Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2207(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0265/2020

Ingediende teksten :

A9-0265/2020

Debatten :

PV 19/01/2021 - 11
CRE 19/01/2021 - 11

Stemmingen :

PV 20/01/2021 - 3
PV 20/01/2021 - 17

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0013

Aangenomen teksten
PDF 571kWORD 68k
Woensdag 20 januari 2021 - Brussel
Uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid - jaarverslag 2020
P9_TA(2021)0013A9-0265/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid – jaarverslag 2020 (2020/2207(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Lissabon,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 15 december 2016, 22 juni 2017, 28 juni 2018, 14 december 2018, 20 juni 2019, 12 december 2019 en 21 juli 2020,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2013, 18 november 2014, 18 mei 2015, 27 juni 2016, 14 november 2016, 18 mei 2017, 17 juli 2017, 25 juni 2018, 17 juni 2019 en 17 juni 2020 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over het sluiten van een civiel GVDB-pact,

–  gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2018 over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over het kader voor een gezamenlijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 juni 2018 over jongeren, vrede en veiligheid en van 5 juni 2020 over jongeren in het extern optreden,

–  gezien Besluit (GBVB) 2019/797 van de Raad van 17 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2019 over extra inspanningen ter versterking van de weerbaarheid en bestrijding van hybride dreigingen,

–  gezien het document getiteld “Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid”, dat op 28 juni 2016 is gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–  gezien de gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad over het actieplan voor militaire mobiliteit van 28 maart 2018 (JOIN(2018)0005),

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie en de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016 en 12 juli 2018,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa,

–  gezien de gemeenschappelijke reeks van 42 voorstellen als bekrachtigd door de raden van de NAVO en van de EU op 6 december 2016 en de voortgangsverslagen van 14 juni 2017 en 5 december 2017 over de tenuitvoerlegging daarvan, alsook de nieuwe reeks van 32 voorstellen als bekrachtigd door de NAVO-Raad en de EU-Raad op 5 december 2017,

–  gezien het vijfde voortgangsverslag van 16 juni 2020 inzake de uitvoering van de gemeenschappelijke reeks voorstellen als bekrachtigd door de raden van de EU en van de NAVO op 6 december 2016 en 5 december 2017,

–  gezien de enorme impact die het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU op de potentiële EU-defensiecapaciteiten zal hebben, aangezien het VK een van de effectiefste Europese militaire krachten is,

–  gezien de onwettige invasie en annexatie van de Krim door Rusland,

–  gezien de schending van de lucht- en maritieme grenzen van de lidstaten door Rusland,

–  gezien de toegenomen economische en militaire aanwezigheid van China in de landen van het Middellandse Zeegebied en Afrika,

–  gezien de dreiging die uitgaat van binnenlands en buitenlands terrorisme, met name van groepen zoals Da’esh,

–  gezien nieuwe technologieën zoals kunstmatige intelligentie, ruimtevaartcapaciteit en kwantumcomputing, die nieuwe kansen bieden voor de mensheid, maar ook zorgen voor nieuwe uitdagingen voor het defensie- en buitenlands beleid die een duidelijke strategie en consensus onder bondgenoten vereisen,

–  gezien het tweede voortgangsverslag over de prioriteiten van de EU en de VN voor 2019-2021 inzake vredesoperaties en crisisbeheer,

–  gezien de resoluties 3212(1974), 32/15(1977), 33/15(1978), 34/30(1979) en 37/253(1983) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,

–  gezien de resoluties 353(1974), 361(1975), 367(1975), 458(1979), 541(1983), 550(1984), 649(1990), 716(1991), 750(1992), 774(1992), 789(1992), 889 (1993), 939(1994), 1032(1995), 1062(1996), 1250(1999), 2009(2011), 2095(2013) en 2174(2014) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties, en met name SDG 16, die gericht is op de bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling,

–  gezien de in juni 2018 verschenen publicatie van de Verenigde Naties “Securing Our Common Future: An Agenda for Disarmament”,

–  gezien de evaluatie van de Europese Rekenkamer nr. 09/2019 betreffende de Europese defensie,

–  gezien zijn resoluties van 14 december 2016(2), 13 december 2017(3), 12 december 2018(4) en 15 januari 2020(5) over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2018 over de betrekkingen tussen de EU en de NAVO(6),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over de voorbereiding van het toetsingsproces van 2020 van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV), kernwapenbeheersing en mogelijkheden voor nucleaire ontwapening,

–  gezien zijn resolutie van 17 september 2020 over wapenuitvoer: uitvoering van gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2019 over de toekomst van het INF-verdrag en de gevolgen voor de Europese Unie(8),

–  gezien zijn standpunt van 18 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Defensiefonds(9),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad over het besluit tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit(10),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over autonome wapensystemen(11),

–  gezien zijn resolutie van 23 juli 2020 over de conclusies van de buitengewone Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020(12),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0265/2020),

1.  herinnert aan de ambitie van de EU om een mondiale actor te zijn die opkomt voor vrede en veiligheid, en roept ertoe op dat bij haar optreden en beleid wordt gestreefd naar de handhaving van de internationale vrede, veiligheid, effectief multilateralisme, samenwerking, mondiale stabiliteit en actieve ondersteuning van de op regels gebaseerde internationale orde, in overeenstemming met de beginselen en waarden van het Handvest van de VN en de doelstellingen van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU);

2.  benadrukt, gezien de actuele en toenemende veelzijdige dreigingen voor de mondiale, regionale en nationale veiligheid en stabiliteit waarmee de EU wordt geconfronteerd in een zeer multipolair en onvoorspelbaar klimaat met assertievere en concurrerende mondiale en regionale mogendheden en verschuivende bondgenootschappen, dat Europese actoren alleen met het gecombineerde gewicht van een sterke en verenigde Europese Unie en haar lidstaten, in nauwe samenwerking met gelijkgezinde democratieën, de mogelijkheid hebben een robuuster GVDB te ontwikkelen om een sterkere en relevantere rol op het internationale toneel in de nieuwe geopolitieke omgeving te spelen en bij te dragen aan vrede, menselijke veiligheid, duurzame ontwikkeling, welvaart, vrijheid, eerbiediging van de grondrechten en fundamentele waarden, en democratie;

3.  neemt kennis van de aanhoudende verslechtering van de strategische situatie van de Unie met directe en indirecte gevolgen voor de veiligheid van de lidstaten en de burgers; benadrukt dat de Unie en de lidstaten in dit instabiele en onvoorstelbare klimaat samen een grotere rol moeten spelen om de veiligheid van de lidstaten, de burgers en de waarden te waarborgen tegen multilaterale dreigingen, risico’s en uitdagingen;

4.  neemt kennis van de doelstelling van de Europese Unie om Europese strategische autonomie te ontwikkelen – een ambitie die gebaseerd is op het vermogen van de Unie om een crisissituatie onafhankelijk te beoordelen en autonome besluiten te nemen, en op de mogelijkheid autonoom te handelen waar de omstandigheden dit vereisen, teneinde haar belangen en waarden te verdedigen, met volledige eerbiediging van bondgenootschappen en strategische partners, waarbij het beginsel van complementariteit aan de NAVO in acht wordt genomen;

5.  verzoekt de VV/HV en de Raad in dit verband een gemeenschappelijke formele definitie vast te stellen van “strategische autonomie”, en de doelstellingen, financiële middelen en uitvoeringsmiddelen ervan zeer duidelijk te definiëren; is van mening dat het vermogen om zelfstandig op te treden belangrijk is voor de EU, zodat zij haar multilaterale handelen kan versterken, minder kwetsbaar wordt voor externe dreigingen en een betrouwbare partner kan zijn in een op regels gebaseerde multilaterale orde;

6.  is van mening dat de COVID-19-pandemie heeft aangetoond hoe kwetsbaar de EU is en hoe afhankelijk zij is van derde landen; onderstreept dan ook dat het in dit verband nog belangrijker is dat de EU haar inspanningen met het oog op strategische autonomie opvoert;

7.  merkt op dat er enige voortgang is geboekt bij de uitvoering van het GVDB; is verheugd over het feit dat de EU zich blijft inzetten voor het vergroten van haar wereldwijde aanwezigheid en haar vermogen om onder meer via haar GVDB-missies en -operaties op te treden als mondiale veiligheidsbevorderaar en -verstrekker, met het doel om duurzame vrede, stabiliteit, veiligheid en welvaart tot stand te brengen en om actief bij te dragen aan het overwinnen en oplossen van conflicten in de hele wereld, met name binnen het nabuurschap van de EU;

8.  is verheugd over de aankondiging van de VV/HV dat tegen eind 2020 een analyse zal worden gepresenteerd over de gemeenschappelijke bedreigingen en uitdagingen, die de basis zal vormen voor beleidsdiscussies met de lidstaten en voor de ontwikkeling van een strategisch kompas; merkt op dat het strategisch kompas uiterlijk in 2022 de uitvoering van het ambitieniveau van de EU zoals vastgesteld in 2016 zal versterken en begeleiden en een strategische aanpak, specifieke doelstellingen en oriëntaties zal vaststellen op de vier belangrijke gebieden: crisisbeheersing, veerkracht, vermogens en partnerschappen; benadrukt dat dit noodzakelijk is omdat de EU illustratieve scenario’s voor militaire en civiele interventies moet ontwikkelen en zich op operationeel en politiek niveau goed moet voorbereiden; hoopt dat het strategisch kompas als eerste stap naar de ontwikkeling van een onafhankelijke operationele EU-capaciteit het pad zal effenen voor een meer geharmoniseerde strategische cultuur en zodoende de besluitvorming in de Unie zal vereenvoudigen;

9.  overweegt om zijn eigen verslagen en aanbevelingen op te stellen over de belangrijkste gebieden van het strategisch kompas, teneinde zo parlementaire input en begeleiding te bieden in overeenstemming met onze democratische institutionele beginselen;

