Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2110(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0051/2021

Ingediende teksten :

A9-0051/2021

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/03/2021 - 2
CRE 25/03/2021 - 2

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0092

Aangenomen teksten
PDF 133kWORD 47k
Donderdag 25 maart 2021 - Brussel
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh
P9_TA(2021)0092A9-0051/2021

Besluit van het Europees Parlement van 25 maart 2021 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh (2020/2110(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean‑François Jalkh d.d. 16 juni 2020, ingediend door de procureur-generaal bij de Cour d’appel de Paris in verband met een gerechtelijk onderzoek in het kader van een bij de onderzoeksrechters aanhangige zaak ter zake van de vermeende strafbare feiten misbruik van vertrouwen, georganiseerde fraude, valsheid in geschrifte en het gebruik van valse documenten, zwartwerk door het verhullen van arbeid in loondienst, verduistering van overheidsmiddelen en het willens en wetens verborgen houden van verduisterde overheidsmiddelen, en van de ontvangst waarvan op 8 juli 2020 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Thierry Mariani, die Jean-François Jalkh verving, te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019(1),

–  gezien artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9‑0051/2021),

Α.  overwegende dat de onderzoeksrechters hebben verzocht om opheffing van de parlementaire immuniteit van Jean-François Jalkh om hem te kunnen horen in verband met vermeende strafbare feiten;

Β.  overwegende dat het verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Jean-François Jalkh verband hield met de strafbare feiten misbruik van vertrouwen, valsheid in geschrifte en het gebruik van vervalste documenten, georganiseerde fraude, zwartwerk door het verhullen van arbeid in loondienst, verduistering van overheidsmiddelen en het willens en wetens verborgen houden van verduisterde overheidsmiddelen, als omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 314-1, 314-10, 321-2, 321-3, 321-4, 321-9, 321-10, 441-l, 441-10, 441-11, 313-1, 313-2, 313-3, 313-7, 313-8, 313-9, 432-15 en 432-17 van het Franse wetboek van strafrecht en de artikelen L8221-1, L8221-5, L8224-1, L8224-3, L8224-4 en L8224-5 van het Franse arbeidswetboek;

C.  overwegende dat er op 5 december 2016 een gerechtelijk onderzoek werd geopend na een vooronderzoek dat werd ingesteld naar aanleiding van een verklaring van de toenmalige voorzitter van het Europees Parlement van 9 maart 2015 over een aantal parlementaire medewerkers van leden van het Europees Parlement die lid waren van Front National;

D.  overwegende dat het in februari 2015 gepubliceerde organigram van Front National slechts 15 EP-leden (van in totaal 23), 21 plaatselijke parlementaire medewerkers en 5 geaccrediteerde parlementaire medewerkers (van in totaal 54 medewerkers) vermeldde; overwegende dat een aantal parlementaire medewerkers had verklaard dat hun standplaats het hoofdkantoor van Front National in Nanterre was, waarbij sommigen hadden aangegeven dat zij daar voltijds in dienst waren, terwijl zij tussen de 120 en 945 km van de als standplaats opgegeven plaats woonden; overwegende dat in dit stadium van het onderzoek bleek dat acht parlementaire medewerkers vrijwel geen parlementaire assistentie hadden verleend of dat het verlenen van parlementaire assistentie slechts een zeer klein onderdeel vormde van hun totale takenpakket;

E.  overwegende dat uit de onderzoeken ook andere omstandigheden bleken die erop wezen dat het zeer onwaarschijnlijk was dat de betreffende parlementaire medewerkers daadwerkelijk taken verrichtten voor het Europees Parlement, met name de volgende omstandigheden:

   personen hadden een contract gekregen als parlementair medewerker van het Europees Parlement tussen twee contracten met Front National in,
   er waren personen die een contract hadden als parlementair medewerker van het Europees Parlement en in dezelfde periode een contract hadden met Front National,
   er waren arbeidscontracten met Front National afgesloten voor tijdvakken die direct aansloten op tijdvakken waarvoor contracten als parlementair medewerker van het EP waren afgesloten;

F.  overwegende dat uit het onderzoek bleek dat Jean-François Jalkh in de periode juli 2009 tot en met april 2014 voltijds aangesteld was als plaatselijk parlementair medewerker van EP-lid Jean-Marie Le Pen en in die periode een brutomaandsalaris ontving van 3 011,14 EUR; overwegende dat hij in dezelfde periode - na elkaar dan wel tegelijkertijd - diverse leidinggevende functies bekleedde binnen Front National, en van twee verschillende ondernemingen loon ontving voor de financiële controle van campagne-uitgaven; overwegende dat de secretaris-generaal van het Europees Parlement op 29 januari 2016 besloot om van Jean-Marie Le Pen 320 026,23 EUR terug te vorderen, het bedrag dat hij van het Parlement had ontvangen als vergoeding voor het contract met Jean-François Jalkh; overwegende dat de diverse beroepen die tegen dit besluit werden ingesteld, werden verworpen, meer bepaald bij het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 maart 2018(2) en bij beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 november 2018(3);

