Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2074(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0034/2021

Ingediende teksten :

A9-0034/2021

Debatten :

PV 24/03/2021 - 30
CRE 24/03/2021 - 30

Stemmingen :

PV 25/03/2021 - 17
CRE 25/03/2021 - 17

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0097

Aangenomen teksten
PDF 165kWORD 61k
Donderdag 25 maart 2021 - Brussel
Cohesiebeleid en regionale milieustrategieën in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering
P9_TA(2021)0097A9-0034/2021

Resolutie van het Europees Parlement van 25 maart 2021 over het cohesiebeleid en regionale milieustrategieën in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering (2020/2074(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 3 en 21, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 4, 11, 173 tot en met 178, 191 en 194, en Protocol nr. 28 bij de Verdragen betreffende economische, sociale en territoriale samenhang,

–  gezien de overeenkomst die op 12 december 2015 in Parijs is gesloten tijdens de 21e Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) (“Overeenkomst van Parijs”), en met name de artikelen 7, lid 2, en 1, lid 2, waarin de lokale, subnationale en regionale dimensies van de klimaatverandering en van klimaatactie worden erkend,

–  gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, en met name de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over klimaatverandering – een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs(1),

–  gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal(3),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(4),

–  gezien de conclusies van de Europees Raad van 11 december 2020 over klimaatverandering,

–  gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van de aarde met 1,5 °C, het vijfde evaluatierapport (AR5) van de werkgroep en het bijbehorende samenvattend verslag, het speciaal verslag van de IPCC over de klimaatverandering en de bodem en het speciaal verslag van de IPCC over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat,

–  gezien de Indicator Assessment van het Europees Milieuagentschap, getiteld “Economic losses from climate-related extremes in Europe”, gepubliceerd op 20 december 2020,

–  gezien het Algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020, getiteld “Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet”, het voorstel van de Commissie voor het Algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030 en haar visie tot 2050,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit,

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15)(5),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 4 maart 2020 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1999 (Europese klimaatwet) (COM(2020)0080),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 januari 2020 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (COM(2020)0022) en haar gewijzigde voorstel van 28 mei 2020 (COM(2020)0460),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 28 mei 2020 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de leenfaciliteit voor de overheidssector in het kader van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie (COM(2020)0453),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 28 mei 2020 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft uitzonderlijke extra middelen en uitvoeringsregelingen in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (REACT-EU) (COM(2020)0451),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(8),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking”(9),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(10),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 29 mei 2020 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het InvestEU-programma (COM(2020)0403),

–  gezien Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088(11),

–  gezien de studie van het Europees Parlement van 2021 getiteld “Cohesiebeleid en klimaatverandering”,

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2018 over cohesiebeleid en de circulaire economie(12),

–  gezien artikel 349 VWEU zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn Mayotte-arrest van 15 december 2015 (gevoegde zaken C-132/14 tot en met C-136/14) waarin wordt voorzien in de mogelijkheid specifieke afwijkende maatregelen te treffen voor de ultraperifere gebieden van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 over de EU-gendergelijkheidsstrategie voor 2020-2025 (COM(2020)0152),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A9-0034/2021),

A.  overwegende dat de klimaatverandering een uitdaging is die grenzen overschrijdt en onmiddellijke en ambitieuze maatregelen op mondiaal en Europees niveau alsmede op nationaal, regionaal en lokaal niveau vereist om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau en biodiversiteitsverlies op grote schaal te voorkomen; overwegende dat dringende maatregelen noodzakelijk zijn om de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot hooguit 2 ºC boven het pre-industriële niveau, aangezien elk verlies van biodiversiteit een grote impact zal hebben, onder meer op de kwaliteit van de landbouwproductie;

B.  overwegende dat een stijging met 1,5 °C het maximum is dat de planeet kan verdragen; overwegende dat, mocht de temperatuur na 2030 verder stijgen, de mensheid te maken zal krijgen met nog meer droogtes, overstromingen, extreme hitte en armoede voor honderden miljoenen mensen en met de waarschijnlijke verdwijning van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen en, in het ergste geval, het hele voortbestaan van de mensheid op lange termijn in gevaar komt, zoals aangegeven in het interinstitutioneel verslag van de EU getiteld “Challenges and Choices for Europe” (Uitdagingen en keuzes voor Europa);

C.  overwegende dat volgens het Europees Milieuagentschap klimaatgerelateerde extreme omstandigheden tussen 1980 en 2019 in de lidstaten van de EER economische verliezen hebben veroorzaakt ter waarde van naar schatting 446 miljard EUR; overwegende dat dit 11,1 miljard EUR per jaar is en dat de cumulatieve verliezen met correctie voor de inflatie goed zijn voor bijna 3 % van het bbp van de geanalyseerde landen;

D.  overwegende dat uit recente studies blijkt dat het aardopwarmingsvermogen (Global Warming Potential, GWP) van fossiel aardgas (methaan – CH4) aanzienlijk hoger is dan eerder werd aangenomen;

E.  overwegende dat de opwarming van de aarde tijdens de huidige programmeringsperiode kan oplopen tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, zodat onmiddellijke actie vereist is om de klimaatcrisis aan te pakken, in overeenstemming met het EU-beleid ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, de Europese Green Deal, de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en de Overeenkomst van Parijs van de VN;

F.  overwegende dat de transitie naar een klimaatneutrale economie uiterlijk in 2050 zowel een grote kans als een uitdaging vormt voor de Unie en haar lidstaten, regio’s, steden, lokale gemeenschappen, bevolking, werknemers, bedrijven en sectoren; overwegende dat er niettemin een evenwicht moet worden gevonden tussen de ambitieuze klimaatdoelstellingen en het behoud van het concurrentievermogen van de economie, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de 1,5 °C-doelstelling;

