Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2022/2171(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0176/2023

Ingediende teksten :

A9-0176/2023

Debatten :

Stemmingen :

PV 01/06/2023 - 6.10

Aangenomen teksten :

P9_TA(2023)0215

Aangenomen teksten
PDF 226kWORD 73k
Donderdag 1 juni 2023 - Brussel
EU-strategie voor duurzaam en circulair textiel
P9_TA(2023)0215A9-0176/2023

Resolutie van het Europees Parlement van 1 juni 2023 over een EU-strategie voor duurzaam en circulair textiel (2022/2171(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 maart 2022, getiteld “EU-strategie voor duurzaam en circulair textiel” (COM(2022)0141),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020, getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie – Voor een schoner en concurrerender Europa” (COM(2020)0098) en de resolutie van het Parlement van 10 februari 2021 daarover(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020, getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380) en de resolutie van het Parlement van 9 juni 2021 daarover(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” (COM(2020)0381) en zijn resolutie van 20 oktober 2021 daarover(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018, getiteld “Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie” (COM(2018)0028) en de resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2018 daarover(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Strategie voor duurzame chemische stoffen – Op weg naar een gifvrij milieu” (COM(2020)0667) en de resolutie van het Parlement van 10 juli 2020 daarover(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152),

–  gezien Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030(6) (“8e milieuactieprogramma”),

–  gezien Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen(7) (kaderrichtlijn afvalstoffen),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1007/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 betreffende textielvezelbenamingen en de desbetreffende etikettering en merking van de vezelsamenstelling van textielproducten, en houdende intrekking van Richtlijn 73/44/EEG van de Raad en Richtlijnen 96/73/EG en 2008/121/EG van het Europees Parlement en de Raad(8),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 30 maart 2022 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten en tot intrekking van Richtlijn 2009/125/EG (COM(2022)0142),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 23 februari 2022 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 (COM(2022)0071),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 17 januari 2023 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1257/2013 en (EU) 2020/1056(9),

–  gezien de briefings van het Europees Milieuagentschap (EEA) van november 2019 getiteld “Textiles in Europe’s circular economy” (Textiel in de circulaire economie van Europa), januari 2021 getiteld “A framework for enabling circular business models in Europe” (Een kader voor circulaire bedrijfsmodellen in Europa), van januari 2021 getiteld “Plastic in textiles: towards a circular economy for synthetic textiles in Europe” (Plastics in textiel: naar een circulaire economie voor synthetisch textiel in Europa), van februari 2022, getiteld “Textiles and the environment: the role of design in Europe’s circular economy” (Textiel en het milieu: de rol van ontwerp in de circulaire economie van Europa) en van februari 2022 getiteld “Microplastics from textiles: towards a circular economy for textiles in Europe” (Microplastics uit textiel: naar een circulaire economie voor textiel in Europa”),

–  gezien het technische verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van juni 2021, getiteld “Circular economy perspective in the EU Textile sector” (Perspectieven voor een circulaire economie in de EU-textielsector”),

–  gezien het verslag uit 2017 van de afdeling Inclusieve arbeidsmarkten, arbeidsverhoudingen en arbeidsomstandigheden van de Internationale Arbeidsorganisatie, getiteld “Purchasing practices and low wage in global supply chains: Empirical cases from the garment industry” (Aankooppraktijken en lage lonen in mondiale toeleveringsketens: empirische gevallen uit de kledingindustrie),

–  gezien het verslag uit 2017 van de Ellen MacArthur Foundation, getiteld “A New Textiles Economy: Redesigning fashion’s future” (Een nieuwe economie van textielproducten: de toekomst van de mode anders inrichten),

–  gezien het verslag van Textile Exchange, getiteld “Preferred Fiber & Materials Market Report 2022” (Verslag 2022 over de markt van voorkeursvezels en -materialen),

–   gezien het verslag van het Hot or Cool Institute “Unfit, Unfair, Unfashionable: Resizing Fashion for a Fair Consumption Space” (Ongeschikt, oneerlijk, niet modieus: herdimensionering van mode voor een eerlijke consumptieruimte),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9‑0176/2023),

A.  overwegende dat de textielproductie tussen 2000 en 2015 is verdubbeld(10) en de gebruiksduur van kleding in dezelfde periode met 36 % is afgenomen(11); overwegende dat de wereldwijde consumptie van kleding en schoeisel tegen 2030 naar verwachting met 63 % zal toenemen, van de huidige 62 miljoen ton tot 102 miljoen ton; overwegende dat kleding het leeuwendeel van de textielconsumptie in de EU uitmaakt, namelijk 81 %(12); overwegende dat de tendens om kledingstukken steeds korter te gebruiken voordat we ze weggooien, de grootste bijdrage levert aan niet-duurzame patronen van overproductie en overmatig gebruik(13); overwegende dat de gemiddelde huishoudelijke uitgaven voor kleding tussen 1996 en 2018 zijn gestegen, ondanks een voor inflatie gecorrigeerde daling van de kledingprijzen in de EU met meer dan 30 %; overwegende dat de huidige trends in de textielconsumptie niet kunnen worden gehandhaafd als we streven naar een eerlijke en rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit; overwegende dat uit recent onderzoek blijkt dat de omvang van de koolstofvoetafdruk van de modeconsumptie varieert naar gelang van het inkomensniveau van de consument(14); overwegende dat synthetische en kunstmatige vezels nu al meer dan twee derde (64 %)(15) van de totale wereldwijde vezelproductie vormen;

B.  overwegende dat uit studies is gebleken dat consumenten het ermee zijn dat merken betrouwbare informatie moeten verstrekken over de milieueffecten van hun producten, en dat veel consumenten bereid zijn hun aankooppatronen voor duurzame opties te veranderen, mits zij over duidelijke en betrouwbare etiketten beschikken(16), hetgeen kan helpen de vraag naar kwalitatief hoogwaardige kleding die minder schadelijk is voor het milieu en de werknemers, te vergroten; overwegende dat het verstrekken van informatie niet mag leiden tot greenwashing; overwegende dat sectorinitiatieven zoals het gebruik van duurzamere vezels en textiel of ethisch bewuste opties, doorgaans goed zijn voor slechts een klein percentage van het aanbod van een merk, en het resterende deel van de activiteiten ongewijzigd wordt voortgezet;

C.  overwegende dat wereldwijd jaarlijks 92 miljoen ton(17) textielafval wordt gegenereerd, waarvan het overgrote deel op stortplaatsen terechtkomt; overwegende dat in de EU jaarlijks 5,8 miljoen ton(18) textielproducten wordt weggegooid, hetgeen neerkomt op ongeveer 11 kg(19) per persoon, en kledingstukken doorgaans slechts 7 of 8 keer worden gedragen(20); overwegende dat textielafval een van de grootste bestanddelen van stedelijk afval vormt en daarom onderworpen is aan de recyclingdoelstellingen van Richtlijn 2008/98/EG, maar dat er geen specifieke recyclingdoelstellingen voor textiel zijn vastgesteld; overwegende dat minder dan 1 %(21) van alle textiel wereldwijd wordt gerecycled tot nieuwe producten;

D.  overwegende dat er meerdere sociale problemen bestaan in de textiel- en schoenensector; overwegende dat de waardeketen van textiel en schoeisel steeds meer wordt aangestuurd door kopers, waardoor de fabrikanten onder druk zijn komen te staan om de productiekosten en de omlooptijd tot een minimum te beperken; overwegende dat de omstandigheden van ongelijke marktmacht tussen leveranciers en mondiale afnemers, evenals schadelijke inkooppraktijken, het risico op schendingen van de arbeidsrechten vergroten; overwegende dat met name vrouwen, migranten en informele werknemers kwetsbaar zijn voor negatieve sociale gevolgen; overwegende dat het verbeteren van de sociale duurzaamheid een holistische benadering vereist die de waardeketen bestrijkt;

E.  overwegende dat 73 %(22) van de in Europa geconsumeerde kleding en huishoudtextiel wordt ingevoerd, wat neerkomt op ongeveer 26 kg(23) textiel per persoon per jaar, en dat 7,4 kg(24) textiel per persoon per jaar in eigen land wordt geproduceerd; overwegende dat de meeste gevolgen van de milieu- en klimaatverandering zich voordoen in productieprocessen stroomopwaarts, vaak in niet-EU-landen waar de bescherming van het milieu en de naleving van arbeids- en mensenrechten naar behoren moeten worden beoordeeld en gewaarborgd; is ingenomen met initiatieven die leiden tot voortdurende verbeteringen op het gebied van arbeidsrechten en fabrieksveiligheid; overwegende dat polyester op basis van fossiele brandstoffen goed is voor ongeveer 50 %(25) van de vezelproductie en dat het gebruik van synthetische vezels door de mode-industrie goed is voor 1,35 %(26) van het wereldwijde olieverbruik, waarvan een groot deel uit Rusland wordt ingevoerd;

F.  overwegende dat de bestaande systemen voor gescheiden inzameling van textiel in de EU vrijwillig zijn en gericht zijn op het inzamelen van kleding die als herdraagbaar wordt beschouwd; overwegende dat het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek schat dat 50 % tot 75 %(27) van deze gescheiden ingezamelde textielproducten opnieuw wordt gebruikt; overwegende dat een groot deel van de ingezamelde kleding wordt uitgevoerd naar niet-EU-landen zonder infrastructuur voor inzameling; overwegende dat er momenteel geen haalbare businesscase is om alle textielafval in de EU afzonderlijk in te zamelen en te verwerken, hetgeen de noodzaak benadrukt van een collectief systeem en van infrastructuur om de waarde van gebruikt textiel vast te leggen(28);

