Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2206(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0266/2020

Ingediende teksten :

A9-0266/2020

Debatten :

PV 19/01/2021 - 11
CRE 19/01/2021 - 11

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0012

Aangenomen teksten
PDF 198kWORD 65k
Woensdag 20 januari 2021 - Brussel
Uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid – jaarverslag 2020
P9_TA(2021)0012A9-0266/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - jaarverslag 2020 (2020/2206(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties en de Slotakte van Helsinki van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) uit 1975,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over politieke verantwoordingsplicht(1),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, getiteld “Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development”, van 25 september 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad over de geïntegreerde aanpak van externe conflicten en crises van 22 januari 2018,

–  gezien het derde verslag van de VN-groep van gezaghebbende internationale en regionale deskundigen inzake Jemen, getiteld “Yemen: “A Pandemic of Impunity in a Tortured Land”, dat de periode van juli 2019 tot en met juni 2020 bestrijkt,

–  gezien de integrale strategie van de EU voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van 28 juni 2016,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 8 april 2020 over de wereldwijde EU-respons op COVID-19 (JOIN(2020)0011),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2020 over gendergelijkheid in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU(2),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement van 13 maart 2019 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de reikwijdte en het mandaat voor speciale vertegenwoordigers van de EU(3),

–  gezien Resolutie 1325(2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien de Europese veiligheidsagenda 2015-2020,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 10 juni 2020 getiteld “Desinformatie in verband met COVID-19 aanpakken: feiten onderscheiden van fictie” (JOIN(2020)0008),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(4),

–  gezien de conclusies van de Raad over veiligheid en defensie van 17 juni 2020,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 september 2020 getiteld “Verslag inzake strategische prognoses 2020 – De koers naar een veerkrachtiger Europa”,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2019, 15 juli 2019, 14 oktober 2019 en 12 december 2019, de verklaring van de EU-ministers van Buitenlandse Zaken van 15 mei 2020 en de conclusies van de Europese Raad van 20 juni 2019, 17 oktober 2019 en 1 oktober 2020 over de illegale activiteiten van Turkije in de oostelijke Middellandse Zee, en gezien de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 over Noordoost-Syrië,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 april 2020 getiteld “Steun aan de Westelijke Balkan voor de bestrijding van COVID-19 en het herstel na de pandemie, bijdrage van de Commissie in de aanloop naar de top van de regeringsleiders van de EU en de Westelijke Balkan op 6 mei 2020” (COM(2020)0315),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0266/2020),

A.  overwegende dat het de plicht en verantwoordelijkheid van het Parlement is om democratisch toezicht te houden op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), en dat het Parlement dus op een tijdige en transparante manier de benodigde informatie en doeltreffende middelen moet krijgen om deze rol ten volle te vervullen, ook met betrekking tot alle defensie-industrieprogramma’s;

B.  overwegende dat het GBVB van de EU tot doel heeft de veiligheid en stabiliteit te waarborgen en tegelijk de Europese waarden van vrijheid, democratie, gelijkheid, rechtsstatelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten uit te dragen;

C.  overwegende dat de wereld wordt geconfronteerd met een scenario van agressieve geopolitieke concurrentie en dat bijgevolg snelle en geschikte reactiemechanismen en -capaciteiten voor buitenlands beleid zijn vereist;

D.  overwegende dat een krachtdadiger, meer ambitieus, geloofwaardig en eensgezind gemeenschappelijk buitenlands beleid een noodzaak is, nu de EU wordt geconfronteerd met meerdere geopolitieke uitdagingen in de ruimere regio die een directe of indirecte impact hebben op al haar lidstaten en hun burgers;

E.  overwegende dat de EU op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid haar potentieel niet ten volle benut door een gebrek aan eensgezindheid tussen de lidstaten;

F.  overwegende dat geen enkele EU-lidstaat in staat is de mondiale uitdagingen waarmee Europa tegenwoordig wordt geconfronteerd, alleen aan te pakken; overwegende dat een ambitieus en doeltreffend GBVB moet worden ondersteund met passende financiële middelen en een beter besluitvormingsmechanisme;

G.  overwegende dat de COVID-19-pandemie er in vele delen van de wereld toe heeft geleid dat de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden erop achteruit zijn gegaan en desinformatiecampagnes en cyberaanvallen door derde landen zijn toegenomen; overwegende dat isolationistische, unilaterale en antiglobalistische tendensen en systemische rivaliteit meer op de voorgrond zijn geplaatst, in plaats van multilaterale samenwerking volgens een op regels gebaseerde internationale orde;

H.  overwegende dat de veiligheid in de wereld en de belangen en de invloed van de EU bedreigd worden door gevaren zoals de heropleving van populisme en autoritarisme, een toenemende weerstand tegen de eerbiediging van het internationaal recht, de mensenrechten en de rechtsstaat, aanvallen op de liberale democratie en het multilateralisme, en dat daarbovenop nog de concurrentie tussen de grootmachten komt, die met name tussen de VS en China in rivaliteit is omgeslagen, waardoor de EU het risico loopt buiten de besluitvormingssfeer te vallen en door dergelijke concurrentie ernstig te worden geschaad;

I.  overwegende dat het Europese nabuurschapsbeleid (ENB) een essentieel instrument is met betrekking tot de landen van het Oostelijk en Zuidelijk Nabuurschap van de EU;

J.  overwegende dat de instabiliteit en onvoorspelbaarheid aan de grenzen van de Unie en in haar buurlanden een directe bedreiging vormen voor de veiligheid van de Unie en haar lidstaten; overwegende dat de COVID-19-pandemie negatieve gevolgen kan hebben voor het internationale veiligheidsklimaat; overwegende dat de ernstige economische en sociale gevolgen van deze pandemie een serieuze impact zullen hebben op de huidige niveaus van armoede en ongelijkheid in de wereld, en dat dit kan leiden tot diepe sociale onrust en hevige protesten, en een nieuw element van instabiliteit kan zijn in veel landen in kwetsbare situaties; overwegende dat vele van de bedreigingen die de afgelopen jaren zijn ontstaan, waaronder cyberdreigingen, klimaatverandering en pandemieën, ondertussen werkelijkheid zijn geworden, met een alsmaar grotere impact op verschillende aspecten van het menselijk leven, evenals op de ontwikkelingsmogelijkheden, de mondiale geopolitieke orde en de stabiliteit;

K.  overwegende dat het gebruik van mondiale maritieme informatie van essentieel belang is om een strategische bewakingsfunctie te waarborgen, risicoanalyse en vroegtijdige waarschuwing ten gunste van de Unie en haar lidstaten mogelijk te maken en de informatievoorziening voor civiele en militaire operaties op het gebied van maritieme beveiliging te bevorderen;

L.  overwegende dat terrorismebestrijding een topprioriteit is in de Europese veiligheidsagenda 2015-2020;

M.  overwegende dat de COVID-19-pandemie duidelijk heeft gemaakt dat de EU kwetsbaar is ten aanzien van autoritaire regimes, dat de traditionele externe allianties van de EU broos zijn, en dat de Unie een buitenlands beleid moet voeren dat in overeenstemming is met haar fundamentele waarden; overwegende dat de EU gezien het bovenstaande haar externe betrekkingen moet herbekijken en deze op de beginselen van solidariteit en multilateralisme moet baseren; overwegende dat de meest kwetsbaren bijzonder hard worden getroffen door de COVID-19-pandemie en de ingrijpende gevolgen ervan, met name in regio’s waar de gezondheidszorg en de sociale stelsels minder goed ontwikkeld zijn;

N.  overwegende dat er de afgelopen jaren nieuwe, multidimensionale uitdagingen zijn ontstaan, zoals de verspreiding van massavernietigingswapens, de betwisting van overeenkomsten inzake het niet verspreiden van wapens, de verergering van regionale conflicten die hebben geleid tot ontheemding van bevolkingsgroepen, de concurrentie om natuurlijke hulpbronnen, energieafhankelijkheid, klimaatverandering, de opbouw van falende staten, terrorisme, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, cyberaanvallen of desinformatiecampagnes;

O.  overwegende dat ontwapening, wapenbeheersing en non-proliferatie speerpunten van het GBVB moeten worden, gezien de niet-naleving van belangrijke overeenkomsten inzake wapenbeheersing en ontwapening en gezien ook de snelle ontwikkelingen op het gebied van wapentechnologie, teneinde de Europese burgers te beschermen en de internationale stabiliteit en veiligheid te vrijwaren; overwegende dat Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB moet worden bijgewerkt zodat de criteria strikt worden toegepast en uitgevoerd;

De EU als “voorkeurspartner” positioneren in een veranderende geopolitieke orde

1.  benadrukt dat de COVID-19-pandemie een alarmsignaal is dat wijst op de behoefte aan een sterker, autonomer, uniformer en assertief buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, zodat zij haar voortrekkersrol op het internationale toneel kan verstevigen, teneinde een op regels gebaseerde internationale orde te verdedigen en te ontwikkelen die multilateralisme, democratie en de mensenrechten waarborgt, en teneinde haar waarden en belangen wereldwijd daadkrachtiger te bevorderen; beklemtoont dat de EU daartoe eerst de partners in haar onmiddellijke nabuurschap succesvol moet ondersteunen;

