Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 20 januari 2021 - Brussel
Het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten
 Versterking van de eengemaakte markt: de toekomst van het vrij verkeer van diensten
 Ontwikkeling van doeltreffend beleid naar aanleiding van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed
 Artificiële intelligentie: kwesties betreffende de interpretatie en toepassing van het internationaal recht
 Herziening van de richtsnoeren voor het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T)
 Controle op de toepassing van het EU-recht in 2017, 2018 en 2019
 Uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid – jaarverslag 2020
 Uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid - jaarverslag 2020
 Mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie op dit gebied - jaarverslag 2019

Het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten
PDF 195kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2019/2207(INI))
P9_TA(2021)0006A9-0248/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), en met name de artikelen 4, 47, 48 en 52,

–  gezien de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin wordt verwezen naar wederzijdse erkenning, grondrechten en verplichtingen uit hoofde van artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) inzake het recht op leven(1),

–  gezien Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(2) (“EAB-kaderbesluit”),

–  gezien Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen(3),

–  gezien Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, Kaderbesluit 2005/214/JBZ, Kaderbesluit 2006/783/JBZ, Kaderbesluit 2008/909/JBZ en Kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces(4),

–  gezien Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis(5),

–  gezien de verslagen van de Commissie over de uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (COM(2005)0063 en SEC(2005)0267, COM(2006)0008 en SEC(2006)0079, COM(2007)0407 en SEC(2007)0979 en COM(2011)0175 en SEC(2011)0430),

–  gezien de herziene versie van het handboek voor de uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel,

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de detentieomstandigheden in de EU(6), van 27 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de herziening van het Europees aanhoudingsbevel(7), en van 5 oktober 2017 over penitentiaire systemen en de omstandigheden in de gevangenis(8),

–  gezien zijn in eerste lezing vastgestelde standpunt van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het programma Justitie(9),

–  gezien de routekaart uit 2009 van de Raad ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures(10),

–  gezien Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures(11),

–  gezien Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures(12),

–  gezien Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming(13),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn(14),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure(15),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel(16),

–  gezien Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken(17),

–  gezien de in juni 2020 door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) gepubliceerde studie over de Europese uitvoeringsanalyse van het Europees aanhoudingsbevel,

–  gezien het verslag van de Commissie van 2 juli 2020 over de uitvoering van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (COM(2020)0270),

–  gezien de beoordeling van de Europese meerwaarde die in januari 2014 op verzoek van de EPRS ten aanzien van het Europees aanhoudingsbevel werd uitgevoerd, en de studie van de EPRS van december 2017 naar de kosten van het niet-bestaan van Europa op het gebied van procedurele rechten en detentieomstandigheden,

–  gezien het eindverslag van de Raad van 27 mei 2009 over de vierde wederzijdse evaluatieronde – de praktische toepassing van het Europees aanhoudingsbevel en de bijbehorende procedures voor overlevering tussen de lidstaten,

–  gezien het verslag van de Commissie van 26 september 2019 over de uitvoering van Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (COM(2019)0560),

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 december 2018 over de wederzijdse erkenning in strafzaken – “Bevorderen van wederzijdse erkenning door vergroten van het wederzijds vertrouwen”(18),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 december 2019 inzake maatregelen als alternatief voor detentie: het gebruik van niet tot vrijheidsbeneming strekkende sancties en maatregelen op strafrechtelijk gebied(19),

–  gezien de EU-strategie inzake de rechten van slachtoffers (2020-2025) (COM(2020)0258),

–  gezien de verslagen van nationale, Europese en internationale ngo’s,

–  gezien Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), en tot vervanging en intrekking van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad(20),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2020, getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2020 – De situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie (COM(2020)0580),

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2020 over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(21),

–  gezien het Facultatief Protocol van 2002 bij het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffıng,

–  gezien de werkzaamheden van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), in het bijzonder zijn verslagen over “Rechten in de praktijk: toegang tot een advocaat en procedurele rechten in strafrechtelijke procedures en procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel” van 13 september 2019, “Strafrechtelijke-detentieomstandigheden in de Europese Unie: regels en realiteit” van 11 december 2019 en “Hechtenis en alternatieven in de EU: grondrechtenaspecten in grensoverschrijdende procedures inzake overbrenging vóór en na de terechtzitting” van 9 november 2016, en de strafdetentiedatabank die in december 2019 is opgezet,

–  gezien de verdragen, aanbevelingen en resoluties van de Raad van Europa met betrekking tot kwesties inzake detentie en samenwerking in strafzaken,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het advies van de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0248/2020),

A.  overwegende dat justitiële samenwerking in de Unie een belangrijke voorwaarde is om het hoofd te bieden aan de ecologische, sociale, economische en digitale uitdagingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd;

B.  overwegende dat de procedure voor het Europees aanhoudingsbevel (EAB) een vereenvoudigde, grensoverschrijdende en versnelde procedure voor gerechtelijke overlevering is, die na de terreuraanslagen van 11 september 2001 is vastgesteld en sinds de invoering ervan is uitgegroeid tot het belangrijkste en meest gangbare instrument voor wederzijdse erkenning in strafzaken;

C.  overwegende dat het EAB over het algemeen een succes is en uitleveringen heeft vervangen door overleveringen; overwegende dat de termijn voor overleveringen is ingekort tot gemiddeld 40 dagen in 2017 ten opzichte van gemiddeld 50 dagen in 2016 wanneer de betrokkene er niet mee instemt, hoewel er in sommige lidstaten sprake is van vertraging of niet-naleving van de vereisten inzake wederzijdse erkenning; overwegende dat in een aantal zeldzame gevallen lidstaten melding hebben gemaakt van procedures voor overlevering die tot 90 dagen duurden wanneer de betrokkene er niet mee instemt;

D.  overwegende dat van de 150 000 EAB’s die tussen 2005 en 2016 zijn uitgevaardigd, er 43 000 zijn uitgevoerd; overwegende dat dergelijke primaire cijfers misleidend zijn ten aanzien van de gebruikte methode en het algemene succes, zoals de Commissie heeft toegelicht;

E.  overwegende dat de justitiële samenwerking in strafzaken in de EU gebaseerd is op wederzijdse erkenning, die is geformuleerd door de Europese Raad van Tampere van 1999; overwegende dat het Verdrag van Lissabon de constitutionele structuur van de EU aanzienlijk heeft gewijzigd en dat artikel 82 VWEU een expliciete rechtsgrond biedt voor regels en procedures voor wederzijdse erkenning van alle vormen van vonnissen en rechterlijke beslissingen;

F.  overwegende dat wederzijdse erkenning geen nieuw concept van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (RVVR) is, maar oorspronkelijk in de interne markt is ontwikkeld (Cassis de Dijon-logica); overwegende dat wederzijdse erkenning in strafzaken echter een andere logica en een andere rechtsgrond heeft dan de wederzijdse erkenning van de voorschriften inzake markttoegang; overwegende dat wederzijdse erkenning in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht dan ook specifieke kenmerken heeft, gezien de gevolgen voor grondrechten en de nationale soevereiniteit en de mate waarin erkenning moet worden gefaciliteerd door harmonisatie van het materiële en het formele strafrecht, met name ten aanzien van procedurele waarborgen; overwegende dat vertragingen in de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning in strafzaken negatieve effecten kunnen hebben, onder meer voor de toepassing ervan op andere gebieden, zoals de interne markt;

G.  overwegende dat onder wederzijdse erkenning wordt verstaan de rechtstreekse erkenning van rechterlijke beslissingen uit andere lidstaten, waarbij niet-erkenning de uitzondering is, en dat een rechterlijke beslissing niet mag worden geweigerd enkel op grond van het feit dat zij in een andere lidstaat is uitgesproken; overwegende dat de toepassing van de wederzijdse erkenning van door andere lidstaten genomen beslissingen niet verenigbaar is met de herziening van dergelijke beslissingen, tenzij dit gebeurt op de in het EAB-kaderbesluit genoemde gronden; overwegende dat de toepassing van dit instrument moet worden beheerst door samenwerking en wederzijds vertrouwen tussen de bevoegde justitiële autoriteiten; overwegende dat wederzijdse erkenning en grondrechten hand in hand moeten gaan;

H.  overwegende dat wederzijdse erkenning een hoge mate van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten vergt en bijgevolg gebaseerd moet zijn op een gemeenschappelijke interpretatie van de rechtsstaat en de grondrechten; overwegende dat de Europese Unie op dit cruciaal historisch punt over dat vertrouwen moet beschikken om de gemeenschappelijke uitdagingen met succes het hoofd te kunnen bieden; overwegende dat versterking van het vertrouwen van cruciaal belang is voor een vlotte werking van het EAB;

I.  overwegende dat de instelling van het EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten een belangrijke rol moet spelen bij het versterken van het wederzijds vertrouwen, aangezien het erop gericht is aan te geven op welke punten verbetering nodig is op het gebied van de rechtsstaat; overwegende dat de gebrekkige en tegenstrijdige toepassing van het EAB-kaderbesluit door bepaalde lidstaten niet bijdraagt aan de versterking van dat wederzijds vertrouwen; overwegende dat een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten nuttig kan zijn om elementen te verschaffen om een consistente toepassing te waarborgen wanneer de uitvoering wordt afgewezen op grond van een schending van de grondrechten, waardoor de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten wordt versterkt;

J.  overwegende dat wederzijds vertrouwen vereist dat de lidstaten het EU-recht naleven, en met name de grondrechten die zijn verankerd in het Handvest en de rechtsstaat, zoals de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

K.  overwegende dat het EAB heeft bijgedragen aan de ontwikkeling en de consolidatie van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; overwegende dat artikel 6 VEU betreffende het Handvest en het EVRM, de artikelen 8, 15, lid 3, 16 en 18 tot en met 25 VWEU, de richtlijnen inzake procedurele rechten en Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de rechten van slachtoffers(22) allemaal cruciale elementen zijn van het kader voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; overwegende dat de onjuiste toepassing van het EAB schadelijke gevolgen kan hebben voor de politiële en justitiële samenwerking in de hele Unie, voor personen en hun familie, en voor de werking van het Schengengebied en de grondrechten;

L.  overwegende dat het lidmaatschap van de Europese Unie eerbied voor een reeks waarden impliceert bij de toepassing daarvan, zoals menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, zoals vastgelegd in artikel 2 VEU en in het nationaal recht van de lidstaten;

M.  overwegende dat een Unie van gelijkheid die bescherming biedt, de bescherming van alle slachtoffers van misdrijven moet waarborgen(23), maar ook de rechten van verdachten en beklaagden moet beschermen; overwegende dat de EU tal van instrumenten heeft aangenomen die erop gericht zijn de rechten van slachtoffers te versterken, naast de instrumenten op het gebied van detentie en overlevering van verdachten of veroordeelde personen;

N.  overwegende dat de meeste kwesties in verband met de toepassing van het EAB op bepaalde punten door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) zijn behandeld, onder meer het ne bis in idem-beginsel(24), rechterlijke autoriteit(25), voorrang en EU-harmonisatie(26), onafhankelijkheid van de rechterlijke macht(27), grondrechten(28), dubbele strafbaarheid(29), weigeringsgronden, en de uitlevering van EU-burgers aan derde landen(30); overwegende dat rechterlijke uitspraken tegelijkertijd geen vervanging kunnen zijn van goed ontworpen wetgeving op Unieniveau;

O.  overwegende dat dubbele strafbaarheid een begrip van internationale uitlevering is en, hoewel dit nauwelijks verenigbaar is met wederzijdse erkenning, in de praktijk in beperkte mate nodig kan zijn voor gezochte personen, zoals blijkt uit de jurisprudentie van het HvJ-EU; overwegende dat dubbele strafbaarheid slechts een optionele weigeringsgrond van het EAB is, en zelden door de uitvoerende autoriteiten wordt ingeroepen; overwegende dat de lijst van strafbare feiten zonder dubbele strafbaarheid reeds een breed scala aan strafbare feiten bevat, waarvan er vele in de lidstaten nog niet zeer goed geharmoniseerd zijn, en dat een dergelijke lijst opnieuw moet worden beoordeeld en eventueel moet worden uitgebreid overeenkomstig de procedure van artikel 2, lid 3, van het EAB-kaderbesluit;

P.  overwegende dat het concept van wederzijdse erkenning geen harmonisatie van het materieel strafrecht en de bijbehorende procedures op zich vereist, maar dat de praktijk van de justitiële samenwerking uitwijst dat harmonisatie van een aantal beperkte gemeenschappelijke normen en definities noodzakelijk is om wederzijdse erkenning te faciliteren, zoals erkend in artikel 82, lid 2VWEU; overwegende dat de afgelopen jaren enige vooruitgang is geboekt, met name de goedkeuring van zes richtlijnen betreffende de procedurele rechten, Richtlijn 2012/29/EU, alternatieve maatregelen voor het EAB zoals het Europees onderzoeksbevel (EOB) en de harmonisatie van een aantal strafbare feiten; overwegende dat de zes richtlijnen betreffende de procedurele waarborgen echter niet volledig en correct zijn uitgevoerd, wat een punt van zorg blijft;

Q.  overwegende dat de Commissie heeft benadrukt dat er problemen zijn met de toepassing van sommige bepalingen van Richtlijn 2013/48/EU, met name met betrekking tot de mogelijkheid om zowel in de uitvoerende als in de uitvaardigende lidstaat toegang te hebben tot een advocaat; overwegende dat de omzetting van de andere richtlijnen betreffende de procedurele waarborgen die specifieke bepalingen over het EAB bevatten (Richtlijn 2010/64/EU, Richtlijn 2012/13/EU, Richtlijn (EU) 2016/800 en Richtlijn (EU) 2016/1919) tot dusver onbevredigend is, onder meer wat betreft het in aanmerking nemen van het beginsel van wapengelijkheid;

R.  overwegende dat andere instrumenten, zoals Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel en Verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen(31), hebben bijgedragen aan het aanpakken van enkele EAB-kwesties en de toepassing van de beginselen van wederzijdse erkenning hebben uitgebreid naar andere soorten rechterlijke beslissingen;

S.  overwegende dat in de routekaart van de EU van 2009 ter versterking van de procedurele rechten in strafzaken de kwestie van de perioden van voorlopige hechtenis wordt erkend; overwegende dat de detentieomstandigheden in veel lidstaten een probleem vormen en in overeenstemming moeten zijn met de in artikel 2 VEU verankerde waarden; overwegende dat er in sommige lidstaten problemen zijn op het gebied van de rechtsstaat, zoals blijkt uit de arresten van het EHRM;

T.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 27 februari 2014 over de herziening van het EAB onder meer heeft gepleit voor de invoering van een verplichte weigeringsgrond wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de maatregel onverenigbaar is met de verplichting van de uitvoerende lidstaat uit hoofde van artikel 6 VEU en het Handvest van de grondrechten; overwegende dat in 2017 problemen in verband met grondrechten in 109 gevallen hebben geleid tot weigering van overlevering;

U.  overwegende dat wederzijdse erkenning vereist dat beroepsbeoefenaars, waaronder ook strafrechtadvocaten, worden opgeleid in het EU-recht;

V.  overwegende dat Eurojust een cruciale rol speelt bij de facilitering en coördinatie van de uitvoering van EAB’s; overwegende dat Eurojust steeds vaker om bijstand wordt verzocht bij de uitvoering van EAB’s, waardoor zijn werklast aanzienlijk is toegenomen; overwegende dat Eurojust alleen al in 2019 de uitvoering van EAB’s heeft gefaciliteerd in 703 nieuwe zaken en in 574 lopende zaken; overwegende dat Eurojust een onafhankelijk, op zichzelf staand agentschap is, naast het Europees Openbaar Ministerie;

W.  overwegende dat uit gegevensvergelijkingen blijkt dat het aantal EAB’s jaar na jaar toeneemt;

X.  overwegende dat een geharmoniseerde uitvoering van het EAB, tezamen met de volledige en juiste omzetting van de richtlijnen betreffende de procedurele rechten, meer gebruik van alternatieve maatregelen voor het EAB en de invoering van minimumnormen van de EU voor zaken als gevangenis- en detentieomstandigheden, forumshoppen zullen voorkomen; overwegende dat een volledige en juiste uitvoering van het EAB in alle lidstaten noodzakelijk is om de werking van de relevante wetgevingsinstrumenten en de noodzaak van eventuele wijzigingen te beoordelen;

Algemene beoordeling van de uitvoering van het EAB

1.  wijst erop dat het EAB een belangrijke verwezenlijking is en een doeltreffend, nuttig en onmisbaar instrument is om ernstige grensoverschrijdende misdrijven te bestrijden en de plegers van ernstige misdrijven voor de rechter te brengen in de lidstaat waar de strafprocedures hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, en positieve gevolgen heeft voor de handhaving van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; erkent dat het EAB de samenwerking op het gebied van overlevering aanzienlijk heeft gefaciliteerd en verbeterd; wijst er evenwel op dat de wereld de afgelopen 20 jaar een digitale transformatie heeft ondergaan die het ecosysteem voor criminaliteit heeft veranderd;

2.  wijst op het bestaan van specifieke problemen; is van mening dat deze het systeem niet in twijfel trekken of in gevaar brengen, maar aantonen dat het moet worden verbeterd en geactualiseerd en dat dergelijke kwesties moeten worden aangepakt om bepaalde blinde vlekken weg te nemen en zo het algemene systeem te versterken en de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten in alle lidstaten te waarborgen; bevestigt dat het Schengengebied en de digitale transformatie tal van kansen hebben gecreëerd voor de EU-burgers; wijst er evenwel op dat open grenzen en nieuwe technologieën ook doeltreffende instrumenten vereisen om de wetshandhaving te waarborgen en ervoor te zorgen dat de rechterlijke macht ernstige grensoverschrijdende misdrijven kan vervolgen;

3.  merkt op dat deze problemen hoofdzakelijk verband houden met de detentie- en gevangenisomstandigheden, de evenredigheid, de uitvoering van de procedurele waarborgen die in het EU-recht zijn verankerd in de procedure voor het EAB, met name dubbele juridische vertegenwoordiging in zowel de uitvoerende als de uitvaardigende lidstaat, opleiding, specifieke kwesties met betrekking tot de rechtsstaat, de uitvoering van vrijheidsstraffen(32), termijnen(33) en uitspraken bij verstek; erkent dat in bepaalde gevallen de kwestie van dubbele strafbaarheid aan de orde is gesteld(34); wijst erop dat er in andere gevallen sprake was van incoherentie bij de toepassing van de gronden voor weigering van de uitvoering van EAB’s; onderstreept verder de afwezigheid van een volledig gegevenssysteem dat het mogelijk maakt betrouwbare statistieken op te stellen, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht, van de uitgevaardigde, uitgevoerde en geweigerde EAB’s; wijst erop dat deze problemen niet alleen het wederzijds vertrouwen tussen lidstaten schaden, maar ook op sociaal en economisch vlak kostelijk zijn voor de betrokken personen, hun gezinnen en de samenleving in het algemeen;

4.  merkt op dat een aantal kwesties gedeeltelijk is aangepakt en dat er pogingen worden ondernomen om ze op te lossen door een combinatie van soft law (EAB-handboek), wederzijdse beoordelingen, bijstand van Eurojust, financiering van opleidingsprogramma’s en toolkits voor beroepsbeoefenaars in het kader van het Eu-programma Justitie, jurisprudentie van het HvJ-EU en aanvullende wetgeving (Kaderbesluit 2009/299/JBZ en de aanneming van de richtlijnen betreffende de procedurele rechten van verdachten en beklaagden zoals vermeld in de routekaart van 2009, met name Richtlijn 2013/48/EU), maar dat andere kwesties nog steeds niet zijn opgelost;

5.  wijst erop dat het EAB moet worden versterkt en verbeterd om het doeltreffender en sneller te maken en de beslissingen van de nationale rechters meer te eerbiedigen, met inachtneming van het beginsel van evenredigheid, aangezien een van de doelstellingen van een sterkere Unie vereist dat de lidstaten op het rechtsstelsel en penitentiair systeem van andere lidstaten vertrouwen, waarvoor dit mechanisme onmisbaar is; wijst erop dat uitholling van de wederzijdse erkenning in strafzaken slechts kan leiden tot uitholling op andere gebieden, waardoor het moeilijker zal worden om een doeltreffend gemeenschappelijk beleid te voeren, bijvoorbeeld op het gebied van de interne markt;

6.  merkt op dat de Protocollen 21 en 22 bij het VEU twee lidstaten een bijzondere status verlenen – Ierland heeft een opt-in-optie en Denemarken neemt niet deel aan het strafrecht binnen de EU – wat betekent dat zij deelnemen aan het systeem van het EAB maar niet noodzakelijk aan andere instrumenten, zoals de richtlijnen betreffende procedurele waarborgen; benadrukt hoe belangrijk het is om te zorgen voor samenhang in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

7.  dringt erop aan dat het EAB niet mag worden misbruikt voor lichte vergrijpen, waarbij geen reden is tot voorlopige hechtenis; herinnert eraan dat het gebruik van het EAB beperkt moet blijven tot ernstige strafbare feiten waar het strikt noodzakelijk en evenredig is; dringt erop aan dat, waar mogelijk, eerst minder ingrijpende rechtsinstrumenten worden ingezet, voordat er een EAB wordt uitgevaardigd,; wijst erop dat de uitvaardigende autoriteiten evenredigheidscontroles moeten uitvoeren, waarbij zij rekening houden met (i) de ernst van het strafbare feit, (ii) de meest waarschijnlijke straf die wordt opgelegd als de betrokkene schuldig wordt bevonden aan het vermeende strafbare feit, (iii) de kans dat de betrokkene na overlevering in de uitvaardigende lidstaat wordt gedetineerd, (iv) de gevolgen voor de rechten van de gezochte persoon en zijn of haar gezinsleden, en (v) de belangen van de slachtoffers van het strafbare feit; verzoekt de lidstaten en hun justitiële autoriteiten om ontvangen EAB’s onverwijld in behandeling te nemen, zodra er een EAB is uitgevaardigd, teneinde de voorlopige hechtenis tot een minimum te beperken;

8.  benadrukt dat, wanneer een van de gronden voor niet-erkenning (artikelen 3 en 4 van het EAB-kaderbesluit of een van de garanties (artikel 5 van het EAB-kaderbesluit) van toepassing is, de weigering voor de uitvoering van een EAB volgens het HvJ-EU een uitzondering vormt op de wederzijdse erkenning, die strikt moet worden uitgelegd(35);

9.  wenst dat een weigering mogelijk is wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het EAB onverenigbaar zou zijn met de verplichtingen van de uitvoerende lidstaat overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest; wijst erop dat de uitvoerende lidstaat, wanneer een schending van de grondrechten de niet-uitvoering rechtvaardigt, een ernstig risico op schendingen van de grondrechten als typering moet geven en op basis van feitelijke en objectieve gegevens gronden voor de weigering tot niet-uitvoering moet vaststellen, teneinde rechtsonzekerheid en eventuele straffeloosheid te voorkomen; herinnert eraan dat het Handvest van de grondrechten, volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie, de gemeenschappelijke norm is voor de bescherming van de grondrechten in de EU(36);

Aanbevelingen om de werking van het EAB te verbeteren

10.  verzoekt de Commissie duidelijke, begrijpelijke, uitgebreide en vergelijkbare gegevens te verstrekken, aangezien de bestaande gegevens verwarrend zijn en een verkeerd beeld kunnen geven van de (niet-)efficiëntie van EAB’s; vraagt de Commissie om vast te stellen hoe de lidstaten hun verplichting moeten nakomen om op systematische wijze betrouwbare en actuele gegevens te verzamelen en door te geven aan de Commissie; wenst dat de Commissie nagaat of het mogelijk is een gemeenschappelijke databank met rechterlijke beslissingen betreffende EAB’s op te zetten, waarbij uitsluitend wordt gebruikgemaakt van geanonimiseerde gegevens, opdat deze gebruikt kan worden als een slim en doeltreffend hulpmiddel om de justitiële samenwerking te beoordelen, zwakke punten in kaart te brengen en beter voorbereid te zijn op eventuele aanpassingen; herinnert eraan dat justitiële samenwerking een bepalend element is voor het waarborgen van de stabiliteit op sociaal, economisch, ecologisch en digitaal gebied; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de lidstaten te verzoeken om uitgebreide gegevens met betrekking tot de werking van het EAB-mechanisme en om deze gegevens in het volgende uitvoeringsverslag op te nemen;

11.  is van oordeel dat er nadere horizontale maatregelen moeten worden getroffen om het in artikel 4, lid 3 VEU verankerde beginsel van loyale samenwerking te versterken en het wederzijds vertrouwen in nationale strafrechtstelsels te bevorderen en zo efficiëntere justitiële samenwerking tot stand te brengen; wijst erop dat een dubbele strafbaarheidscontrole de wederzijdse erkenning beperkt en volgens het HvJ-EU restrictief moet worden geïnterpreteerd; benadrukt echter dat er nog steeds bedenkingen zijn over het ontbreken van een goede definitie van strafbare feiten waarop de regel van dubbele strafbaarheid niet langer van toepassing is; merkt op dat wederzijdse erkenning idealiter automatisch moet werken(37), zonder dat de materiële gronden van de beschuldiging opnieuw worden beoordeeld, en dat besluiten niet mogen worden geweigerd, tenzij er redenen zijn om een van de in het EAB-kaderbesluit beschreven exclusieve weigeringsgronden in te roepen of tenzij er andere omstandigheden zijn, zoals erkend door het HvJ-EU, waarin beperkingen kunnen worden gesteld aan de beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten;

12.  benadrukt dat het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerd moet zijn op wederzijds vertrouwen en dat dit alleen tot stand kan worden gebracht indien de grondrechten en de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures in de hele Unie worden gegarandeerd; herinnert aan het belang van de tenuitvoerlegging van de richtlijnen betreffende de procedurele rechten teneinde het recht op een eerlijk proces te waarborgen; verzoekt de Commissie in dit verband met klem erop toe te zien dat deze richtlijnen volledig en correct worden toegepast en desnoods inbreukprocedures in te leiden;

13.  verzoekt de Commissie gemeenschappelijke strafbare feiten in de lidstaten te analyseren, niet alleen om beter te kunnen bepalen wanneer het EAB moet worden ingezet maar ook ten behoeve van evenredigheidsbeoordelingen; verzoekt de Commissie om vanuit formeel en materieel oogpunt de samenhang te evalueren van de lijst met 32 categorieën waarvoor geen toetsing van dubbele strafbaarheid vereist is, onder toevoeging van criteria betreffende de ernst van het strafbare feit, de grensoverschrijdende dimensie en de nadelige gevolgen ervan voor de fundamentele waarden van de Unie; acht het noodzakelijk om alle betrokken partijen meer rechtszekerheid te bieden over de toepassing ervan en zo onnodige conflicten te voorkomen; verzoekt de Commissie om, voor zover mogelijk, alle kwesties die verband houden met het opstellen van een homogene lijst van categorieën van strafbare feiten, ingedeeld in concrete strafbare feiten en rechtsgoederen, grondig tegen het licht te houden; stelt verder voor dat wordt overwogen een bijlage op te nemen met definities van iedere categorie op de lijst, dit om de interpretatie van de definities te vergemakkelijken;

14.  wijst erop dat het belangrijk is om te beoordelen of er bijkomende strafbare feiten in moeten worden opgenomen of strafrechtelijke categorieën zoals milieudelicten (bijv. milieudelicten vanaf schepen), bepaalde vormen van belastingontduiking, haatmisdrijven, seksueel misbruik, gendergericht geweld, strafbare feiten die zijn gepleegd met behulp van digitale middelen zoals identiteitsdiefstal, misdrijven tegen de openbare orde waarbij gebruik wordt gemaakt van geweld of ernstige bedreigingen, misdrijven tegen de constitutionele integriteit van de lidstaten waarbij gebruik wordt gemaakt van geweld, genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, in het kader van een grotere inzet van de lidstaten voor justitiële samenwerking, de rechtsstaat en de mensenrechten; onderstreept dat een grotere mate van justitiële samenwerking met betrekking tot deze strafbare feiten de Unie zou helpen om haar prioritaire doelstellingen te verwezenlijken, alsook om een klimaat te creëren waarin de democratie en de rechtsstaat in de Unie beter worden geëerbiedigd;

15.  is ingenomen met de EAB-coördinatiegroep die de Commissie onlangs heeft ingesteld; is van mening dat deze groep zal bijdragen tot het verbeteren van een snelle uitwisseling van actuele en betrouwbare informatie en goede praktijken en tot het versterken van de samenwerking, wat niet alleen moet resulteren in een uniformere toepassing van het EAB door de rechterlijke autoriteiten, maar ook in een betere uitwisseling van informatie tussen de advocaten van degenen voor wie een EAB is uitgevaardigd, zowel in de uitvoerende als de uitvaardigende lidstaat;

16.  herinnert eraan dat de strafdrempel zoals deze is vastgelegd in artikel 2, lid 2, van het EAB-kaderbesluit, in beginsel bedoeld is om de evenredigheid van het EAB te waarborgen; vraagt de Commissie evenwel om na te gaan of deze strafdrempel van drie jaar voor bepaalde strafbare feiten, zoals mensenhandel, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, kan worden verlaagd;

17.  verzoekt de Commissie om verduidelijking van de kwestie van strafbare feiten die verwant zijn aan een primair strafbaar feit dat boven de EAB-drempel zit, bijvoorbeeld door een herziening van het EAB-handboek te overwegen of eventueel door middel van EU-instrumenten op het gebied van de harmonisatie van het strafrecht, met inbegrip van de vermelding van de toepassing van EAB’s in de lidstaten in dat verband; brengt in dit verband in herinnering dat in het kader van het EAB niets geregeld is voor bijkomende of verwante strafbare feiten en dat de uitvaardigende lidstaat vanwege het specialiteitsbeginsel mogelijk niet tot vervolging van dergelijke strafbare feiten kan overgaan;

18.  benadrukt dat het belangrijk is om de taken en bevoegdheden van de nationale autoriteiten en EU-instanties die betrokken zijn bij EAB-procedures nauwkeuriger te omschrijven en ervoor te zorgen dat zij gespecialiseerd zijn en praktische ervaring hebben; bevestigt dat een ruime beoordelingsmarge, met uitzondering van de gronden voor niet-erkenning zoals vastgesteld in de artikelen 3 en 4 van het EAB-kaderbesluit en toegelicht door het HvJ-EU, voor de uitvoerende autoriteit nauwelijks verenigbaar of zelfs in strijd wordt geacht met het beginsel van wederzijdse erkenning; is van mening dat bij een herziening van het EAB-kaderbesluit een procedure moet worden ingesteld waarbij een EAB zo nodig in de uitvaardigende lidstaat door een rechter, rechtbank, onderzoeksrechter of openbaar aanklager kan worden gevalideerd, overeenkomstig de jurisprudentie van het HvJ-EU, teneinde de uiteenlopende interpretaties van het begrip “rechterlijke autoriteit” te ondervangen; is van mening dat de beoordelingsbevoegdheid in gevallen van dubbele strafbaarheid moet worden beperkt indien er rechtszekerheid bestaat over welke strafbare feiten duidelijk wel en duidelijk niet binnen de definitie van dubbele strafbaarheid vallen; bevestigt dat de bevordering van de rechtsstaat, grondrechten, detentieomstandigheden en kennis van beroepsbeoefenaars van andere rechtsstelsels zal bijdragen tot de versterking van het wederzijds vertrouwen en de wederzijdse erkenning;

19.  verzoekt de Commissie de omzetting van het EAB en andere instrumenten voor justitiële samenwerking te blijven beoordelen en indien nodig inbreukprocedures in te leiden;

20.  verzoekt de lidstaten tijdig en naar behoren uitvoering te geven aan het EAB, de relevante arresten van het Hof van Justitie inzake het EAB en andere rechtsinstrumenten inzake strafzaken; benadrukt dat instrumenten zoals Kaderbesluit 2008/909/JBZ inzake de overbrenging van gedetineerden, Kaderbesluit 2008/947/JBZ inzake proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen, het Europees onderzoeksbevel, het Europees toezichtbevel en het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging(38) het EAB zowel aanvullen als daarvoor nuttige en minder ingrijpende alternatieven zijn; benadrukt dat het EAB alleen mag worden ingezet als alle andere alternatieve opties zijn uitgeput en dat lidstaten zich niet op het EAB mogen beroepen wanneer een minder ingrijpende maatregel, bijvoorbeeld een terechtzitting via videoconferentie of dergelijke middelen, hetzelfde resultaat zou opleveren; dringt er bij de autoriteiten van de lidstaten op aan waar mogelijk dergelijke alternatieve instrumenten te gebruiken in plaats van een EAB uit te vaardigen;

21.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat rechterlijke autoriteiten in EAB-procedures beschikbare alternatieven voor detentie- en dwangmaatregelen kunnen opdragen, met name wanneer de betrokken persoon instemt met de overlevering, tenzij een weigering strikt noodzakelijk en gerechtvaardigd is;

22.  wijst op het zorgwekkende verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2013/48/EU; dringt er bij de Commissie op aan de naleving van de richtlijn door de lidstaten te blijven beoordelen en passende maatregelen te nemen, waaronder inbreukprocedures, om de naleving van de bepalingen van de richtlijn te waarborgen; verzoekt de Commissie met klem nauwlettender toe te zien op de volledige tenuitvoerlegging van alle richtlijnen betreffende procedurele waarborgen, zodat gezochte personen in grensoverschrijdende procedures over een doeltreffende verdediging beschikken; verzoekt de Commissie maatregelen te overwegen in verband met de gebrekkige uitvoering van de aanbeveling van de Commissie van 27 november 2013 betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure(39), in het bijzonder met betrekking tot kwetsbare volwassenen;

23.  verzoekt de lidstaten flexibiliteit aan de dag te leggen bij de EAB-taalregelingen, gemeenschappelijke praktijken te ontwikkelen en te hanteren in dit verband en tegelijkertijd, overeenkomstig Richtlijn 2010/64/EU, het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures te eerbiedigen; roept de lidstaten in dit verband op de noodzakelijke mechanismen in te voeren om vertragingen of belemmeringen te voorkomen; betreurt het feit dat het EAB-kaderbesluit geen deadlines voor het toezenden van vertaalde EAB’s bevat;

24.  verzoekt de Commissie te zorgen voor een uniforme toepassing en doeltreffende monitoring van de termijnen;

25.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat Eurojust en het Europees justitieel netwerk voor strafzaken (EJN) over voldoende financiële middelen beschikken om het EAB in goede banen te leiden en te coördineren; merkt op dat de huidige begrotingstoewijzingen van de Commissie ten aanzien van Eurojust niet toereikend zijn gezien de uitdagingen waarvoor dit agentschap zich gesteld ziet met betrekking tot het alsmaar groeiende aantal zaken, en dat zij tot een stagnatie van de financiering hebben geleid, ondanks een toegenomen werklast; wijst erop dat het essentieel is dat de begroting van Eurojust is afgestemd op zijn taken en prioriteiten teneinde zijn mandaat te kunnen uitvoeren; herhaalt zijn verzoek om een specifiek juridisch EAB-netwerk;

26.  wenst dat de Commissie en de lidstaten voorzien in passende financiering voor rechtsbijstand voor degenen die bij de EAB-procedures betrokken zijn, waaronder voor rechtskundige bijstand in zowel de uitvaardigende als de uitvoerende lidstaat voordat om overlevering wordt gevraagd, in financiering voor tolken en vertalers met passende kwalificaties, een gerichte EAB-opleiding voor beroepsbeoefenaars, met inbegrip van politie, openbaar aanklagers, de rechterlijke macht en advocaten van de verdediging, vooral op gebieden als de grondrechtelijke aspecten van het EAB, de evenredigheidsbeoordeling en alternatieve detentiemaatregelen, rechtskundige bijstand bij EAB-zaken, de aanvraagprocedure voor een prejudiciële uitspraak bij het Europees Hof van Justitie en het verkrijgen van verzekeringen bij de autoriteiten van andere lidstaten; wijst op de waarde van de programma’s van het Europees netwerk voor justitiële opleiding (ENJO), zoals EAB-simulaties en taalcursussen; benadrukt dat advocaten conform het beginsel van wapengelijkheid toegang moeten hebben tot gerichte, toegankelijke en betaalbare opleidingen; verzoekt de Commissie het aanbieden van dergelijke opleidingen te bevorderen en in goede banen te leiden;

27.  roept de Commissie op samen met de lidstaten het Europees netwerk voor justitiële opleiding (ENJO) en bestaande nationale opleidingsplatformen voor de rechterlijke macht te steunen en verder uit te bouwen, alsook, indien nodig, een opleidingsplatform op te zetten voor deskundigen en beroepsbeoefenaars op het gebied van instrumenten voor wederzijdse erkenning, met inbegrip van het EAB; bevestigt dat dit platform hun kennis moet verschaffen over de nauwe relatie tussen instrumenten, met inbegrip van een gemeenschappelijke ruimte voor de uitwisseling van ervaringen;

28.  merkt op dat de samenwerking tussen autoriteiten, onder meer bij de eerbiediging van de grondrechten, kan worden verbeterd door gebruik te maken van beveiligde technologie en digitalisering; is ingenomen met de oprichting van de strafdetentiedatabank van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA); dringt aan op de ontwikkeling van een gecentraliseerde databank met nationale jurisprudentie inzake de toepassing van het EAB (net zoals voor andere gebieden van het EU-recht het geval is)(40); is van mening dat een afzonderlijke openbare databank met gegevens van EAB-advocaten zou kunnen bijdragen tot het waarborgen van het recht op toegang tot een advocaat;

29.  dringt erop aan dat niet-uitgevoerde EAB’s regelmatig worden herzien en dat wordt overwogen of deze, samen met de bijbehorende Schengeninformatiesysteem II- (SIS II-) en Interpol-signaleringen, moeten worden ingetrokken; verzoekt tevens om EAB’s en bijbehorende SIS II- en Interpol-signaleringen in te trekken wanneer het EAB op een verplichte weigeringsgrond is geweigerd, zoals op grond van het beginsel ne bis in idem;

30.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de adviezen van de nationale parlementen overeenkomstig Protocol nr. 2 van het VEU als zij besluit om wetgevingshandelingen op het gebied van het strafrecht van de EU voor te stellen, aangezien dankzij hun medewerking kan worden gecontroleerd of het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel worden toegepast in het strafrecht van de EU;

Aanbevelingen betreffende de grondrechten

31.  verzoekt de lidstaten de uit artikel 2 VEU voortvloeiende verplichtingen inzake menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van minderheden, na te komen; benadrukt dat de lidstaten moeten waarborgen dat eenieder, onder wie slachtoffers van misdrijven of in het kader van een EAB gezochte personen, van wie de rechten en vrijheden worden geschonden waarvan zij uit hoofde van het recht van de Unie zijn verzekerd, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte overeenkomstig artikel 47 van het Handvest en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie; benadrukt dat voorzieningen in de uitvoerende lidstaat, met volledige inachtneming van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, binnen de via het toepasselijke instrument voor wederzijdse erkenning vastgestelde termijn worden uitgevoerd of, wanneer er geen expliciete termijn wordt genoemd, tijdig genoeg om te waarborgen dat het doel van het wederzijdse erkenningsproces niet in gevaar komt;

32.  merkt op dat, hoewel de toepassing van de procedure uit hoofde van artikel 7, lid 1 VEU, van invloed is op de wederzijdse erkenning, de uitvoerende autoriteit krachtens de bestaande jurisprudentie van het HvJ-EU in elk concreet geval moet beoordelen of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene na overlevering het risico loopt dat zijn grondrechten worden geschonden; benadrukt dat het inroepen van artikel 7, leden 1 en 2 VEU, niet neerkomt op automatische niet-erkenning met het oog op het belang van samenwerking in strafzaken en de werking van het gehele stelsel van rechterlijke samenwerking in de EU; wijst op de rol die Eurojust, met het oog op het vergroten van het wederzijds vertrouwen, vervult voor wat betreft de ondersteuning van de lidstaten bij de uitvaardiging of uitvoering in dit verband; beveelt derhalve aan dat er een systeem met voorlopige maatregelen wordt ingevoerd, op grond waarvan de toepassing van het instrument zelfs kan worden opgeschort, om de garanties, het wederzijds vertrouwen en de wederzijdse erkenning tussen lidstaten te versterken;

33.  wijst op het verband tussen detentieomstandigheden en EAB-maatregelen en herinnert de lidstaten eraan dat zij krachtens artikel 3 van het EVRM en de relevante jurisprudentie niet alleen aan negatieve verplichtingen moeten voldoen, maar ook aan positieve verplichtingen, zoals waarborgen dat de detentieomstandigheden aan de normen voor menselijke waardigheid voldoen, en dat er een grondig en doeltreffend onderzoek wordt verricht indien er rechten worden geschonden; wenst dat de Commissie de op Unieniveau beschikbare juridische en financiële middelen onderzoekt, teneinde de detentienormen te verbeteren;

34.  maakt zich ongerust over de huidige detentieomstandigheden in sommige lidstaten; is in dit verband ingenomen met de nieuwe strafdetentiedatabank(41) van het FRA en ziet dit als een positieve eerste stap richting een betere gemeenschappelijke beoordeling van de detentieomstandigheden in de EU;

35.  herhaalt zijn verzoek(42) aan de lidstaten om de gebrekkige detentieomstandigheden te verbeteren; wenst dat de Commissie de mogelijkheid om de modernisering van de detentiefaciliteiten via de EU-structuurfondsen te financieren ten volle benut; herinnert in dit verband aan de conclusies van de Raad van 2018 over het bevorderen van wederzijdse erkenning door vergroten van het wederzijds vertrouwen(43), waarin de Raad de Commissie tevens verzocht een optimale benutting van EU-fondsen te bevorderen teneinde de lidstaten te steunen bij het aanpakken van het probleem van gebrekkige detentieomstandigheden;

36.  herhaalt het belang van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, in de vorm van een mogelijk wetgevingsvoorstel en geschraagd door een interinstitutioneel akkoord dat uit een jaarlijkse onafhankelijke en empirisch onderbouwde evaluatie bestaat, om na te gaan of alle lidstaten zich houden aan artikel 2 VEU, alsook aan landspecifieke aanbevelingen, met als doel om het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten te versterken; merkt op dat een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten een belangrijk instrument zou zijn om, in het licht van de toepassing van het EAB-kaderbesluit, bij te dragen aan de versterking van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten;

37.  verzoekt de Commissie de haalbaarheid van aanvullende instrumenten inzake procedurele rechten te onderzoeken, bijvoorbeeld op het gebied van toelaatbaarheid van bewijsmateriaal en detentieomstandigheden bij voorlopige hechtenis, met name op grond van de normen van de Raad van Europa of hogere normen, onder meer inzake termijnen voor voorlopige hechtenis; is van mening dat de Commissie naar de hoogste normen moet streven en het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel moet eerbiedigen; is van mening dat het ontbreken van EU-minimumnormen voor detentieomstandigheden en voorlopige hechtenis, van de beperking van het gebruik van voorlopige hechtenis als zijnde een laatste hulpmiddel en van het overwegen van alternatieven, in combinatie met het ontbreken van een passende beoordeling van de vraag of de zaken gereed zijn voor berechting, ertoe kan leiden dat verdachten en beklaagden ongerechtvaardigde en buitenmatig lange perioden in voorlopige hechtenis doorbrengen; herinnert eraan dat deze situatie nog is verergerd door de COVID-19-pandemie; verzoekt de Commissie EU-minimumnormen te bewerkstelligen, in het bijzonder wat waarborgen voor strafprocedures en detentieomstandigheden betreft, en verzoekt de Commissie de informatievoorzieningstools ten behoeve van de nationale uitvoerende autoriteiten betreffende de omstandigheden bij voorlopige hechtenis en gevangenschap in elke lidstaat te versterken;

38.  onderstreept dat er geen mechanisme is om de verzekeringen van uitvaardigende rechterlijke autoriteiten na de overlevering afdoende op te volgen; verzoekt de Commissie te bekijken of hiertoe maatregelen kunnen worden genomen;

39.  verzoekt de Commissie na te gaan of het beginsel ne bis in idem wordt nageleefd, een evenredigheidscontrole voor de uitvaardiging van een EAB uit te voeren, gebaseerd op alle relevante factoren en omstandigheden, zoals de ernst van het strafbare feit, de vraag in hoeverre de zaak klaar is voor berechting, de gevolgen voor de rechten van de gezochte persoon, de financiële implicaties en de beschikbaarheid van een minder ingrijpende alternatieve maatregel, te voorzien in een gestandaardiseerde raadplegingsprocedure aan de hand waarvan de bevoegde autoriteiten in de uitvaardigende lidstaat en in de uitvoerende lidstaat informatie over de uitvoering van een EAB kunnen uitwisselen, in het bijzonder met betrekking tot evenredigheid, jurisdictiegeschillen en de vraag in hoeverre de zaak klaar is voor berechting, alsook een overzicht te verstrekken van mogelijke wetgevingsmaatregelen overeenkomstig artikel 82, lid 1 VWEU;

40.  verzoekt de lidstaten het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag tegen foltering te ratificeren;

41.  wijst erop dat tekortkomingen in de justitiële samenwerking, waaronder in het EAB, in strijd kunnen zijn met de belangen van slachtoffers en kunnen leiden tot ontzegging van toegang tot de rechter en tot gebrekkige bescherming van slachtoffers; benadrukt dat straffeloosheid als gevolg van tekortkomingen in de justitiële samenwerking zeer nadelige gevolgen kan hebben voor de rechtsstaat, de rechtsstelsels en het vertrouwen van de bevolking in instanties, alsook voor slachtoffers en de samenleving in het algemeen;

42.  benadrukt dat de informatie die aan beklaagden wordt verstrekt over hun procedurele rechten in strafzaken volgens het FRA niet alleen in omvang verschilt, maar ook in de manier waarop deze wordt overgebracht; verzoekt de lidstaten in waarborgen te voorzien om er zeker van te zijn dat individuele personen doeltreffend worden voorgelicht over hun procedurele rechten als ze ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd;

43.  wijst op de normen van het EHRM en de voorschriften van Richtlijn 2013/48/EU en Richtlijn 2010/64/EU; herinnert eraan dat het de kwaliteit van de rechtskundige bijstand ten goede komt wanneer er voldoende tijd is om een zaak voor te bereiden en de stukken van de zaak snel en volledig toegankelijk zijn; benadrukt dat de toegang tot vertolkingsdiensten bij het begin van de procedure en het faciliteren van de communicatie met advocaten een essentiële waarborg, alsook een vereiste van Richtlijn 2010/64/EU, is voor een eerlijke procedure, gezien het grensoverschrijdende karakter van EAB-procedures, waarbij beklaagden vaak niet de taal van de uitvoerende lidstaat beheersen; vraagt de Commissie en de lidstaten met klem om erop toe te zien dat het recht op toegang tot een advocaat en tot rechtsbijstand in zowel de uitvaardigende als uitvoerende lidstaat zowel in de wet als in de praktijk gewaarborgd is;

Naar een coherent EAB-rechtskader

44.  wijst erop dat het EAB doeltreffend is; is van mening dat de belangrijkste problemen van het EAB, hoewel er ook enkele vraagtekens zijn geplaatst bij de naleving van de waarden en grondrechten van de EU, verband houden met de samenhang en de doeltreffendheid ervan, waar ruimte is voor verbetering;

45.  dringt erop aan dat de Commissie voor een samenhangend beleid inzake wederzijdse erkenning zorgt, dat de jurisprudentie van het HvJ-EU, de huidige stand van de harmonisatie van het strafrecht en de bijbehorende procedures van de lidstaten alsook de in het Handveste erkende grondrechten in aanmerking neemt;

46.  verzoekt de Commissie een “cross-case” studie naar instrumenten voor wederzijdse erkenning uit te voeren om afwijkingen te voorkomen, onderlinge coördinatie te waarborgen en te zorgen voor een juist samenspel; verzoekt de Commissie in het bijzonder na te gaan hoe het instrument in de praktijk door de verschillende lidstaten wordt toegepast en daarbij de goede praktijken in kaart te brengen die maken dat bepaalde lidstaten in veel gevallen overgaan tot uitvoering, alsook de specifieke problemen in de landen waar het uitvoeringspercentage van de EAB’s bijzonder laag ligt;

47.  wijst erop dat de gesignaleerde problemen bij de uitvoering van het EAB-kaderbesluit kunnen worden aangepakt door middel van een combinatie van praktische maatregelen (opleiding van beroepsbeoefenaars), soft law (handboeken en aanbevelingen), zeer gerichte wetgeving (definitie van rechterlijke autoriteit, ne bis in idem, grondrechten, enz.) en in de tweede plaats – via middelen die noodzakelijk worden geacht en rekening houdend met de negende wederzijdse evaluatieronde – door gerichte wetgeving aan te vullen (voorlopige hechtenis); is van mening dat de Commissie moet toewerken naar een volledige en juiste uitvoering van het EAB in alle lidstaten, met inachtneming van de jurisprudentie van het HvJ-EU;

48.  beveelt aan op middellange termijn een EU-wetboek voor justitiële samenwerking in strafzaken mogelijk te maken, waarin de bestaande wetgeving op systematische wijze wordt samengebracht, om zodoende rechtszekerheid en de samenhang van de diverse EU-instrumenten te waarborgen;

Brexit

49.  roept de Commissie op de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk voort te zetten en daarbij het behoud van de normen inzake de procedurele en grondrechten van verdachten en beklaagden na te streven; vreest dat er sinds de invoering van het EAB nauwelijks nog iets rest van de in het Verenigd Koninkrijk bereikte resultaten;

o
o   o

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Zie de uitspraak van het EHRM van 9 juli 2019 in de zaak Romeo Castaño tegen België over schending van een procedureel aspect van artikel 2 van het EVRM (doeltreffend onderzoek).
(2) PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.
(3) PB L 337 van 16.12.2008, blz. 102.
(4) PB L 81 van 27.3.2009, blz. 24.
(5) PB L 294 van 11.11.2009, blz. 20.
(6) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 82.
(7) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 135.
(8) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 94.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0406.
(10) PB C 295 van 4.12.2009, blz. 3.
(11) PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1.
(12) PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1.
(13) PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1.
(14) PB L 65 van 11.3.2016, blz. 1.
(15) PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1.
(16) PB L 297 van 4.11.2016, blz. 1.
(17) PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1.
(18) PB C 449 van 13.12.2018, blz. 6.
(19) PB C 422 van 16.12.2019, blz. 9.
(20) PB L 295 van 21.11.2018, blz. 138.
(21) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0251.
(22) Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57).
(23) EU-strategie inzake de rechten van slachtoffers (2020-2025).
(24) HvJ-EU, C-261/09, Mantello.
(25) HvJ-EU, C-453/16 PPU, Özçelik; C-452/16 PPU, Poltorak; C-477/16 PPU, Kovalkovas; Gevoegde zaken C-508/18 en C-82/19 PPU, OG en PI.
(26) HvJ-EU, C-399/11, Melloni of C-42/17, M.A.S. en M.B.
(27) HvJ-EU, C-216/18 PPU, Minister for Justice and Equality.
(28) HvJ-EU, Gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, Aranyosi en Căldăraru; C-128/18, Dorobantu.
(29) HvJ-EU, C-289/15, Grundza.
(30) HvJ-EU, C-182/15, Petruhhin; C-191/16, Pisciotti; C-247/17 Raugevicius; C-897/19 PPU, I.N. tegen Ruska Federacija; enz.
(31) PB L 303 van 28.11.2018, blz. 1.
(32) HvJ-EU, C-579/15, Popławski.
(33) HvJ-EU, C-168/13 PPU, Jeremy F.
(34) HvJ-EU, met richtsnoeren uit C-289/15, Grundza, onder verwijzing naar Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad.
(35) Zie bijvoorbeeld HvJ-EU, zaak C-216/18 PPU, Minister for Justice and Equality.
(36) Cf. HvJ-EU, C-399/11, Melloni, para. 63 en C-128/18, Dorobantu, para. 79.
(37) Zie bijvoorbeeld de mededeling van de Commissie van 26 juli 2000 over de wederzijdse erkenning van definitieve beslissingen in strafzaken (COM(2000)0495).
(38) Council of Europe Treaty No. 073, 15 mei 1972.
(39) PB C 378 van 24.12.2013, blz. 8.
(40) Zie de Europese uitvoeringsanalyse van de EPRS van juni 2020 over het EAB.
(41) FRA – Strafdetentiedatabank 2015-2019, https://fra.europa.eu/en/databases/criminal-detention/criminal-detention/home
(42) Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over penitentiaire systemen en de omstandigheden in de gevangenis (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 94).
(43) PB C 449 van 13.12.2018, blz. 6.


Versterking van de eengemaakte markt: de toekomst van het vrij verkeer van diensten
PDF 179kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over het versterken van de eengemaakte markt: de toekomst van het vrij verkeer van diensten (2020/2020(INI))
P9_TA(2021)0007A9-0250/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt(1) (“de dienstenrichtlijn”),

–  gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(2) (“de richtlijn beroepskwalificaties”),

–   gezien Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt(3),

–   gezien Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen(5) (“de richtlijn evenredigheidsbeoordeling”),

–  gezien Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012(6) (“de richtlijn één digitale toegangspoort”),

–   gezien Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg(7) (“de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg”),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2018 over het pakket eengemaakte markt(8),

–  gezien de studie in opdracht van de Commissie interne markt en consumentenbescherming van februari 2019, getiteld “Contribution to Growth: The Single Market for Services - Delivering economic benefits for citizens and businesses”,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2018 getiteld “Een Europese detailhandel die past bij de 21e eeuw” (COM(2018)0219),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “In kaart brengen en aanpakken van belemmeringen voor de eengemaakte markt” (COM(2020)0093),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Langetermijnactieplan voor een betere uitvoering en handhaving van de regels inzake de eengemaakte markt” (COM(2020)0094),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2020 getiteld “Naar een gefaseerde en gecoördineerde aanpak van het herstel van het vrije verkeer en de opheffing van de binnengrenscontroles – COVID-19” (C(2020)3250),

–   gezien de Aanbeveling van de Raad van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs, hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland(9),

–   gezien de brief van de ministers-presidenten van de lidstaten van 26 februari 2019 aan de voorzitter van de Europese Raad over de toekomstige ontwikkeling van de eengemaakte markt,

–   gezien het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 14 maart 2016 getiteld “Heeft de Commissie gezorgd voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn?”,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–   gezien het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–   gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A9‑0250/2020),

A.  overwegende dat de dienstenrichtlijn en de richtlijn erkenning beroepskwalificaties belangrijke instrumenten zijn om het vrij verkeer van diensten binnen de Europese Unie te waarborgen, maar dat het potentieel van de eengemaakte markt voor diensten nog steeds voor een deel onbenut blijft;

B.  overwegende dat diensten goed zijn voor 73 % van het bbp van de EU en voor 74 % bijdragen aan de werkgelegenheid(10), wat blijkt uit het feit dat maar liefst negen van de tien nieuwe banen in de Europese Unie in deze sector worden gecreëerd, terwijl het aandeel van de diensten in de handel binnen de EU slechts ongeveer 20 % bedraagt, en daarmee maar 6,5 % van het bbp van de EU genereert; overwegende dat uit studies blijkt dat de potentiële voordelen van de verdieping van de eengemaakte markt voor diensten door een doeltreffende tenuitvoerlegging en een betere harmonisatie van de regelgeving wel 297 miljard EUR kunnen bedragen, wat overeenkomt met 2 % van het bbp van de EU; overwegende dat 27 %(11) van de toegevoegde waarde van de in de EU vervaardigde producten wordt gegenereerd door diensten en dat 14 miljoen banen in de dienstensector de productie ondersteunen; overwegende dat er een aantal diensten zijn die complexe toeleveringsketens kennen en daardoor minder aan handel zijn blootgesteld;

C.  overwegende dat een evenwicht tussen economische vrijheden, sociale rechten, de belangen van consumenten, werknemers en bedrijven en het algemeen belang primordiaal is voor het kader van de eengemaakte markt; overwegende dat het afstemmen van economische groei op kwalitatieve ontwikkelingsaspecten, zoals verbetering van de kwaliteit en veiligheid van het bestaan en hoogwaardige diensten, van cruciaal belang is voor de evaluatie van de ontwikkeling van de eengemaakte markt en moet leiden tot een verdere verbetering van de rechten van consumenten en werknemers;

D.  overwegende dat consumenten baat hebben bij hoogwaardige diensten en dat versnippering van de eengemaakte markt door ongerechtvaardigde nationale regelgeving en bepaalde commerciële praktijken, die onder meer leiden tot minder concurrentie, niet alleen nadelig is voor het bedrijfsleven, maar ook voor consumenten, die hierdoor minder keuze hebben en hogere prijzen betalen;

E.  overwegende dat de dienstenrichtlijn, die ongeveer twee derde van de dienstenactiviteiten bestrijkt, in overeenstemming met de bijzondere regelgevingskaders van algemeen belang, artikel 2 van Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 14 VWEU, sociale diensten, gezondheidsdiensten en andere openbare diensten geheel of gedeeltelijk uitsluit van het toepassingsgebied ervan; overwegende dat diensten van algemeen belang indien nodig door de lidstaten moeten worden aangeboden, besteld en georganiseerd in overeenstemming met de plaatselijke behoeften en omstandigheden om op een zo lokaal mogelijk niveau tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruikers;

F.  overwegende dat de EU momenteel te kampen heeft met een recessie en een stijgende werkloosheid als gevolg van de COVID-19-pandemie, en dat de verdieping van de eengemaakte markt voor diensten een belangrijke methode is om de handelsstromen van de EU te vergroten en de waardeketens te verbeteren en zo bij te dragen tot economische groei;

G.  overwegende dat werknemers in de dienstensector die tijdens de hele COVID-19-pandemie in de Europese Unie onvermoeibaar hebben gewerkt, onevenredig worden getroffen door ernstige economische onzekerheid of blootstelling in de frontlinie; overwegende dat deze kwestie op EU-niveau moet worden aangepakt;

H.  overwegende dat de lidstaten de herziene detacheringsrichtlijn(12) correct en tijdig moeten uitvoeren en monitoren, teneinde gedetacheerde werknemers tijdens hun detachering te beschermen en onterechte beperkingen van de vrijheid van dienstverrichting te vermijden, door te voorzien in verplichte bepalingen met betrekking tot arbeidsvoorwaarden en de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers;

I.  overwegende dat een meer geïntegreerde en onderling verbonden dienstenmarkt nodig is om te voldoen aan de voorwaarden uit hoofde van de Europese pijler van sociale rechten, de klimaatverandering aan te pakken, een duurzame economie, met inbegrip van digitale handel, tot stand te brengen en het volledige potentieel van de Europese Green Deal te benutten;

J.  overwegende dat de verschillende keuzes op regelgevingsgebied op zowel EU- als nationaal niveau en de gebrekkige en ontoereikende omzetting en uitvoering van de bestaande regelgeving een hiaat op het gebied van handhaving met zich brengen, aangezien bepalingen die niet naar behoren worden uitgevoerd, ook niet doeltreffend kunnen worden gehandhaafd; overwegende dat coherente en duidelijke regelgeving een voorwaarde is om belemmeringen voor het vrije verkeer van diensten weg te nemen; overwegende dat inbreuken op de regelgeving inzake diensten met de bestaande handhavingsmechanismen moeilijk op te sporen en aan te pakken zijn, met name op lokaal niveau;

K.  overwegende dat administratieve procedures, uiteenlopende nationale regelingen en met name belemmeringen voor de toegang tot noodzakelijke informatie het moeilijk maken om grensoverschrijdend handel te drijven, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s); overwegende dat bestaande instrumenten ter ondersteuning van de behoeften van kleinere bedrijven, zoals het Uw Europa-bedrijvenportaal, Solvit-centra voor de behandeling van zaken, de één-loketten, e-overheidportalen, de digitale toegangspoort en andere instrumenten, beter moeten worden gepromoot om de grensoverschrijdende handel in diensten te bevorderen;

L.  overwegende dat er geen systematisch EU-breed gegevensverzamelingssysteem voorhanden is om toereikende informatie te verschaffen over mobiele werknemers of hen in staat te stellen de situatie omtrent hun socialezekerheidsdekking vast te stellen en aanspraak te maken op verschillende opgebouwde rechten; overwegende dat toegang tot informatie over toepasselijke regels, in combinatie met doeltreffende naleving, toezicht en handhaving, noodzakelijke voorwaarden zijn voor eerlijke mobiliteit en de bestrijding van misbruik van het systeem; overwegende dat bijgevolg digitale technologie, die het toezicht op en de handhaving van wetgeving ter bescherming van de rechten van mobiele werknemers kan vergemakkelijken, moet worden bevorderd en gebruikt, met inachtneming van de regels inzake gegevensbescherming;

M.  overwegende dat het ontbreken van instrumenten voor automatische erkenning van opleidingen, kwalificaties, vaardigheden en competenties tussen lidstaten ongunstig is voor de mobiliteit van studenten, stagiairs, afgestudeerden en gekwalificeerde arbeidskrachten en dat dit de overdracht van ideeën binnen de EU, de innovatiekansen voor de economie van de EU en een echte geïntegreerde eengemaakte markt in de weg staat;

Belemmeringen binnen de eengemaakte markt wegnemen

1.  benadrukt dat het bevorderen van de eengemaakte markt, met inbegrip van het vrij, eerlijk en veilig verkeer van diensten en personen, de bescherming van consumenten en de strikte naleving van de EU-regelgeving van het allergrootste belang zijn om de economische crisis als gevolg van de COVID-19-pandemie aan te pakken; dringt er bij alle lidstaten op aan de onterechte en onevenredige belemmeringen voor het vrij verkeer van diensten binnen de eengemaakte markt zo snel mogelijk weg te nemen; betreurt dat het door de Commissie voorgestelde herstelplan niet voorziet in specifieke financiering voor het verkeer van diensten, waardoor het belang van dit verkeer als instrument voor economisch herstel niet wordt erkend;

2.  benadrukt dat bedrijven en werknemers in de hele Europese Unie over vrij verkeer moeten kunnen beschikken om hun diensten aan te bieden, maar dat ontoereikende tenuitvoerlegging en handhaving van de regelgeving inzake de eengemaakte markt, ontoereikende elektronische procedures, ongerechtvaardigde regelgevingsbeperkingen voor dienstverleners en belemmeringen voor de toegang tot gereglementeerde beroepen belemmeringen blijven creëren die burgers van banen beroven, consumenten van keuzes, en ondernemers, met name kmo’s, micro-ondernemingen en zelfstandigen, van kansen; verzoekt de lidstaten onnodige eisen te schrappen en het documentatieproces voor grensoverschrijdende verlening van diensten te digitaliseren; benadrukt het toenemend belang van serviceverlening, d.w.z. de groeiende rol van diensten in de productiesector, en beklemtoont dat belemmeringen voor de handel in diensten steeds vaker tot belemmeringen bij de productie leiden; benadrukt dat de volledige uitvoering en handhaving van de dienstenrichtlijn de handelsbelemmeringen kan terugdringen en de handel binnen de EU in de dienstensector kan doen groeien; verzoekt de Commissie een schema met specifieke maatregelen vast te stellen met betrekking tot de conclusies van de mededelingen van de Commissie van 10 maart 2020 over het in kaart brengen en aanpakken van belemmeringen voor de eengemaakte markt (COM(2020)0093) en over een langetermijnactieplan voor een betere uitvoering en handhaving van de regels inzake de eengemaakte markt (COM(2020)0094);

3.  is ingenomen met het feit dat de harmonisatie van kwalificaties door middel van wederzijdse erkenning, geïnspireerd door de richtlijn erkenning beroepskwalificaties, succesvol is geweest voor meerdere beroepen, en moedigt de lidstaten aan de regels voor de toegang tot en de uitoefening van specifieke activiteiten of beroepen te herzien en te coördineren; benadrukt dat het niveau van beroepskwalificaties beter moet kunnen worden vergeleken om te zorgen voor een vlottere overgang naar wederzijdse erkenning van opleidingstitels ten behoeve van de dienstensector in de hele EU;

4.  benadrukt dat de Europese beroepskaart slechts voor vijf gereglementeerde beroepen wordt gebruikt en bijgevolg niet ten volle wordt benut; dringt er bijgevolg bij de Commissie op aan de Europese beroepskaart voor meer beroepen beschikbaar te maken, onder meer specifiek voor engineering;

5.  herinnert aan de specifieke status van gereglementeerde beroepen in de eengemaakte markt en aan hun rol bij het beschermen van het algemeen belang; benadrukt dat deze specifieke status niet mag worden gebruikt voor de instandhouding van ongerechtvaardigde nationale monopolies op het gebied van dienstverlening, wat de versnippering van de eengemaakte markt tot gevolg heeft;

6.  wijst erop dat de automatische wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van opleidingen, kwalificaties, vaardigheden en competenties ook gunstig zal zijn voor de interne markt en het vrij verkeer van werknemers en diensten; is ingenomen met het feit dat de lidstaten de automatische wederzijdse erkenning van in het buitenland verworven kwalificaties en de resultaten van studieperioden in het buitenland willen bevorderen; verzoekt de lidstaten evenwel de wederzijdse erkenning uit te breiden naar alle onderwijsniveaus en de nodige procedures zo spoedig mogelijk te verbeteren of in te voeren;

7.  dringt erop aan dat het Europese kwalificatiekader wordt bevorderd en de toepassing ervan in de hele Europese Unie wordt vereenvoudigd, zodat het een algemeen aanvaard erkenningsinstrument wordt; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om onnodige beperkingen op beroepskwalificaties weg te nemen, en is van mening dat zij actief en waakzaam moet blijven bij de uitvoering van haar inbreukbeleid wanneer lidstaten de EU-regelgeving inzake de erkenning van kwalificaties niet naleven;

8.  betreurt dat er nog steeds ongerechtvaardigde juridische complicaties en administratieve belemmeringen voor overheidsopdrachten op het gebied van diensten binnen de EU bestaan als gevolg van de uiteenlopende nationale tenuitvoerlegging van Richtlijn 2014/24/EU(13); verzoekt de Commissie verdere sectorspecifieke harmonisatie van en richtsnoeren inzake openbare aanbestedingsprocedures te monitoren en aan te moedigen, met als uiteindelijk doel de potentiële voordelen te benutten en de kosten van grensoverschrijdende aanbestedingen voor kmo’s, micro-ondernemingen en zelfstandigen te verminderen; wijst op het belang van diensten die een meetbare vermindering van de ecologische voetafdruk van de EU mogelijk maken (“groene diensten”), en dringt er bij de lidstaten op aan het bewustzijn te vergroten en beter gebruik te maken van bestaande regelingen ter bevordering van duurzame diensten bij overheidsopdrachten, teneinde een circulaire en duurzame economie tot stand te brengen;

