Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2020/2141(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0044/2021

Ingediende teksten :

A9-0044/2021

Debatten :

PV 27/04/2021 - 8
CRE 27/04/2021 - 8

Stemmingen :

PV 28/04/2021 - 2
PV 28/04/2021 - 13
CRE 28/04/2021 - 13
PV 29/04/2021 - 19

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0165

Aangenomen teksten
PDF 357kWORD 117k
Donderdag 29 april 2021 - Brussel
Kwijting 2019: Algemene begroting van de EU - Europees Parlement
P9_TA(2021)0165A9-0044/2021
Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2021 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, afdeling I — Europees Parlement (2020/2141(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019 (COM(2020)0288 – C9-0221/2020)(2),

–  gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2019, afdeling I – Europees Parlement(3),

–  gezien het jaarverslag van de intern controleur voor het begrotingsjaar 2019,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2019, tezamen met de antwoorden van de instellingen(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2019 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(6), en met name de artikelen 260, 261 en 262,

–  gezien het besluit van het Bureau van 10 december 2018 over de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement, en met name artikel 34,

–  gezien artikel 100 en artikel 104, lid 3, van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0044/2021),

A.  overwegende dat de Voorzitter de jaarrekening van het Parlement voor het begrotingsjaar 2019 op 24 juni 2020 heeft goedgekeurd;

B.  overwegende dat de secretaris-generaal, als gedelegeerd hoofdordonnateur, op 17 juni 2020 heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat de aan de begroting van het Parlement toegewezen middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en dat de vastgestelde controleprocedures de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

C.  overwegende dat de Rekenkamer in haar controle stelde dat zij in haar specifieke beoordeling van de administratieve en andere uitgaven in 2019 geen ernstige tekortkomingen heeft geconstateerd in de onderzochte jaarlijkse activiteitenverslagen van de instellingen en organen als vereist bij Verordening (EU, Euratom) 2018/1046;

D.  overwegende dat op grond van artikel 262, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 de instellingen van de Unie verplicht zijn alles in het werk te stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat;

1.  verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2019;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB L 67 van 7.3.2019, blz. 1.
(2) PB C 384 van 13.11.2020, blz. 1.
(3) PB C 239 van 20.7.2020, blz. 1.
(4) PB C 377 van 9.11.2020, blz. 13.
(5) PB C 384 van 13.11.2020, blz. 180.
(6) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.


2. Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2021 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, afdeling I — Europees Parlement (2020/2141(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, afdeling I — Europees Parlement,

–  gezien artikel 100 en artikel 104, lid 3, van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0044/2021),

A.  overwegende dat de rekenplichtige van het Europees Parlement (het “Parlement”) in zijn certificering van de definitieve rekeningen heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat deze, in alle materiële opzichten, een getrouw beeld geven van de vermogenspositie, de resultaten van de verrichtingen en de kasstromen van het Parlement;

B.  overwegende dat overeenkomstig de gebruikelijke procedure 192 vragen aan de administratie van het Parlement zijn gestuurd, en dat de schriftelijke antwoorden door de Commissie begrotingscontrole van het Parlement zijn ontvangen en in het openbaar zijn besproken in aanwezigheid van de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke vicevoorzitter, de secretaris-generaal, de directeur van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (de “Autoriteit”) en de intern controleur;

C.  overwegende dat er altijd verbetering mogelijk is op het gebied van kwaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid bij het beheer van overheidsfinanciën, en dat toezicht noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het politiek leiderschap en de administratie van het Parlement verantwoording afleggen ten aanzien van burgers van de Unie;

Begrotings- en financieel beheer van het Parlement

1.  stelt vast dat de definitieve kredieten van het Parlement voor 2019 in totaal 1 996 978 262 EUR beliepen, oftewel 18,5 % van rubriek 5 van het meerjarig financieel kader(1) voor de administratieve uitgaven van de Unie-instellingen als geheel in 2019, en neerkomen op een stijging van 2,4 % ten opzichte van de begroting 2018 (1 950 687 373 EUR);

2.  stelt vast dat de totale per 31 december 2019 in de rekeningen opgenomen ontvangsten 207 521 070 EUR bedroegen (tegenover 193 998 910 EUR in 2018), met inbegrip van 36 566 236 EUR aan bestemmingsontvangsten (tegenover 30 783 590 EUR in 2018);

3.  benadrukt dat vier hoofdstukken 67,8 % van de totale vastleggingen uitmaakten: hoofdstuk 10 (Leden van de instelling), hoofdstuk 12 (Ambtenaren en tijdelijke functionarissen), hoofdstuk 20

(Gebouwen en daarmee samenhangende kosten) en hoofdstuk 42 (Assistentie aan de leden), hetgeen getuigt van weinig flexibiliteit wat betreft het grootste deel van de uitgaven van het Parlement;

4.  neemt nota van de onderstaande cijfers, op grond waarvan de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2019 werden gesloten:

a)  Beschikbare kredieten (EUR)

kredieten voor 2019:

1 996 978 262

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2018:

---

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2018:

299 095 028

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2019:

36 566 236

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van 2018:

49 010 988

Totaal:

2 381 650 514

b)  Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2019 (EUR)

vastleggingen:

2 332 411 812

verrichte betalingen:

2 035 068 314

automatisch overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

306 712 540

niet-automatisch overgedragen kredieten:

---

geannuleerde kredieten:

38 744 124

c)  Begrotingsontvangsten (EUR)

ontvangen in 2019:

207 521 070

d)  Totale balans op 31 december 2019 (EUR)

1 685 376 397

5.  wijst erop dat 98,8 % van de in de begroting van het Parlement opgenomen kredieten, in totaal 1 973 232 524 EUR, was vastgelegd, met een annuleringspercentage van 1,2 %; stelt met tevredenheid vast dat, net als in voorgaande jaren, een zeer groot deel van de begroting ten uitvoer is gelegd; merkt op dat de betalingen in totaal 1 698 971 864 EUR bedroegen, hetgeen resulteerde in een uitvoeringspercentage van de betalingskredieten van 86,1 %;

6.  benadrukt het feit dat de geannuleerde kredieten voor het begrotingsjaar 2019, in totaal 23 745 738 EUR, hoofdzakelijk betrekking hadden op uitgaven met betrekking tot gebouwen, naast salarissen en andere rechten;

7.  merkt op dat in het begrotingsjaar 2019 18 overschrijvingen werden goedgekeurd overeenkomstig de artikelen 31 en 49 van het Financieel Reglement, die 76 028 316 EUR beliepen, hetgeen neerkomt op 3,8 % van de definitieve kredieten; stelt vast dat 45,3 % van de overgeschreven bedragen verband hielden met het gebouwenbeleid van het Parlement, en hoofdzakelijk dienden om de jaarlijkse betalingen voor het Adenauer-bouwproject te helpen financieren; merkt op dat de overschrijvingen in verband met het uitstel van het besluit van het Verenigd Koninkrijk om uit de Europese Unie te treden neerkwamen op 25 %;

Adviezen van de Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de jaarrekening over 2019 en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

8.  herinnert eraan dat de Rekenkamer een specifieke beoordeling verricht van de administratieve en andere uitgaven als één beleidsgroep voor alle instellingen van de Unie; wijst erop dat administratieve en aanverwante uitgaven bestaan uit uitgaven voor personele middelen (salarissen, toelagen en pensioenen), die 60 % van het totaal beslaan, en uitgaven voor gebouwen, uitrusting, energieverbruik, communicatie en informatietechnologie;

9.  neemt er nota van dat de controle-informatie er over het geheel genomen op wijst dat de uitgaven aan “administratie” geen materieel foutenpercentage vertonen; neemt er daarnaast nota van dat, op grond van de drie gekwantificeerde fouten, het geschatte foutenpercentage in rubriek 5 van het meerjarig financieel kader inzake administratie onder de materialiteitsdrempel ligt;

10.  neemt kennis van de specifieke bevinding met betrekking tot het Parlement in het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Parlement voor het begrotingsjaar 2019 (“het verslag van de Rekenkamer”); merkt met bezorgdheid op dat de Rekenkamer fouten heeft geconstateerd in een betaling aan een van de Europese politieke partijen vanwege niet-naleving van de regels inzake de subsidiabiliteit van uitgaven, waarbij het specifiek ontbrak aan schriftelijke contractuele documenten en ondersteunend bewijs voor de daadwerkelijk gemaakte kosten; betreurt het feit dat de Rekenkamer in zijn jaarverslagen van 2014, 2015 en 2016 vergelijkbare tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot fracties en een Europese partij; vraagt om meer transparantie in de uitwisseling van informatie om herhaling van zulke situaties in de toekomst te voorkomen; merkt evenwel op dat er, hoewel er altijd ruimte voor verbetering is, de afgelopen jaren veel positieve ontwikkelingen hebben plaatsgevonden;

11.  wijst op de respons van het Parlement in de contradictoire procedure bij de Rekenkamer, waarin de afzonderlijke gevallen die naar aanleiding van de bevindingen van de Rekenkamer aan het licht zijn gebracht, nogmaals werden onderzocht en behandeld; brengt in herinnering dat de administratie van het Parlement weliswaar toestemming geeft voor de betaling van de subsidie aan de Europese politieke partijen, maar niet verantwoordelijk is voor de uiteindelijke besteding ervan, en dat de Europese politieke partijen zelf verantwoordelijk zijn voor de wettigheid en regelmatigheid van hun verrichtingen; merkt op dat het Parlement de Europese politieke partijen uitgebreide informatie en richtsnoeren heeft verstrekt over onderwerpen ten aanzien waarvan problemen zijn vastgesteld; verzoekt de Rekenkamer de uitgaven van de Europese politieke partijen regelmatig te controleren;

Jaarverslag van de intern controleur

12.  merkt op dat de intern controleur tijdens de vergadering van de bevoegde commissie met de intern controleur van 16 november 2020 zijn jaarverslag heeft gepresenteerd en een beschrijving heeft gegeven van de betrouwbaarheidscontroles die hij heeft uitgevoerd en waarover hij verslag heeft uitgebracht, die in 2019 betrekking hadden op de volgende onderwerpen:

   controle van de aanbestedingen en de uitvoering van contracten in de cateringsector (directoraat-generaal Infrastructuur en Logistiek (DG INLO));
   controle van bezoekersgroepen (directoraat-generaal Communicatie (DG COMM));
   controle van de vergoeding voor parlementaire assistentie voor plaatselijke assistenten (directoraat-generaal Financiën (DG FINS));
   eerste verslag inzake de controle van de informatiesystemen: identiteits- en toegangsbeheer;
   controle van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (DG FINS);
   voorlopige evaluatie van het gegevensbeschermingskader van het Parlement;
   follow-up van nog niet afgeronde acties uit de verslagen van de intern controleur - fasen 1 en 2 van 2019;

13.  is ingenomen met en spreekt zijn steun uit voor de volgende acties die de intern controleur met de verantwoordelijke directoraten-generaal heeft afgesproken of momenteel bespreekt naar aanleiding van de betrouwbaarheidsopdrachten:

   wat betreft de controle van de aanbestedingen en de uitvoering van contracten in de cateringsector (DG INLO), het behalen van de interne controledoelstellingen door met name de aanbestedingstermijnen te verlengen zodat ze recht doen aan de complexiteit van het bestek; zorgen voor een duidelijker, relevanter en nauwkeuriger bestek bij de aanbestedingen; zorgen voor een transparante, naar behoren gedocumenteerde evaluatie van inschrijvingen op basis van de gepubliceerde criteria; het valideren van ad-hocconcessieovereenkomsten door de juridische dienst; ervoor zorgen dat wijzigingen van de concessieovereenkomsten stroken met de regels, hetgeen van cruciaal belang is; betere monitoring en verslaglegging op bestuursniveau (het Parlement herinnert eraan dat voornoemde acties cruciaal zijn om te garanderen dat bij procedures voor overheidsopdrachten meer aanbiedingen worden ontvangen, zodat gedurende een bepaalde periode gezonde concurrentie en betere diensten kunnen worden gewaarborgd; benadrukt hoe belangrijk het is rekening te houden met criteria van ecologische duurzaamheid en sociale factoren);
   ten aanzien van de controle van de bezoekersgroepen, zorgen voor een betere borging van de regelmatigheid van betalingen en de efficiënte uitvoering van de regels inzake financiële bijdragen, met inbegrip van betere definities van subsidiabele kosten en de subsidiabiliteitsperiode; zorgen voor adequatere en doeltreffendere controles vooraf en achteraf van de vergoedingen; waarborgen dat de vergoeding van bezoekersgroepen volledig voldoet aan de toepasselijke regels; maatregelen om het bezoekersgroepenprogramma volledig ten uitvoer te leggen;
   wat betreft het eerste verslag inzake de controle van de informatiesystemen: identiteits- en toegangsbeheer, het tot een absoluut minimum beperken van de toekenning van geprivilegieerde toegangsrechten voor UNIX/LINUX-omgevingen aan zogeheten “supergebruikers”; versterking van de steekproefsgewijze centrale controles van de toegang tot kritieke toepassingen; de vaststelling van beveiligingsprocedures voor geprivilegieerde accounts om toegangscontroleregels te definiëren;
   ten aanzien van de controle van de vergoeding voor parlementaire assistentie (DG FINS), de nadruk op de naleving van de regelgeving en deugdelijk financieel beheer van de processen voor de vergoeding van kosten voor lokale parlementaire assistentie, met name de armslag ten aanzien van de professionele en contractuele verplichtingen van uitbetalende instanties en de jaarlijkse regularisering van hun rekeningen;
   ten aanzien van de eerste fase van de controle van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (DG FINS), de nadruk op de registratieprocedure voor de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en de monitoring van hun subsidiabiliteit, zorgen voor functionele samenwerking tussen de Autoriteit en de ordonnateur van het Parlement, en de praktische aspecten van de uitvoering van de belangrijkste wetgeving;
   ten aanzien van de voorlopige evaluatie van het gegevensbeschermingskader van het Parlement, dat in het kader van het werkprogramma 2020 voor de interne controle zal worden aangenomen, de nadruk op het in overeenstemming brengen van het gegevensbeschermingskader van het Parlement met Verordening (EU) 2018/1725(2), ervoor zorgen dat er een duurzame governancestructuur bestaat die zekerheid biedt over de naleving van de verplichtingen inzake het beheer van persoonsgegevens, in combinatie met maatregelen om die gegevens te beveiligen; betrouwbare en coherente verslaglegging van de wijze waarop de instelling haar persoonsgegevens beheert;

14.  merkt op dat de follow-upprocedure van 2019 heeft geleid tot het afsluiten van 36 van de 93 nog niet afgeronde acties; merkt met bezorgdheid op dat er naast deze gevalideerde acties in totaal 124 nog niet afgeronde acties waren uit controleverslagen, inclusief acties die nog niet klaar waren voor uitvoering, waarvan er 62 betrekking hebben op een significant risico; verwacht dat verschillende directoraten-generaal zich ervoor zullen inspannen om achterstallige acties af te ronden en ervoor te zorgen dat de overeengekomen acties worden uitgevoerd binnen de vastgestelde termijnen; verzoekt de secretaris-generaal tijdens de vergaderingen van de Commissie begrotingscontrole in oktober en november 2021 verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de afronding van de resterende acties;

Follow-up van de kwijtingsresolutie voor 2018

15.  neemt kennis van de schriftelijke antwoorden op de kwijtingsresolutie voor 2018, die de Commissie begrotingscontrole van het Parlement op 21 september 2020 heeft ontvangen, en van de presentatie door de secretaris-generaal met betrekking tot de diverse vragen en verzoeken in de kwijtingsresolutie van het Parlement voor 2018 en de in aansluiting daarop gehouden gedachtewisseling met de leden;

16.  betreurt dat niet alle noodzakelijke maatregelen naar aanleiding van bepaalde aanbevelingen van de kwijtingsresolutie van het Parlement voor 2018 zijn uitgevoerd en dat het follow-updocument van de kwijting in dit opzicht geen enkele rechtvaardiging bevat; verzoekt de secretaris-generaal alle in de jaarlijkse kwijtingsresoluties opgenomen verzoeken om maatregelen aan het Bureau te doen toekomen, een actieplan op te stellen om gevolg te geven aan de aanbevelingen en de resultaten van deze exercitie in de jaarlijkse activiteitenverslagen op te nemen; benadrukt dat de secretaris-generaal en de voor de begroting bevoegde ondervoorzitter regelmatig met de Commissie begrotingscontrole overleg moet plegen over kwesties in verband met de begroting van het Parlement en de uitvoering ervan; is van mening dat dit overleg gedurende het jaar moeten plaatsvinden en niet alleen tijdens de kwijtingsprocedure; herhaalt zijn verzoek aan het Bureau om de transparantie van zijn besluitvormingsprocedure te verbeteren, met name door relevante documenten en informatie tijdig op zijn website te publiceren;

17.   onderkent de maatregelen die zijn genomen om de overstap naar een nieuwe aanbieder van diensten voor de kinderopvang van het Parlement soepel te laten verlopen; verzoekt de relevante diensten constant toezicht te houden op het functioneren van het nieuwe team en hierbij te garanderen dat het dienstverleningsniveau bevredigend blijft en er onder meer voldoende verzorgers per kind zijn;

18.  betreurt dat er geen verdere stappen zijn gezet met betrekking tot het vrijwillig pensioenfonds omdat een aantal bij het pensioenfonds aangesloten leden het besluit van het Bureau van 10 december 2018 heeft aangevochten bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna “Hof van Justitie”); verzoekt de secretaris-generaal de Commissie begrotingscontrole van het Parlement onmiddellijk op de hoogte te stellen zodra het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan;

