Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2022/0195(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0220/2023

Ingediende teksten :

A9-0220/2023

Debatten :

PV 11/07/2023 - 3
CRE 11/07/2023 - 3

Stemmingen :

PV 12/07/2023 - 8.6
CRE 12/07/2023 - 8.6
Stemverklaringen
PV 27/02/2024 - 7.9

Aangenomen teksten :

P9_TA(2023)0277
P9_TA(2024)0089

Aangenomen teksten
PDF 592kWORD 179k
Woensdag 12 juli 2023 - Straatsburg
Natuurherstel
P9_TA(2023)0277A9-0220/2023
Tekst
 Geconsolideerde tekst

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 juli 2023(1) op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende natuurherstel (COM(2022)0304 – C9-0208/2022 – 2022/0195(COD))(2)
AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(3)
op het voorstel van de Commissie
---------------------------------------------------------

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

[Amendement 18, tenzij anders bepaald]

(1)* Verwijzingen naar 'cp' in de kopjes van goedgekeurde amendementen worden opgevat als het overeenkomstige deel van deze amendementen.
(2) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A9-0220/2023).
(3)*Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▌aangegeven.


VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende natuurherstel

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op het niveau van de Unie moeten regels worden vastgesteld voor het herstel van ecosystemen om het herstel van de biodiversiteit en de veerkracht van de natuur op het gehele grondgebied van de Unie te waarborgen. Het herstel van ecosystemen draagt ook bij tot de doelstellingen van de Unie inzake mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering.

(2)  In de Europese Green Deal(2) is een ambitieus stappenplan vastgesteld om de Unie om te vormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, met als doel het natuurlijk kapitaal van de Unie te beschermen, te behouden en te verbeteren en de gezondheid en het welzijn van burgers te beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en effecten. In het kader van de Europese Green Deal heeft de Commissie een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030(3) vastgesteld.

(3)  De Unie en haar lidstaten hebben zich, als partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit, goedgekeurd bij Besluit 93/626/EEG van de Raad(4), verbonden tot de strategische langetermijnvisie die de Conferentie van de Partijen in 2010 heeft goedgekeurd bij Besluit X/2, “Strategic Plan for Biodiversity 2011-2020”(5), namelijk dat de biodiversiteit tegen 2050 moet worden gewaardeerd, behouden, hersteld en verstandig gebruikt, door ecosysteemdiensten te handhaven, een gezonde planeet in stand te houden en ze te laten profiteren van voordelen die essentieel zijn voor alle mensen.

(4)  Tijdens de COP 15 van het Verdrag inzake biologische diversiteit in december 2022(6) is overeenstemming bereikt over het mondiaal biodiversiteitskader met actiegerichte mondiale streefdoelen voor dringend optreden voor het decennium tot 2030 teneinde te verzekeren dat alle gebieden worden bestreken door participatieve, geïntegreerde en biodiversiteitsinclusieve ruimtelijke ordening en/of doeltreffende beheersprocessen waarbij veranderingen in land- en zeegebruik worden aangepakt; teneinde het verlies van gebieden die van groot belang zijn voor de biodiversiteit, met inbegrip van ecosystemen met een hoge ecologische integriteit, tussen nu en 2030 tot nagenoeg nul te brengen, met inachtneming van de rechten van inheemse volken en lokale gemeenschappen, zoals gesteld in de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volken (UNDRIP); teneinde te waarborgen dat tussen nu en 2030 ten minste 30 % van de aangetaste terrestrische gebieden, binnenwateren en mariene en kustecosystemen op doeltreffende wijze wordt hersteld teneinde de biodiversiteit en de functies en diensten van ecosystemen, de ecologische integriteit en de connectiviteit te verbeteren; teneinde de bijdragen van de natuur aan mensen, met inbegrip van ecosysteemfuncties en -diensten zoals de regulering van lucht, water en het klimaat, bodemgezondheid, bestuiving en ziekterisicobeperking, alsmede bescherming tegen natuurgevaren en -rampen, te herstellen, in stand te houden en te versterken door middel van op de natuur gebaseerde oplossingen en/of ecosysteemgerichte benaderingen ten behoeve van alle mensen en de natuur. Het mondiale biodiversiteitskader zal het mogelijk maken vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van de resultaatgerichte doelstellingen voor 2050.

(5)  In de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties(7), met name de doelstellingen 14.2, 15.1, 15.2 en 15.3, wordt verwezen naar de noodzaak om de instandhouding, het herstel en het duurzame gebruik te waarborgen van zoetwaterecosystemen op het land en in de binnenwateren en hun diensten, met name bossen, wetlands, bergen en drylands.

(6)  De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft in een resolutie van 1 maart 2019(8) voor de periode 2021-2030 het VN-decennium voor het herstel van ecosystemen uitgeroepen, met als doel de inspanningen om de aantasting van ecosystemen wereldwijd te voorkomen, een halt toe te roepen en om te keren, te ondersteunen en op te voeren en het bewustzijn omtrent het belang van het herstel van ecosystemen te vergroten.

(7)  De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 heeft tot doel ervoor te zorgen dat de biodiversiteit in Europa tegen 2030 op weg naar herstel is gebracht ten behoeve van de mensen, de planeet, het klimaat en onze economie. In de strategie wordt een ambitieus EU-plan voor het herstel van de natuur vastgesteld, met inbegrip van een toezegging om een voorstel in te dienen voor juridisch bindende EU-streefdoelen voor natuurherstel in het kader waarvan aangetaste ecosystemen moeten worden hersteld, met name die met het grootste potentieel om koolstof af te vangen en op te slaan, natuurrampen te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.

(8)  In zijn resolutie van 9 juni 2021(9) was het Europees Parlement zeer ingenomen met de toezegging om een wetgevingsvoorstel met bindende streefdoelen voor natuurherstel op te stellen, en was het voorts van mening dat er naast een algemeen op herstel gericht streefdoel ook ecosysteem-, habitat- en soortspecifieke op herstel gerichte streefdoelen moeten worden opgenomen die betrekking hebben op bossen, grasland, wetlands, veengebieden, bestuivers, vrij stromende rivieren, kustgebieden en mariene ecosystemen.

(9)  In zijn conclusies van 23 oktober 2020(10) erkende de Raad dat het voorkomen van een verdere achteruitgang van de huidige toestand van biodiversiteit en natuur essentieel zal zijn, maar niet voldoende om de natuur weer terug in ons leven te brengen. De Raad bevestigde dat er meer ambitie nodig is op het gebied van natuurherstel, zoals wordt voorgesteld in het nieuwe EU-plan voor het herstel van de natuur, dat maatregelen omvat om de biodiversiteit buiten de beschermde gebieden te beschermen en te herstellen. De Raad verklaarde tevens te hebben gewacht op een voorstel voor juridische streefdoelen voor natuurherstel, waarvoor een effectbeoordeling moet worden uitgevoerd.

(10)  In de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt toegezegd om ten minste 30 % van het land, met inbegrip van binnenwateren, en 30 % van de zee in de Unie wettelijk te beschermen, waarvan ten minste een derde strikt moet worden beschermd, met inbegrip van alle resterende oerbossen. In de criteria en richtsnoeren voor de aanwijzing van aanvullende beschermde gebieden door de lidstaten(11) (de “criteria en richtsnoeren”), die door de Commissie in samenwerking met de lidstaten en belanghebbenden zijn ontwikkeld, wordt benadrukt dat indien de herstelde gebieden, zodra het herstel volledig effect sorteert, voldoen of naar verwachting zullen voldoen aan de criteria voor beschermde gebieden, die herstelde gebieden ook moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de streefdoelen van de Unie inzake beschermde gebieden. In de criteria en richtsnoeren wordt ook benadrukt dat beschermde gebieden in belangrijke mate aan de op herstel gerichte streefdoelen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 kunnen bijdragen door de voorwaarden te scheppen die ervoor moeten zorgen dat op herstel gerichte inspanningen succes hebben. Dit geldt met name voor gebieden die zich op natuurlijke wijze kunnen herstellen door de druk van menselijke activiteiten weg te nemen of te beperken. Het strikt beschermen van dergelijke gebieden, ook in het mariene milieu, zal in sommige gevallen volstaan om de natuurlijke waarden die zij herbergen te herstellen. Bovendien wordt in de criteria en richtsnoeren benadrukt dat van alle lidstaten wordt verwacht dat zij bijdragen tot de verwezenlijking van de streefdoelen van de Unie inzake beschermde gebieden die zijn opgenomen in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030, in een mate die in verhouding staat tot de natuurlijke waarden die zij herbergen en het potentieel voor natuurherstel dat zij hebben.

(11)  In de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt als streefdoel vastgesteld dat de instandhoudingstrends of -toestand van beschermde habitats en soorten niet verslechteren en dat ten minste 30 % van de soorten en habitats die momenteel niet in een gunstige toestand verkeren onder die categorie zal vallen of een sterke positieve trend zal vertonen om tegen 2030 onder die categorie te vallen. In de richtsnoeren(12) die de Commissie in samenwerking met de lidstaten en belanghebbenden heeft ontwikkeld om de verwezenlijking van deze streefdoelen te ondersteunen, wordt benadrukt dat er voor de meeste van die habitats en soorten waarschijnlijk inspanningen voor instandhouding en herstel nodig zijn, hetzij door de huidige negatieve trends ervan tegen 2030 te stoppen, hetzij door de huidige stabiele of verbeterende trends te handhaven, hetzij door te voorkomen dat habitats en soorten met een gunstige staat van instandhouding achteruitgaan. In de richtsnoeren wordt voorts benadrukt dat die op herstel gerichte inspanningen in de eerste plaats op nationaal of regionaal niveau moeten worden gepland, uitgevoerd en gecoördineerd en dat bij de selectie en prioritering van de soorten en habitats die tegen 2030 moeten worden verbeterd, synergieën met andere streefdoelen van de Unie en internationale streefdoelen, met name milieu- of klimaatdoelstellingen, moeten worden nagestreefd.

(12)  In het verslag van de Commissie over de stand van de natuur van 2020(13) werd opgemerkt dat de Unie er nog niet in is geslaagd de achteruitgang van beschermde habitattypen en soorten waarvan de instandhouding van EU-belang is, te doen stoppen. Die achteruitgang wordt voornamelijk veroorzaakt door het opgeven van extensieve landbouw, de intensivering van beheerspraktijken, de verandering van hydrologische regimes, verstedelijking en verontreiniging, alsook niet-duurzame bosbouwactiviteiten en de exploitatie van soorten. Bovendien vormen uitheemse invasieve soorten en klimaatverandering grote en toenemende bedreigingen voor de inheemse flora en fauna in de Unie.

(12 bis)  De Commissie stelt in haar mededeling "Evaluatie van het handelsbeleid – Een open, duurzaam en assertief handelsbeleid"(14) dat de Europese Green Deal de nieuwe groeistrategie van de EU is, die de drijvende kracht zal zijn achter ons concurrentievermogen en zal leiden tot een geleidelijke maar grondige transformatie van onze economieën, hetgeen op zijn beurt een grote invloed zal hebben op de handelspatronen, terwijl het uitgebreide netwerk van bilaterale handelsovereenkomsten van de EU een essentieel platform vormt om met onze partners samen te werken op het gebied van klimaatverandering en biodiversiteit en derhalve vraagt om de invoering van spiegelmaatregelen, in lijn met de regels van de Wereldhandelsorganisatie. [Mondeling amendement]

(13)  Het is passend een overkoepelende doelstelling voor het herstel van ecosystemen vast te stellen om de economische en maatschappelijke transformatie, het scheppen van hoogwaardige banen en duurzame groei te bevorderen. Ecosystemen met een grote biodiversiteit, zoals wetlands, zoet water en bossen alsook landbouwecosystemen, ecosystemen met schaarse vegetatie, mariene, stedelijke en kustecosystemen leveren, indien zij in goede toestand verkeren, een scala aan essentiële ecosysteemdiensten, en de voordelen van het in goede toestand herstellen van aangetaste ecosystemen in alle land- en zeegebieden wegen ruimschoots op tegen de kosten van herstel. Deze diensten dragen bij tot een breed scala aan sociaaleconomische voordelen, afhankelijk van de economische, sociale, culturele, regionale en lokale kenmerken.

(14)  De Statistische Commissie heeft tijdens haar 52e zitting in maart 2021 het systeem van milieu-economische rekeningen – ecosysteemboekhouding (SEEA EA)(15) aangenomen. SEEA EA vormt een geïntegreerd en alomvattend statistisch kader voor het organiseren van gegevens over habitats en landschappen, het meten van de omvang, toestand en diensten van ecosystemen, het volgen van veranderingen in ecosysteemactiva en het koppelen van deze informatie aan economische en andere menselijke activiteiten.

(15)  Het waarborgen van ecosystemen met een goede biodiversiteit en het aanpakken van de klimaatverandering zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De natuur en op de natuur gebaseerde oplossingen, waaronder natuurlijke koolstofvoorraden en -putten, zijn van fundamenteel belang voor de bestrijding van de klimaatcrisis. Tegelijkertijd zorgt de klimaatcrisis al voor een verandering van terrestrische en mariene ecosystemen en moet de Unie zich voorbereiden op de toenemende intensiteit, frequentie en alomtegenwoordigheid van de effecten ervan. In het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC)(16) over de gevolgen van de opwarming van de aarde met 1,5 °C wordt erop gewezen dat sommige effecten langdurig of onomkeerbaar kunnen zijn. In het zesde beoordelingsverslag van de IPCC(17) wordt gesteld dat het herstel van ecosystemen van fundamenteel belang zal zijn om klimaatverandering te helpen bestrijden en ook om de risico’s voor de voedselzekerheid te verminderen. Het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) beschouwde in zijn mondiaal evaluatieverslag van 2019 over biodiversiteit en ecosysteemdiensten(18) klimaatverandering als een belangrijke oorzaak van veranderingen in de natuur. Het verwachtte dat de effecten ervan in de komende decennia zullen toenemen en in bepaalde gevallen meer impact zullen hebben dan andere oorzaken van veranderingen in ecosystemen, zoals veranderingen in land- en zeegebruik.

(16)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad(19) bevat een bindende doelstelling inzake klimaatneutraliteit in de Unie uiterlijk in 2050 en inzake negatieve emissies daarna, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan snelle en voorspelbare emissiereducties en tegelijkertijd verwijderingen per natuurlijke put moet worden verbeterd. Herstel van ecosystemen kan er in belangrijke mate toe bijdragen dat natuurlijke koolstofputten worden behouden, beheerd en verbeterd en dat de biodiversiteit wordt bevorderd en tegelijkertijd de klimaatverandering wordt bestreden. Verordening (EU) 2021/1119 vereist ook dat de desbetreffende instellingen van de Unie en de lidstaten zorgen voor voortdurende vooruitgang bij het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, en het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering. De verordening schrijft ook voor dat de lidstaten aanpassing aan de klimaatverandering integreren in alle beleidsterreinen en dat zij op de natuur gebaseerde oplossingen(20) en op ecosystemen gebaseerde aanpassing bevorderen.

(17)  In de mededeling van de Commissie van 2021 over aanpassing aan de klimaatverandering(21) wordt benadrukt dat op de natuur gebaseerde oplossingen moeten worden bevorderd en wordt erkend dat kosteneffectieve aanpassing aan de klimaatverandering kan worden bereikt door het beschermen en herstellen van wetlands, veengebieden en kust- en mariene ecosystemen, het creëren van stedelijke groene ruimten en het aanleggen van groene daken en gevels, en het bevorderen en duurzaam beheren van bossen en landbouwgrond. Een groter aantal ecosystemen met een grote biodiversiteit zorgt voor een grotere weerbaarheid tegen klimaatverandering en maakt het mogelijk om rampen doeltreffender te bestrijden en te voorkomen.

(18)  Het klimaatbeleid van de Unie wordt herzien om de in Verordening (EU) 2021/1119 voorgestelde koers te volgen om de netto-emissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van 1990. Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordeningen (EU) 2018/841 en (EU) 2018/1999(22) heeft met name tot doel de bijdrage van de landsector aan de algemene klimaatambitie voor 2030 te vergroten en brengt de doelstellingen wat betreft de boekhouding met betrekking tot emissies en verwijderingen in de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (“land use, land use change and forestry”, LULUCF) in overeenstemming met gerelateerde beleidsinitiatieven op het gebied van biodiversiteit. In dat voorstel wordt de nadruk gelegd op de noodzaak om op de natuur gebaseerde koolstofverwijderingen te beschermen en te verbeteren, de klimaatveerkracht van ecosystemen te vergroten, aangetaste bodems en ecosystemen te herstellen en veengebieden te vernatten. Het heeft voorts tot doel de monitoring van en de verslaglegging over broeikasgasemissies en verwijderingen van land dat beschermd en hersteld moet worden, te verbeteren. In dit verband is het belangrijk dat ecosystemen in alle categorieën land, met inbegrip van bossen, grasland, bouwland en wetlands, in goede toestand verkeren om koolstof op doeltreffende wijze te kunnen afvangen en opslaan.

(19)  Geopolitieke ontwikkelingen hebben nogmaals aangetoond dat de veerkracht van de voedselsystemen moet worden beschermd(23). Er is aangetoond dat het herstel van agro-ecosystemen op lange termijn positieve gevolgen heeft voor de voedselproductiviteit en dat het herstel van de natuur fungeert als een verzekeringspolis om de duurzaamheid en veerkracht van de EU op lange termijn te waarborgen.

(20)  In het eindverslag van de Conferentie over de toekomst van Europa roepen de burgers de Unie op de biodiversiteit, het landschap en de oceanen te beschermen en te herstellen, verontreiniging uit te bannen en kennis, bewustzijn, onderwijs en dialogen over het milieu, de klimaatverandering, energieverbruik en duurzaamheid te stimuleren(24).

(21)  Het herstel van ecosystemen zal, in combinatie met inspanningen om de handel in en de consumptie van wilde dieren en planten te verminderen, ook helpen om mogelijke toekomstige overdraagbare ziekten met zoönotisch potentieel te voorkomen en de weerbaarheid ertegen te vergroten, waardoor het risico op uitbraken en pandemieën afneemt, en zal bijdragen tot de ondersteuning van de inspanningen op EU- en mondiaal niveau om de “één gezondheid”-benadering toe te passen, waarin het intrinsieke verband tussen menselijke gezondheid, diergezondheid en een gezonde, veerkrachtige natuur wordt erkend.

(22)  Bodems maken integraal deel uit van terrestrische ecosystemen. De Commissie wijst in haar mededeling van 2021 “EU-bodemstrategie voor 2030”(25) op de noodzaak om aangetaste bodems te herstellen en de bodembiodiversiteit te verbeteren. Het Mondiaal Mechanisme en het secretariaat van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming hebben het programma voor het stellen van doelen inzake de neutraliteit van de bodemdegradatie opgezet om landen te helpen tussen nu en 2030 neutraliteit van de bodemdegradatie te bereiken.

(23)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(26) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(27) hebben tot doel de bescherming, de instandhouding en het voortbestaan op lange termijn van de meest waardevolle en bedreigde soorten en habitats van Europa en de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken te waarborgen. Natura 2000, dat in 1992 werd opgericht en het grootste gecoördineerde netwerk van beschermde gebieden ter wereld is, is het belangrijkste instrument voor de verwezenlijking van de doelstellingen van die twee richtlijnen. Deze verordening moet, net als de twee bovengenoemde richtlijnen, van toepassing zijn op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de Verdragen van toepassing zijn, en moet derhalve ook worden afgestemd op Richtlijn 2008/56/EG.

(24)  Er zijn al een kader en richtsnoeren(28) voor het bepalen van de goede toestand van de op grond van Richtlijn 92/43/EEG beschermde habitattypen en voor het bepalen van toereikende kwaliteit en kwantiteit van de habitats van soorten die binnen het toepassingsgebied van die richtlijn vallen. Op basis van dat kader en die richtsnoeren kunnen op herstel gerichte streefdoelen voor die habitattypen en habitats van soorten worden vastgesteld. Een dergelijk herstel zal echter niet volstaan om het verlies aan biodiversiteit om te buigen en alle ecosystemen te herstellen. Daarom moeten er op basis van specifieke indicatoren aanvullende verplichtingen worden vastgesteld om de biodiversiteit van bredere ecosystemen te verbeteren.

(25)  Voortbouwend op de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG en om de verwezenlijking van de in die richtlijnen vastgestelde doelstellingen te ondersteunen, moeten de lidstaten herstelmaatregelen treffen om te voorzien in het herstel van beschermde habitats en soorten, met inbegrip van wilde vogels, in alle gebieden van de Unie, ook in gebieden die buiten Natura 2000 vallen.

(26)  Richtlijn 92/43/EEG heeft tot doel de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten die voor de Unie van belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. De richtlijn voorziet echter niet in een termijn om dat doel te bereiken. Richtlijn 2009/147/EG bevat evenmin een termijn voor het herstel van vogelpopulaties in de Unie.

(27)  Derhalve moeten er termijnen worden vastgesteld voor het nemen van herstelmaatregelen binnen en buiten Natura 2000-gebieden, teneinde de toestand van beschermde habitattypen in de gehele Unie geleidelijk te verbeteren en deze te herstellen totdat het gunstige referentiegebied dat nodig is om een gunstige staat van instandhouding van die habitattypen in de Unie te bereiken, is verwezenlijkt. Om de lidstaten de nodige flexibiliteit te bieden om grootschalige op herstel gerichte inspanningen te leveren, is het passend habitattypen te groeperen op basis van het ecosysteem waartoe zij behoren en de tijdgebonden en gekwantificeerde gebiedsgebonden streefdoelen voor groepen habitattypen vast te stellen. Dit zal de lidstaten in staat stellen te kiezen welke habitats het eerst binnen de groep moeten worden hersteld.

(28)  Soortgelijke voorwaarden moeten worden vastgesteld voor de habitats van soorten die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallen en voor habitats van wilde vogels die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/147/EG vallen; daarbij moet bijzondere aandacht worden besteed aan de verbindingen die tussen beide habitats nodig zijn om de soortenpopulaties te laten floreren.

(29)  De herstelmaatregelen voor habitattypen moeten toereikend en geschikt zijn om zo snel mogelijk een goede toestand te bereiken en de gunstige referentiegebieden te verwezenlijken, opdat zij hun gunstige staat van instandhouding bereiken. Het is belangrijk dat de herstelmaatregelen de maatregelen zijn die nodig zijn om de tijdgebonden en gekwantificeerde gebiedsgebonden streefdoelen te halen. Het is ook noodzakelijk dat de herstelmaatregelen voor de habitats van de soorten toereikend en geschikt zijn om hun toereikende kwaliteit en kwantiteit zo snel mogelijk te bereiken teneinde de gunstige staat van instandhouding van de soorten te bereiken.

(29 bis)  Herstelmaatregelen in het kader van deze verordening die tot doel hebben bepaalde in bijlage I genoemde habitattypen, zoals grasland-, heide- of wetlandhabitats, te herstellen of in stand te houden, kunnen in sommige gevallen betekenen dat bos wordt verwijderd om weer over te gaan op op instandhouding gericht beheer, dat activiteiten als maaien of grazen kan omvatten. Natuurherstel en het stoppen van ontbossing zijn beide belangrijke en elkaar versterkende milieudoelstellingen. De Commissie zal, zoals aangekondigd in overweging 36 van Verordening (EU) [XXXX/2023] van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 995/2010, richtsnoeren opstellen om de interpretatie van de definitie van “landbouwgebruik” in artikel 2 van die verordening te verduidelijken, met name wat betreft de omzetting van bos naar grond die niet voor landbouwgebruik is bestemd.

(30)  Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de herstelmaatregelen die in het kader van deze verordening worden genomen een concrete en meetbare verbetering van de toestand van de ecosystemen opleveren, zowel op het niveau van de afzonderlijke gebieden die worden hersteld als op nationaal en Unieniveau.

(31)  Om ervoor te zorgen dat de herstelmaatregelen doeltreffend zijn en dat de resultaten ervan mettertijd kunnen worden gemeten, is het, met het oog op de verbetering van de toestand van habitats die binnen het toepassingsgebied van bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG vallen, en het herstel van die habitats en de verbetering van hun verbindingen, van essentieel belang dat de gebieden waarop dergelijke herstelmaatregelen van toepassing zijn, voortdurend verbeteren totdat een goede toestand is bereikt.

(32)  Het is ook van essentieel belang dat de gebieden waarop herstelmaatregelen van toepassing zijn met het oog op de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van de habitats van soorten die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallen, alsook van de habitats van wilde vogels die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/147/EG vallen, voortdurend verbeteren om bij te dragen tot het bereiken van toereikende kwantiteit en kwaliteit van de habitats van die soorten.

(33)  Het is belangrijk om te zorgen voor een geleidelijke toename van het aantal gebieden met habitattypen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallen die in goede toestand verkeren op het grondgebied van de lidstaten en van de Unie als geheel, totdat het gunstige referentiegebied voor elk habitattype is bereikt en ten minste 90 % van dat gebied op het niveau van de lidstaat in goede toestand verkeert, zodat die habitattypen in de Unie een gunstige staat van instandhouding kunnen bereiken.

(34)  Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat de kwaliteit en kwantiteit van de habitats van soorten die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallen en van habitats van wilde vogels die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/147/EG vallen geleidelijk verbeteren, op het grondgebied van de lidstaten en uiteindelijk in de gehele Unie, totdat die toereikend zijn om het voortbestaan van die soorten op lange termijn te waarborgen.

(35)  Het is belangrijk dat ▌ gebieden met habitattypen die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen en waarvoor herstelmaatregelen gelden, voortdurend verbeteren totdat er een goede toestand wordt bereikt, en dat zij daarna niet significant verslechteren, opdat het behoud ervan op lange termijn of het bereiken van een goede toestand niet in het gedrang komt. Daarnaast is het van belang dat de lidstaten zich trachten in te spannen om significante verslechtering te voorkomen van gebieden met deze habitattypen die hetzij reeds in goed toestand verkeren, hetzij niet in goede toestand verkeren en waarvoor nog geen herstelmaatregelen gelden. Dergelijke maatregelen zijn belangrijk om de herstelbehoeften in de toekomst niet verder te vergroten en moeten gericht zijn op gebieden van habitattypen, zoals door de lidstaten in hun nationale herstelplan vastgelegd, die herstel behoeven met het oog op het verwezenlijken van de op herstel gerichte streefdoelen. Het is ▌passend de mogelijkheid van overmacht, bijvoorbeeld natuurrampen, in overweging te nemen, die kan leiden tot verslechtering van gebieden met die habitattypen, alsook van onvermijdelijke habitattransformaties die rechtstreeks het gevolg zijn van de klimaatverandering. Buiten Natura 2000-gebieden is het passend ook te kijken naar het resultaat van een plan of project van groot openbaar belang waarvoor geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn. Voor gebieden die hersteld moeten worden, moet dit per geval worden bepaald. Voor Natura 2000-gebieden, wordt voor plannen en projecten toestemming verleend overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG. Wanneer een gebied, als het gewenste resultaat van een herstelmaatregel, wordt omgevormd van een habitattype in een ander habitattype dat binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, mag het gebied niet als verslechterend worden beschouwd.