9.  herinnert eraan dat de dienstenrichtlijn tot doel heeft hoogwaardige diensten te waarborgen, de versnippering van de interne markt te verminderen, de integratie en versterking van de eengemaakte markt te verdiepen op basis van transparante en eerlijke concurrentie, het pad te effenen voor bedrijven om hun potentieel ten volle te benutten en ten dienste te staan van de consumenten, en bij te dragen aan duurzame ontwikkeling en aan de groei van het concurrentievermogen van de economie in de EU;

10.  is van mening dat de ontwikkeling van diensten die verband houden met revolutionaire of opkomende technologieën samen moet gaan met een passende marktomvang om de investeringen te rechtvaardigen en de groei van de betrokken bedrijven te ondersteunen; merkt op dat de versnippering van de interne markt dergelijke investeringen vaak ontmoedigt;

11.  betreurt dat veel innovatieve of groeiende bedrijven zich buiten de EU willen vestigen zodra zij een bepaalde omvang hebben bereikt, maar toch op de eengemaakte markt actief blijven; is van mening dat de verwezenlijking van de vrijheid van dienstverrichting kan bijdragen tot de terugkeer van de productie naar de Europese Unie en tot het concurrentievermogen van EU-bedrijven op de wereldmarkten;

12.  wijst erop dat twee derde van de dienstenactiviteiten onder het toepassingsgebied van de dienstenrichtlijn valt, en moedigt de Commissie aan de tenuitvoerlegging ervan te evalueren en te verbeteren om het rechtskader voor de eengemaakte markt te versterken;

13.  herinnert eraan dat grensoverschrijdende gezondheidsdiensten binnen de werkingssfeer van de vrijheid van dienstverrichting vallen overeenkomstig de richtlijn beroepskwalificaties, de richtlijn evenredigheidsbeoordeling en de jurisprudentie van het Hof van Justitie, op voorwaarde dat de bijzondere aard van gezondheidsdiensten wordt erkend en de volksgezondheid wordt beschermd; merkt op dat de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg ook op basis van artikel 114 VWEU werd aangenomen; benadrukt dat nationale regelingen geen bijkomende belemmeringen voor de verlening van grensoverschrijdende gezondheidsdiensten mogen creëren ten opzichte van de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg, in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de toepassing van de Verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van diensten; benadrukt dat ook ongerechtvaardigde en onevenredige belemmeringen op nationaal niveau moeten worden weggenomen en dat tegelijkertijd een hoogwaardige gezondheidszorg voor alle EU-burgers moet worden gewaarborgd;

14.  herinnert eraan dat de beginselen van de dienstenrichtlijn en de richtlijn beroepskwalificaties het vrij verkeer van diensten vergemakkelijken; verzoekt de Commissie geactualiseerde richtsnoeren inzake de dienstenrichtlijn uit te brengen om de handhaving, harmonisatie en naleving in alle lidstaten en bij alle dienstverleners te bevorderen;

15.  erkent de speciale status van de diensten van algemeen belang en de noodzaak deze in het openbaar belang te waarborgen, zoals bepaald in een arrest van het Hof van Justitie, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, zoals vastgelegd in protocol nr. 26 VWEU betreffende de diensten van algemeen belang; betreurt evenwel het feit dat sommige lidstaten nog steeds ongerechtvaardigde redenen van openbaar belang gebruiken om hun binnenlandse markt af te sluiten voor diensten die wellicht niet als diensten van algemeen belang of diensten van algemeen economisch belang kunnen worden beschouwd;

16.  benadrukt dat vereisten zoals ongefundeerde territoriale beperkingen, ongerechtvaardigde taalvereisten en onderzoek naar de economische behoefte, indien buitensporig toegepast, ongerechtvaardigde en onevenredige belemmeringen voor het grensoverschrijdend handelsverkeer vormen;

17.  benadrukt dat COVID-19 niet mag worden aangevoerd als rechtvaardiging om het vrij verkeer van diensten op de eengemaakte markt te beperken, tenzij dit afdoende kan worden gemotiveerd, en draagt de Commissie op waakzaam te blijven ten aanzien van elk misbruik van deze rechtvaardiging;

18.  betreurt het feit dat, hoewel het de speciale status van openbare diensten en de noodzaak deze in het openbaar belang te waarborgen erkent, de lidstaten het begrip niet-economische diensten van algemeen belang soms gebruiken om bepaalde sectoren van het toepassingsgebied van de regels van de interne markt uit te sluiten, hoewel dit niet gerechtvaardigd wordt door het algemeen belang; onderstreept dat dit begrip verder moet worden gedefinieerd om nationale versnippering en interpretatieverschillen te voorkomen;

19.  is ingenomen met de richtsnoeren van de Commissie betreffende seizoenarbeiders van 16 juli 2020 in verband met de uitoefening van het vrije verkeer van grensarbeiders, gedetacheerde werknemers en seizoenarbeiders in de context van de COVID-19-pandemie in de EU, en doet een beroep op de lidstaten ervoor te zorgen dat grensarbeiders en seizoenarbeiders de grens kunnen oversteken, en tegelijkertijd veilige arbeidsomstandigheden te waarborgen;

20.  constateert dat de Commissie heeft besloten haar voorstel voor een kennisgevingsprocedure met betrekking tot diensten in te trekken; betreurt het feit dat op wetgevingsgebied geen resultaat kon worden bereikt op basis van het voorstel van het Parlement dat tot doel had de invoering van onnodige regelgevingsbelemmeringen in de dienstensector te voorkomen middels een partnerschapsbenadering tussen de lidstaten en de Commissie;

21.  constateert dat de Commissie onlangs heeft besloten haar voorstellen voor een e-kaart voor diensten in te trekken; herinnert eraan dat de Commissie interne markt en consumentenbescherming deze voorstellen heeft verworpen die waren bedoeld om de resterende complexe administratieve formaliteiten voor grensoverschrijdende dienstverleners aan te pakken; dringt aan op een nieuwe evaluatie van de situatie om de bestaande administratieve problemen op te lossen met inachtneming van de dienstenrichtlijn, alsmede de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor een goede tenuitvoerlegging en naleving van de huidige wetgeving, de Commissie, overeenkomstig artikel 15, lid 7, van de dienstenrichtlijn, in kennis te stellen van nieuwe wetten en ontwerpwetten of wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die vereisten bevatten als bedoeld in artikel 15, lid 6 van de dienstenrichtlijn, met vermelding van de redenen voor die vereisten, ongerechtvaardigde vereisten te vermijden en ongecompliceerde elektronische procedures aan te bieden om de voor grensoverschrijdende dienstverlening vereiste documenten aan te vragen, en zo te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor bedrijven en werknemers, waarbij tegelijkertijd het hoogst mogelijke niveau van consumentenbescherming wordt geboden;

23.  benadrukt dat meer grensoverschrijdende mobiliteit kan worden verwezenlijkt door de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning en de coördinatie van de regels in alle lidstaten; onderstreept dat de Europese Unie de activiteiten van de lidstaten op het gebied van sociaal beleid ondersteunt en aanvult, overeenkomstig artikel 153 VWEU, waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat de krachtens artikel 153 vastgestelde bepalingen van de EU het recht van de lidstaten om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen onverlet moeten laten en geen aanmerkelijke gevolgen mogen hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel, en niet mogen beletten dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert welke met de Verdragen verenigbaar zijn;

24.  benadrukt dat mensen met een handicap tegen meervoudige obstakels aanlopen die het voor hen moeilijk of onmogelijk maken de voordelen van het vrije verkeer van diensten ten volle te benutten; verzoekt de lidstaten de Europese toegankelijkheidswet onverwijld uit te voeren, teneinde belemmeringen voor mensen met een handicap daadwerkelijk weg te nemen en ervoor te zorgen dat er toegankelijke diensten beschikbaar zijn en dat diensten worden geleverd onder geschikte voorwaarden; onderstreept dat het van het hoogste belang is een volledig toegankelijke eengemaakte markt te verwezenlijken die garant staat voor de gelijke behandeling en inclusie van mensen met een handicap;

25.  verzoekt de Commissie de lidstaten van gestructureerde bijstand en richtsnoeren te voorzien over de uitvoering van ex-ante-evaluaties voor de nieuwe nationale regelingen inzake diensten in overeenstemming met de richtlijn evenredigheidsbeoordeling;

26.  roept de nationale parlementen ertoe op actief steun te verlenen aan de handhaving van de bestaande regels en gebruik te maken van hun toetsingsbevoegdheden jegens nationale autoriteiten;

27.  dringt er bij de belanghebbenden, het bedrijfsleven en de sociale partners op aan hun rol te blijven vervullen bij de oproep aan de regeringen om de dienstensector in de EU nieuw leven in te blazen, en zowel de sectorale als de sectoroverschrijdende interoperabiliteit te intensiveren op gebieden als milieu, vervoer en gezondheidszorg, teneinde onderling verbonden grensoverschrijdende diensten te kunnen realiseren; onderstreept dat een duurzame, eerlijke en op regels gebaseerde eengemaakte markt voor diensten met hoge sociale normen en milieunormen, hoogwaardige diensten en eerlijke concurrentie door alle belanghebbenden dient te worden bevorderd;

Handhaving van de huidige regelgeving waarborgen

28.  merkt op dat het vrij verkeer van diensten centraal staat in de eengemaakte markt en aanzienlijke economische voordelen kan opleveren, alsmede hoge normen inzake de bescherming van het milieu, de consument en werknemers, zolang het evenwicht tussen de markteconomie en de sociale dimensie van de Europese Unie in acht wordt genomen, overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, mits de bevoegde overheden, de nationale rechtbanken en de Commissie zorgen voor voldoende en actieve handhaving, en bedrijven de nationale en EU-regelingen naleven; onderstreept dat de grenzen tussen de lidstaten open moeten blijven ter waarborging van de grondbeginselen van de EU; onderstreept dat elke tijdelijke herinvoering van controles aan de binnengrenzen gedurende een crisissituatie, zoals een gezondheidscrisis, met zorg moet gebeuren en alleen als laatste redmiddel moet worden gebruikt op basis van zorgvuldige coördinatie tussen de lidstaten, aangezien grenscontroles de grondbeginselen van de EU in gevaar brengen, en benadrukt tevens dat naarmate nationale afzonderingsmaatregelen worden opgeheven, de onmiddellijke aandacht moet uitgaan naar de opheffing van de grenscontroles;

29.  wist erop dat bedrijven en consumenten in de gehele Europese Unie baat hebben bij de adequate uitvoering en handhaving van bestaande wetgeving; moedigt de Commissie ertoe aan alle haar ter beschikking staande middelen te gebruiken om de bestaande regels volledig op te leggen en snel over klachten te beslissen, zodat vanuit het oogpunt van de eindgebruiker kwesties doeltreffend worden aangepakt; dringt erop aan de beoordeling van alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen en de inbreukprocedures rigoureus en zonder onnodige vertraging toe te passen, telkens wanneer inbreuken op de toepasselijke wetgeving worden vastgesteld die in strijd zijn met de goede werking van de eengemaakte markt, en onevenredige lasten worden ingevoerd;

30.  onderstreept dat de lidstaten uitsluitend dwingende redenen van algemeen belang mogen aanhalen, wanneer hiervoor legitieme gronden bestaan; benadrukt echter het recht van de lidstaten om de dienstensector in het algemeen belang te reguleren ter bescherming van de consumenten en de kwaliteit van de dienstverlening;

31.  verzoekt de Commissie beter toezicht te houden op de prestaties en het niveau van kwaliteit dat de lidstaten aan de dag leggen bij de omzetting, uitvoering en handhaving van wetgeving, met inbegrip van een jaarlijks verslag over deze kwesties, en samen met de lidstaten, sociale partners en andere belanghebbenden transparante en participatieve evaluaties te ontwikkelen, die zowel op kwalitatieve als kwantitatieve criteria zijn gebaseerd;

32.  betreurt het feit dat maar liefst twintig lidstaten te laat waren bij de omzetting van de dienstenrichtlijn in nationaal recht; herinnert eraan dat het bereik van instrumenten, zoals het éénloketsysteem, nog altijd beperkt is en dat dienstverleners nog steeds onvoldoende op de hoogte zijn van alle hun ter beschikking staande mogelijkheden; verzoekt de Commissie derhalve belanghebbenden onder meer door middel van advertenties op het internet te informeren over de door de richtlijn geboden mogelijkheden;

33.  benadrukt dat de totstandbrenging van een dynamische markt en een gelijk speelveld voor de grensoverschrijdende verlening van diensten van de informatiemaatschappij een sleutelrol vervult bij het toekomstig concurrentievermogen van de economie van de EU; doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om de resterende belemmeringen voor de grensoverschrijdende verlening van diensten van de informatiemaatschappij aan te pakken in het kader van het wetgevingspakket inzake digitale diensten;

34.  verzoekt de Commissie om meer daadkracht teneinde te zorgen voor een efficiënte coördinatie en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, teneinde overlapping van procedures en controles bij grensoverschrijdende dienstverlening te voorkomen;

35.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de structuur en werkwijze van de nieuwe taskforce voor de handhaving van de eengemaakte markt (SMET) vast te leggen, met inbegrip van de praktische dimensie ervan, en een schema met specifieke maatregelen op te stellen in overeenstemming met de door de SMET vastgestelde prioriteiten(14) door een nieuw langetermijnactieplan op te stellen voor een betere uitvoering en handhaving van de regels inzake de eengemaakte markt, om het potentieel van de eengemaakte markt voor diensten zo groot mogelijk te maken; is van oordeel dat de SMET een meerwaarde kan bieden door te zorgen voor samenhang bij de uitvoering van alle strategieën voor de eengemaakte markt en het uitwisselen van gegevens en cijfers over de resultaten; moedigt de SMET ertoe aan een open en transparante databank in te richten over specifieke nationale niet-tarifaire belemmeringen en lopende inbreukprocedures;

36.  onderstreept het belang van prejudiciële beslissingen voor de totstandbrenging van EU-recht; betreurt het feit dat, hoewel de duur van de prejudiciële procedure reeds aanzienlijk is verkort, de gemiddelde duur van 14,4 maanden(15) nog steeds lang is; doet een beroep op het Hof van Justitie om na te gaan hoe de duur nog verder kan worden verkort ter voorkoming van problemen voor dienstverleners en ontvangers van diensten in de eengemaakte markt; onderstreept dat prejudiciële beslissingen een belangrijke weerslag hebben op de ontwikkeling van de eengemaakte markt en het terugdringen van ongerechtvaardigde belemmeringen in deze markt;

Meer informatie en duidelijkheid inzake regelgeving door het versterken van de rol van de één-loketten

37.  merkt op dat de COVID-19-pandemie het gebrek aan duidelijkheid in de regelgeving voor het voetlicht heeft gebracht, alsook het gebrek aan communicatie tussen de lidstaten over de snel veranderende regelgeving; benadrukt het grote belang van één digitale toegangspoort en de één-loketten als een onlinetoegangspunt voor nationale en EU-informatie, procedures en ondersteunende diensten in de eengemaakte markt, zoals voorzien in de dienstenrichtlijn;

38.  beveelt de lidstaten aan de digitale toegangspoort op een kmo- en consumentvriendelijke manier ten uitvoer te leggen en hun één-loketten te veranderen van louter regelgevingsportalen in volledig functionerende portalen; is van mening dat dit kan worden bereikt door op de toegangspoort gebruikersgerichte informatie, ondersteunende diensten en vereenvoudigde procedures ter beschikking te stellen en de digitale toegangspoort te koppelen aan de één-loketten en zo ervoor te zorgen dat de toegangspoort zoveel mogelijk als een virtueel éénloketsysteem fungeert en dat gebruikersgerichtheid centraal staat; stelt voor de ontwerpnormen van de Europa Web Guide over te nemen om een gebruikersvriendelijke en herkenbare interface voor alle één-loketten te waarborgen;

39.  beveelt de Commissie en de lidstaten aan om via één digitale toegangspoort systematisch gebruikersvriendelijke informatie te verstrekken over alle nieuwe EU-regelgeving die rechten of verplichtingen voor consumenten en bedrijven creëert; beveelt hiertoe aan dat de Commissie en de lidstaten vaak de belanghebbenden raadplegen; onderstreept dat transparantie, gelijke behandeling en non-discriminatie van essentieel belang zijn voor het vrij verkeer van diensten;

40.  stelt vast dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat alle haalbare administratieve procedures die betrekking hebben op de vestiging van bedrijven en de vrijheid van dienstverlening, binnen een digitale omgeving kunnen worden afgewikkeld, overeenkomstig de verordening inzake één digitale toegangspoort; dringt bij de lidstaten erop aan hun digitaliseringswerk te versnellen, vooral voor procedures die gevolgen hebben voor bedrijven en consumenten, teneinde hen in staat te stellen de administratieve procedures op afstand en online af te wikkelen; spoort de Commissie ertoe aan erop toe te zien dat de betrokken partijen hun inspanningen verdubbelen, en met name de ondermaats presterende lidstaten actief te ondersteunen;

41.  beveelt aan dat de Commissie de nationale autoriteiten in elke lidstaat bijstaat bij het verbeteren van de één-loketten teneinde de communicatie in het Engels, naast de plaatselijke taal, tussen de betrokken autoriteiten te vergemakkelijken, en als bemiddelaar op te treden wanneer deadlines niet worden nagekomen of verzoeken niet worden beantwoord; onderstreept dat het éénloketsysteem aan consumenten, werknemers en bedrijven de volgende informatie en ondersteuning moet verschaffen, met naleving van korte termijnen:

   de nationale en EU-voorschriften die bedrijven in de betrokken lidstaat moeten toepassen, alsook informatie voor werknemers, met inbegrip van informatie over het arbeidsrecht, gezondheids- en veiligheidsprotocollen, de toepasselijke collectieve overeenkomsten, de organisaties van sociale partners en de begeleidingsstructuren voor arbeidskrachten en werknemers, zodat zij zich kunnen informeren over hun rechten en misstanden kunnen melden;
   de maatregelen die bedrijven moeten nemen om aan deze voorschriften te voldoen, samengevat per procedure, met stapsgewijze richtsnoeren;
   de documenten waarover bedrijven moeten beschikken, en binnen welke termijn;
   de autoriteiten die bedrijven moeten contacteren om de nodige vergunningen te krijgen enz.;

42.  onderstreept dat de één-loketten alle nodige informatie moeten verstrekken over bedrijfsgerelateerde vereisten voor bedrijven in de betrokken lidstaat; merkt op dat hieronder bijvoorbeeld de vereisten betreffende beroepskwalificaties vallen, alsook verplichtingen ten aanzien van btw (tarieven, registratievoorschriften, rapportageverplichtingen enz.), inkomstenbelasting, sociale zekerheid en arbeidsrechtelijke verplichtingen; benadrukt dat alle relevante regelgevings- en administratieve informatie, evenals alle relevante documenten die door elk één-loket worden verstrekt, in de Engelse taal beschikbaar moeten zijn, indien mogelijk en passend, evenals in de plaatselijke taal;

43.  beveelt aan dat de één-loketten beter met elkaar verbonden worden en informatie uitwisselen over vereisten en procedures waaraan bedrijven in hun lidstaten moeten voldoen, alsmede sectorspecifieke informatie over beroepskwalificaties; beveelt voorts aan dat de één-loketten ondersteuning bieden aan buitenlandse bedrijven die in de betrokken lidstaat zaken willen doen, alsook aan plaatselijke bedrijven die diensten en goederen naar andere lidstaten willen uitvoeren door hen de uitgewisselde informatie en de nodige contactgegevens te verschaffen; moedigt de Commissie in dit verband ertoe aan naar verdere synergieën te zoeken met bijvoorbeeld de Europese Arbeidsautoriteit (ELA) teneinde deze uitwisseling van informatie te bevorderen; doet een beroep op de Commissie om in samenwerking met de lidstaten na te gaan of de één-loketten meer middelen nodig hebben om deze taken uit te voeren;

44.  dringt aan op samenwerking tussen de één-loketten van de lidstaten om ervoor te zorgen dat bedrijven, werknemers en andere belanghebbenden snelle, correcte, volledige en actuele informatie krijgen in de plaatselijke taal en het Engels;

45.  verzoekt de Commissie een coördinerende rol te vervullen bij het delen van informatie tussen de één-loketten en waar nodig de lidstaten door middel van richtsnoeren te helpen de procedures te vereenvoudigen, met name voor kmo’s; onderstreept dat deze coördinatie ook het delen van kennis tussen de lidstaten moet waarborgen, ook over mobiele werknemers, zowel met betrekking tot optimale praktijken inzake communicatie, als met betrekking tot administratieve vereisten en onnodige vereisten in verband met de eengemaakte markt;

46.  benadrukt dat alle één-loketten gemakkelijk toegankelijk moeten zijn via de digitale toegangspoort, en volledig toegankelijke informatie en administratieve diensten van de lidstaten moeten verstrekken in begrijpelijke taal, met behulp van goed opgeleide helpdeskmedewerkers, die doeltreffende gebruikersvriendelijke ondersteuning bieden;

47.  dringt bij de lidstaten erop aan zich ten volle in te zetten voor de digitalisering van overheidsdiensten en alle componenten van het systeem voor de elektronische uitwisseling van socialezekerheidsgegevens ten uitvoer te leggen, teneinde de samenwerking tussen de lidstaten en de socialezekerheidsinstellingen te versterken en de vrije en eerlijke mobiliteit van EU-werknemers te bevorderen; verzoekt de lidstaten de samenwerking en de informatie-uitwisseling met betrekking tot de socialezekerheidsstelsels te verbeteren;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het gebruik van digitale instrumenten te bevorderen, en verzoekt de lidstaten om de arbeidsinspecties voldoende middelen ter beschikking te stellen om alle vormen van misbruik te kunnen aanpakken; verzoekt de Commissie te komen met een initiatief voor een socialezekerheidsnummer van de EU, teneinde werknemers en bedrijven rechtszekerheid te bieden, en tegelijkertijd onderaannemingspraktijken doeltreffend te controleren en socialezekerheidsfraude zoals schijnzelfstandigheid, schijndetachering en brievenbusmaatschappijen te bestrijden; verzoekt de lidstaten voorts ervoor te zorgen dat de controles op evenredige, rechtvaardige en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan de ELA zo snel mogelijk volledig operationeel te maken om te zorgen voor een betere coördinatie tussen de nationale arbeidsinspecties en om grensoverschrijdende sociale dumping aan te pakken;

49.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat in alle nieuwe richtlijnen, verordeningen of aanbevelingen betreffende de eengemaakte markt voor diensten de verplichting wordt opgenomen om de één-loketten in hun functies te versterken en toereikende middelen te reserveren voor het uitvoeren van eventuele aanvullende functies in het kader van de dienstenrichtlijn waarbij de toewijzing van functies en bevoegdheden aan de instanties binnen de nationale stelsels onverlet wordt gelaten;

Evalueren: scorebord van de eengemaakte markt en restrictiviteitsindicatoren

50.  steunt het voorlopige initiatief van de Commissie om het scorebord van de eengemaakte markt te actualiseren aan de hand van een nieuwe reeks indicatoren waarmee de tenuitvoerlegging door de lidstaten van de relevante regelgeving voor de eengemaakte markt kan worden geëvalueerd; moedigt de Commissie ertoe aan de gepubliceerde gegevens aan te vullen met relevante gegevens van IMI, Solvit, het centrale klachtenregister van CHAP en andere relevante bronnen; benadrukt dat speciale aandacht moet uitgaan naar de kwaliteit van de uitvoering;

51.  beveelt aan dat in het geactualiseerde scorebord van de eengemaakte markt de nadruk komt te liggen op de melding van relevante kwesties vanuit het oogpunt van de eindgebruiker en dat wordt nagegaan of bekommernissen en klachten worden geregeld, bijvoorbeeld in het kader van Solvit of het Netwerk van Europese consumentencentra; betreurt voorts dat het Solvit-instrument in de lidstaten nauwelijks wordt gebruikt en vaak over weinig geavanceerde digitale mogelijkheden beschikt; benadrukt dat het niveau van transparantie inzake inbreuken op de vrijheid van dienstverrichting verhoogd moet worden; is van mening dat het scorebord van de eengemaakte markt passende informatie moet bevatten, met inbegrip van het aantal klachten, het aantal gestarte procedures, de sector waarin de inbreuk heeft plaatsgevonden, het aantal afgewikkelde zaken, en het resultaat of de reden van afsluiting van de zaak;

52.  dringt bij de Commissie erop aan een kwantitatieve en kwalitatieve evaluatiemethode in te voeren in samenspraak met alle betrokken belanghebbenden waarbij met name aandacht moet worden besteed aan het algemeen belang en de kwaliteit van de verrichte dienst; benadrukt dat de methode voor het vaststellen van kwalitatieve indicatoren transparant moet zijn en de verschillen in regelgeving vooraf en achteraf moet evalueren; wijst erop dat het belangrijk is na te gaan of de desbetreffende EU-richtlijnen op tijd worden uitgevoerd en op de wijze die de EU-medewetgevers beoogden;

53.  beveelt aan dat een geactualiseerd scorebord van de eengemaakte markt de kwaliteit van de tenuitvoerlegging koppelt aan bestaande restrictiviteitsindicatoren, en beperkingen van de dienstverlening in nieuwe en bestaande beleidsdomeinen en de verschillende niveaus van tenuitvoerlegging en handhaving van de EU-regelgeving in kaart brengt; beveelt voorts aan dat het Europees Semester ook wordt gebruikt voor het versterken van de eengemaakte markt, nu het wegnemen van de meest problematische regelgevende en administratieve lasten nog altijd een punt van aandacht is; spoort de Commissie ertoe aan in haar landspecifieke aanbevelingen aandacht te besteden aan de activiteiten van de lidstaten voor de middellange termijn die gericht zijn op het wegnemen van de resterende administratieve en regelgevende belemmeringen in de eengemaakte markt voor diensten;

54.  is van mening dat de Europese Commissie bij het beoordelen van de vooruitgang van de lidstaten met betrekking tot het doorvoeren van structurele hervormingen, hun prestaties moet evalueren ten aanzien van de verwezenlijking van het potentieel van de eengemaakte markt en het streven naar een duurzamere economie;

55.  verzoekt de Commissie de bestaande indicatoren bij te werken en nieuwe indicatoren in te voeren om de lidstaten te helpen vast te stellen op welk gebied inspanningen kunnen worden geleverd om de resultaten van hun beleid te verbeteren, en om hun inspanningen bij de reductie van beperkingen te volgen;

56.  dringt er bij de lidstaten op aan jaarlijkse nationale streefcijfers voor de openstelling van de handel in diensten vast te stellen en in dit verband evaluaties uit te voeren; beveelt de Commissie aan het scorebord van de eengemaakte markt te gebruiken om, in navolging van het Europees innovatiescorebord, te laten zien hoe open de handel in diensten in de lidstaten is, zodat de lidstaten geloofwaardige, concrete en meetbare toezeggingen kunnen doen teneinde beter te presteren op het gebied van tenuitvoerlegging en handhaving waar het de handel in diensten binnen de EU betreft;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(2) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.
(3) PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11.
(4) PB L 173 van 9.7.2018, blz. 16.
(5) PB L 173 van 9.7.2018, blz. 25.
(6) PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1.
(7) PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45.
(8) PB C 388 van 13.11.2020, blz. 39.
(9) PB C 444 van 10.12.2018, blz. 1.
(10) Eurostat, The European economy since the start of the millennium, Europese Unie, Brussel, 2018.
(11) Rytter Synesen, E. en Hvidt Thelle, M., Making EU Trade in Services Work for All, Copenhagen Economics, Kopenhagen, 2018.
(12) Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).
(13) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(14) Mededeling van de Commissie getiteld “In kaart brengen en aanpakken van belemmeringen voor de eengemaakte markt” (COM(2020)0093).
(15) Hof van Justitie van de Europese Unie, The Year in Review: Annual Report 2019.


Ontwikkeling van doeltreffend beleid naar aanleiding van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed
PDF 187kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over de ontwikkeling van doeltreffend beleid naar aanleiding het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed (2019/2194(INI))
P9_TA(2021)0008A9-0210/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin is vermeld dat de ondertekenaars zijn “geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa” en verlangen “de solidariteit tussen hun volkeren te verdiepen met inachtneming van hun geschiedenis, cultuur en tradities”, en gezien artikel 3, lid 3, van het VEU,

–  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 22 daarvan,

–  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, aangenomen door de Algemene Conferentie van de Unesco tijdens haar 33e zitting op 20 oktober 2005(1),

–  gezien de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, aangenomen door de Algemene Conferentie van de Unesco tijdens haar 17e zitting op 16 november 1972(2),

–  gezien het Verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed, aangenomen door de Algemene Conferentie van de Unesco tijdens haar 32e zitting op 17 oktober 2003(3),

–  gezien het Verdrag inzake de bescherming van cultureel erfgoed onder water, aangenomen door de Algemene Conferentie van de Unesco tijdens haar 31e zitting op 2 november 2001(4),

–  gezien het Verdrag van Den Haag van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict(5),

–  gezien de Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen, aangenomen door de Algemene Conferentie van de Unesco tijdens haar 16e zitting op 14 november 1970(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 november 2018 over het werkplan voor cultuur 2019-2022,

–  gezien de mededeling van 22 mei 2018 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een nieuwe Europese agenda voor cultuur (COM(2018)0267),

–  gezien het verslag van 28 oktober 2019 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de uitvoering, resultaten en algehele beoordeling van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 (COM(2019)0548),

–  gezien de mededeling van 11 december 2019 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en het Comité van de Regio’s getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),

–  gezien Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012(7),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 met de titel “Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa”(8),

–  gezien zijn verslag van 23 november 2018 over de nieuwe Europese agenda voor cultuur,

–  gezien zijn resolutie van 19 september 2019 over het belang van Europese herinnering voor de toekomst van Europa(9),

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2014 over participatief beheer van cultureel erfgoed(10),

–  gezien de resolutie van de Raad van 26 juni 2000 inzake de conservering en opwaardering van het Europese cinematografische erfgoed(11),

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 mei 2014 over cultureel erfgoed als strategische hulpbron voor een duurzaam Europa(12),

–  gezien de conclusies van de Raad van 8 juni 2018 over de noodzaak cultureel erfgoed op alle beleidsgebieden van de EU op de voorgrond te plaatsen(13),

–  gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Verdrag van Faro) van 13 oktober 2005(14),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 5 december 2018 over een Europees actiekader voor cultureel erfgoed (SWD(2018)0491),

–  gezien de resolutie van 22 november 2019 van de Raad van de Europese Unie en van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over de culturele dimensie van duurzame ontwikkeling (13956/19),

–  gezien de Eurobarometer-enquête over cultureel erfgoed (Special Eurobarometer 466)(15),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2014 getiteld “Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa” (COM(2014)0477),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van november 2014 naar aanleiding van de mededeling van de Commissie getiteld “Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa” (2015/C 195/04)(16),

–  gezien Besluit (EU) 2017/864 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 over een Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed (2018)(17),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 27 oktober 2011 betreffende de digitalisering en onlinetoegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring (2011/711/EU)(18),

–  gezien de verklaring van 9 april 2019 betreffende de samenwerking in verband met de bevordering van de digitalisering van cultureel erfgoed(19),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het werkprogramma 2020 van de Commissie, getiteld “Een Unie die de lat hoger legt” (COM(2020)0037),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018 over de bijdrage van Europese plattelandsgebieden aan het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 door te zorgen voor duurzaamheid en cohesie tussen stad en platteland (NAT/738-EESC-2018-01641),

–  gezien de Verklaring van Davos van 2018 “Naar een kwalitatief hoogstaande Baukultur voor Europa”(20),

–  gezien de Verklaring van Leeuwarden van 23 november 2018 over het aangepaste hergebruik van gebouwd erfgoed(21),

–  gezien de verklaring die op 3 mei 2019 werd aangenomen tijdens de informele vergadering van de ministers van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor culturele en Europese aangelegenheden na de brand in de Notre-Dame van Parijs(22),

–  gezien het Europees Cultureel Verdrag van de Raad van Europa van 19 december 1954(23),

–  gezien de oproep tot actie van Berlijn van Europa Nostra (Cultural Heritage for the Future of Europe) van 22 juni 2018(24), en het manifest van Parijs van Europa Nostra (Relançons l’Europe par la culture et le patrimoine culturel! (Laten we Europa weer op gang brengen door middel van cultuur en cultureel erfgoed!)) van 30 oktober 2019(25),

–  gezien de studie getiteld “Cultural Heritage Counts for Europe” (Cultureel erfgoed telt voor Europa) van 2015(26),

–  gezien de Verklaring van Barcelona over toerisme en cultureel erfgoed, getiteld “Better Places to Live, Better Places to Visit” ( (Betere plaatsen om te wonen, betere plaatsen om te bezoeken) van 11 oktober 2018(27),

–  gezien de studie getiteld “Safeguarding cultural heritage from natural and man-made disasters” (Bescherming van cultureel erfgoed tegen natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen) van 2018(28),

–  gezien het document van de Internationale Raad voor Monumenten en Landschappen (ICOMOS) van 2019, getiteld “European quality principles for EU-funded interventions with potential impact upon cultural heritage” (Europese kwaliteitsbeginselen voor door de EU gefinancierde ingrepen die gevolgen kunnen hebben voor cultureel erfgoed)(29),

–  gezien het Internationaal Handvest inzake de instandhouding en de restauratie van historische monumenten en plaatsen (het Handvest van Venetië van 1964)(30),

–  gezien de Overeenkomst van Granada van 1985 inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa(31),

–  gezien het Verdrag van Valletta van 1992 inzake het behoud van het archeologisch erfgoed van Europa(32),

–  gezien de Europese Erfgoedprijzen / Europa Nostra-prijzen,

–  gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN, met name doelstellingen 4, 11 en 13,

–  gezien de cluster “Cultuur, creativiteit en inclusieve samenleving” van Horizon Europa, pijler 2(33),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(34),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(35),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(36),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over taalgelijkheid in het digitale tijdperk(37),

–  gezien zijn resolutie van 13 november 2018 over minimumnormen voor minderheden in de EU(38),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(39),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG(40),

–  gezien de toezeggingen die de commissaris voor Innovatie, Onderzoek, Cultuur, Onderwijs en Jeugd heeft gedaan tijdens de aan haar benoeming voorafgaande hoorzitting op 30 september 2019 voor het Europees Parlement,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A9-0210/2020),

A.  overwegende dat het materieel, immaterieel, natuurlijk en digitaal cultureel erfgoed van Europa een bron van rijkdom is die uit het verleden is geërfd, die getuigt van de Europese geschiedenis, cultuur en tradities in al hun verscheidenheid en die in de loop der tijd voortdurend wordt verrijkt, en overwegende dat dit erfgoed moet worden bewaard om te worden overgedragen aan de toekomstige generaties;

B.  overwegende dat het Europees cultureel erfgoed een bron is voor herinnering, collectief geheugen en kennis die ons gevoel van samenhorigheid versterkt;

C.  overwegende dat de cultuur en het cultureel erfgoed helpen om onze identiteit te versterken en om de sociale samenhang, de stabiliteit en het begrip in de samenleving te bevorderen;

D.  overwegende dat cultureel erfgoed een waarde op zich is, divers is en meerdere lagen (lokaal, regionaal, nationaal, Europees en mondiaal) en vormen (materieel, immaterieel, natuurlijk, digitaal en gedigitaliseerd) heeft die met elkaar verbonden zijn;

E.  overwegende dat het cultureel erfgoed een belangrijke bijdrage levert aan de culturele en creatieve sectoren in en buiten Europa;

F.  overwegende dat meer dan 300 000 mensen in Europa werkzaam zijn in de erfgoedsector en dat 7,8 miljoen banen in Europa indirect met deze sector verbonden zijn;

G.  overwegende dat tijdens het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed (EYCH) in 2018 meer dan 23 000 evenementen hebben plaatsgevonden, waarbij meer dan 12,8 miljoen mensen (2,5 % van de bevolking van de EU-28)(41) in de lidstaten werden bereikt(42);

H.  overwegende dat de strategische visie van het EYCH, die is verwoord in het motto “Ons erfgoed: waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten”, nog steeds geldt als een leidend beginsel voor het vervolg en gericht is op het opbouwen van banden tussen het Europese culturele erfgoed en de huidige culturele productie, en op het bevorderen van de participatie van de Europese burgers;

I.  overwegende dat de activiteiten van het EYCH gericht waren op de jongeren en op interactieve en creatieve projecten;

J.  overwegende dat het EYCH 2018 werd gehouden in een jaar met belangrijke historische jubilea; overwegende dat er in dat jaar tal van nationale en internationale vieringen en herdenkingsevenementen hebben plaatsgevonden, die een aanzienlijke voetafdruk op de Europese culturele kaart hebben achtergelaten;

K.  overwegende dat het EYCH onder meer heeft geleid tot de oprichting van een Europees netwerk van belanghebbenden met blijvende banden; overwegende dat dit netwerk duurzaam en robuust moet zijn;

L.  overwegende dat lokale en pan-Europese non-gouvernementele organisaties (ngo’s) en maatschappelijke organisaties een immense bijdrage hebben geleverd aan het welslagen van het EYCH;

M.  overwegende dat, volgens de Eurobarometer-enquête over cultureel erfgoed, 84 % van de respondenten in de lidstaten van mening is dat cultureel erfgoed belangrijk is voor hen persoonlijk en voor hun lokale gemeenschap, terwijl acht op tien (80 %) het belangrijk vinden voor de Europese Unie als geheel;

N.  overwegende dat bijna een derde van de locaties op de Unesco-werelderfgoedlijst zich in de EU-27 bevindt, waaronder 326 cultureel belangrijke plaatsen, 26 natuurgebieden en vijf gemengde locaties; overwegende dat Europa in zijn geheel goed is voor bijna de helft van de werelderfgoedlijst van Unesco;

O.  overwegende dat de representatieve lijst van het immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid van de Unesco ten minste 131 onderdelen bevat die aan landen van de EU-27 zijn toegeschreven;

P.  overwegende dat Europa en Noord-Amerika goed zijn voor 52 % van de inschrijvingen in het internationale “Memory of the World”-register van de Unesco;

Q.  overwegende dat tot nu toe aan 48 Europese locaties het Europees erfgoedlabel is toegekend;

R.  overwegende dat nagenoeg negen op tien (88 %) van de bevraagde Europeanen van mening zijn dat het cultureel erfgoed van Europa op school moet worden onderwezen(43);

S.  overwegende dat het EYCH 2018 heeft aangetoond dat cultureel erfgoed als basis kan dienen voor internationale projecten waarbij burgers van alle leeftijdscategorieën betrokken zijn en waarin zij contact kunnen leggen met deskundigen; overwegende dat deze projecten een goed instrument zijn gebleken om het bewustzijn van de gemeenschappelijke Europese culturele geschiedenis te vergroten;

T.  overwegende dat de opkomst van de digitalisering nieuwe mogelijkheden en uitdagingen creëert voor de culturele en creatieve sectoren in Europa;

U.  overwegende dat in het werkplan voor cultuur 2019-2022, dat op 21 december 2018 door de Raad werd aangenomen, duurzaamheid in het cultureel erfgoed is opgenomen als de eerste van de vijf prioriteiten voor Europese samenwerking bij de vorming van het cultuurbeleid;

V.  overwegende dat de COVID-19-uitbraak de meeste culturele evenementen heeft verstoord en een ernstige belemmering heeft gevormd voor de mogelijkheid om een groot deel van het Europees cultureel erfgoed te bezoeken, te beleven en te bestuderen, en overwegende dat digitale middelen vaak de enige mogelijke manier zijn om toegang te krijgen tot culturele evenementen; overwegende dat beperkingen op of een verbod van openbare bijeenkomsten en evenementen, sluitingen van musea en reisbeperkingen zeer schadelijke gevolgen hebben gehad voor kunstenaars en culturele actoren;

W.  overwegende dat er in het kader van de lopende onderhandelingen over het MFK voor de periode 2021-2027 een mogelijkheid bestaat om nieuwe en gunstige voorwaarden vast te stellen voor investeringen in cultureel erfgoed uit de Europese structuur- en investeringsfondsen;

De waarde van cultureel erfgoed erkennen

1.  is van mening dat cultureel erfgoed een bron van onschatbare waarde is, die ons in staat stelt na te denken over de geschiedenis en hiermee kritisch om te gaan en ons niet alleen helpt inzien dat we verschillende herinneringen hebben, maar ook dat we met elkaar verbonden zijn door gemeenschappelijke banden, en dat cultureel erfgoed zodoende diversiteit, dialoog, cohesie, solidariteit en wederzijds begrip bevordert en de kennis van onze tastbare, immateriële, natuurlijke en digitale rijkdommen verrijkt;

2.  erkent de rol van cultureel erfgoed bij het stimuleren van creativiteit, innovatie en duurzaamheid en het bevorderen van intellectuele vermogens; is van mening dat cultureel erfgoed ook een bron van inspiratie en plezier kan zijn en kan bijdragen aan recreatieve activiteiten;

3.  beklemtoont dat talen de rijkdom en diversiteit van het Europees cultureel erfgoed mogelijk maken en bevorderen, aangezien moedertalen dragers zijn van waarden en kennis en vaak worden gebruikt om immaterieel cultureel erfgoed door te geven; vraagt de Commissie en de lidstaten met aandrang dat zij meer actie ondernemen om de taaldiversiteit in het digitale tijdperk te beschermen, te ontwikkelen en te bevorderen, onder meer door voldoende middelen uit te trekken voor maatregelen inzake talen die als bedreigd worden beschouwd en door de burgers van de EU bewust te maken van de taalkundige en culturele rijkdom die de betrokken gemeenschappen vertegenwoordigen;

4.  herinnert de Commissie en de lidstaten eraan dat zij het cultureel erfgoed van minderheden in Europa volledig moeten opnemen in elk beraad over het Europees erfgoed, met de verbintenis de bijdrage van die minderheden aan de culturele, taalkundige en artistieke rijkdom en diversiteit van de Unie te erkennen en te bevorderen, en het streven om gezamenlijke en gecoördineerde maatregelen voor het duurzame beheer en de bevordering van deze culturen vast te stellen en uit te voeren;

5.  benadrukt de rol van Europese en pan-Europese culturele evenementen en traditionele culturele festivals bij de bewustmaking van de culturele rijkdom en diversiteit van Europa; moedigt de lidstaten aan dergelijke activiteiten te bevorderen en te ondersteunen en hun tradities te beschermen; vraagt de Commissie met aandrang dat zij overweegt dergelijke initiatieven te financieren;

Onderwijs en vaardigheden

6.  beklemtoont het belang van alle vormen van onderwijs – formeel, niet-formeel en informeel – over cultureel erfgoed en geesteswetenschappen, onder meer geschiedenis en filosofie, op alle leeftijden; is van mening dat speciale aandacht moet worden besteed aan leerlingen en studenten met een handicap en kansarmen; herhaalt dat het belangrijk is diverse kunstvormen, zoals muziek, film, theater, literatuur, design en architectuur op te nemen in de schoolprogramma’s of in begeleidende activiteiten van leerplannen; is van mening dat verschillende bestaande materialen die ter gelegenheid van het EYCH zijn geproduceerd, zoals de relevante eTwinning-kit, actiever moeten worden gepromoot; vraagt dat de Commissie het cultureel erfgoed meer integreert in haar strategie voor een Europese onderwijsruimte, om studenten te helpen een sterk gevoel van Europees burgerschap te ontwikkelen;

7.  meent in dit verband dat het Huis van de Europese geschiedenis voldoende financiële middelen moet krijgen, zodat het een kennis- en samenwerkingscentrum kan worden voor jonge onderzoekers, docenten en studenten uit de hele EU en ook kan dienen als een instrument voor de bevordering van het Europees cultureel erfgoed; vindt het noodzakelijk aanvullende manieren te ontwikkelen om de toegang tot het Huis te bevorderen, onder meer door middel van digitale rondleidingen, zodat het ten volle zijn rol kan vervullen als toegangspoort voor alle publieksgroepen om te leren over gedeelde Europese ervaringen en hun uiteenlopende interpretaties; pleit er in dit verband voor om, afhankelijk van de financiële draagkracht, een pan-Europees samenwerkingsnetwerk van centra in het kader van het Huis tot stand te brengen;

8.  wijst op de steeds grotere rol die digitaal onderwijs kan vervullen bij het leren over en door middel van cultureel erfgoed; merkt op dat er hoogwaardige e-learninginitiatieven, waaronder open onlinecursussen voor een groot publiek (MOOC’s), moeten worden ontwikkeld om het leren over cultureel erfgoed toegankelijker te maken en de vaardigheden in verband met erfgoed in heel Europa te verbeteren; is in dit verband van mening dat het actieplan voor digitaal onderwijs een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan dit doel en vraagt dat bij de geplande bijwerking van het plan steun voor onderwijs over cultureel erfgoed wordt opgenomen;

9.  maakt zich zorgen over het groeiend gebrek aan geschoolde ambachtslieden, restaurateurs en erfgoeddeskundigen, en over de problemen bij het aantrekken van jongeren om dit soort vaardigheden te verwerven; wijst op het gebrek aan een systematische aanpak en efficiënte mechanismen zoals opleidingen in traditionele technieken voor het overbrengen van de relevante vaardigheden en kennis, waardoor het Europees erfgoed in gevaar komt; is van mening dat het behoud van het cultureel erfgoed in de toekomst alleen mogelijk is als de relevante vaardigheden en kennis volledig worden bewaard, onder meer via digitale middelen, en worden doorgegeven; vraagt dan ook dat de Commissie ervoor zorgt dat in toekomstige initiatieven voor het behoud van het cultureel erfgoed ook het behoud van de nodige praktijken en kennis wordt opgenomen; herinnert aan de waarde van uitwisselingen en benadrukt in dit verband het belang van het Erasmus+-programma, dat ook de mobiliteit van leerlingen mogelijk maakt;

10.  wijst er nogmaals op dat de sociaaleconomische omstandigheden en arbeidsvoorwaarden, alsook het genderevenwicht in de erfgoedsector moeten worden verbeterd en dat er meer mobiliteitskansen moeten geboden aan operatoren en werknemers in deze sector, inclusief personen met een handicap; wijst in dit verband op het belang van de erkenning van beroepskwalificaties;

11.  benadrukt dat de bewustmakingsinspanningen met betrekking tot de waarde van het cultureel erfgoed voor Europa moeten worden voortgezet en dat de burgers en de belanghebbenden op lokaal niveau moeten worden bereikt; benadrukt het belang van een betere kennis van het Europese culturele erfgoed om de sociale cohesie te bevorderen en merkt op dat de toegang tot dergelijke kennis met name de sociale en culturele integratie van burgers met een migrantenachtergrond en hun gezinnen ten goede zou komen;

12.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om binnen het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) een nieuwe kennis- en innovatiegemeenschap (KIG) op te zetten op het gebied van de culturele en creatieve sector, die de sociale diversiteit weerspiegelt en waar cultureel erfgoed ook moet worden gezien als bron van inspiratie voor hedendaagse creaties en oplossingen;

Digitaal cultureel erfgoed

13.  erkent het belang van digitaal cultureel erfgoed, waarbij steeds meer mensen, waaronder ook mensen uit kansarme milieus en personen met een handicap, ongeëvenaarde mogelijkheden en gelijkwaardige toegang hebben tot cultureel materiaal; erkent dat digitaal cultureel erfgoed steeds meer relevant is geworden, met name tijdens pandemieën en de hiermee gepaard gaande lockdowns, waarbij virtuele museumrondleidingen en tentoonstellingen, digitale bibliotheken, online-encyclopedieën en soortgelijke digitale oplossingen en virtuele communicatiemiddelen troost bieden en de enige manier zijn om toegang te krijgen tot en zich bezig te houden met cultureel erfgoed en cultuur in het algemeen; beklemtoont dat het belangrijk is cultureel materiaal te digitaliseren, niet alleen om het te bewaren voor toekomstige generaties (de opslagfunctie), maar ook om het vlotter toegankelijk te maken voor het publiek door cultureel erfgoed online te brengen;

14.  wijst erop dat relevante technologische vooruitgang, bijvoorbeeld op het gebied van digitale enquêtes, 3-D-modellering en -printen, toegevoegde realiteit (AR), virtuele realiteit (VR) en de rol van artificiële intelligentie (AI) en big data, nieuwe mogelijkheden schept, niet alleen om het cultureel erfgoed vast te leggen, te bewaren en te visualiseren, maar ook om het te verwerken, te analyseren en te reconstrueren en om toepassingen voor cultureel erfgoed te ontwikkelen;

15.  benadrukt het belang van het Europeana-project, dat dient als digitale bibliotheek, archief, museum en educatief platform van Europa; vraagt dat extra inspanningen worden geleverd om het platform verder te ontwikkelen, onder meer door voldoende middelen voor het platform uit te trekken en het meer onder de aandacht te brengen van het grote publiek en de leerkrachten;

16.  is van mening dat het te digitaliseren materiaal onbevooroordeeld moet worden geselecteerd zodat de geloofwaardigheid van digitale archieven en verzamelingen gegarandeerd is;

17.  benadrukt dat ook het bestaan en de waarde van gedigitaliseerde archieven moet worden bevorderd en dat de digitale vaardigheden van het publiek moeten worden verbeterd, zodat meer gebruik wordt gemaakt van digitale inhoud;

18.  is van mening dat online-encyclopedieën waardevolle bronnen van geverifieerde en betrouwbare informatie zijn, die de toegang tot cultureel erfgoed mogelijk maken en een rol spelen bij het behoud en het bevorderen ervan en dat zij ook een essentieel instrument zijn om van oorsprong digitaal cultureel erfgoed te classificeren en duurzaam toegankelijk te maken; is van mening dat meer middelen moeten worden uitgetrokken om online-encyclopedieën te promoten, te ontwikkelen en te verbeteren;

19.  beklemtoont dat interoperabiliteit essentieel is om ervoor te zorgen dat digitale inhoud op lange termijn bruikbaar en herbruikbaar is; benadrukt in dit opzicht de rol van normen en kaders;

20.  vraagt dat de lidstaten en de relevante sectoren meer samenwerken voor de veralgemeende bevordering van gedigitaliseerd cultureel erfgoed; is verheugd over de Verklaring van samenwerking ter bevordering van de digitalisering van cultureel erfgoed, die momenteel door bijna alle EU-lidstaten is ondertekend;

21.  onderstreept dat er een omvattend EU-kader met passende financiering moet worden ontwikkeld voor de bescherming en bevordering van gedigitaliseerd en van oorsprong digitaal cultureel erfgoed; merkt op dat er behoefte is aan nationale beleidsmaatregelen voor behoud, met selectiebeslissingen die gebaseerd zijn op duidelijk omschreven beginselen en die op verantwoorde wijze worden genomen; wijst op de onschatbare bijdrage die digitale curatoren kunnen leveren om ervoor te zorgen dat digitaal cultureel erfgoed wordt beschermd en beschikbaar is voor een Europees en mondiaal publiek in verschillende talen; neemt met belangstelling kennis van de vele projecten voor digitalisering die al worden uitgevoerd uit hoofde van het EFRO en dringt erop aan dat de volgende programmeringsperiode de continuïteit van dit soort financiering mogelijk maakt;

22.  dringt erop aan dat de aanbeveling van de Commissie betreffende de digitalisering en onlinetoegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring van 27 oktober 2011 grondig wordt bijgewerkt, om de technologische vooruitgang en uitdagingen en mogelijkheden van het afgelopen decennium te weerspiegelen; meent evenwel dat de nadruk op digitaal erfgoed niet ten koste mag gaan van de bescherming van bestaand materieel en immaterieel cultureel erfgoed en de daarmee samenhangende banen;

Economisch potentieel en duurzaamheid

23.  beklemtoont dat de erfgoedsector een bijdrage levert aan de economische ontwikkeling, met aanzienlijke overloopeffecten in andere economische sectoren; wijst opnieuw op de nauwe samenhang tussen cultureel erfgoed, zowel materieel als immaterieel, toerisme en duurzame ontwikkeling;

24.  erkent dat duurzaam cultureel toerisme een aanzienlijk potentieel heeft om groei en banen in de EU te genereren, aangezien al vier op tien toeristen hun bestemming kiezen op basis van het cultureel toeristisch aanbod; wijst er echter op dat de bevordering van cultureel toerisme op inclusieve wijze moet gebeuren ten aanzien van lokale gemeenschappen en economieën en levenswijzen en tradities, en dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen de economische, sociale, culturele en milieubehoeften; merkt op dat slechts een miniem deel van de economische waarde die door het aanbod aan cultureel erfgoed wordt gegenereerd, naar deze sector terugvloeit, wat betekent dat er nieuwe, alternatieve en stabiele financieringsbronnen nodig zijn om te kunnen blijven fungeren als katalysator voor duurzaam toerisme;

25.  wijst erop dat het bestaan van sites die als cultureel erfgoed worden aangemerkt, voor veel mensen een motivatie vormen om op reis te gaan en bij te leren over andere culturen en samenlevingen; herinnert eraan dat 72 % van de deelnemers aan een enquête in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar aangeeft dat de aanwezigheid van cultureel erfgoed een rol kan spelen bij het kiezen van een vakantiebestemming; benadrukt in dit opzicht de rol die het initiatief DiscoverEU kan spelen; merkt evenwel op dat het initiatief tot nu toe niet alle jongeren in gelijke mate ten goede komt; verzoekt de Commissie op zoek te gaan naar manieren om jongeren uit een kansarm milieu, uit plattelandsgebieden en afgelegen regio’s in de lidstaten beter te betrekken bij het initiatief, evenals jongeren uit lidstaten die geen goede spoorverbindingen met andere EU-landen hebben;

26.  dringt er bij de lidstaten op aan sterke mechanismen in te stellen ter voorkoming van de overexploitatie van cultureel erfgoed, onder meer door slecht beheerde toeristenstromen; waarschuwt voor de invloed van kortzichtige commerciële belangen die de authenticiteit van cultureel belangrijke plaatsen en gebruiken in gevaar kunnen brengen en de kwaliteit ervan kunnen aantasten; is in dit verband verheugd over het programma “Cultural Heritage In Action”, dat via leren onder gelijken wil bijdragen aan de versterking van het beleid inzake cultureel erfgoed op lokaal en regionaal niveau; wijst op zijn bereidheid om het programma te monitoren en te ondersteunen indien het succesvol blijkt;

27.  erkent dat de Culturele Hoofdsteden van Europa een belangrijke rol vervullen bij de bevordering van steden en regio’s, aangezien deze, door een economisch kader op te bouwen rond hun culturele, artistieke en sociale projecten, het begrip duurzaam toerisme integreren en hun materieel en immaterieel erfgoed, tradities en innovaties versterken, zodat alle burgers, in Europa en daarbuiten ervan kunnen profiteren en het kunnen waarderen;

28.  beveelt aan inspanningen te blijven leveren om reizen naar minder bekende en minder populaire bestemmingen en plattelandsgebieden aan te moedigen, en om reizen tijdens het laagseizoen te bevorderen om zo de duurzaamheid en toegankelijkheid van toerisme te bevorderen, met name voor personen met een handicap en ouderen; benadrukt de rol die het Elfpo kan spelen bij de ondersteuning van lokale initiatieven op het gebied van toerisme, met name via het Leader-programma; roept op tot een adequate financiering van dit programma voor de programmeringsperiode 2021-2027;

29.  maakt zich zorgen over de gevolgen die vervuiling, vandalisme, diefstal, slecht beheerd toerisme en ongebreidelde stedelijke ontwikkeling hebben voor het cultureel erfgoed, evenals over de gevolgen van de opwarming van de aarde en de klimaatverandering, met name als gevolg van extreme weersomstandigheden die zich steeds vaker voordoen, met inbegrip van stortregens, hittegolven, overstromingen, brandgevaar en het risico op stormen; benadrukt de noodzaak van actie, onder meer door het delen van kennis tussen de lidstaten, en verzoekt de Commissie concrete maatregelen voor te stellen voor het behoud en de bescherming van cultureel erfgoed met het oog op deze natuurlijke en door de mens veroorzaakte gevaren;

30.  onderstreept de rol van de maatschappelijke organisaties en de betekenis en de waarde van vrijwilligerswerk voor de bescherming en zelfs de ontdekking van cultureel erfgoed en benadrukt het belang ervan, evenals de kennis, deskundigheid en energie die vrijwilligers hiervoor inzetten; verzoekt de Commissie en de lidstaten de acties in dit verband te blijven steunen; wijst op de rol die het Europees Solidariteitskorps kan spelen om jongeren te betrekken bij het behoud en de renovatie van het Europese erfgoed en bij de bewustmaking van het publiek; is verheugd over de specifieke oproep voor cultureel erfgoed in het kader van dit initiatief;

31.  maakt zich daarnaast zorgen over de bedreiging van cultureel erfgoed als gevolg van terrorisme in Europa en daarbuiten; veroordeelt de vernietiging van plaatsen die van belang zijn voor cultureel erfgoed; is van mening dat de EU een actievere rol moet spelen bij het bevorderen van restauratie, behoud en bescherming van cultureel erfgoed in de wereld;

32.  is van mening dat de EU de bescherming van cultureel erfgoed moet opnemen als een van de voorwaarden voor de kandidaat-lidstaten;

33.  herhaalt dat de illegale handel in en het verhandelen van cultuurgoederen, ook via digitale kanalen, een ernstig wereldwijd probleem is, dat maatregelen vereist die niet alleen door de lidstaten onderling maar ook op internationaal niveau moeten worden gecoördineerd; merkt op dat bij elke reflectie over het Europees erfgoed een nieuwe blik moet worden geworpen op de kwestie van werken en cultuurgoederen die in tijden van oorlog zijn geroofd, gestolen of illegaal zijn verkregen; herhaalt zijn steun voor de actieve bevordering van herkomstonderzoek in het kader van de EYCH;

Naar een strategische aanpak van cultureel erfgoed

34.  verzoekt de Commissie een meer geïntegreerde benadering van het cultureel erfgoed te volgen, waarbij materieel, immaterieel, natuurlijk en digitaal erfgoed gelijk worden behandeld, en deze dimensies te zien als onderling en onlosmakelijk verbonden;

35.  beklemtoont dat er een permanent platform, met een centrale rol voor maatschappelijke organisaties, voor medewerking en coördinatie op gebied van het beleid inzake cultureel erfgoed op alle niveaus, en met name op EU-niveau, moet worden opgericht en dat dit platform naar behoren moet worden ondersteund;

36.  erkent het Europees actiekader voor cultureel erfgoed; wijst erop dat de in dit kader ondernomen acties moeten worden uitgevoerd en gepaard moeten gaan met toereikende middelen;

37.  is van mening dat de bevindingen en aanbevelingen van de relevante studies in opdracht van de Commissie tot uiting moeten komen in haar maatregelen voor het behoud van cultureel erfgoed;

38.  herhaalt zijn vraag aan de Commissie om één enkel EU-portaal, genaamd “Know Europe”, op te zetten, waarop informatie wordt samengebracht van alle EU-programma’s die cultureel erfgoed financieren, en om binnen de Commissie een gemeenschappelijke aanpak te volgen door middel van betere samenwerking tussen de verschillende beleidsterreinen in verband met cultureel erfgoed;

39.  vindt het jammer dat de communicatie over het Europees erfgoedlabel nog onvoldoende is ontwikkeld en vraagt om steun voor de oprichting van een netwerk van de betrokken sites; is van mening dat locaties die dit label al hebben gekregen, moeten worden gepromoot en logistieke ondersteuning moeten krijgen;

40.  roept op tot een strategische samenwerking tussen de Europese Unie en andere internationale organisaties, met name Unesco en de Raad van Europa, om de inspanningen en gemeenschappelijke normen voor het behoud en de bevordering van het cultureel erfgoed beter te coördineren en beste praktijken uit te wisselen;

41.  merkt op dat nagenoeg driekwart van de bevraagde Europeanen van mening is dat de overheid meer middelen moet toewijzen aan cultureel erfgoed; beklemtoont dat de EU meer middelen moet uittrekken voor activiteiten in verband met cultureel erfgoed;

42.  wijst op de noodzaak om de financiering voor cultureel erfgoed en cultuur in het algemeen te verhogen in het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode na 2020; herhaalt zijn oproep om in het volgende MFK het budget voor het programma Creatief Europa te verdubbelen en het budget voor het Erasmus+-programma te verdrievoudigen; benadrukt het potentieel van Creatief Europa om banden te leggen tussen levende kunst en materieel en immaterieel cultureel erfgoed; vraagt dat de begrotingstoewijzing voor erfgoedonderzoek in Horizon Europa versterkt wordt; merkt op dat er synergieën nodig zijn met andere sectorale beleidsmaatregelen en ook met de structuurfondsen, de verschillende programma’s van de Unie, waaronder Horizon Europa, Creatief Europa en LIFE, en de financieringsregelingen om cultureel erfgoed echt op de voorgrond te plaatsen; merkt op dat het belangrijk is het potentieel van de Europese structuurfondsen en investeringsfondsen voor het behoud van het cultureel erfgoed te vergroten; herhaalt zijn standpunt dat investeringen in infrastructuur voor cultuur en duurzaam toerisme als kleinschalige investeringen moeten worden beschouwd en in aanmerking moeten komen voor steun mits de cofinanciering uit het EFRO niet meer bedraagt dan 10 miljoen euro, en dat wanneer infrastructuur als mondiaal cultureel erfgoed wordt beschouwd, het plafond moet worden opgetrokken tot 20 miljoen euro;

43.  is van mening dat in de Europese Green Deal maatregelen moeten worden opgenomen die de gevolgen van de klimaatverandering voor het cultureel erfgoed verzachten en dat erkend moet worden dat cultureel erfgoed een belangrijke rol kan vervullen bij het verwezenlijken van de klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen door middel van onderwijs, onderzoek en de heraanpassing van duurzame Europese traditionele praktijken;

44.  vindt het een goede zaak dat de culturele en creatieve sectoren tijdens de COVID-19-crisis snel hebben gereageerd en hun solidariteit hebben betuigd door het culturele erfgoed op grote schaal en vrijelijk online beschikbaar te stellen aan het publiek; is verontrust over de enorme impact die de gevolgen van de COVID-19-crisis zullen hebben op het cultureel erfgoed en de culturele en creatieve sectoren; vraagt dat de Commissie een uitgebreide analyse laat uitvoeren van de gevolgen van de pandemie voor de betrokken sectoren en de sector van het cultureel erfgoed in het bijzonder; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om adequate en gerichte financiële steun te bieden om de crisis in deze sectoren te verlichten en de mensen die in deze sectoren werken te helpen, onder meer door mensen met atypische vormen van werk toegang te geven tot sociale uitkeringen;

45.  dringt erop aan dat extra inspanningen worden geleverd om voort te bouwen op het momentum van het EYCH en dat op basis hiervan duurzaam lokaal, regionaal, nationaal en Europees beleid wordt ontwikkeld, aangezien dit op zijn beurt een positieve economische, culturele en sociale bijdrage zou leveren en zou helpen om een gevoel van samenhorigheid te creëren tussen alle burgers in de Europese culturele ruimte, alsook van gedeelde verantwoordelijkheid voor het behoud, de verrijking en de bevordering van het cultureel erfgoed; verzoekt de Commissie te overwegen om in de toekomst nog een Europees Jaar van het cultureel erfgoed te organiseren;

46.  vraagt dat de culturele dimensie van de Europese integratie, met inbegrip van erfgoed, wordt opgenomen in de strategische onderwerpen voor bespreking tijdens de komende conferentie over de toekomst van Europa;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) https://en.unesco.org/creativity/convention
(2) http://whc.unesco.org/archive/convention-en.pdf
(3) https://ich.unesco.org/doc/src/2003_Convention_Basic_Texts-_2018_version-EN.pdf
(4) https://unesdoc.unesco.org/ark:/48223/pf0000126065.locale=en
(5) https://unesdoc.unesco.org/ark:/48223/pf0000082464.locale=en
(6) https://unesdoc.unesco.org/ark:/48223/pf0000133378.locale=en.
(7) PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1.
(8) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 88.
(9) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0021.
(10) PB C 463 van 23.12.2014, blz. 1.
(11) PB C 193 van 11.7.2000, blz. 1.
(12) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 36.
(13) PB C 196 van 8.6.2018, blz. 20.
(14) https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/rms/0900001680083746
(15) https://ec.europa.eu/commfrontoffice/publicopinion/index.cfm/ResultDoc/download/DocumentKy/80882
(16) PB C 195 van 12.6.2015, blz. 22.
(17) PB L 131 van 20.5.2017, blz. 1.
(18) PB L 283 van 29.10.2011, blz. 39.
(19) https://ec.europa.eu/newsroom/dae/document.cfm?doc_id=58564
(20) https://davosdeclaration2018.ch/media/Brochure_Declaration-de-Davos-2018_WEB_2.pdf
(21) https://www.ace-cae.eu/uploads/tx_jidocumentsview/LEEUWARDEN_STATEMENT_FINAL_EN-NEW.pdf
(22) https://www.diplomatie.gouv.fr/en/french-foreign-policy/europe/news/article/declaration-adopted-during-the-informal-meeting-of-european-union-member-state
(23) https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/rms/090000168006457e
(24) https://www.europanostra.org/wp-content/uploads/2018/09/Berlin-Call-Action-Eng.pdf
(25) https://www.europanostra.org/wp-content/uploads/2019/11/Paris-Manifesto_English.pdf
(26) http://blogs.encatc.org/culturalheritagecountsforeurope/wp-content/uploads/2015/06/CHCfE_FULL-REPORT_v2.pdf
(27) https://onedrive.live.com/?authkey=%21ALGmRQscySOLV5Q&cid=19E1928B8C6B7F5A&id=19E1928B8C6B7F5A%21157090&parId=19E1928B8C6B7F5A%21105860&o=OneUp
(28) https://op.europa.eu/portal2012-portlet/html/downloadHandler.jsp?identifier=8fe9ea60-4cea-11e8-be1d-01aa75ed71a1&format=pdf&language=en&productionSystem=cellar&part=
(29) http://openarchive.icomos.org/2083/1/European_Qualit/y_Principles_2019_EN.PDF
(30) https://www.icomos.org/charters/venice_e.pdf
(31) https://rm.coe.int/CoERMPublicCommonSearchServices/DisplayDCTMContent?documentId=090000168007a087
(32) https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/rms/090000168007bd25
(33) https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/research_and_innovation/strategy_on_research_and_innovation/presentations/horizon_europe_en_investing_to_shape_our_future.pdf
(34) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.
(35) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(36) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(37) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 42.
(38) PB C 363 van 28.10.2020, blz. 13.
(39) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 52.
(40) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(41) Berekeningen gebaseerd op: https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Population_and_population_change_statistics
(42) https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52019DC0548&from=NL, blz. 4.
(43) https://ec.europa.eu/commfrontoffice/publicopinion/index.cfm/ResultDoc/download/DocumentKy/80882, blz. 68.