10.  benadrukt dat duurzame regionale stabiliteit, veiligheid en welvaart van primair geopolitiek belang zijn voor de Unie, evenals het voorkomen van destabiliserende processen in haar buurlanden, zowel in het oosten en het zuiden als in het noordpoolgebied; benadrukt dat de operaties EUFOR Althea en EULEX Kosovo een cruciale rol hebben gespeeld bij de bevordering van stabiliteit en veiligheid door de veerkracht van landen te vergroten en capaciteitsopbouw te bevorderen in een regio die voor de EU van strategisch belang is; is ingenomen met de uitbreiding van de mandaten van EULEX Kosovo en EUAM Oekraïne en onderstreept nogmaals dat de activiteiten in het kader van het GVDB in de Westelijke Balkan en het oostelijk nabuurschap belangrijk zijn; is voorstander van een herziening van de lopende GVDB-missie EUAM Oekraïne om te bepalen hoe de missie de veiligheid in Oekraïne verder kan ondersteunen;

11.  wijst op het feit dat instabiliteit in het Europese zuidelijke nabuurschap, met name in de Sahel, West-Afrika en de Hoorn van Afrika, uiteindelijk negatieve overloopeffecten heeft op de zuidelijke buurlanden van de EU in het bijzonder, en derhalve een direct probleem vormt voor het beheer van onze Europese buitengrenzen;

12.  maakt zich zorgen over het feit dat de strijdkrachten van de Russische Federatie nog steeds grote delen van Oekraïne en Georgië bezetten, hetgeen in strijd is met het internationaal recht, dat zij nog altijd aanwezig zijn in de Republiek Moldavië, en dat Rusland de vrede en veiligheid in de regio blijft verstoren; uit zijn bezorgdheid over de ongekende omvang van door overheden gesponsorde desinformatiecampagnes in het oostelijk nabuurschap; veroordeelt nog altijd het militaire optreden en de illegale annexatie van de Krim en de instandhouding van het bevroren conflict in Moldavië door Rusland; onderstreept de noodzaak om in deze context met één stem te spreken via het EU-beleid;

13.  is ingenomen met het staken van de vijandelijkheden in en rond Nagorno-Karabach; onderstreept met bezorgdheid de militaire betrokkenheid van derde landen bij het conflict en met name de destabiliserende rol en inmenging van Turkije; verzoekt om een internationaal onderzoek naar de vermeende aanwezigheid van buitenlandse strijders en de inzet van clustermunitie en fosforgranaten; verlangt dat de Europese Unie en internationale organen waarborgen dat oorlogsmisdaden in Nagorno-Karabach en het gebruik van verboden wapens in het conflict in Nagorno-Karabach niet onbestraft blijven; onderstreept dat humanitaire hulp mogelijk gemaakt moet worden, dat de uitwisseling van gevangenen en slachtoffers onverwijld moet worden voortgezet, en dat het cultureel erfgoed van Nagorno-Karabach behouden moet blijven;

14.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente escalatie van de spanningen over bepaalde potentiële brandhaarden in de Indo-Pacifische regio, zoals het grensconflict tussen India en China, de Oost- en Zuid-Chinese Zee en de Straat van Taiwan, waaronder ook de steeds provocerendere militaire manoeuvres die op Taiwan zijn gericht; roept alle betrokken partijen op hun meningsverschillen met vreedzame middelen op te lossen om de spanningen te de-escaleren en niet eenzijdig actie te ondernemen om de status quo te veranderen; benadrukt het belang van de vreedzame ontwikkeling van de banden tussen beide zijden van de Straat van Taiwan om vrede, stabiliteit en welvaart in stand te houden in China en Taiwan, alsook in de regio Azië-Stille Oceaan als geheel, die van cruciaal belang is voor de belangen van de EU; roept de EU en haar lidstaten op hun betrokkenheidsbeleid ten aanzien van Taiwan te herzien en met internationale gelijkgezinde partners samen te werken om het democratische Taiwan te beschermen tegen buitenlandse dreigingen; is bezorgd over de desinformatiecampagne tegen democratieën in de Indo-Pacifische regio, waaronder Taiwan, die door kwaadwillige derde landen is opgezet om de inspanningen voor de bestrijding van de COVID-19-pandemie te verstoren; roept de EU en haar lidstaten op de zinvolle en pragmatische deelname van Taiwan als waarnemer bij vergaderingen, mechanismen en activiteiten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) te ondersteunen, teneinde de mondiale volksgezondheidscrisis gezamenlijk aan te pakken;

15.  is uiterst bezorgd over, en veroordeelt ten stelligste, de illegale activiteiten en de dreiging van militair optreden door Turkije tegen de lidstaten in het oostelijke Middellandse Zeegebied; merkt met bezorgdheid op dat de door Turkije geleide unilaterale acties ondanks de pogingen tot de-escalatie het internationaal schenden en de soevereiniteit van bepaalde lidstaten rechtstreeks aantasten; herhaalt dat de Unie bereid is alle instrumenten en opties die tot haar beschikking staan in te zetten, ook in overeenstemming met artikel 29 VEU en artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europes Unie (VWEU), om haar belangen en die van haar lidstaten te verdedigen; herinnert aan de recente conclusies van de Raad over het oostelijke Middellandse Zeegebied en verlangt dat een nieuwe omvattende strategie EU-Turkije wordt ontwikkeld;

16.  benadrukt dat de toegang tot schoon drinkwater kan leiden tot zware conflicten; onderstreept dat de Europese Unie een politieke strategie moet ontwikkelen om oplossingen in deze gebieden met een hoog risico op destabilisering te faciliteren, en de landen die in de belangrijkste met water verband houdende conflictgebieden liggen, moet aanmoedigen het Verdrag van Helsinki van 1992 inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren, voltooid in 1997 in New York, te ondertekenen;

Consolidatie van de ambities van de Europese Unie: versterking van de doeltreffendheid van GVDB-missies en -operaties in een onvoorspelbare en gedestabiliseerde omgeving

17.  is van mening dat het GVDB in eerste instantie gestoeld is op het vermogen van de Unie om civiele en militaire missies en operaties op te zetten in crisissituaties die de veiligheid van de Unie en haar lidstaten treffen of volgens het internationaal recht en het Handvest en de resoluties van de VN internationaal ingrijpen vereisen; wijst erop dat de Unie momenteel elf civiele missies uitvoert alsook zes militaire missies, waarvan drie uitvoerende (Atalanta, EUNAVFOR MED IRINI, EUFOR Althea) en drie niet-uitvoerende missies (EUTM Mali, EUTM Somalia, EUTM RCA); herinnert eraan dat de mandaten van GVDB-missies onder meer gericht zijn op de bevordering van hervormingen van de veiligheidssector en justitie en de versterking van militaire en politieopleidingen; beveelt aan de missies en operaties behoorlijk en op regelmatige basis te evalueren om vast te stellen op welk vlak hun effectiviteit verder versterkt kan worden; benadrukt hoe belangrijk het is dat missies sneller en met meer flexibiliteit en samenhang worden opgezet;

18.  merkt tot zijn spijt dat er bij sommige lidstaten nog steeds een gebrek aan politieke bereidheid is om op zinvolle en geloofwaardige wijze aan GVDB-missies en -operaties deel te nemen; benadrukt hoe belangrijk het is missies en operaties robuuster te maken, zowel wat betreft de personele middelen als de mandaten ervan; verzoekt de lidstaten de bijdrage van strijdkrachten en middelen aan alle GVDB-missies en -operaties te verhogen, en daarbij in het bijzonder de bestaande tekortkomingen aan te pakken, aangezien de financiering van GVDB-missies en -operaties essentieel is voor de duurzaamheid ervan, met name in tijden van crisis, en tevens in te gaan op het probleem van potentieel toenemende spanningen en conflicten; onderstreept dat de begroting van het GVDB niet mag worden ondermijnd;

19.  benadrukt dat de deelname van vrouwen aan GVDB-missies bijdraagt aan de doeltreffendheid van de missie en een gunstige invloed heeft op de geloofwaardigheid van de EU als verdediger van gelijke rechten voor mannen en vrouwen wereldwijd; pleit voor zinvolle gendermainstreaming bij de formulering van het GVDB, met name via een beter genderevenwicht bij het personeel en de leiding van GVDB-missies en -operaties en door het ingezette personeel een specifieke opleiding te geven; is ingenomen met het feit dat voor alle civiele GVDB-missies nu een genderadviseur is benoemd en pleit ervoor hetzelfde te doen voor de militaire GVDB-missies; moedigt de lidstaten aan vrouwen voor te dragen als kandidaten voor bestaande vacatures; verlangt dat al het door de EU ingezette militaire en civiele personeel naar behoren wordt opgeleid inzake gendergelijkheid en de toepassing van Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid, en specifiek wordt geïnstrueerd over hoe zij een genderperspectief in hun taken kunnen opnemen; betreurt het feit dat het aantal vrouwen dat actief is voor GVDB-missies en met name militaire operaties nog altijd zeer laag is; dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op aan om te wijzen op de noodzaak van een concrete doelstelling en politieke afspraken voor de verhoging van het aantal vrouwen in de crisisbeheersingsmissies en -operaties van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan te zoeken naar manieren om hun wervings- en bindingsbeleid en de deelname van vrouwen aan vredesopbouw- en vredeshandhavingsmissies te versterken; onderstreept de noodzaak om een nieuwe EU-begrotingslijn in te voeren voor de financiering van de rol van genderadviseurs in militaire GVDB-missies;

20.  legt de nadruk op de brede inzet van de Unie in de Sahel en de Hoorn van Afrika via zes civiele (EUCAP Mali, EUCAP Niger, EUCAP Somalia) en militaire (EUTM Mali, EUTM Somalia, EUNAVFOR Atalanta, EUNAVFOR MED Irini) missies;

