Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over de aanpak van voedselzekerheid in ontwikkelingslanden (2021/2208(INI))
Het Europees Parlement,
– gezien artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en gezien artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, waarin het recht op voeding wordt erkend als onderdeel van het recht op een behoorlijke levensstandaard,
– gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
– gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin wordt bepaald dat de Unie bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening houdt met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking,
– gezien artikel 214 VWEU, waarin de beginselen en doelstellingen van de humanitaire hulpacties van de EU zijn vastgesteld,
– gezien Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad(1),
– gezien Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp(2),
– gezien de mededelingen van de Commissie van 31 maart 2010 over humanitaire voedselhulp (COM(2010)0126) en een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen (COM(2010)0127),
– gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 met als titel “De EU‑aanpak inzake weerbaarheid: lessen uit de voedselzekerheidscrises” (COM(2012)0586),
– gezien de mededeling van de Commissie van 12 maart 2013 met als titel “Betere voeding voor moeders en kinderen in het kader van de buitenlandse hulp: een Europees beleidskader” (COM(2013)0141),
– gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2021 over het humanitaire optreden van de EU (COM(2021)0110), waarin onder meer kernacties worden voorgesteld ter versterking van het verband tussen humanitaire hulp, ontwikkeling en vrede, met als doel noodhulp en langetermijnoplossingen beter met elkaar te verenigen, en gezien de resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2021 over nieuwe richtsnoeren voor het humanitaire optreden van de EU(3),
– gezien de mededeling van de Commissie van 23 maart 2022 over het waarborgen van de voedselzekerheid en het versterken van de veerkracht van voedselsystemen (COM(2022)0133),
– gezien het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het externe optreden 2021-2025 (GAP III), en gezien de resolutie van het Europees Parlement over dit actieplan(4),
– gezien het actieplan van de Commissie inzake voeding van 3 juli 2014 (SWD(2014)0234), waarmee wordt beoogd het aantal kinderen met een groeiachterstand tegen 2025 met 7 miljoen te verminderen, en het zesde voortgangsverslag van 12 augustus 2021 daarover (SWD(2021)0229),
– gezien zijn resoluties over voedselzekerheid en voeding, met name die van 27 november 2014 over ondervoeding bij kinderen in ontwikkelingslanden(5), van 7 juni 2016 over de nieuwe alliantie voor voedselzekerheid en voeding(6) en van 5 oktober 2016 over de volgende stappen ter verwezenlijking van de mondiale doelstellingen en EU-toezeggingen op het gebied van voeding en voedselzekerheid in de wereld(7),
– gezien zijn resolutie van 24 maart 2022 over de behoefte aan een dringend EU-actieplan om voedselzekerheid binnen en buiten de EU te waarborgen in het licht van de Russische invasie in Oekraïne(8),
– gezien de conclusies van de Raad van 28 mei 2013 over voedsel- en voedingszekerheid in de buitenlandse hulp,
– gezien de conclusies van de Raad van 26 november 2018 over het vergroten van de mondiale voedsel- en voedingszekerheid, van 25 november 2019 over het vierde voortgangsverslag over het actieplan voor voeding, van 20 mei 2021 over de prioriteiten van de EU voor de VN-top over voedselsystemen van 2021, van 14 juni 2021 over een sterker engagement van Team Europa voor menselijke ontwikkeling, en van 19 november 2021 over water in het externe optreden,
– gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Parlement en de Commissie over de Europese consensus betreffende humanitaire hulp van 2008(9), en gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling van 2017,
– gezien de zes mondiale doelstellingen voor 2025 die de Wereldgezondheidsvergadering in 2012 heeft vastgesteld voor voeding voor moeders, zuigelingen en jonge kinderen, namelijk i) het aantal kinderen onder de vijf jaar met een groeiachterstand met 40 % terugdringen, ii) bloedarmoede bij vrouwen van vruchtbare leeftijd met 50 % terugdringen, iii) het aantal kinderen met een laag geboortegewicht met 30 % verminderen, iv) een toename van overgewicht bij kinderen voorkomen, v) het aantal baby’s dat gedurende de eerste zes levensmaanden uitsluitend borstvoeding krijgt, met minstens 50 % doen toenemen en vi) het aantal kinderen met acute ondervoeding tot minder dan 5 % verminderen;
– gezien de verslagen over “State of Food Security and Nutrition in the World”, het “Global Report on Food Crises” en het “Global Nutrition Report”, met inbegrip van de edities 2021 daarvan, de richtsnoeren betreffende het recht op voedsel van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), de vrijwillige richtsnoeren over voedselsystemen en voeding van de FAO-commissie inzake Wereldvoedselzekerheid, de tien elementen van de agro-ecologie die de transitie naar een duurzaam voedings- en landbouwstelsel sturen (verslag van de FAO), en het actiekader voor voedselzekerheid en voeding in aanslepende crises van 2014,
– gezien het verslag van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) over de stand van zaken in de wereld op het gebied van visserij en landbouw in 2020(10),
– gezien de partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij tussen de EU en derde landen,
– gezien het Global Network Against Food Crises, een alliantie van humanitaire en ontwikkelingsactoren die via gedeelde analyse en kennis werken aan nauwere coördinatie op het raakvlak van humanitaire hulp, ontwikkeling en vrede,
– gezien de Verklaring van de VN van 13 september 2007 over de rechten van inheemse volken en de VN-Verklaring van 28 september 2018 over de rechten van landbouwers en andere mensen die werkzaam zijn in plattelandsgebieden,
– gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015 met als titel “Onze wereld transformeren: de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling”,
– gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 1 april 2016 met als titel “Het VN-decennium voor actie inzake voeding (2016-2025)”, waarmee wordt beoogd de aanzet te geven tot intensievere maatregelen om een einde te maken aan honger en ondervoeding in de wereld en alle mensen ter wereld, ongeacht wie ze zijn of waar ze wonen, toegang te bieden tot gezondere, duurzamere voeding,
– gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN en de nauw onderling verbonden en geïntegreerde aard daarvan, met name SDG 1 om overal een einde te maken aan armoede in al haar vormen, SDG 2 om een einde te maken aan honger, voedselzekerheid en betere voeding te bewerkstelligen en duurzame landbouw te bevorderen, SDG 3 om een gezond leven te waarborgen en welzijn voor iedereen op alle leeftijden te bevorderen, SDG 5 om gendergelijkheid en empowerment van alle vrouwen en meisjes te verwezenlijken, SDG 6 om de toegang tot water en sanitaire voorzieningen voor iedereen te waarborgen, SDG 10 om ongelijkheid binnen en tussen landen te verminderen, SDG 12 om duurzame consumptie- en productiepatronen te waarborgen, SDG 13 om dringend maatregelen te nemen om de klimaatverandering en de gevolgen ervan te bestrijden, en SDG 17 om de implementatiemiddelen te versterken en het mondiale partnerschap voor duurzame ontwikkeling nieuw leven in te blazen,
– gezien Resolutie 2417 van de VN-Veiligheidsraad uit 2018 waarin uithongering van burgers als methode van oorlogvoering evenals de onrechtmatige ontzegging van humanitaire toegang tot de burgerbevolking worden veroordeeld,
– gezien het verslag uit juni 2020 van het Intergouvernementeel Platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) en de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC)(11), waarin het verband tussen de bestrijding van klimaatverandering en het behoud van de biodiversiteit wordt benadrukt,
– gezien de vrijwillige richtsnoeren uit 2012 van de FAO/CFS voor een verantwoord beheer van grondbezit, visgronden en bossen in het kader van de nationale voedselzekerheid en de FAO/CFS-beginselen uit 2015 inzake verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen,
– gezien de Scaling Up Nutrition-beweging en haar werkzaamheden om een einde te maken aan ondervoeding in al haar vormen door middel van steun voor door de overheid geleide initiatieven en de prioriteiten van de betrokken landen, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld, de VN, donoren, bedrijven en onderzoekers,
– gezien de 2,5 miljard EUR die de Commissie in december 2021 op de top over voeding voor groei in Tokio heeft toegezegd om ondervoeding in de periode 2021-2024 te bestrijden, en gezien het niet-aflatende engagement van de EU om het aantal kinderen met een groeiachterstand tegen 2025 met ten minste 7 miljoen te verminderen,
– gezien het “Famine Prevention and Humanitarian Crises Compact” van de G7, dat op 13 juni 2021 op de G7-top in Cornwall is goedgekeurd en waarin de leden van de G7 zich ertoe verbinden honger te bestrijden en hongersnood te voorkomen door middel van gezamenlijke acties,
– gezien artikel 54 van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,
– gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A9-0195/2022),
A. overwegende dat matige of ernstige voedselonzekerheid sinds 2014 langzaam toeneemt en dat in 2020 bijna een op de drie mensen (2,37 miljard) geen toegang heeft tot voldoende voedsel(12);
B. overwegende dat voedselcrisissen sinds 2020 in ernst en omvang zijn toegenomen als gevolg van conflicten, economische schokken en extreme weersomstandigheden, of een combinatie van deze factoren, en dat in 2021 bijna 193 miljoen mensen werden blootgesteld aan acute voedselonzekerheid en dringend voedselhulp nodig hadden, een recordaantal sinds het verschijnen van het eerste Global Report on Food Crises (mondiaal verslag over voedselcrisissen) zes jaar geleden; overwegende dat 720 à 811 miljoen mensen honger lijden en dat in vijf landen hongersnood dreigt, namelijk in Zuid-Sudan, Ethiopië, Madagaskar, Nigeria (zestien staten en het federaal hoofdstedelijk territorium) en Jemen(13);
C. overwegende dat het recht op voedsel betrekking heeft op de mate van beschikbaarheid, toegankelijkheid en toereikendheid van voedsel (dat wil zeggen dat voedsel in voldoende hoeveelheid en continu beschikbaar moet zijn);
D. overwegende dat er volgens de FAO sprake is van voedselzekerheid wanneer iedereen te allen tijde fysiek en economisch toegang heeft tot voldoende, voedzaam en veilig voedsel om in zijn behoeften en voorkeuren te kunnen voorzien en een actief en gezond leven te kunnen leiden(14);
E. overwegende dat de illegale, niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde aanvalsoorlog van Rusland in Oekraïne de reeds kwetsbare landbouwmarkten verder heeft gedestabiliseerd, bovenop de reeds ernstige situatie als gevolg van COVID-19 komt, de actuele voedselcrisissen heeft verergerd en de wereldwijde voedselzekerheid nog meer onder druk heeft gezet, waardoor de internationale voedsel- en voederprijzen, die sowieso al hoog waren, een ongekend niveau hebben bereikt; overwegende dat veertig procent van de vanuit Oekraïne uitgevoerde tarwe en maïs bestemd is voor het Midden-Oosten en Afrika en dat veel ontwikkelingslanden sterk afhankelijk zijn van de invoer van Oekraïense en Russische tarwe, en overwegende dat de hierboven geschetste situatie waarschijnlijk zal leiden tot meer voedselonzekerheid, armoede, sociale onrust en instabiliteit in deze landen;
F. overwegende dat volgens de FAO bijna vijftig landen ten minste dertig procent van hun behoeften aan tarwe invoeren vanuit Rusland en Oekraïne en voor zesentwintig van deze landen meer dan vijftig procent van hun tarwe-invoer uit Rusland en Oekraïne afkomstig is; overwegende dat het Wereldvoedselprogramma bijna de helft van zijn wereldwijde tarwevoorraden van Oekraïne kocht en heeft laten weten dat de gevolgen hiervan het grootst zullen zijn voor landen die zich momenteel reeds in een voedselcrisis bevinden, zoals Afghanistan, Ethiopië, Syrië en Jemen;
G. overwegende dat zowel Oekraïne als Rusland netto-exporteurs van landbouwproducten zijn alsook belangrijke leveranciers op de mondiale markten voor levensmiddelen en meststoffen, waar voor export beschikbare producten vaak door slechts enkele landen worden geleverd; overwegende dat deze markten hierdoor kwetsbaarder en volatieler kunnen zijn; overwegende dat Rusland een van de belangrijkste exporteurs is van synthetische stikstofmeststoffen en componenten daarvan, en dat Belarus een belangrijke exporteur is van kalimeststoffen; overwegende dat de prijzen van stikstofmeststoffen sterk afhankelijk zijn van de aardgasprijzen en dat Rusland op de aardgasmarkt een dominante marktpositie inneemt; overwegende dat veel ontwikkelingslanden al vóór het conflict gebukt gingen onder de negatieve gevolgen van de hoge internationale voedsel- en mestprijzen;