Artificiële intelligentie: kwesties betreffende de interpretatie en toepassing van het internationaal recht
PDF 187kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 inzake artificiële intelligentie: kwesties betreffende de interpretatie en toepassing van het internationaal recht, voor zover dit van toepassing is op de EU, op het gebied van civiel en militair gebruik en staatsgezag buiten de werkingssfeer van het strafrecht (2020/2013(INI))
P9_TA(2021)0009A9-0001/2021

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule en de artikelen 2, 3, 10, 19, 20, 21, 114, 167, 218, 225 en 227 van het Verdrag van de Europese Unie,

–  gezien het petitierecht zoals verankerd in de artikelen 20 en 227 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1) (richtlijn inzake rassengelijkheid),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2) (richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(3) (AVG), en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) 2018/1488 van de Raad van 28 september 2018 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing(5),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2018 tot vaststelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027 (COM(2018)0434),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 met aanbevelingen aan de Commissie over civielrechtelijke regels inzake robotica(6),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 over de digitalisering van de Europese industrie(7),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over autonome wapensystemen(8),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over taalgelijkheid in het digitale tijdperk(9),

–  gezien zijn resolutie van 12 februari 2019 inzake een alomvattend Europees industriebeleid inzake artificiële intelligentie en robotica(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

–  gezien het witboek van de Commissie van 19 februari 2020 over kunstmatige intelligentie – een Europese benadering op basis van excellentie en vertrouwen (COM(2020)0065),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 19 februari 2020 over een Europese datastrategie (COM(2020)0066),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 19 februari 2020 getiteld “De digitale toekomst van Europa vormgeven” (COM(2020)0067),

–  gezien het verslag van 8 april 2019 van de door de Commissie in juni 2018 opgerichte deskundigengroep op hoog niveau inzake artificiële intelligentie getiteld “Ethische richtsnoeren voor betrouwbare artificiële intelligentie”,

–  gezien het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden van de Raad van Europa, het Twaalfde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden,

–  gezien het Europees Ethisch Handvest over het gebruik van kunstmatige intelligentie in gerechtelijke systemen en hun omgeving, dat in december 2018 door de werkgroep Efficiëntie in Justitie van de Raad van Europa (CEPEJ-GT-QUAL) is goedgekeurd,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van de OESO inzake artificiële intelligentie die op 22 mei 2019 is aangenomen,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0001/2021),

Inleiding

A.  overwegende dat artificiële intelligentie (AI), robotica en aanverwante technologieën snel worden ontwikkeld en rechtstreekse gevolgen hebben op alle aspecten van onze samenlevingen, met inbegrip van elementaire sociale en economische beginselen en waarden;

B.  overwegende dat AI een revolutie ontketent op het gebied van militaire doctrine en uitrusting door een grondige wijziging van de manier waarop legers te werk gaan, vooral door de integratie en het gebruik van nieuwe autonome technologieën en systemen;

C.  overwegende dat het mensen zijn die zogenaamde “artificiële intelligentie”, robotica en aanverwante technologieën ontwikkelen en ontwerpen en dat hun keuzes bepalen of de mogelijkheden van de technologie ten goede komen aan de samenleving;

D.  overwegende dat een gemeenschappelijk Uniekader betrekking moet hebben op de ontwikkeling, de uitrol en het gebruik van AI, robotica en aanverwante technologieën en de eerbiediging van de menselijke waardigheid en mensenrechten moet waarborgen, zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

E.  overwegende dat de Unie en haar lidstaten een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat AI, robotica en aanverwante technologieën - aangezien deze grensoverschrijdend kunnen worden gebruikt - op de mens gericht zijn, d.w.z. dat zij in wezen bedoeld zijn voor gebruik ten dienste van de mensheid en het algemeen welzijn, teneinde een bijdrage te leveren aan het welzijn van hun burgers en het algemeen belang; overwegende dat de Unie de lidstaten, met name degene die al hebben nagedacht over de mogelijke ontwikkeling van juridische normen of wetswijzigingen op dit gebied, moet helpen om dit te bewerkstelligen;

F.  overwegende dat de Europese burgers baat kunnen hebben bij een passend, doeltreffend, transparant en samenhangend regelgevingskader op het niveau van de Unie, met dusdanig duidelijke voorwaarden dat bedrijven in staat zijn toepassingen en bedrijfsmodellen te ontwikkelen, en tegelijkertijd te waarborgen dat de Unie en de lidstaten de controle behouden over de vast te stellen regelingen en niet gedwongen zijn door andere partijen opgestelde normen in te voeren of te accepteren;

G.  overwegende dat ethische richtsnoeren, zoals de beginselen die zijn goedgekeurd door de deskundigengroep op hoog niveau inzake artificiële intelligentie, een goed uitgangspunt vormen maar niet toereikend zijn om ervoor te zorgen dat bedrijven eerlijk handelen en doeltreffende consumentenbescherming garanderen;

H.  overwegende dat deze bijzondere verantwoordelijkheid inhoudt dat met name gekeken moet worden naar alle aspecten in verband met de interpretatie en toepassing van het internationaal recht waar deze betrekking hebben op de actieve deelname van de EU aan internationale onderhandelingen, voor zover de EU gevolgen ondervindt van de civiele en militaire toepassingen van dit soort AI, robotica en aanverwante technologieën, en dat aspecten in verband met het staatsgezag over dergelijke technologieën buiten de werkingssfeer van het strafrecht vallen;

I.  overwegende dat het van essentieel belang is een passend en alomvattend rechtskader te bieden met betrekking tot de ethische aspecten van deze technologieën en de regels inzake aansprakelijkheid, transparantie en verantwoordingsplicht (met name ten aanzien van AI, robotica en de daarmee samenhangende technologieën die een verhoogd risico met zich meebrengen); overwegende dat dit kader de intrinsieke Europese en universele humanistische waarden moet weerspiegelen en van toepassing zijn op de hele waardeketen van ontwikkeling, toepassing en gebruik van AI; overwegende dat dit ethisch kader van toepassing moet zijn op de ontwikkeling (met inbegrip van onderzoek en innovatie), de uitrol en het gebruik van AI, met volledige inachtneming van het Unierecht en de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vastgelegde waarden;

J.  overwegende dat het doel hierbij moet zijn vast te stellen óf, en in welke mate, de regels van het internationaal publiek- én privaatrecht en het EU-recht geschikt zijn voor deze technologieën, alsmede voor het voetlicht te brengen welke uitdagingen en risico’s de technologieën in kwestie vormen voor het staatsgezag, zodat zij op correcte en evenredige wijze kunnen worden beheerd;

K.  overwegende dat de Europese Commissie de militaire aspecten van het gebruik van artificiële intelligentie in haar witboek niet aankaart;

L.  overwegende dat een geharmoniseerde Europese benadering op dit gebied alleen mogelijk is na de voorafgaande vaststelling van een gemeenschappelijke definitie van AI en indien maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de fundamentele waarden van de Europese Unie, de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het internationaal humanitair recht worden gerespecteerd;

M.  overwegende dat AI ongekende kansen biedt om de prestaties in de vervoerssector te verbeteren, omdat AI kan worden gebruikt om uitdagingen in verband met de gestegen vraag naar reizen evenals veiligheids- en milieukwesties aan te pakken, en om alle vervoerswijzen slimmer, efficiënter en gebruiksvriendelijker te maken;

N.  overwegende dat toepassing van AI op defensiegebied op EU-niveau onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van de capaciteiten van de EU in deze sector;

Definitie van artificiële intelligentie

1.  is van oordeel dat er een gemeenschappelijk Europees rechtskader dient te worden vastgesteld met geharmoniseerde definities en gemeenschappelijke ethische beginselen, met inbegrip van het gebruik van AI voor militaire doeleinden; verzoekt de Commissie derhalve de volgende definities vast te stellen:

   “AI-systeem”: een door software gestuurd of een in hardware geïntegreerd systeem dat intelligent gedrag vertoont, onder meer door het verzamelen en verwerken van gegevens, het analyseren en interpreteren van zijn omgeving, en het – met een zekere mate van autonomie – ondernemen van actie om specifieke doelstellingen te verwezenlijken;
   “autonomie”: een AI-systeem dat werkt door bepaalde input te interpreteren en door een reeks vooraf vastgestelde instructies te gebruiken, zonder tot deze instructies beperkt te zijn, hoewel het gedrag van het systeem wordt beperkt door en gericht is op het verwezenlijken van de opgedragen doelstelling en andere relevante door zijn ontwikkelaar gemaakte ontwerpkeuzen;

2.  benadrukt dat het veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie en haar lidstaten gebaseerd is op de beginselen die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in het VN-Handvest – in dat laatste worden alle staten verzocht zich in hun onderlinge betrekkingen te onthouden van dreiging met, of gebruik van geweld – en op het internationaal recht, op de beginselen van de mensenrechten en de eerbiediging van de menselijke waardigheid, en op een gemeenschappelijk begrip van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens, vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat; benadrukt dat alle defensiegerelateerde activiteiten binnen het kader van de Unie deze universele waarden in acht moeten nemen en tegelijkertijd vrede, stabiliteit, veiligheid en vooruitgang in Europa en in de wereld moeten bevorderen;

Internationaal publiek recht en militair gebruik van artificiële intelligentie

3.  is van mening dat elk militair en civiel gebruik van AI onder beduidende controle van de mens moet plaatsvinden, zodat de mens te allen tijden in staat is de technologie te corrigeren, een halt toe te roepen of uit te schakelen in het geval van onvoorzien gedrag, onvoorziene interventie, cyberaanvallen of inmenging door derden met op AI gebaseerde technologie of indien derden dergelijke technologie aanschaffen;

4.  is van oordeel dat de eerbiediging van het internationaal publiekrecht, met name het humanitair recht, dat ondubbelzinnig van toepassing is op alle wapensystemen en hun operatoren, een fundamentele vereiste is waar de lidstaten aan moeten voldoen, met name bij het beschermen van de burgerbevolking of het nemen van voorzorgsmaatregelen in het geval van een aanval, zoals een militaire of cyberaanval;

5.  benadrukt dat AI en de daarmee samenhangende technologieën ook een rol kunnen spelen bij irreguliere of niet-conventionele oorlogsvoering; oppert dat onderzoek, ontwikkeling en gebruik van AI in deze gevallen onderworpen moeten zijn aan dezelfde voorwaarden die bij conventionele conflicten gelden;

6.  benadrukt dat het gebruik van AI de mogelijkheid biedt om de veiligheid van de Europese Unie en haar burgers te versterken en dat het voor de EU van essentieel belang is om in toekomstige internationale debatten over dit onderwerp een geïntegreerde benadering te hanteren;

7.  dringt er bij de AI-onderzoeksgemeenschap op aan dit beginsel te integreren in alle hierboven genoemde op AI gebaseerde systemen die bedoeld zijn voor militair gebruik; is van mening dat geen enkele autoriteit een afwijking van deze beginselen kan toestaan of een dergelijk systeem kan certificeren;

8.  herhaalt dat autonome besluitvorming de mens niet van zijn verantwoordelijkheid mag ontslaan en dat mensen altijd de eindverantwoordelijkheid moeten dragen voor beslissingen zodat er een verantwoordelijke voor elke beslissing kan worden aangewezen;

9.  benadrukt dat de lidstaten, partijen bij een conflict en individuen bij het gebruik van AI voor militaire doeleinden te allen tijde hun verplichtingen uit hoofde van het toepasselijke internationaal recht moeten nakomen en ter verantwoording moeten kunnen worden geroepen voor handelingen die voortvloeien uit het gebruik van dergelijke systemen; benadrukt dat de verwachte, onvoorziene of ongewenste handelingen en gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van op AI gebaseerde systemen, te allen tijde de verantwoordelijkheid van de lidstaten, partijen bij een conflict en individuen blijven;

10.  is verheugd over de mogelijkheden voor het gebruik van AI-systemen bij opleiding en oefeningen, en stelt dat dit potentieel niet onderschat mag worden, met name gezien het feit dat de EU oefeningen van een zowel civiele als militaire aard uitvoert;

11.  benadrukt dat tijdens het ontwerp, de ontwikkeling, de tests, de uitrol en het gebruik van op AI gebaseerde systemen te allen tijde terdege rekening moet worden gehouden met de potentiële risico’s, met bijzondere aandacht voor incidentele burgerslachtoffers en letsel, het niet bedoelde verlies van van mensenlevens en schade aan civiele infrastructuur, alsook met risico’s die verband houden met onbedoeld gebruik, manipulatie, proliferatie, cyberaanvallen, inmenging door derden met op AI gebaseerde autonome technologie of verwerving door derden van dergelijke technologie;

12.  herinnert eraan dat het beginsel van nieuwheid, overeenkomstig het advies van het Internationale Gerechtshof van 8 juli 1996, niet kan worden ingeroepen ter ondersteuning van een afwijking betreffende de naleving van de huidige normen van het internationaal humanitair recht;

13.  is van mening dat AI niet alleen militaire operaties ten goede zal komen, maar ook het militair personeel, omdat op grote schaal gezondheidsgegevens kunnen worden verwerkt, het toezicht op de gezondheid kan worden uitgebreid, risicofactoren kunnen worden geïdentificeerd met betrekking tot hun omgeving en arbeidsomstandigheden, en passende waarborgen kunnen worden voorgesteld om de gevolgen voor de gezondheid van militair personeel te beperken;

14.  benadrukt dat de regelgevende maatregelen moeten worden ondersteund door beduidende certificatie- en monitoringsystemen, evenals mechanismen voor duidelijke controleerbaarheid, verklaarbaarheid, verantwoordingsplicht en traceerbaarheid, teneinde ervoor te zorgen dat het regelgevingskader als gevolg van technologische ontwikkelingen niet achterloopt;

15.  benadrukt dat de Europese Unie in een uiterst geconnecteerde wereld betrokken moet zijn bij de opzet van een internationaal rechtskader voor het gebruik van artificiële intelligentie: dringt er bij de EU op aan de leiding te nemen en, samen met de Verenigde Naties en de internationale gemeenschap, een actieve rol aan te nemen in de bevordering van dit mondiale kader voor het gebruik van AI voor militaire en andere doeleinden, en te waarborgen dat dit gebruik binnen de strikte grenzen blijft die zijn vastgesteld in het internationaal recht en het internationaal humanitair recht, in het bijzonder de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949; wijst erop dat dit kader nooit inbreuk mag plegen op de eisen van het publieke geweten en de menselijkheid uit hoofde van de Martens-clausule en in overeenstemming moet zijn met de veiligheidsvoorschriften en vereisten met betrekking tot de consumentenbescherming; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan robuuste bewakings- en evaluatiesystemen voor de ontwikkeling van AI-technologieën op te stellen, met name degene die worden gebruikt voor militaire doeleinden in autoritaire staten;

16.  benadrukt dat robotica het niet alleen mogelijk maakt dat militair personeel op afstand kan opereren, maar ook in betere zelfbescherming voorziet, bijvoorbeeld bij werkzaamheden op verontreinigde terreinen, het blussen van branden, het ruimen van mijnen te land of ter zee, en verdediging tegen droneaanvallen;

17.  benadrukt dat bij de ontwikkeling, de uitrol, het gebruik en het beheer van AI de in de EU-Verdragen verankerde grondrechten, waarden en vrijheden moeten worden geëerbiedigd, en roept de lidstaten op geen risicovolle AI-systemen in te zetten die een bedreiging vormen voor de grondrechten; neemt kennis van de publicatie van het Witboek van de Commissie over kunstmatige intelligentie en spoort aan tot diepgaander onderzoek naar het potentiële risico voor de grondrechten die voortvloeien uit het gebruik van AI door overheidsinstanties en agentschappen, organen en instellingen van de Europese Unie;

18.  verzoekt de Commissie onderzoek naar en discussies over mogelijkheden om AI te gebruiken voor noodhulp, crisispreventie en vredeshandhaving aan te jagen;

19.  is ingenomen met de oprichting van een VN-groep van regeringsdeskundigen (GGE) inzake het bevorderen van verantwoordelijk gedrag van staten in de cyberruimte in de context van de internationale veiligheid, en verzoekt de EU volledig deel te nemen aan de werkzaamheden van deze groep;

20.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV/VV) het pad te effenen voor mondiale onderhandelingen met het oog op de invoering van een regeling voor de beheersing van op AI gebaseerde wapens en de actualisering van alle bestaande verdragsinstrumenten inzake wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie om rekening te houden met op AI gebaseerde systemen bij oorlogsvoering; dringt erop aan dat in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie ten volle rekening wordt gehouden met en wordt voorzien in op AI gebaseerde wapensystemen;

21.  herhaalt dat deze voorschriften te allen tijde de beginselen, als bedoeld in het verdrag van Rome van 17 juli 1998, inzake een verbod op volkerenmoord, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in acht moeten nemen;

22.  wijst op het duidelijke risico dat gepaard gaat met door mensen genomen beslissingen als deze uitsluitend zijn gebaseerd op gegevens, profielen en aanbevelingen die door machines zijn gegenereerd; wijst erop dat het algemeen ontwerp van AI-systemen ook richtsnoeren voor menselijk toezicht en menselijke controle moet omvatten; dringt aan op een verplichting inzake transparantie en verklaarbaarheid van AI-toepassingen en op het feit dat menselijke tussenkomst noodzakelijk is, evenals andere maatregelen, zoals onafhankelijke audits en specifieke stresstests, om de naleving te faciliteren en af te dwingen; benadrukt dat dergelijke audits periodiek door een onafhankelijke autoriteit moeten worden verricht die toezicht houdt op risicovolle AI-toepassingen die door overheidsinstanties of het leger worden gebruikt;

23.  benadrukt dat het belangrijk is na te gaan hoe risicovolle AI-technologieën tot besluiten komen; herinnert eraan dat de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid in acht moeten worden genomen en dat vragen betreffende oorzakelijk verband, aansprakelijkheid, verantwoordelijkheid, transparantie, verantwoordingsplicht en verklaarbaarheid moeten worden verduidelijkt om te bepalen of en in welke mate de staat als actor in het internationaal publiekrecht, maar ook bij de uitoefening van zijn eigen gezag, kan handelen met de ondersteuning van op AI gebaseerde systemen met een zekere autonomie, zonder verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, zoals een eerlijke rechtsbedeling, te schenden;

24.  benadrukt dat het belangrijk is te investeren in menselijke vaardigheden, met inbegrip van digitale vaardigheden, om zich aan te passen aan de wetenschappelijke vooruitgang op het gebied van op AI gebaseerde oplossingen voor uitoefenaars van gereglementeerde beroepen, met inbegrip van activiteiten in verband met de uitoefening van staatsgezag, zoals de rechtsbedeling; verzoekt de lidstaten en de Commissie hier bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2005/36/EG(11) terdege rekening mee te houden;

25.  dringt erop aan dat AI-systemen altijd moeten voldoen aan de beginselen van verantwoordelijkheid, billijkheid, bestuurbaarheid, voorzorg, verantwoordingsplicht, toerekenbaarheid, voorspelbaarheid, traceerbaarheid, degelijkheid, betrouwbaarheid, transparantie, verklaarbaarheid, het vermogen om mogelijke veranderingen in de omstandigheden en de operationele omgeving op te sporen, het onderscheid tussen strijders en niet-strijders, en evenredigheid; wijst erop dat het laatste beginsel de rechtmatigheid van militair optreden ondergeschikt maakt aan de eerbiediging van een evenwicht tussen het doel en de gebruikte middelen, en dat het beoordelen van deze evenredigheid altijd door een mens moet gebeuren;

26.  benadrukt dat bij het gebruik van op AI gebaseerde systemen op het gebied van veiligheid en defensie alomvattende situatiekennis van de menselijke operator, de voorspelbaarheid, betrouwbaarheid en veerkracht van het op AI gebaseerde systeem, evenals het vermogen van de menselijke operator om mogelijke veranderingen in de omstandigheden en de operationele omgeving op te sporen, en zijn vermogen om tussen te komen in een aanval of deze te beëindigen, nodig zijn om ervoor te zorgen dat de beginselen van het internationaal humanitair recht, met name onderscheidingsvermogen, evenredigheid en voorzorgsmaatregelen bij een aanval, volledig worden toegepast in de hele commando- en controlestructuur; benadrukt dat op AI gebaseerde systemen de verantwoordelijke persoon in staat moeten stellen betekenisvolle controle uit te oefenen, volledige verantwoordelijkheid voor de systemen op zich te nemen en zich voor elke inzet ervan te verantwoorden; verzoekt de Commissie de dialoog, nauwere samenwerking en synergie tussen de lidstaten, onderzoekers, academici, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, met name toonaangevende bedrijven, en de strijdkrachten te bevorderen zodat wordt gewaarborgd dat de besluitvormingsprocessen voor regelingen in verband met defensiegerelateerde AI inclusief zijn;

27.  wijst erop dat het Parlement heeft aangedrongen op het opstellen en vaststellen, op korte termijn, van een gemeenschappelijk standpunt over dodelijke autonome wapensystemen (LAWS) om de ontwikkeling, de productie en het gebruik van LAWS te voorkomen waarmee aanvallen kunnen worden uitgevoerd zonder beduidende menselijke controle, en op het openen van doeltreffende onderhandelingen over een verbod op dergelijke systemen; herinnert in dat opzicht aan zijn resolutie van 12 september 2018 over autonome wapensystemen; wijst erop dat de term “dodelijke autonome wapensystemen” (LAWS) verwijst naar wapensystemen die zonder beduidende menselijke controle in staat zijn kritische functies uit te voeren, zoals het selecteren en aanvallen van individuele doelen; benadrukt dat het besluit om een doelwit te kiezen en door middel van wapensystemen met een bepaalde mate van autonomie dodelijke actie te ondernemen altijd moet worden genomen door menselijke operatoren die betekenisvolle controle en toezicht en het vereiste beoordelingsvermogen hanteren overeenkomstig de beginselen van evenredigheid en noodzakelijkheid; benadrukt dat op AI-systemen op dit gebied in geen geval menselijke besluitvorming mogen vervangen;

28.  constateert voorts dat er op internationaal niveau gediscussieerd en overeenstemming bereikt moet worden over autonome wapensystemen als een bijzondere categorie van AI op militair gebied, met name in het VN-forum inzake het conventionelewapensverdrag; vestigt de aandacht op het feit dat er tot op heden in het kader van het lopende internationale debat over LAWS geen overeenstemming is bereikt over de regulering van opkomende militaire technologieën; wijst erop dat de EU er pas onlangs ermee heeft ingestemd de gevolgen van AI-ontwikkelingen en digitalisering voor de defensiesector te bespreken; is van mening dat de EU een cruciale rol kan spelen bij het helpen harmoniseren van de standpunten van de lidstaten ten aanzien van militaire AI, om het internationale debat te kunnen leiden;

29.  benadrukt het belang van een EU-brede strategie tegen LAWS en een verbod op zogenaamde “killer robots”;

30.  benadrukt dat de AI die wordt gebruikt in een militaire context moet voldoen aan een minimale reeks vereisten, zo moet AI het onderscheid kunnen maken tussen strijders en niet-strijders en strijders op het slagveld, kunnen herkennen wanneer een strijder zich overgeeft of buiten gevecht is, mag AI geen willekeurige effecten hebben, geen onnodig menselijk lijden veroorzaken, niet partijdig zijn en niet met opzettelijk onvolledige gegevens zijn getraind, en moet AI worden toegepast in overeenstemming met de beginselen van het internationaal humanitair recht, het beginsel van militaire noodzaak en het beginsel van voorzorg vóór interventie;

31.  is van mening dat de inzet van dodelijke autonome wapensystemen fundamentele ethische en juridische vragen opwerpt met betrekking tot de mate van controle die mensen over deze systemen kunnen uitoefenen, en vereist dat op AI gebaseerde technologieën geen autonome beslissingen mogen maken die betrekking hebben op de beginselen van onderscheid, evenredigheid en voorzorg;

32.  dringt aan op transparante, risicobeperkende maatregelen op internationaal niveau voor de ontwikkeling en het gebruik van militaire AI, met name ten aanzien van de beginselen van territoriale integriteit en niet-interventie en het gebruik van geweld; benadrukt dat het van belang is ook de militaire aspecten in aanmerking te nemen bij het aanpakken van juridische en ethische kwesties in het Europees kader voor AI; herinnert aan zijn standpunt over een verbod op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van LAWS; betreurt dat er geen specifieke mondiale verdragen betreffende het gebruik van deze wapens bestaan;

33.  is zich ervan bewust dat de moderne wapenwedloop die is ontstaan doordat de belangrijkste militaire natiestaten die LAWS ontwikkelen vooruitlopen op de vorderingen met betrekking tot en de effectieve, universele toepassing en handhaving van gemeenschappelijke regels en rechtskaders, omdat de informatie over de ontwikkeling en de uitrol van deze systemen geclassificeerd is en de natiestaten een inherent belang hebben bij het creëren van de snelste en meest doeltreffende offensieve capaciteit, ongeacht de huidige en eventuele toekomstige rechtskaders of beginselen;

34.  is van oordeel dat LAWS alleen als laatste redmiddel mogen worden ingezet en alleen indien zij onderworpen zijn aan een voldoende strenge menselijke controle die inhoudt dat een mens te allen tijde de bediening ervan kan overnemen, aangezien beduidende menselijke interventie en menselijk toezicht van essentieel belang zijn voor het nemen van beslissingen met mogelijk dodelijke gevolgen, en aangezien mensen altijd verantwoordelijk moeten zijn voor beslissingen die een zaak van leven of dood betreffen; is van mening dat systemen die volledig aan menselijke controle (“human off the loop”) en menselijk toezicht onttrokken zijn, zonder uitzondering en te allen tijde verboden moeten worden;

35.  dringt er bij de HV/VV, de lidstaten en de Europese Raad op aan met spoed een gemeenschappelijk standpunt vast te stellen inzake dodelijke autonome wapensystemen, met waarborgen betreffende beduidende menselijke controle over de kritische functies van wapensystemen, waaronder tijdens de inzet daarvan, en op desbetreffende fora met één stem te spreken en dienovereenkomstig te handelen; verzoekt de HV/VV, de lidstaten en de Raad in deze context beste praktijken uit te wisselen en advies in te winnen bij deskundigen, academici en het maatschappelijk middenveld, overeenkomstig het standpunt inzake autonome wapensystemen van 12 september 2018, waarin wordt gesteld dat aanvallen altijd moeten worden uitgevoerd met beduidende menselijke controle;

36.  spoort alle landen aan te beoordelen of en hoe autonome militaire toestellen aan hun nationale veiligheid hebben bijgedragen en wat hun nationale veiligheid kan winnen bij op AI gebaseerde wapensystemen, met name bij het potentieel van dergelijke technologie om menselijke beslissingen in overeenstemming met het internationaal humanitair recht en de beginselen daarvan te ondersteunen en te verbeteren; herinnert eraan dat de werking van LAWS of van wapens met een hoge mate van autonomie verstoord kan raken als gevolg van slecht geschreven codes of na een door een vijandelijke staat of niet-statelijke actor uitgevoerde cyberaanval;

37.  dringt er met klem op aan het gebruik van LAWS alleen toe te staan in nauwkeurig afgebakende situaties en in overeenstemming met gedetailleerde, voorafgaand en schriftelijk vastgelegde autorisatieprocedures, die de staat in kwestie - ongeacht of deze lid van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie is of niet - ter kennisneming ter beschikking stelt aan het grote publiek, of in ieder geval aan zijn nationale parlement;

38.  is van oordeel dat LAWS in overeenstemming moeten zijn met het verdrag van 10 oktober 1980 inzake bepaalde conventionele wapens, in het bijzonder het verbod op het veroorzaken van “buitensporig leed”;

39.  stelt voor dat LAWS, teneinde een ongecontroleerde verspreiding ervan te voorkomen, moeten worden opgenomen op de lijst van wapens die onderworpen zijn aan de bepalingen van het verdrag inzake de wapenhandel van 2 april 2013 (artikel 2);

40.  dringt aan op een verbod op de “vermenselijking” van LAWS, teneinde elke verwarring tussen een mens en een robot te vermijden;

41.  is ingenomen met de overeenkomst van de Raad en het Parlement om dodelijke autonome wapens waarmee aanvallen kunnen worden uitgevoerd “zonder beduidende menselijke controle op het kiezen van doelwitten en het inzetten van een aanval”, uit te sluiten van maatregelen die uit het Europees Defensiefonds worden gefinancierd;herhaalt zijn standpunt dat het gebruik, de ontwikkeling of de productie van LAWS zonder beduidende menselijke controle niet in aanmerking komt voor financiering in het kader van het Europees Defensiefonds;

42.  verzoekt de Commissie haar steun te verlenen in het kader van onderzoek, ontwikkeling, uitrol en gebruik van AI voor de handhaving van de vrede en het voorkomen van conflicten;

43.  merkt op dat het mondiaal AI-ecosysteem wordt gedomineerd door grote Amerikaanse en Chinese digitale bedrijven die zich bezighouden met de ontwikkeling van binnenlandse capaciteit en het opkopen van grote aantallen veelbelovende bedrijven; is er derhalve stellig van overtuigd dat de EU een beter evenwicht moet creëren tussen fundamenteel onderzoek en industriële toepassingen teneinde achterstanden op het gebied van AI-technologieën te voorkomen, en tegelijkertijd comparatieve strategische voordelen te ontwikkelen door het eigen potentieel en de eigen middelen verder uit te breiden;

44.  benadrukt dat, voor zover zij onder de in Richtlijn 2006/42/EG(12) vervatte definitie van machines vallen, robots moeten worden ontworpen en geassembleerd in overeenstemming met de daarin vervatte normen en veiligheidsmaatregelen;

45.  herinnert aan de ambitie van de EU om zich in te zetten voor de vrede in de wereld en dringt erop aan dat de EU haar rol op het gebied van ontwapening en inspanningen op het gebied van non-proliferatie versterkt en wenst dat de EU zich met haar optreden en beleid inzet voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid, de eerbiediging van het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten en de bescherming van de burgers en de civiele infrastructuur;

46.  benadrukt dat het van belang is de mogelijke impact te onderzoeken van AI als strategische factor voor het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU (GVDB), met name bij militaire en civiele missies en operaties, alsook de ontwikkeling van de capaciteiten van de EU;

47.  herinnert eraan dat onze bondgenoten binnen een nationaal kader, de NAVO of de EU zelf bezig zijn AI in hun militaire systemen op te nemen; is van mening dat de interoperabiliteit met onze bondgenoten in stand moet worden gehouden door middel van gemeenschappelijke normen, die van essentieel belang zijn voor de uitvoering van operaties in coalitieverband; herinnert eraan dat er daarnaast samenwerking op het gebied van AI moet plaatsvinden in een Europees kader, dat het enige relevante kader is waarin daadwerkelijk krachtige synergieën tot stand kunnen worden gebracht, zoals voorgesteld in de AI-strategie van de EU;

48.  is van mening dat de EU de gevolgen van ontwikkelingen op het gebied van AI voor defensie en oorlogsvoering – met inbegrip van mogelijk destabiliserende ontwikkelingen en vormen van gebruik – nauwlettend moet volgen en evalueren en ethisch verantwoord onderzoek en ontwerp aan moet sturen teneinde de integriteit van persoonsgegevens en individuele toegang en controle te waarborgen, alsmede rekening moet houden met economische en humanitaire vraagstukken;

49.  herinnert aan zijn standpunt van 12 september 2018 inzake autonome wapensystemen, waarin wordt gesteld dat geen aanvallen mogen worden uitgevoerd zonder beduidende menselijke interventie; verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Europese Raad een gemeenschappelijk standpunt inzake autonome wapensystemen vast te stellen, met waarborgen betreffende beduidende menselijke controle over de kritieke functies van wapensystemen, waaronder tijdens de inzet daarvan; herhaalt zijn steun voor de werkzaamheden inzake LAWS van de VN-groep van regeringsdeskundigen van de hoge verdragsluitende partijen bij het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens, die het relevante internationale forum blijft voor besprekingen en onderhandelingen over de juridische uitdagingen van autonome wapensystemen; dringt aan op intensivering van alle huidige multilaterale inspanningen op dit gebied, zodat de normatieve en regelgevingskaders niet worden ingehaald door technologische ontwikkelingen en nieuwe methoden van oorlogsvoering; verzoekt de VV/HV in het kader van de lopende besprekingen over de internationale regulering van LAWS door de staten die partij zijn bij het CWV, zich voluit te blijven inzetten en onverwijld bij te dragen aan de inspanningen om een nieuw mondiaal normatief kader en een wettelijk bindend instrument te ontwikkelen, met speciale aandacht voor definities, concepten en kenmerken van opkomende technologieën op het gebied van LAWS, ethische en wettelijke kwesties betreffende menselijke controle, met name ten aanzien van kritieke functies daarvan zoals de selectie en aanval van een doelwit, het behoud van de menselijke verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht en de vereiste mate van interactie tussen mens en machine, met inbegrip van het concept menselijke controle en menselijke beoordeling; roept op ervoor te zorgen dat deze inspanningen tijdens de verschillende fasen van de levenscyclus van een op AI gebaseerd wapen de eerbiediging van het internationaal humanitair recht en het recht inzake de mensenrechten waarborgen, teneinde overeenstemming te bereiken over concrete aanbevelingen voor de verduidelijking, overweging en ontwikkeling van aspecten van het normatieve kader inzake opkomende technologieën op het gebied van LAWS;

50.  is van mening dat een doeltreffend mechanisme voor de handhaving van de regels inzake non-proliferatie van LAWS en van alle toekomstige offensieve, op AI gebaseerde technologieën van het allergrootste belang is voor de veiligheid in de wereld;

Staatsgezag: voorbeelden uit civiele domeinen, waaronder gezondheidszorg en justitie

51.  is van oordeel dat de lidstaten doelmatig moeten optreden teneinde hun afhankelijkheid van buitenlandse gegevens te verminderen en er, zonder aanzienlijke marktverstoring, op toe moeten zien dat het in bezit hebben, door sterke particuliere groeperingen, van hoogwaardige AI-technologieën niet leidt tot het in twijfel trekken van het staatsgezag of zelfs tot vervanging daarvan door particuliere entiteiten, met name indien deze particuliere groeperingen behoren tot een derde staat buiten de Europese Unie;

52.  benadrukt dat het gebruik van AI-systemen in de besluitvormingsprocessen van overheidsinstanties kan leiden tot vooringenomen beslissingen met negatieve gevolgen voor burgers en dat dit gebruik derhalve moet worden gecontroleerd aan de hand van strike controlecriteria met betrekking tot onder meer veiligheid, transparantie, verantwoordingsplicht, non-discriminatie, en maatschappelijke en ecologische verantwoordelijkheid; dringt er bij de lidstaten op aan de risico’s te beoordelen die zijn verbonden aan op AI gebaseerde beslissingen met betrekking tot de uitoefening van staatsgezag, en te zorgen voor waarborgen, zoals beduidend menselijk toezicht, transparantievereisten en de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen dergelijke beslissingen;

53.  dringt er bij de lidstaten op aan de risico’s te beoordelen die zijn verbonden aan door AI gestuurde technologieën alvorens activiteiten te automatiseren die verband houden met de uitoefening van het staatsgezag, zoals de rechtsbedeling; roept de lidstaten op te beoordelen of het noodzakelijk is om te voorzien in waarborgen zoals toezicht door een deskundige en strikte regels inzake beroepsethiek;

54.  onderstreept het belang van optreden op Europees niveau om te helpen de broodnodige investeringen, gegevensinfrastructuur, onderzoek – met inbegrip van onderzoek naar het gebruik van artificiële intelligentie door overheidsinstanties – en een gemeenschappelijk ethisch kader te bevorderen;

55.  benadrukt dat de Europese Unie moet streven naar strategische weerbaarheid zodat zij nooit meer onvoorbereid is op een crisis, en beklemtoont dat dit van cruciaal belang is, met name voor artificiële intelligentie en de militaire toepassingen ervan; benadrukt dat toeleveringsketens voor militaire AI-systemen die tot technologische afhankelijkheid kunnen leiden, moeten worden geëvalueerd en dat die afhankelijkheid geleidelijk moet worden afgebouwd; dringt aan op meer investeringen in Europese AI voor defensie en in de kritieke infrastructuur die daarvoor nodig is;

56.  verzoekt de Commissie de gevolgen van een moratorium op het gebruik van gezichtsherkenningssystemen te beoordelen en, afhankelijk van de resultaten van die beoordeling, een moratorium te overwegen op het gebruik van deze systemen door overheidsinstanties in openbare ruimten en op plaatsen die bestemd zijn voor onderwijs en gezondheidszorg, alsmede op het gebruik van gezichtsherkenningssystemen door rechtshandhavingsinstanties in semi-openbare ruimten zoals luchthavens, totdat de technische normen als volledig in overeenstemming met de grondrechten kunnen worden beschouwd, de verkregen resultaten niet-bevoordeeld en niet-discriminerend zijn, en op voorwaarde dat er strikte waarborgen zijn tegen misbruik van deze technologieën en dat het gebruik ervan noodzakelijk en evenredig is;

57.  benadrukt het belang van cyberbeveiliging voor AI, zowel in offensieve als defensieve scenario’s; wijst in dit verband op het belang van internationale samenwerking en van de publicatie en uitwisseling van kwetsbaarheden en oplossingen op het gebied van IT-beveiliging; dringt aan op internationale samenwerking op het gebied van cyberbeveiliging met het oog op de doeltreffende inzet en gebruik van AI en op waarborgen tegen misbruik van AI en cyberaanvallen; wijst voorts op het tweeledige karakter van IT-systemen (d.w.z. gebruik voor civiele en militaire doeleinden) en van AI, en dringt aan op een effectieve regulering ervan;

58.  is van mening dat de lidstaten AI-technologieën moeten bevorderen die werken voor mensen en dat personen ten aanzien waarvan een overheidsdienst een beslissing heeft genomen op basis van informatie van een AI-systeem, daarvan op de hoogte moeten worden gesteld en zo snel mogelijk de in de voorgaande paragraaf bedoelde informatie moeten krijgen, de mogelijkheid moeten hebben om in beroep te gaan tegen die beslissing en ervoor moeten kunnen kiezen dat dit zonder tussenkomst van een AI-systeem wordt opgelost; verzoekt de lidstaten te overwegen of het nodig is de waarborgen te bieden waarin Richtlijn (EU) 2018/958(13) voorziet, zoals toezicht door gekwalificeerde beroepsbeoefenaars en regels inzake beroepsethiek;

59.  benadrukt dat het doen van voorspellingen op basis van het delen van, de toegang tot en het gebruik van gegevens moet gebeuren volgens de kwaliteits-, integriteits-, transparantie-, veiligheids-, privacy- en controlevereisten; benadrukt dat tijdens het gehele proces van ontwikkeling, inzet en gebruik van AI, robotica en aanverwante technologieën het rechtskader van de EU inzake gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer moet worden geëerbiedigd, om de veiligheid van de burgers en het vertrouwen in deze technologieën te vergroten;

60.  wijst op de snelle ontwikkeling van AI-toepassingen die unieke kenmerkende eigenschappen, zoals gezichtskenmerken, bewegingen en gedragingen, herkennen; waarschuwt voor inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, non-discriminatie en de bescherming van persoonsgegevens in verband met het gebruik van toepassingen voor geautomatiseerde herkenning;

61.  benadrukt dat elk besluit betreffende een natuurlijke persoon dat uitsluitend op geautomatiseerde gegevensverwerking is gebaseerd, met inbegrip van profilering, en dat voor de betrokkene nadelige rechtsgevolgen heeft of hem in aanmerkelijke mate treft, krachtens de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verboden is, tenzij het betrokken besluit is toegestaan krachtens het Unierecht of het recht van een lidstaat dat voorziet in passende maatregelen om de rechten, vrijheden en gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te vrijwaren;

62.  dringt aan op de verklaarbaarheid van algoritmen, transparantie en regelgevend toezicht bij het gebruik van artificiële intelligentie door overheidsinstanties, en op het uitvoeren van effectbeoordelingen voordat instrumenten die AI-technologieën gebruiken door de overheid worden ingezet; roept de Commissie en het Europees Comité voor gegevensbescherming op richtsnoeren en aanbevelingen op te stellen en goede praktijken te ontwikkelen om de criteria en voorwaarden voor op profilering gebaseerde besluiten en het gebruik van AI door de overheid nader te specificeren;

63.  stelt vast dat artificiële intelligentie - met name dankzij diagnoseondersteunende algoritmes, door robots ondersteunde chirurgie, intelligente protheses, gepersonaliseerde behandelingswijzen op basis van 3D-beelden van het lichaam van patiënten, sociale robots voor bijstand aan ouderen, digitale therapieën ter verbetering van de autonomie van bepaalde categorieën geesteszieken, prognostische geneeskunde en software voor het anticiperen op epidemieën - een steeds belangrijkere rol zal gaan spelen in de gezondheidszorg;

64.  vindt overigens dat bij elk gebruik van AI in de gezondheidszorg de regels inzake bescherming van de persoonsgegevens van de patiënt in acht moeten worden genomen en dat deze gegevens niet ongecontroleerd mogen worden gedeeld;

65.  pleit ervoor dat bij elk gebruik van AI in de gezondheidszorg het beginsel van gelijke benadeling van patiënten wat betreft de toegang tot zorg in acht moet worden genomen, de arts-patiëntrelatie moet zijn gewaarborgd, en te allen tijde de eed van Hippocrates moet worden gerespecteerd, zodat de arts altijd de mogelijkheid heeft om af te wijken van de door AI aangeboden oplossing en de verantwoordelijkheid draagt voor een dergelijke beslissing;

66.  wijst erop dat het gebruik van AI bij de bestrijding van criminaliteit en cybercriminaliteit een breed scala aan mogelijkheden en kansen kan bieden; bevestigt tegelijkertijd dat het beginsel moet blijven gelden dat wat offline illegaal is ook online illegaal is;

67.  stelt vast dat ook op het vlak van justitie steeds vaker gebruik wordt gemaakt van AI, teneinde sneller beslissingen te kunnen nemen die rationeler zijn en meer in overeenstemming met het geldende recht; is blij dat de gerechtelijke procedures door het gebruik van AI naar verwachting sneller zullen verlopen;

68.  acht het nodig te verduidelijken of het passend is dat besluiten inzake rechtshandhaving deels worden overgelaten aan AI-systemen, waarbij de mens het laatste woord heeft;

69.  benadrukt dat het gebruik van AI op het gebied van justitie de analyse en verzameling van gegevens en de bescherming van slachtoffers kan verbeteren, en dat dit kan worden nagegaan door onderzoek en ontwikkeling in combinatie met effectbeoordelingen, met name met betrekking tot waarborgen voor een eerlijk proces en tegen vooroordelen en discriminatie, waarbij het voorzorgsbeginsel wordt toegepast; herinnert er evenwel aan dat dit niet in de plaats mag komen van menselijke betrokkenheid bij het vellen van vonnissen of in besluitvorming;

70.  herinnert aan het belang van de beginselen van governance, transparantie, onpartijdigheid, verantwoordingsplicht, eerlijkheid en intellectuele integriteit bij het gebruik van AI in het strafrecht;

71.  verzoekt de lidstaten dringend te beoordelen welke risico’s gepaard gaan met door AI gestuurde technologieën alvorens activiteiten te automatiseren die verband houden met de uitoefening van staatsgezag, met name op het gebied van justitie; roept hen op te beoordelen of er moet worden voorzien in waarborgen zoals toezicht door een deskundige en regels inzake beroepsethiek;

72.  merkt op dat bepaalde AI-technologieën de automatisering van informatieverwerking en handelingen op ongekende schaal mogelijk maken, bijvoorbeeld grootschalige controle op civiel en militair gebied, wat een bedreiging vormt voor de grondrechten en de weg vrijmaakt voor schending van de nationale soevereiniteit; pleit voor toezicht op grootschalige controleactiviteiten op grond van het internationaal recht, onder meer met betrekking tot kwesties van jurisdictie en handhaving; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de ontwikkeling van een aantal zeer indringende sociale scoringtoepassingen, aangezien deze een ernstig gevaar vormen voor de eerbiediging van de grondrechten; dringt aan op een expliciet verbod op grootschalige sociale scoring door overheidsinstanties om de rechten van burgers te beperken; pleit ervoor de verantwoordingsplicht van particuliere actoren onder het internationaal recht te versterken met het oog op de decisionele hegemonie en controle van bepaalde particuliere actoren over de ontwikkeling van die technologieën; verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten in dit kader bijzondere aandacht te besteden aan het onderhandelen over en sluiten en ratificeren van internationale overeenkomsten die betrekking hebben op grensoverschrijdende familierechtelijke zaken, zoals gevallen van internationale kinderontvoering, en te waarborgen dat AI-systemen altijd onder doeltreffend menselijk toezicht worden toegepast met waarborging van een goede rechtsgang in de EU en in de landen die partij zijn bij deze overeenkomsten;

73.  verlangt dat het publiek in kennis wordt gesteld van het gebruik van AI op het gebied van justitie, en dat dit gebruik geen aanleiding geeft tot discriminatie op basis van programmering; benadrukt dat het recht van elke persoon op toegang tot een overheidsambtenaar moet worden geëerbiedigd, en dat dit ook geldt voor het recht van overheidsambtenaren om een beslissing te nemen en af te wijken van de uit AI ontvangen informatie indien zij dat gezien de details van de desbetreffende zaak noodzakelijk achten; beklemtoont dat de verweerder het recht heeft om overeenkomstig het nationaal recht in beroep te gaan zonder dat de rechter ooit van zijn verantwoordelijkheid wordt ontslagen;

74.  pleit er derhalve voor informatie over al deze toepassingen in de publieke en administratieve sfeer als informatie in het publieke domein aan te merken en discriminatie op basis van programmering te vermijden;

75.  benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor een degelijke invoering en een degelijk gebruik van AI; verzoekt de lidstaten hun civiel en militair personeel een passende opleiding te geven zodat zij discriminatie en vooroordelen in datasets nauwkeurig kunnen identificeren en voorkomen;

76.  is ten zeerste bezorgd over “deepfake”-technologieën die steeds realistischere vervalsingen van foto’s en van, geluids- en beeldfragmenten mogelijk maken die kunnen worden gebruikt voor chantage, het maken van valse nieuwsberichten, het ondermijnen van het publiek vertrouwen en het beïnvloeden van het openbaar debat; is van mening dat dergelijke praktijken het potentieel hebben om landen te ontwrichten, desinformatie te verspreiden en verkiezingen te beïnvloeden; dringt daarom aan op een verplichting waarbij de maker voor alle deepfake-materialen of andere realistisch ogende synthetische video’s moet vermelden dat zij “niet origineel” zijn, alsook op een strikte beperking voor het gebruik ervan voor verkiezingsdoeleinden en op een robuuste handhaving; pleit voor adequaat onderzoek op dit gebied om ervoor te zorgen dat technologieën om deze fenomenen te bestrijden gelijke tred houden met het slecht bedoeld gebruik van AI;

Vervoer

77.  neemt nota van het aanzienlijke economische potentieel van AI-toepassingen, onder meer voor de optimalisering van langetermijnprestaties, onderhoud, storingsvoorspelling en het plannen van de aanleg van vervoersinfrastructuur en gebouwen, alsmede voor veiligheid, energie-efficiëntie en kosten; verzoekt de Commissie daarom AI-onderzoek en de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van vervoer te blijven bevorderen;

78.  wijst op de noodzaak om AI te stimuleren ter bevordering van de multimodaliteit, interoperabiliteit en energie-efficiëntie van alle vervoerswijzen teneinde de vervoersstromen van goederen en passagiers efficiënter te organiseren en te beheren, beter gebruik te maken van infrastructuur en middelen in het kader van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN‑T) en de belemmeringen voor de verwezenlijking van een echte interne Europese vervoersruimte aan te pakken;

79.  herinnert aan de voordelen van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS) – een naadloos systeem voor automatische treinbewaking, en ondersteunt de ontwikkeling en internationale standaardisatie van de automatisering van het treinverkeer;

80.  is ingenomen met de werkzaamheden van het onderzoeksproject betreffende het beheer van het luchtverkeer in het gemeenschappelijk Europees luchtruim (Sesar) op het gebied van drones en luchtverkeersbeveiligingssystemen, zowel civiel als militair;

81.  herinnert eraan dat autonome voertuigen een groot potentieel hebben om de mobiliteit en de veiligheid te verbeteren en gunstig zijn voor het milieu, en verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor samenwerking tussen regelgevende instanties en alle partijen die betrokken zijn bij de invoering van geautomatiseerde voertuigen in het wegverkeer in de EU;

82.  wijst erop dat de mondiale scheepvaartindustrie ingrijpend is veranderd door de integratie van AI gedurende de afgelopen jaren; herinnert aan de huidige uitgebreide besprekingen in de Internationale Maritieme Organisatie over de doeltreffende integratie in haar regelgevingskader van nieuwe en opkomende technologieën, zoals autonome schepen;

83.  benadrukt dat intelligente vervoerssystemen de verkeerscongestie temperen, de veiligheid en toegankelijkheid verhogen en bijdragen aan meer efficiëntie en betere mobiliteitsoplossingen; vestigt de aandacht op de toegenomen blootstelling van traditionele vervoersnetwerken aan cyberdreigingen; herinnert aan het belang van voldoende middelen en verder onderzoek naar veiligheidsrisico’s bij het waarborgen van de veiligheid van geautomatiseerde systemen en de gegevens daarvan; is verheugd over de intentie van de Commissie om cyberveiligheid op te voeren als regulier agendapunt op vergaderingen van internationale organisaties op het gebied van vervoer;

84.  is ingenomen met de inspanningen om AI-systemen in de publieke sector in te voeren en zal de verdere besprekingen over de invoering van AI in het vervoer ondersteunen; verzoekt de Commissie een evaluatie van het gebruik van AI en vergelijkbare technologieën in de vervoerssector te verrichten en een niet-limitatieve lijst op te stellen van risicovolle segmenten in AI-systemen die besluiten in het kader van de voorrechten van het openbaar gezag op dit gebied vervangen;

85.  wijst erop dat het Europees Defensiefonds en de permanente gestructureerde samenwerking de samenwerking tussen de lidstaten en de Europese defensie-industrie moeten stimuleren om nieuwe Europese defensiecapaciteit op het gebied van AI te ontwikkelen en de voorzieningszekerheid te waarborgen, met inachtneming van ethische overwegingen; benadrukt dat versnippering moet worden voorkomen door bruggen te slaan tussen de verschillende actoren en toepassingsgebieden, door compatibiliteit en interoperabiliteit op alle niveaus te bevorderen en door zich te richten op gemeenschappelijke werkzaamheden op het gebied van architectuur en platformoplossingen; herinnert er bovendien aan dat de volgende Connecting Europe Facility, die ook slimme infrastructuur bevordert, zal voorzien in een fonds voor de aanpassing en ontwikkeling van civiele of militaire vervoersinfrastructuur voor tweeërlei gebruik in TEN‑T met het oog op de vergroting van synergieën tussen behoeften op civiel en defensiegebied en de verbetering van de militaire mobiliteit in de Unie; benadrukt daarom dat er op Europees niveau behoefte is aan meer investeringen, onderzoek en leiderschap in technologieën die een grote impact op de economische groei hebben en een aanzienlijk potentieel voor duaal gebruik;

86.  benadrukt dat veel investeringen in nieuwe technologieën voor vervoer en mobiliteit marktgedreven zijn, maar dat kant-en-klare commerciële technologieën en producten voor duaal gebruik vaak op een innoverende manier worden gebruikt voor militaire doeleinden; benadrukt daarom dat er rekening moet worden gehouden met het potentieel van duaal gebruik van op AI gebaseerde oplossingen bij de vaststelling van normen voor gebruik van AI op verschillende gebieden in commerciële en militaire sectoren; dringt aan op strenge ethische normen en streng ethisch beleid bij de ontwikkeling van defensietechnologieën, -producten en -besturingssystemen;

87.  wijst erop dat het effectieve vervoer van goederen, munitie, wapentuig en troepen een essentieel onderdeel is van een succesvolle militaire operatie; benadrukt dat AI naar verwachting een cruciale rol zal spelen in militaire logistiek en militair vervoer en op dat gebied talrijke mogelijkheden zal creëren; wijst erop dat landen overal ter wereld, waaronder EU-lidstaten, van AI gebruikmaken in hun wapens en andere systemen op platforms te land, ter zee en in de lucht; herinnert eraan dat AI-toepassingen in de vervoerssector nieuwe mogelijkheden kunnen bieden en nieuwe tactieken mogelijk kunnen maken, zoals de combinatie van veel systemen als drones, onbemande vaartuigen of tanks in een onafhankelijke en gecoördineerde operatie;

Internationaal privaatrecht

88.  merkt op dat de internationalisering van het menselijk handelen (zowel online, als in de reële wereld) tot een toename van het aantal rechtszaken in het kader van het internationaal privaatrecht leidt en dat AI kan helpen bij het oplossen van geschillen door het ontwikkelen van modellen voor het in elke zaak identificeren van de bevoegde jurisdictie en het toepasselijke recht, maar ook voor het in kaart brengen van de meest gevoelige wetsconflicten en het formuleren van voorstellen om deze op te lossen;

89.  is overigens van oordeel dat het grote publiek op passende wijze over elk gebruik van AI op het vlak van het internationaal privaatrecht moet worden geïnformeerd, dat discriminatie op basis van programmering, die ertoe zou leiden dat stelselmatig de voorkeur wordt gegeven aan het nationale recht van één bepaald land in plaats van het nationaal recht van een ander land, moet worden vermeden, en dat het recht op een bij wet aangewezen rechter, het rechtsmiddel en het recht van elke rechter om de door AI voorgestelde oplossing af te wijzen, moeten worden geëerbiedigd;

90.  beklemtoont dat voor het gebruik van zelfrijdende auto’s in de Europese Unie, dat tot een zeer groot aantal geschillen op het vlak van het internationaal privaatrecht kan gaan leiden, specifieke Europese regelgeving moet worden ontwikkeld, met aanduiding van het toepasselijke rechtskader in het geval van schade tussen voertuigen uit twee verschillende rechtsgebieden;

91.  wijst erop dat de EU, gezien het toegenomen belang van onderzoek en ontwikkeling in de privésector en enorme investeringen uit derde landen, zware concurrentie ondervindt; schaart zich derhalve achter de inspanningen van de EU om haar concurrentievoordelen verder te vergroten en is van oordeel dat de EU moet streven naar een voortrekkersrol bij het vaststellen van regels voor AI in een uiterst geconnecteerde wereld, door een doeltreffende strategie ten aanzien van haar externe partners te ontwikkelen en zich meer inspanningen te getroosten om op internationaal niveau tot mondiale ethische normen voor AI te komen die aansluiten bij de vereisten inzake veiligheid en consumentenbescherming en bij de Europese waarden en burgerrechten, met inbegrip van de grondrechten; acht dit ook van cruciaal belang voor het concurrentievermogen en het voortbestaan van het Europese bedrijfsleven; verzoekt de Commissie en de lidstaten de samenwerking met derde landen en internationale organisaties als de VN, OESO, G7 en G20 te versterken en een ruimere dialoog aan te gaan om de uitdagingen aan te pakken die voortvloeien uit de ontwikkeling van deze snel veranderende technologie; is van mening dat met deze inspanningen met name moet worden gestreefd naar het vaststellen van gemeenschappelijke normen en het verbeteren van de interoperabiliteit van door AI aangestuurde systemen; verzoekt de Commissie de dialoog, nauwere samenwerking en synergie tussen de lidstaten, onderzoekers, academici, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, met name toonaangevende bedrijven, en de strijdkrachten te bevorderen zodat wordt gewaarborgd dat de besluitvormingsprocessen voor regelingen in verband met defensiegerelateerde AI inclusief zijn;

Leidende beginselen

92.  is van oordeel dat AI-technologieën en -netwerksystemen moeten streven naar het bieden van rechtszekerheid voor burgers; onderstreept derhalve dat de regels inzake wets- en jurisdictieconflicten van toepassing moeten blijven, rekening houdend met de belangen van de burgers en de noodzaak om het risico op forumshopping te beperken; herinnert eraan dat AI in het rechterlijke proces geen mensen kan vervangen wanneer uitspraak moet worden gedaan of een besluit moet worden genomen, aangezien besluiten altijd door een mens moet worden genomen en moeten zijn onderworpen aan strikt menselijk toezicht met waarborging van een goede rechtsgang; dringt erop aan dat de rechterlijke instanties, wanneer zij gebruikmaken van bewijs dat wordt geleverd door op AI gebaseerde technologieën, moeten worden verplicht hun beslissingen te motiveren;

93.  geeft aan dat AI, een voorbeeld van wetenschappelijke vooruitgang, niet tot een uitholling van het recht mag leiden, maar juist aan wettelijke regels (in de Europese Unie aan door de Europese instellingen en haar lidstaten vastgestelde wetgeving) moet zijn onderworpen, en dat het gebruik van AI, robotica en aanverwante technologieën onder geen beding in strijd mag zijn met de grondrechten, de democratie of de rechtstaat;

94.  benadrukt dat AI die wordt gebruikt voor defensiedoeleinden verantwoord, billijk, traceerbaar, betrouwbaar en beheersbaar moet zijn;

95.  is van mening dat artificiële intelligentie, robotica en aanverwante technologieën, met inbegrip van de door deze technologieën gebruikte of geproduceerde software, algoritmen en gegevens, ongeacht in welke sector deze worden gebruikt, op een veilige en technisch verantwoorde wijze moeten worden ontwikkeld;

o
o   o

96.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(3) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(4) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(5) PB L 252 van 8.10.2018, blz. 1.
(6) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 239.
(7) PB C 307 van 30.8.2018, blz. 163.
(8) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 86.
(9) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 42.
(10) PB C 449 van 23.12.2020, blz. 37.
(11) Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).
(12) Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24).
(13) Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 25).