19.  is ingenomen met het feit dat het aantal contante betalingen aanzienlijk is afgenomen en dat de leden gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die de herziene regels bieden om de financiële verantwoordelijkheid van gesponsorde bezoeken uit te besteden aan professionals, d.w.z. derdebetalenden of reisbureaus, in plaats van aan geaccrediteerde parlementaire medewerkers (accredited parliamentary assistants, “APA’s”); merkt evenwel met bezorgdheid op dat de secretaris-generaal nog geen beoordeling van de nieuwe regels heeft vrijgegeven en dringt erop aan een dergelijke beoordeling op te stellen; benadrukt dat de intern controleur bij de voorbereiding van een dergelijke beoordeling moet worden geraadpleegd over de bestaande procedures;

20.  betreurt dat er geen sprake is van genderevenwicht ; op het niveau van het management binnen de administratie van het Parlement; erkent in dat opzicht de positieve ontwikkelingen en de nieuwe doelstellingen; erkent dat dit onderwerp voortdurend moet worden gemonitord;

21.   herinnert eraan dat het Bureau in de kwijtingsresolutie van 2018 werd verzocht meer personen met een handicap in dienst te nemen bij de administratie van het Parlement;

22.  herhaalt zijn verzoek aan de secretaris-generaal om aan te dringen op een echt geografisch evenwicht door middel van een proportionele vertegenwoordiging van alle lidstaten op alle personeelsniveaus, met inbegrip van het hoger leidinggevend personeel; wijst op de moeilijkheden die het Parlement heeft ondervonden bij het aanwerven van bepaalde nationaliteiten; benadrukt hoe belangrijk het is het Parlement als werkgever aantrekkelijker te maken in alle lidstaten;

23.   is ingenomen met de nota van de secretaris-generaal over het beheer ten aanzien van personen met een handicap bij de administratie van het Europees Parlement; benadrukt dat de tien toezeggingen die in de nota worden gedaan op gebieden als digitale en fysieke toegankelijkheid nog tijdens de huidige zittingsperiode moeten worden nagekomen en verzoekt de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de gemaakte vorderingen;

24.  herinnert eraan dat met artikel 11 van het Reglement voor rapporteurs, schaduwrapporteurs en commissievoorzitters de verplichting is ingevoerd om informatie te publiceren over vergaderingen die zij in het kader van hun verslagen hebben gehad met belangenvertegenwoordigers; merkt met tevredenheid op dat sinds het begin van de nieuwe zittingsperiode op de website van het Parlement de nodige infrastructuur beschikbaar is om de leden in staat te stellen geplande vergaderingen met belangenvertegenwoordigers aan te kondigen teneinde de transparantie te vergroten; merkt op dat 324 van de 705 huidige leden op 1 december 2020 ten minste één vergadering met een belangenvertegenwoordiger op de website van het Parlement hadden aangekondigd; dringt er echter op aan dat de toegankelijkheid en bruikbaarheid van het instrument verder worden verbeterd door rapporteurs, schaduwrapporteurs en commissievoorzitters te wijzen op de verplichting om dergelijke informatie te publiceren, om het Parlement opener en transparanter te maken en de en controleerbaarder voor de burgers te verbeteren;

25.  herhaalt dat de voorzitter van het Parlement de diensten van het Parlement de opdracht heeft gegeven het instrument op een aantal punten te wijzigen teneinde de gebruiksvriendelijkheid ervan te verbeteren, in de eerste plaats door het te koppelen aan het Transparantieregister en het Wetgevingsobservatorium; verzoekt het Parlement die wijzigingen onverwijld door te voeren;

Algemene context

26.  wijst op de gedachtewisseling tussen de vicevoorzitter belast met de begroting, de secretaris-generaal en de leden van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, in aanwezigheid van de intern controleur en de directeur van de Autoriteit, op 16 november 2020, in het kader van de kwijting 2019 van het Parlement;

27.  wijst erop dat 2019 voor het Parlement in twee helften is opgedeeld als gevolg van de verkiezingen in mei 2019, waarbij de eerste helft draaide om de aanneming van wetgeving en de tweede om de start van een nieuwe zittingsperiode;

28.  constateert dat 61 % van de leden van het Parlement in de negende zittingsperiode nieuw is, een aanzienlijke toename ten opzichte van eerdere termijnen en de voorspelling van 50 % waarvan werd uitgegaan in de begroting van het Parlement voor 2019;

29.  brengt in herinnering dat het uitstel van de uittreding van het VK uit de Unie, tot driemaal toe in 2019, een belangrijk effect had op de begroting van het Parlement voor 2019; wijst erop dat de Britse leden en hun medewerkers langer salaris en vergoedingen hebben ontvangen dan eerst werd voorzien, waardoor aanzienlijk meer overdrachten van middelen binnen de begroting van het Parlement nodig waren tegen hogere totale kosten; is ingenomen met de flexibele wijze waarop het directoraat-generaal Personeelszaken (DG PERS) de arbeidsovereenkomsten van de APA’s van Britse leden heeft beheerd;

30.  stelt met genoegen vast dat het front-office van de APA’s is doorontwikkeld tot één loket voor het totale beheer van de werving van geaccrediteerde parlementaire medewerkers, en is ingenomen met de rol van DG PERS bij het vergemakkelijken van de indienstneming en integratie van nieuwe leden en APA’s na de verkiezingen en met het succesvolle beheer van de overgang naar de nieuwe zittingsperiode door de speciale taskforce van DG PERS voor de verkiezingen in 2019, die ervoor heeft gezorgd dat er voor de eerste vergaderperiode van de negende zittingsperiode 1 292 arbeidsovereenkomsten voor APA’s waren gesloten (oftewel voor 93 % van de leden), en 2 017 overeenkomsten tegen het einde van het jaar;

31.  betreurt dat de leden aan het begin van het mandaat wegens de hoge werkdruk bij DG PERS moeilijkheden ondervonden met het snel aanwerven van assistenten; verzoekt om de versterking van de administratieve teams van het Parlement die verantwoordelijk zijn voor de aanwerving van APA’s aan het begin van elk nieuw mandaat, voor de tijd die nodig is om leden in staat te stellen hun assistenten aan te werven en te voorzien in een uitgebreide opleiding en totdat de hoge werklast is weggewerkt;

32.  bevestigt opnieuw dat de bepalingen van het Statuut betreffende de termijn voor het aanvragen van de inrichtingsvergoeding op gelijke voet voor alle personeelscategorieën moeten worden toegepast; verzoekt DG PERS zich met name te buigen over de gevallen van voormalige APA’s waarbij de statutaire termijn aan het einde van de zittingsperiode in juli 2019 niet correct is toegepast;

33.  spreekt zijn waardering uit voor de overname van de nieuwe taken op het gebied van personeelsbeheer met betrekking tot de stagiairs van de leden nadat het Bureau op 2 juli 2019 had besloten om het kader voor de aanwerving van stagiairs te versterken;

34.  is ingenomen met de succesvolle voltooiing in 2019 van de nieuwe werkomgeving voor de leden in Brussel en Straatsburg; spreekt zijn waardering uit voor het feit dat de renovatie van alle kantoren van de leden in Brussel (één persoonlijk kantoor per lid en twee kantoren voor medewerkers) en in Straatsburg (één persoonlijk kantoor en één kantoor voor medewerkers) in recordtijd en eerder dan gepland is voltooid, en ook nog eens binnen de toegekende begroting, en dat het nieuwe meubilair, met inbegrip van geïntegreerde IT-apparatuur, is geïnstalleerd tegen lagere kosten dan oorspronkelijk was voorzien; stelt vast dat het herziene plan voor de toewijzing van kantoren voor leden en fracties is gebaseerd op het meest efficiënte gebruik van de beschikbare kantoorruimte; betreurt dat dit beginsel ertoe heeft geleid dat de leden van bepaalde politieke fracties zonder logisch verband over verschillende gebouwen en verdiepingen zijn verspreid, waardoor de eenheid van de politieke fracties wordt doorbroken; betreurt tevens dat de verdeling van kantoren tussen politieke fracties sommige fracties heeft gedwongen naar externe gebouwen te verhuizen die niet meer verbonden zijn met de hoofdgebouwen van het Parlement, waardoor het personeel en de leden structureel van elkaar zijn gescheiden; neemt kennis van het feit dat de diensten in het Trèves 1-gebouw gebrekkig zijn en dat prioriteit moet worden toegekend aan het vinden van oplossingen om dat gebouw met de hoofdgebouwen te verbinden;

35.  merkt op dat telewerkregelingen en stemmen op afstand nu deel uitmaken van de arbeidsregelingen van leden van het Parlement; verzoekt het Bureau die regelingen te blijven bevorderen voor alle leden, indien zij daar gebruik van wensen te maken, en te analyseren of ze in de toekomst eveneens kunnen worden toegepast om leden in staat te stellen zowel vergaderingen in hun kiesdistricten als met hun collega’s in Brussel te houden gedurende zogeheten hybride weken; merkt echter op dat de fysieke aanwezigheid in de gebouwen van het Parlement niet volledig kan worden vervangen door telewerken;

36.  betreurt dat er geen systeem is om te waarborgen dat leden die om gerechtvaardigde redenen, bijvoorbeeld zwangerschaps-, ouderschaps-, zorg- of langdurig ziekteverlof, afwezig zijn, hun kerntaken kunnen blijven uitvoeren en met name kunnen spreken tijdens debatten en kunnen stemmen; acht deze situatie in strijd met de kernwaarden van de Unie, omdat zo het signaal wordt afgegeven dat een stem op een vrouwelijke kandidaat tijdelijke niet-vertegenwoordiging kan inhouden; verzoekt het Bureau de mogelijkheden te onderzoeken om de voortzetting van deelname op afstand te vergemakkelijken en te voorzien in de vervanging van een lid, zowel vrouwelijk als mannelijk, tijdens ouderschapsverlof en in bovengenoemde gevallen; verzoekt artikel 6 van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (Verkiezingsakte) te herzien om de situatie met betrekking tot ouderschapsverlof recht te zetten; verzoekt het Bureau het Reglement dienovereenkomstig te wijzigen;

37.  wijst erop dat het laissez-passer van de Europese Unie moet worden toegekend aan leden, functionarissen en andere personeelsleden van de Unie, op basis van de voorwaarden uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1417/2013(3); herinnert eraan dat in artikel 5, lid 3, van het Reglement het recht is verankerd dat alle leden hebben om een laissez-passer van de Unie aan te vragen “waarmee een lid zich vrij kan bewegen in de lidstaten en in andere landen die het erkennen als een geldig reisdocument” aangezien het laisser-passer door de autoriteiten van de lidstaten als geldige reisdocumenten moet worden erkend; betreurt de meldingen dat het laissez-passer in sommige lidstaten niet volledig wordt erkend als reisdocument; verzoekt het Parlement die situatie te onderzoeken en met de relevante autoriteiten overleg te plegen om ervoor te zorgen dat leden niet worden beperkt in hun vrije verkeer wanneer zij van en naar vergaderingen van het Parlement reizen;

38.  is zich ervan bewust dat het akkoord tussen het Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s financiële en administratieve voordelen heeft opgeleverd die bijdragen tot een gezond financieel beheer van de betrokken instellingen; wijst er echter nogmaals op dat dit akkoord naar de mening van de comités onevenwichtig is en door het Parlement niet in zijn geheel is nageleefd; is van mening dat alle openstaande kwesties moeten worden afgehandeld door middel van een verlenging of herziening van het huidige akkoord; verzoekt om de opstelling door de betrokken instellingen van een gezamenlijk verslag over dit akkoord en de lopende herziening ervan en om voorlegging van dat verslag aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement;

Communicatie en verkiezingen

39.  steunt de manier waarop het Parlement de Europese verkiezingen zichtbaarder heeft gemaakt door een uitgebreid netwerk van media, partners en vrijwilligers op te zetten, te begeleiden en in te schakelen, waarbij de leden van dit netwerk optraden als opiniemaker binnen hun eigen netwerken; merkt echter bezorgd op dat de opkomst bij de Europese verkiezingen van 2019 in bepaalde landen nog steeds te laag was; is van mening dat er een permanente campagne moet worden gelanceerd om de zichtbaarheid van de Europese verkiezingen en de rol van het Parlement in het wetgevingsproces te vergroten en dat hierbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar die landen;

40.  is verheugd dat meer dan 50 % van de stemgerechtigde burgers heeft deelgenomen aan de verkiezingen, en stelt met tevredenheid vast dat de opkomst voor het eerst sinds de eerste rechtstreekse verkiezingen van 1979 is gestegen; betreurt echter dat het Spitzenkandidaten-systeem voor de benoeming van de voorzitter van de Commissie niet werd gevolgd, hetgeen na de verkiezingen van 2014 wel gebeurde; wijst erop dat het systeem zorgt voor meer transparantie en voor een betere verantwoording van de Commissie tegenover het Parlement; merkt op dat de voorzitter van de Europese Commissie erkent dat de politieke richtsnoeren op dat gebied moeten worden aangescherpt; wijst erop dat de manier waarop de voorzitters van de instellingen worden benoemd en gekozen moet worden herzien, zoals wordt aangegeven in de politieke richtsnoeren;

41.  benadrukt dat het Europese verkiezingsproces toegankelijker moet worden gemaakt voor personen met een handicap;

42.  merkt op dat de Europese verkiezingen ook in het Verenigd Koninkrijk moesten worden gehouden en dat het Parlement zijn informatiecampagne ook in het Verenigd Koninkrijk heeft gevoerd;

43.  herinnert eraan dat DG COMM in 2019 813 personeelsleden telde en 5,3 % van de totale begroting van het Parlement beheerde;

44.  is van mening dat het nu belangrijker is dan ooit om de burgers van de Unie te informeren over de politieke aard van het Parlement en de werkzaamheden die zijn leden uitvoeren; steunt alle inspanningen van het Parlement en DG COMM om bewustzijn te kweken onder media, belanghebbenden en het algemene publiek omtrent het Parlement en zijn bevoegdheden en activiteiten; verzoekt DG COMM zich te blijven inspannen om de website van het Parlement toegankelijker, intuïtiever, samenhangender en gebruiksvriendelijker te maken aangezien het een instrument is om de instelling dichter bij de burgers te brengen;

45.  merkt op dat het Bureau DG COMM de opdracht heeft gegeven de burgers in de gehele Unie meer bewust te maken van de komende verkiezingen, teneinde de democratische participatie te vergroten; is ingenomen met de bijdrage die de verkiezing- en voorlichtingscampagne van het Parlement in 2019 leverde aan de hoogste opkomst in twintig jaar; spreekt zijn steun uit voor de innovatieve institutionele communicatiestrategie van het Parlement voor de Europese verkiezingen in 2019, die bedoeld was om de verkiezingen onder de aandacht te brengen en mensen aan te sporen om te gaan stemmen; stelt vast dat de strategie uitging van het versterken van de banden met de media en het ontwikkelen van een stevig netwerk van partners; acht het van groot belang dat het Parlement voortdurend en via verschillende communicatiekanalen in contact staat met de burgers, niet alleen in het verkiezingsjaar, maar gedurende de gehele zittingsperiode; benadrukt dat het van groot belang is synergieën tot stand te brengen met bestaande kanalen en de samenwerking met de liaisonbureaus van het Europees Parlement te versterken teneinde dubbel werk te voorkomen en het geld van belastingbetalers doeltreffend te gebruiken;

46.  maakt zich grote zorgen over de website EP Today en het misleidende gebruik van de naam van het Parlement en de symbolen van de Unie op die website; merkt gealarmeerd op dat EUvsDesinfo ontdekte dat 99 % van de artikelen die op EP Today verschenen, waren overgenomen van andere websites als Voice of America en Russia Today; uit zijn bezorgdheid over het feit dat in het follow-uponderzoek van EU DisinfoLab een grootschalige, 15 jaar durende, op de Unie gerichte beïnvloedingscampagne werd ontdekt waarvoor meer dan 750 lokale nepmedia en meer dan tien “zombie-ngo’s” werden ingezet; is bang dat de campagne, voordat die werd gedetecteerd en er onderzoek naar werd gedaan, erin is geslaagd leden te bereiken en te beïnvloeden; verzoekt DG COMM van het Parlement samen met de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie actie te ondernemen naar aanleiding van die kwestie;

47.  merkt op dat alle belanghebbenden van het Parlement voor en tijdens de verkiezingen op de hoogte zijn gehouden van desinformatie en dreigingen ten aanzien van het Parlement door entiteiten en actoren die de eenheid en de Europese democratie wilden ondermijnen; dringt er bij het Parlement op aan stevige maatregelen te nemen ter bestrijding van desinformatie via reguliere berichten en waarschuwingen, en passende opleidings- en bewustmakingsactiviteiten te organiseren voor leden, medewerkers en bezoekers; verzoekt het Parlement de externe communicatie over zijn activiteiten verder te versterken;

48.  herinnert aan de rol die de liaisonbureaus van het Europees Parlement hebben gespeeld in de gedecentraliseerde verkiezingscampagne; zij hebben het contact met de burgers en de media bevorderd met behulp van versterkte persteams en met belanghebbenden en opiniemaker samengewerkt om nieuwe doelgroepen en met name jongeren te bereiken; roept ertoe op dat de liaisonbureaus in de lidstaten gedurende de gehele zittingsperiode een actieve rol blijven spelen;

49.  uit zijn bezorgdheid met betrekking tot het onderzoek van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) naar het gebruik door het Parlement van een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming die politieke campagnes organiseert, voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van zijn activiteiten met betrekking tot de Europese verkiezingen van 2019; merkt op dat het onderzoek naar het gebruik door het Parlement van NationBuilder heeft geleid tot de eerste berisping ooit door de EDPS van een Unie-instelling wegens een schending van artikel 29 van Verordening (EU) 2018/1725, met betrekking tot de selectie en goedkeuring van subverwerkers die door NationBuilder worden gebruikt; merkt voorts op dat de EDPS vervolgens een tweede berisping afgaf nadat het Parlement had nagelaten een conform privacybeleid voor de “thistimeimvoting”-website te publiceren binnen de door de EDPS gestelde termijn; merkt tevreden op dat het Parlement in beide gevallen de aanbevelingen van de EDPS heeft opgevolgd; schaart zich achter de verklaring van de EDPS over het gevaar van onlinemanipulatie en het grote belang van strikte gegevensbeschermingsregels voor de democratie, met name in het digitale tijdperk;

