Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2208(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0259/2020

Ingediende teksten :

A9-0259/2020

Debatten :

PV 19/01/2021 - 11
CRE 19/01/2021 - 11

Stemmingen :

PV 20/01/2021 - 3
PV 20/01/2021 - 17

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0014

Aangenomen teksten
PDF 241kWORD 82k
Woensdag 20 januari 2021 - Brussel
Mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie op dit gebied - jaarverslag 2019
P9_TA(2021)0014A9-0259/2020

Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie op dit gebied – jaarverslag 2019 (2020/2208(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de VN,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna “Handvest van de grondrechten” genoemd),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten, en met name de beginselen 2, 3, 11 en 17,

–  gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 17 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de op 28 juni 2016 gepresenteerde integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie,

–  gezien de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) van de VN en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en de Algemene Opmerkingen van het Mensenrechtencomité,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) alsmede de Algemene Opmerkingen van het VN-comité inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en algemene aanbevelingen van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen van de VN,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (VRK) van 20 november 1989, en de op 25 mei 2000 aangenomen twee facultatieve protocollen daarbij,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van 30 maart 2007,

–  gezien de politieke verklaring van de Algemene Vergadering van de VN over hiv en aids: “On the Fast Track to Accelerating the Fight against HIV and to Ending the AIDS Epidemic by 2030”, die op 8 juni 2016 is aangenomen,

–  gezien de op 18 december 1992 aangenomen VN-verklaring over de rechten van personen die behoren tot nationale, etnische, godsdienstige en taalkundige minderheden,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 22 december 2018 over een wereldwijde oproep tot concrete actie voor de volledige uitbanning van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante onverdraagzaamheid en de alomvattende uitvoering en follow-up van de Verklaring en het actieprogramma van Durban,

–  gezien het op 28 mei 2019 aangenomen besluit van de Algemene Vergadering van de VN, waarin 22 augustus werd uitgeroepen tot Internationale Dag ter herdenking van de slachtoffers van geweld op grond van godsdienst of overtuiging,

–  gezien Resolutie 2467 van de VN-Veiligheidsraad van 29 april 2019 over conflictgerelateerd seksueel geweld,

–  gezien Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid en de strategische aanpak van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid 2019-2024 (WPS),

–  gezien het Spotlight-initiatief van de EU en de VN inzake het uitbannen van geweld tegen vrouwen en meisjes,

–  gezien het Actieprogramma van Peking, het actieprogramma van de Internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling, en de resultaten van de bijbehorende toetsingsconferenties,

–  gezien Verdrag nr. 190 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van 21 juni 2019 over geweld en intimidatie,

–  gezien de eeuwfeestverklaring van de IAO van 21 juni 2019 over de toekomst van werk,

–  gezien het memorandum van overeenstemming van 16 augustus 2019 over samenwerking tussen het Milieuprogramma van de VN en het VN-Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten,

–  gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, dat op 5 november 1992 is vastgesteld,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“het Verdrag van Istanbul”) van 11 mei 2011, dat niet door alle lidstaten is geratificeerd,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019 van 28 april 2015, getiteld “De mensenrechten in de EU centraal blijven stellen” (JOIN(2015)0016), dat op 20 juli 2015 door de Raad is aangenomen, en gezien de tussentijdse evaluatie van het actieplan in juni 2017 (SWD(2017)0254),

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024, dat op 17 november 2020 door de Raad is aangenomen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 februari 2019 over de prioriteiten van de EU in de mensenrechtenfora van de VN in 2019,

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juni 2019 over het EU-optreden ter versterking van een op regels gebaseerd multilateralisme,

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 juli 2019 over de prioriteiten van de EU bij de VN en na afloop van de 74e zitting van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 over democratie,

–  gezien de EU-richtsnoeren voor de bevordering en de bescherming van het genot van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI), die op 24 juni 2013 zijn vastgesteld,

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, die op 24 juni 2013 zijn vastgesteld,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, die op 12 april 2013 door de Raad zijn geactualiseerd, de EU-richtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad zijn vastgesteld, en de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers, die op 14 juni 2004 door de Raad zijn vastgesteld,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake non-discriminatie in het extern optreden, die op 18 maart 2019 door de Raad zijn aangenomen,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, die op 17 juni 2019 door de Raad zijn aangenomen,

–  gezien de in 2019 herziene EU-richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, die op 16 september 2019 door de Raad zijn aangenomen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2020 met als titel “Mededeling 2020 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU” (COM(2020)0660) en gezien de geopolitieke agenda van de EU-zittingsperiode 2019-2024,

–  gezien het verslag van de Commissie uit juni 2020 getiteld “Legal gender recognition in the EU – The journey of trans people towards full equality”,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie van 25 november 2020, getiteld “EU-Genderactieplan (GAP) III – Een ambitieuze agenda inzake gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen in het externe optreden van de EU” (JOIN(2020)0017) en de conclusies van het voorzitterschap van de Raad van 16 december 2020 over GAP III,

–  gezien de tweede LGBTI-enquête van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van 14 mei 2020 met als titel “A long way to go for LGBTI equality”,

–  gezien de beslissing van de Ombudsman van de EU van 30 juli 2020 over de rol van de speciale gezant van de EU voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de Europese Unie,

–  gezien de verslagen van de speciale gezant van de EU voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de EU alsmede de verslagen van de interfractiewerkgroep van het Europees Parlement inzake de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging en religieuze verdraagzaamheid,

–  gezien het jaarverslag 2019 van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2017 over corruptie en het effect op de mensenrechten in derde landen(1),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2018 over de schending van de rechten van inheemse volkeren, inclusief landroof(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2019 over de EU-richtsnoeren en het mandaat van de speciale gezant van de EU voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de Europese Unie(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over het jaarverslag 2018 over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake – Jaarverslag 2018(4), en zijn eerdere resoluties over voorgaande jaarverslagen,

–  gezien al zijn in 2019 aangenomen resoluties over mensenrechtenschendingen, de democratie en de rechtsstaat (ook wel spoedresoluties genoemd), overeenkomstig artikel 144 van zijn Reglement,

–  gezien zijn Sacharovprijs voor de vrijheid van denken, die in 2019 werd uitgereikt aan Ilham Tohti, een Oeigoerse mensenrechtenverdediger, professor economie, pleitbezorger van de rechten van de Oeigoerse minderheid in China, en politiek gevangene,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0259/2020),

A.  overwegende dat in 2019 de tiende verjaardag van het Handvest van de grondrechten werd gevierd, hetgeen de Unie opnieuw heeft herinnerd aan de door haarzelf geuite wens en verplichting uit hoofde van het Verdrag om kordate maatregelen te nemen ter bescherming, bevordering en naleving van de mensenrechten, zowel binnen als buiten haar grenzen; overwegende dat de EU bij deze gelegenheid heeft bevestigd vastbesloten te zijn om een invloedrijke speler op het wereldtoneel te blijven en een voortrekkersrol te blijven spelen als mondiale verdediger van de democratie en de mensenrechten;

B.  overwegende dat gendergelijkheid een kernwaarde van de EU is en dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat is verankerd in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten en overwegende dat gendermainstreaming daarom als horizontaal beginsel moet worden toegepast en geïntegreerd in alle activiteiten en beleidsmaatregelen van de EU;

C.  overwegende dat christenen de meest vervolgde religieuze groepering ter wereld zijn, met 80 % van alle vervolgde gelovigen wereldwijd; overwegende dat dergelijke vervolging varieert van stelselmatige discriminatie in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en in het maatschappelijk leven, tot beperking van alle uitdrukkingsvormen en zelfs fysieke aanvallen op christelijke gemeenschappen, die erg dicht in de buurt komen van de internationale definitie van genocide zoals door de VN vastgesteld;

D.  overwegende dat in de verklaring en het actieprogramma van Peking van 1995 nu al 25 jaar wordt gewezen op het belang van gelijke rechten en kansen voor vrouwen, alsook op gelijke deelname van vrouwen in de besluitvormings- en democratische processen ten behoeve van de consolidatie van de democratie;

E.  overwegende dat het gebrek aan vrouwen binnen de ontwikkeling van artificiële intelligentie (AI) het risico van vertekening vergroot; overwegende dat wetenschappelijk onderwijs belangrijk is om vaardigheden op te doen en fatsoenlijk werk en banen van de toekomst te vinden, alsook om de genderstereotypen waarbij dergelijk werk als typisch mannelijk wordt beschouwd, te doorbreken om vrouwen in staat te stellen hun mensenrechten volledig te genieten;

F.  overwegende dat het VRK in november 2019 30 jaar bestond, en dat de EU bij de viering daarvan heeft benadrukt dat zij vastbesloten is een alomvattende strategie inzake kinderrechten en ouderlijke rechten te ontwikkelen en deze centraal te stellen in het EU-beleid; overwegende dat het Parlement op 20 november 2019 een conferentie heeft georganiseerd over een reeks onderwerpen, zoals de uitdagingen voor de bescherming van de rechten van het kind in een voortdurend veranderende digitale wereld, in het bijzonder met betrekking tot een verbod op de toegang tot kinderpornografie, pesterijen en geweld, het wegnemen van belemmeringen voor de volledige uitoefening van kinderrechten en het aanpakken van de veranderende aard van gewapende conflicten en de gevolgen daarvan voor de toekomst van kinderen, waaronder de gevolgen van deze conflicten voor hun ontwikkeling, onderwijs en latere leven, waarbij is meegenomen wat kinderen daarover te zeggen hadden bij deze discussie;

G.  overwegende dat alles wat met de eerbiediging van de mensenrechten te maken heeft langetermijngevolgen ondervindt van de crisis die door de wereldwijde COVID-19-pandemie werd teweeggebracht, de manier waarop landen hierop hebben gereageerd, de toenemende ongelijkheid en de moeilijkheden die de pandemie heeft veroorzaakt, in het bijzonder voor de meest kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, evenals voor vrouwen, en het effect ervan op internationale betrekkingen, de op regels gebaseerde internationale orde en conflicten;

H.  overwegende, bij wijze van illustratie, dat de crisis als gevolg van de pandemie de meeste landen ertoe heeft gebracht noodmaatregelen te nemen, waardoor de vrijheid om bepaalde mensenrechten te genieten in veel gevallen werd ingeperkt, in het bijzonder vrijheid van verkeer en van vergadering, of landen ertoe heeft aangezet nieuwe surveillancemiddelen in het leven te roepen om de overdracht van het COVID-19-virus te voorkomen; overwegende dat er terecht vragen zijn gerezen over de noodzaak, de wettigheid, de evenredigheid, de niet-discriminerende aard, de duur en de gevolgen van de maatregelen, vanuit een bezorgdheid over de bescherming van de fundamentele vrijheden op korte en langere termijn; overwegende dat de pandemie ook gepaard is gegaan met verdere negatieve trends die de democratie ondermijnen en de bewegingsruimte voor het maatschappelijk middenveld in bepaalde landen inperken;

I.  overwegende dat de wereldwijde recessie als gevolg van de pandemie regeringen ertoe kan aanzetten voorrang te geven aan het stimuleren van economische activiteit en het aantrekken van investeringen; benadrukt dat dit niet mag gebeuren ten koste van hun ambitie op het gebied van politieke doelstellingen en normen op andere gebieden, zoals de bescherming van de mensenrechten, klimaatactie en de bestrijding van armoede, met name die bij kinderen en het gezin waartoe zij behoren;

J.  overwegende dat de wereldwijde opkomst van autoritaire en populistische bewegingen een bedreiging vormt voor de waarden en beginselen waarop de Unie is gegrondvest;

K.  overwegende dat illiberale regimes zich in toenemende mate afwenden van het pad van volwassen democratieën en westerse democratische normen, en zich ingraven in posities die leiden tot voortdurende en bewuste schendingen van de mensenrechten; overwegende dat deze illiberale regimes de grondrechten en vrijheden aan banden leggen en daarmee de schijn wekken over een electoraal draagvlak te beschikken tijdens verkiezingen die niet kunnen worden beschouwd als vrij, eerlijk of transparant;

L.  overwegende dat ecologische noodsituaties, waaronder klimaatverandering en ontbossing, het gevolg zijn van menselijk handelen en niet alleen leiden tot mensenrechtenschendingen jegens de direct betrokkenen maar ook jegens de mensheid als geheel; overwegende dat het belangrijk is het verband tussen mensenrechten en milieubescherming te onderkennen; overwegende dat het waarborgen van de toegang tot water essentieel is om in bepaalde regio’s spanningen te voorkomen;

M.  overwegende dat een betere samenhang tussen het binnenlands en buitenlands beleid van de EU, evenals tussen de verschillende aspecten van haar buitenlands beleid, een absolute vereiste is voor een succesvol en doeltreffend mensenrechtenbeleid van de EU; overwegende dat beleid ter ondersteuning van de mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en de strijd tegen straffeloosheid moet worden geïntegreerd in al het andere beleid van de EU met een externe dimensie, zoals ontwikkeling, migratie, veiligheid, terrorismebestrijding, vrouwenrechten en gendergelijkheid, uitbreiding en handel; overwegende dat een grotere samenhang de EU in staat moet stellen sneller te reageren in de beginfase van mensenrechtenschendingen en zich actiever en geloofwaardiger als mondiale actor op het gebied van de mensenrechten op te werpen;

N.  overwegende dat volledige eerbiediging van de mensenrechten en de Europese normen in de partnerlanden en buurlanden van de EU, onder meer ten aanzien van de beheersing van de vluchtelingencrisis en de aanpak van de migratie, een van de topprioriteiten van de Europese Unie vormt; overwegende dat de mensenrechtensituatie, als gevolg van de COVID-19-pandemie, reden tot zorg is in de buurlanden, die in dit verband passende maatregelen moeten treffen en moeten samenwerken met hun maatschappelijke organisaties, die ook pro-Europese en democratisch gezinde leden hebben;

O.  overwegende dat steeds meer landen, vooral in Azië, het Midden-Oosten, Afrika en Latijns-Amerika, gebruikmaakten van reisverboden om te verhinderen dat mensenrechtenverdedigers internationale evenementen bijwonen;