(35 bis)  Voor de toepassing van de afwijkingen van de verplichtingen tot voortdurende verbetering en niet-verslechtering buiten Natura 2000-gebieden in deze verordening moeten de lidstaten als uitgangspunt nemen dat installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en opslagvoorzieningen van dwingend openbaar belang zijn. De lidstaten kunnen besluiten de toepassing van dit uitgangspunt in naar behoren gerechtvaardigde en specifieke omstandigheden, zoals redenen in verband met nationale defensie, te beperken. Daarnaast kunnen de lidstaten voor de toepassing van deze afwijkingen bepalen dat er voor deze projecten niet hoeft te worden aangetoond dat er geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, mits de projecten voorwerp zijn geweest van een strategische milieubeoordeling of een milieueffectbeoordeling. Door dergelijke installaties als van dwingend openbaar belang te beschouwen en, in voorkomend geval, de vereiste om minder schadelijke alternatieve oplossingen te beoordelen, te beperken, zou van dergelijke projecten een vereenvoudigde beoordeling kunnen worden verricht ten aanzien van de afwijkingen van de beoordeling van dwingend openbaar belang in het kader van deze verordening.

(35 ter)  Activiteiten met defensie of nationale veiligheid als enige doel moeten de hoogste prioriteit krijgen. Daarom kunnen de lidstaten bij het treffen van herstelmaatregelen gebieden die uitsluitend voor de nationale defensie worden gebruikt, vrijstellen indien deze maatregelen onverenigbaar worden geacht met het voortgezette militaire gebruik van de betrokken gebieden. Bovendien moet het de lidstaten, voor de toepassing van de bepalingen inzake afwijkingen van de verplichtingen tot voortdurende verbetering en niet-verslechtering buiten Natura 2000-gebieden in deze verordening, worden toegestaan plannen en projecten met betrekking tot dergelijke activiteiten als van dwingend openbaar belang te beschouwen. De lidstaten kunnen tevens bepalen dat voor deze projecten niet hoeft te worden aangetoond dat er geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, maar zij moeten wel, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is, maatregelen nemen om de gevolgen voor de habitattypen te verzachten indien zij deze vrijstelling toepassen.

(36)  In de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt benadrukt dat er krachtiger moet worden opgetreden om aangetaste mariene ecosystemen te herstellen, met inbegrip van koolstofrijke ecosystemen en belangrijke paai- en kraamgebieden. In de strategie wordt ook aangekondigd dat de Commissie een nieuw actieplan voor de instandhouding van de visbestanden en de bescherming van de mariene ecosystemen zal voorstellen.

(37)  De in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen mariene habitattypen zijn ruim gedefinieerd en omvatten veel ecologisch verschillende subtypen met een verschillend herstelpotentieel, waardoor het voor de lidstaten moeilijk is passende herstelmaatregelen op het niveau van die habitattypen vast te stellen. De mariene habitattypen moeten daarom nader worden gespecificeerd aan de hand van relevante niveaus van de classificatie van mariene habitats in het natuurinformatiesysteem van de EU. De lidstaten moeten gunstige referentiegebieden vaststellen om de gunstige staat van instandhouding van elk van die habitattypen te bereiken, voor zover die referentiegebieden niet reeds in andere wetgeving van de Unie aan de orde komen. De groep mariene habitattypen met zacht sediment, die overeenkomen met bepaalde brede benthische habitattypen die in Richtlijn 2008/56/EG zijn gespecificeerd, is breed vertegenwoordigd in de mariene wateren van verschillende lidstaten. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan de geleidelijk ingevoerde herstelmaatregelen te beperken tot een kleiner deel van het gebied van deze habitattypen die niet in goede toestand verkeren, op voorwaarde dat dit niet verhindert dat een goede milieutoestand, zoals bepaald overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, wordt bereikt of behouden, met name rekening houdend met de overeenkomstig artikel 9, lid 3, van die richtlijn vastgestelde drempelwaarden voor de descriptoren 1 en 6, voor de omvang van het verlies van deze habitattypen, voor negatieve effecten op de toestand van deze habitattypen en voor de maximaal toelaatbare omvang van die negatieve effecten.

(38)  Wanneer voor de bescherming van kust- en mariene habitats visserij- of aquacultuuractiviteiten moeten worden gereglementeerd, is het gemeenschappelijk visserijbeleid van toepassing. In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad(29) is met name bepaald dat in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid op het visserijbeheer de ecosysteemgerichte benadering wordt toegepast, om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. In die verordening is ook bepaald dat er met dat beleid naar wordt gestreefd aantasting van het mariene milieu door aquacultuur- en visserijactiviteiten te voorkomen.

(39)  Om de doelstelling van continu, langdurig en duurzaam herstel van de biodiversiteit en de veerkracht van de natuur te verwezenlijken, moeten de lidstaten de mogelijkheden die het gemeenschappelijk visserijbeleid biedt optimaal benutten. De lidstaten kunnen onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie met betrekking tot de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee binnen de grens van 12 zeemijl niet-discriminerende maatregelen nemen voor de instandhouding en het beheer van visbestanden, en om de staat van instandhouding van mariene ecosystemen te handhaven of te verbeteren. Daarnaast kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer besluiten gemeenschappelijke aanbevelingen in te dienen voor instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om verplichtingen uit hoofde van de milieuwetgeving van de Unie na te komen. Dergelijke maatregelen zullen worden beoordeeld en vastgesteld overeenkomstig de regels en procedures van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

(40)  Op grond van Richtlijn 2008/56/EG moeten de lidstaten bilateraal en in het kader van regionale en subregionale samenwerkingsmechanismen samenwerken, onder meer via regionale zeeverdragen(30), en met betrekking tot visserijmaatregelen ook in de context van de regionale groepen die in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid zijn opgericht.

(41)  Het is belangrijk dat er ook herstelmaatregelen worden getroffen voor de habitats van bepaalde mariene soorten, zoals haaien en roggen, die bijvoorbeeld binnen het toepassingsgebied van het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten of van de lijsten van bedreigde soorten van de Europese regionale zeeverdragen, maar buiten het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallen, aangezien zij een belangrijke rol spelen in het ecosysteem.

(42)  Om het herstel en de voorkoming van de achteruitgang van terrestrische, zoetwater-, kust- en mariene habitats te ondersteunen, kunnen de lidstaten extra gebieden aanwijzen als “beschermde gebieden” of “strikt beschermde gebieden”, om andere doeltreffende gebiedsgebonden instandhoudingsmaatregelen uit te voeren en om maatregelen voor het behoud van particuliere grond te bevorderen.

(43)  Stedelijke ecosystemen maken ongeveer 22 % van het landoppervlak van de Unie uit en vormen het gebied waarin de meerderheid van de burgers van de Unie woont. Stedelijke groene ruimten omvatten onder meer stadsbossen, -parken en -tuinen, stadsboerderijen, met bomen omzoomde straten, stadsweiden en -heggen. Net als de andere door deze verordening bestreken ecosystemen voorzien stedelijke ecosystemen in belangrijke habitats voor biodiversiteit, met name voor planten, vogels en insecten, met inbegrip van bestuivers. Zij leveren ook tal van andere vitale ecosysteemdiensten, waaronder beperking en beheersing van het risico op natuurrampen (bv. overstromingen, warmte-eilandeffecten), koeling, recreatie, filtering van lucht en water, alsook klimaatmitigatie en -adaptatie. De uitbreiding van de stedelijke groene ruimte is een belangrijke parameter voor het vergroten van het vermogen van stedelijke ecosystemen om deze belangrijke diensten te bieden. Het vergroten van de groenbedekking in een stedelijk gebied vertraagt de waterafstroming (wat het risico op verontreiniging van waterlopen ten gevolge van overstorting van hemelwater vermindert), helpt de zomertemperaturen te beperken en de klimaatbestendigheid te vergroten, en biedt de natuur extra ruimte om in te gedijen. Het vergroten van het niveau van stedelijke groene ruimte zal in veel gevallen de gezondheid van het stedelijke ecosysteem verbeteren. Gezonde stedelijke ecosystemen zijn dan weer van essentieel belang voor het ondersteunen van de gezondheid van andere belangrijke Europese ecosystemen: ze sluiten aan op natuurgebieden in het omringende platteland, verbeteren de gezondheid van de waterlopen buiten de stad, bieden een toevluchtsoord en broedplaats voor vogel- en bestuiversoorten die verbonden zijn met landbouw- en boshabitats, en bieden belangrijke habitats voor bijvoorbeeld trekvogels.

(44)  Maatregelen om ervoor te zorgen dat het door stedelijke groene ruimten, met name bomen, bestreken gebied niet langer het risico loopt te worden verkleind, moeten sterk worden aangescherpt. Om ervoor te zorgen dat stedelijke groene ruimten de nodige ecosysteemdiensten blijven leveren, moet het verlies ervan een halt worden toegeroepen en moeten zij worden hersteld en uitgebreid, onder meer door groene infrastructuur en op de natuur gebaseerde oplossingen ▌, zoals groene daken en gevels, te integreren in het ontwerp van gebouwen. Op die manier wordt er niet enkel toe bijgedragen dat het door de stedelijke groene ruimte bestreken gebied toeneemt, maar ook, indien de integratie bomen omvat, de oppervlakte van de stedelijke boomkroonbedekking.

(44 bis)   Door de toename van kunstmatige lichtbronnen is lichtvervuiling een pertinent probleem geworden. De bronnen ervan zijn buiten- en binnenverlichting van gebouwen, reclame, commerciële terreinen, kantoren, fabrieken, straatverlichting en verlichte sportlocaties. Lichtvervuiling is een belangrijke factor van dalende insectenpopulaties. Veel insecten worden aangetrokken door licht, maar in het geval van kunstmatige verlichting kan die aantrekkingskracht een fatale afloop hebben. De afname van insectenpopulaties heeft negatieve gevolgen voor alle soorten die voor voedsel of bestuiving afhankelijk zijn van insecten. Sommige roofdieren maken gebruik van deze aantrekkingskracht, met onvoorziene gevolgen voor voedselketens. [Am. 2]

(45)  De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 vereist meer inspanningen om zoetwaterecosystemen en de natuurlijke functies van rivieren te herstellen. Het herstel van zoetwaterecosystemen moet inspanningen omvatten om de natuurlijke verbindingen ▌ van rivieren en hun oeverstroken en overstromingsgebieden te herstellen, onder andere door kunstmatige barrières weg te nemen met het oog op het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van rivieren, meren en alluviale habitats en soorten die leven in de habitats die onder de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG vallen, en door de verwezenlijking van een van de belangrijkste doelstellingen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030, namelijk het herstel van ten minste 25 000 km aan vrij stromende rivieren, zoals beoordeeld ten opzichte van 2020 toen de strategie werd bekendgemaakt. Bij het wegnemen van barrières moeten de lidstaten in de eerste plaats barrières verwijderen die niet langer nodig zijn voor de opwekking van hernieuwbare energie, de binnenvaart, de watervoorziening of andere gebruiksdoeleinden.

(46)  In de Unie is het aantal bestuivers de afgelopen decennia drastisch gedaald, waarbij van één op de drie bijensoorten en vlindersoorten de populatie afneemt en een op de tien soorten op het punt van uitsterven staat. Bestuivers bestuiven in het wild groeiende en geteelde gewassen en zijn daardoor van essentieel belang voor de werking van terrestrische ecosystemen, het welzijn van de mens en de voedselzekerheid. Bijna 5 000 000 000 EUR van de jaarlijkse landbouwproductie van de EU is rechtstreeks toe te schrijven aan bestuivende insecten(31).

(47)  De Commissie is op 1 juni 2018 van start gegaan met het EU-initiatief inzake bestuivers(32), naar aanleiding van oproepen van het Europees Parlement en de Raad om de daling van het aantal bestuivers aan te pakken. Uit het voortgangsverslag over de uitvoering van het initiatief(33) blijkt dat er aanzienlijke uitdagingen blijven bestaan bij het aanpakken van de oorzaken van de daling van het aantal bestuivers, met inbegrip van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het Europees Parlement(34) en de Raad(35) riepen op tot krachtiger maatregelen om de daling van het aantal bestuivers aan te pakken en tot de instelling van een Uniebreed monitoringkader voor bestuivers, en tot duidelijke doelstellingen en indicatoren met betrekking tot de verbintenis om de daling van het aantal bestuivers om te keren. De Europese Rekenkamer heeft de Commissie aanbevolen passende governance- en monitoringmechanismen op te zetten voor maatregelen om bedreigingen voor bestuivers aan te pakken(36). Op 24 januari 2023 heeft de Commissie een herzien EU-initiatief inzake bestuivers gepresenteerd(37). De herziene versie bevat maatregelen die de EU en haar lidstaten moeten nemen om de daling van het aantal bestuivers tussen nu en 2030 om te keren.

(48)  Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen [voor goedkeuring op 22 juni 2022, titel en nummer van de vastgestelde handeling invoegen wanneer beschikbaar] beoogt een van de oorzaken van de daling van het aantal bestuivers te reglementeren door middel van een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen in ecologisch kwetsbare gebieden, waarvan er vele onder deze verordening vallen, zoals gebieden die bestuiversoorten in stand houden die volgens de Europese rode lijsten(38) met uitsterven worden bedreigd.

(49)  Duurzame en veerkrachtige landbouwecosystemen met een goede biodiversiteit zijn nodig om te zorgen voor veilig, duurzaam, voedzaam en betaalbaar voedsel. Landbouwecosystemen met een rijke biodiversiteit vergroten tevens de weerbaarheid van de landbouw tegen klimaatverandering en milieurisico’s, waarborgen tegelijkertijd voedselveiligheid en voedselzekerheid en scheppen nieuwe banen in plattelandsgebieden, met name banen die verband houden met biologische landbouw, plattelandstoerisme en recreatie. Derhalve moet de Unie de biodiversiteit op haar landbouwgrond verbeteren door middel van een reeks bestaande praktijken die gunstig zijn voor of verenigbaar zijn met de verbetering van de biodiversiteit, met inbegrip van extensieve landbouw. Extensieve landbouw is van vitaal belang voor de instandhouding van veel soorten en habitats in gebieden met een rijke biodiversiteit. Er zijn veel extensieve landbouwmethoden met talrijke en aanzienlijke voordelen voor de bescherming van de biodiversiteit, ecosysteemdiensten en landschapselementen, zoals precisielandbouw, biologische landbouw, agro-ecologie, agrobosbouw en laagintensief gebruikt blijvend grasland.

(50)  Er moeten herstelmaatregelen worden genomen om de biodiversiteit van landbouwecosystemen in de gehele Unie te verbeteren, ook in de gebieden waar geen habitattypen voorkomen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallen. Bij gebrek aan een gemeenschappelijke methode voor de beoordeling van de toestand van landbouwecosystemen op basis waarvan specifieke streefdoelen voor het herstel van landbouwecosystemen zouden kunnen worden vastgesteld, is het passend een algemene verplichting vast te stellen om de biodiversiteit in landbouwecosystemen te verbeteren en de naleving van die verplichting te meten op basis van bestaande indicatoren.

(51)  Aangezien akker- en weidevogels bekende en algemeen erkende belangrijke indicatoren voor de gezondheid van landbouwecosystemen zijn, is het passend streefdoelen voor het herstel ervan vast te stellen. De verplichting om die streefdoelen te behalen zou gelden voor de lidstaten en niet voor individuele landbouwers. De lidstaten moeten deze doelstellingen bereiken door doeltreffende herstelmaatregelen op landbouwgrond in te voeren en samen te werken met en steun te verlenen aan landbouwers en andere belanghebbenden bij het ontwerp en de uitvoering ervan in de praktijk.

(52)  Landschapselementen met grote diversiteit op landbouwgrond, waaronder bufferstroken, roterende of niet-roterende braakgrond, houtwallen, afzonderlijke bomen of groepen bomen, boomrijen, akkerranden, kleine stukken grond, sloten, waterlopen, kleine wetlands, terrassen, cairns, stapelmuren, kleine vijvers en cultuurelementen, bieden plaats aan wilde planten en dieren, met inbegrip van bestuivers, voorkomen bodemerosie en -uitputting, filteren lucht en water, ondersteunen mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering alsook de landbouwproductiviteit van gewassen die van bestuiving afhankelijk zijn. Vruchtdragende bomen die deel uitmaken van agrobosbouw op bouwland en vruchtdragende elementen in niet-vruchtdragende heggen mogen eveneens als biodiversiteitsrijke landschapselementen worden beschouwd indien zij niet bemest worden en niet worden behandeld met pesticiden en indien de oogst enkel plaatsvindt op momenten waarop de grote biodiversiteit niet in het gedrang komt. Daarom moet er een voorschrift worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat het percentage landbouwgrond met landschapselementen met grote diversiteit steeds groter wordt. ▌Voor andere bestaande indicatoren, zoals de graslandvlinderindex en de voorraad organische koolstof in minerale bodems onder bouwland, moeten stijgende trends worden gerealiseerd. [Am. 14]

(53)  Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) heeft tot doel milieubescherming, met inbegrip van biodiversiteit, te ondersteunen en te versterken. Een van de specifieke doelstellingen van het beleid is bijdragen tot het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot de versterking van ecosysteemdiensten en tot de instandhouding van habitats en landschappen. De nieuwe GLB-conditionaliteitsnorm nr. 8 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC 8)(39) vereist dat begunstigden van areaalgerelateerde betalingen ten minste 4 % van het bouwland op bedrijfsniveau voorbehouden voor niet-productieve gebieden en kenmerken, met inbegrip van braakliggend land, en dat zij bestaande landschapselementen behouden. Het aandeel van 4 % dat moet worden toegekend aan de naleving van die GLMC-norm kan worden verlaagd tot 3 % indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan(40). Deze verplichting zal ertoe bijdragen dat de lidstaten een positieve trend op het gebied van landschapselementen met grote diversiteit op landbouwgrond bereiken. Daarnaast hebben de lidstaten in het kader van het GLB de mogelijkheid om ecoregelingen op te zetten voor landbouwpraktijken die landbouwers op landbouwarealen toepassen en die het onderhoud en de creatie van landschapselementen of niet-productieve arealen kunnen omvatten. Evenzo kunnen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen ook agromilieuklimaatverbintenissen opnemen, waaronder een verbeterd beheer van landschapselementen dat verder gaat dan conditionaliteit GLMC 8 en/of ecoregelingen. LIFE-projecten op het gebied van natuur en biodiversiteit zullen er ook toe bijdragen dat de biodiversiteit van Europa op landbouwgrond tegen 2030 op weg is naar herstel, door de uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2009/147/EG en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 te ondersteunen.

(54)  Het herstellen en vernatten(41) van organische bodems(42) die voor landbouwdoeleinden (namelijk als grasland of voor de teelt van gewassen) worden gebruikt en die ontwaterde veengebieden vormen, helpt aanzienlijke voordelen voor de biodiversiteit te creëren, een belangrijke vermindering van broeikasgasemissies en andere milieuvoordelen te verwezenlijken, en draagt tegelijkertijd bij tot een divers agrarisch landschap. De lidstaten kunnen kiezen uit een brede waaier aan herstelmaatregelen voor ontwaterde veengebieden die voor landbouwdoeleinden worden gebruikt, gaande van het omzetten van bouwland in blijvend grasland en extensiveringsmaatregelen in combinatie met verminderde drainage tot volledige vernatting met de mogelijkheid om paludicultuur toe te passen, of het aanleggen van de vegetatie waaruit het veen bestaat. De belangrijkste klimaatvoordelen vloeien voort uit het herstel en de vernatting van akkerland, gevolgd door het herstel van intensief grasland. Om een flexibele uitvoering van de hersteldoelstelling voor ontwaterde veengebieden die voor landbouwdoeleinden worden gebruikt mogelijk te maken, kunnen de lidstaten de herstelmaatregelen en het vernatten van ontwaterde veengebieden in gebieden waar turf wordt gewonnen, alsook, tot op zekere hoogte, het herstel en het vernatten van ontwaterde veengebieden onder ander landgebruik (bijvoorbeeld bos) beschouwen als een bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen voor ontwaterde veengebieden die voor landbouwdoeleinden worden gebruikt. Indien dit naar behoren gerechtvaardigd is en indien de vernatting van ontwaterde veengebieden voor landbouwdoeleinden niet kan worden uitgevoerd wegens aanzienlijke negatieve gevolgen voor gebouwen, infrastructuur, klimaatadaptatie of andere openbare belangen en het niet haalbaar is veengebieden te vernatten onder andere vormen van grondgebruik, kunnen de lidstaten een lager niveau van te vernatten veengebieden bepalen.

(55)  Om de voordelen van de biodiversiteit ten volle te benutten, moeten het herstel en de vernatting van ontwaterde veengebieden meer gebieden bestrijken dan de gebieden van de in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen habitattypen van wetlands die moeten worden hersteld. Gegevens over de omvang van organische bodems en hun broeikasgasemissies en -verwijderingen worden gemonitord en beschikbaar gesteld via verslaglegging door de LULUCF-sector in de in het kader van het UNFCCC ingediende nationale broeikasgasinventarissen van de lidstaten. Herstelde en vernatte veengebieden kunnen nog steeds op andere manieren productief worden gebruikt. Paludicultuur, het bedrijven van landbouw op natte veengebieden, kan bijvoorbeeld bestaan uit het telen van verschillende rietsoorten, bepaalde vormen van hout, het telen van blauwe bosbessen en veenbessen, landbouw op veenmos en begrazing door waterbuffels. Dergelijke praktijken moeten zijn gebaseerd op de beginselen van duurzaam beheer en gericht zijn op het verbeteren van de biodiversiteit, zodat zij zowel financieel als ecologisch gezien een hoge waarde kunnen hebben. Paludicultuur kan ook voordelig zijn voor verschillende bedreigde soorten in de Unie en zorgen voor betere verbindingen van wetlands en daarmee samenhangende soortenpopulaties in de Unie. De financiering van maatregelen voor het herstel en het vernatten van ontwaterde veengebieden en ter compensatie van mogelijke inkomstenderving kan afkomstig zijn uit een breed scala aan bronnen, waaronder uitgaven in het kader van de begroting van de Unie en financieringsprogramma’s van de Unie.

(56)  In de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030(43) werd gewezen op de noodzaak om de biodiversiteit van bossen te herstellen. Bossen en andere beboste gebieden beslaan meer dan 43,5 % van de landoppervlakte van de EU. Bosecosystemen met een rijke biodiversiteit zijn kwetsbaar voor klimaatverandering, maar zijn onder meer door hun functie als koolstofvoorraden en koolstofputten ook een natuurlijke bondgenoot bij het aanpassen aan en het bestrijden van de klimaatverandering en het aanpakken van klimaatgerelateerde risico’s. Zij leveren ook tal van andere vitale ecosysteemdiensten en bieden andere ecosysteemvoordelen, zoals de levering van (timmer)hout, voedsel en andere niet-houtproducten, klimaatregulering, stabilisatie van de bodem, erosiebeheersing en de zuivering van lucht en water.

▌[Am. 112 rev/1]

(58)  Hersteldoelstellingen en -verplichtingen voor habitats en soorten die krachtens de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG worden beschermd, voor bestuivers en voor zoetwater-, stedelijke, landbouw- en bosecosystemen moeten complementair zijn en in synergie werken, met het oog op de verwezenlijking van de overkoepelende doelstelling om ecosystemen in de land- en zeegebieden van de lidstaten te herstellen. De herstelmaatregelen die nodig zijn om één specifieke doelstelling te bereiken, zullen in veel gevallen bijdragen tot de verwezenlijking van andere doelstellingen of verplichtingen. De lidstaten moeten herstelmaatregelen daarom strategisch plannen zodat zij zo doeltreffend mogelijk bijdragen aan het herstel van de natuur in de hele Unie. Herstelmaatregelen moeten ook zodanig worden gepland dat zij gericht zijn op de mitigatie van en de aanpassing aan de klimaatverandering en op de preventie en beheersing van de gevolgen van natuurrampen en bodemdegradatie. Zij moeten gericht zijn op het optimaliseren van de ecologische, economische en sociale functies van ecosystemen, met inbegrip van hun productiviteitspotentieel, rekening houdend met hun bijdrage aan de duurzame ontwikkeling van de betrokken regio’s en gemeenschappen. Het is belangrijk dat de lidstaten gedetailleerde nationale herstelplannen opstellen op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke bevindingen. Gedocumenteerde gegevens over de historische verspreiding en oppervlakte, en over de verwachte veranderingen in de milieuomstandigheden als gevolg van de klimaatverandering, moeten de basis vormen voor uitspraken over gunstige referentiegebieden voor habitattypes. Voorts is het belangrijk dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgt in de voorbereiding van de plannen. De lidstaten moeten rekening houden met de specifieke omstandigheden en behoeften op hun grondgebied, zodat met de plannen kan worden gereageerd op de relevante druk, dreigingen en oorzaken van een verlies aan biodiversiteit, en moeten samenwerken om herstel en verbindingen over de grenzen heen te waarborgen.

(59)  Om te zorgen voor synergieën tussen de verschillende maatregelen die zijn en moeten worden genomen om de natuur in de Unie te beschermen, in stand te houden en te herstellen, moeten de lidstaten bij het opstellen van hun nationale herstelplannen rekening houden met: de instandhoudingsmaatregelen die voor Natura 2000-gebieden zijn vastgesteld en de overeenkomstig de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG opgestelde prioritaire actiekaders; de maatregelen voor het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand van waterlichamen die zijn opgenomen in overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen; de overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG opgestelde mariene strategieën voor het bereiken van een goede milieutoestand voor alle mariene regio’s van de Unie; de in het kader van Richtlijn (EU) 2016/2284 opgestelde nationale programma’s ter beheersing van de luchtverontreiniging; de overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag inzake biologische diversiteit ontwikkelde nationale biodiversiteitsstrategieën en actieplannen, alsook de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1380/2013 opgestelde instandhoudingsmaatregelen en de overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad(44) opgestelde technische maatregelen.

(60)  Om te zorgen voor samenhang tussen de doelstellingen van deze verordening en Richtlijn (EU) 2018/2001(45), Verordening (EU) 2018/1999(46) en Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft(47), moeten de lidstaten, met name bij het opstellen van nationale herstelplannen, rekening houden met het potentieel van projecten op het gebied van hernieuwbare energie om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake natuurherstel.