50.  neemt kennis van de verschillende uitgaven voor 2019, die als volgt kunnen worden uitgesplitst:

Uitgave

Uitgaven 2019

Personeelskosten

24 293 036 EUR

Kosten van gebouwen

11 051 311 EUR

Veiligheidskosten

1 586 598 EUR

Communicatiekosten

11 906 438 EUR

Totaal

49 137 382 EUR

51.  merkt op dat het Bureau tijdens zijn vergadering van 11 februari 2019 heeft bevestigd dat het liaisonbureau van het Parlement in Londen zal blijven bestaan; merkt op dat het Bureau op 5 oktober 2020 heeft bevestigd dat het nevenkantoor in Edinburgh eind 2020 zou sluiten; wijst erop dat het liaisonbureau en de delegatie van de Europese Unie in het Verenigd Koninkrijk een cruciale rol zullen blijven spelen voor het Parlement bij het verlenen van diensten aan leden van delegaties naar het Verenigd Koninkrijk en om te blijven communiceren met de burgers, het maatschappelijk middenveld, de regering, de parlementaire omgeving en de media in dat land; merkt in dat opzicht op dat het liaisonbureau in het Verenigd Koninkrijk samenwerkt met de delegatie van de Europese Unie, rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van het Parlement en de Europese Dienst voor extern optreden; herinnert eraan dat de status en de autonomie van het personeel van het Parlement in het Verenigd Koninkrijk moeten worden gewaarborgd overeenkomstig het gevestigde model van het bureau in Washington, dat met succes wordt toegepast; betreurt derhalve de weigering van de regering van het Verenigd Koninkrijk om de volledige diplomatieke status van de ambassadeur van de Europese Unie in het Verenigd Koninkrijk te erkennen; verzoekt het Bureau en de Europese Dienst voor extern optreden samen met de Britse autoriteiten een praktische oplossing te vinden om het personeel van het Parlement dat werkzaam is bij het liaisonbureau in Londen een diplomatieke status toe te kennen;

52.  herinnert aan de bezorgdheid die vorig jaar reeds is geuit over het besluit van het Bureau van 11 februari 2019 betreffende de parlementaire ondersteuning voor de missie van de Europese Unie bij ASEAN in Jakarta, de delegatie van de Europese Unie bij de Afrikaanse Unie in Addis Abeba en de delegatie van de Europese Unie bij de Verenigde Naties in New York; benadrukt dat elk nieuw besluit dat wordt genomen, gebaseerd moet zijn op een grondige kosten-batenanalyse en herhaalt dat, gezien de specifieke aard van deze parlementaire steun, de Commissie begrotingscontrole van het Parlement moet worden voorzien van relevante gedetailleerde informatie; betreurt dat er nog geen meetbare indicatoren zijn ingevoerd om de resultaten jaarlijks te evalueren in het kader van de cyclus van het Parlement voor strategische planning, toezicht en rapportage; verzoekt de secretaris-generaal deze evaluatie met spoed uit te voeren en aan zowel de Begrotingscommissie als de Commissie Begrotingscontrole van het Parlement te presenteren zodra zij beschikbaar is;

53.  wijst erop dat de debatcultuur in het Parlement nieuw leven moet worden ingeblazen; is ingenomen met de beslissing om van de leden te eisen dat zij de voltallige vergadering bij redevoeringen toespreken vanaf het spreekgestoelte; is van mening dat de debatcultuur eveneens kan worden verbeterd door voldoende tijd te geven voor de uitwisseling van argumenten en tegenargumenten, bijvoorbeeld door de blauwekaartprocedure uit te breiden;

Gesponsorde bezoekersgroepen

54.  is ingenomen met de aanzienlijke inspanningen die het Parlement levert om zijn dienstenaanbod voor bezoekers uit te breiden en te verbeteren; is verheugd over het feit dat in 2019 maar liefst 1,5 miljoen bezoekers het Parlement hebben bezocht, waarbij het aantal jongeren met 26 % steeg ten opzichte van 2018;

55.  merkt met tevredenheid op dat in 2019, na de inwerkingtreding van de nieuwe regels van het Bureau voor de ontvangst van bezoekersgroepen in januari 2017, een controle is verricht met betrekking tot de bezoekersgroepen en dat in december 2019 actieplannen zijn voorgelegd aan DG COMM om het beheer- en controlekader en het regelgevingskader voor de vergoeding van bezoekersgroepen te verbeteren; merkt evenwel op dat we het doel van de bezoekersgroepen niet uit het oog mogen verliezen, namelijk om de burger nader kennis te laten maken met het Parlement, zijn taken en zijn interactie met de andere instellingen van de Unie en de werking van de Unie en haar omgeving, met inbegrip van de gaststeden;

56.  merkt op dat de herziene regeling voor de betaling van financiële bijdragen voor gesponsorde bezoekersgroepen op 1 januari 2017 in werking is getreden; brengt in herinnering dat fractieleiders, in overeenstemming met het in deze regels verankerde non-profitbeginsel, de verplichting hebben om ongebruikte financiële bijdragen terug te betalen nadat de diensten van het Parlement de financiële verklaring hebben geverifieerd; wil meer zekerheid hebben over de vraag of het beheer van gesponsorde bezoekersgroepen, met inbegrip van het proces voor de vergoeding van kosten die verband houden met bezoekers met een handicap, geheel voldoet aan de toepasselijke regels; herhaalt zijn verzoek om de mogelijkheid te schrappen om APA’s als groepshoofd aan te stellen, zodat de financiële verantwoordelijkheid van gesponsorde bezoekersgroepen uitsluitend berust bij een lid van de groep of bij beroepsbeoefenaars, d.w.z. derdebetalenden of reisbureaus;

57.  herinnert eraan dat de intern controleur van het Parlement in 2019 de uitvoering van de nieuwe regels heeft gecontroleerd, en dat hij in zijn in 2020 voltooide bevindingen opmerkt dat de financiële bijdragen voor bezoekersgroepen verder moeten worden afgestemd op de werkelijke kosten van de groepen, dat de voorafgaande controles bij de uitbetaling van de eerste bijdrage moeten worden versterkt en dat het bestaande systeem van controles achteraf moet worden versterkt; herhaalt dat de bevindingen van de intern controleur in aanmerking moeten worden genomen bij de evaluatie van bestaande procedures en het ontwikkelen van strengere controles vooraf, zodat het niet mogelijk is om geld op te hopen zonder dat dit gecontroleerd kan worden; vraagt om een verdere beoordeling van de huidige controles achteraf;

58.  wijst erop dat met de ontvangst van gesponsorde bezoekersgroepen waar personen met een handicap deel van uitmaken aanvullende kosten kunnen zijn gemoeid en dat hiervoor derhalve hogere financiële bijdragen vereist zijn, en pleit er bij het Bureau derhalve voor om te analyseren of de toewijzingen kunnen worden verhoogd om alle subsidiabele uitgaven van dergelijke groepen te dekken;

59.  spreekt zijn steun uit voor de activiteiten van het Parlamentarium in Brussel, dat 307 105 bezoekers ontving in 2019, ruimschoots meer dan in 2018, en van het Huis van de Europese geschiedenis, dat 199 256 bezoekers verwelkomde in 2019, een stijging van 21 % ten opzichte van 2018; is ingenomen met het succes van de Europa Experience-centra in Berlijn, Ljubljana, Straatsburg, Helsinki, Kopenhagen en Tallinn; merkt op dat de diensten van het Parlement een gezamenlijk werkprogramma hebben opgesteld, met als doel om tegen 2024 in alle lidstaten te beschikken over een Europa Experience-centrum;

Gebouwen

60.  herinnert eraan dat DG INLO 609 personeelsleden telde in 2019 en 12,6 % van de totale begroting van het Parlement beheerde;

61.  is zich ervan bewust dat het Bureau op 11 maart 2019 zijn goedkeuring hechtte aan een nieuwe aanpak van toekomstige verkenningen op de vastgoedmarkt voor liaisonbureaus van het Europees Parlement en Europa Experience-ruimten in verschillende lidstaten;

62.  is zich bewust van het feit dat het vastgoedbeleid belangrijk is, met name de voltooiing van de afrondende installatiewerkzaamheden in het Montoyer 63-gebouw in Brussel, dat in 2019 in gebruik is genomen, en het Adenauer-project in Luxemburg, dat volgens de planning eind juni 2023 voltooid zal zijn; heeft vernomen dat de Begrotingscommissie in 2019 heeft ingestemd met een collectieve overschrijving van 31 miljoen EUR voor de voorfinanciering van het project, exclusief projectbeheerkosten, financiële kosten, gecertificeerde organen enz.; betreurt de hogere kosten als gevolg van vertragingen in de bouw en merkt op dat transacties met de bouwondernemingen (in verband met de vertraging van het project) noodzakelijk zijn gebleken om verdere vertragingen en kosten te vermijden (ter hoogte van 5 % à 15 % van het contractbedrag);

63.  merkt op dat een nieuwe gebouwenstrategie voor de periode na 2019, die in april 2018 door het Bureau is aangenomen, draaide om behoeften waar nog onvoldoende op werd ingespeeld, zoals het aanpassen van de voorzieningen aan de veranderende vergaderpatronen (vergaderruimten met een ontwerp dat is afgestemd op wetgevende trialogen), het aanhalen van de lokale contacten en de contacten met de burgers door de “Europa Experience” te integreren in de liaisonbureaus van het Europees Parlement, de verdere verbetering van de beveiliging van de gebouwen van het Parlement en de renovatie ervan, en het verbeteren van de onderlinge verbinding tussen de centrale gebouwen van het Parlement door de voorkeur te geven aan koop- boven huurpanden;

64.  is bezorgd over de achterstallige acties die in 2018 met de interne controleur zijn overeengekomen ter bestrijding van de aanzienlijke restrisico’s op het gebied van het onderhoud, de renovatie en de exploitatie van gebouwen; verzoekt het Bureau een alomvattend onderhoudsbeleid vast te stellen en hierover verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit; is ingenomen met de geleidelijke afschaffing van overeenkomsten voor geëxternaliseerde beheerfuncties en de daarmee gepaard gaande besparingen;

65.  merkt op dat de eerste fase van het grootste onroerendgoedproject van het Parlement, de uitbreiding van het Konrad Adenauer-gebouw in Luxemburg, weldra zal worden voltooid (de oostelijke vleugel); merkt op dat het personeel van het Parlement in het najaar van 2019 in de toren is getrokken en dat het resterende deel van de oostelijke vleugel naar verwachting in november 2020 geleidelijk in gebruik zal worden genomen; wijst erop dat de bouw van de westelijke vleugel eind 2020 van start zal gaan en volgens de planning tegen 2023 voltooid moet zijn;

66.  neemt nota van de aanzienlijke infrastructuur van het Parlement, die als volgt kan worden opgesplitst:

Gebouwen in Brussel

Gebouwen in Luxemburg

Gebouwen in Straatsburg

11 in eigendom

2 in eigendom

5 in eigendom

4 gehuurd

3 gehuurd

 

659 092 m2

343 879 m2

344 283 m2

Liaisonbureaus van het EP en hulpkantoren

 

Totaal

37

In eigendom

12

Gehuurd

25

Oppervlak

28 383 m2

67.  herinnert eraan dat het Parlement in 2020 een internationale architectuurwedstrijd heeft uitgeschreven met twee opties: een alomvattende renovatie vanuit milieuoogpunt of de herbouw van het Spaak-gebouw; onderstreept dat bij de renovatie/herbouw rekening moet worden gehouden met kosteneffectiviteit en energie-efficiëntie als leidende criteria; verwacht dat zo spoedig mogelijk een gedetailleerde en openbare evaluatie wordt uitgevoerd van de kosten en energie-efficiëntie van het geselecteerde voorstel op basis van de samenvatting van het voorlopige project dat in de loop van 2021 door de winnende architect zal worden ontwikkeld en gepresenteerd aan de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole; eist dat bij de renovatie of herbouw rekening wordt gehouden met de huidige behoeften van het Parlement, zoals beschreven in de bijgewerkte gebouwenstrategie na 2019; wijst erop dat bij de renovatie of herbouw tevens rekening moet worden gehouden met de huidige behoeften van de leden en het personeel met het oog op de recente beperkingen en de nieuwe vereiste aanpassingen op het gebied van gezondheid en veiligheid;

68.  wijst op het besluit van het Bureau van 25 november 2019 om tegen het eind van de huidige zittingsperiode (2024) in alle lidstaten een Europa Experience-bezoekerscentrum in te richten, en op het tempo waarin dat besluit momenteel wordt uitgevoerd; verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement regelmatig op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering;

69.  verwelkomt het idee dat het Parlement zich inzet om de nodige aanpassingen en renovaties van zijn gebouwen door te voeren om ze toegankelijk te maken voor alle gebruikers, overeenkomstig de normen van de Unie en de nationale rechtskaders; benadrukt dat de werkzaamheden ter verbetering van de toegankelijkheid van gebouwen voor personen met een handicap of beperkte mobiliteit in Straatsburg reeds van start zijn gegaan en dat de projecten in Brussel en Straatsburg en in zes liaisonbureaus van het Europees Parlement zullen worden voortgezet; dringt aan op voortzetting van dergelijke renovaties in alle andere gebouwen van het Parlement door zich in te zetten voor de uitvoering van de voorschriften voor functionele toegankelijkheid voor de bebouwde omgeving zoals vastgelegd in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2019/882(4) en door te verwijzen naar relevante internationale en Europese normen om aan deze voorschriften te voldoen in de aanbestedingsprocedures, zodat leden, personeel en bezoekers met een handicap of beperkte mobiliteit de gebouwen kunnen betreden en gebruik kunnen maken van de faciliteiten ervan, op gelijke voet met anderen, in lijn met de verplichtingen die zijn vastgesteld in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; onderstreept dat de middelen deze maatregelen/uitgaven op efficiënte wijze moeten dekken;

70.  is bezorgd over het feit dat de warmwatervoorziening in de kantoren van de leden in Brussel en Straatsburg in 2017 is afgesloten en nog steeds afgesloten is; merkt op dat de quaestoren op 24 oktober 2017 hebben besloten de warmwatervoorziening in de kantoren van de leden in Brussel en Straatsburg stop te zetten vanwege de gezondheidsrisico’s in verband met de schadelijke legionellabacterie in de verouderde en aan slijtage onderhevige waterleidingstelsels van de gebouwen; stelt vast dat de grootste uitdaging bij het herstellen van de warmwatervoorziening in de gebouwen van het Parlement gelegen is in het feit dat bij een grondige reiniging van de verouderde leidingen, waaronder verschillende doodlopende leidingen, het gehele systeem moet worden stilgelegd, en dat een dusdanig groot project een diepgaande haalbaarheidsstudie vereist waarin rekening wordt gehouden met de effecten van verhuizingen, verplaatsingen, stof en lawaai voor de wetgevingswerkzaamheden van de leden; dringt er bij DG INLO op aan door te gaan met het treffen van compenserende maatregelen;

71.  merkt op dat in 2019 een eerste aanbesteding werd uitgeschreven om contracten af te sluiten voor nieuwe bankfaciliteiten en dat uiteindelijk slechts één bank een offerte heeft ingediend voor een ruimte waar deze bank zelf al was gevestigd; wijst erop dat in 2020 een tweede aanbesteding werd uitgeschreven om de andere twee bankruimten te vullen en dat er geen offertes werden ontvangen; betreurt dat het kantoor van ING alleen de twee eerste maanden van de huidige parlementaire termijn open was om rekeningen te openen voor veel van de nieuw verkozen leden en aangenomen APA’s, en vervolgens werd gesloten; merkt op dat de supermarkt eveneens heeft besloten niet om verlenging van zijn concessie te verzoeken, maar is verheugd dat er in de toekomst een concessie zal worden verleend aan een levensmiddelenmarkt op de begane grond van het Spinelli-gebouw; verzoekt de administratie de voorwaarden voor de exploitatie van commerciële concessies te evalueren en aantrekkelijker te maken teneinde kwalitatief hoogwaardige dienstverleners aan te trekken;

72.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan diensten in het Trèves 1-gebouw; verzoekt het Parlement prioriteit toe te kennen aan het vinden van een oplossing die waarborgt dat dit gebouw een daadwerkelijke verbinding heeft met de hoofdgebouwen van het Parlement, waar de meeste parlementaire activiteiten plaatsvinden;

73.  wijst op recente berichten in de media dat de thermische camera’s die worden gebruikt in de gebouwen van het Parlement om de temperatuur te meten van alle personen die het Parlement betreden, zijn vervaardigd door Hikvision, een onderneming die camera’s uit China importeert en camera’s produceert voor de Chinese provincie Xinjiang(5); herinnert eraan dat Hikvision ervan is beschuldigd bewakingsapparatuur te leveren aan interneringskampen in die provincie(6); merkt op dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat Hikvision via zijn activiteiten in Xinjiang bijdraagt aan ernstige mensenrechtenschendingen; herinnert eraan dat het Parlement de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken in 2019 toekende aan Ilham Tohti voor zijn inspanningen om de rechten van de Oeigoerse bevolking in China te beschermen; is derhalve van mening dat het gebruik van thermische camera’s van die leverancier in de gebouwen van het Parlement onaanvaardbaar is; verzoekt de secretaris-generaal het contract met Hikvision op te zeggen en alle thermische camera’s van Hikvision uit de gebouwen van het Parlement te verwijderen; beklemtoont dat de administratie in de toekomst voorzichtiger moet zijn wanneer het leveranciers selecteert;