2.  stimuleert en verdedigt de rol van de EU als betrouwbare partner wereldwijd, een “voorkeurspartner” voor derden, een principiële, maar niet dogmatische, eerlijke tussenpersoon, een referentie op het gebied van conflictbemiddeling en -oplossing, die diplomatie en dialoog bevordert als de manier bij uitstek om een constructieve rol op te nemen in mondiale conflicten, als leidende promotor van duurzame ontwikkeling en belangrijkste contribuant aan het multilaterale kader, maar ook als een mondiale speler die bereid is autonoom en daadkrachtig op te treden wanneer dat nodig is om de waarden en belangen van de EU te verdedigen, die verantwoordelijkheid opneemt door haar eigen veiligheid te waarborgen en de internationale vrede en stabiliteit te bevorderen, op basis van de beginselen en waarden van het VN-Handvest en zoals verankerd in het internationaal recht, met inachtneming van de op regels gebaseerde internationale orde; is van mening dat creativiteit, een meer proactieve houding en meer onderlinge eensgezindheid en solidariteit tussen de lidstaten, alsook inspanningen en middelen van de lidstaten, nodig zijn om de invloed van de EU wereldwijd te vergroten en haar positieve machtsmodel wereldwijd te bevorderen, en om haar in staat te stellen haar strategische verantwoordelijkheden in de buurlanden op te nemen;

3.  benadrukt dat de toenemende instabiliteit in de wereld, de steeds meer op confrontatie gerichte dynamiek, de uitholling van het multilateralisme en de opkomst van het autoritarisme, alsook de complexe mondiale uitdagingen, met name de steeds grimmigere sfeer, die leidt tot de opflakkering van gewapende conflicten, onder meer aan de oost- en zuidgrenzen van het Europese continent, terrorisme, klimaatverandering en toenemende bedreigingen voor natuurlijke hulpbronnen, ongecontroleerde migratiestromen, gezondheidsrisico’s en hybride dreigingen, zoals desinformatiecampagnes, actieve maatregelen en cyberaanvallen enz. de EU ertoe moeten aanzetten haar strategische autonomie te ontwikkelen en de samenwerking met haar bondgenoten te versterken; onderstreept in dit verband dat de Unie er belang bij heeft meer strategische samenwerkingen met derde landen aan te gaan, op basis van vertrouwen en wederzijds voordeel, en allianties met gelijkgezinde democratieën op te bouwen, ook in het zuidelijk halfrond, evenals ad-hoc-coalities met andere gelijkgestemden waar nodig;

4.  onderstreept in dit verband dat de Unie nauw moet samenwerken met belangrijke partners wereldwijd, en een actieve rol moet opnemen bij de verdediging van belangrijke instellingen inzake internationaal recht en het multilaterale stelsel; benadrukt dat het partnerschap van de EU met de VN en de NAVO moet worden versterkt, en dat voor een hechtere samenwerking moet worden gezorgd met organisaties als de Raad van Europa, de OVSE, de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean), de Afrikaanse Unie, de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Arabische Liga, de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten (Celac) en Mercosur; roept op tot een versterking van de samenwerking en coördinatie tussen de EU en de NAVO, waarbij kennis en middelen worden gebundeld en dubbel werk wordt vermeden, met het oog op een gemeenschappelijke aanvullende aanpak van de huidige en toekomstige regionale en mondiale veiligheidsproblemen alsmede van conflictsituaties, gezondheidscrises, asymmetrische en hybride gevaren, cyberaanvallen en desinformatie; benadrukt het belang van het Internationaal Strafhof (ICC) bij het onderzoeken van misdaden tegen de menselijkheid en de verdediging van slachtoffers daarvan, en is ingenomen met de sterke steun van de Unie voor het ICC, dat de laatste tijd het doelwit is van druk en aanvallen;

5.  drukt zijn bezorgdheid uit over de ongekende schaal van al dan niet door overheden aangestuurde desinformatie- en propagandacampagnes, die vreselijke maatschappelijke gevolgen hebben, onder meer in de Europese buurlanden en in het bijzonder in de Westelijke Balkan; veroordeelt de manipulatie en het tot wapen maken van informatie, onder meer door subnationale, overheids- en niet-overheidsactoren met kwaadaardige bedoelingen; veroordeelt eveneens platforms en organisaties die door autoritaire derde landen worden gebruikt om Europa’s politieke partijen en actoren direct en indirect te financieren en te beïnvloeden; is ingenomen met de broodnodige reactie van de EU-instellingen op deze nieuwe uitdaging, onder meer door de oprichting van een nieuwe bijzondere commissie in het Parlement, die zich richt op buitenlandse inmenging in democratische processen in de EU, met inbegrip van desinformatie; is verheugd dat de Raad een besluit heeft aangenomen betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen(5); onderstreept de noodzaak van een reactie die de grondrechten en fundamentele vrijheden niet beperkt; wijst op het belang van effectieve strategische communicatie van de EU, en is ingenomen met de versterking van StratCom binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de inspanningen van deze taskforce om desinformatiecampagnes op te sporen en te bestrijden; benadrukt dat de EU meer capaciteit moet opbouwen om nepnieuws en desinformatie, die een bedreiging voor de democratie zijn, proactief te bestrijden, en om haar veiligheidscultuur te verbeteren teneinde haar informatie- en communicatienetwerken beter te beschermen; roept de EU op een voortrekkersrol te spelen als pleitbezorger voor een collectief zelfverdedigings- en samenwerkingskader tegen hybride bedreigingen en de kwaadwillige invloed van autoritaire regimes op met name democratisch bestuur en particuliere ondernemingen wereldwijd; benadrukt daarom dat de EU haar allianties met andere mondiale democratische actoren moet versterken om dergelijke bedreigingen wereldwijd aan te pakken, onder meer door middel van hervormde, veerkrachtigere multilaterale instellingen;

6.  dringt erop aan dat het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU gestoeld moet zijn op de bevordering van de doelstellingen van artikel 21 VEU zoals democratie, de menselijke waardigheid, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de bescherming van alle minderheden en religieuze gemeenschappen, met inbegrip van christenen, joden, moslims, niet-gelovigen en anderen, en de bevordering van gendergelijkheid; is in dit opzicht ingenomen met het recente besluit van de Commissie om het mandaat van de speciale gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of overtuiging buiten de EU te verlengen, maar dringt erop aan dat er zo snel mogelijk iemand wordt aangesteld; verzoekt de EU-delegaties om de mensenrechtensituatie in de wereld van nabij te volgen, tendensen vast te stellen en burgers en maatschappelijke organisaties te steunen bij hun inspanningen om de negatieve tendens inzake mensenrechten overal ter wereld om te keren; benadrukt dat het koppelen van voorwaarden aan economische en politieke stimulansen het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU doeltreffender maakt; herinnert er in dit verband aan dat de Commissie de mensenrechtensituatie in de derde landen waaraan visumvrijstelling is verleend, moet monitoren, op gezette tijden verslag moet uitbrengen aan het Parlement en de visumvrijstelling moet opschorten indien er in het betrokken land schendingen worden vastgesteld; verzoekt de Commissie en de Raad om de EU-programma’s ter ondersteuning van de democratie wereldwijd te versterken door democratische “bottom-up”-processen aan te moedigen, de institutionele weerbaarheid te vergroten en steun te bieden aan Europese politieke stichtingen die de democratische processen versterken; pleit nogmaals, zoals het reeds in zijn aanbeveling van 13 maart 2019 deed, voor een hervorming en herziening van het systeem van speciale vertegenwoordigers en speciale gezanten van de EU;

7.  benadrukt dat de EU de onderliggende oorzaken van migratie moet aanpakken, zoals armoede, voedsel- en voedingsonzekerheid, werkloosheid, instabiliteit en een gebrek aan veiligheid in de derde landen waar de massale illegale migratie ontstaat; wijst erop dat ook nadruk moet worden gelegd op steun voor de opbouw van stabiele instellingen teneinde duurzame maatschappelijke ontwikkeling in deze landen te bevorderen;

Een nieuw ambitieniveau voor het GBVB: strategische regionale benaderingen op basis van een sterkere politieke wil

8.  herinnert eraan dat geen enkele EU-lidstaat alleen over voldoende bekwaamheid en middelen beschikt om het hoofd te bieden aan de huidige internationale uitdagingen; is in dit verband van mening dat in de eerste plaats een sterkere en oprechte politieke wil van de EU-lidstaten nodig is om tot een akkoord te komen over de doelstellingen van het buitenlands beleid en deze gezamenlijk na te streven, zoals conflictpreventie en vredesakkoorden, en om de pogingen te bestrijden die derde landen ondernemen om de EU te verzwakken en te verdelen, onder meer door de Europese waarden te ondermijnen; benadrukt dat alleen een sterke en verenigde Europese Unie met een solide buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid, waarin de lidstaten de VV/HV steunen om de overeengekomen doelstellingen uit te voeren, in staat zal zijn een sterke rol te spelen in de nieuwe geopolitieke context; verzoekt de Europese instellingen en lidstaten alle acties naar aanleiding van de COVID-19-crisis onderling en met hun internationale partners te coördineren om een samenhangende en inclusieve wereldwijde reactie op de pandemie te bevorderen; verwelkomt in dit verband de “Team Europa”-aanpak;