(61)  Aangezien het van belang is de dubbele uitdagingen van het verlies aan biodiversiteit en de klimaatverandering consequent aan te pakken, moet bij het herstel van de biodiversiteit rekening worden gehouden met de inzet van hernieuwbare energie en vice versa. Herstelactiviteiten en de uitrol van hernieuwbare energieprojecten kunnen waar mogelijk worden gecombineerd, ook in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en in specifieke netwerkgebieden. Krachtens Richtlijn (EU) 2018/2001 moeten de lidstaten de toepassing van hernieuwbare energie op hun grondgebied gecoördineerd in kaart brengen om het binnenlandse potentieel en het beschikbare landoppervlak, de ondergrond, de zee of het binnenwater te identificeren die nodig zijn voor de installatie van installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen en de bijbehorende infrastructuur, zoals netwerk- en opslagfaciliteiten, inclusief thermische opslag, die nodig zijn om ten minste hun nationale bijdrage aan het herziene streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 te halen. Dergelijke gebieden, met inbegrip van de bestaande installaties en samenwerkingsmechanismen, moeten in overeenstemming zijn met de geraamde trajecten en de totale geplande geïnstalleerde capaciteit per hernieuwbare energietechnologie die zijn vastgesteld in de nationale energie- en klimaatplannen. De lidstaten moeten een subgroep van dergelijke gebieden aanwijzen als gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Dit zijn specifieke locaties, zowel op land als op zee, die bijzonder geschikt zijn voor installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen ▌waar het gebruik van een specifiek type hernieuwbare energie naar verwachting geen significante milieueffecten zal hebben, gezien de bijzondere kenmerken van het geselecteerde gebied. De lidstaten moeten voorrang geven aan kunstmatige en bebouwde oppervlakken, zoals daken en gevels van gebouwen, vervoersinfrastructuur en de onmiddellijke omgeving hiervan, parkeerterreinen, boerderijen, afvalterreinen, industrieterreinen, mijnen, kunstmatige binnenwaterlichamen, meren of reservoirs, en, waar toepasselijk, locaties voor de behandeling van stedelijk afvalwater alsmede aangetaste grond die niet bruikbaar is voor de landbouw. In Richtlijn (EU) 2018/2001 is ook bepaald dat de lidstaten een plan of plannen kunnen vaststellen om specifieke infrastructuurgebieden aan te wijzen voor de ontwikkeling van projecten voor netten en opslag die nodig zijn voor de integratie van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem, wanneer een dergelijke ontwikkeling naar verwachting geen significante milieueffecten zal hebben of dergelijke effecten naar behoren kunnen worden beperkt of, indien dit niet mogelijk is, kunnen worden gecompenseerd. Het doel van dergelijke gebieden is het ondersteunen en aanvullen van de gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Bij de aanwijzing van gebieden voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie en van speciale infrastructuurgebieden moeten de lidstaten beschermde gebieden vermijden en rekening houden met hun nationale plannen voor het herstel van de natuur. De lidstaten moeten de ontwikkeling van nationale herstelplannen afstemmen op de inventarisatie van gebieden die nodig zijn voor de nationale bijdrage aan het streefdoel voor hernieuwbare energie voor 2030 en, in voorkomend geval, op de aanwijzing van de gebieden voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie en de speciale netgebieden. Tijdens de voorbereiding van de plannen voor het herstel van de natuur moeten de lidstaten zorgen voor synergieën met de opbouw van hernieuwbare energie en bijbehorende infrastructuur en met de reeds aangewezen gebieden voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie en de speciale netgebieden en ervoor zorgen dat de werking van deze gebieden voor hernieuwbare energie, met inbegrip van de vergunningsprocedures van Richtlijn (EU) 2018/2001 die van toepassing zijn op deze gebieden voor hernieuwbare energie, ongewijzigd blijft.

(62)  Om synergieën met reeds geplande of ingevoerde herstelmaatregelen in de lidstaten te waarborgen, moeten die herstelmaatregelen in de nationale herstelplannen worden erkend en in aanmerking worden genomen. Aangezien in het IPCC-verslag van 2022 is gewezen op de noodzaak om dringend maatregelen voor het herstel van aangetaste ecosystemen te nemen, moeten de lidstaten die maatregelen tegelijk met de voorbereiding van de herstelplannen uitvoeren.

(63)  In de nationale herstelplannen en in de maatregelen tot herstel van habitats en de maatregelen ter voorkoming van verslechtering van habitats moet ook rekening worden gehouden met de resultaten van onderzoeksprojecten die relevant zijn voor de beoordeling van de toestand van ecosystemen, de vaststelling en invoering van herstelmaatregelen, en voor monitoringdoeleinden, en moet, waar passend, rekening worden gehouden met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie, overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zoals sociale, economische en culturele vereisten en regionale en plaatselijke kenmerken, waaronder de bevolkingsdichtheid.

(64)  Er moet rekening worden gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden van de Unie, zoals vermeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat voorziet in specifieke maatregelen ter ondersteuning van deze gebieden. Zoals in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt beoogd, moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het beschermen en herstellen van de ecosystemen in de ultraperifere gebieden, gezien hun uitzonderlijk hoge biodiversiteitswaarde. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de daarmee gepaard gaande kosten voor de bescherming en het herstel van die ecosystemen en de afgelegen ligging, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte en het moeilijke reliëf en klimaat van de ultraperifere gebieden, met name bij het opstellen van de nationale herstelplannen. De lidstaten worden aangemoedigd om op vrijwillige basis specifieke herstelmaatregelen in te voeren in de ultraperifere gebieden die buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

(65)  Het Europees Milieuagentschap (EEA) moet de lidstaten ondersteunen bij het opstellen van de nationale herstelplannen en bij het toezicht op de voortgang bij het halen en nakomen van de op herstel gerichte de streefdoelen en verplichtingen. De Commissie moet beoordelen of de nationale herstelplannen toereikend zijn om die streefdoelen te halen en de verplichtingen na te komen.

(66)  Uit het verslag van de Commissie over de stand van de natuur van 2020 is gebleken dat een aanzienlijk deel van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(48) en artikel 12 van Richtlijn 2009/147/EG gerapporteerde informatie, met name over de staat van instandhouding en trends van de habitats en soorten die hieronder vallen, afkomstig is van peilingen of uitsluitend op het oordeel van deskundigen is gebaseerd. Uit dat verslag is tevens gebleken dat de toestand van verscheidene onder Richtlijn 92/43/EEG vallende habitattypen en soorten nog onbekend is. Het is noodzakelijk om deze kennishiaten op te vullen en te investeren in monitoring en controle om degelijke en op wetenschappelijke bevindingen gebaseerde nationale herstelplannen te onderbouwen. Om de tijdigheid, doeltreffendheid en samenhang van de verschillende monitoringmethoden te vergroten, moet bij de monitoring en controle optimaal gebruik worden gemaakt van de resultaten van door de Unie gefinancierde onderzoeks- en innovatieprojecten en van nieuwe technologieën, zoals monitoring ter plaatse en teledetectie met gebruikmaking van satellietgegevens en -diensten die worden verstrekt in het kader van het ruimtevaartprogramma van de Unie (Egnos/Galileo en Copernicus). De uitvoering van de op herstel gerichte streefdoelen zal worden ondersteund door de EU-missies “Onze oceanen en wateren tegen 2030 herstellen”, “Aanpassing aan klimaatverandering” en “Een bodemdeal voor Europa”(49).

(66 bis)  Gelet op de bijzondere technische en financiële uitdagingen bij het in kaart brengen en monitoren van het mariene milieu, kunnen de lidstaten, als aanvulling op de overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG en overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/56/EG gerapporteerde informatie, bij de beoordeling van de toestand van de in bijlage II opgenomen mariene habitats gebruikmaken van informatie over druk en bedreigingen of andere relevante informatie als basis voor extrapolatie. Die aanpak kan derhalve ook worden gehanteerd als basis voor het plannen van herstelmaatregelen in mariene habitats overeenkomstig deze verordening. De algemene beoordeling van de toestand van de in bijlage II opgenomen mariene habitats moet gebaseerd zijn op de beste beschikbare kennis en de meest recente technische en wetenschappelijke ontwikkelingen.

(67)  Om toezicht te houden op de voortgang bij de uitvoering van de nationale herstelplannen, de genomen herstelmaatregelen, de gebieden waarop herstelmaatregelen van toepassing zijn en de gegevens over de in kaart gebrachte belemmeringen voor de riviercontinuïteit, moet een systeem worden ingevoerd dat de lidstaten ertoe verplicht relevante gegevens over de resultaten van die monitoring te registreren, actueel te houden en toegankelijk te maken. Bij de elektronische rapportage van gegevens aan de Commissie moet gebruik worden gemaakt van het systeem Reportnet van het EEA en moet ernaar worden gestreefd de administratieve lasten voor alle entiteiten zo beperkt mogelijk te houden. Om te zorgen voor een passende infrastructuur voor publieke toegang, verslaglegging en gegevensuitwisseling tussen overheidsinstanties moeten de lidstaten, in voorkomend geval, de gegevensspecificaties baseren op de specificaties als bedoeld in Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad(50), Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad(51) en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad(52).

(68)  Met het oog op een doeltreffende uitvoering van deze verordening moet de Commissie de lidstaten op verzoek ondersteunen via het instrument voor technische ondersteuning(53), dat op maat gesneden technische ondersteuning biedt bij het ontwerpen en uitvoeren van hervormingen. De technische ondersteuning omvat bijvoorbeeld een versterking van de administratieve capaciteit, een harmonisering van de rechtskaders en het delen van relevante beste praktijken.

(69)  De Commissie moet verslag uitbrengen over de vooruitgang die de lidstaten hebben geboekt bij het halen en nakomen van de op herstel gerichte streefdoelen en verplichtingen van deze verordening, op basis van door het EEA opgestelde Uniebrede voortgangsverslagen en andere analyses en verslagen die door de lidstaten beschikbaar worden gesteld op relevante beleidsterreinen zoals natuur-, water- en marien beleid.

(70)  Om ervoor te zorgen dat de in deze verordening vastgestelde streefdoelen worden gehaald en de verplichtingen worden nagekomen, is het van het grootste belang dat er adequate particuliere en publieke investeringen in herstel worden gedaan, moeten de lidstaten uitgaven voor biodiversiteitsdoelstellingen, onder meer met betrekking tot de opportuniteits- en transitiekosten die voortvloeien uit de uitvoering van de nationale herstelplannen, opnemen in hun nationale begrotingen en moeten zij nadenken over de vraag hoe zij de financiering van de Unie gaan gebruiken. Met betrekking tot de financiering door de Unie dragen uitgaven in het kader van de begroting van de Unie en financieringsprogramma’s van de Unie, zoals het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)(54), het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA)(55), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)(56), het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds(57) en het Fonds voor een rechtvaardige transitie(58), alsook het kaderprogramma van de Unie voor onderzoek en innovatie, Horizon Europa(59), bij aan de biodiversiteitsdoelstellingen, met de ambitie om in 2024 7,5 % en in 2026 en 2027 10 % van de jaarlijkse uitgaven in het kader van het meerjarig financieel kader 2021-2027(60) aan biodiversiteitsdoelstellingen te besteden.

De herstel- en veerkrachtfaciliteit(61) is nog een bron van financiering voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en van ecosystemen. Met betrekking tot het LIFE-programma moeten strategische natuurprojecten op passende wijze worden gebruikt als een specifiek instrument ter ondersteuning van de uitvoering van deze verordening, door de beschikbare financiële middelen op een doeltreffende en efficiënte manier te mainstreamen.

(71)  Er is een reeks EU-, nationale en particuliere initiatieven beschikbaar om particuliere financiering te stimuleren, zoals het InvestEU-programma(62), dat mogelijkheden biedt om publieke en private financiering aan te trekken ter ondersteuning van onder meer de verbetering van de natuur en de biodiversiteit door middel van groene en blauwe infrastructuurprojecten, alsook om koolstoflandbouw als groen bedrijfsmodel(63) te financieren.

(71 bis)  Om de uitvoering van deze verordening te waarborgen, zijn adequate private en publieke investeringen voor natuurherstelmaatregelen van essentieel belang. Daarom moet de Commissie uiterlijk twaalf maanden na de inwerkingtreding van de verordening in overleg met de lidstaten een verslag uitbrengen met een analyse van de lacunes in de uitvoering. Dat verslag moet zo nodig vergezeld gaan van voorstellen voor adequate aanvullende maatregelen, ook op financieel gebied, om de vastgestelde lacunes aan te pakken, zoals de invoering van gerichte financiering, waarbij de prerogatieven van de twee wetgevers met betrekking tot de vaststelling van het volgende meerjarig financieel kader na 2027, onverlet worden gelaten.

(71 ter)  Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie staat het aan de rechterlijke instanties van de lidstaten om, overeenkomstig het in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), neergelegde beginsel van loyale samenwerking, de rechterlijke bescherming te waarborgen van de rechten die een persoon ontleent aan het Unierecht. Voorts verplicht artikel 19, lid 1, VEU de lidstaten om te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren. De Unie en de lidstaten zijn partij bij het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (“het Verdrag van Aarhus”) van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE). Krachtens het Verdrag van Aarhus moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, toegang heeft tot de rechter.

(72)  De lidstaten moeten bij de voorbereiding en uitvoering van hun nationale herstelplannen een eerlijke en algemene maatschappelijke benadering bevorderen, door daarin processen voor inspraak van het publiek op te nemen en door rekening te houden met de behoeften van lokale gemeenschappen en belanghebbenden.

(73)  Overeenkomstig Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad(64) moeten strategische GLB-plannen bijdragen aan het bereiken van, en verenigbaar zijn met de nationale langetermijnstreefcijfers die zijn opgenomen in of voortvloeien uit de in bijlage XIII bij die verordening vermelde wetgevingshandelingen. Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 159 van Verordening (EU) 2021/2115 uiterlijk op 31 december 2025 de lijst in bijlage XIII bij die verordening evalueert, moet zij rekening houden met deze verordening betreffende natuurherstel.

(74)  In overeenstemming met de toezegging in het achtste milieuactieprogramma voor de periode tot en met 2030(65) moeten de lidstaten milieuonvriendelijke subsidies op nationaal niveau geleidelijk afschaffen, optimaal gebruikmaken van marktconforme instrumenten en groene begrotingsinstrumenten, met inbegrip van de nodige instrumenten om een sociaal rechtvaardige transitie te waarborgen, en moeten bedrijven en andere belanghebbenden worden geholpen bij de ontwikkeling van gestandaardiseerde boekhoudpraktijken voor natuurlijk kapitaal.

(75)  Met het oog op de noodzakelijke aanpassing van deze verordening moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van de bijlagen I tot en met VII om de groepen habitats aan te passen, de lijst met vogelsoorten voor de index van alledaagse akker- en weidevogelsoorten aan te passen en de lijst van biodiversiteitsindicatoren voor landbouwecosystemen, de lijst van biodiversiteitsindicatoren voor bosecosystemen, de lijsten van mariene habitats en soorten ▌en de voorbeelden van herstelmaatregelen aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, teneinde rekening te houden met de ervaring uit de toepassing van de verordening of de consistentie met de EUNIS-habitattypen te waarborgen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden effectbeoordelingen uitvoert en tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, ▌ volgens de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(66). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(76)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het vaststellen van de methode voor de monitoring van bestuivers, het vaststellen van de methoden voor de monitoring van de indicatoren voor in bijlage IV bij deze verordening opgenomen landbouwecosystemen en van de indicatoren voor in bijlage VI bij deze verordening opgenomen bosecosystemen, met betrekking tot het instellen van richtinggevende kaders voor het vaststellen van bevredigende niveaus van stedelijke groene ruimte, van stedelijke boomkroonbedekking in stedelijke ecosystemen, van bestuivers, van de indicatoren voor in bijlage IV bij deze verordening opgenomen landbouwecosystemen, en van de indicatoren voor in bijlage VI bij deze verordening opgenomen bosecosystemen, met betrekking tot het vastleggen van een uniform model voor de nationale herstelplannen, en het vastleggen van het model, de structuur en de gedetailleerde regelingen voor het elektronisch rapporteren van gegevens en informatie aan de Commissie. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(67).

(77)  De Commissie moet een evaluatie van deze verordening uitvoeren. Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven moet die evaluatie worden uitgevoerd op basis van de criteria doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde van de EU, en vormt die evaluatie de basis voor effectbeoordelingen van opties voor verdere acties. Bovendien moet de Commissie beoordelen of er aanvullende op herstel gerichte streefdoelen moeten worden vastgesteld, op basis van gemeenschappelijke methoden voor de beoordeling van de toestand van ecosystemen die niet onder de artikelen 4 en 5 vallen, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke bevindingen.

(78)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege hun omvang en effecten beter door de Unie kunnen worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.  Bij deze verordening worden voorschriften vastgesteld om bij te dragen tot:

a)  biodiverse, veerkrachtige en productieve ecosystemen in de land- en zeegebieden van de lidstaten door het herstel van aangetaste ecosystemen; [Am. 113/rev1]

b)  de verwezenlijking van de overkoepelende doelstellingen van de Unie op het gebied van mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, met inbegrip van voedselzekerheid, de energietransitie en sociale huisvesting, en landdegradatieneutraliteit; [Am. 114]

c)  de naleving van de internationale verbintenissen van de Unie.

2.  Bij deze verordening wordt een kader vastgesteld waarin de lidstaten ▌doeltreffende en gebiedsgebonden herstelmaatregelen ▌treffen, teneinde samen, als streefdoel van de Unie, in alle gebieden en ecosystemen die vallen onder het toepassingsgebied als omschreven in artikel 2, uiterlijk in 2030ten minste 20 % van de landgebieden en 20 % van de zeegebieden te bestrijken en uiterlijk in 2050 alle ecosystemen die moeten worden hersteld.

2 bis.   Deze verordening moet synergieën tot stand brengen en in samenhang zijn met bestaande en lopende wetgeving, rekening houdend met de nationale bevoegdheden, en moet consistentie en samenhang waarborgen met de wetgeving van de Unie inzake onder meer hernieuwbare energie, gewasbeschermingsmiddelen, kritieke grondstoffen, en land- en bosbouw. [Am. 116]

Artikel 2

Geografisch toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op de in de artikelen 4 tot en met 10 bedoelde ecosystemen:

a)  op het grondgebied van de lidstaten;

a bis)  in de kustwateren, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2000/60/EG, van de lidstaten, op de zeebodem en in de ondergrond daarvan;

b)  in wateren, op de zeebodem en in de ondergrond daarvan zeewaarts van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, en reikend tot de uiterste grens van het gebied waarover een lidstaat soevereine rechten of rechtsmacht heeft of uitoefent, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982.

Deze verordening is uitsluitend van toepassing op ecosystemen op het Europees grondgebied van de lidstaten waarop de Verdragen van toepassing zijn.

Artikel 3

Definities

De volgende definities zijn van toepassing:

1)  “ecosysteem”: een dynamisch geheel van gemeenschappen van planten, dieren, schimmels en micro-organismen en hun niet-levende omgeving die een functionele eenheid vormen, met inbegrip van habitattypen, habitats van soorten en soortenpopulaties;

2)  “habitat van een soort”: habitat van een soort zoals gedefinieerd in artikel 1, punt f), van Richtlijn 92/43/EEG;

3)  “herstel”: het proces van het actief of passief ondersteunen van het herstel van een ecosysteem teneinde de structuur en functies ervan te verbeteren met als doel de biodiversiteit en de veerkracht van een ecosysteem in stand te houden of te verbeteren; voor de toepassing van deze verordening geschiedt het herstel van ecosystemen door de toestand van een habitattype te verbeteren totdat een goede toestand wordt bereikt, door voor de habitat opnieuw een gunstig referentiegebied te verwezenlijken en door een habitat van een soort te verbeteren door te zorgen voor toereikende kwaliteit en kwantiteit overeenkomstig artikel 4, leden 1, 2 en 3, en artikel 5, leden 1, 2 en 3, en door de streefdoelen te bereiken en de verplichtingen na te komen van de artikelen 6 tot en met 10, waaronder het bereiken van bevredigende niveaus van de in artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 2, genoemde indicatoren, als een middel om de biodiversiteit en de veerkracht van een ecosysteem in stand te houden of te verbeteren;

4)  “goede toestand” van een habitattype: een staat waarin zijn belangrijkste kenmerken ▌, met name zijn structuur en werking, zijn typische soorten of samenstelling van typische soorten, het hoge niveau van ecologische integriteit, stabiliteit en veerkracht weerspiegelen dat nodig is om het duurzame voortbestaan van het habitattype te waarborgen en aldus bij te dragen tot het bereiken of behouden van een gunstige staat van instandhouding overeenkomstig artikel 1, punt e), van Richtlijn 92/43/EEG, indien het betrokken habitattype is opgenomen in bijlage I bij die richtlijn, en, in mariene ecosystemen, tot het bereiken of behouden van een goede milieutoestand overeenkomstig artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG;

5)  “gunstig referentiegebied”: de totale oppervlakte van een habitattype in een bepaald biogeografisch gebied of marien gebied op nationaal niveau die wordt beschouwd als het minimum dat nodig is om de levensvatbaarheid op lange termijn van het habitattype en zijn typische soorten of de samenstelling van zijn typische soorten en van alle significante ecologische variaties in zijn natuurlijke verspreidingsgebied ▌te waarborgen, en die bestaat uit de oppervlakte van het habitattype en, indien die oppervlakte niet toereikend is, de oppervlakte die nodig is om het habitattype in zijn vroegere toestand te herstellen. Indien het habitattype is opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG, draagt dat herstel bij tot het bereiken van een gunstige staat van instandhouding overeenkomstig artikel 1, punt e), van die richtlijn en, in mariene ecosystemen, tot het bereiken of behouden van een goede milieutoestand overeenkomstig artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG;

6)  “toereikende kwaliteit van een habitat”: de kwaliteit van een habitat van een soort die ervoor zorgt dat in elk stadium van de biologische cyclus van een soort aan de ecologische vereisten van die soort kan worden voldaan, zodat de soort zich op lange termijn als een levensvatbare component van zijn habitat in zijn natuurlijke verspreidingsgebied kan handhaven en aldus bijdraagt aan het bereiken of behouden van een gunstige staat van instandhouding van soorten overeenkomstig artikel 1, punt i), van Richtlijn 92/43/EEG voor soorten die zijn opgenomen in bijlage II, IV of V van die richtlijn, en aan het veiligstellen van populaties van in het wild levende vogelsoorten die onder Richtlijn 2009/147/EG vallen, en aanvullend, in mariene ecosystemen, aan het bereiken of behouden van een goede milieutoestand overeenkomstig artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2008/56/EG;

7)  “toereikende kwantiteit van een habitat”: de kwantiteit van een habitat van een soort die ervoor zorgt dat in elk stadium van de biologische cyclus van een soort aan de ecologische vereisten van die soort kan worden voldaan, zodat de soort zich op lange termijn als een levensvatbare component van zijn habitat in zijn natuurlijke verspreidingsgebied kan handhaven en aldus bijdraagt aan het bereiken of behouden van een gunstige staat van instandhouding van soorten overeenkomstig artikel 1, punt i), van Richtlijn 92/43/EEG voor soorten die zijn opgenomen in bijlage II, IV of V van die richtlijn, en aan het veiligstellen van populaties van in het wild levende vogelsoorten die onder Richtlijn 2009/147/EG vallen, en aanvullend, in mariene ecosystemen, aan het bereiken of behouden van een goede milieutoestand overeenkomstig artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2008/56/EG;

7 bis)   “achteruitgang”: het veroorzaken van een netto negatief effect op de habitattypen en de habitats van soorten die onder artikel 4, leden 6 en 7, en artikel 5, leden 6 en 7, vallen, voor zover dat effect significant kan zijn in het licht van de algemene doelstelling van de artikelen 4 en 5 om deze habitattypen en habitats van soorten op nationaal niveau en, afhankelijk van het habitattype of de habitat van een soort in kwestie, op biogeografisch niveau in een gunstige staat van instandhouding te houden of te herstellen; [Am.  117/rev1]

8)  “bestuiver”: een in het wild levend insect dat stuifmeel overbrengt van de helmknop van een plant naar de stempel van een plant, waardoor bevruchting en de productie van zaden mogelijk worden;

9)  “afname van bestuiverpopulaties”: een afname van de dichtheid of diversiteit van bestuivers, of beide;

9 bis)  “inheemse boomsoort”: een boomsoort die binnen zijn natuurlijk verspreidingsgebied (vroeger of nu) en verspreidingsmogelijkheden voorkomt (d.w.z. binnen het verspreidingsgebied dat de soort op natuurlijke wijze inneemt of zou kunnen innemen zonder directe of indirecte introductie of zorg door de mens);

10)  “lokale bestuurlijke eenheid” of “LBE”: een bestuurlijke afdeling op laag niveau van een lidstaat onder het niveau van een provincie, regio of staat, opgericht overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad(68);

10 bis)  “stedelijke centra” en “stedelijke clusters”: territoriale eenheden die in steden, kleinere steden en voorsteden zijn ingedeeld aan de hand van een op rasters gebaseerde typologie als vastgesteld overeenkomstig artikel 4 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1059/2003;

11)  “steden”: lokale bestuurlijke eenheden waar ten minste 50 % van de bevolking in een of meer stedelijke centra woont, gemeten aan de hand van de urbanisatiegraad die is vastgesteld overeenkomstig artikel 4 ter, lid 3, punt a), van Verordening (EG) nr. 1059/2003;

12)  “kleinere steden en voorsteden”: lokale bestuurlijke eenheden waar minder dan 50 % van de bevolking in een stedelijk centrum woont, maar ten minste 50 % van de bevolking in een stedelijke cluster woont, gemeten aan de hand van de urbanisatiegraad die is vastgesteld overeenkomstig artikel 4 ter, lid 3, punt a), van Verordening (EG) nr. 1059/2003;

12 bis)  “voorstedelijke gebieden”: gebieden die grenzen aan stedelijke centra of stedelijke clusters, met inbegrip van minstens alle gebieden binnen 1 km, gemeten vanaf de buitenste grenzen van die stedelijke centra of stedelijke clusters, en die gelegen zijn in dezelfde stad of dezelfde kleine stad en voorstad als die stedelijke centra of stedelijke clusters;

13)  “stedelijke groene ruimte”: de totale oppervlakte aan bomen, heesters, struiken, vaste kruidachtige vegetatie, korstmossen en mossen, vijvers en waterlopen, zoals aangetroffen in steden of kleinere steden en voorsteden, berekend op basis van gegevens die zijn verstrekt door de Copernicusdienst voor landmonitoring zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad(69) en, indien de betrokken lidstaat daarover beschikt, andere aanvullende gegevens ter zake die hij verstrekt;

14)  “stedelijke boomkroonbedekking”: de totale met bomen bedekte oppervlakte in steden, kleinere steden en voorsteden, berekend op basis van de gegevens over de boombedekkingsdichtheid die zijn verstrekt door de Copernicusdienst voor landmonitoring zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad en, indien de betrokken lidstaat daarover beschikt, andere aanvullende gegevens ter zake die hij verstrekt;

14 bis)  “vrij stromende rivier”: een rivier of een riviergedeelte waarvan de longitudinale, laterale en verticale connectiviteit niet belemmerd wordt door kunstmatige structuren, en waarvan de natuurlijke functies grotendeels onaangetast zijn;

14 ter)   “vernatten van veengebied”: het omzetten van een ontwaterde veenbodem in een natte bodem;

15)  “gebied voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie”: een gebied voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9 bis), van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad(70).