G.  overwegende dat de Europese textielsector belangrijk is voor de economie van de Unie en een belangrijke rol speelt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU voor een circulaire economie, met in 2022 een jaaromzet van 147 miljard EUR(29), alsmede 58 miljard EUR(30) aan uitvoer en 106 miljard EUR(31) aan invoer, en derhalve een aanzienlijk hefboomeffect heeft om de negatieve sociale en milieueffecten van de textiel- en schoenindustrie aan te pakken; overwegende dat het weefsel van de textielindustrie in de EU voor meer dan 99 %(32) bestaat uit kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s); overwegende dat de textielsector 1,3 miljoen(33) Europese burgers in dienst heeft; overwegende dat deze bedrijfstak uit ongeveer 143 000(34) Europese ondernemingen bestaat, waarvan 11 %(35) kleine of middelgrote ondernemingen zijn en 88,8 %(36) micro-ondernemingen met minder dan tien werknemers, die vaak hevige concurrentie ondervinden uit landen buiten de EU; overwegende dat coherente wetgeving van cruciaal belang is om te voorkomen dat er een versnipperde markt ontstaat die negatieve gevolgen kan hebben voor de sector, met name voor micro-ondernemingen en kmo’s;

H.  overwegende dat zeer complexe en gefragmenteerde toeleveringsketens in de kledingsector op mondiaal niveau het werk van markttoezichtautoriteiten, consumentenorganisaties en wederverkopers verder bemoeilijken; overwegende dat de textielsector al zwaar onder druk stond door milieu- en sociale dumping als gevolg van lage productiekosten en milieunormen in derde landen, en overwegende dat dit nog is verergerd door de COVID-19-pandemie, en een aantal gevallen van misbruik waarbij internationale merken en hun leveranciers en werknemers betrokken waren, aan het licht zijn gekomen;

I.  overwegende dat belanghebbenden uit de sector worden aangemoedigd om in het kader van de transitie van het textielecosysteem de beginselen inzake duurzaamheid, inclusiviteit en esthetiek van het Nieuw Europees Bauhaus-initiatief toe te passen, aangezien een aanpak waarbij creativiteit, kunst en wetenschap gecombineerd worden, kan helpen om positieve effecten te realiseren;

J.  overwegende dat het, volgens de zesde evaluatie van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering(37), voor de beperking van de opwarming tot ongeveer 1,5 °C nodig is dat de mondiale broeikasgasemissies tegen 2030 met 43 % onder het niveau van 2019 worden verminderd; overwegende dat de productie en consumptie van textiel negatieve gevolgen hebben voor het milieu in termen van broeikasgasemissies, chemische verontreiniging, verlies van biodiversiteit, gebruik van natuurlijke hulpbronnen van water en land, en de hoeveelheid textiel die op stortplaatsen terechtkomt de op drie na grootste ecologische voetafdruk is;

K.  overwegende dat de transitie naar een welzijnsgerichte economie, en de ontwikkeling van indicatoren voor het meten van de economische, sociale en ecologische vooruitgang “voorbij het bbp”, deel uitmaken van het 8e milieuactieprogramma van de EU; overwegende dat een van de prioritaire doelstellingen van het 8e milieuactieprogramma erin bestaat te streven naar een welzijnsgerichte economie die de planeet meer teruggeeft dan neemt en de transitie naar een niet-toxische circulaire economie te bespoedigen; herinnert eraan dat in het 8e milieuactieprogramma erkend wordt dat het welzijn en de welvaart van de mens afhankelijk zijn van gezonde ecosystemen en dat de materiële en consumptievoetafdrukken van de Unie aanzienlijk moeten worden verkleind;

L.  overwegende dat naar schatting 16 tot 35 %(38) van de wereldwijde microplastics die in de oceanen terechtkomen, afkomstig zijn van synthetisch textiel, hetgeen inhoudt dat jaarlijks tussen 200 000 en 500 000 ton(39) microplastics in het mondiale mariene milieu terechtkomt;

M.  overwegende dat gevaarlijke chemische stoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging van textiel schadelijk zijn voor zowel het milieu als de mens, en dat 20 %(40) van alle verontreiniging van schoon water wordt veroorzaakt door kleurstoffen en chemische stoffen die door de textielindustrie worden gebruikt; overwegende dat zeer giftige chemische stoffen, zoals per- en polyfluoralkylverbindingen (PFAS), een belangrijke rol blijven spelen bij de productie van textiel; overwegende dat PFAS aanwezig zijn en soms noodzakelijk zijn in textielproducten die een essentieel gebruik vormen, zoals in veiligheidskleding; overwegende dat veel producten, waaronder textielproducten, die aan Europese consumenten worden verkocht, niet voldoen aan EU-wetgeving inzake chemische stoffen, zoals Reach(41); overwegende dat de Commissie zich in haar “Strategie voor duurzame chemische stoffen – Op weg naar een gifvrij milieu” ertoe heeft verbonden de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen in textielproducten tot een minimum te beperken door de invoering van nieuwe eisen;

N.  overwegende dat in de textielsector niet-textieldelen van dierlijke oorsprong worden gebruikt, waarbij dieren vaak specifiek voor dit doel worden gefokt, ook in landen waar de wetgeving inzake dierenwelzijn ontoereikend is;

O.  overwegende dat gendergelijkheid een kernbeginsel is van de EU en verankerd in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)(42), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”); overwegende dat doelstelling 5 van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen gendergelijkheid is, doelstelling 8 waardig werk en economische groei en doelstelling 12 verantwoorde consumptie en productie; overwegende dat de Commissie in haar strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 zich ertoe verbindt een genderperspectief op te nemen in alle aspecten en niveaus van beleidsvorming, maar dat dit onvoldoende is gebeurd in de textielstrategie;

P.  overwegende dat ongeveer 80 % van de werknemers in de kledingindustrie wereldwijd vrouwen zijn(43); overwegende dat het grootste deel van de laagbetaalde en ongeschoolde arbeid in de textielsector zowel in de Unie(44) als in derde landen wordt verricht door vrouwen, wier lonen aanzienlijk bijdragen aan het gezinsinkomen en de armoedebestrijding(45); overwegende dat werknemers in de kledingsector gemiddeld slechts 1-3 % van de uiteindelijke detailhandelsprijs van kleding ontvangen(46); overwegende dat lage lonen, in combinatie met een lage of ontbrekende sociale bescherming, vrouwen en kinderen bijzonder kwetsbaar maken voor uitbuiting, schendingen van de mensenrechten, geweld op het werk en seksuele intimidatie, gebrek aan toegang tot gezondheidszorg, genderdiscriminatie, met inbegrip van zwangerschapsdiscriminatie, met weinig tot geen mogelijkheden tot herstel- en verhaal; overwegende dat 189 staten het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) hebben ondertekend en geratificeerd, waarin staat dat discriminatie van vrouwen een “schending van de beginselen van gelijkgerechtigdheid en eerbied voor de menselijke waardigheid is”;

Q.  overwegende dat vrouwen over het algemeen toegang hebben tot een meer beperkt aantal banen en taken, en te maken hebben met horizontale en verticale segregatie; overwegende dat vrouwen ook te lijden hebben onder directe en indirecte genderdiscriminatie als gevolg van de machtsongelijkheid tussen een overwegend vrouwelijke beroepsbevolking en overwegend mannelijke managementstructuren, met een onevenredig aantal mannen in leidinggevende, management- en middenfuncties;

R.  overwegende dat vrouwen en meisjes meer dan mannen financieel afhankelijk zijn van klimaatgevoelige sectoren en natuurlijke hulpbronnen(47) en bovendien vaak ook nog worden blootgesteld aan genderspecifieke factoren en belemmeringen die hen steeds kwetsbaarder maken voor de gevolgen van de klimaatverandering en rampen;

S.  overwegende dat mensenrechten, milieu en klimaatverandering nauw met elkaar verbonden zijn; overwegende dat mensenrechten niet kunnen worden genoten zonder een gezond milieu en een gezond klimaat;

Strategie van de Unie

1.   is ingenomen met de mededeling van de Commissie over een EU-strategie voor duurzaam en circulair textiel en de daarin uiteengezette visie voor 2030; benadrukt dat maatregelen naar aanleiding van de publicatie van de strategie volledig moeten worden afgestemd op de klimaat- en milieudoelstellingen van de Unie, met name de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bewerkstelligen en het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen en om te buigen alsook te komen tot nulvervuiling voor een niet giftig milieu;

2.  benadrukt voorts dat de acties na de publicatie van de strategie volledig in overeenstemming moeten zijn met de internationale verbintenissen van de Unie, waaronder de Overeenkomst van Parijs, het mondiaal biodiversiteitskader Kunming-Montreal en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

3.  onderstreept dat de overgang naar duurzaam en circulair textiel een holistische aanpak vereist die geleidelijk de hele waardeketen van textielproducten bestrijkt; benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor synergieën tussen de textielstrategie en de industriële strategieën van de Unie om de overgang naar duurzame en circulaire bedrijfsmodellen en producten met hoge normen voor de bescherming van de menselijke gezondheid, de mensenrechten en het milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de veerkracht van duurzame textielecosystemen te versterken; merkt op dat de textielstrategie bijdraagt aan de groene en digitale transitie;

