Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 24 november 2022 - Straatsburg
Wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027
 Wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 met betrekking tot de vaststelling van een gediversifieerde financieringsstrategie als algemene leenmethode
 Macrofinanciële bijstand +-instrument om steun te verlenen aan Oekraïne voor 2023
 De niet-aanvaarding van in Oekraïne en Georgië afgegeven reisdocumenten van de Russische Federatie
 Vaststelling van het beleidsprogramma 2030 van het digitaal decennium
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: tijdelijke noodmaatregelen inzake zekerheidsvereisten
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: de waarde van de clearingdrempel voor posities in otc‑grondstoffenderivatencontracten en andere otc-derivatencontracten
 De mensenrechtensituatie in Afghanistan, in het bijzonder de achteruitgang van vrouwenrechten en aanvallen op onderwijsinstellingen
 De voortdurende onderdrukking van de democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld in Belarus
 De gedwongen verplaatsing van mensen als gevolg van het escalerende conflict in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC)
 De toekomstige Europese financiële architectuur voor ontwikkeling
 Resultaten van de modernisering van het Verdrag inzake het Energiehandvest
 Beoordeling van de naleving door Hongarije van de voorwaarden inzake de rechtsstaat in het kader van de conditionaliteitsverordening en stand van zaken met betrekking tot het Hongaarse herstel- en veerkrachtplan
 Bescherming van de veehouderij en grote carnivoren in Europa
 De erfenis van het Europees Jaar van de jeugd 2022
 Verbetering van de EU-verordeningen inzake wilde en exotische dieren die als huisdier in de Europese Unie mogen worden gehouden door middel van een positieve EU-lijst
 Mensenrechtensituatie in Egypte
 De situatie van de mensenrechten in de context van het komende FIFA-wereldkampioenschap in Qatar

Wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027
PDF 118kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over het ontwerp van verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (14471/2022 – C9-0386/2022 – 2022/0369(APP))

(Bijzondere wetgevingsprocedure – goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van verordening van de Raad (14471/2022),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (C9-0386/2022),

–  gezien artikel 92, artikel 105, leden 1 en 4, en artikel 163 van zijn Reglement,

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van verordening van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.


Wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 met betrekking tot de vaststelling van een gediversifieerde financieringsstrategie als algemene leenmethode
PDF 135kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 met betrekking tot de vaststelling van een gediversifieerde financieringsstrategie als algemene leenmethode (COM(2022)0596 – C9-0374/2022 – 2022/0370(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0596),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 322, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0374/2022),

—  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 22 november 2022(1),

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 november 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 163 van zijn Reglement,

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 november 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU, Euratom) 2022/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 met betrekking tot de vaststelling van een gediversifieerde financieringsstrategie als algemene leenmethode

P9_TC1-COD(2022)0370


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU, Euratom) 2022/2434.)

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Macrofinanciële bijstand +-instrument om steun te verlenen aan Oekraïne voor 2023
PDF 133kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een instrument om steun te verlenen aan Oekraïne voor 2023 (macrofinanciële bijstand +) (COM(2022)0597 – C9-0373/2022 – 2022/0371(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0597),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 212 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0373/2022),

—  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 november 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 163 van zijn Reglement,

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 november 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een instrument voor de toekenning van steun aan Oekraïne voor 2023 (macrofinanciële bijstand +)

P9_TC1-COD(2022)0371


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2022/2463.)


De niet-aanvaarding van in Oekraïne en Georgië afgegeven reisdocumenten van de Russische Federatie
PDF 134kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de niet erkenning van Russische reisdocumenten die zijn afgegeven in bezette buitenlandse gebieden (COM(2022)0662 – C9-0302/2022 – 2022/0274(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0662),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, punten a) en b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0302/2022),

—  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 november 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 163 van zijn Reglement,

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 november 2022 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de niet-aanvaarding van in Oekraïne en Georgië afgegeven reisdocumenten van de Russische Federatie

P9_TC1-COD(2022)0274


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2022/2512.)

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 20 oktober 2022 (Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0370).


Vaststelling van het beleidsprogramma 2030 van het digitaal decennium
PDF 124kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het beleidsprogramma 2030 “Traject naar het digitale decennium” (COM(2021)0574 – C9-0359/2021 – 2021/0293(COD))
P9_TA(2022)0414A9-0159/2022

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0574),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 173, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0359/2021),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 januari 2022(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 22 juli 2022 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie cultuur en onderwijs,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9‑0159/2022),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 november 2022 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2022/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het beleidsprogramma voor het digitale decennium tot 2030

P9_TC1-COD(2021)0293


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2022/2481.)

(1) PB C 194 van 12.5.2022, blz. 87.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: tijdelijke noodmaatregelen inzake zekerheidsvereisten
PDF 120kWORD 44k
Besluit van het Europees Parlement van 24 november 2022 om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 21 oktober 2022 tot wijziging van de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 vastgestelde technische reguleringsnormen wat betreft tijdelijke noodmaatregelen inzake zekerheidsvereisten (C(2022)7536 – 2022/2908(DEA))
P9_TA(2022)0415B9-0491/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2022)7536),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 25 oktober 2022, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 17 november 2022,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(1), en met name artikel 46, lid 3,

–  gezien de ontwerpen van technische reguleringsnormen die op 14 oktober 2022 door de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) zijn ingediend overeenkomstig artikel 46, lid 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012,

–  gezien artikel 111, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

A.  overwegende dat in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 van de Commissie(2) onder meer de minimumniveaus van initiële margins worden gepreciseerd, alsmede de lijst van in aanmerking komende zekerheden, zoals bepaald in artikel 46, lid 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

B.  overwegende dat de recente politieke en marktontwikkelingen hebben geleid tot aanzienlijke prijsstijgingen en volatiliteit op de energiemarkten, waardoor centrale tegenpartijen aanzienlijke marginverhogingen hebben doorgevoerd om de daaruit voortvloeiende blootstellingen te dekken; overwegende dat deze marginverhogingen hebben geleid tot liquiditeitsproblemen voor niet-financiële tegenpartijen, zoals energiebedrijven, die doorgaans beschikken over minder liquide activa om aan de marginvereisten te voldoen, waardoor zij gedwongen zijn hun posities te verminderen of onvoldoende af te dekken, zodat zij aan verdere prijsschommelingen worden blootgesteld;

C.  overwegende dat de Commissie de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) op 13 september 2022 (bij schrijven Ares(2022)6980063) heeft gevraagd of de toepasselijke bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 tijdelijk moeten worden aangepast om een deel van de lasten te verlichten waarmee energiebedrijven als niet-financiële tegenpartijen worden geconfronteerd bij het afdekken van hun commerciële activiteiten op de financiële markten, met behoud van de overkoepelende doelstelling van Verordening (EU) nr. 648/2012, namelijk het behoud van de financiële stabiliteit; overwegende dat de ESMA op 22 september 2022 (bij schrijven ESMA24-436-1414) heeft geantwoord dat alleen niet door zekerheden gedekte garanties van commerciële banken onder bepaalde voorwaarden in aanmerking moeten worden genomen voor tijdelijke en beperkte wijzigingen; overwegende dat de ESMA in haar eindverslag ontwerpen van technische reguleringsnormen (ESMA91-372-2466) heeft voorgesteld, met inbegrip van wijzigingen om de pool van in aanmerking komende zekerheden voor alle soorten tegenpartijen tijdelijk uit te breiden tot niet door zekerheden gedekte bankgaranties voor niet-financiële tegenpartijen die optreden als clearingleden, en tot overheidsgaranties;

D.  overwegende dat de Commissie daarom de gedelegeerde verordening heeft vastgesteld tot tijdelijke wijziging van de lijst van in aanmerking komende zekerheden die bij centrale tegenpartijen (CTP’s) van de Unie kunnen worden geplaatst, door die lijst voor een periode van 12 maanden uit te breiden met niet door zekerheden gedekte bankgaranties en overheidsgaranties;

E.  overwegende dat de gedelegeerde verordening met spoed in werking moet treden ter verlichting van de toegenomen liquiditeitsdruk op niet-financiële tegenpartijen die handelen op gereglementeerde gas- en elektriciteitsmarkten en clearing laten plaatsvinden via in de Unie gevestigde CTP’s;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 van de Commissie van 19 december 2012 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen inzake vereisten voor centrale tegenpartijen (PB L 52 van 23.2.2013, blz. 41).


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: de waarde van de clearingdrempel voor posities in otc‑grondstoffenderivatencontracten en andere otc-derivatencontracten
PDF 122kWORD 45k
Besluit van het Europees Parlement van 24 november 2022 om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 18 oktober 2022 tot wijziging van de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013 vastgestelde technische reguleringsnormen wat betreft de waarde van de clearingdrempel voor posities in otc‑grondstoffenderivatencontracten en andere otc-derivatencontracten (C(2022)7413 – 2022/2899(DEA))
P9_TA(2022)0416B9-0490/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2022)7413),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 25 oktober 2022, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 17 november 2022,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(1), en met name artikel 10, lid 4, derde alinea,

–  gezien de ontwerpen van technische reguleringsnormen die op 3 juni 2022 door de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) zijn ingediend overeenkomstig artikel 10, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 648/2012,

–  gezien artikel 111, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

A.  overwegende dat Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013 van de Commissie(2) onder meer de waarde van de clearingdrempels voor de toepassing van de clearingverplichting specificeert; overwegende dat de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) overeenkomstig artikel 10, lid 4, vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 648/2012 de waarden van die clearingdrempels periodiek evalueert en technische reguleringsnormen voorstelt tot wijziging ervan; overwegende dat voor sommige rechtsgebieden van derde landen nog geen gelijkwaardigheidsbesluit is vastgesteld, en dat contracten die op markten in die rechtsgebieden van derde landen worden uitgevoerd bijgevolg als otc worden beschouwd en, hoewel zij door een erkende centrale tegenpartij (CTP) worden gecleard, worden meegeteld voor de clearingdrempels;

B.  overwegende dat de grondstoffenprijzen de laatste tijd zijn gestegen, hetgeen aanzienlijk is verergerd door de militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne; overwegende dat de stijgende prijzen en extreme volatiliteit op de markten voor energiederivaten onlangs hebben geleid tot hogere marginopvragingen door CTP’s voor energiebedrijven om de gerelateerde blootstellingen te dekken; overwegende dat deze situatie liquiditeitsproblemen heeft gecreëerd voor niet-financiële tegenpartijen, zoals energiebedrijven, omdat zekerheden die aan CTP’s uit de Unie worden gestort gewoonlijk in contanten worden verstrekt; overwegende dat energiebedrijven die vaak over minder liquide activa beschikken om aan de marginvereisten te voldoen, gedwongen kunnen worden hun posities te verlagen of niet naar behoren af te dekken, waardoor zij worden blootgesteld aan verdere prijsschommelingen; overwegende dat energiebedrijven over het financiële vermogen en de liquiditeit moeten blijven beschikken om de voorraden en aankoop van energiegrondstoffen op middellange termijn veilig te stellen – met behoud van financiële stabiliteit – ten behoeve van huishoudens en bedrijven in de Unie;

C.  overwegende dat de Commissie de ESMA op 13 september 2022 (middels een brief met referentie Ares(2022)6980063) heeft verzocht na te gaan of Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013 tijdelijk moet worden gewijzigd om een aantal van die lasten te verlichten; overwegende dat de ESMA op 22 september 2022 (middels een brief met referentie ESMA24-436-1414) heeft geantwoord dat zij op 3 juni 2022 haar ontwerpen van technische reguleringsnormen (ESMA70-451-114) inzake clearingdrempels voor grondstoffen bij de Commissie heeft ingediend en daarin voorstelt de clearingdrempel voor grondstoffen met 1 miljard EUR te verhogen tot 4 miljard EUR; overwegende dat de ESMA heeft bevestigd dat de voorgestelde verhoging passend is en de Commissie heeft verzocht die maatregel zo spoedig mogelijk vast te stellen;

D.  overwegende dat de Commissie daarom de gedelegeerde verordening heeft vastgesteld waarmee de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013 vastgestelde waarde van de clearingdrempel voor posities in otc-grondstoffenderivaten wordt verhoogd van 3 miljard EUR tot 4 miljard EUR;

E.  overwegende dat de gedelegeerde verordening met spoed in werking moet treden om de toegenomen liquiditeitsdruk op energiebedrijven te verlichten;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013 van de Commissie van 19 december 2012 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen betreffende indirecte clearingregelingen, de clearingverplichting, het openbaar register, toegang tot een handelsplatform, niet-financiële tegenpartijen, risico-inperkingstechnieken voor niet door een CTP geclearde otc-derivatencontracten (PB L 52 van 23.2.2013, blz. 11).


De mensenrechtensituatie in Afghanistan, in het bijzonder de achteruitgang van vrouwenrechten en aanvallen op onderwijsinstellingen
PDF 137kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de mensenrechtensituatie in Afghanistan, met name de verslechtering op het gebied van de vrouwenrechten en de aanslagen op onderwijsinstellingen (2022/2955(RSP))
P9_TA(2022)0417RC-B9-0506/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Afghanistan, met name die van 16 september 2021(1) en 7 april 2022(2),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2021 over de bescherming van de mensenrechten en het externe migratiebeleid van de EU(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 november 2022 over vrouwen, vrede en veiligheid, en van 15 september 2021 over Afghanistan, waarin de Raad vijf ijkpunten vaststelt voor de betrekkingen van de EU met de door de taliban geleide feitelijke autoriteiten,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over Afghanistan,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Afghanistan, waaronder de resoluties 2626 (2022), 2596 (2021), 2543 (2020) en 2513 (2020),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 10 november 2022 over de situatie in Afghanistan,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 8 juli 2022 over de situatie op het gebied van de mensenrechten van vrouwen en meisjes in Afghanistan,

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Afghanistan van 9 september 2022,

–  gezien het rapport van de Bijstandsmissie van de Verenigde Naties in Afghanistan (Unama) van 20 juli 2022 over de mensenrechtensituatie in Afghanistan in de tien maanden na de machtsovername door de taliban,

–  gezien de bekendmaking door de taliban van 7 september 2021 van de vorming van de overgangsregering van Afghanistan,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, die beide door Afghanistan zijn geratificeerd,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, en het bijbehorende protocol van 1967,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Islamitische Republiek Afghanistan, anderzijds, van 18 februari 2017,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind en de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen en meisjes,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de taliban op 15 augustus 2021, na de terugtrekking van de NAVO en de geallieerde troepen uit Afghanistan, de macht in het land hebben overgenomen; overwegende dat de taliban opnieuw het Islamitisch Emiraat Afghanistan hebben uitgeroepen en een volledig uit mannen bestaande interim-regering hebben gevormd waarin diverse personen zitting hebben die ook reeds deel uitmaakten van het talibanregime van 1996-2001, waarvan sommigen gezocht worden omdat zij ervan verdacht worden zich schuldig te hebben gemaakt aan terroristische activiteiten; overwegende dat de EU vasthoudt aan haar standpunt dat zij de feitelijke talibanregering niet erkent;

B.  overwegende dat de taliban bezig zijn om de vooruitgang die de afgelopen 20 jaar is geboekt ongedaan te maken; overwegende dat de taliban het voormalige Ministerie voor de bevordering van deugd en de preventie van zedeloosheid in ere hebben hersteld, het Ministerie van Vrouwenzaken, de Afghaanse onafhankelijke mensenrechtencommissie en andere lokale instanties die zich bezighielden met de ondersteuning van vrouwen en meisjes hebben opgedoekt, bestaande wetten ter bescherming van vrouwen hebben afgeschaft en de vrouwenrechten in ernstige mate hebben ingeperkt; overwegende dat de taliban vrouwen weren uit het openbaar bestuur en dat er geen vrouwen deel uitmaken van de nieuwe, niet-erkende regering;

C.  overwegende dat de grondrechten van vrouwen en meisjes sinds de machtsovername door de taliban in toenemende mate worden beperkt, met name het recht op de toegang tot onderwijs en werk en het recht op bewegingsvrijheid; overwegende dat vrouwen uit vrijwel alle sectoren van het openbare leven worden geweerd;

D.  overwegende dat meisjes ouder dan 12 jaar in Afghanistan geen onderwijs mogen volgen; overwegende dat de feitelijke autoriteiten van Afghanistan op 15 januari 2022 hebben toegezegd dat na het begin van het nieuwe schooljaar medio maart 2022 alle schoolniveaus weer open zouden staan voor meisjes; overwegende dat het volgen van onderwijs voor vrouwelijke leerlingen vanaf de zevende klas verboden is; overwegende dat dit een schending is van het grondrecht op onderwijs voor alle kinderen, dat verankerd is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens; overwegende dat Afghaanse meisjes en vrouwen op moedige wijze vreedzame protesten in het land hebben gehouden, waarbij zij eisten dat hun recht op onderwijs wordt geëerbiedigd; overwegende dat het aantal kindhuwelijken enorm is gestegen;

E.  overwegende dat de taliban recentelijk de systematische onderdrukking van vrouwen nog verder hebben opgevoerd en dat er een golf van arrestaties van mensenrechtenverdedigers heeft plaatsgevonden; overwegende dat Alia Azizi, de directeur van de vrouwengevangenis van Herat, sinds oktober 2021 vermist wordt; overwegende dat mensenrechtenorganisaties vermoeden dat zij onder dwang is verdwenen; overwegende dat de taliban op 3 november 2022 een persconferentie waarin de oprichting van een Afghaanse vrouwenbeweging voor gelijkheid werd aangekondigd, hebben verstoord en dat zij daarbij één vrouw, Zarifa Yaqoobi, en vier van haar mannelijke mede-activisten hebben gearresteerd; overwegende dat de taliban op 11 november 2022 de invloedrijke activiste Farhat Popalzai, een van de oprichtsters van de spontane beweging van Afghaanse vrouwen, hebben gearresteerd; overwegende dat op 13 november 2022 een andere voorvechtster van vrouwenrechten, Humaira Yusuf, door de taliban gevangen werd genomen;

F.  overwegende dat er dagelijks mensenrechtenschendingen worden gemeld, waarbij het onder meer gaat om arrestaties, gevangenneming, ontvoeringen, gevallen van foltering, bedreiging en afpersing, moorden en aanvallen op mensenrechtenactivisten en hun familieleden; overwegende dat er voor al deze schendingen nooit iemand ter verantwoording wordt geroepen; overwegende dat de taliban onlangs rechters hebben bevolen de shariawetgeving strikt toe te passen en daarbij de interpretatie van de taliban te volgen, wat ertoe kan leiden dat er wrede en onmenselijke straffen worden opgelegd en wat de vrees voor verdere mensenrechtenschendingen doet toenemen;

G.  overwegende dat de machtsovername door de taliban het geweld tegen minderheidsgroepen, met name de Hazara-gemeenschap en hindoes, sikhs en christenen, heeft doen toenemen; overwegende dat sinds de machtsovername door de taliban een groot aantal aanvallen is uitgevoerd op de Hazara-gemeenschap, een overwegend sjiitische minderheid, door de groepering Islamitische Staat - Khorasan en andere actoren; overwegende dat deze aanvallen en de ongekend intensieve vervolging van leden van de Hazara-gemeenschap aangemerkt kunnen worden als misdaden tegen de menselijkheid; overwegende dat er sinds augustus 2021 systematisch aanslagen worden gepleegd op gebedshuizen, scholen en ziekenhuizen van de Hazara en dat leden van deze gemeenschap worden gearresteerd, worden gefolterd, standrechtelijk worden geëxecuteerd, uit hun huizen en dorpen worden verjaagd, worden gemarginaliseerd en in sommige gevallen gedwongen worden het land uit te vluchten; overwegende dat in 2021 en 2022 aanslagen zijn gepleegd op diverse scholen in het stadsdeel Dasht-e Barchi in Kabul waar voornamelijk Hazara wonen, waaronder de onderwijsinstanties Sayed ul-Shuhada, Abdul Rahman Shahid, Mumtaz en Kaaj; overwegende dat bij deze aanslagen honderden doden en gewonden zijn gevallen; overwegende dat er berichten zijn dat de strijdkrachten van de taliban het vuur hebben geopend op demonstranten en fysiek geweld tegen hen hebben gebruikt om protesten tegen deze aanslagen de kop in te drukken;

H.  overwegende dat de humanitaire situatie in Afghanistan in hoog tempo verslechtert en dat vrouwen en meisjes hierdoor onevenredig zwaar worden getroffen; overwegende dat het recente beleid van de talibanregering de mogelijkheden van vrouwen om te werken, onder meer als hulpverlener, ernstig beperkt, en dat dit ook negatieve gevolgen heeft voor de mogelijkheden van vrouwen om toegang te krijgen tot humanitaire hulp; overwegende dat de uitsluiting van vrouwen van de arbeidsmarkt ervoor zorgt dat vrouwen nog verder in armoede raken en dat naar schatting 850 000 meisjes het risico lopen op economische en seksuele uitbuiting of om op jonge leeftijd uitgehuwelijkt te worden; overwegende dat minder dan één op de vier nog in Afghanistan verblijvende vrouwelijke mensenrechtenactivisten aangeeft toegang te hebben tot enige vorm van humanitaire hulp of financiële en juridische ondersteuning;

I.  overwegende dat de Unama schat dat 59 % van de bevolking in juli 2022 humanitaire hulp nodig had, wat 6 miljoen mensen meer is dan in het begin van 2021; overwegende dat in 2023 naar verwachting 28 miljoen mensen, waaronder 13 miljoen kinderen, humanitaire hulp nodig zullen hebben; overwegende dat het Wereldvoedselprogramma schat dat 18,9 miljoen Afghanen kampen met acute voedselonzekerheid; overwegende dat er in Afghanistan 4,3 miljoen binnenlands ontheemden zijn en dat 5,6 miljoen Afghanen naar het buitenland zijn gevlucht; overwegende dat een groot deel van de Afghaanse vluchtelingen in Iran en Pakistan verblijft en dat deze twee landen samen 2,2 miljoen geregistreerde Afghaanse vluchtelingen opvangen;

J.  overwegende dat het oosten van Afghanistan in juni 2022 werd getroffen door een verwoestende aardbeving, waarbij meer dan 1 000 doden en meer dan 6 000 gewonden vielen; overwegende dat diverse delen van Afghanistan in augustus 2022 getroffen werden door hevige regenval, met overstromingen, stortvloeden en aardverschuivingen tot gevolg, waarbij volgens berichten in de media meer dan 180 mensen zijn omgekomen en meer dan 250 mensen gewond zijn geraakt; overwegende dat aardbevingen, overstromingen, droogtes, alsook de gevolgen van de COVID 19-pandemie en de stijgende grondstoffenprijzen ten gevolge van de Russische invasie in Oekraïne de toch al slechte mensenrechtensituatie in Afghanistan verder hebben verslechterd;

K.  overwegende dat de EU in oktober 2021 een steunpakket ter waarde van 1 miljard euro heeft aangekondigd voor humanitaire hulpverlening aan Afghanistan, bedoeld ter ondersteuning van in eigen land of elders in de regio verblijvende kwetsbare Afghanen; overwegende dat de G20 van plan is om van het nieuwe humanitaire-steunpakket ter waarde van 210 miljoen euro dat bedoeld is om voedselhulp te verstrekken aan de meest kwetsbaren in de wereld, 75 miljoen euro toe te kennen aan Afghanistan, om de dramatische voedselzekerheidssituatie in dat land aan te pakken;

L.  overwegende dat de ruimte voor onafhankelijke media en het maatschappelijk middenveld onder de taliban drastisch is ingekrompen; overwegende dat de door diverse taliban-organen uitgevaardigde regelgeving een ernstige belemmering vormt voor de uitoefening van journalistieke activiteiten en heeft geleid tot een stijging van het aantal willekeurige arrestaties van journalisten;

1.  spreekt zijn grote afkeur uit over de voortdurende verslechtering van de politieke, economische, humanitaire, mensenrechten- en veiligheidssituatie in Afghanistan, met name voor vrouwen en meisjes, sinds de machtsovername door de taliban in augustus 2021; benadrukt nogmaals zijn onwrikbare solidariteit en toewijding jegens het Afghaanse volk;

2.  veroordeelt de onthutsende achteruitgang van de uitoefening door vrouwen en meisjes van hun rechten onder de taliban, een situatie die momenteel als genderapartheid kan worden omschreven; veroordeelt de bijkomende door de taliban opgelegde beperkingen van het vrije verkeer van vrouwen; verzoekt de feitelijke autoriteiten van Afghanistan ervoor te zorgen dat alle gendergerelateerde beperkingen voor vrouwen worden opgeheven en dat zij opnieuw actief kunnen deelnemen aan het openbare leven in Afghanistan; benadrukt dat dit een essentiële voorwaarde moet zijn voor elke vorm van betrekkingen tussen de internationale gemeenschap en de taliban;

3.  veroordeelt het schandelijke verbod op middelbaar onderwijs voor meisjes, hetgeen een rechtstreekse schending vormt van hun universele recht op onderwijs; herinnert aan de beloften van de taliban om de toegang van vrouwen tot onderwijs in ere te herstellen; eist dan ook dat de taliban nu hun eigen beloften nakomen, het verbod opheffen en de lessen onmiddellijk laten hervatten, en ervoor zorgen dat de onderwijsdoelstellingen van de Unesco worden verwezenlijkt; dringt er bij de EU op aan meer steun te verlenen aan Afghaanse groepen die zich inzetten voor de verdediging van de rechten van vrouwen en meisjes, onder meer via alternatieve onderwijsmogelijkheden voor meisjes, en financiële middelen uit te trekken voor specifieke bijstands- en beschermingsprogramma’s, onder meer door beurzen te financieren en te zorgen voor versnelde afgifte van visa aan Afghaanse studenten en academici die een EU-beurs krijgen;

4.  hekelt de niet-aflatende aanvallen op mensenrechtenverdedigers, journalisten en andere actoren uit het maatschappelijk middenveld, lhbtiq+-personen, dissidenten en rechters, alsook de brutale onderdrukking van vreedzaam protest en uitingen van afwijkende meningen overal in het land; veroordeelt de arrestatie van verdedigers van vrouwenrechten en mensenrechten, waaronder Zarifa Yaqobi en haar collega’s, Farhat Popalzai en Humaira Yusuf; eist hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating; dringt er bij de EU op aan haar politieke en financiële steun voor Afghaanse vrouwen en mensenrechtenverdedigers op te voeren en hun veiligheid te garanderen, ook voor vrouwen in ballingschap, door hoogwaardige onderwijs- en arbeidskansen te bieden;

5.  is ontzet over de toenemende aanvallen en marginalisering waarmee minderheidsgroepen te maken krijgen, waaronder de recente aanslag in het onderwijscentrum Kaaj in Kabul; betuigt zijn deelneming met de families van de slachtoffers en zijn solidariteit met de overlevenden; roept de feitelijke autoriteiten ertoe op degenen die verantwoordelijk zijn voor deze aanslagen voor de rechter te brengen en ervoor te zorgen dat zij ter verantwoording worden geroepen;

6.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de situatie van de Hazara, hindoes, sikhs, christenen en andere minderheden sinds de machtsovername door de taliban, en over de systematische aanvallen en bredere discriminatie waarmee zij worden geconfronteerd, waaronder willekeurige arrestaties, foltering en andere vormen van mishandeling, standrechtelijke executies en gedwongen verdwijningen; herinnert aan de verantwoordelijkheid van de feitelijke autoriteiten om discriminatie van alle etnische en religieuze gemeenschappen te verbieden en te voorkomen en om hun gebedsplaatsen en onderwijs- en medische centra te beschermen;

7.  betreurt ten zeerste dat sinds de machtsovername door de taliban de toegang tot informatie steeds problematischer is geworden, de journalistieke onafhankelijkheid aanzienlijk is ingeperkt en maatschappelijke organisaties toenemende druk van de feitelijke autoriteiten ondervinden; dringt er bij de taliban op aan een gunstig klimaat te scheppen voor journalisten, de media en maatschappelijke organisaties om hun activiteiten zonder belemmeringen en angst voor represailles te kunnen uitvoeren;

8.  spreekt nogmaals zijn uiterst grote bezorgdheid uit over de verslechterende humanitaire situatie; dringt er bij de landen op aan hun humanitaire hulp op te voeren en te coördineren met VN-agentschappen en niet-gouvernementele organisaties; verzoekt de feitelijke autoriteiten eventuele beperkingen en belemmeringen voor de verlening van humanitaire hulp weg te nemen en benadrukt dat organisaties daadwerkelijke toegang moeten krijgen om deze hulp te kunnen verlenen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de economische factoren achter de huidige humanitaire crisis aan te pakken door alles in het werk te stellen om de humanitaire hulp op te schalen, waarbij een genderperspectief moet worden gehanteerd;

9.  is verontrust over de verwoestende gevolgen van de klimaatverandering en de aantasting van het milieu in Afghanistan, dat door de VN op de zesde plaats wordt gerangschikt van landen in de wereld die het zwaarst worden getroffen door klimaatgerelateerde bedreigingen; roept de internationale gemeenschap ertoe op dringende maatregelen te nemen om de Afghanen te helpen iets te doen aan deze dramatische situatie, die kwetsbare groepen zoals vrouwen en meisjes onevenredig hard treft;

10.  spreekt zijn waardering en steun uit voor de werkzaamheden van de VN-missie en de speciale VN-rapporteur voor Afghanistan, aangezien hun werk van essentieel belang is om de mensenrechtensituatie in het land te monitoren en hier verslag over uit te brengen; roept de EU en de internationale gemeenschap ertoe op de politieke en financiële steun voor hun werkzaamheden te stimuleren;

11.  is ingenomen met de hervatting van het onderzoek door het Internationaal Strafhof naar misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in Afghanistan; verzoekt de EU haar steun voor informatie-uitwisseling, onderzoek, monitoring en toezicht op te voeren met het oog op een betere verantwoordingsplicht;

12.  herinnert eraan dat de EU een ferm standpunt inneemt ten aanzien van eventuele politieke betrekkingen met de taliban, waarbij zij zich laat leiden door vijf thematische benchmarks om betrekkingen aan te knopen, op basis van het beginsel inzake de eerbiediging van de mensenrechten van iedereen en het beginsel van de rechtsstaat; wijst erop dat er wat deze benchmarks betreft sinds 15 augustus 2021 alleen maar een duidelijke verslechtering van de situatie is waargenomen en dat enige legitimering van de talibanautoriteiten om die reden uitgesloten is; wijst erop dat de huidige benchmarks moeten worden geactualiseerd, met als doel een langetermijnstrategie van de EU ten aanzien van Afghanistan vast te stellen in het licht van de actuele situatie en het feit dat de taliban er niet in slagen hun aanvankelijke beloften na te komen;

13.  verzoekt de EU te streven naar uitbreiding van de lijst van gerichte maatregelen tegen de talibanleiders die verantwoordelijk zijn voor de aanhoudende verslechtering van de mensenrechtensituatie;

14.  verzoekt de feitelijke autoriteiten de nodige maatregelen te nemen om geweld tegen vrouwen en meisjes te bestrijden, met inbegrip van gedwongen huwelijken en intiem partnergeweld, en daders onverwijld ter verantwoording te roepen; verzoekt de feitelijke autoriteiten het nationale systeem voor slachtofferhulp opnieuw op te starten;

15.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten hun steun aan Afghaanse mensenrechtenverdedigers en onafhankelijke journalisten in het land en daarbuiten op te voeren, onder meer door de hervestiging van mensenrechtenverdedigers te stroomlijnen in overeenstemming met de EU-richtsnoeren ter zake;

16.  dringt erop aan dat er een representatieve regering van verkozenen wordt samengesteld die vrouwen en minderheden op alle niveaus bij het besluitvormingsproces betrekt;

17.  dringt er bij de VN-Mensenrechtenraad op aan een aanvullend permanent verantwoordingsmechanisme in te stellen voor het onderzoeken van alle vermeende schendingen van het recht inzake de mensenrechten die een misdrijf uit hoofde van het internationaal recht vormen, met name geweld tegen vrouwen en meisjes;

18.  merkt op dat er op internationaal niveau verdere inspanningen moeten worden geleverd om door vrouwen geleide dialogen binnen Afghanistan en netwerken van Afghaanse vrouwen zowel binnen als buiten het land te ondersteunen; verzoekt de EDEO om het Parlement en de andere EU-instellingen meer te betrekken bij het forum van Afghaanse vrouwelijke leiders; verzoekt de VV/HV, de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om de participatie van Afghaanse vrouwen in beleidsdialogen met betrekking tot Afghanistan te waarborgen;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de speciaal gezant van de EU voor Afghanistan.

(1) PB C 117 van 11.3.2022, blz. 133.
(2) PB C 434 van 15.11.2022, blz. 86.
(3) PB C 15 van 12.1.2022, blz. 70.