9.  herhaalt zijn oproep tot een herziening van de integrale EU-strategie, zodat lering kan worden getrokken uit de nieuwe geopolitieke dynamiek, de huidige dreigingen, de COVID-19-pandemie en de verwachte toekomstige uitdagingen, en zodat de doelstellingen en middelen van het GBVB opnieuw kunnen worden beoordeeld; benadrukt dat de EU haar samenwerking met internationale partners en bondgenoten verder moet ontwikkelen, maar daarbij op het gebied van buitenlandse zaken sneller tot besluiten moet kunnen komen, meer moet kunnen samenwerken met gelijkgezinde partners, en daarbij het multilateralisme moet versterken en meer strategische capaciteit moet opbouwen om op te treden, ook autonoom als dat nodig is; benadrukt dat de EU de verantwoordelijkheid heeft haar strategische autonomie te ontwikkelen op basis van gemeenschappelijke diplomatieke, veiligheids- en defensiekwesties, evenals economische, gezondheids- en handelsaangelegenheden, teneinde het hoofd te bieden aan de vele gemeenschappelijke uitdagingen bij de verdediging van haar belangen, normen en waarden in de wereld na de pandemie; wijst er daarom op dat het van groot belang is dat de Europese landen het vermogen behouden om zelf te beslissen en te handelen; dringt er bij de lidstaten op aan de nieuwe verordening tot instelling van het screeningmechanisme voor buitenlandse investeringen in kritieke sectoren snel ten uitvoer te leggen en toe te passen; moedigt de EU-lidstaten aan een nieuw forum voor multilaterale samenwerking op te zetten, in navolging van het Coördinerend Comité voor multilaterale controle op de uitvoer van strategische technologieën, om de uitvoer van technologieën, handelsstromen en investeringen in gevoelige sectoren in landen van zorg te monitoren en te controleren;

10.  is van mening dat er nog steeds een groot onbenut potentieel is om alle onderdelen, zowel de harde als de zachte macht, van het externe optreden van de EU te combineren en te integreren om de doelstellingen van het GBVB te verwezenlijken; herinnert er in dit verband aan dat de diplomatie van het Europees Parlement een belangrijke pijler van het buitenlands beleid van de EU vormt, met haar eigen complementaire instrumenten en kanalen; is van mening dat het Europees Parlement daarom moet worden erkend als een integraal onderdeel van de “Team Europa”-benadering die door de Commissie en de EDEO wordt bevorderd; benadrukt in dit verband de rol van het Parlement op het gebied van bemiddeling en steun voor de democratie, alsook de waardevolle bijdrage van parlementaire vergaderingen aan het Europese externe optreden, ook op het gebied van veiligheid en defensie, alsmede de noodzaak om hun activiteiten te bevorderen en de juiste ontwikkeling van hun werk te garanderen; roept met name de VV/HV en de voorzitters van de Commissie en de Raad op om het Parlement steeds op de hoogte te houden en bij het externe optreden van de EU te betrekken;

11.  is van oordeel dat de ambitie om een solide, autonoom en volledig ontwikkeld buitenlands en veiligheidsbeleid voor de Unie te hebben, ook inhoudt dat er een diplomatiek korps met dezelfde kenmerken moet zijn, dat vanaf het begin is gevormd in een specifiek Europese dimensie; steunt in dit verband het streven naar de oprichting van een Europese diplomatenopleiding die bevoegd is om een autonoom selectie- en opleidingssysteem in te voeren voor toekomstige EU-diplomaten, in het kader van een daadwerkelijke Europese diplomatieke loopbaan;

12.  benadrukt dat de bepalingen van het EU-Verdrag inzake raadpleging en informatieverstrekking aan het Parlement op het gebied van het GBVB moeten worden omgezet in duidelijke regels voor het tijdig en transparant delen van de desbetreffende documenten, met inbegrip van ontwerpstrategieën; spreekt de noodzaak uit om de manier waarop de Commissie en de EDEO momenteel gevoelige of vertrouwelijke informatie aan het Parlement doorgeven aanzienlijk te verbeteren; dringt er voorts op aan dat wordt onderzocht hoe de kwaliteit, de reikwijdte en de vorm van commissievergaderingen en uitwisselingen met de EDEO en de Commissie kunnen worden verbeterd; is van oordeel dat de “verklaring inzake politieke verantwoordingsplicht” van 2010 niet langer een geschikte basis is voor de betrekkingen tussen het Parlement en de VV/HV, en dat deze vervangen moet worden vervangen door een interinstitutioneel akkoord, teneinde de democratische controlerechten van het Parlement te bevorderen, in overeenstemming met de Verdragen; herinnert er voorts aan dat het heeft verzocht om een herziening van het besluit van de Raad tot oprichting van de EDEO;

13.  betreurt het gebrek aan vooruitgang bij het verbeteren van het besluitvormingsproces inzake GBVB-aangelegenheden, hetgeen van invloed is op de efficiëntie, de snelheid en de geloofwaardigheid van het optreden en de besluitvorming van de EU op het internationale toneel; vraagt de lidstaten zo snel mogelijk in debat te gaan over de mogelijkheid om in ieder geval op bepaalde gebieden van het GBVB, zoals besluiten inzake mensenrechtenkwesties en sancties, over te schakelen van eenparigheid van stemmen naar besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, als een concreet middel om de invloed van de EU op het internationaal toneel te vergroten;

14.  is verheugd over de goedkeuring van een nieuwe mondiale sanctieregeling van de EU inzake de mensenrechten (een soort Magnitski-wet van de EU), waardoor zij gerichte sancties kan opleggen aan de verantwoordelijken voor ernstige schendingen en misbruiken van de mensenrechten wereldwijd; raadt aan het toepassingsgebied van het sanctieregime in de toekomst uit te breiden, zodat dit ook gevallen van corruptie omvat;

15.  vraagt een herziening van de lijsten van materieel dat niet naar derde landen mag worden uitgevoerd, om te voorkomen dat lidstaten met financiële steun van de EU werktuigen leveren die uiteindelijk worden ingezet om burgers te onderdrukken;

16.  steunt een EU-breed debat over nieuwe vormen van samenwerking, zoals een Europese Veiligheidsraad, aangezien het de hoogste tijd is om doeltreffende vormen en instellingen formeel op te zetten, teneinde de samenhang en de invloed van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU te verbeteren; is van mening dat dit concept in het kader van de conferentie over de toekomst van Europa moet worden besproken, en herhaalt ook zijn oproep tot de oprichting van een Raad van ministers van Defensie;

17.  benadrukt dat de Unie zich ertoe verbindt de rol van de VN op het internationale toneel te versterken en onderstreept met het oog hierop de noodzaak om het systeem van de Verenigde Naties te hervormen, teneinde de samenhang van de maatregelen van alle agentschappen, organisaties en programma’s te versterken om een goede naleving van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 te garanderen; roept de lidstaten nogmaals op om de hervormingen van de samenstelling en het functioneren van de Veiligheidsraad te steunen om deze effectiever en operationeler te maken, hetgeen essentieel is om te waken over de wereldvrede, met een agenda die verder gaat dan militaire veiligheid en die de stroom vluchtelingen en ontheemden, voedselzekerheid, klimaatverandering en de strijd tegen pandemieën omvat;

18.  benadrukt het cruciale belang dat de Europese Unie heeft bij de ondersteuning van democratische en verkiezingsprocessen en bij het waarborgen van hun transparantie en legitimiteit;

19.  erkent dat de stabiliteit, veiligheid, vrede en welvaart van de Westelijke Balkan en de landen van het Oostelijk en Zuidelijk Nabuurschap rechtstreeks van invloed zijn op de stabiliteit en veiligheid van de Unie zelf en van haar lidstaten, alsook op haar imago als geopolitieke wereldspeler; wijst erop dat de Europese Unie de belangrijkste handelspartner en investeerder van de landen van de Westelijke Balkan en van het Oostelijk Partnerschap is; dringt er bij de EU op aan haar strategische verantwoordelijkheden in de buurlanden op te nemen en tijdiger een actieve, uniforme en doeltreffende rol te spelen bij de bemiddeling en vreedzame oplossing van de aanhoudende spanningen en conflicten, en bij de preventie van toekomstige conflicten in de buurlanden; is van oordeel dat dit kan worden bereikt door prioriteit toe te kennen aan preventieve vredesopbouw, met inbegrip van preventieve diplomatie en mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing, door de bilaterale samenwerking te versterken en democratische krachten en de rechtsstaat te ondersteunen, door positieve stimulansen te creëren voor sociaal-economische stabilisatie en ontwikkeling, en door de weerbaarheid van samenlevingen te vergroten, waarvoor voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken; bevestigt nogmaals zijn krachtige steun voor het Normandiëkwartet, de conferentie van Berlijn inzake Libië en de Minsk-groep;

20.  herhaalt dat het zich inzet voor uitbreiding als een cruciale, transformatieve EU-beleidslijn, en is ingenomen met de herziene methodologie van de Commissie en de sterkere nadruk daarvan op het politieke karakter van het uitbreidingsproces; steunt het Europese perspectief voor de landen van de Westelijke Balkan, en is ermee ingenomen dat de EU-lidstaten hun ondubbelzinnige steun voor dit perspectief hebben bevestigd, zoals vermeld in de verklaring van Zagreb van 6 mei 2020; is verheugd over het besluit om de toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië te openen; verzoekt de Raad en de Commissie onverwijld van start te gaan met de intergouvernementele conferenties met deze twee landen, en vraagt meer in het algemeen het toetredingsproces te versnellen, aangezien de landen van de Westelijke Balkan geografisch, historisch en cultureel deel uitmaken van Europa; dringt er met name bij Bulgarije op aan zich niet langer te verzetten tegen het starten van een intergouvernementele conferentie met Noord-Macedonië; onderstreept dat de integratie van deze landen in de EU van groot belang is voor de stabiliteit en de veiligheid van het hele continent, alsook voor de invloed van de EU in de regio en daarbuiten; benadrukt dat het toetredingsproces voor duurzame democratische, economische en ecologische transformatie en sociale convergentie moet zorgen, en goede nabuurschapsbetrekkingen en regionale samenwerking moet waarborgen; herinnert eraan dat het uitbreidingsproces op verdienste gebaseerd is en gestoeld is op strenge, eerlijke voorwaarden in overeenstemming met de criteria van Kopenhagen; herhaalt dat de aangenomen hervormingen voelbaar moeten zijn ter plaatse; benadrukt dat er duidelijke, transparante en consistente toetredingsbenchmarks moeten worden vastgesteld en dat er verdere politieke, financiële (IPA III) en technische bijstand moet worden verleend tijdens het proces, met duidelijke metingen van de vooruitgang; beklemtoont dat kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten zich moeten aanpassen aan de relevante verklaringen in verband met het GBVB van de VV/HV namens de EU, en aan de besluiten van de Raad;