H. overwegende dat de voedselprijsindex van de FAO, die de internationale prijzen van levensmiddelen en diervoeders volgt, tot een nieuw recordniveau is gestegen en dat andere prijsstijgingen en voedselinflatie ongekende hoogten bereiken;
I. overwegende dat de voedselprijsindex volgens de FAO in februari 2022 een recordniveau heeft bereikt; overwegende dat de FAO stelt dat voedselinflatie uiteraard te wijten is aan de toestand van gewassen en de beschikbaarheid voor uitvoer, maar in veel grotere mate haar oorsprong vindt in sectoren die niets te maken hebben met de productie van voedsel, met name de sectoren van energie, meststoffen en diervoeders;
J. overwegende dat de voedselonzekerheid het grootst is in Afrika, waar zestig procent van de bevolking (hetzij 799 miljoen mensen) in 2020 het slachtoffer waren van matige of ernstige voedselonzekerheid(15);
K. overwegende dat de Europese Unie bijzondere aandacht moet besteden aan landen waar hongersnood heerst die nog wordt verergerd door natuurrampen, zoals Madagaskar, dat onlangs is getroffen door gewelddadige cyclonen en waar twee op de vijf inwoners onder acute voedselonzekerheid lijdt, met name in het zuiden, waar meer dan 300 000 kinderen ernstig ondervoed zijn;
L. overwegende dat veel kleine boeren in ontwikkelingslanden geen toegang hebben tot gezonde, voedzame en duurzame voeding wegens afgelegen woonplaatsen, lage inkomens en het ontbreken van gevarieerde voedselbronnen; overwegende dat uit gegevens blijkt dat investeringen in kleinschalige landbouw en regionale structuren het beste rendement opleveren op het gebied van armoedebestrijding en groei, en overwegende dat dit aantoont dat de aandacht vooral moet uitgaan naar het verhogen van de inkomens van kleine boeren, en met name vrouwelijke kleine boeren, en naar het vergroten van de weerbaarheid van kwetsbare gemeenschappen;
M. overwegende dat gezonde voeding in 2020 onbetaalbaar was voor ongeveer drie miljard mensen over de hele wereld en dat obesitas overal sterk toeneemt(16);
N. overwegende dat malnutritie een abnormale fysiologische conditie is die wordt veroorzaakt door ondervoeding maar ook door overgewicht en obesitas; overwegende dat de gezondheid van vrouwen en meisjes nauw samenhangt met hun lichamelijke en geestelijke gezondheid en met de voedingsstatus van de kinderen die zij zullen krijgen; overwegende dat ondervoeding bij zwangere vrouwen en moeders tot een groter risico leidt op complicaties tijdens de zwangerschap, moedersterfte en ondervoeding en sterfte van de kinderen; overwegende dat malnutritie nog altijd een onaanvaardbaar groot aantal kinderen treft: van alle kinderen ter wereld onder de vijf jaar heeft 22 % een groeiachterstand als gevolg van chronische malnutritie, kwijnt 6,7 % weg door acute ondervoeding en heeft 5,7 % overgewicht(17), en onder invloed van de COVID-19-pandemie zullen de cijfers inzake groeiachterstand en wegkwijnen waarschijnlijk nog toenemen;
O. overwegende dat het waarborgen van de toegang tot schoon water nauw samenhangt met meer voedselzekerheid en betere voeding; overwegende dat volgens het recentste verslag van de Verenigde Naties over het beheer van de watervoorraden in de wereld (2021) ruim veertig procent van de wereldbevolking wordt getroffen door waterschaarste en meer dan twee miljard mensen op aarde geen directe en gegarandeerde toegang hebben tot veilig drinkwater;
P. overwegende dat ruim tien procent van de wereldbevolking alleen maar overleeft dankzij visserij en aquacultuur(18), en overwegende dat volgens de VN meer dan drie miljard mensen hun belangrijkste eiwitbronnen uit zee halen, in de vorm van vis en schaal- en schelpdieren; overwegende dat meer dan negentig procent van de vissers en werknemers in de visserijsector wereldwijd afhangen van kleinschalige visvangst;
Q. overwegende dat gezondheidsstelsels die niet bijster veerkrachtig en sterk zijn, regelmatig in het nauw worden gebracht door epidemieën, en met name niet kunnen instaan voor de continuïteit van de meest elementaire zorg; overwegende dat de middelen van de gezondheidsstelsels de afgelopen twee jaar zijn verlegd van een reeks vanuit voedingsoogpunt belangrijke functies en essentiële gezondheidsdiensten in verband met ondervoeding — zoals prenatale zorg, aanvulling van micronutriënten en preventie en behandeling van diarree, infecties en acute ondervoeding bij kinderen — naar de strijd tegen COVID-19, en overwegende dat de behandeling en preventie van ondervoeding nog steeds onvoldoende zijn opgenomen in de basiszorgpakketten van de nationale gezondheidsstelsels en er ongelijkheid blijft bestaan op het gebied van de toegang tot zorg;
R. overwegende dat chronische armoede, grote en hardnekkige ongelijkheden en niet-duurzame voedselsystemen in combinatie met frequentere natuurrampen, die met name te wijten zijn aan de klimaatverandering, de onderliggende oorzaken van voedselonzekerheid en ondervoeding vormen;
S. overwegende dat de klimaatverandering en frequenter optredende en verwoestender extreme fenomenen volgens het zesde IPCC-verslag van 2022 klimaatverandering tot minder voedsel- en waterzekerheid leidt, de opbrengst van gewassen verlaagt, weidegronden en paden voor het overbrengen van vee naar andere weidegrond verandert en de voedingswaarde van voedsel doet afnemen, hetgeen de inspanningen om de Agenda 2030 en de bijbehorende doelstellingen voor duurzame ontwikkeling te verwezenlijken, belemmert;
T. overwegende dat de klimaatverandering vrouwen nog meer in gevaar brengt en nog kwetsbaarder maakt; overwegende dat de klimaatverandering bestaande problemen verergert, bijvoorbeeld door plotseling verlies van voedselproductie en plotse onbeschikbaarheid van voedsel, en onderliggende kwetsbaarheden zoals armoede en voedselonzekerheid aanscherpt, met als gevolg dat mensen het hoofd moeten bieden aan steeds ernstiger crisissen; overwegende dat een verminderde voedingsdiversiteit in veel gemeenschappen tot malnutritie heeft geleid, met name bij inheemse volkeren, kleine landbouwers en huishoudens met een laag inkomen, waarbij vooral kinderen, ouderen en zwangere vrouwen het het hardst te verduren krijgen;
U. overwegende dat de FAO raamt dat ongeveer 75 % van de genetische diversiteit van planten wereldwijd verloren is gegaan; overwegende dat grootschalige genetische erosie onze kwetsbaarheid voor klimaatverandering en het uitbreken van nieuwe plagen en ziekten doet toenemen;
V. overwegende dat de biodiversiteit en de diensten die de biodiversiteit levert – bestuiving, tegengaan van plagen, grotere weerstand van landbouwecosystemen tegen erosie, droogte en overstromingen, bodemverrijking en koolstofopvang – essentieel zijn voor een duurzame voedselproductie;
W. overwegende dat het versterken van de biodiversiteit en het ondersteunen van de integriteit van ecosystemen blijvende voordelen kan bieden voor mensen, bijvoorbeeld in de vorm van bestaansmiddelen, een goede gezondheid, welbevinden en voedselvoorziening;
X. overwegende dat het aantal mensen dat dringend hulp nodig heeft op het gebied van voedsel en levensonderhoud, toeneemt(19); overwegende dat de belangrijkste oorzaken van de toenemende voedselonzekerheid en malnutritie te vinden zijn in conflicten, de klimaatverandering en extreme weersomstandigheden, aantasting van het milieu, stijgende energieprijzen, beperkte toegang tot water, economische schokken, chronische armoede en een hoog en hardnekkig niveau van ongelijkheid, inclusief genderongelijkheid, gebrek aan toegang tot elementaire sociale diensten en gezondheidszorg, de toename van de wereldbevolking en falende overheden, en dat mensen zich als gevolg van deze problemen gedwongen kunnen zien te migreren;
Y. overwegende dat door conflicten de toegang tot voedsel en sociale basisvoorzieningen verstoord wordt waardoor de stabiliteit van de gezondheid – te weten de voedselvoorziening, water, sanitaire voorzieningen en hygiëne – in het gedrang komt en overwegende dat door conflicten schade wordt toegebracht aan natuurlijke hulpbronnen, infrastructuur, productiemiddelen en vee; overwegende dat voedselonzekerheid kan uitmonden in conflicten tussen getroffen gemeenschappen, waardoor bestaande problemen en spanningen als gevolg van schaarste aan hulpbronnen erger worden;
Z. overwegende dat COVID-19 heeft geleid tot een verstoring van voedselwaardeketens – van productie en transport tot opslag en verkoop – en dat door de beperkingen op verplaatsingen de toegang tot markten voor boeren en consumenten werd bemoeilijkt, hetgeen de gelijke toegang voor iedereen tot adequate en voedzame levensmiddelen verder heeft belemmerd en aan het licht heeft gebracht dat op invoer gebaseerde voedselsystemen ons kwetsbaar maken en hoe belangrijk duurzame agrovoedingssystemen daarom zijn;
AA. overwegende dat door COVID-19, bij gebrek aan universele “social protection floors”, de armoede is toegenomen; overwegende dat de beperkingen gevolgen hebben gehad voor de dagelijkse economische activiteiten waarvan veel huishoudens afhankelijk zijn, waardoor het moeilijk kon worden gezond en voedzaam voedsel te bemachtigen of te voorzien in gezondheidsbehoeften; overwegende dat toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg in veel ontwikkelingslanden uiterst beperkt is, met name voor de meest kwetsbare en gemarginaliseerde mensen;
AB. overwegende dat inclusieve, efficiënte, veerkrachtige en duurzame voedselsystemen van cruciaal belang zijn voor de verwezenlijking van Agenda 2030 en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; overwegende dat door de COVID-19-pandemie de zwakke plekken in mondiale voedselsystemen duidelijk zichtbaar werden, met als gevolg toegenomen ongelijkheid en de meest kwetsbaren die zagen hoe hun leven en bestaansmiddelen in gevaar kwamen; overwegende dat in het kader van het VN-decennium voor actie wordt opgeroepen tot het versneld inzetten van baanbrekende oplossingen om problemen overal ter wereld voor mensen en de planeet aan te pakken, van armoede en gender tot klimaatverandering, ongelijkheid en het dichten van de financieringskloof;
AC. overwegende dat voeding een belangrijk thema is dat ten grondslag ligt aan de verwezenlijking van ten minste 12 van de 17 SDG’s en tevens onlosmakelijk verbonden is met andere duurzame ontwikkelingsvraagstukken, hetzij omdat voeding ervan afhankelijk is (namelijk water, sanitaire voorzieningen en hygiëne, en landbouw), hetzij omdat voeding een voorwaarde is voor die andere zaken (namelijk gezondheid, werkgelegenheid), hetzij een combinatie van die twee (namelijk waar het gaat om gendergelijkheid en onderwijs);
AD. overwegende dat de Overeenkomst van Marrakesh van 1994 en met name de Landbouwovereenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) hebben bijgedragen tot specialisatie van landbouwregio’s; overwegende dat deze specialisatie ertoe heeft geleid dat sommige regio’s veel uitvoeren en andere regio’s bijna volledig afhankelijk zijn van invoer; overwegende dat deze situatie tot problemen leidt in geval van crises, zoals oorlogen, en een van de factoren is die ten grondslag liggen aan de wereldwijde voedselinstabiliteit waarvan op dit moment sprake is;
AE. overwegende dat een grote afhankelijkheid van voedselinvoer bevolkingen in hoge mate blootstelt aan volatiliteit op de wereldmarkt, met name personen die een aanzienlijk deel van hun inkomen besteden aan hun dagelijkse voedselbehoeften;
AF. overwegende dat instabiele internationale markten ertoe leiden dat in landen zonder een sterk landbouwbeleid voedselonzekerheid ontstaat, aangezien perioden van lage prijzen een negatief effect hebben op de productiecapaciteit en leiden tot een toename van de invoer, waardoor de bevolking in steden kwetsbaar wordt voor het effect van stijgende prijzen op de wereldmarkt;
AG. overwegende dat landbouwbeleid het belangrijkste macro-economische beleid is en dat voor opkomende economieën de inflatie een verwoestend effect heeft, omdat zij niet beschermd zijn tegen de extreme volatiliteit van prijzen op de wereldmarkt;
AH. overwegende dat voedselsoevereiniteit het recht van mensen en landen is om hun eigen landbouw- en voedselbeleid te bepalen; overwegende dat met dit concept wordt beoogd elk land in staat te stellen zijn eigen bevolking te voeden en zelfvoorzienend en autonoom te zijn; overwegende dat het streven in de “van boer tot bord”-strategie om boeren minder afhankelijk te maken van externe outputs in overeenstemming is met deze definitie;
AI. overwegende dat met de Europese Green Deal en de “van boer tot bord”-strategie een holistische benadering van de landbouw wordt gehanteerd – niet alleen om een klimaat- en biodiversiteitscrisis in Europa te voorkomen maar ook om de voedselzekerheid te waarborgen en onze voeding en volksgezondheid te verbeteren; overwegende dat dit als model zal dienen voor investeringen op het terrein van ontwikkelingsfinanciering, met het oog op het vergroten van de veerkracht en de voedselautonomie van ontwikkelingslanden;