Herziening van de richtsnoeren voor het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T)
PDF 177kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over de herziening van de richtsnoeren voor het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) (2019/2192(INI))
P9_TA(2021)0010A9-0251/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU(1) (TEN-T-verordening),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility (CEF)(2),

–  gezien Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft (Verordening inzake algemene veiligheid). 78/2009)(3),

–  gezien Richtlijn (EU) 2019/1936 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 tot wijziging van Richtlijn 2008/96/EG betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur(4),

–  gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over toerisme en vervoer in en na 2020(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de verbetering van de aansluiting op en de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur in Centraal- en Oost-Europa(6),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2018 over militaire mobiliteit(7),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal(8),

–  gezien speciaal verslag nr. 10/2020 van de Europese Rekenkamer van 16 juni 2020, getiteld “Vervoersinfrastructuren in de EU: megaprojecten moeten sneller worden uitgevoerd zodat de netwerkeffecten tijdig worden gerealiseerd”(9),

–  gezien overzicht nr. 09/2018 van de Europese Rekenkamer van 6 december 2018, getiteld “Naar een succesvolle vervoerssector in de EU: uitdagingen in het verschiet”(10),

–  gezien speciaal verslag nr. 13/2017 van de Europese Rekenkamer van 3 oktober 2017, getiteld “Eén Europees beheersysteem voor het spoorverkeer: zal de politieke keuze ooit werkelijkheid worden?” (11),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A9-0251/2020),

A.  overwegende dat een moderne, duurzame en toegankelijke multimodale vervoersinfrastructuur en toekomstgerichte logistiek van fundamenteel belang zijn voor de goede werking van de interne markt en de verbinding en het concurrentievermogen van de EU, en een duurzame, betaalbare, slimme, efficiënte, interoperabele en veilige mobiliteit mogelijk maken;

B.  overwegende dat het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) zorgt voor economische, sociale en territoriale cohesie en toegankelijkheid in de gehele EU en haar regio’s, met inbegrip van plattelandsgebieden, afgelegen, perifere, ultraperifere en dunbevolkte regio’s, eilanden en berggebieden, waardoor de economische groei en het scheppen van banen worden gestimuleerd, de ongelijkheid wordt verminderd, de digitalisering en innovatie worden bevorderd, de klimaatverandering wordt aangepakt en het aanpassings- en weerstandsvermogen wordt versterkt;

C.  overwegende dat het TEN-T een essentiële bijdrage levert aan de verwezenlijking van de politieke doelen van de EU op het gebied van het toetredings- en nabuurschapsbeleid, met name middels grensoverschrijdende projecten, en overwegende dat de instandhouding en versterking van nauwe vervoersverbindingen met derde landen binnen TEN-T, en de verdere integratie van de westelijke Balkan en de landen van het Oostelijk Partnerschap voor de EU van groot belang zijn;

D.  overwegende dat de voltooiing van het TEN-T van essentieel belang is om te evolueren naar duurzamere vervoerswijzen, zoals spoorvervoer en binnenvaart, het gebruik van alternatieve brandstoffen overeenkomstig de doelstellingen van de Europese Green Deal en het terugdringen van broeikasgasemissies;

E.  overwegende dat een evenwichtige ontwikkeling van vervoerscorridors in heel Europa, die zorgt voor de noord‑zuid‑ en oost‑west‑connectiviteit in heel Europa, noodzakelijk is om de economische, sociale en territoriale cohesie te versterken;

F.  overwegende dat er bij de lopende onderhandelingen over de financiering van de Connecting Europe Facility (CEF) voor de komende jaren terdege rekening mee moet worden gehouden dat de lidstaten zich ertoe hebben verbonden het TEN-T-kernnetwerk in 2030 en het uitgebreide netwerk in 2050 te voltooien;

G.  overwegende dat de tijdige voltooiing van het TEN-T-netwerk bij het huidige tempo onzeker lijkt, met name gezien de grote vertragingen bij de grensoverschrijdende projecten en ontbrekende schakels, en de verbindingen voor de laatste kilometers wegens de financiële, operationele en administratieve problemen die initiatiefnemers van projecten ondervinden; overwegende dat in het verslag van de Europese Rekenkamer erop wordt gewezen dat lacunes in het toezichtskader van de Commissie en de politieke besluitvormingsprocessen op nationaal niveau, alsmede de zwakke stimulering en belangstelling van sommige lidstaten ten aanzien van het TEN-T belangrijke oorzaken van vertragingen zijn;

H.  overwegende dat de middelen voor de voltooiing van het TEN-T in het kader van het CEF-programma gevaar lopen drastisch te worden verlaagd, vooral na de conclusies van de Europese van juli 2020, met een gepland bedrag voor de algemene middelen voor vervoer die duidelijk niet toereikend zijn;

I.  overwegende dat bij de totstandbrenging van het TEN-T-netwerk het beginsel van gelijke behandeling van de kernnetwerkcorridors moet worden gehanteerd, zonder enige bevoordeling van bepaalde corridors ten nadele van andere;

J.  overwegende dat het TEN-T-beleid de invoering in de gehele EU van oplossingen voor innovatief en toegankelijk vervoer, modale verschuiving, emissiearme en emissievrije mobiliteit, intelligente vervoerssystemen (bijv. ITS, riviereninformatiesysteem (RIS)), tank- en oplaadinfrastructuur en alternatieve brandstoffen moet bevorderen; overwegende dat voor de innovatie en digitalisering van het TEN-T bijkomende investeringen nodig zijn;

K.  overwegende dat de aanhoudende COVID-19-crisis heeft aangetoond dat de vervoers- en logistieke sector en zijn werknemers van levensbelang zijn voor de economie, die steunt op naadloze netwerken voor het personen- en goederenvervoer als levensaders, hetgeen van cruciaal belang is voor het functioneren van de toeleveringsketens; overwegende dat de uitbouw van efficiënte en veerkrachtige vervoersinfrastructuur centraal moet staan in alle Europese en nationale herstelplannen en -inspanningen, die vooral gericht moeten zijn op multimodale vervoersverbindingen tussen havens, luchthavens, spoorwegen en wegen;

L.  overwegende dat het Europees Jaar van de spoorwegen in 2021 de gelegenheid biedt om een verandering op gang te brengen die van het spoor de ruggengraat van het passagiers- en goederenvervoer in de hele Unie maakt en om te wijzen op de doorslaggevende invloed van de TEN-T-netwerken op het vergroten van de sociaaleconomische cohesie en ontwikkeling, de uitbouw van de interne markt en het bevorderen van concurrerendere en efficiënte duurzame vervoerswijzen teneinde de modale verschuiving naar het spoor te bevorderen en tegen 2030 één Europese spoorwegruimte te voltooien;

Een TEN‑T dat klaar is voor de toekomst

1.  onderstreept de toegevoegde waarde van de multimodale kernnetwerkcorridors die de belangrijkste passagiers- en goederenstromen tussen en binnen de lidstaten verwerken; is van oordeel dat de Europese meerwaarde van deze projecten een essentiële factor vormt voor het verkrijgen van steun van de burgers; is van mening dat de tijdige voltooiing ervan tegen 2030 onontbeerlijk is waarbij het wegnemen van knelpunten en het aanleggen van ontbrekende schakels, alsmede de voltooiing van grensoverschrijdende tracés samen met de modernisering en opwaardering van de bestaande delen van het netwerk op de corridors prioriteit hebben;

2.  wijst erop dat het TEN-T-beleid interoperabele netwerken zou moeten bevorderen; stelt vast dat interne landgrensregio’s 40 % van het hele grondgebied van de EU uitmaken en dat daar een derde van de EU-bevolking woont; herhaalt dat bij de herziening van de TEN-T-verordening en de toepassing ervan bijzondere aandacht moet worden besteed aan het faciliteren van grensoverschrijdende verbindingen, de bevordering van de interoperabiliteit en de bijdrage aan de multimodale integratie van de vervoersinfrastructuur in de gehele Unie;

3.  verzoekt de lidstaten die hun nationale vervoersplannen en -programma’s nog niet voldoende op de doelstellingen van het TEN-T hebben afgestemd, deze tekortkoming onverwijld aan te pakken met het oog op de toepassing en inachtneming van de termijnen, doelstellingen en tijdschema’s van de desbetreffende EU-wetgeving; herinnert bovendien eraan dat door het netwerkkarakter van het TEN-T de efficiëntie en het concurrentievermogen van het hele systeem in het gedrang kunnen komen wanneer een klein segment ervan niet conform of niet operabel is; roept daarom ertoe op deze hotspots en strategische segmenten dringend te identificeren en te realiseren;

4.  beschouwt de herziening van de TEN-T-verordening als een belangrijke kans om het netwerk toekomstbestendig te maken teneinde de goede werking van de interne markt van de EU en de verdere verwezenlijking van één Europese vervoersruimte, alsmede de mondiale concurrentiepositie van de EU de komende decennia veilig te stellen en de transitie naar slimme, duurzame, efficiënte en veilige mobiliteit te ondersteunen; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is het netwerk te actualiseren om rekening te houden met de nieuwe realiteit op de markt, de klimaat-, ecologische en maatschappelijke veranderingen en de digitale behoeften, en dat het zaak is de efficiëntie van het bestaande netwerk te verbeteren en de uitrol van alternatieve brandstoffen voor het vervoer te bespoedigen;

5.  acht het belangrijk het TEN-T verder uit te bouwen en zich hierbij te richten op de onderlinge verbinding tussen het kernnetwerk en de uitgebreide netwerken, ook in plattelandsgebieden, perifere, dunbevolkte en ultraperifere regio’s en eilanden en op de tracés met de grootste potentiële sociaaleconomische voordelen; onderstreept dat geen ingrijpende veranderingen van de kaarten mogen worden doorgevoerd zolang het kernnetwerk niet is voltooid; onderstreept echter dat beperkte aanpassingen van het TEN-T nodig zijn om rekening te houden met de ontwikkeling van de vervoersnetwerken en om de connectiviteit tussen de verschillende corridors en van de perifere regio’s te verbeteren, met inbegrip van het versterken van de grensoverschrijdende spoorwegverbindingen die niet op de kernassen liggen, met name kortere ontbrekende verbindingen met een grote Europese meerwaarde in grensoverschrijdende regio’s, alsmede om de complementariteit tussen het TEN-T-beleid en het regionaal beleid te vergroten en te voldoen aan de veranderende behoeften op ecologisch, economisch en maatschappelijk gebied; doet een beroep op de Commissie alle aanpassingen die zijn vastgelegd in de herziening van de CEF(12), over te nemen, alsook de vereisten die voortvloeien uit het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake het stroomlijnen van maatregelen met het oog op een snellere voltooiing van het TEN-T (COM(2018)0277);

6.  dringt er bij de Commissie op aan in het kader van het TEN-T voorrang te verlenen aan de volledige benutting van alternatieve brandstoffen voor alle vervoerswijzen, vooral hernieuwbare brandstoffen met het oog op decarbonisatie, met inbegrip van de ontwikkeling van desbetreffende technologieën, oplaad- en tankinfrastructuur (dat wil zeggen oplaadpunten voor elektrische voertuigen, tankvoorzieningen voor lng en waterstof), normen voor veiligheid, beveiliging en interoperabiliteit, en het regelgevingskader voor alternatieve brandstoffen ter verwezenlijking van klimaatneutraliteit in 2050, met inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit en technologische diversifiëring; dringt aan op een routekaart voor weginfrastructuur die aansluit bi de routekaart voor de automobielindustrie om ervoor te zorgen dat investeringen in infrastructuur hand in hand gaan met de voertuigproductie op de korte en middellange termijn;

7.  onderstreept voorts de noodzaak vervoersverbindingen in en met stedelijke knooppunten, spoorwegstations en -knooppunten, binnen- en zeehavens, luchthavens, logistieke knooppunten en multimodale platforms te bevorderen, ook door de verbindingen hiertussen, zowel in de kernnetwerken als de uitgebreide netwerken, te voltooien en op te waarderen om te zorgen voor een naadloos, efficiënt, toegankelijk, geïntegreerd, slim, veilig, onderling verbonden, goed uitgerust en duurzaam mobiliteitssysteem voor het passagiersvervoer en de goederenlogistiek, alsmede door de ontwikkeling van doorreisbiljetten, waardoor een efficiënte modale verschuiving wordt ondersteund, met name door de openbaarvervoerssystemen te versterken en de connectiviteit van stedelijke knooppunten en plattelandsgebieden te vergroten;

8.  beklemtoont derhalve dat de komende herziening van de TEN-T-richtsnoeren vergezeld moet gaan van de aangekondigde herzieningen van de richtlijn betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen(13), de TEN-E-verordening(14) en de verordening inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer(15);

9.  benadrukt dat onderzoek, innovatie en digitalisering een cruciale rol spelen bij de decarbonisatie van het vervoer, in het kader van het verwerken van toenemende vervoersvolumes zowel bij het passagiers- als goederenvervoer, bij het vergroten van de multimodale interoperabiliteit en het veiliger, efficiënter en veerkrachtiger maken van het vervoer overeenkomstig de doelstellingen van de Europese Green Deal; onderstreept dat met het TEN-T innovatieve digitale toepassingen in alle vervoerswijzen moeten worden bevorderd met inbegrip van intelligente vervoerssystemen, het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS), monitoring- en informatiesystemen voor de zeescheepvaart, rivierinformatiediensten, luchtverkeersbeveiligingssystemen (ATM‑onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim) en systemen om de structurele staat van de infrastructuur te monitoren; wijst in dit verband nogmaals op het belang van de voltooiing van het Galileo-project; spoort de Commissie aan de lidstaten ertoe aan te zetten deze systemen te financieren uit de faciliteit voor herstel en veerkracht;

10.  wijst erop dat slimme en autonome mobiliteitsoplossingen steeds meer commercieel levensvatbaar worden en dat de modernisering van relevante vervoers- en digitale infrastructuur in het TEN-T moet worden bespoedigd waarbij grensoverschrijdende interoperabiliteit, gegevensbescherming en cyberveiligheid worden gewaarborgd teneinde de veilige werking van geautomatiseerde en geconnecteerde voertuigen te vergemakkelijken overeenkomstig de onlangs goedgekeurde verordening inzake algemene veiligheid;

11.  onderstreept dat er dringend behoefte is aan Europese steun voor onderzoek en ontwikkeling van innovatieve vervoerswijzen, zoals bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van onbemande luchtvaartuigen en maglev-technologie; beklemtoont dat Europese partnerschappen voor de verschillende vervoerswijzen een zeer positieve impact kunnen hebben op de veilige, efficiënte en slimme uitrol van het TEN-T;

12.  is van oordeel dat geharmoniseerde infrastructuurnormen voor het gehele netwerk daadwerkelijk één interne Europese vervoersruimte mogelijk maken; acht het onderhoud en de opwaardering van de bestaande infrastructuur, met name op grensoverschrijdende tracés, belangrijk met het oog op de technologische vooruitgang, veranderende veiligheidsnormen, toenemende efficiëntie, kwaliteitsvollere prestaties, de verhoging van de capaciteit, nieuwe functies, grotere grensoverschrijdende betrouwbaarheid en interoperabiliteit en de noodzaak om een levenscyclusbenadering te hanteren en de infrastructuur meer weerstand te verlenen tegen de gevolgen van crises, zoals pandemieën en de klimaatverandering; constateert echter dat de CEF‑financiering niet volstaat om deze doelstellingen te verwezenlijken; wijst erop dat coördinatie tussen de lidstaten van cruciaal belang is om crises te beheren, de goederenstroom op gang te houden en de bevolking van de Unie van essentiële goederen te voorzien; verzoekt de Commissie een wetgevingskader voor te stellen om het risicobeheer, de veerkracht en de aanpassing aan de klimaatverandering van de vervoersinfrastructuur van het kernnetwerk, voor alle vervoerswijzen te verbeteren;

13.  is van mening dat slecht onderhoud van de vervoersinfrastructuur de continuïteit, duurzaamheid, prestaties, veiligheid en dus het weerstandsvermogen van het TEN-T in het gedrang kan brengen; wijst op het belang van geregeld en gestandaardiseerd onderhoud van de TEN-T-infrastructuur, in het bijzonder van de bruggen en tunnels, om ervoor te zorgen dat de infrastructuur gedurende lange tijd van hoge kwaliteit blijft; verzoekt de Commissie een duidelijk ijkpunt voor de kwaliteitsvereisten voor de infrastructuur vast te stellen, in het bijzonder voor de bruggen en tunnels, en een gemeenschappelijke Europese aanpak te ontwikkelen voor inspecties en kwaliteitsbeoordelingen van de TEN-T-infrastructuur; verzoekt de Commissie een controleplan voor het onderhoud van het kernnetwerk op Europees niveau op te stellen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om samen met de Europese Investeringsbank (EIB) en de nationale stimuleringsbanken en -instellingen nieuwe financieringsregelingen te bestuderen om investeringen in het onderhoud van het netwerk te vergemakkelijken; roept de lidstaten bovendien ertoe op specifieke nationale plannen op te stellen voor de financiering van gewoon en buitengewoon onderhoud;

Financiering, beheer en toezicht

14.  benadrukt dat het met het oog op toereikende investeringen in TEN-T-infrastructuur van essentieel belang is dat alle relevante EU-fondsen (de CEF, InvestEU, de Europese structuur- en investeringsfondsen, de faciliteit voor herstel en veerkracht, Horizon Europa, enz.) en de leningen van de EIB worden afgestemd op de specifieke behoeften van de vervoerssector en dat de lidstaten zich ertoe verbinden toereikende financiering te verstrekken; betreurt ten zeerste het besluit van de Europese Raad om te bezuinigen op de begroting voor toekomstgerichte programma’s, zoals de CEF en InvestEU, vooral in het licht van de essentiële faciliterende rol die het CEF-programma vervult bij de voltooiing van het TEN-T-netwerk; merkt op dat, wil de zeer ambitieuze agenda voor de decarbonisatie van de economie slagen, deze moet worden ondersteund door overeenstemmende financiering en financieringsinstrumenten waarbij het concurrentievermogen van de betrokken sectoren moet worden gehandhaafd; verzoekt de Commissie de synergieën en de beleidssamenhang tussen de betrokken EU-instrumenten buiten de CEF te versterken (bijv. het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling) en bovendien het gebruik van blendinginstrumenten te optimaliseren om particuliere investeerders aan te trekken en overheidsmiddelen te benutten; wijst erop dat in het kader van de Europese Green Deal relevante klimaat- en milieugerelateerde financiële instrumenten beschikbaar moeten worden gesteld voor investeringen in het TEN-T-netwerk die een doeltreffende bijdrage kunnen leveren tot het verminderen van de emissies van de vervoerssector;

15.  betreurt het feit dat de lidstaten in het nieuwe voorstel voor het meerjarig financieel kader (MFK) en in het herstelplan nog steeds geen sterk signaal geven op het gebied van infrastructuurinvesteringen en dat zij evenmin een prioriteit maken van de voltooiing van het TEN-T; onderstreept derhalve dat de middelen van het Next Generation EU Fund een unieke kans bieden om de ontwikkeling van de TEN-T-kernnetwerken tot 2030 veilig te stellen; verzoekt de Commissie het Parlement jaarlijks te informeren over de voortgang van de bouw; verzoekt de Commissie in de onderhandelingen met de lidstaten een passend deel van de steun voor de ontwikkeling van beleidsmaatregelen van de EU op vervoersgebied te reserveren en hierover een eindverslag aan het Parlement voor te leggen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in de nationale programma’s voor de uitvoering van de faciliteit voor herstel en veerkracht een belangrijke rol wordt toegekend aan investeringen in moderne, digitale, duurzame en veilige vervoersinfrastructuur;

16.  herinnert eraan dat de voltooiing van het ERTMS, zowel aan boord van treinen als langs het spoor, een fundamentele voorwaarde is voor de totstandbrenging van één interne Europese spoorwegruimte en voor de goede werking van de spoorwegmarkt in de TEN‑T-corridors; beklemtoont in dit verband dat er voor de voltooiing van het ERTMS op de kernnetwerken circa 15 miljard EUR nodig is en dat de Commissie een belangrijke rol moet spelen bij de coördinatie van de financiering en uitrol;

17.  beklemtoont dat de naleving van de in de voorgestelde richtlijn betreffende het stroomlijnen van het TEN-T vastgestelde termijn(16) in overweging moet worden genomen wanneer projecten worden geëvalueerd aan de hand van de maturiteitscriteria voor de selectie van projecten als vastgesteld in het kader van de CEF; is bovendien van mening dat optredende vertragingen een rechtvaardiging moeten vormen voor een onderzoek naar de geboekte vooruitgang in het project en een herziening van de financiële bijstand die van de Unie is ontvangen in het kader van de CEF zoals vastgesteld in artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1316/2013(17), hetgeen kan leiden tot een vermindering of intrekking van de subsidie;

18.  beklemtoont dat, hoewel het TEN-T-netwerk stapsgewijze wordt uitgevoerd en de voltooiing van het kernnetwerk de prioriteit op korte termijn is, aangezien dit de ruggengraat vormt van de ontwikkeling van een duurzaam multimodaal vervoersnetwerk, en de ontwikkeling van het volledige uitgebreide netwerk stimuleert, het belangrijk is voldoende financiering te verzekeren voor het uitgebreide netwerk dat niet door het kernnetwerk wordt afgedekt, teneinde toenemende ongelijkheden te vermijden; onderstreept in dit verband dat beide lagen van het TEN-T van fundamenteel belang zijn voor de connectiviteit en logistieke integratie van de EU;

19.  is van mening dat de EU-financiering, met name in het kader van de CEF, op flexibele en doeltreffende wijze moet bijdragen tot de voltooiing van grensoverschrijdende projecten en ontbrekende schakels op een corrigerende manier, wanneer waargenomen discrepanties of onevenwichtigheden tussen de last van de op nationaal niveau te financieren kosten en de aan beide kanten van de grens en vanuit een breder Europees perspectief te verwachten sociaaleconomische voordelen de voortgang op weg naar de tijdige voltooiing van het project in gevaar brengen; vraagt de Commissie in dit verband een meer gerichte aanpak te hanteren door hogere medefinancieringspercentages toe te passen op projecten met de grootste Europese meerwaarde om nationale investeringen aan te trekken;

20.  is zeer verontrust over vertragingen bij de voltooiing van projecten, en met name grensoverschrijdende projecten, die de tijdige totstandbrenging van naadloze TEN-T-kernnetwerkcorridors belemmeren en tot hogere projectkosten leiden; doet een beroep op de lidstaten hun verplichtingen voor hun delen van het netwerk na te komen en te zorgen voor efficiënte en tijdige administratieve en gerechtelijke procedures met volledige inachtneming van het Europese en het nationale recht, en dringt erop aan dat zij de administratieve en gerechtelijke procedures verder digitaliseren; roept de lidstaten nogmaals op de samenwerking met de autoriteiten van andere lidstaten bij grensoverschrijdende projecten te versterken, bijvoorbeeld door in onderlinge overeenstemming een gezamenlijke instantie op te richten, met name met het oog op de coördinatie van tijdschema’s en termijnen, en dringt er bij de lidstaten op aan de nieuwe richtlijn inzake de stroomlijning van het TEN-T onverwijld ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie bijstand te verlenen aan de lidstaten die – in overeenstemming met het recht van de Unie – materiële uitsluitingsclausules willen invoeren die de nationale gerechtelijke procedures aanzienlijk zouden kunnen versnellen;

21.  acht het van cruciaal belang dat de lidstaten EU-maatregelen tot stroomlijning van vergunningsprocedures, grensoverschrijdende aanbestedingen en andere administratieve procedures uitvoeren met het oog op de vermindering van technische belemmeringen en de administratieve lasten, en zo ook mogelijke vertragingen en hogere kosten, bij TEN‑T-vervoersinfrastructuurprojecten; merkt op dat dit met name van belang is om initiatiefnemers van projecten en potentiële particuliere investeerders meer zekerheid te bieden(18); verzoekt de Commissie een hoofdstuk over de vermindering van ongerechtvaardigde administratieve lasten toe te voegen aan het TEN-T-voortgangsverslag;

22.  dringt er bij de Commissie op aan haar toezicht op de tenuitvoerlegging van het TEN-T te versterken door gebruik te maken van de bevoegdheden die haar reeds bij de verordening zijn verleend, door de relevante instrumenten te versterken om van de lidstaten te eisen dat zij hun verplichtingen nakomen, en door de rol van de Europese coördinatoren bij het beheer van de corridors, met name wat betreft grensoverschrijdende verbindingen, alsook de eenloketfunctie van de aangewezen autoriteit in de vergunningsprocedure te versterken; verzoekt de Commissie de bepalingen van artikel 56 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 te versterken en te gebruiken bij haar herziening van de TEN-T-richtsnoeren om de lidstaten aan te moedigen de planning en voltooiing van projecten te versnellen; verzoekt de Commissie te verduidelijken hoe de regels en vereisten moeten worden geïnterpreteerd met het oog op de beoordeling, verslaglegging en evaluaties van de subsidiabiliteit; verzoekt de Commissie de uitwisseling van beste praktijken inzake het maatschappelijk middenveld en de betrokkenheid en raadpleging van belanghebbenden tussen de lidstaten te bevorderen en deze op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau te bevorderen;

23.  verzoekt de lidstaten de samenhang tussen nationale vervoersplannen en de TEN-T-netwerken te versterken om te zorgen voor een goede uitvoering van de TEN-T-verordening;

24.  is van mening dat het Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA) een prominentere rol moet krijgen bij de tenuitvoerlegging van het TEN-T, met name wat betreft grensoverschrijdende interoperabiliteit, verbetering van de veiligheid, vergroting van het concurrentievermogen en de uitrol van het ERTMS; dringt aan op een verhoging van de begroting 2021 van het ERA, zodat het over voldoende financiële middelen beschikt om zijn taken uit te voeren, met name nu 2021 is uitgeroepen tot Europees Jaar van de spoorwegen;

Vervoerswijzen

25.  wijst erop dat het belangrijk is de kwaliteit van de wegeninfrastructuur in het TEN-T in de hele Unie te verbeteren;

26.  verzoekt de Commissie in dit verband verdere maatregelen te nemen om de introductie van alternatieve brandstoffen en de uitrol van elektrische laadpunten en waterstoftankstations te bevorderen, rekening houdend met mogelijke toekomstige alternatieve brandstofoplossingen en met volledige inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit;

27.  dringt aan op maatregelen om de verkeersveiligheid verder te versterken en de operationele veiligheid van kritieke infrastructuur gedurende de hele levenscyclus te handhaven en te verbeteren, rekening houdend met de behoeften van niet-gemotoriseerde weggebruikers en met het oog op de bescherming van kwetsbare weggebruikers; herinnert eraan dat het belangrijk is innovatieve en slimme oplossingen op het gebied van verkeersveiligheid te bevorderen om de strategische EU-doelstelling “Vision Zero” te halen; benadrukt dat aan de nieuwe veiligheidseisen van Richtlijn (EU) 2019/1936 moet worden voldaan en wijst erop dat daartoe verdere investeringen in de aanpassing en het onderhoud van de infrastructuur noodzakelijk zijn en moeten worden gewaarborgd; beklemtoont dat vereenvoudigingen van regelgevingsvoorschriften voor projectprocedures bij de herziening van de TEN-T-richtsnoeren niet ten koste mogen gaan van de hoogste veiligheidsnormen;

28.  herinnert de Commissie en de lidstaten aan de noodzaak om in voldoende veilige en beveiligde parkeerterreinen voor vrachtwagens langs het TEN-T te voorzien om zowel de verkeersveiligheid als het welzijn van de gebruikers van het netwerk, en met name werknemers in de vervoerssector, te verbeteren;

29.  beklemtoont dat er speciaal gecertificeerde tracés op het TEN-T-netwerk, alsook op het netwerk van snelwegen, moeten worden ingevoerd en aangepast om te voldoen aan de minimumprestatienormen voor geautomatiseerde en halfgeautomatiseerde voertuigen en om in overeenstemming te zijn met infrastructuurprestatienormen op het gebied van zichtbaarheid en de toestand van verkeerstekens, verkeersborden en wegmarkeringen;

30.  wijst op het potentieel van nieuwe en actieve wijzen van geconnecteerde mobiliteit in het stedelijk en plaatselijk vervoer van mensen en goederen; verzoekt de Commissie en de lidstaten nauw met regio’s en steden samen te werken, in het bijzonder ook grensoverschrijdend, om de relevante ontbrekende infrastructuur voor de laatste kilometers en de intermodale en grensoverschrijdende verbindingen in het gehele TEN‑T te verbeteren en af te werken teneinde aldus een naadlozer en efficiënter gebruik van infrastructuur en diensten mogelijk te maken, wat op zijn beurt congestie voorkomt en de uitstoot vermindert;

31.  wijst andermaal op de cruciale rol van het spoorvervoer voor het koolstofvrij maken van de vervoerssector en benadrukt nogmaals het belang van de volledige uitvoering van het vierde spoorwegpakket, zodat alle mogelijkheden van de spoorwegen kunnen worden benut; dringt erop aan dat de ontwikkeling van spoorweginfrastructuur gepaard gaat met maatregelen om ongerechtvaardigde administratieve lasten te verminderen; verzoekt de Commissie jaarlijks aan het Parlement verslag uit te brengen over de vooruitgang op dit gebied; is van oordeel dat het bevorderen van modale verschuivingen en een efficiënt spoor- en gecombineerd vervoer, met name in grensoverschrijdende gevallen en bij ontbrekende schakels op intensief gebruikte tracés, een prioriteit voor het TEN-T moet zijn, en dat dit moet gebeuren middels de volledige invoering van het ERTMS, het wegnemen van regelgevings-, operationele en technische belemmeringen in het netwerk, het waarborgen van gelijke toegang voor spoorwegexploitanten, het versnellen van elektrificatie, het waarborgen van interconnectie en interoperabiliteit, onder meer door optimalisering van de infrastructuurcapaciteit en modernisering van de uitrusting van rollend materieel, het ondersteunen van onderzoek en innovatie, met inbegrip van de gemeenschappelijke onderneming Shift2Rail, en het optimaliseren van corridors voor het goederenvervoer per spoor naargelang van de vraag, met name in logistieke hubs zoals havens en luchthavens; benadrukt bovendien dat in het netwerk doorvoer- en eindknooppunten moeten worden vastgesteld en dat de kernknooppunten moeten worden uitgerust met transitplatforms om de passagiers- en goederenstromen vlot te laten verlopen; onderstreept het belang van projecten ter verbetering van de toegankelijkheid, met name voor personen met een handicap en ouderen;

32.  verzoekt de Commissie regelmatig bindende periodieke streefdoelen vast te stellen voor de invoering van het ERTMS met het oog op de beoogde voltooiing daarvan op het TEN‑T-netwerk tegen 2030; is van mening dat het ERA als een doelmatige en doeltreffende systeemautoriteit moet optreden en zijn uitgebreide rol en verantwoordelijkheden ten aanzien van het ERTMS in het kader van het vierde spoorwegpakket moet vervullen; dringt aan op een routekaart voor de invoering van het ERTMS op spoorwegcorridors voor goederenvervoer, die moet worden gefinancierd door middel van een project van gemeenschappelijk belang in het kader van de faciliteit voor herstel en veerkracht; wijst op het belang van stabiele regelgeving met betrekking tot de technische specificaties voor interoperabiliteit als middel om investeringen in het ERTMS aan te boren en verzoekt de Commissie bij de actualisering van de technische specificaties voor interoperabiliteit voor 2030 zorgvuldig verdere wijzigingen te analyseren en de compatibiliteit te waarborgen;

33.  onderstreept dat de Europese spoorweginfrastructuur voldoende capaciteit voor zowel goederen- als passagierstreinen moet bieden, wat voor een intensiever gebruik van de infrastructuur moet zorgen en de investeringen rendabeler moet maken; verzoekt de Commissie met klem een prioriteit te maken van grensoverschrijdende treinverbindingen teneinde de modale verschuiving in het internationaal passagiersvervoer te versterken; benadrukt in dit verband het potentieel van nachttreinen voor klimaatvriendelijk reizen tegen concurrerende prijzen; is van oordeel dat vlot grensoverschrijdend spoorverkeer op het TEN-T-netwerk en de Europese goederencorridors een verplichte grensoverschrijdende samenwerking tussen infrastructuurbeheerders vereist; verzoekt de Commissie bij de herziening van het TEN-T bindende maatregelen voor infrastructuurbeheerders voor te stellen;

34.  onderstreept dat de ontwikkeling van hoogwaardige hogesnelheidsdiensten voor het passagiersvervoer per spoor op alle TEN-T-kernnetwerken de komende jaren een hoge prioriteit moet zijn, met als doel een uitgebreid netwerk van hogesnelheidsverbindingen tot stand te brengen tussen de belangrijkste Europese steden die momenteel nog niet op die diensten aangesloten zijn, en de concurrentiepositie van duurzame vervoerswijzen over land aanzienlijk te verbeteren;

35.  benadrukt het belang van vervoer over de binnenwateren als een duurzame vervoerswijze en onderstreept dat moet worden gezorgd voor toekomstbestendige infrastructuur met een hoge capaciteit en voor de betrouwbaarheid, kwaliteit en goede bevaarbaarheid van de waterwegen, met name in het licht van de klimaatverandering; erkent de belangrijke rol van havens als strategische knooppunten in zowel het kernnetwerk als het uitgebreide netwerk; verzoekt de Commissie te zorgen voor naadloze verbindingen tussen het kernnetwerk en de uitgebreide netwerken van binnen- en zeehavens, spoorwegen en wegen teneinde multimodaliteit te bevorderen; dringt aan op stappen om de geharmoniseerde, grensoverschrijdende invoering van het RIS te waarborgen en de toepassing van innoverende, efficiënte en duurzame oplossingen in de sector te vergemakkelijken;

36.  dringt aan op een routekaart voor de ontwikkeling van de binnenwateren, die moet worden gefinancierd door middel van een project van gemeenschappelijk belang in het kader van de faciliteit voor herstel en veerkracht;

37.  onderstreept de rol die zeeverbindingen van goede kwaliteit vervullen, niet alleen voor de internationale, maar ook voor de interne handel van de EU; onderstreept de belangrijke rol van de pijler “snelwegen op zee” van het TEN-T en van de korte vaart als duurzame vervoerswijzen in dit verband; is van mening dat de pijler “snelwegen op zee” tot doel heeft op de behoeften afgestemde kortevaartverbindingen en -diensten te bevorderen die naadloos aansluiten op het vervoer over land en dit aanvullen, de samenwerking tussen zeehavens te bevorderen en hun aansluiting op hun achterland te vergroten, alsook de ontwikkeling en uitrol van schone en alternatieve brandstoffen – afhankelijk van effectbeoordelingen – en energie-efficiënte oplossingen voor het zeevervoer te bevorderen; verzoekt de Commissie daarom na te gaan welke eindpunten van de kerncorridor beschikbaar moeten worden gesteld als zeeverbindingen naar andere kerncorridors en waar de TEN-T-kaarten moeten worden bijgewerkt overeenkomstig de bevindingen van die evaluatie;

38.  benadrukt de vitale rol van zee- en binnenhavens als strategische knooppunten in het vervoersnetwerk, aangezien zij de korte en lange vaart verbinden met spoorwegen, autowegen, de binnenvaart en pijpleidingen en een logistiek knooppunt voor toeleveringsketens vormen; onderstreept hoe belangrijk het is door middel van capaciteitsgarantiemaatregelen te waarborgen dat de TEN-T-havens toegankelijk zijn voor de grootste schepen; wijst op de grensoverschrijdende dimensie van zeehavens en benadrukt dat havens niet alleen onderdeel zijn van het maritieme vervoer, maar ook steeds meer clusters van alle vervoerswijzen vormen en deel uitmaken van de energiesector, de industrie en de blauwe economie; wijst op de toenemende clustervorming in havens en de voortschrijdende samenwerking tussen havens en op het belang daarvan; is van mening dat in het kader van het TEN-T daarom projecten moeten worden bevorderd die tot doel hebben de synergieën in havens tussen vervoers-, energie- en digitale infrastructuur te vergroten, en maatregelen moeten worden getroffen om de spoor- en wegverbindingen met zee- en binnenhavens waar nodig te verbeteren, teneinde de modale verschuiving te ondersteunen en duurzame logistiek te bevorderen;

39.  wijst op het belang van kortevaartverbindingen voor de regionale connectiviteit, met name voor perifere regio’s en eilanden; meent dat de vereisten betreffende de snelwegen op zee nationale kortevaartverbindingen uitsluiten; dringt er daarom bij de Commissie op aan deze vereisten in de TEN-T-verordening te vereenvoudigen zodat scheepvaartverbindingen op gelijke voet komen met verbindingen over land, met name rekening houdend met verbindingen met havens van het uitgebreide netwerk;

40.  benadrukt dat er mogelijkheden zijn om de emissies van de scheepvaartindustrie drastisch terug te dringen door middel van investeringen in haveninfrastructuur ter ondersteuning van het gebruik van alternatieve brandstoffen en de overgang naar het opladen van accu’s en stroomvoorziening voor afgemeerde vaartuigen; wijst erop dat dergelijke investeringen bijzondere prioriteit moeten krijgen als middel om multimodaal vervoer in havens te bevorderen; verzoekt de Commissie de beschikbare financiële instrumenten verder te ontwikkelen om investeringen voor dat doel te stimuleren en de voortdurende ontwikkeling van verschillende schone technologieën verder te ondersteunen door onderzoek te stimuleren;

41.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij de bredere rol van havens erkent bij het koolstofvrij maken van de economie, die verder gaat dan louter vervoer, met name doordat zij kunnen bijdragen aan het benutten van windenergie aan land en op zee;

42.  onderstreept dat het luchtvervoer en de bijbehorende infrastructuur, zoals luchthavens, van essentieel belang zijn voor de mondiale en interne aansluiting van de EU, met inbegrip van haar plattelandsgebieden en dunbevolkte, (ultra)perifere en insulaire regio’s, alsook voor het waarborgen van multimodaal vervoer, bijvoorbeeld door middel van interoperabiliteit, met name met het spoorwegvervoer, en het genereren van synergie tussen de betrokken EU-agentschappen; beschouwt het TEN-T als een belangrijk instrument ter bespoediging van de benutting van alternatieve brandstoffen en de bijbehorende oplaad- en tankinfrastructuur in de sector door op luchthavens in het kernnetwerk en het uitgebreide netwerk de nodige capaciteit te bieden; is van mening dat de verdere ontwikkeling van het initiatief “Gemeenschappelijk Europees luchtruim II +” dringend en cruciaal is om de infrastructuurverbindingen efficiënter en duurzamer te maken; wijst erop dat de COVID-19-crisis de waarde van het luchtverkeer voor de economie heeft laten zien, alsook het belang van connectiviteit voor passagiers en goederen, en daarmee het belang om de bestendigheid van de luchtvaart tegen nieuwe risico’s en crises te waarborgen;

43.  is van mening dat de synergie en complementariteit van het TEN-T en TEN-E moeten worden bevorderd, met volledige waarborging van bestaande en toekomstige financieringsmogelijkheden en financieringsniveaus voor de ontwikkeling van het TEN‑T; stipt in dit verband aan dat pijpleidingen niet alleen beschouwd worden als een onderdeel van energie-infrastructuur, maar ook als een middel om de overgang naar duurzamer vervoer mogelijk te maken; erkent de rol van pijpleidingen als verbinding tussen industrieclusters en vervoersknooppunten en als vervoersmiddel voor grondstoffen, en onderstreept het belang ervan voor de toepassing van bepaalde decarbonisatietechnologieën;

44.  beklemtoont dat alle lidstaten een goed ontwikkeld, slim, veilig en duurzaam TEN-T-netwerk moeten hebben dat mobiliteit, connectiviteit en territoriale toegankelijkheid in de hele EU bevordert, met name in insulaire en (ultra)perifere gebieden, om Europees en internationaal toerisme te bevorderen en te stimuleren; verzoekt de Commissie mogelijke synergieën met EuroVelo en de 16 corridors daarvan te onderzoeken, met name door de financiële steun daarvoor te verhogen, met het oog op de bevordering van lokaal en milieuvriendelijk fietstoerisme in Europa;

Strategische oriëntatie

45.  benadrukt de strategische waarde voor de EU van het handhaven van nauwe vervoersverbindingen met derde landen binnen het TEN-T en van de verdere integratie van de partnerlanden van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), de Vervoersgemeenschap Westelijke Balkan en Zuidoost-Europa, en de landen van het Oostelijk Partnerschap, en van het bevorderen van betere verbindingen met de perifere gebieden van de EU; acht het, gezien de strategische investeringen en de toenemende invloed van derde landen in deze regio, ook wenselijk de TEN-T-vervoersverbindingen uit te breiden tot de kandidaat-landen, de landen van het zuidelijke Middellandse Zeegebied en die van het Oostelijk Partnerschap, alsmede tot Azië, op basis van EU-normen en waarborgen van wederkerigheid; benadrukt bovendien het strategische belang van de Middellandse Zee voor de Unie en de noodzaak om de infrastructuur van de landen van het zuidelijke Middellandse Zeegebied en de eilandregio’s van de EU te versterken;

46.  wijst op het belang van het behoud van de TEN-T-verbindingen met het Verenigd Koninkrijk, te beginnen met de erkenning van het land als “buurland” in de zin van artikel 3, onder b), van de TEN-T-verordening, waarbij de uitvoering en voltooiing van gezamenlijk overeengekomen TEN-T-infrastructuurprojecten moet worden gewaarborgd en ervoor moet worden gezorgd dat het VK deelneemt aan de financiering van deze verbinding; verzoekt de Commissie speciale aandacht te besteden aan de buitengrenzen van de EU, en de gevolgen van de terugtrekking van het VK voor de grensregio’s te monitoren; wijst op de belangrijke rol van het VK en de zogenaamde landbrug als onderdeel van het TEN-T-netwerk en erkent de negatieve gevolgen van de brexit voor de connectiviteit, toegankelijkheid en economische cohesie tussen Ierland en continentaal Europa, alsook op het eiland Ierland; verzoekt de Commissie de goede verbinding van Ierland met het vasteland van Europa te waarborgen, met bijzondere aandacht voor zeeroutes, door middel van het kernnetwerk en het uitgebreide netwerk, ongeacht de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK;

47.  onderstreept dat het TEN-T, met zijn belangrijkste hubs, een strategische functie voor de Unie heeft; verzoekt de Commissie plannen te ontwikkelen ter bescherming van de strategische infrastructuur en het gehele TEN-T; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat tijdens de aanbestedingsprocedures voor TEN-T-projecten ten volle rekening wordt gehouden met de strategische belangen van de EU, het verbod op dumping, de volledige eerbiediging van de hoge Europese arbeidsnormen en het beginsel van wederkerigheid inzake toegang tot overheidsopdrachten;

48.  onderstreept het belang van meer synergieën tussen trans-Europese netwerken op het gebied van vervoer, energie en telecommunicatie, en tussen hun respectieve corridors, om te zorgen voor een soepele markttoegang en distributie van alternatieve brandstoffen voor vervoer en om rekening te houden met de veranderende digitale behoeften van de vervoerssector en de gebruikers ervan;

49.  wijst erop dat het beleid inzake vervoersinfrastructuur een uitgelezen kans biedt om de synergie tussen de defensiebehoeften en het TEN-T te vergroten met als hoofddoel de militaire mobiliteit in heel de Unie te verbeteren, rekening houdend met het geografisch evenwicht en de mogelijke voordelen voor civiele bescherming; dringt erop aan de vervoersinfrastructuur in delen van het trans-Europese netwerk die geschikt worden geacht voor tweeërlei gebruik, aan te passen in strikte overeenstemming met het beginsel van tweeërlei gebruik om te voorzien in zowel civiele als militaire behoeften; verzoekt de Commissie haar oorspronkelijke voorstel voor de financiering van militaire mobiliteit in het kader van het meerjarig financieel kader 2021-2027 te handhaven;

o
o   o

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0420.
(3) PB L 325 van 16.12.2019, blz. 1.
(4) PB L 305 van 26.11.2019, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0169.
(6) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 152.
(7) PB C 388 van 13.11.2020, blz. 22.
(8) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.
(9) https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR20_10/SR_Transport_Flagship_Infrastructures_NL.pdf
(10) https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/LR_TRANSPORT/LR_TRANSPORT_NL.pdf
(11) https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR17_13/SR_ERTMS_RAIL_NL.pdf
(12) Met name de aanpassingen die zijn vastgelegd in deel III van de bijlage (bij de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility (CEF)).
(13) Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).
(14) Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).
(15) Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 22).
(16) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het stroomlijnen van maatregelen met het oog op een snellere voltooiing van het trans-Europees vervoersnetwerk (COM(2018)0277), als veranderd in een voorstel voor een richtlijn bij nota 8726/20 van de Raad van 12 juni 2020 (2018/0138(COD)).
(17) Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).
(18) Zoals vermeld in het uit interinstitutionele onderhandelingen voortgekomen voorlopige akkoord van 17 juni 2020 over de verordening inzake het stroomlijnen van maatregelen met het oog op een snellere voltooiing van het trans-Europees vervoersnetwerk.


Controle op de toepassing van het EU-recht in 2017, 2018 en 2019
PDF 161kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over de toepassing van het EU-recht in 2017, 2018 en 2019 (2019/2132(INI))
P9_TA(2021)0011A9-0270/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 2 en 3,

–  gezien de jaarverslagen 2017, 2018 en 2019 van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht (COM(2018)0540, COM(2019)0319 en COM(2020)0350),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Versterking van de rechtsstaat binnen de Unie – Een blauwdruk voor actie” (COM(2019)0343),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2018 over controle op de toepassing van het EU-recht in 2016(1),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 december 2016 getiteld “EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing”(4) (C(2016)8600),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 getiteld “Tot modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie” (COM(2012)0154),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2020 – De situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie” (COM(2020)0580),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 10 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (COM(2016)0448),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad getiteld “Negende verslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie” (COM(2017)0407),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (AML/CFT), tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie(6) (vierde AML-richtlijn), en als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van Richtlijn 2009/138/EG en Richtlijn 2013/36/EU(7) (vijfde AML-richtlijn),

–  gezien Evaluatie nr. 07/2018 van de Europese Rekenkamer, getiteld “In de praktijk brengen van EU-recht: de toezichtverantwoordelijkheden van de Europese Commissie krachtens artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (Overzicht)”,

–  gezien Analyse nr. 02/2020 van de Europese Rekenkamer, getiteld “Wetgeven in de Europese Unie: de balans na bijna 20 jaar betere regelgeving”,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0270/2020),

A.  overwegende dat volgens artikel 4, lid 3, VEU en artikel 288, lid 3, en artikel 291, lid 1, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) de lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor de correcte omzetting, toepassing en uitvoering van het EU-recht binnen de vastgestelde termijnen, en voor de voorziening in de nodige rechtsmiddelen teneinde doeltreffende rechtsbescherming op de onder het EU-recht vallende gebieden te waarborgen; overwegende dat de Europese wetgeving alleen doeltreffend is voor zover zij enerzijds tijdig, volledig en nauwkeurig wordt omgezet en anderzijds door de lidstaten naar behoren wordt toegepast in de nationale rechtsorde, wat noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat alle Europese burgers gelijkelijk baat hebben bij het EU-beleid, en om een gelijk speelveld voor alle bedrijven op de interne markt te waarborgen; overwegende dat de EU-wetgeving de beginselen van loyale samenwerking, bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit en evenredigheid in acht moet nemen;

B.  overwegende dat het belang erkend moet worden van de actieve bijdrage van de nationale parlementen aan de goede werking van de Europese Unie en de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel overeenkomstig de procedure voorzien in Protocol 2 VWEU betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; overwegende dat we nauwere samenwerking met de nationale parlementen in het wetgevingsproces moeten blijven bevorderen; wijst erop dat er in 2019 159 verslagen en geen met redenen omklede adviezen zijn ingediend, van in totaal 4 918 verslagen en 439 met redenen omklede adviezen in de afgelopen negen jaar; overwegende dat de “gele kaart”-procedure tot op heden slechts drie keer is toegepast en de “oranje kaart” nooit is gebruikt;

C.  overwegende dat de dialoog tussen EU-instellingen en de nationale autoriteiten ertoe heeft bijgedragen dat sinds 2014 90 % van de inbreukprocedures is opgelost zonder dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) daarbij betrokken was; overwegende dat inbreukprocedures moeten worden gebruikt als uiterste maatregel; overwegende dat Europese wetgeving zo moet worden geformuleerd dat deze gemakkelijk in het nationale recht kan worden omgezet;

D.  overwegende dat er “EU Pilot”-procedures zijn ingevoerd om potentiële inbreuken op het EU-recht in daartoe aangewezen gevallen in een vroeg stadium snel te kunnen verhelpen aan de hand van een gestructureerde probleemoplossende dialoog tussen de Commissie en de lidstaten; overwegende dat sinds 2017 het gebruik hiervan is afgenomen omdat het besef is doordrongen dat dit aan de procedure een extra bureaucratische laag zonder echte meerwaarde toevoegde; overwegende dat de Commissie nog geen gehoor heeft gegeven aan de herhaalde verzoeken van het Parlement om op de hoogte te worden gehouden van nieuwe EU Pilot- en inbreukprocedures, met name wanneer deze het gevolg zijn van verzoekschriften;

E.  overwegende dat de Commissie in 2016 prioriteiten heeft vastgesteld voor haar werkzaamheden in verband met inbreukzaken en klachten, waarbij de nadruk lag op de ernstigste schendingen van het EU-recht waardoor de belangen van burgers en bedrijven aanzienlijk worden geschaad, en overwegende dat 2017 het eerste jaar was waarin deze nieuwe, meer gerichte aanpak door de Commissie werd toegepast;

F.  overwegende dat inbreukprocedures samen met andere mechanismen voor het bevorderen van de uitvoering en naleving waarborgen dat burgers en bedrijven in de EU geen negatieve gevolgen ondervinden van de late of onvolledige omzetting of onjuiste toepassing van het EU-recht door de lidstaten; overwegende dat inbreukprocedures het perverse effect hebben de burgers te laten opdraaien voor de kosten van de onvolledige omzetting of onjuiste toepassing van het Europees recht door de lidstaten; overwegende dat efficiëntere interinstitutionele samenwerking, zowel op nationaal als op EU-niveau, wenselijk is, evenals de invoering van nieuwe mechanismen of herziening van bestaande mechanismen om de correcte toepassing van het EU-recht te waarborgen;

G.  overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat de hoeksteen is van de democratie en de basis vormt voor de grondrechten; overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat een voorwaarde is voor de handhaving van alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de Verdragen en de afgeleide wetgeving; overwegende dat aan de EU een rol toekomt bij het oplossen van problemen op het gebied van de rechtsstaat; overwegende dat de nationale rechtbanken in de lidstaten ervoor zorg dragen dat de in het EU-recht vastgelegde rechten en verplichtingen doeltreffend worden gehandhaafd; overwegende dat onafhankelijke en doeltreffende rechtsstelsels in de lidstaten ten grondslag liggen aan wederzijds vertrouwen, dat de hoeksteen vormt van de gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, een investeringsvriendelijk klimaat, de duurzaamheid van langdurige groei en de bescherming van de financiële belangen van de EU;

H.  overwegende dat bescherming van de grondrechten en de burgerlijke vrijheden, onafhankelijke en onpartijdige rechtbanken, vrijheid van meningsuiting, pluriformiteit van de media en onafhankelijkheid van politieke invloed of druk, eerbiediging van het wettigheidsbeginsel door subnationale entiteiten en de bestrijding van corruptie en infiltratie van de georganiseerde misdaad in de legale economie fundamentele voorwaarden zijn voor het waarborgen van een gelijke behandeling voor de wet, de bescherming van de burgerrechten, het voorkomen van misbruik en het waarborgen van de verantwoordingsplicht door personen die openbare ambten bekleden; overwegende dat vrijheid, pluriformiteit en onafhankelijkheid van de media essentiële bestanddelen zijn van het recht op vrijheid van meningsuiting; overwegende dat onafhankelijke en vrije media een cruciale rol spelen in een democratische samenleving, zoals vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”) en in het VEU; overwegende dat desinformatiecampagnes die beogen burgers te misleiden over EU-activiteiten zich ook richten op de maatregelen die zijn genomen om de juiste toepassing van het EU-recht in de lidstaten te waarborgen;

I.  overwegende dat het Handvest iedere vorm van discriminatie verbiedt, ook op grond van een handicap; overwegende dat een groot aantal wetgevingshandelingen die specifiek bedoeld zijn om dit grondbeginsel toe te passen in verschillende lidstaten nog steeds niet naar behoren ten uitvoer zijn gelegd;

J.  overwegende dat Europol heeft vastgesteld dat tussen 0,7 en 1,28 % van het jaarlijkse bruto binnenlands product van de EU wordt gebruikt voor verdachte financiële activiteiten zoals het witwassen van illegaal verkregen middelen; overwegende dat de Commissie inbreukprocedures heeft ingeleid tegen de meeste lidstaten wegens het niet correct omzetten van de vierde en vijfde antiwitwasrichtlijn;

K.  overwegende dat enkele lidstaten programma’s hebben ingevoerd die direct of indirect de verkoop omvatten van het burgerschap van de EU; overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat dat deze programma’s kunnen worden misbruikt, en als gevolg daarvan tot problemen leiden in verband met de veiligheid en transparantie, het vertrouwen van het publiek in de waarden en de beginselen van de EU ondermijnen, en terrorisme, georganiseerde misdaad en het witwassen van geld faciliteren;

L.  overwegende dat volgens het verslag van de Commissie de mate van onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen uit hoofde van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit(8) op het punt van het leiden van of deelnemen aan een criminele organisatie onvoldoende is, voor zover wordt uitgegaan van één concept van een dergelijke organisatie; overwegende dat het kaderbesluit de lidstaten de ruimte laat om het begrip criminele organisatie niet in hun nationale recht te introduceren en het bestaande nationale strafrecht te blijven toepassen door zich te beroepen op algemene regels inzake de deelneming aan en de voorbereiding van specifieke strafbare feiten; dat dit kan leiden tot een toename van de verschillen bij de praktische tenuitvoerlegging van het kaderbesluit;

M.  overwegende dat de vluchtelingencrisis heeft aangetoond dat er dringend behoefte is aan een hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en aan een effectievere lastenverdeling tussen de lidstaten; overwegende dat de mechanismen voor verplichte noodherplaatsing van asielzoekers uit Italië en Griekenland inefficiënt zijn gebleken, wat onder meer ernstige lichamelijke en geestelijke gevolgen heeft gehad voor minderjarigen en met name voor niet-begeleide minderjarigen; overwegende dat de Commissie inbreukprocedures heeft ingeleid tegen de Tsjechische Republiek, Polen en Hongarije omdat zij hebben geweigerd gevolg te geven aan de herplaatsingsbesluiten;

N.  overwegende dat volgens de Schengengrenscode tijdelijke herinvoering van controles aan de binnengrenzen slechts is toegestaan in uitzonderlijke omstandigheden en als laatste redmiddel; overwegende dat veel lidstaten de regels hebben geschonden door de grenscontroles zonder deugdelijke motivering te verlengen; overwegende dat de Commissie het niet passend heeft geacht tegen deze staten inbreukprocedures in te leiden;

O.  overwegende dat vrijheid, pluriformiteit en onafhankelijkheid van de media essentiële bestanddelen zijn van het recht op vrijheid van meningsuiting; overwegende dat de media een cruciale rol spelen in een democratische samenleving, zoals vastgelegd in het Handvest en in het VEU;

P.  overwegende dat de richtlijn 2014/59/EU betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen tot doel heeft de door de impact van economische crises op overheidsbegrotingen veroorzaakte schade te begrenzen door de gevolgen van het in gebreke blijven van banken voor aandeelhouders, obligatiehouders en rekeninghouders met meer dan 100 000 EUR op hun rekening, met een bail-in te beperken; overwegende dat rekeninghouders en dus spaarders door de bepalingen van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken, en met name de daarin voorziene bail-in, het risico lopen op te draaien voor het wanbeleid dat ten grondslag ligt aan het in gebreke blijven van een bank;

Q.  overwegende dat de Commissie in 2019 is blijven toezien op de tenuitvoerlegging door de lidstaten van de vierde richtlijn kapitaalvereisten, de richtlijn depositogarantiestelsels, de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en de richtlijn hiërarchie van bankcrediteuren; overwegende dat in 2019 inbreukprocedures zijn ingeleid tegen twaalf lidstaten die niet de nodige maatregelen hadden genomen om de richtlijn inzake de hiërarchie van bankcrediteuren volledig om te zetten in het nationaal recht;

1.  is ingenomen met de jaarverslagen 2017, 2018 en 2019 van de Commissie over de toepassing van het EU-recht, met inbegrip van de landenspecifieke verslagen; erkent dat deze jaarverslagen, het petitierecht en het Europees burgerinitiatief waardevolle instrumenten zijn waarmee de EU-wetgevers mogelijke mazen in de wetgeving kunnen vaststellen; is verheugd dat de Commissie zich ertoe verbindt veel waarde te hechten aan de bijdragen die burgers, bedrijven en andere belanghebbenden leveren aan de opsporing van inbreuken op het EU-recht; dringt er bij de Commissie op aan het publieke debat over haar jaarverslagen te bevorderen;

2.  stelt vast dat er een groot aantal verzoekschriften is waarin de burgers hun bezorgdheid uiten over vermeende schendingen van de rechtsstaat in de lidstaten en is blij dat de burgers deelnemen aan de uitoefening van hun rechten; acht toezicht van cruciaal belang om risico’s voor de rechtsstaat en voor de publieke rechten en vrijheden van EU-burgers te identificeren en uit te sluiten, voordat een formele respons vereist is; is in dit verband ingenomen met het eerste jaarlijkse verslag over de rechtsstaat als een nieuw preventief instrument en onderdeel van het nieuwe jaarlijkse EU-mechanisme voor de rechtsstaat; betuigt opnieuw zijn steun voor de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, waarvan de regeling opgenomen wordt in een interinstitutionele overeenkomst;

3.  herinnert eraan dat het Parlement elk jaar een aanzienlijk aantal verzoekschriften ontvangt van bezorgde burgers die hun ongenoegen uiten over de stand van zaken van de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving in de lidstaten; is vooral bezorgd over de praktijk om een aanzienlijk aantal indieners van verzoekschriften door te verwijzen naar andere instanties; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat deze aanpak de burgers kan doen geloven dat hun stem niet gehoord wordt door de EU-instellingen; onderstreept de belangrijke rol die maatschappelijke organisaties, en andere belanghebbenden, met name klokkenluiders, spelen bij het monitoren van en het rapporteren over de toepassing van het EU-recht;

4.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Commissie in 2019 797 nieuwe inbreukprocedures heeft ingeleid, meer dan in 2018 (644) en 2017 (716); spreekt zijn bezorgdheid ook uit over het feit dat de Commissie in 2019 316 met redenen omklede adviezen heeft verzonden, tegenover 157 in 2018 en 275 in 2017; merkt echter op dat er in 2019 nog 1 564 inbreukprocedures lopende waren, een lichte daling ten opzichte van de 1 571 procedures die eind 2018 nog liepen, en een lichte stijging ten opzichte van de nog lopende procedures in 2017 (1 559); is ingenomen met het feit dat het aantal procedures dat in verband met niet-naleving van de verplichtingen tot tijdige omzetting dat in 2019 nog openstond, is gedaald tot 599, 21 % minder dan het aantal procedures dat eind 2018 nog niet was afgesloten (758);

5.  onderstreept de cruciale rol van het HvJ-EU als de enige instelling die bevoegd is te oordelen over de geldigheid van EU-recht, teneinde de juiste interpretatie en toepassing van het EU-recht door de EU-instellingen en de lidstaten te waarborgen; wijst erop dat de prejudiciële procedure een fundamenteel mechanisme van het EU-recht is, dat helpt te verduidelijken hoe het EU-recht moet worden geïnterpreteerd en toegepast; moedigt de nationale rechtbanken ertoe aan in geval van twijfel vragen te stellen aan het HvJ-EU, en aldus inbreukprocedures te voorkomen;

6.  wijst erop dat in 2019 inbreukprocedures zijn ingeleid op de volgende belangrijke beleidsterreinen, naar afnemend aantal zaken: milieu, interne markt, industrie, bedrijfsleven en MKB, mobiliteit en vervoer; betreurt het dat in 2019 het grootste aantal omzettings- en handhavingskwesties de milieuwetgeving betrof terwijl in 2018 het milieu wat betreft het aantal nieuwe inbreukprocedures nog op de derde plaats kwam;

7.  merkt op dat in die jaren, volgens deze verslagen, de meeste tegen de lidstaten gestarte inbreukprocedures inzake omzetting betrekking hadden op de beleidsterreinen milieu, mobiliteit, vervoer en de interne markt;

8.  benadrukt dat gebrekkige handhaving niet alleen afdoet aan de doeltreffendheid van de interne markt maar ook directe gevolgen heeft voor de individuele rechten en bijgevolg de geloofwaardigheid en reputatie van de Unie schaadt; is van oordeel dat uit het grote aantal inbreukprocedures blijkt dat de tijdige, correcte en doeltreffende toepassing van de EU-wetgeving in de lidstaten een grote uitdaging en prioriteit blijft; verzoekt de Commissie meer informatie te verstrekken over de sinds 2017 in het kader van de nieuwe methodologische aanpak gehanteerde criteria om te bepalen wat de ernstigste klachten en inbreuken in verband met het EU-recht zijn; betreurt het dat het stijgende aantal procedures ertoe heeft geleid dat de gemiddelde tijd die wordt besteed aan het onderzoeken van mogelijke inbreuken op het EU-recht sinds 2017 voortdurend is toegenomen; verzoekt de Commissie de gemiddelde tijd die wordt besteed aan de behandeling van klachten- en inbreukprocedures te verminderen; verzoekt de Commissie om, in voorkomend geval, de tijd die nodig is om bij het Hof een zaak tegen een lidstaat aan te spannen krachtens artikel 258 VWEU en artikel 260 VWEU drastisch terug te brengen;

9.  constateert met bezorgdheid dat de gemiddelde omzettingsduur in de EU is toegenomen en dat in 2019 de omzetting van richtlijn in nationale wetgeving drie maanden langer duurde dan in 2018; verzoekt om een passende planning van wetgevingsprocedures om voldoende tijd te bieden voor de omzetting; onderstreept dat EU-recht op duidelijke en begrijpelijke wijze moeten worden geformuleerd, met inachtneming van de beginselen van juridische duidelijkheid, transparantie en rechtszekerheid; verzoekt om een passende effectbeoordeling voor- en achteraf van het EU-recht; herinnert eraan dat de wetgeving die aanleiding geeft tot de ernstigste inbreukprocedures het resultaat van richtlijnen is; herinnert eraan dat verordeningen rechtstreeks en verplicht van toepassing zijn in alle lidstaten; verzoekt de Commissie derhalve zoveel mogelijk gebruik te maken van verordeningen wanneer zij overweegt met wetgevingsvoorstellen te komen;

10.  benadrukt de controlerende rol van het Parlement wanneer het de Commissie attendeert op tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving in de lidstaten door middel van verzoekschriften en vragen; spoort de Commissie aan haar toezicht op de wijze waarop het EU-recht in de lidstaten wordt toegepast te verbeteren, zoals aangegeven in het overzichtsverslag van de Europese Rekenkamer; benadrukt dat een nauwe en gestructureerde dialoog tussen de Commissie en de lidstaten in een vroeg stadium van essentieel belang is voor een doeltreffende en correcte toepassing van het EU-recht en ook van de aanpak van kwesties in verband met “gold plating” bij de omzetting en toepassing van EU-recht; herinnert eraan dat er een gemeenschappelijke databank en website voor alle onderdelen van de wetgevingsprocedure moeten worden opgezet om de transparantie van wetgevingsbesprekingen te vergroten; verzoekt de Commissie de naleving op verschillende beleidsterreinen consequenter te bevorderen en, waar mogelijk en passend, preventieve instrumenten te versterken, zoals het opstellen van uitvoeringsplannen, routekaarten, toelichtende stukken, specifieke websites en de uitwisseling van goede praktijken die bedoeld zijn om de lidstaten te helpen omzettingsproblemen op te sporen, deze in een vroeg stadium van de inbreukprocedures aan te pakken en hen te helpen gezamenlijke oplossingen te vinden en aldus de doeltreffendheid van de EU-wetgeving te verbeteren;

11.  erkent de inspanningen die door de Europese Commissie zijn geleverd en de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel; wijst op de belangrijke rol die nationale parlementen en, waar van toepassing, regionale parlementen spelen bij de toetsing van ontwerpwetgeving van de EU; merkt op dat huidige vormen van samenwerking met nationale parlementen kunnen worden verbeterd; betreurt de huidige opzet van het subsidiariteitscontrolemechanisme, die de EU-commissies van de nationale parlementen dwingt om te veel tijd te besteden aan technische en juridische beoordelingen en tegelijkertijd korte termijnen in acht te nemen; stelt voor deze mechanismen te herzien om ze functioneler en doeltreffender te maken en de ontwikkeling van een meer politieke benadering van het subsidiariteitstoezicht in de hele EU mogelijk te maken; bepleit het Europees Comité van de Regio’s, dat regionale en lokale overheden vertegenwoordigt, meer te betrekken bij de subsidiariteitscontrole;

12.  maakt zich ernstige zorgen over het feit dat een groot aantal lidstaten de antiwitwasrichtlijnen (de vierde en vijfde AML-richtlijnen) nog niet ten uitvoer hebben gelegd; dringt er bij de lidstaten op aan deze richtlijnen dringend en naar behoren om te zetten; is verheugd over de goedkeuring door de Commissie van de mededeling “Naar een betere toepassing van het kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme”, die, samen met een reeks verslagen, de Europese en nationale autoriteiten kan helpen om het witwassen, met inbegrip van de risico’s in verband met terrorismefinanciering, beter aan te pakken;

13.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de gevolgen van een aantal investerings- en burgerschapsprogramma’s die onlangs door enkele EU-lidstaten zijn vastgesteld; verzoekt de Commissie wetgeving voor te stellen om dergelijke praktijken te verbieden;

14.  betreurt de inconsistenties en tekortkomingen van de Europese wetgeving die gericht is op de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, waaronder onder meer drugshandel en mensenhandel; verzoekt de Commissie toezicht te blijven houden op de correcte omzetting van het kaderbesluit ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, door gebruik te maken van haar handhavingsbevoegdheden op grond van de Verdragen; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een richtlijn op basis van artikel 83, lid 1, VWEU met het oog op de herziening van Kaderbesluit 2008/841/JBZ ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, en daarbij de definities van strafbare feiten aan te passen door specifiek de nadruk te leggen op het grensoverschrijdende karakter van criminele organisaties, zoals herhaaldelijk benadrukt in de verslagen van de bevoegde Europese agentschappen, met name Europol en Eurojust, de straffen te verhogen, en het strafbare feit van een criminele vereniging toe te voegen, dat in het maffia-model door intimidatietaktieken, vereniging met als oogmerk het plegen van misdaden, en de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de openbare instellingen, gekenmerkt wordt; acht in dit verband algemene Europese wetgeving wenselijk ter bescherming van personen die samenwerken met rechtshandhavingsinstanties;

15.  benadrukt dat het belangrijk is over wetgeving te beschikken die de rechtshandhavingsinstanties in staat stelt illegaal verkregen vermogensbestanddelen doeltreffend aan te pakken door te voorkomen dat criminelen profiteren van hun misdrijven en de opbrengsten daarvan in de legale economie brengen of voor het financieren van andere criminele activiteiten gebruiken; merkt op dat de Europese wetgeving op dit gebied tekortschiet, ondanks de aanstaande inwerkingtreding van Verordening (EU) 2018/1805; is daarom ingenomen met de bereidheid van de Commissie om het gehele rechtskader inzake de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de EU te herzien en de eventuele noodzaak van verdere gemeenschappelijke regels te onderzoeken, met bijzondere aandacht voor inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten van misdrijven zonder dat er sprake is van een veroordeling, en het beheer van deze opbrengsten;

16.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om te blijven toezien op de volledige omzetting van de richtlijnen inzake procedurele rechten binnen de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; uit echter zijn bezorgdheid over de aanhoudende problemen bij de omzetting van Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten(9); uit zijn bezorgdheid in verband met de inbreukprocedures die tegen verschillende lidstaten zijn ingeleid wegens niet-omzetting van Richtlijn (EU) 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure(10);

17.  benadrukt dat de Europese belastingwetgeving dringend moet worden verbeterd om de belastingstelsels transparanter, met een grotere verantwoordingsplicht, en effectiever te maken, alsook om oneerlijke concurrentie tussen lidstaten en de toename van het aantal belastingparadijzen te beperken; is van mening dat eerlijke belastingheffing en een vastberaden strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking, agressieve fiscale planning en het witwassen van geld een centrale rol moeten spelen in het EU-beleid; verzoekt de Commissie en de lidstaten een concurrerend, eerlijk en degelijk belastingstelsel te ontwikkelen dat geschikt is voor het digitale tijdperk en nieuwe zakelijke modellen;

18.  betreurt het dat de Commissie niet heeft besloten inbreukprocedures in te leiden tegen de lidstaten die de Schengenregels hebben geschonden;

19.  betreurt het feit dat de lidstaten zich niet solidair tonen en de verantwoordelijkheid voor de herplaatsing van asielzoekers niet willen delen;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan de Europese wetgeving ter bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme om te zetten; wijst met name op de door de Commissie geconstateerde gebrekkige omzetting door bepaalde lidstaten van Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding(11); merkt op dat de meeste lidstaten tegen wie de Commissie in 2019 inbreukprocedures heeft ingeleid in verband met niet-omzetting van Richtlijn (EU) 2016/681 inzake persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens)(12), de Commissie inmiddels in kennis hebben gesteld van de vaststelling van de maatregelen die nodig zijn om deze handeling naar behoren om te zetten;

21.  verzoekt de EU-instellingen om in het kader van al hun beslissingen, acties en beleid de volledige tenuitvoerlegging van het EU-Handvest te waarborgen, met het oog op de handhaving van de pluriformiteit, onafhankelijkheid en vrijheid van de media; spreekt zijn bezorgdheid uit over de toestand van het medialandschap in de EU; betreurt alle praktijken die gericht zijn op het intimideren of bedreigen van journalisten; verzoekt de Commissie in dit verband nogmaals een omvattend voorstel in te dienen voor een wetgevingshandeling tot vaststelling van minimumnormen die erop gericht zijn strategische rechtszaken tegen publieke inspraak in de hele EU tegen te gaan; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om het oneigenlijk gebruik van rechtsinstrumenten voor het intimideren of schaden van journalisten te bestrijden;

22.  veroordeelt het toenemende aantal desinformatiecampagnes die beogen burgers te misleiden over EU-activiteiten en die zich ook richten op de maatregelen die zijn genomen om de goede toepassing van het EU-recht in de lidstaten te waarborgen; verzoekt de Commissie dit fenomeen te bestrijden, aangezien hiermee beoogd wordt het democratisch proces en het vertrouwen van burgers in de democratische instellingen van de EU te ondermijnen; verzoekt de Commissie een duidelijk en breed pakket aan maatregelen door te voeren om de verspreiding en de effecten van online desinformatie in Europa in te dammen en te zorgen voor de bescherming van de Europese waarden en democratische stelsels;

23.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de ernstige tekortkomingen die zijn vastgesteld bij de toepassing van de EU-milieu- en energiewetgeving, met name met betrekking tot afvalbeheer en -verwijdering, energie-efficiëntie, het verlies aan biodiversiteit, de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en beschermde gebieden, de ontoereikende behandeling van stedelijk afvalwater en luchtvervuiling, wat ook ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid van de mens; stelt met bezorgdheid vast dat er 19 inbreukprocedures lopen wegens onjuiste omzetting van de bepalingen van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn die van essentieel belang is voor de correcte toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt en de aansprakelijkheid voor milieuschade in het algemeen;

24.  merkt met name op dat de meerderheid van lidstaten de Europese normen inzake grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen voortdurend en systematisch heeft geschonden; benadrukt dat de degradatie van ecosystemen en het verlies aan biodiversiteit een groot probleem is in heel de Unie; verzoekt de Commissie nieuwe wetgeving inzake het behoud van ecosystemen voor te stellen die voortbouwt op en verder gaat dan de verplichtingen die al zijn opgenomen in de habitatrichtlijn en de overige toepasselijke EU-wetgeving; verzoekt de Commissie daadwerkelijk te zorgen voor een snelle, volledige en correcte omzetting van alle EU-milieurichtlijnen in alle lidstaten, en daarbij rekening te houden met de prioriteiten die zijn opgenomen in haar mededeling getiteld “EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing”;

25.  benadrukt dat het ontbreken van een in de hele Unie van toepassing zijnde samenhangende en uitgebreide reeks gecodificeerde regels inzake goed bestuur, het voor burgers en bedrijven moeilijk maakt om hun rechten uit hoofde van het Unierecht gemakkelijk en volledig te begrijpen; benadrukt derhalve dat het codificeren van regels inzake goed bestuur in de vorm van een verordening waarin de verschillende aspecten van de administratieve procedure worden vastgelegd, waaronder kennisgevingen, bindende termijnen, het recht om te worden gehoord en het recht van eenieder op toegang tot zijn dossier, onontbeerlijk is om de rechten van de burgers en de transparantie te versterken; is van mening dat met deze verordening de doeltreffendheid, doelmatigheid en capaciteit van het openbaar bestuur en overheidsdiensten kunnen worden verbeterd, en daarmee tegemoet wordt gekomen aan de investerings- en hervormingsbehoeften in de Europese Unie;

26.  herhaalt zijn verzoek om de vaststelling van een verordening betreffende een open, efficiënt en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat op grond van artikel 298 VWEU, en wijst erop dat de Commissie naar aanleiding van dit verzoek geen voorstel ter zake heeft ingediend; verzoekt de Commissie daarom nogmaals een wetgevingsvoorstel inzake een Europese wet bestuursprocesrecht in te dienen en daarbij rekening te houden met de door het Parlement tot dusver genomen stappen op dit terrein;

27.  merkt op dat er met name sprake is van een gebrek aan omzetting van, tenuitvoerlegging van, en toezicht op de EU-wetgeving inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, ondanks het feit dat de Commissie en de Raad tijdens het wetgevingsproces de nadruk leggen op de grote urgentie van deze voorstellen; verzoekt de Commissie en de nationale autoriteiten de toepassing van het EU-recht op dit gebied op proactieve en alomvattende wijze te controleren en te handhaven;

28.  erkent dat burgers en ondernemers moeten worden geïnformeerd over problemen die zich voordoen bij de dagelijkse toepassing van het EU-recht teneinde de juiste toepassing van het EU-recht en de goede werking van de interne markt te waarborgen; verzoekt om een intensievere samenwerking op dit gebied, onder meer met behulp van de Solvit-dienst;

29.  betreurt het aanhoudende gebrek aan homogeniteit tussen de lidstaten bij de doeltreffende uitvoering van verschillende wetgevingsinstrumenten die gericht zijn op de totstandbrenging van een sociale en inclusieve Unie en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van kwetsbare groepen; is bezorgd over de ernstige tekortkomingen en vertragingen bij de toepassing van de EU-wetgeving die onder de Europese pijler van sociale rechten valt, in het bijzonder bij de toepassing van de regelgeving betreffende de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers op het werk, de richtlijn inzake arbeidstijden(13) en de wetgeving betreffende de gelijke behandeling en gelijke beloning van vrouwen en mannen; onderstreept de ruime interpretatie die het HvJ-EU in zijn arresten geeft aan het concept van gelijke beloning voor gelijk werk, en verzoekt de Commissie meer te doen om discriminatie en de loonkloof tussen mannen en vrouwen op Europees niveau te bestrijden;

30.  verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat de COVID-19-pandemie niet door de lidstaten wordt gebruikt als een excuus voor de incorrecte toepassing van EU-wetgeving en dat eventuele vertragingen bij de omzetting van richtlijnen in het nationaal recht naar behoren worden verantwoord;

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de nationale parlementen.