Beveiliging en veiligheid

74.  herinnert eraan dat het directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid (DG SAFE) in 2019 770 personeelsleden telde en 1,5 % van de totale begroting van het Parlement beheerde;

75.  is verheugd over het feit dat zich sinds 2015 geen groot veiligheidsincident in de gebouwen van het Parlement heeft voorgedaan; maakt zich echter zorgen over het totale aantal leden, fractiesecretariaten en de APA’s dat gevallen van diefstal in de gebouwen van het Parlement heeft gemeld; merkt op dat de geschatte totale waarde van de voorwerpen, ongeveer 60 000 EUR per jaar, de afgelopen drie jaar stabiel is gebleven; verwacht dat de beveiliging voortdurend wordt versterkt;

76.  neemt nota van de onmiddellijke acties die het Bureau tijdens zijn vergadering van 22 juli 2020 heeft goedgekeurd, waaronder een bewustmakingscampagne, de bescherming van waardevolle IT-apparatuur, de voorafgaande kennisgeving van onderhoudswerkzaamheden en de verstrekking van afzonderlijke lopers voor elke verdieping en een strenge beperking van de uitgifte ervan; spreekt echter zijn afkeuring uit over de specifieke boodschap en de algemene toon van de bewustmakingscampagne tegen de inbraken in de gebouwen van het Parlement, omdat het erop lijkt dat de leden en het personeel de schuld krijgen in plaats van dat er praktische veiligheidsaanbevelingen worden gedaan; verwacht dat het Parlement langetermijnmaatregelen overweegt om diefstal te voorkomen, onder meer door de voorgestelde invoering van verschillende niveaus van toegangsrechten in de gebouwen van het Parlement, meer cameratoezicht en verdere maatregelen met betrekking tot het beheer van sleutels, waaronder de mogelijkheid om elektronische deursloten te installeren, rekening houdend met de noodzakelijke evenredigheid tussen de benodigde investeringen en de werkelijke waarde van de gestolen voorwerpen, evenals de eerbiediging van privacy;

77.  dringt aan op de invoering van een interne strategie om personen met een beperkte mobiliteit of een handicap in noodgevallen te evacueren;

78.  is verheugd over de maatregelen die zijn genomen om de beveiliging van de gebouwen van het Parlement te verbeteren, met name de screening van werknemers van externe dienstverleners, en over de internalisering van de algemene beveiligingsdiensten in Luxemburg, die in 2012 werd goedgekeurd door het Bureau, maar die vertraging heeft opgelopen door de bouwwerkzaamheden van het nieuwe Adenauer II-gebouw; benadrukt dat er zich incidenten kunnen voordoen waarbij gewelddadige demonstranten publieke instellingen in de lidstaten betreden en personeel en leden bedreigen, en moedigt DG SAFE derhalve aan de huidige beveiligingsmaatregelen te evalueren en aanbevelingen te doen voor verdere verbeteringen;

79.  spreekt zijn steun uit voor interinstitutionele samenwerking op veiligheidsgebied, waaronder de ondertekening van een memorandum van overeenstemming over de screening van werknemers van externe dienstverleners die werkzaam zijn bij de instellingen van de Unie in België, de oprichting van een interinstitutionele werkgroep die belast is met de harmonisatie van veiligheidsmaatregelen die worden toegepast in de liaisonbureaus van het Parlement en de vertegenwoordigingen van de Commissie in de lidstaten, de lopende gezamenlijke analyse door de veiligheidsdiensten van de instellingen van de Unie om de meest geschikte gebieden voor nauwere samenwerking vast te stellen en in kaart te brengen alsook de omvang van deze mogelijke samenwerking, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde diensten te delen, en de vorderingen met de invoering van een interinstitutionele toegangspas;

80.  merkt tevreden op dat er aanbestedingsprocedures zijn gestart voor de invoering van een systeem voor automatische voertuigherkenning bij alle in- en uitgangen van parkeergarages en voor de verhuizing naar het Adenauer II-gebouw;

81.  herinnert eraan dat openheid naar de burgers het Parlement kenmerkt en dat een passend evenwicht moet blijven bestaan met het noodzakelijke beveiligingsniveau;

Cyberbeveiliging en ICT-beveiliging

82.  herinnert eraan dat het directoraat-generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning (DG ITEC) in 2019 480 personeelsleden telde en 6 % van de totale begroting van het Parlement beheerde;

83.  herinnert aan het door de dienst Interne Audit opgestelde advies met betrekking tot het ernstige IT-incident van 2017 en de bedrijfscontinuïteit, dat drie aanbevelingen omvatte om de ICT-infrastructuur van het Parlement nader te beschermen door de lijst van kritieke en kerninformatiesystemen aan te vullen met een duidelijker overzicht van de koppeling tussen taken en activa en met gedocumenteerde activa in verband met afhankelijkheden, en door ervoor te zorgen dat het gehuurde pand waarin de computerruimte van het Parlement in Brussel zich bevindt, op een hoger niveau wordt gecertificeerd;

84.  begrijpt dat geprivilegieerde toegangsrechten van belang zijn voor onderhouds- en ontwikkelingswerkzaamheden; verzoekt DG ITEC om duidelijke regels voor de controle van de toegang met betrekking tot deze geprivilegieerde accounts vast te stellen en de verlening van “supergebruikersrechten” te evalueren;

85.  is ingenomen met de lancering van een project voor een nieuw datacentrum, om het verouderde datacentrum van niveau II in Huizingen te vervangen door een centrum van niveau IV dat nodig is om de beveiliging, weerbaarheid en continuïteit van de ICT te verbeteren;

86.  steunt de inspanningen van het Parlement om de cyberbeveiligingsrisico’s in 2019 te verminderen, onder meer via de opstelling en publicatie van een cyberbeveiligingskader van het Parlement, systematische beoordelingen van de cyberbeveiligingsrisico’s van nieuwe gevoelige toepassingen en een jaarlijkse test met betrekking tot de penetratie via het internet; roept ertoe op verdere risico’s te identificeren en te minimaliseren en een op risico’s gebaseerd beheer uit te voeren; verzoekt DG ITEC de mogelijkheden voor het installeren van backups te verbeteren en een plan voor respons bij cyberbeveiligingsincidenten door te voeren;

87.  vestigt de aandacht op de plicht van het Parlement om de kritieke infrastructuur en gevoelige, vertrouwelijke gegevens rechtstreeks te beheren of ten minste rechtstreekse invloed uit te oefenen op het beheer ervan; geeft zijn administratie de opdracht die plicht na te komen;

88.  wijst op de grote rol die kosteloze en opensourcesoftware speelt bij het verbeteren van de beveiliging, aangezien die software het Parlement in staat stelt zwakke plekken te detecteren en te corrigeren, controle te houden over de gegevens die het op zijn servers host en oplossingen vorm te geven op basis van zijn eigen specificaties, waarbij lock-in kan worden vermeden;

89.  herinnert eraan de voorkeur te geven aan vrije en opensourcesoftware boven merkgebonden software wanneer nieuwe interne toepassingen worden overwogen; vraagt dat gevallen waarin niet wordt gekozen voor opensourcesoftware bij de ICT-bestuursorganen moeten worden gemeld;

90.  onderkent de inherente risico’s voor de informatiebeveiliging en -privacy wanneer leden en personeel gebruikmaken van oplossingen die afhankelijk zijn van derde partijen voor het delen van gevoelige gegevens, zonder dat het Parlement invloed kan uitoefenen op de manier waarop met de gegevens wordt omgegaan; dringt erop aan om, in overeenstemming met de strategische richtsnoeren inzake cyberbeveiliging die door het Bureau zijn goedgekeurd en teneinde die situatie te corrigeren, op de servers eigen, op opensource gebaseerde en veilige oplossingen voor virtuele vergaderingen en instant messaging te hosten, zoals momenteel gebeurt bij belangrijke instellingen in verschillende lidstaten, waaronder de Franse centrale overheid en de Duitse Bundeswehr;

91.  prijst de inspanningen van DG ITEC om een deel van zijn expertise en middelen op het gebied van cyberbeveiliging te bundelen in een computercrisisresponsteam van de Europese Unie (CERT-EU);

Technologie, digitalisering en innovatie

92.  is ingenomen met de succesvolle voltooiing van het systeem voor het financiële beheer van het Parlement in 2019, dat met ingang van het boekjaar 2020 in gebruik is genomen; is bezorgd over de verouderde hardware en roept ertoe op de IT‑modernisering voort te zetten door verouderde hardware te vervangen en strategische projecten op het gebied van e-Parlement, de mobiele omgeving voor leden en personeel, verder te ontwikkelen;

93.  wijst erop dat veranderingen in de salarisschaal van medewerkers van het Parlement niet automatisch worden bijgewerkt, maar handmatig moeten worden ingevoerd in de IT-systemen voor personeelsbeheer; is bezorgd over het risico op onverschuldigde betalingen als gevolg van onjuiste informatie die voortkomt uit het feit dat de salarisadministratie niet is geautomatiseerd; dringt er bij de diensten van het Parlement op aan een duurzaam IT-systeem voor de salarisschalen van het personeel op te zetten in samenwerking met de andere instellingen van de Unie;

94.  hecht zijn goedkeuring aan de aanzienlijke inspanningen voor voortdurende investeringen in de digitalisering van financiële processen, waaronder de vlotte en succesvolle uitrol en het gebruik van het nieuwe systeem voor financieel beheer en boekhouding (SAP) sinds november 2019 voor alle verrichtingen met betrekking tot de uitvoering van de begroting, aan de goedkeuring van de strategie inzake “hoogwaardige knooppunten voor administratieve diensten”, teneinde de klantenservice te verbeteren en de administratie efficiënter te maken, en aan het besluit van het Bureau van 17 juni 2019 om een begin te maken met de automatisering van de centrale aanwezigheidsregistratie, alsook met de uitbreiding van de functies van het e-portaal, als het enige digitale toegangspunt waar leden hun financiële en sociale rechten kunnen beheren;

95.  vraagt om verbetering van de huidige wijze van opsporen en volgen van IT-problemen tussen de operationele diensten van het Parlement, om de doeltreffendheid en transparantie te vergroten; wijst erop dat lokale ondersteuningsteams voor leden en hun kantoren aan IT verwante problemen vaak sneller en doeltreffender oplossen dan de telefonische ondersteuningsteams;

96.  roept ertoe op passende beveiligingsmaatregelen te nemen bij de invoering van cloudoplossingen in het Parlement, met inbegrip van maatregelen die de institutionele soevereiniteit waarborgen; dringt erop aan dat die soevereiniteit moet worden gewaarborgd door ervoor te zorgen dat de gegevens in eigen beheer en op het grondgebied van de Unie blijven, er geen lock-in ontstaat en door met meerdere leveranciers te werken en hierbij te garanderen dat de werkstromen en gegevens naadloos kunnen worden gemigreerd tussen de verschillende lagen van de hybride cloud (lokale opslag en private en openbare cloud) alsmede tussen aanbieders van clouddiensten naarmate de behoeften veranderen, en niet alleen wanneer wordt besloten bepaalde clouddiensten niet meer te gebruiken, teneinde meer flexibiliteit te bieden en de mogelijkheden om de gegevens te benutten te vergroten, zoals is overeengekomen in de werkgroep ICT-innovatiestrategie en vorig jaar door het Bureau is bevestigd;

97.  herinnert eraan dat de vicevoorzitters van het Europees parlement op politiek niveau significante eisen aan het cloudbeleid hebben gesteld, bijv. dat besluiten over welke categorieën gegevens in de cloud mogen worden bewaard en welke niet op het hoogste niveau moeten worden genomen en met betrekking tot de definitie van “soevereine cloud” en de keuze van aanbieders, en is van mening dat hier rekening mee moet worden gehouden in het proces voor de goedkeuring van het cloudbeleid door het Bureau, voordat er overeenkomsten met aanbieders van clouddiensten worden ondertekend;

98.  dringt erop aan het recht van leden en assistenten om gebruik te maken van kosteloze en opensourcekantoorsoftware te waarborgen;

99.  wijst op de noodzaak van een meer gebruiksvriendelijke, systematische en gecoördineerde benadering voor het tot stand brengen en omzetten van gegevens van openbaar belang in een open, machineleesbaar formaat dat voor gebruikers gemakkelijk toegankelijk is en opnieuw kan worden gebruikt; wijst er nogmaals op dat het van groot belang is dat het Parlement beschikt over een eigen beleid inzake open data; verzoekt de desbetreffende diensten bij het Bureau een concept in te dienen voor goedkeuring;

100.  herinnert eraan dat het overkoepelende doel van de cloudstrategie is om informatie te beveiligen en gegevens te beschermen en dat gegevens hiervoor moeten worden ingedeeld in specifieke categorieën aan de hand van gegevensbeschermings- en beveiligingsbeoordelingen; verzoekt het Bureau, na de door de desbetreffende diensten opgestelde risicoanalyses te hebben geëvalueerd, zijn goedkeuring te hechten aan de indeling in categorieën en de toepassingen die in de cloud mogen worden geplaatst dan wel binnen het Parlement moeten blijven;

101.  herinnert eraan dat volledige afhankelijkheid van één cloudaanbieder moet worden voorkomen en dat de beveiliging moet worden geoptimaliseerd door zo veel mogelijk gebruik te maken van opensourcesoftware en open standaarden;

102.  verzoekt zijn administratie aan de website van het Parlement een onderdeel toe te voegen waar het stemgedrag van elk lid tijdens de plenaire vergaderingen kan worden opgezocht, evenals de uitsplitsing van de stemmen naar politieke fracties en nationaliteit van de leden; verzoekt de desbetreffende diensten te evalueren of het haalbaar is amendementen die kort geleden in commissies en in de plenaire vergadering zijn ondertekend door leden die hieraan vrijwillig willen meewerken, op hun persoonlijke pagina op de website van het Parlement weer te geven;

103.  is ingenomen met de strategie “Digital Workplace4MEP” waarin oplossingen worden voorgesteld op het gebied van mobiliteit en efficiëntie; is van oordeel dat de beschikbaarstelling van kwalitatief goede hybride apparaten zal bijdragen aan het bereiken van de milieudoelstelling om het papierverbruik uiterlijk in 2024 te halveren; verwacht dat de invoering van dergelijke apparaten zal leiden tot aanzienlijke kostenbesparingen omdat andere typen apparaten worden uitgefaseerd;

104.  vestigt de aandacht op vier belangrijke onderzoeken die zijn uitgevoerd door de EDPS en die betrekking hadden op het Parlement: één naar het gebruik van NationBuilder voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van zijn activiteiten met betrekking tot de Europese verkiezingen van 2019, één naar het niet binnen de door de EDPS gestelde termijn publiceren van een conform privacybeleid voor de “thistimeimvoting”-website, één naar camera’s om de lichaamstemperatuur te meten en tenslotte een onderzoek naar de website voor het boeken van tests in het kader van de COVID-19-crisis; merkt op dat het Parlement in de eerste twee gevallen de aanbevelingen van de EDPS heeft opgevolgd; herinnert aan de eerder genoemde voorlopige evaluatie van het gegevensbeschermingskader van het Parlement; verzoekt de desbetreffende diensten van de administratie van het Parlement lering voor de toekomst te trekken uit de eerder genoemde onderzoeken;

105.  merkt op dat de wifi die wordt aangeboden in de gebouwen van het Parlement in Brussel vaak instabiel is en dat virtuele vergaderingen via videoconferentie derhalve niet altijd naadloos verlopen; verzoekt het Parlement het huidige systeem te upgraden naar een niveau dat toereikend is om als Parlement volledig op afstand te werken;

106.  is ingenomen met de twee Europese projecten, Red Flags en Digiwhist, waarbij big data wordt gebruikt om corruptie te bestrijden, en moedigt het gebruik van opkomende technologieën in het kader van digitalisering aan;

Toegang tot aanbestedingen

107.  is ingenomen met de verbeterde toegang van gebruikers tot aanbestedingen in het Parlement; streeft ernaar het digitaliseringsproces verder te verbeteren door te voorzien in algemene veelgestelde vragen over de aanbestedingsprocedures en door gebruikersvriendelijke toegang te garanderen;

108.  wijst op het huidige instrument voor elektronische aanbestedingsprocedures, TED, dat deel uitmaakt van het proces van digitale transformatie van aanbestedingsprocedures, maar benadrukt ook dat er behoefte is aan een meertalig onderdeel met vragen en antwoorden dat regelmatig wordt geactualiseerd;

Opkomende technologieën bij overheidsopdrachten

109.  herhaalt dat het Parlement vastbesloten is de digitale transformatie van overheidsopdrachten in stand te houden, teneinde de toegang tot overheidsopdrachten te vergemakkelijken en digitale technische innovatie te bevorderen; wijst erop dat de keuze van DG ITEC voor een cloudmodel aantoont hoe belangrijk het is om het potentieel van opkomende technologieën op het gebied van overheidsopdrachten te onderzoeken;

110.  merkt op dat de aanschaf van goederen en diensten door overheden goed is voor naar schatting 2 biljoen EUR of 13,3 % van het bbp(7); merkt op dat uit een studie die in 2020 werd geactualiseerd blijkt hoe nieuwe technologieën als blockchain, big data, AI, het internet der dingen en 3D-printen worden toegepast voor verschillende doeleinden: met AI en machinaal leren kan de toekomstige vraag worden geraamd en kunnen uitgaven voor aanbestedingen in categorieën worden ingedeeld, en chatbots kunnen vragen van gebruikers beantwoorden; wijst er verder op dat blockchain wordt gebruikt om voor transparantie te zorgen in de verschillende stadia van een openbare aanbesteding en te waarborgen dat er een digitaal register is van elke overeenkomst, elk proces en elke betaling, evenals één enkele, gedeelde bron van informatie; wijst er ten slotte op dat met 3D-printen onmiddellijk diverse objecten kunnen worden vervaardigd(8); vestigt de aandacht op het feit dat het gebruik van opkomende technologieën bij openbare aanbestedingen uiteindelijk de broodnodige digitale transformatie van het aanbestedingsproces zal bevorderen;

