Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2132(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0270/2020

Ingediende teksten :

A9-0270/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0011

Aangenomen teksten
PDF 161kWORD 55k
Woensdag 20 januari 2021 - Brussel
Controle op de toepassing van het EU-recht in 2017, 2018 en 2019
P9_TA(2021)0011A9-0270/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over de toepassing van het EU-recht in 2017, 2018 en 2019 (2019/2132(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 2 en 3,

–  gezien de jaarverslagen 2017, 2018 en 2019 van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht (COM(2018)0540, COM(2019)0319 en COM(2020)0350),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Versterking van de rechtsstaat binnen de Unie – Een blauwdruk voor actie” (COM(2019)0343),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2018 over controle op de toepassing van het EU-recht in 2016(1),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 december 2016 getiteld “EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing”(4) (C(2016)8600),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 getiteld “Tot modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie” (COM(2012)0154),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2020 – De situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie” (COM(2020)0580),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 10 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (COM(2016)0448),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad getiteld “Negende verslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie” (COM(2017)0407),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (AML/CFT), tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie(6) (vierde AML-richtlijn), en als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van Richtlijn 2009/138/EG en Richtlijn 2013/36/EU(7) (vijfde AML-richtlijn),

–  gezien Evaluatie nr. 07/2018 van de Europese Rekenkamer, getiteld “In de praktijk brengen van EU-recht: de toezichtverantwoordelijkheden van de Europese Commissie krachtens artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (Overzicht)”,

–  gezien Analyse nr. 02/2020 van de Europese Rekenkamer, getiteld “Wetgeven in de Europese Unie: de balans na bijna 20 jaar betere regelgeving”,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0270/2020),

A.  overwegende dat volgens artikel 4, lid 3, VEU en artikel 288, lid 3, en artikel 291, lid 1, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) de lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor de correcte omzetting, toepassing en uitvoering van het EU-recht binnen de vastgestelde termijnen, en voor de voorziening in de nodige rechtsmiddelen teneinde doeltreffende rechtsbescherming op de onder het EU-recht vallende gebieden te waarborgen; overwegende dat de Europese wetgeving alleen doeltreffend is voor zover zij enerzijds tijdig, volledig en nauwkeurig wordt omgezet en anderzijds door de lidstaten naar behoren wordt toegepast in de nationale rechtsorde, wat noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat alle Europese burgers gelijkelijk baat hebben bij het EU-beleid, en om een gelijk speelveld voor alle bedrijven op de interne markt te waarborgen; overwegende dat de EU-wetgeving de beginselen van loyale samenwerking, bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit en evenredigheid in acht moet nemen;

B.  overwegende dat het belang erkend moet worden van de actieve bijdrage van de nationale parlementen aan de goede werking van de Europese Unie en de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel overeenkomstig de procedure voorzien in Protocol 2 VWEU betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; overwegende dat we nauwere samenwerking met de nationale parlementen in het wetgevingsproces moeten blijven bevorderen; wijst erop dat er in 2019 159 verslagen en geen met redenen omklede adviezen zijn ingediend, van in totaal 4 918 verslagen en 439 met redenen omklede adviezen in de afgelopen negen jaar; overwegende dat de “gele kaart”-procedure tot op heden slechts drie keer is toegepast en de “oranje kaart” nooit is gebruikt;

C.  overwegende dat de dialoog tussen EU-instellingen en de nationale autoriteiten ertoe heeft bijgedragen dat sinds 2014 90 % van de inbreukprocedures is opgelost zonder dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) daarbij betrokken was; overwegende dat inbreukprocedures moeten worden gebruikt als uiterste maatregel; overwegende dat Europese wetgeving zo moet worden geformuleerd dat deze gemakkelijk in het nationale recht kan worden omgezet;