21.  merkt op dat militaire GVDB-operaties in toenemende mate gericht zijn op het opleiden van strijdkrachten (opleidingsmissies van de EU) zonder uitvoerende dimensie; is van mening dat het mandaat, zonder de niet-uitvoerende dimensie van deze missies aan te passen, moet worden verstevigd om Europese adviseurs in staat te stellen zo dicht mogelijk bij het gebied waar de strijdkrachten worden ingezet, te controleren of de opleidingsprogramma’s goed zijn uitgevoerd en aansluiten op de huidige operationele behoeften van de lokale strijdkrachten; wijst erop dat zodoende ook beter kan worden voorkomen dat wanbeheer of misbruik plaatsvindt wanneer de opgeleide strijdkrachten eenmaal in het veld worden ingezet; benadrukt dat dit des te meer van belang is bij EUTM Mali, waar de Malinese strijdkrachten in sterk uiteenlopende en uitdagende gebieden worden ingezet, hetgeen toezicht vereist op de manier waarop de Europese opleidingsmaatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd;

22.  betreurt dat slechts enkele GVDB-missies voorzien in opleiding over seksuele of gendergerelateerde intimidatie, en verzoekt de EDEO en de lidstaten verplichte opleiding aan te bieden om dit soort intimidatie in alle missies en operaties te bestrijden en ervoor te zorgen dat slachtoffers en klokkenluiders doeltreffend worden beschermd; verzoekt om een actualisering van de bijgewerkte algemene gedragsnormen voor GVDB-missies en -operaties om hieraan het beginsel toe te voegen van nultolerantie ten aanzien van het niet nemen van maatregelen door EU-leiderschap en -management met betrekking tot seksueel en gendergerelateerd geweld;

23.  is ingenomen met de conclusies van de Raad van 12 oktober 2020 over de operatie EUFOR Althea en de bereidheid tot verlening van het mandaat van de operatie voor de ondersteuning van de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina voor de instandhouding van een veilige omgeving in het kader van een hernieuwde goedkeuring van de VN; is zich bewust van de uitdagingen die gepaard gaan met de COVID-19-pandemie en is het personeel van de missies erkentelijk voor het feit dat het volledig operationeel is gebleven in deze periode;

24.  wijst erop dat de veiligheidssituatie in Somalië uiterst zorgwekkend is en dat deze in de Hoorn van Afrika en zelfs daarbuiten een destabiliserende factor vormt; is van mening dat de uitbreiding van EUTM Somalia met een adviescapaciteit voor de bevelsstructuren het mogelijk zou maken om aanzienlijke invloed uit te oefenen op de uitvoering van de operaties binnen het multilaterale apparaat van militaire bijstand;

25.  ondersteunt de inspanningen die zijn verricht met betrekking tot het regionaliseringsproces dat op gang gebracht is door de regionale advies- en coördinatiecel (RACC) en het besluit van de Raad van 12 februari 2019 om over te gaan op de tweede fase ervan en zodoende de regionale aanpak van de EU in de Sahel te versterken, met name in het kader van EUTM Mali door de reikwijdte ervan uit te breiden tot de landen van de Sahel G5, met het doel het optreden van de EU over de grenzen van de landen van de Sahel G5 effectiever en operationeler te maken en om grensoverschrijdende samenwerking te ondersteunen en zodoende het werk van EUCAP Sahel Mali, EUCAP Sahel Niger en EUTM Mali effectiever te maken; verlangt dat de EUTM voortaan EUTM Sahel wordt genoemd; merkt op dat consistentie en veiligheidssamenwerking met Afrikaanse landen van cruciaal belang is om stabiliteit en langetermijnontwikkeling van het continent tot stand te brengen; is van mening dat de regionalisering van de GVDB-aanpak in de Sahel van belang is, maar dat een duidelijkere taakverdeling nodig is tussen de bestaande civiele en militaire GVDB-missies, lokale actoren en andere internationale organisaties (de vredeshandhavingsmissie MINUSMA van de Verenigde Naties, de door de Franse strijdkrachten geleide operatie Barkhane) met het oog op waarborging van operationele synergie en gecoördineerde inspanningen op Unieniveau;

26.  is bezorgd over de huidige desinformatiecampagne tegen de EU in de Centraal-Afrikaanse Republiek; roept de VV/HV ertoe op maatregelen te treffen om op doeltreffende wijze te achterhalen waar desinformatiecampagne vandaan komt en dergelijke aanvallen te pareren; is ingenomen met de opzet van EUAM RCA ter ondersteuning van de hervorming van de veiligheidssector in de Centraal-Afrikaanse Republiek, en met de verlenging van het mandaat van EUTM RCA; is van oordeel dat de Unie haar capaciteiten voor de levering van uitrusting snel en effectief moet verbeteren in aanvulling op de opleiding die wordt aangeboden via de EUCAP- en EUTM-missies; merkt op dat met de opzet van de Europese Vredesfaciliteit wordt gezorgd voor een omvattend concept voor de capaciteitsopbouw van de strijdkrachten van onze partners; wijst erop dat assertieve, aanwezige en actieve buitenlandse actoren, die niet altijd dezelfde ethische beginselen als de Unie en haar lidstaten erop nahouden, de ontbrekende capaciteiten opvullen en betrokken zijn bij de uitrusting van deze strijdkrachten, zonder daarbij de rechtsstaat en internationale normen te eerbiedigen;

27.  is uiterst bezorgd over de verslechtering van de veiligheids- en humanitaire situatie in de Sahel, waar terrorisme een steeds zwaardere druk uitoefent op de landen van de Sahel G5 en de plaatselijke politieke, etnische en religieuze spanningen op scherp zet; onderstreept het belang van de steun die de missies en operaties van de EU in dit opzicht in de Sahel brengen; herinnert eraan dat het van cruciaal belang is de langetermijninvesteringen van de internationale gemeenschap voort te zetten om veiligheid en stabiliteit in Mali en de Sahel na te streven; is ingenomen met de hervatting van de activiteiten van EU-missies en -operaties in Mali;

28.  pleit voor een nieuwe benadering op operationeel niveau van de hervorming van de veiligheidssector, bijstand aan de veiligheid en opbouw van militaire capaciteit die rekening houdt met de geleerde lessen in met name Mali, en die de nadruk legt op a) democratische controle van alle veiligheidstroepen, waaronder ook strijdkrachten, b) democratisch en transparant beheer van de sector, c) systematisch toezicht op volledige en strikte naleving door alle actoren van internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht, en d) duidelijke mechanismen voor opschorting of terugtrekking in geval van straffeloosheid, en bestaande schendingen;

29.  neemt nota van het verbeterde coördinatieniveau tussen civiele en militaire missies in drie landen: Mali, de Centraal-Afrikaanse Republiek en Somalië; is ingenomen met de gecoördineerde inspanningen van de capaciteitsopbouwmissie in Somalië (EUCAP Somalia) en EUTM Somalia om begeleiding te bieden voor de operationele toenadering tussen de Somalische politie en het Somalische leger in de gebieden die zijn bevrijd van de invloed van Al-Shabaab; benadrukt dat de integrale benadering van hulpmiddelen, begrotingsinstrumenten en actoren in EUAM CAR en EUTM CAR waar passend moet worden overgenomen in andere GVDB-missies en -operaties;

30.  is ingenomen met de start van de operatie EUNAVFOR MED IRINI, die tot doel heeft bij te dragen tot duurzame vrede, veiligheid en stabiliteit door de handhaving van het wapenembargo tegen Libië te ondersteunen overeenkomstig Resolutie 2526 (2020) van de VN-Veiligheidsraad, tot opleiding van de Libische kustwacht en het aanpakken van mensenhandel; verzoekt de lidstaten in het bijzonder met spoed de middelen voor inlichtingen, bewaking, verkenning, ordehandhaving en marine toe te wijzen die nodig zijn om de vermogens van operatie Irini te versterken en pleit voor nauwere samenwerking met de lopende maritieme operatie Sea Guardian van de NAVO en samenwerking met regionale partners; herinnert aan de internationale verplichtingen inzake het opsporen en redden van mensen in nood op zee; verzoekt de VV/HV ten volle gebruik te maken van de middelen van de EU op dit gebied, met name het satellietcentrum en het inlichtingencentrum van de EU; is ingenomen met de huidige voortgang die is geboekt bij de stabilisering van de situatie in Libië en verzoekt de EU een actieve rol op zich te nemen in het bemiddelingsproces en zo bij te dragen tot de noodzakelijke grondvesten voor een vreedzaam, stabiel en democratisch Libië;

31.  neemt kennis van het besluit van de Raad van 20 juni 2020 om de mandaten van drie civiele GVDB-missies te verlengen: de missie van de EU voor bijstandsverlening inzake grensbeheer in Libië (EUBAM Libya), de missie van de EU voor bijstandsverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah), en de politiemissie van de EU voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS);

32.  pleit voor verdere ontwikkeling en versterking van de civiel-militaire besluitvorming van de EU en de bevels- en controlestructuren, waarbij aparte militaire en civiele bevelsstructuren worden gewaarborgd;

33.  merkt op dat de strategische evaluatie van het militair plannings- en uitvoeringsvermogen (MPCC) in 2020 van start moet gaan; verzoekt de VV/HV, gezien het effect van deze evaluatie op de planning van, commandovoering over en controle op militaire missies en operaties, het Europees Parlement tijdig op de hoogte te stellen van de beschikbare en gekozen opties; herhaalt dat de EU een permanente en volwaardige militaire bevelsstructuur nodig heeft om autonoom te kunnen handelen en dringt er daarom bij de Raad op aan een dergelijke structuur tot stand te brengen;