21.  is verheugd over de resultaten van de EU-top met de landen van het Oostelijk Partnerschap en hoopt dat de zes landen zich daadwerkelijk zullen inzetten voor de hervormingsprocessen die nodig zijn om samenlevingen op te bouwen die democratischer, welvarender, eerlijker en stabieler zijn, en die dichter bij fundamentele waarden en beginselen staan; benadrukt dat samenwerking met de landen van het Oostelijk Partnerschap en andere buurlanden van de EU een prioriteit moet vormen in het kader van het GBVB, aangezien de EU sterk belang heeft bij de ontwikkeling en democratisering van deze landen; verzoekt de Commissie en de EDEO om de economische banden en de connectiviteit te blijven versterken middels handels- en associatieovereenkomsten, toegang tot de interne markt en versterkte intermenselijke contacten, onder meer door visumversoepelingen en liberalisering wanneer aan alle voorwaarden is voldaan; benadrukt dat deze voorbeelden als stimulansen kunnen dienen ter bevordering van democratische hervormingen en de aanneming van Europese regels en normen; verzoekt de EU vast te houden aan een op maat gesneden differentiatie binnen de landen van het Oostelijk Partnerschap op basis van het beginsel “meer voor meer” en “minder voor minder”; erkent dat de landen van het Oostelijk Partnerschap (EaP) over unieke ervaring en deskundigheid beschikken, erkent ook hun bijdrage aan missies, gevechtsgroepen en operaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU (GVDB) en pleit voor een verdieping van de samenwerking tussen de EU en het Oostelijk Partnerschap bij EU-gerelateerd defensiebeleid;

22.   ondersteunt de eisen van de Wit-Russische bevolking op het gebied van vrijheid, democratie en waardigheid, alsook haar eis om nieuwe, vrije en eerlijke presidentsverkiezingen te houden; erkent de belangrijke rol van de Coördinatieraad als vertegenwoordiger van de in opstand komende Wit-Russische bevolking; veroordeelt met klem de gewelddadige onderdrukking van vreedzame betogers en is ingenomen met de goedkeuring van sancties tegen het regime van Loekasjenko, ook tegen Alexander Loekasjenko zelf, en herhaalt dat het de uitslag van de vervalste presidentsverkiezingen van 9 augustus 2020 niet erkent; verzoekt de EU haar betrekkingen met Wit-Rusland grondig te evalueren, aangezien het regime zijn verplichtingen uit hoofde van het internationale recht en zijn overeenkomsten met de EU niet in acht neemt; vraagt stimulansen te creëren voor sociaal-economische stabilisatie en de ontwikkeling en ondersteuning van democratische krachten;

23.  beklemtoont dat de EU zich moet blijven inzetten om de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van haar partners binnen hun internationaal erkende grenzen te ondersteunen; maakt zich zorgen over de toename van het aantal oplaaiende conflictgebieden in de directe buurlanden van de EU, alsook over bevroren conflicten en de de-factobezetting door de Russische Federatie van grondgebied van soevereine staten; veroordeelt andermaal het agressieve beleid van Rusland ten aanzien van Oekraïne, de negatieve rol die Rusland speelt in meerdere bevroren conflicten en de druk die Rusland uitoefent op sommige van de directe buurlanden van de EU, alsook de schendingen van de rechten van de Krim-Tataren, de blokkade van de Zee van Azov, de aanhoudende beslaglegging op gasvelden van Oekraïne in de Zwarte Zee, en de schending van de territoriale integriteit van Georgië en Moldavië; staat nog altijd volledig achter het beleid om de illegale annexatie van de Krim niet te erkennen; roept Rusland op zijn verantwoordelijkheid te nemen, zijn invloed op door hem gesteunde separatisten aan te wenden en zijn verbintenissen in het kader van de overeenkomsten van Minsk volledig uit te voeren; onderstreept dat de EU meer inspanningen moet leveren met het oog op een vreedzame oplossing van de zogenaamde bevroren conflicten, ook in dialoog met de betrokken derde landen, om actief oplossingen te bevorderen op basis van de normen en beginselen van het internationaal recht, het VN-Handvest en de Slotakte van Helsinki van de OVSE van 1975, en om meer steun te verlenen aan door conflict getroffen burgers, intern ontheemden en vluchtelingen; eist eveneens dat de Russische Federatie de bezetting van de Georgische gebieden Abchazië en regio Tschinvali/Zuid-Ossetië beëindigt en de feitelijke inlijving van beide gebieden onder Russisch bestuur stopzet;

24.  neemt terdege nota van het akkoord over een volledig staakt-het-vuren in en rond Nagorno-Karabach, dat op 9 november 2020 door Armenië, Azerbeidzjan en Rusland is ondertekend; hoopt dat dit akkoord levens van zowel burgers als militairen zal sparen en meer perspectief zal bieden op een vreedzame oplossing van dit dodelijke conflict; betreurt het dat de gewijzigde status quo het gevolg was van militair geweld, en niet van vreedzame onderhandelingen; veroordeelt met klem dat burgers worden gedood en dat civiele faciliteiten en gebedshuizen worden vernietigd; veroordeelt eveneens dat naar verluidt clustermunitie wordt ingezet in het conflict; dringt er bij zowel Armenië als Azerbeidzjan op aan dat zij het Verdrag inzake clustermunitie onverwijld ratificeren, teneinde het gebruik van clustermunitie volledig te verbieden; benadrukt dat nog steeds een duurzame regeling moet worden getroffen, en dat het proces om vrede tot stand te brengen en de wettelijke status van de regio in de toekomst vast te leggen, onder leiding van de covoorzitters van de Minsk-groep moet verlopen, op basis van de grondbeginselen van de groep; benadrukt dat er dringend voor moet worden gezorgd dat de humanitaire hulp mensen in nood kan bereiken, dat de veiligheid van de Armeense bevolking en haar cultureel erfgoed in Nagorno-Karabach zijn gewaarborgd, en dat intern ontheemden en vluchtelingen naar hun voormalige woonplaatsen kunnen terugkeren; dringt erop aan dat alle beschuldigingen van oorlogsmisdaden grondig worden onderzocht en dat de verantwoordelijken voor het gerecht worden gebracht; vraagt de EU meer inhoudelijk mee te werken aan de oplossing van het conflict, om het lot van de regio niet aan andere machten over te laten;

25.  verneemt met instemming dat de Commissie en de hoge vertegenwoordiger een gezamenlijke mededeling zullen uitbrengen over een hernieuwd partnerschap met het zuidelijk nabuurschap; verzoekt de EU rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk van de landen van het zuidelijke Middellandse Zeegebied in haar beleid ten aanzien van de regio; verzoekt de EU de samenwerking met regionale actoren zoals de Arabische Liga, de Afrikaanse Unie en de Unie voor het Middellandse Zeegebied te versterken en intraregionale samenwerking tussen de landen van het Zuidelijk Nabuurschap actief te ondersteunen, als een onontbeerlijk instrument voor veiligheid en duurzame economische ontwikkeling; benadrukt de noodzaak om de betrekkingen van de Unie met de Noord-Afrikaanse landen te versterken; betreurt dat 25 jaar na het in gang zetten van het zogeheten proces van Barcelona de totstandbrenging van een ruimte van gedeelde welvaart, stabiliteit en vrijheid met de mediterrane landen van het Zuidelijk Nabuurschap nog altijd niet is voltooid; staat volledig achter het proces van Berlijn en verwelkomt alle VN-initiatieven om een alomvattende politieke oplossing voor de crisis in Libië te vinden;

26.  onderstreept dat de EU meer aandacht moet besteden aan het aanhoudende conflict in Syrië en dat zij inspanningen moet leveren om de leden van het Syrische regime voor de rechter te brengen, alsook de bondgenoten van het regime, met name uit Rusland en Iran, die verantwoordelijk zijn voor talloze oorlogsmisdaden sinds 2011;

27.  is van oordeel dat de EU een proactieve rol moet blijven spelen in het vredesproces in het Midden-Oosten en bij de totstandbrenging van een akkoord tussen de partijen, ook wat de definitieve status betreft, waarin met name aandacht moet worden besteed aan de noodzaak om op het terrein de voorwaarden te behouden voor een vreedzame tweestatenoplossing op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als hoofdstad van beide staten, waarbij de veilige staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aaneengesloten en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, op basis van het recht op zelfbeschikking en volledige eerbiediging van het internationaal recht;

28.  neemt nota van de Abrahamakkoorden, die de betrekkingen tussen Israël en de Verenigde Arabische Emiraten en Bahrein hebben genormaliseerd; looft in dit verband de rol die de Verenigde Staten bij de bevordering van de Abrahamakkoorden hebben gespeeld; wijst erop dat Arabische landen zoals Egypte of Jordanië, die al jaren diplomatieke betrekkingen met Israël onderhouden, een zinvolle rol hebben gespeeld bij de bevordering van de dialoog over het vredesproces in het Midden-Oosten, onder meer wat veiligheid en stabiliteit betreft; onderstreept het blijvende belang van investeringen in zinvolle onderhandelingen tussen Israël en Palestina; is ingenomen met het feit dat een van de voorwaarden voor de Abrahamakkoorden de stopzetting van de annexatieplannen op de Westelijke Jordaanoever was, en roept alle partijen op dit te eerbiedigen;