De voortdurende onderdrukking van de democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld in Belarus
PDF 148kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de aanhoudende onderdrukking van de democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld in Belarus (2022/2956(RSP))
P9_TA(2022)0418RC-B9-0508/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Belarus,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en alle mensenrechtenverdragen waarbij Belarus partij is,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 oktober 2020,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 21 en 22 oktober 2021,

–  gezien de verslagen die zijn opgesteld door internationale en onafhankelijke Belarussische mensenrechtenorganisaties,

–  gezien de verslagen van 4 mei 2021 en 20 juli 2022 van Anaïs Marin, de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Belarus, voor de VN-Mensenrechtenraad, en gezien de oproep van VN-deskundigen op 10 oktober 2022 tot onmiddellijke vrijlating van de gevangengehouden Nobelprijswinnaar en andere rechtenactivisten in Belarus,

–  gezien het verslag van 4 maart 2022 van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten over de situatie van de mensenrechten in Belarus in de aanloop naar en de nasleep van de presidentsverkiezingen van 2020,

–  gezien de verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van de G7 van 4 november 2022 over Belarus,

–  gezien de verklaring van 13 juli 2022 van de vertegenwoordiger voor mediavrijheid van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) over de aanhoudende gevangenneming van journalisten en andere personen die voor de media werken in Belarus,

–  gezien de verklaring van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 7 oktober 2022 over de rechterlijke uitspraak tegen onafhankelijke mediavertegenwoordigers,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de systematische onderdrukking van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers door het Belarussische regime erop gericht is om alle resterende onafhankelijke stemmen in Belarus het zwijgen op te leggen; overwegende dat naar schatting meer dan 10 000 Belarussen op een of ander ogenblik zijn vastgehouden vanwege protest tegen het regime; overwegende dat mensenrechtenverdedigers, politici van de oppositie, het maatschappelijk middenveld, kunstenaars, onafhankelijke journalisten, vakbondsleiders en -leden en andere activisten stelselmatig het slachtoffer worden van gewelddadige onderdrukking en gedwongen worden te vluchten;

B.  overwegende dat de mensenrechtenschendingen in Belarus sinds augustus 2020 zijn geëscaleerd, en er in november 2022 meer dan 1 400 politieke gevangenen zijn, onder wie de winnaar van de Nobelprijs 2022 Ales Bjaljatski; overwegende dat onder de gevangenen ook minderjarigen, mensen met een handicap, gepensioneerden en ernstig zieke personen zijn; overwegende dat de rechtszaken tegen politieke gevangenen worden voortgezet, waarbij ongezien strenge vonnissen worden geëist;

C.  overwegende dat steeds hardhandiger wordt opgetreden tegen de breed gesteunde prodemocratische oppositiebeweging van Belarus; overwegende dat in oktober 2022 een regionale rechter uit Hrodna een straf van 25 jaar heeft geëist tegen politieke activist Mikalai Awtoechovitsj, op grond van volledig verzonnen aanklachten, waaronder hoogverraad; overwegende dat dit de langste gevangenisstraf ooit is die is uitgesproken tegen een tegenstander van het Loekasjenka-regime; overwegende dat de heer Awtoechovitsj, die afgelopen zomer in hongerstaking is gegaan, sinds het begin van zijn opsluiting is geslagen en gemarteld;

D.  overwegende dat elf andere beklaagden in deze zaak, namelijk Paval Sava, Halina Dzerbisj, Volha Majorava, Viktar Snehoer, Oeladzimer Hoendar, Sjarhej Razanovitsj, Paval Razanovitsj, Lyobov Razanovitsj, Iryna Melcher, Anton Melcher en Iryna Haratsjkin, samen met de heer Awtoechovitsj de “twaalf rond Awtoechovitsj” worden genoemd, en veroordeeld zijn tot een totale gevangenisstraf van 169,5 jaar; overwegende dat sommigen van deze gedetineerden herhaaldelijk in eenzame opsluiting zijn geplaatst nadat hun familieleden hadden verklaard dat de gevangenisbewakers gevangenen gewelddadig behandelen en zelfs martelen;

E.  overwegende dat Belarussische rechters honderden oneerlijke en willekeurige vonnissen hebben uitgesproken in politiek gemotiveerde processen in de “rondedans”-zaak, die vaak achter gesloten deuren en zonder behoorlijke rechtsgang zijn gevoerd, en zonder dat er toegang werd verleend aan EU-diplomaten om deze als waarnemer bij te wonen;

F.  overwegende dat het onderzoekscomité van Belarus speciale verstekprocedures heeft ingeleid tegen leiders van de democratische Belarussische oppositie en leden van de coördinatieraad, zoals Svjatlana Tsichanowskaja, Pavel Latoesjka, Volha Kavalkova, Maria Maroz, Siarhei Dyleuski, Dmitry Navosja, Valeria Zanemonskaja, Daniil Bogdanovitsj,Yanina Sazanovitsj, Volha Vysotskaja, Aleksandra Gerasimova, Aljaksandr Opeikin en Dmitry Soloviev;

G.  overwegende dat leiders en vertegenwoordigers van de democratische oppositiepartijen, onder wie Pavel Seviarynets, Mikalai Kazlow, Antanina Kavaleva, Aksana Aljakseeva, Tatsiana en Dzmitry Kanewski, Ihar Salavei, Pavel Spiryn, Oeladzimir Niapomniasjtsych, Aljaksandr Agraitsovitsj, Pavel Belavus, Andrei Koedzik, Mikolai Siarhienka, Ramuald Oelan, Aljaksandr Nahela, Andrei Kabanau, Artur Smaliakow, Andrei Asmalowski, Dziana Tsjarnusjyna, Mikola Statkevitsj, Siarhei Tsichanowski, Viktar Babaryka, Maryia Kalesnikava, Maksim Znak, Ihar Losik en Sergey Sparisj, nog altijd in onmenselijke omstandigheden worden vastgehouden;

H.  overwegende dat het Belarussische regime geen onderzoek instelt naar de duizenden aangiften van politiegeweld; overwegende dat het de verantwoordelijkheden voor dit optreden eerder aanmoedigt en beloont; overwegende dat de hopeloze situatie van het Belarussische volk wordt bestendigd door de wijdverbreide straffeloosheid voor schendingen van de mensenrechten; overwegende dat het recht van slachtoffers op een eerlijk proces wordt belemmerd door het ontbreken van een rechtsstaat;

I.  overwegende dat Belarus het enige land in Europa is waar de doodstraf wordt toegepast, en dat onlangs is aangekondigd dat er terechtstellingen van politieke tegenstanders van het regime zouden worden uitgevoerd; overwegende dat het wetboek van strafrecht van Belarus in januari 2022 is gewijzigd en in mei 2022 door Loekasjenka wettelijk is bekrachtigd om de doodstraf uit te breiden tot “pogingen tot terroristische daden”, met als uiteindelijk doel politieke dissidenten tot doelwit te maken en veroordeling bij verstek op “extremistische” of “terroristische” gronden mogelijk te maken;

J.  overwegende dat het Loekasjenka-regime nog steeds gebruikmaakt van marteling, en politieke gevangenen melding blijven maken van een verslechterende gezondheidssituatie, vernederingen en een onmenselijke en wrede behandeling; overwegende dat Loekasjenka zijn campagne tegen mensenrechtenactivisten en journalisten heeft uitgebreid, en Andrzej Poczobut, een vooraanstaande journalist en activist van de Poolse minderheid in Belarus die op de terroristenlijst was geplaatst, gevangen heeft gezet; overwegende dat de onaanvaardbare vervolging van de Poolse en andere minderheden is toegenomen, met recente besluiten van de Belarussische autoriteiten die erop gericht zijn onderwijs in het Pools en Litouws af te schaffen, huiszoekingen bij Poolse leiders en de verwoesting van Poolse kerkhoven en graven van dichters, schrijvers, opstandelingen en soldaten van het Thuisleger; overwegende dat de autoriteiten het contract op grond waarvan de rooms-katholieke parochie van Sint-Simon en Sint-Helena gratis gebruik konden maken van de rode katholieke kerk hebben beëindigd, waardoor deze haar eigendommen uit de kerk moest verwijderen;

K.  overwegende dat universiteitsstudenten volgens de speciale rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus het risico lopen op willekeurige opsluiting, ongerechtvaardigde schorsing en verwijdering van de studie, waardoor hun academische vrijheid duidelijk wordt bedreigd;

L.  overwegende dat Belarus zich heeft teruggetrokken uit het Verdrag van Aarhus, dat een positieve uitwerking had op de bestendiging van toegangsrechten, duurzame ontwikkeling en milieudemocratie;

M.  overwegende dat de autoriteiten vaak hun toevlucht nemen tot toezicht, onlinecensuur en desinformatie, waarbij zij gebruikmaken van technologieën om de bevolking in bedwang te houden; overwegende dat deze onderdrukkingspraktijken nog een stap vormen in de richting van digitaal autoritarisme en de onderdrukking van de digitale rechten van mensen in Belarus, met de verergerende intimidatie van burgers en een krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld tot gevolg; overwegende dat hierdoor geen sprake meer is van vrijheid van meningsuiting;

N.  overwegende dat onafhankelijke media op 14 november 2022 hebben bericht over de strafrechtelijke vervolging van Irena Valius en Renata Dzemantsjoek, de leiders van de Bond van Polen in Belarus;

O.  overwegende dat het Loekasjenka-regime in Belarus de ongerechtvaardigde aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne mogelijk blijft maken door Rusland toe te staan Belarussisch grondgebied te gebruiken voor militaire aanvallen op Oekraïne;

P.  overwegende dat de Belarussen die zich bij de anti-oorlogsbeweging hebben aangesloten, het doelwit zijn van repressieve maatregelen, onder administratief arrest worden geplaatst of worden beschuldigd van strafbare feiten, zo ook de advocaat Aleksander Danilevitsj die strafrechtelijk wordt vervolgd in verband met zijn ondertekening van een openbare petitie tegen de oorlog in Oekraïne, en drie Belarussische burgers, Dzianis Dzikoen, Dzmitry Ravitsj en Aleh Malchanau, die worden beschuldigd van terrorisme omdat zij de spoorweginfrastructuur hadden gesaboteerd om het vervoer van Russisch militair materieel te verhinderen;

Q.  overwegende dat er een reeks strafrechtelijke onderzoeken loopt tegen het mensenrechtencentrum van Viasna en dat er aanklachten zijn ingediend tegen onder anderen Ales Bjaljatski, Valjantsin Stefanovitsj, Oeladzimir Labkovitsj, Marfa Rabkova, Leanid Soedalenka, Tatsjana Lasitsa en Andrei Tsjapioek;

R.  overwegende dat meer dan 600 niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) zijn of worden opgeheven, met inbegrip van praktisch alle mensenrechtengroepen die in het land actief zijn; overwegende dat onafhankelijke vakbonden nog steeds worden vervolgd, en dat hun leiders en activisten, onder wie Aljaksandr Jarasjoek, Henadz Fjadynitsj, Siarhei Antoesevitsj, Michail Hromau, Iryna Boed-Hoesaim, Janina Malasj, Vasil Berasnieu, Zinaida Michnjoek, Aljaksandr Misjoek, Ihar Povarau, Jauhen Hovar, Artsiom Zjernak en Daniil Tsjeunakou, nog in de gevangenis zitten; overwegende dat het hooggerechtshof van Belarus het Belarussische Congres van democratische vakbonden – een overkoepelende organisatie voor onafhankelijke vakbonden – heeft opgeheven, en daarmee alle onafhankelijke vakbonden in feite heeft verboden;

S.  overwegende dat journalisten, zoals Katsjaryna Andrejeva, Iryna Slaunikava, Sjarhei Satsoek, Ihar Losik, Ksenia Loetskina en Andrei Koeznetsjyk, een van de voornaamste doelwitten van dit regime blijven; overwegende dat het regionaal hof van Minsk op 6 oktober 2022 drie journalisten van het verboden onafhankelijke mediakanaal BelaPAN, namelijk Iryna Leusjyna, hoofdredacteur, Dzmitry Navazjylau, directeur, Andrei Aljaksandrau, plaatsvervangend directeur, en een onafhankelijke journalist, Iryna Zlobina, heeft veroordeeld tot gevangenisstraffen uiteenlopend van 4 tot 14 jaar;

T.  overwegende dat de vrijheid van vreedzame vergadering voortdurend wordt geschonden; overwegende dat er sinds de frauduleuze presidentsverkiezingen van augustus 2020 geen straatpotesten van de oppositie zijn toegestaan;

U.  overwegende dat Loekasjenka zijn beleid voor het “russificeren” van Belarus voortzet, waarbij hij aanstuurt op de marginalisering en vernietiging van uitingen van de nationale identiteit van de Belarussen, ook op het gebied van taal, onderwijs en cultuur, door middel van willekeurige arrestaties, opsluiting en met name de brute behandeling van culturele figuren;

1.  blijft vastberaden solidair met de bevolking van Belarus en met de leden van de democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld, die blijven pleiten voor een vrij, soeverein en democratisch Belarus;

2.  herinnert eraan dat de EU en haar lidstaten de resultaten van de presidentsverkiezingen van 2020 niet hebben erkend omdat die op grote schaal zijn vervalst, en dat zij Aljaksandr Loekasjenka niet erkennen als de president van Belarus; dringt aan op voortdurende steun voor de Belarussische democratische oppositie en het onafhankelijk maatschappelijk middenveld, met inbegrip van leden van de Europese politieke families; juicht de vorming toe van het verenigde overgangskabinet van Belarus onder leiding van Svjatlana Tsichanowskaja, die volgt op de oprichting van de coördinatieraad en de schaduwregering; roept de democratische oppositie op de eenheid te handhaven en te bevorderen met het oog op een vrij, democratisch en onafhankelijk Belarus; merkt op dat vele Belarussen Svjatlana Tsichanowskaja als de winnaar van de presidentsverkiezingen van 2020 beschouwen;

3.  herinnert aan zijn onwrikbare steun aan de democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld van Belarus en roept deze op te blijven handelen in het belang van het Belarussische volk en een plan uit te werken om het land te hervormen; wijst erop dat de overwinning van Oekraïne democratische verandering in Belarus zal bespoedigen; herhaalt dat overeenkomstig de beginselen van de OVSE de legitieme eisen van de bevolking van Belarus inzake democratie op basis van mensenrechten en fundamentele vrijheden, welvaart, soevereiniteit en veiligheid moeten worden ingewilligd; herhaalt zijn eerdere oproepen tot nieuwe vrije en eerlijke verkiezingen met internationale waarnemers van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE;

4.  veroordeelt met klem de ongerechtvaardigde en politiek gemotiveerde straffen die zijn uitgesproken tegen de “twaalf rond Awtoechovitsj” en tegen meer dan 1 400 politiek gevangenen die worden vastgehouden; eist dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan het geweld en de repressie, dat alle politiek gevangenen en alle personen die willekeurig worden vastgehouden of gearresteerd of veroordeeld zijn om politiek gemotiveerde redenen, onvoorwaardelijk worden vrijgelaten, en dat alle aanklachten tegen hen worden ingetrokken; eist tevens dat zij volledig worden gerehabiliteerd en dat zij financieel worden vergoed voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van hun onwettige detentie; onderstreept dat in de tussentijd informatie moet worden verstrekt over hun verblijfplaats en detentieomstandigheden, dat zij toegang moeten krijgen tot de advocaten van hun keuze en tot medische ondersteuning, en dat zij moeten kunnen communiceren met hun familieleden; eist dat het regime van Loekasjenka ervoor zorgt dat de processen van alle politiek gevangenen, onder wie prodemocratische activisten, leden van de democratische oppositie, mensenrechtenactivisten, journalisten en vakbondsleden, kunnen worden bijgewoond en gevolgd;

5.  veroordeelt met klem de betrokkenheid van Belarus bij de ongerechtvaardigde en niet-uitgelokte aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne; veroordeelt dat opnieuw Russische strijdkrachten in Belarus worden ingezet; veroordeelt de agressieve en op bedreigingen gebaseerde retoriek van Belarussische ambtenaren ten aanzien van Oekraïne; merkt op dat Loekasjenka en de personen in zijn entourage evenzeer verantwoordelijk zijn voor de oorlogsmisdaden in Oekraïne en ter verantwoording moeten worden geroepen voor het internationaal tribunaal en het Internationaal Strafhof;

6.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de EDEO samen te werken met internationale partners, zoals het Moskou-mechanisme van de OVSE en de Mensenrechtenraad van de VN, alsook met mensenrechtenactivisten en maatschappelijke organisaties ter plaatse, om te waarborgen dat mensenrechtenschendingen worden gemonitord, gedocumenteerd en gemeld, dat de daders ter verantwoording worden geroepen en dat er gerechtigheid komt voor de slachtoffers; verwelkomt en steunt de oprichting van het Internationaal Platform inzake verantwoordingsplicht voor Belarus; herhaalt hoe belangrijk het is het diplomatieke isolement van Belarus voort te zetten, de diplomatieke aanwezigheid van de EU en haar lidstaten in het land te beperken en door te gaan met het isolement van Belarus in internationale organisaties;

7.  dringt er bij de Belarussische autoriteiten op aan een einde te maken aan alle onderdrukking, vervolging, foltering en mishandeling van de bevolking, met inbegrip van geweld tegen vrouwen en kwetsbare groepen en gedwongen verdwijningen; blijft de onmenselijke detentieomstandigheden en de aanhoudende vernedering en verslechterende gezondheid van de politiek gevangenen aanklagen;

8.  is bezorgd dat leveranciers aan grote, in de EU gevestigde bedrijven gebruikmaken van dwangarbeid door gedetineerden in Belarussische strafkolonies; verzoekt alle in de EU gevestigde bedrijven bijzondere zorgvuldigheid te betrachten en hun betrekkingen te beëindigen met alle Belarussische leveranciers die gebruikmaken van dwangarbeid in hun toeleveringsketen, de burgerrechten en politieke rechten van hun werknemers onderdrukken of openlijk steun verlenen aan het gewelddadige regime; roept de Raad op sancties op te leggen aan alle Belarussische of internationale bedrijven die actief zijn in Belarus en die gebruikmaken van dwangarbeid in hun toeleveringsketen, de burgerrechten en politieke rechten van hun werknemers onderdrukken of openlijk steun verlenen aan het gewelddadige regime; dringt er bij het regime van Loekasjenka op aan een einde te maken aan de dwangarbeid in strafkolonies;

9.  veroordeelt de inspanningen van Loekasjenka om de Belarussische cultuur, met inbegrip van de culturen van minderheden, te ondergraven en de natie te russificeren; roept de EU op steun te verlenen aan Belarussische onafhankelijke culturele organisaties zoals theaters, koren, scholen, folkloristische gezelschappen en artiesten; betreurt het besluit van het Belarussische Ministerie van Binnenlandse Zaken om de vaderlandslievende leuze “Zjive Belaroes!” (Leve Belarus!) als nazistische leuze te bestempelen;

10.  veroordeelt ten stelligste het gebruik van het Belarussische grondgebied door Rusland voor zijn militaire agressie tegen Oekraïne; is ingenomen met het optreden van de Belarussische samenleving om zich ertegen te verzetten dat het grondgebied van Belarus ter wille van de Russische invasie van Oekraïne wordt gebruikt; spreekt zijn steun uit voor het Kastoes Kalinowski- en Pahonia-regiment, dat Oekraïne steunt in zijn verdediging tegen de Russische aanvalsoorlog; deelt het standpunt van de democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld van Belarus dat het land moet worden erkend als bezet of feitelijk bezet gebied, en sluit zich aan bij hun pleidooi voor de onmiddellijke terugtrekking van de Russische troepen uit Belarus en Oekraïne;

11.  herhaalt zijn oproep aan de Raad en de Commissie om het omzeilen van sancties te voorkomen en dringt erop aan alle sancties tegen Rusland ook te laten gelden voor Belarus en er bij alle toekomstige sanctierondes op toe te zien dat zij op passende wijze worden toegepast; verzoekt de Commissie, de medewetgevers en de lidstaten de wettelijke regeling voor de confiscatie van door de EU bevroren tegoeden aan te vullen, zodat ook de tegoeden kunnen worden geconfisqueerd van Loekasjenka, zijn familieleden en vertrouwelingen die het regime mogelijk maken, onder wie rechters, aanklagers, propagandisten, militieleden, leden van de KGB en van de veiligheidsdiensten die betrokken zijn bij de repressie, veroordelingen, onwettige opsluitingen en folteringen, en dringt erop aan dat deze middelen worden benut om de slachtoffers en de Belarussische democratische oppositie te ondersteunen;

12.  is ingenomen met de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede van 2022 aan Ales Bjaljatski, mensenrechtenactivist, oprichter van het mensenrechtencentrum Vjasna en winnaar van de Sacharovprijs van 2020; veroordeelt de voortdurende opsluiting van Ales Bjaljatski, Valjantsin Stefanovitsj en Oeladzimir Labkovitsj wegens politiek gemotiveerde beschuldigingen van smokkel en financiering van collectieve acties die de openbare orde verstoren, waar tot 12 jaar gevangenisstraf op staat, en dringt aan op hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating; sluit zich aan bij de oproep van de voorzitter van het Noorse Nobelcomité tot het regime van Loekasjenka om Ales Bjaljatski vrij te laten vóór de uitreiking van de Nobelprijs voor de Vrede op 10 december 2022;

13.  is ingenomen met de oprichting van een contactgroep in de Raad van Europa in samenwerking met de democratische krachten en het maatschappelijk middenveld van Belarus; spoort de EU-instellingen en -lidstaten en internationale organisaties aan de systemische samenwerking met democratische vertegenwoordigers van Belarus te versterken;

14.  juicht toe dat de EU en haar lidstaten, en met name Polen en Litouwen, steun en bescherming bieden aan Belarussen die hun land zijn moeten ontvluchten; roept de lidstaten op de solidariteit met mensen die Belarus ontvluchten, voort te zetten, en verzoekt de Commissie deze inspanningen verder te ondersteunen;

15.  is ingenomen met het alomvattende plan van de Commissie voor economische steun aan een democratisch Belarus, maar eist dat de middelen daarvoor onmiddellijk beschikbaar worden gesteld ter ondersteuning van de cruciale werkzaamheden van het maatschappelijk middenveld, onafhankelijke media, de vakbonden en de Belarussische oppositie in ballingschap, alsook van degenen die het onderdrukkende regime ontvluchten; verzoekt de Europese politieke partijen en stichtingen rechtstreeks steun te verlenen aan de Belarussische leden van hun partij en aan de oppositie in ruimere zin; verzoekt de Commissie onafhankelijke nieuwskanalen te blijven steunen, en met name nieuwe media zoals NEXTA, dat geen financiële steun van de EU krijgt hoewel het een breed publiek heeft in Belarus;

16.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de democratische oppositie, activisten van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenactivisten, vakbondsvertegenwoordigers en onafhankelijke media in Belarus en in het buitenland te blijven bijstaan met het oog op de voorbereiding van de toekomstige democratische transitie van het land; juicht toe dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Svjatlana Tsichanowskaja regelmatig uitnodigt voor de vergaderingen van de Raad Buitenlandse Zaken, met inbegrip van het foto- en videomoment van 14 november 2022; is in dit verband ingenomen met de oprichting van de missie voor een democratisch Belarus in Brussel;

17.  verzoekt de Commissie en de lidstaten regels en procedures op te stellen voor gevallen waarin mensenrechtenactivisten en andere activisten van het maatschappelijk middenveld het staatsburgerschap in Belarus wordt ontnomen, en voor steunverlening aan Belarussische burgers in de EU van wie de identiteitsdocumenten binnenkort gaan vervallen maar niet kunnen worden hernieuwd, aangezien zij niet naar Belarus kunnen terugkeren;

18.  roept de Raad en de VV/HV op verdere maatregelen naast de sancties te onderzoeken en een coherente en alomvattende langetermijnaanpak ten aanzien van Belarus te ontwikkelen, in nauwe coördinatie met gelijkgezinde landen en internationale organisaties; roept de EDEO op het voortouw te nemen bij de coördinatie van een coherent beleid met de lidstaten en andere EU-instellingen;

19.  hekelt het besluit van Belarus om zich terug te trekken uit het Verdrag van Aarhus, terwijl Belarus de kerncentrale van Astravets toch in gebruik heeft genomen zonder volledig uitvoering te geven aan de aanbevelingen in het kader van de stresstests, en betreurt de verdere nalatigheid met betrekking tot de naleving van de hoogste nucleaire veiligheidsvoorschriften in de kerncentrale van Astravets; veroordeelt de wrede vervolging door het Belarussische regime van milieu- en mensenrechtenactivisten en ngo’s die bezorgd zijn voor de nucleaire veiligheid;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de autoriteiten van de Republiek Belarus en van de Russische Federatie en aan de vertegenwoordigers van de Belarussische democratische oppositie.


De gedwongen verplaatsing van mensen als gevolg van het escalerende conflict in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC)
PDF 128kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de gedwongen ontheemding van mensen als gevolg van het escalerende conflict in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) (2022/2957(RSP))
P9_TA(2022)0419RC-B9-0507/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Democratische Republiek Congo (DRC),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 10 oktober 2022 over kinderen en gewapende conflicten in de Democratische Republiek Congo,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979,

–  gezien het Vierde Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 1949, en de bijbehorende aanvullende protocollen van 1977 en 2005,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (VRK) van 20 november 1989,

–  gezien het verslag van het OHCHR-MONUSCO van juli 2020 getiteld “Verslag over schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht door de gewapende groepering Geallieerde Democratische Strijdkrachten en door leden van de strijdkrachten en de veiligheidstroepen in het gebied Beni in de provincie Noord-Kivu en in de gebieden Irumu en Mambasa in de provincie Ituri tussen 1 januari 2019 en 31 januari 2020”,

–  gezien de door Josep Borell, vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, afgelegde verklaring van 4 juli 2022 over de situatie in het oostelijke deel van de Democratische Republiek Congo,

–  gezien Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(1),

–  gezien Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld(2),

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de veiligheidssituatie in de Democratische Republiek Congo (DRC), met name in het noordoosten van het land, blijft verslechteren door toedoen van gewapende buitenlandse en binnenlandse groeperingen, waaronder de M23-groepering die banden heeft met Rwanda; overwegende dat sommige rebellengroeperingen banden hebben met Uganda en Burundi en naar verluidt trouw zijn aan ISIS, dat deze groeperingen betrokken waren bij talrijke slachtpartijen die geleid hebben tot de ontheemding van duizenden burgers, en dat gewapende groeperingen naar verluidt kinderen hebben gerekruteerd en wijdverbreid seksueel en gendergerelateerd geweld hebben gepleegd;

B.  overwegende dat de opmars van M23 sinds 20 oktober 2022 heeft geleid tot de ontheemding van duizenden mensen van Rutshuru naar Kanyaruchinya en Kibati, ten noorden van de stad Goma, en naar het Lubero-gebied, zodat de reeds bestaande groep van zes miljoen intern ontheemden nog aangroeide;

C.  overwegende dat naar schatting 183 000 mensen, voornamelijk vrouwen en kinderen, sinds 20 oktober 2022 ontheemd zijn geraakt, waardoor hun aantal in het oostelijke deel van het land is opgelopen tot meer dan 232 000 burgers; overwegende dat 2.4 miljoen Congolese kinderen jonger dan vijf jaar te lijden hebben onder algehele acute ondervoeding; overwegende dat veel kinderen gescheiden werden van hun ouders en voogden doordat mensen halsoverkop op de vlucht slaan voor rebellenaanvallen; overwegende dat naar schatting 7.5 miljoen mensen momenteel nood hebben aan hulp en geen toegang hebben tot water en sanitaire voorzieningen;

D.  overwegende dat de oostelijke DRC-provincies Ituri en Kivu al twee decennia lang lijden onder cyclische conflicten die worden gekenmerkt door slachtpartijen onder de burgerbevolking en geweld door gewapende groeperingen, waarbij de overheidsinstanties er niet in slagen niet-statelijke groeperingen ter verantwoording te roepen voor begane misdaden;

E.  overwegende dat in oktober 2022 werd bericht dat Congolese legereenheden en hun bondgenoten in het recente conflict met de rebellen van de M23-groepering verantwoordelijk waren voor massale mensenrechtenschendingen; overwegende dat ook melding is gemaakt van ernstige schendingen zoals kinderarbeid;

F.  overwegende dat journalisten die verslag uitbrengen over het conflict, te maken krijgen met toenemende intimidatie, bedreigingen en arrestaties;

G.  overwegende dat met het door Angola gefaciliteerde proces van Luanda ernaar wordt gestreefd tussen de DRC en Rwanda te bemiddelen met betrekking tot het conflict in het oosten van de DRC; overwegende dat de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (EAC), waarvan de DRC in maart 2022 lid is geworden, een tweesporenproces op gang heeft gebracht om een einde te maken aan de instabiliteit in Oost-Congo: politieke besprekingen met rebellengroeperingen die zich bereid hebben verklaard de gevechten te staken en te ontwapenen, in combinatie met het inzetten van een Oost-Afrikaanse militaire troepenmacht;

1.  uit zijn grote zorgen over de escalatie van het geweld en de alarmerende en verslechterende humanitaire situatie in de DRC, met name als gevolg van de gewapende conflicten in de oostelijke provincies; betreurt het verlies van mensenlevens en spreekt zijn medeleven uit met de bevolking van de DRC; vindt het betreurenswaardig dat naar schatting 27 miljoen Congolezen humanitaire hulp nodig hebben als gevolg van het conflict en dat het aantal intern ontheemden in de DRC toeneemt, met naar schatting tot zes miljoen ontheemden op heden waaronder 515 000 vluchtelingen;

2.  roept de EU en andere internationale partners ertoe op humanitaire hulp te verlenen aan de regio; dringt erop aan dat de door de EU gefinancierde humanitaire hulp gericht wordt op het helpen van kwetsbare mensen, zoals slachtoffers van seksueel geweld, en het verbeteren van de sociale gezondheidsdeterminanten; verzoekt de EU haar financiering voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp voor de DRC voor de programmeringsperiode 2021-2027 te blijven verhogen; roept alle partijen op humanitaire toegang tot alle hulpbehoevenden toe te staan en te vergemakkelijken, en de vrijwillige en veilige terugkeer van ontheemden mogelijk te maken;

3.  veroordeelt ten stelligste de aanhoudende brute agressie door gewapende groeperingen; dringt er bij de gewapende groepering M23 op aan zich terug te trekken uit haar stellingen en te ontwapenen, en roept alle gewapende groeperingen in de regio ertoe op zich opnieuw aan te sluiten bij de intercongolese dialoog (proces van Nairobi) ter voorbereiding op ontwapening, demobilisatie en herintegratie in de gemeenschap; verzoekt alle overheidsactoren in de regio iedere samenwerking met M23 en andere gewapende groeperingen in de regio stop te zetten; dringt er bij alle betrokken regeringen op aan ervoor te zorgen dat een politieke regeling geen amnestie omvat voor degenen die verantwoordelijk zijn voor ernstige internationale misdrijven en dat aan schendingen schuldige M23-commandanten niet de kans krijgen om te integreren in de strijdkrachten van de DRC;

4.  verzoekt Rwanda met klem om geen steun te bieden aan de M23-rebellen; roept de EU en haar lidstaten ertoe op via het wereldwijde sanctiemechanisme voor de mensenrechten sancties op te leggen aan de daders van mensenrechtenschendingen in het oosten van de DRC; dringt erop aan de sancties tegen hoge M23-commandanten te handhaven en uit te breiden tot degenen die onlangs verantwoordelijk zijn bevonden voor ernstige schendingen, met inbegrip van hoge ambtenaren uit de hele regio die medeplichtig zijn aan de schendingen door de gewapende groeperingen;

5.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het hele arsenaal aan bedreigingen, mensenrechtenschendingen en verkrachtingen waarmee vrouwen en meisjes in gewapende conflicten te maken krijgen, en erkent dat vrouwen en meisjes in het bijzonder gevaar lopen aangezien zij vaak specifiek het doelwit vormen en meer risico lopen op geweld in conflict- en postconflictsituaties, waardoor hun deelname aan vredesprocessen wordt belemmerd; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan haar inspanningen op te voeren om de plaag van seksueel en gendergerelateerd geweld bij gewapende conflicten in het oosten van de DRC uit te bannen, slachtoffers te beschermen, een einde te maken aan de straffeloosheid van de daders en de toegang tot de rechter, schadeloosstelling en genoegdoening voor overlevenden te waarborgen;

6.  verzoekt de internationale gemeenschap met klem concrete stappen te zetten om een einde te maken aan het aanhoudende geweld, met name door de bevordering van dialoog en geweldloze oplossingen aan te moedigen en door steun te verlenen aan het door de president van Angola, João Lourenço, opgestarte regionale bemiddelingsproces, het proces van Luanda; benadrukt dat alle staten die partij zijn bij de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (EAC), de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC) en de Internationale Conferentie over het gebied van de Grote Meren (ICGLR) de beginselen moeten eerbiedigen die zijn overeengekomen bij het Conclaaf van Oost-Afrikaanse staatshoofden en het bemiddelingsproces van Luanda; beklemtoont uitdrukkelijk de noodzaak van grensoverschrijdende samenwerking in het gebied van de Grote Meren in Afrika;

7.  roept op tot instelling van een formeel doorlichtingsmechanisme als onderdeel van bredere inspanningen om de veiligheidssector te hervormen, teneinde kandidaten die voor afzetting in aanmerking komen door te lichten en erop toe te zien dat de veiligheidstroepen handelen op een wijze die in overeenstemming is met de internationale mensenrechtennormen en de normen van humanitair recht;

8.  dringt er bij de Commissie en de EU-lidstaten op aan ervoor te zorgen dat in de komende EU-strategie voor het gebied van de Grote Meren in Afrika de talrijke en grote uitdagingen op het vlak van mensenrechten en humanitaire hulp op zowel nationaal als regionaal niveau, met name in de DRC, naar behoren tot uiting komen;

9.  verzoekt de buurlanden van de DRC de inspanningen op te voeren ter bestrijding van de smokkel van conflictmineralen via hun landen en van de illegale handel in natuurlijke hulpbronnen die het conflict aanwakkert; benadrukt hoe belangrijk het is dat verder inspanningen worden geleverd om de financiële kanalen droog te leggen van gewapende groeperingen die betrokken zijn bij de illegale handel in natuurlijke hulpbronnen, waaronder goud en producten van wilde dieren en planten; roept de Commissie ertoe op de effecten en efficiëntie van Verordening (EU) 2017/821 te beoordelen bij haar evaluatie van de werking en de doeltreffendheid ervan;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de Afrikaanse Unie, de ACS-EU-Raad van ministers, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de regering en het parlement van de Democratische Republiek Congo en andere landen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap.

(1) PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.
(2) PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1.


