  speciale vertegenwoordigers van de Europese Unie.

Daar de Commissie krachtens het financieel reglement de bevoegdheid heeft autonoom kredietoverschrijvingen te verrichten tussen artikelen binnen het GBVB-hoofdstuk van de begroting, wordt derhalve de voor een snelle uitvoering van GBVB-acties vereiste flexibiliteit gewaarborgd. Indien het bedrag van het GBVB-hoofdstuk van de begroting gedurende het begrotingsjaar ontoereikend is om de noodzakelijke uitgaven te dekken, streven het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie met spoed naar een oplossing.

24.  De hoge vertegenwoordiger raadpleegt het Europees Parlement jaarlijks over een uiterlijk op 15 juni van het betrokken jaar te verstrekken toekomstgericht document dat de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen van het GBVB behelst, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de Uniebegroting, een beoordeling van de in jaar n-1 gestarte maatregelen, alsmede een beoordeling van de coördinatie tussen en de complementariteit van het GBVB en andere externe financiële instrumenten van de Unie. Bovendien houdt de hoge vertegenwoordiger het Europees Parlement regelmatig op de hoogte door middel van gezamenlijke overlegvergaderingen die ten minste vijf keer per jaar in het kader van de gewone politieke dialoog over het GBVB plaatsvinden en die elk jaar uiterlijk op 30 november worden overeengekomen. Over de deelneming aan die vergaderingen wordt om beurten besloten door het Europees Parlement en door de Raad, rekening houdend met de doelstelling en de aard van de tijdens die vergaderingen uit te wisselen informatie.

De Commissie wordt uitgenodigd om aan deze vergaderingen deel te nemen.

Wanneer de Raad een besluit op GBVB-gebied vaststelt dat uitgaven meebrengt, legt de hoge vertegenwoordiger het Europees Parlement onmiddellijk en in elk geval binnen vijf werkdagen daarna een schatting van de geraamde kosten ("financieel memorandum") voor, met name de kosten inzake tijdsduur, personeel, gebruik van gebouwen en andere infrastructuur, vervoermiddelen, opleidingsvereisten en veiligheidsregelingen.

De Commissie licht het Europees Parlement en de Raad eenmaal per kwartaal in over de uitvoering van de GBVB-acties en over de financiële prognoses voor de rest van het begrotingsjaar.

E.  BETROKKENHEID VAN DE INSTELLINGEN

TEN AANZIEN VAN ONTWIKKELINGSBELEIDSKWESTIES

25.  De Commissie zet een informele dialoog met het Europees Parlement op over ontwikkelingsbeleidskwesties.

DEEL III

GOED FINANCIEEL BEHEER VAN DE MIDDELEN VAN DE UNIE

A.  FINANCIËLE PROGRAMMERING

26.  De Commissie dient tweemaal per jaar – de eerste maal samen met de documenten bij de ontwerpbegroting en de tweede maal na de vaststelling van de algemene begroting van de Unie – een volledige financiële programmering in voor de rubrieken 1, 2 (behalve voor de subrubriek voor "economische, sociale en territoriale samenhang"), 3 (voor "milieu en klimaatactie" en "maritiem beleid en visserij"), 4, 5 en 6 van het MFK. Die per rubriek, beleidsgebied en begrotingsonderdeel opgestelde programmering zou het volgende in kaart moeten brengen:

a)  de geldende wetgeving, waarbinnen een onderscheid wordt gemaakt tussen meerjarenprogramma's en jaarlijkse acties:

i)   voor de meerjarenprogramma's zou de Commissie moeten aangeven volgens welke procedure zij zijn vastgesteld (gewone of bijzondere wetgevingsprocedure), de looptijd, de totale financiële middelen en het voor administratieve uitgaven bestemde aandeel daarvan;

ii)   voor de in bijlage II bij de MFK-verordening genoemde meerjarenprogramma's, zou de Commissie de extra toewijzingen uit hoofde van artikel 5 van de MFK-verordening transparant moeten aanwijzen;

iii)   voor jaarlijkse acties (met betrekking tot proefprojecten, voorbereidende acties en agentschappen) en voor op grond van de prerogatieven van de Commissie gefinancierde acties zou de Commissie meerjarige ramingen moeten verstrekken;

b)  aanhangige wetgevingsvoorstellen: Commissievoorstellen die in behandeling zijn, volgens de laatste stand van zaken.

De Commissie zou moeten nagaan hoe er een kruisverwijzing tot stand kan worden gebracht tussen de financiële programmering en de betreffende wetgevingsprogrammering, opdat de prognoses nauwkeuriger en betrouwbaarder kunnen worden. Voor elk wetgevingsvoorstel zou de Commissie moeten vermelden of dit in de ten tijde van de voorstelling van de ontwerpbegroting of de na de definitieve vaststelling van de begroting meegedeelde programmering is opgenomen. De Commissie zou het Europees Parlement en de Raad met name in kennis moeten stellen van:

a)  alle nieuwe wetgevingshandelingen die zijn vastgesteld en alle aanhangige voorstellen die zijn ingediend, maar niet zijn opgenomen in programmering meegedeeld ten tijde van de ontwerpbegroting of na de definitieve vaststelling van de begroting (met de desbetreffende bedragen);

b)  de in het jaarlijkse wetgevingsprogramma van de Commissie beoogde wetgeving, met vermelding of de acties al dan niet financiële gevolgen zullen hebben.

Indien nodig zou de Commissie melding moeten maken van de herprogrammering die de nieuwe wetgevingsvoorstellen noodzakelijk maken.

B.  AGENTSCHAPPEN EN EUROPESE SCHOLEN

27.  Voordat zij een voorstel voor de oprichting van een nieuw agentschap indient, zou de Commissie een degelijke, volledige en objectieve effectbeoordeling moeten verrichten, waarin onder meer rekening wordt gehouden met de kritische massa aan personeel en vaardigheden, kosten-batenaspecten, subsidiariteit en evenredigheid, het effect op nationale en Uniewerkzaamheden en de budgettaire gevolgen voor de betrokken uitgavenrubriek. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe, op basis van die informatie en onverminderd de wetgevingsprocedures voor de oprichting van agentschappen, in het kader van de begrotingssamenwerking tijdig tot een akkoord te komen over de financiering van het voorgestelde agentschap.

De volgende procedurestappen worden daarbij gevolgd:

—  ten eerste legt de Commissie stelselmatig elk voorstel tot oprichting van een nieuw agentschap voor aan de eerste trialoogvergadering na de aanneming van haar voorstel, waarbij zij tevens het financieel memorandum bij het wetgevingsvoorstel waarin de oprichting van het agentschap wordt voorgesteld, overlegt en de gevolgen ervan voor de resterende periode van de financiële programmering uiteenzet;

—  ten tweede staat de Commissie de wetgever gedurende het wetgevingsproces bij in het beoordelen van de financiële gevolgen van de voorgestelde wijzigingen. Die financiële gevolgen zouden in overweging moeten worden genomen tijdens de betrokken wetgevingstrialogen;

—  ten derde dient de Commissie vóór de afsluiting van het wetgevingsproces een bijgewerkt financieel memorandum in waarin rekening is gehouden met mogelijke wijzigingen door de wetgever; dat financieel memorandum wordt op de agenda van de laatste wetgevingstrialoog geplaatst en wordt formeel bekrachtigd door de wetgever. Het wordt ook (in spoedeisende gevallen in vereenvoudigde vorm) op de agenda van een volgende budgettaire trialoogvergadering geplaatst met het oog op het bereiken van overeenstemming over de financiering;

—  ten vierde wordt de overeenstemming die in het kader van een trialoog is bereikt, rekening houdend met de begrotingsraming door de Commissie met betrekking tot de inhoud van het wetgevingsproces, bevestigd in een gezamenlijke verklaring. Die overeenstemming wordt door het Europees Parlement en door de Raad conform hun eigen reglement van orde goedgekeurd.

Dezelfde procedure zou worden gevolgd voor alle wijzigingen van een rechtshandeling betreffende een agentschap die een effect zouden hebben op de middelen van het betrokken agentschap.

Mochten de taken van een agentschap ingrijpend worden gewijzigd zonder dat de rechtshandeling tot oprichting van het agentschap in kwestie wordt gewijzigd, stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis middels een herzien financieel memorandum, zodat het Europees Parlement en de Raad tijdig overeenstemming kunnen bereiken over de financiering van het agentschap.

28.  De relevante bepalingen van de gemeenschappelijke aanpak die is gehecht aan de op 19 juli 2012 ondertekende gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen, zouden bij de begrotingsprocedure terdege in aanmerking moeten worden genomen.

29.  Wanneer de Raad van bestuur van de Europese scholen overweegt een nieuwe Europese school op te richten, wordt mutatis mutandis een soortgelijke procedure gevolgd om de budgettaire gevolgen voor de Uniebegroting vast te stellen.

DEEL IV

BESCHERMING VAN DE UNIEBEGROTING: KWALITEIT EN VERGELIJKBAARHEID VAN GEGEVENS OVER BEGUNSTIGDEN

30.  Overeenkomstig de verzoeken van het Europees Parlement en als antwoord op punt 24 van de conclusies van de Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020 en om de Uniebegroting en het herstelinstrument voor de Europese Unie beter te beschermen tegen fraude en onregelmatigheden, komen de instellingen overeen dat er gestandaardiseerde maatregelen worden ingevoerd voor het verzamelen, vergelijken en aggregeren van informatie en cijfers over de uiteindelijke ontvangers en begunstigden van financiering door de Unie, met het oog op controle en audit.

31.  Om doeltreffende controles en audits te waarborgen, is het noodzakelijk gegevens te verzamelen over degenen die uiteindelijk, direct of indirect, begunstigd worden door Uniefinanciering in gedeeld beheer en door projecten en hervormingen die worden ondersteund in het kader van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een faciliteit voor herstel en veerkracht, met inbegrip van gegevens over de uiteindelijke begunstigden van de ontvangers van de financiering. De regels voor het verzamelen en verwerken van dergelijke gegevens zullen in overeenstemming moeten zijn met de toepasselijke gegevensbeschermingsvoorschriften.

32.  Om de Uniebegroting beter te beschermen, zal de Commissie een geïntegreerd, interoperabel informatie- en monitoringsysteem beschikbaar maken, met inbegrip van een centraal datamining- en risicoscore-instrument, om toegang te hebben tot de in punt 31 bedoelde gegevens en die gegevens te analyseren met het oog op een veralgemeende toepassing door de lidstaten. Dat systeem zou zorgen voor efficiënte controles op belangenconflicten, onregelmatigheden, gevallen van dubbele financiering, en om het even welk misbruik van de middelen. De Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en andere onderzoeks- en controleorganen van de Unie zouden de nodige toegang tot die gegevens moeten hebben, zodat zij hun toezichtfunctie kunnen uitoefenen met betrekking tot de controles en audits die de lidstaten in de eerste plaats moeten uitvoeren, met als doel onregelmatigheden op te sporen en administratief onderzoek te verrichten naar het misbruik van de betrokken Uniefinanciering, en om een gedetailleerd beeld te krijgen van de verdeling ervan.

33.  Onverminderd de prerogatieven van de instellingen op grond van de Verdragen, verplichten de instellingen zich ertoe om gedurende de wetgevingsprocedure betreffende de betrokken basishandelingen loyaal samen te werken opdat gevolg wordt gegeven aan de conclusies van de Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020, overeenkomstig de in dit deel beschreven aanpak.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad Voor de Commissie

De voorzitter De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

INTERINSTITUTIONELE SAMENWERKING TIJDENS DE BEGROTINGSPROCEDURE

Deel A. Tijdschema voor de begrotingsprocedure

1.  De instellingen stellen ieder jaar lang genoeg vóór de aanvang van de begrotingsprocedure een pragmatisch tijdschema vast op basis van de huidige praktijk.

2.  Om ervoor te zorgen dat het Europees Parlement en de Raad hun begrotingsprerogatieven op effectieve wijze kunnen uitoefenen, worden begrotingsstandpunten, overschrijvingen of andere kennisgevingen waardoor termijnen worden geactiveerd, ingediend met inachtneming van eventuele recesperiodes; de instellingen brengen elkaar via hun respectieve diensten tijdig op de hoogte van de data van die recesperiodes.

Deel B. Prioriteiten voor de begrotingsprocedure

3.  Ruim voor de Commissie de ontwerpbegroting vaststelt, wordt een trialoog belegd voor het bespreken van de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar en eventuele vragen die rijzen in verband met de uitvoering van de begroting van het lopende begrotingsjaar, op basis van de informatie die de Commissie overeenkomstig punt 37 heeft verstrekt.

Deel C. Opstelling van de ontwerpbegroting en actualisering van de ramingen

4.  De instellingen, met uitzondering van de Commissie, wordt verzocht hun raming vóór eind maart vast te stellen.

5.  De Commissie dient elk jaar een ontwerpbegroting in, die de werkelijke financieringsbehoeften van de Unie weergeeft.

De ontwerpbegroting houdt rekening met:

a)  door de lidstaten verstrekte prognoses met betrekking tot de structuurfondsen;

b)  de capaciteit voor de besteding van de kredieten, waarbij zij ernaar streeft een strikte verhouding aan te houden tussen vastleggingskredieten en betalingskredieten;

c)  de mogelijkheden om nieuwe beleidsmaatregelen uit te voeren door middel van proefprojecten, nieuwe voorbereidende acties, of beide, of om aflopende meerjarenacties voort te zetten, na te hebben beoordeeld of het mogelijk is een basishandeling in de zin van het financieel reglement (definitie van een basishandeling, noodzaak van een basishandeling voor uitvoering en uitzonderingen) te verkrijgen;

d)  de noodzaak om ervoor te zorgen dat een verandering in de uitgaven ten opzichte van het voorgaande jaar in overeenstemming is met de eisen van begrotingsdiscipline.