Mensenrechten en democratie: algemene tendensen en voornaamste uitdagingen

1.  is ingenomen met de reacties op de COVID-19-pandemie van de staten die het recht op leven en gezondheid op de eerste plaats hebben gezet; beklemtoont dat het tegelijkertijd van cruciaal belang is dat mensen een toereikende levensstandaard hebben; benadrukt dat alle maatregelen in verband met de pandemie moeten stoelen op de mensenrechten en de beginselen van non-discriminatie en deze moeten naleven, en dat zij de voortgang in het kader van de SDG’s moeten waarborgen;

2.  beklemtoont dat de mensenrechten ten volle moeten worden geëerbiedigd en het beginsel dat de mensenrechten universeel, onvervreemdbaar, ondeelbaar en onderling afhankelijk zijn, volledig moet worden nageleefd, en veroordeelt pogingen tot relativering ervan;

3.  drukt zijn ernstige bezorgdheid uit over de verslechtering van de normen op het gebied van democratie en mensenrechten alsook met betrekking tot het genot van de fundamentele vrijheden die de crisis in sommige landen heeft veroorzaakt; is van mening dat deze terugval voornamelijk het gevolg is van de toename van het autoritarisme alsmede de verwoestende economische en sociale gevolgen van de crisis, en het gebruik van de crisis als voorwendsel om overheidsinstellingen en verkiezingstijdschema’s te manipuleren, de activiteiten van mensenrechtenverdedigers die zich inzetten voor minderheden, politieke tegenstanders en vertegenwoordigers van de media of het maatschappelijk middenveld te onderdrukken, alsmede de fundamentele vrijheden en mensenrechten, onder meer de rechten van personen of groepen die aan discriminatie worden blootgesteld, zoals religieuze en filosofische minderheden, en LGBTI-personen, te beperken voor doeleinden die geen verband houden met de pandemie; benadrukt in dat kader ook de toename van haatzaaiende uitlatingen, naar aanleiding van ras, etniciteit, godsdienst of kaste, en desinformatie, het tot zondebok maken van kwetsbare groepen die van de verspreiding van het virus worden beschuldigd, en de toename van huiselijk en gendergerelateerd geweld en van genderongelijkheid; uit zijn bezorgdheid over gevallen van discriminatie bij de verdeling van steun in het kader van de COVID-19-pandemie; veroordeelt de weigering van steun in eender welk geval, onder meer op basis van het geloof; wijst in deze context ook bezorgd op het gebruik, in strijd met de mensenrechten, van digitale technologieën die erop gericht zijn de pandemie in te dammen door burgers te traceren en hun persoonlijke gegevens op te vragen;

4.  bevestigt dat landen de COVID-19-pandemie niet mogen aangrijpen om hun autoritaire macht te versterken, de democratie en de rechtsstaat te verzwakken, of de mensenrechten met voeten te treden; maakt zich ernstig zorgen over de verregaande maatregelen die door autoritaire regimes zijn genomen met de bedoeling afwijkende meningen te onderdrukken en de bewegingsruimte voor het maatschappelijk middenveld te beperken; wijst op het belang van het maatschappelijk middenveld en dat het bestaan ervan flexibele, tijdige en doeltreffende reacties mogelijk maakt jegens regimes die het internationaal recht, de mensenrechten en democratische beginselen schenden; maakt zich zorgen over het feit dat maatregelen in verband met COVID-19 vaak niet gepaard gaan met duidelijke verplichtingen om deze in te trekken zodra de crisis is bezworen;

5.  herinnert eraan dat universele toegang tot gezondheidszorg een mensenrecht is en steunt elke vooruitgang op het gebied van universele gezondheidszorg als een essentiële stap voor duurzame ontwikkeling; is ingenomen met de wereldwijde respons van de Europese Unie op de COVID-19-pandemie op basis van de aanpak van Team Europa, die zich richt op het uiten van solidariteit en het verlenen van concrete bijstand aan partners, met name de meest kwetsbare en de zwaarst getroffen landen;

6.  wijst met bezorgdheid op de tekortkomingen in de gezondheidszorg van veel landen, waardoor het recht op lichamelijke en geestelijke gezondheid en herstel van mensen wordt ondermijnd, en wijst tevens op de tekortkomingen op het gebied van preventieve maatregelen om besmettingen te voorkomen, van maatregelen in verband met de watervoorziening en een sanitaire maatregelen, tekortkomingen op het gebied van informatie, en van non-discriminatie inzake toegang en rechten; is ingenomen met de mededeling van de Commissie dat de vaccins tegen COVID-19 algemeen beschikbaar zouden moeten komen en dat de EU zich hiertoe tot het uiterste zal inzetten;

7.  herinnert er in dit kader aan dat landen er bij de aanpak van de COVID-19-pandemie op toe moeten zien dat hun reacties een genderbewuste en intersectionele benadering omvatten teneinde de rechten van alle vrouwen en meisjes te waarborgen om te leven zonder te hoeven vrezen voor discriminatie en geweld, en ervoor te zorgen dat zij toegang hebben tot de essentiële diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid die zij nodig hebben;

8.  wijst erop dat de pandemie tevens heeft geleid tot een afname van de monitoring en de verzameling van bewijsmateriaal over mensenrechtenschendingen wereldwijd; steunt de internationale maatregelen om uiteenlopende nationale benaderingen van de pandemie te evalueren voor wat betreft de beperking van de politieke, sociale en economische vrijheden, alsook de inspanningen voor het scheppen van een gemeenschappelijk op mensenrechten gebaseerd kader dat de basis moet vormen van de respons op toekomstige gezondheidscrises; is in dit verband ingenomen met de ontwikkeling van de Global Monitor door de Commissie en het Internationaal Instituut voor democratie en verkiezingsondersteuning (IDEA);

9.  veroordeelt ten stelligste de vele gevallen van discriminatie, onverdraagzaamheid en vervolging en moorden op grond van ras, etniciteit, nationaliteit, sociale klasse, handicap, kaste, godsdienst, overtuiging, taal, leeftijd, geslacht, seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie alsmede geslachtskenmerken, die in veel landen en samenlevingen nog steeds voorkomen; betreurt het dat onverdraagzame en door haat gedreven verklaringen en acties worden gebruikt om bepaalde personen of gemeenschappen tot zondebok te maken; acht de prevalentie van racisme, antisemitisme en vreemdelingenhaat in veel landen onaanvaardbaar; dringt erop aan dat regeringen overal ter wereld racisme en discriminatie uitdrukkelijk veroordelen en een nultolerantiebenadering hanteren ten aanzien van racisme en discriminatie;

10.  onderstreept dat de klimaatverandering, milieuschade en het verlies van biodiversiteit een enorme en toenemende bedreiging voor de mensenrechten vormen, door mensen het fundamentele recht op leven te ontzeggen, in het bijzonder door de toename van honger in de wereld, door grotere economische en sociale ongelijkheid, door beperkingen van de toegang tot water en door bijkomende sterfgevallen als gevolg van ondervoeding en een grotere verspreiding van ziekten; beklemtoont dat de klimaatverandering ook het genot van andere mensenrechten ondermijnt, waaronder het recht op voedselzekerheid, veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, gezondheid, passende huisvesting, zelfbeschikking, werk en ontwikkeling; vestigt voorts de aandacht op de risico’s van klimaatverandering voor vrede en veiligheid, aangezien voedselonzekerheid en waterschaarste kunnen leiden tot concurrentie om natuurlijke hulpbronnen en vervolgens tot instabiliteit en conflicten binnen en tussen staten; vestigt met name de aandacht op het verband tussen de uitbuiting van de natuurlijke hulpbronnen en de financiering van conflicten, oorlogen en geweld, hetzij direct, hetzij indirect, mede door toedoen van actoren uit de particuliere sector; benadrukt dat de minst ontwikkelde landen het kwetsbaarst zijn voor de klimaatverandering, aangezien zij het het moeilijkst hebben om het hoofd te bieden aan de verwoestende gevolgen ervan, en hoewel zij minder broeikasgassen uitstoten dan rijkere landen, die waarschijnlijk minder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering;

11.  bevestigt dat de bevordering en bescherming van mensenrechten en klimaat- en milieumaatregelen met elkaar in verband staan, met name omdat het internationaal recht inzake mensenrechten toegang biedt tot rechtsmiddelen om de door de klimaatverandering veroorzaakte schade te vergoeden, maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering in te voeren, en staten, bedrijven en individuen aansprakelijk te stellen voor hun reactie op de klimaatverandering en hun acties die bijdragen tot de verdere aantasting van het milieu;

12.  beklemtoont dat biodiversiteit en mensenrechten onderling verbonden en afhankelijk zijn en wijst op de mensenrechtenverplichtingen van de staten om de biodiversiteit te beschermen waarvan die rechten afhankelijk zijn, onder meer door ervoor te zorgen dat burgers betrokken worden bij besluitvorming over de biodiversiteit en dat zij toegang hebben tot doeltreffende rechtsmiddelen wanneer sprake is van verlies en aantasting van de biodiversiteit; steunt de recente normatieve inspanningen op internationaal niveau ten aanzien van milieucriminaliteit; moedigt de EU en de lidstaten in dit verband aan de erkenning van ecocide als internationaal misdrijf in de zin van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC) te bevorderen;

13.  onderstreept dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan hulp aan milieu- en klimaatontheemde personen; acht het van belang dat er op internationaal niveau binnen de Verenigde Naties een definitie wordt uitgewerkt van “klimaatvluchtelingen” teneinde een internationaal rechtskader vast te stellen en een gemeenschappelijke benadering te volgen om personen te beschermen die hun woonplaats noodgedwongen moeten verlaten; erkent dat de gevolgen van de klimaatverandering voor het milieu kunnen leiden tot een toename in gedwongen ontheemding en benadrukt dan ook dat er snel beleidsmaatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd waarmee de gevolgen van de klimaatverandering overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs kunnen worden beperkt;

14.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de ontbossing, de illegale mijnbouw en de productie van illegale drugs met name in het Amazonegebied in 2019, aangezien bossen bijdragen tot het beperken van de klimaatverandering door koolstofdioxide op te vangen en op te slaan; benadrukt dat inheemse volkeren vaak de eerste slachtoffers zijn geweest van ontbossing, waardoor hun rechten, onder meer hun landrechten, en hun toegang tot essentiële hulpbronnen in het gedrang zijn gekomen; benadrukt in dit verband dat inheemse volkeren het recht hebben om de prioriteiten en strategieën voor hun zelfontwikkeling en voor het gebruik van hun land, grondgebieden en andere hulpbronnen uit te werken en vast te stellen; benadrukt dat straffeloosheid voor schendingen van de rechten van inheemse volkeren een van de drijvende krachten achter de ontbossing is en acht het derhalve van het allergrootste belang dat de schuldigen verantwoording afleggen voor deze schendingen; merkt op dat de onrechtmatige exploitatie van natuurlijke hulpbronnen kan leiden tot ernstige nadelige gevolgen voor de sociale, economische, culturele, politieke en burgerrechten van plaatselijke gemeenschappen, met inbegrip van het grondrecht van volkeren op zelfbeschikking en het beginsel van permanente soevereiniteit over hun natuurlijke hulpbronnen;

15.  is ingenomen met de groeiende verwachtingen en de steeds grotere mobilisatie van burgers met het oog op politieke en maatschappelijke veranderingen die bevorderlijk zijn voor de eerbiediging van de mensenrechten, democratisch bestuur, gelijkheid en sociale rechtvaardigheid; wijst erop dat in 2019 in alle regio’s van de wereld massale protestbewegingen zijn opgekomen die deze aspiraties weerspiegelen, veranderingen eisen in de institutionele en economische orde van samenlevingen, vragen om in actie te komen en de klimaatverandering te bestrijden en die de ontwikkeling van een billijkere mondiale samenleving steunen; veroordeelt het feit dat mensen in vele landen het recht op vreedzaam betogen wordt ontzegd via wets-, bestuurs- en andere maatregelen, zoals de onderdrukking van betogingen met geweld, pesterijen en willekeurige detentie; benadrukt dat in 2019 honderden vreedzame demonstranten zijn gearresteerd, van wie er velen werden mishandeld of naar willekeur werden vastgezet en zware boetes moesten betalen bij rechtszaken waarin de minimale procedurenormen niet werden gewaarborgd; benadrukt dat de vredelievende aard van protestacties moet worden gevrijwaard en uit zijn bezorgdheid over het optreden van marginale groeperingen die de demonstraties en uitingen van sociale bewegingen te baat hebben genomen om de protestacties gewelddadig te laten verlopen en er het dagelijks leven mee te verstoren; roept overheden op geen buitensporig geweld te gebruiken tegen vreedzame demonstranten en alle schuldigen van dergelijke daden ter verantwoording te roepen;

16.  acht het van essentieel belang dat er een politieke respons komt op de legitieme eisen van samenlevingen, gezinnen en individuen, op basis van een inclusieve dialoog die uitmondt in positieve verandering; veroordeelt evenwel de onderdrukking van vreedzame bewegingen, met name door buitensporig geweld van veiligheidsagenten, waar bepaalde regeringen op hebben aangestuurd om afwijkende en kritische stemmen het zwijgen op te leggen;

17.  benadrukt dat moorden, fysieke aanvallen en lastercampagnes, opsluiting, doodsbedreigingen, pesterijen, intimidatie en beperkingen van de vrijheid van meningsuiting nog steeds wereldwijd systematisch worden ingezet tegen mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van verdedigers van vrouwenrechten, verdedigers van het recht op een godsdienst of overtuiging, plaatselijke gemeenschappen, inheemse groepen, milieuactivisten en landbeschermers, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en activisten uit het maatschappelijk middenveld, klokkenluiders en journalisten; merkt op dat verdedigers van vrouwenrechten worden geconfronteerd met genderspecifieke bedreigingen;

18.  maakt zich ernstig zorgen over het gebruik door sommige landen van repressieve cyberbeveiligings- en antiterrorismewetgeving om mensenrechtenverdedigers te bestrijden; onderstreept dat er politieke tendensen in de richting van diep nationalisme bestaan, en dat deze tendensen religie misbruiken voor politiek gewin, wat leidt tot onverdraagzaamheid;