34.  neemt nota van de algehele voortgang en inspanningen die zijn geleverd bij de uitvoering van het pact inzake het civiele GVDB, dat tot doel heeft het civiele GVDB slagkrachtiger, doeltreffender, flexibeler en responsiever te maken, zowel op nationaal niveau door nationale uitvoeringsplannen te ontwikkelen en uit te voeren om de nationale bijdragen aan het civiel GVDB te verhogen, als op EU-niveau door de ontwikkeling van een gezamenlijk actieplan; roept op tot de volledige uitvoering van het pact inzake het civiele GVDB tegen het begin van de zomer van 2023; wijst erop dat het civiele GVDB te maken heeft met capaciteitsuitdagingen omtrent de beschikbaarheid van voldoende aantallen politiemedewerkers, rechters, aanklagers en andere deskundigen op het gebied van justitie en civiele veiligheid; is van mening dat de EU een grondige evaluatie van de mandaten, begrotingen en personele middelen van de civiele missies EUCAP Sahel Mali, EUCAP Sahel Niger, EUCAP Somalia en EUAM RCA moet uitvoeren teneinde de missies volledig operationeel en effectief te maken; roept de lidstaten op een gedetailleerde jaarlijkse evaluatie uit te voeren van de voortgang bij de uitvoering van het pact inzake het civiele GVDB; verzoekt alle betrokken actoren de samenwerking te intensiveren en de synergieën tussen de civiele en militaire missies op hetzelfde actieterrein te vergroten, met name waar het gaat om mobiliteit en veilige digitale infrastructuur; is ingenomen met de oprichting van het kenniscentrum voor civiele crisisbeheersing dat in september 2020 is geopend en moedigt de lidstaten aan actief deel te nemen aan de werkzaamheden van het centrum;

35.  prijst de continuïteit en blijvende aanwezigheid van de GVDB-missies en -operaties ondanks de zeer moeilijke omstandigheden door en de negatieve uitwerkingen van de COVID-19-pandemie; verzoekt dringend de begroting, de middelen, de planning en de uitrusting van de GVDB-missies en -operaties van de Unie te beoordelen en aan te passen in het licht van ervaring die is opgedaan met de COVID-19-pandemie, om ervoor te zorgen dat de operationele effectiviteit behouden blijft; onderstreept het belang voor de EU om te onderzoeken wat er nog meer kan worden gedaan om het risico van besmetting voor het personeel te beperken en te beheersen; uit zijn ernstige bezorgdheid over het negatieve versterkende effect van COVID-19 op bestaande crises en is van mening dat het dringend noodzakelijk is dat de EU voorkomt dat de jarenlange vooruitgang op het gebied van vredesopbouw in gevaar komt door COVID-19; is zeer verontrust over de desinformatiegolf tegen met name GVDB-missies en -operaties tijdens de COVID-19-pandemie; benadrukt dat de EU haar strategische communicatiemiddelen en publieke diplomatie moet versterken, met name in landen waar GVDB-missies en -operaties plaatsvinden;

36.  erkent dat civiele en militaire GVDB-missies een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid, en derde landen ondersteunen bij de bestrijding van terrorisme; dringt er bij de EU op aan haar institutionele capaciteiten voor conflictpreventie en bemiddeling op te bouwen; dringt aan op een proactievere aanpak voor het oplossen van aanhoudende conflicten in het directe nabuurschap van de EU; dringt aan op conflictgevoelige en mensgerichte benaderingen waarbij de menselijke veiligheid en de mensenrechten het zwaartepunt van de EU-inzet vormen;

37.  is van mening dat de Unie haar inspanningen moet concentreren op die missies en operaties die de meeste toegevoegde waarde hebben; zou er derhalve mee ingenomen zijn wanneer gereflecteerd wordt over de relevantie en efficiëntie van bepaalde missies;

38.  roept op tot de snelle goedkeuring en oprichting van de Europese Vredesfaciliteit, die erop gericht is de doeltreffendheid van EU-missies te verbeteren, de partners van de EU te ondersteunen en bij te dragen aan vredesoperaties; benadrukt dat dit instrument een deel van de kosten van de defensieactiviteiten van de EU zal financieren, waaronder de gedeelde kosten van de militaire GVDB-operaties en de kosten van militaire capaciteitsopbouw voor partners in landen waar de EU intervenieert, en dat het instrument daarom een begroting moet krijgen die omvangrijk genoeg is om efficiënt in te gaan op de huidige uitdagingen met betrekking tot opleiding, operaties, missies, projecten en militaire uitrusting, waaronder wapens, munitie en transport, met volledige eerbiediging van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt, van de internationale mensenrechten en van het humanitair recht, en met doeltreffende transparantiebepalingen, zoals vermeld in zijn aanbeveling van 28 maart 2019 over de totstandbrenging van de Europese Vredesfaciliteit; herinnert eraan dat het noodzakelijk is omvattende risicobeoordelingen vooraf uit te voeren en streng toezicht te houden op het gebruik door de ontvangende landen, met name in regio’s met een zeer onbestendig politiek landschap en een hoge mate van doorlaatbaarheid van de grenzen, en dat op EU-niveau de noodzakelijke beschermingsmaatregelen getroffen moeten worden om te verhinderen dat terroristische groeperingen en andere kwaadwillende actoren deze wapens aankopen;

39.  is verheugd over de aankondiging in de intentieverklaring bij de Staat van de Unie 2020 van een gezamenlijke mededeling over een strategische aanpak voor de ontwapening, demobilisatie en re-integratie van voormalige strijders in 2021, als tijdige herziening van het EU-concept voor steun voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie van 2006; benadrukt het belang van hervormingen van de veiligheidssector als prioriteit voor met name onze civiele GVDB-missies, die als hoofddoel moeten hebben om de aanpak van menselijke veiligheid in de praktijk te brengen; beklemtoont dat de nieuwe strategische aanpak voor de ontwapening, demobilisatie en re-integratie moet zorgen voor consistentie tussen GVDB-instrumenten en ontwikkelingshulp van de EU;

Ontwikkeling van doeltreffende GVDB-capaciteiten

40.  is ingenomen met initiatieven voor de opbouw van de vermogens van de EU, zoals CARD, permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en het toekomstige Europees Defensiefonds (EDF) en zijn voorbereidende programma’s PADR en EDIDP, aangezien deze kunnen bijdragen tot meer samenhang, coördinatie en interoperabiliteit bij de uitvoering van het GVDB en de weg vrij kunnen maken voor de uitvoering van de taken van Petersberg, en tevens de solidariteit, cohesie, veerkracht en de strategische autonomie binnen de Unie kunnen consolideren;

41.  erkent dat de integratie van meer lidstaten in initiatieven voor de opbouw van de vermogens van de EU en hun zinvolle deelname aan belangrijke Europese defensieprojecten die momenteel lopen op een bijna altijd uitsluitend bilaterale basis (d.w.z. FCAS en MGCS) van doorslaggevend belang zijn voor het welslagen van het Europees integratieproces op defensiegebied en een duidelijke toegevoegde waarde zouden betekenen voor de Europese inspanningen voor versterkte samenwerking, integratie op defensiegebied en interoperabiliteit ten behoeve van GVDB-missies en -operaties;

42.  merkt op dat het van cruciaal belang is de samenhang, inclusiviteit, coördinatie en consistentie van alle EU-instrumenten op het gebied van defensieplanning en van alle tools en initiatieven voor de opbouw van vermogens te verbeteren, zodat zij zinvolle synergieën tot stand brengen en elkaar versterken, dubbel werk voorkomen, zorgen voor een doeltreffend en strategisch gebruik van de middelen, interoperabiliteit waarborgen en een snelle inzet vergemakkelijken;

43.  roept de lidstaten op hun defensie-uitgaven te verhogen en een uitgavenpercentage van 2 % van het bbp na te streven;

44.  is ingenomen met de overeenstemming die is bereikt over de EDF-verordening en roept op tot de snelle goedkeuring en oprichting van het EDF, dat de gemeenschappelijk vastgestelde prioriteiten voor de opbouw van de vermogens te land, ter zee, in de lucht en in de cyberomgeving zal verwezenlijken en zo de EU zal helpen om als mondiale actor en internationale veiligheidsbevorderaar en -verstrekker op te treden; verzoekt de lidstaten, de Raad en de Commissie om voldoende middelen vrij te maken voor het EDF en zich te concentreren op structurele projecten met een hoge meerwaarde, om zo de industriële samenwerking tussen de lidstaten en de consolidatie van een sterke Europese industriële en technologische defensiebasis (EDTIB) gemakkelijker te maken en de technische, industriële en strategische vermogens te versterken, zodat de EU beter in staat zal zijn om zelfstandig militaire capaciteiten te produceren en ter beschikking te stellen en om de technologische autonomie van Europa op de lange termijn te behouden; ondersteunt initiatieven op het gebied van defensievermogens die het kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker maken om deel te nemen;

45.  vestigt de aandacht op de uiterst gevoelige en strategische aard van defensieonderzoek en op de noodzaak om de toegang van entiteiten die door derden gecontroleerd worden tot uit het EDF gefinancierde projecten te reguleren, zodat gehandeld wordt overeenkomstig het doel van strategische autonomie van de EU; benadrukt dat de deelname van derde landen aan het EDF, in enkele specifieke en uitzonderlijke gevallen waarin dit een bewezen technologische en operationele meerwaarde aan bepaalde projecten geeft, op basis van daadwerkelijke wederkerigheid moet plaatsvinden, de strategische veiligheidsbelangen van de EU niet mag verzwakken, de doelstellingen van het EDF niet mag ondermijnen en volledig moet voldoen aan de in het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Defensiefonds (COM(2018)0476)) vastgestelde regels, zoals het behoud van het intellectueel eigendom in de EU, waarbij naleving van deze regels streng moet worden gecontroleerd;