AJ. overwegende dat de “van boer tot bord”-strategie erop gericht is het gebruik van bepaalde landbouwproductiemiddelen te verminderen, met als streven om tegen 2030 het totale gebruik van chemische pesticiden met 50 % terug te dringen, het gebruik van de gevaarlijkste pesticiden met 50 % terug te dringen en het gebruik van meststoffen met ten minste 20 % terug te dringen;
AK. overwegende dat voeding een belangrijke investering is, aangezien goede voeding tijdens de eerste duizend dagen van het leven van een kind van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van zijn volledige fysieke, intellectuele en menselijke potentieel; overwegende dat kinderen die aan honger en ondervoeding lijden minder goed in staat zijn om te leren en dat dit ervoor kan zorgen dat zij stoppen met school, en dat honger en ondervoeding in alle levensfasen een last zijn voor individuen en samenlevingen en de ontwikkeling van mensen en nationale economieën in negatieve zin beïnvloeden; overwegende dat goede voeding daarom de hoeksteen is van welvarende samenlevingen;
AL. overwegende dat 370 miljoen kinderen vanwege schoolsluitingen op het hoogtepunt van de COVID-19-pandemie geen toegang meer hadden tot een gegarandeerde schoolmaaltijd, wat vaak hun enige warme maaltijd voor die dag was, en overwegende dat programma’s voor schoolmaaltijden een belangrijke manier zijn om honger onder kinderen en verschillende vormen van ondervoeding te bestrijden; overwegende dat voedselonzekerheid daarentegen het functioneren van de samenleving verstoort, bijvoorbeeld doordat gezinnen hun kinderen niet naar school kunnen sturen en doordat zij stress ervaren, en dat het een aanjager kan zijn van huiselijk en gendergeweld; overwegende dat elke dollar die in voedingsgerelateerde interventies wordt geïnvesteerd 16 dollar aan rendement kan opleveren;
AM. overwegende dat er, net als op andere onderdelen van de humanitaire en ontwikkelingshulp, sprake is van toenemende behoeften waarvoor echter geen toereikende middelen beschikbaar zijn, wat dus leidt tot een snel groeiende financieringskloof die slimmere en meer systematische benaderingen vereist alsook een systemische transformatie in de richting van sociaal rechtvaardige voedselsystemen, aangezien onze huidige voedselsystemen de sociaal-economische en genderongelijkheden die mensen de toegang tot gezonde, eerlijke en duurzame voeding belemmeren, erger maken;
AN. overwegende dat vrouwen in hun rol als landbouwers, verzorgers en producenten een sleutelrol spelen in het voeden van de wereldbevolking — in ontwikkelingslanden produceren zij 60-80 % van het voedsel — maar geen gelijke toegang hebben tot voedsel of tot de hulpbronnen, diensten en activa waarmee zij hun rendement en inkomen kunnen verhogen; overwegende dat vrouwen 75 % van het onbetaalde zorg- en huishoudelijk werk voor hun rekening nemen en dat vrouwen in plattelandsgemeenschappen en lage-inkomenslanden tot 14 uur per dag aan zorgtaken besteden;
AO. overwegende dat genderongelijkheid van invloed is op de verdeling van arbeid en ertoe leidt dat vrouwen en meisje in onevenredige mate belast worden met zorgtaken, waarvoor zij niet betaald worden;
AP. overwegende dat de bescherming van de rechten van vrouwen en meisjes op alle niveaus moet gewaarborgd worden en dat hun ruimte moet worden geboden in besluitvormingsprocessen; overwegende dat vrouwen en meisjes wat betreft klimaatverandering en bij rampen degenen zijn die het zwaarst getroffen worden, hetgeen erop neerkomt dat zij als gevolg van een opeenstapeling van risico’s nog kwetsbaarder zijn;
AQ. overwegende dat genderongelijkheid rechtstreekse gevolgen heeft voor voeding aangezien het de voedseldynamiek in huishoudens en gemeenschappen zodanig beïnvloedt dat vrouwen en meisjes geraakt worden in hun vermogen om in hun eigen behoeften te voorzien – of het nu gaat om het produceren, de toegankelijkheid, de betaalbaarheid of het verstrekken van voeding, zorg en gezondheidszorgs- en sanitaire diensten; en dat zij vanwege genderongelijkheid een verhoogd risico lopen in aanraking te komen met gendergeweld en huiselijk geweld;
AR. overwegende dat het dichten van de genderkloof tussen vrouwelijke en mannelijke boeren de landbouwopbrengsten in de armste regio’s met 2,5 tot 4 % zou kunnen doen toenemen en de honger wereldwijd met 17 % zou kunnen doen afnemen;
AS. overwegende dat vrouwen 43 % van de agrarische beroepsbevolking in partnerlanden uitmaken en dat dit percentage in sommige landen in Azië en Afrika ten zuiden van de Sahara oploopt tot minstens 50 %, en dat vrouwen nog geen 20 % van de agrarische grondbezitters uitmaken;
AT. overwegende dat er wereldwijd 608 miljoen agrarische familiebedrijven zijn die tussen 70 en 80 % van de landbouwgrond omvatten, en dat deze familiebedrijven meer dan 90 % van alle landbouwbedrijven wereldwijd vertegenwoordigen en uitgedrukt in waarde ongeveer 80 % van al het voedsel in de wereld produceren;
AU. overwegende dat een derde van het wereldwijd geproduceerde voedsel verloren gaat of wordt verspild; overwegende dat het voor de aanpak van wereldwijde voedselonzekerheid, ondervoeding en bescherming van de biodiversiteit van groot belang is meer in te zetten op het terugdringen voedselverlies en voedselverspilling door in landbouwproductiesystemen circulair te gaan werken met het oog op een landbouwproductie die duurzamer is en efficiënter gebruikmaakt van hulpbronnen;
AV. overwegende dat voor de aanpak van voedsel- en voedingszekerheid naast meer financiering het ook nodig is dat de politiek vastberadenheid laat zien in haar aandacht en inspanningen op dit thema;
AW. overwegende dat sommige derde landen een aantal innovatieve projecten hebben opgezet, zoals het Afrikaanse initiatief “Grote Groene Muur” voor de bevordering van agro-ecologische projecten;
AX. overwegende dat de Commissie inzake Wereldvoedselzekerheid het belangrijkste inclusieve internationale en intergouvernementele platform is vanwaaruit alle belanghebbenden samenwerken aan het gemeenschappelijke doel van voedselzekerheid en voeding voor iedereen;
AY. overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 december 2017 een project heeft goedgekeurd waarmee zij de periode 2019-2028 heeft uitgeroepen tot het VN-decennium van het agrarische familiebedrijf;
AZ. overwegende dat de rechten van boeren in 2004 weliswaar zijn vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw van de FAO, maar dat intellectuele eigendomsregels vaak in tegenspraak zijn met deze rechten, waardoor lokale, traditionele en inheemse stelsels van zaden in gevaar worden gebracht;
BA. overwegende dat voor het aanpakken van voedselonzekerheid de actieve inmenging van de EU van essentieel belang is, aangezien bijna de helft van de wereldwijde officiële ontwikkelingshulp (ODA) van de EU afkomstig is;
Voedselzekerheid en voeding centraal stellen bij het herstel na COVID‑19
1. is verontrust over het feit dat we niet op schema liggen om de voedingsdoelstellingen voor 2025 te halen of honger uiterlijk in 2030 uit te bannen (SDG 2 luidt “Zero Hunger”), en dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat deze doelen inderdaad in respectievelijk 2025 en 2030 bereikt zullen zijn; herinnert eraan dat honger en voedselonzekerheid wereldwijd opnieuw toenemen; merkt met bezorgdheid op dat niet valt uit te sluiten dat tegen 2030 nog steeds ongeveer 660 miljoen mensen honger zullen lijden, ook vanwege de gevolgen van de COVID-19-pandemie; herinnert eraan dat doortastende maatregelen nodig zijn, met name met betrekking tot ongelijkheid bij het kunnen bemachtigen van voedsel, teneinde sneller vooruitgang te boeken in de richting van de doelstelling “Zero Hunger”; wijst erop dat het uitbannen van alle vormen van ondervoeding samen met SDG 2 in al het beleid als prioriteiten moeten worden beschouwd, en dat hierbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar personen in de meest kwetsbare posities;
2. onderstreept dat voedselsystemen een sleutelrol moeten spelen bij het uitbannen van armoede en het verwezenlijken van SDG 1, en dat daarbij aandacht moet worden besteed aan malnutritie maar ook aan het feit dat er naast ondervoeding tegelijkertijd sprake is van overvoeding, hetgeen van groot belang is met het oog op het behalen van de gezondheidsdoelen van SDG 3; onderstreept dat een duurzame omgang met watervoorraden teneinde SDG 6 te verwezenlijken onmogelijk zal zijn zonder dat de landbouw daarbij een centrale rol speelt, en dat duurzaam visserijbeheer van fundamenteel belang is voor de instandhouding en het duurzame gebruik van de oceanen en zeeën en voor de verwezenlijking van SDG 14; herinnert er bijgevolg aan dat ook onze ambities inzake duurzame consumptie en productie in het kader van SDG 12, aanpassing aan en matiging van klimaatverandering in het kader van SDG 13 en de bescherming, het herstel en het duurzame beheer van land-ecosystemen in het kader van SDG 15 weerspiegeld moeten worden in voedselsystemen in bredere zin;
3. herinnert aan de cruciale rol van kleinschalige visserij voor voedselzekerheid en voeding; wijst erop dat partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij gebaseerd moeten zijn op het best beschikbare wetenschappelijke advies en dat zij noch de lokale voedselzekerheid mogen ondermijnen, noch de kleinschalige visserijsector in derde landen mogen bedreigen door deze in rechtstreekse concurrentie te brengen met EU-schepen; dringt erop aan dat deze overeenkomsten worden afgestemd op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en op de EU-milieuverplichtingen en de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, door middel van meer steun aan de sector en duurzaamheidsbepalingen inzake overschotten, teruggooi en de voorzorgsbenadering;
4. onderstreept dat de COVID-19-pandemie met de daaruit voortvloeiende economische crisis en de sluiting van grenzen en het huidige conflict in Oekraïne de kwetsbaarheden van het mondiale voedselsysteem duidelijk zichtbaar hebben gemaakt; benadrukt en herinnert de Europese Commissie en de lidstaten eraan hoe belangrijk het is om sterkere verbindingen te leggen tussen het korte-, middellange- en langetermijnbeleid, met het oog op de waarborging van het inclusieve karakter van de COVID-19-herstelplannen waarbij ook specifieke aandacht moet worden besteed aan de meest kwetsbare groepen zoals kinderen, jongeren, vrouwen, ouderen en inheemse bevolkingen;
5. dringt er bij de EU op aan het recht van ontwikkelingslanden op voedsel en op zelfvoorziening als middel om voedselzekerheid, minder armoede en inclusieve, duurzame en eerlijke mondiale toeleveringsketens alsook duurzamere voedselsystemen tot stand te brengen, te beschermen; en tevens om lokale en regionale markten te steunen, met bijzondere aandacht voor vrouwen en familiebedrijven en met als doel betaalbaar en toegankelijk voedsel en sterkere sociale vangnetten beschikbaar te maken zodat de meest kwetsbaren ook in nood- of crisissituaties aan hun voedsel kunnen komen;
6. herinnert eraan dat Oekraïne en Rusland belangrijke spelers zijn op de mondiale markt voor voedseluitvoer; bijgevolg zijn Oekraïne en Rusland voor een aantal landen waar veel honger heerst van extra grote invloed, aangezien deze landen een aanzienlijk deel van hun tarwe uit Oekraïne of Rusland invoeren;
7. onderstreept dat regeringen in deze context uitvoerverboden moeten vermijden en maatregelen moeten bedenken waarmee zij een herstructurering van landbouwmarkten en van de regulering van die markten kunnen ondersteunen, door middel van meer transparantie en door nieuwe regels op te stellen waarmee kan worden voorkomen dat buitensporige financiële speculatie de volatiliteit van de voedselprijzen aanwakkert, hetgeen met name in de context van een oorlog de groothandelsprijzen kunstmatig kan verhogen en tot marktvolatiliteit kan leiden en in het bijzonder ontwikkelingslanden en de meest kwetsbare bevolkingen treft;
8. betreurt ten zeerste de financiële speculatie ten aanzien van landbouwbasis- en voedselproducten en verzoekt de Commissie dringend met voorstellen te komen om een einde te maken aan deze vorm van speculatie, met name in een context van oorlog, om zodoende te zorgen voor stabiele markten en stabiele landbouwproductie; herinnert er in dit verband aan dat de structurele instabiliteit van de internationale landbouwmarkten een bedreiging vormt voor de mondiale voedselzekerheid en voor de politieke stabiliteit in veel ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie en de lidstaten internationale regels te steunen die erop gericht zijn financiële speculatie met landbouwbasis- en voedselproducten en speculatieve praktijken een halt toe te roepen;