HOOFDSTUK II

OP HERSTEL GERICHTE STREEFDOELEN EN VERPLICHTINGEN

Artikel 4

Herstel van terrestrische, kust- en zoetwaterecosystemen

1.  De lidstaten streven ernaar om in Natura 2000-gebieden de herstelmaatregelen te nemen die nodig zijn om vorderingen te maken in de richting van een gunstige staat van instandhouding voor de in bijlage I opgenomen habitattypen die niet in goede toestand verkeren ▌. Dergelijke maatregelen worden genomen in gebieden van het Natura 2000-netwerk met in bijlage I opgenomen ▌habitattypen die niet in goede staat verkeren, zoals gekwantificeerd in het in artikel 12 bedoelde nationale herstelplan ▌. [Am. 21]

2.  De lidstaten nemen de herstelmaatregelen die nodig zijn om de in bijlage I opgenomen habitattypen te herstellen in gebieden waar die habitattypen niet voorkomen, met het doel het gunstige referentiegebied van die habitattypen te bereiken. Dergelijke maatregelen zijn ▌van toepassing in gebieden die ▌ nodig zijn om de verwezenlijking van de in lid 1 van dit artikel vastgestelde doelstellingen te waarborgen. [Am. 99]

3.  De lidstaten nemen de herstelmaatregelen voor de terrestrische, kust- en zoetwaterhabitats van de in de bijlagen II, IV en V bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen soorten en voor de terrestrische, kust- en zoetwaterhabitats van de onder Richtlijn 2009/147/EG vallende in het wild levende vogels die, naast de herstelmaatregelen overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel, nodig zijn om de kwaliteit en kwantiteit van die habitats te verbeteren, onder meer door herstel van die habitats en om de verbindingen te verbeteren, totdat er een toereikende kwaliteit en kwantiteit van die habitats is bereikt.

4.  Bij het vaststellen van de meest geschikte gebieden voor herstelmaatregelen overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van dit artikel wordt uitgegaan van de beste beschikbare kennis en de meest recente wetenschappelijke bevindingen over de toestand van de in bijlage I opgenomen habitattypen, gemeten aan de hand van de structuur en functies die nodig zijn voor de instandhouding ervan op lange termijn, met inbegrip van hun typische soorten, als bedoeld in artikel 1, punt e), van Richtlijn 92/43/EEG, en van de kwaliteit en kwantiteit van de habitats van de in lid 3 van dit artikel bedoelde soorten, met gebruikmaking van informatie die is meegedeeld krachtens artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG en artikel 12 van Richtlijn 2009/147/EG, en in voorkomend geval rekening houdend met de uiteenlopende situaties in verschillende regio’s, zoals bedoeld in artikel 11, lid 9 bis.

4 bis.  De lidstaten zorgen er uiterlijk in 2030 voor dat de toestand van ten minste 50 % van de oppervlakte, verspreid over alle in bijlage II opgenomen habitattypen bekend is. De toestand van alle gebieden van de in bijlage I opgenomen habitattypen is uiterlijk in 2040 bekend.

5.  Bij de in de leden 1 en 2 bedoelde herstelmaatregelen wordt rekening gehouden met de noodzaak van betere verbindingen tussen de in bijlage I opgenomen habitattypen en met de ecologische vereisten van de in lid 3 bedoelde soorten die in die habitattypen voorkomen.

6.  De lidstaten trachten erop toe te zien dat de totale nationale oppervlakte in ▌een goede toestand alsook de totale nationale oppervlakte waar de habitats van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde soorten ▌van voldoende kwaliteit zijn, in de loop van de tijd niet aanzienlijk achteruitgaan. [Am. 100]

[Am. 25, 101 en 121]

8.  Buiten Natura 2000-gebieden is het niet nakomen van de in lid 6 ▌vastgelegde verplichtingen gerechtvaardigd indien dit wordt veroorzaakt door:

a)  overmacht, met inbegrip van natuurrampen;

b)  onvermijdelijke habitattransformaties die rechtstreeks het gevolg zijn van de klimaatverandering; ▌

c)  een plan of project van dwingend openbaar belang waarvoor geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, wat per geval moet worden bepaald;

c bis)   in uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de totstandbrenging of voortzetting van activiteiten van algemeen belang is de niet-nakoming van de in lid 6 vastgestelde verplichtingen gerechtvaardigd, mits de verwezenlijking van de in de leden 1, 2 en 3 vastgestelde hersteldoelstellingen daardoor niet in gevaar wordt gebracht. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden en motiveren deze; of [Am. 6]

d)  handelingen of nalatigheid van derde landen waarvoor de betrokken lidstaat niet verantwoordelijk is.

8 bis.  Buiten Natura 2000-gebieden is de in lid 7 bedoelde verplichting om de nodige maatregelen te nemen, niet van toepassing op verslechtering veroorzaakt door:

a)  overmacht, met inbegrip van natuurrampen;

b)  onvermijdelijke habitattransformaties die rechtstreeks het gevolg zijn van de klimaatverandering;

c)  een plan of project van dwingend openbaar belang waarvoor geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn; of

d)  handelingen of nalatigheid van derde landen waarvoor de betrokken lidstaat niet verantwoordelijk is.

9.  Voor Natura 2000-gebieden is het niet nakomen van de in de leden 6 en 7 vastgestelde verplichtingen gerechtvaardigd indien dit wordt veroorzaakt door:

a)  overmacht, met inbegrip van natuurrampen;

b)  onvermijdelijke habitattransformaties die rechtstreeks het gevolg zijn van de klimaatverandering; of

c)  een plan of project dat overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG is goedgekeurd.

10.  De lidstaten zorgen ervoor dat er sprake is van:

a)  een toename van habitatgebied in goede toestand voor de in bijlage II opgenomen habitattypen totdat ten minste 90 % in een goede toestand verkeert en totdat het gunstige referentiegebied voor elk habitattype in elk biogeografisch gebied van de betrokken lidstaat is bereikt;

b)  een stijgende trend naar toereikende kwaliteit en kwantiteit van de terrestrische, kust- en zoetwaterhabitats van de in de bijlagen II, IV en V bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen soorten en van de onder Richtlijn 2009/147/EG vallende soorten.

10 bis.   In de op grond van dit artikel te nemen maatregelen houden de lidstaten rekening met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden, overeenkomstig artikel 2, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG. [Am. 27]

Artikel 5

Herstel van mariene ecosystemen

1.  De lidstaten nemen de herstelmaatregelen die nodig zijn om de gebieden van de in bijlage II opgenomen habitattypen die niet in goede toestand verkeren te verbeteren tot een goede toestand. Dergelijke maatregelen zijn van toepassing:

a)  uiterlijk in 2030, op ten minste 30 % van het totale gebied van de groepen 1 tot en met 6 van de in bijlage II opgenomen habitattypen dat niet in goede toestand verkeert, zoals gekwantificeerd in het in artikel 12 bedoelde nationale herstelplan;

b)  uiterlijk in 2040, op ten minste 60 % en uiterlijk in 2050 op ten minste 90 % van het gebied van elk van de groepen 1 tot en met 6 van de in bijlage II opgenomen habitattypen dat niet in goede toestand verkeert, zoals gekwantificeerd in het in artikel 12 bedoelde nationale herstelplan;

c)  uiterlijk in 2040, op twee derde van het in punt d) vermelde percentage van het gebied van groep 7 van de in bijlage II opgenomen habitattypen dat niet in goede toestand verkeert, zoals gekwantificeerd in het in artikel 12 bedoelde nationale herstelplan; en

d)  uiterlijk in 2050, op een percentage, dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 11, lid 2a, van het gebied van groep 7 van de in bijlage II opgenomen habitattypen dat niet in goede toestand verkeert, zoals gekwantificeerd in het in artikel 12 bedoelde nationale herstelplan.

Het in punt d) van dit lid bedoelde percentage wordt zodanig vastgesteld dat dit het bereiken of in stand houden van een goede milieutoestand, zoals bepaald overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, niet in de weg staat.

[Am. 29]

3.  De lidstaten nemen de herstelmaatregelen voor de mariene habitats van de in bijlage III en de in de bijlagen II, IV en V bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen soorten en voor de mariene habitats van de onder Richtlijn 2009/147/EG vallende in het wild levende vogels, naast de herstelmaatregelen overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel, die nodig zijn om de kwaliteit en kwantiteit van die habitats te verbeteren, onder meer door herstel van die habitats, en om de verbindingen te verbeteren, totdat toereikende kwaliteit en kwantiteit van die habitats is bereikt.

4.  Bij het vaststellen van de meest geschikte gebieden voor herstelmaatregelen overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van dit artikel wordt uitgegaan van de beste beschikbare kennis en de meest recente technische en wetenschappelijke vooruitgang die is geboekt om de toestand van de in bijlage II opgenomen habitattypen ▌en ▌de kwaliteit en kwantiteit van de habitats van de in lid 3 van dit artikel bedoelde soorten te bepalen, met gebruikmaking van informatie die is meegedeeld krachtens artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 12 van Richtlijn 2009/147/EG en artikel 178 van Richtlijn 2008/56/EG.

4 bis.  De lidstaten zorgen er uiterlijk in 2030 voor dat de toestand van ten minste 50 % van de oppervlakte, verspreid over alle in bijlage II opgenomen habitattypen van de groepen 1 tot en met 6 bekend is. De toestand van alle gebieden van de in bijlage II opgenomen habitattypen van de groepen 1 tot en met 6 is uiterlijk in 2040 bekend. De lidstaten zorgen er uiterlijk in 2040 ook voor dat de toestand van ten minste 50 % van de oppervlakte, verspreid over alle in bijlage II opgenomen habitattypen van groep 7 bekend is. De toestand van alle gebieden van de in bijlage II opgenomen habitattypen van groep 7 is uiterlijk in 2050 bekend.

5.  Bij de in de leden 1 en 2 bedoelde herstelmaatregelen wordt rekening gehouden met de noodzaak van betere ecologische samenhang en verbindingen tussen de in bijlage II opgenomen habitattypen en met de ecologische vereisten van de in lid 3 bedoelde soorten die in die habitattypen voorkomen.

6.  De lidstaten trachten erop toe te zien dat in gebieden waarop overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 herstelmaatregelen van toepassing zijn de toestand van de in bijlage II opgenomen habitattypen voortdurend verbetert totdat een goede toestand is bereikt, en dat de kwaliteit van de habitats van de in lid 3 bedoelde soorten voortdurend verbetert totdat de toereikende kwaliteit van die habitats is bereikt. De lidstaten trachten, waar mogelijk, de nodige maatregelen te nemen met als doel te voorkomen dat gebieden waar een goede toestand is bereikt en waar de kwaliteit van de habitats van de soorten toereikend is geworden, op nationaal niveau significant verslechteren. [Am. 125/rev1]

▌[Am. 32, 104 en 126/rev1]

8.  Buiten Natura 2000-gebieden is het niet nakomen van de in lid 6 ▌vastgestelde verplichtingen gerechtvaardigd indien dit wordt veroorzaakt door:

a)  overmacht, met inbegrip van natuurrampen;

b)  onvermijdelijke habitattransformaties die rechtstreeks het gevolg zijn van de klimaatverandering; ▌

c bis)   in uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de totstandbrenging of voortzetting van activiteiten van algemeen belang is de niet-nakoming van de in lid 6 vastgestelde verplichtingen gerechtvaardigd, mits de verwezenlijking van de in de leden 1, 2 en 3 vastgestelde hersteldoelstellingen daardoor niet in gevaar wordt gebracht. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden en motiveren deze; [Am. 7]

d)   handelingen of nalatigheid van derde landen waarvoor de betrokken lidstaat niet verantwoordelijk is.

8 bis.  Buiten Natura 2000-gebieden is de in lid 7 bedoelde verplichting om de nodige maatregelen te nemen, niet van toepassing op verslechtering veroorzaakt door:

a)  overmacht, met inbegrip van natuurrampen;

b)  onvermijdelijke habitattransformaties die rechtstreeks het gevolg zijn van de klimaatverandering;

c)  een plan of project van dwingend openbaar belang waarvoor geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn; of

d)  handelingen of nalatigheid van derde landen waarvoor de betrokken lidstaat niet verantwoordelijk is.

9.  Voor Natura 2000-gebieden is het niet nakomen van de in de leden 6 en 7 vastgestelde verplichtingen gerechtvaardigd indien dit wordt veroorzaakt door:

a)  overmacht, met inbegrip van natuurrampen;

b)  onvermijdelijke habitattransformaties die rechtstreeks het gevolg zijn van de klimaatverandering; of

c)  een plan of project dat overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG is goedgekeurd.

10.  De lidstaten zorgen ervoor dat er sprake is van:

a)  een toename van habitatgebied in goede toestand voor de in de groepen 1 tot en met 6 van de in bijlage II opgenomen habitattypen totdat ten minste 90 % in een goede toestand verkeert en totdat het gunstige referentiegebied voor elk habitattype in elk biogeografisch gebied van de betrokken lidstaat is bereikt;

a bis)  een toename van habitatgebied in goede toestand voor de in groep 7 in bijlage II opgenomen habitattypen totdat ten minste het in lid 1, punt d), bedoelde percentage in een goede toestand verkeert en totdat het gunstige referentiegebied voor elk habitattype in elk biogeografisch gebied van de betrokken lidstaat is bereikt;

b)  een positieve trend naar toereikende kwaliteit en kwantiteit van de mariene habitats van de in bijlage III en in de bijlagen II, IV en V bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen soorten en van de onder Richtlijn 2009/147/EG vallende soorten.

Artikel 5 bis

Energie uit hernieuwbare bronnen

Voor de toepassing van artikel 4, leden 8 en 8a, en artikel 5, leden 8 en 8a, worden de planning, de bouw en de exploitatie van installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en opslagvoorzieningen geacht van dwingend openbaar belang te zijn. De lidstaten kunnen daarvoor een vrijstelling toepassen van de vereiste dat er geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar mogen zijn, krachtens artikel 4, leden 8 en 8 bis, en artikel 5, leden 8 en 8 bis, indien er een strategische milieubeoordeling is verricht onder de voorwaarden van Richtlijn 2001/42/EG of indien zij onderworpen zijn geweest aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de voorwaarden van Richtlijn 2011/92/EU. De lidstaten kunnen in bepaalde gerechtvaardigde en specifieke omstandigheden de toepassing van deze bepalingen beperken tot bepaalde delen van hun grondgebied, tot bepaalde soorten technologieën of tot projecten met bepaalde technische kenmerken, overeenkomstig de prioriteiten die overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 in hun nationale geïntegreerde energie- en klimaatplannen zijn vastgelegd. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de toegepaste beperkingen en motiveren die.

Artikel 5 ter

Nationale defensie

1.  Bij het treffen van herstelmaatregelen voor de toepassing van artikel 4, leden 1, 2 en 3, en artikel 5, leden 1, 2 en 3, kunnen de lidstaten vrijstelling verlenen voor gebieden die uitsluitend voor activiteiten met het oog op de nationale defensie worden gebruikt, indien deze maatregelen onverenigbaar worden geacht met het voortgezette militaire gebruik van de betrokken gebieden.

2.  Voor de toepassing van artikel 4, leden 8 en 8 bis, en artikel 5, leden 8 en 8 bis, kunnen de lidstaten bepalen dat plannen en projecten die uitsluitend voor nationale defensiedoeleinden zijn bedoeld, worden geacht van dwingend openbaar belang te zijn. Voorts kunnen de lidstaten voor de toepassing van artikel 4, leden 8 en 8 bis, en artikel 5, leden 8 en 8 bis, dergelijke plannen en projecten vrijstellen van de vereiste dat er geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar mogen zijn. Bij toepassing van deze vrijstelling voert de betrokken lidstaat echter, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is, maatregelen uit om de gevolgen voor de habitattypen te verzachten.

Artikel 6

Herstel van stedelijke ecosystemen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat er uiterlijk op 31 december 2030 geen nettoverlies is in de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte en ▌stedelijke boomkroonbedekking in stedelijke ecosysteemgebieden, als bepaald overeenkomstig artikel 11, lid 2 ter, ten opzichte van [jaar van inwerkingtreding van deze verordening]. Met het oog op deze verplichting kunnen de lidstaten de stedelijke ecosysteemgebieden van die totale nationale oppervlakte uitsluiten indien het aandeel stedelijke groene ruimte in de stedelijke centra en stedelijke clusters groter is dan 45 % en het aandeel stedelijke boomkroonbedekking groter is dan 10 %.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat er daarna sprake is van een stijgende trend in de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte, onder meer door integratie van stedelijke groene ruimte in gebouwen en infrastructuur in stedelijke ecosysteemgebieden, als bepaald overeenkomstig artikel 11, lid 2 ter, na 31 december 2030 om de zes jaar gemeten, totdat een overeenkomstig artikel 11, lid 3, vastgesteld bevredigend niveau wordt bereikt.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat er in elk stedelijk ecosysteemgebied, als bepaald overeenkomstig artikel 11, lid 2 ter, sprake is van een stijgende trend in de stedelijke boomkroonbedekking, na 31 december 2030 om de zes jaar gemeten, totdat een overeenkomstig artikel 11, lid 3, vastgesteld bevredigend niveau wordt bereikt.

Artikel 7

Herstel van de natuurlijke verbindingen van rivieren en de natuurlijke functies van de bijbehorende overstromingsgebieden

1.  De lidstaten inventariseren de kunstmatige barrières voor ▌verbindingen ▌van oppervlaktewateren en brengen, rekening houdend met de sociaal-economische functies van die wateren, de barrières in kaart die moeten worden weggenomen om bij te dragen tot het halen van de in artikel 4 van deze verordening vastgelegde op herstel gerichte streefdoelen en van de doelstelling om uiterlijk in 2030 van ten minste 25 000 km ▌rivieren weer vrij stromende rivieren te maken, onverminderd Richtlijn 2000/60/EG, met name artikel 4, leden 3, 5 en 7, en Verordening (EU) nr. 1315/2013, en met name artikel 15.

2.  De lidstaten nemen de kunstmatige barrières voor ▌verbindingen ▌van oppervlaktewateren weg op basis van de inventaris in lid 1 van dit artikel, in overeenstemming met het in artikel 12, lid 2, punten e) en f), bedoelde plan voor de verwijdering van die barrières. Bij het wegnemen van barrières verwijderen de lidstaten in de eerste plaats barrières die niet langer nodig zijn voor de opwekking van hernieuwbare energie, de binnenvaart, de watervoorziening, bescherming tegen overstromingen of andere gebruiksdoeleinden.

3.  De lidstaten voeren naast de verwijdering van de in lid 2 bedoelde barrières ook de maatregelen uit die nodig zijn om de natuurlijke functies van de betrokken overstromingsgebieden te verbeteren.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de natuurlijke verbindingen van rivieren en de natuurlijke functies van de betrokken overstromingsgebieden die overeenkomstig de leden 2 en 3 zijn hersteld, in stand worden gehouden.

Artikel 8

Herstel van bestuiverpopulaties

1.  De lidstaten verbeteren, door middel van het nemen van passende en doeltreffende maatregelen, de diversiteit van bestuivers en keren uiterlijk in 2030 de afname van bestuiverpopulaties om en realiseren daarna een stijgende trend voor bestuiverpopulaties, volgend op de inwerkingtreding van de verordening, die na 2030 om de zes jaar wordt gemeten totdat toereikende niveaus zijn bereikt, overeenkomstig artikel 11, lid 3. [Am. 88]

2.  De Commissie stelt uiterlijk op ... [9 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast om een op wetenschappelijke gegevens gebaseerde methode vast te stellen voor de monitoring van bestuiverpopulaties en -diversiteit. ▌[Am. 89]

3.  De in lid 2 bedoelde methode voorziet in richtsnoeren voor de lidstaten voor het vaststellen van toereikende niveaus overeenkomstig artikel 11, lid 3, en zorgt voor een gestandaardiseerde aanpak voor het verzamelen van jaarlijkse gegevens over de dichtheid en diversiteit van bestuiversoorten in alle ecosystemen en voor het beoordelen van trends voor bestuiverpopulaties en de doeltreffendheid van de door de lidstaten overeenkomstig lid 1 van dit artikel vastgestelde herstelmaatregelen. [Am. 90]

3 bis.  De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de monitoringgegevens afkomstig zijn uit een toereikend aantal locaties om de representativiteit op het hele grondgebied te waarborgen. De lidstaten zorgen voor voldoende middelen voor de monitoring en bevordering van burgerwetenschap. [Am. 91]

3 ter.  De Commissie en de relevante agentschappen van de Unie, met name het EEA, de EFSA en het ECHA, pakken gezamenlijk de belangrijkste belastingen aan waarmee bestuivers worden geconfronteerd en ondersteunen de lidstaten op hun verzoek. [Am. 92]

▌[Am. 34]

Artikel 10

Herstel van bosecosystemen

1.  De lidstaten nemen de herstelmaatregelen die nodig zijn om de biodiversiteit van bosecosystemen te verbeteren, naast de gebieden waarop herstelmaatregelen uit hoofde van artikel 4, leden 1, 2 en 3, van toepassing zijn.

2.  De lidstaten realiseren op nationaal niveau een stijgende trend voor elk van de volgende indicatoren voor bosecosystemen, zoals nader uiteengezet in bijlage VI, gemeten in de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot en met 31 december 2030, en vervolgens om de zes jaar, totdat de overeenkomstig artikel 11, lid 3, vastgestelde toereikende niveaus zijn bereikt:

▌[Am. 129/rev1]

▌[Am. 130/rev1]

c)  de index van alledaagse bosvogels;

2 bis.  De lidstaten realiseren op nationaal niveau een stijgende trend voor drie van de volgende indicatoren voor bosecosystemen, zoals nader uiteengezet in bijlage VI, gekozen op basis van hun vermogen om de verbetering van de biodiversiteit van bosecosystemen binnen de betrokken lidstaat aan te tonen. De trend moet worden gemeten in de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot en met 31 december 2030, en vervolgens om de zes jaar, totdat de overeenkomstig artikel 11, lid 3, vastgestelde bevredigende niveaus zijn bereikt:

a)  het aandeel bossen met een ongelijkjarige structuur;

b)  bosverbindingen;

c)  de voorraad organische koolstof;

d)  het aandeel bossen dat wordt gedomineerd door inheemse boomsoorten;

e)  de diversiteit aan boomsoorten.

3.  Het niet nakomen van de in de leden 2 en 2a vastgelegde verplichtingen is gerechtvaardigd indien dit wordt veroorzaakt door:

a)  grootschalige overmacht, met inbegrip van natuurrampen, met name onvoorziene en ongecontroleerde bosbranden; of

b)  onvermijdelijke habitattransformaties die rechtstreeks het gevolg zijn van de klimaatverandering.

Artikel 10 bis

Aanplant van drie miljard extra bomen

1.  Bij het vaststellen en uitvoeren van de herstelmaatregelen die nodig zijn om te voldoen aan de in de artikelen 4, 6, 9 en 10 vastgestelde doelstellingen en verplichtingen, leveren de lidstaten een bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie om tegen 2030 ten minste drie miljard extra bomen aan te planten.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 genoemde doelstelling wordt verwezenlijkt met volledige inachtneming van de ecologische beginselen; zij waarborgen de diversiteit van soorten en geven voorrang aan inheemse boomsoorten, met uitzondering van, in zeer specifieke gevallen en onder zeer specifieke omstandigheden, niet-inheemse soorten die geschikt zijn voor het plaatselijke klimaat en de plaatselijke bodem, de ecologische context en habitatomstandigheden die een rol spelen bij het vergroten van de weerbaarheid tegen de klimaatverandering. Maatregelen ter verwezenlijking van de doelstelling zijn gericht op het vergroten van de connectiviteit en zijn gebaseerd op bosverbetering, duurzame herbebossing en de vergroening van stedelijke gebieden.

3.  Voor oogstdoeleinden aangeplante bomen tellen niet mee voor de in lid 1 genoemde doelstelling. [Am. 80]

HOOFDSTUK III

NATIONALE HERSTELPLANNEN

Artikel 11

Voorbereiding van de nationale herstelplannen

1.  De lidstaten stellen nationale herstelplannen op en verrichten de voorbereidende monitoring en het nodige onderzoek om na te gaan welke herstelmaatregelen nodig zijn om bij te dragen aan de streefdoelen van de Unie en te voldoen aan de verplichtingen van de artikelen 4 tot en met 10, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke bevindingen, de behoeften van lokale gemeenschappen, met inbegrip van stedelijke gemeenschappen, de meest kosteneffectieve maatregelen en de sociaal-economische gevolgen van deze maatregelen. Een passende betrokkenheid van de belanghebbenden, met inbegrip van grondeigenaren en grondbeheerders, in elke fase van het proces is noodzakelijk. [Am. 35]

2.  De lidstaten kwantificeren het gebied dat moet worden hersteld om de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde op herstel gerichte streefdoelen te halen, rekening houdend met de toestand van de in artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde habitattypen en met de kwaliteit en kwantiteit van de habitats van de in artikel 4, lid 3, en artikel 5, lid 3, bedoelde soorten▌. De kwantificering berust onder andere op de volgende informatie:

a)  voor elk habitattype:

i)  het totale habitatgebied en een kaart van de huidige verspreiding ervan;

ii)  het habitatgebied dat niet in goede toestand verkeert;

iii)  het gunstige referentiegebied, rekening houdend met de historische verspreidingsgegevens en de verwachte veranderingen in de milieuomstandigheden als gevolg van klimaatverandering;

▌[Am. 37]

b)  de toereikende kwaliteit en kwantiteit van de habitats van de soorten die nodig zijn om hun gunstige staat van instandhouding te bereiken, rekening houdend met de gebieden die het meest geschikt zijn▌, en rekening houdend met de veranderingen als gevolg van de klimaatverandering, de rol die het land speelt op het gebied van voedselproductie en de concurrerende behoeften van de habitats en soorten. [Am. 38]

b bis)  om het gebied van elk habitattype dat moet worden hersteld te kwantificeren om de in artikel 4, lid 1, punt a) en artikel 5, lid 1, punt a), vastgelegde op herstel gerichte streefdoelen te halen, mag het in punt a), ii), bedoelde habitatgebied dat niet in goede toestand verkeert, alleen gebieden omvatten waarvan de toestand bekend is;

b ter)  om het gebied van elk habitattype dat moet worden hersteld te kwantificeren om de in artikel 4, lid 1, punt b), en artikel 5, lid 1, punten b), c) en d), vastgelegde op herstel gerichte streefdoelen te halen, mag het in punt a), ii), bedoelde habitatgebied dat niet in goede toestand verkeert, alleen gebieden omvatten waarvan de toestand bekend is of bekend moet worden op grond van artikel 4, lid 4 bis, en artikel 5, lid 4 bis;

b quater)   haalbaarheid van herstel, kosteneffectiviteit en conflicterende sociaal-economische belangen; [Am. 39]

b quinquies)   bevolkingsdichtheid en ruimteschaarste in de lidstaat; [Am. 40]

2 bis)  De financiering van financieringstekorten in verband met de uitvoering van deze verordening wordt gewaarborgd zonder gebruik te maken van financiering uit het GLB, het GVB of andere financieringsstromen voor landbouw en visserij. [Am. 134]

2 ter.  Voor groep 7 van de in bijlage II opgenomen habitattypen stellen de lidstaten het in artikel 5, lid 1, punt d), bedoelde percentage vast.