D.  overwegende dat er “EU Pilot”-procedures zijn ingevoerd om potentiële inbreuken op het EU-recht in daartoe aangewezen gevallen in een vroeg stadium snel te kunnen verhelpen aan de hand van een gestructureerde probleemoplossende dialoog tussen de Commissie en de lidstaten; overwegende dat sinds 2017 het gebruik hiervan is afgenomen omdat het besef is doordrongen dat dit aan de procedure een extra bureaucratische laag zonder echte meerwaarde toevoegde; overwegende dat de Commissie nog geen gehoor heeft gegeven aan de herhaalde verzoeken van het Parlement om op de hoogte te worden gehouden van nieuwe EU Pilot- en inbreukprocedures, met name wanneer deze het gevolg zijn van verzoekschriften;

E.  overwegende dat de Commissie in 2016 prioriteiten heeft vastgesteld voor haar werkzaamheden in verband met inbreukzaken en klachten, waarbij de nadruk lag op de ernstigste schendingen van het EU-recht waardoor de belangen van burgers en bedrijven aanzienlijk worden geschaad, en overwegende dat 2017 het eerste jaar was waarin deze nieuwe, meer gerichte aanpak door de Commissie werd toegepast;

F.  overwegende dat inbreukprocedures samen met andere mechanismen voor het bevorderen van de uitvoering en naleving waarborgen dat burgers en bedrijven in de EU geen negatieve gevolgen ondervinden van de late of onvolledige omzetting of onjuiste toepassing van het EU-recht door de lidstaten; overwegende dat inbreukprocedures het perverse effect hebben de burgers te laten opdraaien voor de kosten van de onvolledige omzetting of onjuiste toepassing van het Europees recht door de lidstaten; overwegende dat efficiëntere interinstitutionele samenwerking, zowel op nationaal als op EU-niveau, wenselijk is, evenals de invoering van nieuwe mechanismen of herziening van bestaande mechanismen om de correcte toepassing van het EU-recht te waarborgen;

G.  overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat de hoeksteen is van de democratie en de basis vormt voor de grondrechten; overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat een voorwaarde is voor de handhaving van alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de Verdragen en de afgeleide wetgeving; overwegende dat aan de EU een rol toekomt bij het oplossen van problemen op het gebied van de rechtsstaat; overwegende dat de nationale rechtbanken in de lidstaten ervoor zorg dragen dat de in het EU-recht vastgelegde rechten en verplichtingen doeltreffend worden gehandhaafd; overwegende dat onafhankelijke en doeltreffende rechtsstelsels in de lidstaten ten grondslag liggen aan wederzijds vertrouwen, dat de hoeksteen vormt van de gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, een investeringsvriendelijk klimaat, de duurzaamheid van langdurige groei en de bescherming van de financiële belangen van de EU;

H.  overwegende dat bescherming van de grondrechten en de burgerlijke vrijheden, onafhankelijke en onpartijdige rechtbanken, vrijheid van meningsuiting, pluriformiteit van de media en onafhankelijkheid van politieke invloed of druk, eerbiediging van het wettigheidsbeginsel door subnationale entiteiten en de bestrijding van corruptie en infiltratie van de georganiseerde misdaad in de legale economie fundamentele voorwaarden zijn voor het waarborgen van een gelijke behandeling voor de wet, de bescherming van de burgerrechten, het voorkomen van misbruik en het waarborgen van de verantwoordingsplicht door personen die openbare ambten bekleden; overwegende dat vrijheid, pluriformiteit en onafhankelijkheid van de media essentiële bestanddelen zijn van het recht op vrijheid van meningsuiting; overwegende dat onafhankelijke en vrije media een cruciale rol spelen in een democratische samenleving, zoals vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”) en in het VEU; overwegende dat desinformatiecampagnes die beogen burgers te misleiden over EU-activiteiten zich ook richten op de maatregelen die zijn genomen om de juiste toepassing van het EU-recht in de lidstaten te waarborgen;

I.  overwegende dat het Handvest iedere vorm van discriminatie verbiedt, ook op grond van een handicap; overwegende dat een groot aantal wetgevingshandelingen die specifiek bedoeld zijn om dit grondbeginsel toe te passen in verschillende lidstaten nog steeds niet naar behoren ten uitvoer zijn gelegd;