4.  is ingenomen dat textiel is aangemerkt als prioritaire productcategorie voor actie in het kader van het actieplan voor de circulaire economie; verzoekt de Commissie specifieke doelstellingen voor textiel vast te stellen om de naleving van de biodiversiteitsstrategie 2030 te verwezenlijken;

5.  dringt erop aan dat het Europees Milieuagentschap (EEA) de rol en de middelen krijgt om te monitoren en te beoordelen of maatregelen in het kader van de textielstrategie toereikend zijn voor de beschreven doelstellingen, met inbegrip van de kwantitatieve doelstellingen, voortgangsindicatoren en de overkoepelende visie voor 2030; is van mening dat de vooruitgang ten minste om de twee jaar aan de hand van deze indicatoren moet worden gemonitord; verzoekt het Europees Milieuagentschap beleidslacunes te beoordelen en keuzes aan te reiken voor verdere beleidsverbeteringen;

6.  onderkent dat er dringend op moet worden toegezien dat textielproducten die in de EU in de handel worden gebracht lang meegaan, herbruikbaar, repareerbaar en recyclebaar zijn, voor een groot gedeelte van gerecyclede vezels zijn vervaardigd en geen gevaarlijke stoffen bevatten; onderstreept dat textielproducten moeten worden geproduceerd op een manier die de mensenrechten en sociale rechten, het milieu en het dierenwelzijn eerbiedigt;

7.  vreest dat de in de EU-strategie vastgestelde maatregelen niet volstaan om de doelstelling voor 2030 te halen en verzoekt de Commissie te garanderen dat alle nodige maatregelen worden genomen, met inbegrip van aanvullende wetgevende en niet-wetgevende maatregelen bij de in de strategie vastgestelde maatregelen, om de in de textielstrategie uitgedrukte visie voor 2030 te verwezenlijken; onderstreept dat in de vastgestelde maatregelen prioriteit moet worden gegeven aan afvalpreventie in overeenstemming met de afvalhiërarchie;

8.  wijst derhalve op het belang om te zorgen voor samenhang en het toepassingsgebied van alle wetgevingsteksten die in het kader van de strategie zullen worden vastgesteld, duidelijk te definiëren, teneinde rechtszekerheid en voorspelbaarheid op de interne markt te waarborgen;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om een einde te maken aan fast fashion aangezien de huidige productie- en consumptieniveaus niet duurzaam zijn; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten en in overleg met onderzoekers, het maatschappelijk middenveld en belanghebbenden uit de sector tot een duidelijke definitie te komen van fast fashion, die gebaseerd is op grote hoeveelheden kleding van lagere kwaliteit tegen lage prijzen; juicht het toe dat in de textielstrategie bedrijven worden aangemoedigd om het aantal collecties per jaar te verminderen; benadrukt met name de noodzaak van maatregelen om het wereldwijde gebruik van primaire grondstoffen en de overproductie van textiel terug te dringen;

10.  onderstreept dat er een paradigmaverschuiving nodig is in de mode-industrie om een einde te maken aan overproductie en ervoor te zorgen dat fast fashion uit de mode raakt; moedigt de productie en consumptie van duurzame “slow fashion” aan; is van mening dat de textielstrategie en de beoogde maatregelen de overproductie en overconsumptie beter moeten aanpakken;

11.  herhaalt dat de groei in de textielsector volledig moet worden losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen en verzoekt de Commissie bindende EU-doelstellingen voor 2030 voor te stellen om de materiële en de consumptievoetafdruk van de EU aanzienlijk te verminderen en deze uiterlijk in 2050 in overeenstemming te brengen met de grenzen van de planeet, met gebruikmaking van de indicatoren die zijn vastgesteld als onderdeel van het bijgewerkte toezichtskader; verzoekt de Commissie onverwijld alomvattende, wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen voor de textielsector voor te stellen om de overgang van de sector naar circulariteit te meten, ook wat betreft het gebruik van grondstoffen; verzoekt nogmaals om de vaststelling van EU-doelstellingen door middel van een retrospectieve benadering, om zo te zorgen dat beleidsdoelstellingen aan de basis staan van een geloofwaardig traject om uiterlijk in 2050 een koolstofneutrale, ecologisch duurzame, gifvrije en volledig circulaire economie tot stand te brengen, rekening houdend met de grenzen van de planeet;

12.  benadrukt dat consumenten moeten worden geholpen om af te stappen van fast fashion en het hoge consumptieniveau van kleding en om geïnformeerde, verantwoorde en duurzame keuzes te maken bij het aanschaffen van textielproducten; onderstreept dat de toename van de duurzaamheid van textiel, zoals verbetering van de degelijkheid daarvan een aanzienlijk effect heeft op het milieu en klanten tegelijkertijd mogelijkheden biedt om op kosten te besparen; benadrukt dat hoogwaardige, degelijke en duurzame kleding en schoeisel betaalbaar moeten zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om een einde te maken aan agressieve en onjuiste reclame; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts om in samenwerking met onderzoekers, het maatschappelijk middenveld en belanghebbenden uit de sector bewustmakingsprogramma’s te ontwikkelen en uit te voeren over duurzame consumptie en het klimaat, de milieu-, gezondheids- en sociale effecten van de textiel- en kledingindustrie; is van mening dat bij de campagnes en programma’s gebruik moet worden gemaakt van actueel onderzoek naar consumentengedrag;

13.  benadrukt dat er meer inzicht moet komen in de impact van onlinemarktplaatsen en socialemediaplatforms bij het stimuleren van textielconsumptie en hun gebruik van praktijken als gerichte reclame en het creëren van stimulansen met koop-nu-betaal-later-opties, gratis verzending en retourzendingen, en kwantumkortingen; verzoekt de Commissie beleidsopties te beoordelen om dergelijke praktijken te verminderen en consumenten in staat te stellen hun blootstelling aan deze vorm van reclame te beperken; benadrukt dat consumenten moeten worden gestimuleerd om duurzaam te consumeren;

14.  wijst erop dat de invoer van niet-conforme producten die via onlinemarktplaatsen worden verkocht wijdverbreid is, en verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de door die dienstverleners verkochte textielproducten in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving; dringt erop aan dat onlinemarktplaatsen worden opgenomen in definities van de soorten marktdeelnemers waartegen markttoezichtautoriteiten kunnen optreden;

15.  dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een duidelijk kader voor de kwestie van aansprakelijkheid in EU-wetgeving en ervoor te zorgen dat onlineplatforms en digitale diensten de invoer van niet-conforme textielproducten in de interne markt niet faciliteren;

Milieu en klimaateffecten

16.  vindt het verontrustend dat textielproducten, als het gaat om consumptie, gedurende hun levenscyclus gemiddeld de op drie na grootste negatieve impact hebben op het klimaat en het milieu, na voedsel, huisvesting en mobiliteit(48); wijst erop dat de textielsector in 2020 verantwoordelijk was voor de op twee na grootste impact op het water- en landgebruik en de op vier na grootste impact op het gebruik van grondstoffen en de uitstoot van broeikasgassen(49);

17.  benadrukt dat het effect van de productie- en natte bewerkingsfasen, die verantwoordelijk zijn voor 60 %(50) van het klimaateffect, moet worden verminderd;

18.  herinnert eraan dat circulariteit moet worden bevorderd en dat er een levenscyclusbenadering moet worden toegepast waarbij rekening wordt gehouden met de gehele waardeketen, en tegelijkertijd gezorgd wordt voor de productie en het gebruik van textiel dat duurzamer en energie-efficiënter is en beter kan worden hergebruikt, hersteld en gerecycled;

19.  verzoekt de Commissie verdere wetgeving voor te stellen om de sector geleidelijk volledig koolstofvrij te maken, te beginnen met volledige transparantie over de emissies van de categorieën 1 en 2 en, in voorkomend geval, meer transparantie over de emissies van categorie 3, in de toeleverings- en waardeketens van textiel, en uiterlijk in 2025 ambitieuze wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen vast te stellen voor de vermindering van broeikasgasemissies in de textielsector, die betrekking hebben op de gehele levenscyclus ervan, met inbegrip van de emissies van de bewerkte grondstoffen, in overeenstemming met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C boven de pre-industriële temperaturen, waarin billijkheid en het beginsel van gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden en respectieve capaciteiten tot uiting komen; herinnert eraan dat ongeveer 70 % van de emissies in verband met het textielconsumptie van de Unie buiten de EU plaatsvindt(51); dringt aan op robuustere informatie en publicaties over gevolgen voor het klimaat en milieu, evenals voor de biodiversiteit;

20.  is ingenomen met het feit dat het referentiedocument voor de beste beschikbare technieken (BREF) voor de textielindustrie momenteel wordt herzien; wijst erop dat bij deze herziening ten volle rekening moet worden gehouden met de beste beschikbare gegevens en moet bijdragen tot het bereiken van een hoog milieuprestatieniveau;

21.  verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten passende steun te verlenen aan derde landen om de toeleveringsketens van textiel koolstofvrij te maken;