19.  benadrukt dat het de plicht van de EU-instellingen is om organisaties en personen die zich inzetten voor de verdediging van de democratie en de mensenrechten actief te ondersteunen; eist rechtvaardigheid en verantwoording voor alle aanvallen op mensenrechtenverdedigers; verzoekt de EU mensenrechtenverdedigers in al hun verscheidenheid te ondersteunen en te beschermen; onderstreept dat het Parlement in dit verband moet optreden om de stem van deze mensen te laten horen en druk uit te oefenen op derde landen om mensenrechtenverdedigers die worden vastgehouden als gevolg van hun activisme onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; steunt de werkzaamheden van Europese politieke stichtingen om de democratische processen te versterken en overal ter wereld een nieuwe generatie politieke leiders te bevorderen;

20.  is ernstig bezorgd over de aanhoudende oorlogen en militaire conflicten alsmede de langdurige bezetting of inlijving van grondgebieden waarbij vaak wordt overgegaan tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en de mensenrechten, met name genocide, massamoorden, gedwongen ontheemding van de burgerbevolking, onder wie religieuze minderheden, en het gebruik van seksueel geweld, met name tegen vrouwen en kinderen; veroordeelt ten stelligste de betrokkenheid van dictatoriale of autoritaire machten bij oorlogen bij volmacht, en benadrukt dat onderhandelde politieke oplossingen een voorwaarde zijn voor duurzame vrede; uit zijn diepe bezorgdheid over de toegenomen internationale politieke spanningen, en, in bepaalde regio’s van de wereld, de toegenomen activiteit van niet-statelijke gewapende groeperingen en terroristische organisaties en de ontwikkeling van geweld tussen gemeenschappen;

21.  betreurt het feit dat, terwijl de VN in 2020 haar vijfenzeventigste verjaardag heeft gevierd, sommige regeringen de weg van de navelstaarderij zijn opgegaan en gerichte maatregelen hebben genomen in weerwil van de inspanningen voor multilateralisme en internationale samenwerking met het oog op vrede, conflictoplossing en de bescherming van de mensenrechten, op basis van de doelstellingen en beginselen van de UVRM, het internationaal recht, het VN-Handvest en de Slotakte van Helsinki; bekritiseert het gebrek aan gezamenlijk internationaal leiderschap van de democratische landen om consequent te reageren op ernstige schendingen van het internationaal recht inzake mensenrechten, en om de krachten te bundelen om de mensenrechten, de democratie en internationale op regels gebaseerde systemen te bevorderen en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan dit gebrek aan leiderschap goed te maken;

22.  betreurt de moeilijke omstandigheden waarin migranten en vluchtelingen zich overal ter wereld bevinden, in het bijzonder ontheemde vrouwen, kinderen, personen met een handicap of een chronische aandoening, personen met een andere seksuele geaardheid, en vervolgde etnische, religieuze en filosofische minderheden, die tot de meest kwetsbaren behoren; stelt vast dat het aantal internationale migranten in 2019 op bijna 272 miljoen werd geschat(5), wat overeenstemt met 3,5 % van de wereldbevolking, waarvan meer dan 20 miljoen vluchtelingen(6), en dat ontheemding en migratie de afgelopen twee jaar op grote schaal hebben plaatsgevonden; wijst op de toename van het aantal asielzoekers in 2019 dat om internationale bescherming vroeg in de lidstaten van de EU-27(7), als gevolg van de repressieve praktijken en schendingen van hun mensenrechten die onder meer werden veroorzaakt door dictatoriale regimes die illegaal het politieke bewind voeren; verwerpt politieke maatregelen die de mensenrechten van migranten en vluchtelingen uithollen en die hun veiligheid en leven in gevaar brengen; veroordeelt ten stelligste de gevallen van discriminatie, onverdraagzaamheid en vervolging en de moorden op grond van migratie- of vluchtelingenstatus; uit in dit verband zijn afkeuring over de negatieve tendens in de richting van intimidatie en criminalisering van het werk van degenen die opkomen voor de mensenrechten van migranten en vluchtelingen en die aan deze personen bijstand verlenen;

23.  is ingenomen met het feit dat de inspanningen ter bevordering van de rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd meer in beeld komen; merkt echter op dat nog geen enkel land in de wereld gendergelijkheid heeft weten te realiseren;

24.  benadrukt echter dat er in alle regio’s ter wereld nog steeds sprake is van wijdverbreid gendergerelateerd geweld, met inbegrip van feminicide, en discriminatie, dat het gevolg is van genderongelijkheid, ongelijke gendernormen en machtsverhoudingen, culturele praktijken zoals op kasten gebaseerde discriminatie of reeds lang bestaande discriminerende rechtsstelsels, alsmede van propaganda en desinformatiecampagnes die de rechten van vrouwen ondermijnen; veroordeelt het misbruik van vrouwen door middel van mensensmokkel en alle vormen van gendergebaseerd geweld, met inbegrip van seksueel, fysiek en psychologisch geweld, die tot de meest wijdverspreide en stelselmatige schendingen van de mensenrechten behoren;

25.  wijst voorts op het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen vanwege hun mening, godsdienst, filosofische gerichtheid, seksuele geaardheid of activisme ter verdediging van de mensenrechten; beklemtoont dat vrouwen en meisjes van etnische, religieuze en filosofische minderheden twee keer zo vaak slachtoffer zijn van genderspecifiek geweld en discriminatie; roept in herinnering dat geweld tegen lesbische en biseksuele vrouwen in de vorm van “correctieve verkrachting” in sommige landen een structureel probleem blijft vanwege sociale stigmatisering en discriminerende rechtsstelsels;

26.  veroordeelt de constante achteruitgang van gendergelijkheid en vrouwenrechten, waaronder alle pogingen om bestaande waarborgen en bescherming op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten terug te draaien, en veroordeelt ook wetgeving, beleid en praktijken waarmee deze rechten in veel landen wereldwijd nog worden ontzegd of ingeperkt; veroordeelt in dit verband de weigering van toegang tot betaalbare, kwalitatief hoogwaardige, alomvattende seksuele voorlichting, diensten met betrekking tot gezinsplanning, moderne anticonceptiemiddelen, veilige en legale abortushulpverlening en gezondheidszorg voor zwangere vrouwen, het misbruik en de mishandeling van vrouwen in gezondheidsvoorzieningen voor zwangere vrouwen en in voorzieningen voor prenatale en postnatale gezondheidszorg, evenals praktijken met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid waarbij sprake is van dwang en de vrije en geïnformeerde toestemming van vrouwen niet wordt geëerbiedigd; benadrukt de noodzaak om ouders in kwetsbare situaties te beschermen, met name alleenstaande ouders en ouders met een groot gezin, om armoede en sociale uitsluiting te helpen voorkomen; wijst op de noodzaak om een sociale en economische omgeving en voorwaarden te creëren die ouders in staat stellen hun professionele ontwikkeling voort te zetten;

27.  benadrukt de noodzaak om moeders in kwetsbare situaties te beschermen, met name alleenstaande moeders, teneinde armoede en sociale uitsluiting te voorkomen; wijst op de noodzaak om de sociale en economische omgeving en voorwaarden te creëren die moeders in staat stellen hun professionele ontwikkeling voort te zetten;

28.  veroordeelt daarnaast regeringen overal ter wereld die zich verzetten tegen de eis van vrouwen om gelijke rechten of die tegenbewegingen in gang zetten; onderstreept de prominente rol die vrouwen door hun activisme opnemen in politieke en sociale bewegingen, en betreurt de zware tol die zij hebben betaald door het slachtoffer te worden van geweld ten gevolge van brutale repressie, oorlog, en seksuele uitbuiting tijdens gewapende conflicten;

29.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de aanhoudende ernstige schendingen van de mensenrechten tegen kinderen overal ter wereld in 2019, het jaar waarin het VRK dertig jaar bestond, met name kinderarbeid, vroegtijdige en gedwongen huwelijken, de handel in en uitbuiting van kinderen, ook voor seksuele doeleinden, de inlijving van kinderen in gewapende troepen, het inzetten van kindsoldaten in gewapende conflicten, de seksuele uitbuiting en prostitutie van kinderen, de scheiding van gezinnen en detentie van kinderen, onder meer om immigratiegerelateerde redenen, alsook de uitdagingen waarmee meisjes worden geconfronteerd, zoals seksueel en op gender gebaseerd geweld, vroegtijdige zwangerschap, hiv-besmetting en schooluitval; vindt het betreurenswaardig dat talloze kinderen en jongeren tijdens de pandemie een baantje moesten zoeken om in hun basisbehoeften te voorzien en om het gezin waarvan ze deel uitmaken te onderhouden, en daarom gestopt zijn met school; wijst erop dat deze ongewenste ontwikkeling een stap achteruit betekent voor het schoolonderwijs van kinderen;

30.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over, en veroordeelt, de terroristische aanslagen en bomaanslagen op gelovigen in de eerste helft van 2019 en in hun gebedshuizen, plekken die moeten worden behouden en beschermd; is verontrust over het feit dat deze afschuwelijke daden samenvielen met haatcampagnes die werden opgevoerd door bepaalde politieke leiders en terreurgroepen, met als doel het recht op vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging te ontzeggen of te beperken; roept landen op de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging te verdedigen, kwetsbare religieuze en filosofische minderheden te beschermen, en snel op te treden tegen geweldplegers of haatzaaiers;

De bevordering en bescherming van de democratie en de mensenrechten centraal stellen in het buitenlands beleid van de EU

31.  herinnert eraan dat de Unie op bepaalde waarden berust, namelijk eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, solidariteit, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, als vastgelegd in artikel 2 VEU; benadrukt dat de bevordering van deze waarden naar buiten toe, alsook de bevordering van de democratie, de rechtsstaat en de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht, de kern vormen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, overeenkomstig artikel 21 VEU en de strategische belangen van de Unie, en dat dit op effectieve en coherentie wijze moet worden weerspiegeld in alle domeinen van de betrekkingen van de Unie met derde landen;

32.  benadrukt dat het van belang is dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie op krachtige en uitgesproken wijze reageren op en zich verzetten tegen mensenrechtenschendingen waar dan ook, onder andere in landen die hechte partners zijn, en het bewustzijn en de kennis van ambtenaren van de EU en haar lidstaten op het gebied van mensenrechten voortdurend vergroten; herinnert eraan dat effectieve inspraak van en zinvolle dialoog met het maatschappelijk middenveld de kern van een succesvol mensenrechtenbeleid vormt; verzoekt alle EU-delegaties en hun respectieve contactpunten voor de mensenrechten om consequent gevolg te geven aan hun verplichting om mensenrechtenverdedigers, alsmede verdedigers van vrouwenrechten en leden van het maatschappelijk middenveld, te ontmoeten, gedetineerde activisten, democratische dissidenten en mensenrechtenverdedigers te bezoeken, processen te volgen en te pleiten voor bescherming ter plaatse; verzoekt de EU-delegaties bovendien dergelijke acties te faciliteren wanneer ze worden ondernomen door leden van het Europees Parlement die een bezoek brengen in het kader van de officiële missies van het Europees Parlement; benadrukt dat het van belang is niet alleen de gevolgen maar ook de onderliggende oorzaken van mensenrechtenschendingen aan te pakken;

EU-werkzaamheden op multilateraal niveau

33.  roept de EU en de lidstaten dringend op een expliciete strategie te ontwikkelen om op te treden tegen het toenemend aantal landen dat zich terugtrekt uit internationale mensenrechtenkaders of zich daartegen verzet, in overeenstemming met de toezeggingen die zijn gedaan op het gebied van multilateralisme in het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie, alsook tegen pogingen op internationaal niveau om het concept van mensenrechten zoals in het leven geroepen door de UVRM te ondermijnen; benadrukt zijn standpunt dat het internationaal recht inzake mensenrechten en de belofte om de SDG’s tegen 2030 te verwezenlijken hoekstenen moeten blijven; beveelt aan dat de EU haar inspanningen voortzet door samen te werken met landen en belanghebbenden, ongeacht of zij de waarden van de EU delen, om internationale normen op het gebied van mensenrechten te behouden of te ontwikkelen in overeenstemming met artikel 21 VEU;

34.  verzoekt de lidstaten het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU doeltreffender te maken door gebruik te maken van de regel van stemming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad, met name voor mensenrechtenaangelegenheden, en meer in het bijzonder voor zaken die onder het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie vallen en voor de vaststelling van sancties; verzoekt de lidstaten om in multilaterale fora met één krachtige EU-stem te spreken en in eendracht te handelen wanneer zij geconfronteerd worden met crises die de fundamentele waarden en belangen van de Europese Unie in gevaar brengen, aangezien dit de enige manier is waarop de Unie internationaal gezien een voortrekkersrol kan spelen en haar invloed kan aanwenden om positieve veranderingen en beter gecoördineerde antwoorden tot stand te brengen op mondiale uitdagingen, voornamelijk in verband met de bevordering en bescherming van mensenrechten alsmede uitdagingen in verband met milieu en klimaat;

35.  herhaalt dat de EU op het wereldtoneel pas erkenning zal krijgen en geloofwaardig en doeltreffend zal worden geacht als haar kernwaarden, met name de eerbiediging van de vrijheid, de democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat en gelijkheid, extern geloofwaardig zijn, en dat dit enkel mogelijk is als de EU zorgt voor interne en externe samenhang van haar beleid op dit gebied; roept de EU en haar lidstaten op het goede voorbeeld te geven en de mensenrechten strikt na te leven, consequent de waarden van de EU te verdedigen en uit te dragen, en gunstige randvoorwaarden voor het maatschappelijk middenveld te waarborgen;

36.  betreurt het feit dat autoritaire regimes multilaterale instellingen hebben misbruikt in een poging om multilaterale mensenrechteninstellingen en -mechanismen de mogelijkheid te ontnemen om staten verantwoordelijk te stellen voor mensenrechtenschendingen; roept de EU en haar lidstaten op met gelijkgezinde democratische bondgenoten samen te werken om te pleiten voor een hervorming van multilaterale instellingen om deze beter bestand te maken tegen negatieve invloeden van autoritaire regimes; betreurt daarnaast het feit dat de zetels van de Mensenrechtenraad vaak worden bezet door landen waarvan vaststaat dat zij ernstige mensenrechtenschendingen hebben begaan, en roept de EU-lidstaten op uiterst voorzichtig te zijn in hun stemgedrag en geen landen te steunen die zich kandidaat hebben gesteld om in de Mensenrechtenraad te zetelen en die duidelijk mensenrechten schenden;