6.  De instellingen vermijden zoveel mogelijk om in de begroting posten op te nemen met onbeduidende bedragen voor beleidsuitgaven .

7.  Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich er ook toe rekening te houden met de evaluatie van de mogelijkheden voor de uitvoering van de begroting die de Commissie in haar ontwerpen en in verband met de uitvoering van de begroting voor het lopende begrotingsjaar heeft verricht.

8.  Ter wille van een goed financieel beheer en gelet op de gevolgen voor de rapporteringstaken van de Commissiediensten inzake dat beheer, van de in de titels en hoofdstukken van de begrotingsnomenclatuur aangebrachte wezenlijke veranderingen, verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe alle wezenlijke veranderingen tijdens de bemiddelingsprocedure met de Commissie te bespreken.

9.  Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de hele bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus te onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars met het oog op het bereiken van een akkoord. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen en gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie, naar gelang van de behoeften, technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt ervoor dat het Europees Parlement en de Raad tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten krijgen.

10.  Tot de bijeenkomst van het bemiddelingscomité kan de Commissie overeenkomstig artikel 314, lid 2, VWEU indien nodig nota's van wijzigingen van de ontwerpbegroting indienen, met inbegrip van een nota van wijzigingen waarin met name de ramingen van de landbouwuitgaven worden geactualiseerd. De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad ter overweging informatie over die actualiseringen, zodra die beschikbaar is. Zij verstrekt het Europees Parlement en de Raad alle naar behoren gemotiveerde redenen die zij noodzakelijk achten.

Deel D. Begrotingsprocedure vóór de bemiddelingsprocedure

11.  Vóór de lezing in de Raad wordt tijdig een trialoog belegd om de instellingen de gelegenheid te geven van gedachten te wisselen over de ontwerpbegroting.

12.  Om de Commissie in staat te stellen tijdig de uitvoerbaarheid te onderzoeken van de door het Europees Parlement en door de Raad beoogde wijzigingen waarbij nieuwe voorbereidende acties of proefprojecten in het leven worden geroepen of bestaande worden verlengd, geven het Europees Parlement en de Raad de Commissie kennis van hun voornemens dienaangaande, zodat een eerste bespreking daarvan reeds kan plaatsvinden tijdens die trialoog.

13.  Een trialoog kan worden belegd vóór de plenaire stemming in het Europees Parlement.

Deel E. Bemiddelingsprocedure

14.  Indien het Europees Parlement amendementen vaststelt op het standpunt van de Raad, neemt de voorzitter van de Raad tijdens diezelfde plenaire vergadering nota van de verschillende standpunten van beide instellingen en stemt hij ermee in dat de voorzitter van het Europees Parlement onmiddellijk het bemiddelingscomité bijeenroept. De brief waarbij het bemiddelingscomité wordt bijeengeroepen, wordt uiterlijk verzonden op de eerste werkdag van de week na het einde van de vergaderperiode van het Europees Parlement waarin de plenaire stemming heeft plaatsgevonden; de bemiddelingsperiode begint de daaropvolgende dag. De termijn van 21 dagen wordt berekend overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad(18).

15.  Indien de Raad niet met alle door het Europees Parlement aangenomen amendementen kan instemmen, zou hij dit moeten bevestigen in een brief die wordt verzonden vóór de eerste in de bemiddelingsperiode geplande vergadering. In dat geval gaat het bemiddelingscomité volgens de in de onderstaande punten vastgestelde procedure te werk.

16.  Het voorzitterschap van het bemiddelingscomité wordt gezamenlijk bekleed door vertegenwoordigers van het Europees Parlement en van de Raad. De vergaderingen van het bemiddelingscomité worden voorgezeten door de medevoorzitter van de instelling waar de bijeenkomst plaatsvindt. Iedere instelling wijst, overeenkomstig haar eigen reglement van orde, haar deelnemers aan iedere bijeenkomst aan en stelt haar mandaat voor de onderhandelingen vast. Het Europees Parlement en de Raad worden op een passend niveau vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodanig dat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.

17.  De Commissie neemt overeenkomstig artikel 314, lid 5, tweede alinea, VWEU deel aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité en neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en van de Raad nader tot elkaar te brengen.

18.  Trialogen vinden gedurende de gehele bemiddelingsprocedure plaats, op verschillende niveaus van vertegenwoordiging, om de openstaande problemen op te lossen en het bereiken van overeenstemming in het bemiddelingscomité voor te bereiden.

19.  De bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen vinden afwisselend plaats in de gebouwen van het Europees Parlement en die van de Raad, opdat de voorzieningen, waaronder de tolkenfaciliteiten, gelijkelijk worden gebruikt.

20.  De datums voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen.

21.  Het bemiddelingscomité krijgt een gemeenschappelijk dossier (de "basisdocumentatie") ter beschikking gesteld waarin de verschillende fasen van de begrotingsprocedure worden vergeleken(19). Die documenten bevatten bedragen per begrotingsonderdeel, totaalbedragen per rubriek van het MFK en een geconsolideerd document met bedragen en opmerkingen betreffende alle begrotingsonderdelen die in technische zin nog niet als afgesloten worden beschouwd. Onverminderd het uiteindelijke besluit van het bemiddelingscomité wordt een specifiek document opgesteld met de lijst van alle begrotingsonderdelen die in technische zin als afgesloten worden beschouwd(20). Die documenten worden ingedeeld volgens de begrotingsnomenclatuur.

Ten behoeve van het bemiddelingscomité worden ook andere documenten aan de basisdocumentatie toegevoegd, waaronder een uitvoerbaarheidsnota van de Commissie over het standpunt van de Raad en de amendementen van het Europees Parlement en alle brieven van andere instellingen over het standpunt van de Raad of de amendementen van het Europees Parlement.

22.  Met het oog op een akkoord aan het einde van de bemiddelingsperiode worden in de trialoogvergaderingen de volgende aspecten behandeld:

a)  bepalen van de inzet van de onderhandelingen over de te bespreken begrotingsvraagstukken;

b)  goedkeuring van de lijst van in technische zin afgesloten begrotingsonderdelen, onder voorbehoud van een definitief akkoord over de volledige begroting voor het begrotingsjaar;

c)  bespreking van de ingevolge punt a) geselecteerde vraagstukken met het oog op mogelijke akkoorden die door het bemiddelingscomité moeten worden bekrachtigd;

d)  behandeling van thematische vraagstukken, onder meer per rubriek van het MFK.

Tijdens of onmiddellijk na elke trialoogvergadering worden gezamenlijk de voorlopige conclusies opgesteld en wordt er tegelijk overeenstemming over de agenda voor de volgende vergadering bereikt. De instelling waar de trialoogvergadering plaatsvindt, stelt die conclusies op schrift en zij worden geacht na 24 uur voorlopig te zijn goedgekeurd, behoudens het definitieve besluit van het bemiddelingscomité.

23.  Ter vergadering beschikt het bemiddelingscomité over de conclusies van de trialogen en over een document voor mogelijke bekrachtiging, met de begrotingsonderdelen waarover tijdens die trialogen voorlopige overeenstemming is bereikt.

24.  Het in artikel 314, lid 5, VWEU bedoelde gemeenschappelijk ontwerp wordt opgesteld door de secretariaten van het Europees Parlement en de Raad, met steun van de Commissie. Het ontwerp bestaat uit een begeleidende nota van de voorzitters van de twee delegaties aan de voorzitter van het Europees Parlement en de voorzitter van de Raad, waarin staat vermeld op welke datum het bemiddelingscomité een akkoord heeft bereikt, en uit bijlagen, die de volgende gegevens bevatten:

a)  bedragen per begrotingsonderdeel voor alle begrotingsposten en samenvattende cijfers per rubriek van het MFK;

b)  een geconsolideerd document, met bedragen en de definitieve tekst voor alle onderdelen die tijdens de bemiddelingsprocedure zijn gewijzigd;

c)  de lijst van onderdelen die niet zijn gewijzigd ten opzichte van de ontwerpbegroting of het standpunt van de Raad.

Het bemiddelingscomité kan tevens zijn goedkeuring hechten aan conclusies en eventuele gezamenlijke verklaringen met betrekking tot de begroting.

25.  Het gemeenschappelijk ontwerp wordt vertaald in de officiële talen van de instellingen van de Unie (door de diensten van het Europees Parlement) en ter goedkeuring voorgelegd aan het Europees Parlement en aan de Raad binnen een termijn van 14 dagen, te rekenen vanaf de datum waarop overeenstemming is bereikt over het in punt 24 bedoelde gemeenschappelijk ontwerp.

Nadat het gemeenschappelijk ontwerp is vastgesteld, wordt de begroting gereviseerd door de juristen-vertalers, waarbij de bijlagen bij het gemeenschappelijk ontwerp worden ingevoegd in de begrotingsonderdelen die tijdens de bemiddelingsprocedure niet zijn gewijzigd.

26.  De instelling waar de (trialoog- of bemiddelings)vergaderingen plaatsvinden, stelt tolkenfaciliteiten ter beschikking voor alle talen van de talenregeling zoals die geldt voor de vergaderingen van het bemiddelingscomité, alsmede vertolking op ad-hocbasis voor de trialogen.

De reproductie en de distributie van de vergaderdocumenten worden verzorgd door de instelling waar de vergadering plaatsvindt.

De diensten van de instellingen werken samen bij het op schrift stellen van de resultaten van de onderhandelingen ten behoeve van de voltooiing van het gemeenschappelijk ontwerp.

Deel F. Gewijzigde begrotingen

Algemene beginselen

27.  Aangezien gewijzigde begrotingen vaak betrekking hebben op specifieke en soms dringende kwesties, komen de instellingen overeen de onderstaande beginselen toe te passen om in een gepaste interinstitutionele samenwerking te kunnen voorzien met het oog op een soepel en vlot verlopend besluitvormingsproces voor gewijzigde begrotingen, en daarbij voor zover als mogelijk te vermijden dat een bemiddelingsvergadering moet worden bijeengeroepen.

28.  De instellingen streven ernaar het aantal gewijzigde begrotingen zoveel mogelijk te beperken.

Tijdschema

29.  De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad vooraf in kennis van de mogelijke datums van aanneming van ontwerpen van gewijzigde begroting, wat de uiteindelijke datum van vaststelling onverlet laat.

30.  Het Europees Parlement en de Raad streven ernaar, elk overeenkomstig zijn reglement van orde, het door de Commissie voorgestelde ontwerp van gewijzigde begroting te bespreken kort nadat het door de Commissie is vastgesteld.

31.  Om de procedure te bespoedigen, stemmen het Europees Parlement en de Raad de planning van hun respectieve werkzaamheden zoveel mogelijk op elkaar af, met het oog op een samenhangend en convergerend verloop van de procedure. Daarom trachten zij zo snel mogelijk een indicatief tijdschema vast te stellen voor de diverse stappen die leiden tot de definitieve vaststelling van de gewijzigde begroting.

Het Europees Parlement en de Raad houden rekening met de relatieve urgentie van de gewijzigde begroting en de noodzaak die tijdig goed te keuren, wil deze nog nut hebben in het betrokken begrotingsjaar.

Samenwerking tijdens de lezingen

32.  De instellingen werken gedurende de gehele procedure te goeder trouw samen en doen er alles aan om de vaststelling van gewijzigde begrotingen in een vroeg stadium van de procedure mogelijk te maken.

In voorkomend geval, en waar er potentieel een verschillende zienswijze is, kunnen het Europees Parlement of de Raad, alvorens elk zijn definitieve standpunt in te nemen over de gewijzigde begroting, of de Commissie op enig moment, voorstellen een specifieke trialoog te beleggen om de verschillende zienswijzen te bespreken en te trachten een compromis te bereiken.

33.  Alle door de Commissie ingediende en nog niet definitief goedgekeurde ontwerpen van gewijzigde begroting worden stelselmatig op de agenda van de in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure geplande trialoogvergaderingen gezet. De Commissie licht de ontwerpen van gewijzigde begroting toe en het Europees Parlement en de Raad maken, voor zover mogelijk, hun respectieve standpunt bekend vóór de trialoog.

34.  Indien tijdens de trialoog een compromis wordt bereikt, verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe bij de bespreking van de gewijzigde begroting overeenkomstig het VWEU en hun reglement van orde rekening te houden met de resultaten van de trialoog.

Samenwerking na de lezingen

35.  Als het Europees Parlement het standpunt van de Raad zonder amendementen goedkeurt, is de gewijzigde begroting vastgesteld overeenkomstig het VWEU.

36.  Als het Europees Parlement met een meerderheid van zijn leden amendementen aanneemt, is artikel 314, lid 4, punt c), VWEU van toepassing. Vóór de bijeenkomst van het bemiddelingscomité wordt echter een trialoogvergadering belegd:

a)  indien tijdens die trialoog overeenstemming wordt bereikt en mits het Europees Parlement en de Raad de resultaten van de trialoog aanvaarden, wordt de bemiddeling afgesloten met een briefwisseling, zonder bijeenkomst van het bemiddelingscomité;

b)  indien tijdens die trialoog geen overeenstemming wordt bereikt, komt het bemiddelingscomité bijeen en organiseert het zijn werkzaamheden naar de omstandigheden teneinde het besluitvormingsproces zoveel mogelijk af te ronden voor de in artikel 314, lid 5, VWEU genoemde termijn van 21 dagen. Het bemiddelingscomité kan zijn conclusies vaststellen bij briefwisseling.

