Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2021/2071(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0226/2021

Ingediende teksten :

A9-0226/2021

Debatten :

CRE 06/07/2021 - 6
CRE 06/07/2021 - 8

Stemmingen :

PV 07/07/2021 - 18
PV 08/07/2021 - 4
CRE 08/07/2021 - 4

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0348

Aangenomen teksten
PDF 166kWORD 51k
Donderdag 8 juli 2021 - Straatsburg
Opstelling van richtsnoeren voor de toepassing van het algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting
P9_TA(2021)0348A9-0226/2021

Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2021 over de opstelling van richtsnoeren voor de toepassing van het algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (2021/2071(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting(1) (“de verordening”),

–  gezien de artikelen 2 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2021 over de situatie van de rechtsstaat in de Europese Unie en de toepassing van Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 inzake conditionaliteit(2),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over het meerjarig financieel kader 2021-2027, het Interinstitutioneel Akkoord, het herstelinstrument voor de Europese Unie en de verordening inzake de rechtsstaat(3),

–  gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over de toepassing van Verordening (EU, Euratom) 2020/2092, het conditionaliteitsmechanisme voor de rechtsstaat(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2020, getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2020 – De situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie” (COM(2020)0580),

–  gezien het met redenen omklede voorstel van de Commissie van 20 december 2017 voor een besluit van de Raad betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat, ingediend op grond van artikel 7, lid 1,VEU (COM(2017)0835),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(5), (het “Financieel Reglement”)

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien de brief van de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A9-0226/2021),

A.  overwegende dat het bij de verordening ingestelde conditionaliteitsregime deel uitmaakte van het algemene politieke akkoord over het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027, het herstelplan NextGenerationEU en het eigenmiddelenbesluit(6), en dat de toepassing ervan geen vertraging mag oplopen, met name wat de toepassing van de bovengenoemde instrumenten betreft;

B.  overwegende dat er nog nooit in de geschiedenis van de EU zo veel middelen werden uitgetrokken als nu voor het MFK 2021-2027 en NextGenerationEU om de EU economisch en sociaal te helpen herstellen van de gevolgen van de COVID-19-pandemie, en dat daarom meer dan ooit de beginselen van goed financieel beheer en de bescherming van de financiële belangen van de EU tijdig en correct moeten worden toegepast;

C.  overwegende dat volgens de verordening eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële voorwaarde is voor naleving van de beginselen van goed financieel beheer;

D.  overwegende dat de verordening op 1 januari 2021 in werking is getreden en sinds die datum verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat voor alle betalingen sinds de inwerkingtreding van de verordening;

E.  overwegende dat de Commissie heeft besloten de niet-bindende conclusies van de Europese Raad van 10 en 11 december 2020 in acht te nemen en heeft verklaard richtsnoeren te zullen opstellen voor de toepassing van de verordening;

F.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 25 maart 2021 over de toepassing van de verordening de Commissie heeft verzocht de richtsnoeren uiterlijk op 1 juni 2021 en na raadpleging van het Parlement vast te stellen;

G.  overwegende dat tijdens de Conferentie over de toekomst van Europa het thema “Waarden en rechten, rechtsstaat, veiligheid” zal worden besproken, zodat grondig kan worden nagedacht over de instrumenten van de Unie om schendingen van EU-waarden, waaronder de rechtsstaat, te monitoren, te voorkomen en aan te pakken;

1.  betreurt dat de Commissie besloten heeft richtsnoeren voor de toepassing van de verordening op te stellen; herhaalt nogmaals zijn standpunt dat de tekst van de verordening duidelijk is en geen aanvullende uitlegging vereist om te kunnen worden toegepast, en dat de medewetgevers de Commissie daartoe helemaal geen bevoegdheden hebben verleend; neemt kennis van de ontwerptekst van de richtsnoeren die de Commissie met het Parlement en de lidstaten heeft gedeeld;