(1) PB C 28 van 27.1.2020, blz. 108.
(2) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 126.
(3) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 17.
(4) PB C 18 van 19.1.2017, blz. 10.
(5) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(6) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(7) PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43.
(8) Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 10 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (COM(2016)0448).
(9) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(10) PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1.
(11) PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.
(12) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 132.
(13) Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9).


Uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid – jaarverslag 2020
PDF 198kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - jaarverslag 2020 (2020/2206(INI))
P9_TA(2021)0012A9-0266/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties en de Slotakte van Helsinki van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) uit 1975,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over politieke verantwoordingsplicht(1),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, getiteld “Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development”, van 25 september 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad over de geïntegreerde aanpak van externe conflicten en crises van 22 januari 2018,

–  gezien het derde verslag van de VN-groep van gezaghebbende internationale en regionale deskundigen inzake Jemen, getiteld “Yemen: “A Pandemic of Impunity in a Tortured Land”, dat de periode van juli 2019 tot en met juni 2020 bestrijkt,

–  gezien de integrale strategie van de EU voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van 28 juni 2016,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 8 april 2020 over de wereldwijde EU-respons op COVID-19 (JOIN(2020)0011),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2020 over gendergelijkheid in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU(2),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement van 13 maart 2019 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de reikwijdte en het mandaat voor speciale vertegenwoordigers van de EU(3),

–  gezien Resolutie 1325(2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien de Europese veiligheidsagenda 2015-2020,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 10 juni 2020 getiteld “Desinformatie in verband met COVID-19 aanpakken: feiten onderscheiden van fictie” (JOIN(2020)0008),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(4),

–  gezien de conclusies van de Raad over veiligheid en defensie van 17 juni 2020,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 september 2020 getiteld “Verslag inzake strategische prognoses 2020 – De koers naar een veerkrachtiger Europa”,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2019, 15 juli 2019, 14 oktober 2019 en 12 december 2019, de verklaring van de EU-ministers van Buitenlandse Zaken van 15 mei 2020 en de conclusies van de Europese Raad van 20 juni 2019, 17 oktober 2019 en 1 oktober 2020 over de illegale activiteiten van Turkije in de oostelijke Middellandse Zee, en gezien de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 over Noordoost-Syrië,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 april 2020 getiteld “Steun aan de Westelijke Balkan voor de bestrijding van COVID-19 en het herstel na de pandemie, bijdrage van de Commissie in de aanloop naar de top van de regeringsleiders van de EU en de Westelijke Balkan op 6 mei 2020” (COM(2020)0315),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0266/2020),

A.  overwegende dat het de plicht en verantwoordelijkheid van het Parlement is om democratisch toezicht te houden op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), en dat het Parlement dus op een tijdige en transparante manier de benodigde informatie en doeltreffende middelen moet krijgen om deze rol ten volle te vervullen, ook met betrekking tot alle defensie-industrieprogramma’s;

B.  overwegende dat het GBVB van de EU tot doel heeft de veiligheid en stabiliteit te waarborgen en tegelijk de Europese waarden van vrijheid, democratie, gelijkheid, rechtsstatelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten uit te dragen;

C.  overwegende dat de wereld wordt geconfronteerd met een scenario van agressieve geopolitieke concurrentie en dat bijgevolg snelle en geschikte reactiemechanismen en -capaciteiten voor buitenlands beleid zijn vereist;

D.  overwegende dat een krachtdadiger, meer ambitieus, geloofwaardig en eensgezind gemeenschappelijk buitenlands beleid een noodzaak is, nu de EU wordt geconfronteerd met meerdere geopolitieke uitdagingen in de ruimere regio die een directe of indirecte impact hebben op al haar lidstaten en hun burgers;

E.  overwegende dat de EU op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid haar potentieel niet ten volle benut door een gebrek aan eensgezindheid tussen de lidstaten;

F.  overwegende dat geen enkele EU-lidstaat in staat is de mondiale uitdagingen waarmee Europa tegenwoordig wordt geconfronteerd, alleen aan te pakken; overwegende dat een ambitieus en doeltreffend GBVB moet worden ondersteund met passende financiële middelen en een beter besluitvormingsmechanisme;

G.  overwegende dat de COVID-19-pandemie er in vele delen van de wereld toe heeft geleid dat de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden erop achteruit zijn gegaan en desinformatiecampagnes en cyberaanvallen door derde landen zijn toegenomen; overwegende dat isolationistische, unilaterale en antiglobalistische tendensen en systemische rivaliteit meer op de voorgrond zijn geplaatst, in plaats van multilaterale samenwerking volgens een op regels gebaseerde internationale orde;

H.  overwegende dat de veiligheid in de wereld en de belangen en de invloed van de EU bedreigd worden door gevaren zoals de heropleving van populisme en autoritarisme, een toenemende weerstand tegen de eerbiediging van het internationaal recht, de mensenrechten en de rechtsstaat, aanvallen op de liberale democratie en het multilateralisme, en dat daarbovenop nog de concurrentie tussen de grootmachten komt, die met name tussen de VS en China in rivaliteit is omgeslagen, waardoor de EU het risico loopt buiten de besluitvormingssfeer te vallen en door dergelijke concurrentie ernstig te worden geschaad;

I.  overwegende dat het Europese nabuurschapsbeleid (ENB) een essentieel instrument is met betrekking tot de landen van het Oostelijk en Zuidelijk Nabuurschap van de EU;

J.  overwegende dat de instabiliteit en onvoorspelbaarheid aan de grenzen van de Unie en in haar buurlanden een directe bedreiging vormen voor de veiligheid van de Unie en haar lidstaten; overwegende dat de COVID-19-pandemie negatieve gevolgen kan hebben voor het internationale veiligheidsklimaat; overwegende dat de ernstige economische en sociale gevolgen van deze pandemie een serieuze impact zullen hebben op de huidige niveaus van armoede en ongelijkheid in de wereld, en dat dit kan leiden tot diepe sociale onrust en hevige protesten, en een nieuw element van instabiliteit kan zijn in veel landen in kwetsbare situaties; overwegende dat vele van de bedreigingen die de afgelopen jaren zijn ontstaan, waaronder cyberdreigingen, klimaatverandering en pandemieën, ondertussen werkelijkheid zijn geworden, met een alsmaar grotere impact op verschillende aspecten van het menselijk leven, evenals op de ontwikkelingsmogelijkheden, de mondiale geopolitieke orde en de stabiliteit;

K.  overwegende dat het gebruik van mondiale maritieme informatie van essentieel belang is om een strategische bewakingsfunctie te waarborgen, risicoanalyse en vroegtijdige waarschuwing ten gunste van de Unie en haar lidstaten mogelijk te maken en de informatievoorziening voor civiele en militaire operaties op het gebied van maritieme beveiliging te bevorderen;

L.  overwegende dat terrorismebestrijding een topprioriteit is in de Europese veiligheidsagenda 2015-2020;

M.  overwegende dat de COVID-19-pandemie duidelijk heeft gemaakt dat de EU kwetsbaar is ten aanzien van autoritaire regimes, dat de traditionele externe allianties van de EU broos zijn, en dat de Unie een buitenlands beleid moet voeren dat in overeenstemming is met haar fundamentele waarden; overwegende dat de EU gezien het bovenstaande haar externe betrekkingen moet herbekijken en deze op de beginselen van solidariteit en multilateralisme moet baseren; overwegende dat de meest kwetsbaren bijzonder hard worden getroffen door de COVID-19-pandemie en de ingrijpende gevolgen ervan, met name in regio’s waar de gezondheidszorg en de sociale stelsels minder goed ontwikkeld zijn;

N.  overwegende dat er de afgelopen jaren nieuwe, multidimensionale uitdagingen zijn ontstaan, zoals de verspreiding van massavernietigingswapens, de betwisting van overeenkomsten inzake het niet verspreiden van wapens, de verergering van regionale conflicten die hebben geleid tot ontheemding van bevolkingsgroepen, de concurrentie om natuurlijke hulpbronnen, energieafhankelijkheid, klimaatverandering, de opbouw van falende staten, terrorisme, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, cyberaanvallen of desinformatiecampagnes;

O.  overwegende dat ontwapening, wapenbeheersing en non-proliferatie speerpunten van het GBVB moeten worden, gezien de niet-naleving van belangrijke overeenkomsten inzake wapenbeheersing en ontwapening en gezien ook de snelle ontwikkelingen op het gebied van wapentechnologie, teneinde de Europese burgers te beschermen en de internationale stabiliteit en veiligheid te vrijwaren; overwegende dat Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB moet worden bijgewerkt zodat de criteria strikt worden toegepast en uitgevoerd;

De EU als “voorkeurspartner” positioneren in een veranderende geopolitieke orde

1.  benadrukt dat de COVID-19-pandemie een alarmsignaal is dat wijst op de behoefte aan een sterker, autonomer, uniformer en assertief buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, zodat zij haar voortrekkersrol op het internationale toneel kan verstevigen, teneinde een op regels gebaseerde internationale orde te verdedigen en te ontwikkelen die multilateralisme, democratie en de mensenrechten waarborgt, en teneinde haar waarden en belangen wereldwijd daadkrachtiger te bevorderen; beklemtoont dat de EU daartoe eerst de partners in haar onmiddellijke nabuurschap succesvol moet ondersteunen;

2.  stimuleert en verdedigt de rol van de EU als betrouwbare partner wereldwijd, een “voorkeurspartner” voor derden, een principiële, maar niet dogmatische, eerlijke tussenpersoon, een referentie op het gebied van conflictbemiddeling en -oplossing, die diplomatie en dialoog bevordert als de manier bij uitstek om een constructieve rol op te nemen in mondiale conflicten, als leidende promotor van duurzame ontwikkeling en belangrijkste contribuant aan het multilaterale kader, maar ook als een mondiale speler die bereid is autonoom en daadkrachtig op te treden wanneer dat nodig is om de waarden en belangen van de EU te verdedigen, die verantwoordelijkheid opneemt door haar eigen veiligheid te waarborgen en de internationale vrede en stabiliteit te bevorderen, op basis van de beginselen en waarden van het VN-Handvest en zoals verankerd in het internationaal recht, met inachtneming van de op regels gebaseerde internationale orde; is van mening dat creativiteit, een meer proactieve houding en meer onderlinge eensgezindheid en solidariteit tussen de lidstaten, alsook inspanningen en middelen van de lidstaten, nodig zijn om de invloed van de EU wereldwijd te vergroten en haar positieve machtsmodel wereldwijd te bevorderen, en om haar in staat te stellen haar strategische verantwoordelijkheden in de buurlanden op te nemen;

3.  benadrukt dat de toenemende instabiliteit in de wereld, de steeds meer op confrontatie gerichte dynamiek, de uitholling van het multilateralisme en de opkomst van het autoritarisme, alsook de complexe mondiale uitdagingen, met name de steeds grimmigere sfeer, die leidt tot de opflakkering van gewapende conflicten, onder meer aan de oost- en zuidgrenzen van het Europese continent, terrorisme, klimaatverandering en toenemende bedreigingen voor natuurlijke hulpbronnen, ongecontroleerde migratiestromen, gezondheidsrisico’s en hybride dreigingen, zoals desinformatiecampagnes, actieve maatregelen en cyberaanvallen enz. de EU ertoe moeten aanzetten haar strategische autonomie te ontwikkelen en de samenwerking met haar bondgenoten te versterken; onderstreept in dit verband dat de Unie er belang bij heeft meer strategische samenwerkingen met derde landen aan te gaan, op basis van vertrouwen en wederzijds voordeel, en allianties met gelijkgezinde democratieën op te bouwen, ook in het zuidelijk halfrond, evenals ad-hoc-coalities met andere gelijkgestemden waar nodig;

4.  onderstreept in dit verband dat de Unie nauw moet samenwerken met belangrijke partners wereldwijd, en een actieve rol moet opnemen bij de verdediging van belangrijke instellingen inzake internationaal recht en het multilaterale stelsel; benadrukt dat het partnerschap van de EU met de VN en de NAVO moet worden versterkt, en dat voor een hechtere samenwerking moet worden gezorgd met organisaties als de Raad van Europa, de OVSE, de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean), de Afrikaanse Unie, de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Arabische Liga, de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten (Celac) en Mercosur; roept op tot een versterking van de samenwerking en coördinatie tussen de EU en de NAVO, waarbij kennis en middelen worden gebundeld en dubbel werk wordt vermeden, met het oog op een gemeenschappelijke aanvullende aanpak van de huidige en toekomstige regionale en mondiale veiligheidsproblemen alsmede van conflictsituaties, gezondheidscrises, asymmetrische en hybride gevaren, cyberaanvallen en desinformatie; benadrukt het belang van het Internationaal Strafhof (ICC) bij het onderzoeken van misdaden tegen de menselijkheid en de verdediging van slachtoffers daarvan, en is ingenomen met de sterke steun van de Unie voor het ICC, dat de laatste tijd het doelwit is van druk en aanvallen;

5.  drukt zijn bezorgdheid uit over de ongekende schaal van al dan niet door overheden aangestuurde desinformatie- en propagandacampagnes, die vreselijke maatschappelijke gevolgen hebben, onder meer in de Europese buurlanden en in het bijzonder in de Westelijke Balkan; veroordeelt de manipulatie en het tot wapen maken van informatie, onder meer door subnationale, overheids- en niet-overheidsactoren met kwaadaardige bedoelingen; veroordeelt eveneens platforms en organisaties die door autoritaire derde landen worden gebruikt om Europa’s politieke partijen en actoren direct en indirect te financieren en te beïnvloeden; is ingenomen met de broodnodige reactie van de EU-instellingen op deze nieuwe uitdaging, onder meer door de oprichting van een nieuwe bijzondere commissie in het Parlement, die zich richt op buitenlandse inmenging in democratische processen in de EU, met inbegrip van desinformatie; is verheugd dat de Raad een besluit heeft aangenomen betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen(5); onderstreept de noodzaak van een reactie die de grondrechten en fundamentele vrijheden niet beperkt; wijst op het belang van effectieve strategische communicatie van de EU, en is ingenomen met de versterking van StratCom binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de inspanningen van deze taskforce om desinformatiecampagnes op te sporen en te bestrijden; benadrukt dat de EU meer capaciteit moet opbouwen om nepnieuws en desinformatie, die een bedreiging voor de democratie zijn, proactief te bestrijden, en om haar veiligheidscultuur te verbeteren teneinde haar informatie- en communicatienetwerken beter te beschermen; roept de EU op een voortrekkersrol te spelen als pleitbezorger voor een collectief zelfverdedigings- en samenwerkingskader tegen hybride bedreigingen en de kwaadwillige invloed van autoritaire regimes op met name democratisch bestuur en particuliere ondernemingen wereldwijd; benadrukt daarom dat de EU haar allianties met andere mondiale democratische actoren moet versterken om dergelijke bedreigingen wereldwijd aan te pakken, onder meer door middel van hervormde, veerkrachtigere multilaterale instellingen;

6.  dringt erop aan dat het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU gestoeld moet zijn op de bevordering van de doelstellingen van artikel 21 VEU zoals democratie, de menselijke waardigheid, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de bescherming van alle minderheden en religieuze gemeenschappen, met inbegrip van christenen, joden, moslims, niet-gelovigen en anderen, en de bevordering van gendergelijkheid; is in dit opzicht ingenomen met het recente besluit van de Commissie om het mandaat van de speciale gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of overtuiging buiten de EU te verlengen, maar dringt erop aan dat er zo snel mogelijk iemand wordt aangesteld; verzoekt de EU-delegaties om de mensenrechtensituatie in de wereld van nabij te volgen, tendensen vast te stellen en burgers en maatschappelijke organisaties te steunen bij hun inspanningen om de negatieve tendens inzake mensenrechten overal ter wereld om te keren; benadrukt dat het koppelen van voorwaarden aan economische en politieke stimulansen het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU doeltreffender maakt; herinnert er in dit verband aan dat de Commissie de mensenrechtensituatie in de derde landen waaraan visumvrijstelling is verleend, moet monitoren, op gezette tijden verslag moet uitbrengen aan het Parlement en de visumvrijstelling moet opschorten indien er in het betrokken land schendingen worden vastgesteld; verzoekt de Commissie en de Raad om de EU-programma’s ter ondersteuning van de democratie wereldwijd te versterken door democratische “bottom-up”-processen aan te moedigen, de institutionele weerbaarheid te vergroten en steun te bieden aan Europese politieke stichtingen die de democratische processen versterken; pleit nogmaals, zoals het reeds in zijn aanbeveling van 13 maart 2019 deed, voor een hervorming en herziening van het systeem van speciale vertegenwoordigers en speciale gezanten van de EU;

7.  benadrukt dat de EU de onderliggende oorzaken van migratie moet aanpakken, zoals armoede, voedsel- en voedingsonzekerheid, werkloosheid, instabiliteit en een gebrek aan veiligheid in de derde landen waar de massale illegale migratie ontstaat; wijst erop dat ook nadruk moet worden gelegd op steun voor de opbouw van stabiele instellingen teneinde duurzame maatschappelijke ontwikkeling in deze landen te bevorderen;

Een nieuw ambitieniveau voor het GBVB: strategische regionale benaderingen op basis van een sterkere politieke wil

8.  herinnert eraan dat geen enkele EU-lidstaat alleen over voldoende bekwaamheid en middelen beschikt om het hoofd te bieden aan de huidige internationale uitdagingen; is in dit verband van mening dat in de eerste plaats een sterkere en oprechte politieke wil van de EU-lidstaten nodig is om tot een akkoord te komen over de doelstellingen van het buitenlands beleid en deze gezamenlijk na te streven, zoals conflictpreventie en vredesakkoorden, en om de pogingen te bestrijden die derde landen ondernemen om de EU te verzwakken en te verdelen, onder meer door de Europese waarden te ondermijnen; benadrukt dat alleen een sterke en verenigde Europese Unie met een solide buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid, waarin de lidstaten de VV/HV steunen om de overeengekomen doelstellingen uit te voeren, in staat zal zijn een sterke rol te spelen in de nieuwe geopolitieke context; verzoekt de Europese instellingen en lidstaten alle acties naar aanleiding van de COVID-19-crisis onderling en met hun internationale partners te coördineren om een samenhangende en inclusieve wereldwijde reactie op de pandemie te bevorderen; verwelkomt in dit verband de “Team Europa”-aanpak;

9.  herhaalt zijn oproep tot een herziening van de integrale EU-strategie, zodat lering kan worden getrokken uit de nieuwe geopolitieke dynamiek, de huidige dreigingen, de COVID-19-pandemie en de verwachte toekomstige uitdagingen, en zodat de doelstellingen en middelen van het GBVB opnieuw kunnen worden beoordeeld; benadrukt dat de EU haar samenwerking met internationale partners en bondgenoten verder moet ontwikkelen, maar daarbij op het gebied van buitenlandse zaken sneller tot besluiten moet kunnen komen, meer moet kunnen samenwerken met gelijkgezinde partners, en daarbij het multilateralisme moet versterken en meer strategische capaciteit moet opbouwen om op te treden, ook autonoom als dat nodig is; benadrukt dat de EU de verantwoordelijkheid heeft haar strategische autonomie te ontwikkelen op basis van gemeenschappelijke diplomatieke, veiligheids- en defensiekwesties, evenals economische, gezondheids- en handelsaangelegenheden, teneinde het hoofd te bieden aan de vele gemeenschappelijke uitdagingen bij de verdediging van haar belangen, normen en waarden in de wereld na de pandemie; wijst er daarom op dat het van groot belang is dat de Europese landen het vermogen behouden om zelf te beslissen en te handelen; dringt er bij de lidstaten op aan de nieuwe verordening tot instelling van het screeningmechanisme voor buitenlandse investeringen in kritieke sectoren snel ten uitvoer te leggen en toe te passen; moedigt de EU-lidstaten aan een nieuw forum voor multilaterale samenwerking op te zetten, in navolging van het Coördinerend Comité voor multilaterale controle op de uitvoer van strategische technologieën, om de uitvoer van technologieën, handelsstromen en investeringen in gevoelige sectoren in landen van zorg te monitoren en te controleren;

10.  is van mening dat er nog steeds een groot onbenut potentieel is om alle onderdelen, zowel de harde als de zachte macht, van het externe optreden van de EU te combineren en te integreren om de doelstellingen van het GBVB te verwezenlijken; herinnert er in dit verband aan dat de diplomatie van het Europees Parlement een belangrijke pijler van het buitenlands beleid van de EU vormt, met haar eigen complementaire instrumenten en kanalen; is van mening dat het Europees Parlement daarom moet worden erkend als een integraal onderdeel van de “Team Europa”-benadering die door de Commissie en de EDEO wordt bevorderd; benadrukt in dit verband de rol van het Parlement op het gebied van bemiddeling en steun voor de democratie, alsook de waardevolle bijdrage van parlementaire vergaderingen aan het Europese externe optreden, ook op het gebied van veiligheid en defensie, alsmede de noodzaak om hun activiteiten te bevorderen en de juiste ontwikkeling van hun werk te garanderen; roept met name de VV/HV en de voorzitters van de Commissie en de Raad op om het Parlement steeds op de hoogte te houden en bij het externe optreden van de EU te betrekken;

11.  is van oordeel dat de ambitie om een solide, autonoom en volledig ontwikkeld buitenlands en veiligheidsbeleid voor de Unie te hebben, ook inhoudt dat er een diplomatiek korps met dezelfde kenmerken moet zijn, dat vanaf het begin is gevormd in een specifiek Europese dimensie; steunt in dit verband het streven naar de oprichting van een Europese diplomatenopleiding die bevoegd is om een autonoom selectie- en opleidingssysteem in te voeren voor toekomstige EU-diplomaten, in het kader van een daadwerkelijke Europese diplomatieke loopbaan;

12.  benadrukt dat de bepalingen van het EU-Verdrag inzake raadpleging en informatieverstrekking aan het Parlement op het gebied van het GBVB moeten worden omgezet in duidelijke regels voor het tijdig en transparant delen van de desbetreffende documenten, met inbegrip van ontwerpstrategieën; spreekt de noodzaak uit om de manier waarop de Commissie en de EDEO momenteel gevoelige of vertrouwelijke informatie aan het Parlement doorgeven aanzienlijk te verbeteren; dringt er voorts op aan dat wordt onderzocht hoe de kwaliteit, de reikwijdte en de vorm van commissievergaderingen en uitwisselingen met de EDEO en de Commissie kunnen worden verbeterd; is van oordeel dat de “verklaring inzake politieke verantwoordingsplicht” van 2010 niet langer een geschikte basis is voor de betrekkingen tussen het Parlement en de VV/HV, en dat deze vervangen moet worden vervangen door een interinstitutioneel akkoord, teneinde de democratische controlerechten van het Parlement te bevorderen, in overeenstemming met de Verdragen; herinnert er voorts aan dat het heeft verzocht om een herziening van het besluit van de Raad tot oprichting van de EDEO;

13.  betreurt het gebrek aan vooruitgang bij het verbeteren van het besluitvormingsproces inzake GBVB-aangelegenheden, hetgeen van invloed is op de efficiëntie, de snelheid en de geloofwaardigheid van het optreden en de besluitvorming van de EU op het internationale toneel; vraagt de lidstaten zo snel mogelijk in debat te gaan over de mogelijkheid om in ieder geval op bepaalde gebieden van het GBVB, zoals besluiten inzake mensenrechtenkwesties en sancties, over te schakelen van eenparigheid van stemmen naar besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, als een concreet middel om de invloed van de EU op het internationaal toneel te vergroten;

14.  is verheugd over de goedkeuring van een nieuwe mondiale sanctieregeling van de EU inzake de mensenrechten (een soort Magnitski-wet van de EU), waardoor zij gerichte sancties kan opleggen aan de verantwoordelijken voor ernstige schendingen en misbruiken van de mensenrechten wereldwijd; raadt aan het toepassingsgebied van het sanctieregime in de toekomst uit te breiden, zodat dit ook gevallen van corruptie omvat;

15.  vraagt een herziening van de lijsten van materieel dat niet naar derde landen mag worden uitgevoerd, om te voorkomen dat lidstaten met financiële steun van de EU werktuigen leveren die uiteindelijk worden ingezet om burgers te onderdrukken;

16.  steunt een EU-breed debat over nieuwe vormen van samenwerking, zoals een Europese Veiligheidsraad, aangezien het de hoogste tijd is om doeltreffende vormen en instellingen formeel op te zetten, teneinde de samenhang en de invloed van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU te verbeteren; is van mening dat dit concept in het kader van de conferentie over de toekomst van Europa moet worden besproken, en herhaalt ook zijn oproep tot de oprichting van een Raad van ministers van Defensie;

17.  benadrukt dat de Unie zich ertoe verbindt de rol van de VN op het internationale toneel te versterken en onderstreept met het oog hierop de noodzaak om het systeem van de Verenigde Naties te hervormen, teneinde de samenhang van de maatregelen van alle agentschappen, organisaties en programma’s te versterken om een goede naleving van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 te garanderen; roept de lidstaten nogmaals op om de hervormingen van de samenstelling en het functioneren van de Veiligheidsraad te steunen om deze effectiever en operationeler te maken, hetgeen essentieel is om te waken over de wereldvrede, met een agenda die verder gaat dan militaire veiligheid en die de stroom vluchtelingen en ontheemden, voedselzekerheid, klimaatverandering en de strijd tegen pandemieën omvat;

18.  benadrukt het cruciale belang dat de Europese Unie heeft bij de ondersteuning van democratische en verkiezingsprocessen en bij het waarborgen van hun transparantie en legitimiteit;

19.  erkent dat de stabiliteit, veiligheid, vrede en welvaart van de Westelijke Balkan en de landen van het Oostelijk en Zuidelijk Nabuurschap rechtstreeks van invloed zijn op de stabiliteit en veiligheid van de Unie zelf en van haar lidstaten, alsook op haar imago als geopolitieke wereldspeler; wijst erop dat de Europese Unie de belangrijkste handelspartner en investeerder van de landen van de Westelijke Balkan en van het Oostelijk Partnerschap is; dringt er bij de EU op aan haar strategische verantwoordelijkheden in de buurlanden op te nemen en tijdiger een actieve, uniforme en doeltreffende rol te spelen bij de bemiddeling en vreedzame oplossing van de aanhoudende spanningen en conflicten, en bij de preventie van toekomstige conflicten in de buurlanden; is van oordeel dat dit kan worden bereikt door prioriteit toe te kennen aan preventieve vredesopbouw, met inbegrip van preventieve diplomatie en mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing, door de bilaterale samenwerking te versterken en democratische krachten en de rechtsstaat te ondersteunen, door positieve stimulansen te creëren voor sociaal-economische stabilisatie en ontwikkeling, en door de weerbaarheid van samenlevingen te vergroten, waarvoor voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken; bevestigt nogmaals zijn krachtige steun voor het Normandiëkwartet, de conferentie van Berlijn inzake Libië en de Minsk-groep;

20.  herhaalt dat het zich inzet voor uitbreiding als een cruciale, transformatieve EU-beleidslijn, en is ingenomen met de herziene methodologie van de Commissie en de sterkere nadruk daarvan op het politieke karakter van het uitbreidingsproces; steunt het Europese perspectief voor de landen van de Westelijke Balkan, en is ermee ingenomen dat de EU-lidstaten hun ondubbelzinnige steun voor dit perspectief hebben bevestigd, zoals vermeld in de verklaring van Zagreb van 6 mei 2020; is verheugd over het besluit om de toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië te openen; verzoekt de Raad en de Commissie onverwijld van start te gaan met de intergouvernementele conferenties met deze twee landen, en vraagt meer in het algemeen het toetredingsproces te versnellen, aangezien de landen van de Westelijke Balkan geografisch, historisch en cultureel deel uitmaken van Europa; dringt er met name bij Bulgarije op aan zich niet langer te verzetten tegen het starten van een intergouvernementele conferentie met Noord-Macedonië; onderstreept dat de integratie van deze landen in de EU van groot belang is voor de stabiliteit en de veiligheid van het hele continent, alsook voor de invloed van de EU in de regio en daarbuiten; benadrukt dat het toetredingsproces voor duurzame democratische, economische en ecologische transformatie en sociale convergentie moet zorgen, en goede nabuurschapsbetrekkingen en regionale samenwerking moet waarborgen; herinnert eraan dat het uitbreidingsproces op verdienste gebaseerd is en gestoeld is op strenge, eerlijke voorwaarden in overeenstemming met de criteria van Kopenhagen; herhaalt dat de aangenomen hervormingen voelbaar moeten zijn ter plaatse; benadrukt dat er duidelijke, transparante en consistente toetredingsbenchmarks moeten worden vastgesteld en dat er verdere politieke, financiële (IPA III) en technische bijstand moet worden verleend tijdens het proces, met duidelijke metingen van de vooruitgang; beklemtoont dat kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten zich moeten aanpassen aan de relevante verklaringen in verband met het GBVB van de VV/HV namens de EU, en aan de besluiten van de Raad;

21.  is verheugd over de resultaten van de EU-top met de landen van het Oostelijk Partnerschap en hoopt dat de zes landen zich daadwerkelijk zullen inzetten voor de hervormingsprocessen die nodig zijn om samenlevingen op te bouwen die democratischer, welvarender, eerlijker en stabieler zijn, en die dichter bij fundamentele waarden en beginselen staan; benadrukt dat samenwerking met de landen van het Oostelijk Partnerschap en andere buurlanden van de EU een prioriteit moet vormen in het kader van het GBVB, aangezien de EU sterk belang heeft bij de ontwikkeling en democratisering van deze landen; verzoekt de Commissie en de EDEO om de economische banden en de connectiviteit te blijven versterken middels handels- en associatieovereenkomsten, toegang tot de interne markt en versterkte intermenselijke contacten, onder meer door visumversoepelingen en liberalisering wanneer aan alle voorwaarden is voldaan; benadrukt dat deze voorbeelden als stimulansen kunnen dienen ter bevordering van democratische hervormingen en de aanneming van Europese regels en normen; verzoekt de EU vast te houden aan een op maat gesneden differentiatie binnen de landen van het Oostelijk Partnerschap op basis van het beginsel “meer voor meer” en “minder voor minder”; erkent dat de landen van het Oostelijk Partnerschap (EaP) over unieke ervaring en deskundigheid beschikken, erkent ook hun bijdrage aan missies, gevechtsgroepen en operaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU (GVDB) en pleit voor een verdieping van de samenwerking tussen de EU en het Oostelijk Partnerschap bij EU-gerelateerd defensiebeleid;

22.   ondersteunt de eisen van de Wit-Russische bevolking op het gebied van vrijheid, democratie en waardigheid, alsook haar eis om nieuwe, vrije en eerlijke presidentsverkiezingen te houden; erkent de belangrijke rol van de Coördinatieraad als vertegenwoordiger van de in opstand komende Wit-Russische bevolking; veroordeelt met klem de gewelddadige onderdrukking van vreedzame betogers en is ingenomen met de goedkeuring van sancties tegen het regime van Loekasjenko, ook tegen Alexander Loekasjenko zelf, en herhaalt dat het de uitslag van de vervalste presidentsverkiezingen van 9 augustus 2020 niet erkent; verzoekt de EU haar betrekkingen met Wit-Rusland grondig te evalueren, aangezien het regime zijn verplichtingen uit hoofde van het internationale recht en zijn overeenkomsten met de EU niet in acht neemt; vraagt stimulansen te creëren voor sociaal-economische stabilisatie en de ontwikkeling en ondersteuning van democratische krachten;

23.  beklemtoont dat de EU zich moet blijven inzetten om de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van haar partners binnen hun internationaal erkende grenzen te ondersteunen; maakt zich zorgen over de toename van het aantal oplaaiende conflictgebieden in de directe buurlanden van de EU, alsook over bevroren conflicten en de de-factobezetting door de Russische Federatie van grondgebied van soevereine staten; veroordeelt andermaal het agressieve beleid van Rusland ten aanzien van Oekraïne, de negatieve rol die Rusland speelt in meerdere bevroren conflicten en de druk die Rusland uitoefent op sommige van de directe buurlanden van de EU, alsook de schendingen van de rechten van de Krim-Tataren, de blokkade van de Zee van Azov, de aanhoudende beslaglegging op gasvelden van Oekraïne in de Zwarte Zee, en de schending van de territoriale integriteit van Georgië en Moldavië; staat nog altijd volledig achter het beleid om de illegale annexatie van de Krim niet te erkennen; roept Rusland op zijn verantwoordelijkheid te nemen, zijn invloed op door hem gesteunde separatisten aan te wenden en zijn verbintenissen in het kader van de overeenkomsten van Minsk volledig uit te voeren; onderstreept dat de EU meer inspanningen moet leveren met het oog op een vreedzame oplossing van de zogenaamde bevroren conflicten, ook in dialoog met de betrokken derde landen, om actief oplossingen te bevorderen op basis van de normen en beginselen van het internationaal recht, het VN-Handvest en de Slotakte van Helsinki van de OVSE van 1975, en om meer steun te verlenen aan door conflict getroffen burgers, intern ontheemden en vluchtelingen; eist eveneens dat de Russische Federatie de bezetting van de Georgische gebieden Abchazië en regio Tschinvali/Zuid-Ossetië beëindigt en de feitelijke inlijving van beide gebieden onder Russisch bestuur stopzet;

24.  neemt terdege nota van het akkoord over een volledig staakt-het-vuren in en rond Nagorno-Karabach, dat op 9 november 2020 door Armenië, Azerbeidzjan en Rusland is ondertekend; hoopt dat dit akkoord levens van zowel burgers als militairen zal sparen en meer perspectief zal bieden op een vreedzame oplossing van dit dodelijke conflict; betreurt het dat de gewijzigde status quo het gevolg was van militair geweld, en niet van vreedzame onderhandelingen; veroordeelt met klem dat burgers worden gedood en dat civiele faciliteiten en gebedshuizen worden vernietigd; veroordeelt eveneens dat naar verluidt clustermunitie wordt ingezet in het conflict; dringt er bij zowel Armenië als Azerbeidzjan op aan dat zij het Verdrag inzake clustermunitie onverwijld ratificeren, teneinde het gebruik van clustermunitie volledig te verbieden; benadrukt dat nog steeds een duurzame regeling moet worden getroffen, en dat het proces om vrede tot stand te brengen en de wettelijke status van de regio in de toekomst vast te leggen, onder leiding van de covoorzitters van de Minsk-groep moet verlopen, op basis van de grondbeginselen van de groep; benadrukt dat er dringend voor moet worden gezorgd dat de humanitaire hulp mensen in nood kan bereiken, dat de veiligheid van de Armeense bevolking en haar cultureel erfgoed in Nagorno-Karabach zijn gewaarborgd, en dat intern ontheemden en vluchtelingen naar hun voormalige woonplaatsen kunnen terugkeren; dringt erop aan dat alle beschuldigingen van oorlogsmisdaden grondig worden onderzocht en dat de verantwoordelijken voor het gerecht worden gebracht; vraagt de EU meer inhoudelijk mee te werken aan de oplossing van het conflict, om het lot van de regio niet aan andere machten over te laten;

25.  verneemt met instemming dat de Commissie en de hoge vertegenwoordiger een gezamenlijke mededeling zullen uitbrengen over een hernieuwd partnerschap met het zuidelijk nabuurschap; verzoekt de EU rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk van de landen van het zuidelijke Middellandse Zeegebied in haar beleid ten aanzien van de regio; verzoekt de EU de samenwerking met regionale actoren zoals de Arabische Liga, de Afrikaanse Unie en de Unie voor het Middellandse Zeegebied te versterken en intraregionale samenwerking tussen de landen van het Zuidelijk Nabuurschap actief te ondersteunen, als een onontbeerlijk instrument voor veiligheid en duurzame economische ontwikkeling; benadrukt de noodzaak om de betrekkingen van de Unie met de Noord-Afrikaanse landen te versterken; betreurt dat 25 jaar na het in gang zetten van het zogeheten proces van Barcelona de totstandbrenging van een ruimte van gedeelde welvaart, stabiliteit en vrijheid met de mediterrane landen van het Zuidelijk Nabuurschap nog altijd niet is voltooid; staat volledig achter het proces van Berlijn en verwelkomt alle VN-initiatieven om een alomvattende politieke oplossing voor de crisis in Libië te vinden;

26.  onderstreept dat de EU meer aandacht moet besteden aan het aanhoudende conflict in Syrië en dat zij inspanningen moet leveren om de leden van het Syrische regime voor de rechter te brengen, alsook de bondgenoten van het regime, met name uit Rusland en Iran, die verantwoordelijk zijn voor talloze oorlogsmisdaden sinds 2011;

27.  is van oordeel dat de EU een proactieve rol moet blijven spelen in het vredesproces in het Midden-Oosten en bij de totstandbrenging van een akkoord tussen de partijen, ook wat de definitieve status betreft, waarin met name aandacht moet worden besteed aan de noodzaak om op het terrein de voorwaarden te behouden voor een vreedzame tweestatenoplossing op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als hoofdstad van beide staten, waarbij de veilige staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aaneengesloten en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, op basis van het recht op zelfbeschikking en volledige eerbiediging van het internationaal recht;

28.  neemt nota van de Abrahamakkoorden, die de betrekkingen tussen Israël en de Verenigde Arabische Emiraten en Bahrein hebben genormaliseerd; looft in dit verband de rol die de Verenigde Staten bij de bevordering van de Abrahamakkoorden hebben gespeeld; wijst erop dat Arabische landen zoals Egypte of Jordanië, die al jaren diplomatieke betrekkingen met Israël onderhouden, een zinvolle rol hebben gespeeld bij de bevordering van de dialoog over het vredesproces in het Midden-Oosten, onder meer wat veiligheid en stabiliteit betreft; onderstreept het blijvende belang van investeringen in zinvolle onderhandelingen tussen Israël en Palestina; is ingenomen met het feit dat een van de voorwaarden voor de Abrahamakkoorden de stopzetting van de annexatieplannen op de Westelijke Jordaanoever was, en roept alle partijen op dit te eerbiedigen;

29.  is ingenomen met het feit dat de Palestijnse politieke mogendheden er recent mee hebben ingestemd om ten laatste over zes maanden parlements- en presidentsverkiezingen te houden, en benadrukt dat democratische verkiezingen een belangrijke prioriteit blijven voor de Unie; beklemtoont dat het vredesproces in het Midden-Oosten moet worden ondersteund, en dat moet worden voorzien in voldoende financiële middelen voor de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA), in nauwe samenwerking met de internationale donorgemeenschap;

30.  is ingenomen met de toezegging van de EU om het gezamenlijk alomvattend actieplan te handhaven, en te verzekeren dat het door alle partijen volledig wordt toegepast; beklemtoont dat deze multilaterale overeenkomst een cruciale prestatie van de Europese diplomatie is en een essentiële pijler blijft van de mondiale architectuur voor non-proliferatie, als hoeksteen voor vrede, veiligheid en stabiliteit in de regio, en dat het in het belang van de EU is om de volledige handhaving en toepassing van de overeenkomst te verzekeren; roept de VS op af te zien van eenzijdige acties en aldus bij te dragen aan regionale en mondiale vrede en veiligheid, en een op regels gebaseerde wereldorde; verzoekt de VV/HV met klem alle beschikbare politieke en diplomatieke middelen aan te wenden om het gezamenlijk alomvattend actieplan veilig te stellen; vraagt de VV/HV, in het licht van de bestaande rivaliteiten in de Golfregio, overeenkomstig de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 10 januari 2020, de politieke dialoog met de landen in de regio te intensiveren teneinde de-escalatie en een inclusieve regionale veiligheidsarchitectuur te bevorderen; verzoekt de HV/VV in dit verband te overwegen een speciale gezant voor de Golfregio te benoemen om deze taak te vergemakkelijken;

31.  roept Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, als ondertekenaars van het gezamenlijk alomvattend actieplan, en de EU en haar lidstaten op hun eenheid, afschrikkingsmiddelen en weerbaarheid tegen secundaire sancties van derde landen op te bouwen en maatregelen in te voeren om de legitieme belangen van de EU te vrijwaren, onder meer door het instrument ter ondersteuning van het handelsverkeer (Instex) volledig operationeel te maken; verwerpt de unilaterale, extraterritoriale wederinvoering van sancties door de VS nadat zij zich uit het gezamenlijk alomvattend actieplan hebben teruggetrokken, aangezien dit de legitieme belangen van de EU op het gebied van economisch en buitenlands beleid ondermijnt, met name door humanitaire handel met Iran te belemmeren tijdens de COVID-19-uitbraak; verzoekt de VS zich onvoorwaardelijk opnieuw aan te sluiten bij het gezamenlijk alomvattend actieplan en meent dat Iran tegelijkertijd moet worden aangespoord om zijn toezeggingen in het kader van de overeenkomst opnieuw volledig moet naleven; veroordeelt in dit verband het besluit van Iran om uranium te beginnen verrijken tot 20 %, hetgeen een rechtstreekse en ernstige schending van de nucleaire overeenkomst is;

32.  neemt nota van het verslag van de VN-groep van gezaghebbende internationale en regionale deskundigen inzake Jemen, waarin werd vastgesteld dat de regering van Jemen, de Houthi’s, de Zuidelijke Overgangsraad, alsook leden van de coalitie geleid door Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten ernstige schendingen hebben begaan van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, die als oorlogsmisdaden kunnen worden aangemerkt, zoals willekeurige aanvallen op burgers en civiele structuren; verzoekt de EU en haar lidstaten te garanderen dat de ernstigste misdrijven niet ongestraft blijven door, onder meer, een verwijzing van de situatie in Jemen naar het Internationaal Strafhof te steunen; verzoekt de EU en haar lidstaten gerichte sancties in te voeren tegen functionarissen in Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten die bij vermeende oorlogsmisdaden betrokken zijn geweest; herhaalt nogmaals zijn oproep aan de lidstaten om te stoppen met de verkoop van wapens aan Saudi-Arabië en de VAE, die hen alleen maar medeplichtig maakt aan het voortduren van het conflict en het verlengen van het lijden van de Jemenitische bevolking;

33.  is van oordeel dat de EU dringend een betere geopolitieke en algemene strategie moet vaststellen voor haar betrekkingen op korte, middellange en lange termijn met Turkije, met name gezien de rol van Turkije in conflicten in Syrië, Irak, Libië en Nagorno-Karabach en gezien de aanhoudende achteruitgang van de democratie en de toenemende assertiviteit van zijn buitenlands beleid, hetgeen mede tot een escalatie van de spanningen leidt en een destabilisatie veroorzaakt die de regionale vrede en stabiliteit in het oostelijke Middellandse Zeegebied, het Midden-Oosten en de zuidelijke Kaukasus bedreigt;

34.  verzoekt de EU een centrale rol op te nemen in het Middellandse Zeegebied, onder meer in de strijd tegen georganiseerde misdaad, terrorisme en irreguliere migratie, aangezien zij een speler is die de stabiliteit van de regio kan garanderen; benadrukt dat de lopende wetgevingswerkzaamheden met betrekking tot het nieuwe migratie- en asielpact een belangrijke kans voor de medewetgevers van de EU opleveren om het asiel- en migratiebeleid te verbeteren en aldus minder afhankelijk te worden van Turkije;

35.  herhaalt dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije formeel zijn bevroren, gezien de mensenrechtensituatie, de achteruitgang van de democratie en de problemen in verband met de rechtsstaat in het land; meent dat de betrekkingen met Turkije niet mogen stoelen op een illusoir en achterhaald toetredingsproces; benadrukt dat het voor de Europese Unie, haar lidstaten en Turkije van gemeenschappelijk strategisch belang is een stabiele en veilige omgeving te creëren in het oostelijke Middellandse Zeegebied; herinnert er echter aan dat de cruciale dialoog, die voorop moet staan bij de totstandbrenging van deze stabiele en veilige omgeving, alleen kan bestaan als eenzijdige provocatie wordt vermeden, al helemaal door militaire acties of acties op zee of in de lucht; herinnert in dit verband aan de volledige solidariteit van de EU met haar lidstaten Griekenland en Cyprus;

36.  herhaalt dat de Unie bereid is alle instrumenten en mogelijkheden die zij ter beschikking heeft aan te wenden, ook die overeenkomstig artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor de bescherming van haar belangen en die van haar lidstaten; herinnert aan de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019, waarin de lidstaten werd gevraagd sterke nationale standpunten in te nemen met betrekking tot hun beleid inzake wapenuitvoer naar Turkije op basis van de bepalingen van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, met inbegrip van de strikte toepassing van criterium 4 over regionale stabiliteit; verzoekt de VV/HV en de Raad te overwegen een initiatief voor te stellen om alle lidstaten ertoe te verplichten vergunningen voor wapenuitvoer naar Turkije op te schorten, overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt; herinnert aan de conclusies van de Raad van 1 oktober 2020, waarin werd beklemtoond dat de EU alle instrumenten en mogelijkheden die zij ter beschikking heeft, met inbegrip van de invoering van een sanctieregeling voor Turkije, zal aanwenden om haar belangen en die van haar lidstaten te beschermen; herhaalt dit verzoek aan de VV/HV, zolang Turkije doorgaat met zijn huidige illegale unilaterale acties in het oostelijke Middellandse Zeegebied die ingaan tegen de soevereiniteit van EU-lidstaten en het internationaal recht en zolang Turkije geen dialoog aangaat op basis van internationaal recht; verzoekt de leiders van de NAVO in de krachtigste bewoordingen aan Turkije duidelijk te maken dat zij de agressieve handelingen van het land tegen andere NAVO-leden niet zullen dulden;

37.  veroordeelt ten stelligste de ondertekening van de twee memoranda van overeenstemming tussen Turkije en Libië inzake de afbakening van maritieme rechtsgebieden en de intensieve samenwerking op militair en veiligheidsgebied die onderling zijn verbonden en een duidelijke schending vormen van zowel het internationaal recht als de resolutie van de VN-Veiligheidsraad tot instelling van een wapenembargo tegen Libië;

38.  veroordeelt met klem de destabiliserende rol van Turkije, dat de reeds broze stabiliteit in de hele zuidelijke Kaukasus steeds meer ondermijnt; roept Turkije op zich te onthouden van elke vorm van inmenging in het conflict in Nagorno-Karabach, met inbegrip van militaire steun aan Azerbeidzjan, en vraagt Turkije zijn destabiliserende optreden stop te zetten en actief vrede te bevorderen; veroordeelt ten zeerste de overbrenging van buitenlandse terroristische strijders van Syrië en elders naar Nagorno-Karabach, zoals bevestigd door internationale actoren, met inbegrip van de voorzittende landen van de Minsk-groep van de OVSE; betreurt dat Turkije bereid is de Minsk-groep van de OVSE te destabiliseren bij het nastreven van zijn ambities om een meer doorslaggevende rol te spelen in het conflict;

39.  onderstreept dat het essentieel en in het wederzijds belang van de EU en het VK is, des te meer vanwege hun gemeenschappelijke beginselen en gedeelde waarden, alsook hun geografische nabijheid en duurzame strategische samenwerking, om overeenstemming te bereiken over gemeenschappelijke antwoorden op uitdagingen op het gebied van buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid, op basis van de beginselen van multilateralisme, het oplossen van conflicten met dialoog en diplomatie en het internationaal recht, in het licht van het feit dat de meeste internationale gevaren beide partijen met eenzelfde intensiteit treffen; is ingenomen met de sluiting van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK, die burgers en bedrijven aan beide zijden duidelijkheid en zekerheid biedt; benadrukt dat het dit akkoord momenteel onderzoekt, en dat het voornemens is nauwlettend toezicht uit te oefenen op de uitvoering van de overeenkomst tussen de EU en het VK in alle details;

40.  beklemtoont dat trans-Atlantische samenwerking essentieel is en van cruciaal belang blijft voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU; roept op tot meer inspanningen voor een robuust en hernieuwd trans-Atlantisch partnerschap en een permanente dialoog, op basis van wederzijds respect en concrete maatregelen om het multilateralisme, de rechtsstaat, de mensenrechten, de trans-Atlantische veiligheid en economische samenwerking en de strijd tegen de klimaatverandering te bevorderen, en om de op regels gebaseerde internationale orde te behouden teneinde het hoofd te kunnen bieden aan de huidige en toekomstige uitdagingen en crises op het gebied van buitenlands, veiligheids- en handelsbeleid, met name de huidige noodsituatie op gezondheidsgebied en de economische, sociale, politieke en veiligheidsuitdagingen die daarmee gepaard gaan;

41.  stelt met klem dat het Trans-Atlantisch Partnerschap nieuw leven moet worden ingeblazen om beter om te kunnen gaan met de pandemie en andere belangrijke internationale uitdagingen, zoals de klimaatverandering; erkent dat een nieuwe basis moet worden gevonden voor samenwerking tussen de EU en de VS tegen nationalistische, autoritaire en hegemonische ambities, de expansionistische spanningen in het Midden-Oosten en de Golfregio, de multipolariteit van steeds dominantere economische actoren en de huidige economische crisis aan weerszijden van de Atlantische Oceaan; is ingenomen met het initiatief van de EU om een trans-Atlantische dialoog over China op te zetten;

42.  is van oordeel dat dit partnerschap alleen succes kan hebben als de betrekkingen zijn gestoeld op gedeelde waarden en belangen en de eerbiediging van het internationaal recht en multilaterale instellingen, maar ook op vertrouwen, wat de afgelopen jaren helaas minder het geval was doordat buitensporige unilaterale maatregelen werden genomen, die ook de multilaterale kaders hebben verzwakt waarvan de EU en haar lidstaten deel uitmaken; betreurt in dit verband de unilateralistische neigingen van de Amerikaanse regering onder president Donald Trump; beklemtoont dat zwakkere banden tussen westerse landen het voor niet-liberale staten mogelijk maken het leiderschapsvacuüm op het internationale toneel op te vullen; hoopt dat de VS hun traject van terugtrekking van de afgelopen jaren uit de multilaterale, op regels gebaseerde wereldorde zullen omkeren, waardoor een hechte eenheid van trans-Atlantisch optreden kan worden hervat die volledig in overeenstemming is met gemeenschappelijke waarden en beginselen die de EU en de VS delen; herhaalt dat Europese NAVO-lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten nemen op het gebied van lastenverdeling met betrekking tot de verdediging van de trans-Atlantische ruimte, en moeten reageren op nieuwe hybride dreigingen; beklemtoont dat samenwerken met de VS aan inspanningen op het gebied van vredesopbouw in de toekomst meer synergieën zou creëren en het mogelijk zou maken mondiale uitdagingen beter aan te pakken;

43.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de bestorming van het Amerikaanse Congres door een menigte die daartoe werd opgezweept door de samenzweringstheorieën van president Donald Trump en zijn ongegronde beweringen dat de presidentsverkiezingen van 3 november 2020 niet eerlijk zijn verlopen; vertrouwt erop dat de VS een vreedzame machtsoverdracht aan verkozen president Joseph Biden en verkozen vicepresident Kamala Harris zal verzekeren; is verontrust over de opkomst van populisme en extremisme aan weerszijden van de Atlantische Oceaan en benadrukt dat het hoog tijd is om de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat wereldwijd te verdedigen;

44.  dringt aan op de handhaving van een krachtig en eensgezind standpunt ten aanzien van de Russische Federatie, onder meer via de herziening van de vijf leidende beginselen van de EU; pleit voor de ontwikkeling van een nieuwe strategie ten aanzien van Rusland, wat een duidelijk signaal zou zijn aan het prodemocratische gedeelte van de Russische samenleving over de blijvende bereidheid van de EU om in dialoog te gaan en samen te werken; vraagt het sanctieregime te versterken, met name in het licht van de lopende ontwikkelingen in verband met de poging tot moord op Aleksej Navalny op Russisch grondgebied, met behulp van een in Rusland ontwikkeld militair zenuwgas van de novitsjok-groep; is ingenomen met de beperkende maatregelen van de Raad Buitenlandse Zaken naar aanleiding van het gebruik van chemische wapens bij de poging tot moord op Aleksej Navalny; herinnert aan zijn oproep tot een onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze vergiftiging;

45.  herhaalt dat de naleving van de overeenkomsten van Minsk een essentiële voorwaarde vormt voor iedere substantiële wijziging in de verhoudingen tussen de EU en Rusland; betreurt de negatieve rol die Rusland speelt bij desinformatiecampagnes en andere vormen van hybride oorlogvoering tegen de EU en het westen, die tot doel hebben onze interne cohesie te verzwakken en aldus ook ons vermogen om doeltreffend op te treden op het wereldtoneel; betreurt voorts de gerichte moorden op het grondgebied van de EU, het gebruik van chemische wapens, en de moeilijke binnenlandse situatie op het gebied van mensenrechten en fundamentele vrijheden; beklemtoont dat druk moet worden uitgeoefend op de Russische Federatie opdat zij het internationaal recht en internationale verdragen naleeft; maakt zich zorgen over het feit dat Rusland herhaaldelijk overeenkomsten en normen op het gebied van wapenbeheersing heeft geschonden, wat heeft geleid tot de instorting van het Verdrag ter vernietiging van de kernwapens voor de middellange en de korte afstand (INF-verdrag), alsmede over schendingen van het Verdrag inzake chemische wapens door het gebruik militair zenuwgas, zowel in eigen land als op het grondgebied van de EU;

46.  beklemtoont dat Afrika een belangrijke strategische partner in het multilaterale systeem is; is ingenomen met de huidige inspanningen om de strategie EU-Afrika te herzien en sterk op te waarderen, met behulp van een model dat niet is gebaseerd op een donor-ontvanger-relatie, maar op een gezamenlijk en gecoördineerd partnerschap van gelijken, gestoeld op een duidelijk begrip van de respectieve en gedeelde belangen en verantwoordelijkheden, met het oog op de ontwikkeling van een billijk en duurzaam partnerschap waarin mensen centraal staan, onder meer op het gebied van mensenrechten, veiligheid en samenwerking in de strijd tegen terrorisme; benadrukt in dit verband dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de situatie in de Sahelregio, gezien de toenemende instabiliteit en de aanzienlijke directe en indirecte gevolgen voor de Unie van wat er in deze regio gebeurt; dringt aan op een Europese visie op solidariteit in het licht van de recente ontwikkelingen in Libië, maar ook op de mensenrechten, in het ontwikkelingshulpbeleid, met het oog op de ontwikkeling en consolidatie van economische partnerschapsovereenkomsten; dringt aan op een gemeenschappelijke aanpak en inspanningen op EU-niveau om de banden van de EU met Afrika te versterken, het bewustzijn van de EU ten aanzien van Afrika te vergroten, en de inspanningen op te drijven; herinnert eraan dat de Europese aanwezigheid en een geloofwaardig engagement cruciaal zijn voor het beperken van humanitaire en sociaal-economische uitdagingen;

47.  wijst op het belang van de Europese missies voor capaciteitsopbouw en opleidingen voor de bevordering van vrede, veiligheid en stabiliteit in Afrika; wijst nogmaals op het belang van de stabilisatiemissies en -operaties van de EU in Afrika, met name in de regio ten zuiden van de Sahara en in de Sahel, en vraagt de EDEO en de Raad ervoor te zorgen dat het mandaat en de middelen van de GVDB-missies in Afrika worden versterkt, zodat zij de middelen krijgen die nodig zijn om doeltreffend te blijven optreden in het licht van de ernstige uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd; wijst nadrukkelijk op de voortrekkersrol van de EU in het diplomatiek en vreedzaam oplossen van conflicten, ook met bemiddelingsinitiatieven en programma’s voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie;

48.  is ervan overtuigd dat versterkte betrekkingen met Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (LAC-landen) van centraal belang zijn voor de geopolitieke strategie van de EU in de wereld; benadrukt dat de Unie haar banden met de LAC-landen, die samen een derde van alle VN-leden vormen, moet versterken, op basis van gemeenschappelijke waarden en beginselen, vooral wat betreft de verdediging van de multilaterale, op regels gebaseerde orde, de bevordering van een groene agenda en de bestrijding van armoede en ongelijkheid; dringt er bij de Unie op aan haar positie als voorkeurspartner voor Latijns-Amerikaanse landen te handhaven, aangezien verwacht wordt dat andere geopolitieke actoren steeds meer ruimte in de regio zullen innemen;

49.  pleit in dit verband voor een gerichte en veelzijdige betrokkenheid bij de regio, gesteund door een gemeenschappelijk EU-verhaal, dat strategieën bevordert die helpen om samen gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken, zoals de bevordering van vrede, veiligheid en welvaart, en tegelijkertijd een gemeenschappelijk front garandeert in het licht van de bedreigingen ten gevolge van de klimaatverandering; benadrukt het belang dat Latijns-Amerika heeft voor de Europese Unie en roept op deze regio te blijven beschouwen als een regio van groot geostrategisch belang voor het GBVB, door deel te nemen aan de bevordering van democratie en mensenrechten in de regio en samen te werken aan de economische ontwikkeling ervan; beklemtoont dat eerbiediging van de rechtstaat en een stabiel politiek en rechtskader, met inbegrip van de bestrijding van corruptie en straffeloosheid, en vorderingen in de richting van democratie en de eerbiediging en bevordering van fundamentele vrijheden hoekstenen vormen van diepere integratie en samenwerking met de LAC-landen; onderstreept het belang van het bevorderen en voltooien van de vernieuwing van de allesomvattende overeenkomsten met Chili en Mexico en de associatieovereenkomst EU-Mercosur, en benadrukt dat deze landen belangrijke bondgenoten en partners van de EU zijn; drukt zijn grote bezorgdheid uit over het gebrek aan eerbiediging van de democratie en de rechtstaat en over de aanvallen op democratisch verkozen oppositieleiders, journalisten, studenten en mensenrechtenactivisten, met name diegenen die actief zijn op het gebied van milieu, en hun advocaten;

50.  drukt nogmaals zijn volledige steun uit voor het vredesproces in Colombia en voor de uitvoering ervan, die bepalend is voor de toekomst van de Colombianen en voor de stabiliteit in de regio; roept op tot handhaving van een sterk gemeenschappelijk standpunt tegen het Venezolaanse regime en tegen de aanvallen op de mensenrechten door het regime van president Nicolás Maduro, ook met betrekking tot het sanctieregime, met name in het licht van de recente gebeurtenissen en de recente aanklachten van verschillende organen, waaronder de Verenigde Naties;

51.  onderstreept dat het voor de EU belangrijk is een uniforme, realistische, doeltreffende, krachtige en meer assertieve strategie na te streven, die alle lidstaten verenigt en die vorm geeft aan de betrekkingen met de Volksrepubliek China (VRC), in het belang van de EU als geheel, waarbij zij proactief en assertief moet streven naar meer evenwichtige en wederzijdse economische betrekkingen, op basis van Europese waarden en belangen, met bijzondere nadruk op de eerbiediging van de mensenrechten en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; benadrukt dat samen met de VS en andere gelijkgestemde partners gestreefd moet worden naar een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van China;

52.  vraagt dat het EU-beleid ten aanzien van China wordt gebaseerd op de volgende beginselen: samenwerking waar mogelijk, concurrentie waar nodig, confrontatie waar noodzakelijk; herinnert eraan dat de assertieve publieke diplomatie van China ervoor heeft gezorgd dat een aantal landen afhankelijk zijn geworden van de Chinese investeringen en leningen; beklemtoont dat de EU haar aanwezigheid en zichtbaarheid als belangrijk investeerder en donor van ontwikkelingshulp in partnerlanden wereldwijd actief moet vergroten;

53.  moedigt China aan meer verantwoordelijkheid te nemen voor de aanpak van mondiale uitdagingen, en daarbij de samenwerking in multilateraal verband waar mogelijk te behouden, in het bijzonder door ambitieuzer op te treden en bindende toezeggingen te doen op het gebied van klimaat, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en op het gebied van biodiversiteit, en door een multilaterale aanpak van de COVID-19-pandemie te ondersteunen, bijvoorbeeld door een internationaal onderzoek naar de oorsprong van de ziekte toe te laten; betreurt de desinformatie van China over de oorsprong van de COVID-19-pandemie, de manipulatie van het multilaterale systeem, de verspreiding van kwaadwillige Chinese invloed, cyberaanvallen en corrupte investeringsprojecten; looft de doeltreffende inspanningen van Taiwan om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, alsook zijn solidariteit met de EU, aangetoond door de schenking van meer dan zeven miljoen chirurgische maskers aan vele lidstaten tijdens de pandemie;

54.  verzoekt de Commissie, de Raad en de VV/HV om aan de VRC de boodschap te blijven geven dat de EU de aanhoudende mensenrechtenschendingen in Hongkong, Tibet en Xinjiang niet tolereert en evenmin zal aanvaarden hoe het land personen behandelt die tot een minderheid behoren; vraagt op het internationale toneel een beslissende rol te spelen om de autonomie van Hongkong te waarborgen; veroordeelt de schending van het “één land, twee systemen”-model als gevolg van de goedkeuring van de nationale veiligheidswet in China, die de hoge mate van autonomie van Hongkong ernstig ondermijnt en negatieve gevolgen heeft voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de vrijheid van meningsuiting in Hongkong; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de gevolgen van het opleggen van de nationale veiligheidswet in Hongkong voor de betrekkingen tussen China en Taiwan; beklemtoont dat de huidige ondermijning van de autonomie van Hongkong door Peking niet alleen indruist tegen de verplichtingen van China uit hoofde van bilaterale verdragen en het internationaal recht, maar ook vraagtekens plaats bij de rol van Peking als een geloofwaardige partner; wijst erop dat het Parlement, wanneer het wordt gevraagd zijn goedkeuring te hechten aan een brede financieringsovereenkomst en toekomstige handelsovereenkomsten met China, rekening zal houden met mensenrechtenschendingen op het Chinese vasteland en in Hongkong; moedigt de lidstaten aan het door de Raad Buitenlandse Zaken op 28 juli 2020 aangenomen maatregelenpakket en de resolutie van het Parlement van 19 juni 2020(6) uit te voeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich actief te verzetten tegen de wrede vervolging van Oeigoeren in Xinjang en andere etnische en religieuze minderheden, met name christenen en Tibetanen; vraagt de lidstaten en de VV/HV in het kader van de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten sancties aan te nemen tegen de Chinese functionarissen en overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het orkestreren van de massale detentie van Oeigoeren en dwangarbeid in China;

55.  bevestigt dat de Unie waakzaam zal blijven ten aanzien van de situatie in Taiwan en de opwaardering van de politieke en handelsbetrekkingen tussen de EU en de Republiek China (Taiwan); roept de VRC op alle geschillen over land- en zeegrenzen vreedzaam op te lossen overeenkomstig het internationaal recht en provocerende militaire manoeuvres gericht op de destabilisering van de situatie in de Zuid-Chinese Zee te vermijden; beklemtoont dat de instandhouding van vrede, stabiliteit en de vrijheid van scheepvaart in de Indo-Pacifische regio van essentieel belang blijft voor de belangen van de EU en haar lidstaten; toont zich erg verontrust over de recente escalaties van de spanningen aan de grens tussen India en China, alsmede in de Zuid-Chinese Zee en de Straat van Taiwan, met inbegrip van de steeds meer provocerende militaire manoeuvres van China ten aanzien van Taiwan; vraagt dat alle betrokken partijen hun geschillen vreedzaam oplossen met constructieve dialoog en zich onthouden van unilaterale acties om de status quo te wijzigen; is van mening dat de betrekkingen tussen China en Taiwan constructief moeten worden ontwikkeld, zonder destabiliserende initiatieven of enige vorm van dwang door een van de partijen, en dat een wijziging van de betrekkingen tussen China en Taiwan niet mag worden doorgevoerd tegen de wil van de Taiwanese burgers; verzoekt de EU en haar lidstaten hun op contact gericht beleid ten aanzien van Taiwan opnieuw te bekijken en samen te werken met internationale partners om de democratie in Taiwan in stand te helpen houden, zonder buitenlandse dreigingen; verzoekt de EU en haar lidstaten te pleiten voor het lidmaatschap van Taiwan als waarnemer van de Wereldgezondheidsorganisatie, de Wereldgezondheidsvergadering en andere internationale organisaties, mechanismen en activiteiten, alsook in het mondiale ziektepreventienetwerk;