Deel G. Begrotingsuitvoering, betalingen en reste à liquider (RAL)

37.  Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen de instellingen overeen nauwlettend toe te zien op de betalingsprognoses en de hoogte van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.

Om in alle hoofdstukken een houdbaar beheer en profiel van de betalingen te waarborgen, worden in alle rubrieken de vrijmakingsregels, en met name de regels inzake automatische vrijmakingen, strikt toegepast.

Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende begrotingsjaar en in toekomstige begrotingsjaren gezamenlijk te beoordelen. Die beoordeling gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken geeft met betrekking tot de uitvoering van betalingen, tot overschrijvingen, tot ontvangen terugbetalingsverzoeken en tot herziene prognoses, waaronder langetermijnprognoses, waar toepasselijk. Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie overeenkomstig artikel 323 VWEU, aan al haar financiële verplichtingen kan voldoen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2021-2027, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad de ramingen van de Commissie inzake de vereiste hoogte van betalingskredieten.

Deel H. Samenwerking met betrekking tot het herstelinstrument voor de Europese Unie(21)(22)

38.  Uitsluitend met het oog op de aanpak van de gevolgen van de COVID-19-crisis zal de Commissie worden gemachtigd om namens de Unie maximaal 750 000 miljoen EUR aan financiële middelen in prijzen van 2018 te lenen op de kapitaalmarkten, waarvan maximaal 390 000 miljoen EUR in prijzen van 2018 kan worden gebruikt voor uitgaven en maximaal 360 000 miljoen EUR in prijzen van 2018 kan worden gebruikt voor het verstrekken van leningen overeenkomstig artikel 5, lid 1, van het eigenmiddelenbesluit. Zoals bepaald in de EURI-verordening vormen de voor uitgaven bestemde bedragen externe bestemmingsontvangsten voor de toepassing van artikel 21, lid 5, van het financieel reglement.

39.  De instellingen zijn het erover eens dat de rol van het Europees Parlement en van de Raad, indien zij handelen in hun hoedanigheid van begrotingsautoriteit, moet worden versterkt met betrekking tot de externe bestemmingsontvangsten uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie, teneinde te zorgen voor goed toezicht op en betrokkenheid bij het gebruik van die ontvangsten, binnen de grenzen die zijn vastgesteld in de EURI-verordening en, in voorkomend geval, in de betrokken sectorale wetgeving. De instellingen zijn het er ook over eens dat volledige transparantie en zichtbaarheid moet worden gewaarborgd van alle middelen die onder het herstelinstrument voor de Europese Unie vallen.

Externe bestemmingsontvangsten uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie

40.  Aangezien het Europees Parlement en de Raad op passende wijze moeten worden betrokken bij het beheer van externe bestemmingsontvangsten uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie, zijn de drie instellingen het eens over de in de punten 41 tot en met 46 beschreven procedure.

41.  De Commissie zal in het kader van de begrotingsprocedure gedetailleerde informatie verschaffen over haar ontwerpramingen. Die informatie omvat gedetailleerde ramingen van de vastleggingskredieten en betalingskredieten en van de juridische verbintenissen, uitgesplitst per rubriek en per programma waaraan op grond van de EURI-verordening bestemmingsontvangsten worden toegekend. De Commissie zal alle aanvullende relevante informatie verstrekken waar het Europees Parlement of de Raad om verzoekt. De Commissie zal bij de ontwerpbegroting een document voegen waarin alle relevante informatie over het herstelinstrument voor de Europese Unie is opgenomen, met inbegrip van overzichtstabellen waarin begrotingskredieten en bestemmingsontvangsten uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie bijeen worden gebracht. Dit document zal deel uitmaken van de in punt 44 bedoelde bijlage bij de algemene begroting van de Unie inzake externe bestemmingsontvangsten.

42.  De Commissie zal de in punt 41 bedoelde informatie regelmatig actualiseren in de loop van het begrotingsjaar en ten minste vóór elke in punt 45 bedoelde specifieke vergadering. De Commissie brengt de relevante informatie tijdig ter kennis van het Europees Parlement en de Raad, zodat over de betrokken planningsdocumenten zinvolle besprekingen en beraadslagingen kunnen worden gevoerd, ook voordat de Commissie besluiten ter zake neemt.

43.  De instellingen zullen in het kader van de begrotingsprocedure regelmatig bijeenkomen om de besteding van de externe bestemmingsontvangsten uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie, en meer bepaald de stand van zaken en de vooruitzichten, gezamenlijk te beoordelen en om de samen met de respectieve ontwerpbegrotingen verstrekte jaarlijkse ramingen en de verdeling ervan te bespreken, met inachtneming van de beperkingen en voorwaarden die zijn vastgesteld in de EURI-verordening en, in voorkomend geval, in de betrokken sectorale wetgeving.

44.  Het Europees Parlement en de Raad zullen bij de algemene begroting van de Unie een document in de vorm van een bijlage voegen, met daarin alle begrotingsonderdelen die bestemmingsontvangsten uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie ontvangen. Zij zullen bovendien gebruik maken van de begrotingsstructuur voor de opneming van de bestemmingsontvangsten uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie, en met name van de toelichting bij de begroting, om passende controle uit te oefenen op het gebruik van die ontvangsten. Overeenkomstig artikel 22 van het financieel reglement zullen het Europees Parlement en de Raad in de staat van uitgaven opmerkingen, waaronder algemene opmerkingen, invoegen, die aantonen in welke begrotingsonderdelen de kredieten kunnen worden opgenomen die overeenstemmen met de bestemmingsontvangsten die zijn toegewezen op grond van de EURI-verordening, en vermelden om welke bedragen het gaat. De Commissie verplicht er zich bij het uitoefenen van haar verantwoordelijkheid voor de besteding van de bestemmingsontvangsten toe om terdege rekening te houden met die toelichting.

45.  De instellingen komen overeen op het passende niveau specifieke interinstitutionele vergaderingen te organiseren ter beoordeling van de stand van zaken en van de vooruitzichten voor externe bestemmingsontvangsten uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie. Die vergaderingen zullen ten minste drie keer in een begrotingsjaar plaatsvinden korte tijd vóór of na de begrotingstrialogen. Voorts komen de instellingen op ad-hocbasis bijeen indien een instelling daartoe een met redenen omkleed verzoek indient. Het Europees Parlement en de Raad kunnen te allen tijde schriftelijke opmerkingen indienen over de besteding van externe bestemmingsontvangsten. De Commissie verplicht zich ertoe terdege rekening te houden met eventuele opmerkingen en suggesties van het Europees Parlement en van de Raad. Tijdens die vergaderingen kunnen significante afwijkingen in de uitgaven voor het herstelinstrument voor de Europese Unie worden besproken, conform punt 46.

46.  De Commissie verstrekt, vóór een specifieke interinstitutionele vergadering als bedoeld in punt 45 en op ad-hocbasis in het geval van een significante afwijking, gedetailleerde informatie over iedere afwijking van haar oorspronkelijke prognoses. Een afwijking van geraamde uitgaven uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie is significant indien de uitgaven met meer dan 10 % afwijken van de prognose voor een bepaald begrotingsjaar en voor een bepaald programma. In het geval van significante afwijkingen van de oorspronkelijke prognoses zullen de instellingen de kwestie bespreken, indien het Europees Parlement of de Raad binnen twee weken na de kennisgeving van een dergelijke significante afwijking daarom verzoekt. De instellingen zullen binnen drie weken na een verzoek om bespreking, de kwestie samen evalueren met het oog op het bereiken van overeenstemming daarover. De Commissie zal zoveel mogelijk rekening houden met de ontvangen opmerkingen. De Commissie verplicht zich ertoe geen besluit te nemen voordat de beraadslagingen zijn afgesloten of de termijn van drie weken is verstreken. In het laatste geval motiveert de Commissie haar besluit naar behoren. In dringende gevallen kunnen de instellingen overeenkomen de termijnen met één week te verkorten.

Uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie verstrekte leningen

47.  Met het oog op volledige informatieverstrekking, transparantie en zichtbaarheid van de leningcomponent van het herstelinstrument voor de Europese Unie zal de Commissie, samen met haar ontwerpramingen, gedetailleerde informatie verschaffen over leningen die uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie aan de lidstaten zijn verstrekt, waarbij bijzondere aandacht zal worden besteed aan gevoelige informatie die beschermd is.

48.  Informatie over leningen uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie zullen in de begroting worden opgenomen overeenkomstig artikel 52, lid 1, punt d), van het financieel reglement, en zal ook de in punt iii) van dat punt bedoelde bijlage bevatten.

BIJLAGE II

INTERINSTITUTIONELE SAMENWERKING INZAKE EEN ROUTEKAART VOOR DE INVOERING VAN NIEUWE EIGEN MIDDELEN

Preambule

A.  De instellingen verplichten zich ertoe loyaal en transparant samen te werken en werk te maken van de tenuitvoerlegging van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen voor de duur van het MFK 2021-2027.

B.  De instellingen erkennen het belang van de context van het herstelinstrument voor de Europese Unie, waarin de nieuwe eigen middelen zouden moeten worden ingevoerd.

C.  Uitsluitend met het oog op de aanpak van de gevolgen van de COVID-19-crisis zal de Commissie op grond van artikel 5, lid 1, van het eigenmiddelenbesluit worden gemachtigd om namens de Unie maximaal 750 000 miljoen EUR aan financiële middelen in prijzen van 2018 te lenen op de kapitaalmarkten, waarvan maximaal 390 000 miljoen EUR in prijzen van 2018 mag worden gebruikt voor uitgaven overeenkomstig artikel 5, lid 1, punt b), van dat besluit.

D.  De terugbetaling van de hoofdsom van dergelijke middelen die dienen te worden gebruikt voor uitgaven uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie en de daarmee samenhangende verschuldigde rente zullen moeten worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Unie, onder meer middels voldoende opbrengsten uit nieuwe eigen middelen die na 2021 worden ingevoerd. Alle daarmee samenhangende verplichtingen zullen uiterlijk op 31 december 2058 volledig zijn terugbetaald, zoals bepaald in artikel 5, lid 2, tweede alinea, van het eigenmiddelenbesluit. De jaarlijkse te betalen bedragen zullen afhankelijk zijn van de looptijd van de uitgegeven obligaties en de schuldaflossingsstrategie, met inachtneming van de limiet voor de terugbetaling van de hoofdsom van de middelen bedoeld in de derde alinea van dat lid, die is vastgesteld op 7,5 % van het maximumbedrag dat moet worden gebruikt voor uitgaven als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt b), van dat besluit.

E.  De uitgaven uit de Uniebegroting ten behoeve van de terugbetaling van het herstelinstrument voor de Europese Unie zouden niet mogen leiden tot een onnodige vermindering van programma-uitgaven of investeringsinstrumenten uit hoofde van het MFK. Het is ook wenselijk de stijging van de bni-middelen voor de lidstaten te beperken.

F.  Om die reden, en om de geloofwaardigheid en duurzaamheid van het terugbetalingsplan voor het herstelinstrument voor de Europese Unie te vergroten, zullen de instellingen streven naar de invoering van voldoende nieuwe eigen middelen ter dekking van een bedrag dat overeenkomt met de verwachte uitgaven met betrekking tot de terugbetaling. In overeenstemming met het universaliteitsbeginsel betekent dit niet dat bepaalde eigen middelen worden bestemd of toegewezen om een specifiek soort uitgave te dekken.

G.  De instellingen erkennen dat de invoering van een pakket nieuwe eigen middelen de adequate financiering van uitgaven van de Unie in het MFK zou moeten ondersteunen en tegelijkertijd het aandeel nationale bni-bijdragen in de financiering van de jaarlijkse begroting van de Unie moet worden verminderd. De diversificatie van inkomstenbronnen zou er op haar beurt toe kunnen bijdragen dat uitgaven op Unieniveau meer worden toegespitst op prioritaire gebieden en op collectieve goederen met een grote efficiëntiewinst ten opzichte van nationale uitgaven.

H.  De nieuwe eigen middelen zouden daarom op de beleidsdoelstellingen van de Unie moeten worden afgestemd, de prioriteiten van de Unie – zoals de Europese Green Deal en een Europa dat klaar is voor het digitale tijdperk – ondersteunen, en bijdragen tot eerlijke belastingheffing en een intensievere bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking.

I.  De instellingen komen overeen dat nieuwe eigen middelen bij voorkeur tot stand zouden moeten worden gebracht op een manier die het mogelijk maakt "vers geld" te genereren. Tegelijkertijd streven zij ernaar administratieve rompslomp en de lasten voor bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), en voor burgers te verminderen.

J.  Nieuwe eigen middelen zouden moeten voldoen aan de criteria eenvoud, transparantie, voorspelbaarheid en billijkheid. De berekening, overdracht en controle van de nieuwe eigen middelen zouden niet mogen leiden tot buitensporige administratieve lasten voor de Unie-instellingen en de nationale overheden.

K.  Gezien de zware procedurele vereisten voor de invoering van nieuwe eigen middelen komen de instellingen overeen dat de noodzakelijke hervorming van het stelsel van eigen middelen zouden moeten worden verwezenlijkt met een beperkt aantal herzieningen van het eigenmiddelenbesluit.

L.  De instellingen komen derhalve overeen in de periode 2021-2027 samen te werken op basis van de in deze bijlage geformuleerde beginselen, met als doel werk te maken van de invoering van nieuwe eigen middelen overeenkomstig de routekaart neergelegd in deel B en de daarin vermelde datums.

M.  De instellingen erkennen ook het belang van de instrumenten voor beter wetgeven die zijn geformuleerd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(23), en met name de effectbeoordeling.