Transparantie

111.  merkt uitermate bezorgd op dat volgens de jaarverslagen van het Transparantieregister van de afgelopen jaren, ongeveer de helft van alle ingevoerde gegevens onjuist is; is bang dat het register niet zal kunnen zorgen voor meer transparantie omtrent de activiteiten van belangenvertegenwoordigers – het doel waarvoor het is opgezet – als de helft van de ingevoerde informatie onvolledig of onjuist is; dringt er bij het Parlement en de Commissie op aan iets te doen aan de grote hoeveelheid onjuiste gegevens door, op zijn minst tijdelijk, het personeelsbestand van het secretariaat van het Transparantieregister uit te breiden, alle ingevoerde informatie systematisch te controleren op juistheid en volledigheid en te waarborgen dat enkel correcte gegevens in het register terechtkomen;

112.  herinnert eraan dat, wat financiële belangen en belangenconflicten betreft, in artikel 4 van de gedragscode is bepaald dat de opgave van de financiële belangen van de leden op nauwkeurige wijze moet worden gedaan; betreurt dat er gevallen zijn waarin de opgave van bezoldigde en onbezoldigde externe activiteiten onvoldoende gedetailleerd is, waardoor de vraag rijst of dergelijke activiteiten kunnen worden gecontroleerd op een mogelijk belangenconflict met de parlementaire activiteiten van de leden; merkt op dat de Voorzitter, indien er reden is om te vermoeden dat de verstrekte informatie verouderd is, een lid kan verzoeken zijn opgave binnen de tien dagen te corrigeren; verzoekt het Bureau het formaat van de opgaven te herzien; pleit in dat verband voor overleg met relevante instanties in de lidstaten, met als doel goede praktijken uit te wisselen;

Aanwerving

113.  herinnert eraan dat DG PERS in 2019 459 personeelsleden telde en 48 % van de totale begroting van het Parlement beheerde;

114.  wijst erop dat, als resultaat van de verkiezingen in 2019, het percentage nieuwe leden in de negende zittingsperiode maar liefst 61 % bedraagt; benadrukt dat de secretaris-generaal en het Bureau, met het oog op het toenemende aantal voormalige leden, strenge regels inzake draaideuren moeten vaststellen, op grond waarvan voormalige leden het Parlement moeten informeren over hun activiteiten en dienstverbanden na afloop van hun mandaat, gedurende een periode die ten minste de termijn moet bestrijken dat voormalige leden de overbruggingstoelage ontvangen; verzoekt om een onafhankelijke beoordeling van de vraag of dergelijke activiteiten aanleiding geven tot belangenconflicten;

115.  is ervan overtuigd dat de aantrekkelijkheid van het Parlement als werkgever een essentieel onderdeel van zijn succes is; is uiterst bezorgd over de moeilijkheden om personen met een bepaalde nationaliteit en met een bepaald beroepsprofiel aan te werven; betreurt dat het Parlement te sterk afhankelijk is van externe expertise; merkt op dat bij DG PERS momenteel een project loopt om toptalenten aan te trekken en te behouden, met als doel het desbetreffende beleid van het Parlement te verbeteren en bij te dragen tot de ontwikkeling van de strategische langetermijnvisie van het Parlement op de banen van de toekomst; vraagt de secretaris-generaal er alles aan te doen om de diversiteit en het geografisch evenwicht in het personeelsbestand van het Parlement te verbeteren om tot een evenredige vertegenwoordiging per lidstaat te komen, onder meer wat het aantal leidinggevende posities betreft, en alle beschikbare opties te verkennen om de concurrentiepositie en aantrekkelijkheid van het Parlement als werkgever te versterken;

116.  is bezorgd over het gebrek aan diversiteit onder het personeel van het Parlement; verzoekt de secretaris-generaal prioriteit toe te kennen aan het vergroten van de diversiteit; neemt nota van de moeilijkheden bij het aantrekken van financiële en IT‑specialisten en van personeel in lagere rangen in Luxemburg, met name in de categorie AST-SC; benadrukt dat de invoering van een correctiecoëfficiënt die rekening houdt met de hogere kosten van levensonderhoud op die werkplek, in combinatie met aanwerving in een hogere rang, noodzakelijk is om dat structurele probleem op te lossen, en herhaalt in dat opzicht zijn verzoek aan de Commissie in het kader van de kwijtingsprocedure van 2018; benadrukt dat uit een voorlopige feitelijke analyse die de Rekenkamer in dit verband heeft gericht aan de secretaris-generaal blijkt dat de door het Europees Bureau voor personeelsselectie georganiseerde selectieprocedures niet zijn afgestemd op kleinschalige, gerichte vergelijkende onderzoeken, die het best geschikt zijn voor de huidige aanwervingsbehoeften van de EU-instellingen; stelt met tevredenheid vast dat het Parlement een actieve rol speelt bij de interinstitutionele inspanningen om de wijze waarop het Europees Bureau voor personeelsselectie momenteel de vergelijkende onderzoeken organiseert te evalueren; roept op om een nieuw selectiekader voor specialistische vergelijkende onderzoeken te ontwikkelen en om een mechanisme in te voeren om de selectieprocedure regelmatig te evalueren; verzoekt de secretaris-generaal om specialistische vergelijkende onderzoeken in voorkomend geval intern te organiseren;

117.  is voorts zeer bezorgd over het feit dat het voor DG ITEC erg moeilijk is om voldoende hooggekwalificeerde deskundigen met een zeer specifiek profiel en zeer specifieke kennis en ervaring aan te werven; verzoekt het Parlement dit verzoek naar behoren door te geven aan het Europees Bureau voor personeelsselectie, om beter in te spelen op de specifieke behoeften van de EU-instellingen, met name wat betreft de ICT-expertise in het Parlement op het gebied van cyberbeveiliging, cloudcomputing en artificiële intelligentie; betreurt dat het Parlement te sterk afhankelijk is van externe adviseurs en benadrukt hoe belangrijk het is dat DG ITEC zijn strategie voor de overgang van externe adviseurs naar arbeidscontractanten verder ontwikkelt teneinde de beveiligingsrisico’s voor het Parlement te minimaliseren;

118.  wijst op het belang van de totstandbrenging van een eerlijk geografisch evenwicht onder het personeel van het Parlement; stelt vast dat er op basis van de verhouding tussen het aantal personeelsleden en het aantal leden uit een dezelfde lidstaat geen verschillen bestaan tussen oudere en nieuwere lidstaten wat betreft de over- of ondervertegenwoordiging van lidstaten; merkt op dat België, Litouwen, Estland, Slovenië en Malta de vijf lidstaten met de hoogste verhouding tussen het aantal personeelsleden en het aantal leden zijn, terwijl Polen, Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Cyprus de vijf lidstaten met de laagste verhouding zijn; merkt op dat Slovenië en Litouwen behoren tot de zeven lidstaten met de hoogste verhouding tussen het aantal leidinggevenden en het aantal leden; verzoekt het Parlement ervoor te zorgen dat personeelsleden op alle niveaus in dienst worden genomen en worden bevorderd op basis van hun capaciteiten, efficiëntie en integriteit, zonder te discrimineren op grond van nationaliteit; verzoekt om verdere inspanningen om ervoor te zorgen dat het Parlement voor alle nationaliteiten van de Unie een even aantrekkelijke werkgever is;

119.  is ingenomen met het feit dat de bevordering van gelijke kansen een essentieel onderdeel is van het personeelsbeleid van het Parlement, dat de arbeidsparticipatie en integratie van personen met een handicap stimuleert; is tevreden over het feit dat de routekaart inzake gendergelijkheid verder wordt uitgevoerd door middel van concrete acties en dat het Bureau op 13 januari 2020 een reeks doelstellingen voor 2024 heeft vastgesteld inzake genderevenwicht in hoge en middelhoge leidinggevende functies in het secretariaat van het Parlement: 50 % vrouwelijke afdelingshoofden en directeuren en 40 % vrouwelijke directeuren-generaal; wijst erop dat het Bureau zich verder moet inspannen voor gendergelijkheid door zich te verbinden aan ambitieuzere doelstellingen die uiterlijk in 2022 moeten zijn verwezenlijkt: 50 % vrouwelijke afdelingshoofden en directeuren en 50 % vrouwelijke directeuren-generaal; verzoekt het Bureau tevens ambitieuze doelstellingen te formuleren voor lagere leidinggevende functies;

120.  herhaalt dat het essentieel is dat personeelsvertegenwoordigers worden gehoord wanneer het Bureau algemene zaken bespreekt die gevolgen hebben voor het personeelsbeleid en vraagt de secretaris-generaal opnieuw de nodige maatregelen te nemen om deze belangrijke aanpak toe te passen; herhaalt zijn verzoek aan de secretaris-generaal om verdere stappen te nemen om de transparantie en eerlijkheid tijdens benoemingsprocedures voor hoger leidinggevend personeel te waarborgen; vraagt om de volledige uitvoering van de maatregelen die het Parlement in zijn resolutie van 18 april 2018 heeft aanbevolen, namelijk het verzoek om functionarissen die lid zijn van organen voor personeelsvertegenwoordiging zitting te laten hebben in selectiepanels voor hogere leidinggevende functies van het Parlement; verzoekt bovendien om de waarborging van de consistentie ten aanzien van externe bekendmakingen van hogere leidinggevende functies en zorgvuldigheid bij de bekendmaking van deze functies wanneer en zodra deze vacant worden;

121.  herinnert aan de bevindingen en aanbevelingen van de Europese Ombudsman in de gevoegde zaken 488/2018/KR en 514/2018/K en nodigt de secretaris-generaal uit om de procedures voor de benoeming van hogere ambtenaren verder te verbeteren met het oog op meer transparantie en gelijkheid; verzoekt de administratieve diensten van het Parlement om jaarlijks verslag uit te brengen over de benoeming van hogere ambtenaren;

Personeel, geaccrediteerde parlementaire medewerkers en plaatselijke assistenten

122.  vestigt de aandacht op de streefwaarde voor personeelsreductie van 6 %, die er in 2019 toe leidde dat het Parlement 59 functies moest schrappen uit de personeelsformatie voor zijn administratieve diensten; merkt op dat tegelijkertijd het aantal arbeidscontractanten is gestegen; waarschuwt voor de ernstige gevolgen die bezuinigingen op de administratie of personeelsreducties in de toekomst kunnen hebben voor het ambtenarenapparaat van de Europese Unie en voor de uitvoering van het beleid van de Unie; is in het bijzonder bezorgd over de negatieve effecten die deze aanzienlijke reductie naar aanleiding van de personeelshervorming van 2014 zal hebben op de prestaties van het Parlement op korte en lange termijn, maar is zich er ook van bewust dat een verantwoord begrotingsbeheer moet worden gevoerd en dat waar nodig moet worden bezuinigd; merkt op dat bepaalde parlementaire commissies meer werk en verantwoordelijkheden hebben gekregen, aangezien zij nu verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de middelen van het EU-herstelplan Next Generation EU van 750 miljard EUR, dat samen met het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 goed is voor 1,8 biljoen EUR; is bezorgd dat de desbetreffende secretariaten niet over voldoende administratief personeel beschikken; vraagt om een herbeoordeling van de personeelsbezetting;

123.  merkt op dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de EU-instellingen het aantal banen voor ambtenaren (d.w.z. vast en tijdelijk personeel) heeft verminderd en het aantal arbeidscontractanten geleidelijk aan heeft verhoogd (een stijging van 121 % tussen 2012 en 2018, met een vergelijkbare tendens in 2019), wat heeft geleid tot een aanzienlijke toename van het aandeel arbeidscontractanten in het totale personeelsbestand; betreurt ten zeerste dat arbeidscontractanten bij de administratieve diensten van het Parlement nauwelijks loopbaanvooruitzichten hebben; verzoekt de secretaris-generaal om de risico’s in verband met het toenemende aantal arbeidscontractanten te beoordelen, met inbegrip van het gevaar dat een tweelagige personeelsstructuur wordt gecreëerd binnen het Parlement; dringt erop aan dat belangrijke vaste functies en taken worden uitgeoefend door vast personeel; merkt op dat in het verslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de Uniebegroting van 2019 niet werd onderzocht of die vervangingen het gevolg waren van overplaatsingen van personeel dat in Straatsburg of Luxemburg werkzaam was naar Brussel; verzoekt de afdeling Human Resources van het Parlement informatie te delen over de overplaatsing van personeel tussen de drie werkplaatsen van het Parlement sinds 2012, ofwel in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure, ofwel door relevante informatie te delen met de Rekenkamer zodat die kan worden opgenomen in de volgende jaarverslagen over de uitvoering van de begroting;

124.  wijst op het feit dat in de huidige regels inzake de beëindiging van contracten voor APA’s niet is voorzien in de mogelijkheid van beëindiging met “wederzijdse instemming”, wat een manier zou zijn om de speciale politieke band tussen leden en medewerkers te erkennen, waarbij beide partijen kunnen erkennen dat niet langer sprake is van wederzijds vertrouwen en kunnen profiteren van een gemeenschappelijke oplossing, zonder de sociale rechten van de APA’s in te perken; merkt op dat die kwestie is aangekaart in verschillende kwijtingsverslagen over het Parlement en verwacht dat er zo snel mogelijk maatregelen worden getroffen;

125.  merkt op dat personeelsleden die minder dan tien jaar bij de Unie-instellingen werken geen aanspraak kunnen maken op een Uniepensioen, en dat zij hun bijdragen moeten overdragen naar een ander fonds dat voldoet aan de regels van het Parlement inzake het type fonds en de leeftijd waarop de middelen kunnen worden opgenomen; merkt op dat veel Britse APA’s niet konden overstappen naar bepaalde pensioenfondsen in het Verenigd Koninkrijk omdat het Parlement meent dat die niet aan de vereisten voldoen; verzoekt de secretaris-generaal die kwestie dringend te onderzoeken en ervoor te zorgen dat alle personeelsleden toegang hebben tot hun bijdragen;

126.  herinnert eraan dat het Parlement heeft verzocht om Uniewetgeving op grond waarvan werknemers het recht hebben om offline te zijn buiten de werkuren zonder dat dit negatieve gevolgen heeft; verzoekt het Parlement dat beginsel zelf ook te bevorderen en toe te passen;

127.  is erg bezorgd over het aantal personeelsleden dat met langdurig ziekteverlof is, waarbij sommige van de gevallen te maken kunnen hebben met uitputting en een verstoord evenwicht tussen werk en privéleven; verzoekt de administratieve diensten en de leiding van de fracties om zich proactief op te stellen ten aanzien van het betrokken personeel, de werklast van het personeel zorgvuldig te evalueren en te zorgen voor een evenwichtige verdeling van de taken; benadrukt in dat opzicht dat redelijke werktijden belangrijk zijn en vergaderingen buiten de werktijden, die het evenwicht tussen werk en privéleven van leden en personeel verstoren, moeten worden vermeden, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met het parlementaire vergaderrooster; is ingenomen met de campagne “Mind Matters”, die in 2018 door DG PERS werd gelanceerd om bewustwording rond geestelijke gezondheid te creëren en stigma’s op dat gebied te bestrijden; dringt er bij de administratieve diensten van het Parlement en de leiding van de fracties op aan een beoordeling van de psychologische risico’s uit te voeren om deze risico’s op de werkplek te identificeren en gerichte actieplannen op te zetten om ze weg te nemen of de negatieve effecten ervan te verminderen; vraagt om een herbeoordeling van de toepasselijke regels om sneller vervangers in dienst te kunnen nemen in geval van langdurig ziekteverlof;

128.  wijst erop dat het besluit van het Bureau om categorieën van commissies vast te stellen op basis van hun wetgevingswerklast dringend moet worden herzien, zodat eveneens rekening wordt gehouden met hun begrotingsgerelateerde werkzaamheden; merkt op dat de huidige situatie met name ongunstig is voor de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, die te kampen heeft met een chronisch personeelstekort en een hoge werklast door de kwijtingsprocedure, maar weinig wetgevingswerkzaamheden uitvoert; verzoekt de administratieve diensten van het Parlement nogmaals om op zo kort mogelijke termijn innovatieve oplossingen te vinden om de situatie te verbeteren;

129.  verzoekt de secretaris-generaal een oplossing te vinden voor het feit dat het salaris van APA’s uitsluitend kan worden overgemaakt naar Belgische bankrekeningen, wat in strijd is met het idee van een eengemaakte monetaire en betalingsunie;

130.  is verheugd over de ontwikkeling van maatregelen die bijdragen tot een beter evenwicht tussen werk en privéleven, waaronder de invoering van uitgebreide telewerkmogelijkheden voor het personeel van het Parlement en van maatregelen ter bevordering van het welzijn op het werk; merkt evenwel op dat de fysieke aanwezigheid in het Parlement van waarde is; benadrukt de bijdrage van telewerkregelingen en stemmingen op afstand aan de verdere vermindering van de koolstofvoetafdruk van het Parlement; wijst erop dat het personeel en de leden van het Parlement de kans moeten krijgen zogeheten “hybride” vergaderingen te blijven houden en op afstand te blijven stemmen; verzoekt het Bureau in mechanismen te blijven voorzien om die regelingen in de toekomst te faciliteren;

131.  steunt de voortgezette uitvoering van de activiteiten van het actieplan voor gelijkheid en diversiteit 2014-2019; dringt aan op het belang van een beter genderevenwicht op alle niveaus, met inbegrip van de directeuren-generaal; steunt de maatregelen uit het verslag over andere vormen van diversiteit dan genderdiversiteit bij het secretariaat van het Parlement – stand van zaken en stappenplan, dat het Bureau op 3 april 2019 heeft goedgekeurd; is in het bijzonder ingenomen met de oprichting in 2020 van twee contactpunten in het Parlement, één voor LHBTI+-kwesties en één voor kwesties met betrekking tot rassendiscriminatie, die beide worden beheerd door de afdeling Gelijkheid, Inclusie en Diversiteit van DG PERS;