9. herinnert eraan dat het recht op voedsel een mensenrecht is; dringt aan op alomvattende en sterke EU-maatregelen die de geleidelijke verwezenlijking van dit recht kracht bijzetten waardoor voedselzekerheid voor iedereen bereikt wordt; is zeer bezorgd over de sterk toenemende voedselonzekerheid in de afgelopen jaren;
10. benadrukt dat de energiecrisis en de ongunstige weersomstandigheden vóór de oorlog in Oekraïne hebben geleid tot een sterke stijging van de prijzen van landbouwbasisproducten op de wereldmarkt en dringt, gezien deze context, aan op meer en efficiëntere voedselhulp in een poging om dringende noodhulp en oplossingen voor de langere termijn beter aan elkaar te koppelen; dringt er concreet bij de Europese Commissie en de EU-lidstaten op aan hun bijdragen aan het Wereldvoedselprogramma te verhogen, en te werken aan de transformatie van onze voedselsystemen door middel van steunverlening ten behoeve van de diversiteit en kwaliteit van de landbouwproductie en -verwerking in partnerlanden, en maatregelen te nemen waarmee de structurele armoede en de aanhoudende ongelijkheden aangepakt kunnen worden, aangezien dit onderliggende oorzaken van voedselonzekerheid zijn;
11. stelt met bezorgdheid vast dat de Russische invasie van Oekraïne enorme gevolgen zal hebben in bredere zin, waardoor de bestaande voedselonzekerheid en de gevolgen van de COVID-19-pandemie nog verder zullen verergeren; stelt met nog grotere bezorgdheid vast dat Oekraïne een belangrijke producent is van basislevensmiddelen zoals tarwe, maïs en plantaardige oliën; verzoekt de Commissie verreikende maatregelen voor voedselzekerheid te ontwikkelen en deze op korte, middellange en lange termijn ten uitvoer te leggen; herinnert eraan dat de EU ervoor moet zorgen dat het recht op voedsel voor iedereen niet onder druk staat door grondstoffenmarkten; herinnert eraan dat hongersnoden tot de mogelijke gevolgen van de oorlog behoren als wereldleiders geen tegenmaatregelen nemen, en dat dit serieus in ogenschouw moet worden genomen;
12. onderstreept dat de oorlog in Oekraïne laat zien dat lage-inkomenslanden voor hun basisvoedselvoorziening in aanzienlijke mate afhankelijk zijn van de wereldmarkt en dat hun voedselzekerheid afhangt van een handvol graanexporterende landen, en dat deze landen dus extra kwetsbaar zijn voor marktverstoringen en prijsstijgingen; herinnert eraan dat 14 lage- of lagere-middeninkomenslanden meer dan 50 procent van de tarwe waarmee zij hun bevolking voeden uit Rusland en Oekraïne invoeren, en dat een aantal van deze landen al met hongersnoodachtige omstandigheden te kampen heeft;
13. onderstreept dat om door conflicten veroorzaakte schokken op te vangen en veerkrachtig te blijven, landen die afhankelijk zijn van de invoer van voedsel uit Oekraïne en de Russische Federatie de bronnen van hun voedselvoorziening moeten diversifiëren door terug te vallen op andere exporterende landen, op bestaande voedselvoorraden of door het aantal binnenlandse productiebases te vergroten;
14. verzoekt de EU en haar lidstaten de financieringskloof met betrekking tot de humanitaire noodoproep 2022 van de VN voor Oost-Afrika en het Midden-Oosten onmiddellijk te dichten, aangezien steun voor deze twee regio’s momenteel 99 % ondergefinancierd is; herinnert eraan dat het Wereldvoedselprogramma het voedselrantsoen voor vluchtelingen en andere kwetsbare bevolkingsgroepen in heel Oost-Afrika en het Midden-Oosten reeds heeft moeten verminderen omdat er te weinig financiering is, de prijzen gestegen zijn en omdat mede als gevolg van de oorlog in Oekraïne het aanbod op de markten voor voedselproducten is afgenomen;
15. benadrukt dat een programmering met ambitieuze financiering inzake voedsel en voeding centraal moet staan in de herstelplannen voor de periode na de pandemie;
16. dringt er bij de EU op aan om in haar internationale ontwikkelingsprogrammering prioriteit te geven aan voedsel en landbouw en ervoor te zorgen dat lokale gemeenschappen en organisaties toegang tot financiering hebben; verzoekt de EU om in het kader van haar partnerschappen met ontwikkelingslanden te investeren in maatregelen en interventies die toegang bieden tot gevarieerde, betaalbare, veilige, duurzame en voldoende voedzame levensmiddelen, aangezien investeren in voedsel en voeding een essentieel element is voor de opbouw van menselijk kapitaal, het concurrentievermogen en de verwezenlijking van de SDG’s;
17. benadrukt dat het beleid per land moet worden bepaald, op de behoeften moet worden afgestemd en aan de context moet worden aangepast aangezien voedselsystemen zeer divers zijn; herinnert eraan dat prioriteit moet worden gegeven aan lokale voedselproductie door middel van financiering van kleine boeren, bescherming van de mensenrechten en versterking van familiale landbouwsystemen, coöperaties en regionale toeleveringsketens;
18. wijst erop dat kleine boeren de belangrijkste voedselproducenten in ontwikkelingslanden zijn en een belangrijke rol spelen in de voedselzekerheid en voeding van deze landen; verzoekt de EU kleinschalige landbouw, familiebedrijven en coöperaties in haar ontwikkelingshulp specifiek te ondersteunen en te versterken, en daarbij ook aandacht te besteden aan fatsoenlijk werk; benadrukt dat een verbetering van de kleinschalige landbouwproductie zich vertaalt in meer voedsel op de wereldmarkt, wat leidt tot lagere voedselprijzen en betere voedingspatronen;
19. stipt aan dat lokale landbouwtradities, aangevuld met moderne technologie, de productie van gezond en voedzaam voedsel kunnen bevorderen; is van mening dat ontwikkelingslanden hun overheidsbeleid op het gebied van landbouw moeten kunnen beschermen;
20. benadrukt dat lokale voedselproductie en lokale consumptie de kleinschalige landbouw ondersteunen, eerlijke prijzen voor producenten en consumenten garanderen, landen minder afhankelijk maken van invoer en hun kwetsbaarheid voor internationale prijsschommelingen verminderen;
21. benadrukt dat strategische investeringen in duurzame landbouwpraktijken een sleutelrol kunnen spelen bij de totstandbrenging van veerkrachtigere en duurzamere agrovoedingssystemen; dringt erop aan dat EU-investeringen in overeenstemming zijn met Agenda 2030, de Klimaatovereenkomst van Parijs en het Verdrag inzake biologische diversiteit; verwelkomt en steunt investeringen van de EU in partnerschap met ontwikkelingslanden op het gebied van agro-ecologie, boslandbouw en gewasdiversificatie en herhaalt dat door de Unie gesteunde investeringen in landbouw, bosbouw of visserij, of in ondernemingen die een impact hebben op bodem, grasland, bossen, water of zee, onder meer in overeenstemming moeten zijn met de vrijwillige richtsnoeren van de FAO/CFS voor een verantwoord beheer van grondbezit, visgronden en bossen in het kader van de nationale voedselzekerheid (VGGT’s) en de FAO/CFS-beginselen inzake verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen; is voorstander van Europese financiering voor producenten en agrovoedingsbedrijven, zodat zij de nodige investeringen kunnen doen om te voldoen aan de vereisten van risicoanalyse en kritische controlepunten, door maatregelen te nemen om elk potentieel risico voor de voedselveiligheid uit te sluiten;
22. beklemtoont dat korte toeleveringsketens een groot potentieel bieden om de gebreken van het huidige voedselsysteem aan te pakken, en wijst erop dat klimaatvriendelijke landbouw onder meer vereist dat de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en meststoffen worden verminderd;
23. is ingenomen met alle initiatieven ter uitvoering of versterking van landbouwbeleid op nationaal of regionaal niveau die gericht zijn op meer zelfvoorziening op voedselgebied, en moedigt de overgang van ontwikkelingslanden naar meer zelfvoorziening aan, waarbij landbouwers verantwoordelijkheid, eigen inbreng en onafhankelijkheid krijgen bij de totstandbrenging van duurzame agrovoedingssystemen en meer zelfvoorzienende productiesystemen; pleit ervoor de inspanningen vooral op landbouw te concentreren om het recht van ontwikkelingslanden op voedselzekerheid te waarborgen, naast het recht op voedselsoevereiniteit(20), en daarbij hun capaciteit te vergroten om te voorzien in de voedingsbehoeften van hun bevolking;
24. beklemtoont hoe belangrijk de bescherming en bevordering van het recht van lokale gemeenschappen op toegang tot en beheer van natuurlijke hulpbronnen als land en water wel niet zijn; betreurt dat landroof in veel ontwikkelingslanden schering en inslag is; wijst erop dat het een wrede praktijk is die de voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit ondermijnt en plattelandsgemeenschappen in gevaar brengt;
25. stelt vast dat bijvoorbeeld beweidingsrechten en gemeenschapsweiden traditionele landgebruiksrechten vormen, die op gewoonterecht berusten en niet op gesecuritiseerde eigendomsrechten; benadrukt evenwel het feit dat bescherming van deze gewoonterechtelijke rechten van essentieel belang is voor de plattelandsbevolking;
26. pleit ervoor aandacht te besteden aan spanningen tussen gevestigde landbouwgemeenschappen en nomadische gemeenschappen, met name in regio’s met overlappende etnisch-religieuze conflicten;
27. is ernstig bezorgd over de grote mate waarin ontwikkelingslanden afhankelijk zijn van de invoer van voedingsproducten, vooral vanuit de Europese Unie, met name wanneer deze invoer bestaat uit gesubsidieerde producten waarvan de lage prijs schadelijke concurrentie vormt voor de lokale kleinschalige landbouw;
28. benadrukt dat de rechten van landbouwers om genetische hulpbronnen in stand te houden met het oog op voedselzekerheid en aanpassing aan de klimaatverandering moeten worden beschermd; verzoekt de Commissie in het kader van haar beleid inzake ontwikkelingshulp, handel en investeringen steun te verlenen aan landbouwsystemen die in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw (ITPGRFA), dat de rechten van landbouwers waarborgt om hun eigen zaaigoed en traditionele kennis te behouden, te controleren, te beschermen en te ontwikkelen;
29. onderstreept dat consequent moet worden samengewerkt met landen, internationale en regionale organisaties uit de particuliere sector, landbouwers en kleine boeren, alsook met het lokale maatschappelijk middenveld en lokale gemeenschappen, om het ontwerp, de uitvoering en de monitoring van contextspecifieke, haalbare en robuuste nationale voedingsdoelstellingen te ondersteunen; erkent de sleutelrol van het maatschappelijk middenveld, met name bij het bereiken van kleine boeren door hen wegwijs te maken op het gebied van opleidingen en hulpmiddelen en hen in contact te brengen met markten en waardeketens;
30. is van mening dat het van cruciaal belang is prioriteit te geven aan de voedingsbehoeften van moeders en zuigelingen om een solide en veerkrachtige voedselzekerheid te waarborgen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de nationale autoriteiten in ontwikkelingslanden te ondersteunen bij de integratie van voedingsdiensten in de gezondheidsstelsels, teneinde ondervoeding in al haar vormen aan te pakken en de continuïteit van voedingsdiensten te waarborgen, met name de vroegtijdige opsporing en het op de gemeenschap gebaseerde beheer van acute ondervoeding en de voeding van zuigelingen en jonge kinderen, alsook de daarmee verband houdende programma’s voor de voeding van moeders; is in dit verband ingenomen met de verwezenlijkingen en werkzaamheden van de SUN-beweging;
31. verzoekt de EU de toegang van kleinschalige producenten tot en hun controle over land en andere hulpbronnen, waaronder zaaigoed, toegang tot water en toegang tot infrastructuur om plattelandsgemeenschappen te verbinden met territoriale markten, met inbegrip van stedelijke gebieden, te beschermen;
32. verzoekt de EU te zorgen voor passende financiering en cocreatie van kennis en technische innovaties door middel van door landbouwers geleid onderzoek, met inbegrip van steun voor kleinschalige producentenorganisaties en vrouwenverenigingen en hun collectieve verwerkings- en afzetactiviteiten;
33. verzoekt de Commissie nauwe banden met partnerlanden aan te knopen met het oog op de uitwisseling van kennis over landbouw; wijst op de expertise van de Europese landbouwsector en beklemtoont dat er voorrang moet worden gegeven aan partnerschappen op het gebied van onderzoek en innovatie in de landbouw, onder meer via Horizon Europa, en dat verantwoorde en ethische innovaties moeten worden gestimuleerd om duurzame landbouwpraktijken te bevorderen teneinde de opbrengsten en de landbouwproductie te verhogen; pleit er in dit opzicht voor in het kader van een rechtvaardige transitie de traditionele lokale kennis meer te benutten, met name op het gebied van landbouwpraktijken, visserij en de bescherming van bossen, zodat de positie van lokale volkeren en gemeenschappen kan worden versterkt;
34. wijst erop dat begrotingssteun, volgens het zesde voortgangsverslag over het actieplan voor voeding, positieve resultaten blijkt te hebben als mechanisme voor duurzame, doeltreffende en landspecifieke investeringen in voeding;