J.  overwegende dat Europol heeft vastgesteld dat tussen 0,7 en 1,28 % van het jaarlijkse bruto binnenlands product van de EU wordt gebruikt voor verdachte financiële activiteiten zoals het witwassen van illegaal verkregen middelen; overwegende dat de Commissie inbreukprocedures heeft ingeleid tegen de meeste lidstaten wegens het niet correct omzetten van de vierde en vijfde antiwitwasrichtlijn;

K.  overwegende dat enkele lidstaten programma’s hebben ingevoerd die direct of indirect de verkoop omvatten van het burgerschap van de EU; overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat dat deze programma’s kunnen worden misbruikt, en als gevolg daarvan tot problemen leiden in verband met de veiligheid en transparantie, het vertrouwen van het publiek in de waarden en de beginselen van de EU ondermijnen, en terrorisme, georganiseerde misdaad en het witwassen van geld faciliteren;

L.  overwegende dat volgens het verslag van de Commissie de mate van onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen uit hoofde van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit(8) op het punt van het leiden van of deelnemen aan een criminele organisatie onvoldoende is, voor zover wordt uitgegaan van één concept van een dergelijke organisatie; overwegende dat het kaderbesluit de lidstaten de ruimte laat om het begrip criminele organisatie niet in hun nationale recht te introduceren en het bestaande nationale strafrecht te blijven toepassen door zich te beroepen op algemene regels inzake de deelneming aan en de voorbereiding van specifieke strafbare feiten; dat dit kan leiden tot een toename van de verschillen bij de praktische tenuitvoerlegging van het kaderbesluit;

M.  overwegende dat de vluchtelingencrisis heeft aangetoond dat er dringend behoefte is aan een hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en aan een effectievere lastenverdeling tussen de lidstaten; overwegende dat de mechanismen voor verplichte noodherplaatsing van asielzoekers uit Italië en Griekenland inefficiënt zijn gebleken, wat onder meer ernstige lichamelijke en geestelijke gevolgen heeft gehad voor minderjarigen en met name voor niet-begeleide minderjarigen; overwegende dat de Commissie inbreukprocedures heeft ingeleid tegen de Tsjechische Republiek, Polen en Hongarije omdat zij hebben geweigerd gevolg te geven aan de herplaatsingsbesluiten;

N.  overwegende dat volgens de Schengengrenscode tijdelijke herinvoering van controles aan de binnengrenzen slechts is toegestaan in uitzonderlijke omstandigheden en als laatste redmiddel; overwegende dat veel lidstaten de regels hebben geschonden door de grenscontroles zonder deugdelijke motivering te verlengen; overwegende dat de Commissie het niet passend heeft geacht tegen deze staten inbreukprocedures in te leiden;

O.  overwegende dat vrijheid, pluriformiteit en onafhankelijkheid van de media essentiële bestanddelen zijn van het recht op vrijheid van meningsuiting; overwegende dat de media een cruciale rol spelen in een democratische samenleving, zoals vastgelegd in het Handvest en in het VEU;

P.  overwegende dat de richtlijn 2014/59/EU betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen tot doel heeft de door de impact van economische crises op overheidsbegrotingen veroorzaakte schade te begrenzen door de gevolgen van het in gebreke blijven van banken voor aandeelhouders, obligatiehouders en rekeninghouders met meer dan 100 000 EUR op hun rekening, met een bail-in te beperken; overwegende dat rekeninghouders en dus spaarders door de bepalingen van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken, en met name de daarin voorziene bail-in, het risico lopen op te draaien voor het wanbeleid dat ten grondslag ligt aan het in gebreke blijven van een bank;

Q.  overwegende dat de Commissie in 2019 is blijven toezien op de tenuitvoerlegging door de lidstaten van de vierde richtlijn kapitaalvereisten, de richtlijn depositogarantiestelsels, de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en de richtlijn hiërarchie van bankcrediteuren; overwegende dat in 2019 inbreukprocedures zijn ingeleid tegen twaalf lidstaten die niet de nodige maatregelen hadden genomen om de richtlijn inzake de hiërarchie van bankcrediteuren volledig om te zetten in het nationaal recht;