Deel A Beginselen voor de uitvoering

1.  De Commissie zal de nodige wetgevingsvoorstellen indienen voor nieuwe eigen middelen en voor mogelijke andere nieuwe eigen middelen als bedoeld in punt 10, in overeenstemming met de beginselen van betere wetgeving. Zij zal in dat verband terdege rekening houden met de suggesties van het Europees Parlement en van de Raad. Die wetgevingsvoorstellen zullen vergezeld gaan van de desbetreffende uitvoeringswetgeving inzake eigen middelen.

2.  De instellingen komen de volgende leidende beginselen voor de invoering van een pakket nieuwe eigen middelen overeen:

a)  door middel van de nieuwe eigen middelen wordt een bedrag geheven dat volstaat ter dekking van de totale verwachte uitgaven voor de terugbetaling van de hoofdsom en de rente van de geleende middelen voor uitgaven als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt b), van het eigenmiddelenbesluit, met inachtneming van het universaliteitsbeginsel. Ontvangsten uit eigen middelen die de terugbetalingsbehoeften overschrijden, blijven als algemene ontvangsten terugvloeien naar de Uniebegroting overeenkomstig het universaliteitsbeginsel;

b)  bij uitgaven ter dekking van de financieringskosten van het herstelinstrument voor de Europese Unie wordt ernaar gestreefd dat de uitgaven voor unieprogramma's en -fondsen niet hoeven te worden verminderd;

c)  de eigen middelen worden afgestemd op de prioriteiten van de Unie, zoals de strijd tegen de klimaatverandering, de circulaire economie en een Europa dat klaar is voor het digitale tijdperk, en dragen bij tot eerlijke belastingheffing en tot een intensievere bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking;

d)  de criteria eenvoud, transparantie en billijkheid worden in acht genomen;

e)  er wordt gezorgd voor stabiliteit en voorspelbaarheid van de inkomstenstroom;

f)  er mogen geen buitensporige administratieve lasten voor de Unie-instellingen en de nationale overheden ontstaan;

g)  er worden bij voorkeur extra "verse" ontvangsten gegenereerd;

h)  tegelijkertijd wordt ernaar gestreefd de administratieve rompslomp en de lasten voor de bedrijven, met name voor kmo's, en voor de burgers te verminderen.

3.  Het Europees Parlement en de Raad zullen de in punt 1 bedoelde wetgevingsvoorstellen volgens hun interne procedures analyseren, bespreken en hieraan zonder onnodige vertraging een vervolg geven, teneinde een snelle besluitvorming te faciliteren. Nadat de Commissie haar voorstellen heeft ingediend, zullen leden van het Europees Parlement en vertegenwoordigers van de Raad in de loop van hun beraadslagingen in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Commissie bijeenkomen om elkaar te informeren over de stand van zaken. Voorts zullen de instellingen regelmatig met elkaar in dialoog gaan om de balans op te maken van de vorderingen met de routekaart.

Deel B Routekaart naar de invoering van nieuwe eigen middelen

Eerste stap: 2021

4.  In eerste instantie zullen vanaf 1 januari 2021 nieuwe eigen middelen worden ingevoerd en toegepast, die bestaan uit een deel inkomsten uit een nationale bijdrage berekend op basis van het gewicht van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval, waarin het eigenmiddelenbesluit voorziet. Dat besluit zal naar verwachting in januari 2021 in werking treden, onder voorbehoud van goedkeuring door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

5.  De Commissie zal haar werkzaamheden bespoedigen en, na de in 2020 gestarte effectbeoordelingen, voorstellen indienen voor een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens en voor een digitale heffing, alsmede een begeleidend voorstel om uiterlijk in juni 2021 op die basis nieuwe eigen middelen in te voeren, met het oog op de invoering ervan uiterlijk op 1 januari 2023.

6.  De Commissie zal in het voorjaar 2021 het EU-emissiehandelssysteem herzien, en daarbij nagaan of het kan worden uitgebreid tot de lucht- en zeevaartsectoren. Zij zal tegen juni 2021 een voorstel doen voor eigen middelen op basis van het EU-emissiehandelssysteem.

7.  De instellingen zijn het erover eens dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens en het EU-emissiehandelssysteem thematisch samenhangen en het derhalve gerechtvaardigd zou zijn deze in dezelfde geest te bespreken.

Tweede stap: 2022 en 2023

8.  Met naleving van de in de Verdragen opgenomen toepasselijke procedures en onder voorbehoud van goedkeuring door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen wordt beoogd deze nieuwe eigen middelen uiterlijk op 1 januari 2023 in te voeren.

9.  De Raad zal deze nieuwe eigen middelen uiterlijk op 1 juli 2022 bespreken, opdat deze uiterlijk op 1 januari 2023 kunnen worden ingevoerd.

Derde stap: 2024-2026

10.  De Commissie zal op basis van effectbeoordelingen aanvullende nieuwe eigen middelen voorstellen, waaronder eventueel een belasting op financiële transacties en een aan de bedrijfssector gekoppelde financiële bijdrage of een nieuwe gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting. De Commissie streeft ernaar uiterlijk in juni 2024 een voorstel in te dienen.

11.  Met naleving van de in de Verdragen opgenomen procedures en onder voorbehoud van goedkeuring door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen, wordt beoogd deze aanvullende nieuwe eigen middelen uiterlijk op 1 januari 2026 in te voeren.

12.  De Raad zal deze nieuwe eigen middelen uiterlijk op 1 juli 2025 bespreken, opdat deze uiterlijk op 1 januari 2026 kunnen worden ingevoerd.

(1) PB C 363 van 28.10.2020, blz. 179.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0032.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0124.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0206.
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0220.
(7) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(8) Verordening (EU) 2020/… van de Raad van … tot vaststelling van een herstelinstrument voor de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel in de nasleep van de COVID-19-crisis (PB L … van …, blz….).
(9)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening als vervat in document ST 9971/20 (2020/0111 (NLE))in te vullen, en in de voetnoot het nummer, de datum, en de PB-referentie daarvan in te vullen.
(10) Verordening (EU, Euratom) 2020/… van de Raad van … tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L, blz. ).
(11)+ PB: gelieve in de tekst het nummer, en in de overeenkomstige voetnoot het nummer en de datum, van de verordening in document ST 9970/20 (2018/0166(APP)) in te voegen en de PB-gegevens in te vullen.
(12) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(13) Besluit (EU, Euratom) 2020/… van de Raad van ... betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom (PB L …).
(14)++ PB: gelieve in de tekst het nummer, en in de overeenkomstige voetnoot het nummer en de datum, van de verordening in document ST 10046/20 (2018/0135(CNS)) in te voegen en de PB-gegevens in te vullen.
(15)+ PB: gelieve de datum van de laatste ondertekening van dit akkoord in te vullen.
(16) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(17) Zoals is vastgesteld in het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn (PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1) en de voorgaande Interne Akkoorden.
(18) Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1).
(19) De verschillende fasen zijn: de begroting van het lopende begrotingsjaar (met inbegrip van gewijzigde begrotingen); de oorspronkelijke ontwerpbegroting; het standpunt van de Raad met betrekking tot de ontwerpbegroting; de amendementen van het Europees Parlement op het standpunt van de Raad alsmede de door de Commissie ingediende nota's van wijzigingen (indien nog niet volledig door de instellingen goedgekeurd).
(20) Een in technische zin afgesloten begrotingsonderdeel is een onderdeel waarover geen verschil van mening bestaat tussen het Europees Parlement en de Raad en waarvoor geen nota van wijzigingen is ingediend.
(21) Indien de Commissie op grond van artikel 122 VWEU een voorstel voor een handeling van de Raad indient met mogelijk aanzienlijke gevolgen voor de begroting, is de procedure als omschreven in de gezamenlijke verklaring van he Europees Parlement, de Raad en de Commissie van … inzake begrotingstoezicht op nieuwe voorstellen op basis van artikel 122 VWEU met mogelijk aanzienlijke gevolgen voor de Uniebegroting (PB …, blz. …) van toepassing.
(22)+ PB: gelieve in de voetnoot de datum van de gezamenlijke verklaring in document SN 3633/3/20 REV 3 ADD 1 in te voegen en de PB-verwijzing in te vullen.
(23) Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).


Een nieuwe strategie voor Europese kmo's
PDF 191kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2020 over een nieuwe strategie voor Europese kmo’s (2020/2131(INI))
P9_TA(2020)0359A9-0237/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie waarin naar de interne markt, duurzame ontwikkeling en een sociale markteconomie wordt verwezen,

–  gezien Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen(1),

–  gezien Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties(2) (de richtlijn betalingsachterstand),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1287/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1639/2006/EG(3),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 over kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s): concurrentievermogen en zakelijke kansen(4),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over familiebedrijven in Europa(5),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(6),

–  gezien zijn resolutie van 15 mei 2020 over het nieuwe meerjarig financieel kader, eigen middelen en het herstelplan(7),

–  gezien zijn resolutie van 23 juli 2020 over de conclusies van de buitengewone Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 februari 2011, getiteld “Evaluatie van de “Small Business Act” voor Europa” (COM(2011)0078), en de desbetreffende resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2011(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 december 2011, getiteld “Een actieplan ter verbetering van de toegang tot financiering voor kmo’s” (COM(2011)0870),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 maart 2013 getiteld “Slimme regelgeving – Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen” (COM(2013)0122),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 getiteld “De toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief” (COM(2016)0733),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2020 getiteld “De digitale toekomst van Europa vormgeven” (COM(2020)0067),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020, getiteld “Een kmo-strategie voor een duurzaam en digitaal Europa” (COM(2020)0103),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” (COM(2020)0102),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020, getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie: Voor een schoner en concurrerender Europa” (COM(2020)0098),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 met als titel “Het moment van Europa: herstel en voorbereiding voor de volgende generatie” (COM(2020)0456),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020 getiteld “Aangepast werkprogramma van de Commissie voor 2020” (COM(2020)0440),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juli 2020, getiteld “Europese vaardighedenagenda voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht” (COM(2020)0274),

–  gezien het jaarverslag over Europese kmo’s 2018/2019, gepubliceerd in november 2019,

–  gezien de economische voorjaarsprognoses van de Commissie voor 2020,

–  gezien Speciaal verslag nr. 02/2020 van de Europese Rekenkamer van 22 januari 2020, getiteld “Het kmo-instrument in actie: een doeltreffend en innovatief programma met uitdagingen”,

–  gezien de bevindingen van de index van de digitale economie en samenleving 2020, die op 11 juni 2020 zijn gepubliceerd,

–  gezien het “Global Economic Prospects”-verslag van de Wereldbank van juni 2020,

–  gezien het OESO-verslag van 10 december 2019, getiteld “The Missing Entrepreneurs 2019”,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie cultuur en onderwijs,

–  gezien het schrijven van de Commissie juridische zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0237/2020),

A.  overwegende dat de mededeling van de Commissie getiteld “Een kmo-strategie voor een duurzaam en digitaal Europa” werd gepubliceerd op 10 maart 2020 en dat de COVID-19-pandemiewaarschuwing van de WHO werd afgegeven op 11 maart 2020(10), wat ingrijpende gevolgen had voor de economische, maatschappelijke en politieke omgeving waarin kmo’s hun activiteiten ontplooien en waardoor een herziening van de strategie noodzakelijk werd, aangezien de economische, maatschappelijke en politieke omstandigheden gewijzigd zijn; overwegende dat de in maart 2020 door de Commissie gepresenteerde strategie nog steeds oplossingen bevat voor de structurele economische, maatschappelijke en milieu-uitdagingen waar kmo’s al voor de COVID-19-crisis mee te maken hadden, alsook voor de toekomstige uitdagingen in verband met de groene en digitale transitie; overwegende dat de Commissie een bijgewerkte versie van haar mededeling over een strategie voor kmo’s dient te presenteren waarin de in deze resolutie aan de orde gestelde punten aan bod komen; overwegende dat het concurrentievermogen van Europa achterblijft bij dat van andere ontwikkelde economieën, wat een bedreiging vormt voor Europa’s vermogen om rijkdom en welvaart te creëren;

B.  overwegende dat de 24 miljoen kmo’s in de EU-27 de ruggengraat van de economie vormen en vóór de pandemie samen goed waren voor meer dan de helft van het bbp van de EU en ongeveer 100 miljoen werknemers in dienst hadden; overwegende dat 98,9 % van de niet-financiële bedrijfssector van de EU bestaat uit kleine ondernemingen met minder dan 49 werknemers(11); overwegende dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo’s) zowel op nationaal als op EU-niveau een bonte en complexe verzameling vormen vanwege hun omvang en de uiteenlopende bedrijfstakken waartoe zij behoren; overwegende dat kmo’s van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling en veerkracht van de Europese industriële waardeketens en een substantiële bijdrage leveren aan lokale, regionale en nationale economieën;

C.  overwegende dat kmo’s centraal moeten staan in de Europese Green Deal en de digitale strategie, en dat zij passend moeten worden ondersteund door toegesneden financiële instrumenten en een kmo-vriendelijk wetgevingskader zodat zij een belangrijke rol kunnen spelen in de groei van de Europese economie, evenals in de bredere strategische doelstellingen van de Unie, met inbegrip van de milieudoelstellingen die in 2050 moeten worden behaald; overwegende dat het Parlement in zijn resolutie over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden, heeft benadrukt dat de Europese Green Deal en de digitale transformatie het herstel en de wederopbouw na de COVID-19-crisis moeten bevorderen; overwegende dat kmo’s actief moeten worden betrokken en ondersteund in de digitale strategie van de EU en de Europese Green Deal om hun concurrentievermogen te verbeteren en hun mogelijkheden inzake digitalisering, de uitrol van innovatieve oplossingen en de aanpak van dringende maatschappelijke en milieuproblemen optimaal te benutten; overwegende dat de bijdrage van kmo’s van cruciaal belang zal zijn voor het welslagen van deze strategieën;