G.  overwegende dat voor het realiseren van deze doelstelling een algehele transformatie van de Europese maatschappij en economie vereist is, aangezien sommige sectoren een onomkeerbare vermindering van de productie zullen ondervinden in combinatie met banenverlies in economische activiteiten die gebaseerd zijn op de productie en het gebruik van fossiele brandstoffen, terwijl andere sectoren erin zullen slagen technologische alternatieven te vinden;

H.  overwegende dat duurzaamheid moet worden beschouwd als een evenwichtige aanpak die duurzame groei, sociale vooruitgang en het milieu samenbrengt;

I.  overwegende dat in het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020(13) de algemene doelstelling is bepaald dat ten minste 30 % van het totale bedrag van de uitgaven uit de begroting van de Unie en het herstelinstrument voor de Europese Unie wordt besteed aan het ondersteunen van de klimaatdoelstellingen, en dat daarin een nieuw jaarlijks biodiversiteitsstreefcijfer is vastgesteld van 7,5 % vanaf 2024, met het oog op het realiseren van 10 % in 2026 en 2027;

J.  overwegende dat eilanden, met name kleine eilanden, en de ultraperifere gebieden de EU-gebieden zijn die het meest blootgesteld zijn aan en het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering en dat zij tijdens de transitie worden geconfronteerd met specifieke en bijkomende uitdagingen en kosten; overwegende dat de klimaatverandering en de vele gevolgen daarvan zich in de Europese regio’s laten gevoelen op verschillende manieren, in verschillende mate en op verschillende momenten en dat het beheer van de transitie zal leiden tot aanzienlijke structurele veranderingen; overwegende dat burgers en arbeiders daarom op verschillende manieren zullen worden getroffen en dat niet alle landen zullen worden getroffen op dezelfde manier of adequaat zullen kunnen reageren; overwegende dat het bij de opstelling van een langetermijnvisie voor het platteland in Europa essentieel is te benadrukken dat de plattelandsgebieden moeten worden versterkt en aantrekkelijk moeten worden gemaakt als plaats om te wonen en te werken;

K.  overwegende dat eilanden, afgelegen en perifere regio’s een enorm potentieel hebben voor de productie van hernieuwbare energie en strategische laboratoria zijn voor de uitvoering van innovatieve beleidsmaatregelen en technische oplossingen waarmee de energietransitie kan worden gerealiseerd, CO2-emissies kunnen worden verminderd en de omschakeling naar een circulaire economie kan worden gestimuleerd;

L.  overwegende dat het cohesiebeleid niet alleen investeringsmogelijkheden biedt om te reageren op lokale en regionale behoeften via de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen), maar ook voorziet in een geïntegreerd beleidskader om ontwikkelingsverschillen tussen de Europese regio’s te verkleinen en hen te helpen de vele uitdagingen voor hun ontwikkeling aan te pakken, onder meer door middel van milieubescherming, hoogwaardige banen en eerlijke, inclusieve en duurzame ontwikkeling;

M.  overwegende dat de economische, sociale en territoriale ongelijkheden die het cohesiebeleid in de eerste plaats beoogt aan te pakken, ook beïnvloed kunnen worden door de klimaatverandering en de langetermijngevolgen daarvan, en dat de beleidsmaatregelen van de EU op het gebied van klimaat ook de doelstellingen van het EU-cohesiebeleid moeten ondersteunen;

N.  overwegende dat het cohesiebeleid van essentieel belang is voor het ondersteunen van minder ontwikkelde regio’s of gebieden die te kampen hebben met natuurlijke en geografische nadelen, en die vaak als eerste de gevolgen van de klimaatverandering ondervinden, maar over minder middelen beschikken om haar aan te pakken;

O.  overwegende dat het cohesiebeleid een cruciaal instrument is voor de verwezenlijking van een eerlijke transitie naar een klimaatneutrale economie die niemand aan zijn lot overlaat; overwegende dat vrouwen en mannen verschillende gevolgen kunnen ondervinden van het groene beleid waarmee de klimaatverandering wordt aangepakt; overwegende dat ook moet worden gekeken naar de gevolgen voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen;

P.  overwegende dat de lokale en regionale overheden, maar ook andere relevante belanghebbenden, belangrijke actoren zijn voor het uitvoeren van het cohesiebeleid en het bieden van een doeltreffend antwoord op de urgente dreiging van de klimaatverandering; overwegende dat zij verantwoordelijk zijn voor een derde van de overheidsuitgaven en twee derde van de overheidsinvesteringen en dat het daarom van cruciaal belang is om mechanismen op te zetten zoals het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie, met als doel lokale en regionale overheden die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU bij elkaar te brengen;

Q.  overwegende dat de klimaatcrisis nauw samenhangt met andere crises, zoals de biodiversiteitscrisis en de gezondheids-, sociale en economische crisis in verband met de COVID-19-pandemie; overwegende dat deze weliswaar parallel moeten worden aangepakt, maar dat elk van hen een verschillende en adequate benadering vereist;

R.  overwegende dat het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) sinds de oprichting ervan in 2002 bij meer dan 90 rampzalige gebeurtenissen is ingezet en meer dan 5,5 miljard EUR ter beschikking heeft gesteld in 23 lidstaten en één toetredingsland; overwegende dat in het kader van de EU-respons op de COVID-19-uitbraak het toepassingsgebied van het SFEU is uitgebreid tot ernstige noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid en dat het maximumniveau van de voorschotten is verhoogd;

S.  overwegende dat bij de overgang naar een klimaatneutrale, duurzame en circulaire economie alle actoren van de samenleving moeten worden betrokken, met name de particuliere sector, de sociale partners en de burgers, naast de gekozen vertegenwoordigers, met inbegrip van de lokale en regionale overheden, en dat deze overgang moet worden ondersteund door degelijke, inclusieve sociale maatregelen om te zorgen voor een eerlijke en rechtvaardige transitie die bedrijven en het behoud en de creatie van banen ondersteunt, met name groene en blauwe kwaliteitsbanen;