22.  verzoekt de Commissie sectorspecifieke klimaatdialogen en -partnerschappen met belanghebbenden in de textielsector te faciliteren om het opstellen van vrijwillige routekaarten aan te moedigen, in overeenstemming met de Europese klimaatwet (Verordening (EU) 2021/1119(52));

23.  uit zijn bezorgdheid over het waterverbruik in de textielsector en de vervuiling die wordt veroorzaakt door het verven van textiel; herinnert eraan dat 20 % van de mondiale waterverontreiniging afkomstig is van het verven en afwerken van textielproducten(53); verzoekt de Commissie ambitieuze wetenschappelijk onderbouwde en bindende streefdoelen te formuleren voor de geleidelijke vermindering van het waterverbruik in de textielindustrie; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de ontwikkeling van processen die minder energie- en waterintensief zijn en in het kader waarvan minder schadelijke stoffen worden gebruikt en in het milieu terechtkomen, te bevorderen; wijst op het belang van onderzoek en innovatie, met name wat betreft nieuwe vormen van duurzame recycleerbare vezels die minder water nodig hebben, alsook wat betreft de ontwikkeling van alternatieven voor het conventionele gebruik van chemicaliën, het hergebruik van water door de ontwikkeling van technologieën voor de behandeling van afvalwater, en de vermindering van het energie- en waterverbruik in het productieproces; verzoekt de Commissie het watergebruik en de door verven en afwerken veroorzaakte verontreiniging aan te pakken in het kader van de verordening inzake ecologisch ontwerp;

24.  herinnert eraan dat er jaarlijks meer dan 200 miljoen bomen worden gekapt en verwerkt tot celluloseweefsels zoals viscose en rayon, en dat tot 30 % van alle viscose en rayon die in de mode-industrie worden gebruikt, afkomstig is uit bedreigde bossen en oerbossen die ooit onderdak boden aan inheemse planten en dieren(54); herinnert er voorts aan dat de grond die in Brazilië wordt vrijgemaakt voor het fokken van vee, dat vervolgens wordt geslacht voor voedsel- en modedoeleinden, goed is voor 80 % van de ontbossing in het Amazonegebied(55); benadrukt dat de nieuwe EU-verordening inzake ontbossingsvrije producten ook betrekking zal hebben op leder;

25.  is verheugd dat de strategie een verband legt tussen fast fashion en het gebruik van synthetische vezels op basis van fossiele brandstoffen, wat op zijn beurt grote gevolgen heeft voor verontreiniging door microplastics en nanoplastics; wijst erop dat er vanwege microplastics voor het klimaat schadelijke stoffen zoals methaan en ethyleen in het milieu vrijkomen met alle schadelijke gevolgen voor de klimaatverandering van dien en dat microplastics de veerkracht van de oceanen en het milieu in het algemeen ondermijnen;

26.  wijst erop dat microplastics en nanoplastics ook gevolgen kunnen hebben voor de menselijke gezondheid; vestigt de aandacht op de blootstelling aan hormoonontregelende chemische stoffen als gevolg van microplastics;

27.  onderstreept dat verder onderzoek moet worden verricht naar en gegevens moeten worden verzameld over de wijze waarop microvezels, microplastics en nanoplastics uit de textielindustrie van invloed zijn op het milieu, het klimaat en de menselijke gezondheid;

28.  verzoekt de Commissie het initiatief voor de vermindering van onopzettelijk vrijgekomen microplastics dat vertraging heeft opgelopen, spoedig te presenteren; benadrukt dat het belangrijk is het probleem aan de bron aan te pakken en de gehele levenscyclus te bestrijken; dringt aan op de vaststelling van duidelijke streefdoelen en maatregelen in het komende voorstel, teneinde het vrijkomen van micro- en nanoplastics en microvezels in het milieu te voorkomen, ongeacht of die stoffen met opzet worden geloosd of onopzettelijk vrijkomen; is van mening dat bij eisen inzake ecologisch ontwerp de voorkeur moet worden gegeven aan weefsels die op basis van de huidige wetenschappelijke kennis naar verwachting minder microplastics vrijgeven;

29.  wijst erop dat verontreiniging door micro- en nanoplastics vaak wordt veroorzaakt door het verven en wassen van synthetisch textiel, aangezien daarbij synthetische microvezels in het afvalwater terechtkomen; wijst er in dat verband op dat de meeste microplastics uit textiel in de eerste vijf tot tien wasbeurten vrijkomen, waardoor het verband tussen fast fashion en verontreiniging door microplastics alleen maar duidelijker wordt(56); benadrukt dat er maatregelen nodig zijn om de hoeveelheid microplastics die vrijkomen bij industriële natte bewerking en wassen en drogen door de industrie en consumenten te verminderen;

30.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek te ondersteunen naar het effect van vrijgekomen micro- en nanoplastics en vrijgekomen microvezels in het algemeen, waaronder nieuwe technieken die moeten voorkomen dat microvezels en -plastics in de verschillende stadia van de gebruikscyclus vrijkomen;

31.  vindt het belangrijk dat er niet-toxische materiaalcycli worden ontwikkeld om de overstap naar een circulaire en klimaatneutrale economie te maken; herhaalt zijn oproep om de lacunes in het huidige rechtskader voor chemische stoffen te dichten, waarbij prioriteit wordt gegeven aan producten waarmee consumenten in nauw en veelvuldig contact komen, zoals textiel; betreurt het feit dat gevaarlijke chemische stoffen op grote schaal worden gebruikt in verschillende textielproductieprocessen die ernstige gevolgen hebben voor het milieu en werknemers en in kleding en huishoudtextiel kunnen achterblijven, wat gevolgen kan hebben voor de consumenten; is van mening dat elk gebruik van schadelijke chemische stoffen moet worden voorkomen of zodanig moet worden verminderd dat deze niet meer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en het milieu; herhaalt dat preventie, in overeenstemming met de afvalhiërarchie zoals gedefinieerd in de kaderrichtlijn afvalstoffen, prioriteit krijgt boven recycling en dat recycling bijgevolg niet mag dienen als rechtvaardiging om uitgefaseerde gevaarlijke stoffen verder te gebruiken; benadrukt dat textiel inherent veilig, duurzaam en circulair moet zijn;

32.  betreurt de trage uitvoering van de strategie voor duurzame chemische stoffen en verwacht met name dat de Reach-verordening wordt herzien; verzoekt de Commissie het voorstel zonder verdere vertraging goed te keuren en zich aan haar toezegging te houden om zorgwekkende stoffen in textielproducten op de EU-markt zoveel mogelijk te vervangen of de aanwezigheid ervan in ieder geval tot een minimum te beperken; wijst erop dat de Reach-verordening meer in overeenstemming moet worden gebracht met de beginselen van de circulaire economie wat betreft de specifieke kenmerken van de textielsector, met name om het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen geleidelijk af te schaffen, informatie bekend te maken over de chemische stoffen die in eindproducten worden gebruikt en traceerbaarheid te waarborgen; benadrukt dat de geleidelijke afschaffing van gevaarlijke chemische stoffen een impuls zou geven aan de markten voor secundaire grondstoffen;

33.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat ongeveer zestig chemische stoffen in textielproducten die in de EU in de handel worden gebracht, worden beschouwd als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting; wijst op het belang van aanhoudend onderzoek naar de chemische stoffen die in textiel worden gebruikt, met inbegrip van de gevolgen ervan voor de recyclebaarheid van textiel; herinnert eraan dat de Commissie in de strategie voor duurzame chemische stoffen heeft toegezegd ervoor te zorgen dat consumentenartikelen geen chemische stoffen bevatten die kanker of genmutaties veroorzaken, het voortplantings- of hormoonstelsel beïnvloeden of persistent en bioaccumulerend zijn; dringt er bij de Commissie op aan deze toezegging onverwijld na te komen, onder meer door de nodige wetgevingsmaatregelen vast te stellen; wijst erop dat blootstelling aan hormoonontregelende stoffen diverse schadelijke gevolgen voor de gezondheid kan hebben doordat deze verschillende organen en systemen in het menselijk lichaam beïnvloeden en andere door hormonen geregelde stofwisselingsprocessen kunnen onderbreken, en dat er desondanks geen specifiek kader voor hormoonontregelende stoffen in de textielsector is;

34.  wijst erop dat PFAS in het milieu zeer persistent zijn gebleken en dat zowel de productie als het gebruik ervan tot ernstige verontreiniging van bodem, water en voedsel heeft geleid; wijst erop dat PFAS op grote schaal worden gebruikt in de textielindustrie; dringt daarom aan op een striktere regulering van PFAS in textiel;

Inherent circulair

35.  is ingenomen met het voorstel voor een verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten; is ingenomen met de beoordeling van de Commissie dat textiel en schoeisel een prioritaire groep producten is die in het kader van de verordening ecologisch ontwerp kan worden gereguleerd; benadrukt dat eisen inzake ecologisch ontwerp voor al het textiel en schoeisel met voorrang moeten worden aangenomen;

36.  benadrukt dat de eisen inzake ecologisch ontwerp betrekking moeten hebben op de hele textielsector en alle productparameters; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat afwegingen tussen verschillende productaspecten worden geanalyseerd; beklemtoont dat eisen inzake ecologisch ontwerp een doeltreffende manier moeten vormen om overproductie en overconsumptie van textiel, de materiële voetafdruk en de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen aan te pakken;

37.  benadrukt dat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor textiel moeten worden vastgesteld in overeenstemming met de doelstellingen van de Unie op het gebied van klimaat (met name de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn), milieu (met inbegrip van biodiversiteit, hulpbronnenefficiëntie en -voorzieningszekerheid), niet-giftigheid, energie-efficiëntie en andere verwante doelstellingen, wetgeving en internationale toezeggingen van de Unie, en dat ze de milieu-, materiële en consumptievoetafdruk moeten verminderen, zodat de textielproductie binnen de grenzen blijft van wat de planeet aankan, zoals bepaald in het achtste milieuactieprogramma;

38.  verzoekt de Commissie snel algemene eisen inzake ecologisch ontwerp voor textiel en schoeisel aan te nemen en zich pas later bezig te houden met productspecifieke eisen voor verschillende textielproducten;

39.  roept de Commissie en de lidstaten op om marktdeelnemers voldoende tijd te geven om zich aan de nieuwe eisen inzake ecologisch ontwerp aan te passen, en daarbij met name rekening te houden met de behoeften van micro-ondernemingen en kmo’s.