56.  benadrukt dat de EU meer aandacht moet besteden aan strategische regio’s die steeds meer internationale aandacht krijgen, zoals onder meer Afrika, het Noordpoolgebied, en de Indo-Pacifische regio, waar China een expansiebeleid voert waarop de EU een coherent antwoord moet ontwikkelen; benadrukt eveneens dat de EU haar samenwerking met belangrijke gelijkgestemde partners in de Indo-Pacifische regio, zoals Japan, India, Zuid-Korea, Australië en Nieuw-Zeeland, verder moet uitbreiden; is in dit verband ingenomen met de inspanningen om een Europese Indo-Pacifische strategie te ontwikkelen die is gestoeld op de beginselen en waarden van de EU, en die mogelijk gezamenlijke militaire oefeningen van Australië en de NAVO in de Stille Oceaan omvat; is van mening dat de EU, in het kader van een samenhangende China-strategie waarbij de EU en de lidstaten zich indien nodig samen tegen China verzetten, nauwere samenwerking met landen in de regio en andere democratieën moet nastreven, en dat de EU-verbindingsstrategie daarvoor ten volle moet worden benut; waarschuwt voor de Chinese inspanningen om meer macht uit te stralen in de regio, met name in Taiwan, die leiden tot grensgeschillen met verschillende van zijn buurlanden;

57.  beklemtoont dat het potentieel van een verdere verbetering van de betrekkingen tussen de EU en India moet worden benut, rekening houdend met de ontwikkelingen in de regio en de belangrijke rol die India speelt in de regio en wereldwijd;

58.  is ingenomen met de opname van een gezamenlijke mededeling over het Noordpoolgebied in het werkprogramma van de Commissie voor 2021; meent dat het noodzakelijk is dat de EU beschikt over een strategie voor het Noordpoolgebied;

Versterking van de capaciteiten en middelen van de EU in het GBVB

59.  benadrukt zijn steun voor de geleidelijke totstandbrenging en bevordering van een gemeenschappelijk defensiebeleid, gericht op de versterking van het GBVB en de doelstellingen en taken daarvan zoals omschreven in de Verdragen, met het oog op de totstandbrenging van een volwaardige defensie-unie die de specifieke grondwettelijke situatie van neutrale landen erkent, die gebaseerd is op duidelijke strategische doelstellingen en die gericht is op menselijke veiligheid en duurzame vrede; is in dit verband ingenomen met het initiatief om in 2022 een strategisch kompas vast te stellen; benadrukt dat de betrekkingen tussen de EU en de NAVO verder moeten worden versterkt, teneinde hun verenigbaarheid en onderlinge strategische relevantie te beklemtonen; verzoekt Europese landen meer te investeren in hun defensiecapaciteiten om de verantwoordelijkheden binnen de NAVO opnieuw in evenwicht te brengen en een meer gelijkwaardige partner te worden voor de Verenigde Staten; erkent de bijdrage van de missies en operaties van het GVDB aan de vrede, veiligheid en stabiliteit op internationaal vlak; prijst de vooruitgang die werd geboekt op het gebied van de totstandbrenging van de Europese Vredesfaciliteit; beklemtoont dat woorden moeten worden aangevuld met daden, met name door de EU een daadwerkelijke Europese defensie-industriële basis te bieden met een Europees Defensiefonds dat over de nodige begrotingsmiddelen beschikt; benadrukt dat de permanente gestructureerde samenwerking sneller en coherenter moet worden uitgevoerd, met het oog op strategische autonomie van de EU, zodat zij een meer geïntegreerde interne markt voor defensiegoederen kan bevorderen; beklemtoont dat het belangrijk is inclusieve raadplegingen met verschillende belanghebbenden te houden, teneinde een gemeenschappelijke strategische cultuur op het gebied van veiligheid en defensie te bevorderen;

60.  herinnert eraan dat de participatie van vrouwen in vredes- en veiligheidsprocessen een belangrijke rol kan spelen in het welslagen en de duurzaamheid van vredesovereenkomsten en de bestendigheid en kwaliteit van vrede; beklemtoont dat toezeggingen en verklaringen met betrekking tot de bevordering van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid en een gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in buitenlands en veiligheidsbeleid vaak een dode letter blijven en de daadwerkelijke uitvoering ervan niet nastreven of verzekeren, waardoor wereldwijd beperkte vooruitgang wordt geboekt op het gebied van de doelstellingen van de agenda; wijst op het grotere succes van conflictoplossing wanneer tijdens het proces genderpariteit en -gelijkheid worden gerespecteerd, en pleit voor een hoger participatieniveau van vrouwen, met name in besluitvormingsprocessen, en meer leidende functies voor vrouwen in GVDB-missies; vraagt voorts dat het genderperspectief meer systematisch wordt opgenomen in dergelijke missies, dat opleidingen over gendergelijkheid en de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid worden gewaarborgd voor al het door de EU ingezet militair en civiel personeel, ook voor het middenkader en het hoger management van de EDEO en voor de hoofden en bevelhebbers van de GVDB-missies en -operaties, en dat actief wordt bijgedragen aan de uitvoering van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid; pleit voor specifieke en meetbare streefcijfers met betrekking tot diversiteit en de aanwezigheid van vrouwen in managementfuncties bij de EDEO, met inbegrip van de doelstelling dat 50 % van de managementfuncties wordt ingevuld door vrouwen, onder meer als delegatiehoofden, speciale vertegenwoordigers van de EU en hoofden van GVDB-missies en -operaties; vraagt dat het komende genderactieplan III en het actieplan voor de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid worden omgezet in nationale actieplannen, met een tussentijdse evaluatie, en dat het actieplan voor de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid wordt toegevoegd aan het genderactieplan III;

61.  benadrukt dat de EU wereldwijd een leidende rol moet spelen bij het aanpakken van de gevolgen van de pandemie, en dat hiervoor in voldoende financiële middelen moet worden voorzien; benadrukt de noodzaak van een ambitieuzer meerjarig financieel kader (MFK) op het gebied van extern optreden en defensie, met inbegrip van verhoogde toewijzingen voor het GBVB, het instrument voor nabuurschapsbeleid en internationale samenwerking (NDICI), het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III), het Europees Defensiefonds (EDF) en militaire mobiliteit, en vraagt de Raad te zorgen voor een vroegtijdige goedkeuring van de Europese vredesfaciliteit; betreurt de door de Raad voorgestelde bezuinigingen op de externe financieringsinstrumenten in het nieuwe MFK en het gebrek aan financiering via het herstelpakket van NextGenerationEU; beklemtoont dat deze bezuinigingen een belemmering kunnen vormen voor de rol van de EU op mondiaal niveau en ernstige schade kunnen toebrengen aan haar vermogen om toetredende landen te stabiliseren en transformeren; benadrukt dat het Parlement op zinvolle wijze moet worden betrokken bij de strategische sturing, de jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s en de controle van de externe financieringsinstrumenten; herhaalt dat de begrotingsmiddelen van de EU voor civiele conflictpreventie in het volgende MFK aanzienlijk moeten worden opgetrokken en dat meer financiering vereist is voor vredesopbouw, dialoog, bemiddeling en verzoening;

62.  dringt aan op versterking van de defensievermogens, waarbij prioriteit wordt gegeven aan de onder het vermogensontwikkelingsplan (CDP) en de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie (CARD) in kaart gebrachte capaciteitshiaten, met name door diepgaande samenwerkingsactiviteiten zoals bundelen en delen, en voldoende financiering voor zinvolle projecten, zoals een ambitieuzere permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), het EOF, militaire mobiliteit en het Europees ruimtevaartprogramma; merkt op dat deze stappen ook voordelen zullen opleveren voor de NAVO en de trans-Atlantische betrekkingen; onderstreept de noodzaak van meer samenhang tussen de EU-instrumenten en -mechanismen in de defensiesamenwerking op EU-niveau, en dringt in dit verband ook aan op het optimaliseren van de middelen om onnodige dubbele uitgaven en instrumenten te vermijden; dringt aan op meer steun, meer personeel en adequate en permanente begrotingsmiddelen voor de afdeling Strategische Communicatie van de EDEO, op voorwaarde dat er een diepgaande onafhankelijke beoordeling wordt uitgevoerd van de vroegere en huidige activiteiten ervan; vraagt dat het mandaat van de afdeling Strategische Communicatie van de EDEO wordt herzien om er buitenlandse inmenging door opkomende actoren zoals China in op te nemen;

63.  herhaalt zijn pleidooi voor een betere ondersteuning van de maritieme veiligheidsstrategie van de EU nu het handhaven van de vrijheid van scheepvaart zowel in het nabuurschap als in de rest van de wereld een steeds grotere uitdaging vormt; beklemtoont dat de vrijheid van scheepvaart te allen tijde moet worden nageleefd; beveelt aan om de structurele coördinatie tussen instellingen, organisaties en nationale autoriteiten te versterken en te ondersteunen, teneinde tot een doeltreffend beheer van mondiale maritieme informatie te komen, met name door convergentie mogelijk te maken van de twee belangrijkste civiele en militaire componenten die ten grondslag liggen aan de kennis van de maritieme situatie;

64.  benadrukt het belang van de missies en operaties van het GVDB-beleid; onderstreept het bestaan van kaderovereenkomsten met derde landen voor hun deelname aan crisisbeheersingsoperaties van de EU; wijst erop dat dergelijke overeenkomsten het collectieve karakter benadrukken dat bepalend is voor het streven naar vrede en veiligheid;

65.  vestigt de aandacht op de dreigingen op middellange tot lange termijn die in de toekomst door het GBVB moeten worden aangepakt, met inbegrip van de veiligheidsrisico’s gesteld door autoritaire regimes, niet-overheidsactoren, klimaatverandering, cyberdreigingen, CBRN-aanvallen, hybride dreigingen met inbegrip van het breder gebruik van artificiële intelligentie, desinformatiecampagnes, de ruimtewedloop en de militarisering daarvan, en opkomende technologieën, terrorisme en ongecontroleerde migratiestromen, bovenop de reeds bestaande geopolitieke uitdagingen; beklemtoont dat de EU vooruitgang moet boeken met het definiëren en erkennen van hybride dreigingen; verzoekt de EU de bewustmaking van deze dreigingen te verbeteren en een gemeenschappelijk weerstandsvermogen op te bouwen; beklemtoont dat dergelijke dreigingen alleen kunnen worden tegengegaan met gecoördineerde actie en tijdige en adequate investeringen in Europees onderzoek en Europese innovatie; juicht toe dat het Europees Parlement een Bijzondere Commissie artificiële intelligentie in het digitale tijdperk heeft opgericht als een forum om strategische vraagstukken in verband met artificiële intelligentie aan te pakken; acht het belangrijk een betere koppeling te verzekeren tussen de interne en externe aspecten van het EU-beleid om te garanderen dat het EU-beleid bijdraagt tot gemeenschappelijke doelstellingen van het GBVB, met inbegrip van het EU-energiebeleid;

66.  beklemtoont dat in het kader van het GBVB een coherente dimensie met betrekking tot het klimaatbeleid moet worden ontwikkeld, aangezien de klimaatverandering in toenemende mate een destabiliserende en risicofactor vormt op economisch, sociaal en politiek gebied;

67.  is ingenomen met de inlichtingengestuurde dreigingsanalyse die momenteel door de VV/HV wordt uitgevoerd als uitgangspunt voor het toekomstige strategisch kompas, en dringt aan op een debat in het Parlement over de resultaten van deze analyse; is ingenomen met de nieuwe aanpak van de Commissie om strategische prognoses te integreren in de beleidsvorming van de EU, ook op het gebied van buitenlandse zaken en veiligheid;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsook aan de lidstaten.

(1) PB C 210 van 3.8.2010, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0286.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0172.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.
(5) Besluit (GBVB) 2019/797 van de Raad van 17 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen (PB L 129 I van 17.5.2019, blz. 13).
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0174.


Uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid - jaarverslag 2020
PDF 571kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid – jaarverslag 2020 (2020/2207(INI))
P9_TA(2021)0013A9-0265/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Lissabon,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 15 december 2016, 22 juni 2017, 28 juni 2018, 14 december 2018, 20 juni 2019, 12 december 2019 en 21 juli 2020,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2013, 18 november 2014, 18 mei 2015, 27 juni 2016, 14 november 2016, 18 mei 2017, 17 juli 2017, 25 juni 2018, 17 juni 2019 en 17 juni 2020 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over het sluiten van een civiel GVDB-pact,

–  gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2018 over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over het kader voor een gezamenlijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 juni 2018 over jongeren, vrede en veiligheid en van 5 juni 2020 over jongeren in het extern optreden,

–  gezien Besluit (GBVB) 2019/797 van de Raad van 17 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2019 over extra inspanningen ter versterking van de weerbaarheid en bestrijding van hybride dreigingen,

–  gezien het document getiteld “Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: Een sterker Europa – Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid”, dat op 28 juni 2016 is gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–  gezien de gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad over het actieplan voor militaire mobiliteit van 28 maart 2018 (JOIN(2018)0005),

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie en de secretaris-generaal van de NAVO van 8 juli 2016 en 12 juli 2018,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa,

–  gezien de gemeenschappelijke reeks van 42 voorstellen als bekrachtigd door de raden van de NAVO en van de EU op 6 december 2016 en de voortgangsverslagen van 14 juni 2017 en 5 december 2017 over de tenuitvoerlegging daarvan, alsook de nieuwe reeks van 32 voorstellen als bekrachtigd door de NAVO-Raad en de EU-Raad op 5 december 2017,

–  gezien het vijfde voortgangsverslag van 16 juni 2020 inzake de uitvoering van de gemeenschappelijke reeks voorstellen als bekrachtigd door de raden van de EU en van de NAVO op 6 december 2016 en 5 december 2017,

–  gezien de enorme impact die het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU op de potentiële EU-defensiecapaciteiten zal hebben, aangezien het VK een van de effectiefste Europese militaire krachten is,

–  gezien de onwettige invasie en annexatie van de Krim door Rusland,

–  gezien de schending van de lucht- en maritieme grenzen van de lidstaten door Rusland,

–  gezien de toegenomen economische en militaire aanwezigheid van China in de landen van het Middellandse Zeegebied en Afrika,

–  gezien de dreiging die uitgaat van binnenlands en buitenlands terrorisme, met name van groepen zoals Da’esh,

–  gezien nieuwe technologieën zoals kunstmatige intelligentie, ruimtevaartcapaciteit en kwantumcomputing, die nieuwe kansen bieden voor de mensheid, maar ook zorgen voor nieuwe uitdagingen voor het defensie- en buitenlands beleid die een duidelijke strategie en consensus onder bondgenoten vereisen,

–  gezien het tweede voortgangsverslag over de prioriteiten van de EU en de VN voor 2019-2021 inzake vredesoperaties en crisisbeheer,

–  gezien de resoluties 3212(1974), 32/15(1977), 33/15(1978), 34/30(1979) en 37/253(1983) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,

–  gezien de resoluties 353(1974), 361(1975), 367(1975), 458(1979), 541(1983), 550(1984), 649(1990), 716(1991), 750(1992), 774(1992), 789(1992), 889 (1993), 939(1994), 1032(1995), 1062(1996), 1250(1999), 2009(2011), 2095(2013) en 2174(2014) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties, en met name SDG 16, die gericht is op de bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling,

–  gezien de in juni 2018 verschenen publicatie van de Verenigde Naties “Securing Our Common Future: An Agenda for Disarmament”,

–  gezien de evaluatie van de Europese Rekenkamer nr. 09/2019 betreffende de Europese defensie,

–  gezien zijn resoluties van 14 december 2016(2), 13 december 2017(3), 12 december 2018(4) en 15 januari 2020(5) over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2018 over de betrekkingen tussen de EU en de NAVO(6),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over de voorbereiding van het toetsingsproces van 2020 van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV), kernwapenbeheersing en mogelijkheden voor nucleaire ontwapening,

–  gezien zijn resolutie van 17 september 2020 over wapenuitvoer: uitvoering van gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2019 over de toekomst van het INF-verdrag en de gevolgen voor de Europese Unie(8),

–  gezien zijn standpunt van 18 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Defensiefonds(9),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad over het besluit tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit(10),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over autonome wapensystemen(11),

–  gezien zijn resolutie van 23 juli 2020 over de conclusies van de buitengewone Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020(12),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0265/2020),

1.  herinnert aan de ambitie van de EU om een mondiale actor te zijn die opkomt voor vrede en veiligheid, en roept ertoe op dat bij haar optreden en beleid wordt gestreefd naar de handhaving van de internationale vrede, veiligheid, effectief multilateralisme, samenwerking, mondiale stabiliteit en actieve ondersteuning van de op regels gebaseerde internationale orde, in overeenstemming met de beginselen en waarden van het Handvest van de VN en de doelstellingen van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU);

2.  benadrukt, gezien de actuele en toenemende veelzijdige dreigingen voor de mondiale, regionale en nationale veiligheid en stabiliteit waarmee de EU wordt geconfronteerd in een zeer multipolair en onvoorspelbaar klimaat met assertievere en concurrerende mondiale en regionale mogendheden en verschuivende bondgenootschappen, dat Europese actoren alleen met het gecombineerde gewicht van een sterke en verenigde Europese Unie en haar lidstaten, in nauwe samenwerking met gelijkgezinde democratieën, de mogelijkheid hebben een robuuster GVDB te ontwikkelen om een sterkere en relevantere rol op het internationale toneel in de nieuwe geopolitieke omgeving te spelen en bij te dragen aan vrede, menselijke veiligheid, duurzame ontwikkeling, welvaart, vrijheid, eerbiediging van de grondrechten en fundamentele waarden, en democratie;

3.  neemt kennis van de aanhoudende verslechtering van de strategische situatie van de Unie met directe en indirecte gevolgen voor de veiligheid van de lidstaten en de burgers; benadrukt dat de Unie en de lidstaten in dit instabiele en onvoorstelbare klimaat samen een grotere rol moeten spelen om de veiligheid van de lidstaten, de burgers en de waarden te waarborgen tegen multilaterale dreigingen, risico’s en uitdagingen;

4.  neemt kennis van de doelstelling van de Europese Unie om Europese strategische autonomie te ontwikkelen – een ambitie die gebaseerd is op het vermogen van de Unie om een crisissituatie onafhankelijk te beoordelen en autonome besluiten te nemen, en op de mogelijkheid autonoom te handelen waar de omstandigheden dit vereisen, teneinde haar belangen en waarden te verdedigen, met volledige eerbiediging van bondgenootschappen en strategische partners, waarbij het beginsel van complementariteit aan de NAVO in acht wordt genomen;

5.  verzoekt de VV/HV en de Raad in dit verband een gemeenschappelijke formele definitie vast te stellen van “strategische autonomie”, en de doelstellingen, financiële middelen en uitvoeringsmiddelen ervan zeer duidelijk te definiëren; is van mening dat het vermogen om zelfstandig op te treden belangrijk is voor de EU, zodat zij haar multilaterale handelen kan versterken, minder kwetsbaar wordt voor externe dreigingen en een betrouwbare partner kan zijn in een op regels gebaseerde multilaterale orde;

6.  is van mening dat de COVID-19-pandemie heeft aangetoond hoe kwetsbaar de EU is en hoe afhankelijk zij is van derde landen; onderstreept dan ook dat het in dit verband nog belangrijker is dat de EU haar inspanningen met het oog op strategische autonomie opvoert;

7.  merkt op dat er enige voortgang is geboekt bij de uitvoering van het GVDB; is verheugd over het feit dat de EU zich blijft inzetten voor het vergroten van haar wereldwijde aanwezigheid en haar vermogen om onder meer via haar GVDB-missies en -operaties op te treden als mondiale veiligheidsbevorderaar en -verstrekker, met het doel om duurzame vrede, stabiliteit, veiligheid en welvaart tot stand te brengen en om actief bij te dragen aan het overwinnen en oplossen van conflicten in de hele wereld, met name binnen het nabuurschap van de EU;

8.  is verheugd over de aankondiging van de VV/HV dat tegen eind 2020 een analyse zal worden gepresenteerd over de gemeenschappelijke bedreigingen en uitdagingen, die de basis zal vormen voor beleidsdiscussies met de lidstaten en voor de ontwikkeling van een strategisch kompas; merkt op dat het strategisch kompas uiterlijk in 2022 de uitvoering van het ambitieniveau van de EU zoals vastgesteld in 2016 zal versterken en begeleiden en een strategische aanpak, specifieke doelstellingen en oriëntaties zal vaststellen op de vier belangrijke gebieden: crisisbeheersing, veerkracht, vermogens en partnerschappen; benadrukt dat dit noodzakelijk is omdat de EU illustratieve scenario’s voor militaire en civiele interventies moet ontwikkelen en zich op operationeel en politiek niveau goed moet voorbereiden; hoopt dat het strategisch kompas als eerste stap naar de ontwikkeling van een onafhankelijke operationele EU-capaciteit het pad zal effenen voor een meer geharmoniseerde strategische cultuur en zodoende de besluitvorming in de Unie zal vereenvoudigen;

9.  overweegt om zijn eigen verslagen en aanbevelingen op te stellen over de belangrijkste gebieden van het strategisch kompas, teneinde zo parlementaire input en begeleiding te bieden in overeenstemming met onze democratische institutionele beginselen;

10.  benadrukt dat duurzame regionale stabiliteit, veiligheid en welvaart van primair geopolitiek belang zijn voor de Unie, evenals het voorkomen van destabiliserende processen in haar buurlanden, zowel in het oosten en het zuiden als in het noordpoolgebied; benadrukt dat de operaties EUFOR Althea en EULEX Kosovo een cruciale rol hebben gespeeld bij de bevordering van stabiliteit en veiligheid door de veerkracht van landen te vergroten en capaciteitsopbouw te bevorderen in een regio die voor de EU van strategisch belang is; is ingenomen met de uitbreiding van de mandaten van EULEX Kosovo en EUAM Oekraïne en onderstreept nogmaals dat de activiteiten in het kader van het GVDB in de Westelijke Balkan en het oostelijk nabuurschap belangrijk zijn; is voorstander van een herziening van de lopende GVDB-missie EUAM Oekraïne om te bepalen hoe de missie de veiligheid in Oekraïne verder kan ondersteunen;

11.  wijst op het feit dat instabiliteit in het Europese zuidelijke nabuurschap, met name in de Sahel, West-Afrika en de Hoorn van Afrika, uiteindelijk negatieve overloopeffecten heeft op de zuidelijke buurlanden van de EU in het bijzonder, en derhalve een direct probleem vormt voor het beheer van onze Europese buitengrenzen;

12.  maakt zich zorgen over het feit dat de strijdkrachten van de Russische Federatie nog steeds grote delen van Oekraïne en Georgië bezetten, hetgeen in strijd is met het internationaal recht, dat zij nog altijd aanwezig zijn in de Republiek Moldavië, en dat Rusland de vrede en veiligheid in de regio blijft verstoren; uit zijn bezorgdheid over de ongekende omvang van door overheden gesponsorde desinformatiecampagnes in het oostelijk nabuurschap; veroordeelt nog altijd het militaire optreden en de illegale annexatie van de Krim en de instandhouding van het bevroren conflict in Moldavië door Rusland; onderstreept de noodzaak om in deze context met één stem te spreken via het EU-beleid;

13.  is ingenomen met het staken van de vijandelijkheden in en rond Nagorno-Karabach; onderstreept met bezorgdheid de militaire betrokkenheid van derde landen bij het conflict en met name de destabiliserende rol en inmenging van Turkije; verzoekt om een internationaal onderzoek naar de vermeende aanwezigheid van buitenlandse strijders en de inzet van clustermunitie en fosforgranaten; verlangt dat de Europese Unie en internationale organen waarborgen dat oorlogsmisdaden in Nagorno-Karabach en het gebruik van verboden wapens in het conflict in Nagorno-Karabach niet onbestraft blijven; onderstreept dat humanitaire hulp mogelijk gemaakt moet worden, dat de uitwisseling van gevangenen en slachtoffers onverwijld moet worden voortgezet, en dat het cultureel erfgoed van Nagorno-Karabach behouden moet blijven;

14.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente escalatie van de spanningen over bepaalde potentiële brandhaarden in de Indo-Pacifische regio, zoals het grensconflict tussen India en China, de Oost- en Zuid-Chinese Zee en de Straat van Taiwan, waaronder ook de steeds provocerendere militaire manoeuvres die op Taiwan zijn gericht; roept alle betrokken partijen op hun meningsverschillen met vreedzame middelen op te lossen om de spanningen te de-escaleren en niet eenzijdig actie te ondernemen om de status quo te veranderen; benadrukt het belang van de vreedzame ontwikkeling van de banden tussen beide zijden van de Straat van Taiwan om vrede, stabiliteit en welvaart in stand te houden in China en Taiwan, alsook in de regio Azië-Stille Oceaan als geheel, die van cruciaal belang is voor de belangen van de EU; roept de EU en haar lidstaten op hun betrokkenheidsbeleid ten aanzien van Taiwan te herzien en met internationale gelijkgezinde partners samen te werken om het democratische Taiwan te beschermen tegen buitenlandse dreigingen; is bezorgd over de desinformatiecampagne tegen democratieën in de Indo-Pacifische regio, waaronder Taiwan, die door kwaadwillige derde landen is opgezet om de inspanningen voor de bestrijding van de COVID-19-pandemie te verstoren; roept de EU en haar lidstaten op de zinvolle en pragmatische deelname van Taiwan als waarnemer bij vergaderingen, mechanismen en activiteiten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) te ondersteunen, teneinde de mondiale volksgezondheidscrisis gezamenlijk aan te pakken;

15.  is uiterst bezorgd over, en veroordeelt ten stelligste, de illegale activiteiten en de dreiging van militair optreden door Turkije tegen de lidstaten in het oostelijke Middellandse Zeegebied; merkt met bezorgdheid op dat de door Turkije geleide unilaterale acties ondanks de pogingen tot de-escalatie het internationaal schenden en de soevereiniteit van bepaalde lidstaten rechtstreeks aantasten; herhaalt dat de Unie bereid is alle instrumenten en opties die tot haar beschikking staan in te zetten, ook in overeenstemming met artikel 29 VEU en artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europes Unie (VWEU), om haar belangen en die van haar lidstaten te verdedigen; herinnert aan de recente conclusies van de Raad over het oostelijke Middellandse Zeegebied en verlangt dat een nieuwe omvattende strategie EU-Turkije wordt ontwikkeld;

16.  benadrukt dat de toegang tot schoon drinkwater kan leiden tot zware conflicten; onderstreept dat de Europese Unie een politieke strategie moet ontwikkelen om oplossingen in deze gebieden met een hoog risico op destabilisering te faciliteren, en de landen die in de belangrijkste met water verband houdende conflictgebieden liggen, moet aanmoedigen het Verdrag van Helsinki van 1992 inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren, voltooid in 1997 in New York, te ondertekenen;

Consolidatie van de ambities van de Europese Unie: versterking van de doeltreffendheid van GVDB-missies en -operaties in een onvoorspelbare en gedestabiliseerde omgeving

17.  is van mening dat het GVDB in eerste instantie gestoeld is op het vermogen van de Unie om civiele en militaire missies en operaties op te zetten in crisissituaties die de veiligheid van de Unie en haar lidstaten treffen of volgens het internationaal recht en het Handvest en de resoluties van de VN internationaal ingrijpen vereisen; wijst erop dat de Unie momenteel elf civiele missies uitvoert alsook zes militaire missies, waarvan drie uitvoerende (Atalanta, EUNAVFOR MED IRINI, EUFOR Althea) en drie niet-uitvoerende missies (EUTM Mali, EUTM Somalia, EUTM RCA); herinnert eraan dat de mandaten van GVDB-missies onder meer gericht zijn op de bevordering van hervormingen van de veiligheidssector en justitie en de versterking van militaire en politieopleidingen; beveelt aan de missies en operaties behoorlijk en op regelmatige basis te evalueren om vast te stellen op welk vlak hun effectiviteit verder versterkt kan worden; benadrukt hoe belangrijk het is dat missies sneller en met meer flexibiliteit en samenhang worden opgezet;

18.  merkt tot zijn spijt dat er bij sommige lidstaten nog steeds een gebrek aan politieke bereidheid is om op zinvolle en geloofwaardige wijze aan GVDB-missies en -operaties deel te nemen; benadrukt hoe belangrijk het is missies en operaties robuuster te maken, zowel wat betreft de personele middelen als de mandaten ervan; verzoekt de lidstaten de bijdrage van strijdkrachten en middelen aan alle GVDB-missies en -operaties te verhogen, en daarbij in het bijzonder de bestaande tekortkomingen aan te pakken, aangezien de financiering van GVDB-missies en -operaties essentieel is voor de duurzaamheid ervan, met name in tijden van crisis, en tevens in te gaan op het probleem van potentieel toenemende spanningen en conflicten; onderstreept dat de begroting van het GVDB niet mag worden ondermijnd;

19.  benadrukt dat de deelname van vrouwen aan GVDB-missies bijdraagt aan de doeltreffendheid van de missie en een gunstige invloed heeft op de geloofwaardigheid van de EU als verdediger van gelijke rechten voor mannen en vrouwen wereldwijd; pleit voor zinvolle gendermainstreaming bij de formulering van het GVDB, met name via een beter genderevenwicht bij het personeel en de leiding van GVDB-missies en -operaties en door het ingezette personeel een specifieke opleiding te geven; is ingenomen met het feit dat voor alle civiele GVDB-missies nu een genderadviseur is benoemd en pleit ervoor hetzelfde te doen voor de militaire GVDB-missies; moedigt de lidstaten aan vrouwen voor te dragen als kandidaten voor bestaande vacatures; verlangt dat al het door de EU ingezette militaire en civiele personeel naar behoren wordt opgeleid inzake gendergelijkheid en de toepassing van Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid, en specifiek wordt geïnstrueerd over hoe zij een genderperspectief in hun taken kunnen opnemen; betreurt het feit dat het aantal vrouwen dat actief is voor GVDB-missies en met name militaire operaties nog altijd zeer laag is; dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op aan om te wijzen op de noodzaak van een concrete doelstelling en politieke afspraken voor de verhoging van het aantal vrouwen in de crisisbeheersingsmissies en -operaties van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan te zoeken naar manieren om hun wervings- en bindingsbeleid en de deelname van vrouwen aan vredesopbouw- en vredeshandhavingsmissies te versterken; onderstreept de noodzaak om een nieuwe EU-begrotingslijn in te voeren voor de financiering van de rol van genderadviseurs in militaire GVDB-missies;

20.  legt de nadruk op de brede inzet van de Unie in de Sahel en de Hoorn van Afrika via zes civiele (EUCAP Mali, EUCAP Niger, EUCAP Somalia) en militaire (EUTM Mali, EUTM Somalia, EUNAVFOR Atalanta, EUNAVFOR MED Irini) missies;

21.  merkt op dat militaire GVDB-operaties in toenemende mate gericht zijn op het opleiden van strijdkrachten (opleidingsmissies van de EU) zonder uitvoerende dimensie; is van mening dat het mandaat, zonder de niet-uitvoerende dimensie van deze missies aan te passen, moet worden verstevigd om Europese adviseurs in staat te stellen zo dicht mogelijk bij het gebied waar de strijdkrachten worden ingezet, te controleren of de opleidingsprogramma’s goed zijn uitgevoerd en aansluiten op de huidige operationele behoeften van de lokale strijdkrachten; wijst erop dat zodoende ook beter kan worden voorkomen dat wanbeheer of misbruik plaatsvindt wanneer de opgeleide strijdkrachten eenmaal in het veld worden ingezet; benadrukt dat dit des te meer van belang is bij EUTM Mali, waar de Malinese strijdkrachten in sterk uiteenlopende en uitdagende gebieden worden ingezet, hetgeen toezicht vereist op de manier waarop de Europese opleidingsmaatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd;

22.  betreurt dat slechts enkele GVDB-missies voorzien in opleiding over seksuele of gendergerelateerde intimidatie, en verzoekt de EDEO en de lidstaten verplichte opleiding aan te bieden om dit soort intimidatie in alle missies en operaties te bestrijden en ervoor te zorgen dat slachtoffers en klokkenluiders doeltreffend worden beschermd; verzoekt om een actualisering van de bijgewerkte algemene gedragsnormen voor GVDB-missies en -operaties om hieraan het beginsel toe te voegen van nultolerantie ten aanzien van het niet nemen van maatregelen door EU-leiderschap en -management met betrekking tot seksueel en gendergerelateerd geweld;

23.  is ingenomen met de conclusies van de Raad van 12 oktober 2020 over de operatie EUFOR Althea en de bereidheid tot verlening van het mandaat van de operatie voor de ondersteuning van de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina voor de instandhouding van een veilige omgeving in het kader van een hernieuwde goedkeuring van de VN; is zich bewust van de uitdagingen die gepaard gaan met de COVID-19-pandemie en is het personeel van de missies erkentelijk voor het feit dat het volledig operationeel is gebleven in deze periode;

24.  wijst erop dat de veiligheidssituatie in Somalië uiterst zorgwekkend is en dat deze in de Hoorn van Afrika en zelfs daarbuiten een destabiliserende factor vormt; is van mening dat de uitbreiding van EUTM Somalia met een adviescapaciteit voor de bevelsstructuren het mogelijk zou maken om aanzienlijke invloed uit te oefenen op de uitvoering van de operaties binnen het multilaterale apparaat van militaire bijstand;

25.  ondersteunt de inspanningen die zijn verricht met betrekking tot het regionaliseringsproces dat op gang gebracht is door de regionale advies- en coördinatiecel (RACC) en het besluit van de Raad van 12 februari 2019 om over te gaan op de tweede fase ervan en zodoende de regionale aanpak van de EU in de Sahel te versterken, met name in het kader van EUTM Mali door de reikwijdte ervan uit te breiden tot de landen van de Sahel G5, met het doel het optreden van de EU over de grenzen van de landen van de Sahel G5 effectiever en operationeler te maken en om grensoverschrijdende samenwerking te ondersteunen en zodoende het werk van EUCAP Sahel Mali, EUCAP Sahel Niger en EUTM Mali effectiever te maken; verlangt dat de EUTM voortaan EUTM Sahel wordt genoemd; merkt op dat consistentie en veiligheidssamenwerking met Afrikaanse landen van cruciaal belang is om stabiliteit en langetermijnontwikkeling van het continent tot stand te brengen; is van mening dat de regionalisering van de GVDB-aanpak in de Sahel van belang is, maar dat een duidelijkere taakverdeling nodig is tussen de bestaande civiele en militaire GVDB-missies, lokale actoren en andere internationale organisaties (de vredeshandhavingsmissie MINUSMA van de Verenigde Naties, de door de Franse strijdkrachten geleide operatie Barkhane) met het oog op waarborging van operationele synergie en gecoördineerde inspanningen op Unieniveau;

26.  is bezorgd over de huidige desinformatiecampagne tegen de EU in de Centraal-Afrikaanse Republiek; roept de VV/HV ertoe op maatregelen te treffen om op doeltreffende wijze te achterhalen waar desinformatiecampagne vandaan komt en dergelijke aanvallen te pareren; is ingenomen met de opzet van EUAM RCA ter ondersteuning van de hervorming van de veiligheidssector in de Centraal-Afrikaanse Republiek, en met de verlenging van het mandaat van EUTM RCA; is van oordeel dat de Unie haar capaciteiten voor de levering van uitrusting snel en effectief moet verbeteren in aanvulling op de opleiding die wordt aangeboden via de EUCAP- en EUTM-missies; merkt op dat met de opzet van de Europese Vredesfaciliteit wordt gezorgd voor een omvattend concept voor de capaciteitsopbouw van de strijdkrachten van onze partners; wijst erop dat assertieve, aanwezige en actieve buitenlandse actoren, die niet altijd dezelfde ethische beginselen als de Unie en haar lidstaten erop nahouden, de ontbrekende capaciteiten opvullen en betrokken zijn bij de uitrusting van deze strijdkrachten, zonder daarbij de rechtsstaat en internationale normen te eerbiedigen;

27.  is uiterst bezorgd over de verslechtering van de veiligheids- en humanitaire situatie in de Sahel, waar terrorisme een steeds zwaardere druk uitoefent op de landen van de Sahel G5 en de plaatselijke politieke, etnische en religieuze spanningen op scherp zet; onderstreept het belang van de steun die de missies en operaties van de EU in dit opzicht in de Sahel brengen; herinnert eraan dat het van cruciaal belang is de langetermijninvesteringen van de internationale gemeenschap voort te zetten om veiligheid en stabiliteit in Mali en de Sahel na te streven; is ingenomen met de hervatting van de activiteiten van EU-missies en -operaties in Mali;

28.  pleit voor een nieuwe benadering op operationeel niveau van de hervorming van de veiligheidssector, bijstand aan de veiligheid en opbouw van militaire capaciteit die rekening houdt met de geleerde lessen in met name Mali, en die de nadruk legt op a) democratische controle van alle veiligheidstroepen, waaronder ook strijdkrachten, b) democratisch en transparant beheer van de sector, c) systematisch toezicht op volledige en strikte naleving door alle actoren van internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht, en d) duidelijke mechanismen voor opschorting of terugtrekking in geval van straffeloosheid, en bestaande schendingen;

29.  neemt nota van het verbeterde coördinatieniveau tussen civiele en militaire missies in drie landen: Mali, de Centraal-Afrikaanse Republiek en Somalië; is ingenomen met de gecoördineerde inspanningen van de capaciteitsopbouwmissie in Somalië (EUCAP Somalia) en EUTM Somalia om begeleiding te bieden voor de operationele toenadering tussen de Somalische politie en het Somalische leger in de gebieden die zijn bevrijd van de invloed van Al-Shabaab; benadrukt dat de integrale benadering van hulpmiddelen, begrotingsinstrumenten en actoren in EUAM CAR en EUTM CAR waar passend moet worden overgenomen in andere GVDB-missies en -operaties;

30.  is ingenomen met de start van de operatie EUNAVFOR MED IRINI, die tot doel heeft bij te dragen tot duurzame vrede, veiligheid en stabiliteit door de handhaving van het wapenembargo tegen Libië te ondersteunen overeenkomstig Resolutie 2526 (2020) van de VN-Veiligheidsraad, tot opleiding van de Libische kustwacht en het aanpakken van mensenhandel; verzoekt de lidstaten in het bijzonder met spoed de middelen voor inlichtingen, bewaking, verkenning, ordehandhaving en marine toe te wijzen die nodig zijn om de vermogens van operatie Irini te versterken en pleit voor nauwere samenwerking met de lopende maritieme operatie Sea Guardian van de NAVO en samenwerking met regionale partners; herinnert aan de internationale verplichtingen inzake het opsporen en redden van mensen in nood op zee; verzoekt de VV/HV ten volle gebruik te maken van de middelen van de EU op dit gebied, met name het satellietcentrum en het inlichtingencentrum van de EU; is ingenomen met de huidige voortgang die is geboekt bij de stabilisering van de situatie in Libië en verzoekt de EU een actieve rol op zich te nemen in het bemiddelingsproces en zo bij te dragen tot de noodzakelijke grondvesten voor een vreedzaam, stabiel en democratisch Libië;

31.  neemt kennis van het besluit van de Raad van 20 juni 2020 om de mandaten van drie civiele GVDB-missies te verlengen: de missie van de EU voor bijstandsverlening inzake grensbeheer in Libië (EUBAM Libya), de missie van de EU voor bijstandsverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah), en de politiemissie van de EU voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS);

32.  pleit voor verdere ontwikkeling en versterking van de civiel-militaire besluitvorming van de EU en de bevels- en controlestructuren, waarbij aparte militaire en civiele bevelsstructuren worden gewaarborgd;

33.  merkt op dat de strategische evaluatie van het militair plannings- en uitvoeringsvermogen (MPCC) in 2020 van start moet gaan; verzoekt de VV/HV, gezien het effect van deze evaluatie op de planning van, commandovoering over en controle op militaire missies en operaties, het Europees Parlement tijdig op de hoogte te stellen van de beschikbare en gekozen opties; herhaalt dat de EU een permanente en volwaardige militaire bevelsstructuur nodig heeft om autonoom te kunnen handelen en dringt er daarom bij de Raad op aan een dergelijke structuur tot stand te brengen;

34.  neemt nota van de algehele voortgang en inspanningen die zijn geleverd bij de uitvoering van het pact inzake het civiele GVDB, dat tot doel heeft het civiele GVDB slagkrachtiger, doeltreffender, flexibeler en responsiever te maken, zowel op nationaal niveau door nationale uitvoeringsplannen te ontwikkelen en uit te voeren om de nationale bijdragen aan het civiel GVDB te verhogen, als op EU-niveau door de ontwikkeling van een gezamenlijk actieplan; roept op tot de volledige uitvoering van het pact inzake het civiele GVDB tegen het begin van de zomer van 2023; wijst erop dat het civiele GVDB te maken heeft met capaciteitsuitdagingen omtrent de beschikbaarheid van voldoende aantallen politiemedewerkers, rechters, aanklagers en andere deskundigen op het gebied van justitie en civiele veiligheid; is van mening dat de EU een grondige evaluatie van de mandaten, begrotingen en personele middelen van de civiele missies EUCAP Sahel Mali, EUCAP Sahel Niger, EUCAP Somalia en EUAM RCA moet uitvoeren teneinde de missies volledig operationeel en effectief te maken; roept de lidstaten op een gedetailleerde jaarlijkse evaluatie uit te voeren van de voortgang bij de uitvoering van het pact inzake het civiele GVDB; verzoekt alle betrokken actoren de samenwerking te intensiveren en de synergieën tussen de civiele en militaire missies op hetzelfde actieterrein te vergroten, met name waar het gaat om mobiliteit en veilige digitale infrastructuur; is ingenomen met de oprichting van het kenniscentrum voor civiele crisisbeheersing dat in september 2020 is geopend en moedigt de lidstaten aan actief deel te nemen aan de werkzaamheden van het centrum;

35.  prijst de continuïteit en blijvende aanwezigheid van de GVDB-missies en -operaties ondanks de zeer moeilijke omstandigheden door en de negatieve uitwerkingen van de COVID-19-pandemie; verzoekt dringend de begroting, de middelen, de planning en de uitrusting van de GVDB-missies en -operaties van de Unie te beoordelen en aan te passen in het licht van ervaring die is opgedaan met de COVID-19-pandemie, om ervoor te zorgen dat de operationele effectiviteit behouden blijft; onderstreept het belang voor de EU om te onderzoeken wat er nog meer kan worden gedaan om het risico van besmetting voor het personeel te beperken en te beheersen; uit zijn ernstige bezorgdheid over het negatieve versterkende effect van COVID-19 op bestaande crises en is van mening dat het dringend noodzakelijk is dat de EU voorkomt dat de jarenlange vooruitgang op het gebied van vredesopbouw in gevaar komt door COVID-19; is zeer verontrust over de desinformatiegolf tegen met name GVDB-missies en -operaties tijdens de COVID-19-pandemie; benadrukt dat de EU haar strategische communicatiemiddelen en publieke diplomatie moet versterken, met name in landen waar GVDB-missies en -operaties plaatsvinden;

36.  erkent dat civiele en militaire GVDB-missies een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid, en derde landen ondersteunen bij de bestrijding van terrorisme; dringt er bij de EU op aan haar institutionele capaciteiten voor conflictpreventie en bemiddeling op te bouwen; dringt aan op een proactievere aanpak voor het oplossen van aanhoudende conflicten in het directe nabuurschap van de EU; dringt aan op conflictgevoelige en mensgerichte benaderingen waarbij de menselijke veiligheid en de mensenrechten het zwaartepunt van de EU-inzet vormen;

37.  is van mening dat de Unie haar inspanningen moet concentreren op die missies en operaties die de meeste toegevoegde waarde hebben; zou er derhalve mee ingenomen zijn wanneer gereflecteerd wordt over de relevantie en efficiëntie van bepaalde missies;

38.  roept op tot de snelle goedkeuring en oprichting van de Europese Vredesfaciliteit, die erop gericht is de doeltreffendheid van EU-missies te verbeteren, de partners van de EU te ondersteunen en bij te dragen aan vredesoperaties; benadrukt dat dit instrument een deel van de kosten van de defensieactiviteiten van de EU zal financieren, waaronder de gedeelde kosten van de militaire GVDB-operaties en de kosten van militaire capaciteitsopbouw voor partners in landen waar de EU intervenieert, en dat het instrument daarom een begroting moet krijgen die omvangrijk genoeg is om efficiënt in te gaan op de huidige uitdagingen met betrekking tot opleiding, operaties, missies, projecten en militaire uitrusting, waaronder wapens, munitie en transport, met volledige eerbiediging van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt, van de internationale mensenrechten en van het humanitair recht, en met doeltreffende transparantiebepalingen, zoals vermeld in zijn aanbeveling van 28 maart 2019 over de totstandbrenging van de Europese Vredesfaciliteit; herinnert eraan dat het noodzakelijk is omvattende risicobeoordelingen vooraf uit te voeren en streng toezicht te houden op het gebruik door de ontvangende landen, met name in regio’s met een zeer onbestendig politiek landschap en een hoge mate van doorlaatbaarheid van de grenzen, en dat op EU-niveau de noodzakelijke beschermingsmaatregelen getroffen moeten worden om te verhinderen dat terroristische groeperingen en andere kwaadwillende actoren deze wapens aankopen;

39.  is verheugd over de aankondiging in de intentieverklaring bij de Staat van de Unie 2020 van een gezamenlijke mededeling over een strategische aanpak voor de ontwapening, demobilisatie en re-integratie van voormalige strijders in 2021, als tijdige herziening van het EU-concept voor steun voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie van 2006; benadrukt het belang van hervormingen van de veiligheidssector als prioriteit voor met name onze civiele GVDB-missies, die als hoofddoel moeten hebben om de aanpak van menselijke veiligheid in de praktijk te brengen; beklemtoont dat de nieuwe strategische aanpak voor de ontwapening, demobilisatie en re-integratie moet zorgen voor consistentie tussen GVDB-instrumenten en ontwikkelingshulp van de EU;

Ontwikkeling van doeltreffende GVDB-capaciteiten

40.  is ingenomen met initiatieven voor de opbouw van de vermogens van de EU, zoals CARD, permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en het toekomstige Europees Defensiefonds (EDF) en zijn voorbereidende programma’s PADR en EDIDP, aangezien deze kunnen bijdragen tot meer samenhang, coördinatie en interoperabiliteit bij de uitvoering van het GVDB en de weg vrij kunnen maken voor de uitvoering van de taken van Petersberg, en tevens de solidariteit, cohesie, veerkracht en de strategische autonomie binnen de Unie kunnen consolideren;

41.  erkent dat de integratie van meer lidstaten in initiatieven voor de opbouw van de vermogens van de EU en hun zinvolle deelname aan belangrijke Europese defensieprojecten die momenteel lopen op een bijna altijd uitsluitend bilaterale basis (d.w.z. FCAS en MGCS) van doorslaggevend belang zijn voor het welslagen van het Europees integratieproces op defensiegebied en een duidelijke toegevoegde waarde zouden betekenen voor de Europese inspanningen voor versterkte samenwerking, integratie op defensiegebied en interoperabiliteit ten behoeve van GVDB-missies en -operaties;

42.  merkt op dat het van cruciaal belang is de samenhang, inclusiviteit, coördinatie en consistentie van alle EU-instrumenten op het gebied van defensieplanning en van alle tools en initiatieven voor de opbouw van vermogens te verbeteren, zodat zij zinvolle synergieën tot stand brengen en elkaar versterken, dubbel werk voorkomen, zorgen voor een doeltreffend en strategisch gebruik van de middelen, interoperabiliteit waarborgen en een snelle inzet vergemakkelijken;

43.  roept de lidstaten op hun defensie-uitgaven te verhogen en een uitgavenpercentage van 2 % van het bbp na te streven;

44.  is ingenomen met de overeenstemming die is bereikt over de EDF-verordening en roept op tot de snelle goedkeuring en oprichting van het EDF, dat de gemeenschappelijk vastgestelde prioriteiten voor de opbouw van de vermogens te land, ter zee, in de lucht en in de cyberomgeving zal verwezenlijken en zo de EU zal helpen om als mondiale actor en internationale veiligheidsbevorderaar en -verstrekker op te treden; verzoekt de lidstaten, de Raad en de Commissie om voldoende middelen vrij te maken voor het EDF en zich te concentreren op structurele projecten met een hoge meerwaarde, om zo de industriële samenwerking tussen de lidstaten en de consolidatie van een sterke Europese industriële en technologische defensiebasis (EDTIB) gemakkelijker te maken en de technische, industriële en strategische vermogens te versterken, zodat de EU beter in staat zal zijn om zelfstandig militaire capaciteiten te produceren en ter beschikking te stellen en om de technologische autonomie van Europa op de lange termijn te behouden; ondersteunt initiatieven op het gebied van defensievermogens die het kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker maken om deel te nemen;

45.  vestigt de aandacht op de uiterst gevoelige en strategische aard van defensieonderzoek en op de noodzaak om de toegang van entiteiten die door derden gecontroleerd worden tot uit het EDF gefinancierde projecten te reguleren, zodat gehandeld wordt overeenkomstig het doel van strategische autonomie van de EU; benadrukt dat de deelname van derde landen aan het EDF, in enkele specifieke en uitzonderlijke gevallen waarin dit een bewezen technologische en operationele meerwaarde aan bepaalde projecten geeft, op basis van daadwerkelijke wederkerigheid moet plaatsvinden, de strategische veiligheidsbelangen van de EU niet mag verzwakken, de doelstellingen van het EDF niet mag ondermijnen en volledig moet voldoen aan de in het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Defensiefonds (COM(2018)0476)) vastgestelde regels, zoals het behoud van het intellectueel eigendom in de EU, waarbij naleving van deze regels streng moet worden gecontroleerd;

46.  is ingenomen met de strategische evaluatie van de eerste fase van PESCO vóór het einde van 2020, met informatie over de voortgang van het programma en vaststelling van de bepalingen die nodig zijn om PESCO efficiënter en doelgerichter te maken; beschouwt PESCO als een instrument dat bijdraagt tot versterking van duurzame en doeltreffende EU-samenwerking en -integratie op defensiegebied door de defensievermogens en de interoperabiliteit van de deelnemende lidstaten te verbeteren, met name wat betreft de beschikbaarheid, flexibiliteit en inzetbaarheid van strijdkrachten; herinnert eraan dat PESCO-projecten defensie-uitgaven zo doeltreffend mogelijk moeten maken; is van mening dat PESCO gebruikt moet worden als een aanvullend instrument ter verwezenlijking van de doelen van de EU, en een bijdrage moet leveren aan de doelen van de NAVO; is ingenomen met de recente goedkeuring van het besluit over de deelname van derde landen aan PESCO; merkt evenwel op dat een dergelijke uitzonderlijke deelname aan afzonderlijke PESCO-projecten de EU-lidstaten en de projecten meerwaarde moet bieden en moet bijdragen aan de versterking van PESCO en het GVDB, en aan het aangaan van meer uitdagende verbintenissen, met inachtneming van zeer strenge politieke, inhoudelijke en juridische voorwaarden en op grond van vastgestelde en daadwerkelijke wederkerigheid;

47.  verzoekt de deelnemende lidstaten volledige politieke inzet, inspanningen en strategische ambities aan de dag te leggen, de nodige middelen te verstrekken en te voldoen aan de ambitieuze en bindende gemeenschappelijke verplichtingen die zij overeengekomen zijn, en daarbij zorg te dragen voor tastbare vooruitgang bij de snelle en doeltreffende uitvoering van de huidige PESCO-projecten; benadrukt dat de projecten in de eerst golf voornamelijk capaciteitsopbouwprojecten zijn waar zoveel mogelijk lidstaten bij betrokken zijn en dat de inclusieve aard van PESCO-projecten er niet toe mag leiden dat de deelnemende lidstaten hun ambities afzwakken; is bezorgd dat de capaciteitstekorten en de kritische tekortkomingen zoals vastgesteld door het capaciteitsdoelstellingsproces via het vermogensontwikkelingsplan (CDP) en de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie (CARD) niet naar behoren of niet volledig zullen worden aangepakt en opgevuld, waardoor militaire operaties niet succesvol kunnen worden uitgevoerd; beveelt aan de huidige 47 PESCO-projecten tegen het licht te houden om vast te stellen welke vooruitgang is geboekt en om te bepalen welke projecten naar het oordeel van de deelnemende lidstaten geclusterd moeten worden; moedigt de deelnemende lidstaten aan zich te concentreren op PESCO-projecten die werkelijk meerwaarde opleveren, sterker operationeel gericht zijn, van wederzijds nut en strategische instrumenten voor de Unie zijn, en op projecten met een strategische dimensie die ingaan op toekomstige veiligheidsdreigingen; moedigt de lidstaten ten zeerste aan in het kader van de hervorming van het systeem van EU-gevechtsgroepen opties te onderzoeken om dit in het PESCO-kader onder te brengen om de operationele capaciteit, modulariteit en flexibiliteit ervan te verhogen door zelfstandige multinationale eenheden op te richten die volledig zijn toegewijd aan de uitvoering van militaire taken zoals vermeld in artikel 43 VEU en de versterking van het vermogen van de EU om robuuste crisisbeheersingsoperaties uit te voeren;

De samenwerking met strategische partners versterken

48.  is verheugd over de vooruitgang die sinds de gezamenlijke verklaring van Warschau in 2016 is geboekt bij de samenwerking tussen de EU en de NAVO; prijst de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de gemeenschappelijke reeks voorstellen van 2016 en 2017, met name de intensivering van de politieke dialoog tussen de EU en de NAVO op alle niveaus, alsmede de gestructureerde dialoog over militaire mobiliteit, de inspanningen om te zorgen voor meer samenhang tussen de respectieve defensieplanningsprocessen, en nauwere samenwerking op het gebied van cyberbeveiliging en defensie en bij de bestrijding van hybride bedreigingen en desinformatiecampagnes; wijst op de mate van samenwerking tussen de NAVO en de EU om civiele autoriteiten te helpen de verspreiding van de COVID-19-pandemie in te dammen en een halt toe te roepen; roept de EU en de NAVO op de wederzijds versterkende samenwerking, ook tussen missies en operaties, verder te bevorderen en hun strategisch partnerschap te verdiepen; benadrukt dat het belangrijk is het partnerschap tussen de EU en de NAVO op het gebied van militaire mobiliteit verder te versterken; benadrukt dat het belangrijk is dat de Europese strijdkrachten samen trainingen en oefeningen organiseren en houden, alsook dat de EU en de NAVO hun oefeningen coördineren en parallel uitvoeren;

49.  is in dit verband ingenomen met Operation Atlantic Resolve en de Enhanced Forward Presence van de NAVO op het Europese continent en erkent dat de NAVO-troepen belangrijk zijn om verdere Russische agressie te ontmoedigen en cruciale ondersteuning te bieden in het geval van een conflict;

50.  herinnert eraan dat de NAVO de hoeksteen van de collectieve defensie blijft voor de lidstaten die ook lid zijn van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, zoals uitdrukkelijk in het VWEU wordt erkend; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO complementair van aard moet zijn, ten volle rekening moet houden met de respectieve kenmerken en taken van beide organisaties en structuren niet onnodig mag kopiëren of vervangen; herinnert eraan dat samenwerking op het gebied van defensie een van de pijlers van de trans-Atlantische samenwerking is en van cruciaal belang blijft voor de wederzijdse veiligheid van de bondgenoten en partnerlanden, en wijst daarom opnieuw op de noodzaak van nauwere betrekkingen; herinnert eraan dat de ontwikkeling van de defensievermogens van de EU, volgens het beginsel van “één set strijdkrachten”, niet bedoeld is om te concurreren met het bondgenootschap en ook ten goede zal komen aan de landen die deelnemen aan het GVDB en de NAVO; herinnert er voorts aan dat een doeltreffendere EU-samenwerking op veiligheids- en defensiegebied moet worden beschouwd als een factor die de Europese pijler van de NAVO versterkt en ertoe bijdraagt dat de EU een grotere rol speelt bij het waarborgen van haar eigen veiligheid; is van mening dat initiatieven voor capaciteitsontwikkeling moeten zorgen voor interoperabiliteit met de bondgenoten en een snelle inzet moeten vergemakkelijken; merkt bezorgd op dat de solidariteit van het bondgenootschap is ondermijnd door een aantal meningsverschillen na het optreden van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied;

51.  benadrukt de noodzaak om de status van de EU als leverancier van maritieme veiligheid te versterken en om de veerkracht van de EU en haar lidstaten bij crisissituaties in hun territoriale wateren te vergroten, en wijst op het belang van een coherente maritieme strategie om illegale maritieme niet-overheidsactoren te bestrijden; acht het noodzakelijk om de interventieregels en de uitrustingsnormen te harmoniseren en om de opleiding van personeel te verbeteren, teneinde in Europese en internationale operaties of in het geval van maritieme crises, gebeurtenissen en incidenten gecoördineerde en unitaire acties uit te voeren; benadrukt dat de EU en de NAVO moeten samenwerken met het oog op een gezamenlijke en doeltreffende aanpak van bedreigingen voor de maritieme veiligheid, zoals grensoverschrijdende en georganiseerde misdaad, met inbegrip van netwerken van georganiseerde misdaad die mensenhandel, wapen- en drugshandel, smokkel en piraterij op zee in de hand werken;

52.  is groot voorstander van het strategisch partnerschap tussen de EU en de VN op het gebied van crisisbeheersing en civiele, politiële en militaire vredeshandhaving; is verheugd over de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de acht gezamenlijk vastgestelde en overeengekomen prioriteiten van de EU en de VN voor 2019-2021 op het gebied van vredesoperaties en crisisbeheersing; spoort de lidstaten aan een grotere bijdrage te leveren aan de vredeshandhaving van de VN en vraagt de EU-instellingen hen daarbij te helpen; merkt op dat er enige vooruitgang is geboekt op het gebied van de versterking van de samenwerking tussen missies en operaties op het terrein – met name door de ondertekening op 29 september 2020 van de Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Naties met het oog op het bieden van wederzijdse ondersteuning in het kader van hun respectieve missies en operaties op het terrein –, op het gebied van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid – die als input dient voor de uitvoering van het EU-actieplan inzake vrouwen, vrede en veiligheid –, op het gebied van conflictpreventie en op politiek en strategisch niveau; roept de EU en de VN op de mogelijkheden voor nauwere samenwerking verder te onderzoeken, met name in de gebieden waar zij samen opereren, bijvoorbeeld inzake de overgangsplanning van missies, ondersteuningsregelingen op het terrein, informatie-uitwisseling buiten de missiegebieden en noodplanning in verband met COVID-19, alsmede inzake klimaat en defensie;

53.  wijst er nogmaals op dat het Verenigd Koninkrijk ondanks de brexit een belangrijke strategische partner van de EU en haar lidstaten blijft en dat het van essentieel belang is dat de EU en het Verenigd Koninkrijk intensief en nauw blijven samenwerken op het gebied van defensie en veiligheid, aangezien zij dezelfde strategische omgeving delen en met dezelfde bedreigingen voor hun vrede en veiligheid worden geconfronteerd; spoort het VK aan om deel te nemen aan GVDB-missies en -operaties, crisisbeheersingsoperaties, de ontwikkeling van defensievermogens, de relevante EU-agentschappen en projecten in het kader van PESCO, waarbij de autonome besluitvorming van de EU, de soevereiniteit van het VK en het beginsel van evenwichtige rechten en plichten moeten worden geëerbiedigd, op basis van doeltreffende wederkerigheid en met inbegrip van een billijke en passende financiële bijdrage; merkt op dat het VK zich op 31 december 2020 heeft teruggetrokken uit de GVDB-missies en operaties; dringt aan op snelle vervangingsprocedures om de continuïteit van de GVDB-missies en -operaties waarbij Brits personeel een aanzienlijke rol speelde, veilig te stellen;

54.  roept de EU op om nauw samen te blijven werken met bestaande regionale spelers zoals de Afrikaanse Unie, Ecowas, de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean) en de Arctische Raad, evenals met gelijkgezinde landen die geen lid zijn van de NAVO;

55.  dringt aan op een systematischere tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid, aangezien deze al twintig jaar geleden is aangenomen, en op de versterking de agenda van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid; pleit voor zinvolle gendermainstreaming bij de formulering van het GVDB, met name via een beter genderevenwicht bij het personeel en de leiding van GVDB-missies en -operaties en door het ingezette personeel een specifieke opleiding te geven;

56.  roept op om Resolutie 2250 van de VN-Veiligheidsraad betreffende jongeren, vrede en veiligheid ten uitvoer te leggen en om in de conflictanalyses waarop de ondersteuning door de GVDB-missies en -operaties gestoeld is op zinvolle wijze rekening te houden met jongeren en hun vooruitzichten; vraagt om EU-maatregelen die jongeren meer mogelijkheden geven om op een zinvolle manier mee te helpen aan de instandhouding en bevordering van de vrede en veiligheid;

57.  vraagt de EU iets te doen aan de aanhoudende en toenemende bedreigingen voor de bescherming en het behoud van cultureel erfgoed en aan de smokkel van cultuurgoederen, met name in conflictgebieden; merkt op dat samenlevingen die van hun cultureel erfgoed en historische wortels worden beroofd, kwetsbaarder worden voor radicalisering en ontvankelijker worden voor wereldwijde jihadistische ideologieën; vraagt de EU een brede strategie te ontwikkelen om dergelijke bedreigingen tegen te gaan;

De veerkracht en de paraatheid van de Unie vergroten

58.  stelt met bezorgdheid vast dat sommige mondiale actoren en een toenemend aantal regionale actoren de op regels gebaseerde internationale orde, het multilateralisme en de waarden van duurzame vrede, welvaart en vrijheid, waarop de Europese Unie is gestoeld, opzettelijk omzeilen of proberen af te breken; merkt op dat de COVID-19-pandemie nieuwe mondiale kwetsbaarheden en spanningen aan het licht heeft gebracht en de bestaande heeft vergroot; benadrukt dat de pandemie de steun van het publiek heeft versterkt voor een Unie die minder afhankelijk is van de rest van de wereld, die beter beschermd is en die onafhankelijk kan optreden; dringt aan op een sterkere rol van de Europese Unie op het internationale toneel, evenals op meer Europese eenheid, solidariteit en veerkracht en een samenhangender buitenlands beleid met effectief multilateralisme als centraal element; is ingenomen met de conclusies van de Raad van juni 2020 waarin wordt gepleit voor een sterke Europese Unie die de vrede en veiligheid bevordert en haar burgers beschermt;

59.  onderstreept de belangrijke rol van de strijdkrachten tijdens de COVID-19-pandemie en is verheugd over de militaire bijstand voor civiele autoriteiten, met name bij het opzetten van veldhospitalen, het vervoer van patiënten en de levering en distributie van materieel; is van mening dat uit deze waardevolle bijdrage blijkt dat het van cruciaal belang is lering te trekken uit ervaringen, om de militaire middelen en vermogens van de lidstaten te versterken ter ondersteuning van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, een belangrijk instrument in noodgevallen en voor humanitaire hulpverlening; is voorts van mening dat het voor een doeltreffende aanpak van gezondheidscrises van essentieel belang is om het militair medisch personeel van de lidstaten voor te bereiden op een snelle deelname; herhaalt het belang van wederzijdse bijstand en solidariteit, overeenkomstig artikel 42, lid 7, VEU en artikel 222 VWEU;

60.  onderstreept het belang van militaire mobiliteit; acht het noodzakelijk om in heel Europa volledige militaire mobiliteit te bevorderen en te faciliteren en roept daarom op tot vereenvoudiging en harmonisatie van de procedures, teneinde de lidstaten in staat te stellen sneller te handelen, aangezien militaire mobiliteit het beheer van civiele crises ten goede komt; benadrukt dat het belangrijk is voldoende middelen uit te trekken voor projecten op het gebied van militaire mobiliteit; is ermee ingenomen dat het project voor militaire mobiliteit deel uitmaakt van PESCO; beklemtoont de noodzaak om Europese mechanismen in te stellen die erop gericht zijn het grensoverschrijdend gebruik van militaire logistieke vermogens te vergemakkelijken om het hoofd te bieden aan dergelijke noodsituaties, teneinde meer coördinatie, synergie, solidariteit en steun mogelijk te maken; dringt erop aan om tijdens pandemieën of soortgelijke crises vergelijkbare bijstand en solidariteit te bieden aan onder andere de partnerlanden in het onmiddellijke nabuurschap van de EU; benadrukt de noodzaak om de chemische, biologische, radiologische en nucleaire paraatheid van de EU en de daarvoor benodigde vermogens te vergroten; benadrukt de noodzaak om het toezicht op en de bescherming van vitale en kritische infrastructuur aan te scherpen, zeker wat de onderzeese glasvezelkabels voor internet betreft;

61.  acht het van belang dat de interne en externe aspecten van het EU-beleid beter aan elkaar worden gekoppeld, om ervoor te zorgen dat het beleid, waaronder het EU-energiebeleid, gericht is op het bereiken van gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsdoelen;

62.  acht het van essentieel belang dat alle zwakke punten van de Europese Unie worden beschermd om een doeltreffende gemeenschappelijke verdediging van de Europese burgers te waarborgen; neemt met bezorgdheid kennis van de toenemende militarisering van de Krim en de pogingen van de Russische Federatie om het Zwarte Zeegebied te destabiliseren, wat ertoe heeft geleid dat op de NAVO-top in Wales in 2014 de kwetsbaarheid van de oostelijke flank van het Noord-Atlantisch Bondgenootschap werd erkend; roept de EU op de kwetsbaarheid van de Oost-Europese lidstaten te erkennen als een middel om de Europese defensie te versterken, en samen met de NAVO een alomvattende strategie te ontwikkelen om de oostelijke flank veilig te stellen en te verdedigen;

Hybride bedreigingen proactief bestrijden en voorkomen

63.  is ingenomen met de reeks prioriteiten en richtsnoeren die is vastgesteld voor de samenwerking van de EU op het gebied van de bestrijding van hybride bedreigingen en de verhoging van de weerbaarheid ten aanzien van deze bedreigingen – waaronder de strijd tegen desinformatie, hybride oorlogsvoering, spionage, nepnieuws en propaganda – en het opzetten van een systeem voor snelle waarschuwing om de samenwerking met de G7 en de NAVO te bevorderen; verzoekt de EU en haar lidstaten om de beveiliging van haar informatie- en communicatiesystemen, met inbegrip van beveiligde communicatiekanalen, te ontwikkelen en te versterken; benadrukt dat het belangrijk en dringend noodzakelijk is dat de EU haar strategische communicatie en capaciteiten versterkt en er meer in investeert, met het oog op meer weerbaarheid om alle buitenlandse inmenging die haar democratische systeem, soevereiniteit en burgers bedreigt, aan te pakken en te ontmoedigen; onderstreept de belangrijke rol van de East StratCom Task Force, erkent het belangrijke werk dat is verricht in het kader van het “EUvsDisinfo”-project en vraagt om aanvullende budgettaire en politieke steun, zodat deze taskforce beter in staat is desinformatie tegen te gaan en voorlichting over de maatregelen en het beleid van de EU te geven;