T.  overwegende dat de lidstaten nationale energie- en klimaatplannen hebben goedgekeurd en dat de regio’s dienovereenkomstig regionale plannen moeten indienen om emissiemitigatie en -adaptatie te realiseren, teneinde een traject te bepalen naar klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050;

U.  overwegende dat de transitie naar een klimaatneutrale economie uiterlijk in 2050 kan worden gerealiseerd door een combinatie van overheidsfinanciering op EU- en nationaal niveau en het creëren van de juiste voorwaarden voor particuliere financiering;

V.  overwegende dat energiebronnen op basis van fossiele brandstoffen, met name name vaste fossiele brandstoffen, de inspanningen om klimaatneutraliteit te realiseren, ondermijnen, en dat de Europese Unie daarom moet zorgen voor een coherent regelgevingskader om het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, zoals zonne- en biomassa-energie in plaats van fossiele brandstoffen, verder te bevorderen; overwegende dat in dat opzicht het cohesiebeleid het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel moet waarborgen, dat de energievraag en -voorziening doeltreffender beoogt te maken en in alle energiegerelateerde investeringen in het kader van het cohesiebeleid moet worden toegepast en geëerbiedigd; overwegende dat voor veel lidstaten het tijdelijke gebruik van energiebronnen op basis van aardgas tot 31 december 2025 van essentieel belang kan zijn voor het realiseren van een eerlijke energietransitie die niet schadelijk is voor de samenleving en die niemand aan zijn lot overlaat; overwegende dat regionale milieustrategieën gekoppeld moeten worden aan ambitieuze klimaatdoelstellingen die verder kunnen gaan dan de algemene doelstelling om uiterlijk in 2050 een klimaatneutrale EU tot stand te brengen, en dat zij uiterlijk op 31 december 2025 fossiele brandstoffen, met inbegrip van gasinfrastructuurprojecten, moeten uitfaseren, de vervanging ervan door duurzaam geproduceerde hernieuwbare energie, materialen en producten moeten ondersteunen, en hulpbronnenefficiëntie en duurzame ontwikkeling in het algemeen moeten bevorderen, overeenkomstig de EFRO-Cohesiefonds-verordening(14);

W.  overwegende dat regionale milieustrategieën het doel moeten dienen van volledige en stabiele werkgelegenheid in combinatie met maatschappelijke vooruitgang en non-discriminatie, om beter de gevolgen van de klimaatverandering aan te pakken en het verlies aan biodiversiteit te bestrijden;

X.  overwegende dat afvalbeheerplannen de beginselen van de circulaire economie moeten volgen en deel moeten uitmaken van de regionale milieustrategieplannen;

Y.  overwegende dat een meerlagig Europees governancemodel op basis van een actief en constructief partnerschap tussen de diverse bestuursniveaus en belanghebbenden, essentieel is voor de transitie naar klimaatneutraliteit; overwegende dat gemeenschaps- en burgerinitiatieven de ecologische transitie en de bestrijding van de klimaatverandering in hoge mate kunnen steunen;

Z.  overwegende dat de macroregionale strategieën van de EU kunnen helpen om belangrijke sectoren en gebieden van samenwerking te identificeren tussen verschillende regio’s die geconfronteerd worden met dezelfde uitdagingen zoals de klimaatverandering, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, biodiversiteit, vervoer, afvalbeheer, grensoverschrijdende projecten en duurzaam toerisme;

1.  onderstreept het feit dat het belangrijk is de klimaatverandering aan te pakken overeenkomstig de toezeggingen die de Unie in het kader van de Europese Green Deal heeft gedaan om de Overeenkomst van Parijs en de SDG’s uit te voeren, met volledige inachtneming van de taxonomieverordening van de EU en rekening houdend met de sociale, economische en territoriale aspecten, teneinde een eerlijke transitie te waarborgen voor alle gebieden en hun bewoners, zonder dat er iemand aan zijn lot wordt overgelaten; wijst erop dat het in de taxonomieverordening opgenomen beginsel “geen ernstige afbreuk doen” moet worden verankerd voor alle investeringen;

2.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor de Europese klimaatwet, een hoeksteen van de Europese Green Deal, waarmee de doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050 wordt verankerd in wetgeving van de Unie, alsmede de noodzaak om deze te vertalen in concrete lokale acties die de beperkingen eerbiedigen en de troeven benadrukken van elk gebied, met inbegrip van de tussentijdse doelstellingen voor 2030 en 2040, zoals gevraagd door het Europees Parlement; wijst er in dit verband op dat de Europese Green Deal als doel heeft het natuurlijke kapitaal van de EU te beschermen, behouden en verbeteren en de gezondheid en het welzijn van de burgers te beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en effecten;

3.  benadrukt dat de lokale en regionale overheden een duidelijk politiek engagement moeten aangaan om de klimaatdoelstellingen te verwezenlijken en onderstreept dat de meerlagige dialoog tussen de nationale, regionale en lokale overheden over de planning en uitvoering van de nationale klimaatmaatregelen moet worden geïntensiveerd, dat de lokale overheden rechtstreeks toegang moeten krijgen tot financiering en dat de voortgang van de genomen maatregelen moet worden gemonitord, en dat deze overheden dringend moeten worden uitgerust met de nodige financiële en administratieve instrumenten om deze doelstellingen te realiseren; is voorts van mening dat de regionale en lokale overheden een belangrijke rol moeten spelen in alle stadia van de planning, voorbereiding en uitvoering van projecten;

4.  roept de nationale en regionale programmeringsinstanties op om bij de lopende voorbereiding van nationale en regionale programma’s het transformerende effect van klimaat- en milieubescherming zo groot mogelijk te maken;