2 quater.  De lidstaten stellen stedelijke ecosysteemgebieden als bedoeld in artikel 6 vast en brengen deze in kaart voor al hun steden en kleinere steden en voorsteden.

Het stedelijke ecosysteemgebied van een stad of van een kleinere stad en voorstad omvat:

a)  de gehele stad of kleinere stad en voorstad; of

b)  delen van de stad of van de kleinere stad en voorstad, met inbegrip van ten minste de stedelijke centra, de stedelijke clusters en, indien dit door de betrokken lidstaat passend wordt geacht, de voorstedelijke gebieden.

De lidstaten kunnen de stedelijke ecosysteemgebieden van twee of meer aangrenzende steden en/of kleinere steden en voorsteden samenvoegen tot één stedelijk ecosysteemgebied dat deze steden en/of kleinere steden en voorsteden gemeen hebben.

3.  De lidstaten stellen uiterlijk in 2030 toereikende niveaus vast voor elk van de in de artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 2, bedoelde indicatoren, voor elk van de gekozen indicatoren in artikel 10, lid 2 bis, voor stedelijke groene ruimten genoemd in artikel 6, lid 2, en voor stedelijke boomkruinbedekking genoemd in artikel 6, lid 3, door middel van een open en doeltreffend proces en een beoordeling op basis van de meest recente wetenschappelijke bevindingen▌, het in artikel 17, lid 9 bis, bedoelde richtinggevende kader en, indien beschikbaar, het in artikel 17, lid 9, bedoelde richtinggevende kader.

4.  De lidstaten lokaliseren de landbouw- en bosgebieden die moeten worden hersteld en brengen deze in kaart, met name de gebieden die als gevolg van intensivering of andere beheersfactoren betere verbindingen en landschappelijke diversiteit behoeven.

4 bis.  De lidstaten kunnen binnen één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een methode ter aanvulling van de in bijlage IV bedoelde methode ontwikkelen teneinde toezicht te houden op diversiteitsrijke landschapselementen waarvoor niet de gemeenschappelijke methode wordt gebruikt die wordt bedoeld in de beschrijving van diversiteitsrijke landschapselementen in die bijlage. De Commissie verstrekt binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening richtsnoeren over het kader voor de ontwikkeling van een dergelijke methode.

4 ter.  De lidstaten bepalen in voorkomend geval de beperking van de mate van het vernatten van veengebied als bedoeld in artikel 9, lid 4, vijfde alinea.

5.  De lidstaten bewerkstelligen synergieën met klimaatmitigatie en -adaptatie, neutraliteit qua bodemdegradatie en ▌rampenpreventie en geven dienovereenkomstig prioriteit aan herstelmaatregelen. De lidstaten houden ook rekening met:

a)  hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999;

b)  hun langetermijnstrategie als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EU) 2018/1999;

c)  het bindende streefcijfer van de Unie voor 2030 als vastgesteld in artikel 3 van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad.

6.  De lidstaten stemmen de ontwikkeling van nationale herstelplannen af op de inventarisatie van gebieden die nodig zijn voor het bereiken van ten minste hun nationale bijdragen aan het streefdoel voor hernieuwbare energie voor 2030 en, in voorkomend geval, op de aanwijzing van de gebieden voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie en de speciale infrastructuurgebieden. Tijdens de voorbereiding van de plannen voor het herstel van de natuur zorgen de lidstaten voor synergieën met de opbouw van hernieuwbare energie en bijbehorende infrastructuur en de reeds aangewezen gebieden voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie en de speciale infrastructuurgebieden, en zorgen zij ervoor dat de werking van deze gebieden voor hernieuwbare energie, met inbegrip van de vergunningsprocedures van Richtlijn (EU) 2018/2001 die van toepassing zijn op deze gebieden voor hernieuwbare energie, evenals de werking van netprojecten die nodig zijn voor het integreren van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem en de bijbehorende vergunningsprocedures, ongewijzigd blijven.

7.  De lidstaten houden bij het opstellen van hun nationale herstelplannen met name rekening met het volgende:

a)  de overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG voor Natura 2000-gebieden vastgestelde instandhoudingsmaatregelen;

b)  de overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG opgestelde prioritaire actiekaders;

c)  de maatregelen voor het bereiken van een goede kwantitatieve ecologische en chemische toestand van waterlichamen die zijn opgenomen in programma’s met maatregelen, overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen en overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG opgestelde overstromingsrisicobeheerplannen;

d)  in voorkomend geval, de overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG opgestelde mariene strategieën voor het bereiken van een goede milieutoestand voor alle mariene regio’s van de Unie;

e)  de in het kader van Richtlijn (EU) 2016/2284 opgestelde nationale programma’s ter beheersing van de luchtverontreiniging;

f)  de overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag inzake biologische diversiteit ontwikkelde nationale biodiversiteitsstrategieën en actieplannen;

g)  in voorkomend geval, de in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen;

h)  de in overeenstemming met Verordening (EU) 2021/2115 opgestelde strategische GLB-plannen.

8.  De lidstaten maken bij het opstellen van de nationale herstelplannen gebruik van de verschillende voorbeelden van in bijlage VII opgenomen herstelmaatregelen, afhankelijk van de specifieke nationale en lokale omstandigheden en de meest recente wetenschappelijke bevindingen.

9.  Bij het opstellen van de nationale herstelplannen streven de lidstaten ernaar de ecologische, economische en sociale functies van ecosystemen en hun bijdrage aan de duurzame ontwikkeling van de betrokken regio’s en gemeenschappen te optimaliseren.

9 bis.  De lidstaten kunnen bij het opstellen van de nationale herstelplannen rekening houden met de uiteenlopende situaties in verschillende regio’s met betrekking tot sociale, economische en culturele vereisten, regionale en plaatselijke kenmerken en de bevolkingsdichtheid. Indien van toepassing, moet rekening worden gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere regio’s van de Unie, bijvoorbeeld wat betreft hun afgelegen ligging, insulaire karakter, kleine oppervlakte en een moeilijk reliëf en klimaat, alsmede hun rijke biodiversiteit en de daarmee gepaard gaande kosten voor het beschermen en herstellen van hun ecosystemen.

10.  De lidstaten bewerkstelligen waar mogelijk synergieën met de nationale herstelplannen van andere lidstaten, met name voor ecosystemen die zich over de grenzen heen uitstrekken of indien lidstaten een mariene regio of subregio delen in de zin van Richtlijn 2008/56/EG.

10 bis.  De lidstaten kunnen, waar dat praktisch en passend is, voor het opstellen en uitvoeren van nationale herstelplannen met betrekking tot het herstel en het in vroegere toestand terugbrengen van mariene ecosystemen, gebruikmaken van bestaande regionale institutionele samenwerkingsstructuren.

10 ter.  Wanneer de lidstaten een probleem vaststellen dat waarschijnlijk de nakoming van de verplichtingen tot herstel en het in vroegere toestand terugbrengen van mariene ecosystemen in de weg staat en waarvoor maatregelen vereist zijn waarvoor zij niet bevoegd zijn, richten zij zich, individueel of gezamenlijk, tot de lidstaten, de Commissie of internationale organisaties, voor zover zij betrokken zijn, met een beschrijving van het vastgestelde probleem en mogelijke maatregelen, zodat deze bestudeerd kunnen worden en er eventueel maatregelen kunnen worden genomen.

11.  De lidstaten zorgen ervoor dat de voorbereiding van het herstelplan open, transparant, inclusief en doeltreffend is en dat het publiek en met name grondeigenaren, grondbeheerders, maritieme belanghebbenden en andere relevante actoren, zoals advies- en voorlichtingsdiensten, in naleving van het beginsel van voorafgaande en geïnformeerde toestemming, in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgen in de voorbereiding van het plan. De lokale en regionale autoriteiten alsook de betrokken beheersautoriteiten worden naar behoren betrokken bij de voorbereiding van het plan. Raadpleging voldoet aan de voorschriften van ▌Richtlijn 2001/42/EG. [Am. 12]

Artikel 12

Inhoud van de nationale herstelplannen

1.  Het nationale herstelplan bestrijkt de periode tot en met 2050, met tussentijdse termijnen die overeenstemmen met de in de artikelen 4 tot en met 10 vastgestelde streefdoelen en verplichtingen.

1 bis.  In afwijking van lid 1 kan het nationale herstelplan dat overeenkomstig artikel 13 en artikel 14, lid 6, moet worden ingediend, voor de periode na juni 2032 en totdat het overeenkomstig artikel 15, lid 1, wordt geëvalueerd, worden beperkt tot een strategisch overzicht van:

a)  de in lid 2 genoemde onderdelen, en

b)  de in de leden 3 en 3 bis bedoelde inhoud.

Het herziene nationale herstelplan dat voortvloeit uit de vóór juli 2032 uit te voeren evaluatie overeenkomstig artikel 15, lid 1, kan, voor de periode na juni 2042 en totdat het vóór juli 2042 overeenkomstig artikel 15, lid 1, wordt herzien, worden beperkt tot een strategisch overzicht van die onderdelen en inhoud.

2.  De lidstaten nemen de volgende onderdelen op in hun nationale herstelplan en gebruiken het uniforme model dat overeenkomstig lid 4 van dit artikel is vastgesteld:

a)  de kwantificering van de gebieden die moeten worden hersteld om de in de artikelen 4 tot en met 10 vastgelegde op herstel gerichte streefdoelen te halen, op basis van de voorbereidende werkzaamheden die overeenkomstig artikel 11 zijn verricht en de indicatieve kaarten van potentieel te herstellen gebieden;

b)  een beschrijving van de geplande of ingevoerde herstelmaatregelen om de in de artikelen 4 tot en met 10 vastgestelde streefdoelen en verplichtingen te halen en na te komen, en een indicatie van welke van die herstelmaatregelen zijn gepland of ingevoerd binnen het overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG opgerichte Natura 2000-netwerk;

b bis)  een specifiek deel met maatregelen om de verplichtingen van artikel 4, lid 4 bis, en artikel 5, lid 4 bis, na te komen;

▌[Am. 41]

▌[Am. 42]

e)  de inventaris van barrières en de barrières waarvan overeenkomstig artikel 7, lid 1, is vastgesteld dat ze moeten worden verwijderd, het plan voor de verwijdering ervan overeenkomstig artikel 7, lid 2, en de geschatte lengte aan vrij stromende rivieren die moet worden bereikt door het wegnemen van deze barrières tussen 2020 en 2030 en ▌2050, en alle andere maatregelen om de natuurlijke functies van overstromingsgebieden te herstellen overeenkomstig artikel 7, lid 3;

e bis)  in voorkomend geval, een motivering voor het vernatten van het veengebied met een lager percentage dan bedoeld in artikel 9, lid 4, eerste alinea, punten a), b) en c);

e ter)  een overzicht van de overeenkomstig artikel 10, lid 2 bis, gekozen indicatoren voor bosecosystemen en hun vermogen om de verbetering van de biodiversiteit in bosecosystemen in de betrokken lidstaat aan te tonen;

f)  het tijdschema voor de invoering van de herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 10;

g)  een specifieke afdeling waarin op maat gesneden herstelmaatregelen voor hun ultraperifere gebieden worden vastgelegd, indien van toepassing;

h)  de monitoring van de gebieden die overeenkomstig de artikelen 4 en 5 moeten worden hersteld, het proces voor de beoordeling van de doeltreffendheid van de overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 10 ingevoerde herstelmaatregelen en waar nodig voor de herziening van die maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 4 tot en met 10 vastgestelde streefdoelen en verplichtingen worden gehaald en nagekomen;

i)  een indicatie van de bepalingen die de voortdurende, langdurige en duurzame effecten van de in de artikelen 4 tot en met 10 bedoelde herstelmaatregelen moeten waarborgen;

j)  de geraamde nevenvoordelen voor klimaatmitigatie en neutraliteit qua bodemdegradatie in verband met de herstelmaatregelen na verloop van tijd, alsmede de bredere sociaaleconomische voordelen van die maatregelen;

j bis)   de geraamde sociaal-economische gevolgen van de uitvoering van de herstelmaatregelen [Am. 69]

k)  een specifieke afdeling waarin wordt uiteengezet hoe in het nationale herstelplan rekening wordt gehouden met:

i)  het belang van scenario’s voor klimaatverandering voor het plannen van de soort en de locatie van herstelmaatregelen;

ii)  het potentieel van herstelmaatregelen om de gevolgen van ▌klimaatverandering voor de natuur tot een minimum te beperken, de gevolgen van natuurrampen te voorkomen of te verzachten en klimaatadaptatie te ondersteunen;

iii)  synergieën met nationale aanpassingsstrategieën of -plannen en nationale verslagen inzake risico-evaluatie voor rampen;

iv)  een overzicht van de wisselwerking tussen de maatregelen in het nationale herstelplan en het nationale energie- en klimaatplan;

l)  de geraamde financieringsbehoeften voor de uitvoering van de herstelmaatregelen, met een beschrijving van de steun aan belanghebbenden die worden getroffen door herstelmaatregelen of andere nieuwe verplichtingen die uit deze verordening voortvloeien, en de middelen voor de voorgenomen openbare of particuliere financiering, met inbegrip van (mede)financiering met financieringsinstrumenten van de Unie;

m)  een indicatie van de subsidies die het halen van de streefdoelen en het nakomen van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen negatief beïnvloeden;

n)  een samenvatting van het proces voor het voorbereiden en opstellen van het nationale herstelplan, met inbegrip van informatie over inspraak van het publiek en van de wijze waarop rekening is gehouden met de behoeften van lokale gemeenschappen en belanghebbenden;

o)  een specifieke afdeling waarin wordt aangegeven hoe de opmerkingen van de Commissie over het in artikel 14, lid 4, bedoelde ontwerp van nationaal herstelplan in aanmerking zijn genomen overeenkomstig artikel 14, lid 5. Indien de betrokken lidstaat geen gevolg geeft aan een opmerking van de Commissie of een aanzienlijk deel daarvan, moet die lidstaat dit motiveren.

3.  De nationale herstelplannen bevatten, indien van toepassing, de instandhoudings- en beheersmaatregelen die een lidstaat voornemens is vast te stellen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met inbegrip van instandhoudingsmaatregelen in gezamenlijke aanbevelingen die een lidstaat voornemens is te initiëren volgens de procedure van Verordening (EU) nr. 1380/2013, en alle relevante informatie over die maatregelen.

3 bis.  De nationale herstelplannen bevatten een overzicht van de wisselwerking tussen de maatregelen in het nationale herstelplan en het nationaal strategisch plan in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

3 ter.  In voorkomend geval bevatten de nationale herstelplannen een overzicht van de overwegingen in verband met de uiteenlopende situaties in verschillende regio’s, zoals bedoeld in artikel 11, lid 9 bis.

4.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om een uniform model voor de nationale herstelplannen vast te leggen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 21, lid 2. De Commissie wordt bij het opstellen van het uniforme model bijgestaan door het Europees Milieuagentschap (EEA). Uiterlijk op … [datum = de eerste dag van de maand volgend op de drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] dient de Commissie de ontwerpuitvoeringshandelingen in bij het in artikel 21, lid 1, bedoelde comité.

Artikel 13

Indiening van de ontwerpen van nationale herstelplannen

De lidstaten dienen uiterlijk op… [PB: datum invoegen = de eerste dag van de maand volgend op de 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] een ontwerp van het in de artikelen 11 en 12 bedoelde nationale herstelplan in bij de Commissie.

Artikel 14

Beoordeling van de nationale herstelplannen

1.  De Commissie beoordeelt de ontwerpen van nationale herstelplannen binnen zes maanden na de datum van ontvangst. De Commissie werkt bij het uitvoeren van die beoordeling nauw samen met de desbetreffende lidstaat.

2.  Wanneer zij het nationale herstelplan beschouwt, gaat de Commissie na of het voldoet aan artikel 12 en of het toereikend is om te voldoen aan de in de artikelen 4 tot en met 10 vastgestelde streefcijfers en verplichtingen, alsook aan de in artikel 1 bedoelde overkoepelende doelstellingen van de Unie en de in artikel 7, lid 1, bedoelde specifieke doelstellingen om tegen 2035 ten minste 20 000 km rivieren in de Unie in vrij stromende rivieren te herstellen. De Commissie houdt ook rekening met de sociaal-economische effecten in het bijzonder op plattelandsgebieden en de effecten van het nationale herstelplan met name op de land- en bosbouwproductie, om ervoor te zorgen dat het niet leidt tot verplaatsing van de productie buiten de Unie. [Am. 43]

3.  Voor de beoordeling van de ontwerpen van nationale herstelplannen wordt de Commissie bijgestaan door deskundigen van het EEA.

4.  De Commissie kan binnen zes maanden na de datum van ontvangst van het ontwerp van nationaal herstelplan opmerkingen tot de lidstaten richten.

5.  De lidstaten houden in hun definitieve nationale herstelplan ▌rekening met eventuele opmerkingen van de Commissie.

6.  De lidstaten voltooien het nationale herstelplan, maken het bekend en dienen het in bij de Commissie binnen zes maanden na de datum van ontvangst van de opmerkingen van de Commissie.

Artikel 14 bis

Uitvoering van maatregelen voor het herstel van mariene ecosystemen

1.  Lidstaten waarvan de nationale herstelplannen instandhoudingsmaatregelen bevatten in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid waarvoor gezamenlijke aanbevelingen moeten worden ingediend, raadplegen de andere lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer overeenkomstig de artikelen 11 en 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en dienen de aanbevelingen samen met de andere lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in: 

a)  uiterlijk twaalf maanden na de definitieve indiening van hun nationale herstelplan, voor de maatregelen van artikel 5, lid 3; 

b)  uiterlijk op 1 januari 2028 voor de herstelmaatregelen die nodig zijn om de voor 2030 vastgestelde streefdoelen te halen; 

c)  uiterlijk op 1 januari 2036 voor de herstelmaatregelen die nodig zijn om de voor 2040 vastgestelde streefdoelen te halen; 

d)  uiterlijk op 1 januari 2046 voor de herstelmaatregelen die nodig zijn om de voor 2050 vastgestelde streefdoelen te halen. 

2.  De Commissie houdt toezicht op de voortgang bij het behalen van de deadlines voor de maatregelen waarvoor gezamenlijke aanbevelingen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten worden ingediend. 

3.  Indien de lidstaten de in Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde gezamenlijke aanbevelingen niet tijdig indienen, stelt de Commissie de maatregelen uiterlijk 12 maanden na de in lid 1 van dit artikel vastgestelde uiterste datum voor de indiening van de gezamenlijke aanbeveling vast, met gebruikmaking van de instrumenten waarin artikel 11, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet, indien er geen gezamenlijke aanbeveling is. [Am. 15]

Artikel 15

Evaluatie van de nationale herstelplannen

1.  Vóór juli 2032 en vóór juli 2042 evalueren en herzien de lidstaten hun nationale herstelplan en nemen zij er aanvullende maatregelen in op. Daarna ten minste om de tien jaar evalueren de lidstaten hun nationale herstelplan en herzien zij het indien nodig en nemen zij er aanvullende maatregelen in op. Deze evaluaties worden uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 11 en 12 en ▌daarbij wordt rekening gehouden met de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de plannen, de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens en de beschikbare kennis over veranderingen of verwachte veranderingen in milieuomstandigheden als gevolg van de klimaatverandering. Bij de evaluaties die vóór juli 2032 en vóór juli 2042 moeten worden uitgevoerd, houden de lidstaten rekening met de overeenkomstig de verplichtingen van artikel 4, lid 4 bis, en artikel 5, lid 4 bis, opgedane kennis over de toestand van de in de bijlagen I en II opgenomen habitattypen. De lidstaten publiceren hun herziene nationale herstelplan en verstrekken het aan de Commissie.

2.  Wanneer uit de monitoring overeenkomstig artikel 17 blijkt dat de maatregelen in het nationale herstelplan niet toereikend zullen zijn om de streefdoelen en verplichtingen van de artikelen 4 tot en met 10 te halen en na te komen, evalueert de lidstaat het nationale herstelplan, waarna hij het zo nodig herziet en er aanvullende maatregelen in opneemt. De lidstaten publiceren hun herziene nationale herstelplan en verstrekken het aan de Commissie.

3.  Op basis van de in artikel 18, leden 1 en 2, bedoelde informatie en de in artikel 18, leden 4, en 5 bedoelde beoordeling kan de Commissie, indien zij van oordeel is dat de door een lidstaat geboekte vooruitgang ontoereikend is om de in de artikelen 4 tot en met 10 vastgelegde streefdoelen en verplichtingen te halen en na te komen, de ▌ lidstaat, na overleg, verzoeken een herzien ontwerp van nationaal herstelplan met aanvullende maatregelen in te dienen. Dat herziene nationale herstelplan met aanvullende maatregelen wordt binnen zes maanden na de datum van ontvangst van het verzoek van de Commissie bekendgemaakt en ingediend. Op verzoek van de betrokken lidstaat en indien naar behoren gemotiveerd, kan de Commissie die termijn met nog eens zes maanden verlengen.

▌[Am. 18cp en 44]

HOOFDSTUK IV

MONITORING EN VERSLAGLEGGING

Artikel 17

Monitoring

1.  De lidstaten monitoren het volgende:

a)  de toestand en de trend wat betreft de toestand van de habitatsoorten en de kwaliteit en de trend wat betreft de kwaliteit van de habitats van de soorten als bedoeld in de artikelen 4 en 5 in de gebieden waar herstelmaatregelen worden uitgevoerd op basis van de monitoring als bedoeld in artikel 12, lid 2, punt h);

b)  het gebied van stedelijke groene ruimte en boomkroonbedekking binnen in overeenstemming met artikel 11, lid 2b, vastgestelde stedelijke ecosysteemgebieden, als bedoeld in artikel 6;

c)  de indicatoren van biodiversiteit in landbouwecosystemen die zijn opgenomen in bijlage IV;

d)  de populaties van de veelvoorkomende vogelsoorten in landbouwgebieden die zijn opgenomen in bijlage V;

e)  de drie indicatoren van biodiversiteit in bosecosystemen die zijn opgenomen in artikel 10, lid 2;

e bis)  drie van de indicatoren van biodiversiteit in bosecosystemen die zijn opgenomen in artikel 10, lid 2 bis, gekozen door de lidstaat;

f)  de abundantie en diversiteit van soorten bestuivers, volgens de in artikel 8, lid 2, beschreven methode;

g)  de grootte en de toestand van de gebieden die onder de habitattypen vallen die zijn opgenomen in de bijlagen I en II ▌;

h)  het gebied en de kwaliteit van de habitat van de soorten als bedoeld in artikel 4, lid 3, en artikel 5, lid 3 ▌.

2.  De monitoring overeenkomstig lid 1, punt a), begint zodra de herstelmaatregelen zijn ingevoerd.

3.  De monitoring overeenkomstig lid 1, punten b) tot en met e bis), begint op [PB: de datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen].

4.  De monitoring overeenkomstig lid 1, punt f), van dit artikel begint een jaar na de inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 8, lid 2.

5.  De monitoring overeenkomstig lid 1, punten a) en b), wordt minstens elke zes jaar uitgevoerd. De monitoring overeenkomstig dat lid, punt c), ▌betreffende de voorraad organische koolstof in minerale bodems in akkerland en het percentage landbouwareaal met diversiteitsrijke landschapselementen, en dat lid, punt e), betreffende het staand dood hout en het liggend dood hout, en, in voorkomend geval, het percentage bossen met een ongelijkjarige structuur, de bosconnectiviteit, het percentage bossen dat wordt gedomineerd door inheemse boomsoorten, de diversiteit aan boomsoorten en de voorraad organische koolstof, wordt minstens om de zes jaar uitgevoerd, of, indien nodig, om te evalueren of de stijgende trends tot 2030 sneller worden gerealiseerd. De monitoring overeenkomstig dat lid, punt c), betreffende de graslandvlinderindex, dat lid, punten d) en e), betreffende de index van veelvoorkomende bosvogels, en dat lid, punt f), betreffende bestuiversoorten wordt elk jaar uitgevoerd. De monitoring overeenkomstig dat lid, punten g) en h), wordt minstens elke zes jaar uitgevoerd en wordt gecoördineerd met de verslagleggingscyclus volgens artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG en de eerste beoordeling volgens artikel 17 van Richtlijn 2008/56/EG.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat de indicatoren voor landbouwecosystemen als bedoeld in artikel 9, lid 2, punt b), en de indicatoren voor bosecosystemen als bedoeld in artikel 10, lid 2, punten a) en b), en artikel 10, lid 2a, punt c), van deze verordening, worden gemonitord overeenkomstig de krachtens Verordening (EU) 2018/841 en Verordening (EU) 2018/1999 vereiste monitoring.

7.  De lidstaten maken de gegevens die zijn gegenereerd door de krachtens dit artikel uitgevoerde monitoring bekend overeenkomstig Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad en overeenkomstig de in lid 5 beschreven monitoringfrequenties.

8.  De monitoringsystemen van de lidstaten werken op basis van elektronische gegevensbestanden en geografische informatiesystemen en zorgen voor maximale toegang en maximaal gebruik van gegevens en diensten van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden.

9.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om:

a)  de methoden voor monitoring van de indicatoren voor landbouwecosystemen die zijn opgenomen in bijlage IV te specificeren;

b)  de methoden voor monitoring van de indicatoren voor bosecosystemen die zijn opgenomen in bijlage VI te specificeren;

c)  een richtinggevend kader vast te leggen voor de vaststelling van de bevredigende niveaus bedoeld in artikel 10, leden 2 en 2 bis.