64.  benadrukt dat de EU dringend een robuustere strategie moet ontwikkelen om agressieve en kwaadwillige desinformatiecampagnes van derde landen en niet-statelijke actoren tegen de EU op te sporen en er proactief op te reageren; wijst op de noodzaak om het mandaat van het team strategische communicatie van de EDEO te herzien om buitenlandse inmenging aan te pakken en factcheckers, onderzoekers, start-ups en maatschappelijke organisaties te betrekken; dringt erop aan voldoende personeel en middelen beschikbaar te stellen voor alle EU-diensten die zich bezighouden met buitenlandse inmenging en desinformatie, zodat zij pogingen tot inmenging in democratische EU-processen of EU-operaties in het buitenland beter kunnen signaleren, onderzoeken en tegengaan; onderstreept hoe belangrijk het is om met de partnerlanden, zeker de landen in het onmiddellijke nabuurschap van de EU, samen te werken en hen bij te staan bij hun inspanningen om kwaadwillende buitenlandse inmenging, in het bijzonder desinformatie en propaganda, aan te pakken en tegen te gaan, aangezien deze acties meestal bedoeld zijn om deze landen van het pad naar prodemocratische hervormingen te doen afdwalen en de Europese waarden en idealen aan te vallen;

65.  is ermee ingenomen dat de Raad een besluit heeft vastgesteld op grond waarvan de EU voor het eerst gerichte beperkende maatregelen kan opleggen als afschrikking tegen en reactie op cyberaanvallen die een externe bedreiging voor de EU of haar lidstaten vormen, met inbegrip van cyberaanvallen tegen derde landen of internationale organisaties, en om sancties op te leggen aan personen of entiteiten die verantwoordelijk zijn voor cyberaanvallen; benadrukt dat de visumbeperkingsregeling als onderdeel van het EU-sanctiemechanisme moet worden verbeterd door biometrische visumprocedures in te voeren, zodat degenen die zich aan hybride oorlogsvoering schuldig maken niet met een valse identiteit naar de EU kunnen reizen; benadrukt de dringende noodzaak om cyberaspecten verder te integreren in de crisisbeheersingssystemen van de EU; onderstreept dat nauwere samenwerking bij het voorkomen en bestrijden van cyberaanvallen in deze tijden van bijzondere kwetsbaarheid essentieel is om de internationale veiligheid en stabiliteit in de cyberruimte te bevorderen; is ingenomen met de goede vooruitgang die in dit opzicht door het PESCO-project voor snellereactieteams bij cyberincidenten is geboekt; roept op tot meer steun aan het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging (Enisa) en, in dit verband, tot sterke coördinatie met het Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence van de NAVO; roept op tot meer EU-coördinatie met betrekking tot de collectieve aansprakelijkheidsstelling voor kwaadwillige cyberincidenten, alsook tot nauwere samenwerking met gelijkgestemde internationale organisaties en landen; maakt zich in het bijzonder zorgen om de aanhoudende ontdekkingen van kleinschalige cyberaanvallen of inbraken in kritische infrastructuur die latent aanwezig zijn maar ingrijpende gevolgen kunnen hebben; dringt er bij de lidstaten op aan om op alle niveaus in hun kritische infrastructuur redundanties in te bouwen, zoals voor de stroomvoorziening of voor strategische communicatiemiddelen;

66.  erkent het toenemende belang van cyber- en geautomatiseerde inlichtingencapaciteiten en benadrukt dat deze een bedreiging vormen voor alle lidstaten en EU-instellingen; spoort alle EU-instellingen en lidstaten aan om hun cyber- en geautomatiseerde technologieën te blijven verbeteren en moedigt bovendien samenwerking op het gebied van deze technologische ontwikkelingen aan;

67.  wijst op het belang van de verwezenlijking van kwantumcomputingcapaciteit en onderstreept dat het nodig is om de samenwerking tussen de EU en de VS op dit gebied te versterken, teneinde ervoor te zorgen dat kwantumcomputing eerst wordt gerealiseerd door partners die hechte onderlinge banden hebben en dezelfde doelstellingen nastreven;

68.  wijst op het toenemende belang van beveiliging in de ruimte en satellieten; onderstreept het belang van het Satellietcentrum van de Europese Unie en draagt het agentschap op de beveiliging en kwetsbaarheid van de satellieten van de EU en de lidstaten ten aanzien van ruimteschroot, cyberaanvallen en rechtstreekse raketaanvallen te analyseren en daarover een verslag op te stellen;

De Unie de middelen geven om het GVDB uit te voeren

69.  benadrukt dat voldoende financiële, personele en andere middelen essentieel zijn om ervoor te zorgen dat de Unie de kracht en het vermogen heeft om de vrede en veiligheid binnen haar grenzen en in de wereld te bevorderen; verzoekt de lidstaten de politieke wil te tonen om te voldoen aan de Europese ambities op defensiegebied en hun verplichtingen na te komen;

70.  betreurt het gebrek aan ambitie van de Europese Raad in het meerjarig financieel kader (MFK) voor initiatieven op het gebied van veiligheid en defensie; dringt er bij de Commissie op aan om een ambitieus strategisch werkprogramma voor het Europees Defensiefonds voor te leggen en uit te voeren (zowel voor onderzoeks- als andere doeleinden), dat kan worden gebruikt om het gezamenlijk optreden en de grensoverschrijdende samenwerking in de hele Unie te versterken, alsook voor militaire mobiliteit, teneinde de lidstaten te helpen om sneller en doeltreffender op te treden, onder meer door vervoersinfrastructuur voor tweeledig gebruik te financieren en diplomatieke toestemmingen en douaneregels te vereenvoudigen; verzoekt de EU haar eigen defensiesysteem met ballistische raketten te bouwen, evenals een geïntegreerd en gelaagd strategisch luchtdefensiesysteem dat ook hypersone raketten kan afweren; herinnert eraan dat de Europese burgers er duidelijk en consequent op hebben aangedrongen dat de Unie haar rol bij de totstandbrenging van duurzame stabiliteit en veiligheid versterkt, en dat dit alleen kan worden bereikt met de nodige financiële middelen en een ambitieus MFK op het gebied van extern optreden en defensie;

71.  waarschuwt voor het gevaar van een gebrek aan ambitie om Europese defensie-initiatieven in het MFK te financieren, in combinatie met aanzienlijke en ongecoördineerde bezuinigingen op de nationale defensiebegrotingen als gevolg van de COVID-19-crisis; benadrukt dat de lidstaten de nodige financiële middelen op nationaal niveau moeten toewijzen om de Unie in staat te stellen een mondiale speler op het gebied van vrede te zijn; deelt in dit verband het oordeel van de Europese Rekenkamer dat “de EU-lidstaten [...] bij lange na niet [beschikken] over de militaire vermogens die vereist zijn om aan het geambieerde militaire niveau van de Unie te voldoen”;

72.  herinnert eraan dat de gemeenschappelijke Europese defensieprojecten en -initiatieven weliswaar een belangrijke rol spelen bij het aanpakken van de tekortkomingen met betrekking tot O&O op het gebied van defensie, het bundelen van middelen en het coördineren van inspanningen, maar dat het grootste deel van de voor GVDB-missies gebruikte defensiemiddelen nog steeds van de lidstaten komt en uit de nationale defensiebegrotingen wordt betaald;

73.  roept de lidstaten met klem op zich te houden aan hun formele toezeggingen binnen de Raad en hun verantwoordelijkheid te nemen voor hun besluiten in de Raad om civiele en militaire missies uit te voeren, door de Unie te voorzien van het nodige personeel en de nodige vermogens om de doelstellingen waarover zij unaniem overeenstemming hebben bereikt, te verwezenlijken en zo hun belofte om de Europese Unie veiliger te maken in te lossen;

74.  wijst op de waarde van internationale deelname aan GVDB-missies en -operaties ter versterking van de Europese vermogens en vraagt om een betere uitvoering van de bestaande kaderovereenkomsten inzake deelname die de collectieve aard van de bijdragen aan vrede en veiligheid bevorderen;

75.  wijst op het belangrijke werk dat het Satellietcentrum van de Europese Unie heeft verricht en benadrukt dat de Unie over voldoende middelen moet beschikken op het gebied van ruimtebeelden en informatievergaring; benadrukt dat het Satellietcentrum structurele financiering van de Unie moet krijgen om aan het optreden van de Unie te kunnen blijven bijdragen, met name om GVDB-missies en -operaties te ondersteunen met satellietbeelden in een hoge resolutie;

Een ambitieuze EU-agenda voor mondiale wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening opstellen

76.  is verontrust over de huidige bedreigingen voor de internationale waarden en de rechtsstaat en de mogelijke verdere erosie van de mondiale non-proliferatie- en ontwapeningsarchitectuur; vreest dat niet-naleving van, terugtrekking uit of niet-uitbreiding van belangrijke wapenbeheersingsverdragen ernstige schade zou toebrengen aan de internationale wapenbeheersingsregelingen die decennialang voor stabiliteit hebben gezorgd, de betrekkingen tussen kernmogendheden zou ondermijnen, en een rechtstreekse bedreiging zou zijn voor de Europese veiligheid, met name wat betreft het ontbreken van normen om tactische kernwapens en kernwapens voor korte en middellange afstand te reguleren en aan banden te leggen, en tot een kernwapenwedloop zou kunnen leiden; onderstreept dat het dringend noodzakelijk is het grensoverschrijdende vertrouwen te herstellen;

77.  stelt met bezorgdheid vast dat gevaarlijke retoriek met betrekking tot het nut van kernwapens wordt genormaliseerd; bevestigt opnieuw dat de internationale vrede en veiligheid worden versterkt in een wereld waar geen kernwapens bestaan of worden verspreid, en dat ontwapening niet alleen betekent dat het aantal actieve kernkoppen vermindert, maar ook dat de militaire en politieke rol van dit soort wapens kleiner wordt;

78.  bevestigt opnieuw zijn volledige steun voor de verbintenis van de EU en haar lidstaten ten aanzien van het NPV als de hoeksteen van de regeling voor nucleaire non-proliferatie en ontwapening; herhaalt zijn oproep aan de EU om voorafgaand aan de tiende NPV-toetsingsconferentie een sterk gemeenschappelijk standpunt in te nemen en erop aan te dringen dat er tijdens de conferentie concrete en doeltreffende maatregelen worden aangenomen die een sleutelelement zouden vormen voor het behoud van de strategische stabiliteit en het voorkomen van een nieuwe wapenwedloop;

79.  herhaalt zijn diepe teleurstelling over de terugtrekking van de VS en de Russische Federatie uit het Verdrag ter vernietiging van de kernwapens voor de middellange en de korte afstand (INF-verdrag); wijst op de verantwoordelijkheid van Rusland voor het ter ziele gaan van het INF-verdrag, aangezien het land het voortdurend niet heeft nageleefd; betreurt dat het uiteenvallen van het verdrag zou kunnen leiden tot een escalatie van de spanningen en tot verhoogde nucleaire en militaire dreigingen en risico’s, en het de toekomst van wapenbeheersingsregelingen in gevaar zou kunnen brengen; onderstreept dat het Parlement sterk gekant is tegen een nieuwe wapenwedloop tussen de VS en de Russische Federatie, met alle mogelijke gevolgen van dien voor Europa, en dat het gekant is tegen remilitarisering op Europees grondgebied; spoort de Raad en de VV/HV aan een door de EU geleid initiatief te lanceren om erop aan te dringen dat het INF-verdrag wordt omgezet in een multilateraal verdrag;

80.  wijst erop dat doeltreffende internationale regelingen inzake wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie een hoeksteen vormen van de mondiale en Europese veiligheid en stabiliteit;

81.  spoort de VS en de Russische Federatie aan verdere vooruitgang te boeken bij de onderhandelingen over de verlenging van het New START-verdrag, dat in februari 2021 afloopt; is van mening dat een verlenging van het verdrag beide ondertekenaars extra tijd zou geven om de onderhandelingen voort te zetten met het oog op het bereiken van overeenstemming over een nieuw instrument voor wapenbeheersing; dringt erop aan dat ook andere staten, in het bijzonder China, onmiddellijk bij bestaande verdragen (zoals New START, INF en het Verdrag inzake het open luchtruim) of bij toekomstige onderhandelingen over instrumenten voor kernwapenbeheersing worden betrokken;

82.  betreurt dat Rusland zich selectief van zijn verplichtingen in het kader van het Verdrag inzake het open luchtruim kwijt; betreurt ten zeerste het besluit van de VS om zich terug te trekken uit het Verdrag inzake het open luchtruim, een belangrijk instrument voor wapenbeheersing dat heeft bijgedragen tot het opbouwen van vertrouwen en kleinere staten het waardevolle vermogen heeft verschaft om de militaire activiteiten van hun buurlanden te controleren en te verifiëren; roept de overige ondertekenaars op om door te gaan met de tenuitvoerlegging van het verdrag en ervoor te zorgen dat het functioneel en nuttig blijft; roept de VS op om terug te komen op hun besluit om zich uit het Verdrag inzake het open luchtruim terug te trekken;

83.  is verheugd over de financiële bijdrage van de EU aan de projecten en activiteiten van de Organisatie voor het verbod op chemische wapens (OPCW); is verheugd over de goedkeuring door de Raad van een horizontale sanctieregeling ter bestrijding van het toenemende gebruik en de toenemende verspreiding van chemische wapens; veroordeelt het recente gebruik van chemische wapens en is van mening dat het gebrek aan verantwoording voor dergelijke incidenten de internationale norm tegen chemische wapens ondermijnt; roept de EU op om het initiatief te nemen om de straffeloosheid bij het gebruik van chemische wapens aan te pakken en om na te denken over hoe de OPCW kan worden versterkt, teneinde te zorgen voor een snelle en nauwkeurige aansprakelijkheidsstelling en doeltreffende reactiemechanismen; verzoekt de EU verder te gaan met haar inspanningen om de verspreiding en het gebruik van chemische wapens te bestrijden en het mondiale verbod op chemische wapens, zoals vastgesteld in het Verdrag inzake chemische wapens (CWC), te steunen;

84.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de poging tot moord op de prominente Russische oppositieleider Aleksej Navalny, waarbij gebruik werd gemaakt van een verboden zenuwgas dat op grond van het CWC wordt beschouwd als het gebruik van een chemisch wapen en als zodanig een ernstige schending van de internationale normen vormt; roept op tot een onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze gebeurtenissen; is verheugd over de beslissing van de Raad om sancties op te leggen om alle verantwoordelijken voor de vergiftiging ter verantwoording te roepen;

85.  verzoekt de VV/HV voorstellen te doen om de beschikbare expertise op het gebied van non-proliferatie en wapenbeheersing in de EU te versterken en ervoor te zorgen dat de EU een sterke en constructieve rol speelt bij de ontwikkeling en versterking van de mondiale op regels gebaseerde non-proliferatie-inspanningen en de architectuur voor wapenbeheersing en ontwapening; is in dit verband ingenomen met de benoeming van een nieuwe speciaal gezant voor ontwapening en non-proliferatie; beseft dat er dringend nieuwe internationale overeenkomsten op het gebied van wapenbeheersing nodig zijn; stelt dat de ontwikkeling van hypersone raketten in de context van nucleaire afschrikking de beginselen van wederzijds verzekerde vernietiging kan ondermijnen en roept de EU daarom op het initiatief te nemen voor een internationaal wapenbeheersingsverdrag inzake het gebruik, het bereik, de snelheid, de rechtsgrondslag en de inspectie van nucleaire nuttige ladingen en de plaatsing van hypersone wapensystemen langs de kust;

86.  betuigt nogmaals zijn volledige inzet voor het behoud van doeltreffende internationale regelingen voor wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie als hoekstenen van de veiligheid in Europa en de wereld; benadrukt zijn volledige steun aan het werk van het Bureau van de Verenigde Naties voor ontwapeningszaken en aan de VN-agenda voor ontwapening; wijst nogmaals op zijn inzet voor beleid dat gericht is op de verdere beperking van alle kernwapenarsenalen;

87.  is ingenomen met de conclusies van de Raad over de evaluatie van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(13); is stellig van mening dat, aangezien de EU steeds ambitieuzer wordt op het gebied van defensie, er behoefte is aan meer convergentie, transparantie en consistentie in het wapenexportbeleid van de lidstaten, evenals aan aangescherpt openbaar toezicht; roept de lidstaten op om hun verschillende interpretatie van het gemeenschappelijk standpunt te overbruggen en de acht criteria erin volledig na te leven, en met name criterium 4 inzake regionale stabiliteit strikt uit te voeren, alsook om de uitvoer van militair materieel dat tegen andere lidstaten kan worden gebruikt een halt toe te roepen; is verheugd over de inspanningen die zijn geleverd om de transparantie en het publieke en parlementaire toezicht op de wapenuitvoer te vergroten; dringt aan op gezamenlijke inspanningen om de risicobeoordelingen, de controles van de eindgebruikers en de verificaties na verzending te verbeteren;

88.  dringt er bij de lidstaten op aan de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer na te leven; herhaalt dat alle lidstaten de regels die zijn neergelegd in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad strikt moeten toepassen; herinnert eraan dat de lidstaten zich hebben verbonden tot krachtige nationale standpunten over hun beleid inzake wapenuitvoer naar Turkije op basis van het bepaalde in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, inclusief de strikte toepassing van criterium 4 inzake regionale stabiliteit; herhaalt zijn oproepen aan de VV/HV om in de Raad een initiatief te lanceren om ervoor te zorgen dat alle lidstaten in overeenstemming met het gemeenschappelijk standpunt de uitvoer van alle soorten militair materieel, waaronder wapens, uitrusting voor tweeërlei gebruik en deskundigheid, naar Turkije een halt toeroepen zolang Turkije doorgaat met zijn huidige illegale, unilaterale acties in het oostelijke Middellandse Zeegebied, die indruisen tegen de soevereiniteit van de lidstaten (in het bijzonder Griekenland en Cyprus) en het internationaal recht, en zolang het land geen op het internationaal recht gebaseerde dialoog aangaat;

89.  is verheugd over de activiteiten van de EU ter ondersteuning van de universalisering van het Wapenhandelsverdrag en roept alle belangrijke wapenexporterende landen op het verdrag zo spoedig mogelijk te ondertekenen en te ratificeren;

90.  merkt op dat technologische ontwikkelingen op het gebied van AI nieuwe ethische uitdagingen met zich meebrengen; verzoekt de EU het voortouw te nemen bij de wereldwijde inspanningen om een alomvattend regelgevingskader op te zetten om bij de ontwikkeling en het gebruik van op AI gebaseerde wapens te zorgen voor zinvolle menselijke controle over de kritieke functies, namelijk het selecteren en aanvallen van doelwitten; verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Europese Raad een gemeenschappelijk standpunt inzake autonome wapensystemen vast te stellen, met waarborgen betreffende zinvolle menselijke controle over de kritieke functies van wapensystemen; dringt aan op de start van internationale onderhandelingen over een gemeenschappelijke definitie en een kader inzake het gebruik van wapens met een zekere mate van autonomie, en roept op tot de aanneming van een juridisch bindend instrument dat dodelijke autonome wapens zonder zinvolle menselijke controle verbiedt;

91.  verzoekt de EU het voortouw te nemen bij wereldwijde inspanningen om een alomvattend en doeltreffend internationaal wapenbeheersingssysteem voor de proliferatie van rakkettechnologieën en technologieën voor onbemande bewapende voertuigen op te zetten;

Zorgen voor democratisch toezicht, legitimiteit en inclusieve betrokkenheid

92.  onderstreept dat het Parlement alle defensieaangelegenheden op consistente wijze moet aanpakken; dringt erop aan dat het mandaat van de Subcommissie veiligheid en defensie opnieuw wordt geëvalueerd en wordt uitgebreid in het licht van het toenemende aantal defensie-initiatieven op EU-niveau en de oprichting van het DG DEFIS van de Commissie;

93.  is ingenomen met de regelmatige gedachtewisselingen met de VV/HV over kwesties in verband met het GVDB en verzoekt de VV/HV ervoor te zorgen dat de standpunten van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen; benadrukt dat moet worden gezorgd voor regelmatige briefings van speciale vertegenwoordigers van de EU, speciale gezanten en commandanten van missies en operaties; is van mening dat het Europees Parlement vooraf moet worden geraadpleegd over de strategische planning van GVDB-missies, de wijzigingen van de mandaten ervan en de plannen om deze missies te beëindigen; dringt aan op een alomvattende uitvoering van artikel 36 VEU;

94.  benadrukt de noodzaak om op het gebied van GVDB-aangelegenheden nauwer samen te werken met de nationale parlementen om te zorgen voor een grotere verantwoordingsplicht, transparantie en controle;

95.  herhaalt dat het van belang is de instrumenten waarover het maatschappelijk middenveld beschikt, te verbeteren om ervoor te zorgen dat het op zinvolle wijze en in hoge mate wordt betrokken bij de formulering van het defensiebeleid en dat het effectief toezicht houdt op dat beleid;

o
o   o

96.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de NAVO, de EU-agentschappen op het gebied van veiligheid en defensie, en de nationale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 129 I van 17.5.2019, blz. 13.
(2) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 50.
(3) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 36.
(4) PB C 388 van 13.11.2020, blz. 91.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0008.
(6) PB C 28 van 27.1.2020, blz. 49.
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0224.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0130.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0430.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0330.
(11) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 86.
(12) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0206.
(13) PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.


Mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie op dit gebied - jaarverslag 2019
PDF 241kWORD 82k
Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2021 over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie op dit gebied – jaarverslag 2019 (2020/2208(INI))
P9_TA(2021)0014A9-0259/2020

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de VN,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna “Handvest van de grondrechten” genoemd),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten, en met name de beginselen 2, 3, 11 en 17,

–  gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 17 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de op 28 juni 2016 gepresenteerde integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie,

–  gezien de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) van de VN en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en de Algemene Opmerkingen van het Mensenrechtencomité,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) alsmede de Algemene Opmerkingen van het VN-comité inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en algemene aanbevelingen van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen van de VN,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (VRK) van 20 november 1989, en de op 25 mei 2000 aangenomen twee facultatieve protocollen daarbij,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van 30 maart 2007,

–  gezien de politieke verklaring van de Algemene Vergadering van de VN over hiv en aids: “On the Fast Track to Accelerating the Fight against HIV and to Ending the AIDS Epidemic by 2030”, die op 8 juni 2016 is aangenomen,

–  gezien de op 18 december 1992 aangenomen VN-verklaring over de rechten van personen die behoren tot nationale, etnische, godsdienstige en taalkundige minderheden,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 22 december 2018 over een wereldwijde oproep tot concrete actie voor de volledige uitbanning van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante onverdraagzaamheid en de alomvattende uitvoering en follow-up van de Verklaring en het actieprogramma van Durban,

–  gezien het op 28 mei 2019 aangenomen besluit van de Algemene Vergadering van de VN, waarin 22 augustus werd uitgeroepen tot Internationale Dag ter herdenking van de slachtoffers van geweld op grond van godsdienst of overtuiging,

–  gezien Resolutie 2467 van de VN-Veiligheidsraad van 29 april 2019 over conflictgerelateerd seksueel geweld,

–  gezien Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid en de strategische aanpak van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid 2019-2024 (WPS),

–  gezien het Spotlight-initiatief van de EU en de VN inzake het uitbannen van geweld tegen vrouwen en meisjes,

–  gezien het Actieprogramma van Peking, het actieprogramma van de Internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling, en de resultaten van de bijbehorende toetsingsconferenties,

–  gezien Verdrag nr. 190 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van 21 juni 2019 over geweld en intimidatie,

–  gezien de eeuwfeestverklaring van de IAO van 21 juni 2019 over de toekomst van werk,

–  gezien het memorandum van overeenstemming van 16 augustus 2019 over samenwerking tussen het Milieuprogramma van de VN en het VN-Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten,

–  gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, dat op 5 november 1992 is vastgesteld,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“het Verdrag van Istanbul”) van 11 mei 2011, dat niet door alle lidstaten is geratificeerd,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019 van 28 april 2015, getiteld “De mensenrechten in de EU centraal blijven stellen” (JOIN(2015)0016), dat op 20 juli 2015 door de Raad is aangenomen, en gezien de tussentijdse evaluatie van het actieplan in juni 2017 (SWD(2017)0254),

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024, dat op 17 november 2020 door de Raad is aangenomen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 februari 2019 over de prioriteiten van de EU in de mensenrechtenfora van de VN in 2019,

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juni 2019 over het EU-optreden ter versterking van een op regels gebaseerd multilateralisme,

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 juli 2019 over de prioriteiten van de EU bij de VN en na afloop van de 74e zitting van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 over democratie,

–  gezien de EU-richtsnoeren voor de bevordering en de bescherming van het genot van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI), die op 24 juni 2013 zijn vastgesteld,

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, die op 24 juni 2013 zijn vastgesteld,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, die op 12 april 2013 door de Raad zijn geactualiseerd, de EU-richtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad zijn vastgesteld, en de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers, die op 14 juni 2004 door de Raad zijn vastgesteld,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake non-discriminatie in het extern optreden, die op 18 maart 2019 door de Raad zijn aangenomen,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, die op 17 juni 2019 door de Raad zijn aangenomen,

–  gezien de in 2019 herziene EU-richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, die op 16 september 2019 door de Raad zijn aangenomen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2020 met als titel “Mededeling 2020 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU” (COM(2020)0660) en gezien de geopolitieke agenda van de EU-zittingsperiode 2019-2024,

–  gezien het verslag van de Commissie uit juni 2020 getiteld “Legal gender recognition in the EU – The journey of trans people towards full equality”,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie van 25 november 2020, getiteld “EU-Genderactieplan (GAP) III – Een ambitieuze agenda inzake gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen in het externe optreden van de EU” (JOIN(2020)0017) en de conclusies van het voorzitterschap van de Raad van 16 december 2020 over GAP III,

–  gezien de tweede LGBTI-enquête van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van 14 mei 2020 met als titel “A long way to go for LGBTI equality”,

–  gezien de beslissing van de Ombudsman van de EU van 30 juli 2020 over de rol van de speciale gezant van de EU voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de Europese Unie,

–  gezien de verslagen van de speciale gezant van de EU voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de EU alsmede de verslagen van de interfractiewerkgroep van het Europees Parlement inzake de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging en religieuze verdraagzaamheid,

–  gezien het jaarverslag 2019 van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2017 over corruptie en het effect op de mensenrechten in derde landen(1),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2018 over de schending van de rechten van inheemse volkeren, inclusief landroof(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2019 over de EU-richtsnoeren en het mandaat van de speciale gezant van de EU voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de Europese Unie(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over het jaarverslag 2018 over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake – Jaarverslag 2018(4), en zijn eerdere resoluties over voorgaande jaarverslagen,

–  gezien al zijn in 2019 aangenomen resoluties over mensenrechtenschendingen, de democratie en de rechtsstaat (ook wel spoedresoluties genoemd), overeenkomstig artikel 144 van zijn Reglement,

–  gezien zijn Sacharovprijs voor de vrijheid van denken, die in 2019 werd uitgereikt aan Ilham Tohti, een Oeigoerse mensenrechtenverdediger, professor economie, pleitbezorger van de rechten van de Oeigoerse minderheid in China, en politiek gevangene,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0259/2020),

A.  overwegende dat in 2019 de tiende verjaardag van het Handvest van de grondrechten werd gevierd, hetgeen de Unie opnieuw heeft herinnerd aan de door haarzelf geuite wens en verplichting uit hoofde van het Verdrag om kordate maatregelen te nemen ter bescherming, bevordering en naleving van de mensenrechten, zowel binnen als buiten haar grenzen; overwegende dat de EU bij deze gelegenheid heeft bevestigd vastbesloten te zijn om een invloedrijke speler op het wereldtoneel te blijven en een voortrekkersrol te blijven spelen als mondiale verdediger van de democratie en de mensenrechten;

B.  overwegende dat gendergelijkheid een kernwaarde van de EU is en dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat is verankerd in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten en overwegende dat gendermainstreaming daarom als horizontaal beginsel moet worden toegepast en geïntegreerd in alle activiteiten en beleidsmaatregelen van de EU;

C.  overwegende dat christenen de meest vervolgde religieuze groepering ter wereld zijn, met 80 % van alle vervolgde gelovigen wereldwijd; overwegende dat dergelijke vervolging varieert van stelselmatige discriminatie in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en in het maatschappelijk leven, tot beperking van alle uitdrukkingsvormen en zelfs fysieke aanvallen op christelijke gemeenschappen, die erg dicht in de buurt komen van de internationale definitie van genocide zoals door de VN vastgesteld;

D.  overwegende dat in de verklaring en het actieprogramma van Peking van 1995 nu al 25 jaar wordt gewezen op het belang van gelijke rechten en kansen voor vrouwen, alsook op gelijke deelname van vrouwen in de besluitvormings- en democratische processen ten behoeve van de consolidatie van de democratie;

E.  overwegende dat het gebrek aan vrouwen binnen de ontwikkeling van artificiële intelligentie (AI) het risico van vertekening vergroot; overwegende dat wetenschappelijk onderwijs belangrijk is om vaardigheden op te doen en fatsoenlijk werk en banen van de toekomst te vinden, alsook om de genderstereotypen waarbij dergelijk werk als typisch mannelijk wordt beschouwd, te doorbreken om vrouwen in staat te stellen hun mensenrechten volledig te genieten;

F.  overwegende dat het VRK in november 2019 30 jaar bestond, en dat de EU bij de viering daarvan heeft benadrukt dat zij vastbesloten is een alomvattende strategie inzake kinderrechten en ouderlijke rechten te ontwikkelen en deze centraal te stellen in het EU-beleid; overwegende dat het Parlement op 20 november 2019 een conferentie heeft georganiseerd over een reeks onderwerpen, zoals de uitdagingen voor de bescherming van de rechten van het kind in een voortdurend veranderende digitale wereld, in het bijzonder met betrekking tot een verbod op de toegang tot kinderpornografie, pesterijen en geweld, het wegnemen van belemmeringen voor de volledige uitoefening van kinderrechten en het aanpakken van de veranderende aard van gewapende conflicten en de gevolgen daarvan voor de toekomst van kinderen, waaronder de gevolgen van deze conflicten voor hun ontwikkeling, onderwijs en latere leven, waarbij is meegenomen wat kinderen daarover te zeggen hadden bij deze discussie;

G.  overwegende dat alles wat met de eerbiediging van de mensenrechten te maken heeft langetermijngevolgen ondervindt van de crisis die door de wereldwijde COVID-19-pandemie werd teweeggebracht, de manier waarop landen hierop hebben gereageerd, de toenemende ongelijkheid en de moeilijkheden die de pandemie heeft veroorzaakt, in het bijzonder voor de meest kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, evenals voor vrouwen, en het effect ervan op internationale betrekkingen, de op regels gebaseerde internationale orde en conflicten;

H.  overwegende, bij wijze van illustratie, dat de crisis als gevolg van de pandemie de meeste landen ertoe heeft gebracht noodmaatregelen te nemen, waardoor de vrijheid om bepaalde mensenrechten te genieten in veel gevallen werd ingeperkt, in het bijzonder vrijheid van verkeer en van vergadering, of landen ertoe heeft aangezet nieuwe surveillancemiddelen in het leven te roepen om de overdracht van het COVID-19-virus te voorkomen; overwegende dat er terecht vragen zijn gerezen over de noodzaak, de wettigheid, de evenredigheid, de niet-discriminerende aard, de duur en de gevolgen van de maatregelen, vanuit een bezorgdheid over de bescherming van de fundamentele vrijheden op korte en langere termijn; overwegende dat de pandemie ook gepaard is gegaan met verdere negatieve trends die de democratie ondermijnen en de bewegingsruimte voor het maatschappelijk middenveld in bepaalde landen inperken;

I.  overwegende dat de wereldwijde recessie als gevolg van de pandemie regeringen ertoe kan aanzetten voorrang te geven aan het stimuleren van economische activiteit en het aantrekken van investeringen; benadrukt dat dit niet mag gebeuren ten koste van hun ambitie op het gebied van politieke doelstellingen en normen op andere gebieden, zoals de bescherming van de mensenrechten, klimaatactie en de bestrijding van armoede, met name die bij kinderen en het gezin waartoe zij behoren;

J.  overwegende dat de wereldwijde opkomst van autoritaire en populistische bewegingen een bedreiging vormt voor de waarden en beginselen waarop de Unie is gegrondvest;

K.  overwegende dat illiberale regimes zich in toenemende mate afwenden van het pad van volwassen democratieën en westerse democratische normen, en zich ingraven in posities die leiden tot voortdurende en bewuste schendingen van de mensenrechten; overwegende dat deze illiberale regimes de grondrechten en vrijheden aan banden leggen en daarmee de schijn wekken over een electoraal draagvlak te beschikken tijdens verkiezingen die niet kunnen worden beschouwd als vrij, eerlijk of transparant;

L.  overwegende dat ecologische noodsituaties, waaronder klimaatverandering en ontbossing, het gevolg zijn van menselijk handelen en niet alleen leiden tot mensenrechtenschendingen jegens de direct betrokkenen maar ook jegens de mensheid als geheel; overwegende dat het belangrijk is het verband tussen mensenrechten en milieubescherming te onderkennen; overwegende dat het waarborgen van de toegang tot water essentieel is om in bepaalde regio’s spanningen te voorkomen;

M.  overwegende dat een betere samenhang tussen het binnenlands en buitenlands beleid van de EU, evenals tussen de verschillende aspecten van haar buitenlands beleid, een absolute vereiste is voor een succesvol en doeltreffend mensenrechtenbeleid van de EU; overwegende dat beleid ter ondersteuning van de mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en de strijd tegen straffeloosheid moet worden geïntegreerd in al het andere beleid van de EU met een externe dimensie, zoals ontwikkeling, migratie, veiligheid, terrorismebestrijding, vrouwenrechten en gendergelijkheid, uitbreiding en handel; overwegende dat een grotere samenhang de EU in staat moet stellen sneller te reageren in de beginfase van mensenrechtenschendingen en zich actiever en geloofwaardiger als mondiale actor op het gebied van de mensenrechten op te werpen;

N.  overwegende dat volledige eerbiediging van de mensenrechten en de Europese normen in de partnerlanden en buurlanden van de EU, onder meer ten aanzien van de beheersing van de vluchtelingencrisis en de aanpak van de migratie, een van de topprioriteiten van de Europese Unie vormt; overwegende dat de mensenrechtensituatie, als gevolg van de COVID-19-pandemie, reden tot zorg is in de buurlanden, die in dit verband passende maatregelen moeten treffen en moeten samenwerken met hun maatschappelijke organisaties, die ook pro-Europese en democratisch gezinde leden hebben;

O.  overwegende dat steeds meer landen, vooral in Azië, het Midden-Oosten, Afrika en Latijns-Amerika, gebruikmaakten van reisverboden om te verhinderen dat mensenrechtenverdedigers internationale evenementen bijwonen;

Mensenrechten en democratie: algemene tendensen en voornaamste uitdagingen

1.  is ingenomen met de reacties op de COVID-19-pandemie van de staten die het recht op leven en gezondheid op de eerste plaats hebben gezet; beklemtoont dat het tegelijkertijd van cruciaal belang is dat mensen een toereikende levensstandaard hebben; benadrukt dat alle maatregelen in verband met de pandemie moeten stoelen op de mensenrechten en de beginselen van non-discriminatie en deze moeten naleven, en dat zij de voortgang in het kader van de SDG’s moeten waarborgen;

2.  beklemtoont dat de mensenrechten ten volle moeten worden geëerbiedigd en het beginsel dat de mensenrechten universeel, onvervreemdbaar, ondeelbaar en onderling afhankelijk zijn, volledig moet worden nageleefd, en veroordeelt pogingen tot relativering ervan;

3.  drukt zijn ernstige bezorgdheid uit over de verslechtering van de normen op het gebied van democratie en mensenrechten alsook met betrekking tot het genot van de fundamentele vrijheden die de crisis in sommige landen heeft veroorzaakt; is van mening dat deze terugval voornamelijk het gevolg is van de toename van het autoritarisme alsmede de verwoestende economische en sociale gevolgen van de crisis, en het gebruik van de crisis als voorwendsel om overheidsinstellingen en verkiezingstijdschema’s te manipuleren, de activiteiten van mensenrechtenverdedigers die zich inzetten voor minderheden, politieke tegenstanders en vertegenwoordigers van de media of het maatschappelijk middenveld te onderdrukken, alsmede de fundamentele vrijheden en mensenrechten, onder meer de rechten van personen of groepen die aan discriminatie worden blootgesteld, zoals religieuze en filosofische minderheden, en LGBTI-personen, te beperken voor doeleinden die geen verband houden met de pandemie; benadrukt in dat kader ook de toename van haatzaaiende uitlatingen, naar aanleiding van ras, etniciteit, godsdienst of kaste, en desinformatie, het tot zondebok maken van kwetsbare groepen die van de verspreiding van het virus worden beschuldigd, en de toename van huiselijk en gendergerelateerd geweld en van genderongelijkheid; uit zijn bezorgdheid over gevallen van discriminatie bij de verdeling van steun in het kader van de COVID-19-pandemie; veroordeelt de weigering van steun in eender welk geval, onder meer op basis van het geloof; wijst in deze context ook bezorgd op het gebruik, in strijd met de mensenrechten, van digitale technologieën die erop gericht zijn de pandemie in te dammen door burgers te traceren en hun persoonlijke gegevens op te vragen;

4.  bevestigt dat landen de COVID-19-pandemie niet mogen aangrijpen om hun autoritaire macht te versterken, de democratie en de rechtsstaat te verzwakken, of de mensenrechten met voeten te treden; maakt zich ernstig zorgen over de verregaande maatregelen die door autoritaire regimes zijn genomen met de bedoeling afwijkende meningen te onderdrukken en de bewegingsruimte voor het maatschappelijk middenveld te beperken; wijst op het belang van het maatschappelijk middenveld en dat het bestaan ervan flexibele, tijdige en doeltreffende reacties mogelijk maakt jegens regimes die het internationaal recht, de mensenrechten en democratische beginselen schenden; maakt zich zorgen over het feit dat maatregelen in verband met COVID-19 vaak niet gepaard gaan met duidelijke verplichtingen om deze in te trekken zodra de crisis is bezworen;

5.  herinnert eraan dat universele toegang tot gezondheidszorg een mensenrecht is en steunt elke vooruitgang op het gebied van universele gezondheidszorg als een essentiële stap voor duurzame ontwikkeling; is ingenomen met de wereldwijde respons van de Europese Unie op de COVID-19-pandemie op basis van de aanpak van Team Europa, die zich richt op het uiten van solidariteit en het verlenen van concrete bijstand aan partners, met name de meest kwetsbare en de zwaarst getroffen landen;

6.  wijst met bezorgdheid op de tekortkomingen in de gezondheidszorg van veel landen, waardoor het recht op lichamelijke en geestelijke gezondheid en herstel van mensen wordt ondermijnd, en wijst tevens op de tekortkomingen op het gebied van preventieve maatregelen om besmettingen te voorkomen, van maatregelen in verband met de watervoorziening en een sanitaire maatregelen, tekortkomingen op het gebied van informatie, en van non-discriminatie inzake toegang en rechten; is ingenomen met de mededeling van de Commissie dat de vaccins tegen COVID-19 algemeen beschikbaar zouden moeten komen en dat de EU zich hiertoe tot het uiterste zal inzetten;

7.  herinnert er in dit kader aan dat landen er bij de aanpak van de COVID-19-pandemie op toe moeten zien dat hun reacties een genderbewuste en intersectionele benadering omvatten teneinde de rechten van alle vrouwen en meisjes te waarborgen om te leven zonder te hoeven vrezen voor discriminatie en geweld, en ervoor te zorgen dat zij toegang hebben tot de essentiële diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid die zij nodig hebben;

8.  wijst erop dat de pandemie tevens heeft geleid tot een afname van de monitoring en de verzameling van bewijsmateriaal over mensenrechtenschendingen wereldwijd; steunt de internationale maatregelen om uiteenlopende nationale benaderingen van de pandemie te evalueren voor wat betreft de beperking van de politieke, sociale en economische vrijheden, alsook de inspanningen voor het scheppen van een gemeenschappelijk op mensenrechten gebaseerd kader dat de basis moet vormen van de respons op toekomstige gezondheidscrises; is in dit verband ingenomen met de ontwikkeling van de Global Monitor door de Commissie en het Internationaal Instituut voor democratie en verkiezingsondersteuning (IDEA);

9.  veroordeelt ten stelligste de vele gevallen van discriminatie, onverdraagzaamheid en vervolging en moorden op grond van ras, etniciteit, nationaliteit, sociale klasse, handicap, kaste, godsdienst, overtuiging, taal, leeftijd, geslacht, seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie alsmede geslachtskenmerken, die in veel landen en samenlevingen nog steeds voorkomen; betreurt het dat onverdraagzame en door haat gedreven verklaringen en acties worden gebruikt om bepaalde personen of gemeenschappen tot zondebok te maken; acht de prevalentie van racisme, antisemitisme en vreemdelingenhaat in veel landen onaanvaardbaar; dringt erop aan dat regeringen overal ter wereld racisme en discriminatie uitdrukkelijk veroordelen en een nultolerantiebenadering hanteren ten aanzien van racisme en discriminatie;

10.  onderstreept dat de klimaatverandering, milieuschade en het verlies van biodiversiteit een enorme en toenemende bedreiging voor de mensenrechten vormen, door mensen het fundamentele recht op leven te ontzeggen, in het bijzonder door de toename van honger in de wereld, door grotere economische en sociale ongelijkheid, door beperkingen van de toegang tot water en door bijkomende sterfgevallen als gevolg van ondervoeding en een grotere verspreiding van ziekten; beklemtoont dat de klimaatverandering ook het genot van andere mensenrechten ondermijnt, waaronder het recht op voedselzekerheid, veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, gezondheid, passende huisvesting, zelfbeschikking, werk en ontwikkeling; vestigt voorts de aandacht op de risico’s van klimaatverandering voor vrede en veiligheid, aangezien voedselonzekerheid en waterschaarste kunnen leiden tot concurrentie om natuurlijke hulpbronnen en vervolgens tot instabiliteit en conflicten binnen en tussen staten; vestigt met name de aandacht op het verband tussen de uitbuiting van de natuurlijke hulpbronnen en de financiering van conflicten, oorlogen en geweld, hetzij direct, hetzij indirect, mede door toedoen van actoren uit de particuliere sector; benadrukt dat de minst ontwikkelde landen het kwetsbaarst zijn voor de klimaatverandering, aangezien zij het het moeilijkst hebben om het hoofd te bieden aan de verwoestende gevolgen ervan, en hoewel zij minder broeikasgassen uitstoten dan rijkere landen, die waarschijnlijk minder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering;

11.  bevestigt dat de bevordering en bescherming van mensenrechten en klimaat- en milieumaatregelen met elkaar in verband staan, met name omdat het internationaal recht inzake mensenrechten toegang biedt tot rechtsmiddelen om de door de klimaatverandering veroorzaakte schade te vergoeden, maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering in te voeren, en staten, bedrijven en individuen aansprakelijk te stellen voor hun reactie op de klimaatverandering en hun acties die bijdragen tot de verdere aantasting van het milieu;

12.  beklemtoont dat biodiversiteit en mensenrechten onderling verbonden en afhankelijk zijn en wijst op de mensenrechtenverplichtingen van de staten om de biodiversiteit te beschermen waarvan die rechten afhankelijk zijn, onder meer door ervoor te zorgen dat burgers betrokken worden bij besluitvorming over de biodiversiteit en dat zij toegang hebben tot doeltreffende rechtsmiddelen wanneer sprake is van verlies en aantasting van de biodiversiteit; steunt de recente normatieve inspanningen op internationaal niveau ten aanzien van milieucriminaliteit; moedigt de EU en de lidstaten in dit verband aan de erkenning van ecocide als internationaal misdrijf in de zin van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC) te bevorderen;

13.  onderstreept dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan hulp aan milieu- en klimaatontheemde personen; acht het van belang dat er op internationaal niveau binnen de Verenigde Naties een definitie wordt uitgewerkt van “klimaatvluchtelingen” teneinde een internationaal rechtskader vast te stellen en een gemeenschappelijke benadering te volgen om personen te beschermen die hun woonplaats noodgedwongen moeten verlaten; erkent dat de gevolgen van de klimaatverandering voor het milieu kunnen leiden tot een toename in gedwongen ontheemding en benadrukt dan ook dat er snel beleidsmaatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd waarmee de gevolgen van de klimaatverandering overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs kunnen worden beperkt;

14.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de ontbossing, de illegale mijnbouw en de productie van illegale drugs met name in het Amazonegebied in 2019, aangezien bossen bijdragen tot het beperken van de klimaatverandering door koolstofdioxide op te vangen en op te slaan; benadrukt dat inheemse volkeren vaak de eerste slachtoffers zijn geweest van ontbossing, waardoor hun rechten, onder meer hun landrechten, en hun toegang tot essentiële hulpbronnen in het gedrang zijn gekomen; benadrukt in dit verband dat inheemse volkeren het recht hebben om de prioriteiten en strategieën voor hun zelfontwikkeling en voor het gebruik van hun land, grondgebieden en andere hulpbronnen uit te werken en vast te stellen; benadrukt dat straffeloosheid voor schendingen van de rechten van inheemse volkeren een van de drijvende krachten achter de ontbossing is en acht het derhalve van het allergrootste belang dat de schuldigen verantwoording afleggen voor deze schendingen; merkt op dat de onrechtmatige exploitatie van natuurlijke hulpbronnen kan leiden tot ernstige nadelige gevolgen voor de sociale, economische, culturele, politieke en burgerrechten van plaatselijke gemeenschappen, met inbegrip van het grondrecht van volkeren op zelfbeschikking en het beginsel van permanente soevereiniteit over hun natuurlijke hulpbronnen;

15.  is ingenomen met de groeiende verwachtingen en de steeds grotere mobilisatie van burgers met het oog op politieke en maatschappelijke veranderingen die bevorderlijk zijn voor de eerbiediging van de mensenrechten, democratisch bestuur, gelijkheid en sociale rechtvaardigheid; wijst erop dat in 2019 in alle regio’s van de wereld massale protestbewegingen zijn opgekomen die deze aspiraties weerspiegelen, veranderingen eisen in de institutionele en economische orde van samenlevingen, vragen om in actie te komen en de klimaatverandering te bestrijden en die de ontwikkeling van een billijkere mondiale samenleving steunen; veroordeelt het feit dat mensen in vele landen het recht op vreedzaam betogen wordt ontzegd via wets-, bestuurs- en andere maatregelen, zoals de onderdrukking van betogingen met geweld, pesterijen en willekeurige detentie; benadrukt dat in 2019 honderden vreedzame demonstranten zijn gearresteerd, van wie er velen werden mishandeld of naar willekeur werden vastgezet en zware boetes moesten betalen bij rechtszaken waarin de minimale procedurenormen niet werden gewaarborgd; benadrukt dat de vredelievende aard van protestacties moet worden gevrijwaard en uit zijn bezorgdheid over het optreden van marginale groeperingen die de demonstraties en uitingen van sociale bewegingen te baat hebben genomen om de protestacties gewelddadig te laten verlopen en er het dagelijks leven mee te verstoren; roept overheden op geen buitensporig geweld te gebruiken tegen vreedzame demonstranten en alle schuldigen van dergelijke daden ter verantwoording te roepen;

16.  acht het van essentieel belang dat er een politieke respons komt op de legitieme eisen van samenlevingen, gezinnen en individuen, op basis van een inclusieve dialoog die uitmondt in positieve verandering; veroordeelt evenwel de onderdrukking van vreedzame bewegingen, met name door buitensporig geweld van veiligheidsagenten, waar bepaalde regeringen op hebben aangestuurd om afwijkende en kritische stemmen het zwijgen op te leggen;

17.  benadrukt dat moorden, fysieke aanvallen en lastercampagnes, opsluiting, doodsbedreigingen, pesterijen, intimidatie en beperkingen van de vrijheid van meningsuiting nog steeds wereldwijd systematisch worden ingezet tegen mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van verdedigers van vrouwenrechten, verdedigers van het recht op een godsdienst of overtuiging, plaatselijke gemeenschappen, inheemse groepen, milieuactivisten en landbeschermers, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en activisten uit het maatschappelijk middenveld, klokkenluiders en journalisten; merkt op dat verdedigers van vrouwenrechten worden geconfronteerd met genderspecifieke bedreigingen;

18.  maakt zich ernstig zorgen over het gebruik door sommige landen van repressieve cyberbeveiligings- en antiterrorismewetgeving om mensenrechtenverdedigers te bestrijden; onderstreept dat er politieke tendensen in de richting van diep nationalisme bestaan, en dat deze tendensen religie misbruiken voor politiek gewin, wat leidt tot onverdraagzaamheid;

19.  benadrukt dat het de plicht van de EU-instellingen is om organisaties en personen die zich inzetten voor de verdediging van de democratie en de mensenrechten actief te ondersteunen; eist rechtvaardigheid en verantwoording voor alle aanvallen op mensenrechtenverdedigers; verzoekt de EU mensenrechtenverdedigers in al hun verscheidenheid te ondersteunen en te beschermen; onderstreept dat het Parlement in dit verband moet optreden om de stem van deze mensen te laten horen en druk uit te oefenen op derde landen om mensenrechtenverdedigers die worden vastgehouden als gevolg van hun activisme onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; steunt de werkzaamheden van Europese politieke stichtingen om de democratische processen te versterken en overal ter wereld een nieuwe generatie politieke leiders te bevorderen;

20.  is ernstig bezorgd over de aanhoudende oorlogen en militaire conflicten alsmede de langdurige bezetting of inlijving van grondgebieden waarbij vaak wordt overgegaan tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en de mensenrechten, met name genocide, massamoorden, gedwongen ontheemding van de burgerbevolking, onder wie religieuze minderheden, en het gebruik van seksueel geweld, met name tegen vrouwen en kinderen; veroordeelt ten stelligste de betrokkenheid van dictatoriale of autoritaire machten bij oorlogen bij volmacht, en benadrukt dat onderhandelde politieke oplossingen een voorwaarde zijn voor duurzame vrede; uit zijn diepe bezorgdheid over de toegenomen internationale politieke spanningen, en, in bepaalde regio’s van de wereld, de toegenomen activiteit van niet-statelijke gewapende groeperingen en terroristische organisaties en de ontwikkeling van geweld tussen gemeenschappen;

21.  betreurt het feit dat, terwijl de VN in 2020 haar vijfenzeventigste verjaardag heeft gevierd, sommige regeringen de weg van de navelstaarderij zijn opgegaan en gerichte maatregelen hebben genomen in weerwil van de inspanningen voor multilateralisme en internationale samenwerking met het oog op vrede, conflictoplossing en de bescherming van de mensenrechten, op basis van de doelstellingen en beginselen van de UVRM, het internationaal recht, het VN-Handvest en de Slotakte van Helsinki; bekritiseert het gebrek aan gezamenlijk internationaal leiderschap van de democratische landen om consequent te reageren op ernstige schendingen van het internationaal recht inzake mensenrechten, en om de krachten te bundelen om de mensenrechten, de democratie en internationale op regels gebaseerde systemen te bevorderen en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan dit gebrek aan leiderschap goed te maken;

22.  betreurt de moeilijke omstandigheden waarin migranten en vluchtelingen zich overal ter wereld bevinden, in het bijzonder ontheemde vrouwen, kinderen, personen met een handicap of een chronische aandoening, personen met een andere seksuele geaardheid, en vervolgde etnische, religieuze en filosofische minderheden, die tot de meest kwetsbaren behoren; stelt vast dat het aantal internationale migranten in 2019 op bijna 272 miljoen werd geschat(5), wat overeenstemt met 3,5 % van de wereldbevolking, waarvan meer dan 20 miljoen vluchtelingen(6), en dat ontheemding en migratie de afgelopen twee jaar op grote schaal hebben plaatsgevonden; wijst op de toename van het aantal asielzoekers in 2019 dat om internationale bescherming vroeg in de lidstaten van de EU-27(7), als gevolg van de repressieve praktijken en schendingen van hun mensenrechten die onder meer werden veroorzaakt door dictatoriale regimes die illegaal het politieke bewind voeren; verwerpt politieke maatregelen die de mensenrechten van migranten en vluchtelingen uithollen en die hun veiligheid en leven in gevaar brengen; veroordeelt ten stelligste de gevallen van discriminatie, onverdraagzaamheid en vervolging en de moorden op grond van migratie- of vluchtelingenstatus; uit in dit verband zijn afkeuring over de negatieve tendens in de richting van intimidatie en criminalisering van het werk van degenen die opkomen voor de mensenrechten van migranten en vluchtelingen en die aan deze personen bijstand verlenen;

23.  is ingenomen met het feit dat de inspanningen ter bevordering van de rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd meer in beeld komen; merkt echter op dat nog geen enkel land in de wereld gendergelijkheid heeft weten te realiseren;

24.  benadrukt echter dat er in alle regio’s ter wereld nog steeds sprake is van wijdverbreid gendergerelateerd geweld, met inbegrip van feminicide, en discriminatie, dat het gevolg is van genderongelijkheid, ongelijke gendernormen en machtsverhoudingen, culturele praktijken zoals op kasten gebaseerde discriminatie of reeds lang bestaande discriminerende rechtsstelsels, alsmede van propaganda en desinformatiecampagnes die de rechten van vrouwen ondermijnen; veroordeelt het misbruik van vrouwen door middel van mensensmokkel en alle vormen van gendergebaseerd geweld, met inbegrip van seksueel, fysiek en psychologisch geweld, die tot de meest wijdverspreide en stelselmatige schendingen van de mensenrechten behoren;

25.  wijst voorts op het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen vanwege hun mening, godsdienst, filosofische gerichtheid, seksuele geaardheid of activisme ter verdediging van de mensenrechten; beklemtoont dat vrouwen en meisjes van etnische, religieuze en filosofische minderheden twee keer zo vaak slachtoffer zijn van genderspecifiek geweld en discriminatie; roept in herinnering dat geweld tegen lesbische en biseksuele vrouwen in de vorm van “correctieve verkrachting” in sommige landen een structureel probleem blijft vanwege sociale stigmatisering en discriminerende rechtsstelsels;

26.  veroordeelt de constante achteruitgang van gendergelijkheid en vrouwenrechten, waaronder alle pogingen om bestaande waarborgen en bescherming op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten terug te draaien, en veroordeelt ook wetgeving, beleid en praktijken waarmee deze rechten in veel landen wereldwijd nog worden ontzegd of ingeperkt; veroordeelt in dit verband de weigering van toegang tot betaalbare, kwalitatief hoogwaardige, alomvattende seksuele voorlichting, diensten met betrekking tot gezinsplanning, moderne anticonceptiemiddelen, veilige en legale abortushulpverlening en gezondheidszorg voor zwangere vrouwen, het misbruik en de mishandeling van vrouwen in gezondheidsvoorzieningen voor zwangere vrouwen en in voorzieningen voor prenatale en postnatale gezondheidszorg, evenals praktijken met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid waarbij sprake is van dwang en de vrije en geïnformeerde toestemming van vrouwen niet wordt geëerbiedigd; benadrukt de noodzaak om ouders in kwetsbare situaties te beschermen, met name alleenstaande ouders en ouders met een groot gezin, om armoede en sociale uitsluiting te helpen voorkomen; wijst op de noodzaak om een sociale en economische omgeving en voorwaarden te creëren die ouders in staat stellen hun professionele ontwikkeling voort te zetten;

27.  benadrukt de noodzaak om moeders in kwetsbare situaties te beschermen, met name alleenstaande moeders, teneinde armoede en sociale uitsluiting te voorkomen; wijst op de noodzaak om de sociale en economische omgeving en voorwaarden te creëren die moeders in staat stellen hun professionele ontwikkeling voort te zetten;

28.  veroordeelt daarnaast regeringen overal ter wereld die zich verzetten tegen de eis van vrouwen om gelijke rechten of die tegenbewegingen in gang zetten; onderstreept de prominente rol die vrouwen door hun activisme opnemen in politieke en sociale bewegingen, en betreurt de zware tol die zij hebben betaald door het slachtoffer te worden van geweld ten gevolge van brutale repressie, oorlog, en seksuele uitbuiting tijdens gewapende conflicten;

29.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de aanhoudende ernstige schendingen van de mensenrechten tegen kinderen overal ter wereld in 2019, het jaar waarin het VRK dertig jaar bestond, met name kinderarbeid, vroegtijdige en gedwongen huwelijken, de handel in en uitbuiting van kinderen, ook voor seksuele doeleinden, de inlijving van kinderen in gewapende troepen, het inzetten van kindsoldaten in gewapende conflicten, de seksuele uitbuiting en prostitutie van kinderen, de scheiding van gezinnen en detentie van kinderen, onder meer om immigratiegerelateerde redenen, alsook de uitdagingen waarmee meisjes worden geconfronteerd, zoals seksueel en op gender gebaseerd geweld, vroegtijdige zwangerschap, hiv-besmetting en schooluitval; vindt het betreurenswaardig dat talloze kinderen en jongeren tijdens de pandemie een baantje moesten zoeken om in hun basisbehoeften te voorzien en om het gezin waarvan ze deel uitmaken te onderhouden, en daarom gestopt zijn met school; wijst erop dat deze ongewenste ontwikkeling een stap achteruit betekent voor het schoolonderwijs van kinderen;

30.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over, en veroordeelt, de terroristische aanslagen en bomaanslagen op gelovigen in de eerste helft van 2019 en in hun gebedshuizen, plekken die moeten worden behouden en beschermd; is verontrust over het feit dat deze afschuwelijke daden samenvielen met haatcampagnes die werden opgevoerd door bepaalde politieke leiders en terreurgroepen, met als doel het recht op vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging te ontzeggen of te beperken; roept landen op de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging te verdedigen, kwetsbare religieuze en filosofische minderheden te beschermen, en snel op te treden tegen geweldplegers of haatzaaiers;

De bevordering en bescherming van de democratie en de mensenrechten centraal stellen in het buitenlands beleid van de EU

31.  herinnert eraan dat de Unie op bepaalde waarden berust, namelijk eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, solidariteit, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, als vastgelegd in artikel 2 VEU; benadrukt dat de bevordering van deze waarden naar buiten toe, alsook de bevordering van de democratie, de rechtsstaat en de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht, de kern vormen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, overeenkomstig artikel 21 VEU en de strategische belangen van de Unie, en dat dit op effectieve en coherentie wijze moet worden weerspiegeld in alle domeinen van de betrekkingen van de Unie met derde landen;

32.  benadrukt dat het van belang is dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie op krachtige en uitgesproken wijze reageren op en zich verzetten tegen mensenrechtenschendingen waar dan ook, onder andere in landen die hechte partners zijn, en het bewustzijn en de kennis van ambtenaren van de EU en haar lidstaten op het gebied van mensenrechten voortdurend vergroten; herinnert eraan dat effectieve inspraak van en zinvolle dialoog met het maatschappelijk middenveld de kern van een succesvol mensenrechtenbeleid vormt; verzoekt alle EU-delegaties en hun respectieve contactpunten voor de mensenrechten om consequent gevolg te geven aan hun verplichting om mensenrechtenverdedigers, alsmede verdedigers van vrouwenrechten en leden van het maatschappelijk middenveld, te ontmoeten, gedetineerde activisten, democratische dissidenten en mensenrechtenverdedigers te bezoeken, processen te volgen en te pleiten voor bescherming ter plaatse; verzoekt de EU-delegaties bovendien dergelijke acties te faciliteren wanneer ze worden ondernomen door leden van het Europees Parlement die een bezoek brengen in het kader van de officiële missies van het Europees Parlement; benadrukt dat het van belang is niet alleen de gevolgen maar ook de onderliggende oorzaken van mensenrechtenschendingen aan te pakken;

EU-werkzaamheden op multilateraal niveau

33.  roept de EU en de lidstaten dringend op een expliciete strategie te ontwikkelen om op te treden tegen het toenemend aantal landen dat zich terugtrekt uit internationale mensenrechtenkaders of zich daartegen verzet, in overeenstemming met de toezeggingen die zijn gedaan op het gebied van multilateralisme in het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie, alsook tegen pogingen op internationaal niveau om het concept van mensenrechten zoals in het leven geroepen door de UVRM te ondermijnen; benadrukt zijn standpunt dat het internationaal recht inzake mensenrechten en de belofte om de SDG’s tegen 2030 te verwezenlijken hoekstenen moeten blijven; beveelt aan dat de EU haar inspanningen voortzet door samen te werken met landen en belanghebbenden, ongeacht of zij de waarden van de EU delen, om internationale normen op het gebied van mensenrechten te behouden of te ontwikkelen in overeenstemming met artikel 21 VEU;

34.  verzoekt de lidstaten het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU doeltreffender te maken door gebruik te maken van de regel van stemming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad, met name voor mensenrechtenaangelegenheden, en meer in het bijzonder voor zaken die onder het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie vallen en voor de vaststelling van sancties; verzoekt de lidstaten om in multilaterale fora met één krachtige EU-stem te spreken en in eendracht te handelen wanneer zij geconfronteerd worden met crises die de fundamentele waarden en belangen van de Europese Unie in gevaar brengen, aangezien dit de enige manier is waarop de Unie internationaal gezien een voortrekkersrol kan spelen en haar invloed kan aanwenden om positieve veranderingen en beter gecoördineerde antwoorden tot stand te brengen op mondiale uitdagingen, voornamelijk in verband met de bevordering en bescherming van mensenrechten alsmede uitdagingen in verband met milieu en klimaat;

35.  herhaalt dat de EU op het wereldtoneel pas erkenning zal krijgen en geloofwaardig en doeltreffend zal worden geacht als haar kernwaarden, met name de eerbiediging van de vrijheid, de democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat en gelijkheid, extern geloofwaardig zijn, en dat dit enkel mogelijk is als de EU zorgt voor interne en externe samenhang van haar beleid op dit gebied; roept de EU en haar lidstaten op het goede voorbeeld te geven en de mensenrechten strikt na te leven, consequent de waarden van de EU te verdedigen en uit te dragen, en gunstige randvoorwaarden voor het maatschappelijk middenveld te waarborgen;

36.  betreurt het feit dat autoritaire regimes multilaterale instellingen hebben misbruikt in een poging om multilaterale mensenrechteninstellingen en -mechanismen de mogelijkheid te ontnemen om staten verantwoordelijk te stellen voor mensenrechtenschendingen; roept de EU en haar lidstaten op met gelijkgezinde democratische bondgenoten samen te werken om te pleiten voor een hervorming van multilaterale instellingen om deze beter bestand te maken tegen negatieve invloeden van autoritaire regimes; betreurt daarnaast het feit dat de zetels van de Mensenrechtenraad vaak worden bezet door landen waarvan vaststaat dat zij ernstige mensenrechtenschendingen hebben begaan, en roept de EU-lidstaten op uiterst voorzichtig te zijn in hun stemgedrag en geen landen te steunen die zich kandidaat hebben gesteld om in de Mensenrechtenraad te zetelen en die duidelijk mensenrechten schenden;

37.  is van oordeel dat mensenrechtendialogen met derde landen een nuttig instrument kunnen zijn voor bilaterale inspanningen ter bevordering en bescherming van de mensenrechten, op voorwaarde dat zij op resultaatgerichte wijze worden gevoerd en geregeld worden geëvalueerd; wijst erop dat in de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtendialogen een aantal criteria voor het aangaan van een dialoog worden beschreven, waaronder de bereidheid van de regering om de situatie te verbeteren, de inzet van de regering voor de mensenrechtenverdragen, de wil van de regering om samen te werken met de procedures en mechanismen inzake mensenrechten van de Verenigde Naties, en de houding van de regering tegenover de civiele samenleving; dringt er bij de EDEO op aan een regelmatige evaluatie van elke dialoog uit te voeren, overeenkomstig de EU-richtsnoeren; hamert erop dat het van belang is dat afzonderlijke gevallen in het kader van de mensenrechtendialoog worden besproken en dat er werk wordt gemaakt van een passende follow-up en transparantie met betrekking tot deze gevallen;

Speciale vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten

38.  is ingenomen met de benoeming van Eamon Gilmore tot speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten (SVEU) op 28 februari 2019; herhaalt dat de benoeming van de SVEU aan een voorafgaande hoorzitting in het Parlement moet worden onderworpen; moedigt de SVEU aan om diplomatieke inspanningen voort te zetten om de doeltreffendheid van het EU-mensenrechtenbeleid te vergroten, de internationale allianties ter bevordering van de mensenrechtenagenda te consolideren, en gesprekspartners overal ter wereld te overtuigen om maatregelen aan te nemen en uit te voeren die overeenstemmen met de hoogste normen op het gebied van democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat en goed bestuur, het internationaal recht en internationale normen, in het bijzonder het internationaal recht inzake mensenrechten en het internationaal strafrecht; beveelt voorts aan dat de SVEU extra inspanningen levert om de interne samenhang van de EU bij het definiëren en toepassen van het buitenlands mensenrechtenbeleid van de EU te waarborgen; dringt erop aan dat zijn regelmatige verslagen aan de Raad ook met het Parlement worden gedeeld; vraagt de EU de zichtbaarheid van de SVEU en de transparantie van de activiteiten en missies van deze functie te vergroten, met inbegrip van een speciale rubriek op de website van de EDEO, en dringt erop aan de functie van SVEU permanent te maken, en de SVEU gepaste middelen en de mogelijkheid te geven om in het openbaar te spreken om verslag uit te brengen over verwezenlijkingen van bezoeken aan derde landen en om de standpunten van de EU over mensenrechtenkwesties mee te delen in het kader van een algemene hervorming van de positie van de SVEU;