De toekomstige Europese financiële architectuur voor ontwikkeling
PDF 181kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de toekomstige Europese financiële architectuur voor ontwikkeling (2021/2252(INI))
P9_TA(2022)0420A9-0270/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Europese Commissie van 30 januari 2008 getiteld “De Europese consensus betreffende humanitaire hulp”(1),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 april 2014 getiteld “Tool-Box – A rights-based approach, encompassing all human rights for EU development cooperation” (Een op rechten gebaseerde benadering van de EU-ontwikkelingssamenwerking waarin alle mensenrechten besloten liggen) (SWD(2014)0152),

–  gezien de VN-resolutie van 21 oktober 2015 getiteld “Transforming our World: the 2030 Agenda for Sustainable Development”, die is aangenomen tijdens de VN-top over duurzame ontwikkeling van 25 september 2015 in New York, en de zeventien duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s),

–  gezien de derde internationale conferentie over ontwikkelingsfinanciering die van 13 tot en met 16 juli 2015 in Addis Abeba is gehouden, en de actieagenda van Addis Abeba,

–  gezien de Overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 in Parijs is aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie van 30 juni 2017 getiteld “De nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling – “Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst””(2),

–  gezien het verslag van de groep op hoog niveau van wijzen inzake de Europese financiële architectuur voor ontwikkeling van oktober 2019 getiteld “Europe in the World – the future of European financial architecture for development”,

–  gezien de haalbaarheidsstudie van de Raad van 14 april 2021 betreffende opties voor het versterken van de toekomstige Europese financiële architectuur voor ontwikkeling,

–  gezien de conclusies van de Raad van 10 juni 2021 over het verbeteren van de Europese financiële architectuur voor ontwikkeling,

–  gezien de routekaart van de Commissie voor een verbeterde Europese financiële architectuur voor ontwikkeling en voortgangsverslag 2021 van 24 maart 2022 (COM(2022)0139),

–  gezien het gezamenlijk verslag van de EIB en de EBWO van 25 november 2021 over de acties die zijn ondernomen in het kader van de conclusies van de Raad over de Europese financiële architectuur voor ontwikkeling (European financial architecture for development, EFAD),

–  gezien advies nr. 7/2020 van de Europese Rekenkamer van 11 september 2020 bij het verslag van de Commissie over de uitvoering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO),

–  gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 inzake een nieuwe strategie EU-Afrika – een partnerschap voor duurzame en inclusieve ontwikkeling(3),

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2021 over het verslag over de uitvoering van de EU-trustfondsen en de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije(4),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 1 december 2021 getiteld “De Global Gateway” (JOIN(2021)0030),

–  gezien Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad(5),

–  gezien de zesde top van de Europese Unie en de Afrikaanse Unie van 17-18 februari 2022 en de slotverklaring daarvan getiteld “Een gezamenlijke visie voor 2030”,

–  gezien artikel 209 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het statuut van de Europese Investeringsbank (EIB), dat aan de Verdragen is gehecht en bepaalt dat de EIB de financieringsinstelling van de Europese Unie is, uitsluitend eigendom is van alle 27 lidstaten van de EU en tot taak heeft bij te dragen tot de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid van de EU,

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A9-0270/2022),

A.  overwegende dat de COVID-19-pandemie het reeds aanzienlijke financieringstekort voor de SDG’s heeft vergroot en heeft geleid tot een totale daling van de middelen met 700 miljard USD, en tegelijkertijd tot een toename van de behoeften met 1 biljoen USD, met als gevolg een schaareffect, zodat het jaarlijkse financieringstekort voor de SDG’s in de ontwikkelingslanden, dat vóór de pandemie 2,5 biljoen USD bedroeg, naar verwachting in de periode na COVID-19 zal toenemen met 70 %, tot 4,2 biljoen USD (3,7 biljoen EUR)(6);

B.  overwegende dat er een jaarlijks financieringstekort bestaat van 148 miljard USD in lage- en lagermiddeninkomenslanden met betrekking tot de verwezenlijking van de SDG 4 tussen nu en 2030; overwegende dat extra kosten als gevolg van COVID-19-gerelateerde schoolsluitingen dit financieringstekort tot een derde dreigen te doen toenemen;

C.  overwegende dat de militaire agressie van Rusland in Oekraïne de situatie van de SDG’s in Oekraïne en zijn buurlanden drastisch heeft verergerd; overwegende dat de huidige Russische militaire agressie in Oekraïne gevolgen zal hebben voor de wereldwijde uitvoering van de SDG’s, met name wat de bestrijding van armoede en honger betreft, die het risico vergroten op toenemende burgeronrust, conflicten en irreguliere migratie; overwegende dat de verwoestende gevolgen van de criminele daad van Poetins oorlog de toch al schaarse middelen voor ontwikkelingshulp in aanzienlijke mate hebben verlegd; overwegende dat de langetermijngevolgen van deze oorlog nog onbekend zijn; overwegende dat het grote tekort aan SDG-financiering en de gevolgen van de COVID-19-pandemie, die in de ontwikkelingslanden verwoestende gevolgen heeft gehad, een buitengewone en duurzame respons van alle EU-actoren vereisen; en een systeembrede herziening van de EFAD;

D.  overwegende dat het huidige politieke en financiële leiderschap van de EU en de inspanningen van de EU niet volstaan om de SDG’s en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en andere acute mondiale uitdagingen aan te pakken, met name de verergering van de klimaatverandering, de sterk toegenomen schuldenlast van partnerlanden, de gevolgen van COVID-19 en gewelddadige conflicten, en dat daarom gezamenlijke inspanningen op internationaal niveau nodig zijn om ervoor te zorgen dat de EFAD op deze nieuwe uitdagingen kan reageren;

E.  overwegende dat, om de SDG’s daadwerkelijk te verwezenlijken en de COVID-19-pandemie te boven te komen, beleidscoherentie en nauwe samenwerking tussen alle officiële instellingen voor ontwikkelingsfinanciering, hun overheidsaandeelhouders, de EU-instellingen en alle bestaande partners dringend noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de schaarse overheidsmiddelen zo doeltreffend en efficiënt mogelijk worden gebruikt; overwegende dat het succesvolle aantrekken van extra kapitaal, zowel particulier als publiek, naast officiële ontwikkelingshulp en andere bestaande vormen van ontwikkelingsfinanciering, van cruciaal belang is en moet worden afgestemd op de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid, met name met het oog op het terugdringen van ongelijkheid en armoede als eerste doelstelling van de Agenda 2030;

F.  overwegende dat het, mede met het oog op de duurzame ontwikkeling van het zuidelijk halfrond, van het grootste belang is dat de mondiale energiestromen in de toekomst worden gereorganiseerd en dat het Afrikaanse continent een belangrijke rol speelt; overwegende dat de versterking van zijn rol op het gebied van de productie, het gebruik en de uitvoer van duurzame energie de mogelijkheid zal bieden van toekomstgerichte en duurzame economische ontwikkeling, en de levensomstandigheden kan verbeteren van de grote meerderheid van de bevolking;

G.  overwegende dat voedselonzekerheid een belangrijke belemmering vormt voor de verwezenlijking van de SDG’s, met name in Afrika, waar 2 op de 10 mensen ondervoed zijn; overwegende dat deze uitdaging alleen maar nijpender zal worden als gevolg van de bevolkingsgroei; overwegende dat deze uitdaging in het kader van de samenwerking van de EU met partnerlanden doeltreffend en op duurzame wijze moet worden aangepakt;

H.  overwegende dat de EU-instellingen en de 27 EU-lidstaten samen de grootste donor voor ontwikkelingslanden zijn, goed voor ongeveer 46 % van de totale officiële ontwikkelingshulp die door alle OESO-leden samen aan ontwikkelingslanden wordt verstrekt;

I.  overwegende dat de instelling van de Team Europa-aanpak als wereldwijde EU-respons op COVID-19 kan bijdragen tot de totstandbrenging van één strategisch coördinatiekader voor de externe respons van de EU op de pandemie en andere grote uitdagingen, zoals de gevolgen van Ruslands militaire agressie in Oekraïne, ter ondersteuning van de partnerlanden; overwegende dat deze aanpak een veelbelovend proces is om verdere samenwerking mogelijk te maken tussen de EU-instellingen, de lidstaten en de Europese bilaterale en multilaterale instellingen voor ontwikkelingsfinanciering, de EIB en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO), waardoor de collectieve doeltreffendheid en zichtbaarheid van de EU voortdurend wordt vergroot;

J.  overwegende dat de inwerkingtreding van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (NDICI – Europa in de wereld), met een totale begroting van 79,5 miljard EUR, een historische verandering vormt in het externe en ontwikkelingsbeleid van de EU, die leidt tot de rationalisering en consolidatie van de ontwikkelingsuitgaven van de EU en een nieuwe impuls geeft aan meer samenwerking tussen de Europese ontwikkelingsactoren; overwegende dat het NDICI – Europa in de wereld het kader voor externe investeringen aanzienlijk wijzigt en gemengde financiering en garanties in het kader van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling Plus (EFDO+) – garantie voor extern optreden (External Action Guarantee, EAG) samenbrengt; overwegende dat het EFDO+ het geografische toepassingsgebied en de financiële middelen van zijn voorganger, het EFDO, aanzienlijk uitbreidt en in staat zal zijn verrichtingen te garanderen tot 53,4 miljard EUR via de EAG; overwegende dat het beginsel “eerst het beleid”, dat centraal staat in het NDICI – Europa in de wereld, een verschuiving inhoudt naar samenwerking op basis van beleidsdoelstellingen en ervoor zorgt dat het gebruik van EU-begrotingsgaranties wordt gedekt door het programmeringsproces;

K.  overwegende dat het EFDO+, dat is opgericht in het kader van het instrument NDICI – Europa in de wereld, voorziet in financiering voor blending- en begrotingsgarantieverrichtingen, die moeten worden uitgevoerd door in aanmerking komende partners in het kader van een open en op samenwerking gebaseerde aanpak;

L.  overwegende dat in artikel 36 van de verordening betreffende het NDICI – Europa in de wereld de specifieke rol van de EIB in het kader van dat instrument wordt omschreven;

M.  overwegende dat bedrijven en financieringsinstellingen uit de EU die in ontwikkelingslanden actief zijn de afgelopen tien jaar steeds vaker te maken hebben gehad met oneerlijke concurrentie van mondiale spelers die actief zijn buiten het multilaterale stelsel voor ontwikkelingsfinanciering, dat voorziet in een internationale reeks regels en voorschriften, zoals specifieke vereisten voor officiële ontwikkelingshulp, door de overheid gesteunde kredieten, duurzame kredietverlening en houdbaarheid van schulden, verboden exportsubsidies en internationale normen ter bestrijding van omkoping en corruptie;

N.  overwegende dat goed functionerende beleidscoherentie voor ontwikkeling (Policy Coherence for Development, PCD) en steun voor de mobilisering van binnenlandse middelen (Domestic Resource Mobilisation, DRM) een integrerend deel uitmaken van goed financieel beheer en gericht zijn op het vergroten van de doeltreffendheid van de hulp door middel van concrete initiatieven, zoals ondersteuning van de strijd tegen corruptie, de ontwikkeling van progressieve belastingstelsels en de bestrijding van belastingontwijking en -ontduiking;

O.  overwegende dat het in oktober 2019 gepubliceerde verslag van de Groep op hoog niveau van wijzen onder meer de oprichting bevatte van een Europese Bank voor klimaat en duurzame ontwikkeling (European Climate and Sustainable Development Bank, ECSDB), een optie die door de lidstaten onmiddellijk werd afgewezen omdat zij te duur is en te lang duurt om uit te voeren binnen de nieuwe begrotingsperiode; overwegende dat de Raad in plaats daarvan heeft gekozen voor een andere optie dan degene die was voorgesteld door de Groep op hoog niveau, onder de naam Status Quo+, die de bestaande structuren niet fundamenteel wijzigt, maar vraagt om verbetering ervan; overwegende dat de Status Quo-optie voorziet in de volgende verbeteringen zonder extra kosten voor de lidstaten: een verbetering van de aanwezigheid van de EIB op het terrein en een verandering van haar bedrijfsmodel in de richting van één dat meer gericht is op dat van ontwikkelingsbanken, een geleidelijke uitbreiding van het werkterrein van de EBWO tot Afrika bezuiden de Sahara en een vergroting van de capaciteit van de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de EU-delegaties;

P.  overwegende dat de lidstaten de Europese ontwikkelingsbanken en financiële instellingen hebben opgeroepen hun samenwerking en coördinatie te intensiveren, zowel onderling als met andere multilaterale en internationale financiële instellingen, voortbouwend op de sterke punten en deskundigheid van elke instelling, en hierbij de efficiëntie, zichtbaarheid en impact van de EFAD te vergroten, alsmede de particuliere sector meer te betrekken en tegelijk de betrokkenheid van de publieke sector te blijven aanvullen en ondersteunen;

Beginselen en doelstellingen van de EFAD

1.  neemt nota van de conclusies van de Raad over de versterking van de EFAD, van de routekaart van de Commissie voor een verbeterde Europese financiële architectuur en van het voortgangsverslag 2021 van 24 maart 2022 (COM(2022)0139); onderstreept de sleutelrol van NDICI – Europa in de wereld, het EFDO+ en de EAG bij het bieden van een strategisch kader voor gemengde financiering, voor het risicovrij maken van investeringen en voor garanties, alsmede bij het aantrekken van middelen uit de particuliere sector met steun van de EU-begroting, met name in het licht van de toenemende geopolitieke en economische concurrentie;

2.  benadrukt het feit dat de EFAD moet zorgen voor een efficiënte, doeltreffende, coherente en inclusieve architectuur, op basis van het beginsel “eerst het beleid”, dat de ruggengraat van de EFAD-structuur moet vormen, en in overeenstemming met de strategische belangen en waarden van de EU; dringt erop aan dat alle uitvoerende partners die deel uitmaken van de EFAD en toegang hebben tot EU-begrotingsmiddelen in het kader van het EFDO+, het volledige scala toepassen van EU-normen, -beleid en -procedures op sociaal gebied en op het gebied van de mensenrechten, aanbestedingen, transparantie, milieu en de rechtsstaat; verzoekt de Commissie de naleving van deze EU-regels te beoordelen, te monitoren en er verslag over uit te brengen; benadrukt dat de door het beginsel “eerst het beleid” gestuurde EFAD gebaseerd moet zijn op de beginselen en doelstellingen die zijn vastgelegd in de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, de Overeenkomst van Parijs en de actieagenda van Addis Abeba, en moet bijdragen aan het realiseren van de SDG’s; herhaalt dat projecten waarbij EFAD-actoren betrokken zijn, moeten worden getoetst op hun duurzaamheid voor klimaat, milieu en maatschappij, met als doel nadelige gevolgen tot een minimum te beperken en zoveel mogelijk voordelen te genereren voor het milieu, het klimaat en de maatschappij, overeenkomstig de toezeggingen van de EU en haar lidstaten uit hoofde van artikel 2, lid 1, punt c), van de Overeenkomst van Parijs; dringt er met klem op aan dat de activiteiten in het kader van de nieuwe EFAD bijdragen aan de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering; dringt er in dit verband voorts op aan dat activiteiten waarbij EFAD-actoren betrokken zijn, geen sectoren financieren die de klimaatcrisis aanwakkeren, maar in plaats daarvan bijdragen aan de transitie naar duurzame energieproductie; herinnert eraan dat het politieke engagement van de EU moet worden opgenomen in haar meerjarig financieel kader en volledig moet worden weerspiegeld in de EFAD;

3.  dringt er krachtig op aan dat de EFAD de strategische partnerschappen tussen de Europese Unie en haar mondiale ontwikkelingspartners versterkt; herhaalt dat deze partnerschappen altijd gebaseerd moeten zijn op wederzijds respect en waardigheid en op gedeelde belangen en waarden, met name mensenrechten, gendergelijkheid, milieu-, sociale en klimaatverantwoordelijkheid, gezondheid en veiligheid, met als doel ongelijkheid en armoede terug te dringen; herhaalt dat deze partnerschappen altijd moeten worden opgezet met inachtneming van de SDG’s en in een poging om deze te verwezenlijken; wijst in dit verband op de multidimensionale invloed van het regime van Poetin op het Afrikaanse continent en op de steun die het regime van het Afrikaanse continent krijgt, en roept de EU en haar lidstaten op zich op deze Afrikaanse partnerlanden te richten en betrouwbare partnerschappen tot stand te brengen; verzoekt de Commissie maatschappelijke organisaties en ngo’s, met inbegrip van lokale organisaties, te betrekken bij de totstandbrenging en uitvoering van deze partnerschappen; onderstreept dat een voorwaarde voor de door de EFAD gefinancierde partnerschapsprojecten is om te zorgen voor ontwikkeling en financiële additionaliteit, alsook voor de eigen inbreng van het land en de doeltreffendheid van de ontwikkeling; pleit voor EU-beleid en -initiatieven ter ondersteuning van de coördinatie en samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van ontwikkelingsbeleid, en voor acties van de EU die de initiatieven van de lidstaten aanvullen en ondersteunen; benadrukt het feit dat de uitbanning van armoede (SDG 1), het bevorderen van een goede gezondheid en welzijn (SDG 3), het waarborgen van toegang tot hoogwaardig onderwijs voor iedereen (SDG 4), het verminderen van ongelijkheden (SDG 10) en het bevorderen van klimaatactie (SDG 13), met bijzondere aandacht voor de meest gemarginaliseerde groepen en zonder iemand aan zijn lot over te laten, bijzonder acute uitdagingen zijn in de wereld van vandaag; dringt er voorts op aan dat er meer actie wordt ondernomen om te voorzien in de investeringsbehoeften voor duurzame oceaanindustrieën, aangezien SDG 14 inzake het onderwaterleven een van de meest ondergefinancierde SDG’s blijft;

4.  onderstreept het feit dat er een onderling verband bestaat tussen humanitaire hulp, ontwikkelingssamenwerking en vrede; benadrukt het feit dat ontwikkeling een rol speelt bij het voorkomen van conflicten, het waarborgen van duurzame uitwegen uit conflicten en het versterken van crisisbeheer; benadrukt het feit dat het belangrijk is te zorgen voor de verdere ontwikkeling van een op maat gesneden drievoudige koppeling, gericht op een mensgericht, structureel en duurzaam herstel op lange termijn, om de complexiteit van langdurige en voorspelbare crises en gewelddadige situaties aan te pakken; herinnert eraan dat er zonder vrede en veiligheid geen ontwikkeling en uitbanning van armoede mogelijk is, terwijl er zonder ontwikkeling en uitbanning van armoede geen duurzame vrede of menselijke of nationale veiligheid gerealiseerd kan worden; merkt voorts op dat een gebrek aan veiligheid de reeds bestaande kwetsbaarheden in ontwikkelingslanden verergert en de financieringskloof voor de verwezenlijking van de SDG’s vergroot; neemt kennis van het feit dat veiligheid, de rechtsstaat en veerkrachtige instellingen essentieel zijn voor investeringen en duurzame ontwikkeling; neemt kennis van de activiteiten van lokale belanghebbenden, waaronder lokale overheidsinstanties, maatschappelijke organisaties, sociale partners en confessionele organisaties op het gebied van conflictoplossing en -beheer, die bijdragen tot vrede en veiligheid; herinnert eraan dat officiële ontwikkelingshulp altijd moet worden gebruikt in overeenstemming met internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen en het NDICI — Europa in de wereld;

5.  benadrukt de rol van een collectieve, coherente EU-aanpak, ondersteund en gesteund door alle EU-lidstaten, die politiek gewiekst is en afgestemd op de specifieke kenmerken van het partnerland, en die doeltreffend kan zijn bij het bevorderen van de uitbreiding van socialebeschermingsstelsels die in overeenstemming zijn met de relevante IAO-verdragen, en van essentiële openbare diensten in ontwikkelingslanden; wijst erop dat een dergelijke EU-aanpak zou helpen om sociale bescherming tot een van de fundamenten van het sociaal contract te maken, zodat de weg wordt vrijgemaakt voor een grotere veerkracht; is van mening dat gemengde financiering binnen het instrumentarium voor ontwikkelingsfinanciering een mogelijke aanvulling kan zijn op overheidsinvesteringen in een context van budgettaire beperkingen; dringt erop aan dat de blendingactiviteiten worden beperkt tot gebieden waar zij waarde kunnen toevoegen aan de lokale economie, en dringt in deze context aan op een zorgvuldige beoordeling, met name wanneer de activiteiten gericht zijn op de minst ontwikkelde landen, teneinde de schuldenlast te beperken, essentiële openbare diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs en sociale bescherming te waarborgen en de bestaande ongelijkheden niet te vergroten;

6.  onderstreept het feit dat consistentie tussen alle beleidsmaatregelen, strategieën, initiatieven en financieringsinstrumenten van de EU, met name het nieuwe instrument NDICI – Europa in de wereld, het Team Europa-initiatief en de nieuwe Global Gateway-strategie, alsook nauwe afstemming op de strategie van de EU voor PCD en beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling (Policy Coherence for Sustainable Development, PCSD) van cruciaal belang zijn om de mondiale respons van de EU op duurzame groei, ontwikkeling en vrede te maximaliseren; is van mening dat de EFAD de zichtbaarheid van de EU moet vergroten en de impact van haar ontwikkelingsfinanciering in de wereld moet verbeteren, om ervoor te zorgen dat de waargenomen rol van de EU in de wereld overeenkomt met de omvang van haar steun;

7.  is verontrust over de wijze waarop de COVID-19-pandemie de reeds lang bestaande structurele oorzaken van ongelijkheden op gezondheidsgebied aan het licht heeft gebracht; is van mening dat de EFAD moet bijdragen tot investeringen in veerkrachtige volksgezondheidsstelsels, gezondheidszorg en gezondheidsdiensten, en in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe gezondheidstechnologieën, alsook van vaccins en behandelingen, en gericht moet zijn op ziekten die zich in ontwikkelingslanden voordoen; dringt erop aan de mogelijkheid te onderzoeken om een platform op te zetten voor het delen van innovatie, onderwijs en opleiding, kennis en deskundigheid, dat partnerschappen met meerdere belanghebbenden zou ondersteunen, de publiek-private dialoog zou bevorderen en innovatieve zakelijke oplossingen zou verkennen om duurzame ontwikkeling te versnellen; onderstreept de rol van publieke en private investeringen en publiek-private partnerschappen, alsook het belangrijke karakter van het aantrekken van binnenlandse middelen in de partnerlanden en een efficiënter gebruik van de EU-financiering bij het dichten van de financieringskloof van 2,5 biljoen USD die is vastgesteld voor de verwezenlijking van de SDG’s uiterlijk in 2030, terwijl goed bestuur moet worden versterkt en corruptie moet worden bestreden;

Uitdagingen

8.  onderstreept het feit dat ontwikkelingslanden en geïndustrialiseerde landen een gedeelde verantwoordelijkheid hebben om de SDG's te verwezenlijken; benadrukt het feit dat de financiële bijdrage van de EU aan duurzame ontwikkeling in partnerlanden de partnerlanden in staat moet stellen bij te dragen aan hun eigen economische en sociale ontwikkeling en aan de verwezenlijking van de SDG’s; onderstreept het cruciale belang van binnenlandse inbreng in dit verband; benadrukt het feit dat de EFAD en de langverwachte SDG-strategie van de EU een gecoördineerde en samenhangende reeks interne en externe beleidsmaatregelen en toezeggingen van de EU moeten weerspiegelen en faciliteren, onder meer door de reeks bestaande beleidsinstrumenten op het gebied van ontwikkeling; onderstreept het feit dat publieke en private financiering moet worden afgestemd op de doelstellingen van de SDG’s en de Overeenkomst van Parijs; betreurt in dit verband het feit dat de Commissie nog geen geïntegreerde, holistische strategie voor de uitvoering van de SDG’s heeft ontwikkeld, die een grote uitdaging vormt met betrekking tot de ambitie om te zorgen voor beleidscoherentie, vanwege het gebrek aan duidelijke, meetbare en tijdgebonden doelstellingen voor de hele EU met betrekking tot alle SDG’s, wij wijze van rapportagebenchmark;

9.  is van mening dat de EFAD gebaseerd moet zijn op de deskundigheid en bestaande netwerken van al haar verschillende actoren (d.w.z. de EIB, de EBWO, de Europese instellingen voor ontwikkelingsfinanciering (European Development Finance Institutions, DFI’s) en andere); erkent dat er sinds de conclusies van de Raad vooruitgang is geboekt en verbeteringen zijn aangebracht met betrekking tot de toekomstige EFAD, maar merkt op dat de huidige status quo nog steeds wordt gekenmerkt door een gebrek aan politieke sturing en coördinatie, en door versnippering, overlapping en nutteloze concurrentie tussen bovengenoemde actoren; dringt aan op verdere inspanningen voor betere coördinatie en samenwerking, om het huidige systeem effectiever en coöperatiever te maken en om ervoor te zorgen dat het meer gericht is op een optimaal gebruik van middelen waarbij de relevante geografische, sectorale en financiële expertise van de belangrijkste partners wordt benut teneinde te zorgen voor een beter rendement op het geld van de belastingbetalers in de EU en een sterker effect op de ontwikkeling;

10.  erkent het feit dat de institutionele structuur van de EU moet worden versterkt en verbeterd, en dat haar doeltreffendheidsmanco op ontwikkelingsgebied moet worden aangepakt, om de zware bureaucratische coördinatie te verminderen en de institutionele flexibiliteit te versterken teneinde het potentieel van de EFAD te maximaliseren en het ontwikkelingseffect ervan te vergroten;

11.  verzoekt de Commissie te werken aan de doeltreffende governance van de Global Gateway-strategie, die moet worden bevorderd onder de algemene leiding van de voorzitter van de Commissie, en verzoekt haar in verband hiermee nauw samen te werken met de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EDEO, de Raad en het Parlement; onderstreept het feit dat de strategie in overeenstemming moet zijn met de EFAD en dat een beroep op de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten van het NDICI – Europa in de wereld voor financiering niet passend is; dringt er bij de Commissie op aan aanvullende informatie te verstrekken over haar berekening van de hefboomratio voor investeringsverrichtingen van de onlangs aangekondigde Global Gateway van de EU;

12.  maakt zich zorgen over het feit dat de belangrijkste kenmerken van het PCSD-beginsel systematisch ontbreken in regelgevingsinitiatieven van de EU; benadrukt het feit dat er meer inspanningen nodig zijn om de PCSD-beginselen volledig na te leven, teneinde de doelstellingen inzake doeltreffendheid van de hulp te verwezenlijken; dringt erop aan dat mechanismen voor het waarborgen van PCSD in de EFAD worden verankerd; dringt aan op meer effectbeoordelingen vooraf en op de invoering van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor beleidsincoherenties bij EU-delegaties; beveelt aan dat PCSD systematischer en efficiënter wordt gebruikt door alle relevante EU-instellingen en lidstaten, ook op het hoogste politieke niveau, en moet worden geïntegreerd in het ontwerp en de uitvoering van alle soorten EU-beleid, om ervoor te zorgen dat beleidsmaatregelen geen negatieve gevolgen hebben voor de verwezenlijking van de SDG’s; herinnert eraan dat de PCSD-mechanismen ook ten uitvoer moeten worden gelegd door de EIB, de EBWO, de DFI’s en hun tussenpersonen; benadrukt dat PCSD met name moet worden geïntegreerd in het externe beleid van de EU en moet worden aangepakt met het oog op de verwezenlijking van de SDG’s;

13.  erkent de inspanningen van de Commissie op het gebied van betere regelgeving met het oog op het creëren van duurzame langetermijninvesteringen die de gezondheid en het welzijn bevorderen zowel van de mens als van de planeet en die de mensenrechten beschermen; eist dat de EFAD in overeenstemming is met de toekomstige EU-wetgeving inzake zorgvuldigheidseisen en maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat bedrijven de mensenrechtennormen en de ontwikkelingen op regelgevingsgebied naleven, dat zorgvuldigheid verplicht gesteld is en dat de internationale verplichtingen op het gebied van bedrijfsleven en mensenrechten worden nagekomen; onderstreept dat de EFAD moet voldoen aan de strengste normen op het gebied van transparantie en aflegging van verantwoording; verzoekt de EFAD-leden de zorgvuldigheid van hun activiteiten te versterken, te zorgen voor betekenisvolle raadpleging van de lokale bevolking tijdens de hele uitvoering van de projecten, hun ontwikkelingsexpertise en specifieke capaciteit en personele middelen op het terrein verder te ontwikkelen, gendermainstreaming toe te passen en de mensenrechten in alle operaties te beschermen, te beschikken over solide verantwoordingsmechanismen voor getroffen gemeenschappen en de tekortkomingen in verband met hun betrokkenheid en de rol van hun tussenpersonen bij projecten die negatieve gevolgen hebben gehad voor de lokale bevolking in ontwikkelingslanden nauwlettend te volgen en daarover verslag uit te brengen;

14.  bevestigt nogmaals dat alle uitvoerende partners en financiële intermediairs die betrokken zijn bij projecten die verband houden met EU-garanties of uit de EU-begroting worden gefinancierd, volledig moeten voldoen aan de normen, beleidsmaatregelen, regels en procedures van de EU op sociaal gebied en op het gebied van milieu, belastingen, transparantie, fraudebestrijding en corruptiebestrijding; verzoekt de Europese Rekenkamer volledig toezicht te houden op en regelmatig verslag uit te brengen over verrichtingen die worden ondersteund door garanties uit de EU-begroting, en eventuele tekortkomingen in haar werkmethoden die haar momenteel beletten dat te doen, aan te pakken; onderstreept dat het van belang is tijdig een onafhankelijke evaluatie uit te voeren van het EFDO+ en de Team Europa-aanpak om de doeltreffendheid, de prestaties en het ontwikkelingseffect ervan te beoordelen;

15.  merkt op dat de Team Europa-aanpak is ontstaan als reactie op de COVID-19-pandemie; is van mening dat de Team Europa-aanpak een sleutelrol toekomt bij de verdere verbetering van de strategische samenwerking, de wereldwijde coördinatie en de samenhang en doeltreffendheid van de ontwikkelingsinspanningen, met name op het niveau van de partnerlanden alsook op dat van de EU en de lidstaten, waaronder dat van de regionale overheden; verwacht een sterkere beleidskoers en -focus en sterkere mechanismen voor communicatie en zichtbaarheid met betrekking tot het EFDO+/NDICI – Europa in de wereld; dringt voorts aan op een correcte uitvoering van het controlemechanisme van het Europees Parlement om de activiteiten van Team Europa democratische legitimiteit te verschaffen;

16.  verzoekt de Commissie een krachtige EU-beleidskoers op het gebied van ontwikkelingssamenwerking voor te stellen en de EFAD zodanig te coördineren, dat de activiteiten van de Europese instellingen voor ontwikkelingsfinanciering verder kunnen worden afgestemd in het kader van de nieuwe open, coöperatieve, transparante en inclusieve architectuur om de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de EU te verwezenlijken, de nauwe partnerschappen met regio’s te versterken en bij te dragen aan hun verdere ontwikkeling;

17.  benadrukt dat het programmeringsproces van het NDICI – Europa in de wereld de mogelijkheid biedt om het gebruik van EU-begrotingsgaranties, met name het EFDO+, te versterken; onderstreept dat de toekomstige financiële architectuur alle geïnteresseerde actoren op het gebied van ontwikkelingsfinanciering in staat moet stellen deel te nemen, met inbegrip van kleine en middelgrote actoren en ontwikkelingsbanken en belanghebbenden van buiten de EU; dringt in verband hiermee aan op een solide gelijk speelveld met betrekking tot de governance van het EFDO+ en de toegang tot EU-middelen; onderstreept het belang van een adequaat kader voor risicobeheer en van een doeltreffend beheer van en toezicht op de uitvoering van instrumenten voor ontwikkelingsfinanciering; verzoekt de Commissie haar bestaande middelen op het gebied van bankexpertise en haar financiële en technische capaciteiten doeltreffender te gebruiken;

18.  is ingenomen met de publicatie van de eerste routekaart van de Commissie voor een verbeterde Europese financiële architectuur voor ontwikkeling en van het voortgangsverslag 2021; herinnert eraan dat het NDICI – Europa in de wereld vereist dat de Commissie de Raad en het Parlement in kennis stelt van de samenstelling, het mandaat en het reglement van orde van de technische evaluatiegroep en dat zij de onpartijdigheid en de afwezigheid van belangenconflicten van de leden daarvan waarborgt; dringt er bij de Commissie op aan soortgelijke maatregelen te nemen ter waarborging van de transparantie en onpartijdigheid van de deskundigengroep op hoog niveau die de Commissie aanbevelingen zal doen over het verder versnellen van de stroom van particulier kapitaal naar lage- en middeninkomenslanden;

19.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat met de EFAD ernaar wordt gestreefd om het multilaterale systeem voor ontwikkelingsfinanciering te herstellen om zo een einde te helpen maken aan de onhoudbare kredietverleningspraktijken van sommige landen die buiten dat systeem actief zijn, daar zulke praktijken niet alleen een bedreiging vormen voor het gelijke speelveld voor de EU en andere landen die zich aan de regels houden, maar ook de toch al hoge externe schuld van veel ontwikkelingslanden, die nog kwetsbaarder zijn geworden als gevolg van de COVID-19-pandemie, drastisch doen toenemen; benadrukt tegen deze achtergrond dat de militaire agressie van Rusland in Oekraïne de schuldenlast in veel ontwikkelingslanden verder doet verslechteren; benadrukt dat de minst ontwikkelde landen niet in staat zijn de SDG’s zonder financiële steun uit te voeren, en dringt daarom met klem aan op schuldverlichtingsmaatregelen die in overeenstemming zijn met de toezeggingen op het gebied van duurzaamheid;

20.  is van mening dat de EU-taxonomie moet bijdragen tot de heroriëntering van kapitaalstromen naar duurzame investeringen en duurzaamheid moet opnemen als een van de criteria waarmee rekening moet worden gehouden bij risicobeheer; verzoekt de Commissie de EU-taxonomie verder te ontwikkelen en instellingen voor ontwikkelingsfinanciering, zowel op het niveau van de EU als van de lidstaten, alsook particuliere actoren die actief zijn op het gebied van ontwikkeling, aan te moedigen hun activiteiten, met name die in ontwikkelingslanden, af te stemmen op de SDG-doelstellingen en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