132.  herinnert aan de bevindingen en aanbevelingen van de Europese Ombudsman(9); betreurt het huidige verlofbeleid van het Parlement, dat ertoe heeft geleid dat slechts 10 dagen buitengewoon verlof zijn toegekend aan een vader van twee tweelingen, omdat er geen moederlijke band tussen hem en zijn kinderen bestaat; vindt het contrast met het verlof van zijn echtgenoot in de Commissie, die 20 weken ad hoc buitengewoon verlof heeft gekregen, frappant; neemt nota van het schriftelijke antwoord van de administratie van het Parlement waarin wordt verklaard dat de diensten van het Parlement werken aan nieuwe regels; verzoekt de administratie van het Parlement zijn beleid inzake buitengewoon verlof af te stemmen op dat van de Commissie, dat het belang van het kind vooropstelt;

133.  is ingenomen met de twee positieve-actieregelingen van het Parlement op grond waarvan de afgelopen twee jaar twaalf arbeidscontractanten en twee stagiairs met een handicap zijn aangeworven;

134.  steunt de lancering van een bewustmakingscampagne in 2019 ter bevordering van een nultolerantiebeleid inzake intimidatie op de werkvloer; neemt kennis van het feit dat het Parlement een nultolerantiebeleid voert ten aanzien van intimidatie op alle niveaus, met inbegrip van leden, personeel en APA’s; merkt op dat alle leden na de verkiezingen van 2019 een verklaring moesten ondertekenen waarin zij zich ertoe verbonden zich te houden aan de code voor passend gedrag die in januari 2019 is opgenomen in het Reglement van het Europees Parlement; betreurt evenwel dat in 2019 tien nieuwe intimidatiezaken zijn geopend, en dat vier van die zaken betrekking hadden op seksuele intimidatie; is verheugd over het feit dat het Parlement vrijwillige cursussen aanbiedt over waardigheid en respect op de werkplek voor leden en zo het goede voorbeeld geeft; betreurt in dat kader ten zeerste dat het Bureau heeft geweigerd gehoor te geven aan het verzoek dat de plenaire vergadering meerdere malen heeft gedaan(10) om cursussen ter voorkoming van intimidatie verplicht te stellen voor alle medewerkers en leden; dringt er bij het Bureau op aan onverwijld gehoor te geven aan dat verzoek;

135.  is van mening dat het Parlement elementaire voorzieningen moet verschaffen voor moeders die borstvoeding geven op het werk, met name in de vorm van, onder meer, tijd en een privéruimte die geen toilet is;

136.  betreurt dat het Parlement in 2019 een rol speelde in 38 lopende zaken bij het Europees Bureau voor fraudebestrijding, over onderwerpen zoals een correct gebruik van parlementaire vergoedingen, het gedrag van personeelsleden en de financiering van Europese politieke structuren; wijst erop dat er 14 zaken zijn afgesloten in 2019; uit zijn diepe bezorgdheid over het grote aantal zaken; verzoekt de parlementaire diensten een grondige analyse uit te voeren van de bestaande financiële, juridische, ethische en integriteitsrisico’s die aanleiding hebben gegeven tot die zaken en preventieve maatregelen voor te stellen om herhaling te voorkomen;

137.  merkt op dat het Parlement in 2019 geen klokkenluiderszaken heeft geregistreerd; verzoekt het Parlement zijn eigen interne regels in het Statuut volledig in overeenstemming te brengen met de onlangs aangenomen Richtlijn (EU) 2019/1937(11), met inbegrip van alomvattende regels en veilige procedures door veilige meldingskanalen op te zetten; is van mening dat de bescherming van klokkenluiders integraal deel uitmaakt van de democratie en cruciaal is voor het voorkomen en afschrikken van onwettige activiteiten en wanpraktijken; wijst erop dat onder meer APA’s zich door hun arbeidsovereenkomst in een kwetsbare positie bevinden; merkt voorts op dat klokkenluiders passende bescherming verdienen, vergelijkbaar met de bescherming van slachtoffers van intimidatie, en dat dit ook de oprichting van een raadgevend comité voor de bescherming van klokkenluiders moet omvatten; roept de secretaris-generaal op om ervoor te zorgen dat de bescherming die het Parlement biedt aan APA’s die optreden als klokkenluider gelijkwaardig is aan de bescherming die wordt geboden aan APA’s die het slachtoffer zijn van intimidatie; verzoekt het Parlement om zijn personeel waar mogelijk bewust te maken van de manier waarop klokkenluiders worden beschermd en van hun plicht uit hoofde van het Statuut om illegale activiteiten of wanbeheer te melden en roept het Parlement op om te overwegen om daarover verplichte opleidingen te organiseren; herhaalt zijn verzoek om voorlichtingscampagnes in dit verband;

138.  herhaalt zijn verzoek aan de administratieve diensten van het Parlement om aan het begin van de volgende zittingsperiode zo spoedig mogelijk te voorzien in verplichte opleidingen of publicaties voor nieuwe APA’s, waaronder, in het bijzonder, over financiële en administratieve aangelegenheden (bijvoorbeeld dienstreisopdrachten, medische keuringen, accreditaties, parkeervignetten, bezoekersgroepen, tentoonstellingen enz.), teneinde systematische fouten te voorkomen die nadelig zijn voor het goede verloop van de administratieve procedures die op hen van toepassing zijn; benadrukt in dat opzicht de noodzaak van technische opleidingen over de werkzaamheden van de parlementaire commissies en de mogelijkheid om buiten de werktijd taalcursussen te volgen;

139.  geeft uiting aan zijn grote bezorgdheid over de arbeidsomstandigheden van twee van de externe concessiehouders die door het Parlement zijn gecontracteerd, namelijk de aanbieders van de schoonmaak- en de cateringdiensten; is bezorgd over het toenemend gebruik van tijdelijk en uitzendpersoneel en de gevolgen daarvan voor zowel hun arbeidsomstandigheden als de kwaliteit van de verleende diensten; herhaalt zijn verzoek aan DG INLO van voorgaande jaren om een onafhankelijk tevredenheidsonderzoek naar de arbeidsomstandigheden van het betrokken personeel uit te voeren; verzoekt de administratie het beleid van het Parlement inzake overheidsopdrachten te evalueren teneinde transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden voor het personeel van onderaannemers te waarborgen; verzoekt de secretaris-generaal op korte termijn een studie te laten verrichten naar de voordelen die de internalisering van deze diensten zowel voor de instelling als voor de arbeidsrechten van de werknemers zou kunnen hebben, en deze studie aan zowel de Begrotingscommissie van het Parlement als de Commissie begrotingscontrole te presenteren zodra die beschikbaar is;

140.  is ingenomen met de invoering van een breder en duurzamer aanbod van gerechten in het zelfbedieningsrestaurant van het Parlement, met inbegrip van een gevarieerder aanbod van vegetarische en veganistische producten; wijst op de lancering van een onafhankelijk klanttevredenheidsonderzoek met behulp van Happy or Not-terminals in de belangrijkste verkooppunten in Brussel, Straatsburg en Luxemburg, met als doel vast te stellen in welke verkooppunten veranderingen en verbeteringen nodig zijn; merkt op dat de tevredenheid over de cateringdiensten in het Kohl- en het Martensgebouw volgens de Happy or Not-terminals continu en flink is verbeterd, terwijl de tevredenheid lager is in het Spinelli- en het Paul-Henri Spaak-gebouw; roept op om de nodige veranderingen door te voeren om in te spelen op de behoeften van de klanten; merkt op dat niet-vegetarische maaltijden vaak duurder zijn dan vegetarische maaltijden; pleit ervoor dat in alle kantines naast de toonbank voldoende informatie wordt weergegeven over allergenen en dat elke dag één glutenvrije maaltijd wordt aangeboden;

141.   benadrukt dat er door de COVID-19-crisis besluiten zijn moeten worden genomen met rechtstreekse gevolgen voor de werknemers van het Parlement, onder wie werknemers in onderaanneming en freelancers; wijst in dat verband onder meer op het besluit om het Huis van de Europese geschiedenis, de Europa Experience-sites en de verbindingsbureaus van de Europese Unie te sluiten, en op de gewijzigde werkomstandigheden voor freelancetolken en voor het schoonmaak- en restaurantpersoneel; begrijpt dat de instellingen, waaronder het Parlement, in de huidige omstandigheden in verband met de COVID-19-uitbraak snel en op een niet-bureaucratische manier besluiten moeten nemen om de verdere verspreiding van het virus te voorkomen en de veiligheid van hun personeel te waarborgen; vraagt het Parlement echter om bij elk besluit zijn sociale verantwoordelijkheid op te nemen, inkomensveranderingen te vermijden of te compenseren, en met alle mogelijke middelen te voorkomen dat mensen die in de gebouwen van het Parlement werken, vanwege de coronacrisis worden ontslagen;

142.  betreurt het besluit van COMPASS Group om 80 leden van de cateringdienst per januari 2021 te ontslaan; is ingenomen met de onderhandelingen die zijn gevoerd met de COMPASS Group met als resultaat dat het aantal ontslagen tot 49 werd beperkt, maar geeft aan erg ontstemd te zijn over het feit dat er toch personeel zal worden ontslagen; wijst erop dat de betrokken personeelsleden kort voor kerstmis 2020 en middenin de pandemie van hun ontslag op de hoogte werden gebracht; wijst erop dat sommige ontslagen medewerkers al tientallen jaren in de gebouwen van het Parlement werkten; herinnert eraan dat het Parlement ondernemingen in de Unie herhaaldelijk heeft opgeroepen om hun personeel in dienst te houden tijdens de pandemie; verzoekt de relevante autoriteiten van het Parlement alle mogelijke alternatieve oplossingen te onderzoeken om de baan van alle kantinemedewerkers veilig te stellen en vraagt de administratieve diensten van het Parlement om in het kader van sociale dialoog oplossingen te vinden; verzoekt het Bureau het uitbestedingsbeleid van het Parlement te heroverwegen; dringt er bij de secretaris-generaal op aan onverwijld te reageren op de brief over de ontslagen werknemers, die door 355 leden is ondertekend; vraagt om een evaluatie van het aanbestedingsbeleid van het Parlement met het oog op de verbetering van transparante en voorspelbare arbeidsomstandigheden voor alle uitbestede diensten; verzoekt het Parlement de kwijtingsautoriteit in te lichten over de uitkomsten van deze evaluatie;

143.  benadrukt dat de dagelijkse solidariteitsmaaltijden en andere solidariteitsmaatregelen van het Parlement, zoals besloten door het Bureau, de financiële, economische en sociale gevolgen voor zijn cateraars en hun werknemers hebben beperkt; wijst erop dat het Parlement ernaar streeft zoveel mogelijk arbeidsplaatsen te redden als redelijk is vanuit het oogpunt van de werkgelegenheid, maar ook te rechtvaardigen vanuit het oogpunt van de besteding van de begroting van het Parlement;

144.  neemt nota van de oplossingen die zijn gevonden voor APA’s die zonder onderbreking gedurende twee opeenvolgende parlementaire zittingsperioden hebben gewerkt, maar die tot twee maanden tekortkwamen om de tien dienstjaren te voltooien die nodig zijn om recht te hebben op een pensioen krachtens de pensioenregeling van de instellingen van de Unie; uit kritiek op het feit dat de oplossing te laat beschikbaar is gesteld, ondanks de vele en voortdurende waarschuwingen tijdens de vorige zittingsperiode; betreurt voorts dat de enige gevonden oplossing uitsluitend afhing van de goede wil van bepaalde leden die op de hoogte waren van de situatie en zich solidair toonden met deze APA’s; bekritiseert tevens dat de administratieve diensten de leden die voor de nieuwe zittingstermijn zijn verkozen niet op de hoogte hebben gebracht van deze kwestie en van het feit dat zij in die situatie contracten van minder dan zes maanden mogen geven, met als gevolg dat veel van die APA’s moeilijkheden ondervonden bij het vinden van een lid dat bereid was hen gedurende een korte periode ononderbroken in dienst te nemen op basis van een contract, en dat het sommigen zelfs helemaal niet is gelukt;

145.  herhaalt zijn bezorgdheid over de vermeende praktijk dat leden APA’s verplichten dienstreizen te maken, met name naar Straatsburg, zonder dienstreisopdracht en zonder dat hun missie- en reiskosten worden vergoed; is van mening dat een dergelijke praktijk ruimte laat voor misbruik, aangezien APA’s die zonder dienstreisopdracht reizen niet alleen de kosten zelf moeten betalen, maar ook niet gedekt zijn door de arbeidsverzekering; herhaalt zijn oproep aan de secretaris-generaal om dit te onderzoeken;

146.  herhaalt zijn eis dat APA’s dezelfde verblijfsvergoeding moeten ontvangen als het statutaire personeel voor hun dienstreizen om de plenaire vergaderingen in Straatsburg bij te wonen; neemt nota van het antwoord van de secretaris-generaal over de verschillende regels voor de vergoeding van dienstreizen tussen de drie werklocaties van het Parlement die gelden voor het secretariaat van het Parlement en de APA’s; herhaalt zijn eis en dringt erop aan dat de relevante regels waar de secretaris-generaal naar verwijst worden gewijzigd;

147.  herhaalt zijn verzoek aan de Conferentie van voorzitters en het Bureau om opnieuw de mogelijkheid te overwegen dat APA’s onder bepaalde nog vast te stellen voorwaarden leden vergezellen tijdens officiële delegaties en dienstreizen van het Parlement, zoals reeds door verschillende leden is gevraagd; neemt nota van de geraamde financiële gevolgen daarvan die werden toegelicht door de secretaris-generaal in zijn follow-up van de kwijting van 2018, maar dringt er toch op aan dat in beperkte mate mogelijk te maken; stelt voor een nieuwe bespreking te houden op het niveau van het Bureau en de Conferentie van voorzitters;

148.  wijst erop dat het personeelsbeleid van het Parlement moet worden herzien zodat de instelling in staat wordt gesteld om gebruik te maken van de deskundigheid die door alle personeelsleden van het Parlement is verworven; is van mening dat het daarom noodzakelijk is de regels te wijzigen om alle personeelscategorieën, met inbegrip van de APA's, in staat te stellen deel te nemen aan interne vergelijkende onderzoeken en regelingen voor loopbaanontwikkeling op te zetten die het Parlement in staat zullen stellen de deskundigheid van deze personeelscategorieën te behouden ten dienste van de instelling;

Geografische spreiding van het Parlement – één zetel

149.  merkt op dat de Rekenkamer heeft geschat dat een verhuizing van Straatsburg naar Brussel een jaarlijkse besparing van 114 miljoen EUR kan opleveren, naast een eenmalige besparing van 616 miljoen EUR als de gebouwen in Straatsburg met succes worden verkocht of eenmalige kosten van 40 miljoen EUR als deze niet met succes worden verkocht; merkt op dat één zetel slechts kan worden verwezenlijkt door middel van een unanieme wijziging van het Verdrag; herinnert eraan dat een overgrote meerderheid van de leden van het Parlement in verschillende resoluties zijn steun heeft uitgesproken voor een enkele zetel om ervoor te zorgen dat het geld van de belastingbetalers van de Unie doeltreffend wordt besteed; dringt er bij de Raad op aan kennis te nemen van het standpunt van het Parlement;

150.  herinnert eraan dat met het reizen naar Straatsburg extra kosten zijn gemoeid en dat dit indruist tegen het beginsel van goed financieel beheer;

151.  wijst op een recente studie die is voorgelegd aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van het Parlement(12); beklemtoont dat in die studie wordt geconcludeerd dat het Parlement, met het oog op het traject naar koolstofneutraliteit, vanzelfsprekend moet overwegen slechts één locatie te gebruiken; herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 28 november 2019(13) inzake de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu zich ertoe heeft verbonden zijn koolstofvoetafdruk te verminderen; herinnert eraan dat het Parlement in diezelfde resolutie een noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu heeft afgekondigd; merkt op dat Brussel het grootste activiteitencentrum van het Parlement is en dat daar ook de Raad en de Commissie, alsook andere belanghebbenden, ngo’s, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigingen van de lidstaten zijn gevestigd; is derhalve van mening dat het niet duurzaam en onverdedigbaar is om Straatsburg aan te houden als zetel;

152.  herhaalt dat de COVID-19-crisis een situatie van overmacht vormt die het Parlement ertoe heeft gedwongen een groot deel van de twaalf vergaderperioden in Straatsburg te schrappen uit het parlementaire vergaderrooster voor 2020; blijft erbij dat de kosten en de gezondheidsimpact van de COVID-19-crisis niet nog mogen worden verergerd door dure verplaatsingen naar Straatsburg; vraagt de lidstaten met klem om, ongeacht de bepalingen van het Verdrag, niet aan te dringen op compensatoire vergaderperioden in Straatsburg;

Vrijwillig pensioenfonds

153.  herinnert aan artikel 27, leden 1 en 2, van het Statuut van de leden, waarin is bepaald dat “het door het Europees Parlement ingestelde vrijwillige pensioenfonds [na inwerkingtreding van dit Statuut] gehandhaafd [blijft] voor leden of voormalige leden die in dit fonds reeds rechten of aanspraken hebben verworven” en dat “[d]e verworven rechten en aanspraken [...] in volle omvang [blijven] bestaan”;