46.  is ingenomen met de strategische evaluatie van de eerste fase van PESCO vóór het einde van 2020, met informatie over de voortgang van het programma en vaststelling van de bepalingen die nodig zijn om PESCO efficiënter en doelgerichter te maken; beschouwt PESCO als een instrument dat bijdraagt tot versterking van duurzame en doeltreffende EU-samenwerking en -integratie op defensiegebied door de defensievermogens en de interoperabiliteit van de deelnemende lidstaten te verbeteren, met name wat betreft de beschikbaarheid, flexibiliteit en inzetbaarheid van strijdkrachten; herinnert eraan dat PESCO-projecten defensie-uitgaven zo doeltreffend mogelijk moeten maken; is van mening dat PESCO gebruikt moet worden als een aanvullend instrument ter verwezenlijking van de doelen van de EU, en een bijdrage moet leveren aan de doelen van de NAVO; is ingenomen met de recente goedkeuring van het besluit over de deelname van derde landen aan PESCO; merkt evenwel op dat een dergelijke uitzonderlijke deelname aan afzonderlijke PESCO-projecten de EU-lidstaten en de projecten meerwaarde moet bieden en moet bijdragen aan de versterking van PESCO en het GVDB, en aan het aangaan van meer uitdagende verbintenissen, met inachtneming van zeer strenge politieke, inhoudelijke en juridische voorwaarden en op grond van vastgestelde en daadwerkelijke wederkerigheid;

47.  verzoekt de deelnemende lidstaten volledige politieke inzet, inspanningen en strategische ambities aan de dag te leggen, de nodige middelen te verstrekken en te voldoen aan de ambitieuze en bindende gemeenschappelijke verplichtingen die zij overeengekomen zijn, en daarbij zorg te dragen voor tastbare vooruitgang bij de snelle en doeltreffende uitvoering van de huidige PESCO-projecten; benadrukt dat de projecten in de eerst golf voornamelijk capaciteitsopbouwprojecten zijn waar zoveel mogelijk lidstaten bij betrokken zijn en dat de inclusieve aard van PESCO-projecten er niet toe mag leiden dat de deelnemende lidstaten hun ambities afzwakken; is bezorgd dat de capaciteitstekorten en de kritische tekortkomingen zoals vastgesteld door het capaciteitsdoelstellingsproces via het vermogensontwikkelingsplan (CDP) en de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie (CARD) niet naar behoren of niet volledig zullen worden aangepakt en opgevuld, waardoor militaire operaties niet succesvol kunnen worden uitgevoerd; beveelt aan de huidige 47 PESCO-projecten tegen het licht te houden om vast te stellen welke vooruitgang is geboekt en om te bepalen welke projecten naar het oordeel van de deelnemende lidstaten geclusterd moeten worden; moedigt de deelnemende lidstaten aan zich te concentreren op PESCO-projecten die werkelijk meerwaarde opleveren, sterker operationeel gericht zijn, van wederzijds nut en strategische instrumenten voor de Unie zijn, en op projecten met een strategische dimensie die ingaan op toekomstige veiligheidsdreigingen; moedigt de lidstaten ten zeerste aan in het kader van de hervorming van het systeem van EU-gevechtsgroepen opties te onderzoeken om dit in het PESCO-kader onder te brengen om de operationele capaciteit, modulariteit en flexibiliteit ervan te verhogen door zelfstandige multinationale eenheden op te richten die volledig zijn toegewijd aan de uitvoering van militaire taken zoals vermeld in artikel 43 VEU en de versterking van het vermogen van de EU om robuuste crisisbeheersingsoperaties uit te voeren;

De samenwerking met strategische partners versterken

48.  is verheugd over de vooruitgang die sinds de gezamenlijke verklaring van Warschau in 2016 is geboekt bij de samenwerking tussen de EU en de NAVO; prijst de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de gemeenschappelijke reeks voorstellen van 2016 en 2017, met name de intensivering van de politieke dialoog tussen de EU en de NAVO op alle niveaus, alsmede de gestructureerde dialoog over militaire mobiliteit, de inspanningen om te zorgen voor meer samenhang tussen de respectieve defensieplanningsprocessen, en nauwere samenwerking op het gebied van cyberbeveiliging en defensie en bij de bestrijding van hybride bedreigingen en desinformatiecampagnes; wijst op de mate van samenwerking tussen de NAVO en de EU om civiele autoriteiten te helpen de verspreiding van de COVID-19-pandemie in te dammen en een halt toe te roepen; roept de EU en de NAVO op de wederzijds versterkende samenwerking, ook tussen missies en operaties, verder te bevorderen en hun strategisch partnerschap te verdiepen; benadrukt dat het belangrijk is het partnerschap tussen de EU en de NAVO op het gebied van militaire mobiliteit verder te versterken; benadrukt dat het belangrijk is dat de Europese strijdkrachten samen trainingen en oefeningen organiseren en houden, alsook dat de EU en de NAVO hun oefeningen coördineren en parallel uitvoeren;

49.  is in dit verband ingenomen met Operation Atlantic Resolve en de Enhanced Forward Presence van de NAVO op het Europese continent en erkent dat de NAVO-troepen belangrijk zijn om verdere Russische agressie te ontmoedigen en cruciale ondersteuning te bieden in het geval van een conflict;

50.  herinnert eraan dat de NAVO de hoeksteen van de collectieve defensie blijft voor de lidstaten die ook lid zijn van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, zoals uitdrukkelijk in het VWEU wordt erkend; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO complementair van aard moet zijn, ten volle rekening moet houden met de respectieve kenmerken en taken van beide organisaties en structuren niet onnodig mag kopiëren of vervangen; herinnert eraan dat samenwerking op het gebied van defensie een van de pijlers van de trans-Atlantische samenwerking is en van cruciaal belang blijft voor de wederzijdse veiligheid van de bondgenoten en partnerlanden, en wijst daarom opnieuw op de noodzaak van nauwere betrekkingen; herinnert eraan dat de ontwikkeling van de defensievermogens van de EU, volgens het beginsel van “één set strijdkrachten”, niet bedoeld is om te concurreren met het bondgenootschap en ook ten goede zal komen aan de landen die deelnemen aan het GVDB en de NAVO; herinnert er voorts aan dat een doeltreffendere EU-samenwerking op veiligheids- en defensiegebied moet worden beschouwd als een factor die de Europese pijler van de NAVO versterkt en ertoe bijdraagt dat de EU een grotere rol speelt bij het waarborgen van haar eigen veiligheid; is van mening dat initiatieven voor capaciteitsontwikkeling moeten zorgen voor interoperabiliteit met de bondgenoten en een snelle inzet moeten vergemakkelijken; merkt bezorgd op dat de solidariteit van het bondgenootschap is ondermijnd door een aantal meningsverschillen na het optreden van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied;

51.  benadrukt de noodzaak om de status van de EU als leverancier van maritieme veiligheid te versterken en om de veerkracht van de EU en haar lidstaten bij crisissituaties in hun territoriale wateren te vergroten, en wijst op het belang van een coherente maritieme strategie om illegale maritieme niet-overheidsactoren te bestrijden; acht het noodzakelijk om de interventieregels en de uitrustingsnormen te harmoniseren en om de opleiding van personeel te verbeteren, teneinde in Europese en internationale operaties of in het geval van maritieme crises, gebeurtenissen en incidenten gecoördineerde en unitaire acties uit te voeren; benadrukt dat de EU en de NAVO moeten samenwerken met het oog op een gezamenlijke en doeltreffende aanpak van bedreigingen voor de maritieme veiligheid, zoals grensoverschrijdende en georganiseerde misdaad, met inbegrip van netwerken van georganiseerde misdaad die mensenhandel, wapen- en drugshandel, smokkel en piraterij op zee in de hand werken;

52.  is groot voorstander van het strategisch partnerschap tussen de EU en de VN op het gebied van crisisbeheersing en civiele, politiële en militaire vredeshandhaving; is verheugd over de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de acht gezamenlijk vastgestelde en overeengekomen prioriteiten van de EU en de VN voor 2019-2021 op het gebied van vredesoperaties en crisisbeheersing; spoort de lidstaten aan een grotere bijdrage te leveren aan de vredeshandhaving van de VN en vraagt de EU-instellingen hen daarbij te helpen; merkt op dat er enige vooruitgang is geboekt op het gebied van de versterking van de samenwerking tussen missies en operaties op het terrein – met name door de ondertekening op 29 september 2020 van de Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Naties met het oog op het bieden van wederzijdse ondersteuning in het kader van hun respectieve missies en operaties op het terrein –, op het gebied van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid – die als input dient voor de uitvoering van het EU-actieplan inzake vrouwen, vrede en veiligheid –, op het gebied van conflictpreventie en op politiek en strategisch niveau; roept de EU en de VN op de mogelijkheden voor nauwere samenwerking verder te onderzoeken, met name in de gebieden waar zij samen opereren, bijvoorbeeld inzake de overgangsplanning van missies, ondersteuningsregelingen op het terrein, informatie-uitwisseling buiten de missiegebieden en noodplanning in verband met COVID-19, alsmede inzake klimaat en defensie;

53.  wijst er nogmaals op dat het Verenigd Koninkrijk ondanks de brexit een belangrijke strategische partner van de EU en haar lidstaten blijft en dat het van essentieel belang is dat de EU en het Verenigd Koninkrijk intensief en nauw blijven samenwerken op het gebied van defensie en veiligheid, aangezien zij dezelfde strategische omgeving delen en met dezelfde bedreigingen voor hun vrede en veiligheid worden geconfronteerd; spoort het VK aan om deel te nemen aan GVDB-missies en -operaties, crisisbeheersingsoperaties, de ontwikkeling van defensievermogens, de relevante EU-agentschappen en projecten in het kader van PESCO, waarbij de autonome besluitvorming van de EU, de soevereiniteit van het VK en het beginsel van evenwichtige rechten en plichten moeten worden geëerbiedigd, op basis van doeltreffende wederkerigheid en met inbegrip van een billijke en passende financiële bijdrage; merkt op dat het VK zich op 31 december 2020 heeft teruggetrokken uit de GVDB-missies en operaties; dringt aan op snelle vervangingsprocedures om de continuïteit van de GVDB-missies en -operaties waarbij Brits personeel een aanzienlijke rol speelde, veilig te stellen;