G.  overwegende dat uit het onderzoek tevens is gebleken dat Jean-François Jalkh in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement in de periode 1 juli 2014 t/m 4 januari 2016, met uitzondering van de periode van 24 augustus 2015 t/m 14 december 2015, een plaatselijke parlementair medewerker in dienst had, die een voltijds aanstelling had en een brutomaandsalaris ontving van 2 950 EUR; overwegende dat er geen e-mails of andere bewijzen zijn gevonden waaruit blijkt dat zij als parlementair medewerker werkzaamheden heeft verricht; overwegende dat de betreffende parlementair medewerker in het organigram van Front National van februari 2015 vermeld stond als medewerker van Jean-François Jalkh, ondervoorzitter belast met juridische zaken; overwegende dat er e-mails van deze medewerker zijn gevonden, verzonden in de periode waarin campagne werd gevoerd voor de regionale verkiezingen (2015) en de gemeentelijke verkiezingen (2014) in Frankrijk, die door haar waren ondertekend met “medewerker van Jean-François Jalkh - ondersteuning verkiezingen”; overwegende dat er bovendien e-mails zijn gevonden uit de periode juni 2015 t/m 21 december 2015 waaruit bleek dat zij in die periode werkte voor de verkiezingscampagne van Wallerand de Saint-Just, lijsttrekker van Front National bij de regionale verkiezingen in Île-de-France, terwijl haar contract als parlementair medewerker in verband daarmee slechts was opgeschort van 24 augustus t/m 14 december 2015; overwegende dat zij op 11 december 2019 werd aangeklaagd op verdenking van het willens en wetens verborgen houden van verduisterde overheidsmiddelen;

H.  overwegende dat de onderzoeksrechters het nodig achten Jean-François Jalkh te horen;

I.  overwegende dat Jean-François Jalkh, nadat hij door de onderzoeksrechters was gedagvaard om op 18 december 2018 te verschijnen en had doorgegeven daarvoor beschikbaar te zijn, niet is verschenen, dit nadat zijn raadsman vier dagen voor de overeengekomen datum van verschijning een verzoek om uitstel had ingediend en daarbij had aangegeven dat Jean-François Jalkh gebruik wenste te maken van zijn zwijgrecht; overwegende dat Jean-François Jalkh, ondanks het feit dat zijn raadsman op 19 februari 2019 een brief had verzonden met daarin de mededeling dat Jean-François Jalkh vrijwillig wenste te worden gehoord, na een dagvaarding van de onderzoeksrechters op 25 juni 2019 wederom niet is verschenen, zonder hiervoor de redenen te vermelden; overwegende dat hij op 15 november 2019 nogmaals heeft geweigerd om voor de onderzoeksrechters te verschijnen, ondanks dat hij daartoe was opgeroepen, en zich daarbij beriep op zijn parlementaire immuniteit;

J.  overwegende dat de bevoegde autoriteit een verzoek tot opheffing van de immuniteit van Jean-François Jalkh heeft ingediend om hem in verband met de aanklacht tegen hem te kunnen verhoren;

K.  overwegende dat het Parlement niet als een rechtbank kan worden beschouwd en dat het lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden beschouwd(4);

L.  overwegende dat ingevolge artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

M.  overwegende dat volgens de tweede alinea van artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek een lid van de volksvertegenwoordiging niet zonder toestemming van het bureau van de wetgevende kamer waarvan het deel uitmaakt, ter zake van een misdrijf of een overtreding kan worden aangehouden of aan andere vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen kan worden onderworpen; die toestemming is niet vereist in geval van betrapping op heterdaad of bij een veroordeling in kracht van gewijsde;

N.  overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

O.  overwegende dat niet is gebleken dat er sprake is van fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement te schaden;

1.  besluit de immuniteit van Jean‑François Jalkh op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Franse autoriteiten en aan Jean‑François Jalkh.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.
(2) Arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 7 maart 2018, Jean-Marie Le Pen/Europees Parlement, Zaak T-140/16, ECLI:EU:T:2018:122.
(3) Beschikking van het Hof (Vierde kamer) van 28 november 2018, Jean-Marie Le Pen/Europees Parlement, Zaak C-303/18 P, ECLI:EU:C:2018:962.
(4) Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, Zaak T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.

Laatst bijgewerkt op: 12 juli 2021Juridische mededeling - Privacybeleid