5.  merkt op dat mogelijke beleidsaanpassingen met betrekking tot de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de vijfjaarlijkse verslagen ervan in aanmerking moeten worden genomen op een wijze die passend is en aangepast aan het cohesiebeleid, zoals in de tussentijdse herziening van het EFRO en het CF;

6.  verzoekt alle lokale en regionale overheden lokale en regionale klimaatstrategieën vast te stellen om de doelstellingen op EU-niveau om te zetten in concrete lokale doelstellingen, op basis van een holistische plaats- of gebiedsgerichte aanpak die een langetermijnvisie op de klimaattransitie en een beter gebruik van de financiële middelen in het kader van het cohesiebeleid mogelijk maakt; benadrukt dat de regionale milieustrategieën afvalbeheerplannen moeten omvatten;

7.  wijst op de cruciale rol die het cohesiebeleid in synergie met ander beleid speelt bij de bestrijding van de klimaatverandering en de verwezenlijking van klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050 en van de tussentijdse doelstellingen respectievelijk in 2030 en 2040, alsook op de rol van de lokale en regionale overheden bij een ingrijpende hervorming van het investeringsbeleid;

8.  roept op tot inspanningen om te zorgen voor meer samenhang en coördinatie tussen het cohesiebeleid en ander EU-beleid om de integratie van klimaataspecten in het beleid te verbeteren, doeltreffender op hulpbronnen gebaseerde beleidsmaatregelen te ontwerpen, doelgerichte EU-financiering te verstrekken en, bijgevolg, de uitvoering van de klimaatbeleidsmaatregelen in de praktijk te verbeteren;

9.  herinnert eraan dat het klimaatbeleid ten dienste moet staan van het streven naar volledige en stabiele werkgelegenheid, met inbegrip van groene en blauwe banen en opleiding die kunnen bijdragen tot eerlijke maatschappelijke vooruitgang, en is van mening dat het klimaatbeleid de banen die het zwaarst door de klimaatverandering getroffen worden, moet beschermen door het creëren van nieuwe, groene banen, zodat werknemers niet uit de boot vallen wanneer bepaalde sectoren de overgang maken naar de groene economie; dringt er bij de lidstaten op aan voorrang te geven aan de strijd tegen de klimaatverandering, samen met de strijd voor inclusieve, duurzame ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid en de strijd tegen armoede, energiearmoede en beleidsmaatregelen die een last vormen voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen; benadrukt in dit verband dat verdere maatregelen moeten worden gepland ter bestrijding van energiearmoede;

10.  is ingenomen met het standpunt van de Europese Raad en zijn kennisneming van het standpunt van het Parlement dat de uitgaven van de EU in overeenstemming moeten zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het “berokken geen schade”-beginsel van de Europese Green Deal; herinnert er tevens aan dat in het nieuwe wetgevingskader voor het cohesiebeleid het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” van de taxonomieverordening is opgenomen als een van de horizontale beginselen die van toepassing zijn op alle structuurfondsen;

11.  benadrukt het feit dat duurzaamheid en de transitie naar een economie die veilig, klimaatneutraal, klimaatbestendig, meer hulpbronnenefficiënt, betaalbaar, circulair en sociaal evenwichtig is, cruciale elementen zijn om het concurrentievermogen van de economie van de Unie op lange termijn te waarborgen en de sociale cohesie in de Unie te beschermen, en zo bij te dragen aan de creatie van nieuwe investeringsmogelijkheden op het gebied van landbouw, handel, vervoer, energie en infrastructuur, veiligere en milieuvriendelijkere consumptie te bevorderen en onze leefomgeving en het welzijn van de Europese burgers te beschermen;

12.  wijst erop dat het van het grootste belang is het beginsel van bestuur op verschillende niveaus en het partnerschapsbeginsel in het kader van het cohesiebeleid ten volle te eerbiedigen, met inbegrip van het genderperspectief, aangezien de lokale en regionale overheden rechtstreekse bevoegdheden hebben op het gebied van milieu en klimaatverandering, waarbij zij 90 % van de maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en 70 % van de maatregelen voor de beperking ervan ten uitvoer brengen; herinnert eraan dat zij ook acties kunnen ontwikkelen die gericht zijn op het bevorderen van klimaatvriendelijk gedrag onder burgers, onder meer op het gebied van afvalbeheer, slimme mobiliteit en duurzame huisvesting; dringt aan op een rechtvaardige en inclusieve transitie naar klimaatneutraliteit, met speciale aandacht voor bewoners van plattelands- en afgelegen gebieden; erkent dat de gebieden die het zwaarst getroffen worden door de transitie naar klimaatneutraliteit moeten worden ondersteund, dat een toename van regionale ongelijkheden moet worden voorkomen en dat aan de werkende bevolking en lokale en regionale gemeenschappen meer zeggenschap moet worden gegeven; verzoekt dat overheden op alle niveaus hun uiterste best doen om bestuurlijke samenwerking te bevorderen, met inbegrip van verticale samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen, interregionale, interstedelijke en grensoverschrijdende samenwerking, teneinde kennis en voorbeelden van beste praktijken op het gebied van klimaatveranderingsprojecten en -initiatieven die in het kader van het cohesiebeleid worden gefinancierd, uit te wisselen;