9 bis.  Uiterlijk in 2028 stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast om een richtinggevend kader vast te leggen voor de vaststelling van de in artikel 6, leden 2 en 3, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 2, bedoelde bevredigende niveaus.

9 ter.   ▌Uitvoeringshandelingen uit hoofde van de leden 9 en 9 bis worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 18

Verslaglegging

1.  De lidstaten brengen ten minste om de drie jaar elektronisch verslag uit aan de Commissie over het gebied waar herstelmaatregelen worden uitgevoerd als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 10 en de barrières als bedoeld in artikel 7 die zijn weggewerkt. Het eerste verslag wordt ingediend in juni 2028.

2.  De lidstaten brengen minstens om de zes jaar elektronisch verslag uit aan de Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, over de volgende gegevens en informatie:

a)  de vooruitgang in de uitvoering van het nationale herstelplan, in de invoering van de herstelmaatregelen en in de verwezenlijking van de doelstellingen en verplichtingen zoals beschreven in de artikelen 4 tot en met 10;

b)  de resultaten van de overeenkomstig artikel 17 uitgevoerde monitoring. De verslaglegging van de resultaten van de monitoring die is uitgevoerd overeenkomstig artikel 17, lid 1, punten g) en h), wordt ingediend met ▌kaarten met geografische verwijzingen;

c)  de locatie en omvang van de gebieden waar herstelmaatregelen worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 4, artikel 5 en artikel 9, lid 4, met inbegrip van kaarten met geografische verwijzingen van die gebieden;

d)  de geactualiseerde inventaris van obstakels als bedoeld in artikel 7, lid 1;

e)  informatie over de vooruitgang die is geboekt in het voldoen aan financieringsbehoeften, overeenkomstig artikel 12, lid 2, punt l), met inbegrip van een overzicht van werkelijke investeringen ten opzichte van oorspronkelijke investeringsaannamen.

De eerste verslagen worden ingediend in juni 2031 en bestrijken de periode tot en met 2030.

3.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin het formaat, de structuur en gedetailleerde regels worden neergelegd voor de presentatie van de informatie als bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 21, lid 2. De Commissie wordt bij de opstelling van het formaat, de structuur en gedetailleerde regels voor elektronische verslaglegging bijgestaan door het Europees Milieuagentschap.

4.  Het Europees Milieuagentschap bezorgt de Commissie om de drie jaar een technisch overzicht van de vooruitgang naar de verwezenlijking van de streefdoelen en verplichtingen van deze verordening, op basis van de gegevens die de lidstaten overeenkomstig lid 1 van dit artikel en artikel 17, lid 7, hebben verstrekt.

5.  Het Europees Milieuagentschap bezorgt de Commissie een Uniebreed technisch verslag over de vooruitgang naar de verwezenlijking van de doelstellingen en verplichtingen van deze verordening op basis van de gegevens die de lidstaten overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van dit artikel hebben verstrekt. Het kan ook gebruikmaken van informatie die is meegedeeld krachtens artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 15 van Richtlijn 2000/60/EG, artikel 12 van Richtlijn 2009/147/EG en artikel 17 van Richtlijn 2008/56/EG. Het verslag wordt uiterlijk in juni 2032 ingediend en daaropvolgende verslagen worden vervolgens om de zes jaar ingediend.

6.  Vanaf [vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] brengt de Commissie om de zes jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad ▌over de uitvoering van deze verordening.

6 bis.  Binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening dient de Commissie, na overleg met de lidstaten, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met:

a)  een overzicht van de op het niveau van de Unie beschikbare financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening;

b)  een beoordeling van de financieringsbehoeften ter uitvoering van de artikelen 4 tot en met 10 en ter verwezenlijking van het in artikel 1, lid 2, gestelde doel;

c)  een analyse om eventuele financieringstekorten bij de uitvoering van de in de verordening vastgestelde verplichtingen vast te stellen, onder meer voor de financiële compensatie van potentiële verliezen door grondeigenaren en grondbeheerders die rechtstreeks voortvloeien uit de uitvoering van deze verordening;

d)  in voorkomend geval, voorstellen voor adequate aanvullende maatregelen, ook op financieel gebied, om de vastgestelde lacunes aan te pakken, zoals de invoering van een specifiek instrument, waarbij de prerogatieven van de twee wetgevers met betrekking tot de vaststelling van het meerjarig financieel kader na 2027, onverlet worden gelaten. [Am. 11]

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie als bedoeld in de leden 1 en 2 adequaat en actueel is en dat zij beschikbaar is voor het publiek overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2007/2/EG en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad.

HOOFDSTUK V

GEDELEGEERDE BEVOEGDHEDEN EN COMITÉPROCEDURE

Artikel 19

Wijziging van de bijlagen

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen teneinde de manier waarop de ▌habitattypen zijn ingedeeld aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan te passen en rekening te houden met de ervaring die met de toepassing van deze verordening is opgedaan.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage II te wijzigen teneinde:

a)   de lijst van habitattypen aan te passen om te zorgen voor consistentie met actualiseringen in de classificatie van habitats volgens het natuurinformatiesysteem van de EU (European Nature Information System – EUNIS), en

b)  de manier waarop de ▌habitattypen zijn ingedeeld aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan te passen en rekening te houden met de ervaring die met de toepassing van deze verordening is opgedaan.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage III te wijzigen teneinde de lijst van mariene soorten als bedoeld in artikel 5 aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage IV te wijzigen teneinde de omschrijving, eenheid en methode van indicatoren voor landbouwecosystemen aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage V te wijzigen teneinde de lijst van soorten ▌die wordt gebruikt voor de index van veelvoorkomende akkervogels in de lidstaten aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage VI te wijzigen teneinde de omschrijving, eenheid en methode van indicatoren voor bosecosystemen aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

7.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage VII te wijzigen teneinde de lijst van herstelmaatregelen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan te passen en rekening te houden met de ervaring die met de toepassing van deze verordening is opgedaan.

Artikel 20

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 19 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van [PB gelieve de datum van inwerkingtreding van deze verordening in te voegen]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 19 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 19 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 21

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 21 bis

Wijziging van Verordening (EU) 2022/869

De eerste alinea van artikel 7, lid 8, van Verordening (EU) 2022/869 wordt vervangen door:"

“Met betrekking tot de in artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG alsmede artikel 4, leden 8 en 8a, en artikel 5, leden 8 en 8a, van [het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende natuurherstel] bedoelde milieueffecten gelden projecten op de Unielijst, mits aan alle in die richtlijnen vervatte voorwaarden is voldaan, vanuit het oogpunt van het energiebeleid als projecten van openbaar belang, en kan worden gesteld dat hierbij sprake is van een dwingend openbaar belang.”.

"

Artikel 22

Evaluatie

1.  De Commissie voert uiterlijk op 31 december 2030 en vervolgens om de twee jaar een evaluatie uit om het effect van deze verordening, in het bijzonder op de landbouwsector en het aanbod van veilig en betrouwbaar voedsel, alsmede de sociaal-economische effecten van deze verordening, met name op plattelandsgebieden, te beoordelen. [Am. 45]

2.  De Commissie dient bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s een verslag in over de belangrijkste bevindingen van de evaluatie. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetsvoorstel tot wijziging van relevante bepalingen van deze verordening, rekening houdend met de behoefte om aanvullende streefcijfers voor herstel vast te stellen, met inbegrip van geactualiseerde streefcijfers voor 2040 en 2050, op basis van gemeenschappelijke methoden voor beoordeling van de toestand van ecosystemen die niet onder de artikelen 4 en 5 vallen, de in lid 1 van dit artikel bedoelde evaluatie, en de meest recente wetenschappelijke gegevens. [Am. 17]

Artikel 22 bis

Uitstel van de streefdoelen van deze verordening in het geval van uitzonderlijke sociaal-economische gevolgen

1.  Uiterlijk op ... [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens elk jaar publiceert de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een mededeling over de vraag of een of meer van de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

a)  de vergunningsprocedures in een of meer lidstaten lopen vertraging op als gevolg van beperkingen die voortvloeien uit de natuurwetgeving van de Unie op de volgende gebieden:

i)  het bouwen en verbouwen van huizen, met name de sector sociale huisvesting;

ii)  de uitrol van projecten op het gebied van hernieuwbare energie die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van Verordening (EU) 2021/1119 [Europese klimaatwet];

b)  de gemiddelde voedselprijs is in de loop van één jaar met 10 % gestegen;

c)  de totale productie van levensmiddelen in de Unie is in de loop van één jaar met 5 % gedaald.

2.  Indien een of meer van de in lid 1 bedoelde voorwaarden van toepassing zijn, worden de streefdoelen van deze verordening uitgesteld totdat alle in dat lid bedoelde voorwaarden niet langer van toepassing zijn. [Am. 131]

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing vanaf de datum waarop de Commissie het Europees Parlement en de Raad solide en wetenschappelijke gegevens heeft verstrekt over de voorwaarden die nodig zijn om de voedselzekerheid op lange termijn te waarborgen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoefte aan landbouwgrond in conventionele en ecologische landbouw, het effect van natuurherstel op de voedselproductie, de beschikbaarheid van voedsel en de voedselprijzen. De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht bekend met vermelding van de datum waarop deze verordening van toepassing wordt. [Am. 135]

Deze verordening is van toepassing met ingang van de datum waarop aan de voorwaarde van artikel 11, lid 2 bis, is voldaan. De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht bekend met vermelding van de datum waarop deze verordening van toepassing wordt. [Am. 136]

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

LAND-, KUST- EN ZOETWATERECOSYSTEMEN — HABITATTYPEN EN GROEPEN HABITATTYPEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LEDEN 1 EN 2

Onderstaande lijst omvat alle in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen land-, kust- en zoetwaterhabitats als bedoeld in artikel 4, leden 1 en 2, alsook zes groepen van die habitattypen, namelijk: wetlands (aan de kust en in het binnenland), 2) grasland en overige weidehabitats, 3) rivier-, meer-, oever- en alluviale habitats, 4) bossen, 5) steppe-, heide- en struikhabitats en 6) rotsachtige en duinhabitats.

1.  GROEP 1: Wetlands (aan de kust en in het binnenland)

Code van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Naam van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Kust- en zoute habitats

1130

Estuaria

1140

Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten

1150

Kustlagunen

1310

Eenjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten

1320

Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)

1330

Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

1340

Zoutmoerassen in het binnenland

1410

Mediterrane schorren (Juncetalia maritimi)

1420

Mediterrane en thermo-Atlantische zoutminnende struikvegetaties (Sarcocornetea fruticosi)

1530

Pannonische zoutsteppen en zoutmoerassen

1650

Smalle baaien van de boreale Oostzee

Vochtige heide en venige graslanden

4010

Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

4020

Gematigde Atlantische vochtige heide met Erica ciliaris en Erica tetralix

6460

Venige graslanden van Troodos

Venen

7110

Actief hoogveen

7120

Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is

7130

Bedekkingsveen

7140

Overgangs- en trilveen

7150

Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion

7160

Mineraalrijke bronnen en bronnen van laagvenen in Fennoscandinavië

7210

Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae

7220

Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

7230

Alkalisch laagveen

7240

Alpiene pionierformaties van het Caricion bicoloris-atrofuscae

7310

Aapa-veen

7320

Palsa-veen

Natte bossen

9080

Moerasbossen van loofbomen in Fennoscandinavië

91D0

Veenbossen

2.  GROEP 2: Grasland en overige weidehabitats

Code van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Naam van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Kust- en duinhabitats

1630

Kustweiden van de boreale Oostzee

21A0

Machairs

Heide- en struikhabitats

4030

Droge Europese heide

4040

Litorale Atlantische droge heide met Erica vagans

4090

Endemische heide met Genista anglica in het montane Middellandse Zeegebied

5130

Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland

8240

Naakte, kalkhoudende rotsbodem

Graslanden

6110

Kalkminnend of basofiel grasland op rotsbodem behorend tot het Alysso-Sedion albi

6120

Kalkminnend grasland op dorre zandbodem

6130

Grasland op zinkhoudende bodem behorend tot het Violetalia calaminariae

6140

Silicicool grasland met Festuca eskia in de Pyreneeën

6150

Boreo-alpien silicicool grasland

6160

Oro-Iberisch grasland met Festuca indigesta

6170

Alpien en subalpien kalkminnend grasland

6180

Mesofiele Macaronesische graslanden

6190

Pannonisch grasland op rotsbodem (Stipo-Festucetalia pallentis)

6210

Droge halfnatuurlijke graslanden en struikvormende facies op kalkhoudende bodems (Festuco-Brometalia)

6220

Halfsteppen met grassen en eenjarige planten (Thero-Brachypodietea)

6230

Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa)

6240

Sub-Pannonisch steppengrasland

6250

Pannonische steppengraslanden op löss

6260

Pannonische steppengraslanden op zand

6270

Soortenrijke, laaggelegen, droge tot mesofiele Fennoscandinavische graslanden

6280

Noordse Alvar en vlakke pre-Cambrische kalkplateaus

62A0

Oostelijke submediterrane droge graslanden (Scorzoneratalia villosae)

62B0

Cypriotisch grasland op serpentijngesteente

62C0

Pontisch-Sarmatische steppen

62D0

Zuurminnende graslanden in het montane Moesia-gebied

6410

Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige, of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)

6420

Mediterraan vochtig grasland met hoge kruiden van het Molinio-Holoschoenion

6510

Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)

6520

Hooiland in gebergte

Dehesa’s en bosgraslanden

6310

Dehesa’s met wintergroene Quercus spp.

6530

Fennoscandinavische bosgraslanden

9070

Fennoscandinavische bosweiden

3.  GROEP 3: Rivier-, meer-, oever- en alluviale habitats

Code van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Naam van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Rivieren en meren

3110

Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflorae)

3120

Mineraalarme oligotrofe wateren van de zandvlakten in het westelijke Middellandse Zeegebied met Isoetes spp.

3130

Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea

3140

Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp.-vegetaties

3150

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition

3160

Dystrofe natuurlijke poelen en meren

3170

Niet-permanente poelen in het Middellandse Zeegebied

3180

Turloughs

3190

Gipskarstmeren

31A0

Lotusvelden in warmwaterbronnen in Transsylvanië

3210

Natuurlijke rivieren van Fennoscandinavië

3220

Alpiene rivieren met oevervegetatie van kruidachtige planten

3230

Alpiene rivieren met houtige oevervegetatie met Myricaria germanica

3240

Alpiene rivieren met houtige oevervegetatie met Salix elaeagnos

3250

Continu stromende mediterrane rivieren met Glaucium flavum

3260

Submontane en laaglandrivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitantis en het Callitricho-Batrachion

3270

Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodion rubri p.p. en Bidention p.p.

3280

Continu stromende mediterrane rivieren behorend tot het Paspalo-Agrostidion met rivierbossen met Salix spp. en Populus alba

3290

Mediterrane rivieren met periodiek stromend water behorend tot het Paspalo-Agrostidion

32A0

Tufsteenwatervallen in karstrivieren in de Dinarische Alpen

Alluviale graslanden

6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van de montane en alpiene zones

6440

Periodiek overstroomd alluviaal grasland van Cnidion dubii

6450

Alluviale noord-boreale graslanden

6540

Submediterraan grasland van het Molinion-Holoschoenion

Alluviale en oeverbossen

9160

Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli

91E0

Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

91F0

Gemengde oeverformaties met Quercus robur, Ulmus laevis en Ulmus minor, Fraxinus excelsior of Fraxinus angustifolia, langs de grote rivieren (Ulmenion minoris)

92A0

Galerijbossen met Salix alba en Populus alba

92B0

Oeverformaties langs mediterrane waterlopen met periodiek stromend water, met Rhododendron ponticum, Salix en andere

92C0

Bossen met Platanus orientalis en Liquidambar orientalis (Platanion orientalis)

92D0

Zuidelijke galerijbossen en stroombegeleidende struikvegetaties (Nerio-Tamariceteae en Securinegion tinctoriae)

9370

Palmbossen met Phoenix

4.  GROEP 4: Bossen

Code van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Naam van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Boreale bossen

9010

Westelijke taiga

9020

Oude natuurlijke loofbossen van het hemi-boreale deel van Fennoscandinavië, rijk aan epifyten (Quercus, Tilia, Acer, Fraxinus, Ulmus)

9030

Natuurlijke bossen van de eerste fasen in de successie op geologisch omhoogrijzende kustgebieden

9040

Noordse subalpiene/subarctische bossen met Betula pubescens ssp. czerepanovii

9050

Fennoscandinavische bossen met Picea abies met soortenrijke kruidlaag

9060

Naaldbossen op of in de nabijheid van fluvio-glaciale eskers

Bossen van de gematigde klimaatzone

9110

Beukenbossen behorend tot het Luzulo-Fagetum

9120

Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion)

9130

Beukenbossen behorend tot het Asperulo-Fagetum

9140

Midden-Europese subalpiene beukenbossen met Acer spp. en Rumex arifolius

9150

Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorend tot het Cephalanthero-Fagion

9170

Eiken-haagbeukenbossen van het type Galio-Carpinetum

9180

Hellingbossen of ravijnbossen behorend tot het Tilio-Acerion

9190

Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur

91A0

Oude eikenbossen van de Britse eilanden met Ilex en Blechnum

91B0

Warmteminnende essenbossen met Fraxinus angustifolia

91G0

Pannonische bossen met Quercus petraea en Carpinus betulus

91H0

Pannonische bossen met Quercus pubescens

91I0

Euro-Siberische steppebossen met Quercus spp.

91J0

Bossen van de Britse eilanden met Taxus baccata

91K0

Illyrische beukenbossen (Aremonio-Fagion)

91L0

Illyrische eiken-haagbeukenbossen (Erythronio-carpinion)

91M0

Pannonisch-Balkanese bossen met moseik en wintereik

91P0

Poolse variant van het zilversparren-lariksbos (Abietetum polonicum)

91Q0

West-Karpatische kalkminnende grovedennenbossen

91R0

Dinarische grovedennenbossen op dolomietbodem (Genisto januensis-Pinetum)

91S0

West-Pontische beukenbossen

91T0

Midden-Europese korstmos-grovedennenbossen

91U0

Sarmatisch steppe-dennenbos

91V0

Dacische beukenbossen (Symphyto-Fagion)

91W0

Beukenbossen in het Moesia-gebied

91X0

Beukenbossen in het Dobroedzja-gebied

91Y0

Dacische eiken-haagbeukenbossen

91Z0

Bossen van zilverlinden in het Moesia-gebied

91AA

Oostelijke witte-eikenbossen

91BA

Zilversparrenbossen in het Moesia-gebied

91CA

Grovedennenbossen in het Rhodope- en het Balkangebergte

Bossen van het mediterrane en Macaronesische gebied

9210

Beukenbossen in de Apennijnen met Taxus en Ilex

9220

Beukenbossen in de Apennijnen met Abies alba en beukenbossen met Abies nebrodensis

9230

Galicisch-Portugese eikenbossen met Quercus robur en Quercus pyrenaica

9240

Iberische eikenbossen met Quercus faginea of Quercus canariensis

9250

Bossen met Quercus trojana

9260

Bossen met Castanea sativa

9270

Griekse beukenbossen met Abies borisii regis

9280

Bossen met Quercus frainetto

9290

Cipressenbossen (Acero-Cupression)

9310

Egeïsche bossen met Quercus brachyphylla

9320

Bossen met Olea en Ceratonia

9330

Bossen met Quercus suber

9340

Bossen met Quercus ilex en Quercus rotundifolia

9350

Bossen met Quercus macrolepis

9360

Laurierbossen op de Macaronesische eilanden (Laurus, Ocotea)

9380

Bossen met Ilex aquifolium

9390

Struikgewas en lage bosvegetatie met Quercus alnifolia

93A0

Bosland met Quercus infectoria (Anagyro foetidae-Quercetum infectoriae)

Naaldbossen in berggebieden

9410

Zuurminnende bossen met Picea van het montane en alpiene gebied (Vaccinio-Picetea)

9420

Alpiene bossen met Larix decidua en/of Pinus cembra

9430

Montane en subalpiene bossen met Pinus uncinata

9510

Bossen van de zuidelijke Apennijnen met Abies alba

9520

Bossen met Abies pinsapo

9530

(Sub-) Mediterrane dennenbossen van het type endemische zwarte den.

9540

Mediterrane dennenbossen van het type endemische mesogeïsche den

9550

Canarische endemische dennenbossen

9560

Endemische bossen met Juniperus spp.

9570

Bossen met Tetraclinis articulata

9580

Mediterrane bossen met Taxus baccata

9590

Bossen met Cedrus brevifolia (Cedrosetum brevifoliae)

95A0

Hoge dennenbossen in het montane Middellandse Zeegebied

5.  GROEP 5: Steppe-, heide- en struikhabitats

Code van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Naam van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Zout- en gipssteppen

1430

Zout- en stikstofminnende struikvegetaties (Pegano-Salsoletea)

1510

Mediterrane zoutsteppen (Limonietalia)

1520

Iberische gipsvegetaties (Gypsophiletalia)

Heide- en struikvegetaties van de gematigde klimaatzone

4050

Endemische heide van het Macaronesisch gebied

4060

Alpiene en boreale heide

4070

Duinbossen met Pinus mugo en/of Rhododendron hirsutum (Mugo-Rhododendretum hirsuti)

4080

Struikvegetaties van subarctische Salix spp.

40A0

Subcontinentale peri-Pannonische struikvegetatie

40B0

Potentilla fruticosa-kreupelbos in het Rhodope-gebergte

40C0

Pontisch-Sarmatisch loofverliezend kreupelbos

Sclerofiel struikgewas (matorrals)

5110

Stabiele xero-thermofiele formaties met Buxus sempervirens op rotshellingen (Berberidion p.p.)

5120

Bergformaties van Cytisus purgans

5140

Formaties van Cistus palhinhae op maritieme heide

5210

Boomvormige matorrals met Juniperus ssp.

5220

Boomvormige matorrals met Zyziphus

5230

Boomvormige matorrals met Laurus nobilis

5310

Laurus nobilis-kreupelbos

5320

Lage wolfsmelkvegetaties nabij kliffen

5330

Thermo-mediterrane en halfwoestijn-struikvegetaties

5410

West-mediterrane phrygana’s van kliftoppen (Astragalo-Plantaginetum subulatae)

5420

Phrygana’s van Sarcopoterium spinosum

5430

Endemische phrygana’s van het Euphorbio-Verbascion

6.  GROEP 6: Rotsachtige en duinhabitats

Code van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Naam van het habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Kliffen, stranden en eilandjes

1210

Eenjarige vloedmerkvegetatie

1220

Meerjarige vegetatie van keienstranden

1230

Klifvegetatie van de Atlantische kust en de Oostzeekust

1240

Klifvegetatie van de Middellandse Zeekust met endemische Limonium spp.

1250

Klifvegetatie van het Macaronesisch gebied

1610

Esker-eilanden van de Oostzee met hun zandstrand-, keienstrand-, rotsvegetaties en de sublitorale vegetaties

1620

Eilandjes van de boreale Oostzee

1640

Zandstranden met meerjarige vegetatie van de boreale Oostzee

Kust- en landduinen

2110

Embryonale wandelende duinen

2120

Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”)

2130

Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”)

2140

Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum

2150

Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea)

2160

Duinen met Hippophaë rhamnoides

2170

Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae)

2180

Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied

2190

Vochtige duinvalleien

2210

Vastgelegde kustduinen van Crucianellion maritimae

2220

Duinen met Euphorbia terracina

2230

Duingrasland van Malcolmietalia

2240

Duingrasland van Brachypodietalia en eenjarige planten

2250

Litorale jeneverbesbosjes (Juniperus spp.)

2260

Sclerofiele duinvegetatie van het Cisto-Lavenduletalia

2270

Duinbossen met Pinus pinea en/of Pinus pinaster

2310

Psammofiele heide met Calluna en Genista

2320

Psammofiele heide met Calluna en Empetrum nigrum

2330

Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen

2340

Pannonische binnenlandse duinen

91N0

Pannonische kreupelbos op landduinen (Junipero-Populetum albae)

Rotsachtige habitats

8110

Kiezelhoudende puinhellingen van de montane tot de sneeuwzone (Androsacetalia alpinae en Galeopsietalia ladani)

8120

Kalkhoudende puinhellingen en kalkhoudende leistenen van de montane tot de alpiene zone (Thlapsietea rotundifolii)

8130

Thermofiele puinhellingen van het westelijke Middellandse Zeegebied

8140

Puinhellingen van het oostelijke Middellandse Zeegebied

8150

Midden-Europese kiezelpuinhellingen van hooggelegen gebieden

8160

Midden-Europese kalkpuinhellingen van het heuvelgebied tot het montaan gebied

8210

Kalkhoudende rotshellingen met rotsvegetaties

8220

Kiezelhoudende rotshellingen met rotsvegetaties

8230

Kiezelhoudende rotsen met pioniervegetatie van het Sedo-Scleranthion of van het Sedo albi-Veronicion dillenii

8310

Niet voor publiek opengestelde grotten

8320

Lavavlakten en natuurlijke uitgravingen

8340

Permanente gletsjers

BIJLAGE II

MARIENE ECOSYSTEMEN — HABITATTYPEN EN GROEPEN HABITATTYPEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LEDEN 1 EN 2

Onderstaande lijst omvat alle in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde mariene habitattypen, alsook zeven groepen van die habitattypen, namelijk: zeegrasvelden, 2) bossen van macroalgen, 3) mossel- en oesterbanken, 4) kalkwiervelden, 5) spons-, koraal- en koraligene velden, 6) hydrothermale en koude submariene bronnen en 7) zachte sedimenten (boven 1 000 meter diepte). Ook wordt het verband met de in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG vermelde habitattypen weergegeven.

De gebruikte classificatie van mariene habitattypen, gedifferentieerd naar mariene biogeografische regio’s, is opgesteld aan de hand van het natuurinformatiesysteem van de EU (EUNIS), dat in 2022 door het Europees Milieuagentschap (EEA) is herzien wat betreft de typologie van de mariene habitats. De informatie over de gerelateerde habitats van bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad is gebaseerd op de dwarsverbanden die het EEA in 2021 heeft gepubliceerd(71).