37.  is van oordeel dat mensenrechtendialogen met derde landen een nuttig instrument kunnen zijn voor bilaterale inspanningen ter bevordering en bescherming van de mensenrechten, op voorwaarde dat zij op resultaatgerichte wijze worden gevoerd en geregeld worden geëvalueerd; wijst erop dat in de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtendialogen een aantal criteria voor het aangaan van een dialoog worden beschreven, waaronder de bereidheid van de regering om de situatie te verbeteren, de inzet van de regering voor de mensenrechtenverdragen, de wil van de regering om samen te werken met de procedures en mechanismen inzake mensenrechten van de Verenigde Naties, en de houding van de regering tegenover de civiele samenleving; dringt er bij de EDEO op aan een regelmatige evaluatie van elke dialoog uit te voeren, overeenkomstig de EU-richtsnoeren; hamert erop dat het van belang is dat afzonderlijke gevallen in het kader van de mensenrechtendialoog worden besproken en dat er werk wordt gemaakt van een passende follow-up en transparantie met betrekking tot deze gevallen;

Speciale vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten

38.  is ingenomen met de benoeming van Eamon Gilmore tot speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten (SVEU) op 28 februari 2019; herhaalt dat de benoeming van de SVEU aan een voorafgaande hoorzitting in het Parlement moet worden onderworpen; moedigt de SVEU aan om diplomatieke inspanningen voort te zetten om de doeltreffendheid van het EU-mensenrechtenbeleid te vergroten, de internationale allianties ter bevordering van de mensenrechtenagenda te consolideren, en gesprekspartners overal ter wereld te overtuigen om maatregelen aan te nemen en uit te voeren die overeenstemmen met de hoogste normen op het gebied van democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat en goed bestuur, het internationaal recht en internationale normen, in het bijzonder het internationaal recht inzake mensenrechten en het internationaal strafrecht; beveelt voorts aan dat de SVEU extra inspanningen levert om de interne samenhang van de EU bij het definiëren en toepassen van het buitenlands mensenrechtenbeleid van de EU te waarborgen; dringt erop aan dat zijn regelmatige verslagen aan de Raad ook met het Parlement worden gedeeld; vraagt de EU de zichtbaarheid van de SVEU en de transparantie van de activiteiten en missies van deze functie te vergroten, met inbegrip van een speciale rubriek op de website van de EDEO, en dringt erop aan de functie van SVEU permanent te maken, en de SVEU gepaste middelen en de mogelijkheid te geven om in het openbaar te spreken om verslag uit te brengen over verwezenlijkingen van bezoeken aan derde landen en om de standpunten van de EU over mensenrechtenkwesties mee te delen in het kader van een algemene hervorming van de positie van de SVEU;

Internationale overeenkomsten

39.  herinnert aan zijn oproep om systematisch mensenrechtenclausules op te nemen in alle internationale overeenkomsten, met name handels- en associatieovereenkomsten, tussen de EU en niet-EU-landen, en deze naar behoren te handhaven en te monitoren, onder meer aan de hand van meetbare benchmarks en regelmatige effectbeoordelingen, met de betrokkenheid van het Parlement en het maatschappelijk middenveld; benadrukt dat deze clausules moeten voorzien in mechanismen om een effectieve handhaving te verzekeren en in procedures waarin duidelijke en geloofwaardige gevolgen van schendingen van de overeenkomsten zijn bepaald, zoals opschorting, of in het uiterste geval terugtrekking van de EU uit de overeenkomsten; pleit voor betere afstemming en communicatie tussen de gespecialiseerde actoren die verantwoordelijk zijn voor de betreffende beleidsterreinen, zoals handel en mensenrechten, om mensenrechtenaspecten efficiënter in het handels- en investeringsbeleid te integreren; dringt erop aan om onafhankelijke monitoringmechanismen voor mensenrechten op te zetten, gekoppeld aan handels- en buitenlandse investeringsovereenkomsten, alsook een onafhankelijk klachtenmechanisme, om getroffen burgers en lokale belanghebbenden van een doeltreffend rechtsinstrument te voorzien;

40.  benadrukt dat de bevordering en bescherming van de democratie en de mensenrechten in derde landen alleen doeltreffend kunnen worden bereikt wanneer voorwaarden worden gesteld in het kader van de economische en politieke stimuleringsmaatregelen van de EU, zoals bij de toegang tot EU-financiering, bij de toekenning van het algemeen preferentiestelsel en verdere verlaging van invoerrechten, en bij de verlening van visumvrijstelling voor het Schengengebied; herinnert er in dit verband aan dat de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1806 de mensenrechtensituatie in de derde landen die van de visumplicht zijn vrijgesteld moet monitoren, hierover regelmatig verslag aan het Parlement moet uitbrengen, en de visumvrijstelling moet opschorten in geval van schendingen in het betrokken land;

Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking

41.  dringt aan op activiteiten en adequate steun ter bevordering en bescherming van de democratie en de mensenrechten in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI), en vraagt dat de begroting daarvoor wordt afgestemd op de toezeggingen en het ambitieniveau van de Unie;

42.  verzoekt de Commissie toezicht te houden op de verwezenlijking van de doelstellingen van het NDICI en in haar jaarverslag in dit kader een hoofdstuk op te nemen over de mensenrechten en de naleving van artikel 8, Algemene beginselen van het instrument in de partnerlanden die financiering ontvangen; verzoekt de Commissie passende maatregelen voor te stellen, waaronder de opschorting van EU-financiering aan statelijke actoren en de herverdeling van hulp aan de burgermaatschappij, in het geval van ernstige schending van de mensenrechten of van de beginselen van het NDICI door de begunstigden; pleit voor meer transparantie met betrekking tot bepalingen inzake mensenrechten in financieringsovereenkomsten en een verduidelijking van het mechanisme en de criteria voor de opschorting van deze overeenkomsten in geval van een schending van mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat en in ernstige gevallen van corruptie; dringt er bij de Commissie op aan geen gebruik te maken van begrotingssteun aan regeringen van derde landen als operationele modaliteit in landen waar sprake is van wijdverbreide mensenrechtenschendingen en onderdrukking van mensenrechtenverdedigers;

43.  roept de EU op in het bijzonder toe te zien op de beoordeling en preventie van schendingen in verband met de eigen beleidsmaatregelen, projecten en financiering van de Unie in derde landen, onder meer door een klachtenmechanisme in te voeren voor personen of groepen wier rechten mogelijk zijn geschonden door EU-activiteiten in deze landen;

44.  verwelkomt de onschatbare hulp die aan maatschappelijke organisaties in de hele wereld wordt geboden in het kader van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten, dat het voornaamste instrument is voor de uitvoering van het externe mensenrechtenbeleid van de Europese Unie; roept op tot het verder versterken van de financiering voor het maatschappelijk middenveld en de mensenrechten in het volgende integrale instrument;

45.  verzoekt de Commissie in samenwerking met de EDEO een kader uit te werken voor de jaarlijkse rapportage van de Europese Investeringsbank (EIB) over haar werkzaamheden buiten de EU met betrekking tot de naleving van de algemene beginselen die de leidraad vormen voor het extern optreden van de Unie, als bedoeld in artikel 21 VEU en in het strategisch kader en actieplan van de EU voor mensenrechten; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat door de EIB ondersteunde projecten in overeenstemming zijn met het EU-beleid en de EU-toezeggingen inzake mensenrechten, en te zorgen voor verantwoordingsmechanismen waarmee individuen schendingen in verband met de EIB-activiteiten aan de orde kunnen stellen; verzoekt de EIB haar beleid inzake sociale normen verder om te vormen tot een mensenrechtenbeleid op het gebied van het bankwezen; stelt voor dat de EIB mensenrechtenbenchmarks opneemt in haar projectevaluaties;

EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie

46.  verwelkomt de aanneming van het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024; uit zijn teleurstelling over het feit dat de EDEO onvoldoende aandacht heeft besteed aan het aanbod van het Parlement en zijn Subcommissie mensenrechten om actief bij te dragen aan de voorbereiding van het actieplan, vanuit een bereidheid tot goede interinstitutionele samenwerking;

47.  verzoekt de EDEO en de Commissie op gezette tijden overleg te plegen met het maatschappelijk middenveld en een gestructureerde en regelmatige dialoog aan te gaan met de bevoegde organen van het Parlement over de tenuitvoerlegging van het nieuwe actieplan, teneinde het Parlement in staat te stellen een rol op te nemen in de activiteiten in het kader van het actieplan, in het bijzonder via parlementaire diplomatie, en zijn toezichthoudende rol effectief uit te oefenen; beveelt aan een reeks benchmarks en voortgangsindicatoren vast te stellen om de tenuitvoerlegging van het actieplan effectief te monitoren; vraagt de EDEO verslag uit te brengen over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het actieplan, ten opzichte van deze benchmarks; vraagt de EDEO regelmatig follow-up te geven aan de resoluties en debatten van het Parlement die relevant zijn voor de tenuitvoerlegging van het actieplan; dringt erop aan dat de lidstaten verantwoordelijkheid moeten nemen voor het actieplan en hun bijdrage moeten leveren aan het jaarlijks verslag over de uitvoering ervan door verslag uit te brengen over hun eigen activiteiten die in het kader van dit strategisch document zijn verricht;

Een antwoord bieden op de mondiale uitdagingen inzake mensenrechten en democratie

Democratisch bestuur en speelruimte voor het maatschappelijk middenveld

48.  is van mening dat democratisch bestuur en de rechtsstaat wereldwijd onder druk staan als gevolg van een combinatie van factoren, zoals de toename van autoritarisme en populisme, toenemende ongelijkheid en armoede, de druk die op het maatschappelijk middenveld wordt uitgeoefend, de verspreiding van nepnieuws en desinformatie, cyberdreigingen en hybride oorlogvoering, politieke inmenging en campagnes door externe actoren, het verlies van geloofwaardigheid van de publieke macht, de polarisatie in samenlevingen en de verzwakking van collectieve organisaties die het openbaar belang verdedigen; wijst er tevens op dat aanvallen op de persvrijheid en pogingen om het openbare debat te beïnvloeden door nepnieuws te verspreiden via de sociale media nooit eerder zo vaak voorkwamen en zo sterk waren; uit zijn bezorgdheid over het feit dat autoritaire praktijken, zoals stigmatisering van figuren van het maatschappelijk middenveld als “buitenlandse agenten”, worden gekopieerd en zich wereldwijd verspreiden;

49.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan steun te blijven bieden voor de versterking van democratische instellingen en transparante en geloofwaardige verkiezingsprocessen wereldwijd, het democratisch debat aan te moedigen en te ontsluiten, ongelijkheid te bestrijden, te garanderen dat maatschappelijke organisaties hun werkzaamheden kunnen verrichten, de dialoog tussen verschillende segmenten van de maatschappij te ondersteunen, corruptie en straffeloosheid te bestrijden en de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het gerechtelijk apparaat en het verantwoordingsmechanisme te versterken; roept de EU op haar inspanningen op het gebied van verkiezingswaarneming nog verder op te schroeven en nauwer samen te werken met internationale organisaties, met name de organisaties die hierbij van bijzondere betekenis zijn zoals de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa;

50.  benadrukt dat corruptie en mensenrechtenschendingen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; roept de EU op de bestrijding van corruptie in haar mensenrechtenagenda op te nemen; wijst eens te meer op de plicht van de EU om te zorgen voor bescherming van organisaties voor corruptiebestrijding, onderzoeksjournalisten en klokkenluiders die zich ervoor inzetten om corruptie en fraude aan het licht te brengen;

Klimaatactie en mensenrechten

51.  bevestigt dat de bevordering en bescherming van mensenrechten en klimaat- en milieumaatregelen met elkaar in verband staan, met name omdat het internationaal recht inzake mensenrechten toegang biedt tot rechtsmiddelen om de door de klimaatverandering veroorzaakte schade te vergoeden, maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering in te voeren, en staten, met name de meest vervuilende, bedrijven en beleidsmakers aansprakelijk te stellen voor hun reactie op de klimaatverandering;

52.  steunt een inclusieve en op rechten gebaseerde aanpak om klimaatactie te stimuleren die publieke inspraak en toegang tot de rechter waarborgt bij het maken, uitvoeren en herzien van politieke besluiten in verband met klimaatverandering en de gevolgen ervan; bevestigt dat de bestrijding van de klimaatverandering gepaard gaat met de ondersteuning en bescherming van degenen die de planeet en de natuurlijke hulpbronnen verdedigen, onder meer land- en milieuactivisten en inheemse gemeenschappen;

EU-aanpak van conflicten, verantwoordingsplicht voor mensenrechtenschendingen en bestrijding van straffeloosheid

53.  onderstreept de complexiteit van moderne conflicten, die zich vaak op nationaal of regionaal niveau ontwikkelen, soms in de vorm van hybride of cyberaanvallen, die gekenmerkt worden door de betrokkenheid van veel verschillende partijen, waaronder terroristische organisaties en niet-overheidsactoren, en die rampzalige humanitaire gevolgen hebben, met name omdat het moeilijk is om onderscheid te maken tussen strijdkrachten en niet-strijdkrachten; verzoekt de EU haar respons op conflicten te versterken, de onderliggende oorzaken ervan aan te pakken, te investeren in conflictpreventie- en bemiddelingsinspanningen, ruimte voor politieke oplossingen te zoeken en in stand te houden, allianties met gelijkgezinde landen en regionale organisaties tot stand te brengen, verdere financiële en technische steun en steun in de vorm van personeel te verlenen aan civiele missies of militaire operaties, en initiatieven te bevorderen die het vertrouwen tussen de vijandige partijen vergroten; verzoekt de EU tevens de integratie van een genderperspectief in al deze inspanningen te waarborgen, de rol van vrouwen en jongeren bij conflictpreventie en -oplossing te vergroten, evenals bij operaties voor vredeshandhaving, humanitaire hulp en wederopbouw na conflicten, inspanningen met betrekking tot overgangsjustitie en de bevordering van mensenrechten en democratische hervormingen; verzoekt de EU bovendien iets te doen aan mensenhandel en seksueel en gendergerelateerd geweld, en constante toegang tot essentiële en levensreddende gezondheidsdiensten te waarborgen; benadrukt dat het belangrijk is de samenhang van het EU-beleid te waarborgen ten aanzien van situaties van bezetting of annexatie van grondgebied; herinnert eraan dat het internationaal humanitair recht het EU-beleid in al dat soort situaties moet leiden, ook in gevallen van voortdurende bezetting;