13.  dringt aan op holistische regionale milieustrategieën om duurzame ontwikkeling te waarborgen en de gevolgen van klimaatverandering te verzachten door de energietransitie naar hernieuwbare energiebronnen, biodiversiteit en aanpassing aan de klimaatverandering te ondersteunen; is van mening dat deze regionale strategieën burgerparticipatie, lokaal geïnitieerde en eigen projecten moeten ondersteunen en samenwerking tussen de regio’s moeten stimuleren, ook via grensoverschrijdende projecten; verzoekt de Commissie hieraan steun te verlenen en de samenwerking tussen de regio’s en de uitwisseling van knowhow en beste praktijken te faciliteren; benadrukt hoe belangrijk het is het beginsel van partnerschap in de hele programmering, uitvoering en monitoring van het EU-cohesiebeleid aan te houden en een sterke samenwerking tussen regionale en lokale overheden, burgers, ngo’s en belanghebbenden tot stand te brengen; benadrukt dat openbare raadplegingen grondig en zinvol moeten zijn en moeten zorgen voor een actieve en representatieve deelname van gemeenschappen en belanghebbenden aan het besluitvormingsproces teneinde de eigen inbreng in besluiten en plannen, initiatieven en de betrokkenheid bij acties te stimuleren; benadrukt het belang van lokaal geleide initiatieven en projecten die bijdragen tot klimaatneutraliteit;

14.  is van mening dat het cohesiebeleid moet bijdragen aan de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), de Klimaatovereenkomst van Parijs, het Verdrag inzake biologische diversiteit en de Europese Green Deal teneinde de klimaatverandering aan te pakken met behulp van met name een doeltreffende, transparante, omvattende, resultaatgerichte en op prestaties gebaseerde methode voor het monitoren van de klimaatuitgaven, waarbij rekening wordt gehouden met de negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor alle mensen en regio’s in de EU; pleit ervoor die methode toe te passen in alle programma’s van het meerjarig financieel kader en het Europees herstelplan, met name voor basisinfrastructuur in economische sleutelsectoren, zoals energieproductie en -distributie, vervoer, water- en afvalbeheer en openbare gebouwen; is van mening dat verdere maatregelen nodig kunnen zijn indien onvoldoende vooruitgang wordt geboekt bij de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie;

15.  onderstreept de sleutelrol van lokale en regionale overheden bij de totstandbrenging van een eerlijke transitie naar een klimaatneutrale economie voor iedereen, waarbij sociale, economische en territoriale cohesie centraal staan, en dringt aan op meer werkgelegenheid voor groene en blauwe investeringen en innovatie in het kader van het cohesiebeleid, alsook op een ruimer gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen; benadrukt dat er meer synergieën tussen de verschillende financieringsbronnen op EU-, nationaal en regionaal niveau nodig zijn, evenals sterkere koppelingen tussen overheidsfinanciering en particuliere financiering om de doeltreffendheid van de regionale milieustrategieën in de strijd tegen de klimaatverandering te verhogen; herinnert eraan dat dit proces niet mogelijk zou zijn zonder een grote aandacht voor vaardigheden; is van mening dat regionale milieustrategieën ook gericht moeten zijn op een verbetering van de bestuurlijke capaciteit van de lokale en regionale instellingen en op de ontwikkeling van hun potentieel om economisch, sociaal en territoriaal concurrentievermogen mogelijk te maken;

16.  wijst erop dat gemeenschaps- en burgerinitiatieven de ecologische transitie en de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering in hoge mate kunnen ondersteunen, en dat plaatselijke actiegroepen en het Leader-programma de uitgelezen instrumenten kunnen zijn om dit te realiseren; spoort de lidstaten en regionale autoriteiten daarom aan om deze programma’s te coördineren met hun regionale milieustrategieën;

17.  benadrukt het belang van het concept van slimme dorpen om de klimaatgerelateerde uitdagingen in de Unie het hoofd te bieden en is ingenomen met de integratie van dit concept in het toekomstige GLB en het regionaal en cohesiebeleid van de Unie; dringt erop aan dat de lidstaten de benadering van slimme dorpen opnemen in hun operationeel programma voor de nationale en regionale uitvoering van het EU-cohesiebeleid, alsook in hun nationale strategische GLB-plannen, waarvoor zij nationale strategieën voor slimme dorpen moeten uitstippelen(15); benadrukt de rol van de Leader/CLLD-benadering bij de uitvoering van “slimme dorpen”-strategieën, die sterk gericht moeten zijn op digitalisering, duurzaamheid en innovatie;

18.  wijst erop dat de macroregionale strategieën van de EU moeten bijdragen tot samenwerking die gericht is op het oplossen van regionale kwesties in verband met de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, en dat daarmee rekening moet worden gehouden wanneer de nieuwe programma’s worden vastgesteld, aangezien een geïntegreerde aanpak en een strategische planning van het grootste belang zijn;

19.  verzoekt om criteria op het gebied van milieu, sociaal beleid en behoud van natuurlijke rijkdommen in dezelfde mate in aanmerking te nemen als economische criteria bij de berekening van de subsidiabiliteit van een project als het gaat om projecten met betrekking tot het cultureel en natuurlijk erfgoed;

20.  benadrukt dat steun moet worden verleend aan projecten die een brug slaan tussen wetenschap, innovatie en burgerschap, zoals het nieuw Europees Bauhausproject dat gericht is op de bestendigheid van cultuur en architectuur tegen de klimaatverandering;

21.  herinnert eraan dat het succes van de regionale milieustrategieën ook afhangt van gedegen onderzoeks- en innovatiebeleid, ook op lokaal en regionaal niveau; moedigt de samenwerking aan tussen lokale overheden, onderzoeksinstellingen en ondernemingen, zoals de initiatieven in het Europees Instituut voor innovatie en technologie en de kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG’s) van dit instituut;