1.  is ingenomen met de jaarverslagen 2017, 2018 en 2019 van de Commissie over de toepassing van het EU-recht, met inbegrip van de landenspecifieke verslagen; erkent dat deze jaarverslagen, het petitierecht en het Europees burgerinitiatief waardevolle instrumenten zijn waarmee de EU-wetgevers mogelijke mazen in de wetgeving kunnen vaststellen; is verheugd dat de Commissie zich ertoe verbindt veel waarde te hechten aan de bijdragen die burgers, bedrijven en andere belanghebbenden leveren aan de opsporing van inbreuken op het EU-recht; dringt er bij de Commissie op aan het publieke debat over haar jaarverslagen te bevorderen;

2.  stelt vast dat er een groot aantal verzoekschriften is waarin de burgers hun bezorgdheid uiten over vermeende schendingen van de rechtsstaat in de lidstaten en is blij dat de burgers deelnemen aan de uitoefening van hun rechten; acht toezicht van cruciaal belang om risico’s voor de rechtsstaat en voor de publieke rechten en vrijheden van EU-burgers te identificeren en uit te sluiten, voordat een formele respons vereist is; is in dit verband ingenomen met het eerste jaarlijkse verslag over de rechtsstaat als een nieuw preventief instrument en onderdeel van het nieuwe jaarlijkse EU-mechanisme voor de rechtsstaat; betuigt opnieuw zijn steun voor de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, waarvan de regeling opgenomen wordt in een interinstitutionele overeenkomst;

3.  herinnert eraan dat het Parlement elk jaar een aanzienlijk aantal verzoekschriften ontvangt van bezorgde burgers die hun ongenoegen uiten over de stand van zaken van de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving in de lidstaten; is vooral bezorgd over de praktijk om een aanzienlijk aantal indieners van verzoekschriften door te verwijzen naar andere instanties; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat deze aanpak de burgers kan doen geloven dat hun stem niet gehoord wordt door de EU-instellingen; onderstreept de belangrijke rol die maatschappelijke organisaties, en andere belanghebbenden, met name klokkenluiders, spelen bij het monitoren van en het rapporteren over de toepassing van het EU-recht;

4.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Commissie in 2019 797 nieuwe inbreukprocedures heeft ingeleid, meer dan in 2018 (644) en 2017 (716); spreekt zijn bezorgdheid ook uit over het feit dat de Commissie in 2019 316 met redenen omklede adviezen heeft verzonden, tegenover 157 in 2018 en 275 in 2017; merkt echter op dat er in 2019 nog 1 564 inbreukprocedures lopende waren, een lichte daling ten opzichte van de 1 571 procedures die eind 2018 nog liepen, en een lichte stijging ten opzichte van de nog lopende procedures in 2017 (1 559); is ingenomen met het feit dat het aantal procedures dat in verband met niet-naleving van de verplichtingen tot tijdige omzetting dat in 2019 nog openstond, is gedaald tot 599, 21 % minder dan het aantal procedures dat eind 2018 nog niet was afgesloten (758);

5.  onderstreept de cruciale rol van het HvJ-EU als de enige instelling die bevoegd is te oordelen over de geldigheid van EU-recht, teneinde de juiste interpretatie en toepassing van het EU-recht door de EU-instellingen en de lidstaten te waarborgen; wijst erop dat de prejudiciële procedure een fundamenteel mechanisme van het EU-recht is, dat helpt te verduidelijken hoe het EU-recht moet worden geïnterpreteerd en toegepast; moedigt de nationale rechtbanken ertoe aan in geval van twijfel vragen te stellen aan het HvJ-EU, en aldus inbreukprocedures te voorkomen;

6.  wijst erop dat in 2019 inbreukprocedures zijn ingeleid op de volgende belangrijke beleidsterreinen, naar afnemend aantal zaken: milieu, interne markt, industrie, bedrijfsleven en MKB, mobiliteit en vervoer; betreurt het dat in 2019 het grootste aantal omzettings- en handhavingskwesties de milieuwetgeving betrof terwijl in 2018 het milieu wat betreft het aantal nieuwe inbreukprocedures nog op de derde plaats kwam;

7.  merkt op dat in die jaren, volgens deze verslagen, de meeste tegen de lidstaten gestarte inbreukprocedures inzake omzetting betrekking hadden op de beleidsterreinen milieu, mobiliteit, vervoer en de interne markt;

