Resolutie van het Europees Parlement van 12 juli 2023 over de COVID-19-pandemie: geleerde lessen en aanbevelingen voor de toekomst (2022/2076(INI))
Het Europees Parlement,
– gezien zijn besluit van 10 maart 2022 tot instelling van een Bijzondere Commissie COVID-19-pandemie: geleerde lessen en aanbevelingen voor de toekomst, en tot vaststelling van de bevoegdheden, het aantal leden en de ambtstermijn van die Commissie(1), aangenomen op grond van artikel 207 van zijn Reglement,
– gezien de artikelen 3, 4, 9, 12, 16, 26, 36, 45, 52, 67, 114, 122, 151, 153, 168, 169, 173, 179, 180, 181, 187, 191, 202, 207, 216, 217, 218 en 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),
– gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 2, 11, 12, 16, 21, 31, 32 en 35,
– gezien de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), zoals laatstelijk gewijzigd door de 51e vergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie,
– gezien de Europese pijler van sociale rechten, met name beginsel 16 (gezondheidszorg) en beginsel 18 (langdurige zorg),
– gezien de gezamenlijke beleidsnota van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de WHO van 28 september 2022, getiteld “Mental health at work” en het WHO-verslag van 14 september 2022 getiteld “Health and care workforce in Europe: time to act”,
– gezien de mededeling van de Commissie van 15 juni 2021, getiteld “Eerste lessen uit de COVID-19-pandemie” (COM(2021)0380),
– gezien de conclusies van de Raad van 23 november 2021 over het vergroten van de paraatheid, de respons-capaciteit en de bestendigheid ten aanzien van toekomstige crises,
– gezien zijn resolutie van 16 februari 2022 over versterking van Europa in de strijd tegen kanker – naar een alomvattende en gecoördineerde strategie(2), en de werkzaamheden van de Bijzondere Commissie kankerbestrijding (BECA),
– gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2021 over de versterking van de Europese gezondheidsunie(3),
– gezien het besluit van de Commissie van 16 september 2021 tot oprichting van de Autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied(4),
– gezien het verslag over het eindresultaat van de Conferentie over de toekomst van Europa van 9 mei 2022,
– gezien de mededeling van de Commissie van 16 september 2021, getiteld “Dit is HERA, de EU-autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied: de volgende stap naar voltooiing van de Europese gezondheidsunie” (COM(2021)0576),
– gezien de mededeling van de Commissie van 17 juni 2022, getiteld “Conferentie over de toekomst van Europa – Van visie tot concrete actie” (COM(2022)0404),
– gezien speciaal verslag 13/2022 van de Europese Rekenkamer van 13 juni 2022, getiteld “Vrij verkeer in de EU tijdens de COVID-19-pandemie – Beperkt toezicht op controles aan de binnengrenzen en ongecoördineerde maatregelen van de lidstaten”,
– gezien speciaal verslag 18/2022 van de Europese Rekenkamer van 1 september 2022, getiteld “De EU-instellingen en COVID-19: snelle respons, maar optimale benutting van door de crisis ingegeven innovatie en flexibiliteit blijft uitdagingen opleveren”,
– gezien speciaal verslag 19/2022 van de Europese Rekenkamer van 12 september 2022, getiteld “De aankoop door de EU van COVID-19-vaccins – Voldoende doses veiliggesteld na aanvankelijke uitdagingen, maar prestaties van het proces niet voldoende beoordeeld”,
– gezien speciaal verslag 01/2023 van de Europese Rekenkamer van 11 januari 2023, getiteld “Hulpmiddelen om reizen binnen de EU tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren”,
– gezien speciaal verslag 02/2023 van de Europese Rekenkamer van 2 februari 2023, getiteld “De aanpassing van de voorschriften van het cohesiebeleid in antwoord op COVID-19: De middelen werden flexibeler gebruikt, maar over het cohesiebeleid als instrument voor crisisrespons moet worden nagedacht”,
– gezien speciaal verslag 21/2022 van de Europese Rekenkamer van 8 september 2022, getiteld “De beoordeling door de Commissie van de nationale herstel- en veerkrachtplannen – in het algemeen adequaat, maar er blijven uitvoeringsrisico’s”,
– gezien de mededeling van de Commissie van 27 april 2022, getiteld “COVID-19 – De paraatheid en respons van de EU in stand houden: Een blik vooruit” (COM(2022)0190),
– gezien de mededeling van de Commissie van 2 september 2022, getiteld “EU-respons op COVID-19: voorbereiding op het najaar en de winter van 2023” (COM(2022)0452),
– gezien het verslag van de Commissie van 18 november 2022, getiteld “State of Vaccine Confidence in the EU”,
– gezien Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren(5),
– gezien Verordening (EU) 2021/2282 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2021 betreffende de evaluatie van gezondheidstechnologie en tot wijziging van Richtlijn 2011/24/EU(6),
– gezien Verordening (EU) 2022/123 van het Europees Parlement en de Raad van 25 januari 2022 betreffende een grotere rol van het Europees Geneesmiddelenbureau inzake crisisparaatheid en -beheersing op het gebied van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen(7),
– gezien Verordening (EU) 2022/2372 van de Raad van 24 oktober 2022 betreffende een kader van maatregelen ter waarborging van de levering van in een crisissituatie relevante medische tegenmaatregelen in geval van een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid op Unieniveau(8),
– gezien Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen en tot intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU(9),
– gezien Verordening (EU) 2022/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 851/2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding(10),
– gezien Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad(11),
– gezien het voorstel van de Commissie van 19 september 2022 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een noodinstrument voor de eengemaakte markt en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2679/98 van de Raad (COM(2022)0459),
– gezien Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad(12),
– gezien Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91(13),
– gezien Aanbeveling (EU) 2020/648 van de Commissie van 13 mei 2020 inzake vouchers die aan passagiers en reizigers worden aangeboden als alternatief voor terugbetaling van geannuleerde pakketreizen en vervoersdiensten in het kader van de COVID-19-pandemie(14),
– gezien de mededeling van de Commissie van 9 december 2020, getiteld “Strategie voor duurzame en slimme mobiliteit – Het Europees vervoer op het juiste spoor naar de toekomst” (COM(2020)0789),
– gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2020, getiteld “Nieuwe consumentenagenda – De weerbaarheid van de consument versterken met het oog op duurzaam herstel” (COM(2020)0696),
– gezien het voorstel van de Commissie van 16 september 2022 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor mediadiensten op de interne markt (“verordening mediavrijheid”) en tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU (COM(2022)0457),
– gezien Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot instelling van een Europese kindergarantie(15),
– gezien het verslag van de Groep op hoog niveau, bijeengeroepen door commissaris voor economie Paolo Gentiloni, over de economische en sociale uitdagingen na COVID van 1 maart 2022, getiteld “A New Era for Europe – How the European Union Can Make the Most of its Pandemic Recovery, Pursue Sustainable Growth, and Promote Global Stability”,
– gezien het verslag van de IAO van 31 oktober 2022, getiteld “Monitor on the world of work. Tenth edition – Multiple crises threaten the global labour market recovery”,
– gezien het IAO-verslag van 11 augustus 2022, getiteld “Global Employment Trends for Youth 2022: Investing in transforming futures for young people”,
– gezien het voorstel van de Commissie van 8 maart 2022 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2022)0105),
– gezien de vijfde duurzameontwikkelingsdoelstelling van de VN om gendergelijkheid en empowerment voor alle vrouwen en meisjes te bereiken,
– gezien de mededeling van de Commissie van 24 maart 2021, getiteld “EU-strategie voor de rechten van het kind” (COM(2021)0142),
– gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),
– gezien de vierde duurzameontwikkelingsdoelstelling van de VN over het verzekeren van gelijke toegang tot kwaliteitsvol onderwijs en het bevorderen van levenslang leren voor iedereen,
– gezien het Unicef-verslag van december 2013, getiteld “Children’s Rights in Impact Assessments: A guide for integrating children’s rights into impact assessments and taking action for children”,
– gezien het verslag van het Europese netwerk van deskundigen inzake onderwijseconomie van 2022, getiteld “Learning deficits due to the COVID-19 analysis – A literature review (2020-2022)”,
– gezien zijn resolutie van 11 november 2021 over een actieplan inzake intellectuele eigendom om het herstel en de veerkracht van de EU te ondersteunen(16),
– gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 1 december 2021 over “De Global Gateway” (JOIN(2021)0030),
– gezien de mededeling van de EU aan de Algemene Raad van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van 4 juni 2021, getiteld “Urgent trade policy responses to the COVID-19 crisis”,
– gezien het verslag van de WHO en de Europese Waarnemingspost voor gezondheidszorgstelsels en -beleid van 10 september 2021, getiteld “Drawing light from the pandemic: A new strategy for health and sustainable development – A review of the evidence”,
– gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2022, getiteld “Mondiale gezondheidsstrategie van de EU – Betere gezondheid voor iedereen in een veranderende wereld” (COM(2022)0675),
– gezien zijn resolutie van 18 juni 2020 over aanvullende financiering voor biomedisch onderzoek naar myalgische encefalomyelitis(17),
– gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden(18),
– gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over de situatie in het Schengengebied ten gevolge van de COVID-19-uitbraak(19),
– gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over Europese bescherming van grensoverschrijdende en seizoenarbeiders in het kader van de COVID-19-crisis(20),
– gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19(21),
– gezien zijn resolutie van 17 september 2020, getiteld “COVID-19: EU-coördinatie van gezondheidsbeoordelingen en risico-indeling en de gevolgen voor Schengen en de interne markt”(22),
– gezien zijn resolutie van 13 november 2020 over de impact van de COVID-19-maatregelen op de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten(23),
– gezien zijn resolutie van 21 oktober 2021 over EU-transparantie in de ontwikkeling, aankoop en distributie van COVID-19-vaccins(24),
– gezien zijn resolutie van 5 juli 2022, getiteld “ Naar gemeenschappelijke Europese maatregelen op het gebied van zorg”(25),
– gezien zijn resolutie van 13 september 2022 over de impact van de stopzetting wegens COVID-19 van onderwijs-, culturele, jeugd- en sportactiviteiten op kinderen en jongeren in de EU(26),
– gezien de mededeling van de Commissie van 7 september 2022 over de Europese zorgstrategie (COM(2022)0440),
– gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2020, getiteld “Toerisme en vervoer in en na 2020” (COM(2020)0550),
– gezien de index voor gendergelijkheid 2021 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid van 28 oktober 2021,
– gezien het verslag van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden van 20 oktober 2022, getiteld “Herstel van COVID-19: de veranderende structuur van de werkgelegenheid in de EU”,
– gezien de studie van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 januari 2021, getiteld “The response of civil society organisations to face the COVID-19 pandemic and the consequent restrictive measures adopted in Europe”,
– gezien zijn verslag van 7 juli 2021 over de handelsgerelateerde aspecten en gevolgen van de uitbraak van COVID-19(27),
– gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de EU-wetgevingsprioriteiten voor 2023 en 2024(28),
– gezien het voorstel van de Commissie van 16 maart 2023 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (COM(2023)0160),
– gezien het voorstel van de Commissie van 26 april 2023 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van procedures van de Unie voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot vaststelling van voorschriften voor het Europees Geneesmiddelenbureau, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1394/2007 en Verordening (EU) nr. 536/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 726/2004, Verordening (EG) nr. 141/2000 en Verordening (EG) nr. 1901/2006 (COM(2023)0193),
– gezien het voorstel van de Commissie van 18 april 2023 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maatregelen ter versterking van de solidariteit en de capaciteit in de Unie om cyberdreigingen en -incidenten op te sporen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren (COM(2023)0209),
– gezien het voorstel van de Commissie van 3 mei 2022 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens (COM(2022)0197),
– gezien de conclusies en aanbevelingen van de studie die in december 2021 voor zijn panel voor de toekomst van wetenschap en technologie (STOA) is opgesteld, getiteld “European pharmaceutical research and development – Could public infrastructure overcome market failures?”,
– gezien de conclusies en aanbevelingen van de studie die in oktober 2022 voor het STOA is opgesteld, getiteld “Fostering coherence in EU health research – Strengthening EU research for better health”,
– gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie (DG IPOL) van november 2022, getiteld “Impact of COVID-19 measures on democracy and fundamental rights – Best practices and lessons learned in the Member States and third countries”,
– gezien zijn resolutie van 17 september 2020, getiteld “Het tekort aan geneesmiddelen – hoe moet dit oprukkende probleem worden aangepakt?”(29),
– gezien de studie van DG IPOL van januari 2023, getiteld “The effect of communication and disinformation during the COVID-19 pandemic”,
– gezien de workshop van DG IPOL van 8 maart 2023, getiteld “EU crisis preparedness and response”,
– gezien de workshop van DG IPOL van 9 maart 2023 getiteld “Long COVID”,
– gezien de verzoekschriften met betrekking tot de COVID-19-pandemie die de Commissie verzoekschriften heeft ontvangen en gezien de werkzaamheden die tijdens de COVID-19-pandemie zijn verricht met betrekking tot aanverwante kwesties,
– gezien de studie van DG IPOL van maart 2023, getiteld “Social and Economic Consequences of COVID-19”,
– gezien de studie van de onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) van april 2022, getiteld “Future Shocks 2022 – Addressing the risk and building capabilities for Europe in a contested world”,
– gezien de EPRS-studie van januari 2023, getiteld “Parliamentary oversight of governments’ response to the COVID-19 pandemic: Literature Review”,
– gezien de EPRS-studie van februari 2023, getiteld “The European public health response to the COVID-19 pandemic: Lessons for future cross-border health threats”,
– gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van september 2021, getiteld “Vulnerabilities of the global supply chains of medicines – Structured Dialogue on the security of medicines supply”,
– gezien zijn resolutie van 10 juni 2021 over de omgang met de uitdaging van de wereldwijde COVID-19-pandemie: gevolgen van een opschorting van de TRIPS-overeenkomst van de WTO voor COVID-19-vaccins en de behandeling, uitrusting en productiecapaciteit in ontwikkelingslanden(30),
– gezien de studie over het gezondheidsbeleid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 17 januari 2023, getiteld “The COVID-19 Pandemic and the Future of Telemedicine”,
– gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 7 juli 2022 over toegang tot geneesmiddelen, vaccins en andere gezondheidsproducten in de context van het recht van eenieder op het hoogst haalbare niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid,
– gezien het rapport van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties van 3 januari 2023 over het waarborgen van eerlijke, betaalbare, tijdige en universele toegang voor alle landen tot vaccins in reactie op de coronavirus (COVID-19)-pandemie,
– gezien de Siracusa Principles on the Limitation and Derogation Provisions in the International Covenant on Civil and Political Rights van 1984,
– gezien zijn resolutie van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen(31),
– gezien de uitgebreide analyse van DG IPOL van december 2020, getiteld “The link between biodiversity loss and the increasing spread of zoonotic diseases”,
– gezien het rapport van de WHO van 29 juni 2022, getiteld “A health perspective on the role of the environment in One Health”,
– gezien de bulletins van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten getiteld “Coronavirus pandemic in the EU – Fundamental Rights Implications”, met name bulletin 1 van 8 april 2020, bulletin 2 van 28 mei 2020 gericht op contacttraceringsapps, bulletin 3 van 30 juni 2020 gericht op ouderen, bulletin 4 van 30 juli 2020, bulletin 5 van 29 september 2020 over de gevolgen voor Roma en Travellers, bulletin 6 van 30 november 2020 en bulletin 7 van 16 juni 2021 over de inzet van vaccins en gelijke toegang in de EU,
– gezien de verslagen van 2021 en 2022 van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,
– gezien de bevindingen van de Europese Ombudsman in zaak 1316/2021/MIG(32) en in de gevoegde zaken 85/2021/MIG en 86/2021/MIG(33),
– gezien de verlenging van het mandaat van de commissie met drie maanden, zoals aangekondigd in de plenaire vergadering van 18 januari 2023,
– gezien de artikelen 54 en 207 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Bijzondere Commissie COVID-19-pandemie: geleerde lessen en aanbevelingen voor de toekomst (A9-0217/2023),
Inleiding en overzicht
1. erkent dat de COVID-19-pandemie het leven van miljoenen mensen heeft gekost en horizontaal alle niveaus en aspecten van de samenleving heeft getroffen en zowel in Europa als wereldwijd enorme schade heeft aangericht;
2. benadrukt dat de EU, evenals de rest van de wereld, niet voldoende was voorbereid om het hoofd te bieden aan een dergelijke crisis en de schokgolven ervan, die samenlevingen en economieën wereldwijd hebben getroffen, ook bij het aanbieden van diensten voor voortbouwende educatie in geval van lockdown;
3. wijst erop dat de gevolgen van de COVID-19-pandemie de meest uitdagende sociaal-economische crisis hebben veroorzaakt waarmee Europa sinds de Tweede Wereldoorlog werd geconfronteerd; benadrukt dat er een gecoördineerde reactie nodig is om bedrijven, zelfstandigen, werknemers, personen buiten de arbeidsmarkt en vooral kwetsbare en arme personen te ondersteunen;
4. erkent dat veel gezondheidswerkers, essentiële werknemers en vrijwilligers hun leven en gezondheid hebben opgeofferd om de Europese bevolking tijdens de pandemie te beschermen;
5. onderkent en waardeert de collectieve inspanningen en deskundigheid van gezondheidswerkers en onderzoekers, die doorslaggevend zijn geweest om de COVID-19-pandemie te boven te komen;
6. is van oordeel dat de EU, ondanks tekortkomingen en lacunes in de gezondheidsbevordering, ziektepreventie, paraatheid en respons, een gemeenschappelijke reactie op de pandemie heeft uitgewerkt en maatregelen heeft genomen om op het Europese continent en wereldwijd te zorgen voor een snelle ontwikkeling en een eerlijke distributie van een divers aanbod van vaccins;
7. merkt op dat de COVID-19-pandemie heeft aangetoond dat er duidelijk behoefte is aan doeltreffende governancestructuren en aan de ontwikkeling van Europees beleid voor preventieve upstreammaatregelen om het risico van het ontstaan van ziekteverwekkers te beperken; benadrukt in dit verband dat antropogene veranderingen in het milieu de versnelde verspreiding van dierlijke ziekteverwekkers naar menselijke populaties vergemakkelijken;
8. betreurt het dat sommige lidstaten, in plaats van een Europese aanpak van de maatregelen en gezondheidsbenaderingen vast te stellen, niet voldoende solidariteit hebben getoond met de landen die aanvankelijk door het virus werden getroffen en dat er niet onmiddellijk een gecoördineerde Europese aanpak van maatregelen en gezondheidsbenaderingen is geweest;
9. benadrukt het voorbeeldige gedrag van EU-burgers in de strijd tegen de pandemie en beklemtoont dat de samenwerking van de burgers met overheidsinstanties, waarbij zij zich inzetten voor de uitvoering van de zware maatregelen en de lockdowns als gevolg van de pandemie, onmisbaar was om de verspreiding van COVID-19 te beperken; erkent dat zonder deze samenwerking de gevolgen van de pandemie veel ernstiger zouden zijn geweest;
10. benadrukt dat de vier vrijheden fundamentele bouwstenen van het Europese project zijn; betreurt derhalve het aanvankelijke gebrek aan samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten met betrekking tot het vrij verkeer van essentiële goederen, waaronder persoonlijke beschermingsmiddelen en medische uitrusting, alsmede de gebrekkige levering op de interne markt tijdens de eerste maanden van de COVID-19-pandemie;
11. onderkent dat ongezonde levensstijlen en milieuverontreiniging twee relevante factoren zijn bij de opkomst van chronische ziekten; benadrukt dat patiënten met reeds bestaande chronische aandoeningen ernstigere COVID-19-gevolgen hadden;
12. merkt op dat de COVID-19-pandemie moet worden gezien als een kans om de transformatie voor de digitale en groene transitie te versnellen, waaronder een aanzienlijk gebruik van digitalegezondheidstechnologieën, en dat zij dient als een grimmige herinnering aan het feit dat wij prioriteit moeten geven aan de veerkracht en de kwaliteit van onze openbare gezondheidszorgstelsels teneinde meer aandacht te besteden aan zowel lichamelijke als geestelijke gezondheid in de hele EU; wijst erop dat de digitalisering ertoe heeft bijgedragen dat tijdens de COVID-19-pandemie de grondrechten konden worden uitgeoefend en het mogelijk heeft gemaakt bepaalde gezondheids- en onderwijsactiviteiten voort te zetten, onder meer door het digitale covidcertificaat, dat vrij verkeer mogelijk heeft gemaakt;
13. benadrukt dat de pandemie bestaande structurele problemen in de organisatie van de openbare gezondheids- en zorgstelsels van de lidstaten heeft verergerd, met name de onvoldoende financiering voor de sector in de hele EU, de kwetsbaarheid van eerstelijnszorgdiensten, het gebrek aan passende toezichts- en verslagleggingsprogramma’s, personeelstekorten, governancekwesties en tekorten aan geneesmiddelen en medisch materiaal, en ook heeft geleid tot burn-outs(34) onder gezondheidswerkers;
14. benadrukt dat de pandemie ook de mondiale ongelijkheid op het gebied van productie, levering en toegang tot levensreddend medisch materiaal en gezondheidstechnologieën heeft vergroot;
15. bevestigt het belang van surveillance, monitoring, preventie, paraatheid, transparantie en veerkracht bij uitbraken en noodsituaties op gezondheidsgebied, met name op het gebied van zorgstelsels, voorraden en diensten, door de open strategische autonomie en de wereldwijde diversificatie van de ontwikkeling, productie, distributie en voorziening op belangrijke gebieden zoals kritieke en essentiële geneesmiddelen, te vergroten; benadrukt hoe noodzakelijk het is de totstandbrenging van lokale productiecapaciteit te ondersteunen en bestaande capaciteit te ontwikkelen en te versterken;
16. benadrukt de noodzaak om de algemene veerkracht in tijden van gezondheidscrises te verbeteren door stimulansen te creëren voor investeringen in en de ontwikkeling van productielijnen voor geneesmiddelen, vaccins en ander medisch materiaal in de EU, en ook van grondstoffen en werkzame farmaceutische bestanddelen (API’s);
17. is bezorgd over de negatieve weerslag van de COVID-19-crisis op de Europese arbeidsmarkt, over de ongekende verliezen van banen, vooral in culturele en creatieve sectoren, en over de toename van armoede en verschillen in de levensstandaard die hiermee gepaard gaat en vooral jongeren, vrouwen en laaggeschoolden in de informele economie en met onzekere banen zal treffen;
18. benadrukt dat de wereld in 2020 niet voorbereid was op de gevolgen van de COVID-19-pandemie en dat Europa het hoofd moest bieden aan de zwaarste sociaal-economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog;
19. benadrukt de gevolgen van de pandemie voor de samenleving en de economie; herinnert eraan dat de economische gevolgen van de pandemie onder meer betrekking hadden op het vervoer van passagiers en goederen en op de beschikbaarheid van basisproducten, zoals levensmiddelen, en van diverse grondstoffen, waarvan het ontbreken leidde tot het stilleggen van diensten;
20. wijst op de noodzaak van een gecoördineerde reactie ter ondersteuning van werknemers, gezinnen, zelfstandigen, bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), arme mensen en kwetsbare groepen, met gebruikmaking van relevante maatregelen voor elke groep; herinnert eraan dat de crisis verschillende segmenten van de samenleving op verschillende wijze heeft getroffen, waardoor de sociale en economische ongelijkheden nog groter zijn geworden; herinnert er daarom aan dat prioriteit gegeven moet worden aan steun voor sociaal achtergestelde groepen en voor degenen die het zwaarst door de crisis zijn getroffen;
21. benadrukt dat terwijl de aandacht uitsluitend gericht was op het behoud van ziekenhuiscapaciteit, verzorgingshuizen te lijden hadden onder een gebrek aan beschermende uitrusting, materiaal, personeel en deskundigheid om de pandemie te bestrijden, met als gevolg buitensporige sterftecijfers onder ouderen;
22. erkent dat de pandemie duidelijk heeft gemaakt dat de sociale economie en de actoren van de sociale economie een cruciale rol spelen bij de ondersteuning van onze economische systemen in het algemeen, alsook bij de paraatheid en het reactievermogen op gezondheidsgebied, vooral als het gaat om het bereiken en bijstaan van jongeren, ouderen en kwetsbare bevolkingsgroepen;
23. merkt betreurd op dat de COVID-19-pandemie het geestelijk welzijn van degenen die met financiële onzekerheid worden geconfronteerd buitenproportioneel heeft aangetast, met bijzonder negatieve gevolgen voor vrouwen en leden van kwetsbare bevolkingsgroepen, waaronder etnische minderheden, de LHBTQIA+-gemeenschap, ouderen, personen met een handicap en jongeren;
24. benadrukt dat de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan vrouwen en mannen op een andere manier treffen, en dat ze de bestaande ongelijkheden en tekortkomingen met betrekking tot gendergelijkheid en de rechten van vrouwen duidelijk hebben gemaakt;
25. onderkent dat de COVID-19-pandemie wereldwijd een ongekende verstoring van het onderwijs heeft veroorzaakt als gevolg van wijdverspreide schoolsluitingen, schooluitval en een ongekend educatief verlies, die allemaal ernstige educatieve en sociale gevolgen hebben, onder meer voor de geestelijke gezondheid en de voeding van kinderen en jongeren, en een verhoogd risico inhouden op geweld en misbruik; benadrukt dat volgens de WHO de COVID-19-pandemie wereldwijd heeft geleid tot een toename van de prevalentie van angst en depressie met 25 %;
26. benadrukt dat de pandemie de ongelijkheid tussen landen en binnen landen heeft vergroot, dat de levensverwachting in Europa als gevolg van het uitbreken van de COVID-19-pandemie tijdelijk is gedaald en dat de gezondheidszorgstelsels en stelsels van sociale voorzieningen in de hele EU onder grote druk kwamen te staan;
27. stelt vast dat de medische noodsituatie de veiligheid en stabiliteit en de sociale verhoudingen heeft aangetast, de arbeids- en onderwijsmethoden heeft veranderd, gevolgen heeft gehad voor diverse maatschappelijke groepen en de ongelijkheid in de hele wereld heeft vergroot;
28. benadrukt dat het belangrijk is lessen te trekken uit en beter voorbereid te zijn op toekomstige gezondheids- en andere crises en wijst erop dat bij het formuleren, de bepaling en de uitvoering van elk beleid, alle financiering, alle wetgeving en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid moet worden gewaarborgd; wijst erop dat we nog steeds bezig zijn met de evaluatie van de effecten van COVID-19 op de gezondheid en de gezondheidszorgstelsels en -diensten, met name met betrekking tot long covid;
29. herinnert eraan dat wereldwijd 65 miljoen mensen en, volgens de WHO, ten minste 17 miljoen mensen in Europa lijden aan postacute sequellen die zijn veroorzaakt door SARS-CoV-2 (PASC), terwijl soortgelijke postacute infectiesyndromen (PAIS) ook zijn waargenomen als gevolg van andere ziekten; benadrukt dat alle PAIS, met inbegrip van PASC, symptoomclusters gemeen hebben, in het bijzonder dat ze kunnen leiden tot CVS, terwijl bij sommige patiënten dezelfde symptomen optreden na vaccinatie (Post Vac);
30. merkt op dat patiënten lijden aan systemische multi-orgaanaandoeningen die vaak verkeerd worden gediagnosticeerd als psychosomatisch en dat malaise na inspanning een belangrijk symptoom is van CVS, maar ook is waargenomen bij een aantal PASC-patiënten, hetgeen de reden is waarom het tempo moet worden gerespecteerd; wijst erop dat patiënten dringend behoefte hebben aan diagnoses en behandeling en dat derhalve gerichte onderzoeksfinanciering van translationeel en klinisch onderzoek en daaruit voortvloeiende doorslaggevende studies nodig zijn; herinnert eraan dat vrouwen aanzienlijk vaker last hebben van PASC en dat alle leeftijdsgroepen, ook kinderen en adolescenten, worden getroffen; herinnert eraan dat PAIS ook een bedreiging vormen voor de economie, omdat langdurige ziekte mensen ervan weerhoudt terug te keren op de arbeidsmarkt en hun risico op economische tegenspoed vergroot; wijst er in het licht van toekomstige pandemieën op dat er een PAIS-strategie nodig is waarmee de dreiging van chronische ziekte na een infectie omvattend wordt aangepakt;
31. benadrukt dat auto-immuunziekten in het algemeen slecht worden begrepen(35) en dat PAIS ook grotendeels worden genegeerd(36); merkt op dat het DNA-aptameer-geneesmiddel BC 007 auto-immuniteit aanpakt en succesvol was bij het genezen van long covid in een klein onderzoek aan het universitair ziekenhuis van Erlangen, en dat BC 007 een hoge affiniteit heeft met G-proteïnegekoppelde receptorbindende autoantilichamen, met het effect dat deze autoantilichamen worden geneutraliseerd(37); herinnert eraan dat financiering voor de klinische proeven van fase II(b) ontbreekt;
32. benadrukt dat wetenschappelijk onderzoek en innovatie – naast andere zaken – de ontwikkeling en verspreiding van COVID-19-vaccins in recordtijd mogelijk hebben gemaakt, waardoor wereldwijd miljoenen levens zijn gered;
33. merkt op dat het essentieel is dat de Unie anticiperend onderzoek doet naar mogelijke huidige en toekomstige bedreigingen, zoals chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico’s, waar we ons terdege op moeten voorbereiden;
34. bevestigt dat de COVID-19-pandemie ook is overwonnen dankzij innovatie, de wetenschap die ervoor heeft gezorgd dat er vaccins beschikbaar waren en de enorme collectieve intelligentie die gezondheidswerkers in de hele EU aan de dag hebben gelegd;
35. wijst erop dat een verenigd en gecoördineerd Europees gezondheidsbeleid een factor kan zijn die bijdraagt aan het aanpakken van de verspreiding van onjuiste gezondheidsinformatie;
36. benadrukt dat door het ontbreken van een eensgezind en gecoördineerd Europees gezondheidsbeleid te veel ruimte is opengelaten voor tal van niet-wetenschappelijke actoren die de media hebben gevoed met gevaarlijke, valse informatie;
37. wijst erop dat Europa toekomstige bedreigingen voor de volksgezondheid alleen het hoofd kan bieden als de lidstaten solidair zijn, verantwoordelijkheid nemen en gebruikmaken van de aanwezige instrumenten van de eengemaakte markt om de paraatheid bij en het beheer van pandemieën beter te coördineren, en zij de benodigde meerwaarde biedt aan de EU-regeringen en hun burgers;
38. benadrukt in dit verband dat de EU met betrekking tot crisisbestrijdingsmaatregelen betere praktijken moet ontwikkelen op het gebied van transparantie en democratische verantwoording, om de steun en het vertrouwen van de burgers te versterken;
39. herinnert eraan dat toekomstige bedreigingen van de volksgezondheid meestal transnationaal van aard zullen zijn en dat er derhalve een analyse nodig is van de verdeling van de desbetreffende bevoegdheden uit hoofde van de geldende verdragen, en mogelijk ook hervormingen die moeten worden doorgevoerd om de burgers en samenlevingen van de EU beter te beschermen;
40. benadrukt het belang van besluitvorming op basis van wetenschappelijk bewijs en van consistente, aangepaste en gecoördineerde communicatie, waarin rekening wordt gehouden met de verschillende niveaus van gezondheidswijsheid die burgers en bedrijven hebben van alle betrokken belanghebbenden, waaronder de EU-instellingen en de overheidsinstanties van de lidstaten, de wetenschappelijke wereld, de particuliere sector en maatschappelijke organisaties, zoals vertegenwoordigers van gezondheidswerkers en patiëntenorganisaties benadrukt dat de EU‑governance moet waarborgen dat alle relevante belanghebbenden worden geraadpleegd en steunt de oprichting van adviescomités op EU- en nationaal niveau ter ondersteuning van het besluitvormingsproces voor elk beleid; benadrukt dat er verschillende communicatiemiddelen nodig zijn, waarin rekening wordt gehouden met de verschillende niveaus van gezondheidswijsheid bij burgers en bedrijven;
41. stelt met bezorgdheid vast dat aan overheidsinvesteringen in COVID-19-vaccins en in de ontwikkeling van geneesmiddelen geen voorwaarden zijn verbonden die een groter rendement op de overheidsinvesteringen mogelijk zouden hebben gemaakt;
42. roept de EU op voort te gaan op de weg naar een Europese gezondheidsunie die een echte meerwaarde biedt aan de governance inzake gezondheid van de lidstaten, met name op gebieden die niet door de lidstaten alleen kunnen worden bestreken, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten op dit gebied, overeenkomstig de aanbevelingen over volksgezondheid die de burgers hebben gedaan in het verslag over het eindresultaat van de Conferentie over de toekomst van Europa; benadrukt dat de toekomstige Europese gezondheidsunie de EU en de lidstaten in staat moet stellen toekomstige gezondheidscrises beter te voorkomen en te bestrijden en de veerkracht van de Europese gezondheidszorgstelsels te verbeteren; benadrukt in dit verband dat de paraatheid van de EU bij grensoverschrijdende bedreigingen voortdurend moet worden geëvalueerd;
43. benadrukt dat de bescherming van de gezondheid en het leven van mensen prioriteit moet hebben bij elk beleidsbesluit van de overheid; erkent dat de meerderheid van de tijdens de pandemie genomen maatregelen bedoeld was om het recht op gezondheid en leven te beschermen, maar dat sommige maatregelen niettemin negatieve gevolgen hadden voor andere grondrechten;
44. benadrukt dat de grondrechten te allen tijde grondwettelijk worden beschermd, zelfs in noodgevallen; benadrukt dat, omdat de crisis ongekend en levensbedreigend was, de regeringen snel en met zeer weinig voorbereiding moesten optreden;
45. dringt erop aan dat het maatschappelijk middenveld, met name verenigingen en netwerken die gespecialiseerd zijn in grondrechten, waar nodig wordt betrokken bij de ondersteuning van overheidsinstanties in tijden van crisis om de beleidsvorming beter af te stemmen op de eerbiediging van de rechten van mensen;
46. merkt op dat de wetgevende en controlerende rol van de nationale parlementen in sommige lidstaten is ondermijnd, onder meer door de delegatie van wetgevende bevoegdheden aan de uitvoerende macht en de toepassing van spoedeisende en versnelde wetgevingsprocedures, en dat dergelijke besluiten naar behoren moeten worden gecontroleerd om ervoor te zorgen dat zij aan de democratische normen voldoen;
47. is ingenomen met de inspanningen van de EU om oplossingen voor de wereldwijde toegang tot vaccins en geneesmiddelen tijdens de pandemie te intensiveren door middel van samenwerkingsinitiatieven zoals de Access to COVID-19 Tools Accelerator en Covax, maar erkent dat de EU veel meer als mondiale leider moet optreden om ervoor te zorgen dat zij een centrale rol speelt bij de preventie van, de paraatheid bij en de respons op toekomstige gezondheidsbedreigingen;
48. benadrukt dat er meer wereldwijde diversiteit nodig is bij de productie en levering van gezondheidsproducten en bij maatregelen ter bestrijding van pandemieën om schaarste van het aanbod aan en mondiale ongelijkheid bij de toegang tot deze producten te voorkomen en te verminderen;
49. is ingenomen met de ambitie van de EU om de soevereiniteit op gezondheidsgebied in Afrika te helpen bevorderen en de productie van vaccins in Afrika en Latijns-Amerika te ondersteunen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan deze ambities waar te maken door te zorgen voor een volledige technologieoverdracht aan lokale producenten en door te voorzien in mechanismen en financiering voor hun financiële duurzaamheid op lange termijn;
50. stelt met bezorgdheid vast dat Covax tot doel had in 2021 2 miljard doses te kopen en te leveren, maar dat aan het eind van dat jaar minder dan 1 miljard doses waren geleverd, waarvan meer dan 40 % werd gedoneerd;
51. stelt met bezorgdheid vast dat de Access to COVID-19 Tools Accelerator tussen 2020 en 2022 slechts 150 miljoen COVID-19-tests heeft geleverd, ofwel 3 % van de 4,8 miljard tests die nodig waren om de doelstelling van 100 tests per 100 000 personen per dag te halen;
1.Gezondheid
(a) Bouwen aan de Europese gezondheidsunie voor de preventie van, paraatheid bij en respons op grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen
(i) Preventie van, paraatheid bij en respons op grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen in de EU
52. is van mening dat gezondheidsbevordering en de preventie van, paraatheid bij en respons op bestaande en toekomstige grensoverschrijdende bedreigingen van de volksgezondheid de fundamenten moeten vormen van de Europese gezondheidsunie, teneinde de veerkracht, de kwaliteit en de gelijke toegang tot de gezondheidszorgstelsels in de EU voor iedereen te versterken, ook voor laag- of middeninkomenslanden buiten de EU en landen in het Globale Zuiden, en beter voorbereid te zijn in geval van een nieuwe pandemie of andere grootschalige gezondheidscrises;
53. herinnert eraan dat op nationaal en regionaal niveau voldoende investeren in openbare gezondheidszorgstelsels en -diensten, met inbegrip van het duurzaam financieren van nationaal immunisatiebeleid, en zorgen voor gelijke toegang tot die diensten, verbeteren van de integratie en coördinatie met betrekking tot gedeelde uitdagingen op het gebied van gezondheidszorg en opzetten van gezamenlijke aankoopregelingen voor vaccins en behandelingen om een eerlijke verdeling daarvan te waarborgen, een prioriteit moet zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken;
54. merkt op dat een van de belangrijkste door de wetenschappelijke gemeenschap ondersteunde hypotheses over de oorsprong van de COVID-19-pandemie is dat het virus is ontstaan als een zoönotische overdracht; erkent dat de meest doeltreffende en kosteneffectieve manier om pandemieën van zoönotische oorsprong te voorkomen er in de eerste plaats uit bestaat om, indien mogelijk, te voorkomen dat ziekteverwekkers naar mensen, in het wild levende dieren en andere dieren worden overgedragen; beveelt derhalve aan dat de “één gezondheid”-benadering wordt uitgevoerd door middel van overheidsbeleid, wetgeving en onderzoek, waarbij meerdere sectoren worden betrokken(38);
55. betreurt dat de meeste lidstaten de afgelopen decennia hebben bezuinigd op de uitgaven voor volksgezondheid; benadrukt dat deze bezuinigingen ertoe hebben bijgedragen dat de volksgezondheidsautoriteiten er niet in zijn geslaagd COVID-19 in een vroeg stadium op te sporen, waardoor zij er later niet toe in staat waren de pandemie met de juiste instrumenten en middelen te bestrijden, toen dat het hardst nodig was;
56. verzoekt de lidstaten meer te investeren in eerstelijnsgezondheidszorg en in de integratie van sociale en medische aspecten, onder meer door ten volle gebruik te maken van het EU4Health-programma en tegelijkertijd de uitdagingen in verband met dit fonds aan te pakken, teneinde de capaciteit en de flexibiliteit van de openbare gezondheidsdiensten te vergroten;
57. dringt erop aan dat de organisatie van de gezondheidszorg wordt geoptimaliseerd om een te grote druk op ziekenhuizen of hulpdiensten te voorkomen, met name in tijden van crisis;
58. dringt er bij de lidstaten op aan een crisisbeheersingsplan voor de volksgezondheid te ontwikkelen en stelt voor gebruik te maken van financiële instrumenten, zoals de herstel- en veerkrachtfaciliteit of het Cohesiefonds, en te investeren in een preventieve aanpak ten aanzien van gezondheid, gezondheidswerkers en onderwijs;
59. herinnert eraan hoe moeilijk het tijdens de eerste golven van de pandemie was om toegang te krijgen tot diagnostische tests, zoals polymerasekettingreactietests (PCR-tests), zodat het niet mogelijk was te bevestigen of er sprake was van besmetting, hetgeen leidde tot de gedwongen verlenging van de isolatieperiode van mensen die in contact waren geweest met personen die positief testten of symptomen vertoonden;
60. dringt aan op het overwegen van maatregelen, zoals het gebruik van geavanceerde test- en screeningstechnologieën voor vroegtijdige diagnose, aangezien deze de relevante kennis in verschillende sectoren van de gezondheidszorgstelsels zouden vergroten;
61. is ingenomen met de aanstaande oprichting van een Europees netwerk van referentielaboratoria om de nationale referentielaboratoria te ondersteunen, goede praktijken te bevorderen en de lidstaten aan te moedigen op vrijwillige basis op één lijn te komen wat betreft diagnostiek, testmethoden en het bewaken, melden en rapporteren van ziekte;
62. dringt er bij de Commissie en de Raad op aan aanbevelingen te doen voor nationale screeningsregelingen en programma’s die voor alle patiënten toegankelijk zijn;