22.  verzoekt de Commissie toezicht te houden op de vooruitgang van de nationale regeringen en de lokale en regionale overheden bij de aanpak van de klimaatverandering op alle niveaus en hierover verslagen te publiceren, met behulp van een gemeenschappelijke norm voor alle lidstaten, alsook de onderlinge verbanden te beoordelen tussen milieumaatregelen en de economie; benadrukt dat de lokale en regionale overheden op nationaal niveau daadwerkelijk moeten worden betrokken bij de beoordeling van het klimaatveranderingsbeleid in het kader van het Europees Semester; benadrukt het feit dat de doeltreffendheid en complementariteit van de ESI-fondsen alsmede andere programma’s en instrumenten van de EU, zoals het Elfpo, het EFMZV, LIFE, Horizon Europa en Creatief Europa, bij de aanpak van de klimaatverandering moeten worden vergroot; spoort de lidstaten aan voor deze complementariteit te zorgen aan de hand van een ambitieuze territoriale toepassing van hun nationaal herstelplan, waarbij alle relevante actoren in de regio’s worden betrokken; verzoekt de lidstaten voorts een regelmatig geactualiseerd scorebord uit te brengen waarmee de territoriale effecten van nationale en Europese herstelmaatregelen worden gemeten, met bijzondere aandacht voor de bijdrage van die maatregelen aan de bestrijding van klimaatverandering;

23.  steunt het akkoord inzake het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 dat tot doel heeft schadelijke subsidies te vermijden, de volledige afschaffing tegen uiterlijk 2025 van zowel directe als indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen te ondersteunen, en te zorgen voor een algemene financiering en programmaprioriteiten die de klimaatnoodtoestand weerspiegelen en bijdragen tot de mainstreaming van klimaatmaatregelen en tot de verwezenlijking van een algemeen streefcijfer van ten minste 30 % van de begrotingsuitgaven van de EU ter ondersteuning van de klimaatdoelstellingen, wat betekent dat ten minste 547 miljard EUR van de nieuwe financiële middelen van de EU beschikbaar moet worden gesteld voor de groene transitie; benadrukt het belang van de naleving bij de uitvoering van het cohesiebeleid van beginselen zoals de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN, een eerlijke en sociaal inclusieve transitie, een wettelijk bindende klimaatgerelateerde uitgavendoelstelling van 30 % en een streefdoel van 10 % voor uitgaven voor biodiversiteit tegen het einde van de programmeringsperiode; benadrukt daarom dat de vaststelling van een transparante, alomvattende en betekenisvolle traceermethode kan worden overwogen en dat deze, indien nodig, bij de tussentijdse herziening van het MFK kan worden aangepast, zowel voor klimaatgerelateerde als voor biodiversiteitsgerelateerde uitgaven;

24.  is ingenomen met beleidsdoelstelling 2 (PO2) van de voorgestelde nieuwe verordening gemeenschappelijke bepalingen(16) die tot doel heeft te komen tot een Europa dat groen, veerkrachtig en koolstofarm is en dat de overgang maakt naar een koolstofneutrale economie, door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheersing; herinnert eraan dat de thematische concentratie van PO2 in het kader van het EFRO het best op regionaal niveau kan worden toegepast om rekening te houden met de verschillende regionale specifieke kenmerken op het gebied van klimaat;

25.  is ingenomen met het tijdens de trialoog bereikte akkoord om het Fonds voor een rechtvaardige transitie aan te vullen met extra middelen, onder meer met aanvullende middelen uit NextGenerationEU, en de twee extra pijlers van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, namelijk een specifieke regeling in het kader van InvestEU en een leenfaciliteit voor de overheidssector die zal bijdragen tot het verlichten van de sociaal-economische gevolgen van de transitie naar klimaatneutraliteit voor de kwetsbaarste regio’s in de Unie; benadrukt dat het Fonds voor een rechtvaardige transitie een nieuw instrument zal zijn voor het ondersteunen van gebieden die het zwaarst door de transitie naar klimaatneutraliteit worden getroffen en voor het voorkomen van een toename van de regionale verschillen; betreurt evenwel dat het extra bedrag dat de Commissie voorstelt met meer dan twee derde is verlaagd – van 30 naar 10 miljard EUR – in het kader van het akkoord in de Raad over NextGenerationEU; benadrukt dat deze verlaging afbreuk doet aan de verwezenlijking van de kerndoelstellingen van het fonds en bijkomende druk legt op de nationale begrotingen; verzoekt de lidstaten deze middelen zo snel mogelijk te programmeren, en verzoekt de betrokken lidstaten bij de verdeling van de middelen bijzondere aandacht te besteden aan de ultraperifere gebieden, aangezien deze zwaar getroffen worden door de klimaatverandering en blootgesteld zijn aan natuurrampen zoals orkanen, vulkaanuitbarstingen, droogte, overstromingen en de stijging van de zeespiegel;

26.  is ingenomen met het programma REACT EU, aangezien het de crisisrespons- en crisisherstelmaatregelen voortzet en uitbreidt met aanvullende middelen voor de bestaande cohesiebeleidsprogramma’s;

27.  herhaalt dat de specifieke kenmerken van alle regio’s, zoals gedefinieerd in artikel 174 VWEU, in het transitieproces volledig tot uiting moeten komen zodat geen enkele regio achterblijft, met name door zich te richten op plattelandsgebieden, gebieden die industriële transitie doormaken en regio’s die kampen met ernstige en aanhoudende natuurlijke of demografische belemmeringen, teneinde de algehele harmonieuze ontwikkeling van deze gebieden te waarborgen; acht het in dit verband noodzakelijk om bij een eventuele herziening van de richtsnoeren inzake staatssteun de specifieke kenmerken van de regio’s zoals opgesomd in artikel 174 VWEU te evalueren; benadrukt dat de lokale en regionale overheden ten volle gebruik moeten maken van alle financieringsinstrumenten (uit de Europese begroting en van andere Europese financiële instellingen zoals de EIB) om de klimaatcrisis te bestrijden en om de lokale gemeenschappen veerkrachtiger te maken, waarbij de weg wordt vrijgemaakt voor het herstel na de COVID-19-pandemie; benadrukt in het bijzonder dat aanvullende instrumenten moeten worden opgezet die directe toegang geven tot de EU-middelen, zoals stedelijke innovatieve acties uit hoofde van het EFRO (art. 8 van Verordening (EU) nr. 1301/2013) of het toekomstige Stedelijk Europa na 2020-initiatief uit hoofde van de EFRO-Cohesiefonds-verordening (art. 10), met name voor de projecten met betrekking tot de Green Deal;