54.  roept alle regeringen op internationale waarnemers, met inbegrip van de SVEU, de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de VN en speciale procedures van de VN, ongehinderd toegang te verlenen tot al hun grondgebieden; benadrukt dat het noodzakelijk is dat belangrijke internationale hulporganisaties en internationale waarnemers ongehinderd toegang hebben tot de gebieden die lijden onder aanhoudende conflicten en militaire agressie;

55.  roept de lidstaten op zich strikt te houden aan de bepalingen van artikel 7 van het Wapenhandelsverdrag van de Verenigde Naties inzake de beoordeling van de uitvoer van wapens, en de bepalingen van de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer, door elke transfer van wapens en bewakingsapparatuur te weigeren die het risico zou inhouden dat de invoerende statelijke of niet-statelijke actoren schendingen van de mensenrechten of het internationaal humanitair recht begaan of faciliteren, onder meer in het kader van de Europese Vredesfaciliteit;

56.  verzoekt de EU-lidstaten binnen de Europese Vredesfaciliteit een mensenrechtenpijler op te zetten, onder meer voor de empowerment en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, ook door middel van programma’s met financiële middelen die specifiek worden toegewezen voor de ondersteuning van mensenrechtenverdedigers, aangezien die aan de vredesopbouw bijdragen; verzoekt de lidstaten te overwegen om in de toekomstige Europese vredesfaciliteit verplichte waarborgen en effectbeoordelingen met betrekking tot mensenrechten op te nemen, met inbegrip van verplichte naleving van een robuust beleidskader voor due diligence met betrekking tot mensenrechten bij defensie- en veiligheidsaangelegenheden, gebaseerd op het beleid van de VN op dit gebied;

57.  bevestigt zijn onwrikbare steun voor het ICC en roept de staten die partij zijn bij het Statuut van Rome op het ICC van voldoende financiële middelen te voorzien om de taken binnen zijn mandaat te kunnen vervullen; verzoekt het ICC zijn werkzaamheden onpartijdig en onafhankelijk te blijven uitvoeren; verzoekt de EU en haar lidstaten alle VN-leden aan te moedigen het Statuut van Rome te ratificeren en uit te voeren; verzoekt de partijen die het Statuut van Rome hebben ondertekend, samen te werken met het ICC; acht de aanvallen op het ICC uiterst betreurenswaardig en veroordeelt ten slotte de individuele sancties die aan het personeel van het ICC zijn opgelegd, met name de onaanvaardbare sancties tegen de hoofdaanklager; verzoekt de staten die partij zijn concrete maatregelen te nemen om te streven naar het opheffen van deze sancties en diegenen die door deze sancties zijn getroffen te ondersteunen; benadrukt dat het ICC de enige internationale instelling is die in staat is een aantal van de meest gruwelijke misdaden ter wereld te vervolgen en slachtoffers te verdedigen voor wie geen ander rechtsmiddel beschikbaar is; erkent het werk van het evaluatiecomité van onafhankelijke deskundigen dat is belast met het detecteren van gebieden die moeten worden hervormd en verzoekt het ICC alle nodige maatregelen te nemen om zijn resultaten, doelmatigheid en positieve impact – met name op de gemeenschappen en slachtoffers waarvoor zijn werkzaamheden consequenties hebben – te verbeteren; verzoekt de EU en de lidstaten de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het ICC te blijven beschermen tegen aanvallen die tot doel hebben de werking van de internationale strafrechtspleging te belemmeren; roept de Commissie en de EDEO op met nieuwe manieren en instrumenten te komen om bij te dragen aan de bestrijding van internationale misdaden, slachtoffers van schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht toegang te helpen krijgen tot internationale rechtspraak en bij te staan bij verhaal- en schadeloosstellingsprocedures, onder meer door de capaciteit van de lidstaten en niet-EU-landen op te bouwen voor de toepassing van het beginsel van universele rechtsmacht in hun nationale rechtsstelsels;

58.  roept de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) opnieuw op een speciale vertegenwoordiger van de EU voor internationaal humanitair recht en internationale justitie te benoemen, die wordt belast met het bevorderen en uitdragen van de steun die de EU biedt aan de bestrijding van straffeloosheid;

59.  verzoekt de-lidstaten en het EU-genocidenetwerk om het VN-onderzoeksteam te ondersteunen bij de verzameling, bewaring en opslag van bewijsmateriaal voor misdrijven die momenteel worden of onlangs zijn gepleegd zodat het niet verloren gaat;

60.  geeft aan dat rechtvaardigheid moet worden gewaarborgd voor alle slachtoffers van schendingen van internationale mensenrechten en het humanitaire recht, en roept in het licht van alle aanhoudende gewapende conflicten op tot een onmiddellijk staakt-het-vuren; benadrukt dat de internationale gemeenschap een eind moet maken aan de straffeloosheid en de grove schendingen die in verschillende landen hebben plaatsgevonden;

61.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het gebruik van seksueel en gendergerelateerd geweld als oorlogswapen; benadrukt dat seksuele misdrijven en gendergerelateerd geweld volgens het Statuut van Rome worden beschouwd als oorlogsmisdrijven, misdaden tegen de menselijkheid of onderdelen van genocide of foltering; roept op tot gezamenlijk optreden om een einde te maken aan het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen; is ingenomen met Resolutie 2467 van de VN-Veiligheidsraad over conflictgerelateerd seksueel geweld en alle daarmee verband houdende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, te beginnen met Resolutie 1325 over vrouwen, vrede en veiligheid, waarin wordt bevestigd dat de VN-Veiligheidsraad vastbesloten is het gebruik van seksueel geweld als terroristische en oorlogstactiek te voorkomen door gebruik te maken van alle beschikbare middelen, waaronder sancties en andere gerichte maatregelen tegen daders; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat alle noodzakelijke veilige medische en psychologische bijstand en diensten, met inbegrip van veilige abortus, worden geleverd aan vrouwelijke slachtoffers van verkrachting tijdens oorlogen overeenkomstig het internationaal humanitair recht; verzoekt de EU straffeloosheid bij schendingen van seksuele en reproductieve rechten in conflictsituaties tegen te gaan en ondersteunt de rechten van vrouwen en meisjes op de waarheid, doeltreffende rechtsmiddelen en schadevergoeding met betrekking tot schendingen van deze rechten; is voorts verheugd over de oprichting op 30 oktober 2019 door de VN van een Wereldfonds voor overlevenden van conflictgerelateerd seksueel geweld, om de toegang van slachtoffers tot schadeloosstelling te vergemakkelijken;

62.  herinnert aan de evaluatieverslagen van de VN over handhavings- en bijstandsinspanningen ter bestrijding en voorkoming van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik door VN- en aanverwant personeel bij vredeshandhavingsoperaties; onderstreept dat het noodzakelijk is dat de VN, de EU-lidstaten en de organen van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU onverwijld en met de grootste vastberadenheid een onderzoek instellen naar alle personeelsleden van de VN, de EU en nationale instanties die zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel geweld en hen vervolgen en veroordelen; wijst op de noodzaak om de relevante structuren dusdanig te hervormen dat personeelsleden van de VN en de EU niet langer hun straf kunnen ontlopen en er functionerende en transparante mechanismen voor toezicht en verantwoording worden ingesteld; vindt het onacceptabel dat het momenteel louter een vrijwillige keuze is om gerechtelijke stappen te ondernemen naar aanleiding van vermeende gevallen van misbruik en dat het een keuze is die afhangt van het troepenleverende land; is ervan overtuigd dat dergelijke zware misdrijven ook voorkomen kunnen worden door middel van opleiding en onderwijs; wijst op de dringende noodzaak om dergelijke misdrijven in de toekomst te voorkomen, onder meer om het vertrouwen van de lokale bevolking in internationale vredeshandhaving terug te winnen;

63.  wijst erop dat er een verband bestaat tussen mensenrechtenschendingen en wijdverbreide straffeloosheid en een gebrek aan verantwoordingsplicht in gebieden en landen die getroffen zijn door conflicten of waar politieke intimidatie, discriminatie, misbruik en mishandeling, ontvoeringen, politiegeweld, willekeurige arrestaties, foltering en moord aan de orde van de dag zijn; roept de EU op om acties te ondersteunen om straffeloosheid te bestrijden en verantwoordingsplicht te bevorderen in landen waar de cultuur van straffeloosheid de hoofdverantwoordelijken beloont en de slachtoffers machteloos maakt;

64.  betreurt dat het noodzakelijk is om het lidmaatschap van Sacharovprijswinnaar Aung San Suu Kyi van de Sacharovprijsgemeenschap op te schorten, maar is tevreden over die beslissing aangezien zij geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de aanhoudende misdaden tegen de Rohingya-gemeenschap in Myanmar en deze aanvallen heeft gedoogd;

65.  is bezorgd dat buitengerechtelijke executies, marteling en andere mensenrechtenschendingen onder het mom van de oorlog tegen drugs plaatsvinden; wijst er eens temeer op dat de bestrijding van misdaad geen mensenrechtenschendingen rechtvaardigt en pleit voor verzameling van beste praktijken met het oog op een aanpak gericht op minimalisering van schade op basis van de rechtsstaat;

66.  prijst het werk en de bijdrage aan de strijd tegen straffeloosheid van Agnès Callamard, de speciaal rapporteur van de VN voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies, die onderzoek heeft gedaan naar vermoedelijke gevallen van buitengerechtelijke moorden in 2019, bijvoorbeeld naar de moord op journalist Jamal Khashoggi, en daarbij het slachtoffer werd van intimidatie en bedreigingen;

67.  is voorstander van hervormingen van de rechterlijke macht om de onpartijdigheid en onafhankelijkheid ervan te waarborgen, ook voor wat betreft de behandeling van zaken met betrekking tot de werving en benoeming van rechters, corruptie en het genderevenwicht binnen de rechterlijke macht;

68.  roept op tot de vaststelling en toepassing van een autonoom, soepel en reactief mondiaal EU-sanctiemechanisme voor mensenrechten– ook wel EU-Magnitski-wet genoemd – als een essentieel onderdeel van het bestaande instrumentarium voor mensenrechten en buitenlands beleid van de EU, dat de rol van de EU als mondiale mensenrechtenactor zou versterken, waardoor gerichte sancties kunnen worden opgelegd aan personen, statelijke en niet-statelijke actoren en andere entiteiten die verantwoordelijk zijn voor of medeplichtig zijn aan ernstige schendingen van de mensenrechten, met inbegrip van systematische corruptie die verband houdt met ernstige mensenrechtenschendingen; is ingenomen met het feit dat in steeds meer landen mondiale sanctiemechanismen voor mensenrechten worden aangenomen; benadrukt hoe belangrijk het is dat dit systeem wordt onderworpen aan het EU-mechanisme van rechterlijke toetsing; onderstreept dat het noodzakelijk is voldoende middelen toe te wijzen om de doeltreffende tenuitvoerlegging mogelijk te maken; dringt aan op de oprichting van een adviescomité op EU-niveau waaraan het Parlement deelneemt; benadrukt dat een dergelijk mechanisme zal bijdragen aan de bestrijding van mensenrechtenschendingen en straffeloosheid en de bescherming van mensenrechtenactivisten en -verdedigers wereldwijd, en bevestigt nogmaals hoe belangrijk het is dat de Europese Unie op efficiëntie wijze opvolging geeft aan sancties wegens mensenrechtenschendingen hetgeen betekent dat ze stemming met gekwalificeerde meerderheid toepast; is ingenomen met de vaststelling van een besluit van de Raad inzake gerichte beperkende maatregelen als afschrikking tegen en in reactie op cyberaanvallen die een externe bedreiging voor de EU en haar lidstaten vormen;

69.  is van mening dat de wereldwijde uitbraak van COVID-19 niet mag worden gebruikt als voorwendsel om sanctieregelingen te omzeilen; beklemtoont echter dat sancties niet mogen verhinderen dat humanitaire hulp, waaronder medische bijstand, wordt geboden overeenkomstig het internationaal humanitair recht;

Mensenrechtenverdedigers

70.  veroordeelt de moorden, willekeurige detentie, foltering, vervolging, pesterijen, intimidatie, afpersing, het digitaal en fysiek toezicht en de lastercampagnes ten aanzien van mensenrechtenverdedigers, hun gezin, hun advocaten en al hun medestanders en sympathisanten; merkt met grote bezorgdheid op dat in 2019 een nog altijd toenemend aantal mensenrechtenverdedigers op het gebied van land en milieu is vermoord of gewelddadig is aangevallen, omdat zij de natuurlijke hulpbronnen en het recht van individuen om in een veilige en gezonde omgeving te leven, wilden beschermen; merkt op dat deze aanvallen in sommige delen van de wereld een gevaarlijk niveau hebben bereikt; benadrukt in dit kader de bijzondere kwetsbaarheid van mensenrechtenverdedigers en het belang van toereikende bescherming zodat zij hun vitale werkzaamheden kunnen uitvoeren zonder te worden geïntimideerd en vervolgd; wijst op de rol die levensbeschouwelijke organisaties kunnen spelen in de respons op humanitaire crises, in de bevordering van vrede, rechtvaardigheid, eerbied voor de mensenrechten en geweldloosheid, en door op te treden als bemiddelaar tijdens onderhandelingen om conflicten op te lossen;