154.  stelt voorts vast dat de te berekenen netto activa en de actuariële vastlegging eind 2019 respectievelijk 111 miljoen EUR en 439,6 miljoen EUR bedroegen, leidend tot een geraamd actuarieel tekort van 328,6 miljoen EUR; is zeer bezorgd over de mogelijke uitputting van het vrijwillige pensioenfonds; benadrukt dat de huidige situatie van het fonds zodanig is dat het niet aan zijn toekomstige verplichtingen kan voldoen; is ervan overtuigd dat het nodig is de juridische consequenties van de regels verder toe te lichten en/of de regels te wijzigen; verzoekt de Rekenkamer een nieuw advies te presenteren over het vrijwillige pensioenfonds en hierbij alle mogelijke opties te analyseren om de tekorten te beperken; merkt op dat het Parlement het besluit van de Rekenkamer zal afwachten en snel zal uitvoeren;

155.  wijst op paragraaf 118 van de kwijtingsresolutie voor het Parlement van 2017, waarin werd opgeroepen om de rechtsgronden van het vrijwillige pensioenfonds te onderzoeken en in het bijzonder te analyseren of het Parlement wettelijk verplicht is te garanderen dat toekomstige aanspraken in volle omvang blijven bestaan en om eventuele tekorten van het fonds aan te vullen of er vers geld in te stoppen, aangezien het vrijwillige pensioenfonds een sicav-beleggingsfonds naar Luxemburgs recht is en geen gewoon pensioenfonds, wat zou willen zeggen dat er in beginsel geen sprake is van een dergelijke verplichting; betreurt dat de secretaris-generaal nog geen bevindingen heeft gepresenteerd in antwoord op dat verzoek;

156.  herinnert eraan dat deze verwachte toekomstige verplichtingen zich over meerdere decennia uitstrekken, maar maakt zich ernstige zorgen over het feit dat het totale bedrag dat in 2019 door het vrijwillige pensioenfonds wordt uitgekeerd ongeveer 18 miljoen EUR bedraagt en dat dit cijfer naar verwachting zal stijgen tot ongeveer 20 miljoen EUR in 2025;

157.  brengt in herinnering dat het Bureau op zijn vergadering van 10 december 2018 heeft besloten de regels die van toepassing zijn op de pensioenregeling te wijzigen door de pensioenleeftijd te verhogen van 63 naar 65 jaar en een heffing van 5 % in te voeren op de pensioenuitkeringen voor toekomstige gepensioneerden, teneinde de houdbaarheid ervan te verbeteren; is ermee ingenomen dat de wijziging van de regels een onmiddellijke besparing op de pensioenuitkeringen van 2019 van ongeveer 325 000 EUR heeft opgeleverd, waarvan 306 000 EUR het gevolg is van de verhoging van de pensioenleeftijd en 19 000 EUR verband houdt met de invoering van een heffing van 5 % op alle na 1 januari 2019 ingestelde pensioenen; verzoekt het Bureau alle opties te evalueren zodra het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan over de huidige maatregelen, teneinde te komen tot een eerlijke oplossing voor de vrijwillige pensioenregeling en het vrijwillige pensioenfonds en daarbij de aansprakelijkheid van het Parlement tot een minimum te beperken, aangezien er geld van de belastingbetalers van de Unie mee is gemoeid;

158.  verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau het Statuut van de leden volledig te eerbiedigen en een duidelijk plan op te stellen voor het pensioenfonds waarbij het Parlement de verplichtingen en verantwoordelijkheden van het vrijwillig pensioenfonds van zijn leden op zich neemt; steunt het verzoek van het Bureau aan de secretaris-generaal om onderzoek te doen naar hoe de duurzame financiering van het vrijwillige pensioenfonds kan worden gewaarborgd overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de leden, en daarbij te zorgen voor volledige transparantie; roept het Bureau en de leden van het vrijwillige pensioenfonds op om maatregelen te steunen ter beperking van het tekort van het vrijwillige pensioenfonds;

Ecologische en duurzaamheidsaspecten van de activiteiten van het Parlement

159.  steunt het gebruik van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), een beheersinstrument van de Unie voor particuliere en openbare organisaties om hun milieuprestaties te beoordelen en te verbeteren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1221/2009(14); bevestigt dat het Parlement in 2016 als eerste instelling van de Unie koolstofneutraal is geworden, doordat het zijn onvermijdelijke emissies volledig compenseert; steunt de maatregelen die zijn genomen om de emissies van het Parlement verder te verminderen, onder meer het verhogen van de doelstellingen voor telewerken in de verschillende directoraten-generaal, het beperken en optimaliseren van reistijden bij dienstreizen en het bevorderen van het gebruik van duurzame vervoersmiddelen, bijvoorbeeld door te zorgen voor meer plekken om fietsen te stallen;

160.  is verheugd over het feit dat 100 % van het A4-papier dat wordt gebruikt in de kantoren van het Parlement gerecycled is en is ingenomen met de aanzienlijke daling in de hoeveelheid ingekocht papier in 2019 ten opzichte van 2018; is ingenomen met de inspanningen van het Parlement om het aantal papierloze vergaderingen te vergroten en pleit ervoor alle leden, personeelsleden en APA’s meer opleidingen aan te bieden over papierloze hulpmiddelen die het mogelijk maken minder documenten af te drukken, en pleit voor aanvullende communicatiecampagnes;

161.  verzoekt om snel verdere ambitieuze maatregelen te nemen en is van mening dat het uiteindelijke doel een Parlement zonder plastic voor eenmalig gebruik moet zijn;

162.  merkt op dat het percentage hernieuwbare energie dat in 2019 aan het Parlement is geleverd op 67 % is gebleven, waarbij de aankoop van groene stroom het leeuwendeel van dit percentage uitmaakte; verzoekt het Parlement het percentage hernieuwbare energie dat aan het Parlement wordt geleverd verder te verhogen om zo snel mogelijk 100 % hernieuwbare energie te bereiken, onder meer door het dak van het Parlement te gebruiken om zelf zonne-energie op te wekken;

163.  brengt in herinnering dat in Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie(15) is bepaald dat jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte van onze gebouwen moet worden gerenoveerd om aan de minimumeisen inzake energieprestaties te voldoen; pleit ervoor om in de jaarlijkse begrotingsplanning rekening te houden met het feit dat alle gebouwen regelmatig moeten worden gerenoveerd en beveelt aan om hiervoor een bedrag toe te wijzen dat voldoende is voor de renovatie van 3 % van het totale vloeroppervlak van alle gebouwen, zoals reeds werd vermeld in de gebouwenstrategie voor de periode na 2019, die op 16 april 2018 door het Bureau werd goedgekeurd; is van mening dat een dergelijke toewijzing deel moet uitmaken van een regulier en toekomstgericht gebouwenbeleid, waarbij de nadruk ook moet liggen op grondige renovatie en ervoor moet worden gezorgd dat het Parlement streeft naar maximale energie-efficiëntie en dus naar besparingen op het energieverbruik en de kosten van de gebouwen van het Parlement;

164.  is ingenomen met de succesvolle integratie van de autodienst en de geleidelijke overgang naar emissieloze voertuigen teneinde uiterlijk in 2024 te beschikken over koolstofneutrale dienstauto’s; erkent het grote aantal dagelijkse activiteiten en prijst de werkzaamheden van de dienst, waarover de leden zeer tevreden zijn; roept de secretaris-generaal op om een gebruiksvriendelijk online boekingssysteem in te voeren en de mogelijkheden te onderzoeken om het gebruik ervan – dat in 2019 slechts 3 % bedroeg – te verhogen en de gebruikersgroep voor het boeken van auto’s voor het traject tussen Brussel en Straatsburg uit te breiden, teneinde de milieu-impact van het Parlement te verkleinen; vraagt om beter te communiceren over deze mogelijkheid teneinde ervoor te zorgen dat auto’s niet leeg naar Straatsburg en terug rijden;

165.  is ingenomen met het feit dat het Bureau op 16 december 2019 nieuwe ambitieuze streefcijfers heeft vastgesteld voor de kernprestatie-indicatoren inzake het milieubeheersysteem van het Parlement, met name de doelstelling om de koolstofemissies uiterlijk in 2024 met de start van de volgende zittingsperiode met 40 % te verlagen; vraagt om de efficiënte uitvoering van de nodige acties teneinde deze doelstelling tijdig te verwezenlijken, en om regelmatige verslagen aan de kwijtingsautoriteit over de gemaakte vorderingen; verzoekt het Parlement voorts zijn EMAS-doelstelling opnieuw te evalueren met het oog op de emissiereducties als gevolg van de COVID-19-pandemie;

166.  prijst de inzet van het Parlement voor groene overheidsopdrachten; merkt op dat het Parlement ernaar streeft het op grond van waarde bepaalde percentage contracten (van bepaalde prioritaire producten) die worden geclassificeerd als “groen”, “zeer groen” en “van nature groen” te verhogen; merkt met genoegen op dat in 2019 89,1 % (in waarde) van de contracten in de prioritaire productcategorieën als “groen”, “zeer groen” of “van nature groen” werd geclassificeerd; is ingenomen met het feit dat het Bureau op 16 december 2019 nieuwe ambitieuze streefcijfers heeft vastgesteld voor de kernprestatie-indicatoren inzake groene overheidsopdrachten, namelijk dat gemiddeld 90 % van de opdrachten in prioritaire productcategorieën in de periode 2020-2024 als “groen” of “van nature groen” moet worden geclassificeerd; onderstreept het feit dat groene overheidsopdrachten verder moeten worden ontwikkeld door ambitieuze doelstellingen vast te stellen voor de vergroening van contracten op middellange termijn;

167.  is ingenomen met het voornemen van het Parlement om duurzaamheidsverslagen in te voeren, waarin wordt ingegaan op de sociale aspecten van aanbestedingen; verzoekt het Parlement de ontwikkelingen te volgen op het gebied van sociale en duurzame overheidsopdrachten, zoals de werkzaamheden van de OESO op het gebied van overheidsopdrachten en verantwoord ondernemerschap en de aankomende Uniewetgeving over zorgvuldigheid in het bedrijfsleven; is van mening dat het Parlement door normen van verantwoord ondernemerschap te integreren in zijn beleid voor aanbestedingen en inkopen, het goede voorbeeld kan geven, het publieke belang kan behartigen en verantwoording in het kader van overheidsuitgaven kan waarborgen;

168.  is ingenomen met het nieuwe beleid met betrekking tot de parkeergarages van het Parlement, in het kader waarvan het gebruik van elektrische voertuigen (elektrische fietsen, bakfietsen, stepjes en auto’s) wordt gestimuleerd door middel van het plaatsen van laadstations voor elektrische voertuigen; vraagt om dit beleid uit te breiden naar alle parkeergarages van het Parlement;

169.  benadrukt dat het Parlement zijn toezeggingen met betrekking tot de strijd tegen de klimaatverandering moet nakomen en derhalve in al zijn gebouwen de nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat er zowel binnen als buiten voldoende fietsenstallingen beschikbaar zijn voor het personeel, waar de fietsen zijn beschermd tegen diefstal, vandalisme en slecht weer, en om ten minste dezelfde voorwaarden te bieden als die welke momenteel gelden voor het parkeren van auto’s; is ook van mening dat een identificatiesysteem op basis van vignetten zeer nuttig zou zijn;

170.  is ingenomen met de aanzienlijke toename van het gebruik van fietsen in Brussel in 2019 ten opzichte van 2018;

171.  wijst op het milieueffect van de constante verplaatsingen van het Parlement naar Straatsburg;

Vertolking en vertaling

172.  herinnert eraan dat het directoraat-generaal Logistiek en Vertolking voor Conferenties in 2019 530 personeelsleden telde en 2,6 % van de totale begroting van het Parlement beheerde;

173.  is ingenomen met het in 2019 afgeronde project inzake één loket voor de organisatie van conferenties, waardoor de werkprocessen in verband met de organisatie van conferenties aanzienlijk zijn gestroomlijnd en het directoraat-generaal Logistiek en Vertolking voor Conferenties het centrale aanspreekpunt is geworden waar organisatoren van vergaderingen, conferenties en evenementen bij het Parlement terechtkunnen voor een hoogwaardig aanbod aan conferentiediensten;

174.  merkt op dat de herziene gedragscode meertaligheid, die in juli 2019 door het Bureau is aangenomen, een bijgewerkt operationeel kader biedt en ervoor heeft gezorgd dat hoogwaardige vertolkingsdiensten kunnen worden verleend met efficiënt gebruik van middelen en afgestemd op de behoeften van de gebruikers; betreurt dat de op het primaire Unierecht gebaseerde begrotings- en kwijtingsprocedure in de herziene gedragscode meertaligheid nog steeds wordt beschouwd als niet-wetgevende werkzaamheden, waardoor de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement het Bureau ieder jaar om toestemming moeten vragen om hun jaarlijkse vertaalquotum van 45 bladzijden te overschrijden; verzoekt het Parlement ervoor te zorgen dat de gedragscode meertaligheid zo wordt toegepast dat de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement de parlementaire kerntaken inzake begroting en kwijting kunnen verrichten zonder ieder jaar te moeten verzoeken om een dergelijke ontheffing;

175.  spreekt zijn waardering uit voor de sociale dialoog tussen de directie en de vertegenwoordigers van de tolken in vaste dienst, die heeft geresulteerd in de nieuwe arbeidsvoorwaarden van 8 september 2018; steunt de voortdurende inspanningen van zowel de vertegenwoordigers van de administratieve diensten als de vertegenwoordigers van de tolken om te zorgen voor volledige meertaligheid met efficiënt gebruik van middelen;

176.  stelt vast dat veel mededelingen en documenten alleen in het Engels beschikbaar zijn; merkt ook op dat werkvergaderingen worden gehouden zonder mogelijkheid van vertolking; verzoekt het Parlement de beginselen, rechten en verplichtingen te eerbiedigen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten en Verordening nr. 1/1958, alsook in interne richtsnoeren en besluiten, zoals de code van goed administratief gedrag; verzoekt het Parlement derhalve de nodige personele middelen ter beschikking te stellen om ervoor te zorgen dat de meertaligheid wordt geëerbiedigd, door het aantal personeelsleden dat verantwoordelijk is voor vertaling en vertolking uit te breiden;

177.  herinnert eraan dat het directoraat-generaal Vertaling in 2019 1 117 personeelsleden telde en 0,5 % van de totale begroting van het Parlement beheerde;

178.  is tevreden over de uitvoering van een systeem voor de accreditatie van externe vertalers om de kwaliteit van uitbestede vertalingen te verhogen, met de nadruk op het inzetten van “geaccrediteerde” vertalers wier vertaalvaardigheid is getest, waarbij de kwaliteitscontrole van uitbestede vertalingen door de taalafdelingen wordt verbeterd en de contractuele gevolgen in geval van ondermaatse kwaliteit worden aangescherpt;

179.  verzoekt de secretaris-generaal te onderzoeken of het haalbaar is om voor alle plenaire debatten vertolking in internationale gebarentaal in te voeren, in overeenstemming met de verzoeken die zijn aangenomen door de plenaire vergadering, en dat besluit ten uitvoer te leggen met inachtneming van het beginsel van gelijke toegang voor alle burgers;

Financiën en administratie

180.  herinnert eraan dat DG FINS in 2019 222 personeelsleden telde en 22,7 % van de totale begroting van het Parlement beheerde;

181.  veroordeelt de lange achterstanden bij de vergoeding van reiskosten in 2019; roept op om voldoende middelen voor DG FINS zeker te stellen en te handhaven en die middelen zodanig toe te wijzen dat er zich geen achterstanden ophopen;

182.  wijst erop dat het nieuwe reisbureau van het Parlement op 1 januari 2019 van start is gegaan met zijn werkzaamheden; merkt op dat leden problemen hebben ervaren met het bereiken van het callcenter van het reisbureau tijdens en buiten werkuren; dringt aan op een verbetering van de bereikbaarheid; merkt op dat het reisbureau voor de leden de richtsnoeren van de afdeling Reis- en Verblijfkosten van de leden volgt, waarbij bij de aangeboden vluchten altijd moet worden uitgegaan van de meest rechtstreekse route tussen het punt van vertrek en het punt van bestemming en van het laagste tarief indien meerdere luchtvaartmaatschappijen dezelfde verbinding aanbieden; merkt op dat alle inkomsten die het reisbureau genereert met de omzet van de aan het Parlement verleende diensten, aan het Parlement moeten worden terugbetaald; merkt op dat het jaarlijkse aantal klachten stabiel is gebleven ten opzichte van het voorgaande jaar, met 63 geregistreerde klachten in 2019, oftewel 0,043 % van de in totaal 144 913 verrichtingen in dat jaar, en dat de meerderheid van de geregistreerde klachten betrekking had op de kwaliteit van de dienstverlening door het nieuwe reisbureau als gevolg van de omschakeling en het begin van zijn werkzaamheden, waaronder laattijdige annuleringen en reisvertragingen;

183.  plaatst grote vraagtekens bij paragraaf 40 van de resolutie van het Parlement van 14 mei 2020 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2021 (2019/2214(BUD))(16), waarin het Bureau wordt verzocht de bepalingen ter uitvoering van het Statuut van de leden van het Europees Parlement te herzien, zodat de leden bij reizen binnen de Unie voor flexibele economy class-tickets worden vergoed, met uitzonderingen voor vluchten met een duur van meer dan vier uur of vluchten waarbij moet worden overgestapt; roept op om de leden gelijk te blijven behandelen wat betreft de aangeboden tickets; herinnert ook aan het doel van het Parlement om zijn emissies verder terug te dringen en onderstreept dat rechtstreekse vluchten en flexibele vliegtickets de minst verontreinigende optie zijn voor noodzakelijke vliegreizen;

Algemene kostenvergoeding

184.  herinnert aan de beslissing dat alle leden over een afzonderlijke bankrekening moeten beschikken om de algemene kostenvergoeding te ontvangen; is ingenomen met de strikte naleving van die verplichting door het Parlement, waardoor het nalevingspercentage 100 % was;