1.  Categorie 1: Zeegrasvelden

EUNIS-code

Naam van habitattype in EUNIS

Code van het betrokken habitattype als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad

Atlantische Oceaan

MA522

Zeegrasvelden op litoraal zand (Atlantische Oceaan)

uit 1140; 1160

MA623

Zeegrasvelden op litorale modder (Atlantische Oceaan)

1140; 1160

MB522

Zeegrasvelden op infralitoraal zand (Atlantische Oceaan)

1110; 1150; 1160

Oostzee

 

MA332

Hydrolitoraal grof sediment gekenmerkt door onderwatervegetatie (Oostzee)

1130; 1160; 1610; 1620

MA432

Hydrolitoraal gemengd sediment gekenmerkt door onderwatervegetatie (Oostzee)

1130; 1140; 1160; 1610

MA532

Hydrolitoraal zand gekenmerkt door bewortelde onderwaterplanten (Oostzee)

1130; 1140; 1160; 1610

MA632

Hydrolitorale modder gedomineerd door bewortelde onderwaterplanten (Oostzee)

1130; 1140; 1160; 1650

MB332

Infralitoraal grof sediment gekenmerkt door bewortelde onderwaterplanten (Oostzee)

1110; 1160

MB432

Infralitoraal gemengd sediment gekenmerkt door bewortelde onderwaterplanten (Oostzee)

1110; 1160; 1650

MB532

Infralitoraal zand gekenmerkt door bewortelde onderwaterplanten (Oostzee)

1110; 1130; 1150; 1160

MB632

Infralitoraal moddersediment gekenmerkt door bewortelde onderwaterplanten (Oostzee)

1130; 1150; 1160; 1650

Zwarte Zee

 

MB546

Zeegrasvelden en velden met algen met wortelstokken in door zoetwater beïnvloede infralitorale modderige zanden (Zwarte Zee)

1110; 1130; 1160

MB547

Zeegrasvelden op gematigd blootgesteld schoon zand in het bovenste deel van de infralitorale zone (Zwarte Zee)

1110; 1160

MB548

Zeegrasvelden op zand in het onderste deel van de litorale zone (Zwarte Zee)

1110; 1160

Middellandse Zee

 

MB252

Biocoenose van Posidonia oceanica

1120

MB2521

Ecomorfose van gestreepte Posidonia oceanica-velden

1120; 1130; 1160

MB2522

Ecomorfose van Posidonia oceanica-velden van het “barrièrerif”-type

1120; 1130; 1160

MB2523

Facies van dood “matte” van Posidonia oceanica zonder veel epiflora

1120; 1130; 1160

MB2524

Associatie met Caulerpa prolifera op Posidonia-velden

1120; 1130; 1160

MB5521

Associatie met Cymodocea nodosa op goed gesorteerd fijn zand

1110; 1130; 1160

MB5534

Associatie met Cymodocea nodosa op modderig zand aan de oppervlakte in beschutte wateren

1110; 1130; 1160

MB5535

Associatie met Zostera noltei op modderig zand aan de oppervlakte in beschutte wateren

1110; 1130; 1160

MB5541

Associatie met Ruppia cirrhosa en/of Ruppia maritima op zand

1110; 1130; 1160

MB5544

Associatie met Zostera noltei in een euryhalien en eurytherm milieu op zand

1110; 1130; 1160

MB5545

Associatie met Zostera marina in een euryhalien en eurytherm milieu

1110; 1130; 1160

2.  Categorie 2: Bossen van macroalgen

EUNIS-code

Naam van habitattype in EUNIS

Bijbehorende codes overeenkomstig bijlage I bij de habitatrichtlijn

Atlantische Oceaan

MA123

Zeewiergemeenschappen op volledig zilt litoraal gesteente (Atlantische Oceaan)

1160; 1170; 1130

MA125

Fucales op litoraal gesteente met variabel zoutgehalte (Atlantische Oceaan)

1170; 1130

MB121

Kelp- en zeewiergemeenschappen op infralitoraal gesteente (Atlantische Oceaan)

1170; 1160

MB123

Kelp- en zeewiergemeenschappen op door sedimenten beïnvloed of verstoord infralitoraal gesteente (Atlantische Oceaan)

1170; 1160

MB124

Kelpgemeenschappen op infralitoraal gesteente met variabel zoutgehalte (Atlantische Oceaan)

1170; 1130; 1160

MB321

Kelp- en zeewiergemeenschappen op infralitoraal grof sediment (Atlantische Oceaan)

1160

MB521

Kelp- en zeewiergemeenschappen op infralitoraal zand (Atlantische Oceaan)

1160

MB621

Vegetatiegemeenschappen op infralitorale modder (Atlantische Oceaan)

1160

Oostzee

 

MA131

Hydrolitoraal gesteente en keien gekenmerkt door meerjarige algen (Oostzee)

1160; 1170; 1130; 1610; 1620

MB131

Meerjarige algen op infralitoraal gesteente en keien (Oostzee)

1170; 1160

MB232

Infralitorale bodems gekenmerkt door schelpengruis (Oostzee)

1160; 1110

MB333

Infralitoraal grof sediment gekenmerkt door meerjarige algen (Oostzee)

1110; 1160

MB433

Infralitoraal gemengd sediment gekenmerkt door meerjarige algen (Oostzee)

1110; 1130; 1160; 1170

Zwarte Zee

 

MB144

Door Mytilidae gedomineerd blootgesteld gesteente met Fucales in het bovenste deel van de infralitorale zone (Zwarte Zee)

1170; 1160

MB149

Door Mytilidae gedomineerd gematigd blootgesteld gesteente met Fucales in het bovenste deel van de infralitorale zone (Zwarte Zee)

1170; 1160

MB14A

Fucales en andere algen op beschut gesteente in het bovenste deel van de infralitorale zone, goed belicht (Zwarte Zee)

1170; 1160

Middellandse Zee

 

MA1548

Associatie met Fucus virsoides

1160; 1170

MB1512

Associatie met Cystoseira tamariscifolia en Saccorhiza polyschides

1170; 1160

MB1513

Associatie met Cystoseira amentacea (var. amentacea, var. stricta, var. spicata)

1170; 1160

MB151F

Associatie met Cystoseira brachycarpa

1170; 1160

MB151G

Associatie met Cystoseira crinita

1170; 1160

MB151H

Associatie met Cystoseira crinitophylla

1170; 1160

MB151J

Associatie met Cystoseira sauvageauana

1170; 1160

MB151K

Associatie met Cystoseira spinosa

1170; 1160

MB151L

Associatie met Sargassum vulgare

1170; 1160

MB151M

Associatie met Dictyopteris polypodioides

1170; 1160

MB151W

Associatie met Cystoseira compressa

1170; 1160

MB1524

Associatie met Cystoseira barbata

1170; 1160

MC1511

Associatie met Cystoseira zosteroides

1170; 1160

MC1512

Associatie met Cystoseira usneoides

1170; 1160

MC1513

Associatie met Cystoseira dubia

1170; 1160

MC1514

Associatie met Cystoseira corniculata

1170; 1160

MC1515

Associatie met Sargassum spp.

1170; 1160

MC1518

Associatie met Laminaria ochroleuca

1170; 1160

MC3517

Associatie met Laminaria rodriguezii op detritische bedden

1160

3.  Categorie 3: Mossel- en oesterbanken

EUNIS-code

Naam van habitattype in EUNIS

Bijbehorende codes overeenkomstig bijlage I bij de habitatrichtlijn

Atlantische Oceaan

MA122

Mytilus edulis- en/of zeepokkengemeenschappen op aan de golven blootgesteld litoraal gesteente (Atlantische Oceaan)

1160; 1170

MA124

Mossel- en/of zeepokkengemeenschappen met zeewieren op litoraal gesteende (Atlantische Oceaan)

1160; 1170

MA227

Riffen met tweekleppigen in de litorale zone (Atlantische Oceaan)

1170; 1140

MB222

Riffen met tweekleppigen in de infralitorale zone (Atlantische Oceaan)

1170; 1130; 1160

MC223

Riffen met tweekleppigen in de circalitorale zone (Atlantische Oceaan)

1170

Oostzee

 

MB231

Infralitorale bodems gedomineerd door epibenthische tweekleppigen (Oostzee)

1170; 1160

MC231

Circalitorale bodems gedomineerd door epibenthische tweekleppigen (Oostzee)

1170; 1160; 1110

MD231

Circalitorale biogene bodems uit de kust gekenmerkt door epibenthische tweekleppigen (Oostzee)

1170

MD232

Circalitorale bodems uit de kust met schelpen en grind gekenmerkt door tweekleppigen (Oostzee)

1170

MD431

Circalitorale gemengde bodems uit de kust gekenmerkt door macroscopische epibenthische biotische structuren (Oostzee)

 

MD531

Circalitoraal zand uit de kust gekenmerkt door macroscopische epibenthische biotische structuren (Oostzee)

 

MD631

Circalitorale modder uit de kust gekenmerkt door epibenthische tweekleppigen (Oostzee)

 

Zwarte Zee

 

MB141

Door ongewervelden gedomineerd gesteente in het onderste deel van de infralitorale zone (Zwarte Zee)

1170

MB143

Door Mytilidae gedomineerd blootgesteld gesteente met bladachtige algen (geen Fucales) in het bovenste deel van de infralitorale zone (Zwarte Zee)

1170; 1160

MB148

Door Mytilidae gedomineerd gematigd blootgesteld gesteente met bladachtige algen (geen Fucales) in het bovenste deel van de infralitorale zone (Zwarte Zee)

1170; 1160

MB242

Mosselbanken in de infralitorale zone (Zwarte Zee)

1170; 1130; 1160

MB243

Oesterbanken op gesteente in het onderste deel van de infralitorale zone (Zwarte Zee)

1170

MB642

Infralitorale terrigene modder (Zwarte Zee)

1160

MC141

Door ongewervelden gedomineerd circalitoraal gesteente (Zwarte Zee)

1170

MC241

Mosselbedden op circalitorale terrigene modder (Zwarte Zee)

1170

MC645

Modder in het onderste deel van de circalitorale zone (Zwarte Zee)

 

Middellandse Zee

 

MA1544

Facies met Mytilus galloprovincialis in water dat rijk is aan organisch materiaal

1160; 1170

MB1514

Facies met Mytilus galloprovincialis

1170; 1160

 

Mediterrane infralittorale oesterbedden

 

 

Mediterrane circalittorale oesterbedden

 

4.  Categorie 4: Kalkwiervelden

EUNIS-code

Naam van habitattype in EUNIS

Bijbehorende codes overeenkomstig bijlage I bij de habitatrichtlijn

Atlantische Oceaan

MB322

Kalkwiervelden op infralitoraal grof sediment (Atlantische Oceaan)

1110; 1160

MB421

Kalkwiervelden op infralitoraal gemengd sediment (Atlantische Oceaan)

1110; 1160

MB622

Kalkwiervelden op infralitoraal modderig sediment (Atlantische Oceaan)

1110; 1160

Middellandse Zee

 

MB3511

Associatie met rhodoliet in grof zand en fijne kiezel, gemengd door de golven

1110; 1160

MB3521

Associatie met rhodoliet in grof zand en fijne kiezel onder invloed van bodemstromingen

1110; 1160

MB3522

Associatie met kalkwieren (= associatie met Lithothamnion corallioides en Phymatolithon calcareum) op grof zand en grind (Middellandse Zee)

1110; 1160

MC3521

Associatie met rhodoliet op detritische kustbodems

1110

MC3523

Associatie met kalkwieren (Lithothamnion corallioides en Phymatholithon calcareum) op dendritische kustbodems

1110

5.  Categorie 5: Spons-, koraal- en koraligene velden

EUNIS-code

Naam van habitattype in EUNIS

Bijbehorende codes overeenkomstig bijlage I bij de habitatrichtlijn

Atlantische Oceaan

MC121

Faunagemeenschappen op circalitoraal gesteente (Atlantische Oceaan)

1170

MC124

Faunagemeenschappen op circalitoraal gesteente met variabel zoutgehalte (Atlantische Oceaan)

1170; 1130

MC126

Gemeenschappen van circalitorale grotten en overhangen (Atlantische Oceaan)

8330; 1170

MC222

Koudwaterkoraalriffen in de circalitorale zone (Atlantische Oceaan)

1170

MD121

Sponzengemeenschappen op circalitoraal gesteente uit de kust (Atlantische Oceaan)

1170

MD221

Koudwaterkoraalriffen in de circalitorale zone uit de kust (Atlantische Oceaan)

1170

ME122

Sponzengemeenschappen op gesteente in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

1170

ME123

Gemengde koudwaterkoraalgemeenschappen op gesteente in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

1170

ME221

Koudwaterkoraalrif in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

1170

ME322

Gemengde koudwaterkoraalgemeenschap op grof sediment in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

ME324

Aggregatie van sponzen op grof sediment in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

ME422

Aggregatie van sponzen op gemengd sediment in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

ME623

Aggregatie van sponzen op modder in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

ME624

Rechtopstaand koraalveld op modder in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

MF121

Gemengde koudwaterkoraalgemeenschap op gesteente in het onderste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

1170

MF221

Koudwaterkoraalrif in het onderste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

1170

MF321

Gemengde koudwaterkoraalgemeenschap op grof sediment in het onderste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

MF622

Aggregatie van sponzen op modder in het onderste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

MF623

Rechtopstaand koraalveld op modder in het onderste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

Oostzee

 

MB138

Infralitoraal gesteente en keien gekenmerkt door epibenthische sponzen (Oostzee)

1170; 1160

MB43A

Infralitoraal gemengd sediment gekenmerkt door epibenthische sponzen (Porifera) (Oostzee)

1160; 1170

MC133

Circalitoraal gesteente en keien gekenmerkt door epibenthische neteldieren (Oostzee)

1170; 1160

MC136

Circalitoraal gesteente en keien gekenmerkt door epibenthische sponzen (Oostzee)

1170; 1160

MC433

Circalitoraal gemengd sediment gekenmerkt door epibenthische neteldieren (Oostzee)

1160; 1170

MC436

Circalitoraal gemengd sediment gekenmerkt door epibenthische sponzen (Oostzee)

1160

Zwarte Zee

 

MD24

Circalitorale biogene habitats uit de kust (Zwarte Zee)

1170

ME14

Gesteente in het bovenste deel van de bathyale zone (Zwarte Zee)

1170

ME24

Biogene habitat in het bovenste deel van de bathyale zone (Zwarte Zee)

1170

MF14

Gesteente in het onderste deel van de bathyale zone (Zwarte Zee)

1170

Middellandse Zee

 

MB151E

Facies met Cladocora caespitosa

1170; 1160

MB151Q

Facies met Astroides calycularis

1170; 1160

MB151α

Facies en associatie van koraligene biocoenose (in enclave)

1170; 1160

MC1519

Facies met Eunicella cavolini

1170; 1160

MC151A

Facies met Eunicella singularis

1170; 1160

MC151B

Facies met Paramuricea clavata

1170; 1160

MC151E

Facies met Leptogorgia sarmentosa

1170; 1160

MC151F

Facies met Anthipatella subpinnata en verspreide rode algen

1170; 1160

MC151G

Facies met massieve sponzen en verspreide rode algen

1170; 1160

MC1522

Facies met Corallium rubrum

8330; 1170

MC1523

Facies met Leptopsammia pruvoti

8330; 1170

MC251

Koraligene platforms

1170

MC6514

Facies van plakkerige modder met Alcyonium palmatum en Parastichopus regalis op circalitorale modder

1160

MD151

Biocoenose van het gesteente aan de rand van het mediterrane plat

1170

MD25

Circalitorale biogene habitats uit de kust (Middellandse Zee)

1170

MD6512

Facies van plakkerige modder met Alcyonium palmatum en Parastichopus regalis op modder in het onderste deel van de circalitorale zone

 

ME1511

Riffen met Lophelia pertusa in het bovenste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

1170

ME1512

Riffen met Madrepora oculata in het bovenste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

1170

ME1513

Riffen met Madrepora oculata en Lophelia pertusa in het bovenste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

1170

ME6514

Facies met Pheronema carpenteri in het bovenste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

MF1511

Riffen met Lophelia pertusa in het onderste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

1170

MF1512

Riffen met Madrepora oculata in het onderste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

1170

MF1513

Riffen met Madrepora oculata en Lophelia pertusa in het onderste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

1170

MF6511

Facies van zanderige modder met Thenea muricata in het onderste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

MF6513

Facies van compacte modder met Isidella elongata in het onderste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

6.  Categorie 6: Hydrothermale en koude submariene bronnen

EUNIS-code

Naam van habitattype in EUNIS

Bijbehorende codes overeenkomstig bijlage I bij de habitatrichtlijn

Atlantische Oceaan

MB128

Hydrothermale en koude submariene bronnen op infralitoraal gesteente (Atlantische Oceaan)

1170; 1160; 1180

MB627

Hydrothermale en koude submariene bronnen op infralitorale modder (Atlantische Oceaan)

1130; 1160

MC127

Hydrothermale en koude submariene bronnen op circalitoraal gesteente (Atlantische Oceaan)

1170; 1180

MC622

Hydrothermale en koude submariene bronnen op circalitorale modder (Atlantische Oceaan)

1160

MD122

Hydrothermale en koude submariene bronnen op circalitoraal gesteente uit de kust (Atlantische Oceaan)

1170

MD622

Hydrothermale en koude submariene bronnen op circalitorale modder uit de kust (Atlantische Oceaan)

 

7.  Categorie 7: Zachte sedimenten (boven 1 000 meter diepte)

EUNIS-code

Naam van habitattype in EUNIS

Bijbehorende codes overeenkomstig bijlage I bij de habitatrichtlijn

Atlantische Oceaan

MA32

Litoraal grof sediment (Atlantische Oceaan)

1130; 1160

MA42

Litoraal gemengd sediment (Atlantische Oceaan)

1130; 1140; 1160

MA52

Litoraal zand (Atlantische Oceaan)

1130; 1140; 1160

MA62

Litorale modder (Atlantische Oceaan)

1130; 1140; 1160

MB32

Infralitoraal grof sediment (Atlantische Oceaan)

1110; 1130; 1160

MB42

Infralitoraal gemengd sediment (Atlantische Oceaan)

1110; 1130; 1150; 1160

MB52

Infralitoraal zand (Atlantische Oceaan)

1110; 1130; 1150; 1160

MB62

Infralitorale modder (Atlantische Oceaan)

1110; 1130; 1160

MC32

Circalitoraal grof sediment (Atlantische Oceaan)

1110; 1160

MC42

Circalitoraal gemengd sediment (Atlantische Oceaan)

1110; 1160

MC52

Circalitoraal zand (Atlantische Oceaan)

1110; 1160

MC62

Circalitorale modder (Atlantische Oceaan)

1160

MD32

Circalitoraal grof sediment uit de kust (Atlantische Oceaan)

 

MD42

Circalitoraal gemengd sediment uit de kust (Atlantische Oceaan)

 

MD52

Circalitoraal zand uit de kust (Atlantische Oceaan)

 

MD62

Circalitorale modder uit de kust (Atlantische Oceaan)

 

ME32

Grof sediment in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

ME42

Gemengd sediment in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

ME52

Zand in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

ME62

Modder in het bovenste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

MF32

Grof sediment in het onderste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

MF42

Gemengd sediment in het onderste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

MF52

Zand in het onderste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

MF62

Modder in het onderste deel van de bathyale zone (Atlantische Oceaan)

 

Oostzee

 

MA33

Hydrolitoraal grof sediment (Oostzee)

1130; 1160; 1610; 1620

MA43

Hydrolitoraal gemengd sediment (Oostzee)

1130; 1140; 1160; 1610

MA53

Hydrolitoraal zand (Oostzee)

1130; 1140; 1160; 1610

MA63

Hydrolitorale modder (Oostzee)

1130; 1140; 1160; 1650

MB33

Infralitoraal grof sediment (Oostzee)

1110; 1150; 1160

MB43

Infralitoraal gemengd sediment (Oostzee)

1110; 1130; 1150; 1160; 1170; 1650

MB53

Infralitoraal zand (Oostzee)

1110; 1130; 1150; 1160

MB63

Infralitorale modder (Oostzee)

1130; 1150; 1160; 1650

MC33

Circalitoraal grof sediment (Oostzee)

1110; 1160

MC43

Circalitoraal gemengd sediment (Oostzee)

1160; 1170

MC53

Circalitoraal zand (Oostzee)

1110; 1160

MC63

Circalitorale modder (Oostzee)

1160; 1650

MD33

Circalitoraal grof sediment uit de kust (Oostzee)

 

MD43

Circalitoraal gemengd sediment uit de kust (Oostzee)

 

MD53

Circalitoraal zand uit de kust (Oostzee)

 

MD63

Circalitorale modder uit de kust (Oostzee)

 

Zwarte Zee

 

MA34

Litoraal grof sediment (Zwarte Zee)

1160

MA44

Litoraal gemengd sediment (Zwarte Zee)

1130; 1140; 1160

MA54

Litoraal zand (Zwarte Zee)

1130; 1140; 1160

MA64

Litorale modder (Zwarte Zee)

1130; 1140; 1160

MB34

Infralitoraal grof sediment (Zwarte Zee)

1110; 1160

MB44

Infralitoraal gemengd sediment (Zwarte Zee)

1110; 1170

MB54

Infralitoraal zand (Zwarte Zee)

1110; 1130; 1160

MB64

Infralitorale modder (Zwarte Zee)

1130; 1160

MC34

Circalitoraal grof sediment (Zwarte Zee)

1160

MC44

Circalitoraal gemengd sediment (Zwarte Zee)

 

MC54

Circalitoraal zand (Zwarte Zee)

1160

MC64

Circalitorale modder (Zwarte Zee)

1130; 1160

MD34

Circalitoraal grof sediment uit de kust (Zwarte Zee)

 

MD44

Circalitoraal gemengd sediment uit de kust (Zwarte Zee)

 

MD54

Circalitoraal zand uit de kust (Zwarte Zee)

 

MD64

Circalitorale modder uit de kust (Zwarte Zee)

 

Middellandse Zee

 

MA35

Litoraal grof sediment (Middellandse Zee)

1160; 1130

MA45

Litoraal gemengd sediment (Middellandse Zee)

1140; 1160

MA55

Litoraal zand (Middellandse Zee)

1130; 1140; 1160

MA65

Litorale modder (Middellandse Zee)

1130; 1140; 1150; 1160

MB35

Infralitoraal grof sediment (Middellandse Zee)

1110; 1160

MB45

Infralitoraal gemengd sediment (Middellandse Zee)

 

MB55

Infralitoraal zand (Middellandse Zee)

1110; 1130; 1150; 1160

MB65

Infralitorale modder (Middellandse Zee)

1130; 1150

MC35

Circalitoraal grof sediment (Middellandse Zee)

1110; 1160

MC45

Circalitoraal gemengd sediment (Middellandse Zee)

 

MC55

Circalitoraal zand (Middellandse Zee)

1110; 1160

MC65

Circalitorale modder (Middellandse Zee)

1130; 1160

MD35

Circalitoraal grof sediment uit de kust (Middellandse Zee)

 

MD45

Circalitoraal gemengd sediment uit de kust (Middellandse Zee)

 

MD55

Circalitoraal zand uit de kust (Middellandse Zee)

 

MD65

Circalitorale modder uit de kust (Middellandse Zee)

 

ME35

Grof sediment in het bovenste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

ME45

Gemengd sediment in het bovenste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

ME55

Zand in het bovenste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

ME65

Modder in het bovenste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

MF35

Grof sediment in het onderste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

MF45

Gemengd sediment in het onderste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

MF55

Zand in het onderste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

MF65

Modder in het onderste deel van de bathyale zone (Middellandse Zee)

 

BIJLAGE III

MARIENE SOORTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 3

(2)  dwergzaagrog (Pristis clavata);

(3)  kleintandzaagrog (Pristis pectinata);

(4)  gewone zaagrog (Pristis pristis);

(6)  reuzenhaai (Cetorinhus maximus); en witte haai(Carcharodon carcharias);

(7)  gladde lantaarnhaai (Etmopterus pusillus);

(8)  rifmanta (Manta alfredi);

(9)  reuzenmanta (Mobula birostris);

(10)  duivelsrog (Mobula mobular);

(11)  Afrikaanse duivelsrog (Mobula rochebrunei);

(12)  gestekelde duivelsrog (Mobula japanica);

(13)  gladstaartduivelsrog (Mobula thurstoni);

(14)  langvinduivelsrog (Mobula eregoodootenkee);

(16)  sikkelvinduivelsrog (Mobula tarapacana);

(17)  kortvinduivelsrog (Mobula kuhlii);

(18)  Atlantische duivelsrog (Mobula hypostoma);

(19)  Noorse rog (Raja (Dipturus) nidarosiensis);

(20)  witte rog (Raja alba);

(21)  gitaarroggen (Rhinobatidae);

(22)  zee-engel (Squatina squatina);

(23)  zalm (Salmo salar);

(24)  zeeforel (Salmo trutta);

(25)  houting (Coregonus oxyrhynchus).

[Am. 47]

BIJLAGE V

NATIONALE INDEX VAN VEELVOORKOMENDE AKKERVOGELS

Omschrijving

De akkervogelindex geeft een overzicht van de populatietrends van veelvoorkomende en wijdverspreide akkervogels en is bedoeld om de biodiversiteitstoestand van landbouwecosystemen in Europa bij benadering te beoordelen. De nationale akkervogelindex is een samengestelde index op basis van meerdere soorten die de verandering meet van de relatieve populatiegrootte van akkervogelsoorten op geselecteerde onderzoekslocaties op nationaal niveau. De index omvat speciaal geselecteerde soorten die voor het foerageren en/of nestelen afhankelijk zijn van akkerhabitats. De nationale indexen met veelvoorkomende akkervogels zijn gebaseerd op soortenlijsten per lidstaat.  De index wordt berekend aan de hand van een basisjaar waarin de indexwaarde gewoonlijk op 100 wordt gesteld. De trendwaarden geven de algemene ontwikkeling van de populatiegrootte van de betrokken akkervogels weer over een periode van jaren.

Methode: Brlík e.a. (2021), Long-term and large-scale multispecies dataset tracking population changes of common European breeding birds. Sci Data 8, 21. https://doi.org/10.1038/s41597-021-00804-2

“Lidstaten met van oudsher in sterkere mate uitgedunde populaties akkervogels”: lidstaten waar de populatie van minstens de helft van de soorten die deel uitmaken van de nationale index van veelvoorkomende akkervogels, een negatieve langetermijntrend vertoont. In lidstaten waar voor bepaalde soorten geen informatie beschikbaar is over de langetermijntrends van de populatie, wordt informatie over de Europese status van soorten gebruikt.

Het gaat hierbij om de navolgende lidstaten:

Tsjechië

Denemarken

Estland

Griekenland

Frankrijk

Duitsland

Hongarije

Italië

Luxemburg

Nederland

Spanje

“Lidstaten met van oudsher in minder sterke mate uitgedunde populaties akkervogels”: lidstaten waar de populatie van minder dan de helft van de soorten die deel uitmaken van de nationale index van veelvoorkomende akkervogels, een negatieve langetermijntrend vertoont. In lidstaten waar voor bepaalde soorten geen informatie beschikbaar is over de langetermijntrends van de populatie, wordt informatie over de Europese status van soorten gebruikt.