40.  is van mening dat het gebruik van nieuwe textielproducten, zoals kleding, afhangt van tal van factoren, zoals de beschikbaarheid van de producten en de prijsstelling ervan, en niet alleen van de noodzaak om een product te vervangen dat niet langer functioneel is; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat er in het beleidskader voor textiel wordt uitgegaan van een holistische benadering van duurzaamheid, met inbegrip van de fysieke en emotionele duurzaamheid van textielproducten die in de handel worden gebracht, waarin het kledingontwerp wordt beschreven dat rekening houdt met relevantie en aantrekkingskracht voor de consument op lange termijn, aangezien kleding een culturele waarde vormt;

41.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan onderzoek te ondersteunen naar hoe emotionele duurzaamheid doeltreffend kan worden gemeten en in acht kan worden genomen bij beleidsreacties;

42.  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten bedrijfsmodellen en andere maatregelen moeten bevorderen die helpen de levensduur en dus het gebruik van textielproducten te verlengen, en de hergebruik- en reparatiesector moeten stimuleren als alternatief voor de aankoop van nieuwe producten;

43.  verzoekt de lidstaten te bekijken of ze stimulansen kunnen invoeren voor duurzame consumptie, zoals btw-verlagingen voor tweedehandsproducten en reparaties;

44.  is van mening dat overheidsinstanties de ontwikkeling van duurzamer textiel en circulaire bedrijfsmodellen moeten stimuleren en ernaar moeten streven de milieueffecten van textiel te verminderen bij overheidsaankopen; pleit voor de bredere en doeltreffendere toepassing van sociaal verantwoorde en duurzame criteria voor overheidsopdrachten voor textiel om versnippering van de markt te voorkomen; spoort sociale ondernemingen ertoe aan deel te nemen aan openbare aanbestedingen;

45.  is van mening dat kleding, schoenen, accessoires en artikelen voor woninginrichting diervriendelijk moeten zijn; betreurt het dat er in de textielstrategie weinig aandacht wordt besteed aan dierenwelzijn; is verheugd over de innovatie van sommige industrietakken, zoals duurzame alternatieven; is van mening dat meer steun moet worden verleend aan aanverwant onderzoek en ontwikkeling;

46.  verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen inzake het welzijn en de bescherming van dieren in de textielindustrie en -sector, en daarbij met name een einde te maken aan schadelijke praktijken en de illegale handel in wilde dieren, en de transparantie en het bewustzijn over het gebruik van dieren tijdens de productie en het testen van textiel te vergroten, ook in derde landen;

47.  beklemtoont dat de Commissie en de lidstaten onderzoek en innovatie moeten bevorderen en beleidsmaatregelen moeten ontwikkelen waarmee nieuwe duurzame circulaire bedrijfsmodellen voor de textielindustrie worden gestimuleerd, zoals hergebruik, verhuur, productie op aanvraag en technologische innovaties, en waarmee de ecologische en sociale impact van de sector kan worden verminderd, informatie kan worden verstrekt en de gezondheid van de consumenten kan worden verbeterd; onderstreept dat onderzoek en innovatie van essentieel belang zijn om het concurrentievermogen van de textielindustrie van de EU te versterken; pleit voor onderzoek naar en ontwikkeling van kunstvezels, met inbegrip van “waste-to-fibre”- en “fibre-to-fibre”-recycling en het opwerken van synthetisch afval in de textielindustrie;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de creatie van duurzame bedrijfsmodellen te vergemakkelijken en het concurrentievermogen van de sector te bevorderen;

49.  benadrukt dat niet alleen producten en materialen, maar ook bedrijfsmodellen en de bredere infrastructuur zodanig moeten worden ontworpen dat het, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, gemakkelijker wordt om afval te voorkomen, het voor te bereiden voor hergebruik of op hoogwaardige wijze te recyclen; is van mening dat duurzame circulaire bedrijfsmodellen de norm moeten worden; dringt erop aan maatstaven en benchmarks vast te stellen waarmee de milieuprestaties van circulaire bedrijfsmodellen worden aangetoond, met beleidsstimulansen die verband houden met deze aangetoonde effecten;

50.  wijst erop dat recycling, weliswaar na het volgen van de afvalhiërarchie, belangrijk is voor de circulaire economie als bron van grondstoffen voor de textielproductie in Europa; onderstreept dat de zuiverheid van de gerecyclede stoffen bepalend is voor de vraag in hoeverre recyclage doeltreffend en rendabel is, en dat het de recyclebaarheid van textiel in Europa ten goede zou komen als producten minder vaak uit combinaties van verschillende materialen zouden bestaan; vindt het belangrijk dat er een competitieve Europese secundaire markt voor grondstoffen tot stand wordt gebracht;

51.  dringt aan op regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en andere maatregelen ter stimulering van onderzoek, innovatie, investeringen en de opschaling van infrastructuur voor het inzamelen, het sorteren van samenstellingen, voorbereiding voor hergebruik en hoogwaardige oplossingen voor “fibre-to-fibre”-recycling waarmee de scheiding en recycling van gemengde materialen en de decontaminatie van de afvalstroom mogelijk worden;

52.  spoort de lidstaten, regio’s en beheersautoriteiten aan om gebruik te maken van de Europese structuurfondsen en de herstel- en veerkrachtfaciliteit met als doel het potentieel van de Europese textielindustrie op het gebied van innovatieve oplossingen te ontsluiten om de sector verder te digitaliseren en koolstof vrij te maken; dringt erop aan hubs voor de circulaire economie te ontwikkelen waarin innovatieve onderzoekscentra en voorzieningen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel worden samengebracht, zodat waarde kan worden gecreëerd uit afval en nieuwe banen kunnen worden geschapen in de textielproductie; pleit voor de oprichting van een netwerk van regionale en nationale duurzaamheids- en innovatiehubs voor de textielindustrie, om bedrijven, met name kmo’s, te helpen met de dubbele groene en digitale transitie;

53.  wijst erop dat er verschillende mogelijkheden voor EU-financiering bestaan, zoals via cluster 2 van Horizon Europa of de Europese Innovatieraad; wijst erop dat in de EU-onderzoeks- en innovatieagenda aandacht moet worden besteed aan de volledige waardeketen van circulariteit in het textielecosysteem; pleit in dat verband voor een specifiek gezamenlijk geprogrammeerd partnerschap op EU-niveau ter bevordering van het concurrentievermogen van de Europese Unie op het gebied van innovatief en duurzaam textiel; is van mening dat de toekomstige werkprogramma’s van Horizon Europa afgestemd moeten worden op de doelstellingen inzake circulariteit en duurzaamheid zoals neergelegd in de EU-strategie voor textiel en de overeenkomstige EU-agenda voor onderzoek en innovatie voor de textielindustrie; onderstreept de rol van de kennis- en innovatiegemeenschappen van het Europees Instituut voor innovatie en technologie inzake cultuur en creativiteit en inzake productie; verzoekt de Commissie om in de Europese Innovatieraad (EIC) een programmabeheerder te benoemen voor innovatieve, slimme en duurzame textielproducten en op dit gebied EIC-“accelerator challenges” te initiëren;

54.  wijst op het belang van sectorspecifieke dialogen om de textielindustrie meer te betrekken bij de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie; kijkt uit naar de invoering van transitietrajecten als een belangrijke bouwsteen voor de textielsector in Europa;

55.  verzoekt de Commissie om, in samenwerking met belanghebbenden uit de sector en onderzoeksinstellingen, een levenscyclusbeoordelingsmethode voor de textielindustrie te ontwikkelen zodat textielproducten op een eerlijke manier kunnen worden vergeleken; wijst erop dat de levenscyclusbeoordeling als beginsel van cruciaal belang is om onbedoelde milieueffecten te voorkomen en de uitvinding van nieuwe grondstoffen die een aantoonbaar geringer effect op het milieu hebben, te stimuleren; benadrukt dat een Europese norm voor levenscyclusbeoordelingen en betere gegevensinfrastructuren in toeleveringsketens nodig zijn om dit mogelijk te maken;