71.  maakt zich in het bijzonder zorgen over het toenemende aantal vonnissen dat wordt uitgesproken zonder enige waarborging van minimumnormen voor een eerlijke rechtsgang zoals vereist op grond van het internationaal recht; verzoekt de EU om samenwerking en diplomatie te blijven inzetten om ervoor te zorgen dat het recht van elke persoon op een eerlijk proces volledig wordt geëerbiedigd;

72.  verzoekt alle aanvallen tegen mensenrechtenverdedigers een halt toe te roepen, alle personen die willekeurig gearresteerd zijn vrij te laten en de verantwoordelijken ter verantwoording te roepen; verzoekt de EU en haar lidstaten een strategische visie op hoog niveau uit te werken om het wereldwijd toenemende aantal aanvallen op mensenrechtenverdedigers tegen te gaan, onder meer door vaststelling van krachtige conclusies in de Raad Buitenlandse Zaken waarbij de ministers van Buitenlandse Zaken dienen aan te dringen op ambitieus wereldwijd optreden van de EU om mensenrechtenverdedigers te verdedigen; roept de EU-instellingen op hun steun voor mensenrechtenverdedigers op te voeren als een essentieel en integraal onderdeel van het externe mensenrechtenbeleid van de Unie; benadrukt dat politieke dialoog en contacten met de autoriteiten van derde landen, waarneming van processen, bijeenkomsten met mensenrechtenverdedigers tijdens landenbezoeken, bezoeken aan gedetineerde mensenrechtenverdedigers, steun voor herplaatsing en openbare verklaringen essentiële elementen zijn voor de tenuitvoerlegging van dit beleid; verzoekt de EU en haar lidstaten hun inspanningen op te voeren door op een meer verenigde manier op te treden en deze instrumenten op coherente en uniforme wijze te gebruiken, ongeacht het land in kwestie, wanneer de rechten van mensenrechtenverdedigers zijn geschonden; verzoekt de EU en haar lidstaten in deze geest jaarlijkse conclusies van de Raad over mensenrechtenverdedigers uit te brengen, met een inventarisatie van hun maatregelen met betrekking tot mensenrechtenverdedigers en strategische toezeggingen op het hoogste niveau inzake mensenrechtenverdedigers; wijst erop dat het Parlement en zijn Subcommissie mensenrechten in 2019 voortdurend actie hebben ondernomen om de situatie van mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van laureaten van en genomineerden voor de Sacharovprijs, te ondersteunen en onder de aandacht te brengen, met name wanneer mensenrechtenverdedigers in gevaar zijn of met schendingen van hun rechten worden geconfronteerd;

73.  verzoekt de EU te garanderen dat verdedigers van vrouwenrechten die worden geconfronteerd met genderspecifiek geweld toegang krijgen tot beschermingsmechanismen en hulpmiddelen, hen politiek te steunen, meer financiële middelen toe te wijzen aan onafhankelijke maatschappelijke organisaties die de rechten van vrouwen en meisjes bevorderen en als bijlage bij de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers een instrumentarium goed te keuren om beter tegemoet te komen aan de behoeften van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers overal ter wereld;

74.  roept de EU en haar lidstaten op het ambitieniveau te verhogen om de vrijlating te garanderen van gedetineerde mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van emblematische zaken van gedetineerde mensenrechtenverdedigers die kenmerkend zijn voor de manier waarop repressieve regeringen wereldwijd de wet consequent gebruiken in hun pogingen om mensenrechtenverdedigers te belasteren en ze het zwijgen op te leggen; benadrukt dat het hierbij onder meer gaat om Sacharovprijswinnaars en -finalisten;

75.  dringt er bij de EU-delegaties en vertegenwoordigingen van de lidstaten op aan gebruik te blijven maken van publieke diplomatie en initiatieven om aandacht te vragen voor individuele zaken van mensenrechtenverdedigers en, in voorkomend geval, de uitgifte van noodvisums te faciliteren en tijdelijke opvang te bieden in de EU-lidstaten;

76.  roept de EU en haar lidstaten op om de toegang tot EU-visums voor de hervestiging op korte termijn van mensenrechtenverdedigers te verbeteren, met name door de opname in het EU-visumhandboek van instructies inzake het bieden van faciliteiten aan mensenrechtenverdedigers en hun gezinsleden, en om toe te werken naar wijzigingen in juridische instrumenten inzake visums, met name de Visumcode;

77.  juicht toe dat het EU-mechanisme voor mensenrechtenverdedigers, ProtectDefenders.eu, in november 2019 met nog eens drie jaar is verlengd; herinnert aan het belang van dit mechanisme met betrekking tot de toenemende behoeften en diversiteit van de problemen waarmee mensenrechtenverdedigers worden geconfronteerd; dringt aan op de versterking van dit mechanisme en de voortdurende herbeoordeling ervan in overeenstemming met de behoeften;

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

78.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de gendergelijkheidsstrategie zowel binnen als buiten de EU coherent uit te voeren en doeltreffende en concrete maatregelen te nemen om de achteruitgang op het gebied van vrouwenrechten, gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te kenteren;

79.  herinnert eraan dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en toereikende seksuele voorlichting mensenrechten zijn; roept de EU en de lidstaten op de onvervreemdbare rechten van vrouwen op lichamelijke integriteit, waardigheid en autonome besluitvorming opnieuw te onderstrepen, de universaliteit en ondeelbaarheid van alle mensenrechten in elke context te waarborgen en met name de rechten te verdedigen en te bevorderen die het meest worden bedreigd, zoals seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

80.  is ingenomen met de conclusies van het voorzitterschap van de Raad, ondersteund door 24 lidstaten, over het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in de externe betrekkingen voor 2021-2025 (GAP III) met krachtige toezeggingen en maatregelen inzake seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; dringt in dit verband aan op versterking van de EU-steun voor derde landen, met name uitbreidings- en buurlanden, die nieuw beleid en wetswijzigingen doorvoeren, teneinde de nationale rechtskaders af te stemmen op de internationale en SDG-verplichtingen inzake vrouwenrechten en gendergelijkheid, de preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes, de bescherming van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers, de bevordering van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen, het verstrekken van wetenschappelijke, alomvattende en toereikende seksuele voorlichting aan jongeren, het in staat stellen van meisjes en jonge vrouwen om op een veilige manier de overgang naar volwassenheid te maken en het voorkomen en beëindigen van seksueel en gendergerelateerd geweld, genitale verminking van vrouwen en andere schadelijke praktijken, met inbegrip van vroegtijdige en gedwongen huwelijken;

81.  roept de EU en de lidstaten voorts op in al hun externe optredens, waaronder in multilaterale en bilaterale fora, de gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te bevorderen, met bijzondere aandacht voor gemarginaliseerde groepen, zoals LGBTI-personen, en gezondheidszorg voor iedereen te bewerkstelligen door middel van gekoppelde interventies op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en hiv;

82.  pleit ervoor om verder te gaan dan alleen het bestrijden van de onderliggende oorzaken van structurele ongelijkheden door gelijke kansen te garanderen en de inspraak van vrouwen te stimuleren;

83.  wijst op de noodzaak om een sociale en economische omgeving en voorwaarden te creëren die ouders in staat stellen hun professionele ontwikkeling voort te zetten;

84.  verzoekt de lidstaten een gemeenschappelijke aanpak vast te stellen en samen te werken met internationale instellingen om nieuwe, vergelijkbare en uitgesplitste gegevens te verkrijgen en eveneens gerichte beleids- en wetgevende interventies te ontwikkelen om mensenrechtenschendingen tegen te gaan, en roept de Commissie op toezeggingen en benchmarks voor de uitbanning van genitale verminking bij vrouwen op te nemen in haar onderhandelingen en overeenkomsten inzake samenwerking met de betrokken landen;

85.  herinnert eraan dat de Overeenkomst van Istanbul, als het eerste universeel bindende verdrag ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes en huiselijk geweld, het referentiekader vormt voor internationale normen die moeten worden geratificeerd en ingevoerd; herinnert eraan dat de toetreding van de EU tot de Overeenkomst van Istanbul in de EU-strategie inzake gendergelijkheid 2020-2025 als belangrijke prioriteit is aangemerkt; roept de EU en al haar lidstaten op die dat nog niet hebben gedaan om het Verdrag van Istanbul zo spoedig mogelijk te ratificeren en uit te voeren; roept de EU op om met andere landen te werken aan een vergroting van hun inspanningen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten, gegevensverzameling, financiering en programmering, en om seksueel en gendergerelateerd geweld wereldwijd beter te voorkomen en te bestrijden;

86.  beklemtoont dat migranten- en vluchtelingenvrouwen en -meisjes die bescherming behoeven, moeten worden beschouwd als houders van rechten;

87.  prijst de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van het Spotlight-initiatief van de EU en de VN; roept de Commissie op te zorgen dat projecten die worden gesponsord door het initiatief, bijdragen aan het aanpakken van de achterliggende oorzaken van schendingen van vrouwenrechten, onder andere de bestendiging van schadelijke gendergerelateerde stereotypen;

Rechten van het kind

88.  herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om hun samenwerking en dialoog met derde landen te intensiveren, met de rechten en bescherming van kinderen als prioriteit, teneinde ervoor te zorgen dat de rechten van het kind overal ter wereld worden geëerbiedigd en dat geen enkel kind achterblijft; dringt er in dit verband bij de EU en haar lidstaten op aan samen te werken met partnerlanden en meer financiële middelen toe te zeggen, met name in het kader van officiële ontwikkelingshulp, teneinde mondiale uitdagingen op het gebied van gezondheid en onderwijs voor kinderen, met inbegrip van het recht op onderwijs in de moedertaal, de uitbanning van kinderarbeid, de bestrijding van geweld, seksueel misbruik en huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, mensenhandel en uitbuiting, en rekrutering en inzetting in gewapende conflicten, waarvan miljoenen kinderen het slachtoffer zijn, aan te pakken; herinnert eraan dat het in het belang van kinderen is om te worden beschermd en opgevangen in een veilige omgeving waar zij kunnen opgroeien met de steun en bescherming die zij nodig hebben en waar in hun primaire behoeften wordt voorzien; benadrukt dat onderwijs een wezenlijk instrument is in de strijd tegen discriminatie en geweld tegen kinderen; verzoekt om maatregelen om de toegang van kinderen tot onderwijs te bevorderen;

89.  is ingenomen met de aandacht die is gegeven aan de EU-maatregelen ter bescherming en bevordering van de rechten van het kind ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van het VRK, en herhaalt zijn oproep aan de Commissie om na te gaan hoe de EU als orgaan kan toetreden tot het VRK;

Rechten van personen met een handicap

90.  is ingenomen met de ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het facultatieve protocol daarbij in 2019; benadrukt hoe belangrijk het is dat ten volle rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap; roept de EU op de bestrijding van discriminatie van mensen met een handicap op te nemen in haar externe optreden en in haar beleid op het gebied van ontwikkelingshulp, evenals de strijd voor gelijke toegang tot de arbeidsmarkt en voor toegang tot onderwijs en opleiding, en oplossingen te bevorderen die het voor personen met een handicap makkelijker maken om aan de samenleving deel te nemen; wijst nogmaals op het belang van een doeltreffende tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, door zowel de EU-lidstaten als haar instellingen, met name wat betreft de verplichtingen van de EU inzake humanitaire hulp en internationale samenwerking op alle relevante beleidsterreinen van de EU; wijst op het belang van non-discriminatie en op de noodzaak van het op geloofwaardige wijze integreren van het beginsel van universele toegankelijkheid, alsook van het waarborgen van de rechten van personen met een handicap;

Rechten van lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender- en interseksuele personen

91.  veroordeelt de stigmatisering, willekeurige detentie, foltering, vervolging van en moorden op LGBTI-personen en de oproepen tot geweld tegen hen; acht het betreurenswaardig dat er steeds meer divergentie is tussen de landen waar de rechten van LGBTI-personen steeds beter worden beschermd, met name door homoseksualiteit niet meer strafbaar te stellen, en de landen die deze rechten ondermijnen en vrij spel geven aan vervolging, discriminatie en stigmatisering van LGBTI-personen; meent dat praktijken en geweld tegen individuen op basis van hun werkelijke of waargenomen seksuele geaardheid, genderidentiteit, genderexpressie of geslachtskenmerken niet ongestraft mogen blijven en moeten worden uitgeroeid;

92.  verzoekt de EU een voortrekkersrol te spelen bij de verdediging van de mensenrechten van LGBTI-personen en bij de bestrijding van discriminatie en stigmatisering van LGBTI-personen, zogeheten conversietherapie, genitale verminking en gedwongen sterilisatie van transgenders; verzoekt de EU alle diplomatieke instrumenten waarover zij beschikt in te zetten om te pleiten voor het niet langer strafbaar stellen van consensuele seksuele relaties tussen partners van hetzelfde geslacht, en het goede voorbeeld te geven bij de bestrijding van geweld en discriminatie op grond van seksuele geaardheid, genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken door middel van een doeltreffende uitvoering van de nieuwe strategie voor gelijkheid van LGBTI+-personen, zowel binnen de EU als daarbuiten; verzoekt de EU en de lidstaten de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van alle mensenrechten van LGBTI-personen in haar buitenlandse beleid grondig en consequent toe te passen;

93.  benadrukt dat de COVID-19 pandemie de LGBTI-gemeenschappen hard getroffen heeft door de sterke toename van huiselijk geweld tegen LGBTI-personen – die werden gedwongen in lockdown te gaan of terug te keren naar discriminerende gezinnen en huishoudens – een stijging van de werkloosheid en dakloosheid, een gebrekkige toegang tot levensreddende medische behandelingen zoals hiv-diensten en aan transitie verwante medische zorg, en toegenomen stigmatisering; dringt erop aan LGBTI-personen op te nemen in COVID-19-hulpprogramma’s;