29.  is ingenomen met het feit dat de Palestijnse politieke mogendheden er recent mee hebben ingestemd om ten laatste over zes maanden parlements- en presidentsverkiezingen te houden, en benadrukt dat democratische verkiezingen een belangrijke prioriteit blijven voor de Unie; beklemtoont dat het vredesproces in het Midden-Oosten moet worden ondersteund, en dat moet worden voorzien in voldoende financiële middelen voor de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA), in nauwe samenwerking met de internationale donorgemeenschap;

30.  is ingenomen met de toezegging van de EU om het gezamenlijk alomvattend actieplan te handhaven, en te verzekeren dat het door alle partijen volledig wordt toegepast; beklemtoont dat deze multilaterale overeenkomst een cruciale prestatie van de Europese diplomatie is en een essentiële pijler blijft van de mondiale architectuur voor non-proliferatie, als hoeksteen voor vrede, veiligheid en stabiliteit in de regio, en dat het in het belang van de EU is om de volledige handhaving en toepassing van de overeenkomst te verzekeren; roept de VS op af te zien van eenzijdige acties en aldus bij te dragen aan regionale en mondiale vrede en veiligheid, en een op regels gebaseerde wereldorde; verzoekt de VV/HV met klem alle beschikbare politieke en diplomatieke middelen aan te wenden om het gezamenlijk alomvattend actieplan veilig te stellen; vraagt de VV/HV, in het licht van de bestaande rivaliteiten in de Golfregio, overeenkomstig de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 10 januari 2020, de politieke dialoog met de landen in de regio te intensiveren teneinde de-escalatie en een inclusieve regionale veiligheidsarchitectuur te bevorderen; verzoekt de HV/VV in dit verband te overwegen een speciale gezant voor de Golfregio te benoemen om deze taak te vergemakkelijken;

31.  roept Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, als ondertekenaars van het gezamenlijk alomvattend actieplan, en de EU en haar lidstaten op hun eenheid, afschrikkingsmiddelen en weerbaarheid tegen secundaire sancties van derde landen op te bouwen en maatregelen in te voeren om de legitieme belangen van de EU te vrijwaren, onder meer door het instrument ter ondersteuning van het handelsverkeer (Instex) volledig operationeel te maken; verwerpt de unilaterale, extraterritoriale wederinvoering van sancties door de VS nadat zij zich uit het gezamenlijk alomvattend actieplan hebben teruggetrokken, aangezien dit de legitieme belangen van de EU op het gebied van economisch en buitenlands beleid ondermijnt, met name door humanitaire handel met Iran te belemmeren tijdens de COVID-19-uitbraak; verzoekt de VS zich onvoorwaardelijk opnieuw aan te sluiten bij het gezamenlijk alomvattend actieplan en meent dat Iran tegelijkertijd moet worden aangespoord om zijn toezeggingen in het kader van de overeenkomst opnieuw volledig moet naleven; veroordeelt in dit verband het besluit van Iran om uranium te beginnen verrijken tot 20 %, hetgeen een rechtstreekse en ernstige schending van de nucleaire overeenkomst is;

32.  neemt nota van het verslag van de VN-groep van gezaghebbende internationale en regionale deskundigen inzake Jemen, waarin werd vastgesteld dat de regering van Jemen, de Houthi’s, de Zuidelijke Overgangsraad, alsook leden van de coalitie geleid door Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten ernstige schendingen hebben begaan van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, die als oorlogsmisdaden kunnen worden aangemerkt, zoals willekeurige aanvallen op burgers en civiele structuren; verzoekt de EU en haar lidstaten te garanderen dat de ernstigste misdrijven niet ongestraft blijven door, onder meer, een verwijzing van de situatie in Jemen naar het Internationaal Strafhof te steunen; verzoekt de EU en haar lidstaten gerichte sancties in te voeren tegen functionarissen in Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten die bij vermeende oorlogsmisdaden betrokken zijn geweest; herhaalt nogmaals zijn oproep aan de lidstaten om te stoppen met de verkoop van wapens aan Saudi-Arabië en de VAE, die hen alleen maar medeplichtig maakt aan het voortduren van het conflict en het verlengen van het lijden van de Jemenitische bevolking;

33.  is van oordeel dat de EU dringend een betere geopolitieke en algemene strategie moet vaststellen voor haar betrekkingen op korte, middellange en lange termijn met Turkije, met name gezien de rol van Turkije in conflicten in Syrië, Irak, Libië en Nagorno-Karabach en gezien de aanhoudende achteruitgang van de democratie en de toenemende assertiviteit van zijn buitenlands beleid, hetgeen mede tot een escalatie van de spanningen leidt en een destabilisatie veroorzaakt die de regionale vrede en stabiliteit in het oostelijke Middellandse Zeegebied, het Midden-Oosten en de zuidelijke Kaukasus bedreigt;

34.  verzoekt de EU een centrale rol op te nemen in het Middellandse Zeegebied, onder meer in de strijd tegen georganiseerde misdaad, terrorisme en irreguliere migratie, aangezien zij een speler is die de stabiliteit van de regio kan garanderen; benadrukt dat de lopende wetgevingswerkzaamheden met betrekking tot het nieuwe migratie- en asielpact een belangrijke kans voor de medewetgevers van de EU opleveren om het asiel- en migratiebeleid te verbeteren en aldus minder afhankelijk te worden van Turkije;

35.  herhaalt dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije formeel zijn bevroren, gezien de mensenrechtensituatie, de achteruitgang van de democratie en de problemen in verband met de rechtsstaat in het land; meent dat de betrekkingen met Turkije niet mogen stoelen op een illusoir en achterhaald toetredingsproces; benadrukt dat het voor de Europese Unie, haar lidstaten en Turkije van gemeenschappelijk strategisch belang is een stabiele en veilige omgeving te creëren in het oostelijke Middellandse Zeegebied; herinnert er echter aan dat de cruciale dialoog, die voorop moet staan bij de totstandbrenging van deze stabiele en veilige omgeving, alleen kan bestaan als eenzijdige provocatie wordt vermeden, al helemaal door militaire acties of acties op zee of in de lucht; herinnert in dit verband aan de volledige solidariteit van de EU met haar lidstaten Griekenland en Cyprus;

36.  herhaalt dat de Unie bereid is alle instrumenten en mogelijkheden die zij ter beschikking heeft aan te wenden, ook die overeenkomstig artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor de bescherming van haar belangen en die van haar lidstaten; herinnert aan de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019, waarin de lidstaten werd gevraagd sterke nationale standpunten in te nemen met betrekking tot hun beleid inzake wapenuitvoer naar Turkije op basis van de bepalingen van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, met inbegrip van de strikte toepassing van criterium 4 over regionale stabiliteit; verzoekt de VV/HV en de Raad te overwegen een initiatief voor te stellen om alle lidstaten ertoe te verplichten vergunningen voor wapenuitvoer naar Turkije op te schorten, overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt; herinnert aan de conclusies van de Raad van 1 oktober 2020, waarin werd beklemtoond dat de EU alle instrumenten en mogelijkheden die zij ter beschikking heeft, met inbegrip van de invoering van een sanctieregeling voor Turkije, zal aanwenden om haar belangen en die van haar lidstaten te beschermen; herhaalt dit verzoek aan de VV/HV, zolang Turkije doorgaat met zijn huidige illegale unilaterale acties in het oostelijke Middellandse Zeegebied die ingaan tegen de soevereiniteit van EU-lidstaten en het internationaal recht en zolang Turkije geen dialoog aangaat op basis van internationaal recht; verzoekt de leiders van de NAVO in de krachtigste bewoordingen aan Turkije duidelijk te maken dat zij de agressieve handelingen van het land tegen andere NAVO-leden niet zullen dulden;

37.  veroordeelt ten stelligste de ondertekening van de twee memoranda van overeenstemming tussen Turkije en Libië inzake de afbakening van maritieme rechtsgebieden en de intensieve samenwerking op militair en veiligheidsgebied die onderling zijn verbonden en een duidelijke schending vormen van zowel het internationaal recht als de resolutie van de VN-Veiligheidsraad tot instelling van een wapenembargo tegen Libië;

38.  veroordeelt met klem de destabiliserende rol van Turkije, dat de reeds broze stabiliteit in de hele zuidelijke Kaukasus steeds meer ondermijnt; roept Turkije op zich te onthouden van elke vorm van inmenging in het conflict in Nagorno-Karabach, met inbegrip van militaire steun aan Azerbeidzjan, en vraagt Turkije zijn destabiliserende optreden stop te zetten en actief vrede te bevorderen; veroordeelt ten zeerste de overbrenging van buitenlandse terroristische strijders van Syrië en elders naar Nagorno-Karabach, zoals bevestigd door internationale actoren, met inbegrip van de voorzittende landen van de Minsk-groep van de OVSE; betreurt dat Turkije bereid is de Minsk-groep van de OVSE te destabiliseren bij het nastreven van zijn ambities om een meer doorslaggevende rol te spelen in het conflict;

39.  onderstreept dat het essentieel en in het wederzijds belang van de EU en het VK is, des te meer vanwege hun gemeenschappelijke beginselen en gedeelde waarden, alsook hun geografische nabijheid en duurzame strategische samenwerking, om overeenstemming te bereiken over gemeenschappelijke antwoorden op uitdagingen op het gebied van buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid, op basis van de beginselen van multilateralisme, het oplossen van conflicten met dialoog en diplomatie en het internationaal recht, in het licht van het feit dat de meeste internationale gevaren beide partijen met eenzelfde intensiteit treffen; is ingenomen met de sluiting van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK, die burgers en bedrijven aan beide zijden duidelijkheid en zekerheid biedt; benadrukt dat het dit akkoord momenteel onderzoekt, en dat het voornemens is nauwlettend toezicht uit te oefenen op de uitvoering van de overeenkomst tussen de EU en het VK in alle details;