Europese en nationale financiële instellingen

21.  bevestigt opnieuw de specifieke rol van de EIB binnen de EU en wereldwijd, zoals die is vastgelegd in artikel 209 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in artikel 36 van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld; wijst op de belangrijke rol van de EIB bij het doen van EU-investeringen en het aangaan van partnerschappen met de Commissie bij de uitvoering van de Global Gateway-strategie;

22.  erkent de centrale rol van de EIB in de Europese Green Deal en de duurzame blauwe economie, en haar substantiële bijdrage aan de economische respons van de EU op de COVID-19-pandemie; dringt er bij de EU op aan het potentieel van de EIB verder te maximaliseren als een instrument om de strategische autonomie van de EU te versterken en haar belangen en prioriteiten op het gebied van het externe beleid in haar betrekkingen met derde landen te bevorderen; roept de EIB op haar beleid en praktijken alsook haar transparantie te verbeteren, met name door uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Europese Ombudsman, zoals uiteengezet in de zaken 1065/2020/PB, 1251/2020/PB en 1252/2020/PB, om “verschillende transparantiemaatregelen te nemen zodat het publiek beter ziet wat de potentiële milieueffecten zijn van de met zijn geld gefinancierde projecten”;

23.  is ingenomen met de oprichting van EIB Global, die door de EIB wordt omschreven als een speciale ontwikkelingstak binnen de EIB-groep en die sinds 1 januari 2022 actief is; verzoekt de EIB haar aanwezigheid ter plaatse te versterken en tegelijkertijd mogelijke synergieën met de EDEO, EU-delegaties, EBWO en andere Europese instellingen voor ontwikkelingsfinanciering te benutten; wijst erop dat het gebrek aan informatie over de wijze waarop EIB Global wordt gefinancierd, haar mandaat van meet af aan in gevaar brengt, mede gezien de toezeggingen van deze nieuwe entiteit op het gebied van ontwikkelingsdoelstellingen; dringt daarom aan op een concreet en sterk ontwikkelingsmandaat voor de nieuwe EIB Global; verwacht volledige transparantie van deze nieuwe structuur en haar adviesraad, haar doelstellingen en begrotingsbepalingen, haar organisatorisch functioneren en specifieke doelstellingen alsook van haar mechanismen voor de coördinatie met andere instellingen voor ontwikkelingsfinanciering, onder meer doordat ze proactief documenten publiceert en zorgt voor een significante vertegenwoordiging van de ontvangende landen, regelmatige uitwisselingen met het Europees Parlement en een open dialoog met belanghebbenden, met name maatschappelijke organisaties en lokale actoren;

24.  moedigt de EIB aan zich actief te blijven inzetten voor de ontwikkeling van planning, monitoring en evaluatie op landenniveau, samen met de EU-delegaties en door middel van medefinanciering met instellingen voor ontwikkelingsfinanciering; dringt aan op een betere coördinatie tussen de Commissie en de EDEO en EU-delegaties om discussies en samenwerking met relevante actoren in het veld te vergemakkelijken en zo na te gaan welke projecten het beste beantwoorden aan de doelstellingen inzake doeltreffende ontwikkelingshulp;

25.  moedigt de EIB en de EBWO aan hun complementariteit en hun bedrijfsmodellen verder te versterken door middel van meer initiatieven op het gebied van wederzijds vertrouwen, aangezien de behoeften groter zijn dan hun gezamenlijke middelen; verzoekt de EIB en de EBWO hun werkzaamheden langs verschillende trajecten te coördineren en helderheid te scheppen over hun taakverdeling, teneinde elke bank te helpen zich te richten op haar respectieve kerncompetenties en daarbij dubbel werk en onderbieding te voorkomen; merkt op dat de werkmethoden en instrumenten van de EIB en de EBWO moeten worden aangepast aan de investeringsbehoeften in Afrika, met name om grootschalige investeringen te vergemakkelijken en tegelijkertijd de EU-steun voor kleinere lokale projecten te behouden; acht het van groot belang dat de EU niet alleen investeert, maar ook zichtbaar aanwezig is, en dat er een permanente politieke dialoog wordt gevoerd; merkt op dat de EFAD de voordelen van de verschillende structurele achtergronden en werkmethoden van de bestaande Europese ontwikkelingsbanken en financiële instellingen optimaal moet benutten om de bijdrage van de EU aan duurzame ontwikkeling efficiënter te maken; verwacht dat de EIB, de EBWO en andere Europese DFI’s ervoor zorgen en, middels effectbeoordelingen vooraf, bewijzen dat elk project, en met name projecten voor gemengde financiering, bijdraagt tot het realiseren van de ontwikkelingsdoelstellingen van de EU, waaronder die voor de minst ontwikkelde landen, en voldoet aan de internationale mensenrechtennormen; verzoekt de Commissie, de EIB, de EBWO en de Europese DFI’s ervoor te zorgen dat hun teams die advies en technische bijstand verstrekken, zijn toegerust om gendergelijkheid en inclusieve ontwikkeling verder te bevorderen;

26.  roept de Commissie, de lidstaten, de EIB, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en de andere Europese ontwikkelingsbanken en financiële instellingen, waaronder ook kleinere DFI’s, op om nauwer samen te werken, met name in het kader van het NDICI – Europa in de wereld en de doelstellingen daarvan, maar ook bij de wereldwijde inspanningen ter verwezenlijking van de Agenda 2030-doelstellingen, en om de partijen aan te sporen om middelen en financiën te bundelen en de coördinatie en communicatie bij gemeenschappelijke projecten te verbeteren door gebruik te maken van hun respectieve financiële expertise; verzoekt de Commissie een grotere rol te spelen bij het verlenen van technische bijstand voor projecten en bij het ondersteunen van DFI’s en andere ontwikkelingsactoren op het gebied van coördinatie; dringt aan op een inclusieve benadering van de kleinere DFI’s in de lidstaten bij het waarborgen van toegang tot financiering in het kader van de EU-structuur voor ontwikkelingsfinanciering;

27.  onderstreept dat er efficiënter gebruik moet worden gemaakt van synergieën en dat de financieringsinitiatieven van de EBWO, de EIB en andere DFI’s die gericht zijn op landen van het Europees nabuurschap, met bijzondere aandacht voor kandidaat-lidstaten van de EU, beter op elkaar moeten worden afgestemd; wijst er tegen de achtergrond van de oorlog die momenteel in Oekraïne woedt op dat Europese financiering in nabuurschapslanden en kandidaat-lidstaten een onmisbaar onderdeel is van de hervormingen die nodig zijn om aan de toetredingscriteria te voldoen, en strookt met de belangen van de EU op het gebied van buitenlands beleid;

28.  verzoekt de EIB nauwer samen te werken met de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en na te gaan wat de voordelen zijn van de oprichting van een gemeenschappelijke dochteronderneming na de tenuitvoerlegging van het lopende actieplan voor het partnerschap tussen de EIB en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank; verzoekt de EIB aan het Parlement verslag uit te brengen over de vervolgstappen die zijn genomen; benadrukt dat langetermijninvesteringen ter bevordering van duurzame ontwikkeling moeten worden gefinancierd en dat moet worden voortgebouwd op de samenwerking tot dusver, zodat er verdere mogelijkheden voor duurzame ontwikkeling voor het Afrikaanse continent kunnen worden gecreëerd; moedigt de oprichting van project- en advieshubs onder gezamenlijk beheer van de EIB en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank aan, zodat er doeltreffende contactpunten ontstaan waar lokale actoren terecht kunnen voor advies en het opstarten van projecten, er beter kan worden ingespeeld op de ontwikkelingsbehoeften ter plaatse en de lokale betrokkenheid bij gemeenschappelijke ontwikkelingsprojecten kan worden verbeterd; dringt in dit verband aan op steun voor de ontwikkeling van de lokale particuliere sector in Afrika, met name door meer middelen aan Afrikaanse micro-, kleine en middelgrote ondernemingen te verstrekken;

29.  benadrukt daarbij dat lokale inbreng en een op samenwerking gebaseerde, inclusieve aanpak nodig zijn en dat die, voor een blijvend effect op de ontwikkeling, moeten worden geschraagd door een sterk kader voor systematische lokale raadplegingen van belanghebbenden en begunstigden; verzoekt de Commissie na te gaan hoe het kader voor systematische lokale raadplegingen van belanghebbenden en begunstigden verder kan worden verbeterd;

30.  verzoekt de instellingen voor ontwikkelingsfinanciering van de lidstaten de financiële inclusie verder uit te breiden om de toegang tot duurzame financiering voor de meest behoeftigen, met inbegrip van vrouwen, te ondersteunen, aangezien dit bijdraagt tot hun economische empowerment; verzoekt de EFAD in dit verband bij te dragen aan de volledige uitvoering van het derde genderactieplan van de EU; herinnert eraan dat voor ten minste 85 % van de maatregelen gendergelijkheid (een van) de belangrijkste doelstelling(en) moet zijn en dat voor ten minste 5 % daarvan gendergelijkheid en de rechten van vrouwen en meisjes de hoofddoelstelling moet zijn; dringt erop aan dat bij alle EFAD-activiteiten naar geslacht uitgesplitste gegevens moeten worden verzameld en gendereffectbeoordelingen voor- en achteraf moeten worden uitgevoerd;

31.  moedigt alle ontwikkelingsbanken en -instellingen aan om, overeenkomstig de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid, met name het terugdringen van ongelijkheden en het uitbannen van armoede, duurzame toezeggingen en gedurfde investeringen te doen en minder te denken in termen van rendement van investeringen; erkent daarom het belang van het aanmoedigen van risicovollere investeringen in meer problematische ontwikkelingssituaties, zoals kwetsbare of door conflicten getroffen landen, en op terreinen die onvoldoende aandacht krijgen, zoals het klimaat, de biodiversiteit, het onderwijs en de gezondheidszorg; onderstreept tegelijkertijd dat alle daaraan verbonden risico’s voor de EU-begroting, zoals een grotere vraag naar de begrotingsgaranties van de EU, tot een minimum moeten worden beperkt en dat de EIB haar hoge kredietrating moet behouden; spoort DFI’s aan om meer risico’s te nemen in hun investeringsprogramma’s via het EFDO+, om ook de meest kwetsbare economieën te bereiken; verzoekt de Commissie in dit verband een grotere rol te spelen bij het waarborgen van meetbare en aanvullende ontwikkelingseffecten zonder de lokale markt te verstoren of op oneerlijke wijze te concurreren met lokale economische actoren, en bij het helpen ontwikkelen van de aanbodzijde van projecten door de voorbereiding van projecten te ondersteunen en DFI’s bij te staan bij de coördinatie, en ook kleinere DFI’s erbij te betrekken;

32.  erkent het belang en het potentieel van de ontwikkelingsbanken van de lidstaten in het kader van de EFAD; is echter bezorgd over de rol van tussenpersonen die partnerschappen aangaan met DFI’s, met name wat betreft meldingen van mensenrechtenschendingen; benadrukt de belangrijke rol die de ontwikkeling van de lokale particuliere sector in Sub-Saharaans Afrika kan spelen bij het stimuleren van partnerlanden om de weg naar duurzame ontwikkeling in te slaan;

33.  verzoekt de Commissie jaarlijks verslag uit te brengen over Team Europa-initiatieven (TEI’s) op basis van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren in het kader van het NDICI – Europa in de wereld, en daarbij de ingezette middelen, de ontwikkelingsplanning en -effecten, de harmonisatie en toepassing van EU-normen, het EU-integratieperspectief en de betrokkenheid van de lidstaten te evalueren; dringt erop aan dat deze verslaglegging wordt gedeeld met het Parlement en openbaar wordt gemaakt; benadrukt dat het Parlement een sleutelrol toekomt bij het toetsen van de politieke doelstellingen en de verwachte resultaten van TEI’s, zowel op algemeen als projectniveau, om ervoor te zorgen dat TEI’s naast de bestaande mechanismen ten uitvoer worden gelegd en de meerjarige indicatieve programma’s aanvullen in plaats van vervangen;

34.  herhaalt dat institutionele controle en institutioneel toezicht op EU-financiering het democratisch debat bevorderen en bijdragen tot het vergroten van de geloofwaardigheid van de EU; onderstreept in dit verband de belangrijke rol en het toezicht van het Parlement in het kader van het NDICI – Europa in de wereld; dringt aan op verplichtingen die zorgen voor de nodige zichtbaarheid van de uitvoering van de EFAD; verzoekt de Commissie om tijdig en op gepaste wijze actie te ondernemen wanneer deze verplichtingen niet worden nagekomen; verzoekt de Europese Rekenkamer geregeld verslagen op te stellen over de tenuitvoerlegging van de EFAD, die openbaar zullen worden gemaakt en moeten leiden tot beleidsaanbevelingen, onder meer over te nemen verbeteringsmaatregelen; betreurt het gebrek aan informatie aan het grote publiek over de rol van de EU bij het bieden van ondersteuning aan plaatselijke gemeenschappen, en roept op tot betere communicatie met het publiek;

35.  verzoekt de Commissie en de EFAD-instellingen de transparantie in hun aanbestedingsprocedures te bevorderen; herinnert eraan dat EU-bedrijven op voet van gelijkheid moeten kunnen concurreren met bedrijven die in derde landen zijn gevestigd;

36.  onderstreept het feit dat het tijdig verkrijgen van relevante, consistente en vergelijkbare informatie van essentieel belang is om de vooruitgang en de feitelijke resultaten te meten en om te bepalen of de EU-ontwikkelingsfinanciering doeltreffend is geweest en andere financiering heeft aangevuld; betreurt het ontbreken van een uniform kader voor verslaglegging en resultaatmeting met vergelijkbare indicatoren voor het EFDO+; moedigt de Commissie aan een dergelijk kader te ontwikkelen zodat het resultaatbeheer kan worden geharmoniseerd; verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van de inhoud en tenuitvoerlegging van dit kader;

37.  kijkt uit naar het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over de programmering van ontwikkelingshulp, waarin wordt beoordeeld of de ontwikkelingshulp van de EU voor 2021-2027 is toegewezen volgens een duidelijk omschreven strategie; benadrukt dat het belangrijk is de additionaliteit van gemengde financiering te beoordelen om te bepalen of met deze instrumenten op doeltreffende wijze ontwikkelingsresultaten en op EU-waarden gebaseerde beleidsdoelstellingen kunnen worden behaald; verzoekt de Europese Rekenkamer te overwegen een dergelijke beoordeling te verrichten;

Financiële middelen voor ontwikkeling

38.  dringt erop aan dat de lidstaten hun toezegging nakomen om 0,7 % van hun bruto nationaal inkomen (bni) uit te geven aan officiële ontwikkelingshulp; is verontrust over het feit dat de geavanceerde economieën in 2020 gemiddeld slechts 0,32 % van hun bni uitgaven aan officiële ontwikkelingshulp, hetgeen minder dan de helft is van de toegezegde 0,7 %, die slechts door vier lidstaten werd gehaald; benadrukt dat vanwege de gevolgen van de Russische militaire agressie in Oekraïne voor de overheidsuitgaven wereldwijd de toch al lage begrotingen voor ontwikkelingshulp nog meer onder druk zullen komen te staan; merkt op dat de lidstaten die na 2002 tot de EU zijn toegetreden, hebben toegezegd ernaar te streven hun officiële ontwikkelingshulp/bni te verhogen tot 0,33 %; is ingenomen met de inspanningen die deze en andere lidstaten tot dusver hebben geleverd om hun uitgaven voor officiële ontwikkelingshulp geleidelijk op te schalen; moedigt deze landen aan verder te gaan op de ingeslagen weg; benadrukt dat officiële ontwikkelingshulp een cruciale rol speelt als katalysator voor verandering en als hefboom voor de mobilisering van andere middelen; is van mening dat de EU ernaar moet streven haar positie als wereldleider op het gebied van officiële ontwikkelingshulp te handhaven; herinnert eraan dat ten minste 93 % van de uitgaven in het kader van het NDICI – Europa in de wereld moet voldoen aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp;

39.  benadrukt het belang van de toezegging van de EU om middelen vrij te maken voor klimaatactie, en van de rol van de EIB en andere EFAD-leden bij het boeken van vooruitgang op dit gebied; neemt kennis van de toezeggingen van de Raad om de EFAD te richten op de verwezenlijking van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, de SDG’s en de Overeenkomst van Parijs, teneinde de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C; herinnert aan de doelstelling van het NDICI – Europa in de wereld om in totaal 30 % van de uitgaven te besteden aan het klimaat en aan de doelstelling om uiterlijk in 2024 7,5 % van het bbp aan biodiversiteit uit te geven, zoals vastgelegd in het MFK; betreurt het dat de Commissie in haar routekaart geen specifiekere toezeggingen heeft gedaan met betrekking tot de doelstellingen van het klimaatbeleid, en verwacht dat dit in een toekomstig programmeringsdocument wordt rechtgezet; dringt aan op de uitbanning van alle activiteiten ter financiering van sectoren die bijdragen aan de klimaatcrisis, met name de fossielebrandstoffenindustrie; erkent dat de EFAD open moet staan voor alle regio’s en partnerlanden, ofschoon een aanzienlijk deel van de investeringen naar de Westelijke Balkan en de landen van het oostelijk en zuidelijk nabuurschap gaat;

40.  erkent de rol van plaatselijke micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, coöperaties, inclusieve bedrijfsmodellen en onderzoeksinstellingen als katalysatoren voor groei, werkgelegenheid en plaatselijke innovatie, die op hun beurt zullen bijdragen tot het verwezenlijken van de SDG’s; benadrukt dat de toegang tot financiering moet worden vereenvoudigd, de inclusiviteit moet worden versterkt en kleinere actoren moeten worden ondersteund, onder meer door de toegankelijkheid van relevante openbaar beschikbare gegevens te verbeteren; onderstreept dat lokale kmo’s daarom gemakkelijk toegang moeten krijgen tot financiële diensten in het kader van de EFAD; merkt op dat in het EU-beleid de samenwerking tussen bedrijven en ondernemingen, met name kmo’s, moet worden aangemoedigd, zodat ze een actieve rol kunnen spelen in initiatieven die bijdragen tot duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden;

41.  verzoekt de Commissie in het kader van het NDICI – Europa in de wereld een link te leggen tussen mogelijke activiteiten ter vermindering van risico’s en financiële steun voor de toegang tot onderwijs en beroepsopleiding, met name voor het opzetten van passende infrastructuur en opleiding voor leerkrachten, om zo SDG 4 gemakkelijker te helpen verwezenlijken;

42.  wijst op het bijzondere belang van EU-investeringen op het gebied van duurzame landbouw, met inbegrip van agro-ecologische praktijken, waar particuliere en publieke investeringen ontbreken; benadrukt dat lokale en kleine landbouwbedrijven en agrarische familiebedrijven toegang moeten hebben tot financiële diensten, en met name tot microfinanciering;

43.  merkt op dat het gebrek aan markttoegang als gevolg van connectiviteitsproblemen in veel regio’s in Afrika een van de belangrijkste belemmeringen voor voedselzekerheid vormt; is van mening dat EU-investeringen op dit gebied veel effect kunnen sorteren;

44.  neemt kennis van de tweepijleroplossing voor het aanpakken van de fiscale uitdagingen die voortvloeien uit de digitalisering en de globalisering van de economie, zoals overeengekomen door de leden van het inclusief kader inzake grondslaguitholling en winstverschuiving van de OESO/G20; roept de EU en haar lidstaten op ervoor te zorgen dat het overeengekomen mondiale minimumtarief voor de vennootschapsbelasting van 15 % voor multinationale ondernemingen daadwerkelijk wordt toegepast; onderstreept dat volgens schattingen het wereldwijd minimumtarief voor de vennootschapsbelasting naar verwachting jaarlijks ongeveer 150 miljard USD aan extra belastinginkomsten zal genereren;

45.  roept de Commissie op internationale samenwerking in belastingzaken te bevorderen om belastingontduiking, illegale geldstromen en corruptie te bestrijden en zo een doelgerichte en duurzame ontwikkelingsfinanciering die bijdraagt tot het terugdringen van ongelijkheid en armoede, dichterbij te brengen;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en de Verenigde Naties.

(1) PB C 25 van 30.1.2008, blz. 1.
(2) PB C 210 van 30.6.2017, blz. 1.
(3) PB C 494 van 8.12.2021, blz. 80.
(4) PB C 132 van 24.3.2022, blz. 88.
(5) PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1.
(6) PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1.


Resultaten van de modernisering van het Verdrag inzake het Energiehandvest
PDF 149kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de resultaten van de modernisering van het Verdrag inzake het Energiehandvest (2022/2934(RSP))
P9_TA(2022)0421RC-B9-0498/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag inzake het Energiehandvest (EHV), dat in 1994 is ondertekend en in 1998 in werking is getreden,

–  gezien het in 2017 gestarte moderniseringsproces van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het voorstel van de EU daarover,

–  gezien de Overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering op 12 december 2015 in Parijs is aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

–  gezien Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”)(1),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2021/1749 van de Commissie van 28 september 2021 over “energie-efficiëntie eerst: van beginselen tot praktijk”(2) en de bijgaande richtsnoeren,

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (richtlijn hernieuwbare energie)(3),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie(4),

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name zijn advies 2/15 van 16 mei 2017 over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore(5), zijn arrest van 6 maart 2018 in zaak C-284/16 (prejudiciële beslissing over Slowaakse Republiek/Achmea BV)(6), zijn advies 1/17 van 30 april 2019 over de Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada en de EU en haar lidstaten(7), zijn arrest van 2 september 2021 in zaak C-741/19 (prejudiciële beslissing over Republiek Moldavië/Komstroy LLC)(8) en zijn arrest van 26 oktober 2021 in zaak C-109/20 (prejudiciële beslissing over Republiek Polen/PL Holdings Sàrl)(9),

–  gezien het mandaat dat in 2017 aan werkgroep III van de VN-Commissie voor internationaal handelsrecht (Uncitral) is gegeven om te werken aan een hervorming van de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS),

–  gezien het besluit van Italië om zich met ingang van 1 januari 2016 terug te trekken uit het EHV,

−  gezien het wetsontwerp inzake de opzegging van het EHV, dat op 10 augustus 2022 door de Poolse regering is aangenomen en op 25 augustus 2022 aan het Poolse parlement is voorgelegd,

−  gezien de aankondiging door de Spaanse regering van 12 oktober 2022, door de Nederlandse regering van 19 oktober 2022, door de Franse regering van 21 oktober 2022, door de Sloveense regering van 10 november 2022, door de Duitse regering van 11 november 2022 en door de Luxemburgse regering van 18 november 2022, van hun voornemen om zich uit het EHV terug te trekken,

–  gezien de Overeenkomst tot beëindiging van bilaterale investeringsverdragen tussen de lidstaten van de Europese Unie, ondertekend op 5 mei 2020(10),

−  gezien zijn meest recente resoluties, met name die van 23 juni 2022 over de toekomst van het internationale investeringsbeleid van de EU(11) en van 20 oktober 2022 over de VN-conferentie over klimaatverandering 2022 in Sharm-el-Sheikh, Egypte (COP27)(12),

−  gezien het feit dat er in de Raad geen gekwalificeerde meerderheid is voor de modernisering van het EHV als basis voor het standpunt van de EU tijdens de 33e vergadering van de Conferentie over het Energiehandvest,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 oktober 2022 inzake overeenstemming tussen de lidstaten, de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie met betrekking tot de uitlegging van het Verdrag inzake het Energiehandvest (COM(2022)0523),

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het EHV een internationale overeenkomst is; overwegende dat het verdrag in december 1994 is ondertekend en in april 1998 in werking is getreden; overwegende dat er 53 ondertekenaars en verdragsluitende partijen zijn bij het EHV, waaronder de EU, Euratom en al haar lidstaten, met uitzondering van Italië, dat zich in 2016 heeft teruggetrokken; overwegende dat de EU en haar lidstaten meer dan de helft van de stemgerechtigde leden van het EHV vertegenwoordigen;

B.  overwegende dat het oorspronkelijke doel van het EHV erin bestond een forum voor beleidssamenwerking tussen Oost en West op het gebied van energie, investeringsbescherming, handel en doorvoer te creëren; overwegende dat de bepalingen inzake investeringsbescherming van het verdrag sinds de jaren negentig niet zijn aangepast en achterhaald zijn ten opzichte van de nieuwe normen van de hervormde EU-aanpak van het investeringsbeleid; overwegende dat er tot 2018 geen pogingen zijn ondernomen om rekening te houden met de urgentie van de beperking van de klimaatverandering en de uitfasering van investeringen in fossiele brandstoffen;

C.  overwegende dat de lidstaten nog circa 1 500 bilaterale investeringsverdragen (BIT’s) hebben, die vóór het Verdrag van Lissabon zijn geratificeerd en waarin investeringen in fossiele brandstoffen nog steeds worden beschermd, het oude model voor beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS) is opgenomen en die verouderde bepalingen en mechanismen bevatten die onverenigbaar zijn met de waarden en rechtsbeginselen van de EU; overwegende dat geen van de nieuwe internationale investeringsovereenkomsten die gebaseerd zijn op een moderne aanpak waarover de EU sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon heeft onderhandeld, in werking is getreden;

D.  overwegende dat het afwenden van ernstige klimaatcrises en het beschermen van onze energiezekerheid een versnelde uitfasering van fossiele brandstoffen en een snelle overgang naar hernieuwbare energie vereist;

E.  overwegende dat de Europese Green Deal erop gericht is een antwoord te bieden op de uitdagingen van de klimaatverandering en de aantasting van het milieu; overwegende dat het hele EU-beleid, inclusief het investeringsbeleid, moet bijdragen aan deze doelstelling;

F.  overwegende dat de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering in haar verslag van 2022 over de matiging van de klimaatverandering, dat in april 2022 is gepubliceerd, het EHV als “een ernstig obstakel voor de beperking van de klimaatverandering” heeft bestempeld;

G.  overwegende dat de energietransitie een versnelling van de wereldwijde investeringen in schone energie vereist en stimulansen voor Europese energiebedrijven om in hernieuwbare energie te investeren;

H.  overwegende dat, gezien de toenemende juridische en politieke bezorgdheid over het EHV, in november 2018 een door de EU en haar lidstaten aangestuurd moderniseringsproces van start is gegaan, gericht op normen voor investeringsbescherming, de beperking van de aan fossiele brandstoffen verleende bescherming en de bevordering van duurzame ontwikkeling; overwegende dat de Conferentie over het Energiehandvest op 27 november 2018 de lijst van onderwerpen voor modernisering heeft goedgekeurd; overwegende dat de Raad de Commissie in juli 2019 een mandaat heeft gegeven om te onderhandelen over een modernisering van het EHV; overwegende dat de EU in mei 2020 een voorstel heeft ingediend voor de modernisering van het EHV; overwegende dat op 15 februari 2021 de EU bij het secretariaat van het Energiehandvest een aanvullend voorstel heeft ingediend om de kwestie van de definitie van economische activiteit in de energiesector, ook wel bekend als de uitzondering (“carve out”) voor fossiele brandstoffen, aan te pakken;

I.  overwegende dat de verdragsluitende partijen op 24 juni 2022 een beginselakkoord hebben bereikt over de modernisering van het Verdrag inzake het Energiehandvest (EHV); overwegende dat de wijzigingen van het verdrag wijzigingen van de normen voor investeringsbescherming van het EHV omvatten alsook een verwijzing naar het recht van landen om regelgevingsmaatregelen te nemen, bijvoorbeeld om redenen die verband houden met milieubescherming of klimaatactie;

J.  overwegende dat de wettekst van de definitieve overeenkomst nog niet formeel is gepubliceerd, wat niet in overeenstemming is met de mate van transparantie van andere handels- en investeringsovereenkomsten van de EU;

K.  overwegende dat Duitsland, Frankrijk, Spanje, Nederland, Polen, Slovenië en Luxemburg, die samen meer dan 70 % van de bevolking van de EU vertegenwoordigen, sinds de afronding van de onderhandelingen hun voornemen hebben aangekondigd zich uit het EHV terug te trekken; overwegende dat Italië in 2016 uit het EHV is gestapt; overwegende dat ook andere lidstaten overwegen het EHV te verlaten;

L.  overwegende dat er in de Raad geen gekwalificeerde meerderheid is voor de modernisering van het EHV, als basis voor de goedkeuring van de modernisering tijdens de Conferentie over het Energiehandvest van november 2022; overwegende dat de modernisering daardoor van de agenda van de Conferentie over het Energiehandvest is verwijderd;

M.  overwegende dat het aantal stemmen van de EU gelijk is aan het aantal EU-lidstaten dat partij is bij het EHV; overwegende dat de lidstaten hun stemrecht alleen mogen uitoefenen als de EU haar stemrecht niet uitoefent; overwegende dat de ratificatie door de EU-lidstaten die partij zijn bij het EHV moet worden uitgevoerd in overeenstemming met hun nationale ratificatievoorschriften en met de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten;

N.  overwegende dat het Parlement zijn goedkeuring zou moeten hechten aan de modernisering van het EHV voordat de EU het gemoderniseerde verdrag voorlopig zou kunnen gaan toepassen, overeenkomstig de politieke richtsnoeren van de Commissie; overwegende dat het Parlement zou moeten instemmen met de terugtrekking van de EU uit het EHV;

O.  overwegende dat een alarmerend aantal investeringsclaims betrekking heeft op milieumaatregelen; overwegende dat verschillende landen, waaronder de lidstaten, worden aangeklaagd in verband met hun klimaatbeleid of de rechtvaardige transitie; overwegende dat het EHV de meest betwiste van alle investeringsbeschermingsovereenkomsten is; overwegende dat momenteel binnen de EU meer dan 40 investeringsarbitragezaken lopen; overwegende dat op 1 juni 2022 volgens het secretariaat van het Energiehandvest ten minste 150 investeringsarbitragezaken zijn ingeleid in het kader van het EHV, waarvan een derde verband houdt met investeringen in fossiele brandstoffen en 70 % op het EHV gebaseerde investeringsarbitragezaken binnen de EU betreft;

P.  overwegende dat het EHV momenteel onverenigbaar is met de EU-Verdragen, aangezien het investeringsgerechten in staat stelt het EU-recht uit te leggen en toe te passen zonder de nodige waarborgen in te voeren die de autonomie van de EU op regelgevingsgebied in stand houden, en omdat het afbreuk doet aan de werking van de EU-instellingen overeenkomstig het constitutionele kader van de EU;

Q.  overwegende dat het HvJ-EU in zijn arrest van 6 maart 2018 in zaak C-284/16 (prejudiciële beslissing over Slowaakse Republiek/Achmea BV) heeft geoordeeld dat arbitrageclausules tussen investeerders en staten in internationale overeenkomsten tussen EU-lidstaten in strijd zijn met de EU-Verdragen en bijgevolg niet kunnen worden toegepast na de datum waarop de laatste van de partijen bij een BIT binnen de EU een EU-lidstaat is geworden; overwegende dat het HvJ-EU, met toepassing van dezelfde beginselen, in zijn arrest van 2 september 2021 in zaak C-741/19 (prejudiciële beslissing over Republiek Moldavië/Komstroy LLC) heeft geoordeeld dat artikel 26, lid 2, punt c), van het EHV aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op geschillen tussen een EU-lidstaat en een investeerder uit een andere EU-lidstaat met betrekking tot een investering van laatstgenoemde in eerstgenoemde lidstaat; overwegende dat het vaste rechtspraak is dat arresten van het HvJ-EU ex tunc van toepassing zijn; overwegende dat arbiters deze arresten van het HvJ-EU bij hun beraadslagingen hebben genegeerd;

R.  overwegende dat de EU het voortouw heeft genomen bij de hervorming van het investeringsbeleid; overwegende dat sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de EU, op aandringen en met de steun van het Parlement, een hervormd investeringsbeschermingsmodel heeft aangenomen en heeft besloten ISDS te vervangen door het stelsel van investeringsgerechten, onderhandelingen is gestart voor een multilateraal investeringsgerecht (MIC), wetgeving heeft aangenomen om buitenlandse subsidies te reguleren die de interne markt verstoren, en wetgeving heeft vastgesteld voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de EU; overwegende dat deze ontwikkelingen belangrijke stappen vormen op weg naar een gemoderniseerd en duurzaam investeringsbeleid; overwegende dat er nog veel meer moet worden gedaan om werk te maken met deze hervormingsagenda;

S.  overwegende dat de EU de lopende onderhandelingen in werkgroep III van Uncitral en de oprichting van het MIC steunt;

1.  erkent dat het EHV zwaar onder vuur is komen te liggen als een belemmering voor de overgang naar hernieuwbare energie en voor de bescherming van de energiezekerheid in de EU en haar lidstaten; is van mening dat het huidige EHV een verouderd instrument is dat niet langer het belang van de Europese Unie dient, met name voor wat betreft de doelstelling om in 2050 klimaatneutraal te zijn;

2.  is ingenomen met de inspanningen van de EU en haar lidstaten om het moderniseringsproces van het EHV te stimuleren; prijst de inspanningen van de Commissie om het EHV af te stemmen op het mandaat dat zij van de Raad heeft gekregen om het vermogen van de EU in stand te houden om overheidsbeleidsmaatregelen te ontwikkelen die in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs, de doelstellingen van de Europese Green Deal en de prioriteiten van het Europees Parlement;

3.  erkent dat er over het gemoderniseerde EHV is onderhandeld nadat de EU-lidstaten daar vanaf november 2018 sterk op hadden aandrongen; onderstreept dat voor de wijziging van het EHV eenparigheid van stemmen vereist is van alle verdragsluitende partijen die tijdens de jaarlijkse EHV-conferentie stemmen;