Het gaat hierbij om de navolgende lidstaten:

Oostenrijk

België

Bulgarije

Kroatië

Cyprus

Griekenland

Ierland

Letland

Litouwen

Oostenrijk

Polen

Slovenië

Roemenië

Slowakije

Slovenië

Zweden

Lijst met in de index van veelvoorkomende akkervogels opgenomen vogels per lidstaat

Oostenrijk

Acrocephalus palustris

Alauda arvensis

Anthus spinoletta

Anthus trivialis

Carduelis cannabina

Carduelis carduelis

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Jynx torquilla

Lanius collurio

Lullula arborea

Miliaria calandra

Oenanthe oenanthe

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Serinus citrinella

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Turdus pilaris

Vanellus vanellus

België – Vlaanderen

België – Wallonië

Alauda arvensis

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Anthus pratensis

Emberiza citrinella

Carduelis cannabina

Falco tinnunculus

Corvus frugilegus

Haematopus ostralegus

Emberiza citrinella

Hippolais icterina

Falco tinnunculus

Hirundo rustica

Hirundo rustica

Limosa limosa

Lanius collurio

Linaria cannabina

Miliaria calandra

Motacilla alba

Motacilla flava

Motacilla flava

Passer montanus

Numenius arquata

Perdix perdix

Passer montanus

Saxicola torquatus

Perdix perdix

Streptopelia turtur

Phoenicurus ochruros

Sturnus vulgaris

Saxicola torquatus

Sylvia communis

Sylvia communis

Vanellus vanellus

Vanellus vanellus

 

Bulgarije

Alauda arvensis

Carduelis carduelis

Carduelis cannabina

Coturnix coturnix

Corvus frugilegus

Emberiza hortulana

Emberiza melanocephala

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Lanius collurio

Miliaria calandra

Motacilla flava

Perdix perdix

Passer montanus

Sylvia communis

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Upupa epops

Kroatië

Alauda arvensis

Anthus campestris

Anthus trivialis

Carduelis cannabina

Carduelis carduelis

Coturnix coturnix

Emberiza cirlus

Emberiza citrinella

Emberiza melanocephala

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Jynx torquilla

Lanius collurio

Lanius senator

Lullula arborea

Luscinia megarhynchos

Miliaria calandra

Motacilla flava

Oenanthe hispanica

Oriolus oriolus

Passer montanus

Pica pica

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Streptopelia turtur

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Cyprus

Alectoris chukar

Athene noctua

Carduelis carduelis

Cisticola juncidis

Clamator glandarius

Columba palumbus

Coracias garrulus

Corvus corone cornix

Coturnix coturnix

Emberiza calandra

Emberiza melanocephala

Falco tinnunculus

Francolinus francolinus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Chloris chloris

Iduna pallida

Linaria cannabina

Oenanthe cypriaca

Parus major

Passer hispaniolensis

Pica pica

Streptopelia turtur

Sylvia conspicillata

Sylvia melanocephala

Tsjechië

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Carduelis cannabina

Ciconia ciconia

Corvus frugilegus

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Hirundo rustica

Lanius collurio

Miliaria calandra

Motacilla flava

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

Denemarken

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Carduelis cannabina

Carduelis carduelis

Corvus corone

Corvus frugilegus

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Gallinago gallinago

Hirundo rustica

Lanius collurio

Miliaria calandra

Motacilla alba

Motacilla flava

Oenanthe oenanthe

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola rubetra

Sylvia communis

Sylvia curruca

Turdus pilaris

Vanellus vanellus

Estland

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Corvus frugilegus

Emberiza citrinella

Hirundo rustica

Lanius collurio

Linaria cannabina

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

Griekenland

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Corvus monedula

Crex crex

Delichon urbica

Emberiza hortulana

Hirundo rustica

Numenius arquata

Passer montanus

Saxicola rubertra

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Turdus pilaris

Vanellus vanellus

Frankrijk

Alauda arvensis

Alectoris rufa

Anthus campestris

Anthus pratensis

Buteo buteo

Carduelis cannabina

Corvus frugilegus

Coturnix coturnix

Emberiza cirlus

Emberiza citrinella

Emberiza hortulana

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Lanius collurio

Lullula arborea

Melanocorypha calandra

Motacilla flava

Oenanthe oenanthe

Perdix perdix

Saxicola torquatus

Saxicola rubetra

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Duitsland

Alauda arvensis

Athene noctua

Emberiza citrinella

Lanius collurio

Limosa limosa

Lullula arborea

Miliaria calandra

Milvus milvus

Saxicola rubetra

Vanellus vanellus

Griekenland

Alauda arvensis

Apus apus

Athene noctua

Calandrella brachydactyla

Carduelis cannabina

Carduelis carduelis

Carduelis chloris

Ciconia ciconia

Corvus corone

Corvus monedula

Delichon urbicum

Emberiza cirlus

Emberiza hortulana

Emberiza melanocephala

Falco naumanni

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo daurica

Hirundo rustica

Lanius collurio

Lanius minor

Lanius senator

Lullula arborea

Luscinia megarhynchos

Melanocorypha calandra

Miliaria calandra

Motacilla flava

Oenanthe hispanica

Oenanthe oenanthe

Passer domesticus

Passer hispaniolensis

Passer montanus

Pica pica

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Streptopelia decaocto

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia melanocephala

Upupa epops

Hongarije

Alauda arvensis

Anthus campestris

Coturnix coturnix

Emberiza calandra

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Lanius collurio

Lanius minor

Locustella naevia

Merops apiaster

Motacilla flava

Perdix perdix

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Sylvia nisoria

Vanellus vanellus

Ierland

Carduelis cannabina

Carduelis carduelis

Columba oenas

Columba palumbus

Corvus cornix

Corvus frugilegus

Corvus monedula

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Fringilla coelebs

Hirundo rustica

Chloris chloris

Motacilla alba

Passer domesticus

Phasianus colchicus

Pica pica

Saxicola torquatus

Sturnus vulgaris

Italië

Alauda arvensis

Anthus campestris

Calandrella brachydactyla

Carduelis carduelis

Carduelis chloris

Corvus cornix

Emberiza calandra

Emberiza hortulana

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Jynx torquilla

Lanius collurio

Luscinia megarhynchos

Melanocorypha calandra

Motacilla alba

Motacilla flava

Oriolus oriolus

Passer domesticus italiae

Passer hispaniolensis

Passer montanus

Pica pica

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus unicolor

Sturnus vulgaris

Upupa epops

Letland

Acrocephalus palustris

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Carduelis carduelis

Carpodacus erythrinus

Ciconia ciconia

Crex crex

Emberiza citrinella

Lanius collurio

Locustella naevia

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

Litouwen

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Carduelis carduelis

Ciconia ciconia

Crex crex

Emberiza citrinella

Hirundo rustica

Lanius collurio

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

Luxemburg

Alauda arvensis

Carduelis cannabina

Emberiza citrinella

Lanius collurio

Passer montanus

Saxicola torquatus

Sylvia communis

Malta

Calandrella brachydactyla

Linaria cannabina

Cettia cetti

Cisticola juncidis

Coturnix coturnix

Emberiza calandra

Lanius senator

Monticola solitarius

Passer hispaniolensis

Passer montanus

Serinus serinus

Streptopelia decaocto

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia conspicillata

Sylvia melanocephala

Nederland

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Athene noctua

Calidris pugnax

Carduelis carduelis

Corvus frugilegus

Coturnix coturnix

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Gallinago gallinago

Haematopus ostralegus

Hippolais icterina

Hirundo rustica

Limosa limosa

Miliaria calandra

Motacilla fl ava

Numenius arquata

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola torquatus

Spatula clypeata

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Tringa totanus

Turdus viscivorus

Vanellus vanellus

Polen

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Carduelis cannabina

Ciconia ciconia

Emberiza citrinella

Emberiza hortulana

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Lanius collurio

Limosa limosa

Miliaria calandra

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola torquatus

Saxicola rubetra

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Portugal

Athene noctua

Bubulcus ibis

Carduelis carduelis

Chloris chloris

Ciconia ciconia

Cisticola juncidis

Coturnix coturnix

Delichon urbicum

Emberiza cirlus

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Lanius meridionalis

Linaria cannabina

Merops apiaster

Miliaria calandra

Milvus migrans

Passer domesticus

Pica pica

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Sturnus unicolor

Upupa epops

Roemenië

Alauda arvensis

Anthus campestris

Calandrella brachydactyla

Ciconia ciconia

Corvus frugilegus

Emberiza calandra

Emberiza citrinella

Emberiza hortulana

Emberiza melanocephala

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Lanius collurio

Lanius minor

Linaria cannabina

Melanocorypha calandra

Motacilla flava

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Slowakije

Alauda arvensis

Carduelis cannabina

Carduelis carduelis

Emberiza calandra

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Hirundo rustica

Chloris chloris

Lanius collurio

Locustella naevia

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Sylvia nisoria

Vanellus vanellus

Slovenië

Acrocephalus palustris

Alauda arvensis

Anthus trivialis

Carduelis cannabina

Carduelis carduelis

Columba oenas

Columba palumbus

Emberiza calandra

Emberiza cirlus

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Jynx torquilla

Lanius collurio

Lullula arborea

Luscinia megarhynchos

Motacilla flava

Passer montanus

Phoenicurus phoenicurus

Picus viridis

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Spanje

Alauda arvensis

Alectoris rufa

Athene noctua

Calandrella brachydactyla

Carduelis carduelis

Cisticola juncidis

Corvus monedula

Coturnix coturnix

Emberiza calandra

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Linaria cannabina

Melanocorypha calandra

Merops apiaster

Oenanthe hispanica

Passer domesticus

Passer montanus

Pica pica

Pterocles orientalis

Streptopelia turtur

Sturnus unicolor

Tetrax tetrax

Upupa epops

Zweden

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Carduelis cannabina

Corvus frugilegus

Emberiza citrinella

Emberiza hortulana

Falco tinnunculus

Hirundo rustica

Lanius collurio

Motacilla fl ava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

BIJLAGE VI

LIJST VAN BIODIVERSITEITSINDICATOREN VOOR BOSECOSYSTEMEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 10, LEDEN 2 EN 2 BIS

Indicator

Omschrijving, eenheid en methode voor de bepaling en monitoring van de indicator

Staand dood hout

Omschrijving: deze indicator geeft de hoeveelheid niet-levende, staande houtige biomassa in bossen en andere beboste gebieden weer.

Eenheid: m3/ha.

Methode: zoals ontwikkeld en gebruikt door FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010, en rekening houdend met de methodiek van bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1999 overeenkomstig de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen.

Liggend dood hout

Omschrijving: deze indicator geeft de hoeveelheid niet-levende houtige biomassa weer die op de grond ligt in bossen en andere beboste gebieden.

Eenheid: m3/ha.

Methode: zoals ontwikkeld en gebruikt door FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010, en rekening houdend met de methodiek van bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1999 overeenkomstig de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen.

Aandeel bossen met een ongelijkmatige leeftijdsopbouw

Omschrijving: deze indicator heeft betrekking op het aandeel productiebossen met een ongelijkmatige leeftijdsopbouw ten opzichte van bossen met een gelijkmatige leeftijdsopbouw.

Eenheid: percentage productiebossen met een ongelijkmatige leeftijdsopbouw.

Methode: zoals ontwikkeld en gebruikt door FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010.

Connectiviteit van bossen

Omschrijving: de connectiviteit van bossen staat voor de mate van compactheid van het bosareaal uitgedrukt in een getal tussen 0 en 100.

Eenheid: index.

Methode: zoals ontwikkeld door de FAO, Vogt P., e.a., FAO — State of the World’s Forests: Forest Fragmentation, technisch verslag van het JRC, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2019.

Index van veelvoorkomende bosvogels

Omschrijving: de bosvogelindicator beschrijft de ontwikkeling van de populatie van veelvoorkomende bosvogels in hun Europese verspreidingsgebied in de loop van de tijd. Deze samengestelde index is opgebouwd uit waarnemingsgegevens van vogelsoorten die kenmerkend zijn voor de Europese boshabitats. De index is gebaseerd op een specifieke soortenlijst per lidstaat.

Eenheid: index.

Methode: Brlík e.a., Long-term and large-scale multispecies dataset tracking population changes of common European breeding birds, Sci Data 8, 21. 2021.

Organische koolstof

Omschrijving: deze indicator beschrijft de voorraad organische koolstof in de strooisellaag en in de minerale bodem op een diepte van 0 cm tot 30 cm in bosecosystemen.

Eenheid: ton organische koolstof per hectare.

Methode: zoals uiteengezet in bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1999 overeenkomstig de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen, en zoals ondersteund door de Land Use and Coverage Area Frame Survey (Lucas) voor bodemgebruik, Jones A. e.a., LUCAS Soil 2022, technisch verslag van het JRC, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021.

Aandeel bossen dat wordt gedomineerd door inheemse boomsoorten

Omschrijving: het aandeel van bossen en andere beboste gebieden dat wordt gedomineerd (>50 % bedekt) door inheemse boomsoorten

Eenheid: %

Methode: zoals ontwikkeld en gebruikt door FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010.

Diversiteit aan boomsoorten

Omschrijving: deze indicator beschrijft het gemiddelde aantal boomsoorten dat voorkomt in bosgebieden

Eenheid: Inhoud

Methode: gebaseerd op FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010.

BIJLAGE VII

LIJST MET VOORBEELDEN VAN HERSTELMAATREGELEN ALS BEDOELD IN

ARTIKEL 11, LID 8

1)  Wetlands herstellen door drooggelegde veengebieden te vernatten, structuren voor de drainage van veengebieden te verwijderen, of veenafgravingen te ontpolderen en de afgravingen stop te zetten.

2)  De hydrologische toestand verbeteren door de kwantiteit, kwaliteit en dynamiek van de oppervlaktewateren te vergroten en het grondwaterpeil te verhogen voor natuurlijke en semi-natuurlijke ecosystemen.

3)  Ongewenste struikgroei of niet-inheemse aanplantingen verwijderen op graslanden, wetlands, in bossen en op schaars begroeid land.

4)  Moeraslandbouw toepassen.

5)  De meandering van rivieren herstellen en kunstmatige meanders of hoefijzermeren weer op de rivier aansluiten.

6)  Barrières in lengte- en dwarsrichting (zoals dijken en dammen) verwijderen, de rivierdynamiek meer ruimte geven en vrij stromende riviergedeelten in ere herstellen.

7)  Natuurlijke rivierbeddingen, meren en laaglandwaterlopen herstellen, bv. door de kunstmatige fixatie van beddingen te verwijderen, de samenstelling van het substraat te optimaliseren en de habitatbedekking te verbeteren of te ontwikkelen.

8)  Natuurlijke sedimentatieprocessen herstellen.

9)  Oeverbuffers aanleggen, zoals ooibossen, bufferstroken, weiden of graslanden.

10)  De ecologische kenmerken van bossen versterken, zoals grote, oude en stervende bomen (habitatbomen) en van de hoeveelheden liggend en staand dood hout.

11)  Toewerken naar een gediversifieerde bosstructuur wat betreft bv. soortensamenstelling en leeftijd, en natuurlijke regeneratie en opeenvolging van boomsoorten mogelijk maken.

11 bis)  De migratie van herkomsten en soorten ondersteunen waar dit nodig kan zijn vanwege klimaatverandering.

12)  Bossen verder diversifiëren door mozaïeken van niet-boshabitats te herstellen, zoals open stukken grasland of heide, vijvers of rotsachtige gebieden.

13)  Bosbouwbenaderingen toepassen die dicht bij de natuur staan of gericht zijn op doorlopende bedekking; inheemse boomsoorten introduceren.

14)  De ontwikkeling van oude inheemse bossen en volgroeide opstanden bevorderen (bv. door af te zien van het oogsten of door actief beheer dat de ontwikkeling van zelfregulerende functies en de nodige veerkracht bevordert).

15)  Diversiteitsrijke landschapselementen – zoals bufferstroken, akkerranden met inheemse bloemen, heggen, bomen, kleine bossen, terrasmuren, vijvers, habitatcorridors en stapstenen enz. – introduceren in bouwland en intensief gebruikt grasland.

16)  Het op agro-ecologische wijze beheerde landbouwareaal vergroten, zoals biologische landbouw of agrobosbouw, de teelt van meerdere gewassen en gewasrotatie, en het geïntegreerde beheer van plagen en nutriënten.

17)  Graslanden in voorkomend geval minder intensief begrazen of minder vaak maaien en weer overgaan op extensieve begrazing met landbouwhuisdieren en extensieve maairegimes waar die werden afgeschaft.

18)  Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen alsook van kunstmest en dierlijke mest stopzetten of verminderen.

19)  Stoppen met het omploegen van grasland en met de introductie van zaden van productieve grassen.

20)  Aanplantingen op vroegere dynamische duinsystemen in het binnenland verwijderen om de natuurlijke winddynamiek te herstellen ten gunste van open habitats.

21)  Habitats beter op elkaar aansluiten om de ontwikkeling van soortenpopulaties, voldoende individuele of genetische uitwisseling alsook migratie van soorten en aanpassing aan klimaatverandering mogelijk te maken.

22)  Ecosystemen in staat stellen hun eigen natuurlijke dynamiek te ontwikkelen, bijvoorbeeld door af te zien van de oogst en door de natuurlijke en wilde staat te bevorderen.

23)  Invasieve uitheemse soorten verwijderen en beheersen en nieuwe introducties daarvan voorkomen of tot een minimum beperken.

24)  De negatieve effecten van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem tot een minimum beperken, bv. door vistuig te gebruiken dat minder impact heeft op de zeebodem.

25)  Belangrijke paai- en kraamgebieden van vissen herstellen.

26)  Structuren of substraten aanleggen om de terugkeer van marien leven te stimuleren, zoals koraalriffen, oesterbanken en keienvelden.

27)  Zeegrasvelden en kelpwouden herstellen door actieve stabilisatie van de zeebodem, door drukfactoren te verminderen en zo nodig weg te nemen, of door actieve vermeerdering en aanplant.

27 bis)  De populatiestand van kenmerkende inheemse soorten die van vitaal belang zijn voor de ecologie van mariene habitats herstellen of verbeteren door passieve of actieve herstelmaatregelen uit te voeren, zoals het introduceren van jonge exemplaren.

28)  Verschillende vormen van mariene verontreiniging verminderen, zoals nutriëntenbelasting, geluidsoverlast en plastic afval.

29)  Stedelijke groene ruimten met ecologische kenmerken uitbreiden, zoals parken, bomen en bosgebieden ▌, groendaken, graslanden met wilde bloemen, tuinen, stadstuinbouw, straten met bomen, stadsweiden en hagen, vijvers en waterlopen, rekening houdend met o.a. soortendiversiteit, inheemse soorten, lokale omstandigheden en bestendigheid tegen klimaatverandering.

30)  Beëindiging, vermindering of sanering van verontreiniging door farmaceutische producten, gevaarlijke chemische stoffen, stedelijk en industrieel afvalwater en ander afval, waaronder zwerfvuil en plastic, alsook lichtvervuiling in alle ecosystemen.

31)  Brownfields, voormalige industrieterreinen en steengroeven omvormen tot natuurgebieden.

(1)PB C van , blz. .
(2)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “De Europese Green Deal”, 11 december 2019 (COM(2019) 640 final).
(3)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen”, 20 mei 2020 (COM(2020) 380 final).
(4)Besluit 93/626/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake biologische diversiteit (PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1).
(5)https://www.cbd.int/decision/cop/?id=12268
(6) Mondiale biodiversiteitskader van Kunming-Montreal. Ontwerpbesluit ingediend door de voorzitter, CBD/COP/DEC/15/4 19 december 2022.
(7)United Nations Sustainable Development – 17 Goals to Transform Our World
(8)Resolutie 73/284 van 1 maart 2019 inzake het VN-decennium voor ecosysteemherstel (2021–2030).
(9)Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen (2020/2273(INI)).
(10)Conclusies van de Raad “Biodiversiteit - dringend actie nodig”, 12210/20.
(11)Werkdocument van de diensten van de Commissie “Criteria and guidance for protected areas designations” (SWD(2022) 23 final).
(12)Beschikbaar op Circabc (europa.eu) [Verwijzing toevoegen].
(13)Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité “De stand van de natuur in de Europese Unie – Verslag over de staat van en trends voor soorten en typen habitats die onder de vogel- en de habitatrichtlijn vallen, in de periode 2013 - 2018”, (COM(2020) 635 final).
(14) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité va de Regio's, Evaluatie van het handelsbeleid – Een open, duurzaam en assertief handelsbeleid – Brussel, 18.2.2021, COM(2021)66 final
(15)https://seea.un.org/sites/seea.un.org/files/documents/EA/seea_ea_white_cover_final.pdf
(16)Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC): “An IPCC special report on the impacts of global warming of 1.5 °C above pre-industrial levels and related global greenhouse gas emission pathways, in the context of strengthening the global response to the threat of climate change, sustainable development, and efforts to eradicate poverty”, [Masson-Delmotte, V., P. Zhai, H.-O. Pörtner, D. Roberts, J. Skea, P.R. Shukla, A. Pirani, W. Moufouma-Okia, C. Péan, R. Pidcock, S. Connors, J.B.R. Matthews, Y. Chen, X. Zhou, M.I. Gomis, E. Lonnoy, T. Maycock, M. Tignor en T. Waterfield (redacteuren)] https://www.ipcc.ch/sr15/
(17)Climate Change 2022: Impacts, Adaptation and Vulnerability | Climate Change 2022: Impacts, Adaptation and Vulnerability (ipcc.ch)
(18)IPBES (2019): “Global assessment report on biodiversity and ecosystem services of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services” [E. S. Brondizio, J. Settele, S. Díaz, and H. T. Ngo (redacteuren). IPBES-secretariaat, Bonn, Duitsland. 1 148 bladzijden. https://doi.org/10.5281/zenodo.3831673
(19)Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
(20)Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn en die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten.
(21)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen – de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering” (COM(2021) 82 final).
(22)Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2018/841 wat betreft het toepassingsgebied, vereenvoudiging van de nalevingsvoorschriften, vaststelling van de streefcijfers voor de lidstaten voor 2030 en de verbintenis tot de collectieve verwezenlijking van klimaatneutraliteit in de sector landgebruik, bosbouw en landbouw tegen 2035, en van Verordening (EU) 2018/1999 wat betreft verbetering van monitoring, rapportage, het volgen van de vooruitgang en beoordeling (COM(2021) 554 final).
(23)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, De voedselzekerheid waarborgen en de veerkracht van voedselsystemen versterken (COM(2022) 133 final).
(24)Conference on the Future of Europe – Report on the Final Outcome, mei 2022, voorstel 2 (1, 4, 5), blz. 44, voorstel 6 (6), blz. 48.
(25)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, EU-bodemstrategie voor 2030 – Profiteren van de voordelen van een gezonde bodem voor mens, voedsel, natuur en klimaat (COM(2021) 699 final).
(26)Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(27)Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(28)DG Milieu. 2017, “Reporting under Article 17 of the Habitats Directive: Explanatory notes and guidelines for the period 2013-2018” en DG Milieu 2013, “Interpretation manual of European Union habitats Eur 28”.
(29)Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(30)Het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan van 1992 (het Ospar-verdrag), het Verdrag ter bescherming van het mariene milieu in het Oostzeegebied van 1992 (het Verdrag van Helsinki), het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee van 1995 (het Verdrag van Barcelona) en het Verdrag inzake de bescherming van de Zwarte Zee tegen verontreiniging van 1992 (het Verdrag van Boekarest).
(31)Vysna, V., Maes, J., Petersen, J.E., La Notte, A., Vallecillo, S., Aizpurua, N., Ivits, E., Teller, A., “Accounting for ecosystems and their services in the European Union (INCA). Final report from phase II of the INCA project aiming to develop a pilot for an integrated system of ecosystem accounts for the EU”. Statistisch overzicht. Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2021.
(32)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, EU-initiatief inzake bestuivers (COM(2018) 395 final).
(33)Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Vooruitgang in de uitvoering van het EU-initiatief inzake bestuivers” (COM(/2021) 261 final).
(34)Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen (2020/2273(INI), beschikbaar op https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/TA-9-2021-0277_NL.pdf
(35)Conclusies van de Raad van 17 december 2020 over Speciaal verslag nr. 15/2020 van de Europese Rekenkamer “Bescherming van wilde bestuivers in de EU: de initiatieven van de Commissie hebben geen vruchten afgeworpen (14168/ 20).
(36)Speciaal verslag 15/2020, https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR20_15/SR_Pollinators_NL.pdf
(37)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Herziening van het EU-initiatief inzake bestuivers. Een “New Deal” voor bestuivers (COM/2023/35 final).
(38)European Red List - Environment - Europese Commissie (europa.eu)
(39)Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1).
(40)Wanneer een landbouwer zich ertoe verbindt ten minste 7 % van zijn/haar bouwland in het kader van een uitgebreide ecoregeling voor te behouden voor niet-productieve arealen of elementen, met inbegrip van braakliggend land, of indien een minimumaandeel van ten minste 7 % van het bouwland op bedrijfsniveau ook vanggewassen of stikstofbindende gewassen omvat die geteeld worden zonder gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
(41)Vernatten is het omzetten van een ontwaterde bodem in een natte bodem. Hoofdstuk 1 van het IPCC-verslag van 2014 en het supplement uit 2013 bij de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen over wetlands, Hiraishi, T., Krug, T., Tanabe, K., Srivastava, N., Baasansuren, J., Fukuda, M. en Troxler, T.G. (redacteuren).
(42)De term “organische bodem” wordt gedefinieerd in IPCC 2006, de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen, opgesteld in het kader van het programma voor nationale broeikasgasinventarissen, Eggleston H.S., Buendia L., Miwa K., Ngara T. en Tanabe K. (redacteuren).
(43)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. “Nieuwe EU-bosstrategie voor 2030” (COM(2021) 572 final).
(44)Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105).
(45)Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(46)Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(47)Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).▌
(48)Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(49)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s betreffende Europese missies (COM(2021) 609 final).
(50)Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
(51)Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
(52)Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 56).
(53)Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot vaststelling van een instrument voor technische ondersteuning (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 1).
(54)Verordening (EU) 2021/783 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1293/2013 (PB L 172 van 17.5.2021, blz. 53).
(55)Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PB L 247 van 13.7.2021, blz. 1).
(56)Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022 (PB L 437 van 28.12.2020, blz. 1).
(57)Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60).
(58)Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1).
(59)Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1).
(60)Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 11).
(61)Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).
(62)Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 30).
(63)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, “Duurzame koolstofcycli” (COM(2021) 800 final).
(64)Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (EU) van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1).
(65)[Verwijzing invoegen wanneer het achtste milieuactieprogramma is bekendgemaakt].
(66)Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(67)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(68)Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
(69)Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie, tot oprichting van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 69).
(70)Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (COM(2022) 222 final).
(71)EUNIS-classificatie van mariene habitats 2022. Europees Milieuagentschap.

Laatst bijgewerkt op: 20 december 2023Juridische mededeling - Privacybeleid