8.  benadrukt dat gebrekkige handhaving niet alleen afdoet aan de doeltreffendheid van de interne markt maar ook directe gevolgen heeft voor de individuele rechten en bijgevolg de geloofwaardigheid en reputatie van de Unie schaadt; is van oordeel dat uit het grote aantal inbreukprocedures blijkt dat de tijdige, correcte en doeltreffende toepassing van de EU-wetgeving in de lidstaten een grote uitdaging en prioriteit blijft; verzoekt de Commissie meer informatie te verstrekken over de sinds 2017 in het kader van de nieuwe methodologische aanpak gehanteerde criteria om te bepalen wat de ernstigste klachten en inbreuken in verband met het EU-recht zijn; betreurt het dat het stijgende aantal procedures ertoe heeft geleid dat de gemiddelde tijd die wordt besteed aan het onderzoeken van mogelijke inbreuken op het EU-recht sinds 2017 voortdurend is toegenomen; verzoekt de Commissie de gemiddelde tijd die wordt besteed aan de behandeling van klachten- en inbreukprocedures te verminderen; verzoekt de Commissie om, in voorkomend geval, de tijd die nodig is om bij het Hof een zaak tegen een lidstaat aan te spannen krachtens artikel 258 VWEU en artikel 260 VWEU drastisch terug te brengen;

9.  constateert met bezorgdheid dat de gemiddelde omzettingsduur in de EU is toegenomen en dat in 2019 de omzetting van richtlijn in nationale wetgeving drie maanden langer duurde dan in 2018; verzoekt om een passende planning van wetgevingsprocedures om voldoende tijd te bieden voor de omzetting; onderstreept dat EU-recht op duidelijke en begrijpelijke wijze moeten worden geformuleerd, met inachtneming van de beginselen van juridische duidelijkheid, transparantie en rechtszekerheid; verzoekt om een passende effectbeoordeling voor- en achteraf van het EU-recht; herinnert eraan dat de wetgeving die aanleiding geeft tot de ernstigste inbreukprocedures het resultaat van richtlijnen is; herinnert eraan dat verordeningen rechtstreeks en verplicht van toepassing zijn in alle lidstaten; verzoekt de Commissie derhalve zoveel mogelijk gebruik te maken van verordeningen wanneer zij overweegt met wetgevingsvoorstellen te komen;

10.  benadrukt de controlerende rol van het Parlement wanneer het de Commissie attendeert op tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving in de lidstaten door middel van verzoekschriften en vragen; spoort de Commissie aan haar toezicht op de wijze waarop het EU-recht in de lidstaten wordt toegepast te verbeteren, zoals aangegeven in het overzichtsverslag van de Europese Rekenkamer; benadrukt dat een nauwe en gestructureerde dialoog tussen de Commissie en de lidstaten in een vroeg stadium van essentieel belang is voor een doeltreffende en correcte toepassing van het EU-recht en ook van de aanpak van kwesties in verband met “gold plating” bij de omzetting en toepassing van EU-recht; herinnert eraan dat er een gemeenschappelijke databank en website voor alle onderdelen van de wetgevingsprocedure moeten worden opgezet om de transparantie van wetgevingsbesprekingen te vergroten; verzoekt de Commissie de naleving op verschillende beleidsterreinen consequenter te bevorderen en, waar mogelijk en passend, preventieve instrumenten te versterken, zoals het opstellen van uitvoeringsplannen, routekaarten, toelichtende stukken, specifieke websites en de uitwisseling van goede praktijken die bedoeld zijn om de lidstaten te helpen omzettingsproblemen op te sporen, deze in een vroeg stadium van de inbreukprocedures aan te pakken en hen te helpen gezamenlijke oplossingen te vinden en aldus de doeltreffendheid van de EU-wetgeving te verbeteren;