54.  roept de EU op om nauw samen te blijven werken met bestaande regionale spelers zoals de Afrikaanse Unie, Ecowas, de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean) en de Arctische Raad, evenals met gelijkgezinde landen die geen lid zijn van de NAVO;

55.  dringt aan op een systematischere tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid, aangezien deze al twintig jaar geleden is aangenomen, en op de versterking de agenda van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid; pleit voor zinvolle gendermainstreaming bij de formulering van het GVDB, met name via een beter genderevenwicht bij het personeel en de leiding van GVDB-missies en -operaties en door het ingezette personeel een specifieke opleiding te geven;

56.  roept op om Resolutie 2250 van de VN-Veiligheidsraad betreffende jongeren, vrede en veiligheid ten uitvoer te leggen en om in de conflictanalyses waarop de ondersteuning door de GVDB-missies en -operaties gestoeld is op zinvolle wijze rekening te houden met jongeren en hun vooruitzichten; vraagt om EU-maatregelen die jongeren meer mogelijkheden geven om op een zinvolle manier mee te helpen aan de instandhouding en bevordering van de vrede en veiligheid;

57.  vraagt de EU iets te doen aan de aanhoudende en toenemende bedreigingen voor de bescherming en het behoud van cultureel erfgoed en aan de smokkel van cultuurgoederen, met name in conflictgebieden; merkt op dat samenlevingen die van hun cultureel erfgoed en historische wortels worden beroofd, kwetsbaarder worden voor radicalisering en ontvankelijker worden voor wereldwijde jihadistische ideologieën; vraagt de EU een brede strategie te ontwikkelen om dergelijke bedreigingen tegen te gaan;

De veerkracht en de paraatheid van de Unie vergroten

58.  stelt met bezorgdheid vast dat sommige mondiale actoren en een toenemend aantal regionale actoren de op regels gebaseerde internationale orde, het multilateralisme en de waarden van duurzame vrede, welvaart en vrijheid, waarop de Europese Unie is gestoeld, opzettelijk omzeilen of proberen af te breken; merkt op dat de COVID-19-pandemie nieuwe mondiale kwetsbaarheden en spanningen aan het licht heeft gebracht en de bestaande heeft vergroot; benadrukt dat de pandemie de steun van het publiek heeft versterkt voor een Unie die minder afhankelijk is van de rest van de wereld, die beter beschermd is en die onafhankelijk kan optreden; dringt aan op een sterkere rol van de Europese Unie op het internationale toneel, evenals op meer Europese eenheid, solidariteit en veerkracht en een samenhangender buitenlands beleid met effectief multilateralisme als centraal element; is ingenomen met de conclusies van de Raad van juni 2020 waarin wordt gepleit voor een sterke Europese Unie die de vrede en veiligheid bevordert en haar burgers beschermt;

59.  onderstreept de belangrijke rol van de strijdkrachten tijdens de COVID-19-pandemie en is verheugd over de militaire bijstand voor civiele autoriteiten, met name bij het opzetten van veldhospitalen, het vervoer van patiënten en de levering en distributie van materieel; is van mening dat uit deze waardevolle bijdrage blijkt dat het van cruciaal belang is lering te trekken uit ervaringen, om de militaire middelen en vermogens van de lidstaten te versterken ter ondersteuning van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, een belangrijk instrument in noodgevallen en voor humanitaire hulpverlening; is voorts van mening dat het voor een doeltreffende aanpak van gezondheidscrises van essentieel belang is om het militair medisch personeel van de lidstaten voor te bereiden op een snelle deelname; herhaalt het belang van wederzijdse bijstand en solidariteit, overeenkomstig artikel 42, lid 7, VEU en artikel 222 VWEU;

60.  onderstreept het belang van militaire mobiliteit; acht het noodzakelijk om in heel Europa volledige militaire mobiliteit te bevorderen en te faciliteren en roept daarom op tot vereenvoudiging en harmonisatie van de procedures, teneinde de lidstaten in staat te stellen sneller te handelen, aangezien militaire mobiliteit het beheer van civiele crises ten goede komt; benadrukt dat het belangrijk is voldoende middelen uit te trekken voor projecten op het gebied van militaire mobiliteit; is ermee ingenomen dat het project voor militaire mobiliteit deel uitmaakt van PESCO; beklemtoont de noodzaak om Europese mechanismen in te stellen die erop gericht zijn het grensoverschrijdend gebruik van militaire logistieke vermogens te vergemakkelijken om het hoofd te bieden aan dergelijke noodsituaties, teneinde meer coördinatie, synergie, solidariteit en steun mogelijk te maken; dringt erop aan om tijdens pandemieën of soortgelijke crises vergelijkbare bijstand en solidariteit te bieden aan onder andere de partnerlanden in het onmiddellijke nabuurschap van de EU; benadrukt de noodzaak om de chemische, biologische, radiologische en nucleaire paraatheid van de EU en de daarvoor benodigde vermogens te vergroten; benadrukt de noodzaak om het toezicht op en de bescherming van vitale en kritische infrastructuur aan te scherpen, zeker wat de onderzeese glasvezelkabels voor internet betreft;

61.  acht het van belang dat de interne en externe aspecten van het EU-beleid beter aan elkaar worden gekoppeld, om ervoor te zorgen dat het beleid, waaronder het EU-energiebeleid, gericht is op het bereiken van gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsdoelen;

62.  acht het van essentieel belang dat alle zwakke punten van de Europese Unie worden beschermd om een doeltreffende gemeenschappelijke verdediging van de Europese burgers te waarborgen; neemt met bezorgdheid kennis van de toenemende militarisering van de Krim en de pogingen van de Russische Federatie om het Zwarte Zeegebied te destabiliseren, wat ertoe heeft geleid dat op de NAVO-top in Wales in 2014 de kwetsbaarheid van de oostelijke flank van het Noord-Atlantisch Bondgenootschap werd erkend; roept de EU op de kwetsbaarheid van de Oost-Europese lidstaten te erkennen als een middel om de Europese defensie te versterken, en samen met de NAVO een alomvattende strategie te ontwikkelen om de oostelijke flank veilig te stellen en te verdedigen;

Hybride bedreigingen proactief bestrijden en voorkomen

63.  is ingenomen met de reeks prioriteiten en richtsnoeren die is vastgesteld voor de samenwerking van de EU op het gebied van de bestrijding van hybride bedreigingen en de verhoging van de weerbaarheid ten aanzien van deze bedreigingen – waaronder de strijd tegen desinformatie, hybride oorlogsvoering, spionage, nepnieuws en propaganda – en het opzetten van een systeem voor snelle waarschuwing om de samenwerking met de G7 en de NAVO te bevorderen; verzoekt de EU en haar lidstaten om de beveiliging van haar informatie- en communicatiesystemen, met inbegrip van beveiligde communicatiekanalen, te ontwikkelen en te versterken; benadrukt dat het belangrijk en dringend noodzakelijk is dat de EU haar strategische communicatie en capaciteiten versterkt en er meer in investeert, met het oog op meer weerbaarheid om alle buitenlandse inmenging die haar democratische systeem, soevereiniteit en burgers bedreigt, aan te pakken en te ontmoedigen; onderstreept de belangrijke rol van de East StratCom Task Force, erkent het belangrijke werk dat is verricht in het kader van het “EUvsDisinfo”-project en vraagt om aanvullende budgettaire en politieke steun, zodat deze taskforce beter in staat is desinformatie tegen te gaan en voorlichting over de maatregelen en het beleid van de EU te geven;

64.  benadrukt dat de EU dringend een robuustere strategie moet ontwikkelen om agressieve en kwaadwillige desinformatiecampagnes van derde landen en niet-statelijke actoren tegen de EU op te sporen en er proactief op te reageren; wijst op de noodzaak om het mandaat van het team strategische communicatie van de EDEO te herzien om buitenlandse inmenging aan te pakken en factcheckers, onderzoekers, start-ups en maatschappelijke organisaties te betrekken; dringt erop aan voldoende personeel en middelen beschikbaar te stellen voor alle EU-diensten die zich bezighouden met buitenlandse inmenging en desinformatie, zodat zij pogingen tot inmenging in democratische EU-processen of EU-operaties in het buitenland beter kunnen signaleren, onderzoeken en tegengaan; onderstreept hoe belangrijk het is om met de partnerlanden, zeker de landen in het onmiddellijke nabuurschap van de EU, samen te werken en hen bij te staan bij hun inspanningen om kwaadwillende buitenlandse inmenging, in het bijzonder desinformatie en propaganda, aan te pakken en tegen te gaan, aangezien deze acties meestal bedoeld zijn om deze landen van het pad naar prodemocratische hervormingen te doen afdwalen en de Europese waarden en idealen aan te vallen;