28.  is van mening dat innovatieve, inclusieve en duurzame oplossingen om plattelandsgebieden als woon- en werkplek te versterken en aantrekkelijker te maken een sleutelelement moeten zijn in de uitvoering van het cohesiebeleid;

29.  herinnert eraan dat de ultraperifere gebieden op grond van artikel 349 VWEU een bijzondere regeling genieten teneinde maatregelen op maat van hun specifieke kenmerken te treffen; verzoekt de vereiste financiële middelen aan die regio’s toe te wijzen om een groene transitie te verwezenlijken en zich te kunnen aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering waardoor zij vanwege hun kwetsbaarheid in het bijzonder worden getroffen; roept eveneens op tot de oprichting van een waarnemingscentrum voor duurzame ontwikkeling en de groene transitie in de ultraperifere gebieden teneinde goede praktijken te inventariseren en duurzame oplossingen te ontwikkelen voor de strijd tegen de klimaatverandering, die zouden kunnen worden doorgevoerd in en afgestemd op de andere regio’s van de Europese Unie;

30.  maakt zich zorgen over de economische verliezen ten gevolge van natuurgevaren en de schade aan door de EU gefinancierde infrastructuurprojecten die door weers- en klimaatgerelateerde extremen is veroorzaakt; dringt aan op de ondersteuning van activiteiten en infrastructuurprojecten die voldoen aan de klimaat- en milieunormen en die beter bestand zijn tegen natuurgevaren;

31.  benadrukt de sleutelrol van eilanden, met name kleine eilanden, en ultraperifere en perifere/afgelegen gebieden bij de transitie naar klimaatneutraliteit als innovatielaboratoria voor de ontwikkeling van schone energie, slimme mobiliteit, afvalbeheer en de circulaire economie, als hun volledige potentieel wordt benut dankzij adequate instrumenten, ondersteuning en financiering, zodat zij een cruciale rol kunnen spelen bij onderzoek naar klimaatverandering en biodiversiteit; herinnert eraan dat zij toegang moeten hebben tot voldoende economische middelen en adequate opleiding om geïntegreerde, sectorgebonden en innoverende interventies te kunnen uitvoeren op het gebied van duurzame infrastructuur en lokale economische ontwikkeling; onderstreept het potentieel aan hernieuwbare energie van de perifere en ultraperifere gebieden, dat verband houdt met hun geografische en klimatologische kenmerken;

32.  benadrukt dat moet worden voortgebouwd op de resultaten van initiatieven als New Energy Solutions Optimised for Islands (NESOI), het “Smart Islands”-initiatief en Clean Energy for EU Islands (CE4EUI), waarin eveneens eilanden met de status van landen en gebieden overzee (LGO) zijn opgenomen, om te zorgen voor een functionele overgang tussen de programmeringsperioden 2014-2020 en 2021-2027; verzoekt de Commissie in dit verband gebruiksvriendelijke richtsnoeren voor regionale en lokale overheden op te stellen zodat zij de kans krijgen geconsolideerde beste praktijken inzake de energietransitie en de decarbonisatie van economieën te erkennen en deze te benutten; is ingenomen met het memorandum van Split, waarin de leidende rol van eilandgemeenschappen in de energietransitie wordt erkend; onderstreept in dit verband het belang van de uitwisseling van beste praktijken en van de bevordering van wederzijds leren;

33.  onderstreept dat regionale milieustrategieën ook de productie van hernieuwbare energie en een efficiënt gebruik van hulpbronnen in de landbouw-, voedings- en bosbouwsector moeten ondersteunen en dat daarbij rekening moet worden gehouden met het concurrentievermogen van deze sectoren; stelt voor dat de betrokken overheden voorrang geven aan alle opties voor de productie van hernieuwbare energie die goed zijn voor het milieu, de regionale economie en de bewoners van de desbetreffende gebieden; benadrukt dat in regionale milieustrategieën speciaal aandacht moet worden besteed aan steun voor het vervangen van fossielebrandstofintensieve materialen door hernieuwbare materialen en biomaterialen afkomstig uit de bos- en landbouw, aangezien deze twee sectoren enerzijds koolstof uitstoten maar anderzijds ook als koolstofputten fungeren; beklemtoont dat duurzaam bosbeheer dicht bij de natuur van cruciaal belang is voor een aanhoudende absorptie van broeikasgassen uit de atmosfeer en bovendien zorgt voor de levering van hernieuwbare en klimaatvriendelijke grondstoffen voor houtproducten die koolstof opslaan en fossiele materialen en brandstoffen kunnen vervangen; onderstreept dat de drieledige rol van bossen (put, opslag en vervanging) bijdraagt tot het terugdringen van koolstofemissies in de atmosfeer terwijl de bossen kunnen doorgroeien en in vele andere diensten blijven voorzien, en dat bossen daarom een integraal onderdeel van regionale milieustrategieën moeten uitmaken;

34.  benadrukt dat alle sectoren vertegenwoordigd moeten zijn en ondersteund moeten worden in de transitie naar klimaatneutrale industriële processen, waardoor ze niet alleen bijdragen tot de duurzaamheid van de Unie maar ook zorgen voor het behoud van het internationale concurrentievermogen en voor de economische, sociale en territoriale samenhang tussen de verschillende Europese regio’s; benadrukt de strategische rol van hernieuwbare, duurzame en gedecentraliseerde energie bij de ontwikkeling van de regio’s van de EU en hun ondernemingen, in het bijzonder kmo’s; is van mening dat doeltreffende regionale milieustrategieën ook voordelig zullen zijn voor de toerismesector aangezien zij de aantrekkelijkheid van veel Europese regio’s als duurzame bestemmingen kunnen helpen verbeteren en in het algemeen een nieuwe vorm van verantwoord en duurzaam toerisme kunnen bevorderen;