2.  benadrukt dat richtsnoeren niet juridisch bindend zijn; is teleurgesteld dat de Commissie afwijkt van haar gebruikelijke praktijk om slechts richtsnoeren op te stellen voor de toepassing van een rechtshandeling in gevallen waarin uit de feitelijke uitvoering van de handeling over een bepaalde periode blijkt dat er behoefte is aan richtsnoeren; onderstreept dat de ontwikkeling van richtsnoeren in geen geval tot verdere vertraging bij de toepassing van de verordening mag leiden;

3.  wijst erop dat de richtsnoeren de tekst van de verordening niet mogen wijzigen, uitbreiden of beperken; benadrukt dat, om te zorgen voor meerwaarde, de richtsnoeren moeten verduidelijken hoe de wettelijke bepalingen van de verordening in de praktijk zullen worden toegepast, en daarom tijdig de procedure, definities en methodologie moeten beschrijven die de Commissie zal toepassen;

4.  betreurt ten zeerste dat de Commissie de door het Parlement gestelde termijn heeft laten voorbijgaan om uiterlijk op 1 juni 2021 haar verplichtingen uit hoofde van de verordening na te komen, onder meer wat de ontwikkeling van richtsnoeren betreft; is ingenomen met het feit dat de voorzitter van het Parlement de Commissie op 23 juni 2021 op grond van artikel 265 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft verzocht actie te ondernemen om haar verplichtingen na te komen en de volledige en onmiddellijke toepassing van de verordening te waarborgen;

5.  is van mening dat de Commissie de tijd sinds de inwerkingtreding van de verordening niet efficiënt heeft benut; dringt er bij de Commissie op aan verdere vertraging bij de toepassing van de verordening te voorkomen en snel en grondig onderzoek in te stellen naar mogelijke schendingen van de beginselen van de rechtsstaat in de lidstaten die op voldoende directe manier van invloed zijn op of ernstig afbreuk dreigen te doen aan een gezond financieel beheer van de begroting van de Unie of de bescherming van de financiële belangen van de Unie; herhaalt dat de situatie in sommige lidstaten reeds aanleiding geeft om op grond van artikel 6, lid 1, van de verordening onmiddellijk actie te ondernemen, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan deze lidstaten, en om het Parlement daarvan op de hoogte te stellen;

6.  herinnert eraan dat in de politieke beleidslijnen van de Commissie voor 2019-2024 werd gesteld dat “er absoluut niet kan worden geschipperd met onze kernwaarden” en dat ervoor zou worden gezorgd dat op Europees niveau alle middelen worden aangewend; herinnert eraan dat de Commissie “volkomen onafhankelijk” is en dat de leden van de Commissie “instructies [vragen noch aanvaarden] van enige regering”, overeenkomstig artikel 17, lid 3, VEU en artikel 245 VWEU; herinnert er voorts aan dat overeenkomstig artikel 17, lid 8, VEU “de Commissie (...) verantwoording [aflegt] aan het Europees Parlement”;

7.  verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig en ten minste tweemaal per jaar proactief verslag uit te brengen over nieuwe en lopende zaken die worden onderzocht, en zo spoedig mogelijk met de eerste zaken te beginnen;

8.  verbindt zich ertoe nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van de verordening wanneer er bezorgdheid ontstaat over mogelijke schendingen van de rechtsstaatbeginselen in de lidstaten die binnen het toepassingsgebied ervan vallen; streeft ernaar in de bevoegde commissies regelmatig bijeenkomsten te organiseren om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de verordening, onder leiding van de rapporteurs; verzoekt de Commissie tijdig op het toezicht van de bevoegde commissies te reageren door uitvoerige informatie te verstrekken;