Inheemse bevolkingsgroepen

94.  is ernstig bezorgd over het lijden en de kwetsbaarheid van inheemse gemeenschappen en personen, onder meer als gevolg van de klimaatverandering en de COVID-19-pandemie, het verlies van hun land en bestaansmiddelen veroorzaakt door bedrijfsactiviteiten en daarmee samenhangende schade; betreurt het feit dat inheemse volkeren wereldwijd nog steeds te maken hebben met wijdverbreide en systematische discriminatie en vervolging, met inbegrip van gedwongen ontheemding, willekeurige arrestaties en moorden op verdedigers van mensenrechten en van land; beveelt de EU en haar lidstaten aan om in relevante en nieuwe kaders voor passende zorgvuldigheid verwijzingen op te nemen naar inheemse volkeren en de rechten krachtens de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volken, en ervoor te zorgen dat multinationale bedrijven ter verantwoording worden geroepen in geval van niet-nakoming van hun verplichtingen;

95.  roept de EU, de lidstaten en hun partners in de internationale gemeenschap er nogmaals toe op alle nodige maatregelen te nemen voor de erkenning, bescherming en bevordering van de rechten van inheemse volkeren, ook op hun taal, hun land, grondgebied en hulpbronnen; is ingenomen met het werk dat het maatschappelijk middenveld en de ngo’s op deze gebieden verrichten; herhaalt dat een klachtenmechanisme moet worden gecreëerd zodat klacht kan worden ingediend wanneer de rechten van inheemse volkeren worden geschonden of misbruikt als gevolg van de activiteiten van multinationale bedrijven; wijst op zijn besluit om in het Parlement een vaste rapporteur te benoemen voor inheemse volkeren, met als doel toezicht te houden op de mensenrechtensituatie van inheemse volkeren; roept landen op om de bepalingen van IAO-verdrag nr. 169 van 27 juni 1989 betreffende inheemse en in stamverband levende volken te ratificeren;

96.  verzoekt regeringen met klem om te streven naar een ontwikkelings- en milieubeleid dat de economische, sociale en culturele rechten eerbiedigt en rekening houdt met inheemse volkeren en de lokale bevolking, overeenkomstig de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling;

Racisme, discriminatie, xenofobie en daarmee verband houdende onverdraagzaamheid

97.  juicht toe dat de Raad in 2019 de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake non-discriminatie in het extern optreden heeft aangenomen; vraagt de EU en haar lidstaten alle beschikbare instrumenten te benutten om te waarborgen dat de verantwoordelijken voor schendingen van rechten vanuit discriminatie op grond van ras, kaste (werk en afkomst), godsdienst of etnische of nationale afkomst, ter verantwoording worden geroepen;

98.  neemt met grote bezorgdheid kennis van de schaal en de gevolgen van hiërarchische kastenstelsels, discriminatie op grond van kaste, en de aanhoudende mensenrechtenschendingen op grond van kaste, met inbegrip van de ontzegging van toegang tot het gerechtelijk apparaat of werkgelegenheid, aanhoudende segregatie, armoede en stigmatisering, en hinderpalen voor de uitoefening van fundamentele mensenrechten en de bevordering van menselijke ontwikkeling op grond van kaste; roept nogmaals op tot de ontwikkeling van EU-beleid inzake discriminatie op grond van kaste; herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om hun inspanningen en steuninitiatieven op het niveau van de VN en in EU-delegaties en -missies in derde landen te intensiveren om discriminatie op grond van kaste uit te bannen;

99.  herinnert eraan hoe belangrijk het is inclusieve initiatieven en initiatieven voor de bestrijding van racisme actief te ondersteunen, met name met het oog op het stijgende aantal xenofobische en racistische aanvallen wereldwijd, in het kader van de steeds grotere roep om sociale rechtvaardigheid, die als inspiratie heeft gediend voor een golf van wereldwijde protesten;

100.  wijst nogmaals op de cruciale rol die onderwijs speelt bij het uit de wereld helpen van vooroordelen en stereotypen en bij de bevordering van tolerantie, wederzijds begrip en diversiteit, en benadrukt dat onderwijs een belangrijk instrument is om een einde te maken aan structurele discriminatie en structureel racisme in onze samenlevingen; verzoekt de lidstaten op alle terreinen beleid ter bestrijding van discriminatie te bevorderen; beschouwt racismebestrijding als een horizontale kwestie waarmee op alle EU-beleidsgebieden rekening moet worden gehouden;

101.  verzoekt alle EU-delegaties en hun respectieve contactpunten voor mensenrechten hun plicht na te komen om de stand van zaken met betrekking tot non-discriminatie te beoordelen en te analyseren en hierover verslag uit te brengen in hun EU-landenstrategieën met betrekking tot mensenrechten en democratie in het hoofdstuk over non-discriminatie en uitsluiting, en in de relevante onderdelen over de specifieke gronden van discriminatie en/of gediscrimineerde groepen; benadrukt dat de updates van de stand van zaken met betrekking tot non-discriminatie in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen van de landenstrategieën met betrekking tot mensenrechten en democratie en verslagen van missiehoofden van cruciaal belang zijn voor de voorbereiding van de mensenrechtendialogen en als input hiervoor, en dat in de richtsnoeren ook wordt aangegeven dat de EU een actieve deelname van het maatschappelijk middenveld in multilaterale forums en mechanismen met betrekking tot discriminatie op grond van kaste (werk en afkomst) moet aanmoedigen en bevorderen;

Nationale, etnische en linguïstische minderheden

102.  betreurt het feit dat veel landen ondanks hun internationale verplichtingen en toezeggingen om minderheden te beschermen, een beleid nastreven dat is gebaseerd op de gedwongen assimilatie van nationale, etnische en linguïstische minderheden zonder inachtneming van hun grondrechten en mensenrechten;

103.  verzoekt de regeringen van EU-partnerlanden de fundamentele mensenrechten van nationale, etnische en linguïstische minderheden, met inbegrip van hun cultuur, taal, godsdienst, tradities en geschiedenis, te eerbiedigen teneinde hun cultuur en diversiteit in stand te houden; herhaalt dat de verplichtingen en toezeggingen in het kader van internationale verdragen en overeenkomsten, zoals de aanbevelingen van de Raad van Europa, moeten worden nagekomen;

Vrijheid van denken, geweten, godsdienst of overtuiging

104.  is ontzet over het grote aantal moorden en aanvallen en de vele gevallen van vervolging, discriminatie, intimidatie en aanzetten tot vijandigheid die hebben plaatsgevonden, alsook over de hoge mate van beperkingen op rechten sinds 2019 ten aanzien van personen en groepen die vanwege hun godsdienst, overtuiging, atheïsme of agnosticisme het doelwit waren; bevestigt zijn steun voor slachtoffers van geweld op basis van godsdienst of overtuiging en zijn vastberadenheid om dergelijk geweld uit te bannen; onderstreept de noodzaak om speciale aandacht te schenken aan de situatie van vervolgde religieuze groeperingen wereldwijd, die te maken krijgen met discriminatie, bedreigingen, blasfemiewetten, anti-conversiewetten, de sloop van hun plaatsen voor de eredienst, geweld, onderwerping, verkrachting, gedwongen verdwijningen, executies en genocide; onderstreept de noodzaak om bijzondere aandacht te schenken aan onder meer de situatie van de vervolgde christenen wereldwijd, die de overgrote meerderheid vormen van de religieuze groeperingen die te maken hebben met discriminatie, geweld en dood;

105.  toont zich voorts bezorgd over het misbruik en de manipulatie van godsdienst om andere mensenrechten te ondermijnen, waaronder seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en de rechten van LGBTI-personen; betreurt het feit dat sommige landen reeds strafrechtelijke bepalingen hebben, toepassen of willen invoeren op grond waarvan straffen worden opgelegd voor godslastering, bekering of geloofsafval; benadrukt dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging het recht om niet te geloven en om theïstische, niet-theïstische, agnostische of atheïstische standpunten te huldigen en het recht op geloofsafval omvat;

106.  verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging toe te passen; roept de Raad en de Commissie nogmaals op een transparante en alomvattende beoordeling uit te voeren van de doeltreffendheid en de toegevoegde waarde van de functie van de speciaal gezant voordat het proces van de verlenging van dit mandaat en deze functie door de Commissie wordt opgestart; dringt erop aan na de beoordeling voldoende middelen voor de werkzaamheden van deze functie uit te trekken om de doeltreffendheid van de EU op dit gebied te vergroten; betreurt de vertraging bij de uitvoering van deze beoordeling; verzoekt de Commissie transparantie te waarborgen omtrent de benoeming, het mandaat, de activiteiten en rapportageverplichtingen van de volgende speciaal gezant en te garanderen dat deze persoon zich inspant voor de universaliteit, ondeelbaarheid en onderlinge afhankelijkheid van alle mensenrechten en voor de Europese waarden; herinnert de Commissie eraan dat het noodzakelijk is het institutionele mandaat, de bevoegdheden en taken van de speciaal gezant naar behoren te ondersteunen;

107.  is ingenomen met de wereldwijde uitwisseling over godsdienst in de samenleving, waarvoor de VV/HV op 6 september 2019 in Brussel het startschot gaf; beveelt echter aan evenveel aandacht te besteden aan intrareligieuze en interreligieuze relaties; dringt in dit verband aan op de ontwikkeling van EU-steun voor intrareligieuze dialoog op lokaal niveau, met als doel extremisme en haatzaaiende uitlatingen te bestrijden; dringt er voorts op aan dat de doelstellingen inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging worden geïntegreerd in een bredere waaier aan EU-activiteiten op het gebied van de mensenrechten;

108.  geeft wederom aan grote waarde te hechten aan academische vrijheid en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan hun diplomatieke inspanningen met betrekking tot bedreigingen van of aanvallen op de academische vrijheid door statelijke en niet-statelijke actoren, in het bijzonder gewelddadige aanvallen op instellingen en leden van de hogeronderwijsgemeenschap, evenals discriminerend beleid of discriminerende praktijken, onterechte beperking of beïnvloeding van onderzoek of uitingen, en onrechtmatige vervolging of arrestaties, te intensiveren door middel van bilaterale en multilaterale contacten; verzoekt de EDEO en de Commissie de bestaande ondersteunings- en beschermingsmechanismen voor mensenrechtenverdedigers te herzien teneinde de capaciteit te ontwikkelen om bij aanvallen op de academische vrijheid te bepalen welke bijstand, met inbegrip van bescherming en ondersteuning in noodsituaties, nodig is en deze te verschaffen; verzoekt de Commissie de steun op hoog niveau aan het Europees Interuniversitair Centrum voor mensenrechten en democratisering en de bijbehorende Global Campus als vlaggenschip van de steun van de EU voor mensenrechteneducatie overal ter wereld te waarborgen;

Vrijheid van meningsuiting, mediavrijheid en recht op informatie

109.  veroordeelt het doden, ontvoeren, opsluiten, intimideren en aanvallen (ook fysiek en langs gerechtelijke weg) van journalisten, bloggers en klokkenluiders, alsook de controle op het internet en de media of de afsluiting ervan; herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media essentiële fundamenten van een democratische samenleving zijn; onderkent het belang van het recht op informatie in moderne samenlevingen, ook in de moedertaal voor alle etnische groepen, en de rol die alle vormen van communicatie spelen in de ontwikkeling van een cultuur van pluralisme; wijst erop dat de media het beginsel van non-discriminatie moeten eerbiedigen;

110.  veroordeelt dat bepaalde regimes en autoriteiten trachten de vrijheid van meningsuiting of de persvrijheid af te schaffen of te beperken, hetgeen zij op onrechtmatige wijze rechtvaardigen als zijnde noodzakelijk om de veiligheid of de volksgezondheid te verhogen, of terrorisme, laster, belediging of godslastering te bestrijden; wijst op de nieuwe golf van censuur als dekmantel, door sommige regeringen, in de strijd tegen nepnieuws tijdens de COVID-19-pandemie;

111.  veroordeelt de aanvallen van desinformatie en propaganda die tot doel hebben de waarden waar de EU voor staat te delegitimeren en die minderheden als doelwit kiezen; maakt zich ernstig zorgen over de toename van haatzaaiende uitlatingen en aanzetting tot geweld in online- en offlinecommunicatie, aangezien deze een direct gevaar vormt voor de rechtsstaat en de waarden die zijn verankerd in de mensenrechten; merkt op dat de toegenomen sociale en politieke polarisatie, die wordt versterkt door socialemedia-algoritmen die gebruikmaken van mentale verleiding, een voedingsbron vormt voor radicalisme, het kritisch denkvermogen volledig belemmert, dialoog onmogelijk maakt en de weg vrijmaakt voor extremisme;

112.  beveelt aan de best mogelijke waarborgen tegen de verspreiding van haatzaaiende uitspraken, desinformatiecampagnes en vijandige propaganda worden ingebouwd door op internationaal en EU-niveau een rechtskader te ontwikkelen voor de bestrijding van hybride dreigingen, waaronder cyber- en informatieoorlogvoering; blijft initiatieven steunen die helpen om nepnieuws en propagandistische desinformatie te onderscheiden van informatie die voortkomt uit echt en onafhankelijk journalistiek werk;

113.  onderstreept dat er gevallen zijn van mediaconcentratie in de handen van personen en waarin sprake is van een gebrek aan transparantie omtrent het eigendom van media, hetgeen het pluralisme – dat essentieel is voor toegang tot onbevooroordeelde informatie – beperkt;

114.  veroordeelt met klem onterechte gerechtelijke procedures tegen journalisten waarmee wordt beoogd hun faillissement uit te lokken (SLAPP-rechtszaken) en hen het zwijgen op te leggen, met name in zaken van corruptie; benadrukt dat er platforms moeten worden opgezet die vroegtijdig waarschuwen wanneer journalisten gevaar lopen, evenals platforms die hun werk beschermen teneinde andere journalisten in staat te stellen lopende onderzoeken voort te zetten zonder bang te hoeven zijn voor de juridische gevolgen;

115.  herinnert eraan dat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting of de persvrijheid een legitiem doel moeten dienen, in overeenstemming met de internationale verplichtingen als bepaald in artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

116.  roept de EU op zich optimaal in te spannen om de vrijheid van meningsuiting, mediavrijheid en de personen die voor deze vrijheden strijden te beschermen; roept de EU en de lidstaten op om alle vormen van fysieke of rechterlijke intimidatie van journalisten in een poging hun het zwijgen op te leggen, te veroordelen; dringt er bij de SVEU op aan bijzondere aandacht te schenken aan de bescherming van de vrijheid, onafhankelijkheid en pluriformiteit van de media wereldwijd; benadrukt dat het belangrijk is om de daadwerkelijke en systematische uitvoering van de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline te verzekeren en de effecten ervan regelmatig te monitoren;