63. benadrukt dat eerstelijnszorgverleners meer middelen moeten krijgen en verzoekt de lidstaten programma’s voor een leven lang leren uit te voeren, zoals vereist door de desbetreffende EU-wetgeving, om ervoor te zorgen dat hun vaardigheden relevant blijven en zij in staat zijn doeltreffend te reageren op volksgezondheidscrises; roept de EU en haar lidstaten op om de eerstelijnszorg adequaat te financieren en voor iedereen toegankelijk te maken;
64. is ingenomen met het feit dat de Commissie, in samenwerking met deskundigen uit de lidstaten, in een vroeg stadium wetenschappelijke adviesbronnen heeft opgezet, zoals het wetenschappelijk adviesplatform voor COVID-19, die hebben bijgedragen tot een gecoördineerde beleidsvorming; benadrukt het belang van multidisciplinair wetenschappelijk advies voor goede beleidsvorming;
65. herinnert eraan dat in Verordening (EU) 2022/2371 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen is bepaald dat de lidstaten aan de Commissie de recentste stand van zaken moeten meedelen met betrekking tot hun preventie-, paraatheids- en responsplanning en de uitvoering op nationaal niveau; verzoekt de lidstaten met spoed stresstests op hun gezondheidszorgstelsels uit te voeren om zwakke punten in kaart te brengen en na te gaan of zij voorbereid zijn op een mogelijke heropflakkering van COVID-19 en op eventuele andere gezondheidscrises in de toekomst;
66. benadrukt dat de lidstaten en de EU-instellingen in crisissituaties en daarbuiten op gecoördineerde en multidisciplinaire wijze wetenschappelijke deskundigheid moeten mobiliseren via gevestigde of wettelijk voorziene kanalen en structuren, afhankelijk van de aard van de vastgestelde bedreiging of de voor te bereiden maatregel, en dat de bijbehorende beoordeling door deskundigen moet worden ontwikkeld volgens een volledig transparant proces en gebaseerd moet zijn op de beginselen van uitmuntendheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en transparantie;
67. benadrukt dat deskundigen die in dit verband worden geraadpleegd geen financiële of andere belangen mogen hebben die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid, en dat zij een verklaring moeten afleggen over hun financiële en andere belangen, en deze in overeenstemming met de procedures waarin op het niveau van de lidstaten of de EU is voorzien jaarlijks en telkens wanneer dat nodig is, moeten actualiseren; is van mening dat deskundigen tevens alle feiten bekend moeten maken waarvan zij kennis hebben gekregen tijdens hun betrokkenheid bij die procedures en waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat deze een belangenconflict vormen of daartoe aanleiding geven;
68. verzoekt de Commissie een vooronderzoek uit te voeren naar het aantrekken van overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling op gezondheidsgebied in de EU, teneinde voor betere toegang tot betaalbar medisch materiaal te zorgen en een dynamisch en goed gefinancierd ecosysteem voor onderzoek tot stand te brengen;
(ii) De rol van de verordening inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de Autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied (HERA)
69. erkent de goedkeuring van Verordening (EU) 2022/2371 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, Verordening (EU) 2022/123 betreffende een grotere rol van het Europees Geneesmiddelenbureau, Verordening (EU) 2022/2370 ter versterking van het mandaat van het ECDC(39), en de oprichting van HERA als voorbeelden van belangrijke EU-instrumenten die de EU in staat zullen stellen veerkrachtiger en doeltreffender te worden naarmate we toewerken naar een duurzamere en op één gezondheid gerichte benadering met betrekking tot de preventie van, de voorbereiding op en het beheer van eventuele noodsituaties op gezondheidsgebied in de toekomst;
70. dringt aan op meer coördinatie tussen EMA, HERA, ECDC en de nationale bevoegde autoriteiten, in samenwerking met de sector, om de opschaling van de productie tijdens noodsituaties op gezondheidsgebied mogelijk te maken;
71. moedigt ertoe aan de balans op te maken van de coördinatie tussen de lidstaten en de relevante instanties of organen van de Unie, onderzoeksinfrastructuren en de WHO, in overeenstemming met de internationale gezondheidsvoorschriften; dringt erop aan dat de EU beter in staat wordt gesteld om op dit gebied homogene strategieën te ontwikkelen en te coördineren door ten volle gebruik te maken van de huidige bevoegdheden waarin de Verdragen voorzien, en om mogelijke hervormingen in het belang van de burgers te onderzoeken;
72. erkent de oprichting van HERA als een hoognodig orgaan om de paraatheid van de EU bij gezondheidscrises te verbeteren door de beschikbaarheid van en gelijke toegang tot medische tegenmaatregelen te waarborgen en door bij te dragen aan het voorkomen van, voorbereiden op, opsporen van en snel reageren op gezondheidscrises; benadrukt niettemin dat HERA, om haar mandaat te kunnen vervullen en haar doelstellingen te verwezenlijken, een onafhankelijk EU-agentschap moet worden met voldoende financiering; is van mening dat als HERA wordt opgewaardeerd tot een zelfstandig agentschap, dit de mate van transparantie en democratische controle ten goede zou komen;
73. is van mening dat HERA zou kunnen bijdragen aan het anticiperen op, stimuleren van en meewerken aan de ontwikkeling van een snelle, gelijke en duurzame toegang tot medisch materiaal tijdens en na een crisis; benadrukt dat grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen een internationale respons vereisen en dat HERA, samen met andere directoraten van de Commissie, om die reden moet worden uitgerust met de benodigde juridische en financiële instrumenten om volledige technologieoverdracht te waarborgen, ook aan producenten in laag- en middeninkomenslanden;
74. betreurt ten zeerste dat voor de oprichting van HERA artikel 122 VWEU is gebruikt, en dat het Parlement buiten het instellen van dit belangrijke onderdeel van de Europese gezondheidsunie is gehouden;
75. wijst erop dat het Parlement controlebevoegdheden moet hebben over en de mogelijkheid om toezicht te houden op HERA, om aldus bij te dragenaan verantwoordingsplicht en transparantie; wijst er nogmaals op stelt voor dat het noodzakelijk is het Parlement als waarnemer uit te nodigen wordt uitgenodigd in de Raad voor gezondheidscrises die krachtens Verordening (EU) 2022/2372 van de Raad zal worden opgericht;
76. herinnert eraan dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2024 een evaluatie moet uitvoeren om de uitvoering van Verordening (EU) 2022/2371 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen door HERA te beoordelen, alsook een beoordeling van de noodzaak om HERA op te richten als een afzonderlijke entiteit;
77. ziet uit naar de opstelling van een memorandum van overeenstemming tussen het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid, HERA en andere instanties en organen van de Unie, en naar hun evaluatie of beoordeling, zodra HERA een volwaardig agentschap wordt;
78. wijst erop hoe belangrijk het is om extra productiecapaciteit voor vaccins en geneesmiddelen beschikbaar te houden in Europa en is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor het EU FAB-project, een netwerk van permanent beschikbare productiecapaciteit voor de productie van vaccins en geneesmiddelen dat bij toekomstige gezondheidscrises en tekorten aan essentiële geneesmiddelen kan worden geactiveerd, als antwoord op de noodzaak voor de EU om haar industriële upstream- en downstreamproductieactiviteiten met betrekking tot de gediversifieerde productie van vaccins en vaccintechnologie voor API’s, geneesmiddelen, vaccins, medisch materiaal en andere therapeutische oplossingen in alle stadia van het proces te versterken;
79. wijst erop dat het Parlement in zijn resolutie over het tekort aan geneesmiddelen(40) de Commissie en de lidstaten heeft verzocht de mogelijkheid te onderzoeken om een of meer Europese farmaceutische instellingen zonder winstoogmerk op te richten die, wanneer er geen bestaande industriële productie is, in het algemeen belang zouden werken door geneesmiddelen te produceren, zodat de voorzieningszekerheid kan worden gewaarborgd en eventuele tekorten aan medicijnen in geval van een noodsituatie kunnen worden voorkomen;
80. verzoekt de Commissie om, in samenwerking met het Parlement, een centrale rol te spelen in de samenwerking tussen alle relevante actoren bij het vaststellen van medische behoeften en bij het bepalen van onderzoeksprioriteiten; is van mening dat deze partnerschappen van groot belang zijn om sneller te kunnen reageren op pandemieën en gezondheidsbedreigingen, terwijl een veilige capaciteit wordt behouden; benadrukt dat partnerschappen met de particuliere sector moeten worden gestuurd en afgestemd op het algemeen belang en dat het rendement van overheidssteun voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) moet worden gewaarborgd;
81. stelt vast dat de ongekende, dringende vraag naar geneesmiddelen en medische tegenmaatregelen tijdens de COVID-19-pandemie de middelen van het EMA en de nationale bevoegde autoriteiten op de proef heeft gesteld en ad-hocmaatregelen noodzakelijk heeft gemaakt;
82. erkent de cruciale rol van het EMA bij de uitvoering van maatregelen om flexibele en snelle regelgevingsprocessen mogelijk te maken en tegelijkertijd de veiligheid en doeltreffendheid van vaccins en medisch materiaal te waarborgen, alsmede zijn werkzaamheden op het gebied van geneesmiddelenbewaking, snelle verstrekking van wetenschappelijk advies, doorlopende evaluatie en voorwaardelijke vergunningen voor het in de handel brengen; benadrukt het potentieel en de toegevoegde waarde van deze aanpak tijdens de pandemie, met inbegrip van de doorlopende evaluatie;
83. verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan of een soortgelijke aanpak ook kan worden toegepast in andere situaties dan pandemieën en ten behoeve van een grotere harmonisatie van de regelgevingsprocedures, met inbegrip van snellere goedkeuringstermijnen en lagere kosten, waarbij de patiëntveiligheid wordt gewaarborgd; benadrukt dat dit medisch materiaal uiteindelijk een volwaardige vergunning voor het in de handel brengen moeten verkrijgen om waarborgen inzake veiligheid en doeltreffendheid te handhaven;
84. beveelt aan de besluiten van het EMA inzake de goedkeuring van vaccins en medisch materiaal in geval van een crisis rechtstreeks toepasselijk te maken in de lidstaten;
85. is van mening dat een goed personeelsbestand voor alle regelgevende agentschappen een eerste vereiste is om snelheid en flexibiliteit mogelijk te maken en verzoekt de Commissie en de lidstaten meer te investeren in de middelen van het EMA en de nationale geneesmiddelenbureaus, teneinde hun capaciteit te vergroten;
86. beveelt aan dat HERA in het kader van haar activiteiten krachtige mechanismen voor de betrokkenheid van belanghebbenden invoert, vergelijkbaar met die welke door het EMA zijn vastgesteld, om ervoor te zorgen dat toekomstige noodplannen voor pandemieën goed worden onderzocht en dat onvoorziene gevolgen voor andere aandoeningen waar mogelijk worden voorkomen;
87. roept op tot meer Europese coördinatie voor tijdige epidemiologische prognose en surveillance onder leiding van het ECDC, in samenwerking met EMA, HERA en de lidstaten, en tot het uitvoeren van studies naar het gebruik van bestaande geneesmiddelen voor nieuwe ziekten, waardoor de algehele paraatheid van de EU wordt verbeterd;
88. neemt er met waardering kennis van dat de taskforce voor noodsituaties van het EMA in het kader van zijn nieuwe mandaat de activiteiten van zijn taskforce COVID-19-pandemie heeft overgenomen en een permanent orgaan van het EMA is geworden, waardoor de interactie met de Commissie, de ontwikkelaars van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen en academici, alsook de coördinatie met andere EU-agentschappen, zijn verbeterd;
89. merkt op dat de Commissie, na ontvangst van de aanbeveling van het EMA en na overleg met de EU-lidstaten, een voorwaardelijke marktvergunning heeft verleend voor vaccins voor COVID-19 op basis van het feit dat de voordelen van de vaccins veel groter waren dan de potentiële risico’s ervan, en met verplichte, strikte waarborgen en controles na de goedkeuring; herinnert eraan dat de snelle beschikbaarheid van vaccins op de markt, aangevuld met het gebruik van voorwaardelijke vergunningen voor het in de handel brengen, heeft bijgedragen tot een opmerkelijke daling van het aantal sterfgevallen en ziekenhuisopnamen in de EU, alsook tot een algemene bescherming tegen de ernstigste gevolgen van COVID-19;
90. benadrukt dat voorwaardelijke marktvergunningen een geschikt instrument zijn om in een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid, zoals de COVID-19-pandemie, sneller een vergunning voor een vaccin te verlenen; herinnert eraan dat de voorwaardelijke vergunning in de tijd beperkt moet zijn en dat ondernemingen een reguliere vergunning moeten aanvragen;
91. verzoekt de Commissie, EMA en de bevoegde autoriteiten om te profiteren van alle pragmatische inspanningen die zijn geleverd tijdens de COVID-19-crisis, met name op het gebied van flexibiliteit in de regelgeving, waardoor tekorten aan geneesmiddelen beter kunnen worden aangepakt, onder meer in noodsituaties; steunt het gebruik, waar nodig, van deze procedure voor het in de handel brengen van geneesmiddelen van groot therapeutisch belang in tijden van crisis en daarna;
92. merkt op dat de lidstaten en de EU-instellingen de ernst van de opkomende COVID-19-pandemie niet tijdig hebben opgemerkt en dat de vertraging in de communicatie en de trage reactie ertoe hebben geleid dat de verspreiding van de ziekte zich tot een pandemie heeft ontwikkeld;
93. is van mening dat dit onder andere een gevolg is geweest van het gebrek aan gegevensuitwisseling door de Chinese autoriteiten, een gebrek aan tijdige gegevensuitwisseling door de lidstaten en een gebrek aan adequate financiering en middelen voor surveillance op de volksgezondheid, paraatheid bij een pandemie en epidemiologie;
94. dringt, om overlappende bevoegdheden te voorkomen, aan op meer duidelijkheid over de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen het ECDC en HERA met betrekking tot surveillance bij een pandemie;
95. steunt het uitgebreide mandaat van het ECDC, omdat dit voorziet in meer middelen en aanvullende bevoegdheidsgebieden om betere monitoring van ziekten in de EU mogelijk te maken, de Europese preventie, paraatheid en respons te verbeteren en het effect van overdraagbare ziekten op ernstige niet-overdraagbare ziekten te monitoren;
(iii) EU-strategieën inzake vaccins en geneesmiddelen
96. bevestigt nogmaals dat de vaccinatiestrategie van de EU een succes is geweest en dat het voorkomen van ernstige ziekte, sterfte en morbiditeit het belangrijkste doel en resultaat van de huidige generatie SARS-CoV-2-vaccins is; erkent dat de door het EMA toegelaten vaccins in dit opzicht doeltreffend zijn, zoals het COVID-19-vaccinatieproces heeft aangetoond; benadrukt dat tijdige vaccinaties ongeveer 250 000 levens hebben gered(41) en gevallen van long covid in de EU hebben voorkomen;
97. herinnert aan het belang van gezondheidswijsheid en gezondheidseducatie bij het voorkomen van, het zich voorbereiden op en het reageren op gezondheidsbedreigingen en dat dit bijdraagt tot een beter begrip bij de bevolking van de tegenmaatregelen voor en de risicobeoordeling van verschillende bedreigingen; benadrukt dat gezondheidsvoorlichtingscampagnes op basis van de meest recente wetenschappelijke kennis het gedrag van de bevolking in dit opzicht zouden kunnen helpen verbeteren en rekening zouden moeten houden met mensen die uitsluiting ondervinden en met de behoeften van mensen met leerstoornissen; benadrukt dat bij alle inspanningen ter verbetering van gezondheidswijsheid, met inbegrip van digitale geletterdheid, rekening moet worden gehouden met mensen die uitsluiting ondervinden en met de behoeften van mensen met leerstoornissen; beklemtoont dat rekening moet worden gehouden met ongelijkheden op het gebied van kennis van, toegang tot en gebruik van IT-technologieën, alsook met regionale, nationale, sociale en economische verschillen;
98. is van mening dat onderzoekers met ongekende snelheid een doeltreffende vaccinbescherming hebben ontwikkeld, en dat de EU leiderschap heeft getoond in de wereldwijde reactie op de COVID-19-pandemie;
99. benadrukt dat de ontwikkeling en toepassing van een gevarieerd aanbod aan COVID-19-vaccins, bestaande uit meerdere platforms om verschillende virusvarianten aan te pakken en betere resultaten voor patiënten te bereiken, een doorbraak in de bestrijding van de pandemie vormde, die de beste keuze voor elke patiënt mogelijk maakte en het vertrouwen van het publiek in vaccinatie vergrootte, en de belangrijke rol van door overheidssubsidies gestimuleerd onderzoek naar en ontwikkeling van vaccins onderstreepte;
100. benadrukt dat de snelle respons het resultaat was van tientallen jaren overheidsinvesteringen in en bevindingen uit onderzoek naar infectieziekten, zoals hiv en tuberculose, en van de capaciteit om de productie op te voeren; beveelt aan om in de toekomst aan overheidsfinanciering betere voorwaarden te verbinden met betrekking tot transparantienormen inzake het gebruik van overheidsmiddelen, de overdracht van knowhow en betaalbaarheid;
101. wijst erop dat de herziening van de geneesmiddelenwetgeving van de EU ervoor moet zorgen dat Europa een aantrekkelijke bestemming blijft voor investeringen in onderzoek en innovatie en een ondernemingsklimaat tot stand moet brengen waarin de farmaceutische industrie werkt in het belang van patiënten en burgers; spreekt nogmaals zijn overtuiging uit dat deze efficiëntie al verbeterd had kunnen zijn als de Unie minder afhankelijk zou zijn van bepaalde essentiële geneesmiddelen en medisch materiaal;
102. erkent de fundamentele rol van testen om de verspreiding van het virus tegen te gaan; wijst er nogmaals op dat het aanleggen van voorraden van testmateriaal en reagentia een noodzaak is; vindt het belangrijk om te investeren in innovatieve technieken om SARS-CoV2 en andere virussen op te sporen;
103. is ingenomen met de EU-strategie voor COVID-19-geneesmiddelen; benadrukt dat geneesmiddelen een aanvulling vormen op vaccins en met name gunstig zijn voor de bescherming van mensen met immunodeficiëntie en andere groepen met een lagere vaccinefficiëntie;
104. wijst op het belang van voortdurende monitoring en beoordeling van COVID-19-vaccins door EMA en de lidstaten, met inbegrip van het opsporen van mogelijke bijwerkingen; moedigt ertoe aan eenvoudige manieren om bijwerkingen te melden te creëren en informatie over monitoringresultaten regelmatig te publiceren;
105. benadrukt dat Europa toekomstige pandemieën alleen het hoofd kan bieden als de Europese familie solidair en verantwoordelijk is en haar capaciteiten ten volle benut om beter te coördineren en de EU-regeringen en hun burgers de nodige meerwaarde te bieden, door middel van een betere samenwerking met de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee die vaak worden blootgesteld aan specifieke ziekten en zoönosen, en die over kennis beschikken die het onderzoek op dit terrein verder kan helpen;
106. wijst op de noodzaak van een uitgebreid overzicht van de ontwikkeling van COVID-19 in verschillende delen van de wereld, zoals de ultraperifere gebieden, om de verschillen als gevolg van tropische klimaten beter in kaart te brengen en aan te pakken; erkent dat het belangrijk is om rekening te houden met de ervaringen en kennis van de ultraperifere gebieden op het gebied van infectieziekten en zoönose; benadrukt de behoefte aan een netwerk van deskundigen in de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee voor betere anticipatie en medische kennis in alle omgevingen;
107. wijst erop dat de ultraperifere gebieden economisch meer getroffen zijn door opeenvolgende beperkingen, met name vanwege hun geografische afgelegenheid en hun grote afhankelijkheid van de levering van basisbehoeften; voegt toe dat de sluiting van havens en de beperkingen op vracht bijzonder negatieve gevolgen hebben gehad voor al deze gebiedsdelen en hebben geleid tot een aanzienlijke stijging van de kosten voor het levensonderhoud; beveelt aan om in de toekomst een minimumdienst in te voeren om de aanvoer van grondstoffen en essentiële verbruiksgoederen naar deze grondgebieden te waarborgen, in overeenstemming met artikel 349 VWEU;
108. benadrukt de noodzaak van betere samenwerking met deskundigen uit de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee op het gebied van het beheren en behandelen van tropische ziekten, zoals dengue, chikungunya of zika, die bovenop COVID-19 ook nog collaterale schade veroorzaken;
109. merkt op dat de vaccinatiestrategie, niet alleen voor COVID-19, een nationale bevoegdheid blijft en dringt aan op een sterkere coördinerende rol voor de EU om het tijdschema, het toepassingsgebied en de resultaten van de vaccinatie in alle lidstaten te harmoniseren; erkent vaccinatie als een belangrijke pijler van veerkrachtige gezondheidszorgstelsels, maatschappelijk welzijn en een gezonde economie;
110. benadrukt het belang van de aanpak van overdraagbare ziekten als grensoverschrijdende bedreiging voor de volksgezondheid, waarbij gemeenschappelijke doelstellingen en minimumnormen voor vaccinatiecampagnes nodig zijn teneinde de grote verschillen in vaccinatiegraad tussen en binnen de lidstaten weg te werken en de aarzelende houding ten aanzien van vaccinatie te verminderen;
111. neemt met bezorgdheid kennis van de overdracht van financiële risico’s in verband met de aansprakelijkheid voor ernstige bijwerkingen van COVID-19-vaccins aan de lidstaten en van het risico dat dit een gangbare praktijk wordt; benadrukt dat voor pandemieën en door de overheid aangekochte vaccins de standaardregels voor de aansprakelijkheid voor geneesmiddelen moeten worden gehandhaafd; dringt er bij de Commissie en HERA op aan ervoor te zorgen dat de productaansprakelijkheid bij fabrikanten blijft;
112. verzoekt de Commissie zo nodig gemeenschappelijke Europese vaccinatieschema’s voor overdraagbare infecties te overwegen; beveelt duurzame financiering aan voor nationaal immunisatiebeleid om een rechtvaardige toegang tot vaccinatiediensten te waarborgen; erkent dat er beleidsmaatregelen moeten worden ontwikkeld om bevolkingsgroepen met immunodeficiëntie te beschermen;
113. erkent dat de daling van het vertrouwen in vaccins in veel Europese landen een zorgwekkende trend is; verzoekt de Commissie en de lidstaten van de EU de twijfels over vaccins weg te nemen en misinformatie aan te pakken door de voorlichting en educatie van het publiek te bevorderen door middel van een duidelijk en transparant communicatieplan waarbij gebruik wordt gemaakt van digitale technologieën;
114. betreurt dat de Unie de uitvoering van de vaccinatiecampagne niet vergezeld heeft doen gaan van een krachtige bewustmakingscampagne over de voordelen van vaccinatie; roept de Unie op om misinformatie en buitenlandse inmenging in de vaccinatiestrategie van de EU doeltreffender te bestrijden;
115. benadrukt dat de COVID-19-vaccins miljoenen doden(42) en ernstige klinische ziekte hebben voorkomen; verzoekt de Unie en haar lidstaten transparant over bijwerkingen te communiceren; is van mening dat volledige transparantie, billijkheid en solidariteit zal leiden tot vertrouwen in vaccinatie;
(iv) Veerkracht, toegankelijkheid en duurzaamheid van de nationale gezondheidszorgstelsels
116. merkt op dat de gezondheidszorgstelsels en -diensten van veel lidstaten aan het begin van de pandemie niet voorbereid waren op de omvang van een dergelijke crisis; wijst erop dat bezuinigingen op de openbare gezondheidszorgstelsels, met name op apparatuur, personeel en faciliteiten, tot de belangrijkste oorzaken behoorden van het feit dat de lidstaten onvoldoende waren voorbereid op de COVID-19-pandemie; benadrukt dat de veerkracht en duurzaamheid van nationale gezondheidszorgstelsels moeten worden bevorderd door te investeren in de volksgezondheid;
117. benadrukt dat de lidstaten, hoewel de gevolgen van de pandemie in elke lidstaat anders waren, op gemeenschappelijke belemmeringen stuitten, onder meer op het gebied van nationale coördinatie, samenwerking met deskundigen, financiering van onderzoek, uitwisseling van gegevens en samenwerking en solidariteit binnen de lidstaten; benadrukt bovendien dat gemeenschappelijke uitdagingen te maken hadden met een plotselinge toename van de vraag naar gezondheidszorg, tekorten aan bedden op intensivecareafdelingen, personeelstekorten, een gebrek aan paraatheidsplannen, onduidelijke governancestructuren, onvoldoende strategische voorraden van persoonlijke beschermingsmiddelen, ontoereikende plannen voor de preventie en controle van infecties in zorginstellingen, algemene onrust bij het bieden van de juiste gezondheidszorg aan burgers en problemen bij het effectief communiceren met het publiek; benadrukt dat het opstellen en actualiseren van surveillance-, monitoring- en paraatheidsplannen en het vaststellen van duidelijke governancestructuren voor noodsituaties op zowel EU- als nationaal niveau prioriteit moeten krijgen; benadrukt de behoefte aan veerkrachtige ziekenhuizen en centra voor gezondheidszorg die snel en efficiënt kunnen worden omgebouwd tot voorzieningen om te helpen tijdens epidemische noodsituaties en daarbij verstoringen van de reguliere gezondheidszorg te voorkomen; benadrukt de rol die het groeiende tekort aan gezondheidswerkers, met inbegrip van de braindrain, in deze context speelt en beklemtoont dat deze trend het vermogen van bepaalde lidstaten om adequate openbare gezondheidszorg te verlenen, ondermijnt; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan concrete maatregelen te nemen om deze crisis op korte, middellange en lange termijn aan te pakken;
118. is ingenomen met de solidariteitsacties van particuliere ondernemingen om het gebrek aan persoonlijke beschermingsmiddelen, medische apparatuur en alcohol voor hygiëneproducten aan te vullen en de productie ervan te versnellen; benadrukt dat het van belang is een prioriteitenlijst op te stellen van essentiële apparatuur en benodigdheden die moeten worden opgeslagen, adequate patiëntenzorg te waarborgen en de infectierisico’s voor zorgpersoneel te minimaliseren;
119. benadrukt de waardevolle rol van openbare apotheken en erkent de buitengewone werkzaamheden en inspanningen van apothekers tijdens de eerste maanden van de pandemie, die toen in de frontlinie hebben gestaan om steun te verlenen aan burgers, in zeer moeilijke omstandigheden en vaak zonder dat zij over beschermingsmiddelen beschikten; dringt aan op meer erkenning van apotheken in plattelandsgebieden als essentiële diensten, aangezien zij deze gebieden in staat stellen hun bevolking vast te houden en zij de beschikbaarheid van geneesmiddelen waarborgen; stelt voor dat apothekers een actievere rol zouden kunnen spelen bij de epidemiologische controle om bij te dragen aan het monitoren van de opkomst van overdraagbare ziekten en niet-overdraagbare ziekten; dringt er bij de Commissie op aan de apothekerssector te betrekken bij de volksgezondheidsinitiatieven van de EU, en bij de lidstaten deze sector op te nemen in hun gezondheids-, zorg- en onderzoeksprogramma’s, aangezien deze sector een essentiële rol heeft gespeeld bij de aanpak van de pandemie door patiënten te testen, te vaccineren en advies te geven bij het eerste contact;
(v) Doeltreffendheid van het verzamelen en delen van gegevens, van de ontwikkeling van digitale gezondheidszorg en de digitalisering van gezondheidszorgstelsels (met inbegrip van de transparantie van klinische gegevens), en van de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens
120. stelt vast dat de surveillancediensten niet geschikt waren voor hun doel en dat er speciale systemen moeten worden opgezet voor de nieuwe SARS-CoV-2-pathogenen; is in dit verband ingenomen met het uitgebreide mandaat van het ECDC, dat de monitoring van ziekten in de EU moet verbeteren;
121. is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens, aangezien de EU tijdens de pandemie niet beschikte over een doeltreffend mechanisme voor het verzamelen en uitwisselen van gegevens en voor epidemiologische verslaglegging; merkt op dat SARS-CoV-2 een belangrijke bedreiging voor de volksgezondheid blijft vormen en benadrukt de noodzaak van voortdurende surveillance en het verzamelen en uitwisselen van gegevens, onder meer door het opzetten van waarschuwingssystemen voor komende pandemieën in de EU-lidstaten;
122. is van mening dat de EU behoefte heeft aan verdere vereenvoudiging van de regelgeving waar dit passend is, aan de coördinatie en versnelling van klinische proeven op EU-niveau en aan de digitalisering van de gezondheidszorgstelsels, met volledige inachtneming van de veiligheids- en doeltreffendheidsclausules en in overeenstemming met het algemeen belang en het rendement;
123. benadrukt dat de digitalisering van de gezondheidszorgstelsels in de hele EU dringend moet worden versneld en dat ervoor moet worden gezorgd dat alle relevante belanghebbenden, met name patiënten en gezondheidswerkers, bij het proces worden betrokken; erkent dat deze digitale transformatie ook in de klinische praktijk moet worden weerspiegeld en een bottom-up-uitvoeringsmodel moet omvatten waarbij gezondheidswerkers in de hele EU worden betrokken;
124. benadrukt het belang van statistische gegevens in medisch onderzoek, met bijzondere nadruk op de noodzaak van uitsplitsing naar geslacht en gender, van interoperabele informatiesystemen, en van de naleving van het Europese kader voor gegevensbescherming; onderkent het potentieel van het delen van gegevens van klinische proeven om de volksgezondheid en gezondheidszorgstelsels te transformeren, waarbij de privacy wordt gewaarborgd en de rechten van burgers en gezondheidswerkers worden beschermd; benadrukt in dit verband het belang van interoperabele informatiesystemen; benadrukt de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens als een belangrijk initiatief op dit gebied;
125. roept op tot samenwerking bij het opbouwen van infrastructuur voor gespreid uitgevoerde klinische proeven en tot betere coördinatie op EU-niveau, met inbegrip van het rapporteren van resultaten en het beschikbaar stellen van gegevens aan collega-onderzoekers, in overeenstemming met de EU-wetgeving; herinnert aan resolutie 72.8 van de Wereldgezondheidsvergadering(43), waarin wordt opgeroepen tot een betere verspreiding van en toegang tot de kosten van klinische proeven; benadrukt bovendien de belangrijke rol van vergelijkende klinische proeven bij het optimaliseren van gezondheidsresultaten door het vergelijken van goedgekeurde interventies; verzoekt de Commissie en EMA dan ook op om in beide opzichten stappen te ondernemen;
126. steunt het voornemen van de Commissie om in het kader van de herziening van de geneesmiddelenwetgeving de elektronische productinformatie (ePI) verder te ontwikkelen en waar nodig gedigitaliseerde en efficiënte regelgevingsprocessen te bevorderen als een van de instrumenten om eventuele geneesmiddelentekorten te beperken, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat voor alle producten altijd een papieren bijsluiter beschikbaar is; dringt er bij de Commissie op aan samen te werken met het EMA en het EU-regelgevingsnetwerk, met inbegrip van de industrie en alle relevante belanghebbenden, om het gebruik van ePI voor alle geneesmiddelen in de EU te ontwikkelen en toe te passen in alle talen van de lidstaten waar de geneesmiddelen in de handel worden gebracht;
127. wijst erop dat de nationale gezondheidszorgstelsels moeten worden voorbereid op het mogelijke gebruik van artificiële intelligentie (AI) en van informatietechnologie op dit gebied; steunt, indien nodig, de aanpassing van bestaande EU-regelgevingskaders, met inbegrip van zachte wetgeving, teneinde de nationale gezondheidszorgstelsels en de wetenschappelijke wereld in staat te stellen te profiteren van ondersteuning door AI op het gebied van klinische praktijk, behandeling, biomedisch onderzoek, volksgezondheid en gezondheidsadministratie, waarbij de veiligheid en adequate behandeling van patiënten die AI-ondersteunde gezondheidszorg ontvangen, worden gewaarborgd en ervoor wordt gezorgd dat het EU-kader voor gegevensbescherming, de grondrechten van patiënten en de non-discriminatiewetgeving worden geëerbiedigd;
128. merkt op dat instellingen en diensten voor gezondheidszorg tijdens de COVID-19-pandemie werden geconfronteerd met een verhoogde cyberdreiging; verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen en -instanties maatregelen ter verbetering van digitale netwerken in te voeren, teneinde gezondheidsinstellingen en patiënten te beschermen tegen cyberaanvallen en ervoor te zorgen dat gezondheidsgegevens worden beschermd en instellingen te allen tijde normaal kunnen functioneren, met name tijdens noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid, met inachtneming van het EU-kader voor gegevensbescherming;
129. bevestigt opnieuw dat de veiligheid van kritieke infrastructuur, zoals elektriciteitsnetten en financiële systemen, moet worden verbeterd, dat de werking ervan moet worden gewaarborgd en dat deze moet worden beschermd tegen noodsituaties, zoals cyberaanvallen; wijst op het belang van maatregelen om het bewustzijn op het gebied van cyberbeveiligingsrisico’s te vergroten en van het geven van opleiding aan individuen en organisaties over de wijze waarop zij zich kunnen beschermen, aangezien deze cyberaanvallen ook gevolgen kunnen hebben voor patiënten, ziekenhuizen en gezondheidszorgdiensten en -stelsels;
(vi) Versterking van de medewerkers in de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening in de EU om voorbereid te zijn op de volgende crisis
130. maakt zich zorgen over het feit dat investeringen in de openbare gezondheidszorg niet in alle lidstaten prioriteit hebben gekregen, hetgeen leidt tot personeelstekorten, tot algemene negatieve gevolgen op dit gebied en bijgevolg tot een geringe veerkracht van de openbare gezondheidszorgstelsels en -diensten bij eventuele nieuwe noodsituaties en de demografische transitie;
131. roept de EU op een sterkere rol te spelen bij het begeleiden, coördineren en sturen van de verbetering van de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten; merkt op dat het gebruik van nieuwe medische technologieën door zorgpersoneel de efficiëntie kan verhogen; vestigt de aandacht op het tekort aan medisch personeel en dringt aan op investeringen in de gezondheidszorg, met inbegrip van personeel, om een einde te maken aan het systematische gebruik van kortlopende contracten, om de vaardigheden van gezondheidswerkers te verbeteren en om lidstaten te ondersteunen bij het verbeteren van de arbeidsomstandigheden, met name in plattelands- en afgelegen gebieden en minder ontwikkelde regio’s; verzoekt de lidstaten daartoe ten volle gebruik te maken van het bestaande wetgevingskader en de bestaande financiële middelen van de EU teneinde de mobiliteit van gezondheidswerkers in de hele EU te bevorderen, zowel tijdens hun opleiding als tijdens hun loopbaan, onder meer via Erasmus+;
132. moedigt investeringen in gezondheids- en zorgpersoneel aan door de toegang tot onderwijs en opleiding te vereenvoudigen, de lidstaten te ondersteunen bij het verbeteren van de arbeidsomstandigheden van gezondheidswerkers en de genderbalans in dit soort werk te bevorderen, teneinde de volgende generatie gezondheidswerkers en maatschappelijk werkers aan te trekken en het tekort aan medisch en zorgpersoneel alsmede de braindrain binnen de Unie aan te pakken;
133. roept op tot voldoende investeringen in de verbetering van het aantal gezondheidswerkers en hun vaardigheden, in de hoeveelheid medische apparatuur en in het aantal ziekenhuizen, alsmede in innovatieve gezondheidstechnologieën die aan een dergelijke verbetering kunnen bijdragen; wijst op de noodzaak om verplichte modules op het gebied van crisismanagement op Europees niveau op te nemen in de opleidingsprogramma’s van beroepsbeoefenaars;
134. is van mening dat de lidstaten als onderdeel van het Europees Semester verslag moeten uitbrengen over de investeringen die zij hebben gedaan in hun gezondheidswerkers en openbare gezondheidszorgstelsels in het kader van projecten die verband houden met het gezondheidsbeleid van de EU en door de EU worden gefinancierd; is voorts van mening dat de lidstaten regelmatig verslag moeten uitbrengen over de effecten van hun investeringen op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van gezondheids- en zorgdiensten voor iedereen, alsmede op de mobiliteit van gezondheidswerkers, om beter strategieën te kunnen ontwikkelen voor het behoud van gezondheidswerkers in Europa;
135. verzoekt om een studie op EU-niveau over het loon, de omstandigheden en de factoren die leiden tot een onevenwichtige genderbalans onder gezondheidswerkers in heel Europa die kan dienen als onderbouwing voor aanbevelingen op dit gebied;
136. benadrukt het belang van het op EU-niveau monitoren en volgen van de beschikbaarheid van gezondheidswerkers in heel Europa en beveelt aan de mogelijkheden te verkennen om grensoverschrijdende herverdeling van personeel in specifiek relevante situaties (zoals grensgebieden) te vereenvoudigen en beter te organiseren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van instrumenten voor wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties; benadrukt de cruciale rol van artsen, verpleegkundigen en andere gezondheidswerkers bij het bieden van behandeling en roept op tot bredere erkenning van hun ervaring en kennis;
137. wijst erop dat veel medisch en maatschappelijk personeel heeft geleden aan COVID-19- en long covid-aandoeningen en dat zij als gevolg daarvan zijn geconfronteerd met moeilijkheden om weer volledig aan het werk te gaan; onderkent de druk op en de last voor medisch personeel tijdens de pandemie en de noodzaak om hun de nodige psychologische en professionele bijstand te verlenen; dringt erop aan dat de lidstaten krachtige en gecoördineerde maatregelen nemen om de veiligheid en gezondheid (zowel fysiek als mentaal) op het werk te beschermen, in het bijzonder tijdens en na een gezondheidscrisis; onderkent de psychosociale effecten van de COVID-19-pandemie op gezondheidswerkers;
138. wijst op de verslechterende situatie met betrekking tot de beschikbaarheid van medisch personeel voor sommige lidstaten, met name lidstaten met een lager bbp die dus minder aantrekkelijk zijn; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan concrete maatregelen te nemen om deze crisis aan te pakken;
139. herhaalt dat de EU een grotere rol moet spelen bij het sturen en oriënteren van de verbetering van de volksgezondheid, aangezien alle lidstaten volksgezondheid en sociale zorg moeten beschouwen als een prioriteit bij overheidsinvesteringen en niet als een kostenpost die tot een minimum moet worden beperkt; benadrukt dat verbetering van de gezondheid van de bevolking een strategische investering en een morele verplichting voor onze samenlevingen en economieën is en roept de EU en de lidstaten derhalve op de essentiële rol van de openbare gezondheidszorg te erkennen;
140. benadrukt de noodzaak om gezondheidswerkers gedurende hun hele beroepsleven bij te scholen en om te scholen, zoals bepaald in de relevante EU-wetgeving, teneinde beter voorbereid te zijn op mogelijke nood- en crisissituaties; verzoekt de Commissie en de desbetreffende EU-agentschappen om in nauwe samenwerking met beroepsorganisaties in de gezondheidszorg en patiëntenorganisaties gerichte opleidingsactiviteiten voor gezondheidswerkers te organiseren, onder meer op het gebied van interdisciplinaire opleidingen over “één gezondheid”; benadrukt het belang van gezamenlijke grensoverschrijdende opleidingen, de uitwisseling van beste praktijken en vertrouwdheid met de naburige gezondheidszorgstelsels in grensgebieden;
141. dringt aan op regionale samenwerking met aangrenzende lidstaten om het gebrek aan medisch personeel in geval van een grote crisis op te lossen; beveelt aan om de beschikbaarheid van gezondheidswerkers in heel Europa op EU-niveau te monitoren;
142. erkent de fundamentele rol die personeel van de civiele bescherming, brandweerlieden en wetshandhavers tijdens alle fasen van de pandemie hebben gespeeld door medische ondersteuning, bijstand bij screening, logistieke hulp, ondersteuning bij vaccinatiestrategieën en veiligheid tijdens de perioden van lockdown te bieden;
143. benadrukt dat de lonen en arbeidsomstandigheden van gezondheidswerkers factoren zijn die momenteel bijdragen aan de personeelstekorten in de EU; verzoekt de lidstaten Richtlijn (EU) 2022/2041(44) uit te voeren, waarin wordt opgeroepen tot het opstellen van nationale plannen ter verbetering van de dekking van collectieve onderhandelingen in de sector gezondheidszorg en sociale zorg;
(vii) De rol van de eerstelijnszorg bij de opbouw van veerkrachtige gezondheidszorgstelsels en -diensten
144. benadrukt het belang van eerstelijnszorg en “hulp in de nabijheid” bij de opbouw van veerkrachtige sociale en gezondheidszorgstelsels die de continuïteit van de diensten tijdens noodtoestanden faciliteren en ertoe bijdragen dat overvolle en falende ziekenhuizen worden voorkomen door de ondersteuning van essentiële lokale dienstverlening; benadrukt de vitale rol die de eerstelijns- en territoriale zorg spelen bij de monitoring en surveillance van overdraagbare ziekten en grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, door ervoor te zorgen dat diensten voor iedereen beschikbaar zijn, ook in afgelegen en plattelandsgebieden, en dat dankzij betere gemeenschapsgebaseerde zorg degenen kunnen worden bereikt die daar het meest behoefte aan hebben; benadrukt dat het verbeteren van de eerstelijnsgezondheidszorg gepaard moet gaan met het vergroten van de capaciteit voor vroegtijdige opsporing, die moet worden vergemakkelijkt door specifieke investeringen;
145. is ingenomen met de Europese zorgstrategie, waarin de rol van de sociale zorg wordt benadrukt en wordt opgeroepen tot een meer geïntegreerde aanpak tussen de sociale zorg en de gezondheidssector;