Schendingen van de rechtsstaatbeginselen

9.  onderstreept dat de verordening zowel van toepassing is op individuele schendingen van de beginselen van de rechtsstaat als op “systematische” inbreuken die wijdverspreid zijn of het gevolg zijn van terugkerende praktijken of nalatigheden van overheidsinstanties, of algemene maatregelen die door dergelijke autoriteiten zijn vastgesteld;

10.  verzoekt de Commissie in de richtsnoeren te verduidelijken dat schendingen van de rechtsstaat in een lidstaat die het gevolg zijn van besluiten of gebeurtenissen die vóór 1 januari 2021 genomen zijn of plaatsgevonden hebben, onder het toepassingsgebied van de verordening vallen zolang het effect ervan voortduurt;

11.  vestigt in het bijzonder de aandacht op de in artikel 3 van de verordening opgenomen lijst van aanwijzingen dat de beginselen van de rechtsstaat geschonden worden; verzoekt de Commissie met klem mogelijke gevallen van inbreuken op die lijst in de lidstaten te onderzoeken, maar wijst erop dat andere praktijken of nalatigheden van overheidsinstanties ook relevant kunnen zijn; merkt op dat het verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2020 reeds aanwijzingen bevat van inbreuken in verschillende lidstaten die relevant kunnen zijn voor de inwerkingtreding van de verordening;

12.  wijst erop dat de in artikel 4 van de verordening vermelde soorten gedragingen van entiteiten van de lidstaten die relevant zijn voor de toepassing van het conditionaliteitsregime, niet uitsluiten dat andere situaties of gedragingen van autoriteiten relevant kunnen zijn voor een goed financieel beheer van de begroting van de Unie of voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie;

13.  onderstreept het belang van samenwerking tussen de EU-instellingen, de lidstaten, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Europees Openbaar Ministerie (EOM); wijst erop dat ondoeltreffende of te late samenwerking met het EOM en OLAF reden kunnen zijn om uit hoofde van de verordening op te treden; benadrukt dat doeltreffende en tijdige samenwerking in het geval van het EOM niet alleen de verplichting inhoudt voor de nationale autoriteiten om actief bijstand en ondersteuning te verlenen bij de door het EOM ingestelde strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen, maar ook voor de nationale regering om ervoor te zorgen dat haar Europese en gedelegeerde aanklagers tijdig en onpartijdig worden benoemd; is tevens van mening dat het systematische gebrek aan follow-up van de aanbevelingen van OLAF een nalatigheid in de zin van de verordening kan zijn;

14.  herinnert eraan dat de vaststelling van inbreuken op de beginselen van de rechtsstaat een objectieve, onpartijdige, billijke en grondige kwalitatieve beoordeling door de Commissie vereist, met inachtneming van relevante informatie uit beschikbare bronnen en van erkende instellingen, waaronder arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie en relevante nationale en internationale rechtbanken zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verslagen van de Rekenkamer, het jaarlijkse verslag over de rechtsstaat van de Commissie en het EU-scorebord voor justitie, de verslagen van OLAF en het EOM, naargelang het geval, en de conclusies en aanbevelingen van de betreffende internationale organisaties en netwerken, met inbegrip van de organen van de Raad van Europa zoals de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (“Greco”) en de Commissie van Venetië, met name haar rechtsstaatcontrolelijst, en de Europese netwerken van hoogste gerechtshoven en van raden voor de rechtspraak; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over de wijze waarop zij bij het opbouwen van zaken deze informatie zal verzamelen, analyseren en beoordelen;

15.  is met name van mening dat het jaarlijkse verslag van de Commissie over de rechtsstaat, als een objectieve, onpartijdige, eerlijke en kwalitatief goede beoordeling van schendingen van de beginselen van de rechtsstaat, een cruciale bron van informatie is voor de beoordeling door de Commissie uit hoofde van de verordening; verzoekt de Commissie in haar jaarlijkse verslag over de rechtsstaat een hoofdstuk op te nemen over gevallen waarin schendingen van de rechtsstaat in een lidstaat op voldoende directe manier afbreuk kunnen doen of ernstig afbreuk dreigen te doen aan het goede financieel beheer van de begroting van de Unie of de bescherming van de financiële belangen van de Unie, en in de richtsnoeren te verduidelijken hoe het jaarlijkse verslag systematisch zal worden gebruikt voor de beoordeling door de Commissie in het kader van de verordening;