35. vraagt de EU de mondiale en nationale voedingsdoelstellingen te integreren in de desbetreffende ontwikkelingsprogramma’s en landenstrategieën; verzoekt de EU en haar lidstaten financiële langetermijninvesteringen in voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw, visserij en aquacultuur te mobiliseren en partnerlanden aan te moedigen om via hun nationale begrotingen meer in deze sectoren te investeren;
36. dringt er bij de EU op aan om in haar internationale ontwikkelingsprogrammering met partnerlanden prioriteit toe te kennen aan voedselzekerheid, bescherming van de biodiversiteit en duurzame landbouw, rekening houdend met hun specifieke lokale behoeften, en tegelijkertijd te zorgen voor toegang tot financiering voor lokale gemeenschappen en organisaties die hen ondersteunen; verzoekt de EU en haar lidstaten om, met deelname van het maatschappelijk middenveld, haar investeringen te beoordelen en te monitoren om ervoor te zorgen dat zij armoede en voedselonzekerheid concreet bestrijden;
37. benadrukt de rol van de EU als katalysator voor de transformatie van de mondiale voedselsystemen, zodat deze veerkrachtiger, duurzamer en eerlijker kunnen worden; onderstreept dat de “van boer tot bord”-strategie een ambitieus beleidskader van de EU is dat een duurzamer en veerkrachtiger EU-agrovoedingssysteem bevordert en de wereldwijde en eerlijke transitie naar duurzame agrovoedingssystemen ondersteunt die mensen, de natuur en economische groei ten goede komen en de natuurlijke hulpbronnen in stand houden in overeenstemming met de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie; stipt aan dat de “van boer tot bord”-strategie tot doel heeft boeren minder afhankelijk te maken van externe outputs;
38. dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan zich volledig te blijven inzetten voor het nakomen van hun internationale verbintenissen op het gebied van klimaat en biodiversiteit, de Green Deal en de “van boer tot bord” -strategie, en dienovereenkomstig uitvoering te geven aan de IPCC-aanbevelingen om zich aan te passen aan de klimaatverandering, met name in een context waarin de pandemie en de oorlog in Oekraïne aantonen dat de mondiale voedselmarkt kwetsbaar is voor verstoring;
39. dringt er bij de Commissie op aan de inspanningen op te voeren om de partnerlanden te helpen het aantal kinderen jonger dan vijf jaar met een groeiachterstand uiterlijk in 2025 met 7 miljoen te verminderen, zoals werd toegezegd in het EU-actieplan voor voeding;
40. verzoekt de Europese Unie partnerlanden te blijven steunen bij het herstel van de beschikbaarheid van gevarieerd en voedzaam voedsel voor schoolgaande kinderen door middel van programma’s voor schoolmaaltijden, en daarbij lokaal en duurzaam geproduceerd voedsel te bevorderen en bijzondere aandacht te besteden aan de meest kwetsbare kinderen; wijst er voorts op dat bij overheidsopdrachten moet worden gestreefd naar de aankoop van hoogwaardige levensmiddelen bij kleine boeren en lokale producenten;
41. is ingenomen met de steun van de Europese Commissie en verscheidene lidstaten aan de School Meals Coalition in het kader van de follow-up van de top over voedselsystemen; wijst erop dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat voedingsgevoelige benaderingen worden gekoppeld aan voedingsinterventies en andere gezondheidsinterventies in ontwikkelingslanden;
42. stipt aan dat tot 811 miljoen mensen in de wereld honger lijden en dat ongeveer 2 miljard mensen chronisch ondervoed zijn en belangrijke vitaminen en mineralen ontberen, met name in Afrika bezuiden de Sahara en in Azië; wijst erop dat deze effecten met name verwoestend zijn voor kinderen omdat, als zij in de eerste 1 000 dagen van hun leven onvoldoende essentiële micronutriënten zoals vitamine A, ijzer of zink krijgen, deze effecten een leven lang aanhouden, wat leidt tot verminderde groei en verminderde mentale capaciteiten, die niet alleen individuen maar ook hele economieën treffen; onderstreept dat honger en ondervoeding daarom tot de grootste belemmeringen voor ontwikkeling behoren;
43. is verheugd dat de EU op de top over voeding voor groei heeft toegezegd om in de periode 2021-2024 2,5 miljard EUR te investeren in de bestrijding van ondervoeding; dringt er bij de EU op aan leiderschap te tonen bij de verwezenlijking van dit doel;
44. merkt op dat de COVID-19-pandemie de onderlinge verbanden tussen de gezondheid van mensen, planten en dieren, de gezondheid van het milieu en de voedselzekerheid heeft aangetoond; wijst erop dat ziekten die dieren en planten treffen, ook de voedselzekerheid blijven verstoren door de voedselvoorziening wereldwijd te onderbreken; verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten om samen met de internationale gemeenschap inspanningen te leveren rond het “één gezondheid”-beginsel om voedselsystemen anders vorm te geven, ze veerkrachtiger te maken en te komen tot een betere gezondheid en voedselzekerheid voor iedereen;
45. stipt aan dat een transformatie van de voedselsystemen volgens onderzoek 12 biljoen Amerikaanse dollar zou kunnen opleveren die de wereld nu uitgeeft aan de verborgen kosten van voedsel, en dat het heroriënteren van een deel van deze middelen verdere schade aan het milieu en de gezondheid van de mens zou kunnen voorkomen, en in plaats daarvan zou kunnen bijdragen tot meer toezeggingen voor aanpassingsfinanciering, zoals de lidstaten en leiders tijdens de COP 26 in Glasgow hebben gevraagd;
46. herinnert eraan dat de klimaatverandering de voedselproductie en de toegang tot voedsel steeds meer onder druk zal zetten, vooral in kwetsbare regio’s, waardoor de voedselzekerheid en de voedingszekerheid worden ondermijnd; wijst op de conclusies van het rapport van de IPCC van 2022, waarin staat dat door de opwarming van de aarde de toestand van de bodem en het aanbod aan ecosysteemdiensten, zoals bestuiving, geleidelijk steeds verder zullen verslechteren, de druk van plagen en ziekten zal toenemen en de biomassa van zeedieren zal afnemen, waardoor de voedselproductiviteit in vele regio’s op het land en in de oceanen zal worden aangetast; is ingenomen met de aanbevelingen van de IPCC om de wereld aan de klimaatverandering aan te passen door de bevordering van agro-ecologische beginselen en praktijken, boslandbouw, gemeenschapsgerichte aanpassing, ecosysteemgericht beheer in de visserij en aquacultuur, en andere benaderingen die werken met natuurlijke processen ter ondersteuning van voedselzekerheid, voeding, gezondheid en welzijn;
Veerkracht tegen toekomstige schokken opbouwen
47. stipt aan dat het er bij het opbouwen van veerkracht om gaat het hoofd te bieden aan de toenemende frequentie en intensiteit van conflicten en natuurrampen, met name droogtes, cyclonen en overstromingen, alsook gezondheidscrises, biodiversiteitsverlies, structurele ongelijkheden en economische schokken, die vaak tal van cumulatieve gevolgen hebben voor de meest kwetsbaren; benadrukt dat strategische investeringen in duurzame landbouwpraktijken een sleutelrol kunnen spelen bij de totstandbrenging van veerkrachtigere en duurzamere agrovoedingssystemen;
48. dringt er bij de EU op aan voorspelbare, specifieke en gerichte financiering te bevorderen voor anticiperende en vroegtijdige maatregelen om voedselonzekerheid te voorkomen en de effecten ervan te verminderen, en meer aandacht en financiering te besteden aan lokaal geleide aanpassing en veerkracht; dringt er bij de EU op aan de programma’s voor levensonderhoud te versterken om de voedselzekerheid te ondersteunen en ervoor te zorgen dat mensen in staat zijn hun bestaansmiddelen voort te brengen en in stand te houden en hun eigen welzijn en dat van toekomstige generaties te vergroten; dringt er bij de EU op aan de toegang van kleinschalige producenten tot en hun controle over land en andere hulpbronnen, waaronder zaaigoed en toegang tot infrastructuur om plattelandsgemeenschappen te verbinden met territoriale markten, met inbegrip van stedelijke gebieden, te beschermen;
49. wijst erop dat voedselzekerheid een positief effect heeft op de veerkracht van de bevolking in het algemeen en mensen helpt beter om te gaan met schokken, extreme gebeurtenissen en aanhoudende crises;
50. verzoekt de Commissie de bestaande crisisbeheerplannen te herzien, met name met het oog op de voedselproductie;
51. benadrukt dat strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering gericht moeten zijn op het verminderen van voedselverlies en -verspilling; wijst erop dat de minst ontwikkelde landen en lage-inkomenslanden een groot potentieel hebben om voedselverspilling te verminderen door meer te investeren in opslag-, verpakkings- en vervoersinfrastructuur; benadrukt dat de circulaire economie moet worden ingevoerd in landbouwproductiesystemen om de duurzaamheid en de hulpbronnenefficiëntie ervan te vergroten en om voedselverliezen en -verspilling zo veel mogelijk te beperken; verzoekt de Europese Commissie en alle lidstaten programma’s ter preventie van voedselverspilling op te zetten en uit te voeren, met inbegrip van de bevordering van korte voedselvoorzieningsketens, die het risico op voedselverspilling verminderen; wijst op het belang van de ontwikkeling en actualisering van een wereldwijde, voor de bevoegde autoriteiten toegankelijke databank waarin de voorraden worden bijgehouden, met name de graanvoorraden, om de basis te leggen voor een systeem dat continue voedselzekerheid op een passend niveau waarborgt en voedselverspilling tot een minimum beperkt;
52. onderstreept dat voedselzekerheid afhankelijk is van het behalen van de klimaatdoelstellingen, het tegengaan van biodiversiteitsverlies en het waarborgen van gezonde ecosystemen op het land, aan de kust en op zee; wijst erop dat het daarom van cruciaal belang is om plastic- en diffuse verontreiniging te bestrijden;
53. benadrukt dat de productie van biobrandstoffen gevolgen heeft voor de voedselzekerheid, aangezien landbouwgrondstoffen zoals granen, sojabonen, raapzaadolie, maïs en suikerriet hierdoor niet meer voor de voedselproductie worden gebruikt; is van mening dat een flexibeler en beter gecoördineerd biobrandstoffenbeleid op internationaal niveau van cruciaal belang is om het gebruik van levensmiddelen te optimaliseren en tegelijkertijd te profiteren van het stabiliserende potentieel van deze alternatieve mogelijkheid; verzoekt de EU prioriteit te geven aan voedselproductie boven de productie van biobrandstoffen op basis van gewassen, met inachtneming van de afvalhiërarchie en rekening houdend met het beginsel van cascadering, zodat voor extra voedselvoorraden kan worden gezorgd en de mondiale markten voor voedingsgrondstoffen kunnen worden gestabiliseerd;
54. wijst op het belang van de strategische banden tussen Afrika en Europa, waarbij wordt voortgebouwd op de vooruitgang die is geboekt in de actieagenda van de Afrikaanse Unie (AU) en de EU voor de transformatie van het platteland; herinnert aan de resolutie van het Europees Parlement van 16 september 2020 over de samenwerking tussen de EU en Afrika op het gebied van veiligheid in de Sahelregio, West-Afrika en de Hoorn van Afrika, waarin wordt aangestipt dat voedselonzekerheid vaak een onderliggende oorzaak is van terrorisme en gewapende conflicten; dringt daarom aan op volledige integratie van de koppeling tussen humanitaire hulp, ontwikkeling en vrede in veiligheidsstrategieën in derde landen, wat inhoudt dat de verlening van basisdiensten, waaronder voedselzekerheid, moet worden ondersteund met de betrokkenheid van lokale gemeenschappen;
55. herinnert eraan dat het initiatief voor een Grote Groene Muur in de Sahelregio van Afrika tegen 2030 tot doel heeft 100 miljoen hectare aangetast land te herstellen, 250 miljoen ton koolstof op te slaan en 10 miljoen banen te creëren in plattelandsgebieden, die samen 15 van de 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling moeten ondersteunen, armoede en honger moeten terugdringen, lokale weerbaarheid tegen klimaatverandering moeten opbouwen, de gezondheid en het welzijn moeten verbeteren, banen moeten creëren en de economische groei moeten stimuleren;
56. verzoekt de EU de steun voor nationale socialebeschermingsstelsels uit te breiden, met inbegrip van schokbestendige sociale bijstand in contanten, teneinde inkomensongelijkheid op een conflictsensitieve manier en overeenkomstig het niet-schadenbeginsel aan te pakken en de toegang tot voedsel voor de meest kwetsbaren te beschermen door hun koopkracht te vergroten;
57. steunt de oprichting van een financiële faciliteit om Afrikaanse landen te helpen de bestaande financieringskloof te overbruggen om zo snel mogelijk plannen voor sociale bescherming te ontwikkelen, hetzij via de op handen zijnde wereldwijde accelerator voor banen en sociale bescherming, hetzij via de oprichting van een wereldfonds voor sociale bescherming;