146. roept de EU en de lidstaten op de rol van de eerstelijnszorg te heroverwegen, en zich daarbij te richten op haar potentieel om op dagelijkse basis in contact te treden met patiënten, om zo de preventie te verbeteren en een grotere capaciteit in de gemeenschap te bevorderen om, in nauwe samenwerking met de gezondheidszorgstelsels, te reageren op bedreigingen van de gezondheid;
147. benadrukt het belang van eerstelijnsgezondheidszorg bij de huidige verstrekking van COVID-19-vaccins en bij het vergroten van de toegang tot routinematige vaccinatie; dringt aan op de dringende versterking van de eerstelijnsgezondheidszorg met de benodigde menselijke en technologische middelen, zodat deze zorg in staat is de epidemiologie en surveillancewerkzaamheden in verband met COVID-19 te vergemakkelijken; moedigt het gebruik aan van innovatieve methoden, zoals telegeneeskunde in de gezondheidszorg, om de eerstelijnszorg aan te vullen en de toegang tot zorg en behandeling te vergemakkelijken; staat achter de opbouw van een eerstelijnsgezondheidszorgstelsel dat ook kan samenwerken met specialisten en patiënten kan begeleiden bij hun diagnostisch traject;
148. benadrukt dat universele gezondheidszorg van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat iedereen, met inbegrip van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen en gemarginaliseerde gemeenschappen, tijdige, doeltreffende en betaalbare gezondheidszorg ontvangt; benadrukt dat plannen voor universele toegang tot gezondheidszorg op inclusieve wijze moeten worden ontworpen en ontwikkeld, met volledige deelname van het maatschappelijk middenveld, patiënten, gezondheidswerkers, werkgevers en sociale partners; benadrukt voorts dat de effectiviteit van gezondheidszorgstelsels afhangt van de betrokkenheid, participatie en waargenomen legitimiteit van de gemeenschap;
149. herinnert eraan dat openbare gezondheidszorgstelsels niet gehinderd mogen worden door financiële en niet-financiële obstakels en andere factoren die leiden tot ongelijkheid en discriminatie; dringt erop aan de permanente toegang tot medische advies-, verpleegkundige en psychosociale diensten te waarborgen, ofwel door middel van telegeneeskunde en telehulpverlening, ofwel in epidemiologisch veilige ruimten van ziekenhuizen;
150. beveelt meer coördinatie aan tussen de gezondheids- en digitale agenda’s van de EU om betere communicatie en onderlinge verbindingen tussen de eerste- en tweedelijnszorg tot stand te brengen; benadrukt de behoefte aan coördinatie tussen en noodprotocollen voor eerstelijnszorg, algemene sociale diensten en gespecialiseerde diensten, zoals bejaardentehuizen; pleit voor de ontwikkeling van gemeenschapsdiensten voor geestelijke gezondheidszorg in de eerstelijnszorg;
151. benadrukt dat voor het bieden van een tijdige, doeltreffende, betaalbare en toereikende respons aan mensen met gezondheidsbehoeften, waaronder de meest kwetsbare bevolkingsgroepen en gemarginaliseerde gemeenschappen, universele gezondheidszorg van essentieel belang is; benadrukt dat tijdens noodsituaties op het gebied van gezondheid de prioritaire diensten en leveringsmechanismen moeten worden aangepast, in het bijzonder bewustmakingsactiviteiten en screenings waarbij gebruik wordt gemaakt van de capaciteit voor laboratorium- en diagnostische tests;
152. benadrukt de verschillen in gezondheidszorgstelsels en -diensten en in toegang tot gezondheidszorgdiensten tussen de lidstaten en tussen regio’s binnen de lidstaten, met name in afgelegen en plattelandsgebieden, in ultraperifere gebieden, op perifere eilanden, in landen en gebieden overzee en zelfs in sommige stedelijke gebieden; neemt kennis van de problemen bij de toegang tot gezondheidszorg in deze gebieden, die hebben geleid tot het ontstaan van “medische woestijnen”; verzoekt de Commissie minimumnormen voor te stellen voor de gezondheidszorgdiensten en -rechten in heel Europa en stelt voor het cohesiebeleid te gebruiken om deze verschillen aan te pakken en de EU-fondsen aan te vullen om de verschillen te verkleinen;
153. merkt op dat de economische steun, de reacties van de overheid en de striktheidsindices verschilden naargelang van de inkomenssteun, de fiscale maatregelen en de beperkende maatregelen van de lidstaat; benadrukt dat verschillende demografische en culturele bijzonderheden, alsmede het toerisme als actieve bedrijfssector, in de zuidelijke landen, op eilanden, in eilandstaten en in andere ultraperifere gebieden tot verschillende sociaal-economische gevolgen van de pandemie hebben geleid;
154. merkt op dat uit de geleerde lessen blijkt dat er op het niveau van de EU en de lidstaten onvoldoende investeringen zijn gedaan in uitgebreide, geïntegreerde surveillancesystemen en het verzamelen en beheren van gevalideerde, vergelijkbare en interoperabele gegevens, hetgeen heeft geleid tot slechte planning en paraatheid;
155. betreurt het dat de overheidsinstanties en particuliere instellingen die betrokken zijn bij het opstellen van de onderzoeksagenda geen prioriteit hebben gegeven aan investeringen in O&O op het gebied van ziekteverwekkers die als gevaarlijk voor de volksgezondheid worden beschouwd; betreurt het dat, ondanks het feit dat coronavirussen al vóór de COVID-19-pandemie werden erkend als ziekteverwekkers met een pandemisch potentieel, de O&O-inspanningen gedeeltelijk werden beperkt door een gebrek aan commerciële belangstelling; erkent evenwel dat eerdere investeringen in O&O de ontwikkeling van vaccins hebben gefaciliteerd;
156. benadrukt de grote afhankelijkheid en het belang van overheidsfinanciering van de Commissie en de lidstaten voor de ontwikkeling van medische tegenmaatregelen en vaccins voor COVID-19, die essentieel was voor het bereiken van resultaten in korte tijd; herinnert aan de noodzaak om wanneer er overheidsgelden bij betrokken zijn voorwaarden te eerbiedigen op het gebied van governance, transparantie, beschikbaarheid en gelijke toegang;
157. benadrukt de rol van overheidsfinanciering bij de ontwikkeling en de productie van COVID-19-vaccins en op de noodzaak van clausules die de beschikbaarheid en betaalbaarheid van de eindproducten waarborgen;
(viii) Het voorkomen van tekorten aan essentiële geneesmiddelen en beschermingsmiddelen: toezicht op de productiecapaciteit van de gezondheidsindustrie in de EU
158. is van mening dat COVID-19 het bestaande fenomeen van medische tekorten in de EU, waaronder een grote verscheidenheid aan producten, aan het licht heeft gebracht, en dat de afgelopen tien jaar ook frequenter zijn geworden; merkt op dat tekorten ook het gevolg kunnen zijn van productieproblemen, kwaliteitsproblemen, onverwachte pieken in de vraag, parallelle invoer/uitvoer en meer; merkt op dat de geneesmiddelen waarvoor sprake is van tekorten een brede variëteit aan producten omvatten (waaronder kankerbehandelingen, antibiotica, vaccins, verdovingsmiddelen en geneesmiddelen voor hoge bloeddruk, hartaandoeningen en aandoeningen van het zenuwstelsel), waarbij de redenen voor deze tekorten verschillend zijn;
159. benadrukt de noodzaak voor de Unie om de nabijheid van rescEU-reserves te garanderen om de toegang tot medische tegenmaatregelen te waarborgen voor plattelands-, afgelegen en ultraperifere gebieden; dringt aan op betere coördinatie om de tijdige aanleg van voorraden en de gezamenlijke aanschaf van medische tegenmaatregelen mogelijk te maken in ernstige grensoverschrijdende noodsituaties, in overeenstemming met het Uniemechanisme voor civiele bescherming, de rescEU-voorraden en de aanbevelingen van de WHO;
160. verzoekt om een betere coördinatie om te grote voorraden in de lidstaten te voorkomen en om een Europese noodreserve aan te leggen van essentiële geneesmiddelen waaraan een groot tekort dreigt te ontstaan; merkt op dat ongecoördineerde nationale acties een negatief effect kunnen hebben op de geneesmiddelenvoorziening in de hele EU;
161. betreurt de aanhoudende tekorten aan geneesmiddelen, medisch materiaal en medische hulpmiddelen en beveelt aan dat de Commissie een EU-brede studie uitvoert naar de oorzaken van tekorten aan geneesmiddelen, met bijzondere aandacht voor de problemen die worden veroorzaakt door tekorten aan generieke geneesmiddelen; is van mening dat tekorten in de gezondheidszorgsector tijdens de pandemie, naast uitvoerverboden, voornamelijk het gevolg zijn geweest van voorraad- en distributieproblemen en van een gebrek aan gediversifieerde leveranciers; benadrukt het belang van het voorspellen van de vraag en van vroegtijdige communicatie met fabrikanten van vaccins en geneesmiddelen om tekorten te voorkomen, en ook de noodzaak van vroegtijdige communicatie over de selectie van stammen;
162. verzoekt de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid te onderzoeken een of meer farmaceutische EU-instellingen zonder winstoogmerk op te richten die, wanneer er geen bestaande industriële productie is, in het algemeen belang werken door geneesmiddelen te produceren die van strategisch belang zijn voor de gezondheid en de gezondheidszorg, teneinde de voorzieningszekerheid te vervolledigen en te waarborgen en tekorten in noodsituaties te voorkomen; is verheugd dat in de geneesmiddelenwetgeving van de EU krachtige maatregelen worden opgenomen om tekorten aan geneesmiddelen te voorkomen;
163. benadrukt het voorstel van de Conferentie over de toekomst van Europa om een lijst op te stellen van medisch materiaal en medische hulpmiddelen die van groot therapeutisch belang zijn en om een strategische reserve aan te houden van medische benodigdheden, geneesmiddelen, vaccins en apparaten voor ademhalingstherapie;
164. pleit voor nieuwe EU-wetgeving inzake medisch materiaal, behandelingen en geneesmiddelen om te voorzien in passende overgangsperioden en om de benodigde toevoer om aan de vraag te voldoen te waarborgen, met name in tijden van crisis;
165. benadrukt de noodzaak om Europese risicosurveillance voor tekorten in te stellen, alsmede van meer transparantie voor voorraden van geneesmiddelen, om beter te kunnen anticiperen op tekorten;
166. is van mening dat er voor paraatheid bij en reacties op pandemieën en andere ernstige gezondheidsbedreigingen langetermijntoezeggingen en duurzame investeringen nodig zijn, waaronder de voortdurende ontwikkeling van reserves van medische tegenmaatregelen, om de burgers te beschermen, en moedigt voor de toekomst meer samenwerking met Europese fabrikanten aan;
(ix) Open strategische autonomie van de EU op het gebied van gezondheid: versterking van investeringen in onderzoek en innovatie
167. roept de EU en de lidstaten op hun afhankelijkheid van handelspartners uit derde landen voor API’s en belangrijke geneesmiddelen te verminderen en doortastend op te treden bij het voorkomen van geneesmiddelentekorten, de zwakke plekken in de productie- en toeleveringsketen bij de aankoop van medisch materiaal en API’s aan te pakken en meer gebruik te maken van gezamenlijke aanbestedingen;
168. zet aan tot een betere uitwisseling van gegevens over vraag- en aanbodprognoses tussen relevante belanghebbenden, eerdere prognoses over potentiële tekorten, waaronder regelmatige gestandaardiseerde rapportage door de sector, en meer transparantie in de productie- en distributieketen; herinnert eraan dat nationale prijsstelling gebaseerd moet zijn op volledig transparante factoren, zoals de werkelijke kosten van publieke en private O&O en toegevoegde therapeutische waarde; dringt aan op een gecoördineerde industriële aanpak om de strategische autonomie van de EU op gezondheidsgebied te versterken;
169. verzoekt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken of er behoefte is aan een grootschalige, taakgerichte, openbare Europese infrastructuur voor O&O op gezondheidsgebied die, wanneer er geen bestaande industriële productie is, in het algemeen belang werkt door medisch materiaal dat van strategisch belang is voor de gezondheidszorg te produceren, teneinde de EU te ondersteunen bij het ondervangen van marktfalen, het waarborgen van de continuïteit van de voorziening en het voorkomen van mogelijke tekorten aan geneesmiddelen, en tegelijkertijd bij te dragen aan een grotere paraatheid om nieuwe gezondheidsbedreigingen en noodsituaties het hoofd te bieden;
170. benadrukt dat overheidsfinanciering een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling en productie van COVID-19-vaccins, omdat het overgrote deel van de middelen voor O&O afkomstig was van overheden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om ervoor te zorgen dat overheidsfinanciering voor biomedische O&O in het algemeen belang voldoende rendement oplevert en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van de eindproducten in alle lidstaten waarborgt; benadrukt dat het van belang is de noodfinancieringsmechanismen uit te breiden naar farmaceutische kmo’s en de bureaucratische procedures voor uitvinders van medisch materiaal, zoals medische hulpmiddelen, te verminderen teneinde de O&O en de productie van levensreddende producten in Europa te behouden;
(b) Toegang tot medische tegenmaatregelen
(i) Productie, opslag en distributie van vaccins, met inbegrip van de veerkracht van de toeleveringsketen, de open strategische autonomie van de EU en de beschikbaarheid van essentiële farmaceutische en medische producten
171. benadrukt dat de intensivering van het onderzoek naar en de ontwikkeling van responsen op ziekteverwekkers met een epidemisch en pandemisch potentieel en de vergroting van de capaciteit voor sequencing voorafgaand aan epidemieën en pandemieën van cruciaal belang zijn; erkent de beperkte initiële kennis over SARS-CoV-2 en de genetische sequentie, de kenmerken en het epidemiologische gedrag ervan, zoals de methoden van besmetting en overdracht en de snelheden van besmetting, overdracht en mutatie, waardoor onderzoek nodig was voordat er vaccins konden worden ontwikkeld, hetgeen van invloed is geweest op de productiecapaciteit van de industrie om vaccins te ontwikkelen en uit te rollen;
172. benadrukt dat het belangrijk is dat kmo’s kunnen profiteren van noodfinancieringsregelingen om innovatieve medische producten te kunnen leveren, en dat kmo’s moeten worden betrokken bij maatregelen ter ondersteuning van de schaalvergroting van onderzoek en productie, waarbij rekening moet worden gehouden met de administratieve lasten;
173. merkt op dat hooginkomenslanden de markt voor vaccins aan het begin van de pandemie hebben gefaciliteerd omdat zij de meeste grote productiefaciliteiten herbergden, en dat grote farmaceutische bedrijven de wereldwijde productie en levering van levensreddende medische hulpmiddelen hebben bevorderd dankzij het bezit van intellectuele eigendom, technologieën en gegevens;
174. merkt op dat de pandemie de wereldwijde toeleveringsketens, waaronder de farmaceutische sector, onder druk heeft gezet, hetgeen heeft geleid tot verstoringen en onvoorspelbaarheid van de levering van vaccins, medische benodigdheden, uitrusting, en andere tegenmaatregelen;
175. benadrukt dat het van belang is Europees en nationaal beleid in te voeren dat tot doel heeft de mondiale toeleveringsketens te versterken om de productie en het vrije verkeer van medische tegenmaatregelen, waaronder vaccins, te ondersteunen, alsook de uitvoerbeperkingen binnen de eengemaakte markt op te heffen;
176. wijst nogmaals op de vitale rol van het ECDC bij het verzamelen van surveillance- en monitoringgegevens op EU-niveau, en bij het faciliteren van prognoses over de toekomstige vraag naar vaccins en therapieën tegen infectieziekten; wijst op het nut van de door het ECDC ontwikkelde COVID-19-vaccinatietracker en dringt erop aan dit concept uit te breiden tot andere vaccinatiecampagnes, zoals de HPV-vaccinatiecampagne;
177. dringt erop aan de kwetsbaarheden in de mondiale waardeketen te beoordelen en verzoekt om de ontwikkeling van plannen voor de preventie en het beheer van tekorten in alle lidstaten; roept op tot voortdurende verbetering van systemen voor vroegtijdige waarschuwing voor en informatie-uitwisseling tussen landen over geneesmiddelentekorten, zowel op Europees als op internationaal niveau, en verzoekt de Commissie tijdelijke maatregelen te nemen in tijden van crisis om tekorten te beperken en het verkeer van geneesmiddelen tussen de lidstaten te vergemakkelijken, waaronder de aanvaarding van verschillende verpakkingsformaten, een hergebruiksprocedure waardoor houders van een vergunning voor het in de handel brengen goedkeuring in een andere lidstaat kunnen verkrijgen, verlenging van de geldigheidsduur van certificaten voor goede fabricagemethoden, verlenging van de vervaltermijnen en het gebruik van diergeneeskundige middelen; herinnert eraan dat de Commissie strikt toezicht moet houden op de toepassing van dergelijke maatregelen om te waarborgen dat de veiligheid van patiënten niet in het gedrang komt en ervoor te zorgen dat geneesmiddelen in geval van problemen of tekorten beschikbaar blijven;
178. neemt kennis van de prevalentie van tekorten aan generieke geneesmiddelen en wijst op het belang van generieke, biosimilaire, waarde toevoegende en betaalbare geneesmiddelen voor het voorkomen van tekorten aan geneesmiddelen, voor het consequent verbeteren van billijke toegang voor patiënten en voor het duurzaam maken van de gezondheidszorgstelsels in de EU, aangezien de toegang op dit moment nog ongelijk is;
179. benadrukt de mogelijkheid van een nieuw kader ter ondersteuning van het onderzoek naar, de ontwikkeling, de productie en het gebruik van geneesmiddelen met nieuwe goedgekeurde indicaties; verzoekt de Commissie het in de handel brengen van schaarse geneesmiddelen op de markt te harmoniseren door middel van verpakkingen, etiketten en bijsluiters die, indien mogelijk, meertalig en digitaal zijn, en tegelijkertijd de beschikbaarheid van informatie op papier te waarborgen;
180. herinnert eraan dat het van cruciaal belang is voor de mondiale gezondheidszorg en de mondiale toeleveringsketens om lokale productie- en distributiecapaciteit te ontwikkelen in de EU, in afgelegen regio’s zoals ultraperifere gebieden en landen en gebieden overzee, en in laag- en middeninkomenslanden, in het bijzonder voor farmaceutisch onderzoek, technologie, ontwikkeling en productie, en in overeenstemming met sociale normen en de in de industrie geldende zorgvuldigheid;
181. verzoekt de Commissie gebruik te maken van de industriële, intellectuele-eigendoms- en farmaceutische strategieën om overheidsfinanciering voor O&O-projecten aan te moedigen teneinde te voldoen aan het beginsel van “open wetenschap” en de aanhoudende kloof op het gebied van onderzoek en geneesmiddelenproductie te overbruggen door middel van partnerschappen voor productontwikkeling, technologieoverdracht en de oprichting van open centra voor onderzoek en productie;
182. begrijpt dat de politieke en economische gevolgen van de reactie op de COVID‑19-pandemie zich al voordeden voordat de gezondheidszorgstelsels werden overbelast, met name door de instorting van de mondiale toeleveringsketens;
183. merkt op dat de duurzame ontwikkeling, productie en levering van vaccins wereldwijd afhankelijk zijn van sterke en transparante toeleveringsketens; roept de WTO op maatregelen te nemen om de soepele stroom van de toeleveringsketens en de levering van vaccins, geneesmiddelen, medische uitrusting en medisch materiaal te waarborgen; erkent de vitale rol die therapeutische innovatie kan spelen bij het redden van levens door capaciteit vrij te maken op intensivecareafdelingen en patiënten met PASC te ondersteunen;
184. onderkent dat de EU de belangrijkste exporteur van vaccins in de wereld is en dat zij met de donatie van 500 miljoen doses vaccins heeft bijgedragen tot de wereldwijde solidariteitsinspanningen, hoewel deze doses helaas snel naderende vervaldata hadden, waardoor het voor ontvangende landen moeilijk was om ze op tijd te gebruiken en veel doses moesten worden weggegooid; erkent de positie van de EU als koploper bij deze inspanningen;
(ii) Gezamenlijke aanbestedingsovereenkomsten en aankoopovereenkomsten (onderhandelingen, transparantie, aansprakelijkheid en handhaving)
185. is van mening dat de EU tijdens de COVID-19-pandemie een gemeenschappelijke aanpak voor de aankoop van vaccins nodig had; erkent dat de onderhandelingen over de aankoopovereenkomsten nuttig waren in een tijd waarin de ontwikkeling van vaccins onzeker was en productielijnen werden voorbereid zonder te weten welk vaccin daadwerkelijk zou slagen en of de vaccins daadwerkelijk zouden worden goedgekeurd; erkent dat het is gelukt om het concurrentievermogen van de verschillende fabrikanten en vaccintechnologieën in stand te houden; benadrukt dat door middel van de aankoopovereenkomsten de meeste financiële risico’s met betrekking tot de ontwikkeling en de productie van vaccins werden overgenomen door de overheid, waardoor de ontwikkeling sneller kon verlopen;
186. erkent dat tijdens de COVID-19-pandemie de exclusiviteit van de onderhandelingen en de vroegtijdige betrokkenheid van de lidstaten het proces tot een succes hebben gemaakt en dat de aanbesteding als één blok een grotere koopkracht heeft opgeleverd;
187. is van mening dat de EU in de toekomst ook baat zal hebben bij de gezamenlijke aanschaf van vaccins, geneesmiddelen, benodigdheden voor de gezondheidszorg en medisch materiaal, met name voor dure en innovatieve geneesmiddelen, in het bijzonder voor de behandeling van zeldzame ziekten; is voorts van mening dat aankoopovereenkomsten nuttig kunnen zijn in het geval van buitengewone grensoverschrijdende uitdagingen op het gebied van de volksgezondheid;
188. benadrukt dat gezamenlijke aanbestedingen en aankoopovereenkomsten contraproductieve concurrentie tussen de lidstaten kunnen voorkomen, de onderhandelingspositie van de EU kunnen maximaliseren, de EU en haar lidstaten meer flexibiliteit naargelang van hun behoeften kunnen bieden en de beschikbaarheid van medisch materiaal voor alle inwoners van de EU kunnen waarborgen, ongeacht hun lidstaat van herkomst;
189. wijst erop dat dergelijke overeenkomsten beter moeten worden gereguleerd om onevenwichtigheden in winsten en marktposities te voorkomen en om het concurrentievermogen bij toekomstige aanbestedingen en aankoopprocessen te beschermen en te bevorderen;
190. betreurt het dat sommige lidstaten uitvoerbeperkingen hebben ingesteld voor medisch materiaal, waardoor een EU-brede respons op de pandemie aanvankelijk werd belemmerd;
191. verzoekt de EU en haar lidstaten ervoor te zorgen dat fabrikanten aansprakelijk blijven, in overeenstemming met de EU-wetgeving inzake productaansprakelijkheid;
192. stelt voor dat gezamenlijke aankopen kunnen worden onderzocht op gebieden als zeldzame ziekten en kanker door middel van duidelijk bepaalde mijlpalen, doelstellingen en verplichtingen die door alle betrokken partijen worden overeengekomen;
193. benadrukt dat bij deze initiatieven gezorgd moet worden voor een hoog niveau van transparantie en dat de lessen moeten worden toegepast die zijn getrokken uit de gezamenlijke aanbesteding van producten in verband met COVID-19;
194. wijst erop dat gezamenlijke aanbestedingen niet het risico mogen lopen van een negatief effect op de voorzieningsstromen door een vergroting van het risico op tekorten in de EU;
195. is verheugd dat in de farmaceutische strategie voor Europa wordt aangegeven dat acties op het gebied van openbare aanbestedingen de mededinging kunnen bevorderen en de toegang tot geneesmiddelen kunnen verbeteren; dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van Richtlijn 2014/24/EU(45) snel richtsnoeren voor de lidstaten voor te stellen, met name met betrekking tot de manier om de criteria inzake de economisch voordeligste inschrijving het beste toe te passen, waarbij verder gekeken wordt dan alleen naar het criterium van de laagste prijs; benadrukt dat continuïteit van de voorziening een essentiële factor is en als kwaliteitscriterium moet worden gehanteerd bij de gunning van leveringsopdrachten door apotheken en de publicatie van offerteaanvragen voor de levering van geneesmiddelen; benadrukt het feit dat gediversifieerde bevoorrading en duurzame aankooppraktijken voor geneesmiddelen belangrijk zijn; stelt voor dat investeringen in de productie van werkzame stoffen en afgewerkte geneesmiddelen binnen de EU eveneens als essentieel criterium worden gehanteerd, alsook het aantal productievestigingen en de ligging ervan, de betrouwbaarheid van de leveringen, de herinvestering van winsten in O&O en de toepassing van sociale, ecologische, ethische en kwaliteitsnormen;
196. betreurt het gebrek aan transparantie in de gezamenlijke aanbestedingsovereenkomsten waarover de Commissie en de lidstaten met farmaceutische bedrijven hebbenonderhandeld, hetgeen slechts ten dele werd gerechtvaardigd door de eerbiediging van het recht op vertrouwelijkheid; benadrukt dat transparantie in de werkzaamheden van de EU-instellingen van het grootste belang is, vooral onder de omstandigheden van de ongekende pandemie; herinnert eraan dat gezamenlijke aanbestedingsovereenkomsten op een transparante, tijdige en doeltreffende manier moeten worden uitgevoerd, waarbij duidelijke en transparante stadia voor het proces, het toepassingsgebied, de aanbesteding, de specificaties, de tijdschema’s en de formaliteiten worden vastgesteld, en dringt aan op de goedkeuring van een transparant beleid voor aankoopovereenkomsten en gezamenlijke aanbestedingen;
197. neemt kennis van en herhaalt de bevindingen van de Europees Ombudsman over wanbeheer door de Commissie en de aanbevelingen betreffende transparantie en het bijhouden van notulen van vergaderingen, gewijzigde arbeidsprocedures, openbare aanbestedingen, wetenschappelijk advies en lobbyingactiviteiten van de Europese instellingen tijdens de pandemie;
198. benadrukt dat gezamenlijke aanbestedingsprocedures met betrekking tot de instellingen van de Unie, met inbegrip van de Europese Rekenkamer en de burgers van de Unie, moeten voldoen aan strenge normen inzake transparantie, overeenkomstig het transparantiebeginsel als bedoeld in artikel 15 VWEU, en wijst erop dat het Parlement met het oog op het bereiken van transparantie de overeenkomsten moet controleren die in het kader van de gezamenlijke aanbestedingsprocedure worden gesloten; is van mening dat de Commissie het Parlement volledige, tijdige en nauwkeurige informatie over de lopende onderhandelingen moet verstrekken en inzage moet geven in de aanbestedingsstukken, met inbegrip van de gesloten overeenkomsten; moedigt transparantie aan bij het bekendmaken van informatie met betrekking tot het leveringsschema van medische tegenmaatregelen, de voorwaarden voor aansprakelijkheid en schadeloosstelling en het aantal productielocaties, waarbij rekening wordt gehouden met de bescherming van commercieel gevoelige informatie en essentiële nationale veiligheidsbelangen;
199. beveelt aan gezamenlijke onderhandelingen over aanbestedingen te laten voeren door aangewezen vertegenwoordigers van de EU en haar lidstaten die beschikken over adequate vaardigheden en voorzien zijn van een duidelijk mandaat;
200. moedigt de lidstaten aan om informatie uit te wisselen over prijzen en leveringsdata van medische tegenmaatregelen wanneer er geen gezamenlijke aanbestedingsprocedure is gebruikt voor de aankoop daarvan, teneinde een grotere mate van transparantie te bieden en zo de lidstaten in staat te stellen op rechtvaardigere wijze toegang te krijgen tot en te onderhandelen over medische tegenmaatregelen;
(c) COVID, overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten; de aanpak van PASC als onderdeel van een EU-strategie inzake PAIS
201. uit zijn bezorgdheid over de hoge prevalentie van PASC en merkt op dat de risicofactoren voor het ontwikkelen van PASC, de pathofysiologische mechanismen en de gevolgen op lange termijn nog steeds worden onderzocht;
202. benadrukt dat hoewel het onderzoek nog gaande is, het beschikbare onderzoek impliceert dat long covid en Post Vac een vergelijkbare pathogenese hebben, aangezien het spike-eiwit van het virus een centrale rol speelt, en dat beide kunnen leiden tot CVS;
203. herinnert eraan dat PAIS nu veel vaker voorkomen na COVID-19-infecties in de vorm van PASC, maar ook bekend zijn als gevolg van andere bacteriële, virale en parasitaire infecties; benadrukt het voordeel van een bredere kijk op onderzoek en behandeling van PAIS;
204. benadrukt dat de EU een strategische aanpak nodig heeft om PASC aan te pakken, met de nadruk op meer onderzoek, opleiding en bewustmaking in de eerstelijnszorg;
205. herinnert aan wetenschappelijke bevindingen in verband met PASC en aan de noodzaak voor overheidsinstanties om mensen die hieraan lijden concreet te ondersteunen en te helpen, met gebruikmaking van passende middelen en beleid;
206. beveelt met het oog op concrete diagnoses en behandelingen (anders dan voornamelijk observationele studies) de ontwikkeling aan van zinvol specifiek en gericht onderzoek, translationeel onderzoek in de hele EU en klinische proeven, alsmede de uitwisseling van vergelijkbare gegevens, ervaringen en beste praktijken tussen de lidstaten; beveelt betere coördinatie op Europees niveau aan voor het onderzoek naar PASC;
207. dringt aan op de invoering van een gemeenschappelijke definitie, biobanken, referentiecentra en registers, met inbegrip van een vaccinatieregister met verbeterde geneesmiddelenbewaking op basis van duidelijke gestandaardiseerde EU-rapportageverplichtingen, om de effecten van PASC en ernstige bijwerkingen van vaccinatie adequaat aan te pakken;
208. dringt aan op erkenning van PASC als beroepsziekte voor werknemers in de gezondheidszorg en sociale zorg;
209. dringt aan op adequate financiering voor fundamenteel onderzoek, alsmede voor translationeel onderzoek en klinische proeven, zoals cruciale onderzoeken naar veelbelovende stoffen, met een zinvolle en hoogwaardige betrokkenheid van PASC-patiënten om onderzoeksprioriteiten af te stemmen op de behoeften van patiënten; pleit ervoor voldoende middelen beschikbaar te stellen voor het ontwerpen en ontwikkelen van adequate behandelingen;
210. verzoekt de lidstaten om ondersteuning te vergemakkelijken, met inbegrip van telegeneeskunde, ambulante zorg aan huis en doktersbezoeken aan huis voor gezinnen of personen met de dubbele last van werken en de zorg voor een kind, adolescent of ouder, en voor aan huis gebonden of bedlegerige personen met zorgintensieve behoeften, zoals malaise na inspanning in het algemeen;
211. erkent het belang van gecertificeerde multidisciplinaire poliklinieken en revalidatiecentra voor PASC-patiënten in alle EU-landen die rekening houden met de specifieke behoeften van PASC-patiënten, waaronder malaise na inspanning, en die de meest recente kennis toepassen; moedigt de ontwikkeling aan van gerichte onderwijsprogramma’s in de medische sector en van grootschalige publieke bewustwordingscampagnes over het bestaan van PASC als een ernstige ziekte, teneinde stigmatisering tegen te gaan; merkt op dat vrouwen aanzienlijk vaker aan PASC lijden en heel vaak ten onrechte de diagnose krijgen dat hun aandoening psychosomatisch is, hetgeen niet alleen stigmatiserend is, maar ook kan leiden tot een schadelijke behandeling;
212. dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan het al lang bekende probleem dat PASC-, Post Vac- en CVS-patiënten ten onrechte als psychosomatisch worden gediagnosticeerd, aan te pakken;
213. vreest dat de dat de mildheid van de symptomen ertoe heeft bijgedragen dat er bij kinderen minder is getest en dus minder COVID-19-gevallen zijn opgespoord; dringt erop aan dat kinderen en adolescenten met aanhoudende COVID-19-symptomen worden geregistreerd en een passende follow-up krijgen om de gevolgen van de ziekte tot een minimum te beperken;
214. verzoekt de EU en haar lidstaten PASC-infecties bij kinderen serieus te nemen, met name het risico op het ontwikkelen van langdurige handicaps, door aandacht te besteden aan speciale onderwijs- en ontwikkelingsbehoeften en door ondersteuningsstructuren zoals thuisonderwijs te ontwikkelen;
215. dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de gevolgen op lange termijn in overweging te nemen wanneer zij beslissingen nemen over maatregelen of over het beëindigen van beperkingen, in het bijzonder voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen;
216. dringt aan op meer onderzoek om de onderliggende oorzaken, de frequentie en de beste behandelingsmogelijkheden voor PASC te bepalen, met inbegrip van long covid, postacuut COVID-19-syndroom, Post Vac en andere PAIS, alsmede de langetermijngevolgen, zoals het ontwikkelen van CVS, en op het uitwisselen van ervaringen en benaderingen om de impact van de gevolgen ervan aan te pakken;
217. verzoekt om de oprichting van een EU-netwerk van deskundigen op het gebied van deze ziekten met gecoördineerde surveillancesystemen, met inbegrip van gegevens die zijn uitgesplitst naar verschillende subgroepen uit elke lidstaat, ook uit de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee, waarbij gebruik wordt gemaakt van consistent gedefinieerde gevallen en methoden en aandacht wordt besteed aan de gevolgen van deze aandoeningen voor de gezondheid, de werkgelegenheid en de economie;
218. benadrukt de noodzaak van aanvullende financiering en geprioriteerde oproepen voor projecten gericht op biomedisch onderzoek naar PASC en van een betere herkenning van PASC, met inbegrip van onderzoek naar nadelige effecten van vaccinatie op het niveau van de lidstaten;
219. verzoekt de Commissie om middelen uit Horizon Europa te gebruiken voor gericht onderzoek naar PASC en te streven naar samenwerking met de farmaceutische industrie en het Europees partnerschap inzake zeldzame ziekten om onderzoek naar long covid te financieren;
220. wijst erop dat het belangrijk is passende bijstand en steun te verlenen aan mensen die lijden aan PASC, met inbegrip van Post Vac-patiënten; verzoekt de lidstaten passende steun te verlenen aan degenen wier dagelijks leven of vermogen om te werken is aangetast, teneinde PASC als armoedeval te beperken;
221. onderkent de noodzaak van betere medisch onderwijs en medische opleiding voor beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg en de sociale zorg die met PASC werken en van de opname van CVS in het Europese referentienetwerk voor zeldzame neurologische ziekten;
222. dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de fabrikanten op aan transparant te zijn over de mogelijke bijwerkingen van vaccins, met inbegrip van de bekende bijwerkingen die door het EMA zijn vastgesteld, en hierover en over de voordelen en doeltreffendheid van vaccinaties, waarmee miljoenen sterfgevallen en ernstige klinische ziekten worden voorkomen, op een consistente, uitgebreide en gecoördineerde manier te communiceren, waarbij de veiligheid van patiënten wordt gewaarborgd, onder andere door het EMA te verzoeken om richtsnoeren te publiceren voor het aspireren van vaccins teneinde bijwerkingen te voorkomen;
223. is ervan overtuigd dat volledige transparantie, erkenning van bijwerkingen en solidariteit met patiënten de beste manier is om vaccinatietwijfel, misinformatie en desinformatie tegen te gaan;
224. neemt kennis van het hoge percentage patiënten met immunodeficiëntie op intensivecareafdelingen tijdens de pandemie en betreurt dat er onvoldoende aandacht is besteed aan de gevolgen van de pandemie voor hen, aangezien gerichte maatregelen niet systematisch in de respons van de EU zijn opgenomen; herinnert eraan dat patiënten met immunodeficiëntie en patiënten met niet-overdraagbare ziekten het zwaarst te lijden hadden onder de pandemie omdat zij een groter risico liepen om ernstige symptomen te ontwikkelen als gevolg van COVID-19, en daar uiteindelijk met hun leven voor hebben betaald;
225. benadrukt dat ook patiënten met overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten ernstige gevolgen hebben ondervonden door vertragingen en verstoringen in de diagnostiek en de behandeling, met name voor hiv, seksueel overdraagbare ziekten, tuberculose, hepatitis, kanker, hart- en vaatziekten, diabetes en zeldzame ziekten; wijst op de verminderde overlevingskansen, de complicaties en de verdere verslechtering van de levenskwaliteit van patiënten als gevolg van vertraagde toegang tot zorg; dringt aan op vaststelling van een EU-strategie om te anticiperen op de gevolgen van ernstige bedreigingen van de gezondheid voor mensen die lijden aan overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten en andere ziekten en aandoeningen, en deze nauwlettend te volgen;
226. onderkent dat de gevolgen van gezondheidscrises zich uitstrekken tot individuen; verzoekt de Commissie en de lidstaten snel strategieën en acties te ontwikkelen om vatbare patiënten te beschermen tijdens een volksgezondheidscrisis;
227. benadrukt dat de COVID-19-pandemie verwoestende gevolgen heeft gehad voor kankerpatiënten in heel Europa, aangezien landen hebben gemeld dat kankerscreening de meest verstoorde dienst was, met vertragingen in de diagnostiek, behandeling, zorg en overlevingsdiensten voor kankerpatiënten, hetgeen gevolgen heeft op de lange termijn en effecten op patiënten met uitgezaaide en vergevorderde kanker, aangezien uitgestelde diagnoses er onvermijdelijk toe leiden dat kanker in een later stadium wordt gediagnosticeerd, waardoor de behandeling complexer en duurder wordt en de overlevingskansen afnemen;
228. merkt op dat de verstoringen bij de gezondheidszorg tijdens de pandemie hebben geleid tot een afname van de kankerscreenings en -diagnoses, en is bezorgd dat verstoringen van kankerscreenings en uitgestelde diagnoses er onvermijdelijk toe leiden dat kanker in een later stadium wordt gediagnosticeerd, waardoor de behandeling complexer en duurder wordt en de overlevingskansen afnemen(46);
229. stelt met bezorgdheid vast dat de diensten op het gebied van overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten zijn verstoord als gevolg van de annulering van electieve zorg, de stopzetting van screeningprogramma’s, lockdowns bij overheidsdiensten of het openbaar vervoer waardoor de toegang tot de sociale en gezondheidsvoorzieningen werd belemmerd, en gebrek aan personeel en medische infrastructuur;
230. erkent het belang van luchtkwaliteit voor de menselijke gezondheid en pleit voor het afstemmen van de EU-luchtkwaliteitsnormen op de richtlijnen van de WHO;
231. wijst erop dat de effecten van de verstoring van medische diensten voor overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten moeten worden gemonitord en onderzocht en dat de vastgestelde beste praktijken moeten worden verzameld om de voortzetting van deze diensten te waarborgen tijdens een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid; dringt aan op vaststelling van een EU-strategie om te anticiperen op de gevolgen van ernstige bedreigingen van de gezondheid voor mensen die lijden aan overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten en andere aandoeningen, en deze nauwlettend te volgen;
232. herinnert eraan dat vrouwen in de werkende leeftijd tijdens de COVID-19-pandemie een groter risico liepen om COVID-19 op te lopen, vaker te laat een diagnose kregen in het geval van ernstige COVID-19 en daardoor een grotere kans hadden om te overlijden;
233. erkent de toename van overgewicht en obesitas onder kinderen en adolescenten tijdens de pandemie en het verhoogde risico op ernstige gezondheidsgevolgen van COVID-19 voor mensen met obesitas; betreurt dat de lidstaten onvoldoende prioriteit hebben gegeven aan beleidsmaatregelen om obesitas en comorbiditeit te voorkomen en aan te pakken;
234. merkt op dat de meeste landen die diensten voor niet-overdraagbare ziekten in de nationale COVID-19-plannen hebben opgenomen, prioriteit hebben gegeven aan diensten voor de vier belangrijkste niet-overdraagbare ziekten: diensten voor hart- en vaatziekten, kanker, diabetes en chronische ademhalingsaandoeningen; benadrukt dat sommige landen geestelijke gezondheid hebben erkend als een gebied waaraan prioriteit moet worden gegeven;
235. benadrukt dat wetenschappelijk erkende integrale geneeskunde die is goedgekeurd door volksgezondheidsautoriteiten, voordelen oplevert voor patiënten met betrekking tot de parallelle effecten van diverse ziekten, zoals kanker, en de behandeling daarvan; wijst erop dat het belangrijk is de toegang tot integratieve geneeskundige zorg te handhaven en een patiëntgerichte aanpak te ontwikkelen bij het vaststellen van noodplannen om te reageren op gezondheidscrises teneinde de continuïteit van de patiëntenzorg en een betere kwaliteit van leven te waarborgen;
236. erkent dat beperkingen en lockdowns hebben bijgedragen tot een toename van geestelijke gezondheidsproblemen waardoor onevenredig veel vrouwen, personen met een handicap, jongeren, kinderen, ouderen, personen met immunodeficiëntie, hun verzorgers en andere groepen mensen met een sociale afstand tot de samenleving zijn getroffen, en benadrukt dat deze maatregelen alleen als laatste redmiddel moeten worden genomen;
237. verzoekt de Commissie na te gaan hoe de maatregelen die de verschillende lidstaten hebben genomen om de COVID-19-uitbraak in te dammen, uiteenliepen en hoe bijgevolg ook de effecten op kinderen uiteenliepen, met als doel beste praktijken te ontwikkelen om de schadelijke gevolgen te beperken die kinderen in een eventuele toekomstige pandemie zouden ondervinden;
238. is ingenomen met de publicatie van een alomvattende strategie inzake geestelijke gezondheid door de Commissie, in antwoord op de conclusies van de Conferentie over de toekomst van Europa;
239. benadrukt dat sommige landen geestelijke gezondheid hebben erkend als een gebied waaraan prioriteit moet worden gegeven en dringt er bij de Commissie op aan een concreet actieplan en een strategie voor geestelijke gezondheid te ontwikkelen die verder gaan dan haar initiatief “Samen gezonder” en waarmee de langetermijngevolgen van de COVID-19-pandemie voor de geestelijke gezondheid van de bevolking worden aangepakt;
240. steunt de uitvoering van een strategie inzake geestelijke gezondheid op EU-niveau die als ondersteunend systeem voor de lidstaten kan dienen; verzoekt de regeringen van de lidstaten prioriteit te geven aan geestelijke gezondheid;