16.  verzoekt de Commissie een helder, nauwkeurig en gebruikersvriendelijk systeem voor het indienen van klachten op te zetten en uiterste termijnen vast te stellen waarbinnen zij gereageerd moet hebben op ingediende klachten; benadrukt dat het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van onafhankelijke ngo’s en burgers, en op feiten gebaseerde onderzoeksjournalistiek en media een voortrekkersrol spelen bij het opsporen van mogelijke schendingen van de rechtsstaat op lokaal en nationaal niveau, en daarom bij de melding ervan moeten worden betrokken; stipt aan dat de verordening dusdanig moet worden toegepast dat de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden wordt gewaarborgd, in overeenstemming met de beginselen van Richtlijn (EU) 2019/1937(7);

17.  merkt op dat er in het kader van de verordening maatregelen worden genomen indien schendingen van de rechtsstaatbeginselen in een lidstaat op een voldoende directe manier afbreuk doen of ernstig afbreuk dreigen te doen aan het goede financiële beheer van de Uniebegroting of de bescherming van de financiële belangen van de Unie; onderstreept dat dit een omvattende, proactieve, op risico’s gebaseerde aanpak van de Commissie impliceert om de uitgaven van de Unie te vrijwaren, zelfs voordat er daadwerkelijk betalingen worden verricht;

18.  wijst erop dat de verordening van toepassing is op de activiteiten van alle overheidsdiensten, met inbegrip van lidstaatsorganisaties die zijn opgericht als publiekrechtelijke instantie of privaatrechtelijke instantie waaraan een openbaredienstverleningstaak is toevertrouwd, zoals bepaald in het Financieel Reglement; wijst erop dat het wijzigen van het type bestuur van een entiteit die belast is met een openbaredienstverleningstaak in een lidstaat, deze entiteit niet ontheft van de verplichting tot naleving van de verordening;

Bescherming van de begroting van de Unie

19.  benadrukt dat er een duidelijk verband bestaat tussen de eerbiediging van de rechtsstaat en een doeltreffende uitvoering van de Uniebegroting overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer: zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid, zoals bepaald in het Financieel Reglement; herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 5 van de verordening “de Commissie verifieert of het toepasselijke recht is nageleefd en zo nodig alle passende maatregelen neemt om de Uniebegroting te beschermen”;

20.  stipt aan dat de verordening een duidelijke definitie van de rechtsstaat bevat die in samenhang met de andere waarden en beginselen van de Unie moet worden begrepen, waaronder de grondrechten en non-discriminatie; is van mening dat aanhoudende schendingen van de democratie en de grondrechten, met inbegrip van door de staat gesteunde discriminatie van minderheden en aanvallen op de mediavrijheid en de vrijheid van vereniging en vergadering, gevolgen hebben voor de projecten die de lidstaten besluiten te financieren met middelen van de Unie, en derhalve een voldoende rechtstreeks effect kunnen hebben op de bescherming van de financiële belangen van de Unie; verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden in haar richtsnoeren;

21.  wijst erop dat op basis van de verordening maatregelen genomen moeten worden, vooral, maar niet alleen, wanneer het met andere procedures van het Financieel Reglement, de verordening gemeenschappelijke bepalingen en andere sectorspecifieke wetgeving niet mogelijk is om de begroting van de Unie effectiever te beschermen; onderstreept dat dit niet betekent dat de verordening als “laatste redmiddel” gezien moet worden, maar juist dat de Commissie een groot aantal procedures kan gebruiken om de financiële belangen van de Unie te beschermen, waaronder de verordening, en dat de Commissie per geval, en zo nodig parallel, kan bekijken welke procedure het best gebruikt kan worden; verzoekt de Commissie de werkwijze en de procedurele en technische normen voor de keuze van de toe te passen instrumenten vast te stellen;