56.  beklemtoont dat een samenhangend en consistent rechtskader belangrijk is voor de industrie; benadrukt de specifieke rol van pioniers, micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen en startende ondernemingen in de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie; wijst erop dat kmo’s in de textielindustrie moeten worden geholpen om af te stappen van lineaire bedrijfsmodellen en niet-duurzame praktijken met betrekking tot het klimaat, het milieu, en gezondheids- en sociale kwesties, onder meer met richtlijnen om de toegang tot de beschikbare middelen te vergemakkelijken en administratieve procedures beter na te leven; benadrukt dat opleidingskansen voor kmo’s belangrijk zijn; wijst op de mogelijkheden die aangeboden worden door het “Enterprise Europe Network” en de Europese digitale-innovatiehub;

Textielafval en uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

57.  is van mening dat textielproducenten uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moeten hebben voor textiel dat zij op het grondgebied van een lidstaat voor het eerst op de markt aanbieden; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om geharmoniseerde EU-regels inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel vast te stellen, met ecogemoduleerde heffingen als onderdeel van de herziening van de kaderrichtlijn afvalstoffen; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat een aanzienlijk deel van de bijdragen aan regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zal worden gebruikt voor afvalpreventie en voorbereiding voor hergebruik, met inachtneming van de afvalhiërarchie;

58.  benadrukt dat uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ten minste moet voldoen aan de eisen van de artikelen 8 en 8 bis van Richtlijn 2008/98/EG, en dat zij daarnaast alle andere relevante kosten die typisch voor de textielsector zijn, moet omvatten; benadrukt dat er samenhang moet zijn tussen de ecomodulatie van heffingen en de toekomstige gedelegeerde handelingen inzake textiel die in het kader van de verordening ecologisch ontwerp worden aangenomen, en dat daarbij de eisen inzake ecologisch ontwerp als grondslag moeten worden gebruikt en heffingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid bedrijven kunnen aanmoedigen een stap verder te gaan;

59.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat ook onlinemarktplaatsen onder de regels inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vallen; vindt het belangrijk dat de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid de activiteiten van sociale ondernemingen bevordert die actief zijn op het gebied van het beheer van gebruikt textiel;

60.  benadrukt de noodzaak van het milieuhygiënisch verantwoord beheer van ingezameld textiel; herinnert eraan dat de gescheiden inzameling van textiel vanaf 1 januari 2025 verplicht zal zijn; spoort de Commissie aan om de lidstaten die reeds een systeem voor gescheiden inzameling hanteren, te monitoren, om makkelijker goede praktijken uit te wisselen en de uitvoering te verbeteren;

61.  onderstreept dat er bij de herziening van de kaderrichtlijn afvalstoffen specifieke afzonderlijke doelstellingen moeten worden ingevoerd inzake de preventie van textielafval, de inzameling en het hergebruik van textiel, voorbereiding voor hergebruik, gesloten “fibre-to-fibre”-kringlooprecycling en de geleidelijke afschaffing van het storten van textiel; wijst erop dat betrouwbare gegevens en benchmarks nodig zijn om de doelstellingen te monitoren; onderstreept tevens dat het belangrijk is geharmoniseerde eindeafvalcriteria voor textiel vast te stellen;

62.  benadrukt dat moet worden geïnvesteerd in inzamelingsinfrastructuur en hoogwaardige sorteer- en recyclingfaciliteiten, zodat deze vanaf 2025 textielafval kunnen behandelen; wijst op de voordelen van de opschaling van geautomatiseerde sorteerinfrastructuur voor textiel na consumptie, die een hoge mate van precisie en efficiëntie kan opleveren;

63.  vindt het belangrijk ondernemingen van de sociale economie die textiel inzamelen en hergebruiken, te bevorderen als partner om de verplichtingen en doelstellingen inzake inzameling en afvalbeheer te halen;

64.  verzoekt de Commissie en de lidstaten concrete maatregelen te stimuleren om het bewustzijn te vergroten en tot hogere percentages gescheiden textielinzameling te komen, onder meer door middel van economische stimulansen;

65.  is het met de Commissie eens dat de productie van kleding uit gerecyclede flessen niet in overeenstemming is met het circulaire model voor petflessen; is van mening dat er geen misleidende beweringen mogen worden gedaan over het gehalte aan gerecycled materiaal in kleding op basis van pet, en dat hier rekening mee moet worden gehouden bij, onder meer, de herziening van de EU-milieukeurcriteria;

66.  betreurt het dat ongeveer 20 % van de textielvezels afval wordt alvorens het textiel de eindconsument bereikt; is van mening dat er grote onzekerheid bestaat over de totale hoeveelheid afgedankte vezels in de preconsumptiefase; verzoekt de Commissie verplichte rapportage-eisen voor preconsumptie-afval in te voeren;

67.  beklemtoont dat het belangrijk is de verordening inzake de overbrenging van afvalstoffen te herzien met als doel meer inspanningen te leveren om illegale overbrengingen van afvalstoffen naar derde landen tegen te gaan; benadrukt dat er criteria moeten worden ingevoerd om gebruikte goederen en afval van elkaar te onderscheiden; merkt op dat deze maatregelen van bijzonder belang zullen zijn voor textielafval; maakt zich zorgen over het feit dat textielafval nog steeds bedrieglijk wordt geëtiketteerd als tweedehandsproduct(57); wijst op het nabijheidsbeginsel, zoals vastgelegd in de kaderrichtlijn afvalstoffen, en merkt tegelijk op dat de overbrenging van afvalstoffen tussen de EU-lidstaten onderling belangrijk kan zijn om afvalrecycling te bevorderen en zo de circulaire economie met secundaire grondstoffen te voeden;

68.  herhaalt zijn standpunt dat de uitvoer van afvalstoffen naar derde landen alleen mag worden toegestaan wanneer de ontvangende landen deze beheren op grond van volksgezondheids- en milieubeschermingsnormen die geacht worden gelijkwaardig te zijn aan die van de EU, met inbegrip van de naleving van internationale arbeidsrechtenverdragen, en dat alle ontvangende faciliteiten moeten worden gecontroleerd op milieuhygiënisch verantwoord beheer voorafgaand aan de uitvoer;

69.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de waarschijnlijke toename van ingezameld textielafval na de invoering van gescheiden inzameling in 2025 niet leidt tot een toename van de verbranding of storting van dergelijk textiel in derde landen; verzoekt de Commissie te verduidelijken dat “voorbereid zijn op een specificering van gebruikte kleding en ander gebruikt textiel” ook voorsorteren omvat;

Transparantie en traceerbaarheid

70.  verwelkomt het initiatief om consumenten een grotere rol te geven bij de groene transitie en de daaruit voortvloeiende EU-regels die ervoor moeten zorgen dat consumenten in het verkooppunt informatie krijgen over een commerciële duurzaamheidsgarantie voor textielproducten, alsook relevante informatie over de repareerbaarheid, het beheer aan het einde van de levensduur en het productiejaar van het product;

71.  uit zijn bezorgdheid over de wijdverbreide greenwashingpraktijken; wijst erop dat 53 % van de groene claims vage, misleidende of ongegronde informatie bevat en dat 40 % van de claims niet wordt gestaafd; verwelkomt het voorstel van de Commissie om consumenten een grotere rol te geven bij de groene transitie en het voorstel voor een richtlijn inzake groene claims; benadrukt dat er duidelijke regels moeten worden vastgesteld om een einde te maken aan greenwashingpraktijken en om mensen bewust te maken van de gevolgen van snelle mode en consumentengedrag voor het milieu;

72.  verzoekt de Commissie de EU-milieukeur voor textiel te herzien en te versterken om de meest duurzame textielproducten te kunnen identificeren;

73.  is verheugd dat er regels worden ontwikkeld voor de milieuvoetafdruk van de productcategorie kleding en schoeisel; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze methoden alle relevante milieueffecten bestrijken; uit zijn bezorgdheid over de milieueffectfactoren, zoals de uitstoot van micro- en nanoplastic en verlies aan biodiversiteit, die momenteel ontbreken; benadrukt dat zowel de industrie als niet-industriële organisaties bij de ontwikkeling van dergelijke regels moeten worden betrokken en dat de transparantie en toegankelijkheid van de gegevens moeten worden gewaarborgd;

74.  is verheugd dat in het voorstel inzake ecologisch ontwerp een digitaal productpaspoort (DPP) wordt ingevoerd, dat, als onderdeel van een samenhangend kader met de wetgeving inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het vlak van duurzaamheid en het voorstel inzake dwangarbeid, voor meer transparantie zal zorgen; beschouwt het DPP als een doorslaggevend instrument voor circulariteit en is ingenomen met de rol die het DPP kan spelen bij het mogelijk maken van nieuwe, duurzame bedrijfsmodellen voor textiel en bij het empoweren van de consument, door duurzame keuzes te vergemakkelijken door gegevens toegankelijker en transparanter te maken; benadrukt dat de door het DPP verstrekte informatie correct, volledig en up-to-date moet zijn;

75.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat grote overschotten, overtollige voorraden en onverkochte en geretourneerde artikelen ertoe leiden dat perfect bruikbaar textiel wordt vernietigd; onderstreept dat er op het niveau van de Unie een verbod op de vernietiging van onverkochte en geretourneerde textielproducten moet worden opgelegd en is van mening dat uitgebreide informatie om toezicht te kunnen houden op het verbod op de vernietiging van onverkochte textielproducten van essentieel belang is, in overeenstemming met de herziening van de verordening inzake ecologisch ontwerp;