Internationale overeenkomsten

39.  herinnert aan zijn oproep om systematisch mensenrechtenclausules op te nemen in alle internationale overeenkomsten, met name handels- en associatieovereenkomsten, tussen de EU en niet-EU-landen, en deze naar behoren te handhaven en te monitoren, onder meer aan de hand van meetbare benchmarks en regelmatige effectbeoordelingen, met de betrokkenheid van het Parlement en het maatschappelijk middenveld; benadrukt dat deze clausules moeten voorzien in mechanismen om een effectieve handhaving te verzekeren en in procedures waarin duidelijke en geloofwaardige gevolgen van schendingen van de overeenkomsten zijn bepaald, zoals opschorting, of in het uiterste geval terugtrekking van de EU uit de overeenkomsten; pleit voor betere afstemming en communicatie tussen de gespecialiseerde actoren die verantwoordelijk zijn voor de betreffende beleidsterreinen, zoals handel en mensenrechten, om mensenrechtenaspecten efficiënter in het handels- en investeringsbeleid te integreren; dringt erop aan om onafhankelijke monitoringmechanismen voor mensenrechten op te zetten, gekoppeld aan handels- en buitenlandse investeringsovereenkomsten, alsook een onafhankelijk klachtenmechanisme, om getroffen burgers en lokale belanghebbenden van een doeltreffend rechtsinstrument te voorzien;

40.  benadrukt dat de bevordering en bescherming van de democratie en de mensenrechten in derde landen alleen doeltreffend kunnen worden bereikt wanneer voorwaarden worden gesteld in het kader van de economische en politieke stimuleringsmaatregelen van de EU, zoals bij de toegang tot EU-financiering, bij de toekenning van het algemeen preferentiestelsel en verdere verlaging van invoerrechten, en bij de verlening van visumvrijstelling voor het Schengengebied; herinnert er in dit verband aan dat de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1806 de mensenrechtensituatie in de derde landen die van de visumplicht zijn vrijgesteld moet monitoren, hierover regelmatig verslag aan het Parlement moet uitbrengen, en de visumvrijstelling moet opschorten in geval van schendingen in het betrokken land;

Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking

41.  dringt aan op activiteiten en adequate steun ter bevordering en bescherming van de democratie en de mensenrechten in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI), en vraagt dat de begroting daarvoor wordt afgestemd op de toezeggingen en het ambitieniveau van de Unie;

42.  verzoekt de Commissie toezicht te houden op de verwezenlijking van de doelstellingen van het NDICI en in haar jaarverslag in dit kader een hoofdstuk op te nemen over de mensenrechten en de naleving van artikel 8, Algemene beginselen van het instrument in de partnerlanden die financiering ontvangen; verzoekt de Commissie passende maatregelen voor te stellen, waaronder de opschorting van EU-financiering aan statelijke actoren en de herverdeling van hulp aan de burgermaatschappij, in het geval van ernstige schending van de mensenrechten of van de beginselen van het NDICI door de begunstigden; pleit voor meer transparantie met betrekking tot bepalingen inzake mensenrechten in financieringsovereenkomsten en een verduidelijking van het mechanisme en de criteria voor de opschorting van deze overeenkomsten in geval van een schending van mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat en in ernstige gevallen van corruptie; dringt er bij de Commissie op aan geen gebruik te maken van begrotingssteun aan regeringen van derde landen als operationele modaliteit in landen waar sprake is van wijdverbreide mensenrechtenschendingen en onderdrukking van mensenrechtenverdedigers;

43.  roept de EU op in het bijzonder toe te zien op de beoordeling en preventie van schendingen in verband met de eigen beleidsmaatregelen, projecten en financiering van de Unie in derde landen, onder meer door een klachtenmechanisme in te voeren voor personen of groepen wier rechten mogelijk zijn geschonden door EU-activiteiten in deze landen;

44.  verwelkomt de onschatbare hulp die aan maatschappelijke organisaties in de hele wereld wordt geboden in het kader van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten, dat het voornaamste instrument is voor de uitvoering van het externe mensenrechtenbeleid van de Europese Unie; roept op tot het verder versterken van de financiering voor het maatschappelijk middenveld en de mensenrechten in het volgende integrale instrument;

45.  verzoekt de Commissie in samenwerking met de EDEO een kader uit te werken voor de jaarlijkse rapportage van de Europese Investeringsbank (EIB) over haar werkzaamheden buiten de EU met betrekking tot de naleving van de algemene beginselen die de leidraad vormen voor het extern optreden van de Unie, als bedoeld in artikel 21 VEU en in het strategisch kader en actieplan van de EU voor mensenrechten; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat door de EIB ondersteunde projecten in overeenstemming zijn met het EU-beleid en de EU-toezeggingen inzake mensenrechten, en te zorgen voor verantwoordingsmechanismen waarmee individuen schendingen in verband met de EIB-activiteiten aan de orde kunnen stellen; verzoekt de EIB haar beleid inzake sociale normen verder om te vormen tot een mensenrechtenbeleid op het gebied van het bankwezen; stelt voor dat de EIB mensenrechtenbenchmarks opneemt in haar projectevaluaties;

EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie

46.  verwelkomt de aanneming van het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024; uit zijn teleurstelling over het feit dat de EDEO onvoldoende aandacht heeft besteed aan het aanbod van het Parlement en zijn Subcommissie mensenrechten om actief bij te dragen aan de voorbereiding van het actieplan, vanuit een bereidheid tot goede interinstitutionele samenwerking;

47.  verzoekt de EDEO en de Commissie op gezette tijden overleg te plegen met het maatschappelijk middenveld en een gestructureerde en regelmatige dialoog aan te gaan met de bevoegde organen van het Parlement over de tenuitvoerlegging van het nieuwe actieplan, teneinde het Parlement in staat te stellen een rol op te nemen in de activiteiten in het kader van het actieplan, in het bijzonder via parlementaire diplomatie, en zijn toezichthoudende rol effectief uit te oefenen; beveelt aan een reeks benchmarks en voortgangsindicatoren vast te stellen om de tenuitvoerlegging van het actieplan effectief te monitoren; vraagt de EDEO verslag uit te brengen over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het actieplan, ten opzichte van deze benchmarks; vraagt de EDEO regelmatig follow-up te geven aan de resoluties en debatten van het Parlement die relevant zijn voor de tenuitvoerlegging van het actieplan; dringt erop aan dat de lidstaten verantwoordelijkheid moeten nemen voor het actieplan en hun bijdrage moeten leveren aan het jaarlijks verslag over de uitvoering ervan door verslag uit te brengen over hun eigen activiteiten die in het kader van dit strategisch document zijn verricht;

Een antwoord bieden op de mondiale uitdagingen inzake mensenrechten en democratie

Democratisch bestuur en speelruimte voor het maatschappelijk middenveld

48.  is van mening dat democratisch bestuur en de rechtsstaat wereldwijd onder druk staan als gevolg van een combinatie van factoren, zoals de toename van autoritarisme en populisme, toenemende ongelijkheid en armoede, de druk die op het maatschappelijk middenveld wordt uitgeoefend, de verspreiding van nepnieuws en desinformatie, cyberdreigingen en hybride oorlogvoering, politieke inmenging en campagnes door externe actoren, het verlies van geloofwaardigheid van de publieke macht, de polarisatie in samenlevingen en de verzwakking van collectieve organisaties die het openbaar belang verdedigen; wijst er tevens op dat aanvallen op de persvrijheid en pogingen om het openbare debat te beïnvloeden door nepnieuws te verspreiden via de sociale media nooit eerder zo vaak voorkwamen en zo sterk waren; uit zijn bezorgdheid over het feit dat autoritaire praktijken, zoals stigmatisering van figuren van het maatschappelijk middenveld als “buitenlandse agenten”, worden gekopieerd en zich wereldwijd verspreiden;

49.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan steun te blijven bieden voor de versterking van democratische instellingen en transparante en geloofwaardige verkiezingsprocessen wereldwijd, het democratisch debat aan te moedigen en te ontsluiten, ongelijkheid te bestrijden, te garanderen dat maatschappelijke organisaties hun werkzaamheden kunnen verrichten, de dialoog tussen verschillende segmenten van de maatschappij te ondersteunen, corruptie en straffeloosheid te bestrijden en de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het gerechtelijk apparaat en het verantwoordingsmechanisme te versterken; roept de EU op haar inspanningen op het gebied van verkiezingswaarneming nog verder op te schroeven en nauwer samen te werken met internationale organisaties, met name de organisaties die hierbij van bijzondere betekenis zijn zoals de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa;

50.  benadrukt dat corruptie en mensenrechtenschendingen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; roept de EU op de bestrijding van corruptie in haar mensenrechtenagenda op te nemen; wijst eens te meer op de plicht van de EU om te zorgen voor bescherming van organisaties voor corruptiebestrijding, onderzoeksjournalisten en klokkenluiders die zich ervoor inzetten om corruptie en fraude aan het licht te brengen;

Klimaatactie en mensenrechten

51.  bevestigt dat de bevordering en bescherming van mensenrechten en klimaat- en milieumaatregelen met elkaar in verband staan, met name omdat het internationaal recht inzake mensenrechten toegang biedt tot rechtsmiddelen om de door de klimaatverandering veroorzaakte schade te vergoeden, maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering in te voeren, en staten, met name de meest vervuilende, bedrijven en beleidsmakers aansprakelijk te stellen voor hun reactie op de klimaatverandering;

52.  steunt een inclusieve en op rechten gebaseerde aanpak om klimaatactie te stimuleren die publieke inspraak en toegang tot de rechter waarborgt bij het maken, uitvoeren en herzien van politieke besluiten in verband met klimaatverandering en de gevolgen ervan; bevestigt dat de bestrijding van de klimaatverandering gepaard gaat met de ondersteuning en bescherming van degenen die de planeet en de natuurlijke hulpbronnen verdedigen, onder meer land- en milieuactivisten en inheemse gemeenschappen;

EU-aanpak van conflicten, verantwoordingsplicht voor mensenrechtenschendingen en bestrijding van straffeloosheid

53.  onderstreept de complexiteit van moderne conflicten, die zich vaak op nationaal of regionaal niveau ontwikkelen, soms in de vorm van hybride of cyberaanvallen, die gekenmerkt worden door de betrokkenheid van veel verschillende partijen, waaronder terroristische organisaties en niet-overheidsactoren, en die rampzalige humanitaire gevolgen hebben, met name omdat het moeilijk is om onderscheid te maken tussen strijdkrachten en niet-strijdkrachten; verzoekt de EU haar respons op conflicten te versterken, de onderliggende oorzaken ervan aan te pakken, te investeren in conflictpreventie- en bemiddelingsinspanningen, ruimte voor politieke oplossingen te zoeken en in stand te houden, allianties met gelijkgezinde landen en regionale organisaties tot stand te brengen, verdere financiële en technische steun en steun in de vorm van personeel te verlenen aan civiele missies of militaire operaties, en initiatieven te bevorderen die het vertrouwen tussen de vijandige partijen vergroten; verzoekt de EU tevens de integratie van een genderperspectief in al deze inspanningen te waarborgen, de rol van vrouwen en jongeren bij conflictpreventie en -oplossing te vergroten, evenals bij operaties voor vredeshandhaving, humanitaire hulp en wederopbouw na conflicten, inspanningen met betrekking tot overgangsjustitie en de bevordering van mensenrechten en democratische hervormingen; verzoekt de EU bovendien iets te doen aan mensenhandel en seksueel en gendergerelateerd geweld, en constante toegang tot essentiële en levensreddende gezondheidsdiensten te waarborgen; benadrukt dat het belangrijk is de samenhang van het EU-beleid te waarborgen ten aanzien van situaties van bezetting of annexatie van grondgebied; herinnert eraan dat het internationaal humanitair recht het EU-beleid in al dat soort situaties moet leiden, ook in gevallen van voortdurende bezetting;

54.  roept alle regeringen op internationale waarnemers, met inbegrip van de SVEU, de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de VN en speciale procedures van de VN, ongehinderd toegang te verlenen tot al hun grondgebieden; benadrukt dat het noodzakelijk is dat belangrijke internationale hulporganisaties en internationale waarnemers ongehinderd toegang hebben tot de gebieden die lijden onder aanhoudende conflicten en militaire agressie;

55.  roept de lidstaten op zich strikt te houden aan de bepalingen van artikel 7 van het Wapenhandelsverdrag van de Verenigde Naties inzake de beoordeling van de uitvoer van wapens, en de bepalingen van de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer, door elke transfer van wapens en bewakingsapparatuur te weigeren die het risico zou inhouden dat de invoerende statelijke of niet-statelijke actoren schendingen van de mensenrechten of het internationaal humanitair recht begaan of faciliteren, onder meer in het kader van de Europese Vredesfaciliteit;

56.  verzoekt de EU-lidstaten binnen de Europese Vredesfaciliteit een mensenrechtenpijler op te zetten, onder meer voor de empowerment en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, ook door middel van programma’s met financiële middelen die specifiek worden toegewezen voor de ondersteuning van mensenrechtenverdedigers, aangezien die aan de vredesopbouw bijdragen; verzoekt de lidstaten te overwegen om in de toekomstige Europese vredesfaciliteit verplichte waarborgen en effectbeoordelingen met betrekking tot mensenrechten op te nemen, met inbegrip van verplichte naleving van een robuust beleidskader voor due diligence met betrekking tot mensenrechten bij defensie- en veiligheidsaangelegenheden, gebaseerd op het beleid van de VN op dit gebied;

57.  bevestigt zijn onwrikbare steun voor het ICC en roept de staten die partij zijn bij het Statuut van Rome op het ICC van voldoende financiële middelen te voorzien om de taken binnen zijn mandaat te kunnen vervullen; verzoekt het ICC zijn werkzaamheden onpartijdig en onafhankelijk te blijven uitvoeren; verzoekt de EU en haar lidstaten alle VN-leden aan te moedigen het Statuut van Rome te ratificeren en uit te voeren; verzoekt de partijen die het Statuut van Rome hebben ondertekend, samen te werken met het ICC; acht de aanvallen op het ICC uiterst betreurenswaardig en veroordeelt ten slotte de individuele sancties die aan het personeel van het ICC zijn opgelegd, met name de onaanvaardbare sancties tegen de hoofdaanklager; verzoekt de staten die partij zijn concrete maatregelen te nemen om te streven naar het opheffen van deze sancties en diegenen die door deze sancties zijn getroffen te ondersteunen; benadrukt dat het ICC de enige internationale instelling is die in staat is een aantal van de meest gruwelijke misdaden ter wereld te vervolgen en slachtoffers te verdedigen voor wie geen ander rechtsmiddel beschikbaar is; erkent het werk van het evaluatiecomité van onafhankelijke deskundigen dat is belast met het detecteren van gebieden die moeten worden hervormd en verzoekt het ICC alle nodige maatregelen te nemen om zijn resultaten, doelmatigheid en positieve impact – met name op de gemeenschappen en slachtoffers waarvoor zijn werkzaamheden consequenties hebben – te verbeteren; verzoekt de EU en de lidstaten de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het ICC te blijven beschermen tegen aanvallen die tot doel hebben de werking van de internationale strafrechtspleging te belemmeren; roept de Commissie en de EDEO op met nieuwe manieren en instrumenten te komen om bij te dragen aan de bestrijding van internationale misdaden, slachtoffers van schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht toegang te helpen krijgen tot internationale rechtspraak en bij te staan bij verhaal- en schadeloosstellingsprocedures, onder meer door de capaciteit van de lidstaten en niet-EU-landen op te bouwen voor de toepassing van het beginsel van universele rechtsmacht in hun nationale rechtsstelsels;

58.  roept de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) opnieuw op een speciale vertegenwoordiger van de EU voor internationaal humanitair recht en internationale justitie te benoemen, die wordt belast met het bevorderen en uitdragen van de steun die de EU biedt aan de bestrijding van straffeloosheid;

59.  verzoekt de-lidstaten en het EU-genocidenetwerk om het VN-onderzoeksteam te ondersteunen bij de verzameling, bewaring en opslag van bewijsmateriaal voor misdrijven die momenteel worden of onlangs zijn gepleegd zodat het niet verloren gaat;

60.  geeft aan dat rechtvaardigheid moet worden gewaarborgd voor alle slachtoffers van schendingen van internationale mensenrechten en het humanitaire recht, en roept in het licht van alle aanhoudende gewapende conflicten op tot een onmiddellijk staakt-het-vuren; benadrukt dat de internationale gemeenschap een eind moet maken aan de straffeloosheid en de grove schendingen die in verschillende landen hebben plaatsgevonden;

61.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het gebruik van seksueel en gendergerelateerd geweld als oorlogswapen; benadrukt dat seksuele misdrijven en gendergerelateerd geweld volgens het Statuut van Rome worden beschouwd als oorlogsmisdrijven, misdaden tegen de menselijkheid of onderdelen van genocide of foltering; roept op tot gezamenlijk optreden om een einde te maken aan het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen; is ingenomen met Resolutie 2467 van de VN-Veiligheidsraad over conflictgerelateerd seksueel geweld en alle daarmee verband houdende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, te beginnen met Resolutie 1325 over vrouwen, vrede en veiligheid, waarin wordt bevestigd dat de VN-Veiligheidsraad vastbesloten is het gebruik van seksueel geweld als terroristische en oorlogstactiek te voorkomen door gebruik te maken van alle beschikbare middelen, waaronder sancties en andere gerichte maatregelen tegen daders; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat alle noodzakelijke veilige medische en psychologische bijstand en diensten, met inbegrip van veilige abortus, worden geleverd aan vrouwelijke slachtoffers van verkrachting tijdens oorlogen overeenkomstig het internationaal humanitair recht; verzoekt de EU straffeloosheid bij schendingen van seksuele en reproductieve rechten in conflictsituaties tegen te gaan en ondersteunt de rechten van vrouwen en meisjes op de waarheid, doeltreffende rechtsmiddelen en schadevergoeding met betrekking tot schendingen van deze rechten; is voorts verheugd over de oprichting op 30 oktober 2019 door de VN van een Wereldfonds voor overlevenden van conflictgerelateerd seksueel geweld, om de toegang van slachtoffers tot schadeloosstelling te vergemakkelijken;

62.  herinnert aan de evaluatieverslagen van de VN over handhavings- en bijstandsinspanningen ter bestrijding en voorkoming van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik door VN- en aanverwant personeel bij vredeshandhavingsoperaties; onderstreept dat het noodzakelijk is dat de VN, de EU-lidstaten en de organen van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU onverwijld en met de grootste vastberadenheid een onderzoek instellen naar alle personeelsleden van de VN, de EU en nationale instanties die zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel geweld en hen vervolgen en veroordelen; wijst op de noodzaak om de relevante structuren dusdanig te hervormen dat personeelsleden van de VN en de EU niet langer hun straf kunnen ontlopen en er functionerende en transparante mechanismen voor toezicht en verantwoording worden ingesteld; vindt het onacceptabel dat het momenteel louter een vrijwillige keuze is om gerechtelijke stappen te ondernemen naar aanleiding van vermeende gevallen van misbruik en dat het een keuze is die afhangt van het troepenleverende land; is ervan overtuigd dat dergelijke zware misdrijven ook voorkomen kunnen worden door middel van opleiding en onderwijs; wijst op de dringende noodzaak om dergelijke misdrijven in de toekomst te voorkomen, onder meer om het vertrouwen van de lokale bevolking in internationale vredeshandhaving terug te winnen;

63.  wijst erop dat er een verband bestaat tussen mensenrechtenschendingen en wijdverbreide straffeloosheid en een gebrek aan verantwoordingsplicht in gebieden en landen die getroffen zijn door conflicten of waar politieke intimidatie, discriminatie, misbruik en mishandeling, ontvoeringen, politiegeweld, willekeurige arrestaties, foltering en moord aan de orde van de dag zijn; roept de EU op om acties te ondersteunen om straffeloosheid te bestrijden en verantwoordingsplicht te bevorderen in landen waar de cultuur van straffeloosheid de hoofdverantwoordelijken beloont en de slachtoffers machteloos maakt;

64.  betreurt dat het noodzakelijk is om het lidmaatschap van Sacharovprijswinnaar Aung San Suu Kyi van de Sacharovprijsgemeenschap op te schorten, maar is tevreden over die beslissing aangezien zij geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de aanhoudende misdaden tegen de Rohingya-gemeenschap in Myanmar en deze aanvallen heeft gedoogd;

65.  is bezorgd dat buitengerechtelijke executies, marteling en andere mensenrechtenschendingen onder het mom van de oorlog tegen drugs plaatsvinden; wijst er eens temeer op dat de bestrijding van misdaad geen mensenrechtenschendingen rechtvaardigt en pleit voor verzameling van beste praktijken met het oog op een aanpak gericht op minimalisering van schade op basis van de rechtsstaat;

66.  prijst het werk en de bijdrage aan de strijd tegen straffeloosheid van Agnès Callamard, de speciaal rapporteur van de VN voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies, die onderzoek heeft gedaan naar vermoedelijke gevallen van buitengerechtelijke moorden in 2019, bijvoorbeeld naar de moord op journalist Jamal Khashoggi, en daarbij het slachtoffer werd van intimidatie en bedreigingen;

67.  is voorstander van hervormingen van de rechterlijke macht om de onpartijdigheid en onafhankelijkheid ervan te waarborgen, ook voor wat betreft de behandeling van zaken met betrekking tot de werving en benoeming van rechters, corruptie en het genderevenwicht binnen de rechterlijke macht;

68.  roept op tot de vaststelling en toepassing van een autonoom, soepel en reactief mondiaal EU-sanctiemechanisme voor mensenrechten– ook wel EU-Magnitski-wet genoemd – als een essentieel onderdeel van het bestaande instrumentarium voor mensenrechten en buitenlands beleid van de EU, dat de rol van de EU als mondiale mensenrechtenactor zou versterken, waardoor gerichte sancties kunnen worden opgelegd aan personen, statelijke en niet-statelijke actoren en andere entiteiten die verantwoordelijk zijn voor of medeplichtig zijn aan ernstige schendingen van de mensenrechten, met inbegrip van systematische corruptie die verband houdt met ernstige mensenrechtenschendingen; is ingenomen met het feit dat in steeds meer landen mondiale sanctiemechanismen voor mensenrechten worden aangenomen; benadrukt hoe belangrijk het is dat dit systeem wordt onderworpen aan het EU-mechanisme van rechterlijke toetsing; onderstreept dat het noodzakelijk is voldoende middelen toe te wijzen om de doeltreffende tenuitvoerlegging mogelijk te maken; dringt aan op de oprichting van een adviescomité op EU-niveau waaraan het Parlement deelneemt; benadrukt dat een dergelijk mechanisme zal bijdragen aan de bestrijding van mensenrechtenschendingen en straffeloosheid en de bescherming van mensenrechtenactivisten en -verdedigers wereldwijd, en bevestigt nogmaals hoe belangrijk het is dat de Europese Unie op efficiëntie wijze opvolging geeft aan sancties wegens mensenrechtenschendingen hetgeen betekent dat ze stemming met gekwalificeerde meerderheid toepast; is ingenomen met de vaststelling van een besluit van de Raad inzake gerichte beperkende maatregelen als afschrikking tegen en in reactie op cyberaanvallen die een externe bedreiging voor de EU en haar lidstaten vormen;

69.  is van mening dat de wereldwijde uitbraak van COVID-19 niet mag worden gebruikt als voorwendsel om sanctieregelingen te omzeilen; beklemtoont echter dat sancties niet mogen verhinderen dat humanitaire hulp, waaronder medische bijstand, wordt geboden overeenkomstig het internationaal humanitair recht;

Mensenrechtenverdedigers

70.  veroordeelt de moorden, willekeurige detentie, foltering, vervolging, pesterijen, intimidatie, afpersing, het digitaal en fysiek toezicht en de lastercampagnes ten aanzien van mensenrechtenverdedigers, hun gezin, hun advocaten en al hun medestanders en sympathisanten; merkt met grote bezorgdheid op dat in 2019 een nog altijd toenemend aantal mensenrechtenverdedigers op het gebied van land en milieu is vermoord of gewelddadig is aangevallen, omdat zij de natuurlijke hulpbronnen en het recht van individuen om in een veilige en gezonde omgeving te leven, wilden beschermen; merkt op dat deze aanvallen in sommige delen van de wereld een gevaarlijk niveau hebben bereikt; benadrukt in dit kader de bijzondere kwetsbaarheid van mensenrechtenverdedigers en het belang van toereikende bescherming zodat zij hun vitale werkzaamheden kunnen uitvoeren zonder te worden geïntimideerd en vervolgd; wijst op de rol die levensbeschouwelijke organisaties kunnen spelen in de respons op humanitaire crises, in de bevordering van vrede, rechtvaardigheid, eerbied voor de mensenrechten en geweldloosheid, en door op te treden als bemiddelaar tijdens onderhandelingen om conflicten op te lossen;

71.  maakt zich in het bijzonder zorgen over het toenemende aantal vonnissen dat wordt uitgesproken zonder enige waarborging van minimumnormen voor een eerlijke rechtsgang zoals vereist op grond van het internationaal recht; verzoekt de EU om samenwerking en diplomatie te blijven inzetten om ervoor te zorgen dat het recht van elke persoon op een eerlijk proces volledig wordt geëerbiedigd;

72.  verzoekt alle aanvallen tegen mensenrechtenverdedigers een halt toe te roepen, alle personen die willekeurig gearresteerd zijn vrij te laten en de verantwoordelijken ter verantwoording te roepen; verzoekt de EU en haar lidstaten een strategische visie op hoog niveau uit te werken om het wereldwijd toenemende aantal aanvallen op mensenrechtenverdedigers tegen te gaan, onder meer door vaststelling van krachtige conclusies in de Raad Buitenlandse Zaken waarbij de ministers van Buitenlandse Zaken dienen aan te dringen op ambitieus wereldwijd optreden van de EU om mensenrechtenverdedigers te verdedigen; roept de EU-instellingen op hun steun voor mensenrechtenverdedigers op te voeren als een essentieel en integraal onderdeel van het externe mensenrechtenbeleid van de Unie; benadrukt dat politieke dialoog en contacten met de autoriteiten van derde landen, waarneming van processen, bijeenkomsten met mensenrechtenverdedigers tijdens landenbezoeken, bezoeken aan gedetineerde mensenrechtenverdedigers, steun voor herplaatsing en openbare verklaringen essentiële elementen zijn voor de tenuitvoerlegging van dit beleid; verzoekt de EU en haar lidstaten hun inspanningen op te voeren door op een meer verenigde manier op te treden en deze instrumenten op coherente en uniforme wijze te gebruiken, ongeacht het land in kwestie, wanneer de rechten van mensenrechtenverdedigers zijn geschonden; verzoekt de EU en haar lidstaten in deze geest jaarlijkse conclusies van de Raad over mensenrechtenverdedigers uit te brengen, met een inventarisatie van hun maatregelen met betrekking tot mensenrechtenverdedigers en strategische toezeggingen op het hoogste niveau inzake mensenrechtenverdedigers; wijst erop dat het Parlement en zijn Subcommissie mensenrechten in 2019 voortdurend actie hebben ondernomen om de situatie van mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van laureaten van en genomineerden voor de Sacharovprijs, te ondersteunen en onder de aandacht te brengen, met name wanneer mensenrechtenverdedigers in gevaar zijn of met schendingen van hun rechten worden geconfronteerd;

73.  verzoekt de EU te garanderen dat verdedigers van vrouwenrechten die worden geconfronteerd met genderspecifiek geweld toegang krijgen tot beschermingsmechanismen en hulpmiddelen, hen politiek te steunen, meer financiële middelen toe te wijzen aan onafhankelijke maatschappelijke organisaties die de rechten van vrouwen en meisjes bevorderen en als bijlage bij de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers een instrumentarium goed te keuren om beter tegemoet te komen aan de behoeften van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers overal ter wereld;

74.  roept de EU en haar lidstaten op het ambitieniveau te verhogen om de vrijlating te garanderen van gedetineerde mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van emblematische zaken van gedetineerde mensenrechtenverdedigers die kenmerkend zijn voor de manier waarop repressieve regeringen wereldwijd de wet consequent gebruiken in hun pogingen om mensenrechtenverdedigers te belasteren en ze het zwijgen op te leggen; benadrukt dat het hierbij onder meer gaat om Sacharovprijswinnaars en -finalisten;

75.  dringt er bij de EU-delegaties en vertegenwoordigingen van de lidstaten op aan gebruik te blijven maken van publieke diplomatie en initiatieven om aandacht te vragen voor individuele zaken van mensenrechtenverdedigers en, in voorkomend geval, de uitgifte van noodvisums te faciliteren en tijdelijke opvang te bieden in de EU-lidstaten;

76.  roept de EU en haar lidstaten op om de toegang tot EU-visums voor de hervestiging op korte termijn van mensenrechtenverdedigers te verbeteren, met name door de opname in het EU-visumhandboek van instructies inzake het bieden van faciliteiten aan mensenrechtenverdedigers en hun gezinsleden, en om toe te werken naar wijzigingen in juridische instrumenten inzake visums, met name de Visumcode;

77.  juicht toe dat het EU-mechanisme voor mensenrechtenverdedigers, ProtectDefenders.eu, in november 2019 met nog eens drie jaar is verlengd; herinnert aan het belang van dit mechanisme met betrekking tot de toenemende behoeften en diversiteit van de problemen waarmee mensenrechtenverdedigers worden geconfronteerd; dringt aan op de versterking van dit mechanisme en de voortdurende herbeoordeling ervan in overeenstemming met de behoeften;

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

78.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de gendergelijkheidsstrategie zowel binnen als buiten de EU coherent uit te voeren en doeltreffende en concrete maatregelen te nemen om de achteruitgang op het gebied van vrouwenrechten, gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te kenteren;

79.  herinnert eraan dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en toereikende seksuele voorlichting mensenrechten zijn; roept de EU en de lidstaten op de onvervreemdbare rechten van vrouwen op lichamelijke integriteit, waardigheid en autonome besluitvorming opnieuw te onderstrepen, de universaliteit en ondeelbaarheid van alle mensenrechten in elke context te waarborgen en met name de rechten te verdedigen en te bevorderen die het meest worden bedreigd, zoals seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

80.  is ingenomen met de conclusies van het voorzitterschap van de Raad, ondersteund door 24 lidstaten, over het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in de externe betrekkingen voor 2021-2025 (GAP III) met krachtige toezeggingen en maatregelen inzake seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; dringt in dit verband aan op versterking van de EU-steun voor derde landen, met name uitbreidings- en buurlanden, die nieuw beleid en wetswijzigingen doorvoeren, teneinde de nationale rechtskaders af te stemmen op de internationale en SDG-verplichtingen inzake vrouwenrechten en gendergelijkheid, de preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes, de bescherming van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers, de bevordering van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen, het verstrekken van wetenschappelijke, alomvattende en toereikende seksuele voorlichting aan jongeren, het in staat stellen van meisjes en jonge vrouwen om op een veilige manier de overgang naar volwassenheid te maken en het voorkomen en beëindigen van seksueel en gendergerelateerd geweld, genitale verminking van vrouwen en andere schadelijke praktijken, met inbegrip van vroegtijdige en gedwongen huwelijken;

81.  roept de EU en de lidstaten voorts op in al hun externe optredens, waaronder in multilaterale en bilaterale fora, de gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te bevorderen, met bijzondere aandacht voor gemarginaliseerde groepen, zoals LGBTI-personen, en gezondheidszorg voor iedereen te bewerkstelligen door middel van gekoppelde interventies op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en hiv;

82.  pleit ervoor om verder te gaan dan alleen het bestrijden van de onderliggende oorzaken van structurele ongelijkheden door gelijke kansen te garanderen en de inspraak van vrouwen te stimuleren;

83.  wijst op de noodzaak om een sociale en economische omgeving en voorwaarden te creëren die ouders in staat stellen hun professionele ontwikkeling voort te zetten;

84.  verzoekt de lidstaten een gemeenschappelijke aanpak vast te stellen en samen te werken met internationale instellingen om nieuwe, vergelijkbare en uitgesplitste gegevens te verkrijgen en eveneens gerichte beleids- en wetgevende interventies te ontwikkelen om mensenrechtenschendingen tegen te gaan, en roept de Commissie op toezeggingen en benchmarks voor de uitbanning van genitale verminking bij vrouwen op te nemen in haar onderhandelingen en overeenkomsten inzake samenwerking met de betrokken landen;

85.  herinnert eraan dat de Overeenkomst van Istanbul, als het eerste universeel bindende verdrag ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes en huiselijk geweld, het referentiekader vormt voor internationale normen die moeten worden geratificeerd en ingevoerd; herinnert eraan dat de toetreding van de EU tot de Overeenkomst van Istanbul in de EU-strategie inzake gendergelijkheid 2020-2025 als belangrijke prioriteit is aangemerkt; roept de EU en al haar lidstaten op die dat nog niet hebben gedaan om het Verdrag van Istanbul zo spoedig mogelijk te ratificeren en uit te voeren; roept de EU op om met andere landen te werken aan een vergroting van hun inspanningen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten, gegevensverzameling, financiering en programmering, en om seksueel en gendergerelateerd geweld wereldwijd beter te voorkomen en te bestrijden;

86.  beklemtoont dat migranten- en vluchtelingenvrouwen en -meisjes die bescherming behoeven, moeten worden beschouwd als houders van rechten;

87.  prijst de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van het Spotlight-initiatief van de EU en de VN; roept de Commissie op te zorgen dat projecten die worden gesponsord door het initiatief, bijdragen aan het aanpakken van de achterliggende oorzaken van schendingen van vrouwenrechten, onder andere de bestendiging van schadelijke gendergerelateerde stereotypen;

Rechten van het kind

88.  herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om hun samenwerking en dialoog met derde landen te intensiveren, met de rechten en bescherming van kinderen als prioriteit, teneinde ervoor te zorgen dat de rechten van het kind overal ter wereld worden geëerbiedigd en dat geen enkel kind achterblijft; dringt er in dit verband bij de EU en haar lidstaten op aan samen te werken met partnerlanden en meer financiële middelen toe te zeggen, met name in het kader van officiële ontwikkelingshulp, teneinde mondiale uitdagingen op het gebied van gezondheid en onderwijs voor kinderen, met inbegrip van het recht op onderwijs in de moedertaal, de uitbanning van kinderarbeid, de bestrijding van geweld, seksueel misbruik en huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, mensenhandel en uitbuiting, en rekrutering en inzetting in gewapende conflicten, waarvan miljoenen kinderen het slachtoffer zijn, aan te pakken; herinnert eraan dat het in het belang van kinderen is om te worden beschermd en opgevangen in een veilige omgeving waar zij kunnen opgroeien met de steun en bescherming die zij nodig hebben en waar in hun primaire behoeften wordt voorzien; benadrukt dat onderwijs een wezenlijk instrument is in de strijd tegen discriminatie en geweld tegen kinderen; verzoekt om maatregelen om de toegang van kinderen tot onderwijs te bevorderen;

89.  is ingenomen met de aandacht die is gegeven aan de EU-maatregelen ter bescherming en bevordering van de rechten van het kind ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van het VRK, en herhaalt zijn oproep aan de Commissie om na te gaan hoe de EU als orgaan kan toetreden tot het VRK;

Rechten van personen met een handicap

90.  is ingenomen met de ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het facultatieve protocol daarbij in 2019; benadrukt hoe belangrijk het is dat ten volle rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap; roept de EU op de bestrijding van discriminatie van mensen met een handicap op te nemen in haar externe optreden en in haar beleid op het gebied van ontwikkelingshulp, evenals de strijd voor gelijke toegang tot de arbeidsmarkt en voor toegang tot onderwijs en opleiding, en oplossingen te bevorderen die het voor personen met een handicap makkelijker maken om aan de samenleving deel te nemen; wijst nogmaals op het belang van een doeltreffende tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, door zowel de EU-lidstaten als haar instellingen, met name wat betreft de verplichtingen van de EU inzake humanitaire hulp en internationale samenwerking op alle relevante beleidsterreinen van de EU; wijst op het belang van non-discriminatie en op de noodzaak van het op geloofwaardige wijze integreren van het beginsel van universele toegankelijkheid, alsook van het waarborgen van de rechten van personen met een handicap;

Rechten van lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender- en interseksuele personen

91.  veroordeelt de stigmatisering, willekeurige detentie, foltering, vervolging van en moorden op LGBTI-personen en de oproepen tot geweld tegen hen; acht het betreurenswaardig dat er steeds meer divergentie is tussen de landen waar de rechten van LGBTI-personen steeds beter worden beschermd, met name door homoseksualiteit niet meer strafbaar te stellen, en de landen die deze rechten ondermijnen en vrij spel geven aan vervolging, discriminatie en stigmatisering van LGBTI-personen; meent dat praktijken en geweld tegen individuen op basis van hun werkelijke of waargenomen seksuele geaardheid, genderidentiteit, genderexpressie of geslachtskenmerken niet ongestraft mogen blijven en moeten worden uitgeroeid;

92.  verzoekt de EU een voortrekkersrol te spelen bij de verdediging van de mensenrechten van LGBTI-personen en bij de bestrijding van discriminatie en stigmatisering van LGBTI-personen, zogeheten conversietherapie, genitale verminking en gedwongen sterilisatie van transgenders; verzoekt de EU alle diplomatieke instrumenten waarover zij beschikt in te zetten om te pleiten voor het niet langer strafbaar stellen van consensuele seksuele relaties tussen partners van hetzelfde geslacht, en het goede voorbeeld te geven bij de bestrijding van geweld en discriminatie op grond van seksuele geaardheid, genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken door middel van een doeltreffende uitvoering van de nieuwe strategie voor gelijkheid van LGBTI+-personen, zowel binnen de EU als daarbuiten; verzoekt de EU en de lidstaten de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van alle mensenrechten van LGBTI-personen in haar buitenlandse beleid grondig en consequent toe te passen;

93.  benadrukt dat de COVID-19 pandemie de LGBTI-gemeenschappen hard getroffen heeft door de sterke toename van huiselijk geweld tegen LGBTI-personen – die werden gedwongen in lockdown te gaan of terug te keren naar discriminerende gezinnen en huishoudens – een stijging van de werkloosheid en dakloosheid, een gebrekkige toegang tot levensreddende medische behandelingen zoals hiv-diensten en aan transitie verwante medische zorg, en toegenomen stigmatisering; dringt erop aan LGBTI-personen op te nemen in COVID-19-hulpprogramma’s;

Inheemse bevolkingsgroepen

94.  is ernstig bezorgd over het lijden en de kwetsbaarheid van inheemse gemeenschappen en personen, onder meer als gevolg van de klimaatverandering en de COVID-19-pandemie, het verlies van hun land en bestaansmiddelen veroorzaakt door bedrijfsactiviteiten en daarmee samenhangende schade; betreurt het feit dat inheemse volkeren wereldwijd nog steeds te maken hebben met wijdverbreide en systematische discriminatie en vervolging, met inbegrip van gedwongen ontheemding, willekeurige arrestaties en moorden op verdedigers van mensenrechten en van land; beveelt de EU en haar lidstaten aan om in relevante en nieuwe kaders voor passende zorgvuldigheid verwijzingen op te nemen naar inheemse volkeren en de rechten krachtens de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volken, en ervoor te zorgen dat multinationale bedrijven ter verantwoording worden geroepen in geval van niet-nakoming van hun verplichtingen;

95.  roept de EU, de lidstaten en hun partners in de internationale gemeenschap er nogmaals toe op alle nodige maatregelen te nemen voor de erkenning, bescherming en bevordering van de rechten van inheemse volkeren, ook op hun taal, hun land, grondgebied en hulpbronnen; is ingenomen met het werk dat het maatschappelijk middenveld en de ngo’s op deze gebieden verrichten; herhaalt dat een klachtenmechanisme moet worden gecreëerd zodat klacht kan worden ingediend wanneer de rechten van inheemse volkeren worden geschonden of misbruikt als gevolg van de activiteiten van multinationale bedrijven; wijst op zijn besluit om in het Parlement een vaste rapporteur te benoemen voor inheemse volkeren, met als doel toezicht te houden op de mensenrechtensituatie van inheemse volkeren; roept landen op om de bepalingen van IAO-verdrag nr. 169 van 27 juni 1989 betreffende inheemse en in stamverband levende volken te ratificeren;

96.  verzoekt regeringen met klem om te streven naar een ontwikkelings- en milieubeleid dat de economische, sociale en culturele rechten eerbiedigt en rekening houdt met inheemse volkeren en de lokale bevolking, overeenkomstig de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling;

Racisme, discriminatie, xenofobie en daarmee verband houdende onverdraagzaamheid

97.  juicht toe dat de Raad in 2019 de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake non-discriminatie in het extern optreden heeft aangenomen; vraagt de EU en haar lidstaten alle beschikbare instrumenten te benutten om te waarborgen dat de verantwoordelijken voor schendingen van rechten vanuit discriminatie op grond van ras, kaste (werk en afkomst), godsdienst of etnische of nationale afkomst, ter verantwoording worden geroepen;

98.  neemt met grote bezorgdheid kennis van de schaal en de gevolgen van hiërarchische kastenstelsels, discriminatie op grond van kaste, en de aanhoudende mensenrechtenschendingen op grond van kaste, met inbegrip van de ontzegging van toegang tot het gerechtelijk apparaat of werkgelegenheid, aanhoudende segregatie, armoede en stigmatisering, en hinderpalen voor de uitoefening van fundamentele mensenrechten en de bevordering van menselijke ontwikkeling op grond van kaste; roept nogmaals op tot de ontwikkeling van EU-beleid inzake discriminatie op grond van kaste; herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om hun inspanningen en steuninitiatieven op het niveau van de VN en in EU-delegaties en -missies in derde landen te intensiveren om discriminatie op grond van kaste uit te bannen;

99.  herinnert eraan hoe belangrijk het is inclusieve initiatieven en initiatieven voor de bestrijding van racisme actief te ondersteunen, met name met het oog op het stijgende aantal xenofobische en racistische aanvallen wereldwijd, in het kader van de steeds grotere roep om sociale rechtvaardigheid, die als inspiratie heeft gediend voor een golf van wereldwijde protesten;

100.  wijst nogmaals op de cruciale rol die onderwijs speelt bij het uit de wereld helpen van vooroordelen en stereotypen en bij de bevordering van tolerantie, wederzijds begrip en diversiteit, en benadrukt dat onderwijs een belangrijk instrument is om een einde te maken aan structurele discriminatie en structureel racisme in onze samenlevingen; verzoekt de lidstaten op alle terreinen beleid ter bestrijding van discriminatie te bevorderen; beschouwt racismebestrijding als een horizontale kwestie waarmee op alle EU-beleidsgebieden rekening moet worden gehouden;

101.  verzoekt alle EU-delegaties en hun respectieve contactpunten voor mensenrechten hun plicht na te komen om de stand van zaken met betrekking tot non-discriminatie te beoordelen en te analyseren en hierover verslag uit te brengen in hun EU-landenstrategieën met betrekking tot mensenrechten en democratie in het hoofdstuk over non-discriminatie en uitsluiting, en in de relevante onderdelen over de specifieke gronden van discriminatie en/of gediscrimineerde groepen; benadrukt dat de updates van de stand van zaken met betrekking tot non-discriminatie in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen van de landenstrategieën met betrekking tot mensenrechten en democratie en verslagen van missiehoofden van cruciaal belang zijn voor de voorbereiding van de mensenrechtendialogen en als input hiervoor, en dat in de richtsnoeren ook wordt aangegeven dat de EU een actieve deelname van het maatschappelijk middenveld in multilaterale forums en mechanismen met betrekking tot discriminatie op grond van kaste (werk en afkomst) moet aanmoedigen en bevorderen;

Nationale, etnische en linguïstische minderheden

102.  betreurt het feit dat veel landen ondanks hun internationale verplichtingen en toezeggingen om minderheden te beschermen, een beleid nastreven dat is gebaseerd op de gedwongen assimilatie van nationale, etnische en linguïstische minderheden zonder inachtneming van hun grondrechten en mensenrechten;

103.  verzoekt de regeringen van EU-partnerlanden de fundamentele mensenrechten van nationale, etnische en linguïstische minderheden, met inbegrip van hun cultuur, taal, godsdienst, tradities en geschiedenis, te eerbiedigen teneinde hun cultuur en diversiteit in stand te houden; herhaalt dat de verplichtingen en toezeggingen in het kader van internationale verdragen en overeenkomsten, zoals de aanbevelingen van de Raad van Europa, moeten worden nagekomen;

Vrijheid van denken, geweten, godsdienst of overtuiging

104.  is ontzet over het grote aantal moorden en aanvallen en de vele gevallen van vervolging, discriminatie, intimidatie en aanzetten tot vijandigheid die hebben plaatsgevonden, alsook over de hoge mate van beperkingen op rechten sinds 2019 ten aanzien van personen en groepen die vanwege hun godsdienst, overtuiging, atheïsme of agnosticisme het doelwit waren; bevestigt zijn steun voor slachtoffers van geweld op basis van godsdienst of overtuiging en zijn vastberadenheid om dergelijk geweld uit te bannen; onderstreept de noodzaak om speciale aandacht te schenken aan de situatie van vervolgde religieuze groeperingen wereldwijd, die te maken krijgen met discriminatie, bedreigingen, blasfemiewetten, anti-conversiewetten, de sloop van hun plaatsen voor de eredienst, geweld, onderwerping, verkrachting, gedwongen verdwijningen, executies en genocide; onderstreept de noodzaak om bijzondere aandacht te schenken aan onder meer de situatie van de vervolgde christenen wereldwijd, die de overgrote meerderheid vormen van de religieuze groeperingen die te maken hebben met discriminatie, geweld en dood;

105.  toont zich voorts bezorgd over het misbruik en de manipulatie van godsdienst om andere mensenrechten te ondermijnen, waaronder seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en de rechten van LGBTI-personen; betreurt het feit dat sommige landen reeds strafrechtelijke bepalingen hebben, toepassen of willen invoeren op grond waarvan straffen worden opgelegd voor godslastering, bekering of geloofsafval; benadrukt dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging het recht om niet te geloven en om theïstische, niet-theïstische, agnostische of atheïstische standpunten te huldigen en het recht op geloofsafval omvat;

106.  verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging toe te passen; roept de Raad en de Commissie nogmaals op een transparante en alomvattende beoordeling uit te voeren van de doeltreffendheid en de toegevoegde waarde van de functie van de speciaal gezant voordat het proces van de verlenging van dit mandaat en deze functie door de Commissie wordt opgestart; dringt erop aan na de beoordeling voldoende middelen voor de werkzaamheden van deze functie uit te trekken om de doeltreffendheid van de EU op dit gebied te vergroten; betreurt de vertraging bij de uitvoering van deze beoordeling; verzoekt de Commissie transparantie te waarborgen omtrent de benoeming, het mandaat, de activiteiten en rapportageverplichtingen van de volgende speciaal gezant en te garanderen dat deze persoon zich inspant voor de universaliteit, ondeelbaarheid en onderlinge afhankelijkheid van alle mensenrechten en voor de Europese waarden; herinnert de Commissie eraan dat het noodzakelijk is het institutionele mandaat, de bevoegdheden en taken van de speciaal gezant naar behoren te ondersteunen;

107.  is ingenomen met de wereldwijde uitwisseling over godsdienst in de samenleving, waarvoor de VV/HV op 6 september 2019 in Brussel het startschot gaf; beveelt echter aan evenveel aandacht te besteden aan intrareligieuze en interreligieuze relaties; dringt in dit verband aan op de ontwikkeling van EU-steun voor intrareligieuze dialoog op lokaal niveau, met als doel extremisme en haatzaaiende uitlatingen te bestrijden; dringt er voorts op aan dat de doelstellingen inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging worden geïntegreerd in een bredere waaier aan EU-activiteiten op het gebied van de mensenrechten;

108.  geeft wederom aan grote waarde te hechten aan academische vrijheid en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan hun diplomatieke inspanningen met betrekking tot bedreigingen van of aanvallen op de academische vrijheid door statelijke en niet-statelijke actoren, in het bijzonder gewelddadige aanvallen op instellingen en leden van de hogeronderwijsgemeenschap, evenals discriminerend beleid of discriminerende praktijken, onterechte beperking of beïnvloeding van onderzoek of uitingen, en onrechtmatige vervolging of arrestaties, te intensiveren door middel van bilaterale en multilaterale contacten; verzoekt de EDEO en de Commissie de bestaande ondersteunings- en beschermingsmechanismen voor mensenrechtenverdedigers te herzien teneinde de capaciteit te ontwikkelen om bij aanvallen op de academische vrijheid te bepalen welke bijstand, met inbegrip van bescherming en ondersteuning in noodsituaties, nodig is en deze te verschaffen; verzoekt de Commissie de steun op hoog niveau aan het Europees Interuniversitair Centrum voor mensenrechten en democratisering en de bijbehorende Global Campus als vlaggenschip van de steun van de EU voor mensenrechteneducatie overal ter wereld te waarborgen;

Vrijheid van meningsuiting, mediavrijheid en recht op informatie

109.  veroordeelt het doden, ontvoeren, opsluiten, intimideren en aanvallen (ook fysiek en langs gerechtelijke weg) van journalisten, bloggers en klokkenluiders, alsook de controle op het internet en de media of de afsluiting ervan; herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media essentiële fundamenten van een democratische samenleving zijn; onderkent het belang van het recht op informatie in moderne samenlevingen, ook in de moedertaal voor alle etnische groepen, en de rol die alle vormen van communicatie spelen in de ontwikkeling van een cultuur van pluralisme; wijst erop dat de media het beginsel van non-discriminatie moeten eerbiedigen;

110.  veroordeelt dat bepaalde regimes en autoriteiten trachten de vrijheid van meningsuiting of de persvrijheid af te schaffen of te beperken, hetgeen zij op onrechtmatige wijze rechtvaardigen als zijnde noodzakelijk om de veiligheid of de volksgezondheid te verhogen, of terrorisme, laster, belediging of godslastering te bestrijden; wijst op de nieuwe golf van censuur als dekmantel, door sommige regeringen, in de strijd tegen nepnieuws tijdens de COVID-19-pandemie;

111.  veroordeelt de aanvallen van desinformatie en propaganda die tot doel hebben de waarden waar de EU voor staat te delegitimeren en die minderheden als doelwit kiezen; maakt zich ernstig zorgen over de toename van haatzaaiende uitlatingen en aanzetting tot geweld in online- en offlinecommunicatie, aangezien deze een direct gevaar vormt voor de rechtsstaat en de waarden die zijn verankerd in de mensenrechten; merkt op dat de toegenomen sociale en politieke polarisatie, die wordt versterkt door socialemedia-algoritmen die gebruikmaken van mentale verleiding, een voedingsbron vormt voor radicalisme, het kritisch denkvermogen volledig belemmert, dialoog onmogelijk maakt en de weg vrijmaakt voor extremisme;

112.  beveelt aan de best mogelijke waarborgen tegen de verspreiding van haatzaaiende uitspraken, desinformatiecampagnes en vijandige propaganda worden ingebouwd door op internationaal en EU-niveau een rechtskader te ontwikkelen voor de bestrijding van hybride dreigingen, waaronder cyber- en informatieoorlogvoering; blijft initiatieven steunen die helpen om nepnieuws en propagandistische desinformatie te onderscheiden van informatie die voortkomt uit echt en onafhankelijk journalistiek werk;

113.  onderstreept dat er gevallen zijn van mediaconcentratie in de handen van personen en waarin sprake is van een gebrek aan transparantie omtrent het eigendom van media, hetgeen het pluralisme – dat essentieel is voor toegang tot onbevooroordeelde informatie – beperkt;

114.  veroordeelt met klem onterechte gerechtelijke procedures tegen journalisten waarmee wordt beoogd hun faillissement uit te lokken (SLAPP-rechtszaken) en hen het zwijgen op te leggen, met name in zaken van corruptie; benadrukt dat er platforms moeten worden opgezet die vroegtijdig waarschuwen wanneer journalisten gevaar lopen, evenals platforms die hun werk beschermen teneinde andere journalisten in staat te stellen lopende onderzoeken voort te zetten zonder bang te hoeven zijn voor de juridische gevolgen;

115.  herinnert eraan dat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting of de persvrijheid een legitiem doel moeten dienen, in overeenstemming met de internationale verplichtingen als bepaald in artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

116.  roept de EU op zich optimaal in te spannen om de vrijheid van meningsuiting, mediavrijheid en de personen die voor deze vrijheden strijden te beschermen; roept de EU en de lidstaten op om alle vormen van fysieke of rechterlijke intimidatie van journalisten in een poging hun het zwijgen op te leggen, te veroordelen; dringt er bij de SVEU op aan bijzondere aandacht te schenken aan de bescherming van de vrijheid, onafhankelijkheid en pluriformiteit van de media wereldwijd; benadrukt dat het belangrijk is om de daadwerkelijke en systematische uitvoering van de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline te verzekeren en de effecten ervan regelmatig te monitoren;

117.  wijst op het voortdurend veranderende medialandschap en het toenemende gebruik van sociale netwerken overal ter wereld; benadrukt de uitdagingen en risico’s die deze ontwikkeling met zich meebrengt voor, onder andere, schendingen van de vrijheid van offline en online meningsuiting, censuur, gegevensbescherming, haatzaaiende uitlatingen en de intimidatie en veiligheid van journalisten en klokkenluiders; verzoekt de Commissie het beleid en de werkwijze van socialemediabedrijven te monitoren, met name hun instrumenten voor zelfregulering, die gevolgen hebben voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting wereldwijd, en vraagt de Commissie ook om waar passend met voorstellen voor beleids- of wetswijzigingen te komen;

Doodstraf, foltering en andere vormen van mishandeling

118.  veroordeelt het gebruik van foltering, onmenselijke en onterende behandeling en de doodstraf, die in vele landen in de hele wereld nog altijd worden toegepast; roept landen die dit nog niet hebben gedaan op om onmiddellijk een moratorium op de uitvoering van de doodstraf in te stellen als een eerste stap naar de afschaffing daarvan; juicht toe dat er in 2019 minder politieke steun was voor het behoud van de doodstraf in bepaalde landen die deze nog niet hebben afgeschaft; betreurt echter de besluiten van sommige nationale gerechtelijke autoriteiten die hebben geleid tot een toename van het aantal executies in vergelijking met vorige jaren; vraagt de EU systematisch het gebruik van de doodstraf te blijven veroordelen, en mondiale communicatiecampagnes tegen de doodstraf te voeren; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om in alle internationale fora voor afschaffing te pleiten, teneinde zo veel mogelijk steun voor dit standpunt te verzamelen;

119.  bevestigt zijn vastberadenheid om foltering overal ter wereld te verbieden, door slachtoffers bij te staan en folteraars ter verantwoording te roepen; is ingenomen met de bijwerking van de richtsnoeren voor een EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; dringt er bij alle lidstaten en andere landen die dit nog niet hebben gedaan op aan het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffıng, dat in 2019 35 jaar bestond, te ratificeren; erkent het belang van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers in de strijd tegen foltering en andere vormen van mishandeling;

Strijd tegen moderne slavernij en mensenhandel

120.  roept op tot een krachtiger internationaal antwoord om moderne slavernij en mensenhandel en de bijbehorende netwerken aan te pakken, door nieuwe zorgvuldigheidsverplichtingen in te voeren voor bedrijven om dergelijke situaties te detecteren, beoordelen, een halt toe te roepen, te voorkomen en te mitigeren, en met de autoriteiten samen te werken om verbeteringen door te voeren in het strafbeleid tegen mensenhandelaars en personen die moderne slavernij in stand houden of er voordeel uit halen; wijst erop dat deze onaanvaardbare arbeidsomstandigheden de menselijke waardigheid en de fundamentele mensenrechten aantasten; dringt er bij de staten die dit nog niet hebben gedaan op aan de IAO-verdragen te ratificeren die relevant zijn voor de bestrijding van moderne slavernij, mensenhandel en kinderarbeid;

Economische, sociale en culturele rechten

121.  roept de EU op haar inspanningen voor de bevordering en bescherming van economische, sociale en culturele rechten via het buitenlands beleid en het externe optreden van de EU te versterken, in het bijzonder door effectief gebruik te maken van de mensenrechtenclausules in internationale overeenkomsten, met inbegrip van bepalingen inzake arbeid, en door te investeren in cultuur en onderwijs als vectoren van duurzame verandering; is ingenomen met de goedkeuring van het IAO-Verdrag inzake geweld en intimidatie, dat nieuwe en bindende internationale arbeidsnormen omvat die essentieel zijn om deze bedreigingen uit te bannen en de slachtoffers te beschermen; beklemtoont de nood aan specifieke bescherming voor werkende moeders tijdens en na hun zwangerschap, onder meer in verband met gezondheidszorg voor zwangere vrouwen, moederschapsverlof en -uitkeringen, bescherming tegen ontslag, non-discriminatie, en borstvoeding;

122.  veroordeelt de aanhoudende wereldwijde schendingen van de rechten van werknemers en vakbonden en betreurt dat deze schendingen met name betrekking hebben op de vrijheid van vereniging, het recht om collectief te onderhandelen, het recht op informatie, raadpleging en deelname en om collectieve actie te ondernemen, evenals het recht op eerlijke beloning, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en een gezonde en veilige werkplek;

123.  herinnert eraan dat de toegang tot cultuur en onderwijs een grondrecht is; merkt op dat culturele diplomatie belangrijk is om de waarden van vrede en eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen; roept de EU op in haar externe optreden cultuur, onderwijs en de verwante rechten te integreren in haar mensenrechtenbeleid;

Bedrijfsleven en mensenrechten

124.  is ingenomen met de pogingen van een aantal Europese bedrijven om hun beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen toe te passen teneinde de mensenrechten te eerbiedigen en om het beleid en de wetgeving toe te passen die in verschillende lidstaten zijn ingevoerd om zorgvuldigheid aan te moedigen of te vereisen; verzoekt in de EU gebaseerde ondernemingen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen door de ethische regels en normen die deel uitmaken van de eengemaakte EU-markt steeds meer na te leven;

125.  dringt aan op de invoering van een bindend EU-instrument voor zorgvuldigheidseisen op het gebied van mensenrechten en milieu, dat bedrijven verplicht actief deel te nemen aan de identificatie, beoordeling, mitigatie, preventie en kennisgeving van de mogelijk schadelijke impact van hun bedrijven en toeleveringsketens op de mensenrechten, en dat geldt voor bedrijfsorganen, bedrijfsleiders en leidinggevenden in geval van een inbreuk, en dat slachtoffers toegang geeft tot de rechter en tot rechtsmiddelen; is ingenomen met de aankondiging dat het voorstel van de Commissie een aansprakelijkheidsregeling zal inhouden; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is om voor de ernstigste schendingen andere vormen van aansprakelijkheid op te nemen, waaronder strafrechtelijke aansprakelijkheid;

126.  beveelt aan een wettelijke zorgplicht op te nemen als specifiek onderdeel van dit instrument om te voorkomen dat bedrijven in hun overzeese toeleveringsketens gebruikmaken van moderne slavernij en kinderarbeid; beveelt aan in het zorgvuldigheidsinstrument een transparantievereiste op te nemen om het gemakkelijker te maken voor slachtoffers om schadevergoeding te eisen; roept op om een doeltreffend mechanisme om personen die een schadevergoeding eisen te beschermen tegen vergelding, met inbegrip van wetgeving om “SLAPP”-rechtszaken te ontmoedigen; wijst op de diverse mensenrechtenschendingen die kunnen plaatsvinden in het kader van de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen;

127.  benadrukt hoe belangrijk het is dat alle landen de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten volledig ten uitvoer leggen en verzoekt de lidstaten die nog geen nationaal actieplan inzake bedrijfsleven en mensenrechten hebben vastgesteld, dit zo snel mogelijk alsnog te doen; moedigt de EU en haar lidstaten aan om constructief tot de werkzaamheden van de intergouvernementele werkgroep van de VN inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten bij te dragen;

128.  wijst op de noodzaak om een internationaal bindend instrument in het leven te roepen aan de hand waarvan de activiteiten van multinationale, transnationale en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten kunnen worden gereguleerd;

Nieuwe technologieën en de mensenrechten

129.  is bezorgd over het gebruik van een reeks op gegevens gebaseerde en door nieuwe technologieën gestuurde instrumenten in antwoord op de COVID-19-pandemie; onderstreept de vaak lastig waarneembare risico’s die deze met zich meebrengen, in de zin van een beperking van fundamentele vrijheden, machtsmisbruik en een grotere kwetsbaarheid voor cyberaanvallen wanneer er geen doeltreffende technische en wettelijke waarborgen voorhanden zijn; uit zijn bezorgdheid over het aanhoudende gebruik van technologie om de vrijheid van meningsuiting te monitoren en te beperken en als intimidatiemiddel; dringt er bij de EU op aan om, als voortrekker op het gebied van de vaststelling van standaarden inzake privacy en gegevensbescherming, nieuwe normen en beste praktijken vast te stellen, voor gebruik binnen de EU maar ook als oplossingen om wereldwijd te implementeren, teneinde potentieel schadelijke gevolgen van nieuwe op gegevens gebaseerde instrumenten te voorkomen;

130.  toont zich, onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 februari 2014 over het gebruik van gewapende drones(8), nog steeds bezorgd over het gebruik van gewapende drones buiten het internationale juridische kader; verzoekt de EU nogmaals onverwijld een juridisch bindend kader te ontwikkelen voor de inzet van gewapende drones, om ervoor te zorgen dat de lidstaten, overeenkomstig hun wettelijke verplichtingen, zich niet bezondigen aan onwettig doelgericht doden of het derde landen gemakkelijk maken dit te doen; verzoekt de Commissie verder om het Parlement naar behoren op de hoogte te houden van het gebruik van EU-middelen voor alle onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten in verband met de bouw van drones; verzoekt om beoordelingen van het effect op de mensenrechten van verdere ontwikkelingsprojecten van drones; herinnert aan zijn resolutie van 12 september 2018 over autonome wapensystemen(9); dringt er bij de VV/HV en de lidstaten op aan de ontwikkeling, de productie en het gebruik te verbieden van volledig autonome wapens waarbij de mens geen noemenswaardige controle uitoefent op de kritieke functies voor het selecteren en aanvallen van doelwitten; dringt aan op het starten van internationale onderhandelingen over een juridisch bindend instrument dat dodelijke autonome wapens zonder betekenisvolle menselijke controle verbiedt; dringt er bij de VV/HV en de lidstaten op aan een gemeenschappelijk standpunt voor internationale onderhandelingen op dit gebied vast te stellen;

Migranten en vluchtelingen

131.  dringt er bij de regeringen op aan om in hun reacties de mensenrechten en de menselijke waardigheid te eerbiedigen en oplossingen te zoeken om de kwetsbaarheid en behoefte aan bescherming van migranten en vluchtelingen aan te pakken, in lijn met de beginselen van solidariteit en partnerschap, waarbij de adequate en toegankelijke legale routes voor migratie worden verduidelijkt; verzoekt de EU en de lidstaten de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken waardoor personen en gezinnen hun thuisland verlaten omdat zij daar niet in een waardige en veilige omgeving kunnen leven;

132.  dringt aan op de noodzaak om de misdaadorganisaties en misdadigers die in mensen handelen te bestrijden; betreurt de desolate situatie van vluchtelingen in vluchtelingenkampen, hun gebrek aan vooruitzichten, de lange wachttijden voor de verwerking van asielaanvragen en de problematische toegang tot rudimentaire medische zorg en – in het geval van kinderen – onderwijs; dringt met klem aan dat naar mogelijkheden voor opvang anders dan in detentiecentra voor migranten en vluchtelingen wordt gezocht en veroordeelt in dit kader elke inhumane of onterende behandeling van migranten; benadrukt het belang van de eerbiediging van de mensenrechten bij de uitvoering van verplichte medische screenings, en onderstreept dat alle asielzoekers en migranten gegarandeerde toegang moeten krijgen tot essentiële diensten, onder meer alomvattende gezondheidszorg; benadrukt het belang van de handhaving van het recht op asiel wereldwijd;

133.  verzoekt de bevoegde autoriteiten van de EU-lidstaten mensen die een vluchtelingenstatus aanvragen welwillend en zorgvuldig te behandelen, in overeenstemming met de beginselen van de rechtsstaat, en gezinshereniging te bevorderen om een einde te maken aan situaties waarin vluchtelingen gescheiden zijn van hun naaste verwanten, met name kinderen;

Ondersteuning van de democratie

134.  verzoekt de EU om meer steun voor democratisch maatschappelijk activisme, dat sinds 2019 is toegenomen in het kader van de opkomst van populisme, nationalisme en autoritaire regimes; verzoekt de Commissie en de Raad de EU-programma’s ter ondersteuning van democratie wereldwijd te versterken door prodemocratische “bottom up”-processen aan te moedigen en institutionele veerkracht te ontwikkelen; benadrukt in dit verband de democratieondersteunende activiteiten van het Parlement, waaronder verkiezingsmonitoring, bemiddeling, opleidings- en mentorschapsprogramma’s, die aangepast moeten worden aan de evoluerende situatie in de partnerlanden en waarbij rekening moet worden gehouden met de culturele en nationale kenmerken van de betrokken derde landen teneinde de dialoog en het partnerschap met die landen te versterken; schaart zich achter de oproep in de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 inzake democratie en in het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie 2020-2024 om een flexibelere, innovatieve, op de lange termijn gerichte en conflictgevoelige benadering te stimuleren voor de bevordering van democratie; is ingenomen met de werkzaamheden van onafhankelijke organisaties die zich baseren op de kernwaarden van de Europese Unie en de democratische transitie in de wereld bevorderen, en geeft in dit kader aan deze werkzaamheden aan te moedigen en te steunen;

135.  verbindt zich ertoe om een grotere transparantie van democratische processen te bevorderen, met name van de financiering van politieke en thematische campagnes van verschillende niet-statelijke actoren;

o
o   o

136.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 75e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en de hoofden van de EU-delegaties.

(1) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 82.
(2) PB C 118 van 8.4.2020, blz. 15.
(3) PB C 411 van 27.11.2020, blz. 30.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0007.
(5) World Migration Report 2020 – Internationale Organisatie voor Migratie (https://publications.iom.int/system/files/pdf/wmr_2020.pdf).
(6) Volgens door het UNHCR gepubliceerde gegevens (https://www.unhcr.org/refugee-statistics/download/?url=fd4J).
(7) Statistieken over asiel – Eurostat (https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Asylum_statistics/nl).
(8) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 110.
(9) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 86.

Juridische mededeling - Privacybeleid