11.  erkent de inspanningen die door de Europese Commissie zijn geleverd en de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel; wijst op de belangrijke rol die nationale parlementen en, waar van toepassing, regionale parlementen spelen bij de toetsing van ontwerpwetgeving van de EU; merkt op dat huidige vormen van samenwerking met nationale parlementen kunnen worden verbeterd; betreurt de huidige opzet van het subsidiariteitscontrolemechanisme, die de EU-commissies van de nationale parlementen dwingt om te veel tijd te besteden aan technische en juridische beoordelingen en tegelijkertijd korte termijnen in acht te nemen; stelt voor deze mechanismen te herzien om ze functioneler en doeltreffender te maken en de ontwikkeling van een meer politieke benadering van het subsidiariteitstoezicht in de hele EU mogelijk te maken; bepleit het Europees Comité van de Regio’s, dat regionale en lokale overheden vertegenwoordigt, meer te betrekken bij de subsidiariteitscontrole;

12.  maakt zich ernstige zorgen over het feit dat een groot aantal lidstaten de antiwitwasrichtlijnen (de vierde en vijfde AML-richtlijnen) nog niet ten uitvoer hebben gelegd; dringt er bij de lidstaten op aan deze richtlijnen dringend en naar behoren om te zetten; is verheugd over de goedkeuring door de Commissie van de mededeling “Naar een betere toepassing van het kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme”, die, samen met een reeks verslagen, de Europese en nationale autoriteiten kan helpen om het witwassen, met inbegrip van de risico’s in verband met terrorismefinanciering, beter aan te pakken;

13.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de gevolgen van een aantal investerings- en burgerschapsprogramma’s die onlangs door enkele EU-lidstaten zijn vastgesteld; verzoekt de Commissie wetgeving voor te stellen om dergelijke praktijken te verbieden;

14.  betreurt de inconsistenties en tekortkomingen van de Europese wetgeving die gericht is op de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, waaronder onder meer drugshandel en mensenhandel; verzoekt de Commissie toezicht te blijven houden op de correcte omzetting van het kaderbesluit ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, door gebruik te maken van haar handhavingsbevoegdheden op grond van de Verdragen; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een richtlijn op basis van artikel 83, lid 1, VWEU met het oog op de herziening van Kaderbesluit 2008/841/JBZ ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, en daarbij de definities van strafbare feiten aan te passen door specifiek de nadruk te leggen op het grensoverschrijdende karakter van criminele organisaties, zoals herhaaldelijk benadrukt in de verslagen van de bevoegde Europese agentschappen, met name Europol en Eurojust, de straffen te verhogen, en het strafbare feit van een criminele vereniging toe te voegen, dat in het maffia-model door intimidatietaktieken, vereniging met als oogmerk het plegen van misdaden, en de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de openbare instellingen, gekenmerkt wordt; acht in dit verband algemene Europese wetgeving wenselijk ter bescherming van personen die samenwerken met rechtshandhavingsinstanties;

15.  benadrukt dat het belangrijk is over wetgeving te beschikken die de rechtshandhavingsinstanties in staat stelt illegaal verkregen vermogensbestanddelen doeltreffend aan te pakken door te voorkomen dat criminelen profiteren van hun misdrijven en de opbrengsten daarvan in de legale economie brengen of voor het financieren van andere criminele activiteiten gebruiken; merkt op dat de Europese wetgeving op dit gebied tekortschiet, ondanks de aanstaande inwerkingtreding van Verordening (EU) 2018/1805; is daarom ingenomen met de bereidheid van de Commissie om het gehele rechtskader inzake de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de EU te herzien en de eventuele noodzaak van verdere gemeenschappelijke regels te onderzoeken, met bijzondere aandacht voor inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten van misdrijven zonder dat er sprake is van een veroordeling, en het beheer van deze opbrengsten;

16.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om te blijven toezien op de volledige omzetting van de richtlijnen inzake procedurele rechten binnen de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; uit echter zijn bezorgdheid over de aanhoudende problemen bij de omzetting van Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten(9); uit zijn bezorgdheid in verband met de inbreukprocedures die tegen verschillende lidstaten zijn ingeleid wegens niet-omzetting van Richtlijn (EU) 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure(10);