35.  benadrukt dat de vermindering van het bodemverbruik, met name de bodemafdekking, in aanmerking moet worden genomen als een belangrijk beslissingscriterium bij de uitvoering van het cohesiebeleid en de regionale milieustrategieën, teneinde het potentieel en de diverse functies van de bodem in de strijd tegen de klimaatverandering (water- en CO2-opslag, filtering, buffering en materiaalomzetting, voedselzekerheid, productie van biogebaseerde hulpbronnen) op de best mogelijke manier in stand te houden;

36.  benadrukt het feit dat de energiebelastingrichtlijn(17) moet worden herzien in overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt, teneinde uiterlijk in 2025 duurzame energiebronnen te bevorderen ten koste van fossiele brandstoffen, met bijzondere aandacht voor de sociale gevolgen;

37.  beklemtoont dat gendermainstreaming volledig moet worden toegepast en geïntegreerd als een horizontaal beginsel in alle activiteiten, beleidsmaatregelen en programma’s van de EU, ook in het cohesiebeleid;

38.  is ingenomen met de presentatie van de “renovatiegolfstrategie” als een van de cruciale strategieën die ertoe bijdragen dat Europa in 2050 klimaatneutraal zal zijn; beklemtoont dat energiearmoede moet worden aangepakt met behulp van een programma voor de renovatie van gebouwen dat gericht is op kwetsbare huishoudens en huishoudens met een laag inkomen, als onderdeel van een bredere Europese strategie voor armoedebestrijding;

39.  dringt erop aan dat in het kader van het geactualiseerde actieplan voor de circulaire economie verder steun wordt verleend voor de overgang naar een circulaire economie die gericht is op hergebruik en reparatie om hulpbronnenefficiëntie te bevorderen en duurzame consumptie te stimuleren, door de consumenten via verplichte etikettering te informeren over de duurzaamheid en repareerbaarheid van producten, als aanvulling op het aanbieden van een passend regelgevingskader en een reeks concrete, alomvattende en ambitieuze maatregelen om de circulaire economie op EU-niveau te stimuleren; benadrukt dat het creëren en versterken van regionale economische kringlopen, met name op basis van materialen van biologische oorsprong uit de land- en bosbouw, van centraal belang is voor het genereren van duurzame groei en groene banen; onderstreept dat het dringend nodig is de beginselen van de circulaire economie verder te ondersteunen en de afvalhiërarchie prioriteit te geven; dringt aan op de uitwerking van lokale plannen voor de circulaire economie en op het feit dat de door lokale en regionale overheden geplaatste overheidsopdrachten groen en ambitieus moeten zijn wat betreft duurzaamheid van producten en diensten om zo de veerkracht van het bedrijfsleven en de strategische autonomie van de Europese Unie te versterken;

40.  vraagt om meer te investeren in duurzame mobiliteit zoals spoorwegen en duurzame stedelijke mobiliteit voor groenere steden met een betere levenskwaliteit voor de burgers;

41.  is ingenomen met de inspanningen van de Europese Investeringsbank (EIB) om haar beleid inzake kredietverstrekking op het gebied van energie te herzien en 50 % van haar verrichtingen te besteden aan klimaatactie en ecologische duurzaamheid; verzoekt de EIB zich in te zetten voor de duurzame transitie naar klimaatneutraliteit en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de regio’s die het sterkst door de transitie worden getroffen;

42.  dringt aan op een sterke betrokkenheid van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo’s) bij het transitieproces, alsook bij het ontwerp en de uitvoering van de regionale milieustrategieën aangezien deze actoren niet alleen sterk verweven zijn met de lokale economie, maar ook door de beleidsmaatregelen van de Green Deal zullen worden getroffen; acht het van essentieel belang dat mkmo’s bijstand krijgen om de kansen van de milieutransitie aan te grijpen via op maat gesneden ondersteuning van bij- en nascholing;

43.  verzoekt de Commissie de hoogst mogelijke klimaatambitie als ijkpunt te gebruiken voor de beoordeling van ontwerpuitgavenplannen;

44.  wijst op het voorstel van de Commissie in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 dat steden met meer dan 20 000 inwoners plannen voor stedelijke vergroening moeten voorbereiden voor de aanleg van biodiverse en toegankelijke stadsbossen, parken en tuinen, stadsboerderijen, groene daken en muren en met bomen omzoomde straten; herhaalt de positieve impact die een dergelijke maatregel kan hebben op het stedelijke microklimaat en de gezondheid, met name voor kwetsbare groepen; moedigt deze actie aan en dringt erop aan beleids-, regelgevings- en financieringsinstrumenten te mobiliseren om deze actie ten uitvoer te leggen;

45.  dringt aan op de invoering van doeltreffende regionale en interregionale samenwerkingsmechanismen op het gebied van de preventie van natuurrampen, met inbegrip van reactie-, beheers- en wederzijdse hulpverleningscapaciteit in geval van rampen;

46.  dringt aan op een grotere rol voor het cohesiebeleid bij de ondersteuning van risicopreventie-inspanningen om zich aan te passen aan de huidige en toekomstige gevolgen van de klimaatverandering op regionaal en lokaal niveau;

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio’s en de lidstaten.

(1) PB C 23 van 21.1.2021, blz. 116.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0015.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(8) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(9) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(10) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(11) PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.
(12) PB C 28 van 27.1.2020, blz. 40.
(13) Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28).
(14) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (COM(2018)0372).
(15) Artikel 72 ter (amendement 513) van het standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0287).
(16) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa (COM(2018)0375).
(17) Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51).

Laatst bijgewerkt op: 12 juli 2021Juridische mededeling - Privacybeleid