40.  beklemtoont dat trans-Atlantische samenwerking essentieel is en van cruciaal belang blijft voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU; roept op tot meer inspanningen voor een robuust en hernieuwd trans-Atlantisch partnerschap en een permanente dialoog, op basis van wederzijds respect en concrete maatregelen om het multilateralisme, de rechtsstaat, de mensenrechten, de trans-Atlantische veiligheid en economische samenwerking en de strijd tegen de klimaatverandering te bevorderen, en om de op regels gebaseerde internationale orde te behouden teneinde het hoofd te kunnen bieden aan de huidige en toekomstige uitdagingen en crises op het gebied van buitenlands, veiligheids- en handelsbeleid, met name de huidige noodsituatie op gezondheidsgebied en de economische, sociale, politieke en veiligheidsuitdagingen die daarmee gepaard gaan;

41.  stelt met klem dat het Trans-Atlantisch Partnerschap nieuw leven moet worden ingeblazen om beter om te kunnen gaan met de pandemie en andere belangrijke internationale uitdagingen, zoals de klimaatverandering; erkent dat een nieuwe basis moet worden gevonden voor samenwerking tussen de EU en de VS tegen nationalistische, autoritaire en hegemonische ambities, de expansionistische spanningen in het Midden-Oosten en de Golfregio, de multipolariteit van steeds dominantere economische actoren en de huidige economische crisis aan weerszijden van de Atlantische Oceaan; is ingenomen met het initiatief van de EU om een trans-Atlantische dialoog over China op te zetten;

42.  is van oordeel dat dit partnerschap alleen succes kan hebben als de betrekkingen zijn gestoeld op gedeelde waarden en belangen en de eerbiediging van het internationaal recht en multilaterale instellingen, maar ook op vertrouwen, wat de afgelopen jaren helaas minder het geval was doordat buitensporige unilaterale maatregelen werden genomen, die ook de multilaterale kaders hebben verzwakt waarvan de EU en haar lidstaten deel uitmaken; betreurt in dit verband de unilateralistische neigingen van de Amerikaanse regering onder president Donald Trump; beklemtoont dat zwakkere banden tussen westerse landen het voor niet-liberale staten mogelijk maken het leiderschapsvacuüm op het internationale toneel op te vullen; hoopt dat de VS hun traject van terugtrekking van de afgelopen jaren uit de multilaterale, op regels gebaseerde wereldorde zullen omkeren, waardoor een hechte eenheid van trans-Atlantisch optreden kan worden hervat die volledig in overeenstemming is met gemeenschappelijke waarden en beginselen die de EU en de VS delen; herhaalt dat Europese NAVO-lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten nemen op het gebied van lastenverdeling met betrekking tot de verdediging van de trans-Atlantische ruimte, en moeten reageren op nieuwe hybride dreigingen; beklemtoont dat samenwerken met de VS aan inspanningen op het gebied van vredesopbouw in de toekomst meer synergieën zou creëren en het mogelijk zou maken mondiale uitdagingen beter aan te pakken;

43.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de bestorming van het Amerikaanse Congres door een menigte die daartoe werd opgezweept door de samenzweringstheorieën van president Donald Trump en zijn ongegronde beweringen dat de presidentsverkiezingen van 3 november 2020 niet eerlijk zijn verlopen; vertrouwt erop dat de VS een vreedzame machtsoverdracht aan verkozen president Joseph Biden en verkozen vicepresident Kamala Harris zal verzekeren; is verontrust over de opkomst van populisme en extremisme aan weerszijden van de Atlantische Oceaan en benadrukt dat het hoog tijd is om de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat wereldwijd te verdedigen;

44.  dringt aan op de handhaving van een krachtig en eensgezind standpunt ten aanzien van de Russische Federatie, onder meer via de herziening van de vijf leidende beginselen van de EU; pleit voor de ontwikkeling van een nieuwe strategie ten aanzien van Rusland, wat een duidelijk signaal zou zijn aan het prodemocratische gedeelte van de Russische samenleving over de blijvende bereidheid van de EU om in dialoog te gaan en samen te werken; vraagt het sanctieregime te versterken, met name in het licht van de lopende ontwikkelingen in verband met de poging tot moord op Aleksej Navalny op Russisch grondgebied, met behulp van een in Rusland ontwikkeld militair zenuwgas van de novitsjok-groep; is ingenomen met de beperkende maatregelen van de Raad Buitenlandse Zaken naar aanleiding van het gebruik van chemische wapens bij de poging tot moord op Aleksej Navalny; herinnert aan zijn oproep tot een onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze vergiftiging;

45.  herhaalt dat de naleving van de overeenkomsten van Minsk een essentiële voorwaarde vormt voor iedere substantiële wijziging in de verhoudingen tussen de EU en Rusland; betreurt de negatieve rol die Rusland speelt bij desinformatiecampagnes en andere vormen van hybride oorlogvoering tegen de EU en het westen, die tot doel hebben onze interne cohesie te verzwakken en aldus ook ons vermogen om doeltreffend op te treden op het wereldtoneel; betreurt voorts de gerichte moorden op het grondgebied van de EU, het gebruik van chemische wapens, en de moeilijke binnenlandse situatie op het gebied van mensenrechten en fundamentele vrijheden; beklemtoont dat druk moet worden uitgeoefend op de Russische Federatie opdat zij het internationaal recht en internationale verdragen naleeft; maakt zich zorgen over het feit dat Rusland herhaaldelijk overeenkomsten en normen op het gebied van wapenbeheersing heeft geschonden, wat heeft geleid tot de instorting van het Verdrag ter vernietiging van de kernwapens voor de middellange en de korte afstand (INF-verdrag), alsmede over schendingen van het Verdrag inzake chemische wapens door het gebruik militair zenuwgas, zowel in eigen land als op het grondgebied van de EU;

46.  beklemtoont dat Afrika een belangrijke strategische partner in het multilaterale systeem is; is ingenomen met de huidige inspanningen om de strategie EU-Afrika te herzien en sterk op te waarderen, met behulp van een model dat niet is gebaseerd op een donor-ontvanger-relatie, maar op een gezamenlijk en gecoördineerd partnerschap van gelijken, gestoeld op een duidelijk begrip van de respectieve en gedeelde belangen en verantwoordelijkheden, met het oog op de ontwikkeling van een billijk en duurzaam partnerschap waarin mensen centraal staan, onder meer op het gebied van mensenrechten, veiligheid en samenwerking in de strijd tegen terrorisme; benadrukt in dit verband dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de situatie in de Sahelregio, gezien de toenemende instabiliteit en de aanzienlijke directe en indirecte gevolgen voor de Unie van wat er in deze regio gebeurt; dringt aan op een Europese visie op solidariteit in het licht van de recente ontwikkelingen in Libië, maar ook op de mensenrechten, in het ontwikkelingshulpbeleid, met het oog op de ontwikkeling en consolidatie van economische partnerschapsovereenkomsten; dringt aan op een gemeenschappelijke aanpak en inspanningen op EU-niveau om de banden van de EU met Afrika te versterken, het bewustzijn van de EU ten aanzien van Afrika te vergroten, en de inspanningen op te drijven; herinnert eraan dat de Europese aanwezigheid en een geloofwaardig engagement cruciaal zijn voor het beperken van humanitaire en sociaal-economische uitdagingen;

47.  wijst op het belang van de Europese missies voor capaciteitsopbouw en opleidingen voor de bevordering van vrede, veiligheid en stabiliteit in Afrika; wijst nogmaals op het belang van de stabilisatiemissies en -operaties van de EU in Afrika, met name in de regio ten zuiden van de Sahara en in de Sahel, en vraagt de EDEO en de Raad ervoor te zorgen dat het mandaat en de middelen van de GVDB-missies in Afrika worden versterkt, zodat zij de middelen krijgen die nodig zijn om doeltreffend te blijven optreden in het licht van de ernstige uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd; wijst nadrukkelijk op de voortrekkersrol van de EU in het diplomatiek en vreedzaam oplossen van conflicten, ook met bemiddelingsinitiatieven en programma’s voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie;

48.  is ervan overtuigd dat versterkte betrekkingen met Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (LAC-landen) van centraal belang zijn voor de geopolitieke strategie van de EU in de wereld; benadrukt dat de Unie haar banden met de LAC-landen, die samen een derde van alle VN-leden vormen, moet versterken, op basis van gemeenschappelijke waarden en beginselen, vooral wat betreft de verdediging van de multilaterale, op regels gebaseerde orde, de bevordering van een groene agenda en de bestrijding van armoede en ongelijkheid; dringt er bij de Unie op aan haar positie als voorkeurspartner voor Latijns-Amerikaanse landen te handhaven, aangezien verwacht wordt dat andere geopolitieke actoren steeds meer ruimte in de regio zullen innemen;

49.  pleit in dit verband voor een gerichte en veelzijdige betrokkenheid bij de regio, gesteund door een gemeenschappelijk EU-verhaal, dat strategieën bevordert die helpen om samen gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken, zoals de bevordering van vrede, veiligheid en welvaart, en tegelijkertijd een gemeenschappelijk front garandeert in het licht van de bedreigingen ten gevolge van de klimaatverandering; benadrukt het belang dat Latijns-Amerika heeft voor de Europese Unie en roept op deze regio te blijven beschouwen als een regio van groot geostrategisch belang voor het GBVB, door deel te nemen aan de bevordering van democratie en mensenrechten in de regio en samen te werken aan de economische ontwikkeling ervan; beklemtoont dat eerbiediging van de rechtstaat en een stabiel politiek en rechtskader, met inbegrip van de bestrijding van corruptie en straffeloosheid, en vorderingen in de richting van democratie en de eerbiediging en bevordering van fundamentele vrijheden hoekstenen vormen van diepere integratie en samenwerking met de LAC-landen; onderstreept het belang van het bevorderen en voltooien van de vernieuwing van de allesomvattende overeenkomsten met Chili en Mexico en de associatieovereenkomst EU-Mercosur, en benadrukt dat deze landen belangrijke bondgenoten en partners van de EU zijn; drukt zijn grote bezorgdheid uit over het gebrek aan eerbiediging van de democratie en de rechtstaat en over de aanvallen op democratisch verkozen oppositieleiders, journalisten, studenten en mensenrechtenactivisten, met name diegenen die actief zijn op het gebied van milieu, en hun advocaten;