241. betreurt het dat routinematige vaccinatiecampagnes tegenslagen hebben gekend en dat de pandemie de kwetsbaarheid van immunisatiesystemen over de hele wereld aan het licht heeft gebracht, waardoor bezorgdheid is ontstaan over toekomstige uitbraken van ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen;
242. onderkent het belang van het voortzetten en verbeteren van de nationale vaccinatieprogramma’s; benadrukt dat routinematige vaccinatie een kosteneffectieve volksgezondheidsmaatregel is;
243. herinnert eraan dat, hoewel de COVID-19-pandemie nu een gevestigd en aanhoudend gezondheidsprobleem is dat niet langer een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang vormt, de EU en haar lidstaten waakzaam moeten blijven om gelijke toegang tot essentiële, levensreddende vaccins op mondiaal niveau te waarborgen; onderkent dat desinformatie heeft bijgedragen aan tegenslagen bij vaccinatie en dringt aan op een gecoördineerde respons van de EU-instellingen, de lidstaten en onlineplatforms om mis- en desinformatie te bestrijden;
(d) Eén gezondheid
244. benadrukt dat nieuwe zoönotische infectieziekten steeds vaker voorkomen en dat 75 % van de menselijke infectieziekten zoönotisch is; stelt vast dat COVID‑19 ondubbelzinnig duidelijk heeft gemaakt dat de gezondheid van mensen, dieren, planten en het milieu onlosmakelijk onderling verbonden is en op een consistente en holistische manier moet worden aangepakt, waarbij de “één gezondheid”-benadering volledig wordt gevolgd;
245. dringt erop aan dat de EU “één gezondheid”, zoals gedefinieerd door de WHO, in haar volksgezondheidsbeleid opneemt; benadrukt dat er dringend transformatieve veranderingen nodig zijn in de hele samenleving; benadrukt de noodzaak om de kennis op dit gebied verder te vergroten en om openbaar wetenschappelijk onderzoek te bevorderen teneinde de onderlinge afhankelijkheid tussen de gezondheid van mensen, dieren, planten en het milieu beter te begrijpen en weer te geven met behulp van een multisectorale, transdisciplinaire en geïntegreerde aanpak; maakt zich zorgen over de dreiging van toenemende resistentie tegen antimicrobiële stoffen (AMR) en benadrukt dat AMR wereldwijd een van de belangrijkste doodsoorzaken is; herinnert eraan dat er op EU- en nationaal niveau moet worden opgetreden om deze uitdaging het hoofd te bieden met concrete maatregelen, met inbegrip van wettelijke en regelgevende maatregelen en volksgezondheidsbeleid;
246. herinnert eraan dat tot de onderliggende oorzaken van pandemieën dezelfde mondiale milieuveranderingen behoren die leiden tot biodiversiteitsverlies en de klimaatveranderingscrisis, en dat het risico op pandemieën aanzienlijk kan worden verlaagd door het verminderen van de menselijke activiteiten die biodiversiteitsverlies, verontreiniging en opwarming van de aarde veroorzaken;
247. verzoekt de Commissie en het ECDC surveillanceplannen voor opkomende gezondheidsbedreigingen in te voeren, met inbegrip van gecoördineerde en systematische verzameling van gegevens, operationeel onderzoek en gedragsonderzoek, en risicobeoordelingen uit te voeren met betrekking tot de drijvende krachten, de processen en de trajecten voor het ontstaan, de verspreiding en de persistentie van zoönosen, alsook intacte, veerkrachtige en gezonde ecosystemen en het effect daarvan op ziektepreventie te karakteriseren, met inbegrip van surveillance van wilde dieren en vaststelling van ziekteverwekkers, en de lidstaten te ondersteunen bij de uitvoering;
248. verzoekt de Commissie economische analysen uit te voeren om de kosten en baten van preventieve maatregelen te kwantificeren om te reageren op het risico van nieuwe zoönotische ziekten en de resultaten te gebruiken om te pleiten voor duurzame financiering van deze maatregelen, en een alomvattende evaluatie te maken van de inspanningen op EU-niveau door het ECDC en HERA met betrekking tot de aanhoudende H5N1- en apenpokkenvirusbedreigingen;
249. benadrukt dat mainstreaming van “één gezondheid” betekent dat men beter in staat is mondiale gezondheidsbedreigingen op mondiaal, EU- en nationaal niveau te voorkomen, te voorspellen, zich erop voor te bereiden, ze op te sporen en erop te reageren, beveelt aan van de “één gezondheid”-benadering een leidend beginsel te maken bij alle beleidsinitiatieven en -maatregelen op het gebied van de volksgezondheid en in programma’s voor de paraatheid bij pandemieën, en wijst op de noodzaak van maatregelen voor de paraatheid bij pandemieën, met inbegrip van bestrijding van de vector bij nieuwe zoönosen;
250. benadrukt dat de kosten van niet-handelen veel hoger zijn dan de kosten van het uitvoeren van mondiale strategieën om pandemieën te voorkomen;
251. dringt aan op de oprichting van een specifieke Europese overkoepelende taskforce voor de “één gezondheid”-benadering om transdisciplinair onderzoek en sectoroverschrijdend wetenschappelijk advies te bevorderen;
252. dringt aan op het opvullen van de huidige leemten in de wetenschappelijke kennis om het risico op zoönosen te verminderen door onderzoek op Europees niveau te coördineren en samenwerking tussen wetenschappelijke gebieden te vergemakkelijken;
253. wijst op het belang van de bescherming van habitats en de vermindering van de raakvlakken tussen mens en dier om de verspreiding van zoönotische ziekten te beperken; verzoekt de Commissie om in het kader van het pandemieverdrag van de WHO beleid en wetgeving op het gebied van “één gezondheid” te bevorderen om endemische zoönosen, verwaarloosde tropische ziekten en vectorziekten aan te pakken;
254. verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het kader van het pandemieverdrag van de WHO te pleiten voor het opzetten van op samenwerking gebaseerde voorspellende inlichtingensystemen in verband met epidemieën (op nationaal, regionaal en mondiaal niveau) om raakvlakken met een hoog risico en hotspots voor overloopeffecten vast te stellen, met inbegrip van relevante milieu- en klimaatgegevens en gegevens over de aanleg van reservoirs en vectorsoorten in nieuwe geografische gebieden, en een geharmoniseerd EU-breed systeem op te zetten voor het monitoren van volksgezondheidsparameters, waaronder het monitoren van stedelijk afvalwater met het oog op mogelijke gezondheidscrises;
255. is ingenomen met het gezamenlijke “één gezondheid”-actieplan van de Voedsel- en Landbouworganisatie, het milieuprogramma van de VN, de WHO en de Wereldorganisatie voor diergezondheid, en benadrukt de belangrijke rol van de Commissie en de lidstaten bij de coördinatie en ondersteuning van “één gezondheid” en de “gezondheid op alle beleidsgebieden”-benadering; is van mening dat de uitvoering van de “één gezondheid”-benadering een aantal essentiële stappen moet omvatten, zoals het mobiliseren van onderzoek en het creëren van innovatieve transdisciplinaire opleidingen voor medisch personeel en besluitvormers;
256. herinnert aan het belang van diergezondheid, vooral bij activiteiten met vee en landbouwhuisdieren, en aan het feit dat slechte gezondheidsomstandigheden van vee en lacunes in de sanitaire controles het risico op zoönotische ziekten kunnen verhogen; uit zijn diepe bezorgdheid over de steeds frequentere opkomst en verspreiding van zoönotische ziekten, hetgeen wordt verergerd door de klimaatverandering, de aantasting van het milieu, veranderingen in landgebruik, ontbossing, vernietiging en bedreiging van de biodiversiteit en van natuurlijke habitats, illegale handel in wilde dieren en onhoudbare voedselproductie- en -consumptiepatronen; benadrukt dat verbetering van de diergezondheid een manier is om de gezondheid van mensen te verbeteren en roept op tot toezicht, surveillance en alarmering in de veehouderij en veeteelt om het optreden van zoönosen te voorkomen;
(e) Conclusies en aanbevelingen
(i) Gezondheidszorgstelsels en -diensten
257. moedigt de EU en haar lidstaten aan het pakket van de Europese gezondheidsunie uit te voeren teneinde een permanente agenda voor gezondheid te ontwikkelen en openbare gezondheidszorg als een investering te beschouwen; dringt aan op versterking van basisgezondheidszorgdiensten, met name de eerstelijnsgezondheidszorg, die zonder discriminatie voor iedereen beschikbaar, en op bevordering van gezondheid, onderwijs en wijsheid om de algemene gezondheidstoestand van de bevolking te verbeteren; vraagt de Commissie om, in het kader van het pakket van de Europese gezondheidsunie, wettelijke en regelgevende maatregelen voor te leggen tot vaststelling van minimale basisgezondheidszorgdiensten en minimumnormen voor hoogwaardige gezondheidszorg die in de hele EU moeten worden gewaarborgd;
258. dringt aan op een specifiek investeringspakket om de zorgsector en de zorgeconomie in de EU te bevorderen en te zorgen voor coördinatie tussen de verschillende programma’s en initiatieven, hetgeen de uitvoering van een doeltreffende zorgstrategie kan waarborgen;
259. wijst op de noodzaak van verdere Europese en internationale samenwerking om epidemiologische controle uit te voeren door middel van de uitvoering van de verplichte plannen voor surveillance, bewaking, alarmering en paraatheid met betrekking tot bedreigingen voor de volksgezondheid, opkomende trends in de volksgezondheid, overdraagbare ziekten en het optreden van zoönosen, en van de interoperabiliteit van gezondheidsgegevens in heel Europa, met inbegrip van de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee, zoals vereist door de verordening inzake grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen;
260. benadrukt in dit verband het belang van de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de EU-autoriteiten, de interoperabiliteit van informatiesystemen, nieuwe instrumenten en van onderzoek om interdisciplinair onderzoek en mens- en sociale wetenschappen te versterken met betrekking tot de gevolgen van pandemieën en niet-farmaceutische maatregelen;
261. dringt erop aan dat de gegevensverzameling en surveillance-activiteiten in het kader van COVID-19 worden gehandhaafd om eventuele toekomstige bedreigingen voor de volksgezondheid als gevolg van de verspreiding van de ziekte te beperken, en dat met spoed een EU-breed platform voor de surveillance en sequencing van genomen wordt opgericht, met passende waarschuwingssystemen, dat beschikbaar moet worden gesteld aan clinici en onderzoekers;
262. dringt erop aan te investeren in het voortbouwen op bestaande analysen van gezondheidsgegevens om antwoorden te vinden op vraagstukken zoals de werking van natuurlijke immuniteit, besmettingspercentages en de ernst van aanlegfactoren;
263. dringt aan op betere EU-richtsnoeren voor gevallen waarin gezondheidszorgdiensten tijdelijk worden opgeschort, teruggeschroefd of omgeleid, zodat prioritaire patiënten kunnen worden vastgesteld, met name patiënten die een lichamelijk onderzoek nodig hebben en niet kunnen profiteren van telegeneeskunde;
264. dringt aan op verbeterde capaciteit om te zorgen voor gekwalificeerd personeel, apparatuur en sanitaire materialen, alsmede voor medische infrastructuur, om te voldoen aan de specifieke behandelingsbehoeften van deze patiënten;
265. dringt aan op de verdere digitalisering van administratieve diensten in de gezondheidssector en, waar passend en haalbaar, op het gebruik van onlinegezondheidszorgdiensten, waarbij gepaste maatregelen worden getroffen om de persoonsgegevens te beschermen en de cyberveerkracht van de nationale gezondheidszorgstelsels en de bijbehorende infrastructuur te waarborgen;
266. dringt aan op het gebruik van onlinegezondheidszorgdiensten voor gezondheidsbevordering, preventie en behandeling, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de betrokken werknemers, beroepsbeoefenaars en verzorgers over voldoende digitale vaardigheden beschikken;
267. verzoekt de lidstaten om, in overeenstemming met de bestaande EU-wetgeving, te voorzien in permanente opleiding en professionele ontwikkeling voor gezondheidswerkers, met inbegrip van opleiding inzake pandemische surveillance en crisisbeheersing, met de nadruk op het welzijn en de veiligheid van gezondheidswerkers, en te zorgen voor erkenning van hun vaardigheden en verbetering van hun arbeidsomstandigheden, met inbegrip van adequate beloning;
268. onderkent dat het gebrek aan financiering en overheidsinvesteringen grote gevolgen heeft gehad voor het werk en voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van gezondheidswerkers; benadrukt het belang van preventieve en beschermende maatregelen voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de werknemers, en indien nodig van andere beschermende maatregelen, waaronder vaccinaties; dringt er bij de lidstaten op aan om onderbetaalde beroepen in de gezondheidszorg, zoals verpleegkundigen en verzorgers, en de loonkloof tussen mannen en vrouwen in beroepen in de gezondheidszorg aan te pakken en snel maatregelen voor te stellen in samenwerking met relevante belanghebbenden, rekening houdend met de maatregelen die het Parlement heeft voorgesteld in zijn resolutie van 5 juli 2022, getiteld “Naar gemeenschappelijke Europese maatregelen op het gebied van zorg”(47);
269. verzoekt de Commissie een richtlijn voor te stellen over de psychosociale risico’s op het werk teneinde deze risico’s aan te pakken en de arbeidsomstandigheden van medisch en zorgpersoneel te verbeteren; verzoekt de lidstaten derhalve een beleidsagenda voor de lange, middellange en korte termijn op te stellen om het tekort aan gezondheidswerkers aan te pakken;
270. is van mening dat geestelijke gezondheid een prioriteit moet worden in het pakket van de Europese gezondheidsunie en dat het verband tussen geestelijke en lichamelijke gezondheid moet worden erkend en in het pakket moet worden weerspiegeld; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte geestelijkegezondheidscrisis aan te pakken, met name onder jongeren en kinderen, en roept op tot een alomvattende EU-strategie op het gebied van geestelijke gezondheid die zich richt op de geestelijke gezondheid van jongeren en die acties voor alle sociale groepen, met name de meest kwetsbare, omvat; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de gevolgen voor de geestelijke gezondheid op te nemen in hun werkzaamheden op het gebied van de reactie op en paraatheid bij noodsituaties in verband met gezondheidscrises en pandemieën;
271. wijst op het belang van de integratie van geestelijke gezondheidszorg met lichamelijke zorg, cultuur en kunst en andere vrijetijdsactiviteiten, waarbij effectieve, op feiten gebaseerde en op mensenrechten gerichte zorg wordt geboden en de reikwijdte van de beschikbare diensten wordt vergroot om een betere toegang tot behandeling mogelijk te maken; dringt aan op meer investeringen in ondersteuning en diensten op het gebied van geestelijke gezondheid in gemeenschapsverband, alsook op verbetering van de toegang tot geestelijke gezondheidszorg binnen de nationale gezondheidszorgstelsels; onderkent het effect van kunst op de gezondheid en het welzijn, met inbegrip van de geestelijke gezondheid, en van de rol die kunst kan vervullen bij het bieden van een antwoord op pandemieën in de gehele EU;
272. benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten hun gezondheidszorgstelsels naar behoren financieren, teneinde de veerkracht ervan op de korte en lange termijn te waarborgen door te investeren in gezondheidswerkers, klinische proeven, openbare gezondheidseducatie en kritieke gezondheidsinfrastructuur, instrumenten, structuren, processen en laboratoriumcapaciteit, en dringt aan op het verstrekken van hoogwaardige, toegankelijke en betaalbare zorgdiensten;
273. dringt er bij de Commissie op aan een noodplan uit te voeren ter versterking van de geneesmiddelenbewaking op nationaal en Europees niveau, teneinde snelle lokale gegevensverzameling en -verwerking, extra aanwerving binnen nationale teams, betere verwerking van spontane meldingen en de invoering van actieve geneesmiddelenbewaking te ondersteunen;
(ii) Contracten en onderhandelingen
274. benadrukt de noodzaak van een betere paraatheid bij gezamenlijke aanbestedingsprocedures voor geneesmiddelen en medisch materiaal, waarbij overschotten moeten worden vermeden, gezien de inherente onvoorspelbaarheid van pandemieën; benadrukt dat er moet worden gezorgd voor transparantie, zelfs in crisissituaties wanneer de tijd dringt, om het democratisch toezicht te waarborgen en het vertrouwen van de burgers in overheidsinstellingen, waaronder de EU-instellingen, te vergroten;
275. dringt erop aan op een transparante wijze contracten af te sluiten en prijsonderhandelingen te voeren;
276. erkent het belang van de controlerende rol van het Parlement en vraagt speciale aandacht voor transparantie bij de onderhandelingen over gezamenlijke aanbestedingsovereenkomsten; stelt voor lering te trekken uit gezamenlijke aanbestedingsinitiatieven om vertragingen bij de levering, ongerechtvaardigd hoge prijzen en overschotten aan vaccins en medische tegenmaatregelen te voorkomen en ervoor te zorgen dat de productaansprakelijkheid volledig bij de fabrikanten blijft; dringt aan op de vaststelling van duidelijke regels voor onderhandelingen met ondernemingen om overschotten aan vaccins en medische tegenmaatregelen te voorkomen en wijst op het belang van toekomstige aanbestedingsovereenkomsten voor vaccins waarbij monopolies en/of oligopolies worden vermeden en wordt gezorgd voor een gevarieerd aanbod van vaccins om de Europese burgers beter te beschermen;
277. dringt erop aan dat de gemeenschappelijke en gezamenlijke aanbestedingsprocedures in noodsituaties worden verbeterd en dat er een meer gecoördineerde aanpak wordt gehanteerd, zodat overeenkomsten kunnen worden aangepast;
278. hamert op de beginselen van eerlijke prijzen, transparantie en een billijk rendement op overheidsinvesteringen voor aankopen vooraf, en dringt erop aan dat overeenkomsten moeten worden aangepast aan veranderende bedreigingen en publieke behoeften; verlangt een duidelijke lijst met criteria voor gezamenlijke aanbestedingen;
279. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de bestaande regels, zoals vastgelegd in de EU-wetgeving, worden nageleefd om kwaliteitsproducten te waarborgen, en dat de overdracht van aansprakelijkheid van fabrikanten naar lidstaten geen standaardpraktijk wordt;
280. benadrukt het belang van het feit dat de gezamenlijke aanbestedingsovereenkomst voorzag in een exclusiviteitsclausule in het kader van de aankoop van het COVID-19-vaccin, waardoor de onderhandelingspositie werd beschermd en de voorzieningszekerheid van de EU werd gewaarborgd, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat fabrikanten die profiteren van EU-financiering regelmatig verslag uitbrengen over de besteding van deze middelen;
(iii) Beschikbaarheid van medische tegenmaatregelen
281. beveelt aan dat de EU adequate systemen opzet om fabrikanten in het geval van een volksgezondheidscrisis de nodige risicofinanciering te verschaffen, om de ontwikkeling en productie van de relevante medische tegenmaatregelen te ondersteunen, om fabrikanten te helpen zich snel aan te passen en hun productie op te schalen, om verstoringen en tekorten aan geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, gezondheidstechnologie en diensten te voorkomen, bijvoorbeeld door middel van reserveringskosten in gezamenlijke aanbestedingsovereenkomsten, die vooral voor kmo’s nuttig kunnen zijn, en dat dergelijke mechanismen transparant moeten zijn en afhankelijk van goedkeuring en herziening door wetgevende organen;
282. verzoekt de Commissie en de lidstaten een duidelijke, duurzame voorraadstrategie vast te stellen, met als doel aanvullende EU- en nationale medische voorraden te ontwikkelen ten behoeve van paraatheid bij en respons op pandemieën, en daarbij verspilling te voorkomen;
283. verzoekt erom ervoor te zorgen dat de herziening van de algemene farmaceutische wetgeving is gebaseerd op een goed inzicht in de onderliggende oorzaken van geneesmiddelentekorten; benadrukt dat de farmaceutische industrie in de EU moet beschikken over een gediversifieerde toeleveringsketen en een risicobeperkingsplan voor geneesmiddelentekorten om het hoofd te bieden aan eventuele kwetsbaarheden en risico’s voor de toeleveringsketen, die bij voorkeur binnen de Europese Economische Ruimte moet liggen, en dat farmaceutische bedrijven moeten worden verplicht om voldoende veiligheidsvoorraden aan te houden en geneesmiddelentekorten vroegtijdig aan te kondigen, ondersteund door transparantievereisten voor de toeleveringsketen en risicopreventiemaatregelen; wijst er nogmaals op dat de voorzieningszekerheid moet worden verbeterd door vroegtijdige melding van tekorten, strengere verplichtingen inzake levering en transparantie, grotere transparantie van de voorraden en betere EU-coördinatie en -mechanismen om tekorten te beperken en te voorkomen;
284. ondersteunt de versterking van de bestaande productiecapaciteit in de lidstaten, maar moedigt ook de reshoring van de farmaceutische industrie aan wanneer dat nodig is om de grote afhankelijkheid aan te pakken; benadrukt de noodzaak van een risicobeperkingsplan voor geneesmiddelen die als kritiek zijn gedefinieerd;
285. is van mening dat projecten van gemeenschappelijk Europees belang op gezondheidsgebied de ontwikkeling van innovatieve en groenere technologieën en productieprocessen voor de vervaardiging van geneesmiddelen, van gen- en celtherapieën en van innovatie op het gebied van strategische behandelingen moeten vergemakkelijken;
286. verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er, naast COVID-19-vaccins, doeltreffende COVID-19-therapieën voor elk stadium van het ziekteverloop beschikbaar zijn voor patiënten, teneinde versneld herstel en vermindering van de mortaliteit mogelijk te maken;
(iv) Toeleveringsketens
287. stelt voor om in toekomstige contracten voor de levering van medisch materiaal sterkere bepalingen op te nemen met betrekking tot verstoringen van de levering; dringt aan op het opsporen van afhankelijkheid met een hoog risico en het opzetten van productiecapaciteit voor aanverwante producten in de EU en op de ontwikkeling van productiecapaciteit in Europa voor actieve farmaceutische bestanddelen, hulpstoffen en essentiële hulpproducten;
288. is van mening dat de EU haar afhankelijkheid van handelspartners moet verminderen en doortastend moet optreden om geneesmiddelentekorten te voorkomen; verzoekt het EMA de kwetsbaarheden in de toeleveringsketen in kaart te brengen die verband houden met het Europese systeem voor het betrekken van medisch materiaal en actieve farmaceutische bestanddelen van buiten Europa;
289. is van mening dat de EU moet zorgen voor een betere uitwisseling van gegevens van de industrie, voor eerdere prognoses over waar in de toekomst tekorten kunnen ontstaan en voor meer transparantie bij de productie en distributie van geneesmiddelen, wanneer dit zou bijdragen tot de beschikbaarheid en toegankelijkheid van geneesmiddelen van prioritair openbaar belang;
290. wijst erop dat de pandemie heeft aangetoond dat de strategische autonomie van de EU op het gebied van essentiële toeleveringsketens en kritieke infrastructuur en diensten moet worden vergroot en is van mening dat de EU het aandeel van de belangrijkste medische productie op haar grondgebied moet vergroten om de autonomie van Europa op het gebied van toeleveringsketens te versterken en tegelijkertijd open te blijven staan voor de dynamiek van de mondiale toeleveringsketens, zowel in normale als in noodsituaties op gezondheidsgebied;
291. verzoekt de Commissie ook te overwegen strategische projecten in de gezondheidssector te financieren door middel van een Europees Soevereiniteitsfonds dat kan bijdragen aan het bereiken van strategische autonomie van de EU op het gebied van medisch materiaal;
292. is van mening dat het bevorderen van en voortbouwen op een aantrekkelijk Europees industrieel ecosysteem voor de farmaceutische sector een van de belangrijkste voorwaarden is voor het verder stimuleren van de verplaatsing van productiefaciliteiten naar de EU en dat dergelijke verplaatsingen van bedrijven ertoe kunnen bijdragen de gezondheidszorgstelsels in de EU onafhankelijker te maken van derde landen en beter bestand tegen verstoringen; verzoekt de Commissie de dialoog met de lidstaten en alle relevante belanghebbenden te bevorderen teneinde “made in Europe”-geneesmiddelen te stimuleren door de veerkracht van de productie en het aanbod te versterken en door aanvullende criteria voor nationale prijsstelling te beoordelen, zonder extra kosten voor patiënten en zonder afbreuk te doen aan de duurzaamheid van het gezondheidsstelsel, en ervoor te zorgen dat deze criteria hoge milieunormen voor productie, een krachtig beheer van de toeleveringsketen en aantoonbare investeringen in innovatie en onderzoek omvatten; benadrukt het belang van vroegtijdige planning om tekorten te voorkomen en het aanbod daar in te zetten waar de vraag van patiënten is; benadrukt dat elke vorm van steun door overheidsinstanties afhankelijk moet worden gesteld van clausules inzake toegankelijkheid, betaalbaarheid, beschikbaarheid, veiligheid en transparantie;
293. herinnert eraan dat overheidsfinanciering afhankelijk moet zijn van transparantie en traceerbaarheid van investeringen, leveringsverplichtingen op de Europese markt en de toegankelijkheid, veiligheid en betaalbaarheid van de geproduceerde geneesmiddelen;
294. benadrukt dat het belangrijk is de administratieve vertragingen tussen de indiening van een aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen en de goedkeuring ervan door het EMA te beperken, en dat de vereenvoudiging van de regelgevingsprocedures niet ten koste mag gaan van de veiligheids-, doeltreffendheids- en kwaliteitsnormen;
295. stelt voor netwerken te ontwikkelen die kunnen worden ingezet om op korte termijn een verscheidenheid aan technologieën te produceren (zoals de EU FAB) en uitdagingen in verband met de toeleveringsketen en handelsbelemmeringen die het productieproces beïnvloeden aan te pakken, en herhaalt dat de productie van geneesmiddelen zonder winstoogmerk moet worden vergemakkelijkt;
(v) Onderzoek en ontwikkeling
296. moedigt verdere investeringen in O&O die gericht zijn op doelstellingen van algemeen belang aan door verhoging van de middelen van het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en van het EU4Health-programma, en door de oprichting van HERA als toekomstig EU-agentschap voor de ondersteuning van onderzoek om vaccins alsmede innovatieve en andere behandelingen beschikbaar te maken in tijden van crisis en daarna; moedigt aan dat bij het onderzoek naar vaccins de genderverschillen met betrekking tot de respons op en de doeltreffendheid van vaccins methodisch worden onderzocht en in aanmerking worden genomen door meer vrouwen bij klinische proeven te betrekken;
297. wijst op het belang van investeringen in beter betaalbare en toegankelijke eindproducten; herhaalt de noodzaak van meer transparantie bij biomedisch O&O om op onafhankelijke wijze doelgerichte financiële investeringen vast te stellen en dubbel werk te beperken door ervoor te zorgen dat gegevens en resultaten van klinische proeven worden gerapporteerd en toegankelijk zijn;
298. verzoekt de Commissie van postacute infectiesyndromen (PAIS) een prioriteit te maken en een PAIS-strategie van de EU te ontwikkelen, vergelijkbaar met het Europese kankerbestrijdingsplan en de EU-strategie voor geestelijke gezondheid, en PAIS aan te pakken in de mondiale gezondheidsstrategie; roept de EU en haar lidstaten ertoe op zich net zo veel in te spannen om een geneesmiddel te vinden voor PAIS-patiënten als voor het ontwikkelen van een vaccin;
299. dringt aan op meer onderzoek om de onderliggende oorzaken, de frequentie en de beste behandelingsmogelijkheden voor PASC te bepalen, met inbegrip van long covid, postacuut COVID-19 syndroom, Post Vac en andere postinfectieuze ziekten, en op onderzoek naar de langetermijngevolgen ervan, zoals het ontwikkelen van CVS, alsmede op de uitwisseling van ervaringen en benaderingen om de impact van de gevolgen ervan aan te pakken; verzoekt om de oprichting van een EU-netwerk van deskundigen op het gebied van deze ziekten met een gecoördineerd programma van surveillancesystemen, waaronder gegevens die zijn uitgesplitst naar verschillende subgroepen uit elke lidstaat, ook uit de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee, waarbij gebruik wordt gemaakt van consistente gevalsdefinities en methodologieën, en waarin de gevolgen van deze aandoeningen voor de gezondheid, de werkgelegenheid en de economie zijn opgenomen; benadrukt de noodzaak van aanvullende financiering en geprioriteerde oproepen voor projecten gericht op biomedisch onderzoek naar PASC en van een betere herkenning van PASC op het niveau van de lidstaten;
300. verzoekt de Commissie om Horizon Europa-financiering te gebruiken voor specifiek en gericht PASC-onderzoek, inclusief samenwerking met de farmaceutische industrie, op een schaal die de ontwikkeling van een reeks diagnostische instrumenten mogelijk maakt, de financiering van cruciale studies en de ontwikkeling van geneesmiddelen voor de verschillende symptoomclusters en het Europees partnerschap inzake zeldzame ziekten; benadrukt in dit verband dat zelfs virussen die niet erg ernstig lijken, soms jaren later tot ernstige ziekten kunnen leiden; benadrukt dat voorkomen beter is dan genezen en wijst derhalve nogmaals op de noodzaak om onderzoek aan te moedigen en te financieren dat ten doel heeft vaccins te maken die steriele immuniteit bieden, waardoor niet alleen de ziekte zou worden behandeld maar vooral infecties zouden worden voorkomen en mogelijke problemen op lange termijn worden vermeden;
301. herinnert de lidstaten aan het belang van het bieden van adequate hulp en ondersteuning aan mensen die lijden aan PASC, van het opnemen van long covid bij het uitbreiden van ziekte-uitkeringen, van het vergemakkelijken van de toegang tot sociale-uitkeringsregelingen, alsmede van compensatie voor Post Vac-patiënten om PASC als armoedeval te beperken, met inbegrip van passende steun voor degenen die gevolgen ondervinden in hun dagelijks leven of voor hun vermogen om te werken; onderkent de noodzaak van beter medische onderwijs en betere medische opleiding voor beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg en de sociale zorg die met PASC werken en van de opname van CVS in het Europese referentienetwerk voor zeldzame neurologische ziekten;
(vi) Transparantie
302. beveelt aan dat noch onderhandelaars over contracten met farmaceutische bedrijven, noch deskundigen die zijn geraadpleegd in het kader van het farmaceutische beleid of de farmaceutische programma’s van de EU of anderszins door de lidstaten of EU‑instellingen worden ingezet, financiële of andere belangen mogen hebben die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid, en dat zij een verklaring moeten afleggen over hun financiële en andere belangen, en deze in overeenstemming met de procedures waarin op het niveau van de lidstaten of de EU is voorzien jaarlijks en telkens wanneer dat nodig is, moeten actualiseren; beveelt aan deze verklaringen openbaar te maken; is van mening dat deskundigen tevens alle feiten bekend moeten maken waarvan zij kennis hebben gekregen tijdens hun betrokkenheid bij die procedures en waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat deze een belangenconflict vormen of daartoe aanleiding geven;
303. verzoekt de Commissie om het systeem van stimulansen periodiek te evalueren en te herzien en de voorspelbaarheid daarvan te waarborgen, en hierover verslag uit te brengen aan het Europees Parlement, de prijstransparantie te vergroten met inachtneming van de zakelijke vertrouwelijkheid, en te wijzen op de factoren van de gezondheidstechnologieën en op de economische duurzaamheid van de openbare gezondheidszorgstelsels;
304. herinnert eraan dat alle Europeanen recht hebben op een optimale behandeling, ongeacht hun financiële middelen, gender, leeftijd of nationaliteit, en spreekt zijn bezorgdheid uit over de grote verschillen in beschikbaarheid van en toegang tot verschillende therapieën, waarbij onbetaalbaarheid een primaire reden is;
305. verzoekt de lidstaten om rekening te houden met de genderkloof op gezondheidsgebied bij de voorbereiding op en de weerbaarheid tegen pandemieën in de toekomst;
306. benadrukt met name dat de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten voor vrouwen moet worden gewaarborgd en herinnert de lidstaten eraan dat gelijke toegang tot gezondheidszorg een essentieel onderdeel vormt van hun wettelijke verplichtingen om gendergelijkheid te bevorderen;
307. hamert op de noodzaak om te zorgen voor gelijke toegang tot veilige, effectieve en betaalbare geneesmiddelen binnen de EU en moedigt de lidstaten aan om gezamenlijke prijsonderhandelingen met farmaceutische bedrijven te overwegen;
308. dringt er bij de Commissie op aan een voorstel in te dienen voor een herziening van Richtlijn 89/105/EEG van de Raad betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen(48) teneinde in alle lidstaten te zorgen voor doeltreffende toetsing en volledige transparantie van de procedures voor de bepaling van de prijs en het terugbetalingsbedrag van geneesmiddelen, in het bijzonder van geneesmiddelen tegen kanker;
309. betreurt het gebrek aan transparantie van de Commissie tijdens bepaalde onderhandelingsfasen van overeenkomsten voor vaccins en benadrukt dat transparantie in het besluitvormingsproces de aanvaarding van politieke keuzes die namens burgers worden gemaakt, versterkt;
310. moedigt verantwoorde manieren aan om de transparantie te vergroten met betrekking tot de financiering van, de overeenkomsten inzake en de aankoop van vaccins en van medische tegenmaatregelen door de overheid, de werkelijke kosten van O&O en de toegang tot de resultaten van klinische proeven en daarmee verband houdende gegevens via het informatiesysteem voor klinische proeven, met de nodige aandacht voor intellectuele-eigendomsrechten, waaronder bedrijfsgeheimen;
311. verzoekt de Commissie haar transparantieverplichting te waarborgen door bij aanbestedingsovereenkomsten ook informatie openbaar te maken met betrekking tot de aansprakelijkheid van fabrikanten, de data en hoeveelheden van de aan elke lidstaat geleverde doses, en bovendien de prijs van de verkochte doses;
312. verzoekt de Commissie het Europees Parlement op de hoogte en up-to-date te blijven houden met betrekking tot aankoopovereenkomsten en het Europees Parlement onverwijld toegang te verlenen tot de niet-geredigeerde versies van alle aankoopovereenkomsten;
313. verzoekt de Commissie de niet-geredigeerde versie van de aankoopovereenkomsten na de respectieve einddatum te publiceren voor het grote publiek, met inbegrip van alle informatie van openbaar belang, indien dit wettelijk mogelijk is;
314. dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de fabrikanten op aan transparant te zijn over mogelijke bijwerkingen van vaccins, met inbegrip van bekende bijwerkingen die door het EMA zijn vastgesteld, en om hierover, evenals over de voordelen en de doeltreffendheid van vaccinaties, op een consistente, uitgebreide en gecoördineerde manier te communiceren, waarbij de veiligheid van patiënten wordt gewaarborgd en vaccinatietwijfel, misinformatie en desinformatie worden voorkomen;
315. moedigt de lidstaten aan zich te blijven inspannen om tijdig en op adequate wijze gegevens over bijwerkingen te verzamelen en deze gegevens in te voeren in de databank voor geneesmiddelenbewaking; wijst op het belang van geneesmiddelenbewaking, van beperkende maatregelen om bijwerkingen te voorkomen, van het vaststellen van aansprakelijkheid en van het zorgen voor snelle schadeloosstelling in geval van schade veroorzaakt door fabrikanten;
(vii) EU-instellingen
316. dringt erop aan van HERA een autonoom EU-agentschap te maken met een sterk en welomschreven mandaat van de Raad en het Parlement (met inbegrip van een daadwerkelijke rol in industrieel onderzoek en een bijbehorend mandaat), hetgeen ook voor parlementaire controle en dus voor meer transparantie zou zorgen, en met meer middelen en een begroting om zijn mandaat te kunnen uitvoeren, terwijl het wordt gecoördineerd met andere gezondheidsinitiatieven van de EU en zijn activiteiten concentreert op de bescherming van het openbaar belang, onder meer door toegangsvoorwaarden en juridische mogelijkheden om technologieoverdracht en kennisdeling verplicht te stellen;
2.Een gecoördineerde aanpak met eerbiediging van de democratie en de grondrechten
(a) Vertrouwen opbouwen
(i) Betere en doeltreffendere EU-communicatie over gezondheid, met name met betrekking tot epidemieën of gezondheidscrises
317. benadrukt dat de COVID-19-pandemie gevolgen heeft gehad voor de uitoefening van de grondrechten, met name de rechten van bepaalde groepen, zoals ouderen, kinderen, vrouwen en jongeren, en een bijzonder negatief effect heeft gehad op reeds gemarginaliseerde groepen, waaronder, maar niet uitsluitend, personen met een handicap, migranten, mensen die geconfronteerd worden met racisme, sociaal achtergestelde personen en LHTBQIA+-personen; wijst erop dat vertrouwen in overheidsinstanties en -instellingen en in de wetenschap die wordt toegepast bij de besluitvorming van overheidsinstellingen onontbeerlijk is voor een effectieve respons op pandemieën en onbereikbaar is zonder transparantie en zonder communicatie op basis van wetenschappelijk bewijs in overeenstemming met de op dat moment beschikbare gegevens, die voor het grote publiek op een transparante en begrijpelijke manier wordt gebracht; erkent dat de verspreiding van wetenschappelijk of medisch onjuiste informatie tijdens de gezondheidscrisis ernstige schade heeft toegebracht aan de gezondheid van de bevolking van de EU en zelfs het leven van mensen die in de EU wonen in gevaar heeft gebracht; betreurt het politiek gemotiveerde gebruik van nepnieuws en desinformatie, en de pogingen om op die manier overheidsinstellingen te destabiliseren in tijden van crisis; merkt op dat de COVID-19-pandemie gevolgen heeft gehad voor het democratisch toezicht op en de transparantie van overheidsinstellingen; benadrukt dat deze ontwikkelingen een negatief effect hebben, niet alleen op het vertrouwen van de burgers in overheidsinstellingen, maar ook op de sociale samenhang; benadrukt dat betrouwbaarheid en consistente openbaarmaking van openbare documenten, samen met het op een voor het grote publiek duidelijke, effectieve en begrijpelijke manier communiceren van op wetenschap gebaseerde besluiten, de bereidheid van mensen om vrijwillige gezondheidsaanbevelingen op te volgen, vergroten en het vertrouwen van het publiek in het algemeen doen toenemen;
318. wijst erop dat besluiten over maatregelen die worden toegepast om pandemieën aan te pakken, in het bijzonder wanneer die een beperking van de vrijheid inhouden, gebaseerd moeten zijn op wetenschappelijke criteria en het advies van deskundigen ter zake door middel van formele, transparante besluitvormingsprocessen;
319. neemt kennis van de inspanningen van het EMA om met ongekende snelheid en frequentie duidelijke, transparante, nauwkeurige en tijdige informatie te verstrekken over de goedkeuring van en het toezicht op COVID-19-vaccins en -therapieën, en erkent dat het bureau al maatregelen heeft genomen om de transparantie van zijn regelgevende activiteiten inzake COVID‑19-vaccins en -behandelingen te vergroten; onderkent dat het bureau de transparantie, communicatie en beschikbaarheid van informatie verder moet verbeteren en verzoekt het bureau derhalve te zorgen voor volledige transparantie en beschikbaarheid van informatie over vaccins en de toelatingsprocedures daarvoor, teneinde het vertrouwen van het publiek te bevorderen en volledige informatie te verstrekken over openbare middelen en de besteding daarvan; erkent dat de communicatie van het bureau van cruciaal belang was om de burgers gerust te stellen en mis- en desinformatie tijdens de pandemie te bestrijden, en benadrukt dat het belangrijk is een hoog niveau van transparantie in het functioneren van het bureau te waarborgen; onderkent dat het ECDC, de Commissie en de lidstaten hun transparantie- en communicatiestrategieën in tijden van crisis moeten verbeteren;
320. wijst op verschillen tussen de vermogens van de lidstaten om desinformatie aan te pakken; merkt op dat dergelijke verschillen één van de factoren zijn die hebben bijgedragen tot ongelijkheden in de terughoudendheid ten aanzien van vaccins;
321. erkent dat, ondanks de verspreiding van desinformatie in de Unie, de EU-burgers en de samenleving in het algemeen zeer ingenomen waren met de vaccins tegen COVID-19 en benadrukt dat het grote verantwoordelijkheidsgevoel van de burgers essentieel was voor het goede verloop en het welslagen van de vaccinatiecampagne in veel lidstaten;
322. is van mening dat gezondheidseducatie, naast andere beleidsmaatregelen, waaronder communicatie met en nabijheid tot verleners van gezondheidszorg en andere relevante belanghebbenden, samen met het op begrijpelijke wijze overbrengen van wetenschappelijk bewijs en resultaten, mediawijsheid en transparantie van openbare procedures, op de gemeenschap gebaseerde oplossingen en de outreach van gemarginaliseerde gemeenschappen enkele van de belangrijkste factoren zijn om vaccinatietwijfel te verminderen;
(ii) Aanpakken van misinformatie en desinformatie en de rol van sociale media
323. benadrukt dat desinformatie een voortdurend veranderende uitdaging vormt die democratische processen en maatschappelijke debatten op alle beleidsterreinen negatief kan beïnvloeden, het vertrouwen van de burgers in de democratie kan ondermijnen en de Europese samenwerking en solidariteit kan ontmoedigen;
324. onderkent dat de Europese informatieruimte beter moet worden beschermd; neemt kennis van de snelle toename van mis- en desinformatie op sociale media en in de traditionele mediakanalen tijdens de pandemie, en beveelt met klem aan strategieën te ontwikkelen om misinformatie in tijden van crisis te voorkomen;