76.  onderstreept het belang van een geharmoniseerde en goed functionerende interne markt; betreurt dat een groot deel van het textiel dat op de markt van de Unie verkrijgbaar is, niet aan de EU-wetgeving voldoet(58); verzoekt de lidstaten te zorgen voor strenger markttoezicht, frequentere controles en afschrikwekkende sancties bij inbreuken, om ervoor te zorgen dat alle producten die op de EU-markt worden gebracht, ook door onlinemarktplaatsen uit niet-EU-landen, voldoen aan de voorschriften van de EU-wetgeving; onderstreept het belang van het voorkomen van de invoer van nagemaakte of onveilige textielproducten en van geharmoniseerd toezicht op de interne markt;

77.  verzoekt de Commissie de handhavingssystemen in de lidstaten voor textielproducten door te lichten, aanbevelingen voor verbetering te doen, de samenwerking en coördinatie tussen de handhavingsinstanties te versterken en zo nodig handhavingsinstrumenten van de EU voor te stellen; verzoekt de Commissie de bevoegdheden waarover zij op grond van artikel 11, lid 4, van Verordening (EU) 2019/1020 beschikt, te gebruiken om ervoor te zorgen dat producten in de hele Unie naar behoren worden getest; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om snel gerechtelijke stappen te ondernemen wanneer zij vaststelt dat de EU-wetgeving, met name inzake de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu en de werking van de interne markt, niet wordt nageleefd; herinnert aan zijn standpunt dat de procedures op het gebied van milieu-inbreuken efficiënter moeten worden gemaakt(59);

Passende zorgvuldigheid en sociale rechtvaardigheid

78.  betreurt dat de EU-strategie voor duurzaam en circulair textiel tekortschiet wat betreft sociale aspecten, zoals werknemersrechten en het genderperspectief;

79.  benadrukt dat in de textielsector een hele reeks schendingen van de arbeidsrechten voorkomt, waarvan met name vrouwen en andere gemarginaliseerde groepen het slachtoffer zijn, zoals hongerlonen, loondiefstal, onrechtmatige beperking van het recht om zich aan te sluiten bij een vakbond naar keuze of een vakbond op te richten, kinderarbeid, dwangarbeid, blootstelling aan onveilige arbeidsomstandigheden en seksuele intimidatie(60) (61);

80.  verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid als een belangrijke stap om specifieke problemen in de textielsector aan te pakken; benadrukt dat negatieve milieueffecten en sociale gevolgen in toeleveringslanden niet kunnen worden voorkomen door louter wetgeving inzake passende zorgvuldigheid, en dat het verbeteren van de sociale en ecologische duurzaamheid een holistische aanpak vergt; verzoekt de Commissie extra steun te verlenen aan lokale actoren in partnerlanden en aanvullende wetgevingsmaatregelen vast te stellen om deze gevolgen in landen buiten de EU aan te pakken; onderstreept voorts dat de EU moet ijveren voor de ratificatie van alle verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) die relevant zijn voor de textielindustrie; verzoekt de EU inspanningen ter voorkoming van gendergerelateerd geweld in de textielsector te ondersteunen door zich ertoe te verbinden IAO-Verdrag nr. 190 betreffende de uitbanning van geweld en intimidatie in de wereld van werk te ratificeren en uit te voeren;

81.  verzoekt de Commissie het genderperspectief te integreren bij de uitvoering van de textielstrategie van de EU; vestigt in het bijzonder de aandacht op het feit dat vrouwen 80 %(62) van de werknemers in de mondiale kledingindustrie uitmaken en derhalve onevenredig zwaar worden getroffen door de negatieve gevolgen van de industrie; benadrukt dat in de textielindustrie op grote schaal gendergerelateerd geweld is gemeld; benadrukt dat vrouwen en meisjes in kledingfabrieken in het bijzonder risico lopen op intimidatie en gendergerelateerd geweld als gevolg van hun onzekere en laagbetaalde werk, hun beperkte opwaartse mobiliteit, de locatie van de werkplekken en hun afhankelijkheid van huisvesting ter plaatse; benadrukt dat in de textielsector bijzondere aandacht moet worden besteed aan gendergelijkheid en vrouwenrechten; benadrukt met klem dat vakbonden van vrouwelijke werknemers vrijelijk moeten kunnen worden opgericht en moeten kunnen werken, en vraagt dat het recht op collectieve onderhandelingen wordt geëerbiedigd;

82.  merkt op dat vrouwen in de textielindustrie vaak worden uitgesloten van de besluitvorming; vraagt de werkgevers in de textielindustrie maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat vrouwen vertegenwoordigd zijn in management- en leidende functies en in overlegfora; vraagt de werkgevers voorts om leidinggevenden en werknemers opleidingen over gendergelijkheid en genderdiscriminatie te geven; verzoekt de lidstaten vrouwen en meisjes aan te moedigen om wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde te gaan studeren, zodat vrouwen een sleutelrol kunnen spelen in alle aspecten van de textielindustrie, met inbegrip van het gebruik van de hoogtechnologische machines die vaak nodig zijn bij de verschillende productieprocessen, en zo het verband tussen vrouwen, technologie en textiel te onderstrepen;

83.  verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat er uitgebreide, naar geslacht uitgesplitste gegevens worden verzameld om de betrokkenheid van vrouwen in de textielindustrie en eventuele verschillen of discrepanties tussen de lidstaten in kaart te brengen;

84.  herinnert eraan dat inheemse ambachten vaak worden toegeëigend, wat verband houdt met structureel racisme, en vaak worden gebruikt om voor massaconsumptie bestemde kleding te produceren; herinnert eraan dat traditionele ambachten en de beoefenaars ervan worden opgeofferd, aangezien lokale gemeenschappen ertoe worden gedwongen voor een laag loon een baan in de kledingsector te aanvaarden(63);

Schadelijke inkooppraktijken

85.  betreurt het dat de strategie niet voorziet in maatregelen tegen schadelijke aankooppraktijken van bedrijven; wijst erop dat de huidige machtsongelijkheid tussen inkopers van kleding en hun leveranciers, in het bijzonder kmo’s, volgens de IAO leidt tot overproductie en uitbuiting van werknemers in de sector(64); is van mening dat oneerlijke aankooppraktijken van bedrijven, zoals het op het laatste moment wijzigen van ontwerpen of levertijden, het eenzijdig wijzigen van contracten en het op het laatste moment annuleren van bestellingen, effectief moeten worden tegengegaan; verzoekt de Commissie na te gaan hoe deze praktijken het best tot een minimum kunnen worden beperkt, onder meer door wetgeving waarbij inspiratie wordt geput en lering wordt getrokken uit de ervaring met de uitvoering van Richtlijn (EU) 2019/633(65) inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen;

86.  benadrukt dat de groene en digitale transitie van de Europese textielsector een rechtvaardige transitie in de hand moeten werken waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten; benadrukt dat de transitie naar duurzamere en meer circulaire bedrijfsmodellen in de textielindustrie een aanzienlijk potentieel biedt voor het scheppen van nieuwe zakelijke kansen, nieuwe groene banen en bij- en omscholing van werknemers, en tegelijk de mogelijkheid biedt om de arbeidsomstandigheden en de aantrekkelijkheid van de sector te verbeteren en de werknemers, die een centrale rol zullen spelen in de transitie, een beter loon te geven; erkent dat de transformatie van de sector weliswaar nieuwe banen kan creëren waarvoor nieuwe vaardigheden nodig zijn, maar dat andere soorten banen verloren zouden kunnen gaan; benadrukt het belang van een sociale dialoog van hoge kwaliteit en betrokkenheid van de nationale en regionale autoriteiten om de transitie adequaat te plannen en ervoor te zorgen dat er verzachtende maatregelen worden genomen en dat de veranderingen op maatschappelijk verantwoorde wijze worden beheerd, onder meer door ervoor te zorgen dat nieuw gecreëerde banen in de circulaire economie hoogwaardige banen zijn;

87.  verzoekt de Commissie en de lidstaten samen met de sociale partners, de industrie en andere belanghebbenden te zorgen voor sectorale opleidingen en onderwijs op het gebied van duurzaam textiel om de huidige banen veilig te stellen, de tevredenheid van de werknemers te verbeteren en de beschikbaarheid van geschoolde arbeidskrachten te waarborgen; onderstreept dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat laagbetaalde werknemers in de textielsector, ook die met de meest onzekere banen, toegang hebben tot kwalitatief hoogwaardige mogelijkheden voor een leven lang leren en opleiding, met name na perioden van afwezigheid om zorgredenen;

88.  verzoekt de Commissie en de lidstaten actoren in de sociale economie, waaronder sociale ondernemingen die actief zijn op het gebied van circulaire activiteiten, bij te staan bij hun omscholings- en bijscholingsactiviteiten;

89.  verzoekt de Commissie te zorgen voor een gelijk speelveld met een hoog niveau van milieubescherming voor producten die binnen de EU worden geproduceerd en gebruikt en voor producten die worden uitgevoerd of ingevoerd; merkt op dat de meeste kleding in de Unie wordt ingevoerd uit derde landen(66), wat bijdraagt tot schadelijke milieu- en sociale gevolgen buiten de Unie; wijst erop dat handelsbeleid een cruciale rol kan spelen bij het bijdragen aan duurzame waardeketens, met name door de effectieve handhaving van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling van de handelsovereenkomsten van de EU; is van mening dat de Unie ervoor moet zorgen dat handelsovereenkomsten en preferentiële programma’s worden gebruikt als hefboom om wereldwijd duurzame ontwikkeling, bescherming van het klimaat en het milieu, mensenrechten, arbeidsrechten, eerlijke en ethische handel en verantwoorde waardeketens te bevorderen;