D.  overwegende dat een aanzienlijk en onbepaald aantal kmo’s en start-ups als gevolg van de door de pandemie veroorzaakte economische crisis en de daaruit voortvloeiende sombere economische vooruitzichten op de rand van insolventie is beland; overwegende dat in 2018 slechts 40 % van de bedrijven op tijd werd betaald; overwegende dat de ernstige liquiditeitsproblemen waar tal van kmo’s mee te kampen hebben niet alleen negatieve effecten zullen hebben op hun dagelijkse bedrijfsvoering, maar ook op hun toekomstige groeiperspectieven, waardoor zij langetermijninvesteringen niet goed kunnen plannen;

E.  overwegende dat de noodaankoop van activa door de Europese Centrale Bank (ECB) in reactie op de economische crisis wel ten goede komt aan grotere ondernemingen, aangezien zij meer afhankelijk zijn van de markt voor commerciële schulden, maar de financiële voorwaarden voor kmo’s niet verbetert; overwegende dat de EU en de lidstaten snel en daadkrachtig maatregelen moeten nemen om de economische, sociale en strategische risico’s die de verdwijning van deze bedrijven met zich meebrengen te beperken; overwegende dat kredietverstrekking door banken van oudsher de belangrijkste bron van externe financiering voor kmo’s in de Unie is, aangezien bankfinancieringen goed zijn voor meer dan drie kwart van de kmo-financiering, wat betekent dat kmo’s bijzonder kwetsbaar zijn voor een krapper wordende kredietverstrekking door banken; overwegende dat kmo’s niet beschikken over de middelen om een langdurige crisis te doorstaan en dat nationale maatregelen geen nadelige gevolgen mogen hebben voor de interne markt van de EU;

F.  overwegende dat de effecten van de kapitaaltekorten ten gevolge van de COVID-19-crisis per sector, bedrijfstype en lidstaat zullen verschillen, wat tot ongelijkheden op de interne markt zal leiden; overwegende dat het belangrijk is een gelijk speelveld te handhaven om verstoringen voor de concurrentie binnen de interne markt zoveel mogelijk te beperken, aangezien de verschillen tussen de lidstaten op het gebied van groeiprestaties een van de oorzaken zijn voor de ongelijke economische ontwikkeling binnen de EU; overwegende dat kmo’s nog sterker lijden onder overweldigende en vaak gedereguleerde mondiale concurrentie;

G.  overwegende dat in de vooruitzichten van de OESO niet wordt uitgesloten dat het inkomensverlies, in het geval van een volgende ernstige golf van COVID-19, tegen het einde van 2021 groter zal zijn dan de inkomensverliezen die in de afgelopen honderd jaar als gevolg van recessies zijn geleden(12); overwegende dat, als gevolg van de uitbraak van COVID-19, overheidssteun niet mag leiden tot verschillen in de concurrentiepositie op de interne markt tussen kmo’s uit verschillende lidstaten; overwegende dat de pandemie heeft laten zien dat de digitale transitie van het allergrootste belang is en dat de digitalisering van de economie noodzakelijk is voor een grotere veerkracht in de toekomst, terwijl er nog steeds milieuproblemen bestaan die moeten worden aangepakt; overwegende dat de EU harde concurrentie van wereldwijde spelers te duchten heeft; overwegende dat innovatie voor kmo’s een doeltreffende manier is om langdurige en duurzame groei te creëren;

H.  overwegende dat de invoering van ecologisch duurzame praktijken, innovaties en technologieën naar verwachting tot meer werkgelegenheid en zakelijke kansen voor kmo’s zal leiden, hun concurrentiepositie zal verbeteren en hun kosten zal verlagen, mits de juiste administratieve en technische voorwaarden en een goed regelgevingskader aanwezig zijn; overwegende dat een groot aantal kmo’s hun milieuprestaties, hulpbronnen- en energie-efficiëntie, gebruik van digitale technologieën en uitrol van innovatieve oplossingen willen verbeteren, hetgeen cruciaal zal zijn als ondersteuning van hun duurzame groei en concurrentievermogen voor de lange termijn en hen in staat zal stellen een belangrijke rol te vervullen bij de rechtstreekse levering van eco-innovaties; overwegende dat met het oog daarop een betere toegang tot financiering en technische bijstand moet worden verleend;

I.  overwegende dat volgens de index van de digitale economie en samenleving 2020 van de Commissie(13) veel kmo’s nog altijd geen volledige toegang hebben tot digitalisering en achterlopen op grote ondernemingen, zowel wat betreft digitale vaardigheden als de digitalisering van hun bedrijfsvoering, en dat dit deels toe te schrijven is aan de oneerlijke concurrentie van multinationals; overwegende dat dezelfde regels zowel in de digitale als de niet-digitale interne markt moeten gelden zodat een gelijk speelveld wordt gewaarborgd en nadelige gevolgen voor de arbeids- en sociale rechten worden vermeden; overwegende dat het gebruik van data een concurrentievoordeel kan bieden waarmee kmo’s kunnen profiteren van de digitale transitie, en dat de aandacht voor digitale geletterdheid en vaardigheden hand in hand moet gaan met grotere investeringen van de EU in digitale infrastructuur, met een betere toegankelijkheid van data voor kmo’s en met een eerlijk commercieel en regelgevingskader in alle marktomgevingen, namelijk business-to-business, business-to-consumer en business-to-government;

J.  overwegende dat het vinden van gekwalificeerd personeel een van de grootste uitdagingen is voor bedrijven die de mogelijkheden van digitalisering optimaal willen benutten; overwegende dat de Commissie, de lidstaten en de lokale overheden maatregelen moeten nemen om het ondernemingsklimaat te verbeteren en aldus het concurrentievermogen van kmo’s en de duurzame economische groei van de Unie voor de lange termijn te waarborgen; overwegende dat de kmo-strategie van de Unie een kans kan bieden om de ondernemingsgeest van ondervertegenwoordigde groepen aan te spreken en hen in staat te stellen de kansen die de digitale en groene transitie oplevert ten volle te benutten;

K.  overwegende dat het bevorderen van de ondernemerscultuur kmo’s in staat kan stellen een volwaardige bijdrage te leveren aan de dubbele transitie en deze volop te benutten, meer banen te scheppen en aldus de impact van kmo’s op de arbeidsmarkt te vergroten; overwegende dat vrouwen 52 % van de totale bevolking van de EU uitmaken maar slechts 34,4 % van de zelfstandigen en 30 % van de startende ondernemers in de EU(14); overwegende dat de creativiteit en het ondernemerstalent van vrouwen onderbenut blijven en beter moeten worden ontwikkeld;

L.  overwegende dat de regeldruk moet worden verminderd, zoals de financiële kosten en “rompslomp” in verband met de naleving van overmatige regulering en buitensporig complexe administratieve procedures, onder meer de uitdagingen in verband met octrooigeschillenbeslechting, bijvoorbeeld op het gebied van de bescherming van intellectuele eigendom, maar ook die in verband met de toegang tot financiering; overwegende dat innovatie niet samenhangt met regulering, maar wordt gestimuleerd door gezamenlijke inspanningen waarbij bedrijven met partners samenwerken om kennis en informatie uit te wisselen en ideeën en financiering met partners delen in het kader van een breder innovatiesysteem; overwegende dat subsidies doorgaans eerder dan belastingkredieten gebruikt worden door kmo’s of voor activiteiten waarbij kmo’s betrokken zijn;

M.  overwegende dat in meer dan honderd wetgevingshandelingen van de EU, die betrekking hebben op een groot aantal beleidsterreinen, een definitie van “kmo” wordt gegeven; overwegende dat de Commissie de huidige definitie verder zal bestuderen en verslag zal uitbrengen over specifieke vraagstukken die aan de orde zijn gesteld in de recentste openbare raadpleging, zoals complexe eigendomsstructuren of mogelijke lock-in-effecten; overwegende dat de Commissie nog steeds moet voldoen aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 september 2016 dat de verduidelijking vereist van de criteria “onafhankelijkheid” en “autonomie”;

N.  overwegende dat micro-ondernemingen goed zijn voor een aanzienlijk aandeel van de Europese kmo’s en zeer vaak moeilijkheden ondervinden om toegang te krijgen tot financiering en om volledig op de hoogte te zijn van de mogelijkheden op Europees en nationaal niveau; overwegende dat deze categorie ondernemingen ook zeer hard werd getroffen door de COVID-19-crisis, en dat zij, onverminderd de huidige definitie van “kmo”, meer bijstand en meer bevordering verdient;

O.  overwegende dat midcap-ondernemingen zeker in een aantal lidstaten aanzienlijk bijdragen tot de werkgelegenheid en groei; overwegende dat de Commissie, als onderdeel van het Refit-initiatief, moet nagaan of een afzonderlijke definitie van “midcap-ondernemingen” noodzakelijk is om doelgerichte maatregelen mogelijk te maken, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat dit de bestaande definitie van kmo’s niet uitbreidt en de steun aan kmo’s op geen enkele manier in het gedrang brengt;

Structurele problemen vóór de COVID-19-crisis

1.  is ingenomen met de kmo-strategie van de Commissie en deelt haar standpunt dat kmo’s van essentieel belang zijn voor de Europese economie; wijst erop dat de kmo-strategie in het licht van de COVID-19-crisis moet worden geactualiseerd en dat daarbij de aandacht gericht moet blijven op de bevordering van de transitie naar een sociaal, economisch en ecologisch veerkrachtige samenleving en een concurrerende economie, en pleit er daarom voor de kmo-strategie af te stemmen op de industriestrategie, de Europese datastrategie(15) en de Europese Green Deal, teneinde alle kmo’s actief te betrekken en te ondersteunen bij de dubbele transitie, met het oog op een sterker concurrentievermogen, langdurige groei en een grotere veerkracht;

2.  verzoekt voorts om maatregelen die het klimaat voor de oprichting van bedrijven verbeteren en die het ondernemerschap bevorderen, onder meer door de administratieve druk voor kmo’s te verminderen; pleit in dit verband voor de goedkeuring van een kmo-actieplan met duidelijke doelstellingen, mijlpalen en een tijdsschema, die vergezeld gaan van regelmatige monitoring, rapportage en evaluaties; beklemtoont in dit verband dat het ondernemerschap in de Unie moet worden aangemoedigd en dat de voorwaarden moeten worden gecreëerd die nieuwe bedrijven en bestaande kmo’s laten bloeien en innoveren, zodat zij bijdragen aan de economische, sociale en ecologische duurzaamheid en het economische concurrentievermogen van de Unie;

3.  erkent dat buitensporige administratieve en regeldruk het vermogen van kmo’s om optimaal te presteren kan belemmeren, aangezien kmo’s niet over de nodige middelen beschikken om het hoofd te bieden aan complexe bureaucratische vereisten;

4.  is daarom ingenomen met de toezegging van de Commissie om het beginsel “één erbij, één eraf” in te voeren, maar wijst erop dat de situatie daarmee louter gelijk blijft, wat niet voldoende ambitieus is, en beklemtoont dat de lidstaten overregulering moeten vermijden als eerste stap om de stroom van nieuwe regelgeving in te dammen; wijst erop dat het openbaar bestuur, zowel op Europees als op nationaal niveau, een essentiële rol speelt om te zorgen voor gemakkelijk zaken doen en om, bijvoorbeeld, investeringen gericht op het verbeteren van het economisch concurrentievermogen te bevorderen, en tegelijkertijd de hoogste normen van transparantie, de gezondheid, rechten en veiligheid van werknemers en de bescherming van het milieu te waarborgen;

5.  verzoekt de lidstaten en de Commissie derhalve te erkennen dat er behoefte is aan betere regelgeving en vereenvoudiging en een routekaart vast te stellen met concrete en bindende streefcijfers en indicatoren als belangrijke voorwaarde voor het herstel- en innovatievermogen van onze economie en voor het concurrentievermogen van EU-bedrijven; merkt op dat verschillende lidstaten kwantitatieve streefcijfers van wel 30 %(16) voor de vermindering van de administratieve druk hebben vastgesteld en verzoekt de Commissie hiervoor ambitieuze en bindende kwantitatieve en kwalitatieve streefcijfers op EU-niveau vast te stellen, zodra een effectbeoordeling is verricht en in elk geval niet later dan juni 2021, en voordat de Commissie haar mededeling presenteert;

6.  merkt op dat deze routekaart de gebieden moet aanwijzen waar de administratieve en regeldruk voor kmo’s aanzienlijk moet worden verminderd zodat de nalevingskosten, met inbegrip van bureaucratie, verlagen en dat deze routekaart de lidstaten moet ondersteunen bij een snelle vermindering van het aantal regels, terwijl de rechten van werknemers, de sociale en gezondheidsnormen en de bescherming van het milieu worden gewaarborgd; beklemtoont dat het om de doeltreffendheid van de vermindering van de bureaucratie te volgen eveneens belangrijk is dergelijke maatregelen achteraf te beoordelen, rekening houdend met het perspectief van de kmo’s en zonder afbreuk te doen aan de rechten van werknemers;

7.  vraagt om betere afstemming van de regelgeving vergezeld te laten gaan van slimme digitalisering, verbeterde gebruikersvriendelijkheid, meer gestroomlijnde procedures en veiligere dataprocedures die de privacy beter beschermen; vraagt in dit verband om sterkere en doelgerichtere technische en administratieve bijstand van de lidstaten en de EU, de uitwisseling van beste praktijken en opleidingsmogelijkheden voor kmo’s; verzoekt de Commissie een enig contactpunt voor kmo’s te beheren voor alle vragen in verband met de financieringsmogelijkheden die de EU aan kmo’s te bieden heeft en ervoor te zorgen dat EU-steunprogramma’s, met inbegrip van de programma’s om de gevolgen van COVID-19 aan te pakken, een sterk kmo-onderdeel bevatten;