185.  wijst op artikel 11, lid 4, van het Reglement, zoals door het Bureau aangenomen op 11 maart 2019, waarin het volgende is bepaald: “Het Bureau voorziet in de noodzakelijke infrastructuur op de ledenpagina op de website van het Parlement indien leden wensen over te gaan tot publicatie van een vrijwillige controle of van een in de toepasselijke regeling van het statuut van de leden en de bepalingen ter uitvoering ervan voorziene bevestiging dat hun aanwending van de algemene kostenvergoeding in overeenstemming is met de toepasselijke regeling in het statuut van de leden en de bepalingen ter uitvoering ervan.”; merkt op dat de leden op eigen verantwoordelijkheid, individueel en optioneel overgaan tot publicatie en dat de administratieve diensten van het Parlement niet verantwoordelijk zijn voor de samenstelling van de aangeleverde informatie; verzoekt de diensten van het Parlement de leden jaarlijks aan die mogelijkheid te herinneren; roept het Parlement op om de kwijtingsautoriteit regelmatig mee te delen hoeveel leden gevolg geven aan deze aanbevelingen om te zorgen voor meer transparantie en verantwoordingsplicht ten aanzien van de besteding van het geld van de belastingbetalers van de Unie;

186.  herinnert eraan dat leden hun mandaat vrij en onafhankelijk uitoefenen, overeenkomstig artikel 2 van het Reglement; wijst erop dat organen die zijn belast met het opstellen van ethische regels en normen zich moeten beperken tot de taken die aan hen zijn toegewezen en moeten waarborgen dat hun aanbevelingen het vrije mandaat van de leden niet beperken of in de weg staan;

187.  wijst erop dat de algemene kostenvergoeding een vast bedrag is en beklemtoont hoe belangrijk de onafhankelijkheid van het vrije mandaat is, zoals eveneens wordt aangegeven in het Reglement; is ingenomen met het besluit van het Bureau om een werkgroep in te stellen om te evalueren hoe de algemene kostenvergoeding de afgelopen jaren is beheerd en om haalbare methoden te vinden voor het beheer van de algemene kostenvergoeding; verzoekt het Bureau om voor eind 2021 een besluit te nemen; wijst erop dat het beheer van de algemene kostenvergoeding geen aanleiding mag geven tot meer bureaucratie voor de kantoren van leden en de administratieve diensten van het Parlement;

188.  wijst erop dat in het besluit van het Bureau van 2018 over de algemene kostenvergoeding is bepaald dat het Bureau dat besluit tot eind 2022 zal handhaven en het zal evalueren aan de hand van de tijdens de negende zittingsperiode opgedane ervaringen; betreurt dat het Bureau de wens om de algemene kostenvergoeding verder te hervormen, die de voltallige vergadering meerdere malen kenbaar heeft gemaakt(17), blijft negeren en hierdoor een hoger niveau van transparantie en verantwoording omtrent de uitgaven van leden, die met belastinggeld uit de Unie worden betaald, actief belemmert; dringt er bij het Bureau op aan de besluiten van de plenaire vergadering uit de kwijtingsverslagen voor het Parlement van 2017 en 2018 onmiddellijk uit te voeren door wijzigingen aan te brengen in de regels die van toepassing zijn op de algemene kostenvergoeding; benadrukt dat eventuele nieuwe vrijwillige en/of optionele maatregelen om de transparantie en de financiële verantwoordingsplicht te vergroten, geen onnodige bureaucratie met zich mee mogen brengen voor leden en hun medewerkers;

189.  benadrukt dat goed bestuur is gebaseerd op goed financieel beheer en evenredigheid; verzoekt het Bureau rekening te houden met de kosteneffectiviteit en evenredigheid van eventuele extra investeringen en met de voordelen van extra uitgaven ten laste van de belastingbetaler en meer bureaucratie;

Jaarverslag over gegunde opdrachten

190.  wijst er nogmaals op dat in het Financieel Reglement is vastgelegd welke informatie inzake de gunning van opdrachten door de instelling dient te worden verstrekt aan de begrotingsautoriteit en aan het publiek; merkt op dat, krachtens het Financieel Reglement, gegunde opdrachten die een waarde vertegenwoordigen van meer dan 15 000 EUR — de drempelwaarde waarboven een mededingingsprocedure verplicht wordt — openbaar moeten worden gemaakt;

191.  merkt op dat van de 225 in 2019 gegunde opdrachten, 83 gebaseerd waren op openbare of niet-openbare procedures, met een waarde van 597,3 miljoen EUR, en 141 op onderhandelingsprocedures, met een totale waarde van 208,5 miljoen EUR; merkt op dat het totale aantal via de onderhandelingsprocedure gegunde opdrachten is toegenomen, zowel wat betreft het percentage van de totale waarde van de gegunde opdrachten (van 6 % in 2018 tot 26 % in 2019) als wat betreft volume (van 35,86 miljoen EUR in 2018 tot 208,53 miljoen EUR in 2019);

192.  neemt kennis van onderstaande onderverdeling naar soort van de in 2019 en 2018 gegunde opdrachten, met inbegrip van opdrachten voor gebouwen:

Soort opdracht

2019

2018

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Diensten

Leveringen

Werkzaamheden

Gebouwen

177

33

13

2

78 %

15 %

6 %

1 %

199

37

12

3

79 %

15 %

5 %

1 %

Totaal

225

100 %

251

100 %

Soort opdracht

2019

2018

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Diensten

581 610 182

72 %

256 374 627

42 %

Leveringen

85 741 237

10 %

210 526 209

35 %

Werkzaamheden

135 211 526

17 %

133 431 628

22 %

Gebouwen

4 260 000

1 %

5 039 824

1 %

Totaal

806 822 945

100 %

605 372 288

100 %

(Jaarverslag over de door het Europees Parlement gegunde opdrachten, 2019, blz. 5)

193.  neemt kennis van onderstaande onderverdeling van de in 2019 en 2018 gegunde opdrachten naargelang het soort procedure, in aantallen en waarde:

Soort procedure

2019

2018

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Openbaar

Niet-openbaar

Onderhandeling

OIB-lijst

Buitengewoon

82

1

141

-

1

36,44 %

0,44 %

62,68 %

-

0,44 %

89

5

155

1

1

35,46 %

1,99 %

61,75 %

0,40 %

0,40 %

Totaal

225

100 %

251

100 %

Soort procedure

2019

2018

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Openbaar

Niet-openbaar

Onderhandeling

OIB-lijst

Buitengewoon

595 584 380

1 735 269

208 533 296

-

970 000

74

0

26

-

0

486 039 380

83 433 046

35 859 040

24 221

16 600

80

14

6

0

0

Totaal

806 822 945

100 %

605 372 288

100 %

(Jaarverslag over de door het Europees Parlement gegunde opdrachten, 2019, blz. 7)

194.  betreurt dat bij 1 369 aanbestedingsprocedures voor de aanschaf van goederen en diensten door het Parlement maar één offerte werd ontvangen; merkt op dat het risico groot is dat overheidsgeld niet optimaal wordt besteed als bij aanbestedingsprocedures maar één offerte wordt ontvangen; verzoekt het Parlement onderzoek te doen naar de redenen voor dat kennelijke gebrek aan mededinging en de maatregelen te treffen die nodig zijn om te voorkomen dat er bij toekomstige aanbestedingsprocedures maar één offerte wordt ontvangen;

Fracties (begrotingspost 4 0 0)

195.  merkt op dat de voor 2019 op begrotingspost 4 0 0 opgenomen kredieten voor de fracties en de niet-fractiegebonden leden als volgt werden gebruikt(18):

Fractie

2019 (1)

2018

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikmakingspercentage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikmakingspercentage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

Europese Volkspartij (PPE)

17 139

4 253

16 993

99,15

4 399

18 282

6 690

20 820

113,88

4 152

Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten in het Europees Parlement (S&D)

14 611

4 807

13 705

93,80

5 710

15 792

5 863

16 888

106,94

4 767

Renew Europe (voorheen de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa (ALDE))

7 721

1 627

5 510

71,37

3 838

5 823

1 824

6 033

103,61

1 614

De Groenen/Vrije Europese Alliantie (Verts/ALE)

5 573

1 388

4 585

82,27

2 376

4 478

1 579

4 669

104,27

1 388

Identiteit en Democratie (ID) (3)

3 244

0

1 629

50,22

1 615

Europese Conservatieven en Hervormers (ECR)

6 053

1 946

5 730

94,66

2 270

6 182

2 962

7 200

116,47

1 944

Europees Unitair Links/Noords Groen Links (GUE/NGL)

4 156

1 110

3 731

89,77

1 535

4 443

1 257

4 590

103,31

1 110

Europa van Vrijheid en Directe Democratie (EFDD) (2)

1 851

1 915

1 508

81,45

0

3 829

1 828

2 725

71,17

1 915

Europa van Naties en Vrijheid (ENF) (2)

1 620

653

1 609

99,34

0

3 238

1 094

3 612

111,55

720

Niet-fractiegebonden leden

2 019

367

481

23,84

738

1 153

314

537

46,57

442

Totaal

63 987

18 067

55 481

86,71

22 482

63 220

23 412

67 073

106,09

18 052

Toelichting bij de bovenstaande tabel:

(1) 2019 was een verkiezingsjaar en de fracties hebben hun rekeningen in twee delen ingediend, een deel voor elk semester. Voor de fracties die hun activiteiten na de Europese verkiezingen van 2019 hebben voortgezet, hebben de cijfers voor de jaarlijkse kredieten en uitgaven betrekking op de som van beide semesters.

(2)Voor de fracties die na de Europese verkiezingen van 2019 zijn opgeheven, hebben de cijfers enkel betrekking op het eerste semester.

(3) Voor de fracties die vóór de Europese verkiezingen van 2019 nog niet bestonden, hebben de cijfers enkel betrekking op het tweede semester.

196.  is ingenomen met het feit dat de onafhankelijke externe controleurs voor de fracties alleen verklaringen zonder beperkingen gaven voor het begrotingsjaar 2019;

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

197.  merkt op dat de Autoriteit in 2016 is opgericht met als taak registratieverzoeken te beoordelen, nieuwe partijen en stichtingen in de Unie te registreren, hun financiering te monitoren en sancties op te leggen in gevallen van niet-nakoming van hun verplichtingen; merkt op dat de Autoriteit volledig operationeel werd in 2017;

198.  merkt op dat 2018 het eerste jaar was waarin Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014(19) in zijn geheel werd uitgevoerd, met name wat betreft de rol van de Autoriteit; merkt op dat de Autoriteit krachtens die verordening in 2019 voor het eerst de rekeningen van de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen heeft geëvalueerd met betrekking tot het begrotingsjaar 2018;

199.  merkt op dat de Autoriteit in het kader van de Europese verkiezingen van 2019 samen met DG FINS een reeks beginselen heeft geformuleerd om uitvoering te geven aan het recht van Europese politieke partijen om campagne te voeren voor de Europese verkiezingen en tegelijkertijd beperkingen van dat recht vast te stellen; erkent dat de aard van de verordening praktische problemen oplevert en benadrukt dat de verordening moet worden herzien; merkt op dat de sancties automatisch worden opgelegd en dat in dit verband meer evenredigheid en flexibiliteit moet worden betracht;

200.  is ingenomen met de stappen die de Autoriteit heeft gezet om de transparantie te vergroten, zoals het feit dat zij in 2020 voor de eerste keer haar jaarlijkse activiteitenverslag voor 2019 heeft gepubliceerd zonder beperkingen voor de vrijgave ervan, en het feit dat haar directeur op 16 november 2020 heeft deelgenomen aan de jaarlijkse hoorzitting inzake de kwijting van het Parlement;

201.  verzoekt de Autoriteit ervoor te zorgen dat informatie over de registratie en financiële situatie van Europese politieke partijen en stichtingen zoveel mogelijk op een gebruikersvriendelijke, volledige en geactualiseerde manier openbaar wordt gemaakt;

202.  merkt op dat de voor 2019 op begrotingspost 4 0 2 opgenomen kredieten als volgt werden gebruikt(20):

Partij (2019)

Afkorting

Eigen middelen

Definitieve bijdrage EP (1)

Totale ontvangsten

EP-bijdrage als % van de subsidiabele uitgaven (max. 90 %)

Ontvangstenoverschot (overgedragen naar de reserve of verlies)

Europese Volkspartij

PPE

1 751 449

13 433 000

15 184 449

90 %

116 515

Partij van de Europese Sociaaldemocraten

PES

1 091 101

8 405 284

9 496 385

90 %

115 131

Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa

ALDE

851 728

4 848 119

5 699 847

90 %

801 704

Europese Groene Partij

EGP

539 667

3 471 165

4 010 832

90 %

603 669

Partij van Europees Links

EL

312 832

1 772 817

2 085 649

90 %

—  

Europese Democratische Partij

PDE

100 944

671 170

772 114

90 %

49 246

Europese Vrije Alliantie

ALE

200 053

1 219 623

1 419 676

90 %

55 400

Partij van de Europese Conservatieven en Hervormers

ECR-partij

607 157

3 493 333

4 100 490

90 %

158 166

Europese Christelijke Politieke Beweging

ECPM

140 512

1 000 214

1 140 726

83 %

—  

Partij voor Identiteit en Democratie

ID-partij

114 250

615 067

729 317

90 %

—  

TOTAAL

 

5 709 693

38 929 792

44 639 485

 

1 899 831

Opmerkingen

 

 

 

 

 

 

Opmerking (1): Bestaat uit het tweede deel van de definitieve financiering van 2018 en het eerste deel van de definitieve financiering van 2019 overeenkomstig het besluit van het Bureau van 18 januari 2021.

 

203.  merkt op dat de voor 2019 op begrotingspost 4 0 3 opgenomen kredieten als volgt werden gebruikt(21):

Stichting (2019)

Afkorting

Gelieerd aan partij

Eigen middelen

Definitieve subsidie EP

Totale ontvangsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele kosten (max. 95 %)

Ontvangstenoverschot (overgedragen naar de reserve of verlies)

Wilfried Martens Centrum voor Europese Studies

WMCES

PPE

622 669

5 971 543

7 433 520

95 %

255 171

Stichting voor Europese Progressieve Studies

FEPS

PES

662 446

5 142 293

5 906 538

92 %

—  

Europees Liberaal Forum

ELF

ALDE

202 565

1 798 601

2 114 273

95 %

90 914

Groene Europese Stichting

GEF

EGP

79 513

1 368 333

1 484 738

95 %

—  

Transform Europe

TE

EL

110 698

1 096 144

1 217 889

92 %

7 401

Instituut van Europese Democraten

IED

PDE

23 261

421 786

472 185

95 %

—  

Coppieters Foundation

Coppieters

ALE

84 666

534 179

618 845

95 %

38 624

New Direction – Stichting voor Europese Hervorming

ND

ECR-partij

253 558

1 636 452

1 995 962

95 %

—  

Sallux

SALLUX

ECPM

23 537

365 590

448 654

95 %

3 282

Stichting Association pour l’Identité et Démocratie

ID-stichting

ID-partij

23 000

436 999

978 653

95 %

—  

TOTAAL

2 085 913

18 771 920

22 671 257

395 392

204.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om Verordening (EU, Euratom) 2018/673(22) eind 2021 te herzien, teneinde verder te gaan dan de huidige doelstelling om de regels inzake financiering en transparantie aan te pakken en de registratievoorwaarden krachtens artikel 3 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 te versoepelen, en het lidmaatschap open te stellen voor alle Unieburgers om te zorgen voor een meer inclusieve vertegenwoordiging van politieke partijen die op Europees niveau actief zijn;

205.  stelt met bezorgdheid vast dat verschillende bestaande transnationale politieke partijen die actief zijn in de Europese politiek en vertegenwoordigd zijn in het Parlement, zich niet officieel als Europese politieke partij mogen laten registreren als gevolg van de in Verordening (EU, Euratom) 2018/673 opgesomde vereisten, waardoor de democratische vertegenwoordiging van kleinere politieke partijen op Europees niveau wordt belemmerd; stelt in dit verband voor dat de Commissie tegen eind 2021 een ambitieus hervormingsvoorstel indient.

(1) Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
(2) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(3) Verordening (EU) nr. 1417/2013 van de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van de vorm van de door de Europese Unie afgegeven laissez passer (PB L 353 van 28.12.2013, blz. 26).
(4) Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PB L 151 van 7.6.2019, blz. 70).
(5) https://www.dw.com/en/exclusive-eu-taps-chinese-technology-linked-to-muslim-internment-camps-in-xinjiang/a-55362125
(6) https://www.npr.org/2019/10/08/768150426/u-s-blacklists-chinese-tech-firms-over-treatment-of-uighurs?t=1611915285989
(7) https://ec.europa.eu/trade/policy/accessing-markets/public-procurement/
(8) https://joinup.ec.europa.eu/sites/default/files/news/2020-06/D.01.06_Final_report_v3.00.pdf
(9) “Strategic Initiative on the leave rights of certain staff members and the best interests of the child”(SI/1/2019/AMF).
(10) Resolutie (EU) 2020/1880 van het Europees Parlement van 14 mei 2020 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling I – Europees Parlement (par. 115) (PB L 417 van 11.12.2020, blz. 122); resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU (par. 17) (PB C 346 van 27.9.2018, blz. 192).
(11) Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).
(12) https://www.europarl.europa.eu/meetdocs/2014_2019/plmrep/COMMITTEES/ENVI/DV/2020/11-16/IPOL_STU2020652735_EN.pdf
(13) Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.
(14) Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1).
(15) Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
(16) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0123.
(17) Kwijting 2017: Algemene begroting EU – Europees Parlement, 26 maart 2019; Kwijting 2018: Algemene begroting EU – Europees Parlement, 14 mei 2020.
(18) Alle bedragen × 1 000 EUR.
(19) Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1).
(20) Alle bedragen × 1 000 EUR.
(21) Alle bedragen × 1 000 EUR.
(22) Verordening (EU, Euratom) 2018/673 van het Europees Parlement en de Raad van 3 mei 2018 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 114 I van 4.5.2018, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 3 mei 2021Juridische mededeling - Privacybeleid