325. herinnert eraan dat desinformatie het best kan worden bestreden door het recht op informatie en de vrijheid van meningsuiting te beschermen en te waarborgen en pluralisme in de media en onafhankelijke journalistiek te ondersteunen; verzoekt de lidstaten in dit verband te zorgen voor transparantie bij het nemen van maatregelen in een crisissituatie en hun burgers volledige, actuele, nauwkeurige en objectieve informatie en gegevens te verstrekken over de situatie en de ter beheersing daarvan genomen maatregelen, teneinde desinformatie te bestrijden die erop gericht is de wetenschappelijke kennis over gezondheidsrisico’s in diskrediet te brengen of te verdraaien;
326. wijst erop dat de informatie begrijpelijk, consistent en wetenschappelijk onderbouwd moet zijn en tijdig moet worden verstrekt om misinformatie te voorkomen en zo een leidraad te vormen voor het publiek, de media en de zorgverleners en ervoor te zorgen dat de aanbevelingen op het gebied van volksgezondheid worden nageleefd;
327. is ingenomen met de herziening van de “praktijkcode betreffende desinformatie” in 2022 en ondersteunt krachtig de nieuwe toezeggingen ervan en beveelt een vroegtijdig verslag over het effect ervan aan;
328. is ingenomen met de voorgestelde Europese verordening mediavrijheid, die bedoeld is om de vrijheid en diversiteit van de media te behouden in het licht van instrumenten ter bestrijding van misinformatie; juicht het toe dat journalisten feiten controleren om misinformatie en desinformatie te bestrijden, met inachtneming van de grondrechten en het beginsel van persvrijheid; dringt erop aan méér middelen ter beschikking te stellen voor opleidingen over instrumenten ter bestrijding van misinformatie, en pleit voor een nauwere samenwerking tussen de media om de verspreiding van nepnieuws te vermijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in tijden van crisis hun inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat journalisten veilig hun werk kunnen doen, en om nieuwsmedia als een essentiële dienst te erkennen;
329. is ingenomen met de oprichting van een permanente taskforce voor misinformatie (de afdeling StratCom van de Europese Dienst voor extern optreden) om de omvang van misinformatie in de EU te monitoren, en is verheugd over het voorgestelde actieplan inzake Europese democratie om een gemeenschappelijke Europese strategie voor de bestrijding van misinformatie vast te stellen, alsook over het aanstaande pakket voor de verdediging van de democratie;
330. benadrukt dat desinformatiecampagnes, samen met cyberaanvallen, ook deel kunnen uitmaken van “hybride oorlogvoering” door buitenlandse mogendheden en bestreden moeten worden in het kader van een bredere veiligheidsstrategie;
331. is ingenomen met het gebruik van het reeds bestaande systeem voor snelle waarschuwing tijdens de COVID-19-crisis, dat specifiek was bedoeld om buitenlandse desinformatiecampagnes tegen te gaan; neemt kennis van het instrumentarium dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden samen zullen opstellen, waarin oplossingen voor het opbouwen van veerkracht, regelgeving en responsmaatregelen zijn opgenomen; roept de lidstaten op uitgebreider gebruik te maken van het systeem voor snelle waarschuwingen en andere passende middelen om de onderlinge samenwerking en die met de EU-instellingen te versterken, onder meer voor het delen van beschikbare informatie over de gezondheidsindicaties van de situatie ter plaatse en over de voortgang daarvan; benadrukt dat “outreach” en communicatie een essentiële rol hebben gespeeld bij de bestrijding van de pandemie;
332. is ingenomen met de oprichting van het Europees Waarnemingscentrum voor digitale media (EDMO), dat een onafhankelijke multidisciplinaire gemeenschap ter bestrijding van desinformatie over COVID-19 zal ondersteunen met behulp van een technologische infrastructuur met instrumenten en diensten; beveelt aan dat EDMO overheidsinstanties helpt met onderzoek dat binnen zijn bevoegdheden valt en een passende koppeling met het systeem voor snelle waarschuwingen tot stand brengt;
333. herinnert aan de rol van de media, met name de sociale media, als platform voor de verspreiding van mis- en desinformatie over COVID-19 en gezondheidsvraagstukken in het algemeen; benadrukt dat het bedrijfsmodel van veel socialemediaondernemingen stoelt op clickbait en derhalve op het opblazen van nepnieuws en haatzaaiende uitlatingen;
334. onderkent de beperkte medewerking van socialemediaplatforms, dat te wijten is aan een gebrek aan duidelijkheid in hun verslagen, en betreurt de verschillen tussen de lidstaten op het gebied van strategieën, advies en communicatie inzake vaccinatie, die soms resulteren in tegenstrijdige boodschappen aan specifieke doelgroepen, hetgeen dan weer kan leiden tot vaccinatietwijfel;
335. herinnert eraan dat het bedrijfsmodel van onlineplatforms nog altijd gegevensgestuurd is en dat het vermogen van onlineplatforms om grote hoeveelheden persoonsgegevens te verzamelen afhangt van het gebruik van algoritmen door socialemediaplatforms; is van mening dat algoritmen een rol spelen bij de versterking van onjuiste verhalen;
336. wijst erop dat het belangrijk is socialemediaplatforms te monitoren om inzicht te krijgen in lopende en opkomende trends bij desinformatie en nepnieuws; verzoekt de Commissie en de lidstaten om van deze platforms een grotere en sterkere samenwerking te verlangen, teneinde ervoor te zorgen dat het publieke debat gebaseerd is op vertrouwen, transparantie en correcte informatie;
337. is ingenomen met de goedkeuring van de digitaledienstenverordening(49) en de digitalemarktenverordening(50) in 2022, die tot doel hebben een veiligere digitale ruimte tot stand te brengen waarin de grondrechten van alle gebruikers van digitale diensten worden beschermd; erkent dat socialemediabedrijven transparanter moeten zijn over welke inhoud zij op hun platforms delen, welke politiek gevoelige reclameboodschappen er gepubliceerd zijn en welke gegevens zij bewaren voor toekomstig gebruik; is ingenomen met de bepalingen in de digitaledienstenverordening die voorschrijven dat zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines informatie moeten verstrekken over algoritmen, de toegang hiertoe mogelijk moeten maken, uitleg moeten geven over de werking ervan, het effect ervan op democratische en verkiezingsprocessen moeten beoordelen, en risicobeperkende maatregelen moeten nemen;
338. beveelt aan ondersteuning te geven aan gerichte maatregelen op het gebied van inclusiviteit in de periode van herstel na de pandemie, ter bescherming van de democratische ruimte en om deze representatief te maken voor alle geluiden in de samenleving; benadrukt dat digitale geletterdheid en mediawijsheid en grotere ondersteuning van kritisch denkvermogen voor gebruikers van sociale media van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van desinformatie en misinformatie;
339. bevestigt nogmaals hoe belangrijk het is dat het Parlement beschikt over een Bijzondere Commissie buitenlandse inmenging in alle democratische processen in de Europese Unie, met inbegrip van desinformatie (INGE), waaronder ook desinformatie en de versterking van de integriteit, transparantie en verantwoordingsplicht in het Europees Parlement;
(iii) Belang van betrokkenheid van de gemeenschap, met inbegrip van het luisteren naar en tegemoetkomen aan de zorgen van het publiek
340. beveelt aan vertegenwoordigers van lokale, regionale en territoriale overheden en gemeenschappen, waaronder verkozen ambtenaren, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en sociale partners, verder te betrekken bij het interinstitutionele proces op meerdere niveaus om vertrouwen op te bouwen, het op een duidelijke en begrijpelijke manier verstrekken van feitelijk correcte informatie aan alle leden van de samenleving te coördineren, en de actieve betrokkenheid van de bevolking in tijden van crisis te bevorderen; beveelt een principiële mensgerichte benadering aan bij de ontwikkeling van agenda’s en beleid voor noodhulp op gezondheidsgebied; beveelt aan dat de Commissie in haar wetgevingsvoorstellen in verband met pandemiebeheer ten volle rekening houdt met de resultaten van de openbare raadplegingen; herinnert in dit verband aan de belangrijke rol die de wetenschappelijke gemeenschap, patiëntenorganisaties, organisaties zonder winstoogmerk en niet-gouvernementele organisaties spelen bij het opbouwen en het vergroten van het vertrouwen van het publiek, en beveelt betere contacten met deze groepen aan;
341. onderkent de belangrijke rol die lokale overheden, met name regio’s en gemeenten, tijdens de pandemie hebben gespeeld doordat zij in de frontlinie stonden om gezondheidszorg te verlenen en ervoor te zorgen dat de tegenmaatregelen tegen de pandemie naar behoren werden uitgevoerd;
(b) COVID-19 en grondrechten
342. herhaalt het belang van goed functionerende controleprocedures en democratisch toezicht op nationaal en EU-niveau die gebaseerd zijn op de scheiding der machten tussen de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht, om ervoor te zorgen dat de nationale autoriteiten verantwoordelijk worden gehouden voor inbreuken op de vrijheid van vergadering, de vrijheid van meningsuiting, het recht op eigendom en de rechten van patiënten, en om te zorgen voor zekerheid en voorspelbaarheid bij wijzigingen in de regelgeving voor bedrijven; benadrukt dat elke beperking van de grondrechten in tijd beperkt moet zijn en in verhouding moet staan tot het tijdelijke, zwaarwegende belang van het beschermen van de bevolking; beveelt aan dat noodmaatregelen alleen van kracht zijn zolang ze nodig zijn; wijst er in dit verband op dat het belangrijk is vervalclausules toe te passen op noodmaatregelen, in overeenstemming met de nationale wetgeving; merkt op dat de nationale autoriteiten tijdens de pandemie over het algemeen noodmaatregelen hebben genomen om de volksgezondheid te beschermen; betreurt de gevolgen voor de mensenrechten, met name van de meest kwetsbare en gemarginaliseerde mensen;
343. stelt bezorgd vast dat in sommige gevallen lidstaten die de noodtoestand uitriepen of een vergelijkbaar regime afkondigden, dit noodinstrument hebben gebruikt om de vrijheid van vergadering van politieke tegenstanders in te perken en dit noodinstrument heeft aangegrepen als gelegenheid om omstreden wetgeving of ontwikkelingsplannen erdoor te drukken;
(i) COVID-19-certificaat, contacttraceringsapps en hun beveiliging
344. is ingenomen met het algemene succes van het digitale EU-covidcertificaat en herinnert aan het fundamentele belang ervan voor de bescherming van de volksgezondheid; herinnert eraan dat het certificaat doorslaggevend is geweest voor het waarborgen van het vrije verkeer en de integriteit van de eengemaakte markt zodra de volksgezondheidssituatie een versoepeling van de beperkingen toeliet; benadrukt het belang ervan als model voor de EU om, mocht dit in de toekomst nodig zijn, opnieuw succesvol digitale EU-brede gezondheidsoplossingen toe te passen; merkt op dat het digitale EU-covidcertificaat, in combinatie met de succesvolle opzet van een gecoördineerde EU-aanpak van de buitengrenzen, cruciaal is geweest voor het herstellen van het vrije verkeer van personen;
345. erkent de voordelen van het digitaal EU-covidcertificaat (EU DCC), dat gebaseerd is op opensourcetechnologieën en -normen, die de connectie van niet-EU-landen mogelijk maakt en het reizen binnen de EU en wereldwijd vergemakkelijkt; erkent dat een door de WHO opgezet mondiaal systeem van nut kan zijn bij het aanpakken van toekomstige mondiale bedreigingen voor de gezondheid; dringt erop aan dat het Parlement, als medewetgever, volledig wordt betrokken bij de vaststelling van een dergelijk toekomstig systeem op basis van het kader van het digitaal EU-covidcertificaat; verwacht van de Commissie dat zij een passend wetgevingsvoorstel indient indien een toekomstige pandemie dat vereist; herinnert aan de duidelijke termijn voor het gebruik van het EU-covidcertificaat in de EU als gevolg van de vaststelling van een vervalclausule; betreurt dat de Commissie eenzijdig heeft besloten de kwestie van infrastructuur, die politiek verbonden is met de oorspronkelijke EU-DCC-verordening, uit te sluiten; herhaalt deze vraag in verband met toekomstige EU- en mondiale systemen; dringt erop aan dat bij elk toekomstig systeem de beginselen van evenredigheid, subsidiariteit en noodzakelijkheid in acht worden genomen;
346. merkt op dat de EU over een sterk rechtskader voor gegevensbescherming beschikt om natuurlijke personen te beschermen bij de verwerking van hun persoonsgegevens; benadrukt dat het digitale EU-covidcertificaat en de bijbehorende contacttraceringsapps op basis van het protocol “Privacy-Preserving Proximity Tracing” (DP-3T) dit wetgevingskader eerbiedigden en tegelijkertijd het vrije verkeer van EU-burgers mogelijk maakten volgens de sanitaire regels die tijdens de crisis werden toegepast; benadrukt dat beide systemen door Europese privacydeskundigen zijn ontwikkeld en overal in de wereld zijn gebruikt; herinnert eraan dat het digitale EU-covidcertificaat coördinatie tussen de lidstaten mogelijk heeft gemaakt doordat het geharmoniseerde regels op Europees niveau inhield, waarmee divergerende systemen tussen de lidstaten en desorganisatie zijn vermeden;
347. betreurt dat de uiteenlopende benaderingen van de lidstaten en de vaststelling van nationale maatregelen inzake het gebruik van het digitale COVID-certificaat van de EU die verder gingen dan de doelstelling van het herstellen van het vrije verkeer van personen en mobiliteit het vertrouwen van het publiek in het instrument hebben ondermijnd; erkent dat diverse contacttraceringsmethoden en -instrumenten die op nationaal niveau zijn ingevoerd en gebruikt, onveilig of ondoeltreffend waren, of een inbreuk pleegden op de privacy; verzoekt de lidstaten lering te trekken uit dergelijke fouten;
(ii) Gevolgen voor de rechten van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen
348. is van mening dat de digitale kloof een punt van bezorgdheid is voor de paraatheid en de veerkracht van de EU, aangezien kwetsbare en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen in het bijzonder worden getroffen omdat zij doorgaans minder verbindingsmogelijkheden hebben; benadrukt dat gemarginaliseerde mensen en gemeenschappen, minderheden en mensen in een achterstandspositie in tijden van crisis veel zwaarder worden getroffen dan de bevolking in het algemeen; erkent dat de beperkingen van de fundamentele vrijheden, die gerechtvaardigd werden om redenen van volksgezondheid, deze bevolkingsgroepen onevenredig zwaar hebben getroffen, waardoor hun isolement en hun vervreemding van de bredere samenleving nog is verergerd;
349. onderkent dat het gebrek aan duidelijke rechtskaders en voldoende middelen heeft geleid tot indirecte discriminatie, ook tijdens triage, hetgeen heeft geleid tot ongelijke behandeling of bijzonder negatieve gevolgen voor bepaalde groepen, met name personen met een handicap; benadrukt dat om tijdens een pandemie met succes tegemoet te komen aan de behoeften van de armste en meest gemarginaliseerde mensen, de reactie op het gebied van gezondheid bij noodsituaties gebaseerd moet zijn op de beginselen van billijkheid en inclusie;
350. dringt erop aan dat maatschappelijke organisaties, belangenbehartigers en ethische commissies nauwer bij het ontwerp, de uitvoering en de monitoring van gezondheidsmaatregelen moeten worden betrokken, teneinde de grondrechten van kwetsbare en gemarginaliseerde personen in noodsituaties te beschermen;
351. verzoekt de lidstaten te evalueren hoe noodmaatregelen op het gebied van gezondheid minderheids- en/of gemarginaliseerde gemeenschappen onevenredig zwaar hebben getroffen;
352. onderkent dat uit eerder onderzoek naar pandemieën blijkt dat de prevalentie en de ernst van gendergerelateerd geweld in tijden van crisis wordt verergerd; benadrukt dat tijdens de lockdowns als gevolg van de pandemie gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en kinderen aanzienlijk is toegenomen, doordat de beperkende maatregelen een bijzonder gunstig klimaat voor misbruikers creëerden;
353. merkt op dat de Europese landen van de WHO een toename van 60 % hebben gemeld van het aantal noodoproepen van vrouwen die het slachtoffer waren van geweld door hun intieme partner en benadrukt in dit verband de bijzonder moeilijke situatie van vrouwen die te maken hebben met intersectionele discriminatie; merkt op dat vrouwen door de beperkte toegang tot ondersteunende diensten, zoals opvangcentra voor vrouwen en meldpunten, in veel gevallen geen plek hadden om hulp te zoeken; merkt bovendien op dat de digitalisering heeft geleid tot een waarneembare toename van online gendergerelateerd geweld, omdat misbruikende individuen hun slachtoffers of de meest kwetsbare mensen kunnen opsporen met behulp van digitale hulpmiddelen;
354. wijst erop dat de grotere kwetsbaarheid van de oudere bevolking is verergerd door hun kwetsbaarheid en slechtere prognoses als gevolg van hun hogere gemiddelde leeftijd en frequente comorbiditeit, hetgeen heeft geleid tot klinische complexiteit en een niet-uniforme aanpak van de zorg voor ouderen;
(c) Democratisch toezicht op de reactie op een pandemie
355. betreurt dat het Parlement tijdens de pandemie een zeer beperkte rol had, aangezien de beslissingen merendeels aan de uitvoerende macht werden overgelaten; herinnert eraan dat het Europees Parlement en de nationale parlementen ongeacht de urgentie hun grondwettelijke kerntaken van wetgeving, toezicht op de uitvoerende macht en vertegenwoordiging van de burgers moeten uitoefenen;
(i) Democratisch toezicht op de reactie op een pandemie op nationaal niveau
356. stelt vast dat er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan in de mate van parlementair toezicht op COVID‑19‑gerelateerde noodmaatregelen, hoewel toezicht door nationale parlementen een essentiële vereiste van de parlementaire democratie blijft, vooral in tijden waarin noodtoestanden worden ingevoerd, waardoor meer macht naar de uitvoerende macht verschuift, en dat efficiënt parlementair toezicht een rechtskader vereist dat de rechten van parlementsleden van de oppositie en minderheidspartijen waarborgt; benadrukt dat het wetgevingskader moet waarborgen dat het besluit tot afkondiging van de noodtoestand een vervalclausule en een evaluatieclausule bevat, dat de begrotingscontrole door de parlementen wordt geëerbiedigd, indien mogelijk samen met onafhankelijke controles, en dat de parlementen betrokken zijn bij de oprichting van wetenschappelijke commissies;
357. erkent dat noodtoestandmaatregelen van tijdelijke aard moeten blijven en dat regeringen moeten vermijden dat ze langer van kracht blijven dan de duur van de crisis; benadrukt dat de rechtsstaat zelfs tijdens dergelijke noodsituaties te allen tijde moet worden gewaarborgd;
358. wijst erop dat het parlementaire toezicht tijdens de pandemie beperkt was en merkt op dat de nationale autoriteiten tijdens de pandemie strenge noodmaatregelen hebben genomen om de volksgezondheid te beschermen;
359. erkent dat “checks-and-balances” en de scheiding der machten in de lidstaten van de EU als gevolg van de vaststelling van noodwetten niet altijd gewaarborgd noch altijd aanwezig waren;
360. merkt op dat de lidstaten organen, autoriteiten en procedures hebben ingesteld om wetenschappelijk advies te verstrekken over de formulering van overheidsbeleid en de vaststelling van maatregelen, ook in crisissituaties; stelt voor dat bij toekomstige crises, zoals pandemieën, de namen van de leden en professionals van deze deskundigengroepen moeten worden doorgestuurd naar de nationale parlementen ter controle en kennisneming, in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijken;
361. onderkent dat rechtbanken een belangrijke rol hebben gespeeld bij de toetsing van noodwetten aan de grondwet van de betreffende lidstaten; neemt met bezorgdheid kennis van de volledige sluiting van rechtbanken in bepaalde lidstaten, waardoor in feite elke mogelijkheid werd uitgeschakeld om de beperkende maatregelen aan te vechten die waren ingevoerd in reactie op de pandemie of voor andere aangelegenheden, met name die ter bescherming van de uitoefening van niet-afwijkende en absolute rechten waarin wordt voorzien door artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM); benadrukt dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de rechtsstaat tijdens pandemieën gewaarborgd moeten zijn;
362. is van mening dat in de nasleep van de pandemie en gedurende de aanhoudende oorlog van Rusland tegen Oekraïne het waarborgen van transparantie en verantwoordingsplicht als kernbeginselen die verankerd zijn in de Europese democratische waarden van cruciaal belang is en dat daarvoor systematische plannen in plaats van ad-hocmaatregelen moeten worden opgesteld;
363. betreurt dat de crisis de reeds bestaande uitdagingen voor de democratie, de grondrechten, “checks-and-balances”, en de rechtsstaat in sommige lidstaten heeft verergerd; betreurt het dat de lidstaten met het oog op het vaststellen van buitengewone maatregelen soms instrumenten hebben gebruikt die als niet-grondwettelijk werden beschouwd; maakt zich zorgen over de verspreiding van complottheorieën, politiek extremisme en haatzaaiende uitlatingen tijdens de pandemie in de meeste lidstaten, en beschouwt dit als een bedreiging voor de Europese democratieën en de Europese waarden; benadrukt dat overheden deze ontwikkeling serieus moeten nemen en sectoroverschrijdend moeten aanpakken;
(ii) Democratisch toezicht op de reactie op een pandemie op EU-niveau
364. is bezorgd over het feit dat de uitvoerende macht tijdens de pandemie de overhand had bij de besluitvorming in noodsituaties, waardoor de prerogatieven van het Parlement en zijn vermogen om politiek toezicht uit te oefenen werden ondermijnd; is van mening dat de bestaande maatregelen opnieuw moeten worden geëvalueerd om de prerogatieven van het Parlement te vrijwaren; verzoekt de Commissie en de Raad het gebruik van artikel 122 VWEU te beperken en de parlementaire controle uit te breiden, met inbegrip van het wetgevingsinitiatief van het Europees Parlement bij noodmaatregelen en medezeggenschap voor verschillende instrumenten om de legitimiteit van noodmaatregelen te versterken;
365. merkt op dat het Parlement tijdens de COVID-19-pandemie buitengewone maatregelen heeft goedgekeurd en innovatieve acties heeft ondernomen die het mogelijk maakten zijn werkzaamheden voort te zetten, zijn taken uit te voeren en zijn prerogatieven op het gebied van wetgeving, begroting, controle en toezicht uit hoofde van de Verdragen uit te oefenen, en tegelijkertijd de gezondheid van de leden, het personeel en andere personen tijdens de pandemie te beschermen; benadrukt dat het Parlement zijn tolkdiensten in de 24 officiële EU-talen kan voortzetten, zelfs tijdens vergaderingen op afstand;
366. dringt aan op meer coördinatie tussen de EU-instellingen bij het nemen van buitengewone maatregelen en wijst erop dat de uitdagingen van de digitalisering moeten worden aangepakt om ervoor te zorgen dat de EU-instellingen, met name het Parlement, hun mandaten en verantwoordelijkheden kunnen vervullen door middel van fysieke bijeenkomsten, zoals plenaire vergaderingen en interinstitutionele onderhandelingen (trialogen); erkent evenwel de waarde van digitale oplossingen en oplossingen op afstand wanneer noodsituaties daarom vragen, met name om redenen in verband met de volksgezondheid;
367. benadrukt dat de pandemie en de aansluitende aanpassing van de werkmethoden van de instellingen de behandeling van verzoeken om toegang tot documenten mogelijk hebben vertraagd; wijst erop dat het van essentieel belang is dat de instellingen mechanismen tot stand brengen waarmee zelfs tijdens een crisis het hoogste niveau van transparantie en toegang tot documenten kan worden gewaarborgd;
(d) COVID-19 en de beperkingen van de lidstaten op het vrije verkeer van personen
368. benadrukt dat verschillende Schengenlanden als reactie op COVID-19-besmettingen opnieuw controles aan de binnengrenzen hebben ingevoerd of hun grenzen hebben gesloten, zonder epidemiologische criteria, of beperkingen hebben opgelegd aan bepaalde categorieën reizigers, waaronder EU-burgers en hun gezinsleden en niet-EU-burgers die op hun grondgebied of dat van een andere lidstaat verbleven, waardoor het beginsel van vrij verkeer en de essentie van de Schengensamenwerking werden ondermijnd; vreest dat deze reisbeperkingen en -maatregelen de integriteit van het Schengengebied in het gedrang hebben gebracht, de werking van de interne markt hebben ondermijnd en negatieve gevolgen hebben gehad voor de economie;
369. wijst erop dat het gebrek aan coördinatie tussen de lidstaten en de juridische onzekerheid rond de door de lidstaten ingevoerde reisbeperkingen zowel voor reizigers als voor de toerismesector aanzienlijke gevolgen hebben gehad;
370. stelt vast dat de lidstaten de Commissie niet altijd in kennis hebben gesteld van nieuwe grenscontroles of de verplichte verslagen hebben ingediend waarin onder meer de doeltreffendheid en evenredigheid van hun controles aan de binnengrenzen achteraf worden beoordeeld, en dat deze verslagen, wanneer zij werden ingediend, vaak onvoldoende informatie over deze kwesties bevatten; erkent dat dit van invloed is geweest op het vermogen van de Commissie om een gedegen analyse uit te voeren van de mate waarin de grenscontrolemaatregelen in overeenstemming waren met de Schengenwetgeving; herhaalt dat controles aan de binnengrenzen evenredig moeten zijn, slechts in laatste instantie mogen worden uitgevoerd en van beperkte duur moeten zijn, en benadrukt dat de Commissie nauwlettend moet toetsen of de controles aan de binnengrenzen in overeenstemming zijn met de Schengenwetgeving, de verzameling van gegevens over reisbeperkingen moet stroomlijnen en meer bruikbare richtsnoeren moet geven voor de uitvoering van controles aan de binnengrenzen;
371. benadrukt dat de Commissie in 2020 richtsnoeren voor maatregelen op het gebied van grensbeheer heeft gepubliceerd ter bescherming van de gezondheid en ter waarborging van de beschikbaarheid van goederen en essentiële diensten, zodat de lidstaten de continuïteit van de werking van toeleveringsketens op de interne markt kunnen waarborgen en mogelijke tekorten kunnen voorkomen, samen met richtsnoeren betreffende de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers tijdens de uitbraak van COVID-19 om met name werknemers in kritieke beroepen in staat te stellen activiteiten in verband met essentiële diensten te verrichten; is ingenomen met de actie die is ondernomen voor de invoering van “groene corridors” ter vrijwaring van de werking van de eengemaakte markt en het vrije verkeer van goederen, maar dringt erop aan dat er op maat sneden plannen worden ontwikkeld om het vrije verkeer van grensoverschrijdende werknemers en personen bij toekomstige crisissen te waarborgen; herinnert eraan dat er problemen waren met het functioneren van de groene corridors op sommige routes omdat er geen minimumniveau van diensten en bevoorrading was, hetgeen negatieve gevolgen had voor chauffeurs en vervoerspersoneel;
372. neemt kennis van het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)(51), waarin onder meer wordt ingegaan op het vermogen van de Schengenlidstaten om op uniforme wijze te reageren op grote bedreigingen voor de volksgezondheid; benadrukt dat de lidstaten in geval van gezondheidscrises een gecoördineerde aanpak moeten volgen om ervoor te zorgen dat de herinvoering van controles aan de binnengrenzen door de lidstaten slechts in laatste instantie en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebeurt, en om te waarborgen dat het asielrecht en het beginsel van non-refoulement tijdens gezondheidscrises worden geëerbiedigd;
(e) Conclusies
373. onderkent dat de Europese en nationale instellingen tijdens de crisis geconfronteerd werden met uitzonderlijke situaties waarin bepaalde kwesties dringend moesten worden aangepakt; wijst er evenwel op dat transparantie en verantwoordingsplicht met name in tijden van crisis een prioriteit moet blijven om het vertrouwen van de burgers in de werking van overheidsinstellingen op te bouwen en te behouden; wijst erop dat er op EU- en nationaal niveau paraatheidsplannen nodig zijn en dat deze gebaseerd moeten zijn op eerbiediging van de grondrechten en de rechtsstaat, om inbreuken in tijden van crisis te voorkomen;
374. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de hoogste normen worden nageleefd bij de bescherming van het openbaar belang; dringt er bij de Commissie op aan om bij het bewerken van officiële documenten de specifieke uitzondering op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001(52) te vermelden, die wordt toegepast voor elke afzonderlijke bewerking, in plaats van voor het document als geheel;
375. beveelt de lidstaten aan om mediawijsheid en digitale geletterdheid, burgerschapsvorming, eerbiediging van de grondrechten, kritisch denken en bevordering van publieke participatie op te nemen in de leerplannen van scholen en universiteiten, naast inspanningen om volwassenen bewuster te maken;
376. wijst op het belang en de noodzaak, tijdens pandemieën, van een betere dialoog tussen gezondheidswerkers, de betrokken overheidsinstanties, onderzoeksgroepen en de farmaceutische industrie met betrekking tot de communicatie over ziekten en richtsnoeren voor toekomstige pandemieën en gezondheidscrises;
377. verzoekt de Commissie en de lidstaten daarnaast een strategie te ontwikkelen voor het aanpakken van de negatieve effecten van “infodemieën” tijdens toekomstige crises;
378. beveelt de Europese instellingen en de lidstaten aan richtsnoeren op te stellen voor de manier waarop ethische kwesties moeten worden aangepakt die zich tijdens een gezondheidscrisis of een andere crisis kunnen voordoen; is van mening dat deze richtsnoeren in het bijzonder gericht moeten zijn op de manier waarop de meest kwetsbare groepen moeten worden beschermd en op de manier om ervoor te zorgen dat hun rechten ook in een crisissituatie worden gewaarborgd; benadrukt het belang van het betrekken van relevante belanghebbenden bij de ontwikkeling van deze richtsnoeren, met inbegrip van maar niet beperkt tot gehandicaptenorganisaties, LHTBQIA+-organisaties, vrouwenrechtenorganisaties en organisaties die personen vertegenwoordigen die op grond van ras worden gediscrimineerd, waaronder organisaties die migranten vertegenwoordigen;
379. verzoekt de lidstaten een eind te maken aan discriminerende triagepraktijken, met name praktijken waarbij leeftijd, reeds bestaande medische aandoeningen en levenskwaliteit als uniek criterium worden gehanteerd, en via advisering en opleiding te zorgen voor betere toegang tot gezondheidszorg voor mensen met een handicap; beveelt aan dat, in situaties waarin gezondheidswerkers niet iedereen hetzelfde zorgniveau kunnen bieden, de medische richtsnoeren niet-discriminerend moeten zijn en rekening moeten houden met het internationale recht en bestaande ethische richtsnoeren voor zorg bij rampen en noodsituaties; herhaalt dat de autoriteiten bij het uitwerken van deze richtsnoeren rekening moeten houden met hun verplichtingen uit hoofde van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met name artikel 11 (risicosituaties en humanitaire noodsituaties); benadrukt dat er met name ondersteuning nodig is van mensen met een handicap die meervoudig worden gediscrimineerd;
380. verzoekt de lidstaten de oplopende niveaus van huiselijk geweld tijdens beperkende maatregelen aan te pakken door middel van bewustmaking, verstrekking van informatie in een veilige omgeving, het openstellen van opvanglocaties voor slachtoffers, het ontwikkelen van virtuele of digitale oplossingen en het blijven uitvaardigen van beschermingsbevelen en het berechten van daders van huiselijk geweld tijdens lockdowns;
381. dringt er bij de Commissie op aan richtsnoeren op te stellen voor noodsituaties op gezondheidsgebied met betrekking tot de grondrechten van kinderen, jongeren en gezinnen, waaronder richtsnoeren voor het vergemakkelijken van de toegang tot buitenruimten met het oog op de epidemiologische situatie;
382. verzoekt de Commissie en de lidstaten concrete maatregelen voor te stellen voor het ondersteunen en beschermen van gemarginaliseerde mensen en gemeenschappen, minderheden en mensen in een achterstandspositie tijdens crises, zowel op sociaal-economisch niveau als wat sociale en culturele inclusie betreft;
383. benadrukt de problemen waar de LHTBQIA+-gemeenschap, en met name transgenders, mee kampte in verband met toegang tot medische zorg tijdens de pandemie, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan mechanismen te ontwikkelen om dit tijdens een toekomstige potentiële gezondheidscrisis of andere crisis tegen te gaan; herinnert de Commissie en de lidstaten aan de specifieke bescherming die regenboogfamilies mogelijkerwijs nodig hebben in een nood- of crisissituatie, met name in lidstaten waar hun wettelijke status onduidelijk is;
384. herinnert eraan dat er behoefte is aan meer solidariteit tussen de lidstaten, met name in tijden van crisis; betreurt het blokkeren van essentiële goederen, geneesmiddelen, medische apparatuur en uitrusting gedurende de meest kritieke fasen van de crisis; verzoekt de Commissie om in de toekomst meer solidariteit te bevorderen en passende maatregelen voor te stellen om sancties op te leggen aan lidstaten die verantwoordelijk zijn voor dit soort unilaterale initiatieven;
385. herinnert de lidstaten eraan dat het opnieuw invoeren van controles aan de binnengrenzen alleen als laatste redmiddel mag worden ingezet in uitzonderlijke situaties zoals een ernstige bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, en altijd met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel;
386. verzoekt de lidstaten te overwegen de manier waarop nationale wettelijke regelingen voorbereid waren op de maatregelen die voor de pandemie nodig waren aan een beoordeling achteraf te onderwerpen, om hun paraatheid en wettelijk kader te optimaliseren voor toekomstige crises;
387. benadrukt dat de lidstaten ook tijdens crises en noodsituaties voor democratisch toezicht moeten zorgen; benadrukt het belang van “checks-and-balances” en van transparante publieke besluitvorming, alsook van participatie van en informatieverstrekking aan burgers op een laagdrempelige en begrijpelijke wijze; herinnert eraan dat al deze factoren cruciaal zijn voor het opbouwen van vertrouwen in overheidsinstellingen en autoriteiten, en dat vertrouwen één van de hoekstenen is van veerkrachtige democratische samenlevingen;
388. verzoekt de Commissie en de lidstaten met passende wetgevingsoplossingen te komen, zoals, bij wijze van voorbeeld, een Europees kader met minimumcriteria om de waardigheid en de juiste behandeling van geïnstitutionaliseerde personen tijdens pandemieën te waarborgen;
389. roept de EU en de lidstaten op mechanismen in te stellen die tijdens crisissituaties beschikbaar moeten zijn om alle vormen van gendergerelateerd geweld, waaronder mensenhandel, prostitutie, seksuele uitbuiting en verkrachting, te voorkomen en te bestrijden; beveelt aan om een EU-protocol te ontwikkelen voor de bescherming van slachtoffers van gendergerelateerd geweld in tijden van crisis en noodsituaties en om dit als een “essentiële dienst” in de lidstaten aan te merken;
3.Sociale en economische effecten
(a) De gevolgen van COVID-19-maatregelen, waaronder lockdowns, voor werknemers, bedrijven en consumenten
390. merkt op dat de schok van de pandemie voor de arbeidsmarkten in 2020 krachtig was en dat het herstel in het algemeen snel is verlopen, maar ongelijk was tussen de lidstaten; merkt op dat het herstel is ondersteund door beleidsinterventies en aanzienlijke overheidssteun op nationaal en EU-niveau; wijst erop dat de lidstaten met uiteenlopende maatregelen op de moeilijke situatie van de COVID-19-pandemie hebben gereageerd, waardoor de gevolgen van de pandemie voor het functioneren van bedrijven en de arbeidsmarkt verschillend waren; benadrukt dat, hoewel de werkgelegenheid in de EU over het algemeen binnen twee jaar is hersteld tot het niveau van voor de crisis, vergeleken met bijna acht jaar na de mondiale financiële crisis, de reactie van de EU en de lidstaten over het algemeen nog niet voldoende is geweest om terug te keren naar het niveau van voor de pandemie, terwijl de daaropvolgende crisis de situatie in de EU verder heeft verslechterd;
391. benadrukt de diepgaande, algemene, wijdverbreide sociaal-economische gevolgen van de pandemie voor de Europese samenlevingen, die tot veel leed voor en een enorme druk op werknemers heeft geleid; wijst erop dat de schok voor de arbeidsmarkt dramatisch is geweest, met name voor laagbetaalde banen, laaggeschoolde werknemers en in het algemeen gemarginaliseerde mensen en gemeenschappen, en betreurt dat de bestaande economische verschillen binnen de EU door de pandemie zijn vergroot;
392. merkt op dat het banenverlies tijdens de pandemie geconcentreerd was in laagbetaalde banen en bij werknemers met atypische arbeidsovereenkomsten, en dat uit de statistieken is gebleken dat meer vrouwen zijn getroffen dan mannen(53), maar dat het herstel van de werkgelegenheid in 2021 werd aangedreven door groei in goedbetaalde banen en beroepen(54); benadrukt dat de pandemie onevenredig grote gevolgen heeft gehad op bepaalde categorieën werknemers, zoals zelfstandigen, werknemers in gefeminiseerde sectoren, platformwerkers, freelancers, tijdelijke werknemers, met inbegrip van onderaannemers, seizoensarbeiders en tijdelijke werknemers, grensoverschrijdende werknemers en werknemers in de culturele en creatieve sectoren, het toerisme, de horeca en de detailhandel; stelt vast dat de inkomenskloof in de EU als gevolg van de pandemie groter is geworden en dat de sociaal-economische ongelijkheid is toegenomen;
393. wijst erop dat jongeren sterk zijn getroffen door de crisis, die hun vooruitzichten op werk heeft aangetast en hun opleiding heeft verstoord;
394. stelt vast dat de toename van de jeugdwerkloosheid te wijten is aan de oververtegenwoordiging van jonge mensen in onzekere banen, zoals parttimewerk, werk voor bepaalde duur of uitzendwerk; benadrukt dat veel jongeren geen toegang hadden tot minimuminkomensregelingen in EU-landen;
395. wijst erop dat ongeveer 90 % van de kmo’s aangaf in de eerste maanden van de pandemie economische gevolgen te hebben ondervonden, waarbij de zwaarst getroffen sectoren de diensten waren, met een omzetdaling van 60 % tot 70 %; merkt op dat de levensmiddelensector volgde met een daling van 10 % tot 15 %; wijst erop dat 30 % van alle kmo’s heeft gemeld dat hun omzet met ten minste 80 % is gedaald en dat de horeca in de EU het zwaarst is getroffen, aangezien in die sector tussen het vierde kwartaal van 2019 en het vierde kwartaal van 2020 meer dan 1,6 miljoen banen verloren zijn gegaan;
396. benadrukt dat de meeste landen afhankelijk waren van toerisme(55) en dat sommige zodoende een veel grotere schok in het bbp ondergingen als gevolg van de lockdowns tijdens de pandemie dan andere vanwege de zeer moeilijke epidemiologische situaties en de reeds bestaande sociaal-economische omstandigheden, waaronder een van de belangrijkste bronnen van economische activiteit; stelt vast dat het banenverlies in de horeca en het toerisme het reeds bestaande tekort aan gekwalificeerd en geschikt personeel verder heeft vergroot, waardoor het vasthouden van talent nu nog moeilijker is;
397. is ingenomen met de inspanningen van de lidstaten om kmo’s te helpen met regelingen zoals leninggaranties of subsidies, als buitengewone maatregelen in tijden van crisis; betreurt evenwel de verschillen in de nationale economische reacties op de pandemie wat betreft de omvang en de vorm van de toegekende steun, met name voor kmo’s, en erkent daarbij de uiteenlopende sociaal-economische situaties van de lidstaten; merkt op dat kmo’s in alle Europese landen gebruik hebben gemaakt van de regeling voor tijdelijke werkloosheid om hun werknemers en ondernemingen te beschermen en dat de lidstaten ook inkomenssubsidies hebben ingevoerd om het inkomensverlies van zelfstandigen te dekken; is ingenomen met het werk dat EU-OSHA heeft verricht om de bescherming van de gezondheid op het werk tijdens de crisis te bevorderen;
398. wijst erop dat uit het speciaal verslag van de IAO over de gevolgen voor de werkgelegenheid voor jongeren is gebleken dat de arbeidsmarkt voor jongeren er tijdens de pandemie driemaal slechter aan toe was dan die voor volwassenen;
399. merkt op dat de arbeidsmarkt nog steeds te lijden heeft onder de gevolgen van de pandemie en dat de overgrote meerderheid van de werknemers getroffen is door langdurige sluitingen en beperkingen;
400. benadrukt de enorme impact van COVID-19 op werknemers in de gezondheidszorg, zowel direct in de zin van gezondheidsrisico’s, infecties en het sterfterisico, als indirect op hun arbeidsomstandigheden, arbeidsuren, druk en stress; herinnert eraan dat de pandemie de druk op gezondheidswerkers nog heeft vergroot doordat zij extra uren moesten werken en werden blootgesteld aan een ongekende fysieke en mentale druk; wijst erop dat tijdens de crisis gezondheidswerkers het recht op een veilige en beschermde arbeidsomgeving is ontzegd; erkent de impact van COVID-19 op de sectoren sociale zorg en gezondheidszorg, met name wat betreft financiering, personeel en andere middelen;
401. neemt kennis van de negatieve impact van de COVID-19-pandemie op de geestelijke gezondheid van ondernemers en werknemers die worstelden met de druk om banen te behouden en hun bedrijf draaiende te houden; benadrukt de belangrijke rol die een constructieve sociale dialoog en collectieve onderhandelingen hebben gespeeld bij het beperken van de negatieve gevolgen van de pandemie en bij het bereiken van consensus over gerichte maatregelen ter bescherming van de werknemers en bedrijven die het hardst door de crisis zijn getroffen;