8.  is ingenomen met de resultaten die tot nog toe werden bereikt met de toepassing van de beginselen inzake betere regelgeving; merkt op dat er nog verdere vooruitgang moet worden geboekt, met name op het gebied van vereenvoudiging en normalisatie van de procedures, en dat daarbij zowel op EU- als lidstaatniveau het eenmaligheidsbeginsel en het beginsel “digitaal als norm” consequent moeten worden toegepast, en dat in het algemeen ook nog vooruitgang moet worden geboekt met de vermindering van de administratieve druk;

9.  verzoekt de Commissie de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-crisis voor kmo’s zorgvuldig te analyseren en rekening te houden met de uit de COVID-19-crisis ontstane punten van zorg van de kmo’s wanneer zij effectbeoordelingen verricht voordat zij wetgeving voorstelt;

10.  pleit daarom voor een bindende test aan de hand waarvan de kosten en baten van wetgevingsvoorstellen voor kmo’s, onder meer de economische gevolgen en de gevolgen voor werknemers van kmo’s, kunnen worden beoordeeld; verwacht dat de resultaten van de kmo-test volledig in aanmerking worden genomen in alle wetgevingsvoorstellen, dat zij duidelijk aangeven hoe vereenvoudiging kan worden bereikt en, waar mogelijk, aanvullende aanbevelingen formuleren om onnodige administratieve of regeldruk voor kmo’s te voorkomen; herinnert eraan dat tijdens het wetgevingsproces van de EU de nadruk moet liggen op de kwaliteit van de effectbeoordelingen en niet zozeer op de snelheid waarmee initiatieven worden voltooid; verzoekt de Commissie om voorbeelden van beste praktijken te vergaren en te verspreiden en richtsnoeren te ontwikkelen met betrekking tot de systematische toepassing van kmo-tests, ook op nationaal niveau;

11.  verzoekt de Commissie de doeltreffendheid en goede werking van de Raad voor regelgevingstoetsing te waarborgen door te verzekeren dat de externe deskundigen in de meerderheid zijn en dat de Raad ondersteuning krijgt van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek; herhaalt dat de onafhankelijkheid, transparantie en objectiviteit van de Raad voor regelgevingstoetsing en het werk van deze raad moeten worden gewaarborgd en dat de leden ervan onder geen enkele vorm van politiek toezicht mogen staan, en dat zij niet met belangenconflicten of vooroordelen mogen kampen; vraagt de Commissie te garanderen dat er een evenwicht is tussen de vertegenwoordiging van grote en kleine bedrijven in alle relevante organen en commissies die verband houden met de EU-beleidsvorming, onder meer de Raad voor regelgevingstoetsing; is van mening dat de huidige vereiste om slechts één kmo-vertegenwoordiger ter vertegenwoordiging van de hele kmo-sector in de Raad voor regelgevingstoetsing te laten zetelen onvoldoende is gezien de grote verscheidenheid aan kmo’s in Europa;

12.  vraagt dat de tenuitvoerlegging van de Small Business Act (SBA) nieuw leven wordt ingeblazen; onderstreept dat het beginsel “denk eerst klein” en de versterking van het beginsel “groot in grote zaken, klein in kleine zaken” consequent moeten worden toegepast om de kmo’s passende aandacht te geven in de EU en in de nationale wetgeving en als grondslag voor een nieuwe interinstitutionele verbintenis om de administratieve druk te verlagen;

13.  neemt nota van het plan van de Commissie om een specifieke kmo-gezant van de EU te benoemen om de bekommernissen van kmo’s meer voor het voetlicht te brengen en verzoekt de Commissie voorts de kmo-gezant als een centrale eenheid onder de voorzitter van de Commissie te plaatsen, om toezicht op kmo-vraagstukken in alle directoraten-generaal mogelijk te maken; verzoekt de Commissie voort te bouwen op de bestaande procedure voor de evaluatie van de prestaties van kmo’s en jaarlijks tijdens een plenaire vergadering van het Europees Parlement een debat te voeren over de “staat van de kmo-Unie”; beklemtoont de kans om de samenwerking tussen het netwerk van kmo-gezanten en de nationale en lokale kmo-organisaties te versterken;

14.  meent dat tegenover de doelstellingen van de EU op het gebied van duurzaamheid en digitalisering voldoende financiële en andere middelen moeten staan om de lidstaten in staat te stellen de overgangsprocessen voor kmo’s op beide gebieden te bevorderen, wat met name van belang is voor de minder ontwikkelde regio’s; onderstreept dat dergelijke doelstellingen niet in strijd mogen zijn met maatregelen voor de waarborging van werkgelegenheid met rechten en de verbetering van de arbeidsvoorwaarden, maar deze juist onderling moeten versterken;

15.  betreurt dat kmo’s meer moeilijkheden hebben ervaren om toegang te krijgen tot financiering dan grotere ondernemingen, wat onder meer toe te schrijven is aan verschillende monetaire maatregelen en het regelgevingskader; stelt in dit verband voor maatregelen te treffen om de toegang tot krediet voor kmo’s, met inbegrip van micro-ondernemingen en start-ups, te versterken; herinnert eraan dat kmo’s meestal niet over voldoende financiële en menselijke middelen beschikken om op gelijke voet met andere belanghebbenden, met name multinationals, deel te nemen aan het proces om toegang tot financiële instrumenten te verwerven;

16.  uit zijn bezorgdheid over de moeilijkheden die de meeste kmo’s, en met name de minder kapitaalkrachtige, ondervinden om toegang te krijgen tot de financieringslijnen van de EIB, en dringt erop aan dat de toegangsvoorwaarden rekening houden met de noodzaak van een sterkere betrokkenheid van kmo’s; noemt het betreurenswaardig dat veel kmo’s, met inbegrip van micro-ondernemingen en start-ups, geen toegang hebben tot EU-financiering omdat ze niet weten wat er precies beschikbaar is, en ook vanwege de traagheid en de buitensporige complexiteit van de bijbehorende procedures en subsidiabiliteitscriteria; verzoekt de Commissie dergelijke belemmeringen weg te nemen door de procedures te vereenvoudigen, te zorgen voor informatie die online toegankelijk is en door steun te blijven verlenen aan stimulansen die zijn toegesneden op kmo’s en micro-ondernemingen;

17.  herinnert de lidstaten en de Commissie er in dit verband aan dat de liquiditeit van kmo’s onmiddellijk moet worden hersteld om hun basiswerking te garanderen en waarschuwt dat het voortbestaan van kmo’s, en micro-ondernemingen in het bijzonder, gezien hun structurele tekortkomingen in vergelijking met grotere ondernemingen, na COVID-19 zal afhangen van snelle besluitvorming, adequate financiering en de snelle beschikbaarheid van liquiditeit;

18.  spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan de komende EU-instrumenten uit hoofde van het volgende meerjarig financieel kader (MFK) optimaal aan te wenden overeenkomstig de specifieke behoeften van de lokale gemeenschappen en, waar mogelijk, rekening houdend met de bestaande sectorale en nationale kenmerken; herinnert eraan dat die instrumenten onder meer investeringen zullen doen terechtkomen bij kmo’s;

19.  betreurt dat in het herstelplan maar weinig aandacht wordt besteed aan kmo’s, en pleit voor maatregelen om vlotte toegang van kmo’s te waarborgen;

20.  dringt er bij de Commissie op aan dat de EU-financiering beter wordt afgestemd op het aantrekken van niet-digitale, hoogtechnologische en innovatieve kmo’s en vraagt voorts dat bij het ontwerp van nieuwe EU-instrumenten wordt nagedacht over de vraag of de financiering redelijkerwijs kan worden gebruikt door kmo’s en afgestemd is op hun behoeften en ervoor wordt gezorgd dat kmo’s evenveel voordeel kunnen genieten als alle andere bij de waardeketen betrokken partijen, ten gunste van het mondiale concurrentievermogen van Europa; herinnert eraan dat het om de bloei van start-ups te bevorderen cruciaal is “geduldkapitaal” te garanderen, waardoor zij voordelen kunnen benutten die specifiek zijn voor langetermijninvesteringen en waardoor de verstrekkers van dat kapitaal hun investeringen ook in ongunstige omstandigheden op korte termijn kunnen handhaven;

21.  beklemtoont dat EU-instanties kmo-netwerken en -organisaties op lokaal, regionaal en nationaal niveau proactief moeten benaderen teneinde tijdig informatie en advies te verschaffen over het gebruik van beschikbare en geplande EU-financieringsmogelijkheden; herinnert de Commissie eraan om alle beschikbare communicatiemiddelen te benutten en om wedstrijden te organiseren voor studenten en jonge ondernemers;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat kmo’s, ook kmo’s met een bedrijfsmodel dat op immateriële activa gericht is, niet-discriminerende toegang hebben tot bankkredieten; herinnert eraan dat toegang tot financiering een essentiële voorwaarde is voor groei, duurzame transformatie en innovatie en pleit voor verdere steun voor innovatieve bedrijfsmodellen; betreurt het verschil tussen kredietvoorwaarden voor kmo’s die zich in verschillende lidstaten bevinden en verzoekt de lidstaten samen te werken met de financiële sector en het bankwezen met betrekking tot hun verplichting om volledige en billijke toegang tot bankleningen voor kmo’s te garanderen;

23.  beklemtoont dat financiering via de kapitaalmarkten alleen ontoereikend zal zijn om voldoende en gepaste oplossingen te verschaffen voor kmo’s en is van mening dat de financiëledienstensector stabiel moet zijn en kmo’s, micro-ondernemingen en zelfstandige ondernemers op kosteneffectieve wijze een brede waaier aan op maat gesneden financieringsmogelijkheden moet aanbieden; beklemtoont in dit verband het belang van traditionele bankmodellen, met inbegrip van kleine regionale banken en spaarcoöperaties; verzoekt de EIB om nauwer samen te werken met haar financiële tussenpersonen in de lidstaten om relevante informatie te verspreiden onder kmo’s teneinde hun toegang tot financiering te verbeteren;

Nieuwe problemen als gevolg van de COVID-19-pandemie

24.  herinnert eraan dat kmo’s onverwijld van liquiditeit moeten worden voorzien en dat daarnaast de maatregelen voor de herkapitalisering van kmo’s moeten worden versterkt; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan het probleem van laattijdige betalingen, dat aanzienlijke liquiditeitsuitdagingen blijft creëren voor kmo’s, aan te pakken en verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan met klem de richtlijn betalingsachterstand ten uitvoer te leggen, met name met betrekking tot overheidsinstanties en relaties tussen bedrijven onderling;

25.  spoort de Commissie ertoe aan de monitoring en handhaving van de richtlijn betalingsachterstand te verbeteren en te onderzoeken of herziening van deze richtlijn nodig is, om ervoor te zorgen dat stipte betalingen op de interne markt als norm komen te gelden, zowel voor transacties tussen bedrijven, met name van grotere naar kleinere bedrijven, als voor transacties van overheden naar bedrijven; roept de autoriteiten op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau op het goede voorbeeld te geven door kmo’s op tijd te betalen en moedigt in dit verband een actief gebruik van inbreukprocedures aan in gevallen waarin de richtlijn niet naar behoren ten uitvoer wordt gelegd;

26.  erkent dat er een tijdelijke versoepeling van de staatssteunregels nodig is en dat moet worden erkend dat deze staatssteunregels hebben geleid tot een ongelijke toepassing van maatregelen in de Unie; vraagt de Commissie en de Raad snel op te treden teneinde een gelijk speelveld ten bate van de concurrentie tussen de lidstaten te waarborgen;

27.  merkt op dat tijdens alle beoordelingen en herzieningen van de staatssteunregels in de toekomst naar behoren rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken en geografische nadelen van kmo’s die zich in de meest perifere gebieden bevinden, onder meer eilanden, ultraperifere gebieden en berggebieden, en in andere, niet-perifere gebieden die door natuurrampen van ongekende proporties zijn getroffen;

28.  maakt zich grote zorgen over het feit dat sectoren zoals het toerisme, de horeca, de culturele en creatieve sector, vervoer, handelsbeurzen en evenementen, die grotendeels bestaan uit kmo’s, het hardst zijn getroffen door de COVID-19-crisis; beklemtoont dat het belangrijk is dat er voortdurend snelle maatregelen worden genomen om het vertrouwen van reizigers en reisagenten te herstellen en te behouden; beklemtoont dat deze sectoren moeten worden bevrijd van administratieve druk en regelgeving die hen op kosten jagen, dat de weg naar herstel voor deze sectoren moet worden uitgestippeld en dat de rechten van werknemers in de getroffen sectoren moeten worden gegarandeerd; herinnert aan het belang van betere toegang voor kmo’s van de culturele en creatieve sector tot digitale technologieën en steunprogramma’s, nu de COVID-19-crisis heeft laten zien dat zij een cruciale rol spelen in onze economie en ons sociale leven;

29.  dringt er bij de lidstaten op aan om de bescherming van de werkgelegenheid en het voortbestaan van kmo’s en start-ups te onderkennen als politieke topprioriteiten door met concrete maatregelen te komen om kmo’s en start-ups die met een insolventierisico kampen te ondersteunen, met name in het geval van de annulering van het instrument voor solvabiliteitssteun zoals voorgesteld door de Europese Raad; neemt nota van het initiatief inzake steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken (SURE) dat is gericht op het dekken van de kosten van nationale werktijdverkortingsregelingen; verzoekt de Commissie de lidstaten actief te ondersteunen bij de omzetting van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie(17) om een echte tweede kans voor kmo’s in moeilijkheden mogelijk te maken;