50.  drukt nogmaals zijn volledige steun uit voor het vredesproces in Colombia en voor de uitvoering ervan, die bepalend is voor de toekomst van de Colombianen en voor de stabiliteit in de regio; roept op tot handhaving van een sterk gemeenschappelijk standpunt tegen het Venezolaanse regime en tegen de aanvallen op de mensenrechten door het regime van president Nicolás Maduro, ook met betrekking tot het sanctieregime, met name in het licht van de recente gebeurtenissen en de recente aanklachten van verschillende organen, waaronder de Verenigde Naties;

51.  onderstreept dat het voor de EU belangrijk is een uniforme, realistische, doeltreffende, krachtige en meer assertieve strategie na te streven, die alle lidstaten verenigt en die vorm geeft aan de betrekkingen met de Volksrepubliek China (VRC), in het belang van de EU als geheel, waarbij zij proactief en assertief moet streven naar meer evenwichtige en wederzijdse economische betrekkingen, op basis van Europese waarden en belangen, met bijzondere nadruk op de eerbiediging van de mensenrechten en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; benadrukt dat samen met de VS en andere gelijkgestemde partners gestreefd moet worden naar een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van China;

52.  vraagt dat het EU-beleid ten aanzien van China wordt gebaseerd op de volgende beginselen: samenwerking waar mogelijk, concurrentie waar nodig, confrontatie waar noodzakelijk; herinnert eraan dat de assertieve publieke diplomatie van China ervoor heeft gezorgd dat een aantal landen afhankelijk zijn geworden van de Chinese investeringen en leningen; beklemtoont dat de EU haar aanwezigheid en zichtbaarheid als belangrijk investeerder en donor van ontwikkelingshulp in partnerlanden wereldwijd actief moet vergroten;

53.  moedigt China aan meer verantwoordelijkheid te nemen voor de aanpak van mondiale uitdagingen, en daarbij de samenwerking in multilateraal verband waar mogelijk te behouden, in het bijzonder door ambitieuzer op te treden en bindende toezeggingen te doen op het gebied van klimaat, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en op het gebied van biodiversiteit, en door een multilaterale aanpak van de COVID-19-pandemie te ondersteunen, bijvoorbeeld door een internationaal onderzoek naar de oorsprong van de ziekte toe te laten; betreurt de desinformatie van China over de oorsprong van de COVID-19-pandemie, de manipulatie van het multilaterale systeem, de verspreiding van kwaadwillige Chinese invloed, cyberaanvallen en corrupte investeringsprojecten; looft de doeltreffende inspanningen van Taiwan om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, alsook zijn solidariteit met de EU, aangetoond door de schenking van meer dan zeven miljoen chirurgische maskers aan vele lidstaten tijdens de pandemie;

54.  verzoekt de Commissie, de Raad en de VV/HV om aan de VRC de boodschap te blijven geven dat de EU de aanhoudende mensenrechtenschendingen in Hongkong, Tibet en Xinjiang niet tolereert en evenmin zal aanvaarden hoe het land personen behandelt die tot een minderheid behoren; vraagt op het internationale toneel een beslissende rol te spelen om de autonomie van Hongkong te waarborgen; veroordeelt de schending van het “één land, twee systemen”-model als gevolg van de goedkeuring van de nationale veiligheidswet in China, die de hoge mate van autonomie van Hongkong ernstig ondermijnt en negatieve gevolgen heeft voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de vrijheid van meningsuiting in Hongkong; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de gevolgen van het opleggen van de nationale veiligheidswet in Hongkong voor de betrekkingen tussen China en Taiwan; beklemtoont dat de huidige ondermijning van de autonomie van Hongkong door Peking niet alleen indruist tegen de verplichtingen van China uit hoofde van bilaterale verdragen en het internationaal recht, maar ook vraagtekens plaats bij de rol van Peking als een geloofwaardige partner; wijst erop dat het Parlement, wanneer het wordt gevraagd zijn goedkeuring te hechten aan een brede financieringsovereenkomst en toekomstige handelsovereenkomsten met China, rekening zal houden met mensenrechtenschendingen op het Chinese vasteland en in Hongkong; moedigt de lidstaten aan het door de Raad Buitenlandse Zaken op 28 juli 2020 aangenomen maatregelenpakket en de resolutie van het Parlement van 19 juni 2020(6) uit te voeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich actief te verzetten tegen de wrede vervolging van Oeigoeren in Xinjang en andere etnische en religieuze minderheden, met name christenen en Tibetanen; vraagt de lidstaten en de VV/HV in het kader van de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten sancties aan te nemen tegen de Chinese functionarissen en overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het orkestreren van de massale detentie van Oeigoeren en dwangarbeid in China;

55.  bevestigt dat de Unie waakzaam zal blijven ten aanzien van de situatie in Taiwan en de opwaardering van de politieke en handelsbetrekkingen tussen de EU en de Republiek China (Taiwan); roept de VRC op alle geschillen over land- en zeegrenzen vreedzaam op te lossen overeenkomstig het internationaal recht en provocerende militaire manoeuvres gericht op de destabilisering van de situatie in de Zuid-Chinese Zee te vermijden; beklemtoont dat de instandhouding van vrede, stabiliteit en de vrijheid van scheepvaart in de Indo-Pacifische regio van essentieel belang blijft voor de belangen van de EU en haar lidstaten; toont zich erg verontrust over de recente escalaties van de spanningen aan de grens tussen India en China, alsmede in de Zuid-Chinese Zee en de Straat van Taiwan, met inbegrip van de steeds meer provocerende militaire manoeuvres van China ten aanzien van Taiwan; vraagt dat alle betrokken partijen hun geschillen vreedzaam oplossen met constructieve dialoog en zich onthouden van unilaterale acties om de status quo te wijzigen; is van mening dat de betrekkingen tussen China en Taiwan constructief moeten worden ontwikkeld, zonder destabiliserende initiatieven of enige vorm van dwang door een van de partijen, en dat een wijziging van de betrekkingen tussen China en Taiwan niet mag worden doorgevoerd tegen de wil van de Taiwanese burgers; verzoekt de EU en haar lidstaten hun op contact gericht beleid ten aanzien van Taiwan opnieuw te bekijken en samen te werken met internationale partners om de democratie in Taiwan in stand te helpen houden, zonder buitenlandse dreigingen; verzoekt de EU en haar lidstaten te pleiten voor het lidmaatschap van Taiwan als waarnemer van de Wereldgezondheidsorganisatie, de Wereldgezondheidsvergadering en andere internationale organisaties, mechanismen en activiteiten, alsook in het mondiale ziektepreventienetwerk;

56.  benadrukt dat de EU meer aandacht moet besteden aan strategische regio’s die steeds meer internationale aandacht krijgen, zoals onder meer Afrika, het Noordpoolgebied, en de Indo-Pacifische regio, waar China een expansiebeleid voert waarop de EU een coherent antwoord moet ontwikkelen; benadrukt eveneens dat de EU haar samenwerking met belangrijke gelijkgestemde partners in de Indo-Pacifische regio, zoals Japan, India, Zuid-Korea, Australië en Nieuw-Zeeland, verder moet uitbreiden; is in dit verband ingenomen met de inspanningen om een Europese Indo-Pacifische strategie te ontwikkelen die is gestoeld op de beginselen en waarden van de EU, en die mogelijk gezamenlijke militaire oefeningen van Australië en de NAVO in de Stille Oceaan omvat; is van mening dat de EU, in het kader van een samenhangende China-strategie waarbij de EU en de lidstaten zich indien nodig samen tegen China verzetten, nauwere samenwerking met landen in de regio en andere democratieën moet nastreven, en dat de EU-verbindingsstrategie daarvoor ten volle moet worden benut; waarschuwt voor de Chinese inspanningen om meer macht uit te stralen in de regio, met name in Taiwan, die leiden tot grensgeschillen met verschillende van zijn buurlanden;

57.  beklemtoont dat het potentieel van een verdere verbetering van de betrekkingen tussen de EU en India moet worden benut, rekening houdend met de ontwikkelingen in de regio en de belangrijke rol die India speelt in de regio en wereldwijd;

58.  is ingenomen met de opname van een gezamenlijke mededeling over het Noordpoolgebied in het werkprogramma van de Commissie voor 2021; meent dat het noodzakelijk is dat de EU beschikt over een strategie voor het Noordpoolgebied;