58. benadrukt hoe belangrijk het is om het delen van kennis en intercollegiaal leren, zoals tussen landbouwers en bedrijven onderling, op het vlak van productie, verwerking en afzet te ondersteunen en te bevorderen; wijst erop dat de landbouw- en de levensmiddelensector cruciaal zijn voor de economie en voor het bieden van behoorlijke en duurzame arbeidskansen op het platteland; beklemtoont dat het hierbij in de meeste gevallen gaat om kleine bedrijven en familiebedrijven; erkent het belang van het bevorderen en verbeteren van de maatregelen en instrumenten ten behoeve van een betere kwaliteit en diversificatie van de producten, duurzame modernisering van de landbouwpraktijken, veilige arbeidsomstandigheden en maatregelen ter versterking van de veerkracht van landbouwers;
59. merkt op dat genderongelijkheid een rem zet op de productiviteit en efficiëntie van de landbouw en daardoor de ontwikkeling ervan ondermijnt; herinnert eraan dat het empoweren van vrouwen en meisjes van cruciaal belang is voor voeding, bescherming van de gezondheid, voedselzekerheid en versterking van de veerkracht; wijst erop dat het versterken van de rol van vrouwen en meisjes een uitdaging blijft voor de landbouw en voor de voedsel- en voedingszekerheid; verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten het ondernemerschap, de tewerkstelling en de politieke vertegenwoordiging van vrouwen te ondersteunen, alsook ervoor te zorgen dat bij het beheer van voedselzekerheid rekening wordt gehouden met het genderperspectief en dat bij het besluitvormingsproces op dit gebied vrouwen worden betrokken, met inbegrip van vrouwen die tot gediscrimineerde minderheden behoren;
60. dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om, met name door middel van ontwikkelingshulp, ernaar te streven een bijdrage te leveren aan het bestrijden van de discriminatie waarmee vrouwen worden geconfronteerd, vooral op het vlak van de toegang van vrouwelijke landbouwers tot land, productiemiddelen en financiële diensten; herinnert eraan dat bijvoorbeeld in Afrika het werk in de landbouw bijna voor de helft wordt verricht door vrouwen, terwijl vrouwelijke landbouwers vaak kleinschalige of zelfvoorzieningslandbouw beoefenen zonder de nodige toegang tot informatie, kredieten, land, middelen of technologie; pleit ervoor stappen voorwaarts te zetten met betrekking tot het erfrecht van vrouwen en meisjes en roept de EU ertoe op partnerlanden te ondersteunen, met name wat betreft de erkenning van de volledige rechten van vrouwen op grondbezit; spoort de Europese Commissie en de lidstaten aan om gendertransformatieve benaderingen van landbouw-, visserij- en voedselsystemen te propageren door middel van capaciteitsopbouw voor plattelandsvrouwen, specifieke beleidshervormingen met het oog op eerlijkere wetgeving inzake grondbezit en specifieke initiatieven die gericht zijn op economisch empowerment en toegang tot financiering, zoals vermeld in het genderactieplan III;
61. merkt op dat plattelandsvrouwen meer dan de helft van het voedsel in de wereld produceren, ondanks structurele nadelen; benadrukt dat dringend ervoor moet worden gezorgd dat plattelandsvrouwen beschikken over een betere toegang tot en controle over land, productiemiddelen, activa en markten als noodzakelijke voorwaarde om de voedselzekerheid wereldwijd te verbeteren; dringt er bij de Europese Unie op aan bijzondere aandacht te besteden aan plattelandsvrouwen en hun economische, sociale en politieke empowerment; verwijst naar de door het Comité voor Wereldvoedselzekerheid aangenomen vrijwillige richtsnoeren voor een verantwoord beheer van grondbezit als een goed instrument om belemmeringen in gewoonterechtelijke en traditionele erfrechtstelsels weg te nemen en ervoor te zorgen dat vrouwen beter op de hoogte zijn van hun wettelijke rechten(21);
62. herinnert eraan dat investeringen in de agrobiodiversiteit op bedrijfsniveau strategisch belangrijk zijn om gezonde voedingspatronen, voedselkwaliteit en diversificatie alsook voldoende inname van voedingsstoffen te garanderen; benadrukt in het bijzonder dat vrouwen en meisjes meer kans hebben om te komen tot een minimaal gevarieerd en micronutriënt passend voedingspatroon door diversificatie in de landbouw en zelfvoorzienende productie van diverse voedselgewassen(22);
63. onderstreept hoe belangrijk het is om het platteland te transformeren en lokale, regionale en transparante waardeketens te versterken teneinde duurzame banen te creëren, mensenrechtenschendingen te voorkomen en klimaatverandering te beperken; benadrukt dat jongeren en vrouwen moeten worden ondersteund, in het bijzonder door het geven van opleidingen en het verlenen van de toegang tot financiering en markten; pleit ervoor hen te betrekken bij het formuleren van landbouwbeleid en steun te bieden aan collectieve acties via organisaties van kleine producenten;
64. herinnert eraan dat ten overstaan van ongezonde voeding onderwijs en bewustmaking essentieel zijn voor een duurzame levensstijl en een bloeiende samenleving;
65. is ingenomen met de voortdurende inspanningen die het Comité voor Wereldvoedselzekerheid levert inzake zijn vrijwillige richtsnoeren voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes in de context van voedselzekerheid en voeding;
66. brengt in herinnering dat onder meer klimaatverandering en biodiversiteitsverlies een bedreiging vormen voor ons vermogen om de mondiale voedselzekerheid te waarborgen en extra druk leggen op reeds kwetsbare voedselsystemen; dringt aan op milieuvriendelijke voedselproductie, zoals agro-ecologie en klimaatbestendige aanpassingen, alsook op het behoud en herstel van natuurlijke ecosystemen om de klimaatrisico’s te verminderen, de klimaatcrisis het hoofd te bieden, het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen en zo de veerkracht van duurzame agrovoedingssystemen te versterken; verzoekt in dit verband de Commissie en de lidstaten de partnerlanden te ondersteunen bij de invoering van duurzame landbouwpraktijken en innovatieve oplossingen, met inbegrip van het gebruik van inkomsten uit ETS-veilingen en CBAM-certificaten om hun klimaatbestendigheid en hun aanpassings- en mitigatievermogen te versterken met het oog op duurzamere voedselsystemen;
67. roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat de financiering in het kader van het nieuwe NDICI-instrument een op mensenrechten gebaseerde aanpak behelst waarbij lokale gemeenschappen en inheemse volkeren in het middelpunt worden geplaatst bij klimaat-, milieu- en ontwikkelingsinspanningen; acht het belangrijk bijzondere aandacht te besteden aan kleine boeren, die over het algemeen minder goed in staat zijn zich aan de gevolgen van de klimaatverandering aan te passen; is in dit verband ingenomen met het verwachte VN-actieplan dat door de Wereld Meteorologische Organisatie tijdens de VN-klimaatconferentie (COP 27) in Egypte zal worden gepresenteerd en waarmee men in de komende vijf jaar een universele dekking van vroegtijdige waarschuwingsdiensten inzake extreme weersomstandigheden en klimaatverandering tot stand wil brengen; herinnert eraan dat de speciale gezant voor de VN-top over voedselsystemen er de nadruk op heeft gelegd dat er sprake is van een verregaand raakvlak tussen klimaat en voedsel;
68. verzoekt de Commissie steun te verlenen aan ontwikkelingslanden om hun gevoelige en opkomende industrieën te ontwikkelen en te beschermen, de voedselzekerheid te bevorderen, de mitigatie van klimaatverandering in de landbouw te ondersteunen en te voldoen aan de Europese en internationale duurzaamheidsnormen voor de uitvoer van hun landbouwproducten;
69. vindt het belangrijk ontwikkelingslanden te helpen bij de invoering van overheidsbeleid inzake landbouw en voedsel dat kan voorzien in de behoeften van hun snel groeiende bevolking; benadrukt dat een beleid inzake voedselzekerheid in de eerste plaats gericht moet zijn op het op duurzame wijze en gedurende het hele jaar verstrekken van voldoende, voedzaam, veilig en betaalbaar voedsel aan de burgers en tegelijkertijd een billijk inkomen en een redelijke levensstandaard voor landbouwers moet waarborgen; merkt op dat de afschaffing van de exportsubsidies en de ontkoppeling van de rechtstreekse betalingen in de loop van de geschiedenis van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gezorgd hebben voor een aanzienlijke vermindering van het risico op dumping op de markten van derde landen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om meer steun te verlenen aan een ontwikkeling van de landbouw die in staat is de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden te waarborgen en hun investeringen in territoriale plattelandsontwikkeling resoluut op te voeren;
70. beklemtoont dat voedselsystemen belangrijke bronnen van broeikasgasemissies zijn; merkt op dat het voor de totstandbrenging van klimaatbestendige voedselsystemen nodig zal zijn om de aanpassingen aan de klimaatverandering en de beperking en het beheer van het rampenrisico te integreren in het beleid op korte, middellange en lange termijn; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op ontwikkelingslanden bij te staan bij dit proces;
71. vraagt de EU om de toegang van kleinschalige landbouwers tot en hun controle over land en andere hulpbronnen, waaronder zaaigoed, infrastructuur en water, te beschermen;
72. verzoekt de EU ervoor te zorgen dat bij overheidsopdrachten voorrang wordt gegeven aan lokale agro-ecologische productie, regels inzake voedselveiligheid die geschikt zijn voor kleinschalige productie, de bescherming van binnenlandse markten tegen laaggeprijsde invoer, en te zorgen voor consumentenvoorlichting en sociale bescherming teneinde de consumptie van voedzaam lokaal voedsel te bevorderen;
73. roept de EU op haar programmering in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld aan te passen om actief steun te verlenen aan een wereldwijde transformatie naar duurzame voedselsystemen die kunnen zorgen voor betaalbare, gezonde en voedzame voedingspatronen die eerlijk, veerkrachtig, op rechten gebaseerd en ecologisch duurzaam zijn, bijzondere aandacht besteden aan de behoeften van vrouwen en de druk van de voedselproductie op het gebruik van land en water verminderen;
74. benadrukt dat de klimaatverandering doorslaggevende negatieve effecten heeft op de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden en dat aanpassing aan de klimaatverandering van essentieel belang is om te zorgen voor veerkrachtige en duurzame voedselsystemen; betreurt het dat de ontwikkelde landen de in de overeenkomst van Kopenhagen van 2009 gedane toezegging om voorspelbare en toereikende financiering te verstrekken voor klimaatactie in ontwikkelingslanden, met name voor aanpassingsbehoeften, die in 2020 100 miljard dollar had moeten bedragen, niet zijn nagekomen; verzoekt de EU om meer middelen vrij te maken voor klimaatfinanciering en zo verder te gaan dan het kader van het instrument “NDICI – Europa in de wereld”, onder meer door een ambitieus gebruik van de inkomsten uit ETS-veilingen en CBAM-certificaten;
75. dringt er bij de Commissie op aan de agro-ecologische transitie in partnerlanden te ondersteunen om voedzaam, veilig, divers en betaalbaar voedsel voor iedereen gedurende het hele jaar te waarborgen, waarbij de biodiversiteit in stand wordt gehouden, de klimaatbestendigheid wordt vergroot en de sociale cohesie wordt versterkt door sociale ongelijkheden te verminderen; roept de Commissie ertoe op de ontplooiing van lokale voedselnetwerken te steunen om te zorgen voor lokale voedselproductie en -consumptie, waarmee wordt bijgedragen aan het scheppen van lokale werkgelegenheid en gezorgd voor eerlijke prijzen voor producenten en consumenten, en waardoor landen minder afhankelijk worden van invoer en minder kwetsbaar voor internationale prijsschommelingen;
76. benadrukt dat investeringen en maatregelen van de EU moeten berusten op zorgvuldige voorafgaande beoordelingen, volledige transparantie, en betrokkenheid van de belanghebbenden die te maken krijgen met deze investeringen en maatregelen, met inbegrip van organisaties van het maatschappelijk middenveld, teneinde billijke maatregelen uit te werken en de capaciteiten op nationaal en lokaal niveau, ook van niet-overheidsactoren, te versterken; dringt aan op de erkenning van de noodzaak van contextspecifieke maatregelen om duurzamere landbouw- en voedselsystemen in partnerlanden tot stand te brengen;
77. vraagt dat het EU-actieplan inzake voeding wordt herzien om alle vormen van ondervoeding in respectievelijk humanitaire en ontwikkelingscontexten aan te pakken en om nieuwe ambitieuze politieke en financiële toezeggingen erin op te nemen;