17.  benadrukt dat de Europese belastingwetgeving dringend moet worden verbeterd om de belastingstelsels transparanter, met een grotere verantwoordingsplicht, en effectiever te maken, alsook om oneerlijke concurrentie tussen lidstaten en de toename van het aantal belastingparadijzen te beperken; is van mening dat eerlijke belastingheffing en een vastberaden strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking, agressieve fiscale planning en het witwassen van geld een centrale rol moeten spelen in het EU-beleid; verzoekt de Commissie en de lidstaten een concurrerend, eerlijk en degelijk belastingstelsel te ontwikkelen dat geschikt is voor het digitale tijdperk en nieuwe zakelijke modellen;

18.  betreurt het dat de Commissie niet heeft besloten inbreukprocedures in te leiden tegen de lidstaten die de Schengenregels hebben geschonden;

19.  betreurt het feit dat de lidstaten zich niet solidair tonen en de verantwoordelijkheid voor de herplaatsing van asielzoekers niet willen delen;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan de Europese wetgeving ter bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme om te zetten; wijst met name op de door de Commissie geconstateerde gebrekkige omzetting door bepaalde lidstaten van Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding(11); merkt op dat de meeste lidstaten tegen wie de Commissie in 2019 inbreukprocedures heeft ingeleid in verband met niet-omzetting van Richtlijn (EU) 2016/681 inzake persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens)(12), de Commissie inmiddels in kennis hebben gesteld van de vaststelling van de maatregelen die nodig zijn om deze handeling naar behoren om te zetten;

21.  verzoekt de EU-instellingen om in het kader van al hun beslissingen, acties en beleid de volledige tenuitvoerlegging van het EU-Handvest te waarborgen, met het oog op de handhaving van de pluriformiteit, onafhankelijkheid en vrijheid van de media; spreekt zijn bezorgdheid uit over de toestand van het medialandschap in de EU; betreurt alle praktijken die gericht zijn op het intimideren of bedreigen van journalisten; verzoekt de Commissie in dit verband nogmaals een omvattend voorstel in te dienen voor een wetgevingshandeling tot vaststelling van minimumnormen die erop gericht zijn strategische rechtszaken tegen publieke inspraak in de hele EU tegen te gaan; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om het oneigenlijk gebruik van rechtsinstrumenten voor het intimideren of schaden van journalisten te bestrijden;

22.  veroordeelt het toenemende aantal desinformatiecampagnes die beogen burgers te misleiden over EU-activiteiten en die zich ook richten op de maatregelen die zijn genomen om de goede toepassing van het EU-recht in de lidstaten te waarborgen; verzoekt de Commissie dit fenomeen te bestrijden, aangezien hiermee beoogd wordt het democratisch proces en het vertrouwen van burgers in de democratische instellingen van de EU te ondermijnen; verzoekt de Commissie een duidelijk en breed pakket aan maatregelen door te voeren om de verspreiding en de effecten van online desinformatie in Europa in te dammen en te zorgen voor de bescherming van de Europese waarden en democratische stelsels;

23.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de ernstige tekortkomingen die zijn vastgesteld bij de toepassing van de EU-milieu- en energiewetgeving, met name met betrekking tot afvalbeheer en -verwijdering, energie-efficiëntie, het verlies aan biodiversiteit, de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en beschermde gebieden, de ontoereikende behandeling van stedelijk afvalwater en luchtvervuiling, wat ook ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid van de mens; stelt met bezorgdheid vast dat er 19 inbreukprocedures lopen wegens onjuiste omzetting van de bepalingen van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn die van essentieel belang is voor de correcte toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt en de aansprakelijkheid voor milieuschade in het algemeen;

24.  merkt met name op dat de meerderheid van lidstaten de Europese normen inzake grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen voortdurend en systematisch heeft geschonden; benadrukt dat de degradatie van ecosystemen en het verlies aan biodiversiteit een groot probleem is in heel de Unie; verzoekt de Commissie nieuwe wetgeving inzake het behoud van ecosystemen voor te stellen die voortbouwt op en verder gaat dan de verplichtingen die al zijn opgenomen in de habitatrichtlijn en de overige toepasselijke EU-wetgeving; verzoekt de Commissie daadwerkelijk te zorgen voor een snelle, volledige en correcte omzetting van alle EU-milieurichtlijnen in alle lidstaten, en daarbij rekening te houden met de prioriteiten die zijn opgenomen in haar mededeling getiteld “EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing”;