65.  is ermee ingenomen dat de Raad een besluit heeft vastgesteld op grond waarvan de EU voor het eerst gerichte beperkende maatregelen kan opleggen als afschrikking tegen en reactie op cyberaanvallen die een externe bedreiging voor de EU of haar lidstaten vormen, met inbegrip van cyberaanvallen tegen derde landen of internationale organisaties, en om sancties op te leggen aan personen of entiteiten die verantwoordelijk zijn voor cyberaanvallen; benadrukt dat de visumbeperkingsregeling als onderdeel van het EU-sanctiemechanisme moet worden verbeterd door biometrische visumprocedures in te voeren, zodat degenen die zich aan hybride oorlogsvoering schuldig maken niet met een valse identiteit naar de EU kunnen reizen; benadrukt de dringende noodzaak om cyberaspecten verder te integreren in de crisisbeheersingssystemen van de EU; onderstreept dat nauwere samenwerking bij het voorkomen en bestrijden van cyberaanvallen in deze tijden van bijzondere kwetsbaarheid essentieel is om de internationale veiligheid en stabiliteit in de cyberruimte te bevorderen; is ingenomen met de goede vooruitgang die in dit opzicht door het PESCO-project voor snellereactieteams bij cyberincidenten is geboekt; roept op tot meer steun aan het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging (Enisa) en, in dit verband, tot sterke coördinatie met het Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence van de NAVO; roept op tot meer EU-coördinatie met betrekking tot de collectieve aansprakelijkheidsstelling voor kwaadwillige cyberincidenten, alsook tot nauwere samenwerking met gelijkgestemde internationale organisaties en landen; maakt zich in het bijzonder zorgen om de aanhoudende ontdekkingen van kleinschalige cyberaanvallen of inbraken in kritische infrastructuur die latent aanwezig zijn maar ingrijpende gevolgen kunnen hebben; dringt er bij de lidstaten op aan om op alle niveaus in hun kritische infrastructuur redundanties in te bouwen, zoals voor de stroomvoorziening of voor strategische communicatiemiddelen;

66.  erkent het toenemende belang van cyber- en geautomatiseerde inlichtingencapaciteiten en benadrukt dat deze een bedreiging vormen voor alle lidstaten en EU-instellingen; spoort alle EU-instellingen en lidstaten aan om hun cyber- en geautomatiseerde technologieën te blijven verbeteren en moedigt bovendien samenwerking op het gebied van deze technologische ontwikkelingen aan;

67.  wijst op het belang van de verwezenlijking van kwantumcomputingcapaciteit en onderstreept dat het nodig is om de samenwerking tussen de EU en de VS op dit gebied te versterken, teneinde ervoor te zorgen dat kwantumcomputing eerst wordt gerealiseerd door partners die hechte onderlinge banden hebben en dezelfde doelstellingen nastreven;

68.  wijst op het toenemende belang van beveiliging in de ruimte en satellieten; onderstreept het belang van het Satellietcentrum van de Europese Unie en draagt het agentschap op de beveiliging en kwetsbaarheid van de satellieten van de EU en de lidstaten ten aanzien van ruimteschroot, cyberaanvallen en rechtstreekse raketaanvallen te analyseren en daarover een verslag op te stellen;

De Unie de middelen geven om het GVDB uit te voeren

69.  benadrukt dat voldoende financiële, personele en andere middelen essentieel zijn om ervoor te zorgen dat de Unie de kracht en het vermogen heeft om de vrede en veiligheid binnen haar grenzen en in de wereld te bevorderen; verzoekt de lidstaten de politieke wil te tonen om te voldoen aan de Europese ambities op defensiegebied en hun verplichtingen na te komen;

70.  betreurt het gebrek aan ambitie van de Europese Raad in het meerjarig financieel kader (MFK) voor initiatieven op het gebied van veiligheid en defensie; dringt er bij de Commissie op aan om een ambitieus strategisch werkprogramma voor het Europees Defensiefonds voor te leggen en uit te voeren (zowel voor onderzoeks- als andere doeleinden), dat kan worden gebruikt om het gezamenlijk optreden en de grensoverschrijdende samenwerking in de hele Unie te versterken, alsook voor militaire mobiliteit, teneinde de lidstaten te helpen om sneller en doeltreffender op te treden, onder meer door vervoersinfrastructuur voor tweeledig gebruik te financieren en diplomatieke toestemmingen en douaneregels te vereenvoudigen; verzoekt de EU haar eigen defensiesysteem met ballistische raketten te bouwen, evenals een geïntegreerd en gelaagd strategisch luchtdefensiesysteem dat ook hypersone raketten kan afweren; herinnert eraan dat de Europese burgers er duidelijk en consequent op hebben aangedrongen dat de Unie haar rol bij de totstandbrenging van duurzame stabiliteit en veiligheid versterkt, en dat dit alleen kan worden bereikt met de nodige financiële middelen en een ambitieus MFK op het gebied van extern optreden en defensie;

71.  waarschuwt voor het gevaar van een gebrek aan ambitie om Europese defensie-initiatieven in het MFK te financieren, in combinatie met aanzienlijke en ongecoördineerde bezuinigingen op de nationale defensiebegrotingen als gevolg van de COVID-19-crisis; benadrukt dat de lidstaten de nodige financiële middelen op nationaal niveau moeten toewijzen om de Unie in staat te stellen een mondiale speler op het gebied van vrede te zijn; deelt in dit verband het oordeel van de Europese Rekenkamer dat “de EU-lidstaten [...] bij lange na niet [beschikken] over de militaire vermogens die vereist zijn om aan het geambieerde militaire niveau van de Unie te voldoen”;

72.  herinnert eraan dat de gemeenschappelijke Europese defensieprojecten en -initiatieven weliswaar een belangrijke rol spelen bij het aanpakken van de tekortkomingen met betrekking tot O&O op het gebied van defensie, het bundelen van middelen en het coördineren van inspanningen, maar dat het grootste deel van de voor GVDB-missies gebruikte defensiemiddelen nog steeds van de lidstaten komt en uit de nationale defensiebegrotingen wordt betaald;

73.  roept de lidstaten met klem op zich te houden aan hun formele toezeggingen binnen de Raad en hun verantwoordelijkheid te nemen voor hun besluiten in de Raad om civiele en militaire missies uit te voeren, door de Unie te voorzien van het nodige personeel en de nodige vermogens om de doelstellingen waarover zij unaniem overeenstemming hebben bereikt, te verwezenlijken en zo hun belofte om de Europese Unie veiliger te maken in te lossen;

74.  wijst op de waarde van internationale deelname aan GVDB-missies en -operaties ter versterking van de Europese vermogens en vraagt om een betere uitvoering van de bestaande kaderovereenkomsten inzake deelname die de collectieve aard van de bijdragen aan vrede en veiligheid bevorderen;

75.  wijst op het belangrijke werk dat het Satellietcentrum van de Europese Unie heeft verricht en benadrukt dat de Unie over voldoende middelen moet beschikken op het gebied van ruimtebeelden en informatievergaring; benadrukt dat het Satellietcentrum structurele financiering van de Unie moet krijgen om aan het optreden van de Unie te kunnen blijven bijdragen, met name om GVDB-missies en -operaties te ondersteunen met satellietbeelden in een hoge resolutie;

Een ambitieuze EU-agenda voor mondiale wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening opstellen

76.  is verontrust over de huidige bedreigingen voor de internationale waarden en de rechtsstaat en de mogelijke verdere erosie van de mondiale non-proliferatie- en ontwapeningsarchitectuur; vreest dat niet-naleving van, terugtrekking uit of niet-uitbreiding van belangrijke wapenbeheersingsverdragen ernstige schade zou toebrengen aan de internationale wapenbeheersingsregelingen die decennialang voor stabiliteit hebben gezorgd, de betrekkingen tussen kernmogendheden zou ondermijnen, en een rechtstreekse bedreiging zou zijn voor de Europese veiligheid, met name wat betreft het ontbreken van normen om tactische kernwapens en kernwapens voor korte en middellange afstand te reguleren en aan banden te leggen, en tot een kernwapenwedloop zou kunnen leiden; onderstreept dat het dringend noodzakelijk is het grensoverschrijdende vertrouwen te herstellen;

77.  stelt met bezorgdheid vast dat gevaarlijke retoriek met betrekking tot het nut van kernwapens wordt genormaliseerd; bevestigt opnieuw dat de internationale vrede en veiligheid worden versterkt in een wereld waar geen kernwapens bestaan of worden verspreid, en dat ontwapening niet alleen betekent dat het aantal actieve kernkoppen vermindert, maar ook dat de militaire en politieke rol van dit soort wapens kleiner wordt;

78.  bevestigt opnieuw zijn volledige steun voor de verbintenis van de EU en haar lidstaten ten aanzien van het NPV als de hoeksteen van de regeling voor nucleaire non-proliferatie en ontwapening; herhaalt zijn oproep aan de EU om voorafgaand aan de tiende NPV-toetsingsconferentie een sterk gemeenschappelijk standpunt in te nemen en erop aan te dringen dat er tijdens de conferentie concrete en doeltreffende maatregelen worden aangenomen die een sleutelelement zouden vormen voor het behoud van de strategische stabiliteit en het voorkomen van een nieuwe wapenwedloop;

79.  herhaalt zijn diepe teleurstelling over de terugtrekking van de VS en de Russische Federatie uit het Verdrag ter vernietiging van de kernwapens voor de middellange en de korte afstand (INF-verdrag); wijst op de verantwoordelijkheid van Rusland voor het ter ziele gaan van het INF-verdrag, aangezien het land het voortdurend niet heeft nageleefd; betreurt dat het uiteenvallen van het verdrag zou kunnen leiden tot een escalatie van de spanningen en tot verhoogde nucleaire en militaire dreigingen en risico’s, en het de toekomst van wapenbeheersingsregelingen in gevaar zou kunnen brengen; onderstreept dat het Parlement sterk gekant is tegen een nieuwe wapenwedloop tussen de VS en de Russische Federatie, met alle mogelijke gevolgen van dien voor Europa, en dat het gekant is tegen remilitarisering op Europees grondgebied; spoort de Raad en de VV/HV aan een door de EU geleid initiatief te lanceren om erop aan te dringen dat het INF-verdrag wordt omgezet in een multilateraal verdrag;

80.  wijst erop dat doeltreffende internationale regelingen inzake wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie een hoeksteen vormen van de mondiale en Europese veiligheid en stabiliteit;