402. stelt vast dat de EU snel heeft gereageerd op de door de pandemie veroorzaakte economische recessie door de regels voor staatssteun te versoepelen, de begrotingsregels op te schorten, het tijdelijke Europees instrument genaamd “Steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand” (SURE) en NextGenerationEU in te voeren en te investeren in de gezamenlijke financiering van vaccins; onderkent dat de lidstaten dankzij het optreden van de monetaire en politieke autoriteiten van de EU gemakkelijk geld konden uitgeven en lenen; erkent de uiteenlopende gevolgen van de pandemie voor het bbp van de lidstaten, waarbij bepaalde landen en insulaire regio’s grotere schokken ondervinden als gevolg van factoren zoals een slechtere epidemiologische situatie, die tot strengere lockdowns leidt, en verschillende reeds bestaande sociaal-economische structuren;
403. is ingenomen met de inspanningen van de EU om snel tijdelijke economische maatregelen in te voeren, zoals het tijdelijke pandemie-noodaankoopprogramma van de Europese Centrale Bank, het in werking stellen van de algemene ontsnappingsclausule in het stabiliteits- en groeipact en de goedkeuring door de Commissie van een buitengewoon kader voor staatssteun om lidstaten en bedrijven te helpen; wijst erop dat de lidstaten dankzij het optreden van de monetaire en politieke autoriteiten van de EU ook gemakkelijk geld konden uitgeven en lenen;
404. is ingenomen met de maatregelen en instrumenten die daarop volgden, met de ontwikkeling van SURE, de herstel- en veerkrachtfaciliteit en NextGenerationEU, waarvoor de EU 800 miljard EUR aan subsidies en leningen heeft toegezegd; benadrukt dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit en SURE een belangrijke rol hebben gespeeld bij het verzachten van de economische en sociale gevolgen van de pandemie om onze burgers aan het werk te houden; erkent echter de noodzaak om op de lange termijn over te gaan op structurele financiële steunmaatregelen, en met name het belang van een instrument voor werklozen, zoals SURE, dat in gebruik blijft zolang de huidige uitzonderlijke situatie voortduurt, gebaseerd blijft op leningen en snel geactiveerd wordt in geval van nieuwe externe financiële of economische schokken;
405. verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat het SURE-instrument steun blijft verlenen aan werktijdverkorting, aan het inkomen van werknemers en aan werknemers die tijdelijk worden ontslagen als gevolg van de huidige uitzonderlijke situatie en de daaruit voortvloeiende gevolgen;
406. spoort de lidstaten aan het potentieel van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, met inbegrip van leningen, volledig te benutten om de effecten van de pandemie en de in het verschiet liggende uitdagingen op te vangen; wijst erop dat vertragingen bij de goedkeuring van nationale herstel- en veerkrachtplannen door de lidstaten ernstige gevolgen hebben gehad voor het vermogen van lokale en regionale overheden om de gevolgen van de pandemie voor hun gemeenschappen, bedrijven en burgers adequaat aan te pakken, hetgeen kan hebben geleid tot een verslechtering van de lokale en regionale economische situatie op lange termijn; wijst er met het oog op toekomstige crises op dat de in de nationale herstel- en veerkrachtplannen overeengekomen hervormingen moeten worden doorgevoerd om te zorgen voor een snellere en doeltreffende uitvoering van de fondsen van NextGenerationEU, waardoor de lidstaten opnieuw een gelijk speelveld kunnen creëren dat van vitaal belang is voor de ondersteuning van het herstel van regio’s en gemeenten in de EU die met economische onzekerheid worden geconfronteerd;
407. is van mening dat er problemen in verband met de transparantie zijn met betrekking tot het ontwerp en de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, waaronder het ontbreken van duidelijke verplichtingen om gegevens over de besteding van de ontvangen middelen bekend te maken en het gebrek aan gemeenschappelijke normen voor het delen van gegevens, waardoor een aanzienlijk risico op corruptie ontstaat; beveelt de lidstaten aan zich meer in te spannen om gegevens over hun nationale herstelplannen uit te wisselen en om de nationale herstel- en veerkrachtmechanismen met de steun van de Commissie te optimaliseren; is ingenomen met de REPowerEU-verordening op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn informatie te publiceren over de 100 belangrijkste begunstigden van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; dringt aan op duidelijke toezeggingen van de lidstaten om gegevens over eindbegunstigden en informatie over de bestemming van de ontvangen middelen te publiceren; benadrukt de noodzaak om de risico’s van corruptie en ineffectieve uitgaven aan te pakken;
408. benadrukt dat het belangrijk is toegankelijke informatie te geven over de leningen en subsidies die met de herstel- en veerkrachtfaciliteit ten belope van 700 miljard EUR zijn ondersteund; geeft aan dat het met name gaat om informatie van de lidstaten over de naleving van de voorwaarden voor de toekenning van EU-fondsen en om maatregelen ter waarborging van overheidstoezicht op de door de lidstaten bereikte mijlpalen;
409. merkt op dat de investeringen door de herstel- en veerkrachtfaciliteit in de groene transitie en digitale transformatie zouden moeten bijdragen aan het vergroten van de open strategische autonomie en onafhankelijkheid van de EU, en dat volgens de Commissie wordt verwacht dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit een belangrijke impuls zal geven aan de uitvoering van de industriële strategie van de EU en zo zal bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de industrieën van de EU;
410. erkent het succes van tijdelijke staatssteunkaders en -investeringen voor het terugbrengen van veel EU-lidstaten naar het bbp van voor de pandemie, het behouden van werkgelegenheid en het draaiende houden van bedrijven;
411. benadrukt dat SURE tot op heden 100 miljard EUR aan financiële bijstand heeft toegewezen aan 19 lidstaten, dat NextGenerationEU-leningen aan zeven lidstaten zijn uitbetaald en dat de toewijzing aan andere lidstaten gaande is;
412. merkt op dat de EU-instrumenten voor economische steun in heel Europa 31 miljoen mensen hebben geholpen hun baan te behouden en 2,5 miljoen ondernemingen hun bedrijf draaiende te houden, en dat deze ondersteuningsinstrumenten, in combinatie met bestaande nationale tijdelijke regelingen, het werkloosheidscijfer in Europa met 1,5 miljoen hebben helpen verminderen;
413. erkent dat sommige lokale en regionale overheden een belangrijke rol spelen door van de bescherming van de volksgezondheid een prioriteit te maken en tegelijkertijd met succes de economische activiteiten in stand te houden; dringt aan op erkenning van de rol van familiebedrijven, die vaak een sterke band hebben met de lokale gemeenschap waarin ze actief zijn, en die tijdens de pandemie prioriteit hebben gegeven aan het behoud van werknemers en daarmee aan het ondersteunen van het economisch herstel, en van vervoerspersoneel, wier voortdurende inspanningen de levering van essentiële goederen en geneesmiddelen hebben zekergesteld;
(c) De gevolgen van COVID-19-maatregelen, waaronder lockdowns, voor vrouwen en meisjes, jongeren en kinderen
(i) Vrouwen en meisjes
414. benadrukt dat de COVID-19-pandemie negatieve gevolgen heeft gehad voor gendergelijkheid; onderkent dat vrouwen nog steeds het grootste deel van de onbetaalde zorg op zich nemen, zoals huishoudelijk werk, kinderopvang en werk dat met kinderen te maken heeft; wijst op de centrale rol en de oververtegenwoordiging van vrouwen die werken in beroepen die als “essentieel” worden aangemerkt, zoals de sociale sector, de zorgsector, de schoonmaaksector, het onderwijs, de gezondheidszorg en de detailhandel, die onze samenlevingen draaiende hielden tijdens de COVID-19-crisis, en wijst erop dat de pandemie bestaande ongelijkheden en structurele uitdagingen waarmee vrouwen en meisjes in al hun diversiteit worden geconfronteerd, in het bijzonder degenen die het risico lopen op intersectionele discriminatie, aan het licht heeft gebracht en verergerd;
415. merkt op dat er sterkere negatieve economische gevolgen kunnen worden waargenomen bij vrouwen dan bij mannen, dat de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen in bepaalde sectoren is gestagneerd of afgenomen en dat dit grote gevolgen kan hebben voor de pensioenen van vrouwen doordat de reeds grote pensioenkloof nog groter wordt en het risico op armoede en economische afhankelijkheid toeneemt;
416. onderkent dat in 2020 3,6 % van de werkgelegenheid voor vrouwen verloren is gegaan, tegenover 2,9 % van de werkgelegenheid voor mannen, en dat het grootste verlies zich voordeed in Noord- en Zuid-Amerika, gevolgd door Azië en de Stille Oceaan, Europa en Centraal-Azië, en Afrika; merkt op dat er in 2021 nog steeds 20 miljoen minder vrouwen aan het werk waren dan vóór de pandemie, tegenover 10 miljoen minder mannen; benadrukt dat vrouwen tijdens de lockdowns meer problemen met het combineren van werk en privéleven hebben ondervonden en dat de langetermijneffecten van deze crisis vrouwen waarschijnlijk ernstiger zullen treffen als gevolg van de gendergerelateerde sociale rol in het geval van zorgwerk; merkt op dat vrouwen oververtegenwoordigd waren in de zwaarst getroffen sectoren, zoals de horeca en de voedingssector, de verwerkende industrie, de verzorging en de formele gezondheidszorg; is van mening dat degenen die zorg verlenen in het centrum van de pandemie stonden; merkt op dat een groot percentage van de werknemers in de zorg vrouwen zijn die te maken hebben met ongelijke beloning;
417. neemt kennis van de vermindering van het aantal zorgdiensten en de toename van onbetaald zorgwerk door vrouwen tijdens de COVID-19-pandemie, waarbij vrouwen de belangrijkste verzorgers werden voor de kwetsbaren en zieken in hun gezin en de last droegen van activiteiten in verband met thuisonderwijs, terwijl ze ook hun eigen beroepstaken moesten uitvoeren; benadrukt dat dit de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen heeft hersteld en versterkt en veel structurele problemen in Europa’s socialezorgsysteem, zoals ondergefinancierde zorginstellingen en zorgstelsels of een gebrek aan investeringen, nog eens extra in de verf zette; merkt op dat deze problemen aanzienlijke negatieve gevolgen hebben gehad voor vrouwen wat betreft economische afhankelijkheid; benadrukt dat met dit discriminerende genderaspect rekening moet worden gehouden bij het uitstippelen van zorgstrategieën en -beleid; verzoekt de Commissie met een zorgstrategie te komen om onbetaalde arbeid in de zorgsector aan te pakken; merkt op dat de gezondheidszorg voor vrouwen werd beïnvloed door de overbelasting van de nationale gezondheidszorgstelsels, met aanzienlijke verstoringen van kankerscreening, vaccinaties en post- en prenatale zorg;
418. benadrukt dat met name door Unicef is vastgesteld dat de COVID-19-pandemie het risico op genitale verminking bij vrouwen doet toenemen, waarbij de VN voorspelt dat er in de komende tien jaar nog eens twee miljoen meisjes aan deze praktijk zullen worden onderworpen, en dat de VN dan ook verklaart dat COVID-19 meisjes en vrouwen onevenredig zwaar heeft getroffen, wat heeft geleid tot een “schaduwpandemie” die de uitbanning van alle schadelijke gebruiken, waaronder genitale verminking bij vrouwen, ontwricht, met name in Afrika;
(ii) Jongeren en kinderen
419. benadrukt dat de beperkende maatregelen in de lidstaten niet alleen gevolgen hebben gehad voor het onderwijs en de werkgelegenheid van jongeren, maar ook de geestelijke gezondheid en het sociale kapitaal van jongeren heeft geraakt; vindt het verontrustend dat er krachtige aanwijzingen zijn voor een toename van geestelijke gezondheidsproblemen, angst, depressieve symptomen en zelfmoordgedrag; benadrukt dat de langetermijngevolgen van de pandemie voor de geestelijke gezondheid waarschijnlijk een sterker effect hebben gehad op kwetsbare jongeren en mensen uit sociaal-economisch achtergestelde milieus of gemarginaliseerde gemeenschappen en andere problemen hebben verergerd; merkt op dat lockdowns en het daaruit voortvloeiende gebrek aan lichaamsbeweging ook gevolgen hadden voor de gezondheid en het welzijn van mensen en dat al deze problemen zich vooral voordeden bij kwetsbare risicogroepen;
420. merkt op dat door de lockdowns jongeren in kwetsbare omstandigheden geen toegang konden krijgen tot geestelijke gezondheidsdiensten en zich deze ook niet konden veroorloven; dringt er bij de lidstaten op aan sectoroverschrijdende overheidsinvesteringen te bevorderen om geestelijke stoornissen bij kinderen en jongeren aan te pakken;
421. stelt vast dat wereldwijd tot wel 1,6 miljard kinderen getroffen zijn door schoolsluitingen tijdens de COVID-19-pandemie(56) en dat naar schatting ten minste 24 miljoen leerlingen als gevolg hiervan mogelijk schoolverlaters worden; vreest dat de COVID-19-pandemie de sociaal-economische problemen van jongeren heeft verergerd en dat de combinatie van banenverlies en onbetaald of laagbetaald werk het risico van armoede onder jongeren heeft vergroot; vindt het verontrustend dat de COVID-19-pandemie een groot aantal jongeren in een kwetsbare en onzekere situaties heeft gebracht, waardoor zij geen toegang hebben kunnen krijgen tot basisbehoeften;
422. merkt op dat leerlingen een daling van de onderwijskwaliteit ervoeren en een achteruitgang vertoonden in hun leerprestaties op het gebied van lezen, schrijven en wiskunde en de ontwikkeling van vaardigheden, hetgeen een negatief effect op de lange termijn heeft gehad; wijst erop dat deze leerachterstand bij leerlingen uit gezinnen met een laag inkomen en arme gezinnen twee keer zo groot bleek te zijn als bij leerlingen uit gezinnen met een hoger inkomen, zodat de kloof tussen kinderen uit kwetsbare gezinnen en kinderen uit sociaal-economisch gezien veerkrachtige gezinnen groter is geworden;
423. neemt kennis van de verschillen in maatregelen die de lidstaten hebben genomen naar aanleiding van de uiteenlopende epidemiologische situaties in de afzonderlijke lidstaten om de verspreiding van het virus in te dammen, zoals het sluiten van scholen, en van de gevolgen daarvan voor kinderen en leerkrachten;
424. wijst ook op de essentiële rol die leerkrachten spelen bij het aanpassen aan en geven van afstandsonderwijs en hun rol in het bijdragen aan de psychologische ondersteuning en ontwikkeling van kinderen en jongeren; erkent in dit verband de noodzaak om de geestelijkegezondheidswijsheid van leerkrachten, van al het onderwijspersoneel en ook van jeugdwerkers te bevorderen, om ervoor te zorgen dat ze zijn toegerust om kinderen en zichzelf te ondersteunen in tijden van crisis; merkt op dat de COVID-19-crisis ertoe heeft geleid dat leerkrachten zich tijdens de sluiting van scholen sneller moesten aanpassen aan afstandsonderwijs en online-instrumenten voor onderwijsondersteuning;
425. benadrukt dat de digitalisering de hervatting van onderwijsactiviteiten tijdens lockdowns mogelijk heeft gemaakt, waardoor leren werd vergemakkelijkt, maar dat de tekortkomingen in de beschikbaarheid voor alle kinderen van informatie- en communicatietechnologie, ondersteunend materiaal, toegang tot digitale diensten, andere onderwijsinfrastructuur en de kloof in de integratie de zwakke punten in de onderwijssystemen hebben blootgelegd; onderkent dat kinderen uit etnische minderheden, zoals Roma en kinderen met een migratieachtergrond, en kinderen met een handicap onevenredig zwaar werden getroffen;
426. meldt dat sociale ongelijkheden het mentale welzijn van kinderen altijd hebben aangetast, maar dat dit in de nasleep van de pandemie een ernstig sociaal probleem is geworden; merkt op dat de pandemie huiselijk geweld en misbruik van kinderen heeft verergerd en de onderwijs- en digitale kloof heeft vergroot, met name voor mensen uit kansarme milieus; is van mening dat de sluiting van scholen de situatie van kansarme kinderen ook moeilijker heeft gemaakt, waardoor hun positie nog precairder werd;
427. is bezorgd over het feit dat kinderen en jongeren met geestelijke gezondheidsproblemen tijdens de pandemie onvoldoende geestelijke en psychologische steun kregen en dat dit een blijvend probleem zou kunnen zijn;
428. benadrukt dat kinderen en jongeren met een handicap of met een aandoening op het autistische spectrum onevenredig hebben geleden onder de omstandigheden van de pandemie en de lockdowns; wijst erop dat tijdens de pandemie veel ondersteunende diensten werden opgeschort, waardoor ouders en andere verzorgers zonder essentiële hulp kwamen te zitten;
(d) De gevolgen van COVID-19 voor ouderen en kwetsbare/gemarginaliseerde groepen
429. stelt vast dat de pandemie en de lockdowns, hoewel onvermijdelijk vanwege de bezorgdheid over de volksgezondheid, rampzalige gevolgen hebben gehad voor personen met een handicap; benadrukt dat personen met een handicap werden gediscrimineerd wat betreft het ontvangen van de juiste informatie over de pandemie en de toegang tot gezondheidszorg en dat zij ook problemen ondervonden bij het verkrijgen van persoonlijke beschermingsmiddelen; merkt op dat personen met een handicap werden geconfronteerd met beperkte toegang tot zorg, onderwijs en revalidatiediensten (als gevolg van ongelijke toegang tot digitale instrumenten); neemt met bezorgdheid kennis van het hoge aantal sterfgevallen onder personen met een handicap die zich in instellingen bevonden;
430. wijst erop dat de lockdowns ernstige gevolgen hebben gehad voor veel mensen die reeds gemarginaliseerd of kansarm waren, doordat hun sociale omstandigheden erdoor verslechterden, hun kansen op het vinden van werk er kleiner door werden en hun maatschappelijke participatie en hun rechten als burgers erdoor werden beperkt; herinnert eraan dat de pandemie reeds bestaande sociaal-economische moeilijkheden en problemen heeft verergerd, hetgeen verdere complicaties met zich meebracht voor mensen die al kampten met verslaving en geestelijke gezondheidsproblemen, maar ook gezinnen met een laag inkomen, vrouwen, ouderen, kinderen, migranten, vluchtelingen, LHBTQIA+-personen, daklozen en personen met een handicap heeft getroffen; merkt op dat tijdens de lockdowns niet altijd aan de behoeften van sociaal achtergestelde groepen werd voldaan en dat de lessen die hieruit worden getrokken op de juiste manier moeten worden aangepakt; wijst erop dat zorg- en sociale diensten, waaronder thuiszorg en niet-residentiële zorgdiensten, niet als kritieke infrastructuur werden beschouwd en dat de belangrijke rol van sociaal-economische factoren bij gezondheidsrisico’s niet werd herkend;
431. stelt vast dat de gevolgen van de uitbraak van de COVID-19-pandemie de armste, kansarme, gemarginaliseerde en onbeschermde mensen in de samenleving onevenredig zwaar hebben geraakt, onder wie personen met een lichamelijke of verstandelijke handicap, chronische medische aandoeningen en geestelijke gezondheidsproblemen, ouderen en personen die reeds beperkte of geen toegang hadden tot basishygiëne of behandeling voor hun zorgbehoeften, en dat deze groepen als gevolg van de pandemie nog kwetsbaarder zijn geworden;
432. herinnert aan de tragische gevolgen van de COVID-19-pandemie voor residentiële faciliteiten in Europa, waar in sommige lidstaten meer dan 50 % van de aan COVID-19 gerelateerde sterfgevallen in verzorgingstehuizen heeft plaatsgevonden; stelt met bezorgdheid vast dat patiënten in verpleeghuizen tijdens de pieken van de pandemie werden uitgesloten van zorg, wat leidde tot alarmerende sterftecijfers onder ouderen; merkt op dat een groot deel van de dodelijke slachtoffers van COVID-19 ouderen waren en herinnert aan de dramatische situatie waarin velen van hen in bejaardentehuizen en instellingen voor langdurige zorg verkeerden als gevolg van vertragingen en belemmeringen bij hun behandeling en verzorging;
433. stelt dat de pandemie grote gevolgen heeft gehad voor ouderen en mensen met dementie vanwege hun isolatie en verminderde mogelijkheden voor sociale interactie, en vanwege het opschorten van hun dagelijkse activiteiten; merkt op dat de pandemie ook de tekenen van depressie en angst bij ouderen en hun verzorgers deed toenemen, alsmede de financiële problemen van de verzorgers; wijst erop dat dit bijdroeg tot de progressie van de aan dementie gerelateerde symptomen, en dat volwassenen met dementie en COVID-19 ernstige moeilijkheden ondervonden om passende medische zorg en hulp te krijgen;
434. merkt op dat de pandemie zwakke punten in de paraatheid van verpleeghuizen en instellingen voor langdurige zorg bij noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid aan het licht heeft gebracht; wijst erop dat veel verpleeghuizen en instellingen voor langdurige zorg tijdens de pandemie te kampen hadden met een tekort aan persoonlijke beschermingsmiddelen, tests en personeel; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan erop toe te zien dat verzorgingstehuizen en hun bewoners toegang hebben tot gezondheidszorg, met inbegrip van medische doorverwijzingen, beschermingsmiddelen, materiaal, personeel en deskundigheid, die nodig zijn om te reageren op pandemieën; beveelt aan om de regelmatige inspecties uit te breiden door middel van een systeem van externe, onafhankelijke controles en om in verzorgingshuizen speciale inspectiesystemen op te zetten tijdens perioden van isolatie;
435. benadrukt dat de pandemie en de beperkende maatregelen de reeds bestaande ongelijkheden op het gebied van obesitas en metabolische gezondheid hebben verergerd, met een algemene toename van overgewicht, vooral onder vrouwen, lager opgeleiden en lager betaalden, de inwoners van de ultraperifere gebieden en psychiatrische patiënten; merkt op dat de kwaliteit van de voeding er vaak op achteruit ging en dat de lichaamsbeweging afnam toen sportfaciliteiten en speelterreinen gesloten waren, waardoor het sedentaire gedrag toenam;
436. verzoekt de lidstaten te overwegen om regelingen voor het beheer van noodsituaties voor sportinfrastructuur op te zetten om operationele beperkingen als gevolg van onverwachte gebeurtenissen zoals een pandemie te voorkomen, alsook om veiligheids- en beveiligingsrichtsnoeren in te voeren om de veiligheid van gebruikers van sportinfrastructuur te waarborgen;
437. merkt op dat daklozen problemen ondervonden om zich te beschermen tegen besmetting, waardoor hun sterfterisico toenam, en dat opvangcentra niet naar behoren functioneerden vanwege het kleinere aantal werknemers en vrijwilligers en een gebrek aan goede initiële begeleiding en financiële ondersteuning van de diensten;
438. wijst erop dat de respons op noodsituaties op gezondheidsgebied een op mensenrechten gebaseerde aanpak vereist en de veiligheid van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen moet waarborgen door hun toegang tot gezondheidszorg te garanderen zonder hun bewegingsvrijheid te beperken, in overeenstemming met het EVRM;
439. verzoekt de Commissie en de lidstaten patiënten tijdens pandemieën en gezondheidscrises integrale en multidisciplinaire palliatieve zorg te verlenen; dringt erop aan de werkwijzen op het gebied van palliatieve zorg aan huis en in ziekenhuizen in de hele EU te verbeteren; moedigt de lidstaten aan het aantal palliatieve eenheden in elke regio te maximaliseren en ervoor te zorgen dat die beschikken over duurzame financiering en voldoende goed opgeleid personeel;
(e) COVID-19 en de opkomst van digitale technologieën voor bedrijven en werknemers: risico’s en kansen
440. merkt op dat de EU tijdens de pandemie is overgestapt op nieuwe vormen van digitalisering en flexibel werken; benadrukt dat een passend gebruik van digitale hulpmiddelen werkgevers en werknemers ten goede kan komen door meer vrijheid, onafhankelijkheid en flexibiliteit toe te staan om werktijden en werktaken beter te organiseren, de tijd die nodig is voor woon-werkverkeer te reduceren, emissies te verminderen en het beheer van persoonlijke en gezinsverplichtingen te vergemakkelijken, waardoor een beter evenwicht tussen werk en privéleven mogelijk wordt; merkt op dat de behoeften van werknemers sterk uiteenlopen en benadrukt derhalve het belang van de ontwikkeling van een duidelijk kader dat persoonlijke flexibiliteit bevordert en tegelijkertijd de rechten van werknemers beschermt;
441. wijst erop dat de digitalisering van werk niet mag leiden tot een verslechtering van de rechten of arbeidsomstandigheden van werknemers; erkent dat digitalisering op het werk negatieve gevolgen kan hebben voor de arbeidsomstandigheden, bijvoorbeeld wanneer werknemers langer moeten werken of ervoor moeten zorgen dat zij buiten werktijd beschikbaar zijn; wijst derhalve op het belang van het recht om offline te zijn; merkt op dat de behoeften van werknemers sterk uiteenlopen en benadrukt het belang van de ontwikkeling van een duidelijk kader dat persoonlijke flexibiliteit bevordert en tegelijkertijd de rechten van werknemers beschermt; wijst erop dat vrouwen vanwege hun zorgtaken vaker telewerken, zodat een gendergevoelig Europees kader voor telewerk van het grootste belang is; verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen met normen voor telewerkvoorwaarden in de hele Europese Unie, teneinde eerlijke en passende werk- en arbeidsvoorwaarden in de digitale economie te waarborgen, en wijst erop dat arbeidsomstandigheden een bevoegdheid van de lidstaten blijven;
442. merkt op dat digitalisering op het werk ook risico’s met zich meebrengt op het gebied van management en het recht op privacy; benadrukt dat over veranderingen in arbeidsomstandigheden altijd moet worden onderhandeld met vakbonden en werknemersvertegenwoordigers om tot een besluit te komen waarover consensus bestaat; is in dit verband ingenomen met de overeenkomst van de sociale partners om in hun werkprogramma voor de sociale dialoog 2022-2024 onderhandelingen over juridisch bindende maatregelen om telewerken te reguleren en het recht om offline te zijn op te nemen;
443. wijst erop dat vrouwen vaker telewerken vanwege hun zorgtaken; dringt aan op de invoering van een genderbewust Europees kader voor telewerken, waarin ook rekening wordt gehouden met genderrollen in het licht van toekomstige crises, met een duidelijke nadruk op het combineren van werk en privéleven; dringt erop aan dat bij toekomstige pandemieën telewerken wordt ingevoerd met inachtneming van het beginsel van gendergelijkheid en in overeenstemming met het beginsel van medeverantwoordelijkheid;
444. benadrukt dat een goed gebruik van digitale hulpmiddelen het voor bepaalde beroepen mogelijk heeft gemaakt het aantal mensen dat geen werk kon vinden te beperken;
(f) Conclusies
(i) Bedrijven en werknemers
445. verzoekt de Commissie en de lidstaten de benodigde stappen te ondernemen ter verdediging van de Europese sociale markteconomie, die veerkrachtig is en snel reageert op crises en die een werkelijk bedrijfsvriendelijke omgeving bevordert, met meer toegang tot kapitaal, meer vereenvoudiging van procedures en minder administratieve rompslomp voor Europese bedrijven, met name kmo’s, zodat zij snel kunnen reageren, hun bedrijfsinnovatie kunnen voortzetten en ondernemerschap kunnen aanmoedigen, terwijl tegelijkertijd de rechten van werknemers binnen de grenzen van de EU worden beschermd en gehandhaafd;
446. wijst erop dat bedrijven in de toeristische sector moeten profiteren van aanvullende opleiding en ontwikkeling, digitalisering en een duurzamer bedrijfsmodel om veerkrachtiger te zijn en beter voorbereid in het geval van een nieuwe gezondheidscrisis of een andere crisis; wijst erop dat de rechten van passagiers en consumenten tijdens de pandemie op grote schaal zijn geschonden door touroperators, vervoerders en tussenpersonen voor onlineboekingen;
447. wijst op de noodzaak om de steun voor het socialezekerheidsbeleid van de EU en de lidstaten te versterken met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten en de werkgelegenheidsrichtsnoeren, zodat niemand wordt achtergelaten; wijst voorts op de noodzaak om gelijke en effectieve toegang tot passende sociale bescherming te bewerkstelligen, waarbij gelijke en eerlijke toegang tot hoogwaardige gezondheidszorgdiensten wordt gewaarborgd, de inspanningen op te voeren om hogere niveaus van hoogwaardige werkgelegenheid te bereiken en tegelijk de ongelijkheid en de genderkloof op het gebied van beloning en uitkeringen te verkleinen, en de sociale dialoog verder te versterken en tegelijkertijd de digitale kloof te overbruggen en onzeker werk of zwartwerk in de zorgsector te voorkomen;
448. dringt aan op een veerkrachtigere arbeidsmarkt met een versterkte sociale dialoog en sociale partners die kunnen deelnemen aan bestuursorganen op hoog niveau voor beleidscrises; wijst op de noodzaak van gelijkere en eerlijkere arbeidsomstandigheden voor alle werknemers in de hele EU, met inbegrip van de meest kwetsbaren en in het bijzonder in tijden van crisis;
449. verzoekt de Commissie en de lidstaten bij toekomstige pandemieën de eengemaakte markt te ondersteunen, te versterken en te vrijwaren, met name het vrije verkeer (van personen, goederen en diensten), en daarbij altijd rekening te houden met de volksgezondheid en de epidemiologische situatie, en de last van documentatie en wetgeving tot een minimum te beperken en zodoende de integriteit van de eengemaakte markt te behouden; benadrukt dat de regels en richtsnoeren voor reizen en het opsporen van ziekten tussen de lidstaten moeten worden geharmoniseerd, rekening houdend met de behoeften van kmo’s; herinnert eraan dat het vrije verkeer van goederen van fundamenteel belang is voor goed functionerende waardeketens, met name voor vaccins en andere medische tegenmaatregelen;
450. benadrukt dat het instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE) bijdraagt tot het behoud van banen, net als andere soortgelijke programma’s in de vorm van eenmalige economische en sociale solidariteitsmaatregelen in Europa, maar benadrukt dat dergelijke programma’s gebaseerd moeten zijn op leningen, en enkel mogen worden geactiveerd in geval van ernstige externe financiële of economische schokken;
451. neemt er kennis van dat de Commissie de lidstaten heeft aanbevolen COVID-19 tijdens een pandemie in bepaalde sectoren als beroepsziekte te erkennen;
452. verklaart dat de EU-samenwerking tijdens de pandemie weliswaar wat kinderziektes heeft gekend, maar dat zij de verloren tijd snel heeft ingehaald met meerdere belangrijke initiatieven; merkt op dat het vrije verkeer van goederen en kritiek gezondheidspersoneel mogelijk werd gemaakt door de instelling van groene corridors; merkt op dat het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA) een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verstrekken van richtsnoeren en informatie aan bedrijven over preventieve maatregelen tegen COVID-19, terwijl het op QR-codes gebaseerde COVID-19-certificaat heeft aangetoond dat de EU in staat was een gemeenschappelijk digitaal certificaat te creëren ten behoeve van overheden, bedrijven en het publiek;
453. beveelt aan om lockdowns of andere drastische veiligheidsmaatregelen te nemen in samenspraak met lokale en regionale overheden, economische en sociale partners en het maatschappelijk middenveld, alsook met organisaties overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken in alle verschillende stadia van een noodsituatie, met inachtneming van de plicht en het voorrecht van overheidsinstanties om maatregelen te nemen ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid van mensen; benadrukt dat maatregelen beperkt moeten blijven tot wat noodzakelijk en evenredig is;
454. benadrukt dat de EU-lidstaten de cruciale rol van kmo’s in hun economie hebben erkend en verschillende maatregelen hebben genomen om hun positie tijdens de pandemie te versterken; concludeert dat maatregelen voor het behoud van banen, ook bij kmo’s, waar mogelijk verder moeten worden opgevoerd door middel van steunregelingen, passende inkomenssteun, bijscholing en omscholing van werknemers, onderwijs en een leven lang leren, en versterkte steun voor de zwaarst getroffen sectoren van zelfstandigen;
455. verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van financiering uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit, die gebaseerd is op het concept “betere wederopbouw”, door middel van een tijdige en doeltreffende uitvoering van de fondsen, met het oog op de versterking van sociale investeringen, de stimulering van onderzoek en innovatie en het aanzwengelen van de economie door middel van ambitieuze hervormingen en investeringen, die met name gericht zijn op de groene en digitale transitie, teneinde de EU sociaal veerkrachtiger te maken; is verder van mening dat, rekening houdend met de demografische veranderingen, het versterken van onze openbare gezondheidszorgstelsels en het aanpakken van ongelijkheden op gezondheidsgebied de derde pijler van deze transitie moet zijn;
456. is van mening dat de EU moet streven naar solidariteit en coördinatie tussen de lidstaten op economisch gebied om het concurrentievermogen van de EU te versterken, en tegelijkertijd sociale en klimaatdoelstellingen moet nastreven en versnippering van de eengemaakte markt moet voorkomen;
457. beveelt aan om bij toekomstige inspanningen om paraat te zijn voor een pandemie, ook steun te verlenen aan de sectoren sociale zorg en gezondheidszorg; verzoekt de lidstaten paraatheidsplannen voor toekomstige gezondheidscrises op te stellen in hun nationale strategieën voor gezondheid en veiligheid op het werk, in overleg met alle relevante belanghebbenden; benadrukt dat er doeltreffende mechanismen in het leven moeten worden geroepen om deze plannen op EU-niveau te coördineren, rekening houdend met het advies van het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats over kwesties in verband met pandemieën en de veiligheid en gezondheid op het werk; is van mening dat met het oog op toekomstige gezondheidscrises de bescherming en bevordering van de geestelijke gezondheid een integraal deel moeten vormen van deze plannen voor gezondheid en veiligheid op het werk;
458. wijst erop dat er specifieke maatregelen en specifiek beleid op EU- en nationaal niveau moeten worden uitgevoerd om gezondheidswerkers en andere essentiële arbeidskrachten te beschermen en te ondersteunen, waaronder door middel van gepaste en voldoende middelen;
(ii) Vrouwen
459. verzoekt de Commissie en de lidstaten om gendergerelateerd geweld in al zijn vormen en overal waar het plaatsvindt te bestrijden, zowel binnen als buiten het gezin en op het werk; is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, maar dringt erop aan de inhoud ervan te verbeteren om alle slachtoffers beter te beschermen, met name personen die het risico lopen op meervoudige discriminatie;
460. dringt aan op de herbeoordeling en herwaardering van traditioneel voornamelijk door vrouwen uitgevoerd werk en op de ontwikkeling en toepassing van sectoroverschrijdende genderneutrale functiewaarderingsmethoden, zodat voornamelijk door vrouwen uitgevoerd werk beter kan worden beoordeeld en eerlijker wordt beloond en gelijk loon voor gelijk of gelijkwaardig werk wordt gewaarborgd;
461. stelt voor de ontwikkeling van digitale oplossingen te bevorderen om gemakkelijker en veiliger ondersteuning te kunnen bieden; dringt aan op de goedkeuring van instrumenten voor economische, sociale en financiële ondersteuning van vrouwen die van hun partner scheiden nadat zij slachtoffer van geweld zijn geworden en die geen financiële middelen hebben om zichzelf te onderhouden; beveelt aan om diensten die slachtoffers van gendergerelateerd geweld helpen in de toekomst als essentieel aan te merken;
462. is van mening dat de samenwerking tussen landen moet worden versterkt en dat de zorg moet worden gedecentraliseerd om geïsoleerde bevolkingsgroepen beter te kunnen bereiken; is ervan overtuigd dat lokale gemeenschappen, de rol van vrouwen en het verder bevorderen van gendergelijkheid bij oplossingen centraal moeten staan; is van mening dat het stimuleren van innovatie en digitalisering binnen de gezondheidszorg essentieel is, met name in gebieden waar de gezondheidszorg ontoereikend of inadequaat is of achterblijft, aangezien gezondheidsdiensten afhankelijk zijn van de deskundigheid van maatschappelijke organisaties(57);
463. verzoekt de Commissie alle vormen van seksuele uitbuiting op geharmoniseerde wijze strafbaar te stellen, zodat alle vrouwen in de EU, ongeacht hun woonplaats, een vergelijkbaar beschermingsniveau genieten; steunt de opneming in de richtlijn van een definitie van seksueel geweld die ruimer is dan de definitie van verkrachting, en een definitie van seksuele intimidatie die aansluit bij de bestaande antidiscriminatierichtlijnen van de EU en de normen van het Verdrag van Istanbul volgt;
464. roept de EU en de lidstaten op meer inspanningen te leveren om het genderperspectief in al het EU-beleid en de nationale herstelplannen te integreren; benadrukt dat gendermainstreaming in crisissituaties van cruciaal belang is om ervoor te zorgen dat de uiteenlopende ervaringen van vrouwen en mannen in dit opzicht worden onderkend en aangepakt;
465. benadrukt dat het van belang is personeel op te leiden om gendermainstreaming en genderbudgettering te begrijpen en doeltreffend toe te passen; benadrukt dat gendermainstreaming ook deel moet uitmaken van beleid dat gericht is op het vergroten van het genderevenwicht in het onderwijs op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde, alsook in onderzoek en innovatie; is bezorgd over het hoge percentage gezondheidswerkers dat het minimumloon of minder dan het minimumloon ontvangt, van wie de meerderheid bestaat uit vrouwen, en is van mening dat EU-maatregelen gendergelijkheid in de zorg- en socialedienstensector en meer in het algemeen op de arbeidsmarkt moeten bevorderen;
(iii) Jongeren en kinderen
466. roept de EU en de lidstaten op nauwlettend toe te zien op het gebruik van financiering uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de rol daarvan bij de ondersteuning van maatregelen voor kinderen, jongeren en jonge gezinnen; is van mening dat er geïnvesteerd moet worden in compenserend beleid, gericht op personen met een lage sociaal-economische status en kinderen uit achtergestelde groepen, in programma’s om leerachterstand te voorkomen en aan te pakken, in empirisch onderbouwd onderwijs, in de aanpassing van curricula, met inbegrip van de groene en digitale transitie, en in investeringen in technologie, schoolinfrastructuur en de professionele ontwikkeling van leerkrachten; is ervan overtuigd dat er meer EU-financiering voor onderzoek, onderwijs en cultuur nodig is, in overeenstemming met de EU-strategie voor de rechten van het kind en de Europese kindergarantie; merkt op dat de laatste ook moet worden gebruikt voor het opvangen van de ergste effecten van kinderarmoede als gevolg van de COVID-19-pandemie, die nog zijn verergerd door de huidige crisis in verband met de kosten van levensonderhoud;
467. verzoekt de Commissie meer informatie te verzamelen over de gevolgen van de pandemie voor de rechten van kinderen, zoals het recht op gezondheid, de effecten op hun psychosociale ontwikkeling als gevolg van de sociale isolatie die voortvloeide uit de quarantaine, de empowerment van kinderen met betrekking tot hun rechten en het opnemen van noodmaatregelen betreffende kinderen in beleid en wetgeving; dringt er in dit verband bij de EU en de lidstaten op aan toereikende middelen toe te wijzen om dergelijke gegevens te verkrijgen en te analyseren;
468. verzoekt de EU en de lidstaten in dit verband de financiering van EU-onderzoek naar kinderen en jongeren in het algemeen en naar hun gegevens te intensiveren; benadrukt dat de nadruk moet liggen op verbetering van de geestelijke gezondheid van jongeren en kinderen in de nasleep van de pandemie, onder meer door middel van maatregelen die op EU-niveau worden genomen door de vaststelling van een EU-strategie inzake geestelijke gezondheid;
469. dringt er bij de lidstaten op aan duidelijke actieplannen voor scholen te ontwikkelen om de effecten van de pandemie op het leren en de leerresultaten aan te pakken; beveelt aan dat scholen en andere onderwijsvoorzieningen bij toekomstige gezondheidscrises open moeten blijven indien de epidemiologische situatie dat toestaat, waarbij de gezondheid en veiligheid van de leerlingen en de leerkrachten altijd worden geëerbiedigd en prioriteit wordt gegeven aan de bescherming van de volksgezondheid; dringt erop aan dat het onderwijsbeleid deel uitmaakt van de strategie voor noodhulp, evenals collectieve en individuele oplossingen voor kinderopvang;
470. stelt vast dat de verschuiving naar e-leren tijdens de COVID-19-pandemie op verschillende vlakken een uitdaging is gebleken voor leerlingen, leerkrachten en onderwijsinstellingen, voornamelijk als gevolg van ongelijke toegang tot technologie en internetconnectiviteit, met name voor leerlingen uit gezinnen die een laag inkomen hebben of in plattelandsgebieden wonen, met verschillen in onderwijskansen tot gevolg; wijst erop dat e-leren een aanvulling kan vormen op fysiek onderwijs; benadrukt dat er inspanningen moeten worden gedaan om digitale geletterdheid op elk maatschappelijk niveau ingang te doen vinden door een goed gebruik van digitale instrumenten en infrastructuur mogelijk te maken, en dat de digitalisering van scholen moet worden ondersteund en voortdurend moet worden ontwikkeld; is van mening dat waar moeilijkheden worden geconstateerd, er waar mogelijk flexibele oplossingen moeten worden geboden;
471. verzoekt de lidstaten digitale geletterdheid op te nemen in de onderwijsprogramma’s van alle leerinstellingen en te voorzien in de nodige opleiding en uitrusting voor leerkrachten en opvoeders; wijst nogmaals op de bepaling in de kindergarantie waarin de lidstaten wordt aanbevolen ervoor te zorgen dat alle kinderen in de schoolgaande leeftijd thuis beschikken over een digitaal apparaat, elektriciteit en een goede internetverbinding; is van mening dat er passende maatregelen moeten worden ingevoerd om alle kinderen en jongeren toe te rusten met de technologische vaardigheden en kennis die zij nodig hebben om in het digitale tijdperk te gedijen;