22.  wijst erop dat de verordening geldt voor alle fondsen van de Unie en voor “systemische” inbreuken, maar ook voor gevallen waarin het goede financiële beheer van de Uniebegroting of de bescherming van de financiële belangen van de Unie groot gevaar lopen, en waarbij het moeilijk is dit gevaar aan te pakken met andere procedures waarover de Unie beschikt die alleen te gebruiken zijn voor bepaalde financiële programma’s of voor gevolgen voor de begroting die al eerder hebben plaatsgevonden; onderstreept dat de verordening de enige vorm van EU-wetgeving is die eerbiediging van de rechtsstaat koppelt aan de EU-begroting; is daarom van mening dat de unieke bepalingen ervan volledig moeten worden toegepast om naast de bescherming van de EU-financiën een aanvullende bescherming van de rechtsstaat te waarborgen;

23.  onderstreept dat “systemische” inbreuken, bijvoorbeeld inbreuken die de werking van het rechtsstelsel, de onafhankelijkheid van rechters en de rechterlijke macht, de neutraliteit van overheidsinstanties of het goed functioneren van instanties die de taak hebben corruptie, fraude, belastingontduiking en belangenconflicten te voorkomen en te bestrijden, aantasten of die het non-regressiebeginsel schenden(8), over het algemeen een voldoende rechtstreeks effect hebben op het correcte beheer, de besteding en de monitoring van de middelen van de Unie; verzoekt de Commissie de criteria te verduidelijken voor het vaststellen van maatregelen in geval van systemische inbreuken;

Vaststelling van maatregelen

24.  wijst erop dat in de artikelen 6 en 7 van de verordening is bepaald hoe maatregelen genomen en opgeheven moeten worden, welke stappen daarvoor nodig zijn en welke termijnen daarvoor gelden; benadrukt dat bij de procedure voor de vaststelling en opheffing van maatregelen de beginselen van objectiviteit, non-discriminatie en gelijke behandeling van alle lidstaten moeten worden geëerbiedigd, en een onpartijdige en op feiten gebaseerde aanpak moet worden gevolgd;

25.  merkt op dat artikel 6, lid 4, van de verordening in de mogelijkheid voorziet dat de Commissie zowel vóór als na het toezenden van de schriftelijke kennisgeving om aanvullende informatie voor haar beoordeling verzoekt; benadrukt dat dergelijke verzoeken vóór de schriftelijke kennisgeving uitzonderlijk en eenmalig van aard moeten blijven om het precieze tijdschema voor de vaststelling van maatregelen waarin de verordening voorziet, niet in gevaar te brengen;

26.  herinnert eraan dat de Raad op elk voorstel van de Commissie moet handelen om passende maatregelen in het kader van de verordening vast te stellen, en wel binnen een termijn van één maand, die in uitzonderlijke omstandigheden met maximaal twee maanden kan worden verlengd; is van mening dat de Commissie erop moet toezien dat deze termijnen volledig in acht worden genomen met het oog op een tijdige besluitvorming; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over de wijze waarop zij in al haar directoraten-generaal zal zorgen voor een geharmoniseerde aanpak en een consistente toepassing van de begrotingsvoorwaarden;

27.  is van mening dat transparantie essentieel is om het vertrouwen van de lidstaten en de burgers in het conditionaliteitsmechanisme te vergroten; benadrukt dat de beoordeling van individuele en systemische schendingen van de beginselen van de rechtsstaat een onpartijdige, eerlijke en objectieve behandeling van de lidstaten vereist, met inbegrip van onpartijdige en op feiten gebaseerde onderzoeken; wijst erop dat elke stap in de procedure van de verordening derhalve volledig transparant moet zijn; verzoekt de Commissie de transparantieregels en ‑beginselen vast te stellen die zij zal toepassen wanneer zij het conditionaliteitsmechanisme in werking stelt;