30.  merkt op dat kmo’s zich vanwege de COVID-19-crisis gedwongen hebben gezien over te stappen op innovatieve technologieën, nieuwe manieren om hun werk te organiseren en digitale bedrijfsmodellen zoals e-handel, de deeleconomie, en telewerken; wijst erop dat veel kmo’s moeite hadden om zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat investeringen op het gebied van onderzoek en innovatie (O&I) worden gericht op de deelname van kmo’s, waarbij een evenwicht wordt gevonden tussen de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en het stimuleren van innovatie; vraagt voorts dat de rechten van werknemers doorheen dit proces worden nageleefd;

31.  herinnert eraan dat innovatie bij kmo’s een essentiële motor is van productiviteit en duurzame groei aangezien innovatie kan bijdragen tot het oplossen van mondiale en maatschappelijke uitdagingen en betere werkomstandigheden kan bieden; herinnert eraan dat de technologische ontwikkeling en de digitalisering leiden tot meer kansen voor kmo’s om te innoveren en op te bloeien, wat de verspreiding van kennis en de opkomst van nieuwe bedrijfsmodellen versnelt en het vermogen van kmo’s om sneller door te groeien, vergroot;

32.  beklemtoont dat bij investeringen in innovatie voorrang moet worden verleend aan ecosystemen die ook kmo’s omvatten en die de cocreatie, rijping en overdracht van uitmuntende technologie naar de industrie alsook de ingebruikname van nieuwe technologieën versterken; beklemtoont dan ook het belang van gericht overheidsbeleid ter ondersteuning van de horizontale behoeften in verband met de digitale transformatieprocessen in micro-ondernemingen en kmo’s, zoals de vereenvoudiging van rapportageverplichtingen, en verzoekt de lidstaten proefinitiatieven te ontwikkeling om de ingebruikname van e-handelsoplossingen door kmo’s te versnellen, bijvoorbeeld met behulp van opleidingen en adviesverlening, technische bijstand, beste praktijken of de integratie van de kennisdriehoek (onderwijs, onderzoek en innovatie), en met de betrokkenheid van alle relevante belanghebbenden en lokale autoriteiten;

33.  is ingenomen met het feit dat kmo’s werden opgenomen in het Europese ruimtevaartprogramma, ook in de ontwikkeling van talrijke stroomafwaartse diensten en toepassingen; erkent de sleutelrol die kmo’s spelen in de defensietoeleveringsketens in Europa;

34.  is ingenomen met de belofte van de Commissie om versnelde opleidingsprogramma’s via digitale stoomcursussen in te voeren voor het personeel van micro-ondernemingen en kmo’s zodat zij zich kunnen bekwamen op het gebied van, bijvoorbeeld, kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging of “distributed ledger”-technologieën; wijst erop dat digitale stoomcursussen voor kmo’s in het kader van het programma Digitaal Europa moeten worden voorafgegaan door gesubsidieerde programma’s waarmee eigenaars en managers van kmo’s hun digitale behoeften en kansen in kaart kunnen brengen; wijst erop dat geschoolde werknemers essentieel zijn voor het succes van kmo’s en hen in staat stellen succesvol het hoofd te bieden aan niet alleen de groene en de digitale transitie, maar ook aan de traditionele uitdagingen waarmee deze ondernemingen worden geconfronteerd;

35.  betreurt dat slechts 17 % van de kmo’s er tot dusver in is geslaagd om digitale technologie in het bedrijfsmodel op te nemen; pleit voor een versterking van de maatregelen gericht op het aanpakken van de discrepantie tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden en van het tekort aan vaardigheden en pleit ervoor dat kmo’s worden toegerust met digitale geletterdheid en vaardigheden, en dat de vaardigheden in verband met openbare aanbestedingen en financiële opleiding worden verbeterd, naast vaardigheden voor het beheer van krediet- en toeleveringsketens voor snel veranderende arbeidsmarkten, ook in het licht van de versnelling die door de COVID-19-crisis is teweeggebracht;

36.  beklemtoont dat investeringen in verdere beroepsopleiding en werkstages bij kmo’s moeten worden gestimuleerd; pleit in dit verband voor de ontwikkeling van een toegesneden aanpak inzake digitale vaardigheden voor micro-ondernemingen; beklemtoont dat de agenda voor vaardigheden van de Commissie hierin een rol kan spelen en merkt op dat om de digitale en innovatiekloof te overbruggen, het aandeel afgestudeerden in STEM-vakken moet worden vergroot en de kloof waarmee vrouwen op beide gebieden worden geconfronteerd, moet worden aangepakt; is in dit verband ingenomen met de Europese vaardighedenagenda;

37.  neemt nota van het witboek van de Commissie over kunstmatige intelligentie (COM(2020)0065) en het daarin ingenomen standpunt dat elke lidstaat moet beschikken over ten minste één digitale-innovatiehub die verregaand gespecialiseerd is in kunstmatige intelligentie;

38.  spoort de Commissie ertoe aan steun te verlenen aan de inspanningen van kmo’s om, onder meer, verouderde uitrusting te moderniseren, de kennisoverdracht te verbeteren en de doeltreffendste toepassingen van technologieën, zoals industriële kunstmatige intelligentie, in kaart te brengen, en om de werknemers de vaardigheden bij te brengen die onmiddellijk noodzakelijk zijn om de afstandscontrole van uitrusting en machines, het productietoezicht en de samenwerking van werknemers op afstand mogelijk te maken, evenals ecologisch duurzame bedrijfsmodellen, benaderingen vanuit de circulaire economie, en energie- en hulpbronnenefficiëntie, waar digitale knowhow vaak van cruciaal belang is en kmo’s in staat stelt concurrerend te blijven; verzoekt de Commissie tevens te overwegen een systeem met cheques voor kmo’s op te zetten om de bovenvermelde steun te verlenen;

39.  verzoekt met klem de hiaten in de kennis en vaardigheden van kmo’s op het gebied van ecologisch duurzame technologieën, praktijken en bedrijfsmodellen aan te pakken, met name voor sectoren waarin de EU-doelstellingen op het gebied van duurzame energie en milieu een fundamentele transformatie vereisen;

40.  herinnert aan het belang van instrumenten zoals het Enterprise Europe Network en de Europese digitale-innovatiehubs, die de internationalisering, de digitalisering en het nastreven van innovatie door kmo’s op lokaal niveau, ook op het gebied van milieu, kunnen bevorderen en verzekeren dat ze geschikt zijn voor het beoogde doel; verzoekt de Commissie een grondige tussentijdse en ex-postevaluatie van deze instrumenten uit te voeren door vertegenwoordigers van kmo’s te raadplegen tijdens het gehele evaluatieproces om te waarborgen dat deze netwerken de kmo’s effectief bereiken;

41.  beklemtoont de essentiële rol van niet-persoonsgebonden gegevens en de overdracht van technologieën van de academische wereld naar kmo’s en onderstreept het belang van het opzetten van Europese gegevensruimten voor niet-discriminerende, betrouwbare en beveiligde uitwisseling van niet-persoonsgebonden gegevens om met gebruik van een open gegevensmodel de gegevensstromen tussen bedrijven en met overheden te verbeteren;

42.  verzoekt de Commissie een parallel en sterker beleid goed te keuren om de internetinfrastructuur en connectiviteit ten gunste van kmo’s in afgelegen gebieden te verbeteren, als basisvoorwaarde om de digitalisering te verbeteren en een daadwerkelijke transformatie na te streven; verzoekt de Commissie bindende doelstellingen voor connectiviteit te overwegen;

Herstelstrategie

43.  benadrukt dat Horizon Europa een prioriteit is en robuuste algemene financiering nodig heeft; vraagt dat een aanzienlijk bedrag ervan beschikbaar wordt gesteld aan kmo’s, ook voor de kmo-onderdelen van de Europese Innovatieraad, en verzoekt de Commissie en de lidstaten te garanderen dat O&I-instrumenten, zoals de accelerator van de Europese Innovatieraad, voor zover mogelijk versnelde mogelijkheden bieden voor kmo’s en start-ups die innovatieve technologieën ontwikkelen;

44.  pleit ervoor diepgaande beleidsmaatregelen en instrumenten van de EU op het gebied van onderzoek en innovatie zo sectorneutraal mogelijk te houden en niet alleen meer steun te geven aan kmo’s en micro-ondernemingen die reeds innovatie-inspanningen leveren, maar ook, al naargelang hun behoeften, aan kmo’s en micro-ondernemingen die een achterstand hebben, in het bijzonder in de traditionele verwerkende industrie; vraagt om meer O&I-financiering op Europees niveau te richten op niet-digitale kmo’s en op kmo’s die hun milieuprestaties en hulpbronnenefficiëntie wensen te verbeteren;

45.  beklemtoont dat samenwerking een cruciale dimensie is om de prestaties van kmo’s te verbeteren; merkt op dat clusters en partnerschappen met alle actoren van de kennisdriehoek (onderwijs, onderzoek en innovatie) daartoe meer moeten worden bevorderd en aangemoedigd door de administratieve druk te verlagen, de procedures te vereenvoudigen en gedeelde dienstvoorzieningen voor de deelname van kmo’s aan clusters op te zetten; vraagt dat de Commissie er tevens voor zorgt dat de partnerschappen en missies van Horizon Europa doorheen de tenuitvoerlegging ervan transparant en inclusief zijn, met name met betrekking tot de deelname van kmo’s en het vaststellen van hun strategische onderzoeksagenda en jaarlijkse werkprogramma’s; onderstreept voorts dat er eerlijke regelingen moeten worden getroffen voor het delen van bevindingen en eindresultaten, overeenkomstig het beginsel “zo open als mogelijk, zo gesloten als nodig”;

46.  beklemtoont tevens het potentieel van het Europees Instituut voor innovatie en technologie en zijn kennis- en innovatiegemeenschappen, aangezien deze een doeltreffende manier vormen om de samenwerking tussen kmo’s, onderzoekscentra en universiteiten te bevorderen, teneinde lokaal ondernemerschap te bevorderen en de dringendste maatschappelijke uitdagingen van onze tijd aan te pakken;

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in, onder meer, de data-economie, kunstmatige intelligentie, slimme productie, het internet van dingen en quantumcomputing, en ervoor te zorgen dat deze gebieden een sterk kmo-onderdeel bevatten; betreurt dat de meeste kmo’s geen toegang hebben tot de data die zij creëren; is in dit verband ingenomen met de Europese datastrategie die is gericht op de totstandbrenging van een echte markt voor data, waar kmo’s gemakkelijk toegang zullen hebben tot en gebruik zullen kunnen maken van data in alle marktomgevingen, namelijk business-to-consumer, business-to-business en business-to-government;

48.  verzoekt de lidstaten de ondersteuning van innovatiekansen voor kmo’s te garanderen en synergieën met EU-programma’s in hun nationale innovatiestrategieën te maximaliseren; beklemtoont in dit verband de rol van innovatieve kmo’s die zich specialiseren in baanbrekende technologieën;

49.  beklemtoont dat meer bewustwording moet worden gecreëerd bij eigenaars en managers van kmo’s, kmo-verenigingen en ondersteunende organisaties over financieringsmogelijkheden voor technologieën met betere milieuprestaties, over contractdiensten (zoals adviesdiensten, coaching en opleidingen) in verband met eco-ontwerp en efficiënt management en gebruik van middelen en over groen ondernemerschap en groene technologieën, producten en diensten;

50.  beklemtoont dat investeringen in nieuwe en milieuvriendelijke technologieën de Europese Green Deal kunnen omvormen in een nieuwe groeistrategie met behulp waarvan kmo’s hun innovatiepotentieel kunnen benutten en bevorderen;

51.  erkent dat veel kmo’s bereid zijn te investeren in energie-efficiënte, circulaire en milieuvriendelijke processen, producten en diensten, maar dat er aanzienlijke belemmeringen, met name financiële, bestaan die hen hiervan weerhouden; verzoekt de Commissie en de lidstaten de regeldruk te verlagen om dergelijke belemmeringen weg te nemen door te voorzien in een ondersteunend regelgevingskader en in technische en financiële steunprogramma’s, onder meer met behulp van particuliere investeringen, zodat kmo’s in staat worden gesteld succesvol en snel groene praktijken, producten, processen en diensten in gebruik te nemen; is van mening dat versterkte doelgerichte technische en financiële bijstand van essentieel belang zal zijn om bij die kmo’s, met inbegrip van micro-ondernemingen, groene kansen te bevorderen; beklemtoont dat die bijstand kmo’s en micro-ondernemingen in staat moet stellen de kansen die uit de Green Deal voortvloeien volop te benutten, rekening houdend met hun structuur, bedrijfsmodel en, meer in het algemeen, hun behoeften, aangezien er geen uniforme aanpak bestaat; beklemtoont in dit verband dat vertegenwoordigers van kmo-organisaties hier actief bij moeten worden betrokken;

52.  is ingenomen met de initiatieven die de grootste kansen bieden op het gebied van werkgelegenheid en concurrentievermogen voor kmo’s, zoals de tenuitvoerlegging van het actieplan voor de circulaire economie, dat lokale werkgelegenheid schept en belangrijke bedrijfs- en innovatiekansen biedt voor kmo’s; neemt nota van de kansen die worden geboden door de initiatieven van de zogenoemde “renovatiegolf”, met inbegrip van stadsvernieuwingsprojecten; merkt op dat het recht op herstel gunstig is voor de consument, maar kmo’s ook kan dwingen actief te worden in het marktsegment van de herstellingswerken en dat beleid gericht op de verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen niet alleen kmo’s van de bouwsector ten goede kan komen, maar ook energiebesparingen kan bevorderen bij alle kmo’s en zo kan bijdragen tot een vermindering van hun werkingskosten; pleit voor de ontwikkeling van een concurrerender markt voor leveranciers van energiediensten (ESCO’s);