4.  uit nogmaals zijn bezorgdheid over het feit dat veel verdragsluitende partijen, waaronder geïndustrialiseerde landen met een hoog inkomen, de ambities van de EU om het EHV te moderniseren, de klimaatverandering te beperken, duurzame ontwikkeling te bevorderen en de energietransitie te ondersteunen, niet lijken te delen, hoewel ook zij de Overeenkomst van Parijs hebben ondertekend;

5.  beklemtoont dat de uiteindelijke tekst van het gemoderniseerde EHV elementen bevat van het onderhandelingsmandaat van de Commissie, niet aansluit op de Overeenkomst van Parijs, de klimaatwet van de EU en de doelstellingen van de Europese Green Deal, en niet in overeenstemming is met de doelstellingen van zijn resolutie van 23 juni 2022 over de toekomst van het internationale investeringsbeleid van de EU, met inbegrip van met name het onmiddellijke verbod voor investeerders in fossiele brandstoffen om verdragsluitende partijen aan te klagen voor het voeren van beleid om fossiele brandstoffen uit te faseren in overeenstemming met hun internationale verplichtingen, de aanzienlijke verkorting van de termijn voor de uitfasering van de bescherming van bestaande investeringen in fossiele brandstoffen, en de afschaffing van het ISDS-mechanisme; benadrukt dat het Parlement het standpunt heeft ingenomen dat de EU en haar lidstaten investeringsbeschermingsverdragen waarin het ISDS-mechanisme is opgenomen niet zouden mogen ondertekenen of ratificeren; wijst er nogmaals op dat het MIC, indien het wordt opgericht, rechtstreeks van toepassing zou kunnen zijn op alle lopende bilaterale en multilaterale investeringsovereenkomsten – met inbegrip van het EHV – van landen die zich erbij aansluiten;

6.  is ingenomen met het voornemen van de EU en het VK om investeringen in fossiele brandstoffen van de bescherming van het EHV uit te sluiten; is ingenomen met het feit dat de meeste nieuwe investeringen in fossiele brandstoffen voor de EU en haar lidstaten vanaf 15 augustus 2023 niet meer zijn beschermd;

7.  merkt op dat het gemoderniseerde EHV-voorstel de bescherming van bestaande investeringen in fossiele brandstoffen gedurende ten minste tien jaar in stand houdt; merkt op dat het aftellen zou beginnen vanaf de inwerkingtreding van het gemoderniseerde EHV, een periode van tien jaar die op 15 augustus 2023 zou ingaan als de EU, haar lidstaten en de andere verdragsluitende partijen zouden overeenkomen de overeenkomst voorlopig toe te passen, en dat er anders pas mee zou worden begonnen na ratificatie door driekwart van de verdragsluitende partijen, waardoor de bescherming van investeringen in fossiele brandstoffen wordt verlengd tot de periode van bijna twintig jaar waarin de vervalbepaling van het EHV voorziet; merkt op dat in het gemoderniseerde EHV 2040 als einddatum is vastgesteld, wanneer alle investeringen in fossiele brandstoffen niet langer beschermd zijn voor verdragsluitende partijen die voor de uitzondering hebben gekozen; uit zijn grote bezorgdheid over het feit dat dit tijdschema in strijd is met de huidige kennis over de snelheid waarmee fossiele brandstoffen moeten worden uitgefaseerd om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 C boven het pre-industriële niveau en de klimaatdoelstellingen van de EU zal ondermijnen; herinnert eraan dat het Parlement het standpunt had ingenomen dat “het investeerders in fossiele brandstoffen in (...) [het] EHV onmiddellijk [moest worden] verboden om partijen bij een overeenkomst aan te klagen voor het voeren van beleid om fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen in overeenstemming met de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs”; merkt op dat de definitie van bestaande investeringen betrekking heeft op projecten in de verkennende fase en de mogelijke toekomstige exploitatie ervan;

8.  betreurt het feit dat in het kader van het EHV de meeste verdragsluitende partijen hebben besloten de bescherming van investeerders in fossiele brandstoffen voor onbepaalde tijd te handhaven;

9.  wijst erop dat het gemoderniseerde EHV alleen als basis voor nieuwe claims kan worden gebruikt na de volledige inwerkingtreding ervan of indien zowel de gaststaat van de investeerder als de verwerende staten het gemoderniseerde EHV voorlopig toepassen; betreurt ten zeerste het gebrek aan duidelijkheid dat deze situatie met zich meebrengt, aangezien dit leidt tot een fragmentarische tenuitvoerlegging en vertragingen, en het risico inhoudt dat de toepassing van het niet-hervormde EHV wordt verlengd;

10.  is ingenomen met de opname in het gemoderniseerde EHV van nieuwe bepalingen over de uitlegging van het verdrag, met name bepalingen inzake het recht om in het belang van legitieme doelstellingen van het overheidsbeleid regelgeving in te voeren, de dringende noodzaak om klimaatverandering doeltreffend te bestrijden, de rechten en plichten van de verdragsluitende partijen in het kader van multilaterale milieu- en arbeidsovereenkomsten, waaronder de Overeenkomst van Parijs, hun toezegging om investeringen in energie te bevorderen op een wijze die bijdraagt tot duurzame ontwikkeling en verantwoorde bedrijfsvoering; neemt kennis van de opname van een op bemiddeling gebaseerd mechanisme om geschillen in verband met duurzame ontwikkeling op te lossen;

11.  herinnert aan zijn standpunt dat de EU en haar lidstaten geen investeringsbeschermingsverdragen mogen ondertekenen of ratificeren waarin het ISDS-mechanisme is opgenomen; betreurt dat het gemoderniseerde EHV dit achterhaalde mechanisme voor geschillenbeslechting in stand heeft gehouden en benadrukt dat er aanzienlijke aanwijzingen zijn dat investeringsarbiters de intentie van de staat om de doelstellingen van hun overheidsbeleid te beschermen, negeren, met name wanneer het gaat om het uitfaseren van fossiele brandstoffen of de bescherming van het milieu;

12.  steunt de lopende onderhandelingen in werkgroep III van Uncitral, waarin de EU en haar lidstaten streven naar de oprichting van het MIC, dat het bevoegde gerechtelijke orgaan zou worden voor de beslechting van internationale investeringsgeschillen; wijst erop dat het MIC, indien het wordt opgericht, rechtstreeks van toepassing zou zijn op alle lopende bilaterale en multilaterale investeringsovereenkomsten, met inbegrip van het EHV, van landen die zich erbij aansluiten; herinnert eraan dat het MIC-systeem krachtens artikel 30, lid 3, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969 voor landen die er partij bij zijn daarom voorrang zou hebben op ISDS-mechanismen; verzoekt de Commissie de onderhandelingen van werkgroep III van Uncitral zo spoedig mogelijk met succes af te ronden;

13.  verzoekt de Commissie om in het kader van de procedures en resultaten van Uncitral uitdrukkelijk steun te verlenen aan een mechanisme waarmee staten hun instemming met ISDS in hun verdragen op efficiënte wijze kunnen intrekken of hun verdragen kunnen beëindigen;

14.  vreest dat de vervalbepaling van twintig jaar in geval van uittreding ongewijzigd blijft in de gemoderniseerde tekst en betreurt dat dit geen onderdeel was van het onderhandelingsmandaat van de EU, waardoor de landen die partij blijven bij het EHV nog steeds de mogelijkheid wordt ontnomen om het verdrag gemakkelijk te verlaten indien arbiters het vermogen van staten om regelgeving vast te stellen, blijven ondermijnen; benadrukt dat bij terugtrekking uit het EHV de vertrekkende verdragsluitende partijen worden onderworpen aan de vervalbepaling van twintig jaar van het EHV, waarbij alle bestaande investeringen die niet onder een onderlinge overeenkomst vallen, beschermd zouden blijven op grond van de regels van het niet-gemoderniseerde EHV; is echter ingenomen met het feit dat onmiddellijk na de terugtrekking de bescherming voor alle nieuwe investeringen zou eindigen; merkt op dat in het kader van een gemoderniseerd EHV de meeste nieuwe investeringen in fossiele brandstoffen vanaf 15 augustus 2023 niet langer beschermd zouden zijn;

15.  betreurt dat in het gemoderniseerde EHV niet wordt ingegaan op de kritieke kwestie van waarderingstechnieken, waardoor vergoedingen kunnen worden toegekend die veel groter zijn dan de geïnvesteerde bedragen; merkt op dat voorgestelde wijzigingen van de bepalingen inzake de toekenning van schadevergoeding weinig effect zouden hebben, aangezien arbiters het begrip “verlies” doorgaans zeer ruim interpreteren, met inbegrip van verwachte toekomstige winsten; merkt op dat deze methoden zeer controversieel zijn vanwege hun zeer ruime beoordelingsmarge en hun afhankelijkheid van zeer complexe en inherent speculatieve veronderstellingen;

16.  is ingenomen met de verduidelijking van het Hof van Justitie dat de ISDS-bepalingen in het EHV niet van toepassing zijn op geschillen binnen de EU, alsook met de opname in het gemoderniseerde EHV van het beginsel dat ISDS-bepalingen niet van toepassing zijn op leden van dezelfde regionale organisatie voor economische integratie; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over de mogelijkheid dat arbiters nog steeds kunnen beslissen om geschillen binnen de EU in behandeling te nemen en dat zaken op grond van de regels van het Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen nog steeds worden afgedwongen bij rechtbanken van andere landen; stelt met bezorgdheid vast dat het Achmea-arrest arbiters er niet van heeft weerhouden om het herhaaldelijk te blijven negeren en investeringsgeschillen binnen de EU te blijven behandelen; is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een onderlinge overeenkomst waarin wordt verduidelijkt dat het EHV en de vervalbepaling daarin niet van toepassing zijn binnen de EU, en dat nooit zijn geweest; roept alle andere lidstaten op dergelijke overeenkomsten zo spoedig mogelijk te ratificeren; verzoekt de Commissie contact op te nemen met partnerlanden en een tweede overeenkomst voor te stellen op grond waarvan partijen bij het EHV van buiten de EU die zich uit het verdrag willen terugtrekken, de vervalbepaling op basis van wederkerigheid kunnen opheffen;

17.  neemt kennis van het ontbreken van een gekwalificeerde meerderheid van EU-lidstaten die bereid zijn de modernisering van het EHV te steunen, hetgeen heeft geleid tot de mislukking van de moderniseringsinspanningen; is van mening dat noch de EU, noch haar lidstaten partij kunnen blijven bij het huidige EHV omdat dit onverenigbaar is met het EU-recht en het EU-beleid;

18.  herhaalt dat het Parlement de Commissie en de lidstaten heeft gevraagd om te beginnen met de voorbereiding van een gecoördineerde uittreding uit het EHV en van een overeenkomst die de toepassing van de vervalbepaling uitsluit tussen partijen die dit wensen; herinnert eraan dat de EU het gemoderniseerde EHV alleen kan ratificeren met de definitieve goedkeuring van het Parlement, en dat het Parlement zijn eerdere standpunten en de tekortkomingen van de modernisering in overweging zal nemen indien het wordt verzocht om goedkeuring ervan; stelt dat het Parlement de gecoördineerde terugtrekking van de EU uit het EHV zal steunen wanneer het wordt verzocht daarmee in te stemmen;

19.  is ingenomen met de aankondiging door de Poolse, de Spaanse, de Nederlandse, de Franse, de Sloveense, de Duitse en de Luxemburgse regering van hun voornemen om zich uit het EHV terug te trekken, en merkt op dat het besluit in de meeste gevallen is genomen op basis van de resultaten van het moderniseringsproces;

20.  onderstreept de noodzaak van een gecoördineerd optreden om sterker te staan in de uittredingsonderhandelingen, de negatieve effecten van de vervalbepaling te beperken en geschillen binnen de EU doeltreffend te voorkomen; dringt er bij de Commissie op aan het proces van een gecoördineerde terugtrekking van de EU uit het EHV onmiddellijk in gang te zetten en verzoekt de Raad een voorstel in die zin te ondersteunen; is van mening dat dit voor de EU de beste optie is om rechtszekerheid te bereiken en te voorkomen dat het EHV de ambities van de EU op het gebied van klimaat en energiezekerheid verder in gevaar brengt;

21.  benadrukt dat de Commissie deze gecoördineerde uittreding niet adequaat heeft voorbereid en er evenmin informatie over heeft bekendgemaakt, ondanks meerdere verzoeken van het Parlement sinds het begin van de moderniseringsonderhandelingen, als alternatief in het geval van onbevredigende resultaten of de mislukking van het moderniseringsproces;

22.  vestigt de aandacht op het gebrek aan samenhang tussen de standpunten van sommige lidstaten over het EHV en hun BIT’s, die investeringen in fossiele brandstoffen nog steeds beschermen en verouderde bepalingen bevatten die in strijd zijn met de doelstellingen en waarden van de EU;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het secretariaat van het Verdrag inzake het Energiehandvest en de regeringen van de landen die partij zijn bij het Verdrag inzake het Energiehandvest.

(1) PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1.
(2) PB L 350 van 4.10.2021, blz. 9.
(3) PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.
(4) PB L 328 van 21.12.2018, blz. 210.
(5) Advies van 16 mei 2017, EU:C:2017:376.
(6) Arrest van 6 maart 2018, Slowaakse Republiek/Achmea BV, C-284/16, EU:C:2018:158.
(7) Advies van 30 april 2019, EU:C:2019:341.
(8) Arrest van 2 september 2021, Republiek Moldavië/Komstroy LLC, C-741/19, EU:C:2021:655.
(9) Arrest van 26 oktober 2021, Republiek Polen/PL Holdings Sàrl, C-109/20, EU:C:2021:875.
(10) PB L 169 van 29.5.2020, blz. 1.
(11) Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0268.
(12) Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0373.


Beoordeling van de naleving door Hongarije van de voorwaarden inzake de rechtsstaat in het kader van de conditionaliteitsverordening en stand van zaken met betrekking tot het Hongaarse herstel- en veerkrachtplan
PDF 132kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de beoordeling van de inachtneming door Hongarije van de rechtsstatelijke voorwaarden in het kader van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat, en de stand van zaken met betrekking tot het Hongaarse herstel- en veerkrachtplan (2022/2935(RSP))
P9_TA(2022)0422B9-0511/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”),

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 7, lid 1,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien de internationale mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en de Raad van Europa,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting(1) (conditionaliteitsverordening),

–  gezien Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit(2),

–  gezien Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid(3),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 3 juni 2021 in zaak C-650/18 houdende verwerping van het beroep dat Hongarije had ingesteld tegen de resolutie van het Parlement van 12 september 2018 die de procedure voor het constateren van een duidelijk gevaar van een ernstige schending, door een lidstaat, van de waarden waarop de Europese Unie berust, in werking had gesteld(4),

–  gezien de landenhoofdstukken over Hongarije in het jaarverslag over de rechtsstaat van de Commissie, met name dat van 2021 en dat van 2022,

–  gezien de jurisprudentie van het HvJ-EU,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 15 september 2022 over het voorstel voor een besluit van de Raad houdende de constatering, overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het VEU, dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust(5), van 9 juni 2022 over de rechtsstaat en de potentiële goedkeuring van het Poolse nationaal herstel- en veerkrachtplan(6), van 5 mei 2022 over lopende hoorzittingen uit hoofde van artikel 7, lid 1, VEU met betrekking tot Polen en Hongarije(7), van 10 maart 2022 over de rechtsstaat en de gevolgen van het arrest van het HvJ(8), van 8 juli 2021 over de schending van het EU-recht en van de rechten van lhbtiq-burgers in Hongarije als gevolg van de door het Hongaarse parlement aangenomen wetswijzigingen(9), en van 10 juni 2021 over de situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie en de toepassing van Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 inzake conditionaliteit(10),

–  gezien de schriftelijke kennisgeving die de Commissie, overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de conditionaliteitsverordening, op 27 april 2022 aan de Hongaarse regering heeft toegezonden,

–  gezien de lijst van corrigerende maatregelen die de Hongaarse regering per schrijven van 22 augustus 2022 bij de Commissie heeft ingediend,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 18 september 2022 voor een uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende maatregelen ter bescherming van de Uniebegroting tegen schendingen van de beginselen van de rechtsstaat in Hongarije (COM(2022)0485),

–  gezien de notering van Hongarije in de index van de rechtsstaat 2022 van het World Justice Project (73e van 140 landen en laatste in de EU, de Europese Vrijhandelsassociatie en de regio Noord-Amerika),

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie is gegrondvest, zoals neergelegd in artikel 2 VEU en zoals weerspiegeld in het Handvest en opgenomen in internationale mensenrechtenverdragen; overwegende dat deze waarden, die de lidstaten gemeen hebben en die zij vrijelijk hebben onderschreven, het fundament vormen van de rechten die allen die in de Unie wonen genieten;

B.  overwegende dat de Commissie de in de conditionaliteitsverordening bedoelde maatregelen kan nemen wanneer inbreuken op de beginselen van de rechtsstaat de bescherming van de financiële belangen van de Unie op een directe manier aantasten of dreigen aan te tasten;

C.  overwegende dat de Commissie, overeenkomstig de conditionaliteitsverordening, op 18 september 2022 een voorstel voor begrotingsbeschermingsmaatregelen heeft voorgelegd in de vorm van een uitvoeringsbesluit van de Raad, ter bescherming van de financiële belangen van de EU tegen inbreuken op de beginselen van de rechtsstaat in Hongarije, houdende opschorting van 65 % van de kredieten voor drie programma’s in het kader van het cohesiebeleid of, indien van toepassing, van de goedkeuring van de drie programma’s, alsmede een verbod op het aangaan van juridische verbintenissen met de ‘trusts van openbaar belang’ voor programma’s die onder direct in indirect beheer worden uitgevoerd;

D.  overwegende dat de door de Hongaarse regering vastgestelde corrigerende maatregelen onvoldoende zijn om aan te tonen dat de inbreuken op de beginselen van de rechtstaat in Hongarije het goed financieel beheer van de Uniebegroting of de bescherming van de financiële belangen van de Unie niet langer aantasten of dreigen aan te tasten, en niet volstaan om het beperkte aantal tekortkomingen dat de Commissie middels het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad beoogde aan te pakken, te corrigeren, en verder overwegende dat zelfs de volledige uitvoering daarvan waarschijnlijk niet zal volstaan om de inbreuken op de rechtsstaat die het goed financieel beheer van de EU-begroting in Hongarije aantasten of dreigen aan te tasten, te corrigeren; overwegende dat de corrigerende maatregelen andere inbreuken op het beginsel van de rechtsstaat in Hongarije, die buiten het toepassingsgebied van de verordening vallen, niet corrigeren;

E.  overwegende dat Hongarije besloten heeft niet deel te nemen aan nauwere samenwerking met het oog op de instelling van het Europees Openbaar Ministerie;

1.  is ingenomen met het besluit om ten aanzien van Hongarije gebruik te maken van de conditionaliteitsverordening, zij het met een grote vertraging en met een te beperkt toepassingsgebied;

2.  is van oordeel dat de 17 maatregelen waar de Commissie en de Hongaarse regering over hebben onderhandeld onvoldoende zijn om het bestaande systemische risico voor de financiële belangen van de EU weg te nemen;

3.  verzoekt de Commissie in haar beoordeling te wijzen op het nog altijd aanwezige gevaar en erop te hameren dat corrigerende maatregelen moeten worden getroffen, als basis voor de Raad om met gekwalificeerde meerderheid goedkeuring te hechten aan het voorstel van de Commissie van 18 september 2022 voor een uitvoeringsbesluit van de Raad houdende maatregelen ter bescherming van de begroting van de Unie tegen inbreuken op de beginselen van de rechtsstaat in Hongarije;

4.  verzoekt de Raad akkoord te gaan met de door de Commissie op 18 september 2022 voorgestelde corrigerende maatregelen, overeenkomstig de conditionaliteitsverordening, en de bedoelde maatregelen pas weer in trekken wanneer het bewijs geleverd is dat niet langer sprake is van de condities die tot vaststelling van de maatregelen hebben geleid, in concreto dat de corrigerende maatregelen die de Hongaarse regering heeft genomen in de praktijk een blijvend effect hebben en, met name, dat de reeds goedgekeurde maatregelen onverminderd en ten volle worden uitgevoerd; beklemtoont dat indien deze maatregelen in de toekomst zouden worden teruggeschroefd, de Unie corrigerende financiële maatregelen moet nemen;

5.  verzoekt de Commissie onmiddellijk actie te ondernemen in het kader van de conditionaliteitsverordening met betrekking tot andere schendingen van de rechtsstaat, met name de schendingen in verband met de onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat en andere elementen die aan de orde zijn gesteld in de op 19 november 2021 door de Commissie aan Hongarije verzonden brief;

6.  betreurt dat de Hongaarse autoriteiten keer op keer misbruik maken van de unanimiteitsregel van de EU om cruciale beslissingen tegen te houden, teneinde de Commissie en de Raad te dwingen EU-middelen vrij te geven, waardoor ook het steunpakket ten belope van 18 miljard EUR voor Oekraïne en de invoering van het wereldwijde minimumtarief voor de vennootschapsbelasting vertraging oplopen; verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat dit geen gevolgen heeft voor hun besluiten in verband met faciliteit voor herstel en veerkracht (RRF) en de conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat;

7.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om ervoor te zorgen dat de eindontvangers of begunstigden van EU-middelen niet worden beroofd van deze middelen in geval van toepassing van maatregelen in het kader van het conditionaliteitsmechanisme met betrekking tot de rechtsstaat, zoals bepaald in artikel 5, leden 4 en 5, van de conditionaliteitsverordening; verzoekt de Commissie te kijken naar manieren om EU‑middelen via lokale overheden en ngo’s te verdelen indien de betrokken regering niet meewerkt om tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat te verhelpen;

8.  herinnert eraan dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit tot doel heeft herstel en veerkracht van de EU en haar lidstaten, met inbegrip van Hongarije, te stimuleren; betreurt dat middelen van de faciliteit als gevolg van acties van de Hongaarse regering nog niet ten behoeve van de inwoners en de regio’s van Hongarije, respectievelijk plaatselijke overheden en/of organisaties van het maatschappelijk middenveld kunnen worden ingezet, terwijl de overige 26 plannen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit wel al zijn goedgekeurd; stelt vast dat het gevaar bestaat van misbruik van middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en verzoekt de Commissie nogmaals het Hongaarse plan niet positief te beoordelen zolang dat land niet volledig gevolg heeft gegeven aan alle aanbevelingen met betrekking tot de rechtsstaat en alle relevante arresten van het HvJ-EU en het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft uitgevoerd; verwacht van de Commissie dat zij risico’s uitsluit dat programma’s in het kader van het cohesiebeleid bijdragen tot misbruik van EU-middelen of tot inbreuken op de rechtsstaat, alvorens de partnerschapsovereenkomsten en de cohesiebeleidsprogramma’s goed te keuren;

9.  betreurt de gebrekkige informatieverstrekking aan het Parlement over de onderhandelingen tussen de Commissie en de Hongaarse autoriteiten; verwacht van de Commissie dat zij het Parlement snel en regelmatig op de hoogte brengt van alle relevante ontwikkelingen; wijst op het belang van transparantie, ook voor de Europese burgers, inclusief de burgers van Hongarije, voor wie heel veel op het spel staat;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1.
(2) PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17.
(3) PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159.
(4) Arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C-650/18, ECLI:EU:C:2021:426.
(5) Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0324.
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0240.
(7) Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0204.
(8) PB C 347 van 9.9.2022, blz. 168.
(9) PB C 99 van 1.3.2022, blz. 218.
(10) PB C 67 van 8.2.2022, blz. 86.


Bescherming van de veehouderij en grote carnivoren in Europa
PDF 148kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de bescherming van de veehouderij en grote carnivoren in Europa (2022/2952(RSP))
P9_TA(2022)0423RC-B9-0503/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie(2),

–  gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (habitatrichtlijn)(3),

–  gezien het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (Verdrag van Bern)(4),

–  gezien het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van de Commissie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 oktober 2021 betreffende richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn (C(2021)7301),

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in vele delen van Europa een uitbreiding van het verspreidingsgebied van bepaalde grote roofdieren of een herkolonisatie door grote roofdieren plaatsvindt, met name wolven en beren, die al geruime tijd uit de gebieden in kwestie verdwenen waren, hetgeen tot conflicten leidt met menselijke activiteiten, met name extensieve begrazing door schapen en runderen; overwegende dat dit aanzienlijke kosten met zich meebrengt voor nomadische veehouders, door de predatie van hun kudden en de grote verschillen tussen de lidstaten en regio’s wat de maatregelen betreft die zij nemen, en soms niet nemen, om hun landbouwers te ondersteunen, en de overheidsmiddelen die zij beschikbaar stellen voor compensatie en aanpassing;

B.  overwegende dat wetgevingsmaatregelen, zoals de habitatrichtlijn, en internationale verdragen, zoals het Verdrag van Bern, hebben bijgedragen tot het herstel van grote carnivoren, waaronder de wolf, de bruine beer, de Euraziatische lynx en de veelvraat; overwegende dat het aantal grote carnivoren op het Europese vasteland in 2012 9 000 Euraziatische lynxen, 17 000 bruine beren, 1 250 veelvraten en 12 000 wolven bedroeg; overwegende dat de aantallen voor wolven volgens een in 2018 uitgevoerde evaluatie(5) in tien jaar tijd aanzienlijk zijn toegenomen, tot 17 000, terwijl de aantallen voor andere soorten op hetzelfde niveau zijn gebleven; overwegende dat het totale aantal wolven in de EU-27 volgens de beste beschikbare gegevens in 2022 waarschijnlijk in de orde van grootte van 19 000 zal liggen en in geografisch Europa waarschijnlijk meer dan 21 500 zal bedragen(6); overwegende dat volgens een in 2022 uitgevoerde beoordeling van de staat van instandhouding van de wolf (Canis lupus) in Europa(7), het verspreidingsgebied van de wolf in Europa in de afgelopen tien jaar met meer dan 25 % is toegenomen; overwegende dat de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) 3 van de 9 wolvenpopulaties, 3 van de 10 bruineberenpopulaties en 3 van de 11 populaties Euraziatische lynxen in Europa heeft ingedeeld als niet bedreigd (“least concern”); overwegende dat beide veelvraatpopulaties in Europa bedreigd blijven en dat de Iberische lynx nog steeds bedreigd is;

C.  overwegende dat de wolvenpopulatie het potentieel heeft om exponentieel te groeien met ongeveer 30 % per jaar;

D.  overwegende dat de negatieve gevolgen van aanvallen op vee door de groeiende wolvenpopulatie toenemen; overwegende dat wolven steeds vaker dicht in de buurt van mensen komen, met name in dichtbevolkte gebieden;

E.  overwegende dat alleen al in Oostenrijk het aantal door wolven gedode dieren in de veestapel in 2021 is gestegen met 230 %, tot 680; overwegende dat een soortgelijke ontwikkeling van het aantal aanvallen door wolven ook kan worden waargenomen in andere lidstaten, met in 2020 11 849 gedode dieren in Frankrijk, 3 959 in Duitsland, 616 in Tsjechië, 139 in België en 98 in de Italiaanse regio Zuid-Tirol;

F.  overwegende dat de snelle toename van de wolvenpopulatie en de aanvallen op vee het voor nationale bestuurders moeilijk maakt om doeltreffend en doortastend op te treden met de instrumenten waarover zij momenteel beschikken;

G.  overwegende dat landbouwers, nu zij zelf geconfronteerd worden met grote carnivoren, zich wanhopig, onbegrepen en machteloos voelen; overwegende dat bij de aanvallen door grote carnivoren al menselijke slachtoffers zijn gevallen;

H.  overwegende dat de meeste populaties van grote carnivoren in Europa grensoverschrijdend zijn; overwegende dat individuele populaties grote geografische verspreidingsgebieden kunnen bestrijken in verschillende landen, zowel binnen als buiten de EU, hetgeen leidt tot situaties waarin dezelfde populatie in één regio kan worden beschouwd als in een gunstige staat van instandhouding, terwijl zij in een aangrenzende regio kan worden aangemerkt als strikt te beschermen;

I.  overwegende dat de monitoringaanpak sterk varieert, met een inconsistente kwaliteit en kwantiteit van de gegevens over de aantallen grote carnivoren als gevolg;

J.  overwegende dat in het kader van het LIFE-programma al tal van projecten zijn gefinancierd om conflicten met in het wild levende dieren te beperken en de co-existentie met grote roofdieren voor de lange termijn te bevorderen; overwegende dat tussen 1992 en 2019 via het LIFE-programma gemiddeld 3,6 miljoen EUR per jaar is besteed aan projecten ter beperking van de schade door grote carnivoren en dat nog eens 36 miljoen EUR is toegekend voor lopende projecten die contextspecifieke begeleiding bieden met betrekking tot de doeltreffendheid van bestrijdingsmaatregelen zoals elektrische afrasteringen, actief herderschap en het gebruik van honden die het vee bewaken, in veel verschillende regio’s van de EU; overwegende dat er behoefte is aan aanvullende projecten in regio’s en met betrekking tot grote carnivoren die nog niet aan bod zijn gekomen;

K.  overwegende dat gedomesticeerde dieren, in het bijzonder dieren die grazen op weidegronden en open grasland, een grotere kans lopen om te worden aangevallen (afhankelijk van de getroffen maatregelen en de doeltreffendheid ervan) door de toenemende aanwezigheid van grote carnivoren; overwegende dat dit met name het geval is in bergachtige en dunbevolkte gebieden, waar begrazing noodzakelijk is om deze prioritaire habitat in stand te houden; overwegende dat er in sommige dichtbevolkte gebieden met weinig natuurlijke prooidieren voor grote carnivoren ook een groter risico kan bestaan voor gedomesticeerde dieren;

L.  overwegende dat de houding van het publiek tegenover grote carnivoren sterk uiteenloopt in de verschillende landen en bij de diverse belangengroepen, met name in regio’s waar grote carnivoren gedurende langere tijd afwezig zijn geweest; overwegende dat de angst voor aanvallen en het ontbreken van voldoende steun van de autoriteiten ter voorkoming van schade, ertoe kunnen leiden dat beschermde soorten op illegale wijze worden gedood;

M.  overwegende dat de schapen- en de geitensector, die het kwetsbaarst zijn voor aanvallen van grote carnivoren, om ruimere sociaal-economische redenen al tientallen jaren onder economische druk staan; overwegende dat deze kwetsbare sector door middel van extensieve begrazing een meerwaarde kan bieden voor het milieu, door bij te dragen tot de instandhouding van de biodiversiteit in open landschappen in veel gebieden met natuurlijke beperkingen of een lage vruchtbaarheid, zoals alpenweiden, en door te helpen bij de bestrijding van verschijnselen als erosie en bosbranden;

N.  overwegende dat steeds meer van traditionele alpenweiden en weidebegrazingssystemen wordt afgestapt als gevolg van de uitdagingen op milieu-, landbouw- en sociaal-economisch gebied;

O.  overwegende dat preventiemaatregelen ter voorkoming van co-existentieconflicten volgens LIFE-projecten in sommige EU-regio’s succesvolle methoden zijn om de schade door grote carnivoren te beperken; overwegende dat de doeltreffendheid van deze maatregelen evenwel kan worden beïnvloed door de geografische omstandigheden en de plaatselijke voorwaarden; overwegende dat deze maatregelen kunnen leiden tot meer werk en kosten voor de landbouwers, vooral in regio’s waar grote carnivoren terugkeren of hun gebied uitbreiden; overwegende dat preventiemaatregelen ter voorkoming van co-existentieconflicten kunnen worden gecombineerd om de doeltreffendheid te vergroten; overwegende dat de schadevergoedingen, die worden geregeld op nationaal niveau, binnen de EU verschillen en niet altijd leiden tot een volledige vergoeding van de geleden schade;

P.  overwegende dat het verlies van en de verwondingen aan gedomesticeerde dieren ten gevolge van aanvallen door grote carnivoren niet alleen economische schade toebrengen aan landbouwers en veetelers, maar ook aanzienlijke emotionele gevolgen hebben voor de eigenaren van die dieren;

Q.  overwegende dat traditionele veehouderijpraktijken met een hoge mate van bescherming van het vee tegen roofdieren, zoals het gebruik van herders, de inzet van honden die het vee bewaken en het ’s nachts op stal zetten om het grazende vee rechtstreeks en voortdurend te bewaken, in Europa eeuwenlang zijn toegepast, maar geleidelijk zijn losgelaten omdat er veel minder aanvallen door roofdieren waren; overwegende dat het in sommige regio’s moeilijk kan blijken om op grote schaal volledig terug te keren naar deze oude praktijken als gevolg van de veranderingen in landgebruik, waardoor in landbouwgebieden een meer multifunctionele aanpak wordt gevolgd, het toegenomen belang van het toerisme en de sociaal-economische druk waarmee de landbouw in de EU momenteel wordt geconfronteerd, met aanzienlijke dalingen van het aantal landbouwers en lonen die onder het gemiddelde liggen; overwegende dat innoverende oplossingen zullen moeten worden gevonden om de moderne landbouw aan de aanwezigheid van wolven aan te passen;

R.  overwegende dat een constructieve co-existentie tussen grote carnivoren en de veehouderij nodig is, waarbij enerzijds de staat van instandhouding van grote carnivoren zich gunstig kan blijven ontwikkelen en anderzijds de landbouwers de instrumenten en voldoende financiële middelen krijgen om aanvallen op landbouwhuisdieren aan te pakken en te voorkomen; overwegende dat alle beheersbeslissingen moeten worden gebaseerd op de wetenschap en op solide data, en dat er rekening bij moet worden gehouden met ecologische, sociale en economische perspectieven; overwegende dat verdere besprekingen nodig zullen zijn tussen belanghebbenden en landbouwers in gebieden waar grote carnivoren al tientallen jaren afwezig zijn, en dat verdere inspanningen nodig zullen zijn op het gebied van de uitwisseling van beste praktijken om de invoering van preventiemaatregelen te ondersteunen en toegang tot financiering te verkrijgen; overwegende dat de verhoogde aanwezigheid van grote carnivoren positieve gevolgen kan hebben voor het functioneren en de veerkracht van ecosystemen, de instandhouding van de biodiversiteit en ecologische processen, en onder meer kan bijdragen tot de regulering van populaties wilde hoefdieren; overwegende dat, met name in nationale parken, de aanwezigheid van grote carnivoren ook bijdraagt tot de recreatieve waarde van bossen en het immer toenemende natuurtoerisme;