Versterking van de capaciteiten en middelen van de EU in het GBVB

59.  benadrukt zijn steun voor de geleidelijke totstandbrenging en bevordering van een gemeenschappelijk defensiebeleid, gericht op de versterking van het GBVB en de doelstellingen en taken daarvan zoals omschreven in de Verdragen, met het oog op de totstandbrenging van een volwaardige defensie-unie die de specifieke grondwettelijke situatie van neutrale landen erkent, die gebaseerd is op duidelijke strategische doelstellingen en die gericht is op menselijke veiligheid en duurzame vrede; is in dit verband ingenomen met het initiatief om in 2022 een strategisch kompas vast te stellen; benadrukt dat de betrekkingen tussen de EU en de NAVO verder moeten worden versterkt, teneinde hun verenigbaarheid en onderlinge strategische relevantie te beklemtonen; verzoekt Europese landen meer te investeren in hun defensiecapaciteiten om de verantwoordelijkheden binnen de NAVO opnieuw in evenwicht te brengen en een meer gelijkwaardige partner te worden voor de Verenigde Staten; erkent de bijdrage van de missies en operaties van het GVDB aan de vrede, veiligheid en stabiliteit op internationaal vlak; prijst de vooruitgang die werd geboekt op het gebied van de totstandbrenging van de Europese Vredesfaciliteit; beklemtoont dat woorden moeten worden aangevuld met daden, met name door de EU een daadwerkelijke Europese defensie-industriële basis te bieden met een Europees Defensiefonds dat over de nodige begrotingsmiddelen beschikt; benadrukt dat de permanente gestructureerde samenwerking sneller en coherenter moet worden uitgevoerd, met het oog op strategische autonomie van de EU, zodat zij een meer geïntegreerde interne markt voor defensiegoederen kan bevorderen; beklemtoont dat het belangrijk is inclusieve raadplegingen met verschillende belanghebbenden te houden, teneinde een gemeenschappelijke strategische cultuur op het gebied van veiligheid en defensie te bevorderen;

60.  herinnert eraan dat de participatie van vrouwen in vredes- en veiligheidsprocessen een belangrijke rol kan spelen in het welslagen en de duurzaamheid van vredesovereenkomsten en de bestendigheid en kwaliteit van vrede; beklemtoont dat toezeggingen en verklaringen met betrekking tot de bevordering van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid en een gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in buitenlands en veiligheidsbeleid vaak een dode letter blijven en de daadwerkelijke uitvoering ervan niet nastreven of verzekeren, waardoor wereldwijd beperkte vooruitgang wordt geboekt op het gebied van de doelstellingen van de agenda; wijst op het grotere succes van conflictoplossing wanneer tijdens het proces genderpariteit en -gelijkheid worden gerespecteerd, en pleit voor een hoger participatieniveau van vrouwen, met name in besluitvormingsprocessen, en meer leidende functies voor vrouwen in GVDB-missies; vraagt voorts dat het genderperspectief meer systematisch wordt opgenomen in dergelijke missies, dat opleidingen over gendergelijkheid en de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid worden gewaarborgd voor al het door de EU ingezet militair en civiel personeel, ook voor het middenkader en het hoger management van de EDEO en voor de hoofden en bevelhebbers van de GVDB-missies en -operaties, en dat actief wordt bijgedragen aan de uitvoering van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid; pleit voor specifieke en meetbare streefcijfers met betrekking tot diversiteit en de aanwezigheid van vrouwen in managementfuncties bij de EDEO, met inbegrip van de doelstelling dat 50 % van de managementfuncties wordt ingevuld door vrouwen, onder meer als delegatiehoofden, speciale vertegenwoordigers van de EU en hoofden van GVDB-missies en -operaties; vraagt dat het komende genderactieplan III en het actieplan voor de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid worden omgezet in nationale actieplannen, met een tussentijdse evaluatie, en dat het actieplan voor de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid wordt toegevoegd aan het genderactieplan III;

61.  benadrukt dat de EU wereldwijd een leidende rol moet spelen bij het aanpakken van de gevolgen van de pandemie, en dat hiervoor in voldoende financiële middelen moet worden voorzien; benadrukt de noodzaak van een ambitieuzer meerjarig financieel kader (MFK) op het gebied van extern optreden en defensie, met inbegrip van verhoogde toewijzingen voor het GBVB, het instrument voor nabuurschapsbeleid en internationale samenwerking (NDICI), het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III), het Europees Defensiefonds (EDF) en militaire mobiliteit, en vraagt de Raad te zorgen voor een vroegtijdige goedkeuring van de Europese vredesfaciliteit; betreurt de door de Raad voorgestelde bezuinigingen op de externe financieringsinstrumenten in het nieuwe MFK en het gebrek aan financiering via het herstelpakket van NextGenerationEU; beklemtoont dat deze bezuinigingen een belemmering kunnen vormen voor de rol van de EU op mondiaal niveau en ernstige schade kunnen toebrengen aan haar vermogen om toetredende landen te stabiliseren en transformeren; benadrukt dat het Parlement op zinvolle wijze moet worden betrokken bij de strategische sturing, de jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s en de controle van de externe financieringsinstrumenten; herhaalt dat de begrotingsmiddelen van de EU voor civiele conflictpreventie in het volgende MFK aanzienlijk moeten worden opgetrokken en dat meer financiering vereist is voor vredesopbouw, dialoog, bemiddeling en verzoening;

62.  dringt aan op versterking van de defensievermogens, waarbij prioriteit wordt gegeven aan de onder het vermogensontwikkelingsplan (CDP) en de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie (CARD) in kaart gebrachte capaciteitshiaten, met name door diepgaande samenwerkingsactiviteiten zoals bundelen en delen, en voldoende financiering voor zinvolle projecten, zoals een ambitieuzere permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), het EOF, militaire mobiliteit en het Europees ruimtevaartprogramma; merkt op dat deze stappen ook voordelen zullen opleveren voor de NAVO en de trans-Atlantische betrekkingen; onderstreept de noodzaak van meer samenhang tussen de EU-instrumenten en -mechanismen in de defensiesamenwerking op EU-niveau, en dringt in dit verband ook aan op het optimaliseren van de middelen om onnodige dubbele uitgaven en instrumenten te vermijden; dringt aan op meer steun, meer personeel en adequate en permanente begrotingsmiddelen voor de afdeling Strategische Communicatie van de EDEO, op voorwaarde dat er een diepgaande onafhankelijke beoordeling wordt uitgevoerd van de vroegere en huidige activiteiten ervan; vraagt dat het mandaat van de afdeling Strategische Communicatie van de EDEO wordt herzien om er buitenlandse inmenging door opkomende actoren zoals China in op te nemen;

63.  herhaalt zijn pleidooi voor een betere ondersteuning van de maritieme veiligheidsstrategie van de EU nu het handhaven van de vrijheid van scheepvaart zowel in het nabuurschap als in de rest van de wereld een steeds grotere uitdaging vormt; beklemtoont dat de vrijheid van scheepvaart te allen tijde moet worden nageleefd; beveelt aan om de structurele coördinatie tussen instellingen, organisaties en nationale autoriteiten te versterken en te ondersteunen, teneinde tot een doeltreffend beheer van mondiale maritieme informatie te komen, met name door convergentie mogelijk te maken van de twee belangrijkste civiele en militaire componenten die ten grondslag liggen aan de kennis van de maritieme situatie;

64.  benadrukt het belang van de missies en operaties van het GVDB-beleid; onderstreept het bestaan van kaderovereenkomsten met derde landen voor hun deelname aan crisisbeheersingsoperaties van de EU; wijst erop dat dergelijke overeenkomsten het collectieve karakter benadrukken dat bepalend is voor het streven naar vrede en veiligheid;

65.  vestigt de aandacht op de dreigingen op middellange tot lange termijn die in de toekomst door het GBVB moeten worden aangepakt, met inbegrip van de veiligheidsrisico’s gesteld door autoritaire regimes, niet-overheidsactoren, klimaatverandering, cyberdreigingen, CBRN-aanvallen, hybride dreigingen met inbegrip van het breder gebruik van artificiële intelligentie, desinformatiecampagnes, de ruimtewedloop en de militarisering daarvan, en opkomende technologieën, terrorisme en ongecontroleerde migratiestromen, bovenop de reeds bestaande geopolitieke uitdagingen; beklemtoont dat de EU vooruitgang moet boeken met het definiëren en erkennen van hybride dreigingen; verzoekt de EU de bewustmaking van deze dreigingen te verbeteren en een gemeenschappelijk weerstandsvermogen op te bouwen; beklemtoont dat dergelijke dreigingen alleen kunnen worden tegengegaan met gecoördineerde actie en tijdige en adequate investeringen in Europees onderzoek en Europese innovatie; juicht toe dat het Europees Parlement een Bijzondere Commissie artificiële intelligentie in het digitale tijdperk heeft opgericht als een forum om strategische vraagstukken in verband met artificiële intelligentie aan te pakken; acht het belangrijk een betere koppeling te verzekeren tussen de interne en externe aspecten van het EU-beleid om te garanderen dat het EU-beleid bijdraagt tot gemeenschappelijke doelstellingen van het GBVB, met inbegrip van het EU-energiebeleid;

66.  beklemtoont dat in het kader van het GBVB een coherente dimensie met betrekking tot het klimaatbeleid moet worden ontwikkeld, aangezien de klimaatverandering in toenemende mate een destabiliserende en risicofactor vormt op economisch, sociaal en politiek gebied;

67.  is ingenomen met de inlichtingengestuurde dreigingsanalyse die momenteel door de VV/HV wordt uitgevoerd als uitgangspunt voor het toekomstige strategisch kompas, en dringt aan op een debat in het Parlement over de resultaten van deze analyse; is ingenomen met de nieuwe aanpak van de Commissie om strategische prognoses te integreren in de beleidsvorming van de EU, ook op het gebied van buitenlandse zaken en veiligheid;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsook aan de lidstaten.

(1) PB C 210 van 3.8.2010, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0286.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0172.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(5) Besluit (GBVB) 2019/797 van de Raad van 17 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen (PB L 129 I van 17.5.2019, blz. 13).
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0174.

Laatst bijgewerkt op: 22 april 2021Juridische mededeling - Privacybeleid