78. merkt op dat 45 miljoen kinderen onder de vijf lijden aan “wasting”, wat wordt gedefinieerd als een laag gewicht in verhouding tot de lengte, als gevolg van acute ondervoeding op jonge leeftijd; herinnert eraan dat overgewicht en obesitas onder volwassenen, adolescenten en kinderen recordniveaus bereiken en wereldwijd negatieve gevolgen hebben voor 2 miljard mensen, waarvan 70 % leven in lage- en middeninkomenslanden; wijst erop dat overgewicht en obesitas gepaard gaan met een risico op voedingsgerelateerde ziekten, waaronder niet-overdraagbare ziekten, en dat ongezonde voeding een uitdaging vormt voor alle landen, ongeacht hun ontwikkelingsstadium; als gevolg hiervan worden veel landen thans geconfronteerd met de “dubbele uitdaging” dat er zich ten minste twee soorten ongezonde voeding voordoen: enerzijds ondervoeding en anderzijds overgewicht en obesitas; verzoekt de Europese Commissie het beleidskader 2010 voor voedselzekerheid en het beleidskader 2013 voor voeding te herzien, zoals de EU-lidstaten hebben gevraagd in de conclusies van de Raad van 2018 over het versterken van de mondiale voedsel- en voedingszekerheid;
79. roept de Commissie op ervoor te zorgen dat ten volle rekening wordt gehouden met voeding wanneer de EU investeert in landbouw, economische ontwikkeling, klimaatbescherming en aanpassing aan klimaatverandering, gezondheidsbescherming, gezondheid en andere sectoren; steunt de herziening van de mondiale gezondheidsstrategie van 2010 en dringt erop aan de bestrijding van ongezonde voeding in het herziene document op te nemen; verlangt meer financiële steun om sterke en veerkrachtige gezondheidsstelsels op te bouwen teneinde de intergenerationele vicieuze cirkel van ongezonde voeding en ondervoeding te doorbreken;
Een complementaire respons vanuit het humanitaire en ontwikkelingsbeleid van de EU
80. pleit ervoor meer humanitaire hulp te verlenen aan landen die voedselcrises doormaken of door conflicten worden getroffen; merkt op dat de internationale gemeenschap, met inbegrip van de Europese Unie, ernaar moet streven de groeiende kloof tussen humanitaire noden en de wereldwijd beschikbare middelen te verkleinen; veroordeelt alle acties waarbij de toegang tot voedsel wordt gebruikt als pressiemiddel of oorlogswapen en herinnert aan de vier humanitaire beginselen: menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid;
81. beklemtoont dat humanitaire hulp kan worden ingezet om onmiddellijke levensbedreigende situaties aan te pakken wanneer de bestaande voorzieningen niet volstaan, maar dat daarnaast verder moet worden gewerkt aan oplossingen met andere vormen van steun om voedselonzekerheid en ongezonde voeding te voorkomen en de oorzaken ervan aan te pakken;
82. is ingenomen met de viering van het eerste Europees humanitair forum om de impact van de humanitaire respons verder te vergroten en de doeltreffendheid en efficiëntie van de hulpverlening te waarborgen, en prijst het besluit om van dit forum een jaarlijks evenement op de humanitaire kalender te maken; benadrukt het belang van samenwerking als “Team Europa” om de humanitaire wereldwijde voedselzekerheidscrisis aan te pakken;
83. verzoekt de regeringen van de EU-lidstaten conflicten diplomatiek te voorkomen, alle vormen van ongezonde voeding uit te bannen en meer te investeren in conflictpreventie, met bijzondere aandacht voor vrouwen en meisjes, en daarbij Resolutie 1325(2000) van de VN-Veiligheidsraad nauwgezet toe te passen; wijst er andermaal op dat humanitaire hulp moet worden vrijgesteld van internationale sancties; benadrukt dat er in het kader van de ontwikkelingssamenwerking duurzame oplossingen voor de middellange en lange termijn moeten worden gevonden om de onderliggende oorzaken van voedselonzekerheid aan te pakken;
84. herinnert eraan dat Oekraïne en Rusland goed zijn voor ongeveer 30 % van de wereldhandel in tarwe, 32 % van die in gerst, 17 % van die in maïs en meer dan 50 % van die in zonnebloemolie en 20 % van de wereldhandel in zonnebloempitten; beklemtoont dat het verminderen of wegvallen van de Oekraïense uitvoer gevolgen zal hebben voor landen die sterk afhankelijk zijn van dergelijke producten, met inbegrip van landen die reeds te kampen hebben met voedselonzekerheid en die gevoelig zijn voor aanbodschokken en prijsstijgingen, zoals in Afrika het geval is; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in samenwerking met hun internationale partners en met de relevante internationale instellingen op korte termijn alle beschikbare middelen te evalueren om te voorkomen dat voedselimporterende landen hun betalingsverplichtingen niet kunnen nakomen, onder meer door rechtstreekse financiering te verlenen of door middel van schuldherstructurering; benadrukt dat het belangrijk is prioriteit te geven aan op subsidies gebaseerde financiering als standaardoptie, met name voor de minst ontwikkelde landen;
85. steunt de aan de gang zijnde verwezenlijking van de koppeling tussen humanitaire hulp, ontwikkeling en vredesopbouw; beklemtoont dat dit beginsel opgenomen moet blijven in de humanitaire hulp en in de programmering voor voedselzekerheid en voeding, ondersteund door duidelijke richtsnoeren voor empirisch onderbouwde beste praktijken;
86. is ingenomen met het werk van de EU en de in Rome gevestigde VN-agentschappen, namelijk de FAO, het WFP en het IFAD, die anticiperende maatregelen nemen om crises te voorkomen voordat deze zich voordoen, en om de meest kwetsbare groepen te beschermen tegen door het klimaat en de mens veroorzaakte rampen; dringt aan op versterking van de coördinatiemechanismen met lokale actoren en op het vinden van meer onderlinge verbanden tussen anticiperende kortetermijnmaatregelen en overheidsprogramma’s voor de langere termijn; herinnert eraan dat inclusieve anticiperende maatregelen contextspecifiek en lokaal aangestuurd moeten zijn en ervoor moeten zorgen dat de meest kwetsbaren ook een stem hebben op besluitvormingsniveau om aan hun specifieke behoeften te voldoen;
87. steunt de actieve rol van de EU in het Global Network against Food Crises en vraagt dat het netwerk verder operationeel wordt gemaakt, met name in regionaal en nationaal verband; verzoekt de lidstaten het Global Network Against Food Crises te versterken in zijn werkzaamheden om voedselcrises aan te pakken door veelzijdige en multisectorale interventies uit te voeren, veerkracht en kennis op te bouwen en de koppeling tussen humanitaire hulp, ontwikkeling en vrede ten uitvoer te leggen; roept de Europese Commissie en de lidstaten in het kader hiervan ertoe op samen te werken met ontwikkelingslanden bij het ontwerpen en uitvoeren van nationale innovatieve beleidsmaatregelen en strategieën om voedselonzekerheid aan te pakken, economische inclusie te stimuleren en duurzamere voedselsystemen tot stand te brengen;
88. dringt erop aan de systemen voor vroegtijdige waarschuwing, protocollen voor vroegtijdige actie en toezichtsmechanismen te verbeteren teneinde ervoor te zorgen dat tijdig genoeg wordt gereageerd om de gevolgen van gevaren voor de voedselzekerheid te beperken en over te stappen van reactieve naar proactieve levensreddende interventies door middel van anticiperende humanitaire actie; steunt het Comité voor voedselzekerheid als het belangrijkste inclusieve internationale en intergouvernementele beleidsplatform inzake voedselzekerheid en voeding;
89. verzoekt de Commissie te zorgen voor de multisectoriële aanpak van voeding en prioriteit te geven aan de integratie van voedselzekerheid en voeding in maatregelen op het gebied van gezondheid, onderwijs, watervoorziening, waterzuivering en hygiëne, zodat ten minste 20 % van de officiële ontwikkelingshulp via het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld wordt besteed aan sociale inclusie en menselijke ontwikkeling;
90. dringt erop aan voeding te integreren in universele gezondheidszorg (UHC), aangezien dit van essentieel belang is om een einde te maken aan ongezonde voeding en UHC alleen kan worden verwezenlijkt als onmisbare voedingsgerelateerde maatregelen daadwerkelijk deel gaan uitmaken van essentiële gezondheidsdiensten en prioriteit krijgen in de gezondheidsstelsels; herinnert eraan dat UHC van cruciaal belang is voor mensen gedurende de hele levensloop, met bijzondere aandacht voor de meest behoeftigen en gemarginaliseerde groepen, en dat UHC afgestemd moet worden op de gezondheidsbehoeften van de bevolking; wijst er nogmaals op dat UHC ondersteund kan worden door te zorgen voor optimale en veilige voeding voor zuigelingen en peuters, onder meer via borstvoeding, door te streven naar een evenwichtig en gezond voedingspatroon, onder meer door middel van schoolmaaltijden, door te voorzien in geschoold voedingsonderwijs en advies voor gerelateerde gedragsverandering, door voeding in de begroting van de gezondheidssector op te nemen, door gezondheidsinformatiesystemen op te zetten om tijdig maatregelen te kunnen nemen, en door de toegang tot doeltreffende en betaalbare voedingsgerelateerde producten te bevorderen en tegelijkertijd de marketing van ongezond voedsel te beperken;
91. erkent dat voeding centraal moet staan in de strategieën, plannen en budgetten van gezondheidszorgstelsels om universele gezondheidszorg te verwezenlijken; verlangt meer financiële steun voor de gezondheidssector om sterke en veerkrachtige gezondheidszorgstelsels op te bouwen teneinde de intergenerationele vicieuze cirkel van ondervoeding te doorbreken en gezondheidscrises te voorkomen en daarop te reageren; is er voorstander van om ondervoedingsbehandelingen en preventieve diensten en gezondheidsinterventies, zoals gezinsplanning, geestelijke gezondheid en pre- en postnatale zorg, te integreren in de essentiële zorgpakketten van de nationale gezondheidszorgstelsels teneinde UHC te bereiken;
92. merkt op dat voedselzekerheid nauw samenhangt met toegang tot water; verzoekt de Commissie daarom het recht op water en de ontwikkeling van water- en waterzuiveringsinfrastructuur op te nemen in haar maatregelen voor voedselzekerheid in ontwikkelingslanden;
93. merkt op dat biodivers voedsel en biodiverse landbouw de schokbestendigheid vergroten, aanpassing vergemakkelijken, stabiliteit in stand houden en herstel ondersteunen; herinnert eraan dat het unieke vermogen van agro-ecologie om de economische, ecologische en sociale duurzaamheidsaspecten te combineren is erkend in belangrijke rapporten, met name van het IPCC en het IPBES, en in de door de Wereldbank en de FAO geleide Internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling (IAASTD); benadrukt dat het belangrijk is zowel in nationaal beleid als in internationale fora agro-ecologie, agrobosbouw, lokale productie en duurzame voedselsystemen te bevorderen met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van korte toeleveringsketens, zodat voedsel- en voedingszekerheid voor iedereen kan worden gegarandeerd en de duurzame productiviteit en weerbaarheid tegen klimaatverandering van de landbouwsector kunnen worden vergroot;
94. dringt er bij de Commissie op aan de partnerlanden te ondersteunen bij de ontwikkeling van duurzame landbouwpraktijken, met inbegrip van agro-ecologie, met als doel de bodem vruchtbaarder te maken, de biodiversiteit te maximaliseren en het watergebruik efficiënter te maken als essentiële elementen voor een betere voedselzekerheid; neemt nota van de uitdagingen in verband met klimaatverandering en biodiversiteitsverlies en de negatieve gevolgen daarvan voor de voedsel- en voedingszekerheid, alsook van de noodzaak om de nodige middelen uit te trekken voor de aanpassing aan en de beperking van de klimaatverandering;
95. merkt op dat er veel agronomische en agro-ecologische benaderingen zijn die andere klimaten en situaties ten goede kunnen komen, zoals het mengen van gewassen, “polyculturen” en boslandbouw, met inbegrip van het gebruik van peuldragende bomen die bijzonder nuttig zijn omdat ze schaduw en bescherming bieden voor andere gewassen en dieren, en de waterkringloop en/of waterretentie begunstigen en/of verhogen;
96. herinnert eraan dat de vernietiging van regenwouden leidt tot een onomkeerbaar verlies van biodiversiteit en koolstofopslagcapaciteit, alsook van de habitat en leefwijzen van inheemse gemeenschappen die in de wouden wonen; herinnert eraan dat bossen aanzienlijk bijdragen tot de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen, de bescherming van de biodiversiteit en het voorkomen van woestijnvorming en extreme bodemerosie; is van mening dat instandhoudingsinspanningen die bijvoorbeeld zijn gericht op bossen, wilde dieren en mariene en kustecosystemen moeten worden geïntensiveerd door regelgevingskaders, voldoende middelen en wetenschappelijke gegevens te benutten, en gepaard moeten gaan met acties om ecosystemen te herstellen en beheren;
97. pleit ervoor rekening te houden met het verband tussen volksgezondheid en biodiversiteit, in overeenstemming met de “één gezondheid”-benadering; dringt er bij de EU en alle partnerlanden op aan het recht van inheemse volkeren op eigendom van en zeggenschap over hun land en natuurlijke rijkdommen, zoals neergelegd in de Verklaring over de rechten van inheemse volken van de VN en Verdrag nr. 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie, te erkennen en beschermen, en het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming te eerbiedigen;