117.  wijst op het voortdurend veranderende medialandschap en het toenemende gebruik van sociale netwerken overal ter wereld; benadrukt de uitdagingen en risico’s die deze ontwikkeling met zich meebrengt voor, onder andere, schendingen van de vrijheid van offline en online meningsuiting, censuur, gegevensbescherming, haatzaaiende uitlatingen en de intimidatie en veiligheid van journalisten en klokkenluiders; verzoekt de Commissie het beleid en de werkwijze van socialemediabedrijven te monitoren, met name hun instrumenten voor zelfregulering, die gevolgen hebben voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting wereldwijd, en vraagt de Commissie ook om waar passend met voorstellen voor beleids- of wetswijzigingen te komen;

Doodstraf, foltering en andere vormen van mishandeling

118.  veroordeelt het gebruik van foltering, onmenselijke en onterende behandeling en de doodstraf, die in vele landen in de hele wereld nog altijd worden toegepast; roept landen die dit nog niet hebben gedaan op om onmiddellijk een moratorium op de uitvoering van de doodstraf in te stellen als een eerste stap naar de afschaffing daarvan; juicht toe dat er in 2019 minder politieke steun was voor het behoud van de doodstraf in bepaalde landen die deze nog niet hebben afgeschaft; betreurt echter de besluiten van sommige nationale gerechtelijke autoriteiten die hebben geleid tot een toename van het aantal executies in vergelijking met vorige jaren; vraagt de EU systematisch het gebruik van de doodstraf te blijven veroordelen, en mondiale communicatiecampagnes tegen de doodstraf te voeren; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om in alle internationale fora voor afschaffing te pleiten, teneinde zo veel mogelijk steun voor dit standpunt te verzamelen;

119.  bevestigt zijn vastberadenheid om foltering overal ter wereld te verbieden, door slachtoffers bij te staan en folteraars ter verantwoording te roepen; is ingenomen met de bijwerking van de richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; dringt er bij alle lidstaten en andere landen die dit nog niet hebben gedaan op aan het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffıng, dat in 2019 35 jaar bestond, te ratificeren; erkent het belang van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers in de strijd tegen foltering en andere vormen van mishandeling;

Strijd tegen moderne slavernij en mensenhandel

120.  roept op tot een krachtiger internationaal antwoord om moderne slavernij en mensenhandel en de bijbehorende netwerken aan te pakken, door nieuwe zorgvuldigheidsverplichtingen in te voeren voor bedrijven om dergelijke situaties te detecteren, beoordelen, een halt toe te roepen, te voorkomen en te mitigeren, en met de autoriteiten samen te werken om verbeteringen door te voeren in het strafbeleid tegen mensenhandelaars en personen die moderne slavernij in stand houden of er voordeel uit halen; wijst erop dat deze onaanvaardbare arbeidsomstandigheden de menselijke waardigheid en de fundamentele mensenrechten aantasten; dringt er bij de staten die dit nog niet hebben gedaan op aan de IAO-verdragen te ratificeren die relevant zijn voor de bestrijding van moderne slavernij, mensenhandel en kinderarbeid;

Economische, sociale en culturele rechten

121.  roept de EU op haar inspanningen voor de bevordering en bescherming van economische, sociale en culturele rechten via het buitenlands beleid en het externe optreden van de EU te versterken, in het bijzonder door effectief gebruik te maken van de mensenrechtenclausules in internationale overeenkomsten, met inbegrip van bepalingen inzake arbeid, en door te investeren in cultuur en onderwijs als vectoren van duurzame verandering; is ingenomen met de goedkeuring van het IAO-Verdrag inzake geweld en intimidatie, dat nieuwe en bindende internationale arbeidsnormen omvat die essentieel zijn om deze bedreigingen uit te bannen en de slachtoffers te beschermen; beklemtoont de nood aan specifieke bescherming voor werkende moeders tijdens en na hun zwangerschap, onder meer in verband met gezondheidszorg voor zwangere vrouwen, moederschapsverlof en -uitkeringen, bescherming tegen ontslag, non-discriminatie, en borstvoeding;

122.  veroordeelt de aanhoudende wereldwijde schendingen van de rechten van werknemers en vakbonden en betreurt dat deze schendingen met name betrekking hebben op de vrijheid van vereniging, het recht om collectief te onderhandelen, het recht op informatie, raadpleging en deelname en om collectieve actie te ondernemen, evenals het recht op eerlijke beloning, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en een gezonde en veilige werkplek;

123.  herinnert eraan dat de toegang tot cultuur en onderwijs een grondrecht is; merkt op dat culturele diplomatie belangrijk is om de waarden van vrede en eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen; roept de EU op in haar externe optreden cultuur, onderwijs en de verwante rechten te integreren in haar mensenrechtenbeleid;

Bedrijfsleven en mensenrechten

124.  is ingenomen met de pogingen van een aantal Europese bedrijven om hun beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen toe te passen teneinde de mensenrechten te eerbiedigen en om het beleid en de wetgeving toe te passen die in verschillende lidstaten zijn ingevoerd om zorgvuldigheid aan te moedigen of te vereisen; verzoekt in de EU gebaseerde ondernemingen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen door de ethische regels en normen die deel uitmaken van de eengemaakte EU-markt steeds meer na te leven;

125.  dringt aan op de invoering van een bindend EU-instrument voor zorgvuldigheidseisen op het gebied van mensenrechten en milieu, dat bedrijven verplicht actief deel te nemen aan de identificatie, beoordeling, mitigatie, preventie en kennisgeving van de mogelijk schadelijke impact van hun bedrijven en toeleveringsketens op de mensenrechten, en dat geldt voor bedrijfsorganen, bedrijfsleiders en leidinggevenden in geval van een inbreuk, en dat slachtoffers toegang geeft tot de rechter en tot rechtsmiddelen; is ingenomen met de aankondiging dat het voorstel van de Commissie een aansprakelijkheidsregeling zal inhouden; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is om voor de ernstigste schendingen andere vormen van aansprakelijkheid op te nemen, waaronder strafrechtelijke aansprakelijkheid;

126.  beveelt aan een wettelijke zorgplicht op te nemen als specifiek onderdeel van dit instrument om te voorkomen dat bedrijven in hun overzeese toeleveringsketens gebruikmaken van moderne slavernij en kinderarbeid; beveelt aan in het zorgvuldigheidsinstrument een transparantievereiste op te nemen om het gemakkelijker te maken voor slachtoffers om schadevergoeding te eisen; roept op om een doeltreffend mechanisme om personen die een schadevergoeding eisen te beschermen tegen vergelding, met inbegrip van wetgeving om “SLAPP”-rechtszaken te ontmoedigen; wijst op de diverse mensenrechtenschendingen die kunnen plaatsvinden in het kader van de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen;

127.  benadrukt hoe belangrijk het is dat alle landen de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten volledig ten uitvoer leggen en verzoekt de lidstaten die nog geen nationaal actieplan inzake bedrijfsleven en mensenrechten hebben vastgesteld, dit zo snel mogelijk alsnog te doen; moedigt de EU en haar lidstaten aan om constructief tot de werkzaamheden van de intergouvernementele werkgroep van de VN inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten bij te dragen;

128.  wijst op de noodzaak om een internationaal bindend instrument in het leven te roepen aan de hand waarvan de activiteiten van multinationale, transnationale en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten kunnen worden gereguleerd;

Nieuwe technologieën en de mensenrechten

129.  is bezorgd over het gebruik van een reeks op gegevens gebaseerde en door nieuwe technologieën gestuurde instrumenten in antwoord op de COVID-19-pandemie; onderstreept de vaak lastig waarneembare risico’s die deze met zich meebrengen, in de zin van een beperking van fundamentele vrijheden, machtsmisbruik en een grotere kwetsbaarheid voor cyberaanvallen wanneer er geen doeltreffende technische en wettelijke waarborgen voorhanden zijn; uit zijn bezorgdheid over het aanhoudende gebruik van technologie om de vrijheid van meningsuiting te monitoren en te beperken en als intimidatiemiddel; dringt er bij de EU op aan om, als voortrekker op het gebied van de vaststelling van standaarden inzake privacy en gegevensbescherming, nieuwe normen en beste praktijken vast te stellen, voor gebruik binnen de EU maar ook als oplossingen om wereldwijd te implementeren, teneinde potentieel schadelijke gevolgen van nieuwe op gegevens gebaseerde instrumenten te voorkomen;

130.  toont zich, onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 februari 2014 over het gebruik van gewapende drones(8), nog steeds bezorgd over het gebruik van gewapende drones buiten het internationale juridische kader; verzoekt de EU nogmaals onverwijld een juridisch bindend kader te ontwikkelen voor de inzet van gewapende drones, om ervoor te zorgen dat de lidstaten, overeenkomstig hun wettelijke verplichtingen, zich niet bezondigen aan onwettig doelgericht doden of het derde landen gemakkelijk maken dit te doen; verzoekt de Commissie verder om het Parlement naar behoren op de hoogte te houden van het gebruik van EU-middelen voor alle onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten in verband met de bouw van drones; verzoekt om beoordelingen van het effect op de mensenrechten van verdere ontwikkelingsprojecten van drones; herinnert aan zijn resolutie van 12 september 2018 over autonome wapensystemen(9); dringt er bij de VV/HV en de lidstaten op aan de ontwikkeling, de productie en het gebruik te verbieden van volledig autonome wapens waarbij de mens geen noemenswaardige controle uitoefent op de kritieke functies voor het selecteren en aanvallen van doelwitten; dringt aan op het starten van internationale onderhandelingen over een juridisch bindend instrument dat dodelijke autonome wapens zonder betekenisvolle menselijke controle verbiedt; dringt er bij de VV/HV en de lidstaten op aan een gemeenschappelijk standpunt voor internationale onderhandelingen op dit gebied vast te stellen;

Migranten en vluchtelingen

131.  dringt er bij de regeringen op aan om in hun reacties de mensenrechten en de menselijke waardigheid te eerbiedigen en oplossingen te zoeken om de kwetsbaarheid en behoefte aan bescherming van migranten en vluchtelingen aan te pakken, in lijn met de beginselen van solidariteit en partnerschap, waarbij de adequate en toegankelijke legale routes voor migratie worden verduidelijkt; verzoekt de EU en de lidstaten de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken waardoor personen en gezinnen hun thuisland verlaten omdat zij daar niet in een waardige en veilige omgeving kunnen leven;

132.  dringt aan op de noodzaak om de misdaadorganisaties en misdadigers die in mensen handelen te bestrijden; betreurt de desolate situatie van vluchtelingen in vluchtelingenkampen, hun gebrek aan vooruitzichten, de lange wachttijden voor de verwerking van asielaanvragen en de problematische toegang tot rudimentaire medische zorg en – in het geval van kinderen – onderwijs; dringt met klem aan dat naar mogelijkheden voor opvang anders dan in detentiecentra voor migranten en vluchtelingen wordt gezocht en veroordeelt in dit kader elke inhumane of onterende behandeling van migranten; benadrukt het belang van de eerbiediging van de mensenrechten bij de uitvoering van verplichte medische screenings, en onderstreept dat alle asielzoekers en migranten gegarandeerde toegang moeten krijgen tot essentiële diensten, onder meer alomvattende gezondheidszorg; benadrukt het belang van de handhaving van het recht op asiel wereldwijd;

133.  verzoekt de bevoegde autoriteiten van de EU-lidstaten mensen die een vluchtelingenstatus aanvragen welwillend en zorgvuldig te behandelen, in overeenstemming met de beginselen van de rechtsstaat, en gezinshereniging te bevorderen om een einde te maken aan situaties waarin vluchtelingen gescheiden zijn van hun naaste verwanten, met name kinderen;

Ondersteuning van de democratie

134.  verzoekt de EU om meer steun voor democratisch maatschappelijk activisme, dat sinds 2019 is toegenomen in het kader van de opkomst van populisme, nationalisme en autoritaire regimes; verzoekt de Commissie en de Raad de EU-programma’s ter ondersteuning van democratie wereldwijd te versterken door prodemocratische “bottom up”-processen aan te moedigen en institutionele veerkracht te ontwikkelen; benadrukt in dit verband de democratieondersteunende activiteiten van het Parlement, waaronder verkiezingsmonitoring, bemiddeling, opleidings- en mentorschapsprogramma’s, die aangepast moeten worden aan de evoluerende situatie in de partnerlanden en waarbij rekening moet worden gehouden met de culturele en nationale kenmerken van de betrokken derde landen teneinde de dialoog en het partnerschap met die landen te versterken; schaart zich achter de oproep in de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 inzake democratie en in het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie 2020-2024 om een flexibelere, innovatieve, op de lange termijn gerichte en conflictgevoelige benadering te stimuleren voor de bevordering van democratie; is ingenomen met de werkzaamheden van onafhankelijke organisaties die zich baseren op de kernwaarden van de Europese Unie en de democratische transitie in de wereld bevorderen, en geeft in dit kader aan deze werkzaamheden aan te moedigen en te steunen;

135.  verbindt zich ertoe om een grotere transparantie van democratische processen te bevorderen, met name van de financiering van politieke en thematische campagnes van verschillende niet-statelijke actoren;

o
o   o

136.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 75e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en de hoofden van de EU-delegaties.

(1) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 82.
(2) PB C 118 van 8.4.2020, blz. 15.
(3) PB C 411 van 27.11.2020, blz. 30.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0007.
(5) World Migration Report 2020 – Internationale Organisatie voor Migratie (https://publications.iom.int/system/files/pdf/wmr_2020.pdf).
(6) Volgens door het UNHCR gepubliceerde gegevens (https://www.unhcr.org/refugee-statistics/download/?url=fd4J).
(7) Statistieken over asiel – Eurostat (https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Asylum_statistics/nl).
(8) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 110.
(9) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 86.

Laatst bijgewerkt op: 22 april 2021Juridische mededeling - Privacybeleid