472. wijst op het potentieel van kunst en cultuur als essentieel onderdeel van de respons op een pandemie vanwege het vermogen van kunst- en cultuurorganisaties om problemen op het gebied van welzijn, geestelijke gezondheid en sociale ondersteuning aan te pakken, ook voor groepen die anders moeilijk bereikbaar zouden kunnen zijn; herinnert eraan dat kunst en cultuur van fundamenteel belang zijn voor de ontwikkeling van de persoonlijke identiteit van kinderen en jongeren en voor hun opleiding, met inbegrip van hun inzicht in onze samenleving, en voor hun algemeen welzijn; maakt zich zorgen over de negatieve gevolgen voor de toegang tot kunst en cultuur als gevolg van de aan COVID-19 gerelateerde sluitingen van culturele instellingen; benadrukt in dit verband het potentieel van kunst en cultuur om de geestelijke gezondheid en het sociale welzijn aan te pakken van groepen en individuen die anders moeilijk te bereiken zouden zijn en dringt aan op een grotere betrokkenheid van de kunst- en cultuursector bij strategieën om te reageren op noodsituaties;
473. spoort de lidstaten aan om wanneer er bijzondere maatregelen noodzakelijk zijn geen standaardaanpak te hanteren en gezondheids- en veiligheidsprofessionals, scholen, leerkrachten, jongerenorganisaties, diensten voor jongeren en ook ouders te raadplegen teneinde op passende wijze rekening te houden met de behoeften van verschillende leeftijdsgroepen, kwetsbare groepen en jongeren met speciale behoeften, alsook met kansarme en gemarginaliseerde groepen;
474. beveelt aan de richtsnoeren van Unicef inzake kinderrechten in effectbeoordelingen toe te passen op beleidsvorming, wetgeving en noodmaatregelen om negatieve gevolgen voor kinderen te voorkomen;
475. verzoekt de Europese instellingen een “controle inzake de geschiktheid voor jongeren” uit te voeren voor alle wetgevingsvoorstellen van de EU, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Conferentie over de toekomst van Europa;
476. verzoekt de lidstaten op korte termijn extra leerprogramma’s in te voeren, zoals zomercursussen of extra bijlessen, om de leerkloof te verkleinen en bestaande leertekorten aan te pakken, en zich hierbij met name te richten op kinderen uit kwetsbare huishoudens;
(iv) Ouderen en kwetsbare/gemarginaliseerde groepen
477. is ingenomen met het groenboek over vergrijzing, het verslag over de gevolgen van demografische veranderingen en de Europese zorgstrategie als eerste stappen voor een algemene EU-strategie om de vergrijzing van de bevolking in Europa aan te pakken; wijst erop dat de EU en de lidstaten dringend maatregelen moeten nemen om de gezondheids- en zorgbehoeften van een vergrijzende Europese bevolking aan te pakken, onder meer door niet-overdraagbare ziekten aan te pakken door het bevorderen van actief en gezond ouder worden, in overeenstemming met het decennium voor gezond ouder worden van de WHO;
478. merkt op dat naarmate het potentieel voor een lang leven toeneemt, ook het belang van gezondheidsgerelateerd gedrag, zoals de bevordering van een gezonde omgeving en levensstijl, op alle leeftijden toeneemt (ook op middelbare en oudere leeftijd); pleit derhalve voor onderzoek naar gezond lang leven en voor maatregelen om niet-overdraagbare ziekten beter te voorkomen, en dringt erop aan tegelijkertijd te zorgen voor verbeteringen in het beheer van en de zorg voor niet-overdraagbare ziekten, de gevolgen van overdraagbare ziekten te beperken, te voorzien in een aanpak van en een respons op multimorbiditeit en polyfarmacie, en van ouder worden eerder een kans dan een belemmering te maken;
479. roept de EU en de lidstaten op om te investeren in inclusieve online-instrumenten en deze te ontwikkelen, om digitale armoede aan te pakken en om met name ouderen, mensen met een handicap, jongeren en kwetsbare groepen digitaal mondiger te maken, om online gezondheids- en sociale diensten en instellingen financieel te ondersteunen en steunmaatregelen voor zorgverleners te ontwikkelen; wijst erop dat het belangrijk is maatregelen te treffen om in alle lidstaten en voor alle segmenten van de bevolking gelijke toegang tot het internet en tot digitale technologie te waarborgen;
480. wijst erop dat er ouderen zijn die moeite hebben met het gebruik van en interactie met technologische instrumenten, en dat de digitalisering het voor hen onmogelijk maakt om in contact te treden met basisdiensten en instellingen; wijst er derhalve op dat onlinegezondheidszorg een aanvulling moet zijn op en nooit in de plaats mag komen van persoonlijke zorg, hetgeen in het bijzonder geldt voor deze groep mensen, bij wie de digitale kloof het duidelijkst is; suggereert dat er voor de verzorging van ouderen analoge kanalen nodig zijn om te voorkomen dat zij zich vervreemd voelen van de samenleving;
481. is van mening dat innovatieve oplossingen die tijdens de pandemie naar voren zijn gekomen, zoals nieuwe werkwijzen, digitalisering en toegang voor iedereen, verder moeten worden ontwikkeld; dringt aan op om- en bijscholing van oudere werknemers;
482. beveelt de EU en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat het recht op langdurige zorg wordt geïntegreerd in hun socialebeschermingsstelsels en te investeren in een gezondheids- en zorgplan om op sociaal rechtvaardige wijze tegemoet te komen aan de behoeften van de groeiende oudere bevolking, waaronder verzorgingstehuizen;
483. dringt erop aan dat elk verzorgingshuis voor ouderen en alle andere centra voor gezondheidszorg en sociale zorg over een specifiek op hun geval en situatie toegesneden noodplan beschikken, waarin ze op systematische en geplande wijze worden beschreven en herzien, en dat voorziet in de oprichting van een team voor het beheer van noodsituaties en uitbraken van besmettingen, bestaande uit zowel gezondheidswerkers als personeel van het tehuis zelf, alsmede in het bieden van de benodigde opleiding in nood- en crisisbeheer; wijst erop dat mensen in zorginstellingen en ouderen sociaal en mentaal actief moeten blijven, bijvoorbeeld door hen in staat te stellen contact te blijven houden met hun familie, teneinde isolement, het risico op depressie en overlijden te voorkomen;
484. beveelt de lidstaten aan de risico’s en voordelen van beperkingen op lichaamsbeweging zorgvuldig te evalueren alvorens ze toe te passen; is van mening dat regeringen tijdens een gezondheidscrisis richtsnoeren moeten verstrekken en betere voeding en lichaamsbeweging voor mensen moeten stimuleren, met speciale aandacht voor gemarginaliseerde en kansarme groepen, teneinde de weerbaarheid van de bevolking in de lidstaten bij een toekomstige pandemie te vergroten;
485. dringt er bij de EU en de lidstaten op aan te investeren in een proces waarin handicaps worden meegenomen, gericht op de preventie van, de paraatheid voor en de respons op een crisis, om te anticiperen op de verwoestende gevolgen van toekomstige crises voor mensen met een handicap; herinnert eraan dat alle lidstaten het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap hebben geratificeerd, en wijst erop dat paraatheidsplannen en pandemiegerelateerde maatregelen hiermee in overeenstemming moeten zijn;
486. roept de lidstaten ertoe op beleid te bevorderen dat gericht is op gelijke kansen door het verzamelen van gegevens over gelijkheid in de context van een pandemie tot norm te maken in alle publieke sectoren; roept de lidstaten verder op om bij het verzamelen en analyseren van gegevens over gelijkheid samen te werken met het maatschappelijk middenveld;
487. benadrukt de bijdrage van ouderen aan de samenleving en wijst erop dat innovatieve ideeën voor sociale ondersteuning ertoe kunnen bijdragen hen te beschermen;
488. moedigt de lidstaten aan een intergenerationeel solidariteitsmechanisme op te zetten om eenzaamheid te bestrijden, bijvoorbeeld in de vorm van burgerdienst, waardoor ouderen in contact kunnen komen met jongeren;
4.De EU en de wereld
(a) De EU en het beheer van de pandemie op mondiaal niveau
(i) Betrekkingen met de WTO, de WHO en de Internationale Gezondheidsregeling (IGR)
489. merkt op dat er ondanks de enorme groei van de handel in medisch materiaal aanzienlijke inefficiëntie is opgetreden bij de toegang tot persoonlijke beschermingsmiddelen, behandelingen, vaccins en diagnostische middelen; merkt op dat op het hoogtepunt van de pandemie de concurrentie tussen landen en beperkende maatregelen met betrekking tot de toegang tot medische hulpmiddelen, persoonlijke beschermingsmiddelen, screening en vaccins een verstoring van de productie en hogere prijzen hebben veroorzaakt;
490. wijst erop dat de grote kwetsbaarheid in verband met de geringe economische diversificatie en de grote afhankelijkheid van de uitvoer van grondstoffen de noodzaak benadrukken om de huidige toeleveringsketens in te korten;
491. benadrukt dat de pandemie de kwetsbaarheid van mondiale toeleveringsketens heeft aangetoond, alsmede en de noodzaak om regionale waardeketens op te bouwen en regionale integratie te stimuleren;
492. merkt op dat tijdens de pandemie het solidariteitsbeginsel niet altijd is geëerbiedigd, dat het de verantwoordelijkheid van de lidstaten is om de distributie van medisch materiaal te vergemakkelijken en dat de WTO in dit verband tot taak heeft de internationale handel te vergemakkelijken door internationale samenwerking op het gebied van regelgeving te bevorderen teneinde de invoer van goederen te stimuleren en uitvoerverboden of -beperkingen die nadelig zijn voor de toegang tot vaccins te verminderen;
493. betreurt dat de EU voor persoonlijke beschermingsmiddelen afhankelijk is van externe bronnen;
494. benadrukt het feit dat diverse factoren hebben geleid tot een beperkte toegang tot vaccins en herhaalt zijn oproepen aan de WTO om meer maatregelen te nemen om de vrije doorstroom van de toeleveringsketens en de levering van vaccins te waarborgen, met name voor wat betreft uitvoerbeperkingen; betreurt dat veel landen, waaronder enkele EU-partners, hun toevlucht hebben genomen tot protectionistische maatregelen in de vorm van uitvoerbeperkingen;
495. dringt er bij de EU op aan zich te richten op open strategische autonomie, ondersteuning van wereldwijde diversificatie en veerkracht van de toeleveringsketens, en op het waar nodig terughalen van de productie om de sterke afhankelijkheid van derde landen aan te pakken met een open, op regels gebaseerd multilateraal handelsstelsel als kern, teneinde de mondiale beschikbaarheid van medisch materiaal te waarborgen; spoort landen aan zich aan te sluiten bij de WTO-overeenkomst inzake de handel in farmaceutische producten, en dringt aan op de uitbreiding van het toepassingsgebied van de overeenkomst tot alle farmaceutische producten en geneesmiddelen; pleit voor steun aan Europese farmaceutische kmo’s die zouden bijdragen aan de ontwikkeling van een diverse portfolio van vaccins en daarmee aan de strategische autonomie van de EU in de gezondheidssector, benadrukt dat de wereldwijde gezondheidsrespons zich moet laten leiden door het solidariteitsbeginsel, waarbij gezondheid als een mondiaal publiek goed wordt beschouwd, en dat de EU moet samenwerken met multilaterale actoren in ontwikkelingslanden om de veerkracht en paraatheid van gezondheidszorgstelsels voor de meest kwetsbaren te verbeteren;
496. merkt op dat het systeem van octrooibescherming een stimulans is voor bedrijven om te investeren in innovatie en om nieuwe geneesmiddelen te produceren die ten dienste van de burgers moeten staan en om het algemeen belang te bevorderen; merkt tegelijkertijd op dat het uitsluitingseffect van octrooien kan leiden tot een beperkt marktaanbod en een verminderde toegang tot geneesmiddelen en farmaceutische producten; benadrukt dat overheidsinstanties in tijden van crisis, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid en het leven van mensen, in staat moeten zijn om in te grijpen in dit systeem en de middelen te gebruiken die nodig zijn om iedereen toegang te verlenen tot diagnostische middelen, preventie, behandelingen en zorg;
497. neemt kennis van de samenwerking tussen de EU en de WHO in het kader van de respons op de pandemie; benadrukt dat deze samenwerking verder moet worden versterkt met een meer gecoördineerde langetermijnaanpak en met een sterker, goed gefinancierd en onafhankelijk VN-systeem als kern; herinnert in het bijzonder aan de belangrijke rol van het Europese kantoor van de WHO bij het toezicht op en de evaluatie van Europese gezondheidsprogramma’s; dringt aan op een meer strategische, assertieve en doeltreffende rol van de Europese Unie in de wereldgezondheid; wijst erop dat de EU de rol van formeel waarnemer bij de WHO op zich moet nemen;
498. benadrukt dat de WHO en Unicef landen van het begin tot het einde van hun vaccinstrategie, en tot de allerlaatste stappen van de levering, hebben begeleid; merkt evenwel op dat er vertragingen en onzekerheden aan de aanbodzijde waren en dat de situatie pas verbeterde toen het mondiale aanbod grotendeels aan de mondiale vraag voldeed;
499. benadrukt dat er vrijwaringsmaatregelen voor wederuitvoer moeten worden ingevoerd om illegale handel te voorkomen en te vermijden dat bestaande markten tijdens een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid worden gestimuleerd; betreurt dat er tijdens pandemieën in de EU en wereldwijd beperkingen worden opgelegd aan het verkeer van gezondheidsgoederen, alsook het feit dat in geval van een humanitaire noodsituatie een land dat aanvankelijk niet in aanmerking kwam de bestemming kan zijn;
500. is van mening dat een multilaterale, onafhankelijke en wereldwijd gecoördineerde reactie op basis van wetenschappelijke grondslagen en het voorzorgsbeginsel, waarbij rekening wordt gehouden met de rol van regionale organen, van cruciaal belang is voor het opbouwen van mondiale veerkracht tegen toekomstige gezondheidscrises, en dat er meer belang moet worden gehecht aan multilaterale organisatie; merkt in dit verband op dat multilaterale organisaties, met name binnen het VN-systeem, versterkt moeten worden om hun mandaat te kunnen vervullen;
501. benadrukt dat de “één gezondheid”-benadering van fundamenteel belang is en centraal moet blijven staan bij de WHO om mondiale uitdagingen op het gebied van de volksgezondheid aan te pakken; benadrukt dat die aanpak de leidraad en de referentie moet zijn voor overheidsbeleid met betrekking tot het raakvlak tussen dier en mens en de aanpak van resistentie tegen antimicrobiële stoffen (AMR); merkt op dat, hoewel het “één gezondheid”-panel van de WHO reeds aanbevelingen heeft gedaan, deze aanbevelingen beter tot uiting moeten komen in concrete beleidslijnen, maatregelen en regelgeving op EU-, nationaal en regionaal niveau; beveelt ter voorkoming van onderzoeksgerelateerde overloopeffecten de uitbreiding van de WHO aan, omdat deze toezicht houdt op onderzoeksprogramma’s betreffende potentieel gevaarlijke ziekteverwekkers; verzoekt de EU de versterking en uitbreiding van de WHO te bevorderen door haar totale begroting te verhogen en haar werkzaamheden op het gebied van mogelijke blootstellingsroutes en de meest risicovolle omgevingen voor de overdracht van zoönotische ziekten te versterken; merkt op dat er mondiale samenwerking op het gebied van toezicht op en regulering van de handel in huisdieren en wilde dieren nodig is om natuurlijke overloopeffecten te voorkomen en dat de WHO in dat verband een belangrijke rol zal spelen; beveelt de EU ook aan de uitbreiding van de WHO te ondersteunen teneinde onderzoeksgerelateerde overloopeffecten te voorkomen door toezicht op het beheer van de bioveiligheid, biobeveiliging en biorisico’s van nationale en internationale onderzoeksprogramma’s die betrokken zijn bij het verzamelen, testen en genetisch manipuleren van potentieel gevaarlijke ziekteverwekkers;
502. verlangt dat er rekening wordt gehouden met de rol van de parlementen in internationale discussies over de wereldgezondheid, teneinde de internationale samenwerking van de EU op gezondheidsgebied te versterken, de eerbiediging van de democratische beginselen te waarborgen en de legitimiteit van deze discussies te vergroten, met name door de uitwisseling van informatie op internationaal niveau, die alle stadia moet bestrijken, van paraatheid tot reactie, met inbegrip van “één gezondheid”;
(ii) Rol bij initiatieven zoals Covax
503. benadrukt dat Covax (COVID-19 Vaccines Global Access) is opgericht met het oog op de levering van vaccins aan laag- en middeninkomenslanden, maar de hoge verwachtingen niet heeft waargemaakt, vertragingen heeft opgelopen en niet heeft voldaan aan de behoeften van laag- en middeninkomenslanden; merkt op dat dit ertoe heeft geleid dat laag- en middeninkomenslanden bilaterale overeenkomsten moesten sluiten met fabrikanten op een zeer concurrerende markt, hetgeen heeft geleid tot oneerlijke prijsstelling en ongunstige aansprakelijkheidsclausules; uit zijn bezorgdheid over het feit dat Covax geen transparante normen voor haar overeenkomsten en activiteiten heeft laten zien, hetgeen heeft geleid tot een gebrek aan publieke controle op deze processen en de opname laag- en middeninkomenslanden; verzoekt derhalve de Commissie en de lidstaten om bij nieuwe en bestaande internationale platforms te pleiten voor normen voor transparantie en inclusie met betrekking tot toegang tot gezondheidstechnologieën;
504. erkent dat er wereldwijd aanzienlijke inspanningen worden geleverd om de productiecapaciteit te verhogen, ondersteund door een grootschalig gebruik van overheidsmiddelen; is ingenomen met het feit dat de EU op dat gebied een model werd en een grote investeerder, zowel wat betreft push-investeringen (vóór de ontwikkeling) als pull-investeringen (aankoopovereenkomsten), waardoor voldoende vaccins konden worden veiliggesteld; herinnert eraan dat overheidsinvesteringen publiek rendement moeten opleveren in termen van betaalbaarheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid van de eindproducten en roept de Commissie en de lidstaten op het gebrek aan productiecapaciteit en technologieoverdracht naar laag- en middeninkomenslanden aan te pakken en een mondiaal mechanisme in te stellen om de productiecapaciteit zowel binnen de EU als op mondiale schaal te vergroten;
505. benadrukt dat publiek-private samenwerking tijdens de pandemie doorslaggevend is geweest bij het aanpakken van de uitdagingen en het leveren van vaccins; herinnert eraan dat publiek-private samenwerking tijdens een gezondheidscrisis structureel verschilt van samenwerking onder “normale” omstandigheden; herinnert eraan dat een groot bedrag aan overheidsfinanciering, in combinatie met aankoopovereenkomsten voorafgaand aan de goedkeuring door de regelgevende instanties, een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkelingscyclus van het product (vaccin); benadrukt dat in een gezondheidscrisis, wanneer de urgentie en onzekerheid veel groter zijn, overheidsfinanciering een nog grotere rol speelt; merkt op dat dit alleen kan werken als de mondiale kaders goed zijn uitgewerkt en als er nauwe coördinatie is tussen alle betrokken actoren;
(iii) Mondiale gezondheidsstrategie van de EU
506. neemt er kennis van dat de COVID-19-taskforce van het directoraat-generaal Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf (DG GROW) van de Commissie een belangrijke rol heeft gespeeld bij het vergroten van de open strategische autonomie en de veerkracht van de EU ten aanzien van de pandemie, door de ondersteuning van onderzoek en innovatie, de versterking van de toeleveringsketens en de bevordering van meer samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten;
507. is ingenomen met het feit dat de Commissie een nieuwe mondiale gezondheidsstrategie van de EU heeft vastgesteld met als doel de wereldwijde gezondheidsbeveiliging te verbeteren en tegelijkertijd het leiderschap van de EU te versterken en de verantwoordelijkheid van de EU voor het aanpakken van mondiale uitdagingen en ongelijkheden op gezondheidsgebied te bekrachtigen;
508. is van mening dat het waarborgen van de eenheid van de interne markt van de EU en het gebruik van haar economische en politieke invloed mogelijk is gemaakt door de ontwikkeling van de externe dimensie van de operationele autonomie van de EU via het EU-brede mechanisme voor uitvoervergunningen; onderkent echter dat de medische tegenmaatregelen niet gelijk verdeeld waren, hetgeen onder andere bijdroeg tot een opvallend contrast tussen de vaccinatiegraad in landen met een hoog inkomen en die in landen met een laag inkomen;
509. is van mening dat ondanks het aanzienlijke bedrag aan overheidsfinanciering voor O&O voor de snelle ontwikkeling van vaccins, de productiecapaciteit in de EU te traag werd opgevoerd om aan de behoeften te voldoen; wijst er derhalve op dat het delen van intellectuele eigendom en knowhow binnen het rechtskader belangrijk is om te zorgen voor grootschalige productie en wereldwijde beschikbaarheid van medische tegenmaatregelen; herinnert er tegelijkertijd aan dat de complexiteit van de productie van vaccins en van de inkoop van grondstoffen en andere bestanddelen die nodig zijn voor de productie, een mondiale, duurzame en veerkrachtige toeleveringsketen vereist; is van mening dat geen enkel land volledig autonoom vaccins kan produceren, waardoor de EU moeite had om haar productiecapaciteit af te stemmen op de grote vraag naar vaccins;
510. vraagt om de invoering van instrumenten waarmee de Commissie zo nodig een wederkerig handelsbeleid kan voeren (bijvoorbeeld als antwoord op de Defence Production Act) en op die manier een gelijk machtsevenwicht en gelijke onderhandelingspositie kan handhaven;
511. benadrukt dat de EU een belangrijke rol heeft gespeeld in de mondiale respons en solidariteit en deze rol moet blijven spelen door er meer moeite voor te doen; is van mening dat de EU het voortouw moet blijven nemen op het gebied van vaccinsolidariteit in de wereld en herhaalt dat vaccinsolidariteit deel uitmaakt van de “één gezondheid”-benadering van de EU; dringt erop aan dat de lidstaten meer aandacht besteden aan de planning van gecoördineerde inspanningen met betrekking tot de distributie van vaccins wanneer er geen pandemie heerst;
512. benadrukt dat de wereld in de toekomst waarschijnlijk met nieuwe epidemieën en pandemieën zal worden geconfronteerd en dat de “één gezondheid”-benadering van de EU inhoudt dat de EU actief is op het gebied van wereldwijde paraatheid, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van de Green Deal, de naleving van het milieurecht van de EU, de bevordering van duurzame ontwikkeling, de dringende en noodzakelijke vermindering van CO2-emissies en het verlies aan biodiversiteit, die allemaal factoren zijn die pandemieën en andere bedreigingen voor de volksgezondheid, zoals chemische, biologische, radiologische en nucleaire bedreigingen en zoönosen, in de hand werken, alsook met betrekking tot de vaststelling van maatregelen die bijdragen tot de ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële stoffen en tot de beschikbaarheid en betaalbaarheid daarvan; roept de EU en de lidstaten op om de wereldgemeenschap te steunen en bij te staan bij het beschermen van intacte ecosystemen en het beëindigen van de commerciële handel in wilde dieren voor menselijke consumptie;
513. benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het handelsbeleid van de EU bijdraagt aan de veerkracht en de open strategische autonomie van de EU, onder meer door gebruik te maken van het volledige handelsinstrumentarium; benadrukt dat handelsbeperkingen in tijden van crisis negatieve gevolgen kunnen hebben, ook voor ontwikkelingslanden en buurlanden; is ervan overtuigd dat crisisparaatheid van cruciaal belang is om de negatieve gevolgen van verstoringen van de toeleveringsketen in tijden van crisis te verzachten; is in dit verband ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie voor een noodinstrument voor de eengemaakte markt dat het vrije verkeer van goederen, diensten en personen en de beschikbaarheid van essentiële goederen en diensten in geval van toekomstige noodsituaties veiligstelt ten behoeve van burgers en bedrijven in de hele EU;
514. verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden om, gezien de waarschijnlijkheid van nieuwe epidemieën en pandemieën in de toekomst en in het licht van de verschillende studies over de oorsprong van de COVID-19-pandemie, een afdeling op te richten voor onderzoek naar en monitoring van de volksgezondheidsstrategieën van niet-EU-landen, met name die met een aanzienlijk potentieel voor grensoverschrijdende verspreiding;
(iv) Wereldwijde partnerschappen en stichtingen
515. neemt kennis van de nauwe samenwerking tussen de Coalition for Epidemic Preparedness Innovations (CEPI) en de Global Alliance for Vaccines and Immunizations (Gavi), onder auspiciën van de WHO en Unicef, die heeft geleid tot de oprichting van Covax, dat gericht is op het versnellen van de ontwikkeling en de productie van COVID-19-vaccins en het waarborgen van wereldwijde, eerlijke toegang tot vaccins; wijst erop dat deze initiatieven permanent moeten zijn en een vaste plaats moeten hebben binnen het VN-systeem, waarbij wordt gezorgd voor democratische controle en toetsing, en volledige transparantie van hun activiteiten wordt gewaarborgd;
516. merkt op dat de Gavi heeft gezorgd voor het ontwerp en het beheer van de Covax-faciliteit, het wereldwijde Covax-mechanisme voor risicodeling en gezamenlijke aanbesteding, en doses voor Covax heeft verkregen door middel van aankoopovereenkomsten en het Covax-mechanisme voor het delen van doses, waardoor Covax wereldwijd kon inkopen en leveren; merkt op dat de CEPI terugvorderbare leningen heeft gebruikt om de doses voor Covax-faciliteiten veilig te stellen; benadrukt het feit dat hoewel de CEPI over enkele oplossingen voor noodfinanciering beschikte, zij grotendeels op fondsenwerving aangewezen was; benadrukt dat dit systeem weliswaar positieve resultaten heeft opgeleverd, maar dat er voldoende middelen moeten worden toegewezen aan VN-organen en -organisaties om ervoor te zorgen dat zij voor de uitvoering van hun mandaat niet alleen afhankelijk zijn van vrijwillige donaties;
517. is ingenomen met het feit dat billijke toegang tot vaccins de topprioriteit is geweest van mondiale stichtingen, waaronder de CEPI en de Gavi, en dat de CEPI het “zonder winstoogmerk/geen verlies”-beginsel in praktijk heeft gebracht voor vaccins die bestemd zijn voor laag- en middeninkomenslanden; merkt evenwel op dat de meeste laag- en middeninkomenslanden een aanmerkelijk lagere immunisatiegraad hebben dan hooginkomenslanden; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij internationale platforms te pleiten voor transparantie- en inclusienormen en voor aanpassing van hun toegangsbeleid en -voorwaarden om het aanbod voor laag- en middeninkomenslanden te optimaliseren;
518. is van mening dat het doneren van doses weliswaar positief is, maar dat deze donaties grondig moeten worden gepland om ervoor te zorgen dat zij een optimale bijdrage leveren aan de behoeften, mogelijkheden en vereisten van de vaccinatiestrategieën van de ontvangers; benadrukt dat de Unie ook maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat vaccins doeltreffend blijven, om de capaciteit van de nationale volksgezondheidsstelsels om doses te leveren te ondersteunen, om de vaccinatiegraad te verhogen, en om misinformatie tegen te gaan die vaccinatietwijfel aanwakkert;
519. is van mening dat duurzame ontwikkeling, productie en levering van vaccins afhankelijk zijn van robuuste en transparante toeleveringsketens; onderstreept in dit verband de noodzaak van een bredere verdeling van de productiecapaciteit over de hele wereld; verzoekt de Commissie en de lidstaten financiële steun te verlenen aan het vergroten van de lokale en regionale productie van vaccins en de overdracht van kennis en technologieën en andere essentiële gezondheidsproducten in laag- en middeninkomenslanden aan te moedigen;
520. dringt aan op de totstandbrenging van een wereldwijd uitgebalanceerde productiecapaciteit die snel kan worden aangepast aan de productie van elk gewenst vaccin; steunt de inspanningen van het door de WHO gesteunde centrum voor de overdracht van messenger-ribonucleïnezuur (mRNA)-technologie en moedigt de Europese Commissie en de lidstaten aan dergelijke initiatieven te blijven steunen; beschouwt de recente toezeggingen van de EU ter ondersteuning van de soevereiniteit op gezondheidsgebied in Afrika en haar investering van 1 miljard EUR in productiecapaciteit op dat continent als belangrijke stappen; merkt echter op dat de overeenkomsten onduidelijkheden bevatten over de overdracht van technologie en kennis, waaronder intellectuele eigendom en testgegevens; dringt aan op verdere versterking van de samenwerking tussen het EMA en het Afrikaanse Geneesmiddelenbureau, op internationale afstemming van de regelgeving via de International Coalition of Medicines Regulatory Authorities en op nauwe betrokkenheid van de WHO;
(v) Herziening van de Internationale Gezondheidsregeling en het pandemieverdrag
521. benadrukt dat de reactie op COVID-19 holistisch moet zijn en dat zij niet uitsluitend op gezondheid gericht kan zijn, maar ook rekening moet houden met sociale en economische overwegingen op wereldschaal; merkt op dat doeltreffende preventie van, paraatheid bij en reactie op pandemieën afhankelijk zijn van transparante en tijdige uitwisseling van informatie, gegevens en andere elementen op alle niveaus; dringt aan op betere coördinatie op het gebied van preventie, paraatheid en reactie, met inbegrip van de distributie van vaccins;
522. dringt aan op de evaluatie van de huidige kaders voor het beheer van de wereldgezondheid en verwelkomt in dit verband het de onderhandelingen over pandemieverdrag; roept op om de verplichtingen en afdwingbaarheid van de IGR gelijktijdig aan te scherpen en lacunes (met inbegrip van financiering, gelijktijdige en mondiale governance) aan te pakken door middel van het nieuwe pandemieverdrag of een ander internationaal juridisch instrument; roept de EU en de lidstaten op te waarborgen dat de preventie van pandemieën in het verdrag wordt opgenomen en ervoor te zorgen dat het mogelijk maken van de doeltreffende actieve deelname van het maatschappelijk middenveld en wetenschappers een prioriteit is bij de onderhandelingen;
523. is ingenomen met de leidende rol van de EU in de besprekingen over het pandemieverdrag; merkt op dat het pandemieverdrag het potentieel heeft om de werking van de mondiale farmaceutische sector in tijden van crisis te veranderen; is van mening dat dit juridisch bindende verdrag tot doel moet hebben de “één gezondheid”-benadering te bevorderen en te integreren, de veerkracht van onze gezondheidszorgstelsels te versterken, toekomstige pandemieën te voorkomen en zich erop voor te bereiden, een gecoördineerde en eensgezinde reactie op crises te garanderen, te zorgen voor universele en billijke toegang tot tests, geneesmiddelen en vaccins, desinformatie die de volksgezondheidsmaatregelen ernstig ondermijnt doeltreffend te bestrijden, innovatie te stimuleren, te bevorderen en te ontwikkelen om te reageren op wereldwijde bedreigingen van de volksgezondheid en veerkrachtige wereldwijde toeleveringsketens te vergemakkelijken;
524. wijst erop dat strengheid, verantwoordingsplicht en transparantie met betrekking tot internationale gezondheidsregelingen voorwaarden zijn voor coördinatie op wereldschaal; benadrukt dat de Access to COVID-19 Tools Accelerator het belang van internationale samenwerking heeft aangetoond, omdat het een snelle reactie en een ongekende coördinatie tussen mondiale gezondheidsinstanties mogelijk heeft gemaakt om de pandemie aan te pakken; benadrukt hoe belangrijk het is dit initiatief te evalueren en er lessen uit te trekken; merkt op dat verbetering van de toegankelijkheid van geneesmiddelen in laag- en middeninkomenslanden betekent dat de regelgevings- en productiecapaciteit moet worden verbeterd en de overdracht van technologie en opleiding moeten worden vergemakkelijkt, en prijst de initiatieven van Team Europa die tot deze doelstellingen hebben bijgedragen;
(vi) Intellectuele-eigendomsrechten in de context van internationale betrekkingen
525. is van mening dat Europa een constructieve oplossing moet vinden voor de bescherming van intellectuele eigendom, die voldoende zekerheid en stimulansen voor investeringen in O&O biedt en die licentieovereenkomsten moet omvatten teneinde de productie op te schalen; merkt op dat er reeds lang bezorgdheid bestaat over intellectuele-eigendomsrechten en toegang tot betaalbare geneesmiddelen in laag- en middeninkomenslanden en in toenemende mate ook in hooginkomenslanden; benadrukt de flexibiliteiten in de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom van de WHO (TRIPS), die in de Verklaring van Doha is bevestigd, als legitieme beleidsmaatregelen die regeringen kunnen gebruiken om de volksgezondheid te beschermen en te bevorderen door beperkingen en waarborgen te stellen aan de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten; verzoekt ontwikkelaars van medisch materiaal om in tijden van pandemieën, epidemieën en endemieën hun intellectuele eigendom, kennis en knowhow te delen via mondiale initiatieven, zoals de COVID-19 Technology Access Pool (C-TAP) van de WHO; prijst de inspanningen van de WHO om dit instrument op te zetten als centraal aanspreekpunt voor de ontwikkeling, licentieverlening en productie van gezondheidstechnologieën; is ingenomen met de steun van de lidstaten voor dit initiatief en roept de EU op de privésector aan te moedigen eraan bij te dragen; benadrukt dat het opheffen van intellectuele-eigendombelemmeringen alleen het probleem van de toegang niet zal oplossen, dat octrooien nutteloos zijn zonder technologieoverdracht en behoorlijke industriële knowhow en dat uitvoerbeperkingen voor en de toegang tot grondstoffen belemmeringen waren voor de productie van medisch materiaal; wijst er evenwel op dat het delen van intellectuele eigendom en knowhow binnen het rechtskader belangrijk is om te zorgen voor grootschalige productie en wereldwijde beschikbaarheid van medische tegenmaatregelen tijdens pandemieën, epidemieën en endemieën;
526. benadrukt dat dwanglicenties er niet voor zorgen dat derde fabrikanten in laag- en middeninkomenslanden geneesmiddelen of apparatuur kunnen produceren, aangezien er ook investeringen in regionale en lokale capaciteit en infrastructuur nodig zijn; merkt op dat Team Europa in dit verband samenwerkt met Afrikaanse landen; benadrukt in dit verband de noodzaak van innovatieve vaccins, behandelingen en diagnostische middelen voor nieuwe, veel voorkomende of verwaarloosde infectie- en niet-overdraagbare ziekten en benadrukt dat financiering uit Horizon Europa en het Partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP3) het potentieel heeft onderzoek, capaciteitsopbouw en versterking van de regelgeving in Afrika bezuiden de Sahara te bevorderen; wijst erop dat deze partnerschappen samenwerken met de farmaceutische industrie en dat er een gunstig klimaat nodig is om vaccins en geneesmiddelen te blijven ontwikkelen en verbeteren met het oog op de huidige uitdagingen en toekomstige pandemieën;
527. herinnert eraan dat in artikel 66, lid 2, van de Trips-overeenkomst is vastgesteld dat ontwikkelde landen die partij zijn bij de overeenkomst de ondernemingen of instellingen op hun grondgebied stimulansen moeten bieden voor technologieoverdracht aan de minst ontwikkelde partijen, zodat zij een gezonde en levensvatbare technologische basis kunnen creëren; verzoekt de Commissie en de lidstaten deze eis met voorrang in te willigen; herhaalt de steun van het Europees Parlement voor de TRIPS-opheffing (IP/C/W/669) zoals oorspronkelijk voorgesteld op de WTO-website(58); spoort de Europese Commissie aan samen te werken met andere WTO-leden om het TRIPS-besluit van de MC12 uit te breiden tot geneesmiddelen en diagnostische middelen;
528. is er van overtuigd dat tal van landen, met name ontwikkelingslanden, moeilijkheden ondervinden bij de toepassing van de flexibiliteiten van de TRIPS-overeenkomst, met name artikel 31 bis;
529. herinnert eraan dat de EU actief moet deelnemen aan op de tekst gebaseerde onderhandelingen over een tijdelijke TRIPS-opheffing;
530. dringt er in dat verband op aan dat de EU haar steun verleent aan het toekennen van een tijdelijke opheffing van een aantal bepalingen van de TRIPS-overeenkomst voor COVID-19, teneinde de tijdige wereldwijde toegang tot betaalbare COVID-19-vaccins, geneesmiddelen en diagnostische middelen te verbeteren door wereldwijde productiebeperkingen en leveringstekorten aan te pakken;
531. dringt aan op de oprichting van een nieuwe permanente commissie inzake handel en gezondheid tijdens de MC12 om regeringen bij te staan bij het toepassen van de huidige uitzonderingen en flexibiliteiten in het internationale handelsrecht, en het leggen van het fundament voor een handelspijler voor onderhandelingen over een toekomstig internationaal verdrag inzake de respons op een pandemie;
532. benadrukt dat Afrika geholpen moet worden om voor Afrika te produceren om Afrika minder afhankelijk te maken van andere delen van de wereld;
(b) De rol van de EU in de toegang tot vaccins
(i) Verstrekking van en toezicht op billijke toegang tot vaccins en medische producten aan derde landen
533. merkt op dat landen een wereldwijde noodsituatie niet alleen kunnen bestrijden en dat coördinatie van de internationale samenwerking, met name via multilaterale organisaties zoals de VN, essentieel is; vestigt in dat verband in het bijzonder de aandacht op de belangrijke bijdrage die de ontdekking van de omikronvariant heeft geleverd aan de wereldwijde strijd tegen COVID-19; merkt op dat op het hoogtepunt van de pandemie concurrentie en beperkende maatregelen tussen landen met betrekking tot de toegang tot medische hulpmiddelen, persoonlijke beschermingsmiddelen, screening en vaccins hebben geleid tot verstoring van de productie en hogere prijzen, en dat het derhalve van essentieel belang is dat landen die dit medisch materiaal produceren de politieke wil hebben om regeringen aan te moedigen er collectief voor te zorgen dat de toeleveringsketens open blijven;
534. is van mening dat gezondheid, naast dat het een mensenrecht is, van geopolitieke strategische waarde is, en dat Europa het potentieel heeft om op dit gebied een wereldleider te worden; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan zich bij hun reactie op pandemieën te laten leiden door een op rechten gebaseerde ethische benadering en de bescherming van medische faciliteiten te eerbiedigen in het geval van een conflict (VN-Veiligheidsraad 2286), en de vrijheid van verkeer niet te beperken (beginselen van Syracuse); verzoekt de EU en de lidstaten ervoor te zorgen dat onafhankelijke humanitaire actoren toegang hebben tot instrumenten zoals de humanitaire buffer voor het bieden van hulp aan mensen die zijn buitengesloten of die niet meer door hun regeringen kunnen worden bereikt, bijvoorbeeld in conflictsituaties;
535. dringt er bij Europa op aan de veiligheid van haar burgers te allen tijde op autonome wijze en in coördinatie met onze traditionele bondgenoten te waarborgen door middel van wederzijdse steun;
536. merkt op dat veel laag- en middeninkomenslanden in de wereld moeite hadden om toegang te krijgen tot medische hulpmiddelen zoals geneesmiddelen, beschermende uitrusting of vaccindoses als gevolg van verschillende factoren, waaronder een gebrek aan levering, vooral aan het begin van de crisis;
537. benadrukt dat de EU een belangrijke rol heeft gespeeld bij de wereldwijde vaccinatie, drie van de eerste vier veilige en doeltreffende vaccins heeft voortgebracht en de eerste producent en exporteur van mRNA-vaccins was; benadrukt dat dit onmogelijk zou zijn geweest zonder ambitieuze overheidsfinanciering en wijst op de daaruit voortvloeiende publieke verantwoordelijkheden voor particuliere belanghebbenden;
538. is van mening dat de EU een buitensporige hoeveelheid vaccins heeft in verhouding tot de behoefte, en daardoor over voldoende vaccins beschikt om deze te blijven delen met landen die hier uitdrukkelijk om verzoeken in geval van een nieuwe golf;
539. is van mening dat uitvoerbeperkingen en toegang tot grondstoffen enkele van de ernstigste belemmeringen voor productie zijn, samen met gebrek aan toegang tot knowhow op het gebied van productie;
540. verzoekt de Commissie het gesprek met vaccinproducerende landen aan te gaan om de uitvoerbelemmeringen snel te elimineren en haar eigen mechanisme voor uitvoervergunningen te vervangen door transparantievereisten met betrekking tot uitvoer, en dringt erop aan tijdig en alomvattend toegang tot dergelijke gegevens te krijgen;
541. benadrukt dat de wereldwijde reactie op noodsituaties op gezondheidsgebied moet bestaan uit enerzijds een op behoeften stoelende “vraagzijde”-benadering, met gemeenschappelijke financiering en wereldwijd gecoördineerde vroegtijdige aankoop, en anderzijds een geïntegreerde “aanbodzijde”-strategie voor het vergroten van de productiecapaciteit in de hele waardeketen; is van oordeel dat een grotere wereldwijde vaccinproductie, een betere coördinatie van de bevoorrading, en versterkte, gediversifieerde en veerkrachtige waardeketens voor vaccins noodzakelijk zijn om tot een wereldwijde distributie van vaccins te komen; benadrukt dat, op de lange termijn, de wereldwijde productie van vaccins dringend moet worden uitgebreid om aan de wereldwijde vraag te voldoen, en dat er derhalve investeringen nodig zijn in de productiecapaciteit van laag- en middeninkomenslanden om ze zelfvoorzienender te maken; wijst op de noodzaak van een effectieve overdracht van technologie en knowhow om dit te verwezenlijken; erkent dat vrijwillige licentieovereenkomsten en vrijwillige technologieoverdracht aan landen die reeds over een vaccinproducerende industrie beschikken, de belangrijkste manier is om dit te bereiken en verzoekt de Commissie en gelijkgestemde landen in die zin te handelen;
542. op een dringend noodzakelijke verhoging van de internationale investeringen en coördinatie met het oog op de opschaling van de productie van kritieke elementen in het vaccinatieproces, zoals wegwerpartikelen en werkzame farmaceutische bestanddelen, om knelpunten in de waardeketens van vaccins op te lossen;
(ii) De rol van de EU om ervoor te zorgen dat vaccins en medische benodigdheden betaalbaar en beschikbaar zijn voor derde landen (voorkomen van mogelijke knelpunten in de toeleveringsketens, handelsbelemmeringen enz.)