98. herinnert eraan dat niet-duurzame intensivering van de landbouw wereldwijd een belangrijke oorzaak is van de achteruitgang van de biodiversiteit, met inbegrip van genetische erosie van gewas- en veesoorten; herinnert eraan dat de “van boer tot bord” -strategie tot doel heeft het totale gebruik en de risico’s van chemische en gevaarlijke pesticiden in de landbouw tegen 2030 geleidelijk te verminderen en alternatieve werkwijzen te bevorderen; benadrukt dat gevaarlijke stoffen voor een groot deel in arme landen belanden; is dan ook verheugd over het voornemen van de Commissie om in het kader van de EU-strategie voor duurzame chemische stoffen een voorstel in te dienen om een einde te maken aan deze praktijk; dringt er echter bij de Commissie op aan om onderzoek naar duurzame en betaalbare alternatieven voor het gebruik van deze pesticiden te bevorderen, teneinde ernstige verstoringen van de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden te voorkomen waardoor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen nog meer honger zouden lijden; vraagt dat er specifieke steun wordt verleend voor onderwijs en opleiding op het gebied van duurzame gewasbeschermingsmethoden en alternatieven voor pesticiden en dat de blootstelling aan gevaarlijke stoffen tot een minimum wordt beperkt;
99. keurt het af dat de EU wat pesticiden betreft met twee maten meet en toestaat dat gevaarlijke stoffen die in de EU verboden zijn, naar andere landen worden uitgevoerd; wijst erop dat het gebruik van bepaalde pesticiden in de intensieve landbouw in ontwikkelingslanden niet alleen milieuschade veroorzaakt, maar ook gevolgen heeft voor de gezondheid van de werknemers; dringt aan op onderwijs en opleiding op het gebied van duurzame gewasbescherming en agro-ecologische en biologische praktijken;
100. herinnert eraan dat uit recente rapporten is gebleken dat voedselsystemen tot een derde van de broeikasgasemissies, tot 80% van het biodiversiteitsverlies en tot 70% van het zoetwatergebruik voor hun rekening nemen; onderstreept echter dat duurzame voedselproductiesystemen moeten worden erkend als een essentiële oplossing voor deze bestaande uitdagingen en dat het mogelijk is een groeiende wereldbevolking te voeden en tegelijkertijd onze planeet te beschermen;
101. vraagt de EU de toezeggingen van het Actiejaar voor voeding 2021 actief na te komen, met name de toezeggingen die voortvloeien uit de VN-top over voedselsystemen en de top over voeding voor groei, en daarbij een centrale rol te spelen in de samenwerking met inheemse gemeenschappen, in overeenstemming met haar “van boer tot bord”-strategie; is ingenomen met het besluit van de Commissie om een belangrijke partner te zijn in acht coalities van de VN-top over voedselsystemen;
102. verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken met de Afrikaanse Unie om te zorgen voor meer inzet en investeringen om de huidige voedingsproblemen in de regio aan te pakken en steun te verlenen aan het Jaar van de voeding van de Afrikaanse Unie: “De veerkracht op het gebied van voeding en voedselzekerheid op het Afrikaanse continent versterken: de agrovoedselsystemen en de gezondheids- en socialebeschermingsstelsels versterken om de ontwikkeling van menselijk, sociaal en economisch kapitaal te versnellen”;
103. benadrukt dat digitale technologieën en slimme en precisielandbouw aanzienlijke kansen bieden voor de ontwikkeling van duurzame agrovoedingssystemen en voor het aanjagen van eerlijke en inclusieve economische groei in plattelandsgebieden in ontwikkelingslanden;
104. wijst erop dat de voedselzekerheid en de voeding in ontwikkelingslanden moeten worden verbeterd door middel van een holistische en duurzame aanpak van het voedselsysteem; verzoekt de Commissie een inclusieve, multilaterale en op rechten gebaseerde strategie vast te stellen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat bij investeringen van de EU in landbouw, economische ontwikkeling, beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, WASH, gezondheid en andere sectoren ten volle rekening wordt gehouden met voeding door in de planningsfase meetbare voedingsresultaten op te nemen;
105. benadrukt dat de EU de mensenrechten en het recht op voldoende voedsel moet verdedigen als centrale beginselen en prioriteiten van voedselsystemen en de rechten van de meest gemarginaliseerde mensen op toegang tot voedzame levensmiddelen moet waarborgen, en erkent het belang van de VN-Verklaring over de rechten van landbouwers en andere mensen die werkzaam zijn in plattelandsgebieden;
106. is voorstander van de ontwikkeling van handelsmogelijkheden tussen de EU en ontwikkelingslanden, die het potentieel hebben om de lokale landbouw te stimuleren; herinnert eraan dat familiebedrijven en kleine boeren hebben aangetoond dat zij in staat zijn gediversifieerde producten te leveren en de voedselproductie op duurzame wijze te verhogen;
107. benadrukt dat moet worden erkend dat in om het even welke strategie ter verbetering van de voedselzekerheid een leidende rol is weggelegd voor landbouwers, producentenorganisaties en hun vertegenwoordigers, en onderstreept dat de oprichting van coöperaties en producentengroeperingen in ontwikkelingslanden moet worden gesteund om hen collectief beter in staat te stellen zich doeltreffender te organiseren en te profiteren van een betere positie in de voedselketens en van het delen van de toegevoegde waarde van exportproducten;
108. benadrukt dat de liberalisering van de handel gevolgen zou kunnen hebben voor ontbossing, klimaatverandering en verlies aan biodiversiteit, alsook voor de voedselproductie en de toegang tot voedsel; is van mening dat het handels- en investeringsbeleid van de EU ten aanzien van ontwikkelingslanden gebaseerd moet zijn op een handelsbeleid dat bevorderlijk is voor de bescherming van bossen en biodiversiteit, de ontwikkeling van lokale landbouw en lokale producenten en landbouwers, om volledige voedselsoevereiniteit te bevorderen en landroof en ontbossing met het oog op de uitvoer van landbouwproducten terug te dringen;
109. is van mening dat de Unie en de lidstaten de verschillende fairtrade-initiatieven moeten aanmoedigen en milieu- en sociale doelstellingen op een alomvattende en holistische manier moeten integreren in de bepalingen van alle handelsovereenkomsten;
110. herinnert eraan dat zaaddiversiteit van cruciaal belang is om de landbouw beter bestand te maken tegen klimaatverandering; herinnert eraan dat eigen zaaigoed in sommige Afrikaanse landen naar schatting ruim 80 % van de totale benodigde hoeveelheid zaaigoed uitmaakt; verzoekt de EU daarom om in handelsovereenkomsten regelingen inzake intellectuele-eigendomsrechten te steunen die de ontwikkeling van lokaal aangepaste zaadvariëteiten en door landbouwers bewaard zaaizaad bevorderen, maar geen invloed uit te oefenen op de hervorming van de wetgeving inzake zaaizaad, met name in Afrika, door de goedkeuring van de bepalingen van de UPOV van 1991, in zoverre die onverenigbaar zijn met de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw (ITPGRFA);
111. onderstreept dat visserij- en aquacultuurproducten tot de gezondste voedingsmiddelen behoren en de minste impact hebben op de natuurlijke omgeving; wijst erop dat ze kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van verschillende SDG’s, met name doelstelling 2, “geen honger”; verzoekt de Commissie daarom visserij- en aquacultuurproducten te integreren wanneer zij voedselzekerheidsstrategieën vaststelt, ook voor ontwikkelingslanden;
112. moedigt de EU aan om verder toe te werken naar de afronding van de multilaterale onderhandelingen over visserijsubsidies in de Wereldhandelsorganisatie – ter uitvoering van duurzameontwikkelingsdoelstelling 14.6 – om bepaalde vormen van visserijsubsidies die overcapaciteit en overbevissing in de hand werken, te verbieden, subsidies die IOO-visserij in de hand werken, af te schaffen en geen nieuwe subsidies in te voeren, in volledige overeenstemming met de doelstellingen van de Europese Green Deal, het achtste milieuactieprogramma en de Overeenkomst van Parijs;
113. pleit ervoor dat de mondiale dimensie van de biodiversiteitsstrategie het recht op voldoende voedsel ondersteunt, de VN-Verklaring over de rechten van landbouwers en andere mensen die werkzaam zijn in plattelandsgebieden ten uitvoer legt teneinde maatregelen te nemen om de arbeidsomstandigheden van landbouwers en het inkomen van kleinschalige landbouwbedrijven die deel uitmaken van internationale voedingsketens wereldwijd te verbeteren, en ervoor te zorgen dat het voorzorgsbeginsel in alle voedselveiligheidsvoorschriften wordt opgenomen; vraagt de EU voorts haar handelsbeleid af te stemmen op de doelstellingen van de “van boer tot bord”-strategie en de biodiversiteitsstrategie en op de doelstelling inzake koolstofneutraliteit van de Europese Green Deal;
114. benadrukt dat duurzaamheidsdoelstellingen alleen met succes kunnen worden nagestreefd als derde landen die op het wereldtoneel actief zijn, hun steentje bijdragen;
115. onderstreept dat voedsel waardevol is en ook moet worden beschouwd als veel meer dan louter een handelswaar, maar als een recht voor mensen dat moet worden gerealiseerd, en dat de economische, sociale en milieueffecten en externe effecten beter moeten worden beoordeeld en zo nodig moeten worden beperkt of benut;
116. dringt aan op krachtiger optreden op internationaal niveau om ervoor te zorgen dat voedselzekerheid centraal staat in de beleidsvorming, teneinde schaarste te voorkomen en de voedingszekerheid in de meest kwetsbare landen te waarborgen;
117. vraagt dat er verdere inspanningen worden geleverd om de samenhang van het EU-beleid te waarborgen overeenkomstig het beginsel van beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling; dringt erop aan ervoor te zorgen dat de Europese uitvoer niet ten koste gaat van de ontwikkeling van de lokale productie en de lokale markten; benadrukt dat de vrijhandelsovereenkomsten van de EU de lokale landbouw niet mogen verstoren, kleinschalige producenten niet mogen schaden en de afhankelijkheid van ingevoerd voedsel niet mogen vergroten; dringt aan op steun voor lokale productie en consumptie, zodat lokale werkgelegenheid kan worden gecreëerd, eerlijke prijzen kunnen worden gegarandeerd, de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers kan worden gewaarborgd en landen minder afhankelijk worden van invoer en minder kwetsbaar zijn voor prijsschommelingen op de internationale markt;
118. wijst erop dat er duidelijke richtsnoeren moeten komen over de wijze waarop beleidscoherentie voor ontwikkeling op EU-niveau kan worden bewerkstelligd en dat tegelijkertijd mogelijk tegenstrijdige beleidsdoelstellingen moeten worden aangepakt; dringt er bij de EU op aan de coherentie van het Europees landbouw- en handelsbeleid te waarborgen teneinde voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit te waarborgen en lokale en regionale markten te beschermen;
o o o
119. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Vrijwillige richtsnoeren van de FAO voor de geleidelijke verwezenlijking van het recht op voldoende voedsel in het kader van nationale voedselzekerheid.
Unicef, Wereldgezondheidsorganisatie en Wereldbank: gezamenlijke ramingen van malnutritie bij kinderen, “Levels and trends in child malnutrition 2021”.
FAO, The State of World Fisheries and Aquaculture 2020 (stand van zaken in de wereld op het gebied van visserij en aquacultuur in 2020), https://www.fao.org/3/ca9231en/CA9231EN.pdf
Voedselsoevereiniteit wordt door Via Campesina gedefinieerd als “het recht van volken op gezond en cultureel gepast voedsel dat op ecologisch verantwoorde en duurzame wijze is geproduceerd, alsmede hun recht om hun eigen voedsel- en landbouwsysteem vast te stellen”. Van voedselzekerheid zoals gedefinieerd door de VN-Commissie inzake Wereldvoedselzekerheid is sprake “wanneer iedereen te allen tijde fysiek en economisch toegang heeft tot voldoende, voedzaam en veilig voedsel om in zijn voedselbehoeften en -voorkeuren te voorzien en om een actief en gezond leven te leiden”.
Jones, Andrew D; Creed-Kanashiro, Hilary; Zimmerer, Karl S.; De Haan, Stef; Carrasco, Miluska; Meza, Krysty; Cruz-Garcia, Gisella S.; Tello, Milka; Amaya, Franklin Plasencia; Marin, R Margot; en Ganoza, Lizette. 2018. Farm-level agricultural biodiversity in the Peruvian Andes is associated with greater odds of women achieving a minimally diverse and micronutrient adequate diet (De agrobiodiversiteit op bedrijfsniveau in de Peruviaanse Andes hangt samen met een grotere kans voor vrouwen om te komen tot een minimaal gevarieerd en micronutriënt passend voedingspatroon). Journal of Nutrition 148(10): 1625-1637.