S.  overwegende dat de Commissie in oktober 2021 nieuwe richtsnoeren heeft uitgebracht inzake de strikte bescherming van diersoorten uit hoofde van de habitatrichtlijn, waaronder wolven, om de EU-lidstaten te helpen de uitvoering van de habitatrichtlijn in de praktijk te verbeteren, en met name te zorgen voor een volledige, duidelijke en nauwkeurige omzetting van artikel 16 van de richtlijn;

1.  neemt kennis van de positieve resultaten van het biodiversiteitsbeleid met betrekking tot het herstel van grote carnivoren in de EU en wijst op de effecten van dit beleid op de werking en veerkracht van ecosystemen, het behoud van biodiversiteit en ecologische processen, alsook op de veehouderij; benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor een evenwichtige co-existentie van mensen, vee en grote carnivoren, met name in plattelandsgebieden, en benadrukt dat moet worden erkend dat veranderingen in de populatieniveaus van bepaalde soorten kunnen leiden tot een aantal ecologische, agrarische en sociaal-economische uitdagingen; erkent dat artikel 2, lid 3, van de habitatrichtlijn reeds de nodige flexibiliteit bevat om deze synergieën en wisselwerkingen effectief aan te pakken en te beheren, en geschikt wordt geacht voor het beoogde doel; merkt op dat deze flexibiliteit verder moet worden onderzocht;

2.  betreurt de gevolgen van aanvallen door grote carnivoren voor het dierenwelzijn, met inbegrip van verwondingen, abortussen, verminderde vruchtbaarheid, verlies van dieren of hele kudden en het overlijden van waakhonden, en verzoekt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om leed en schade aan vee te voorkomen;

3.  verzoekt de Commissie de vooruitgang bij het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van soorten te blijven beoordelen op basis van wetenschappelijk bewijs, teneinde de gebiedsomvang en het populatieniveau van grote carnivoren naar behoren te beoordelen en te monitoren, met inbegrip van de effecten ervan op de natuur en de biodiversiteit; benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de hoge grensoverschrijdende mobiliteit van soorten, aangezien de staat van instandhouding van verschillende populaties van dezelfde soort kan verschillen per regio; verzoekt de Commissie en de lidstaten de grensoverschrijdende samenwerking verder te intensiveren en benadrukt dat de monitoring moet worden gecoördineerd aan de hand van een geharmoniseerde methode, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met transnationale populaties en (bio-)geografische regio’s; verzoekt de Commissie middelen uit te trekken voor biodiversiteitsstudies, bijvoorbeeld in het kader van Horizon Europa, om de verspreidings- en dichtheidskaarten van grote carnivoren te actualiseren; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten voor elk van de verschillende soorten grote carnivoren passende monitoringmethoden hanteert die het mogelijk maken hoogwaardige, vergelijkbare en gestandaardiseerde gegevens te verzamelen voor een doeltreffende evaluatie van de populatieniveaus;

4.  is ingenomen met het feit dat het wijzigingsvoorstel waarbij de wolf (Canis lupus) lager zou worden ingedeeld, namelijk in aanhangsel III in plaats van in aanhangsel II van het verdrag, is opgenomen als agendapunt voor de 42e vergadering van het Permanent Comité van het Verdrag van Bern; benadrukt dat de staat van instandhouding van de wolf op pan-Europees niveau een verlaging van de beschermingsstatus rechtvaardigt, en bijgevolg de goedkeuring van de voorgestelde wijziging;

5.  erkent dat de aanvallen door grote carnivoren in heel Europa toenemen, en dat zij al menselijke slachtoffers hebben geëist en negatieve gevolgen hebben gegenereerd voor veehouders; beklemtoont dat het belangrijk is dat de lidstaten ook informatie verzamelen en verslag uitbrengen over de schade als gevolg van aanvallen door grote carnivoren; beklemtoont dat een goede monitoring van de trends op het gebied van schadegevallen voor veehouders een fundamentele voorwaarde is voor een succesvol beleid, maar dat de lidstaten gebruikmaken van verschillende toezicht- en monitoringmethoden; onderstreept het belang van gestandaardiseerde rapportageformaten en onderstreept dat dit ook moet gelden voor de monitoring van de doeltreffendheid van de programma’s voor schadebeperking, met inbegrip van compensatie en preventie; vraagt dat de monitoringresultaten en de gebruikte methode tijdig en op transparante wijze ter beschikking worden gesteld van het publiek; benadrukt dat de Commissie de gegevensverzameling moet coördineren en de analyses moet uitvoeren;

6.  benadrukt dat het belangrijk is het toezicht op de gezondheid van wilde dieren te verbeteren, met name met betrekking tot de hybridisatie tussen honden en wolven, die proactief, in een vroeg stadium, moet worden opgespoord; dringt aan op een gestandaardiseerd beleid voor het identificeren van hybriden en op een transparante aanpak, met inbegrip van een algemene grensoverschrijdende uitwisseling van DNA-stalen van wolven tussen onderzoeksinstellingen;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om regio’s die geconfronteerd worden met co-existentieconflicten te helpen, om hun duidelijk te maken hoe zij op passende en verantwoorde wijze gebruik kunnen maken van de flexibiliteit die reeds bestaat uit hoofde van artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn; neemt nota van de bijgewerkte richtsnoeren van de Commissie inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn, die op 12 oktober 2021 zijn bekendgemaakt(8); benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de Commissie is om de bestaande richtsnoeren te verduidelijken en haar richtsnoeren waar nodig te actualiseren, onder meer met betrekking tot de interpretatie van de artikelen 12 en 16, en moedigt de lidstaten aan de bestaande richtsnoeren beter te gebruiken en op doeltreffende wijze op te treden om de door grote carnivoren veroorzaakte schade te voorkomen, te beperken en te compenseren, rekening houdend met grensoverschrijdende populaties, en een doeltreffend juridisch en institutioneel kader vast te stellen om landbouwers en veehouders te helpen deze co-existentie mogelijk te maken;

8.  verzoekt de Commissie regelmatige beoordelingen uit te voeren van de wetenschappelijke gegevens om ervoor te zorgen dat de beschermingsstatus van soorten kan worden aangepast zodra de gewenste staat van instandhouding is bereikt, overeenkomstig artikel 19 van de habitatrichtlijn;

9.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan gelegenheden te organiseren waar verschillende belanghebbenden, waaronder plattelandsactoren, de effecten van grote carnivoren kunnen bespreken; dringt er bij hen op aan informatie te verstrekken over praktische oplossingen en financieringsmogelijkheden voor preventiemaatregelen in verband met aanvallen op vee, en een duidelijke bewustmakingscampagne te organiseren; onderstreept dat het belangrijk is om op EU-, nationaal en lokaal niveau platforms van belanghebbenden te ontwikkelen voor de co-existentie met grote roofdieren, zoals het EU-platform inzake de co-existentie van mensen en grote carnivoren, en om dialoog, uitwisseling van ervaringen en samenwerking te bevorderen, teneinde conflicten tussen mensen en beschermde soorten aan te pakken; verzoekt de Commissie de ontwikkeling te ondersteunen van gecoördineerde benaderingen over de grenzen tussen de lidstaten heen;

10.  verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de gevolgen van de aanwezigheid van grote carnivoren in Europa voor de levensvatbaarheid van de veehouderij, de biodiversiteit, de plattelandsgemeenschappen en het plattelandstoerisme, met inbegrip van de generatievernieuwing in de landbouw, binnen de context van de sociaal-economische factoren die van invloed zijn op de levensvatbaarheid van de veehouderij; verzoekt de Commissie en de lidstaten de gevolgen te evalueren die aanvallen van grote carnivoren hebben voor het welzijn van dieren en voor het welzijn, het inkomen en de arbeids- en materiaalkosten van landbouwers, die hierdoor kunnen stijgen, mede rekening houdend met de vraag of preventiemaatregelen zijn toegepast en met de doeltreffendheid daarvan;

11.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een degelijke en volledige beoordeling te maken van alle relevante bedreigingen en druk op elke soort grote carnivoor en zijn habitat op Europees niveau en in elke lidstaat, hetzij door natuurlijke oorzaken, hetzij door menselijk handelen; roept de lidstaten en de Commissie op ook de prioritaire verbindingszones voor populaties van grote carnivoren in kaart te brengen en de belangrijkste ecologische corridors, verspreidingsbarrières, weggedeelten met een hoge mortaliteit en andere belangrijke landschapskenmerken die verband houden met de versnipperde verspreiding van grote carnivoren, te identificeren, teneinde de versnippering van habitats te voorkomen;

12.  benadrukt dat veehouderijbedrijven in berggebieden, met name het Alpengebied, bijzonder kwetsbaar zijn voor toenemende schade door grote roofdieren; wijst erop dat bedrijven in deze gebieden vaak klein zijn en hoge bijkomende kosten dragen, en dat zij moeten worden beschermd en aangemoedigd aangezien zij kunnen bijdragen aan de instandhouding van berglandschappen en het behoud van de biodiversiteit in onherbergzame gebieden; wijst erop dat gebieden als de soortenrijke Nardus-graslanden op kiezelbodems in berggebieden en alpiene en subalpiene kalkgraslanden het bijzonder waard zijn om in stand te worden gehouden in het kader van de habitatrichtlijn; merkt op dat deze habitats tot stand zijn gebracht in aanwezigheid van wilde roofdieren en wijst erop dat extensieve begrazing, bijvoorbeeld door runderen en paarden of door kudden onder toezicht van een herder, van cruciaal belang is voor de instandhouding van deze gebieden; roept de Commissie op om traditionele landbouwpraktijken, zoals nomadische veeteelt, het model van begrazing onder toezicht, de door de Unesco erkende praktijk van transhumance en de levenswijze van nomadische veetelers, door middel van concrete oplossingen te beschermen en in stand te houden; erkent dat sommige van deze praktijken kunnen vallen onder de voorgestelde lijst van landbouwpraktijken die kunnen worden gefinancierd door ecoregelingen;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te erkennen dat de thans beschikbare preventiemaatregelen, waaronder omheiningen en waakhonden, die in sommige EU-regio’s succesvol zijn, extra financiële en arbeidslasten voor de landbouwers met zich kunnen meebrengen, niet altijd door EU- of nationale financiering worden ondersteund en afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden een verschillende mate van efficiëntie en doeltreffendheid hebben(9)(10); benadrukt in dit verband dat de financiële steun voor preventiemaatregelen vergezeld moet gaan van adviesverlening, zodat deze maatregelen volledig en tijdig kunnen worden uitgevoerd; benadrukt dat de aard van het terrein, de geografische omstandigheden, de geschiedenis van co-existentie met grote carnivoren en andere overheersende factoren, zoals het toerisme, dat vaak van essentieel belang is voor de betrokken gebieden, in aanmerking moeten worden genomen bij het uitvoeren van preventiemaatregelen en het overwegen van afwijkingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten te erkennen dat het in gevallen waarin populaties van grote carnivoren zich uitbreiden belangrijk is om proactief mitigatiestrategieën te ontwikkelen en uit te voeren, overeenkomstig de habitatrichtlijn, op basis van wetenschappelijke gegevens;

14.  verzoekt de Commissie geregeld de vooruitgang te beoordelen bij het bereiken van de staat van instandhouding van soorten op het niveau van biogeografische regio’s en/of populaties in de hele EU, en dringt er bij de Commissie op aan onverwijld een beoordelingsprocedure te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de beschermingsstatus van de populaties in bepaalde regio’s kan worden gewijzigd zodra de gewenste staat van instandhouding is bereikt, overeenkomstig artikel 19 van de habitatrichtlijn;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de best haalbare preventiemaatregelen ter vermindering van de aanvallen en de schade als gevolg van de predatie van vee door grote carnivoren wetenschappelijk vast te stellen en te ondersteunen, rekening houdend met de regionale en lokale kenmerken van de lidstaten, en de landbouwers te helpen deze preventiemaatregelen aan te vragen, teneinde benaderingen die succes hebben, te vermenigvuldigen en op te schalen; dringt ook aan op de effectieve opname ervan in het kader van advies- en voorlichtingsdiensten; dringt aan op een verhoging van de LIFE-financiering voor projecten die gericht zijn op het realiseren van co-existentie met grote carnivoren, met behoud van de financiering voor de bescherming van soorten; dringt erop aan prioriteit te geven aan kleinschalige projecten die gericht zijn op het delen en ontwikkelen van beste praktijken op het gebied van co-existentie met grote roofdieren, en verzoekt de Commissie passende vereisten vast te stellen voor het meten en rapporteren van de doeltreffendheid van schadebeperkende maatregelen die zijn onderzocht in het kader van door de EU gefinancierde projecten, bijvoorbeeld via het LIFE-programma, waarbij prioriteit wordt gegeven aan objectieve en kwantitatieve beoordelingsmethoden;

16.  verzoekt de lidstaten uitgebreide actieplannen voor soorten of instandhoudings- en/of beheersplannen op te stellen en uit te voeren, voor zover er nog geen plannen bestaan, rekening houdend met menselijke dichtheid, landschapsstructuren, veestapel, staat van instandhouding, andere relevante menselijke activiteiten en populaties van wilde hoefdieren;

17.  beklemtoont dat het noodzakelijk is populaties van grote carnivoren regelmatig te monitoren om op strategische wijze instandhoudingsmaatregelen te plannen, preventieregelingen toe te passen met het oog op het verminderen van het aantal conflicten en de resultaten van alle acties te evalueren; merkt op dat de monitoring moet worden gebaseerd op een robuuste methodologie en de deelname van verschillende belanghebbenden moet bevorderen en vergemakkelijken, en dat de resultaten ervan regelmatig moeten worden meegedeeld aan de samenleving en de belangrijkste groepen belanghebbenden;

18.  verzoekt de Commissie en de lidstaten adequate financieringsmogelijkheden voor de lange termijn vast te stellen voor passende preventiemaatregelen en adequate compensatie voor landbouwers, niet alleen voor de door aanvallen van grote carnivoren geleden verliezen en gemaakte kosten, maar ook voor de uitgevoerde beperkende maatregelen, teneinde de co-existentie van grote carnivoren en duurzame veehouderijpraktijken te waarborgen; benadrukt dat de compensatieregelingen, die zodanig zijn opgezet dat veehouderij en de aanwezigheid van grote carnivoren geen winstderving voor landbouwers inhouden, directe en indirecte kosten in verband met aanvallen door roofdieren moeten dekken en moeten worden geïntegreerd met preventiemaatregelen met het oog op een zo groot mogelijke efficiëntie; benadrukt dat het belangrijk is elk verlies van landbouwhuisdieren dat veroorzaakt is door grote carnivoren, met inbegrip van hybride soorten, op eerlijke wijze en volledig te vergoeden; roept de lidstaten en de regio’s op de toegang tot financiële compensatie te verbeteren; verzoekt de Commissie te erkennen dat het toenemende aantal aanvallen door grote carnivoren betekent dat ook de middelen voor de bescherming van gedomesticeerde dieren en de uitbetaling van schadevergoedingen toenemen; betreurt het feit dat de vergoeding die na een aanval aan veehouders wordt betaald, van lidstaat tot lidstaat verschilt; verzoekt de Commissie te overwegen haar landbouwrichtsnoeren te wijzigen om de vergoeding van schade door grote roofdieren in de vorm van staatssteun te vergemakkelijken;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1) PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.
(2) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 38.
(3) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(4) PB L 38 van 10.2.1982, blz. 3.
(5) Rode Lijst van bedreigde soorten van de IUCN, “Canis lupus (Grey Wolf)”, stand op 23 november 2022.
(6) Large Carnivore Initiative for Europe – Specialist Group of the IUCN Species Survival Commission for the Standing Committee of the Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats, “Assessment of the conservation status of the Wolf (Canis lupus) in Europe”, 2 september 2022.
(7) https://rm.coe.int/inf45e-2022-wolf-assessment-bern-convention-2791-5979-4182-1-2/1680a7fa47idem, blz. 2.
(8) Mededeling van de Commissie van 12 oktober 2021 betreffende richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn (“Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the Habitats Directive”) (C(2021)7301).
(9) Cortés, Y. et al., “A decade of use of damage prevention measures in Spain and Portugal”, Carnivore Damage Prevention News, 2020.
(10) Oliveira, T. et al., “The contribution of the LIFE program to mitigating damages caused by large carnivores in Europe”, Global Ecology and Conservation, vol. 31, 2021.


De erfenis van het Europees Jaar van de jeugd 2022
PDF 164kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de erfenis van het Europees Jaar van de Jeugd 2022 (2022/2953(RSP))
P9_TA(2022)0424B9-0512/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 165, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)(1),

–  gezien artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4, VWEU,

–  gezien Besluit (EU) 2021/2316 van het Europees Parlement en de Raad van 22 december 2021 over een Europees Jaar van de Jeugd (2022)(2),

–  gezien het stappenplan van Bratislava van 16 september 2016,

–  gezien de Verklaring van Rome van 25 maart 2017,

–  gezien het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten van 4 maart 2021,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van Europa over jeugdwerk van 31 mei 2017 (CM/Rec(2017)4),

–  gezien de strategie voor de jeugdsector 2030 van de Raad van Europa van 23 januari 2020,

–  gezien het herzien Europees handvest van de Raad van Europa over de deelname van jongeren aan het lokale en regionale leven,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van Europa over de ondersteuning van jonge vluchtelingen bij hun overgang naar volwassenheid (CM/Rec(2019)4),

–  gezien de resolutie van de Raad van de Europese Unie en van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over een kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken: de EU-strategie voor jongeren 2019-2027(3),

–  gezien het actieplan van de Commissie voor de Europese onderwijsruimte van 30 september 2020,

–  gezien het actieplan van de Commissie voor digitaal onderwijs (2021-2027),

–  gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over de vormgeving van beleid inzake digitaal onderwijs(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2017 over slim jeugdwerk(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 juni 2019 over jongeren en de toekomst van werk(6),

–  gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad van 3 oktober 2019 bijeen, over digitaal jeugdwerk(7),

–  gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over het kader voor het instellen van een Europese jeugdwerkagenda(8) en de uitvoering daarvan door middel van het “proces van Bonn”,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2020 over de jongerengarantie(9),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities(10),

–  gezien zijn resolutie van 10 februari 2021 over de gevolgen van COVID-19 voor jongeren en sport(11),

–  gezien de toespraak over de Staat van de Unie van de voorzitter van de Commissie van 15 september 2021,

–  gezien zijn resolutie van 18 oktober 2022 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(12),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de EU‑jeugdtest,

–  gezien de conclusies van de Conferentie over de toekomst van Europa in verband met onderwijs en jeugdzaken,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Europees Jaar van de Jeugd (hierna “het Jaar” genoemd) op 15 september 2021 door Commissievoorzitter Ursula von der Leyen werd aangekondigd in haar toespraak over de Staat van de Unie, waarbij zij de belangrijke rol van jonge Europeanen benadrukte bij het opbouwen van een betere toekomst – groener, inclusiever, duurzaam en digitaal – en hun meer en betere kansen in het vooruitzicht stelde, door ervoor te zorgen dat hun stem wordt gehoord en door hen in de schijnwerpers te zetten na de COVID-19-pandemie;

B.  overwegende dat het Jaar in het leven is geroepen om de volgende vier algemene doelstellingen te verwezenlijken, namelijk jongeren opnieuw positieve vooruitzichten te bieden en hen te helpen de gevolgen die de pandemie voor hun leven heeft gehad te boven te komen; jongeren te ondersteunen en in staat te stellen om actieve en geëngageerde burgers te worden; jonge generaties beter te informeren over de uit het overheidsbeleid op EU-, nationaal, regionaal en lokaal niveau voortvloeiende mogelijkheden die voor hen beschikbaar zijn; en het jeugdbeleid te integreren in alle relevante beleidsterreinen van de Unie;

C.  overwegende dat deze doelstellingen voortbouwen op een aantal reeds bestaande EU‑beleidsinitiatieven, bijvoorbeeld de Europese jongerengarantie, de EU-strategie voor jongeren en de bijbehorende EU-jongerendialoog, de Europese jeugdwerkagenda en de vooruitzichten voor een Europese onderwijsruimte; overwegende dat in die beleidsinitiatieven hoognodige en dringende doelstellingen zijn vastgesteld om de levens-, leer- en arbeidsomstandigheden van alle jongeren daadwerkelijk te verbeteren, maar dat de uitvoering ervan nog steeds in hoge mate versnipperd en onvolledig blijkt te verlopen; overwegende dat daarom de verwachting heerst dat het Jaar een impuls zal geven om dit beleid volledig uit te voeren, door middel van een gecoördineerde aanpak, een degelijke methode en een degelijk proces, en dat jongeren hierdoor meer en betere participatiemogelijkheden zullen krijgen als aanjagers van verandering in de samenleving;

D.  overwegende dat wat democratie betreft jongeren van het Jaar vooral verwachten dat besluitvormers meer naar hun eisen luisteren en hiernaar handelen (72 %) en hun persoonlijke, sociale en professionele ontwikkeling ondersteunen (71 %)(13);

E.  overwegende dat jongerenorganisaties een van de belangrijkste vehikels zijn voor de deelname van jongeren aan het openbare leven en voor toegang tot ontwikkelingsmogelijkheden via mobiliteit en niet-formele en informele leermogelijkheden; overwegende dat in verschillende EU-lidstaten de civiele ruimte voor veel jongerenorganisaties steeds kleiner wordt(14);

F.  overwegende dat er tussen en binnen de lidstaten nog steeds ongelijkheden bestaan wat mogelijkheden voor onderwijs, de verwerving van vaardigheden en werken betreft en dat dit vaak negatieve gevolgen heeft voor kansarme jongeren uit landelijke of afgelegen gebieden en jongeren die tot allerlei soorten minderheden behoren; overwegende dat te veel jongeren in Europa in onzekere omstandigheden leven en met grote financiële risico’s worden geconfronteerd om te kunnen studeren en de vaardigheden en ervaringen te kunnen opdoen die zij nodig hebben om op een kwaliteitsvolle manier aan hun beroepsleven te kunnen beginnen;

G.  overwegende dat jongeren tot de groep behoren die het zwaarst getroffen is door de economische, psychologische en sociale neveneffecten van de COVID-19-pandemie en de economische en politieke spanningen als gevolg van de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne, alsook door de stijgende rekeningen als gevolg van de verwoestende energiecrisis en de sombere vooruitzichten in het licht van de toenemende aantasting van het milieu, waardoor hun lichamelijk en geestelijk welzijn in gevaar komt;

H.  overwegende dat de bestaande instrumenten en middelen voor jongeren en hun inclusie in de beleidsvorming vaak niet voor iedereen beschikbaar en zichtbaar zijn, waardoor veel jongeren en door jongeren geleide organisaties niet op de hoogte zijn van die instrumenten en middelen of door beleidsmakers onvoldoende worden geraadpleegd of betrokken bij beleidsvormingsprocessen;

I.  overwegende dat het succes van het Jaar in dit verband niet alleen moet worden afgemeten aan het aantal georganiseerde evenementen of het aantal aanwezigen op die evenementen, maar ook aan de mechanismen en beleidsmaatregelen die zijn opgestart of naar voren zijn geschoven om de positie en de rol van jongeren in de samenleving positief te beïnvloeden;

J.  overwegende dat het door de extreem haastige goedkeuring van het besluit een grote uitdaging is gebleken voor de EU-instellingen en de belanghebbenden om het Jaar adequaat en met het oog op de verwezenlijking van de gestelde doelen voor te bereiden; overwegende dat dit des te betreurenswaardiger is gezien de dringende behoeften om het leven van jongeren in Europa te verbeteren; overwegende dat de beschikbare tijd in deze omstandigheden niet voldoende was om het Jaar een invulling te geven die zinvol zou zijn en impact zou hebben; overwegende dat uit deze ervaring lering moet worden getrokken voor toekomstige initiatieven voor een Europees Jaar;

K.  overwegende dat het Jaar reeds zijn einde nadert en dat er voorbereidingen worden getroffen om de blijvende impact ervan te waarborgen;

Omstandigheden voor het vaststellen en uitrollen van een Europees Jaar

1.  is ingenomen met het Europees Jaar van de Jeugd 2022 als een blijk van de sterke inzet van de EU voor jonge en toekomstige generaties; benadrukt dat jongeren tijdens de COVID-19-pandemie het zwaarst zijn getroffen door de gezondheidsmaatregelen, die hun toegang tot een sociaal en cultureel leven hebben aangetast en hun toegang tot onderwijs hebben geschaad;

2.  spreekt zijn diepe teleurstelling uit over de omstandigheden waaronder het Jaar is opgestart, met name het haastige tijdschema voor de goedkeuring van de regelgeving, waardoor de uitvoering en de financiering van veel projecten vertraging opliep; betreurt bovendien dat dit van invloed is geweest op de communicatie over het Jaar in de lidstaten en aan jongerenorganisaties en de jongeren zelf; verzoekt de Commissie in dit verband het Jaar te verlengen tot de volgende Dag van Europa op 9 mei 2023, zonder dat dit gevolgen heeft voor de start van het Europees Jaar van de Vaardigheden;

3.  stelt met spijt vast dat besluiten over toekomstige initiatieven voor een Europees Jaar nog steeds te laat kunnen worden aangekondigd en verzoekt de Commissie de relevante instellingen en de betrokkenen uit het maatschappelijk middenveld ruim vóór de begindatum van een toekomstig Europees Jaar volledig bij de zaak te betrekken, teneinde hun impact zo groot mogelijk te maken; benadrukt dat de aankondiging van een Jaar slechts enkele maanden voor de geplande start ervan niet de nieuwe norm mag worden, aangezien dit de kracht van het hele project op het spel zet; verzoekt de Commissie er in de toekomst voor te zorgen dat alle belanghebbenden de tijd hebben om een Europees Jaar voor te bereiden;

4.  is ingenomen met de interinstitutionele slotconferentie over het Jaar getiteld “Claim the future” op 6 december 2022; stelt ook tevreden vast dat de inhoud door jongeren is voorgesteld en mee door jongeren wordt georganiseerd; stelt vast dat de gekozen onderwerpen gericht zijn op een inclusief Europa via onderwijs, een digitaal Europa via onderwijs, Europees welzijn via het mainstreamen van geestelijke gezondheidszorg en Europees welzijn via toegankelijke geestelijke gezondheidszorg; verzoekt de Commissie in dit verband deze onderwerpen en conclusies op te nemen en te verwerken in de erfenis van het Jaar;

5.  verzoekt de Commissie een mededeling voor te stellen waarin de follow-up van het Jaar wordt uiteengezet met het oog op de verwezenlijking van de vier doelstellingen ervan, de ondersteuning van nieuwe initiatieven die de tijd krijgen om te groeien, de volledige integratie van het jeugdbeleid van de EU in alle beleidsterreinen en het opstarten van een beoordeling en een verslaglegging aan het Parlement over de concrete bijdrage van het Jaar aan de uitvoering van de EU-strategie voor jongeren 2019-2027 en de Europese jeugdwerkagenda;

6.  benadrukt dat een tastbare en concrete erfenis enerzijds moet bestaan uit de invoering van een methode om jongeren in de hele EU bij initiatieven te betrekken en naar jongeren te luisteren, en anderzijds uit de uitvoering van nieuw Europees en nationaal beleid dat rechtstreeks voortvloeit uit de resultaten van het Jaar;

7.  is ingenomen met de financiële bijdrage en de initiatieven van de verschillende directoraten-generaal van de Commissie; merkt echter op dat sommige van de beschreven activiteiten hoe dan ook zouden hebben plaatsgevonden of weinig te maken hebben met de doelstellingen van het Jaar; verzoekt de Commissie te verduidelijken welke projecten nieuw zijn in het kader van het Jaar en welke al bestonden en een nieuw etiket hebben gekregen als onderdeel van het Jaar; vraagt nadrukkelijk om een duidelijk beeld te krijgen van de exacte financiering van het Jaar door de Commissie en de lidstaten;

Zorgen voor een zinvolle inzet en betrokkenheid van jongeren bij beleids- en besluitvorming

8.  benadrukt dat een derde van de deelnemers aan de burgerpanels van de Conferentie over de toekomst van Europa jongeren tussen 16 en 25 jaar oud waren; steunt de voorstellen van de plenaire vergadering van de Conferentie over de toekomst van Europa van 9 mei 2022, met name de voorstellen die een rechtstreekse of onrechtstreekse oproep inhouden om beleid te bevorderen dat gericht is op jongeren;

9.  verzoekt de Commissie een volwaardige “EU-jongerentoets” vast te stellen om te zorgen voor een zinvolle inzet, participatie en betrokkenheid van jongeren bij de voorbereiding van al het EU-beleid, te voorzien in een systematische effectbeoordeling van haar voorstellen om ervoor te zorgen dat deze de behoeften van jongeren bevorderen en weerspiegelen, en mitigerende maatregelen te nemen indien deze negatieve gevolgen hebben; is van mening dat een dergelijk proces van essentieel belang is om rekening te houden met de mening van jongeren, de positieve impact van het EU-beleid op jongeren te verbeteren en deze impact duidelijk zichtbaar te maken voor hen, aangezien het beleid dat vandaag tot stand komt van rechtstreeks belang is voor de volgende generatie; benadrukt dat de EU-jongerentoets meer moet zijn dan een bureaucratische checklist, en dat moet worden voorzien in de betrokkenheid van mensen op holistische wijze om het doel ervan te bereiken; is van mening dat de resultaten van de toets als input moeten dienen voor reeds bestaande processen zoals de EU-jongerendialoog en hieraan gekoppeld moeten worden;

10.  stelt voor om verder gevolg te geven aan het Jaar met een regelmatige gestructureerde dialoog met jongeren in de Commissie cultuur en onderwijs van het Parlement, vanuit het idee om een democratisch platform voor te stellen voor de open en inclusieve deelname van jongeren aan het beleidsvormingsproces op EU-niveau;

11.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de lidstaten om voor nationale leerplannen en leermobiliteitservaringen modules over mondiaal en EU-burgerschap te ontwikkelen en deze hierin op te nemen, teneinde bij te dragen tot een actiever en participatiever burgerschap en een meer op jongeren gericht politiek systeem, en om racisme in al zijn vormen evenals discriminatie en gendergerelateerd geweld te bestrijden, met als doel vooroordelen te ontkrachten en inclusieve samenlevingen op te bouwen die vrij zijn van structureel racisme en die tolerantie, diversiteit en gendergelijkheid bevorderen; verzoekt de Commissie leerkrachten de nodige hulpmiddelen en mogelijkheden te bieden om actief deel te nemen aan de totstandbrenging van een gemeenschappelijk EU-kader voor burgerschapsvorming, bijvoorbeeld via Erasmus+-academies voor leerkrachten of Jean Monnet-lerarenopleidingen;

12.  ziet veel potentieel in gedecentraliseerde evenementen om de EU dichter bij jongeren te brengen en stelt voor om jaarlijks een EU-festival van cultuur en ideeën op te zetten ter bevordering van lokale debatten en culturele activiteiten over allerlei door jongeren gekozen actuele onderwerpen rond de symbolische datum van 9 mei;

Meer maatregelen die gericht zijn op het welzijn van jongeren

13.  beklemtoont het verband tussen het welzijn van jongeren en de leer- en arbeidsmogelijkheden en -capaciteiten alsook de levensstandaard die hun worden geboden in hun land van verblijf; stelt met bezorgdheid vast dat jongeren steeds meer angst en mentale problemen ondervinden, onder meer als gevolg van de COVID-19-pandemie, de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, de hogere kosten van levensonderhoud, energiearmoede en de klimaatnoodsituatie;

14.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om een Europees plan op te stellen voor de bescherming van de geestelijke gezondheid in onderwijs en opleiding, met inbegrip van informeel en niet-formeel leren, teneinde zorg te dragen voor het welzijn van onze jongere generatie in al zijn vormen; benadrukt het belang van regelmatige psychologische ondersteuning voor lerenden, leerkrachten en opvoeders als onderdeel van het onderwijsstelsel; moedigt nauwere banden aan tussen onderwijsinstellingen en culturele, jeugd- en sportorganisaties en netwerken van psychologische adviseurs om buitenschoolse activiteiten aan te bieden teneinde de sociale betrokkenheid van jongeren te vergroten;

15.  is bezorgd over de ernstige gevolgen van de inflatie, de stijgende prijzen van huisvesting en nutsvoorzieningen en de schaarste aan woonruimte in sommige landen van bestemming voor de mobiliteit van jongeren, die vooral voor kansarme jongeren een belemmering vormen; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat EU-programma’s voldoende financiële steun bieden aan jongeren en door jongeren geleide organisaties om mobiliteitservaringen op te doen voor leer-, opleidings- of solidariteitsdoeleinden; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband het niveau van de financiële steun aan jongeren voor mobiliteitservaringen zorgvuldig aan te passen om de maatschappelijk inclusieve dimensie van EU-programma’s te waarborgen;

Onzekerheid onder jongeren bestrijden en zorgen voor een kwaliteitsvolle start van het beroepsleven

16.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om de kindergarantie ten uitvoer te leggen om ervoor te zorgen dat elk kind in nood toegang heeft tot gratis en doeltreffende voor- en vroegschoolse educatie en opvang, hoogwaardig onderwijs met activiteiten op school, gezondheidszorg en daadwerkelijke toegang tot gezonde voeding en degelijke huisvesting; verzoekt de lidstaten voorts de versterkte jongerengarantie ten uitvoer te leggen om ervoor te zorgen dat alle jongeren een kwaliteitsvol aanbod krijgen voor werk, voortgezet onderwijs, leerlingplaatsen en stages, afhankelijk van hun behoeften; is ingenomen met de maatregelen van de Commissie om de uitwisseling van goede praktijken en de coördinatie van nationale actieplannen in dit verband te vergemakkelijken, en moedigt haar aan deze inspanningen voort te zetten totdat de doelstellingen volledig zijn verwezenlijkt;