543. herinnert eraan dat de EU haar middelen heeft gebundeld om het effect van haar respons op de COVID-19-pandemie te maximaliseren en dat de EU-instellingen, de lidstaten en de Europese financiële instellingen, en Team Europa, sinds het uitbreken van de pandemie tot dusverre 53,7 miljard EUR hebben uitgetrokken voor steun aan 140 landen, met name voor noodhulp voor humanitaire behoeften, de versterking van de gezondheidszorg, drinkwater- en rioleringsstelsels, en de beperking van de sociale en economische gevolgen van de pandemie;
544. verzoekt de EU en de lidstaten hun betrekkingen met laag- en middeninkomenslanden te versterken, met name op het gebied van preventie en de monitoring van opkomende gezondheidsbedreigingen; dringt aan op voortdurende steun voor de gezondheidszorgstelsels, de paraatheid bij pandemieën en de lokale geneesmiddelen- en vaccinproductie in laag- en middeninkomenslanden; benadrukt dat de crisis de kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes dramatisch heeft vergroot, met naar schatting 110 miljoen meisjes die tot 2030 het risico lopen om op jonge leeftijd te moeten trouwen, van wie er nog eens 10 miljoen gevaar lopen vanwege de financiële problemen als gevolg van de pandemie;
545. roept op tot meer inspanningen om gemakkelijke en betaalbare toegang tot vaccins, geneesmiddelen, diagnostiek en gezondheidszorg in laag- en middeninkomenslanden te bevorderen door de actieve ondersteuning van een klimaat waarin capaciteit voor de lokale productie van vaccins tot stand kan worden gebracht, de paraatheid kan worden versterkt, lokale gezondheidswerkers kunnen worden opgeleid en de responscapaciteit kan worden opgevoerd, terwijl landen met kwetsbare gezondheidszorgstelsels toegang krijgen tot medische apparatuur en benodigdheden; is in dit verband ingenomen met de vlaggenschipprogramma’s van Global Gateway op het gebied van gezondheidsproductie en toegang tot vaccins, geneesmiddelen en producten op het gebied van gezondheidstechnologie in Senegal, Rwanda, Ghana en Zuid-Afrika; onderkent de belangrijke rol van Afrikaanse laboratoria, met name in Zuid-Afrika, bij de sequencing van de omikronvariant van COVID-19; verzoekt de EU en internationale organisaties derhalve om de wetenschappelijke samenwerking met Afrika verder te verdiepen; benadrukt de totstandkoming van de mRNA-vaccins van de WHO;
546. benadrukt dat open strategische autonomie in de gezondheidssector, gebaseerd op de ontwikkeling van onderzoekscapaciteit in de lidstaten, steun voor lokale EU-productiecapaciteit en harmonisatie van de regelgeving, een potentieel instrument is om het farmaceutische ecosysteem van de EU te versterken en de handelsstroom van geneesmiddelen, vaccins, medische hulpmiddelen en andere essentiële goederen in tijden van crisis te verbeteren;
547. benadrukt dat veel EU-lidstaten problemen hebben ondervonden bij het doneren van dosisoverschotten aan het Globale Zuiden, enerzijds vanwege de voorwaarden die farmaceutische bedrijven in de vaccinovereenkomsten stelden en anderzijds vanwege het gebrek aan vraag vanuit de landen in het Globale Zuiden, terwijl tegelijkertijd de belangstelling voor vaccindoses afnam; merkt op dat ontvangende landen ook problemen ondervonden bij het absorberen van donaties vanwege de korte houdbaarheid van de vaccins; stelt vast dat betere communicatie tussen de Unie en de betrokken overheden over dit onderwerp noodzakelijk is;
548. benadrukt dat resistentie tegen antimicrobiële stoffen (AMR) de volgende mondiale gezondheidscrisis kan worden en dat er derhalve behoefte is aan een versnelde uitvoering van de huidige actieplannen en specifieke mondiale mechanismen voor surveillance, onderzoek en innovatie op het gebied van AMR en voor antimicrobieel beheer; benadrukt dat de ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële stoffen moet worden ondersteund en de beschikbaarheid en betaalbaarheid ervan moet worden gewaarborgd;
549. is van mening dat de EU, in de context van sterke internationale concurrentie, een belangrijke ontwikkelaar, producent en exporteur van medisch materiaal moet zijn;
550. benadrukt de noodzaak om zich vooral te concentreren op de financiering van de ontwikkeling van medische tegenmaatregelen en behandelingen om de internationale concurrentie het hoofd te bieden; wijst in dit verband op de rol van publiek-private partnerschappen; erkent de succesvolle samenwerking tussen Europese en Amerikaanse bedrijven en laboratoria bij de ontwikkeling van mRNA-vaccins;
(c) Conclusies
551. is ingenomen met de oprichting van het financieel intermediair fonds voor pandemische preventie, paraatheid en respons, het “pandemiefonds”, van de Wereldbank; vraagt krachtens zijn mandaat om gerichte financiering om kritieke lacunes in de capaciteit op het gebied van preventie, paraatheid en respons weg te werken, te beginnen met lacunes bij het toezicht en bij de opleiding van het personeel van hulpdiensten;
552. benadrukt dat medische tegenmaatregelen de bevolking niet zullen bereiken als de begunstigden geen medeverantwoordelijkheid op zich nemen, bijvoorbeeld door te investeren in hun eerstelijnsgezondheidszorg; moedigt laag- en middeninkomenslanden aan de doelstelling van de Verklaring van Abuja van de Afrikaanse Unie van 2001 over hiv/aids, tuberculose en andere gerelateerde infectieziekten uit te voeren om “ten minste 15 % van de jaarlijkse begroting toe te wijzen aan de verbetering van de gezondheidssector”, met inachtneming van de noodzakelijke begrotingsruimte; herinnert aan de rol die de EU speelt bij de bevordering en ondersteuning van de wereldwijde toegang tot vaccins, zoals bijvoorbeeld de Access to COVID-19 Tools Accelerator en Covax;
553. benadrukt de voordelen van eerlijke en voorspelbare bescherming van intellectuele eigendom bij het stimuleren en bevorderen van onderzoek, productie en ontwikkeling op het gebied van geneesmiddelen; benadrukt het openbare belang van de bevordering van het delen van intellectuele eigendom en van de kennis van medische tegenmaatregelen, met name tijdens pandemieën, epidemieën en endemieën; wijst erop dat dit het gebruik van TRIPS-flexibiliteit niet mag uitsluiten wanneer dat nodig is en zoals is voorzien in de TRIPS-overeenkomst; erkent dat het voor de EU van belang is het voortouw te blijven nemen op het gebied van O&O en klinische proeven en benadrukt hoe belangrijk het is om O&O-activiteiten binnen de EU nieuw leven in te blazen om werkgelegenheid te creëren en het mondiale concurrentievermogen te versterken; wijst erop dat de bescherming van intellectuele eigendom een belangrijke stimulans kan zijn voor innovatie en onderzoek over de hele wereld; merkt op dat een dergelijke bescherming de basis kan vormen voor vrijwillige licentieovereenkomsten en de overdracht van knowhow en daardoor de beschikbaarheid van vaccins mogelijk kan maken; benadrukt de problemen die een opheffing voor onbepaalde duur van de TRIPS-overeenkomst zou kunnen opleveren voor de financiering van onderzoek, met name voor onderzoekers, investeerders, ontwikkelaars en klinische proeven; benadrukt dat de bescherming van eigendomsrechten, met inbegrip van intellectuele-eigendomsrechten, een constitutionele verplichting van de Europese Unie en haar lidstaten is; benadrukt in dit verband het belang van transparantie en is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, waarin wordt voorgesteld dat alle directe financiële steun die wordt ontvangen van een overheidsinstantie of een door de overheid gefinancierd orgaan in verband met activiteiten of het onderzoek naar en de ontwikkeling van het geneesmiddel, moet worden aangegeven; benadrukt het juiste evenwicht te vinden tussen het stimuleren van innovatie en het bieden van toegang tot betaalbare geneesmiddelen; dringt aan op de noodzaak om innovatiemodellen te ondersteunen die toegang bieden tot betaalbare geneesmiddelen in alle lidstaten, zonder ernstige belemmeringen voor toegang en betaalbaarheid op te werpen; verzoekt de Commissie om wereldwijde initiatieven te ondersteunen die het delen van intellectuele eigendom mogelijk maken, zoals de Covid-19 Technology Acces Pool;
554. benadrukt dat de bestaande Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom al een kader biedt voor dwanglicenties, waardoor regeringen hun burgers generieke versies van geoctrooieerde behandelingen kunnen aanbieden via binnenlandse productie of invoer uit het buitenland; onderkent de potentiële waarde van dwanglicenties tijdens pandemieën, epidemieën en endemieën, maar erkent tegelijkertijd de mogelijke negatieve gevolgen ervan, zoals het ondermijnen van de zekerheid van bescherming van intellectuele eigendom voor toekomstige innovatie, en benadrukt de positieve rol van vrijwillige licentieovereenkomsten bij het verhogen van de productie van en de toegang tot COVID-19-vaccins, maar betreurt het beperkte gebruik van dit instrument; herinnert eraan dat 138 vrijwillige licentieovereenkomsten en partnerschappen met multilaterale organisaties hebben bijgedragen tot wereldwijde toegang tot COVID-19-geneesmiddelen via andere middelen dan TRIPS-opheffingen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om prioriteit te geven aan de naleving van artikel 66, lid 2, van de TRIPS-overeenkomst, dat de leden die ontwikkelde landen zijn verplicht om stimulansen te bieden voor het bevorderen en aanmoedigen van technologieoverdracht aan de leden die de minst ontwikkelde landen zijn, zodat deze een solide en levensvatbare technologische basis kunnen leggen;
555. onderkent dat COVID-19 een uitzonderlijke omstandigheid was, die uitzonderlijke oplossingen vergde, zoals een tijdelijke ontheffing van de WTO-overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS), alsmede het geven van prioriteit aan de beschikbaarheid en betaalbaarheid van pandemiegerelateerde gezondheidsproducten; is er van overtuigd dat tal van landen, met name ontwikkelingslanden, moeilijkheden ondervinden bij de toepassing van de flexibiliteiten van de TRIPS-overeenkomst, met name artikel 31 bis;
556. herinnert eraan dat de EU actief moet deelnemen aan op de tekst gebaseerde onderhandelingen over een tijdelijke TRIPS-opheffing; dringt er in dat verband op aan dat de EU haar steun verleent aan het toekennen van een tijdelijke opheffing van een aantal bepalingen van de TRIPS-overeenkomst voor COVID-19, teneinde de tijdige wereldwijde toegang tot betaalbare COVID-19-vaccins, geneesmiddelen en diagnostische middelen te verbeteren door wereldwijde productiebeperkingen en leveringstekorten aan te pakken;
557. is van mening dat soortgelijke maatregelen nuttig zouden zijn in het geval van mogelijke toekomstige pandemieën, epidemieën en endemieën; benadrukt dat, op de lange termijn, de wereldwijde productie van vaccins dringend moet worden uitgebreid om aan de wereldwijde vraag te voldoen, en dat er derhalve investeringen nodig zijn in de productiecapaciteit van laag- en middeninkomenslanden om ze zelfvoorzienender te maken; wijst op de noodzaak van een effectieve overdracht van technologie en knowhow om dit te verwezenlijken; onderkent dat het stimuleren van regelingen voor vrijwillige vergunningen en de vrijwillige overdracht van technologie en knowhow naar landen die al over capaciteit voor de productie van vaccins beschikken, de beste manier is om dit te bereiken; is van mening dat een multilateraal rechtskader inzake intellectuele-eigendomsrechten bescherming en stimulansen kan bieden die van cruciaal belang zijn om voorbereid te zijn op toekomstige pandemieën, en erkent de rol ervan bij het faciliteren van de brede en ongekende samenwerking tussen regeringen, onderzoeksinstellingen en farmaceutische bedrijven;
558. dringt aan op de oprichting van een nieuwe permanente commissie inzake handel en gezondheid tijdens de MC12 om regeringen bij te staan bij het toepassen van de huidige uitzonderingen en flexibiliteiten in het internationale handelsrecht, en het leggen van het fundament voor een handelspijler voor onderhandelingen over een toekomstig internationaal verdrag inzake de respons op een pandemie;
Slotaanbevelingen
559. beveelt aan dat de EU een holistische aanpak van preventie van, paraatheid voor en respons op pandemieën uitvoert, zodat zij een wereldwijde drijvende kracht blijft, zoals blijkt uit de aanneming van de Verklaring van Rome van de G20 en de internationaal overeengekomen beginselen voor maatregelen ter bestrijding van, voorbereiding op, preventie van en respons op pandemieën;
560. verzoekt de Europese Unie een Europese herdenkingsdag voor de slachtoffers van COVID-19 in te stellen;
(i) Preventiecapaciteit
561. beveelt aan sectoroverschrijdende gezondheidsbevorderings- en preventieprogramma’s op te zetten om gezondheidsrisicofactoren te verminderen en een gezonde levensstijl te bevorderen, en een Europese sectoroverschrijdende preventieve gezondheidsbenadering op te nemen in al het beleid dat landbouw en voedselproductie, milieu, vervoer, de energiesector, industriële ontwikkeling, onderwijs en sociale diensten integreert, teneinde een grotere uitwisseling van kennis en informatie mogelijk te maken, optimale werkmethoden te bevorderen, duurzame schaalvoordelen te faciliteren en innovatiepotentieel te ontsluiten om beter voorbereid te zijn op en beter te reageren op elke bedreiging van de gezondheid van de Europese burgers; wijst erop dat dergelijke programma’s moeten worden ontwikkeld binnen sectoroverschrijdende platforms, met inbegrip van overheidsinstanties op nationaal, regionaal en lokaal niveau, en van maatschappelijke organisaties;
562. verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten hun engagement om de mondiale klimaatnoodtoestand aan te pakken, verder te versterken en hun actie ter bevordering van duurzame ontwikkeling, ter bescherming van het milieu, ter vermindering van de emissies en ter voorkoming van verder biodiversiteitsverlies te intensiveren, aangezien dit cruciale beleidsmaatregelen en benaderingen zijn om toekomstige pandemieën te voorkomen;
563. verzoekt de Commissie en het ECDC surveillanceplannen voor opkomende bedreigingen voor de gezondheid in te voeren, met inbegrip van het op gecoördineerde en stelselmatige wijze verzamelen van gegevens en operationeel en gedragsonderzoek, en risicobeoordelingen uit te voeren met betrekking tot de factoren die bijdragen tot de opkomst, verspreiding en persistentie van zoönotische ziekten en de daarbij betrokken processen en trajecten, alsmede intacte, veerkrachtige en gezonde ecosystemen en hun effect op ziektepreventie te classificeren, met inbegrip van surveillance van in het wild levende dieren, identificatie van ziekteverwekkers en ondersteuning van de lidstaten bij de uitvoering;
564. verzoekt de Commissie economische analysen uit te voeren om de kosten en baten van preventieve maatregelen om te reageren op het risico van nieuwe zoönotische ziekten te kwantificeren en de resultaten te gebruiken om te pleiten voor duurzame financiering van deze maatregelen;
565. dringt aan op de oprichting van een Europese overkoepelende “één gezondheid”-taskforce om transdisciplinair onderzoek en sectoroverschrijdend wetenschappelijk advies te bevorderen;
566. verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het kader van het pandemieakkoord van de WHO te pleiten voor het opzetten van op samenwerking gebaseerde voorspellende inlichtingensystemen in verband met pandemieën (op nationaal, regionaal en mondiaal niveau) teneinde raakvlakken met een hoog risico en hotspots voor overloopeffecten vast te stellen, met inbegrip van relevante milieu- en klimaatgegevens en gegevens over de aanleg van reservoirs en vectorsoorten in nieuwe geografische gebieden;
567. beveelt aan om verder te gaan in de richting van een echte Europese gezondheidsunie om de veerkracht en kwaliteit van de gezondheidszorgstelsels in de lidstaten te versterken, ongelijkheden op gezondheidsgebied in de EU aan te pakken, een solide mechanisme voor gezamenlijke aanbestedingen in te stellen met duidelijke richtsnoeren inzake transparantie en democratische verantwoordingsplicht, om robuuste draaiboeken voor pandemieën op te stellen en een meer geïntegreerd surveillancesysteem te ontwikkelen door te investeren in het verzamelen, digitaliseren, delen en analyseren van gegevens, en om de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens in te voeren, die interoperabiliteit en harmonisatie van gezondheidsgegevens in alle lidstaten zal bieden, met inachtneming van de bescherming van de privacy en persoonsgegevens;
568. roept de EU en de lidstaten op om in de toekomst te zorgen voor gezamenlijke aanbestedingsovereenkomsten, zodat fabrikanten aansprakelijk blijven, in overeenstemming met de EU-wetgeving inzake productaansprakelijkheid;
569. beveelt aan instrumenten en financieringsprogramma’s op het gebied van gezondheid op te zetten ter bestrijding van cyberdreigingen, hybride aanvallen en door een externe staat gesteunde propaganda, en buitenlandse inmenging;
570. verzoekt de lidstaten een empirisch onderbouwde gender- en diversiteitsanalyse uit te voeren van de maatregelen die naar aanleiding van de pandemie zijn genomen en documentatie over de gender- en diversiteitsspecifieke gevolgen van de noodmaatregelen voor de mensenrechten te beoordelen om de paraatheids- en responsplannen voor toekomstige noodsituaties te onderbouwen; beveelt aan verenigingen, met name vrouwengroepen en organisaties die de belangen van ondervertegenwoordigde personen of groepen behartigen, de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan het voorstellen, opzetten, goedkeuren, uitvoeren, controleren en evalueren van reacties op noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid;
571. beveelt aan dat er in toekomstige crises diensten via meldpunten worden georganiseerd om mensen te ondersteunen die niet voor zichzelf kunnen zorgen; beveelt aan om alle beschikbare maatregelen op grote schaal te adverteren en toegankelijk te maken in talen waarmee de hele bevolking wordt bereikt;
(ii) Paraatheid
572. verzoekt de Commissie om maatregelen en instrumenten voor te stellen en de lidstaten om meer te investeren in de gezondheidszorg, onder meer door gebruik te maken van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en het Cohesiefonds, teneinde de ongelijkheden in de gezondheidszorg te verkleinen, de nationale openbare gezondheidszorg- en socialezorgstelsels te versterken en de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van gezondheid te verbeteren, teneinde ernstige bedreigingen voor de gezondheid en de veiligheid in de EU aan te pakken;
573. dringt aan op eigen wetgevingsinitiatieven uit hoofde van artikel 225 van het VWEU teneinde de bevoegdheid van de EU op het gebied van gezond te vergroten, haar open strategische autonomie te verbeteren, de veerkracht en de kwaliteit van de gezondheidszorgstelsels en -diensten te verbeteren, gelijke, universele en betaalbare medische zorg te waarborgen en de transparantie van de overheidsfinanciering voor onderzoek en governance op het gebied van gezondheid te bevorderen;
574. verzoekt de Commissie passende regelgevings- en/of wetgevingsmaatregelen voor gezondheidsbeveiliging voor te leggen overeenkomstig de aanbevelingen van de Conferentie over de toekomst van Europa, met als doel:
–
betrouwbare, duurzame en continue toegang tot werkzame farmaceutische bestanddelen als kritieke grondstoffen na te streven om mogelijke verstoringen in de farmaceutische toeleveringsketen te vermijden, tekorten aan geneesmiddelen te voorkomen en bij te dragen aan de open strategische autonomie van de EU op het gebied van gezondheid;
–
de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten verder te verbeteren om ze te beschermen tegen cyberdreigingen;
–
ervoor te zorgen dat de lidstaten over voldoende goed uitgeruste en opgeleide gezondheidswerkers beschikken, alsmede de beste onderzoekers in Europa aan het werk te houden door beleid op te stellen om talent vast te houden;
–
de Europese Unie aantrekkelijker te maken voor wereldwijde investeringen in O&O op het gebied van gezondheid;
–
op de hoogte te blijven van de zeer snelle wetenschappelijke vooruitgang op het gebied van nieuwe geneesmiddelen, behandelingen en gezondheidstechnologieën en deze adequaat te benutten; en
–
de herindustrialisering van de gezondheidssector in de EU te bevorderen, in overeenstemming met de digitale en groene transitie;
575. dringt aan op de volledige uitvoering en mainstreaming van de “gezondheid op alle beleidsgebieden”-benadering die is opgenomen in de Verklaring van Helsinki, door een sectoroverschrijdende aanpak van het overheidsbeleid vast te stellen waarbij systematisch rekening wordt gehouden met de gezondheidseffecten van beslissingen, synergieën worden bevorderd en nadelige gezondheidseffecten worden vermeden, teneinde de gezondheid van de bevolking en de gelijkheid op gezondheidsgebied te verbeteren;
576. beveelt aan de digitale kloof, die vooral gemarginaliseerde bevolkingsgroepen treft, aan te pakken, digitale geletterdheid te bevorderen en toegang tot het internet en hardware te verbeteren, teneinde een betere toegang tot onderwijs, openbare diensten en gezondheidszorg mogelijk te maken;
577. roept op tot versterking van de rol van het Europees Parlement in het besluitvormingsproces tijdens crisisbeheersing en tot versterking van de parlementaire controle van en het parlementaire toezicht op instrumenten die in reactie op noodsituaties worden gecreëerd, teneinde hun legitimiteit te vergroten;
578. verzoekt de Commissie en de lidstaten om met socialemediaplatforms samen te werken om misinformatie en desinformatie doeltreffend tegen te gaan, om te voorkomen dat aan specifieke doelgroepen tegenstrijdige boodschappen worden gezonden, die uiteindelijk kunnen leiden tot vaccinatietwijfel;
579. verzoekt de Commissie eventuele nationale maatregelen met betrekking tot controles aan de binnengrenzen tijdens gezondheidscrises nauwlettend te toetsen en ervoor te zorgen dat dergelijke controles aan de binnengrenzen in overeenstemming zijn met de Schengenwetgeving en een laatste redmiddel zijn dat evenredig is en van beperkte duur; benadrukt dat alle controles aan de binnengrenzen en beperkingen van verkeer uitzonderlijk moeten zijn, en dat in het geval van toekomstige gezondheidscrises alle eventuele reisbeperkingen gebaseerd moeten zijn op de beginselen van rechtvaardigheid en inclusie; moedigt het aan eventuele toekomstige reisbeperkingen op EU-niveau te harmoniseren door middel van een EU-wetgevingsprocedure met een gecoördineerde aanpak in plaats van niet-bindende aanbevelingen van de Raad en de Commissie;
580. verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen voor opleidingen inzake mediawijsheid onder de EU-bevolking, als remedie tegen desinformatie; merkt op dat de steun voor mediapluriformiteit ook belangrijk is en benadrukt de noodzaak om voort te bouwen op de bestaande rechtskaders; wijst erop dat er moet worden geïnvesteerd in de opleiding van journalisten en publieke wetenschappers met kennis van crisiscommunicatie;
581. verzoekt de Commissie en de lidstaten een eensgezinde strategische benadering te ontwikkelen ten aanzien van actoren van buiten de EU die tijdens gezondheidscrises of andere crises de democratische processen in de EU trachten te verstoren;
582. verzoekt de Commissie en de lidstaten financiële en technische ondersteuning op lange termijn te blijven verlenen voor een gedistribueerde, wereldwijd aanpasbare productiecapaciteit die bij een eventuele toekomstige pandemie een snelle en gelijkmatige distributie van vaccindoses (en andere instrumenten) mogelijk kan maken;
583. roept op tot soortgelijke steun voor bestaande O&O-capaciteit in verschillende regio’s, met name financiering uit Horizon Europa, het initiatief innovatieve geneesmiddelen 2, EDCTP en HERA;
584. verzoekt de Commissie structuren en partnerschappen op te zetten die de prioritering van onderzoek in de gezondheidssector en het delen van resultaten vergemakkelijken;
585. verzoekt de Commissie een vooronderzoek uit te voeren naar het aantrekken van overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling op gezondheidsgebied in de EU om een betere toegang tot betaalbare eindproducten te waarborgen;
586. dringt erop aan dat de Europese pijler van sociale rechten wordt gebruikt om het leven te veranderen van miljoenen mensen in de EU die met sociale uitsluiting worden geconfronteerd, met name mensen die een groter risico lopen op armoede en ontoegankelijkheid van hoogwaardige gezondheidszorg;
(iii) Veerkracht
587. is van mening dat een Europese Unie voor gezondheid nodig is, dat de huidige NextGenerationEU-middelen daaraan moeten bijdragen en dat het Parlement een rol moet krijgen in de besluitvorming voor deze gezondheidsprogramma’s; is voorts van mening dat de benodigde instrumenten moeten worden ingezet om de klimaattransitie en de digitale transitie mogelijk te maken; beveelt aan deze transities te bevorderen door de omschakeling naar een klimaatneutrale economie te versnellen en tegelijk de uitdagingen van deze transities te beperken door de Europese beroepsbevolking om te scholen en bij te scholen, door in de komende herziening van het stabiliteits- en groeipact de noodzaak van bepaalde investeringen te incorporeren en tegelijk gezonde overheidsfinanciën te handhaven, en door de toegang tot financiering voor innovatieve, groene en digitale technologiebedrijven en -ondernemingen, met name kmo’s, te verbeteren;
588. beveelt aan de institutionele capaciteit van de Commissie te versterken;
589. kijkt uit naar samenwerking met de Commissie bij de herziening van de algemene geneesmiddelenwetgeving van de EU die intellectuele eigendom adequaat moet blijven beschermen om een innovatievriendelijk en concurrerend klimaat in de Unie tot stand te brengen en de billijke toegang tot veilige, doeltreffende en betaalbare geneesmiddelen te verbeteren;
590. verzoekt de Commissie gebruik te maken van de industriële, intellectuele-eigendoms- en farmaceutische strategieën om overheidsfinanciering voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten aan te moedigen, teneinde het beginsel van “open wetenschap” na te leven en de aanhoudende kloof op het gebied van onderzoek en geneesmiddelenproductie te overbruggen door middel van partnerschappen voor productontwikkeling, technologieoverdracht en de oprichting van open centra voor onderzoek en productie;
591. verzoekt de lidstaten stresstests in te voeren om de veerkracht en kwaliteit van hun gezondheidszorgstelsels en -diensten te versterken, op basis van de resultaten en het opleidingshandboek dat wordt ontwikkeld in het kader van door EU4Health gefinancierde projecten, in samenwerking met de OESO; verzoekt de lidstaten te investeren in noodcapaciteit en in gezondheidszorg- en zorgpersoneel en hun arbeidsomstandigheden en financiële compensatie te verbeteren teneinde personeelstekorten te bestrijden;
592. is ingenomen met Verordening (EU) 2022/2371 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen en tot intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU, die een stap vormt naar een “Europese gezondheidsunie”, met de aanpassing van de EU-bevoegdheden op het gebied van gezondheidsbeveiliging en een versterkte rol van het Europees Parlement in het besluitvormingsproces in het kader van crisisbeheersing;
593. beveelt aan het ECDC meer onafhankelijkheid te geven bij het verzamelen van informatie en de lidstaten systematisch te verplichten het ECDC begrijpelijke en vergelijkende gegevens te sturen, met name over voorraden apparatuur, beddencapaciteit en opnames op de intensivecareafdelingen, de vaccinatiegraad en de beschikbaarheid van personeel;
594. verzoekt de Commissie de praktijken en methoden te inventariseren die door het Europees Parlement en de nationale parlementen worden toegepast om ervoor te zorgen dat de parlementaire democratie en de rechtsstaat in crisissituaties niet worden lamgelegd; beveelt de Commissie aan om op Europees niveau een lijst op te stellen van parlementaire optimale werkmethoden die in tijden van crisis kunnen worden gevolgd, op basis van een inventarisatie van nieuwe parlementaire werkmethoden en mechanismen;
595. roept de EU-instellingen en de lidstaten op de beginselen van goede beleidsvorming te handhaven en de grondrechten en de rechtstaat te eerbiedigen, ook in tijden van crisis; herhaalt dat macht alleen kan worden uitgeoefend binnen de grenzen van de wet, en dat elk optreden gerechtvaardigd, proportioneel, niet-discriminerend en voorspelbaar moet zijn en door onafhankelijke en onpartijdige rechtbanken moet worden gecontroleerd;
596. dringt aan op een herziening van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven(59) om de rol van het Parlement in het besluitvormingsproces tijdens crisisbeheersing te vergroten, onder meer door gebruik te maken van artikel 122 VWEU, en in het bijzonder om het Europees Parlement de bevoegdheid te geven nieuwe wetgeving voor te stellen voor noodmaatregelen, en om de gewone wetgevingsprocedure voor de verschillende instrumenten voor noodmaatregelen te verbeteren, teneinde de legitimiteit van noodmaatregelen te versterken en daarmee de democratische legitimiteit en de parlementaire controle te verbeteren;
597. verzoekt de Commissie om na een alomvattende evaluatie van de maatregelen die tijdens de pandemie zijn opgelegd voor de controle van de binnengrenzen en het effect daarvan haar praktische grenshandboek te actualiseren met voorbeelden van goede praktijken voor het beheer van de binnengrenzen om de coördinatie tussen de lidstaten te verbeteren;
(iv) Open strategische autonomie
598. wijst op het belang van de werking van de eengemaakte markt, met name wat betreft de levering van producten in geval van gezondheidsbedreigingen; beveelt aan marktfalen in de gezondheidszorg aan te pakken en de eengemaakte markt voor gezondheidsproducten te voltooien;
599. dringt er bij de EU en de lidstaten op aan hun afhankelijkheid van handelspartners uit niet-EU-landen voor API’s, grondstoffen, belangrijke geneesmiddelen en medische hulpmiddelen te verminderen teneinde open strategische autonomie op EU-niveau te waarborgen; bevestigt nogmaals zijn overtuiging dat de EU de veerkracht van de farmaceutische toeleveringsketens moet verbeteren en haar open strategische autonomie in de farmaceutische sector moet opbouwen door de productie- en toeleveringsketens te diversifiëren, de aanleg van strategische voorraden te bevorderen en de productie en investeringen in Europa te verhogen;
600. wijst op het belang van de productie van essentiële apparatuur en geneesmiddelen in de EU en van investeringen in en ondersteuning van lokale productiecapaciteit, en dringt aan op de diversificatie van leveranciers en op het overwegen van de bijdrage die kmo’s in dit opzicht kunnen leveren;
601. beveelt aan dat de EU en de lidstaten een betere uitwisseling van gegevens over vraag- en aanbodprognoses tussen relevante belanghebbenden, vroegtijdige prognoses over potentiële tekorten, met inbegrip van regelmatige gestandaardiseerde rapportage door de industrie, en meer transparantie in de productie- en distributieketen aanmoedigen;
602. verzoekt de Commissie en de lidstaten bij te dragen aan de uitvoering van de resolutie van de WHO van 2019 over het verbeteren van de transparantie van de markten voor geneesmiddelen, vaccins en andere gezondheidsproducten(60);
603. dringt aan op de opstelling van een lijst van essentiële, prioritaire en innovatieve geneesmiddelen en behandelingen op basis van kritieke geneesmiddelen, met de hulp van bestaande Europese agentschappen en HERA, teneinde de beschikbaarheid ervan voor de burgers te garanderen;
604. merkt op dat de EU tijdens de pandemie in het kader van Horizon 2020 en Horizon Europa snel noodfinanciering heeft vrijgemaakt om het onderzoek naar een remedie tegen COVID-19 te versnellen; merkt op dat de lidstaten ook middelen hebben vrijgemaakt om onderzoek te doen naar potentiële behandelingen voor COVID-19, maar dat dit heeft geleid tot veel kleinschalige, ineffectieve klinische proeven die niet tot bruikbare resultaten hebben geleid; wijst erop dat de EU en de lidstaten in onderzoek en innovatie moeten investeren om de open strategische autonomie van Europa veilig te stellen en deze investeringen beter moeten coördineren teneinde doeltreffender op pandemieën te kunnen reageren; benadrukt dat het publieke rendement moet worden gemaximaliseerd door financiering afhankelijk te stellen van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen en andere gezondheidstechnologieën, zodat de EU haar strategische autonomie kan bevorderen;
605. verzoekt de Commissie en de lidstaten een grootschalige, taakgerichte, openbare Europese O&O-infrastructuur op het gebied van gezondheid op te zetten die, wanneer er geen bestaande industriële productie is, in het algemeen belang geneesmiddelen van gezondheids- en strategisch belang voor de gezondheidszorg produceert, teneinde de EU te helpen marktfalen te overwinnen, de continuïteit van de voorziening te waarborgen en mogelijke tekorten aan geneesmiddelen te voorkomen, en tegelijkertijd bij te dragen aan een grotere paraatheid om nieuwe bedreigingen van de gezondheid en noodsituaties het hoofd te bieden;
606. dringt aan op de organisatie van een gecoördineerde EU-brede aanleg van strategische voorraden, die beperkt blijven tot essentiële en prioritaire producten, teneinde de noodzakelijke gecoördineerde maatregelen op lange termijn op EU-niveau te verwezenlijken, en op het opnemen van gezondheid en gezondheidszorg onder de gedeelde bevoegdheden van de EU en de EU-lidstaten door wijziging van artikel 4 VWEU;
607. wijst op het belang van de resultaten van de Conferentie over de toekomst van Europa, met bijzondere aandacht voor de aanbevelingen om de EU meer bevoegdheid te verlenen op het gebied van volksgezondheid en bij het opbouwen van een krachtig antwoord van de EU op toekomstige crises;
608. verzoekt de Raad een conventie tot wijziging van de Verdragen te organiseren, op basis van de conclusies van de Conferentie over de toekomst van Europa en de resolutie van het Europees Parlement waarmee artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is geactiveerd;
609. verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het verdrag inzake paraatheid voor pandemieën van de WHO te pleiten voor een wereldwijd engagement dat erop gericht is te zorgen voor voldoende financiering voor biomedisch O&O en voor een afdwingbaar en doeltreffend mechanisme voor toegang en verdeling van baten, en om voorwaarden te scheppen voor het verlenen van vergunningen voor door de overheid gefinancierde O&O, technologieoverdracht aan te moedigen, intellectuele eigendom, gegevens en kennis te delen die nodig zijn voor de productie en levering van producten, en regelgevingsnormen en -procedures te stroomlijnen om medische tegenmaatregelen in de handel te brengen;
610. dringt aan op een evaluatie van de huidige kaders voor mondiale governance op gezondheidsgebied en is in dit verband ingenomen met het verdrag inzake paraatheid voor pandemieën;
611. roept ertoe op de verplichtingen en de afdwingbaarheid van de IGR gelijktijdig aan te scherpen en lacunes (met inbegrip van financiering, billijkheid en mondiale governance) aan te pakken door middel van het nieuwe pandemieverdrag;
612. dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de preventie van pandemieën zeker te stellen en de actieve deelname van het maatschappelijk middenveld en wetenschappers mogelijk te maken, hetgeen prioriteiten moeten zijn bij de onderhandelingen; is van mening dat de doelstellingen van het verdrag inzake paraatheid voor pandemieën moeten zijn: het bevorderen en integreren van de “één gezondheid”-benadering, het versterken van de veerkracht van onze gezondheidszorgstelsels, het voorkomen van en voorbereid zijn op toekomstige pandemieën, het garanderen van een gecoördineerde en eensgezinde reactie op crises, het waarborgen van universele en billijke toegang tot tests, geneesmiddelen en vaccins, het doeltreffend bestrijden van desinformatie die volksgezondheidsmaatregelen sterk ondermijnt en het stimuleren, bevorderen en ontwikkelen van innovatie om te reageren op wereldwijde bedreigingen voor de volksgezondheid en het vergemakkelijken van veerkrachtige wereldwijde toeleveringsketens;
613. dringt aan op de oprichting van een doeltreffend mechanisme voor het beheer van strategische internationale voorraden met gegarandeerde toegang voor humanitaire actoren teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van kwetsbare bevolkingsgroepen in landen met kwetsbare gezondheidszorgstelsels en conflictsituaties;
614. verzoekt de Commissie en de lidstaten gezamenlijke richtsnoeren en beste praktijken voor vaccindonaties vast te stellen op basis van de ervaringen en uitdagingen tijdens de COVID-19-pandemie;
615. verzoekt de Commissie en de lidstaten het gebrek aan productiecapaciteit en aan technologieoverdracht naar laag- en middeninkomenslanden aan te pakken en een mondiaal mechanisme in te stellen om de productiecapaciteit zowel binnen de EU als op mondiale schaal te vergroten;
616. dringt erop aan dat de lidstaten meer aandacht besteden aan de planning van gecoördineerde inspanningen met betrekking tot de distributie van vaccins wanneer er geen pandemie heerst;
617. verzoekt de Commissie en de lidstaten financiële steun te verlenen aan het vergroten van de lokale en regionale productie van vaccins en de overdracht van kennis en technologieën en andere essentiële gezondheidsproducten in laag- en middeninkomenslanden aan te moedigen;
618. verzoekt de EU en de lidstaten hun betrekkingen met laag- en middeninkomenslanden te versterken, met name ten aanzien van preventie en de monitoring van opkomende gezondheidsbedreigingen; dringt aan op de blijvende ondersteuning van de gezondheidszorgstelsels, de paraatheid bij pandemieën en de lokale geneesmiddelen- en vaccinproductie in laag- en middeninkomenslanden; roept op tot grotere inspanningen om gemakkelijke en betaalbare toegang tot vaccins, geneesmiddelen, diagnostiek en gezondheidszorg in laag- en middeninkomenslanden te vergemakkelijken;
619. benadrukt dat de samenwerking tussen de EU en de WHO als reactie op de pandemie verder moet worden versterkt, met een meer gecoördineerde langetermijnvisie en met een sterker, goed gefinancierd en onafhankelijk VN-systeem als middelpunt; roept de Europese Unie op om een meer strategische, assertieve en doeltreffende rol te spelen in de wereldgezondheid; wijst erop dat de EU de rol van formeel waarnemer bij de WHO op zich moet nemen; beveelt aan voldoende middelen toe te wijzen aan VN-organen en -organisaties om ervoor te zorgen dat zij voor de uitvoering van hun mandaat niet alleen afhankelijk zijn van vrijwillige donaties;
620. dringt aan op verdere versterking van de samenwerking tussen het EMA en het Afrikaans Geneesmiddelenbureau, op internationale afstemming van de regelgeving via de International Coalition of Medicines Regulatory Authorities en op nauwe betrokkenheid van de WHO; benadrukt dat grensoverschrijdende bedreigingen van de volksgezondheid een internationale reactie vereisen; beveelt aan dat HERA, samen met andere directoraten van de Commissie, moet worden uitgerust met juridische en financiële mogelijkheden om volledige technologieoverdracht aan te moedigen, ook aan producenten in laag- en middeninkomenslanden;
o o o
621. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Europees Comité van de Regio’s, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Wereldgezondheidsorganisatie en de Wereldhandelsorganisatie.
Choutka, J. e.a., “Unexplained post-acute infection syndromes”, Nature Medicine, deel 28, 2022, blz. 911-923. Root, T., “Can long Covid research unlock other great medical mysteries of our time?”, The Guardian, 2022.
Hohberger, B. e.a. “Case Report: Neutralization of Autoantibodies Targeting G-Protein-Coupled Receptors Improves Capillary Impairment and Fatigue Symptoms After COVID-19 Infection”, Frontiers in Medicine, deel 8, 2021.
Verordening (EU) 2022/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 851/2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (PB L 314 van 6.12.2022, blz. 1).
Resolutie 72.8 van de Wereldgezondheidsvergadering van 28 mei 2019 over het verbeteren van de transparantie van de markten voor geneesmiddelen, vaccins en andere gezondheidsproducten.
Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33).
Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
Richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg (PB L 40 van 11.2.1989, blz. 8).
Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1).
Verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2019/1937 en (EU) 2020/1828 (digitalemarktenverordening) (PB L 265 van 12.10.2022, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
De toerisme-industrie, die goed is voor 10 % van het bbp van de EU, behoort tot de sectoren die het zwaarst door de pandemie zijn getroffen; herinnert eraan dat het aantal overnachtingen in toeristische accommodaties in de EU in 2020 51 % lager lag dan in 2019, en dat in 2020 in de EU 71 % minder gevlogen werd dan in 2019.
“UNICEF Executive Director Henrietta Fore’s remarks at a press conference on new updated guidance on school-related public health measures in the context of COVID-19”.
Gebaseerd op de bevindingen van de EU-studie uit 2021, gepubliceerd door het Europees Economisch en Sociaal Comité: “The response of civil society organisations to face the COVID-19 pandemic and the consequent restrictive measures adopted in Europe”, https://www.eesc.europa.eu/sites/default/files/files/qe-02-21-011-en-n.pdf
Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
Wereldgezondheidsvergadering, 72 (2019): “Improving the transparency of markets for medicines, vaccines, and other health products”. Wereldgezondheidsorganisatie, https://apps.who.int/iris/handle/10665/329301