81.  spoort de VS en de Russische Federatie aan verdere vooruitgang te boeken bij de onderhandelingen over de verlenging van het New START-verdrag, dat in februari 2021 afloopt; is van mening dat een verlenging van het verdrag beide ondertekenaars extra tijd zou geven om de onderhandelingen voort te zetten met het oog op het bereiken van overeenstemming over een nieuw instrument voor wapenbeheersing; dringt erop aan dat ook andere staten, in het bijzonder China, onmiddellijk bij bestaande verdragen (zoals New START, INF en het Verdrag inzake het open luchtruim) of bij toekomstige onderhandelingen over instrumenten voor kernwapenbeheersing worden betrokken;

82.  betreurt dat Rusland zich selectief van zijn verplichtingen in het kader van het Verdrag inzake het open luchtruim kwijt; betreurt ten zeerste het besluit van de VS om zich terug te trekken uit het Verdrag inzake het open luchtruim, een belangrijk instrument voor wapenbeheersing dat heeft bijgedragen tot het opbouwen van vertrouwen en kleinere staten het waardevolle vermogen heeft verschaft om de militaire activiteiten van hun buurlanden te controleren en te verifiëren; roept de overige ondertekenaars op om door te gaan met de tenuitvoerlegging van het verdrag en ervoor te zorgen dat het functioneel en nuttig blijft; roept de VS op om terug te komen op hun besluit om zich uit het Verdrag inzake het open luchtruim terug te trekken;

83.  is verheugd over de financiële bijdrage van de EU aan de projecten en activiteiten van de Organisatie voor het verbod op chemische wapens (OPCW); is verheugd over de goedkeuring door de Raad van een horizontale sanctieregeling ter bestrijding van het toenemende gebruik en de toenemende verspreiding van chemische wapens; veroordeelt het recente gebruik van chemische wapens en is van mening dat het gebrek aan verantwoording voor dergelijke incidenten de internationale norm tegen chemische wapens ondermijnt; roept de EU op om het initiatief te nemen om de straffeloosheid bij het gebruik van chemische wapens aan te pakken en om na te denken over hoe de OPCW kan worden versterkt, teneinde te zorgen voor een snelle en nauwkeurige aansprakelijkheidsstelling en doeltreffende reactiemechanismen; verzoekt de EU verder te gaan met haar inspanningen om de verspreiding en het gebruik van chemische wapens te bestrijden en het mondiale verbod op chemische wapens, zoals vastgesteld in het Verdrag inzake chemische wapens (CWC), te steunen;

84.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de poging tot moord op de prominente Russische oppositieleider Aleksej Navalny, waarbij gebruik werd gemaakt van een verboden zenuwgas dat op grond van het CWC wordt beschouwd als het gebruik van een chemisch wapen en als zodanig een ernstige schending van de internationale normen vormt; roept op tot een onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze gebeurtenissen; is verheugd over de beslissing van de Raad om sancties op te leggen om alle verantwoordelijken voor de vergiftiging ter verantwoording te roepen;

85.  verzoekt de VV/HV voorstellen te doen om de beschikbare expertise op het gebied van non-proliferatie en wapenbeheersing in de EU te versterken en ervoor te zorgen dat de EU een sterke en constructieve rol speelt bij de ontwikkeling en versterking van de mondiale op regels gebaseerde non-proliferatie-inspanningen en de architectuur voor wapenbeheersing en ontwapening; is in dit verband ingenomen met de benoeming van een nieuwe speciaal gezant voor ontwapening en non-proliferatie; beseft dat er dringend nieuwe internationale overeenkomsten op het gebied van wapenbeheersing nodig zijn; stelt dat de ontwikkeling van hypersone raketten in de context van nucleaire afschrikking de beginselen van wederzijds verzekerde vernietiging kan ondermijnen en roept de EU daarom op het initiatief te nemen voor een internationaal wapenbeheersingsverdrag inzake het gebruik, het bereik, de snelheid, de rechtsgrondslag en de inspectie van nucleaire nuttige ladingen en de plaatsing van hypersone wapensystemen langs de kust;

86.  betuigt nogmaals zijn volledige inzet voor het behoud van doeltreffende internationale regelingen voor wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie als hoekstenen van de veiligheid in Europa en de wereld; benadrukt zijn volledige steun aan het werk van het Bureau van de Verenigde Naties voor ontwapeningszaken en aan de VN-agenda voor ontwapening; wijst nogmaals op zijn inzet voor beleid dat gericht is op de verdere beperking van alle kernwapenarsenalen;

87.  is ingenomen met de conclusies van de Raad over de evaluatie van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(13); is stellig van mening dat, aangezien de EU steeds ambitieuzer wordt op het gebied van defensie, er behoefte is aan meer convergentie, transparantie en consistentie in het wapenexportbeleid van de lidstaten, evenals aan aangescherpt openbaar toezicht; roept de lidstaten op om hun verschillende interpretatie van het gemeenschappelijk standpunt te overbruggen en de acht criteria erin volledig na te leven, en met name criterium 4 inzake regionale stabiliteit strikt uit te voeren, alsook om de uitvoer van militair materieel dat tegen andere lidstaten kan worden gebruikt een halt toe te roepen; is verheugd over de inspanningen die zijn geleverd om de transparantie en het publieke en parlementaire toezicht op de wapenuitvoer te vergroten; dringt aan op gezamenlijke inspanningen om de risicobeoordelingen, de controles van de eindgebruikers en de verificaties na verzending te verbeteren;

88.  dringt er bij de lidstaten op aan de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer na te leven; herhaalt dat alle lidstaten de regels die zijn neergelegd in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad strikt moeten toepassen; herinnert eraan dat de lidstaten zich hebben verbonden tot krachtige nationale standpunten over hun beleid inzake wapenuitvoer naar Turkije op basis van het bepaalde in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, inclusief de strikte toepassing van criterium 4 inzake regionale stabiliteit; herhaalt zijn oproepen aan de VV/HV om in de Raad een initiatief te lanceren om ervoor te zorgen dat alle lidstaten in overeenstemming met het gemeenschappelijk standpunt de uitvoer van alle soorten militair materieel, waaronder wapens, uitrusting voor tweeërlei gebruik en deskundigheid, naar Turkije een halt toeroepen zolang Turkije doorgaat met zijn huidige illegale, unilaterale acties in het oostelijke Middellandse Zeegebied, die indruisen tegen de soevereiniteit van de lidstaten (in het bijzonder Griekenland en Cyprus) en het internationaal recht, en zolang het land geen op het internationaal recht gebaseerde dialoog aangaat;

89.  is verheugd over de activiteiten van de EU ter ondersteuning van de universalisering van het Wapenhandelsverdrag en roept alle belangrijke wapenexporterende landen op het verdrag zo spoedig mogelijk te ondertekenen en te ratificeren;

90.  merkt op dat technologische ontwikkelingen op het gebied van AI nieuwe ethische uitdagingen met zich meebrengen; verzoekt de EU het voortouw te nemen bij de wereldwijde inspanningen om een alomvattend regelgevingskader op te zetten om bij de ontwikkeling en het gebruik van op AI gebaseerde wapens te zorgen voor zinvolle menselijke controle over de kritieke functies, namelijk het selecteren en aanvallen van doelwitten; verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Europese Raad een gemeenschappelijk standpunt inzake autonome wapensystemen vast te stellen, met waarborgen betreffende zinvolle menselijke controle over de kritieke functies van wapensystemen; dringt aan op de start van internationale onderhandelingen over een gemeenschappelijke definitie en een kader inzake het gebruik van wapens met een zekere mate van autonomie, en roept op tot de aanneming van een juridisch bindend instrument dat dodelijke autonome wapens zonder zinvolle menselijke controle verbiedt;

91.  verzoekt de EU het voortouw te nemen bij wereldwijde inspanningen om een alomvattend en doeltreffend internationaal wapenbeheersingssysteem voor de proliferatie van rakkettechnologieën en technologieën voor onbemande bewapende voertuigen op te zetten;

Zorgen voor democratisch toezicht, legitimiteit en inclusieve betrokkenheid

92.  onderstreept dat het Parlement alle defensieaangelegenheden op consistente wijze moet aanpakken; dringt erop aan dat het mandaat van de Subcommissie veiligheid en defensie opnieuw wordt geëvalueerd en wordt uitgebreid in het licht van het toenemende aantal defensie-initiatieven op EU-niveau en de oprichting van het DG DEFIS van de Commissie;

93.  is ingenomen met de regelmatige gedachtewisselingen met de VV/HV over kwesties in verband met het GVDB en verzoekt de VV/HV ervoor te zorgen dat de standpunten van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen; benadrukt dat moet worden gezorgd voor regelmatige briefings van speciale vertegenwoordigers van de EU, speciale gezanten en commandanten van missies en operaties; is van mening dat het Europees Parlement vooraf moet worden geraadpleegd over de strategische planning van GVDB-missies, de wijzigingen van de mandaten ervan en de plannen om deze missies te beëindigen; dringt aan op een alomvattende uitvoering van artikel 36 VEU;

94.  benadrukt de noodzaak om op het gebied van GVDB-aangelegenheden nauwer samen te werken met de nationale parlementen om te zorgen voor een grotere verantwoordingsplicht, transparantie en controle;

95.  herhaalt dat het van belang is de instrumenten waarover het maatschappelijk middenveld beschikt, te verbeteren om ervoor te zorgen dat het op zinvolle wijze en in hoge mate wordt betrokken bij de formulering van het defensiebeleid en dat het effectief toezicht houdt op dat beleid;

o
o   o

96.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de NAVO, de EU-agentschappen op het gebied van veiligheid en defensie, en de nationale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 129 I van 17.5.2019, blz. 13.
(2) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 50.
(3) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 36.
(4) PB C 388 van 13.11.2020, blz. 91.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0008.
(6) PB C 28 van 27.1.2020, blz. 49.
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0224.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0130.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0430.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0330.
(11) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 86.
(12) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0206.
(13) PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

Laatst bijgewerkt op: 22 april 2021Juridische mededeling - Privacybeleid