90.  herinnert aan het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling en met name aan artikel 208 VWEU, waarin is bepaald dat “[d]e Unie [...] bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking”; benadrukt dat het belangrijk is om eventuele tegenstrijdigheden tot een minimum te beperken en synergieën met het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid tot stand te brengen ten behoeve van de ontwikkelingslanden en om de doeltreffendheid van de ontwikkelingssamenwerking te vergroten; benadrukt dat beleidscoherentie voor ontwikkeling belangrijk is om een geïntegreerde aanpak mogelijk te maken waarmee de SDG’s kunnen worden verwezenlijkt;

91.  moedigt de Commissie daarom ten zeerste aan om de strategie aan te vullen met bijbehorende regionale programma’s en landenprogramma’s voor ontwikkelingslanden in het kader van de initiatieven van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld en Team Europa, die meer zichtbaarheid moeten geven aan en moeten communiceren over duurzame projecten ter bevordering van bestuurshervormingen en een betere handhaving van de wetgeving, in het bijzonder de arbeidswetgeving, alsook duurzame projecten die infrastructuur voor de productie en distributie van textielproducten helpen opzetten;

92.  hekelt de vicieuze cirkel die wordt veroorzaakt door de gevolgen van de klimaatverandering en die landarbeiders ertoe noopt hun grond te verlaten omdat die niet langer geschikt is voor landbouw, naar industriecentra te verhuizen en daar te worden uitgebuit als arbeider in de kledingsector en andere industrietakken; herinnert eraan dat deze arbeidsmigranten bijzonder kwetsbaar zijn voor uitbuiting omdat zij geen sociaal vangnet hebben en door een algemeen gebrek aan sociale infrastructuur en rechtsbescherming; herinnert eraan dat het toenemende aantal droogtes en overstromingen ook katoenboeren in de hele wereld bedreigt; herinnert eraan dat katoen een bijzonder treffend voorbeeld is van bovengenoemde vicieuze cirkel, aangezien de teelt ervan gepaard gaat met overmatig watergebruik, dat schadelijk is voor de bodem, alsook met het gebruik van pesticiden, dat schadelijke gevolgen heeft voor de landbouwers en het milieu;

o
o   o

93.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 465 van 17.11.2021, blz. 11.
(2) PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.
(3) PB C 184 van 5.5.2022, blz. 2.
(4) PB C 433 van 23.12.2019, blz. 136.
(5) PB C 371 van 15.9.2021, blz. 75.
(6) PB L 114 van 12.4.2022, blz. 22.
(7) PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.
(8) PB L 272 van 18.10.2011, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0003.
(10) https://ellenmacarthurfoundation.org/a-new-textiles-economy.
(11) Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk, “ETC/WMGE Report 2/2022: Textiles and the Environment: the role of design in Europe’s circular economy” (Verslag 2/2022 van het Europees Thematisch Centrum voor afval en materialen in een groene economie: De rol van ontwerp in de circulaire economie van Europa), Europees Milieuagentschap, Europees Thematisch Centrum voor afval en materialen in een groene economie, 10 februari 2022.
(12) https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC125110.
(13) https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52022DC0141.
(14) https://hotorcool.org/wp-content/uploads/2022/12/Hot_or_Cool_1_5_fashion_report_.pdf.
(15) https://textileexchange.org/app/uploads/2022/10/Textile-Exchange_PFMR_2022.pdf.
(16) https://www.mckinsey.com/industries/consumer-packaged-goods/our-insights/consumers-care-about-sustainability-and-back-it-up-with-their-wallets.
(17) https://www.unep.org/news-and-stories/blogpost/why-fast-fashion-needs-slow-down.
(18) https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52022DC0141#:~:text=About%205.8%20million%20tonnes%20of,is%20landfilled%20or%20incinerated%205%20.
(19) https://www.eea.europa.eu/publications/textiles-in-europes-circular-economy.
(20) https://emis.vito.be/sites/emis/files/articles/91/2021/ETC-WMGE_report_final%20for%20website_updated%202020.pdf.
(21) https://www.europarl.europa.eu/news/nl/headlines/society/20201208STO93327/de-impact-van-textielproductie-en-afval-op-het-milieu-infografiek
(22) https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/QANDA_22_2015
(23) https://www.eea.europa.eu/publications/textiles-in-europes-circular-economy.
(24) https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/QANDA_22_2015
(25) https://www.eea.europa.eu/themes/waste/resource-efficiency/plastic-in-textiles-towards-a.
(26) https://changingmarkets.org/wp-content/uploads/2021/01/FOSSIL-FASHION_Web-compressed.pdf.
(27) https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC125110.
(28) https://www.eea.europa.eu/publications/eu-exports-of-used-textiles.
(29) https://euratex.eu/wp-content/uploads/EURATEX_FactsKey_Figures_2022rev-1.pdf.
(30) https://euratex.eu/wp-content/uploads/EURATEX_FactsKey_Figures_2022rev-1.pdf.
(31) https://euratex.eu/wp-content/uploads/EURATEX_FactsKey_Figures_2022rev-1.pdf.
(32) https://euratex.eu/wp-content/uploads/EURATEX_FactsKey_Figures_2022rev-1.pdf.
(33) https://euratex.eu/wp-content/uploads/EURATEX_FactsKey_Figures_2022rev-1.pdf.
(34) https://euratex.eu/wp-content/uploads/EURATEX_FactsKey_Figures_2022rev-1.pdf.
(35) https://euratex.eu/wp-content/uploads/EURATEX_FactsKey_Figures_2022rev-1.pdf.
(36) https://euratex.eu/wp-content/uploads/EURATEX_FactsKey_Figures_2022rev-1.pdf.
(37) https://www.ipcc.ch/report/ar6/wg3/downloads/report/IPCC_AR6_WGIII_SPM.pdf.
(38) https://www.eea.europa.eu/publications/microplastics-from-textiles-towards-a.
(39) https://www.eea.europa.eu/publications/microplastics-from-textiles-towards-a.
(40) https://www.europarl.europa.eu/news/nl/headlines/society/20201208STO93327/de-impact-van-textielproductie-en-afval-op-het-milieu-infografiek
(41) https://www.greenpeace.de/publikationen/S04261_Konsumwende_StudieEN_Mehr%20Schein_v9.pdf.
(42) Artikel 2, artikel 3, lid 3, VEU, artikel 8 VWEU en artikel 23 van het Handvest.
(43) Europees Parlement, Directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten, briefing, Textile workers in developing countries and the European fashion industry: Towards sustainability?, 24 juli 2020.
(44) https://cleanclothes.org/file-repository/exploitation-made.pdf/view.
(45) https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---asia/---ro-bangkok/documents/publication/wcms_848624.pdf.
(46) Clean Clothes Campaign, Another wage is possible: A cross-border base living wage in Europe.
(47) https://www.oecd.org/environment/making-climate-finance-work-for-women.htm.
(48) https://www.eea.europa.eu/publications/textiles-and-the-environment-the.
(49) https://www.eea.europa.eu/publications/textiles-and-the-environment-the.
(50) https://unfccc.int/sites/default/files/resource/20_REP_UN%20FIC%20Playbook_V7.pdf.
(51) https://www.eea.europa.eu/publications/textiles-in-europes-circular-economy.
(52) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
(53) https://www.eea.europa.eu/publications/textiles-in-europes-circular-economy.
(54) https://www.sustainably-chic.com/blog/how-the-fashion-industry-contributes-to-deforestation.
(55) https://www.collectivefashionjustice.org/articles/leather-lobbying-and-deforestation.
(56) https://www.eea.europa.eu/publications/microplastics-from-textiles-towards-a.
(57) https://www.eea.europa.eu/publications/eu-exports-of-used-textiles/eu-exports-of-used-textiles.
(58) https://ec.europa.eu/safety-gate/#/screen/pages/reports
(59) Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit, paragraaf 59 (PB C 270 van 7.7.2021, blz. 94).
(60) https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---asia/---ro-bangkok/documents/publication/wcms_836396.pdf
(61) http://www.eprs.sso.ep.parl.union.eu/filerep/upload/EPRS-Briefing-652025-Textile-workers-developing-countries-European-fashion-rev2-FINAL.pdf
(62) https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_emp/documents/publication/wcms_835423.pdf
(63) https://cleanclothes.org/file-repository/an-intersectional-approach-challenging-discrimination-in-the-garment-industry_lbl_dci-wpc-paper-final.pdf
(64) https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_protect/---protrav/---travail/documents/publication/wcms_561141.pdf
(65) PB L 111 van 25.4.2019, blz. 59.
(66) Europees Parlement, directoraat Parlementaire Onderzoeksdiensten, Briefing, “Textiles and the environment”, 3 mei 2022, te vinden op: https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/BRIE/2022/729405/EPRS_BRI(2022)729405_EN.pdf

Laatst bijgewerkt op: 3 oktober 2023Juridische mededeling - Privacybeleid