28.  herinnert eraan dat de in het kader van de verordening genomen maatregelen evenredig moeten zijn in het licht van de feitelijke of potentiële gevolgen voor een goed financieel beheer van de begroting van de Unie of de financiële belangen van de Unie, rekening houdend met de aard, de duur, de ernst en de reikwijdte van de schendingen van de beginselen van de rechtsstaat; is van mening dat de ernst van deze gevolgen in het algemeen de ernst van de inbreuken weerspiegelt;

Bescherming van eindontvangers en begunstigden

29.  herinnert eraan dat het op grond van de verordening essentieel is de rechtmatige belangen van eindontvangers en begunstigden naar behoren te beschermen;

30.  herinnert eraan dat, tenzij in het besluit tot vaststelling van de maatregelen anders is bepaald, het opleggen van passende maatregelen uit hoofde van de verordening geen afbreuk doet aan de verplichtingen van de lidstaten jegens rechtmatige eindontvangers of begunstigden, met inbegrip van de verplichting om betalingen te doen;

31.  benadrukt dat de Commissie in gevallen als ernstige corruptie, nepotisme, systematische fraude, onrechtmatige banden met politieke partijen en belangenconflicten, en met name in gevallen die worden ontdekt door het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) dat is vastgesteld in het Financieel Reglement of die door OLAF of het EOM worden onderzocht, zorgvuldig per geval moet beoordelen of betalingen aan eindontvangers en begunstigden al dan niet moeten worden voortgezet;

32.  verzoekt de Commissie artikel 5, lid 4, van de verordening ten uitvoer te leggen en snel een website of internetportaal op te zetten met informatie en richtsnoeren ten behoeve van eindontvangers of begunstigden en met passende instrumenten om de Commissie in kennis te stellen van elke inbreuk op de wettelijke verplichting om betalingen te blijven verrichten nadat maatregelen uit hoofde van deze verordening zijn vastgesteld, zoals een eenvoudig, gebruiksvriendelijk en gestructureerd klachtenformulier; verzoekt de Commissie uiteen te zetten hoe zij een efficiënt en doeltreffend klachtenmechanisme voor aanvragers, ontvangers en begunstigden zal invoeren;

33.  benadrukt dat bij gedeeld beheer niet kan worden aangenomen dat maatregelen in het kader van de verordening van invloed zijn op de beschikbaarheid van financiering voor betalingen van rechtmatige vorderingen aan begunstigden; wijst er ook op dat de lidstaten waarop de maatregelen betrekking hebben de Commissie regelmatig verslag moeten doen van de naleving van hun verplichtingen jegens eindontvangers of begunstigden;

34.  verzoekt de Commissie alle informatie waarover zij beschikt te analyseren en daarbij ook gebruik te maken van digitale traceringsinstrumenten, en alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat alle door overheidsinstanties of lidstaten rechtmatig verschuldigde bedragen daadwerkelijk worden betaald aan eindontvangers of begunstigden, hetgeen kan leiden tot het uitvoeren van financiële correcties door de steun van de Unie aan programma’s te verlagen in overeenstemming met de toepasselijke sectorspecifieke en financiële regels;

35.  verzoekt de Commissie de suggesties van het Parlement in de definitieve versie van de richtsnoeren op te nemen;

o
o   o

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0287.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0360.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0103.
(5) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(6) Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom (PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1).
(7) Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).
(8) Arrest van het Hof van Justitie van 20 april 2021, Repubblika / Il-Prim Ministru, C‐896/19, ECLI:EU:C:2021:311, punten 59-64.

Laatst bijgewerkt op: 11 november 2021Juridische mededeling - Privacybeleid