17.  benadrukt de essentiële rol van jeugdwerk bij het aanpakken van de uitdagingen waarmee jongeren worden geconfronteerd, met name wat de bijdrage van jeugdwerk aan persoonlijke ontwikkeling, welzijn en zelfontplooiing betreft; verzoekt de lidstaten meer erkenning te geven aan de waarde van jeugdwerk en waar nodig de structuren van jeugdwerk duurzaam te reconstrueren en te versterken;

18.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een gemeenschappelijk rechtskader voor te stellen om een billijke vergoeding voor stages en leerlingplaatsen te waarborgen; dringt erop aan dat alle stagiairs fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en een billijke vergoeding krijgen om uitbuiting te voorkomen;

19.  benadrukt dat de overgang van school naar werk sterk afhangt van de erkenning van diploma’s, kwalificaties of leerperioden die jongeren in het buitenland hebben verworven; betreurt dat er op dit gebied nog steeds belemmeringen bestaan en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan deze erkenning automatisch te maken, met name door gebruik te maken van de mogelijkheden die de digitalisering biedt; moedigt de lidstaten aan om in de hele Unie en buiten de EU naast formeel onderwijs ook de competenties en vaardigheden te valideren en te erkennen die zijn verworven door middel van niet-formele en informele leerervaringen en jeugdwerk; herhaalt dat dit het recht op hoogwaardig hoger onderwijs niet mag ondermijnen;

Investeren in de volgende generatie via onderwijs

20.  benadrukt dat investeren in leermogelijkheden voor jongeren niet alleen rechtstreekse gevolgen heeft voor het toekomstige leven van jongeren als individu, maar ook voor de economische gezondheid en de cohesie van de samenleving als geheel; benadrukt dat het noodzakelijk is de uitdagingen aan te pakken waar jongeren die worden gediscrimineerd of minder kansen hebben mee worden geconfronteerd bij de toegang tot verschillende niveaus van formele, informele en niet-formele onderwijskaders, bijvoorbeeld in het geval van jonge vrouwen, jonge leden van lhbtiq+-gemeenschappen, jonge migranten, jonge asielzoekers en vluchtelingen en lerenden met een handicap of stoornis; verzoekt de lidstaten daarom de overheidsuitgaven voor onderwijs, met inbegrip van digitaal onderwijs, beroeps- en schoolonderwijs en bij- en omscholing, aanzienlijk te verhogen; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke indicatoren te bevorderen om de effecten van investeringen, met inbegrip van NextGenerationEU, en hervormingen ter bevordering van specifiek jeugd- en onderwijsbeleid te beoordelen;

21.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om de Europese onderwijsruimte tegen 2025 volledig ten uitvoer te leggen; is dan ook ingenomen met de vooruitgang die in bepaalde lidstaten reeds is geboekt; verzoekt de lidstaten de maatregelen te nemen die passend en nodig zijn om hun digitale infrastructuur, connectiviteit en onderwijsprogramma’s te versterken, leerkrachten en opvoeders adequaat op te leiden en richtsnoeren te verstrekken ter bevordering van digitale geletterdheid, teneinde nieuwe onderwijsmethoden te verbeteren en jongeren in staat te stellen effectief toegang te krijgen tot informatie, desinformatie te ontkrachten en onlinegeweld aan te pakken, zoals aanzetten tot haat, racisme, online seksueel misbruik van kinderen, gendergerelateerd geweld, cyberpesten en ghosting; herinnert aan de bestaande genderkloof in het onderwijs op het gebied van wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde (STEAM) en aan de noodzaak om corrigerende maatregelen te treffen om deze kloof te dichten; kijkt uit naar de tussentijdse herziening door de Commissie van het actieplan voor digitaal onderwijs (2012-2027);

o
o   o

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 202 van 7.6.2016, blz. 47.
(2) PB L 462 van 28.12.2021, blz. 1.
(3) PB C 456 van 18.12.2018, blz. 1.
(4) PB C 494 van 8.12.2021, blz. 2.
(5) PB C 418 van 7.12.2017, blz. 2.
(6) PB C 189 van 5.6.2019, blz. 28.
(7) PB C 414 van 10.12.2019, blz. 2.
(8) PB C 415 van 1.12.2020, blz. 1.
(9) PB C 395 van 29.9.2021, blz. 101.
(10) PB C 445 van 29.10.2021, blz. 75.
(11) PB C 465 van 17.11.2021, blz. 82.
(12) Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0359.
(13) Eurobarometer-enquête 2022 over jongeren en democratie in het Europees Jaar van de Jeugd, gepubliceerd op 6 mei 2022.
(14) Shrinking space for civil society: its impact on young people and their organisations; Resolution on Combating shrinking space with expanding opportunities for youth organisations, national youth councils and international non-governmental youth organisations;Voicify: Part of Europe


Verbetering van de EU-verordeningen inzake wilde en exotische dieren die als huisdier in de Europese Unie mogen worden gehouden door middel van een positieve EU-lijst
PDF 137kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de verbetering van de EU-regelgeving inzake wilde en exotische dieren die als huisdier in de Europese Unie mogen worden gehouden door middel van een positieve EU-lijst (2022/2809(RSP))
P9_TA(2022)0425B9-0489/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien de verzoekschriften nrs. 0697/2020, 0744/2020 en 0786/2020,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 114, 191 en 192,

–  gezien de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites),

–  gezien de gezondheidscodes voor land- en waterdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH, voorheen OIE),

–  gezien de Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren en de resolutie van de Raad van Europa over het houden van wilde dieren als huisdier,

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 februari 2020 over het beschermen van de interne markt van de EU en van de rechten van consumenten tegen de negatieve gevolgen van de illegale handel in gezelschapsdieren(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over de strategische doelstellingen van de EU voor de 17e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) van 24 september t/m 5 oktober 2016 in Johannesburg (Zuid-Afrika)(3),

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2016 over het EU-actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2016 getiteld “Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten” (COM(2016)0087) en de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over het Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten,

–  gezien Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer(5) en Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer(6),

–  gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”)(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten(8) (“verordening invasieve soorten”),

–  gezien Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003(9),

–  gezien artikel 227, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften de verzoekschriften nrs. 0697/2020, 0744/2020 en 0786/2020 heeft ontvangen, waarin bezorgdheid wordt geuit over de welzijns- en gezondheidsrisico’s van de handel in wilde en exotische dieren in de EU en wordt opgeroepen tot een EU-brede positieve lijst met dieren die als huisdier mogen worden gehouden;

B.  overwegende dat biodiversiteit een integraal deel van het werelderfgoed is; overwegende dat het “één gezondheid”-beginsel het feit weerspiegelt dat de gezondheid van mensen, dieren en het milieu met elkaar verbonden zijn; overwegende dat uit recente informatie blijkt dat de COVID-19-pandemie mogelijk door een dierlijke bron is veroorzaakt(10), waaruit blijkt dat meer aandacht moet worden besteed aan de handel in exotische dieren, aangezien deze gepaard gaat met grote gezondheidsrisico’s voor de hele bevolking;

C.  overwegende dat 70 % van de pathogenen die ziekten veroorzaken bij de mens van dierlijke oorsprong zijn en dat deze ziekten, zogenaamde zoönosen, door huisdieren of wilde dieren kunnen worden overgedragen(11); overwegende dat de handel in wilde dieren de contacten tussen mensen en wilde dieren doet toenemen en een belangrijke factor is voor het mogelijke optreden van spillover-effecten, en zo leidt tot de verspreiding van virusziekten, ook nieuwe, onder mensen;

D.  overwegende dat volgens schattingen meer dan 100 miljoen dieren in Europa als huisdier worden gehouden, waaronder kleine zoogdieren, vogels, reptielen, vissen en amfibieën(12); overwegende dat veel van deze soorten in het wild zijn gevangen, waardoor de natuurlijke populaties worden uitgeput;

E.  overwegende dat wilde soorten specifieke behoeften hebben en zwaar lijden wanneer zij worden gevangen, vervoerd en in gevangenschap worden gehouden; overwegende dat uit recente gegevens blijkt dat een aanzienlijk aantal wilde en exotische dieren in het eerste jaar dat zij een huisdier worden, sterven, de meeste daarvan als gevolg van verstikking, ziekte, verhongering en dehydratie tijdens het vervoer, zoals ook is gemeld door het Milieuprogramma van de Verenigde Naties;

F.  overwegende dat er dringend behoefte is aan bewustmaking van het publiek over het welzijn van wilde en exotische dieren die als huisdier worden gehouden, onder meer over de zorgwekkende gezondheids-, gedrags- en veterinaire problemen waar zij mee te maken krijgen;

G.  overwegende dat volgens de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) een op de vier zoogdiersoorten en een op de acht vogelsoorten een hoog risico op uitsterven lopen, en dat een op de drie amfibiesoorten met uitsterven bedreigd zijn; overwegende dat uit goed gedocumenteerd bewijsmateriaal blijkt dat de handel in exotische huisdieren een van de belangrijkste bedreigingen voor het voortbestaan van deze soorten is;

H.  overwegende dat invasieve uitheemse soorten een van de vijf belangrijkste oorzaken van biodiversiteitsverlies zijn, zowel in Europa als in de rest van de wereld; overwegende dat de Commissie schat dat de kosten van het beheersen en beheren van de door invasieve soorten in de EU veroorzaakte schade oplopen tot 12 miljard EUR per jaar; overwegende dat een aantal lidstaten, in strijd met het EU-recht, nog steeds geen volledig functionerend bewakings- en controlesysteem heeft opgezet om voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te monitoren, hetgeen de Commissie ertoe heeft gebracht tegen hen een inbreukprocedure in te leiden;

I.  overwegende dat veel wilde en exotische dieren die als huisdier worden gehouden een ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid van mensen vanwege hun natuurlijke gedrag, dat agressieve of roofzuchtige kenmerken vertoont die verergeren door de stress waaraan zij in gevangenschap worden blootgesteld;

J.  overwegende dat de nationale regels ter beperking van het houden van exotische huisdieren aanzienlijk verschillen van lidstaat tot lidstaat en in sommige gevallen tegenstrijdig zijn, wat het voor de lidstaten ontzettend moeilijk maakt om op Europees niveau een samenhangend beleid op dit gebied te voeren, en overwegende dat er bovendien lacunes zijn in de bestaande nationale wetgeving met betrekking tot exotische huisdieren(13); overwegende dat in de wettelijke bepalingen het houden van bepaalde diersoorten kan worden verboden (een negatieve of zwarte lijst), dan wel het houden van slechts bepaalde soorten kan worden toegestaan (een positieve of witte lijst), waarbij de negatieve lijst het meest gebruikte systeem is om het houden van exotische diersoorten te reguleren;

K.  overwegende dat de huidige situatie bestaande belemmeringen in stand houdt, leidt tot de versnippering van de interne markt van de EU en aanzienlijke verschillen creëert tussen de lidstaten die een positieve lijst in hun wetgeving hebben opgenomen en die welke dat niet hebben gedaan; overwegende dat bovendien zelfs positieve lijsten per lidstaat verschillen, onder meer wat betreft de in de lijst opgenomen soorten, het beschermingsniveau en de manier waarop de risicobeoordeling is uitgevoerd;

L.  overwegende dat de aanpak op basis van de negatieve lijst per definitie reactief en het minst preventief is, aangezien elk dier dat niet op een negatieve lijst staat automatisch mag worden gehouden, waardoor de lijst vrij lang moet zijn; overwegende dat er, afhankelijk van de trends van het moment, steeds andere soorten worden verhandeld, zodat negatieve lijsten regelmatig moeten worden bijgewerkt;

M.  overwegende dat wetenschappers er met bezorgdheid op hebben gewezen dat de EU-lijst van verboden invasieve uitheemse soorten, zoals opgenomen in de verordening invasieve soorten, niet toereikend is om de omvang van de bedreiging die invasieve uitheemse soorten vormen voor de biodiversiteit in de EU aan te pakken;

N.  overwegende dat het gebrek aan een EU-brede positieve lijst van dieren die als huisdier mogen worden gehouden het welzijn en de gezondheid van zowel mensen als dieren ondermijnt en een bedreiging vormt voor de biodiversiteit;

O.  overwegende dat er voldoende bewustzijn over het verantwoord houden van huisdieren zou moeten worden gecreëerd om de doeltreffendheid van een positieve lijst te verbeteren en het welzijn van zowel het huisdier als de eigenaar te vergroten;

P.  overwegende dat 19 lidstaten hun steun hebben uitgesproken voor de standpuntnota van Cyprus, Litouwen, Luxemburg en Malta die tijdens de Raad Landbouw en Visserij van 24 mei 2022 werd gepresenteerd, over een nieuw EU-wetgevingskader voor een EU-brede positieve lijst van dieren die als huisdier mogen worden gehouden;

1.  herhaalt dat preventie de hoogste prioriteit moet krijgen als kosteneffectiefste, humaanste en uit milieuoogpunt meest wenselijke maatregel; wijst erop dat de EU de gelegenheid moet aangrijpen om de ervaringen die zijn opgedaan tijdens de COVID-19-pandemie in haar beleid te verwerken; wijst op de belangrijke rol van de Commissie bij de coördinatie en ondersteuning van de “één gezondheid”-benadering in de EU;

2.  benadrukt dat de handel in exotische dieren niet alleen een gevaar kan vormen voor het dierenwelzijn, maar ook voor de menselijke gezondheid vanwege de mogelijkheid van zoönosen, en dat de EU daarom samenhangende wetgeving moet vaststellen om dergelijke mogelijke ziekten, die tot volksgezondheidsproblemen kunnen leiden, te voorkomen;

3.  herinnert eraan dat reeds is aangetoond dat de handel in exotische wilde dieren tot een afname van de biodiversiteit kan leiden, zowel in de habitats waaruit de soorten afkomstig zijn als in de ecosystemen van de Unie; benadrukt dat in het Europese handelsbeleid moet worden gewaarborgd dat de praktijken in de handel in huisdieren het welzijn van wilde en exotische dieren niet in het gedrang brengen en niet bijdragen tot biodiversiteitsverlies, en dat het houden van dergelijke dieren als huisdier het welzijn van het dier of van de eigenaar niet in gevaar brengt;

4.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de huidige voorschriften in de lidstaten op het gebied van de handel in en het houden van wilde en exotische dieren versnipperd en niet consistent zijn en vaak niet het hele dierenrijk bestrijken, aangezien zij voornamelijk betrekking hebben op zoogdieren, terwijl de grote groepen vogels, reptielen, amfibieën, insecten en siervissen die momenteel een belangrijke rol spelen in de handel in huisdieren buiten beschouwing worden gelaten, en uit voorts zijn bezorgdheid over het feit dat deze dieren een bedreiging kunnen vormen voor inheemse soorten en ecosystemen indien zij worden vrijgelaten;

5.  benadrukt dat inconsistente wetgeving de verzameling van nauwkeurige gegevens bemoeilijkt; onderstreept dat in de databanken van de EU die bedoeld zijn om de handel in dieren van en naar de lidstaten te traceren, de oorsprong van de dieren niet wordt geregistreerd, en dat Cites slechts betrekking heeft op het relatief kleine aandeel diersoorten die in de bijlagen zijn opgenomen;

6.  beklemtoont dat verschillende Europese landen reeds een positieve lijst hebben ingevoerd op basis van verschillende criteria zoals dierenwelzijn, het milieu, de menselijke gezondheid, vereisten inzake houderij en huisvesting en het voorzorgsbeginsel; is ook ingenomen met het feit dat verscheidene andere lidstaten een positieve lijst aan het ontwikkelen zijn of er onderzoek naar voeren;

7.  betreurt dat de bepalingen van de EU-wetgeving momenteel ontoereikend zijn om het dierenwelzijn, de volksgezondheid en de openbare veiligheid te waarborgen en om de risico’s van invasiviteit in verband met de handel in en het houden van wilde en exotische dieren als huisdier te beheersen; benadrukt dat de diergezondheidswetgeving van de EU niet bedoeld was om de handel in exotische huisdieren aan te pakken en dat het welzijn van dieren die als huisdier worden gehouden en verhandeld op de interne markt van de EU in geen van de wetgevingshandelingen van de EU op het gebied van dierenwelzijn aan bod komt;

8.  benadrukt dat een positieve lijst doorgaans een kortere, specifieke lijst is die preventief van aard is en duidelijkheid verschaft over welke soorten in een land mogen worden gehouden; wijst erop dat een positieve lijst ook veel gemakkelijker kan worden bijgewerkt dan een negatieve lijst, aangezien het houden van alle soorten die niet op de lijst staan van meet af aan verboden is, hetgeen bijdraagt tot de vereenvoudiging van de wetgeving op Europees niveau en de vermindering van de administratieve kosten; beklemtoont dat uit onderzoek blijkt dat een benadering op basis van een positieve lijst doeltreffend is om de handel in wilde en exotische dieren te verminderen en het bewustzijn van het publiek te vergroten(14);

9.  weegt de voordelen af van een Europese positieve lijst die, zoals uiteengezet in de verzoekschriften die de Commissie verzoekschriften heeft ontvangen, de handel in wilde en exotische dieren zou reguleren en het houden van die dieren als huisdier zou beperken; neemt kennis van de oproep van sommige lidstaten om een EU-brede positieve lijst op te stellen, waarin rekening wordt gehouden met passende voorwaarden op het gebied van dierenwelzijn; verzoekt de Commissie in dit verband een effectbeoordeling uit te voeren van de meerwaarde en haalbaarheid van een dergelijke lijst, waarbij gebruik moet worden gemaakt van wetenschappelijk onderbouwde criteria om te bepalen welke dieren geschikt zijn als huisdier, en die een zorgvuldige analyse moet omvatten van de verschillende criteria die reeds in nationale positieve lijsten worden gebruikt, teneinde vast te stellen welke criteria het effectiefst zijn en eventueel kunnen worden opgenomen in een EU-brede positieve lijst, op basis van de beste praktijken van de lidstaten, de opgedane ervaring en de geleerde lessen; roept de Commissie op om een studie te laten uitvoeren om deze kwestie te analyseren in het kader van de nauwkeurige en tijdige uitvoering van het EU-actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten;

10.  onderstreept dat het voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu van het allergrootste belang is dat alle lidstaten onverwijld een doeltreffend actieplan opstellen en uitvoeren om de invasiefste uitheemse soorten die voor de Unie zorgwekkend zijn, aan te pakken, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er volledig functionerende structuren worden opgezet overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1143/2014, zodat adequate controles kunnen worden uitgevoerd om de opzettelijke en onopzettelijke introductie van invasieve uitheemse soorten en de verspreiding ervan in de Unie te voorkomen;

11.  merkt op dat het houden van huisdieren niet op EU-niveau maar op nationaal niveau is geregeld en dat sommige lidstaten een positieve lijst van diersoorten hebben opgesteld; benadrukt dat de internationale handel in wilde dieren en de bijbehorende wetgeving om die handel te reguleren gebaseerd moeten zijn op wetenschappelijk bewijs;

12.  is van mening dat de herziening van het EU-actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten moet leiden tot meer bewustzijn over illegale handel en positieve gevolgen moet hebben voor het dierenwelzijn en het welzijn van exotische en wilde dieren die in de EU als huisdier kunnen worden gehouden;

13.  benadrukt dat de dieren die in een positieve lijst zijn opgenomen geen bijzonder risico voor de menselijke gezondheid mogen vormen, gemakkelijk in de omgang moeten zijn en moeten worden gehouden onder omstandigheden die beantwoorden aan hun essentiële fysiologische, ethologische en ecologische behoeften; benadrukt dat exotische en wilde soorten niet in de lijst mogen worden opgenomen indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat zij kunnen overleven als zij ontsnappen of vrijgelaten worden in het wild, en zij derhalve een risico vormen voor inheemse ecosystemen en de overlevingskansen van inheemse soorten veranderen doordat zij invasieve soorten worden zodra zij in de natuur worden vrijgelaten;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.
(2) PB C 294 van 23.7.2021, blz. 40.
(3) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 136.
(4) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 117.
(5) PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1.
(6) PB L 166 van 19.6.2006, blz. 1.
(7) PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.
(8) PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35.
(9) PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1.
(10) Briefing, “Coronavirus and the trade in wildlife” (Het coronavirus en de handel in wilde dieren), Europees Parlement, directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten, 4 mei 2020.
(11) WOAH, “The “One Health” Concept” (Het concept “één gezondheid”), 14 januari 2013.
(12) Raad van de EU, “Position paper on a new EU legislative framework for an EU Positive List for the keeping of companion animals on behalf of Cyprus, Lithuania, Luxembourg and Malta” (Standpuntnota namens Cyprus, Litouwen, Luxemburg en Malta over een nieuw EU-wetgevingskader voor een positieve EU-lijst voor het houden van gezelschapsdieren), 16 mei 2022.
(13) Zoals blijkt uit de studie getiteld “Analysis of national legislation related to the keeping and sale of exotic pets in Europe” (Analyse van nationale wetgeving inzake het houden en verkopen van exotische huisdieren in Europa), in juni 2020 gepubliceerd door Eurogroup For Animals.
(14) World Animal Protection, “Think positive – An overview of national and international Positive Lists” (Positief denken – een overzicht van nationale en internationale positieve lijsten"), september 2020.


Mensenrechtensituatie in Egypte
PDF 139kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de mensenrechtensituatie in Egypte (2022/2962(RSP))
P9_TA(2022)0426RC-B9-0505/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte,

–  gezien de verklaringen over Egypte van de woordvoerder voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van de Europese Dienst voor extern optreden,

–  gezien het EU-nabuurschapsbeleid en de gezamenlijke mededeling van 9 februari 2021 getiteld “Hernieuwd partnerschap met het Zuidelijk Nabuurschap – Een nieuwe agenda voor het Middellandse Zeegebied” (JOIN(2021)0002),

–  gezien de 13e interparlementaire bijeenkomst EU-Egypte van 29 september 2022,

–  gezien het “Memorandum of Understanding” tussen de EU, Egypte en Israël inzake samenwerking op het gebied van handel, vervoer en uitvoer van aardgas naar de Europese Unie, dat op 15 juni 2022 in Caïro is ondertekend,

–  gezien de meest recente verklaring van de woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over Egypte,

–  gezien de universele periodieke doorlichting van Egypte met betrekking tot de periode 2019-2020 van de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 8 november 2022, waarin hij ertoe oproept om Alaa Abdel Fattah onmiddellijk vrij te laten,

–  gezien de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf, foltering, de vrijheid van meningsuiting, mensenrechtenactivisten, geweld tegen vrouwen en meisjes, en de rechten van lhbti-personen,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind, en het Arabisch Handvest voor de mensenrechten, die allemaal geratificeerd zijn door Egypte,

–  gezien de grondwet van Egypte, met name artikel 52 inzake het verbod op alle vormen van foltering, artikel 73 inzake de vrijheid van vergadering, en artikel 93 inzake het bindend karakter van het internationaal recht inzake de mensenrechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Egypte gastheer was van de 27e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP27) in Sharm El-Sheikh; overwegende dat dit internationale evenement Egypte’s binnenlandse onderdrukking van de vreedzame en legitieme stemmen van het maatschappelijk middenveld voor het voetlicht heeft gebracht;

B.  overwegende dat Egypte in 2021 zijn nationale mensenrechtenstrategie en zijn nationale dialoog heeft gelanceerd, die officieel tot doel hadden zijn reputatie met betrekking tot mensenrechten te verbeteren en een meer inclusief politiek klimaat tot stand te brengen; overwegende dat in april 2022 het Egyptische presidentiële gratiecomité is opgericht, dat belast is met het uitvoeren van onderzoeken van het maatschappelijk middenveld naar gevallen van gevangenen wier situatie niet voldoet aan de internationale mensenrechtennormen; overwegende dat het comité ernstige, vroegere en huidige mensenrechtenschendingen heeft genegeerd en dat er - één jaar na de lancering van de nationale mensenrechtenstrategie en van Egypte’s nationale dialoog - geen sprake is van betekenisvolle veranderingen; overwegende dat de Subcommissie politieke zaken, mensenrechten en democratie - internationale en regionale zaken, die voortvloeit uit de Associatieovereenkomst tussen Egypte en de Europese Unie, als kader dient voor het bespreken van mensenrechtenkwesties door de twee partijen; overwegende dat de volgende vergadering van deze subcommissie gepland staat voor 8 december 2022 in Caïro;

C.  overwegende dat Egypte in de aanloop naar de organisatie van COP27 in dat land geen enkel relevant stuk wetgeving, bijvoorbeeld met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting, het recht op vreedzame vergadering en vereniging, en mediavrijheid, heeft gewijzigd, hoewel het bieden van ruimte aan het maatschappelijk middenveld een gezamenlijke toezegging is, die onderdeel uitmaakt van de prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Egypte, en verankerd is in de Egyptische grondwet; overwegende dat de noodtoestand, die sinds 2017 van kracht is, niet is opgeheven; overwegende dat massaprocessen en grootschalige detentie doorgaan, en dat tienduizenden burgers door militaire en staatsveiligheidsrechtbanken worden berecht; overwegende dat de speciale afgezanten van de VN voor het recht op vergadering en vereniging, voor mensenrechtenverdedigers en voor de bescherming van de mensenrechten in het kader van de aanpak van terrorisme op 8 juli 2021 gezamenlijk hun bezorgdheid tot uitdrukking hebben gebracht over Egypte’s wet op non-gouvernementele organisaties van 2019, zijn wet op de bestrijding van cyber- en informatietechnologiemisdaden van 2018, zijn wet op terroristische entiteiten van 2015, en zijn wet op openbare bijeenkomsten en vreedzame demonstraties van 2013; overwegende dat de Egyptische regering volgens de Egyptische Commissie rechten en vrijheden in de periode van 1 oktober tot 14 november 2022 in 18 regio’s in totaal 734 personen heeft opgepakt;

D.  overwegende dat Alaa Abdel Fattah, die al bijna een decennium willekeurig wordt vastgehouden op grond van niet-bewezen aanklachten, in november 2022 zijn hongerstaking, die hij in april 2022 was begonnen, heeft onderbroken nadat hem na een “bijna dood”-ervaring in zijn gevangeniscel gedwongen voedsel was toegediend; overwegende dat hij sinds het begin van COP27 ook gestopt was met het drinken van water; overwegende dat Alaa nog steeds geen consulaire toegang heeft gehad tot Britse ambtenaren, en verder overwegende dat zijn advocaat hem niet mocht bezoeken; overwegende dat Alaa na internationale druk sporadisch familiebezoek heeft mogen ontvangen;

E.  overwegende dat de Egyptische regering onafhankelijke mensenrechtengroeperingen verhinderd heeft deel te nemen aan COP27 middels een schimmig, onder auspiciën van de regering staand registratieproces waarmee groeperingen die kritisch op de Egyptische regering waren, werden geweerd, onwettige beperkingen van de vrijheid van vreedzame vergadering buiten de gebouwen waar de COP27-conferentie plaatsvond, en ongerechtvaardigde vertragingen bij de afgifte van visa aan buitenlanders die naar Egypte wilden reizen; overwegende dat slechts enkele onafhankelijke mensenrechtengroeperingen, en mensenrechtenverdediger Sanaa Seif, aan de conferentie hebben kunnen deelnemen dankzij de hulp van internationale organisaties;

F.  overwegende dat vrouwenrechtenverdedigers, lhbti+-personen en verdedigers van de rechten van de Kopten onverminderd lastig gevallen, geïntimideerd, gearresteerd en vastgehouden worden, zoals Patrick George Zaki, die het land nog steeds niet mag verlaten en zich nog altijd voor een nationaal noodtribunaal moet verantwoorden voor het uiten van kritiek op het beleid van zijn regering ten aanzien van Koptische christenen, en de vrouwelijke socialemedia-influencers Haneen Hossam en Mawada Al Adham, die in 2020 tot drie, respectievelijk twee jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld op grond van gefabriceerde beschuldigingen van “onzedelijkheid” na te hebben gedanst in video’s op TikTok;

G.  overwegende dat beide partijen tijdens de negende bijeenkomst van de Associatieraad EU-Egypte op 20 juni 2022 en in de op 19 juni 2022 aangenomen partnerschapsprioriteiten voor de periode 2021-2027 opnieuw toegezegd hebben democratie, fundamentele vrijheden en mensenrechten, gendergelijkheid en gelijke kansen te zullen bevorderen;

H.  overwegende dat Egypte van oudsher een strategische partner van de EU is, die de doelstellingen van het bouwen aan stabiliteit, vrede en voorspoed in het Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten onderschrijft, en verder overwegende dat Egypte een belangrijke rol speelt voor stabiliteit in de regio; overwegende dat de EU de grootste economische partner van Egypte is en zijn voornaamste bron van buitenlandse investeringen; overwegende dat de EU en Egypte in juni 2022 partnerschapsprioriteiten op een groot aantal gebieden, waaronder veiligheid, terrorismebestrijding en hervorming van het gerechtelijk apparaat, overeen zijn gekomen; overwegende dat Egypte steun heeft gegeven aan de VN-resolutie waarin de annexatie van Oekraïense regio’s door Rusland wordt veroordeeld, en zich onverminderd schaart achter de inspanningen van de EU en de internationale gemeenschap om een einde te maken aan de Russische militaire agressie tegen Oekraïne; overwegende dat Egypte met de EU en Israël een “Memorandum of Understanding” heeft ondertekend om - na de Russische inval in Oekraïne - de import van gas uit Rusland te verminderen; overwegende dat de Commissie Egypte 100 miljoen EUR uit de voedsel- en veerkrachtfaciliteit heeft toegewezen om het land te helpen met het opvangen van de voedseltekorten naar aanleiding van de Russische agressie tegen Oekraïne;

1.  betreurt ten zeerste dat in Egypte nog altijd geen sprake is van eerbiediging van de fundamentele politieke rechten en vrijheden, waaronder in het kader van de organisatie van COP27 in Sharm El-Sheikh; betreurt dat COP27 niet geleid heeft tot een verbetering van de mensenrechtensituatie;

2.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de censuur, pesterijen en intimidatie van vertegenwoordigers van het Egyptische maatschappelijk middenveld door de Egyptische autoriteiten, waaronder zelfs in ruimten van de VN, alsook de nieuwe golf van arrestaties en detenties in de context van COP27; geeft uitdrukking aan zijn ondersteuning van de Duitse regering, die op 13 november 2022 een klacht bij de Egyptische autoriteiten heeft ingediend naar aanleiding van de buitensporige veiligheids- en surveillancemaatregelen waar deelnemers in het Duitse paviljoen van COP27 aan zijn onderworpen; betreurt dat het onafhankelijke Egyptische ngo’s niet werd toegestaan gebruik te maken van het systeem van eenmalige registratie voor COP27 en dat slechts een handjevol van hen aan de conferentie heeft kunnen deelnemen, en dat alleen omdat internationale organisaties hen hun eigen badges hebben gegeven; betreurt de selectie door de Egyptische autoriteiten van organisaties van het maatschappelijk middenveld die de autoriteiten niet bekritiseren; onderstreept dat plaatselijke gemeenschappen en ngo’s uit de Sinaï als legitieme belanghebbenden aan COP27 hadden moeten kunnen deelnemen, gezien het feit dat de conferentie in Sinaï zelf plaatsvond; betreurt het dat Egypte een geheim proces met niet openbaar gemaakte selectiecriteria heeft gebruikt om kritische mensenrechten-ngo’s buiten de deur te houden; verzoekt de Egyptische autoriteiten met klem geen vergeldingsmaatregelen te nemen tegen de Egyptische mensenrechtenverdedigers en -activisten die openlijk hun bezorgdheid hebben uitgesproken over de mensenrechtenschendingen in Egypte tijdens COP27;

3.  veroordeelt met klem dat in Egypte nog altijd tienduizenden gewetensgevangenen willekeurig in voorlopige hechtenis worden gehouden, waarvan velen in onmenselijke omstandigheden en zonder uitzicht op een eerlijk proces of eerbiediging van grondrechten, zoals in Egypte’s politieke gevangenissen in Wadi Natroun en Badr; stelt vast dat het Egyptische presidentiële gratiecomité in april 2022 een beperkt aantal politieke gevangenen in het land vrij heeft gelaten of gratie heeft verleend, in concreto 800 tot 1 000 gevangenen die willekeurig in voorlopige hechtenis zaten; benadrukt dat volgens Egyptische ngo’s en Amnesty International sindsdien ten minste 1 953 Egyptenaren willekeurig zijn gearresteerd en vastgezet;

4.  roept de Egyptische autoriteiten met klem op Mohamed “Oxygen” Ibrahim, Mohamed Adel, Alaa Abdel Fattah en de drie advocaten aan wie de mensenrechtenprijs 2020 van de Raad van de balies van de Europese Unie is toegekend, Ibrahim Metwally Hegazy, Mohamed El Baqer en Hoda Abdelmoniem, alsook Ezzat Ghoniem, Ahmed Amasha, Abdel Moneim Aboul Fotouh, Mohamed El Kassas, Ziad Abu El Fadl, Aisha El Shater, Mohamed Abo Houraira, Manal Agrama, Marwa Arafa, Hala Fahmy, Safaa El Korbagy, Tawfik Ghanim, Seif Thabit, Safwan Thabit, Sherif al Rouby, Anas El-Beltagy, Ahmed Douma, Mohamed Adel Fahmy, Nermin Hussein, Haneen Hossam, Mawadda el-Adham, Ismail Iskandarani, Seif Fateen, Hisham Genena, Omar Mohammed Ali, Aymen Moussa, Omar el Hout, Ahmed Moussa Abd El Khaleq en Ahmed Fayez, die net als vele anderen onwettig worden vastgehouden, onmiddellijk vrij te laten; benadrukt dat deze vrouwen en mannen Egyptische mensenrechtenverdedigers, journalisten, vreedzame activisten, politici en socialemedia-influencers zijn, of zakenmensen die geweigerd hebben hun bezittingen aan het leger te verkopen; verzoekt de Egyptische autoriteiten de reisverboden die aan Patrick George Zaki en Mahinour Al Masry zijn opgelegd, in te trekken;