53.  beklemtoont dat openbare aanbestedingen als strategisch instrument kunnen bijdragen aan het bevorderen van duurzame productie- en consumptiepatronen; is van mening dat dit instrument, met de juiste steun en bijstand, ook grote kansen kan bieden aan lokale, innovatieve kmo’s; wijst op de soortgelijke rol van groene en circulaire openbare aanbestedingen en herinnert er in dit verband aan dat de tenuitvoerlegging op nationaal niveau gepaard moet gaan met opleiding en ondersteuning voor overheidsinstanties en kmo’s;

54.  merkt op dat reeds lang bekend is dat een evenwichtig kader voor intellectuele-eigendomsrechten een belangrijke stap is voor de verbetering van de werking van de interne markt; verzoekt de Commissie derhalve een prioriteit te maken van het aangekondigde actieplan intellectuele eigendom om goederen waarop auteursrecht rust en geoctrooieerde uitvindingen omvat op EU-niveau te beschermen en de capaciteit van Europese bedrijven, in het bijzonder kmo’s, om te innoveren op grond van sterke en evenwichtige intellectuele-eigendomsregelingen te versterken, wat het mondiaal concurrentievermogen van innovatieve kmo’s ten goede zal komen, de kosten en complexiteit van administratieve procedures sterk zal verminderen, en daarnaast ook de uitdagingen in verband met octrooigeschillenbeslechting zal aanpakken en zal voorzien in openbron- en opendatamodellen voor toekomstige innovatie;

55.  vestigt de aandacht op de rol van beroepsopleiding en levenslang leren, die van essentieel belang zijn voor het aanpakken van de slechte afstemming tussen de vraag naar en het aanbod aan geschoolde arbeidskrachten; moedigt aan dat ondernemingsvaardigheden reeds in de eerste fasen van het onderwijs worden opgenomen en spoort aan tot bevordering van de bijscholing en omscholing van werklozen om hun opname in de arbeidsmarkt mogelijk te maken, en te garanderen dat kmo’s kunnen rekenen op naar behoren opgeleid personeel;

56.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om initiatieven voor het in kaart brengen van de behoeften aan vaardigheden te versnellen en uit te breiden en de tekorten op de arbeidsmarkt aan te pakken met behulp van onderwijs, strategieën voor beroepsopleiding en programma’s voor de ontwikkeling van vaardigheden gericht op kmo’s, en betreurt dat de kloof in ondernemerschap en toegang tot financiering voor door vrouwen geleide micro-ondernemingen en kmo’s nog steeds bestaat; verzoekt de lidstaten de belemmeringen te beoordelen die vrouwen nog altijd verhinderen bedrijven op te richten en te leiden; beklemtoont dat het gebruik van naar geslacht opgesplitste gegevens zal helpen om hiervan een grondigere beoordeling te maken alsook om de algemene kwaliteit van het besluitvormingsproces te verbeteren; pleit voor initiatieven die zijn gericht op onderwijs- en bijscholingsactiviteiten voor vrouwen om hun ondernemingsvaardigheden en zelfvertrouwen te helpen verbeteren; is voorts van mening dat e-overheidsinstrumenten en digitale vaardigheden moeten worden bevorderd in de overheidssector om de overheidsadministraties ondernemings- en burgervriendelijker te maken en verzoekt de lidstaten om de uitwisseling van nationale en regionale beste praktijken op dit gebied te verzekeren, ook met verwijzing naar het openbaar bestuur en de particuliere sector, om het economisch mededingingsvermogen te stimuleren;

57.  wijst erop dat de kmo-strategie verschillende soorten kmo’s van verschillende omvang moet afdekken, ongeacht of ze actief zijn in traditionele, sociale dan wel hoogtechnologische sectoren; is van mening dat kmo’s die zich bezighouden met traditioneel handwerk, toerisme, de culturele en de creatieve sector en de sociale economie bijzonder kwetsbare segmenten van het kmo-netwerk vormen; erkent de historische, culturele, economische en maatschappelijke waarde van deze kmo’s en vraagt de lidstaten het concurrentievermogen van deze sectoren te waarborgen, onder meer door de generatiewisseling en zelfstandig ondernemerschap te bevorderen, door de toegang tot informatie over innovatiekansen te bevorderen en door bescherming en versterking van deze sectoren te ondersteunen;

58.  vraagt dat de Commissie, in het kader van de EU-programma’s voor de ondersteuning van kmo’s, in het bijzonder het programma voor de eengemaakte markt, ook bijzondere aandacht besteedt aan ondernemingen uit de sociale economie, aangezien zij lokaal verankerd zijn, een breed assortiment aan producten en diensten aanbieden in de hele eengemaakte markt van de EU, hoogwaardige banen scheppen en sociale innovatie bevorderen;

59.  verzoekt de Commissie een routekaart voor te stellen voor de vermindering van de administratieve druk, met inbegrip van een tijdslijn voor de maatregelen alsook tussentijdse ijkpunten, en zich tot deze routekaart te verbinden, en vraagt dat de uitvoering van de kmo-strategie wordt voorgesteld tijdens een jaarlijks plenair debat over de “staat van de kmo-Unie”; constateert dat na de pandemiewaarschuwing van de WHO en de invoering van maatregelen om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan, veel Europese bedrijven werden gedwongen hun productie stil te leggen of te vertragen vanwege handelsbeperkingen, verstoringen van de toeleveringsketens en tekorten aan grondstoffen en onderdelen uit derde landen, wat nogmaals laat zien dat de Europese industrie strategische autonomie moet verwerven en dat haar afhankelijkheid van derde landen moet verkleinen, en dat moet worden gegarandeerd dat belangrijke onderdelen van strategische waardeketens, met inbegrip van de verwerkende industrie, zich beter binnen de grenzen van de EU bevinden; verzoekt de Commissie bovendien ervoor te zorgen dat bedrijven die medische benodigdheden leveren niet opnieuw worden geconfronteerd met de moeilijkheden die zich op de interne markt afspeelden en lessen te leren uit de problemen die zich in de vroege stadia van de COVID-19-crisis voordeden;

60.  pleit ervoor de concurrentieregels te verscherpen om het concurrentievermogen van kmo’s te verbeteren en hen te beschermen tegen oneerlijke praktijken die zouden kunnen uitmonden in sociale dumping en deregulering van de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie de doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht van de Unie te verzekeren, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de werknemers; herinnert er in dit verband aan dat het belangrijk is de sociale dialoog bij het ontwerpen en het uitvoeren van kmo-beleid te bevorderen, en een gelijk speelveld voor kmo’s te garanderen om ervoor te zorgen dat zij op een eerlijke basis de vruchten plukken van de interne markt en de kans kunnen grijpen om op te schalen;

61.  vraagt dat de Commissie ervoor zorgt dat kmo’s zullen gedijen in het kader van ecosystemen die een inclusieve aanpak garanderen en alle actoren samenbrengen die in een waardeketen actief zijn, teneinde het Europese leiderschap in strategische sectoren en het concurrentievermogen op het wereldtoneel te bevorderen;

62.  is van mening dat in de EU-strategie voor kmo’s te allen tijde ten volle rekening moet worden gehouden met hun specifieke nationale kenmerken en dat in een algemeen kader van de Unie daarom een grote mate van nationale autonomie aan de lidstaten moet worden gelaten;

63.  noemt het betreurenswaardig dat slechts een kleine 600 000 kmo’s hun producten en/of diensten momenteel uitvoeren naar landen buiten de EU; wijst erop dat de kmo’s die toegang tot de wereldmarkt willen, hun concurrentievermogen enkel zullen verbeteren als zij zowel op lokaal als internationaal niveau worden ondersteund met een gestructureerd, voorspelbaar en stimulerend regelgevingskader, gestructureerde netwerken, gedegen informatiebronnen en toegang tot investeringskansen en geschoolde werknemers; beklemtoont dat het belangrijk is dat het bewustzijn van kmo’s van zowel de interne als de internationale markt en hun regels en instrumenten wordt vergroot, ook door het referentiekader te vereenvoudigen en de communicatie over op maat gesneden kansen te verbeteren; wijst in dit verband op de rol van overkoepelende organisaties en netwerken van kmo’s en van kamers van koophandel in de lidstaten en op internationaal niveau, en wijst tevens op de rol van de EU-delegaties;

64.  verzoekt de Commissie dan ook instrumenten in te voeren zoals een enig digitaal contactpunt om kansen voor kmo’s die voortvloeien uit internationale handelsovereenkomsten gemakkelijk te kunnen aanwijzen; is in dit verband ingenomen met de lancering van “Access2Markets”, het nieuwe portaal van de Commissie betreffende douaneprocedures en -formaliteiten, en dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat dit hulpmiddel in meerdere talen beschikbaar is;

65.  wijst erop dat kmo’s actief betrokken moeten worden bij internationale handelsovereenkomsten en dat er moet worden aangedrongen op een wederkerige behandeling om hun toegang tot openbare aanbestedingen in derde landen te garanderen; pleit ervoor dat in handelsovereenkomsten een specifiek kmo-hoofdstuk wordt opgenomen waarin wordt verwezen naar de voor micro-ondernemingen en kmo’s gunstige bepalingen uit andere hoofdstukken van de overeenkomst en dat een snelle manier biedt voor eigenaars van micro-ondernemingen en kmo’s om de relevante en voordelige aspecten van de overeenkomst te herkennen;

66.  vraagt de Commissie met klem te streven naar een gelijk speelveld en een regelgevingsklimaat waarin kmo’s goed kunnen gedijen en mondiaal kunnen concurreren, en te overwegen handelsbeschermingsinstrumenten in te zetten om oneerlijke concurrentie ten gevolge van illegale of oneerlijke handelspraktijken van derde landen te beperken, onder meer handelsbeschermingsmaatregelen die de vrije toegang van EU-bedrijven tot hun markten op oneerlijke wijze blokkeren;

67.  is van mening dat nationale en Europese overheidsinstellingen het goede voorbeeld moeten geven en de deelname van kmo’s en micro-ondernemingen aan openbare aanbestedingen moeten vergemakkelijken en vergroten, door de toegang tot informatie over aanbestedingen en procedures te vereenvoudigen, onevenredige vereisten en discriminerende praktijken, zoals aanbestedingscriteria waarbij eisen of kwalificaties worden vastgesteld die verder gaan dan de fundamentele elementen van de aangeschafte diensten of goederen, te voorkomen en zo bij te dragen tot de verkorting en diversifiëring van de toeleveringsketens;

68.  dringt daarom aan op meer richtsnoeren voor openbare autoriteiten en kmo’s over de bestaande mogelijkheden tot flexibiliteit en aanpassing van de regels inzake overheidsopdrachten;

69.  merkt op dat het opdelen van grotere contracten in kleinere percelen zou kunnen bijdragen tot de verkorting en diversifiëring van de toeleveringsketens, en lokale kmo’s grotere stimulansen zou bieden, onder meer door de deelname van kmo’s aan innoverende aanbestedingen en precommerciële aanbestedingen, die doorgaans alleen toegankelijk zijn voor grotere groepen, te vergemakkelijken;

70.  vraagt dat “nulkilometercontracten” op waarde worden geschat door te voorzien in bonuscriteria voor lokale bedrijven en dat in dit verband inspiratie wordt gezocht bij de Europese wetgeving inzake landbouw en korte toeleveringsketens; vraagt dat het voor beleidsmakers mogelijk wordt in bepaalde mate de voorkeur te geven aan contracten met lokale kmo’s;

71.  wijst op het belang van samenwerking met nationale ambtenaren om een Europese aanbestedingsmarkt tot stand te brengen die is gebaseerd op aanbestedingen van een beperkte omvang waardoor kmo’s in staat worden gesteld aan de aanbestedingsprocedures deel te nemen, onder meer dankzij de opdeling van grotere contracten in kleinere percelen, en waarin echte en eerlijke concurrentie tussen marktdeelnemers kan plaatsvinden, en benadrukt dat het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) toegankelijker moet worden gemaakt voor kmo’s;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.
(2) PB L 48 van 23.2.2011, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 33.
(4) PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 40.
(5) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 57.
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0124.
(8) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0206.
(9) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 102.
(10) Inleidende opmerkingen van de directeur-generaal van de WHO tijdens de persbriefing over COVID-19 van 11 maart 2020.
(11) https://ec.europa.eu/growth/smes_nl
(12) OESO, Economic Outlook, Volume 2020, Issue I.
(13) https://ec.europa.eu/digital-single-market/en/news/digital-economy-and-society-index-desi-2020
(14) Verslag van Innovation Finance Advisory, opgesteld op verzoek van de Europese Commissie en de Europese Investeringsbank, Funding women entrepreneurs – How to empower growth, juni 2020.
(15) Mededeling van de Commissie van 19 februari 2020 over een Europese datastrategie (COM(2020)0066).
(16) Verslag van het Duitse Ministerie van Economische Zaken en Energie, voorgesteld door het Centrum voor Europese Beleidsstudies, Feasibility Study: Introducing “One-In-One-Out” in the European Commission, 5 december 2019.
(17) Richtlijn (EU) 2019/1023 van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, schuldbevrijding en beroepsverbod, en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van de procedures voor herstructurering, insolventie en schuldbevrijding, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132. PB L 172 van 26.6.2019, blz. 18.

Juridische mededeling - Privacybeleid