25.  benadrukt dat het ontbreken van een in de hele Unie van toepassing zijnde samenhangende en uitgebreide reeks gecodificeerde regels inzake goed bestuur, het voor burgers en bedrijven moeilijk maakt om hun rechten uit hoofde van het Unierecht gemakkelijk en volledig te begrijpen; benadrukt derhalve dat het codificeren van regels inzake goed bestuur in de vorm van een verordening waarin de verschillende aspecten van de administratieve procedure worden vastgelegd, waaronder kennisgevingen, bindende termijnen, het recht om te worden gehoord en het recht van eenieder op toegang tot zijn dossier, onontbeerlijk is om de rechten van de burgers en de transparantie te versterken; is van mening dat met deze verordening de doeltreffendheid, doelmatigheid en capaciteit van het openbaar bestuur en overheidsdiensten kunnen worden verbeterd, en daarmee tegemoet wordt gekomen aan de investerings- en hervormingsbehoeften in de Europese Unie;

26.  herhaalt zijn verzoek om de vaststelling van een verordening betreffende een open, efficiënt en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat op grond van artikel 298 VWEU, en wijst erop dat de Commissie naar aanleiding van dit verzoek geen voorstel ter zake heeft ingediend; verzoekt de Commissie daarom nogmaals een wetgevingsvoorstel inzake een Europese wet bestuursprocesrecht in te dienen en daarbij rekening te houden met de door het Parlement tot dusver genomen stappen op dit terrein;

27.  merkt op dat er met name sprake is van een gebrek aan omzetting van, tenuitvoerlegging van, en toezicht op de EU-wetgeving inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, ondanks het feit dat de Commissie en de Raad tijdens het wetgevingsproces de nadruk leggen op de grote urgentie van deze voorstellen; verzoekt de Commissie en de nationale autoriteiten de toepassing van het EU-recht op dit gebied op proactieve en alomvattende wijze te controleren en te handhaven;

28.  erkent dat burgers en ondernemers moeten worden geïnformeerd over problemen die zich voordoen bij de dagelijkse toepassing van het EU-recht teneinde de juiste toepassing van het EU-recht en de goede werking van de interne markt te waarborgen; verzoekt om een intensievere samenwerking op dit gebied, onder meer met behulp van de Solvit-dienst;

29.  betreurt het aanhoudende gebrek aan homogeniteit tussen de lidstaten bij de doeltreffende uitvoering van verschillende wetgevingsinstrumenten die gericht zijn op de totstandbrenging van een sociale en inclusieve Unie en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van kwetsbare groepen; is bezorgd over de ernstige tekortkomingen en vertragingen bij de toepassing van de EU-wetgeving die onder de Europese pijler van sociale rechten valt, in het bijzonder bij de toepassing van de regelgeving betreffende de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers op het werk, de richtlijn inzake arbeidstijden(13) en de wetgeving betreffende de gelijke behandeling en gelijke beloning van vrouwen en mannen; onderstreept de ruime interpretatie die het HvJ-EU in zijn arresten geeft aan het concept van gelijke beloning voor gelijk werk, en verzoekt de Commissie meer te doen om discriminatie en de loonkloof tussen mannen en vrouwen op Europees niveau te bestrijden;

30.  verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat de COVID-19-pandemie niet door de lidstaten wordt gebruikt als een excuus voor de incorrecte toepassing van EU-wetgeving en dat eventuele vertragingen bij de omzetting van richtlijnen in het nationaal recht naar behoren worden verantwoord;

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de nationale parlementen.

(1) PB C 28 van 27.1.2020, blz. 108.
(2) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 126.
(3) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 17.
(4) PB C 18 van 19.1.2017, blz. 10.
(5) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(6) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(7) PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43.
(8) Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 10 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (COM(2016)0448).
(9) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(10) PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1.
(11) PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.
(12) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 132.
(13) Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9).

Laatst bijgewerkt op: 22 april 2021Juridische mededeling - Privacybeleid