5.  verzoekt de Egyptische autoriteiten met klem de Brits-Egyptische mensenrechtenverdediger en vreedzame activist Alaa Abdel Fattah, winnaar van prijzen van Deutsche Welle en Verslaggevers zonder Grenzen, die al bijna een heel decennium willekeurig vastzit op grond van niet-bewezen aanklachten in verband met zijn geweldloze en legitieme oproep voor meer rechten en vrijheden (en wiens zaak zeker geen uitzondering vormt), onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, en toe te staan direct te vertrekken naar het VK; onderstreept dat zowel de Duitse kanselier, Olaf Scholz, als de Franse president, Emmanuel Macron, op zijn vrijlating hebben aangedrongen;

6.  herhaalt zijn scherpe veroordeling van het grootschalige gebruik van foltering door het Egyptische veiligheidsapparaat; brengt in herinnering dat de Egyptische revolutie van 25 januari 2011 begon als een publiek protest tegen de straffeloosheid voor daden van de politie naar aanleiding van de foltering en moord op (onder andere) blogger Khaled Said; verzoekt Egypte met klem volledig met de Italiaanse autoriteiten samen te werken bij het onderzoek naar de moord op student Giulio Regeni, die in 2016 door mensen van de veiligheidsdienst doodgemarteld is; herhaalt met name zijn verzoek om generaal Tariq Sabir, kolonel Athar Kamel Mohamed Ibrahim, kolonel Uhsam Helmi en majoor Magdi Ibrahim Abdelal Sharif in kennis te stellen van het bestaan van een gerechtelijke procedure tegen hen in Italië; veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de dood door foltering van econoom Ayman Hadhoud, die op 5 maart 2022 is gestorven na door mensen van de veiligheidsdienst te zijn ontvoerd en vastgezet naar aanleiding van zijn kritiek op het economisch beleid, en betreurt ten zeerste dat geen onafhankelijke lijkschouwing heeft plaatsgevonden en dat het Egyptische Openbaar Ministerie geen geloofwaardig onderzoek heeft ingesteld;

7.  spoort Egypte met klem aan alle 21 journalisten die momenteel in de gevangenis zitten omdat ze hun werk hebben gedaan, zoals gedocumenteerd door Verslaggevers zonder Grenzen en het Comité voor de Bescherming van Journalisten, vrij te laten; onderstreept het recht van alle Egyptenaren op toegang tot niet door hun regering gecensureerde informatie; neemt kennis van het besluit, onder druk genomen aan het begin van de COP27-conferentie, om goedkeuring te verlenen voor toegang tot de websites van enkele mensenrechten-ngo’s en onafhankelijke kranten, zoals Medium, Mada Masr, en Human Rights Watch; beklemtoont evenwel dat Egyptenaren altijd toegang tot dergelijke websites zouden moeten hebben, ook na afloop van de conferentie;

8.  verzoekt de Egyptische autoriteiten dan ook met klem alle journalisten die sinds november 2022 vastzitten, vrij te laten: Khaled Abdelwahab Radwan, Ahmed Fayez, Alaa Abdelfattah, Ismail Alexandrani, Mohamed Ibrahim (alias Mohamed Oxygen), Ahmed Allaam, Hamdi al-Zaeem, Tawfik Ghanem, Rabie al-Sheikh, Adallah Shusha, Khaled Sahloob, Bahaa al-Din Ibrahim Nemat Allah, Hisham Abdel Aziz, Mohamed Said Fahmy, Badr Mohamed Badr, Raouf Ebeid, Mostafa Saad, Mohamed Mostafa Moussa, Mahmoud Saad Diab en Amr Shnin;

9.  verzoekt de Egyptische autoriteiten een eind te maken aan discriminatie, en daadwerkelijke gelijkheid van alle Egyptenaren voor de wet en in de praktijk te garanderen, zoals verankerd in de grondwet, ongeacht godsdienst of overtuiging; wijst op de traditionele discriminatie van minderheden, zoals de Koptische minderheid en diegenen die het Baháʼí-geloof aanhangen; roept Egypte ertoe op zijn wetgeving inzake godslastering te herzien, teneinde te zorgen voor de bescherming van de vrijheid van geweten en de rechten van religieuze minderheden;

10.  spoort Egypte aan de fundamentele internationale normen inzake de vrijheid van vereniging te eerbiedigen en zijn repressieve wet op de ngo’s (149/2019), die alle activiteiten aan controle door de regering onderwerpt, in te trekken; deelt de zorgen van de mensenrechtendeskundigen van de VN over Egypte’s arsenaal voor het beperken van de vrijheid van vereniging, van meningsuiting, van de pers en het recht op vreedzame vergadering onder voorwendsel van de bestrijding van terrorisme; verzoekt Egypte verder met klem zijn wet op de bestrijding van cyber- en informatietechnologiemisdaden van 2018, zijn wet op terroristische entiteiten van 2015, en zijn wet op openbare bijeenkomsten en vreedzame demonstraties van 2013 te wijzigen of in te trekken; verzoekt de Egyptische autoriteiten eens te meer zaak 173/2011, bekend als de “buitenlandsefinancieringszaak”, te sluiten, en alle reisverboden en bevriezingen van bezittingen van 31 medewerkers van mensenrechten-ngo’s in te trekken;

11.  roept het Egyptische parlement op vaart te zetten achter de aanneming van een alomvattende wet inzake geweld tegen vrouwen, met name eremoorden; verzoekt de Egyptische autoriteiten vrouwelijke genitale verminking eens te meer te veroordelen en degenen die zich hieraan schuldig maken, stelselmatig te vervolgen; beveelt de Egyptische autoriteiten aan nauwer samen te werken met de EU bij het zoeken naar nieuwe manieren om vrouwen beter te beschermen tegen seksueel misbruik en gendergebaseerd geweld; veroordeelt het verschijnsel gendergebaseerde moorden in de meest krachtige bewoordingen;

12.  roept de Egyptische autoriteiten op een einde te maken aan arrestaties en vervolgingen wegens seksuele betrekkingen met wederzijdse instemming tussen volwassenen, met inbegrip van betrekkingen tussen mensen van hetzelfde geslacht of betrekkingen op basis van genderexpressie, en lhbtiq+-personen die willekeurig worden vastgehouden, vaak onder onmenselijke omstandigheden, onmiddellijk vrij te laten;

13.  verwelkomt de wijzigingen die Egypte recentelijk heeft aangebracht aan de wet op de kinderarbeid en de wet op het kinderhuwelijk; verzoekt de Egyptische autoriteiten evenwel de toepassing van de wet op het kinderhuwelijk verder aan te scherpen, en de schoolsystemen en openbare diensten voor kinderbescherming die kindermisbruik voorkomen en erop reageren, te versterken om kinderen hier beter tegen te beschermen;

14.  verzoekt Egypte met klem de doodstraf af te schaffen en onmiddellijk een moratorium op de uitvoering ervan af te kondigen; betreurt het dat Egypte zich het voorbije decennium ontwikkeld heeft tot een van de landen in de wereld waar de doodstraf het vaakst wordt toegepast, waaronder in het geval van minderjarige delinquenten;

15.  roept alle lidstaten van de EU en de EU-delegatie op om de processen van Egyptische en buitenlandse mensenrechtenverdedigers, journalisten en vakbondsvertegenwoordigers bij te wonen en hen in de gevangenis te bezoeken;

16.  dringt er bij de EU-lidstaten op aan steun te geven aan de instelling van een controle- en rapportagemechanisme bij de VN-Mensenrechtenraad voor ernstige mensenrechtenschendingen in Egypte; herhaalt dat de EU mensenrechtenkwesties in alle contacten met hoge Egyptische functionarissen, waaronder in de Associatieraad EU-Egypte, aan de orde moet stellen; verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden met klem te wijzen op de nauwe band tussen democratische ontwikkeling en groei; verzoekt de VN criteria voor gastlanden vast te stellen inzake toegang voor het maatschappelijk middenveld tot en de vrijheid van meningsuiting tijdens toekomstige COP-bijeenkomsten en vergelijkbare VN-conferenties;

17.  roept er nogmaals toe op de betrekking die de EU met Egypte onderhoudt aan een grondige en alomvattende analyse te onderwerpen tegen de achtergrond van de zeer beperkte vooruitgang die Egypte heeft geboekt met betrekking tot mensenrechten en zijn harde aanpak van elk kritisch geluid ondanks de niet-aflatende steun van Europese partners; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid met klem een krachtig publiek standpunt in te nemen over de noodzaak dat Egypte politieke gevangenen vrijlaat, concrete vooruitgang boekt met betrekking tot mensenrechten, folteringen beëindigt en onderzoekt, en afziet van het massale gebruik van onrechtmatige voorlopige hechtenis en reisverboden om werkelijke of vermeende tegengeluiden de kop in te drukken, als noodzakelijke voorwaarden voor verbetering van de betrekkingen en de samenwerking tussen de EU en Egypte; verzoekt de lidstaten van de EU nogmaals te overwegen gerichte sancties op te leggen aan de personen die de grootste verantwoordelijkheid dragen voor de brute repressie in het land; dringt aan op meer transparantie met betrekking tot alle vormen van financiële steun of opleiding die door de EU, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, en de Europese Investeringsbank aan Egypte worden verstrekt;

18.  verzoekt alle lidstaten van de EU met klem zich ten volle te houden aan de conclusies van de Raad van de EU van 21 augustus 2013, waarin de opschorting wordt aangekondigd van exportvergunningen voor apparatuur die voor binnenlandse onderdrukking wordt gebruikt, met inbegrip van surveillancetechnologie die voor het opsporen van kritische stemmen wordt gebruikt;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering van de Arabische Republiek Egypte.


De situatie van de mensenrechten in de context van het komende FIFA-wereldkampioenschap in Qatar
PDF 151kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de situatie van de mensenrechten in Qatar in het kader van het FIFA-wereldkampioenschap voetbal (2022/2948(RSP))
P9_TA(2022)0427RC-B9-0538/2022

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2022 over een strategisch partnerschap met de Golfregio,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 18 mei 2022 over een strategisch partnerschap met de Golf (JOIN(2022)0013),

–  gezien de 4e mensenrechtendialoog EU-Qatar, gehouden in Brussel op 12 september 2022,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Qatar van 7 maart 2018,

–  gezien het Internationaal Verdrag van de VN inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van 18 december 1990,

–  gezien de bekendmaking door de Fédération Internationale de Football Association (FIFA) op 2 december 2010 van de selectie van Qatar als locatie voor het houden van de wereldbeker voetbal van 2022,

–  gezien de wetten nrs. 17, 18 en 19 die de regering van Qatar in 2020 heeft vastgesteld inzake het vrije verkeer en een minimumloon voor arbeidsmigranten,

–  gezien het verslag van Human Rights Watch van 24 oktober 2022 getiteld “Qatar: Security Forces Arrest, Abuse LGBT People”,

–  gezien artikel 285 van het wetboek van strafrecht van Qatar en wet nr. 17 van 2002 inzake de bescherming van de gemeenschap,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984,

–  gezien de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf,

–  gezien het voortgangsverslag over het programma voor technische samenwerking tussen de regering van Qatar en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van 31 oktober 2022,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Qatar op 21 mei 2018 heeft geratificeerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Qatar, in het bijzonder van 21 november 2013 getiteld “Qatar: de situatie van migrerende werknemers”(1),

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Qatar het eerste land in de regio is dat het wereldkampioenschap voetbal organiseert; overwegende dat de FIFA in 2010 het wereldkampioenschap voetbal aan Qatar heeft toegekend zonder de nodige zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu te betrachten of voorwaarden te stellen voor de bescherming van arbeidsmigranten; overwegende dat Qatar het biedingsproces voor de wereldbeker voetbal won te midden van geloofwaardige beschuldigingen van omkoping en corruptie die tot gerechtelijke onderzoeken leidden;

B.  overwegende dat er in Qatar naar schatting meer dan 2 miljoen buitenlanders zijn, die ongeveer 94 % van de beroepsbevolking uitmaken; overwegende dat migranten voornamelijk werkzaam zijn in de bouw, de dienstensector en huishoudelijk werk; overwegende dat gemeld is dat de rechten van werknemers in deze sectoren zijn geschonden; overwegende dat Qatar door dit aantal de hoogste verhouding tussen arbeidsmigranten en binnenlandse bevolking ter wereld heeft;

C.  overwegende dat veel werknemers die in Qatar werden gedwongen zich in de schulden te steken door wervingsbedrijven die hun illegaal honoraria in rekening brachten, en dat velen van hen het slachtoffer werden van loondiefstal en onderworpen werden aan zware werkomstandigheden in extreme hitte die hen blootstelden aan het risico van ziektes, verwondingen en de dood;

D.  overwegende dat naar verluidt duizenden arbeidsmigranten zijn omgekomen en nog veel meer gewond zijn geraakt tijdens bouwwerkzaamheden in verband met het wereldkampioenschap voetbal in Qatar;

E.  overwegende dat sommige Europese bedrijven volgens de IAO geweigerd hebben deel te nemen aan de gemengde comités, die tot doel hebben vertegenwoordigers van de bedrijfsleiding en van de werknemers bijeen te brengen om conflicten op de werkplek te bespreken, te voorkomen en op te lossen;

F.  overwegende dat het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (ITUC) vóór de hervormingen in Qatar in 2014 bij de IAO een klacht tegen Qatar heeft ingediend wegens niet-naleving van het Verdrag betreffende gedwongen arbeid van 1930 en het Verdrag betreffende arbeidsinspectie van 1947; overwegende dat volgens de ITUC de wetten in Qatar zijn gewijzigd en dat het land vorderingen blijft maken met de tenuitvoerlegging van deze veranderingen;

G.  overwegende dat Qatar het eerste land in de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC) is dat een projectbureau van de IAO heeft geopend; overwegende dat Qatar een aantal partnerschappen heeft gesloten met de IAO, VN-organisaties en EU-lidstaten, zoals een memorandum van overeenstemming met Zweden in januari 2020 en met Frankrijk in maart 2022, om de rechten van werknemers te verbeteren; overwegende dat de IAO in de vijf jaar voorafgaand aan het WK voetbal van 2022 tastbare vooruitgang heeft geconstateerd, met name op het gebied van het beheer van arbeidsmigratie, de handhaving van het arbeidsrecht en de toegang tot de rechter, en de versterking van de stem van werknemers en de sociale dialoog; overwegende dat het volgens de IAO voor arbeidsmigranten nog steeds niet legaal is om zich bij een vakbond aan te sluiten of een vakbond op te richten;

H.  overwegende dat werknemers in Qatar voorheen toestemming van hun werkgevers nodig hadden om van baan te veranderen of het land te verlaten; overwegende dat deze vereisten de meest problematische aspecten van het kafala-sponsorsysteem vormden, aangezien zij de werknemers te afhankelijk van hun werkgevers maakten en aldus mogelijkheden voor uitbuiting en dwangarbeid creëerden; overwegende dat het ministerie van Arbeid als gevolg van deze veranderingen in de twee jaar sinds de invoering van deze hervormingen ongeveer 420 000 aanvragen van arbeidsmigranten om van baan te veranderen heeft goedgekeurd; overwegende dat veel werknemers er echter nog steeds moeite mee hebben om hun baan op te zeggen en naar een nieuwe baan over te stappen, zoals represailles van hun werkgevers;

I.  overwegende dat Qatar in maart 2021 als eerste land in de Golfregio een niet-discriminerend minimumloon heeft vastgesteld dat geldt voor alle werknemers, ongeacht hun nationaliteit, in alle sectoren, met inbegrip van huishoudelijk werk; overwegende dat volgens de IAO in totaal 13 % van de werknemers - 280 000 personen - hun loon sinds de invoering van de nieuwe wetgeving hebben zien stijgen tot het nieuwe minimum;

J.  overwegende dat de nieuwe wetgeving de werknemers in Qatar beter beschermt tegen hittestress;

K.  overwegende dat Qatar maatregelen heeft genomen om de toegang van werknemers tot de rechter te verbeteren door een nieuw onlineplatform op te zetten waar werknemers klachten kunnen indienen en door nieuwe arbeidsrechtbanken op te richten om geschillen te beslechten;

L.  overwegende dat sommige van de discriminerende praktijken met betrekking tot buitenlandse werknemers in Qatar en andere GCC-landen naar verluidt echter nog steeds bestaan, zoals het willekeurig inhouden en niet betalen van loon en het inhouden van reisdocumenten;

M.  overwegende dat artikel 285 van het wetboek van strafrecht van Qatar buitenechtelijke seks, inclusief relaties tussen personen van hetzelfde geslacht, bestraft met maximaal zeven jaar gevangenisstraf; overwegende dat willekeurige arrestaties van lhbtq+-personen naar verluidt gebaseerd zijn op wet nr. 17 van 2002 betreffende de bescherming van de gemeenschap, die volgens Human Rights Watch voorziet in voorlopige hechtenis zonder aanklacht of proces gedurende maximaal zes maanden indien “er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de verdachte een misdrijf kan hebben begaan”, met inbegrip van “schending van de openbare zedelijkheid”, hetgeen leidt tot veelvuldig misbruik van lhbtq+-personen; overwegende dat een Qatarese FIFA World Cup-ambassadeur publiekelijk homofobe uitspraken heeft gedaan; overwegende dat zeven voetbalbonden, waaronder in Europa, hebben besloten dat hun spelers een regenboogkleurige “OneLove”-armband mogen dragen; overwegende dat de FIFA niettemin heeft besloten dat spelers een gele kaart kunnen krijgen of geschorst kunnen worden voor het dragen van die armband, omdat het een vermeend politiek statement is;

N.  overwegende dat de FIFA zich in 2016 heeft aangesloten bij de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, die de FIFA verplichten zich te onthouden van inmenging in de mensenrechten en de negatieve effecten van haar activiteiten op het gebied van de mensenrechten te verhelpen;

O.  overwegende dat in een tijd van onveiligheid en aanzienlijke uitdagingen voor de op regels gebaseerde internationale orde, zowel in Europa als in de Golfregio, en nu de wereld geconfronteerd wordt met de gevolgen van de Russische agressie tegen Oekraïne en de COVID-19-pandemie, alsmede met de dringende noodzaak van de groene en digitale transitie, de EU veel te winnen heeft bij een sterker en strategischer partnerschap met de GCC en zijn lidstaten, waaronder Qatar; overwegende dat in 2021 de diplomatieke betrekkingen tussen Qatar en Saudi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein en Egypte zijn hersteld;

P.  overwegende dat de in 2018 ondertekende samenwerkingsregeling tussen de EU en Qatar een kader biedt voor politiek en sectoraal overleg op gebieden van wederzijds belang; overwegende dat Qatar een belangrijke partner van de EU is en dat hun betrekkingen een groot aantal belangrijke gebieden bestrijken; overwegende dat voor Qatar een sleutelrol is weggelegd bij de uitvoering van de Europese strategie inzake energiezekerheid; overwegende dat de betrokkenheid tussen de EU en Qatar aanzienlijk is toegenomen, hetgeen heeft geleid tot de opening van een EU-delegatie in Doha in 2022; overwegende dat Qatar in februari 2022 mede-indiener was van een resolutie van de Algemene Vergadering van de VN waarin Rusland werd opgeroepen zich terug te trekken uit Oekraïne, en voor resoluties stemde waarin de Russische invasie in Oekraïne werd veroordeeld;

Q.  overwegende dat op 12 september 2022 de vierde mensenrechtendialoog tussen de EU en Qatar heeft plaatsgevonden; overwegende dat de mensenrechtendialoog een cruciaal moment van betrokkenheid vormt om de mensenrechten te bevorderen;

1.  betreurt de dood van duizenden arbeidsmigranten en de verwondingen die werknemers hebben opgelopen tijdens de voorbereidingen voor het WK; betuigt zijn medeleven met de families van deze werknemers en eist dat verantwoording wordt afgelegd;

2.  dringt er bij Qatar op aan zijn nieuwe wetgeving ter bescherming van de rechten van werknemers volledig uit te voeren en de resterende onderdelen van het kafala-sponsorsysteem, zoals de straffen voor onderduiken door werknemers, af te schaffen;

3.  benadrukt dat de EU zich ertoe verbindt de mensenrechten in haar betrekkingen met Qatar te ondersteunen, ook in verband met de FIFA-Wereldcup; is bezorgd over berichten dat honderdduizenden arbeidsmigranten in Qatar nog steeds te maken hebben met discriminerende wetten en praktijken; betreurt het gebrek aan transparantie en het duidelijke ontbreken van een deugdelijke risicobeoordeling waardoor de toewijzing van het wereldkampioenschap voetbal aan Qatar in 2010 werd gekenmerkt; herinnert aan zijn reeds lang gehuldigde standpunt dat de corruptie binnen de FIFA welig tiert en systematisch en diepgeworteld is, en blijft van mening dat de organisatie het imago en de integriteit van het mondiale voetbal ernstig heeft geschaad, ondanks pogingen om de organisatie te hervormen, bijvoorbeeld door de invoering van eisen inzake mensenrechten;

4.  dringt er bij overheden, sportfederaties en -organisaties op aan de universele waarden van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat hoog te houden bij de toekenning van de organisatie van belangrijke sportevenementen, alsook bij de keuze van sponsors; vraagt in dit verband om duidelijke criteria en een handvest met duidelijke waarden; vraagt dat voorafgaand aan de organisatie van dergelijke belangrijke sportevenementen bijzondere aandacht wordt besteed aan de bescherming van de rechten van werknemers, gelijkheid en non-discriminatie, alsook aan de opstelling van onafhankelijke en geloofwaardige milieueffectbeoordelingen;

5.  verzoekt de EU-lidstaten, met name die met grote nationale voetbalbonden, zoals Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje, druk uit te oefenen op de UEFA en de FIFA opdat deze laatste fundamentele hervormingen doorvoert, waaronder de invoering van democratische en transparante procedures bij de toekenning van wereldkampioenschappen voetbal en de strikte toepassing van mensenrechten- en duurzaamheidscriteria voor organiserende landen; dringt er met nadruk op aan dat schendingen van fundamentele rechten en mensenrechten, met name evident systematisch gendergerelateerd geweld, bindende uitsluitingscriteria worden voor de toewijzing van internationale sportevenementen, teneinde sporters en fans te beschermen en een einde te maken aan sportswashing; vraagt dat de onderzoeken en vervolgingen naar de toewijzing van met corruptie besmette wereldkampioenschappen worden voortgezet; verzoekt de EU-lidstaten toegang te verlenen tot gearchiveerde informatie over de toewijzing van de organisatie van het WK 2022;

6.  wijst op de belangrijke bijdrage van migrerende werknemers aan de economie van Qatar en de FIFA-Wereldcup 2022; dringt er bij de Qatarese autoriteiten op aan een volledig onderzoek in te stellen naar de dood van de arbeidsmigranten, de dood van de arbeidsmigranten te certificeren en de families schadeloos te stellen in gevallen waarin de werknemers als gevolg van hun arbeidsomstandigheden zijn overleden; steunt de inspanningen van Qatar om hun arbeidsomstandigheden en de eerbiediging van hun rechten te verbeteren, waartoe door de internationale gemeenschap is aangedrongen; roept op tot volledige uitvoering van de aangenomen hervormingen; juicht de samenwerking van Qatar met de IAO toe; roept Qatar op om met de IAO te blijven overleggen over de hervormingen; onderstreept dat verantwoord ondernemen, ook voor Europese bedrijven, vereist dat de rechten van werknemers worden geëerbiedigd en dat dezelfde zorgvuldigheidsnorm geldt als in de EU;

7.  erkent niettemin dat de IAO en het ITUC de in Qatar doorgevoerde hervormingen als een voorbeeld voor de Golfregio beschouwen;

8.  benadrukt dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen juridische mogelijkheden hebben om hun recht te halen en in de EU gevestigde bedrijven ter verantwoording te roepen op grond van bestaande wetgeving inzake due diligence in sommige lidstaten; neemt nota van de lopende werkzaamheden op EU-niveau met betrekking tot de richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid, die dergelijke juridische mogelijkheden verder zal uitbreiden; is van oordeel dat de betrokken ondernemingen hun verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2014/95/EU(2) en de verplichtingen die voortvloeien uit internationaal erkende mensenrechtenverdragen niet volledig zijn nagekomen;

9.  veroordeelt met klem de medeplichtigheid van Europese bedrijven aan schendingen van de rechten van arbeidsmigranten, of zij die nu hebben veroorzaakt, ertoe hebben bijgedragen of ervan hebben geprofiteerd, met name in de bouw- en financiële sector, tijdens de voorbereiding van het wereldkampioenschap voetbal 2022;

10.  is ingenomen met het feit dat de regering van Qatar volgens de IAO 320 miljoen USD heeft terugbetaald aan slachtoffers van loonmisbruik via het steun- en verzekeringsfonds voor werknemers; betreurt echter dat het fonds pas in 2018 operationeel werd, waardoor miljoenen werknemers en hun gezinnen uitgesloten bleven van de toepassing ervan; dringt er bij Qatar op aan zijn normen voor gegevensverzameling en onderzoek naar gevallen van werkgerelateerd letsel of overlijden grondig te herzien; vraagt dat het fonds wordt uitgebreid tot alle slachtoffers sinds het begin van de werkzaamheden in verband met het WK voetbal 2022, met inbegrip van alle sterfgevallen en andere schendingen van de mensenrechten van werknemers in verband met de voorbereidingen voor het WK, zoals loondiefstal, verwondingen en alle niet-onderzochte en niet-gecompenseerde sterfgevallen; verzoekt de FIFA bij te dragen aan een uitgebreid herstelprogramma voor de gezinnen van de werknemers, als compensatie voor de arbeidsomstandigheden waaronder zij hebben geleden;

11.  is ingenomen met de hervormingen die de Qatarese autoriteiten in overleg met de IAO hebben doorgevoerd om het beheer van de arbeidsmigratie aan te pakken, het arbeidsrecht te handhaven en toegang tot de rechter mogelijk te maken, en de stem van de werknemers en de sociale dialoog te versterken; merkt op dat deze veranderingen de werk- en leefomstandigheden van honderdduizenden werknemers al hebben verbeterd; betreurt echter dat veel werknemers nog steeds niet van deze hervormingen profiteren en geconfronteerd worden met belemmeringen bij de toegang tot deze verbeteringen en vergeldingsmaatregelen van hun werkgevers; neemt nota van zijn bezorgdheid over de gedocumenteerde en herhaalde aantijgingen dat arbeidsmigranten die huishoudelijk werk verrichten het slachtoffer zijn van misbruik en uitbuiting;

12.  roept Qatar op alle wetgeving af te schaffen die bedrijven toestaat aanwervingskosten aan buitenlandse werknemers in rekening te brengen;

13.  verwelkomt de nieuwe wetgeving van Qatar betreffende werken tijdens hitte op bouwplaatsen; roept alle landen van de GCC op soortgelijke wetgeving aan te nemen en deze volledig uit te voeren;

14.  herhaalt zijn oproep aan Qatar om het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle arbeidsmigranten en hun gezinsleden van de VN te bekrachtigen;

15.  dringt er bij Qatar op aan er in samenwerking met de IAO voor te zorgen dat alle werknemers en werkgevers kunnen profiteren van de kafala-hervormingen inzake arbeidsmobiliteit, de toegang tot de rechter en de terugvordering van verschuldigde lonen te stroomlijnen, en de wet betreffende de rechten van huishoudelijk personeel volledig uit te voeren; verwelkomt in dit verband het feit dat meer dan 420 000 werknemers in heel Qatar van baan zijn veranderd en dat meer dan 300 000 werknemers hebben geprofiteerd van de invoering van het minimumloon;

16.  wijst erop dat het recht van vereniging en van zelforganisatie voor alle werknemers, met inbegrip van migranten, moet worden erkend; roept de regering van Qatar op ervoor te zorgen dat werknemers het recht hebben zich vrij te verenigen zonder daarvoor gestraft te worden en een veilige toegang tot de rechter hebben, onder meer door vakbonden op te richten of zich daarbij aan te sluiten;

17.  is ingenomen met de aanhoudende inzet van de EU op het gebied van de mensenrechten met Qatar, onder meer via de mensenrechtendialoog tussen de EU en Qatar, die moet worden geïntensiveerd, en via de versterking van de institutionele opzet van de samenwerking tussen de EU en Qatar; benadrukt dat het nationale mensenrechtencomité van Qatar regelmatige contacten met de EU-instellingen onderhoudt en dat Qatar de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten heeft uitgenodigd om het land te bezoeken; onderstreept dat de rechten van arbeidsmigranten, arbeidshervormingen, vrouwenrechten en vrijheid van meningsuiting terugkerende onderwerpen zijn;

18.  verzoekt de lidstaten en de EU-delegatie in Qatar de sociale hervormingen in Qatar nauwlettend te volgen, met bijzondere aandacht voor de concrete uitvoering van de wetgeving, ook door Europese bedrijven in Qatar, en verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het Parlement regelmatig te informeren over de voortgang van deze hervormingen; verwelkomt in dit verband de betrokkenheid van de Qatarese minister van Arbeid Ali Bin Samikh Al Marri bij de Subcommissie mensenrechten van het Parlement over de lopende hervormingen en de resterende leemten die moeten worden opgevuld, en neemt nota van zijn toezegging om werknemers of hun gezinnen die niet hebben gekregen wat hun toekomt, schadeloos te stellen;

19.  verzoekt de autoriteiten van Qatar hun inspanningen voort te zetten om ervoor te zorgen dat het nationale mensenrechtencomité volledig voldoet aan de beginselen inzake de status van nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten en dat het comité zijn mandaat volledig, doeltreffend en onafhankelijk kan uitvoeren, onder meer door het pluralisme en de diversiteit van zijn leden en personeel te bevorderen;

20.  verzoekt de Qatarese autoriteiten de bestaande wetgeving die foltering en mishandeling verbiedt, volledig te handhaven;

21.  wijst op zijn inzet voor de algehele afschaffing van de doodstraf en verzoekt de Qatarese autoriteiten een moratorium op de doodstraf in te stellen;

22.  dringt er bij de autoriteiten van Qatar op aan de maatregelen ter waarborging van gendergelijkheid te versterken, onder meer door de resterende regels inzake de voogdij van vrouwen af te schaffen, en tegelijkertijd hun inspanningen op te voeren om te komen tot een billijke vertegenwoordiging van vrouwen op de officiële arbeidsmarkt en in de openbare en politieke sfeer, met inbegrip van de Shura-raad en de uitvoerende organen, met name in besluitvormingsfuncties, en vrouwen en mannen als gezinshoofden gelijk te behandelen; roept de Qatarese autoriteiten op de nationaliteitswet zodanig te wijzigen dat Qatarese vrouwen en mannen gelijke rechten hebben om hun nationaliteit door te geven aan hun kinderen en hun buitenlandse echtgenoten; moedigt Qatar aan ervoor te zorgen dat gegevens over geweld tegen vrouwen worden verzameld en dat alle gevallen van geweld tegen vrouwen, inclusief huiselijk geweld, grondig worden onderzocht en dat de daders worden vervolgd en, indien zij worden veroordeeld, met passende sancties worden bestraft;

23.  wijst op de wereldwijde trend om vrijwillige relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht uit het strafrecht te halen; roept Qatar op tot intrekking van artikel 285 van zijn strafwetboek en alle andere daarmee verband houdende wetten die vrijwillige seksuele betrekkingen tussen mensen van hetzelfde geslacht strafbaar stellen, en tot invoering van wetgeving tegen discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en genderidentiteit of -uitdrukking; betreurt de meldingen van mishandeling van leden de lhbtq+-gemeenschap door de strijdkrachten van de Preventieve Veiligheidsdienst van Qatar en het gebruik van wet nr. 17 van 2002 betreffende de bescherming van de gemeenschap, die voorziet in voorlopige hechtenis zonder aanklacht of proces gedurende maximaal zes maanden; is in dit verband ontzet over het besluit van de FIFA met betrekking tot de “OneLove”-armbanden;

24.  verzoekt de autoriteiten van Qatar ervoor te zorgen dat de mensenrechten van alle personen die het WK 2022 bijwonen, waaronder internationale gasten en personen die in het land wonen, worden geëerbiedigd, ook wat betreft hun vrijheid van godsdienst en overtuiging;

25.  neemt nota van en verwelkomt de diepe bezorgdheid van Qatar met betrekking tot de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne; verwelkomt de belangrijke besluiten van Qatar om voor alle relevante VN-resoluties over deze kwestie te stemmen, in tegenstelling tot diverse GCC-leden;

26.  is ingenomen met de samenwerking en de dialoog tussen de EU en Qatar, alsook met andere Golfstaten, die essentieel zijn voor het verwezenlijken van de hoofddoelstellingen van de EU, met name: vreedzame en welvarende regio’s in de Golf en het Midden-Oosten; een krachtig economisch herstel; een duurzame, betaalbare en veilige energievoorziening; intensieve samenwerking op het gebied van de groene transitie; een krachtig antwoord op de wereldwijde humanitaire en ontwikkelingsbehoeften; verwelkomt in dit verband de normalisering van de betrekkingen tussen Qatar en zijn buren; prijst de rol van Qatar bij de evacuatie van tienduizenden mensen uit Afghanistan na de gewelddadige overname door de taliban in september 2021;

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van de staat Qatar, de Fédération Internationale de Football Association (FIFA), de Unie van Europese voetbalbonden (UEFA), de Internationale Arbeidsorganisatie en de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten.

(1) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 42.
(2) Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (PB L 330 van 15.11.2014, blz. 1).

Juridische mededeling - Privacybeleid