Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 12 september 2023 - Straatsburg
Goedkeuring van de benoeming van Iliana Ivanova als lid van de Europese Commissie
 Meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee
 Etikettering van biologisch voeder voor gezelschapsdieren
 Kwaliteits- en veiligheidsnormen voor stoffen van menselijke oorsprong die bestemd zijn voor toepassing op de mens
 Toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen
 Versterking van de Europese defensie-industrie door middel van gemeenschappelijke aanbestedingen (Edirpa)
 Oppervlaktewater- en grondwaterverontreinigende stoffen
 Richtlijn hernieuwbare energie
 Consumentenkrediet
 Bescherming van geografische aanduidingen voor ambachtelijke en industriële producten
 Het systeem van Europese Scholen: stand van zaken, uitdagingen en perspectieven
 Genetisch gemodificeerde maïs MON 87419
 Genetisch gemodificeerde maïs GA21 × T25

Goedkeuring van de benoeming van Iliana Ivanova als lid van de Europese Commissie
PDF 120kWORD 43k
Besluit van het Europees Parlement van 12 september 2023 inzake de benoeming van Iliana Ivanova als lid van de Commissie (C9-0242/2023 - 2023/0805(NLE))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 246, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien punt 6 van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(1),

–  gezien het feit dat Mariya Gabriel als lid van de Commissie is teruggetreden,

–  gezien de brief van de Raad van 7 juli 2023 waarbij de Raad het Parlement heeft geraadpleegd over een besluit inzake de benoeming van Iliana Ivanova als lid van de Commissie, dat in onderlinge overeenstemming met de voorzitter van de Commissie moet worden genomen (C9-0242/2023),

–  gezien de brieven van de voorzitter van de Commissie van 29 juni en 5 juli 2023,

–  gezien de hoorzitting met Iliana Ivanova op 5 september 2023, die is geleid door de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie cultuur en onderwijs en de na die hoorzitting opgestelde evaluatieverklaring,

–  gezien de behandeling door de Conferentie van commissievoorzitters op haar vergadering van 6 september 2023 en de behandeling door de Conferentie van voorzitters op haar vergadering van 6 september 2023,

–  gezien artikel 125 van en bijlage VII bij zijn Reglement,

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Iliana Ivanova als lid van de Commissie voor de verdere duur van de ambtstermijn van de Commissie, tot 31 oktober 2024;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.


Meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee
PDF 119kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het standpunt van de Raad in eerste lezing, met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EU) 2017/2107 en (EU) 2019/833 en tot intrekking van Verordening (EU) 2016/1627 (08143/1/2023 – C9-0222/2023 – 2019/0272(COD))
P9_TA(2023)0297A9-0243/2023

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (08143/1/2023 – C9‑0222/2023),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 7 mei 2020(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2019)0619),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord,

–  gezien artikel 67 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie visserij (A9-0243/2023),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat de handeling is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter de handeling samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal de handeling te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 232 van 14.7.2020, blz. 36.
(2) PB C 506 van 15.12.2021, blz. 160.


Etikettering van biologisch voeder voor gezelschapsdieren
PDF 124kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de etikettering van biologisch voeder voor gezelschapsdieren (COM(2022)0659 – C9-0396/2022 – 2022/0390(COD))
P9_TA(2023)0298A9-0159/2023

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0659),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0396/2022),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 24 januari 2023(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 12 juni 2023 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien de brief van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9‑0159/2023),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2023 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2023/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de etikettering van biologisch voeder voor gezelschapsdieren

P9_TC1-COD(2022)0390


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2023/2419.)

(1) PB C 140 van 21.4.2023, blz. 55.


Kwaliteits- en veiligheidsnormen voor stoffen van menselijke oorsprong die bestemd zijn voor toepassing op de mens
PDF 403kWORD 120k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 september 2023 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende kwaliteits- en veiligheidsnormen voor stoffen van menselijke oorsprong die bestemd zijn voor toepassing op de mens en tot intrekking van Richtlijn 2002/98/EG en Richtlijn 2004/23/EG (COM(2022)0338 – C9-0226/2022 – 2022/0216(COD))(1)
P9_TA(2023)0299A9-0250/2023

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Met betrekking tot artikel 168, lid 4, punt a), VWEU moeten normen voor de veiligheid en de kwaliteit van organen en SoHO’s, bloed en bloedderivaten een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekeren. Daarom wordt met deze verordening gestreefd naar de vaststelling van hoge normen door, onder meer, de bescherming van SoHO-donoren te waarborgen, rekening houdend met hun fundamentele rol in de SoHO-voorziening en voor ontvangers, en van maatregelen om een met het oog op de gezondheid van patiënten toereikende toelevering van kritische SoHO’s te bewaken en te ondersteunen.
(3)  Met betrekking tot artikel 168, lid 4, punt a), VWEU moeten normen voor de veiligheid en de kwaliteit van organen en SoHO’s, bloed en bloedderivaten een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekeren. Daarom wordt met deze verordening gestreefd naar de vaststelling van hoge kwaliteits- en veiligheidsnormen door, onder meer, de bescherming van SoHO-donoren te waarborgen, rekening houdend met hun fundamentele rol in de SoHO-voorziening en voor ontvangers, en van maatregelen om een met het oog op de gezondheid van patiënten toereikende toelevering van kritische SoHO’s te bewaken en te ondersteunen. Overeenkomstig artikel 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten die veiligheidsnormen op het fundamentele beginsel berusten dat het menselijk lichaam geen bron van financieel gewin mag zijn.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Richtlijn 2002/98/EG16 en Richtlijn 2004/23/EG17 van het Europees Parlement en de Raad vormen voor respectievelijk bloed en weefsels en cellen het regelgevingskader van de Unie. Hoewel met deze richtlijnen de regels van de lidstaten op het gebied van veiligheid en kwaliteit van bloed, weefsels en cellen in zekere mate zijn geharmoniseerd, bevatten zij een aanzienlijk aantal opties en mogelijkheden voor de lidstaten om de door hen vastgestelde regels uit te voeren. Hierdoor ontstaan verschillen tussen nationale regels, die belemmeringen kunnen opwerpen voor de grensoverschrijdende uitwisseling van deze stoffen. Een fundamentele herziening van deze richtlijnen is nodig voor een robuust, transparant, actueel en duurzaam regelgevingskader voor deze stoffen, waarmee veiligheid en kwaliteit worden bewerkstelligd voor alle betrokken partijen, de rechtszekerheid wordt vergroot en een ononderbroken toelevering wordt ondersteund en tegelijkertijd innovatie ten behoeve van de volksgezondheid wordt bevorderd. Om tot een samenhangende toepassing van het rechtskader te komen, is het passend om de Richtlijnen 2002/98/EG en 2004/23/EG in te trekken en te vervangen door een verordening.
(4)  Richtlijn 2002/98/EG16 en Richtlijn 2004/23/EG17 van het Europees Parlement en de Raad vormen voor respectievelijk bloed en weefsels en cellen het regelgevingskader van de Unie. Hoewel met deze richtlijnen de regels van de lidstaten op het gebied van veiligheid en kwaliteit van bloed, weefsels en cellen in zekere mate zijn geharmoniseerd, bevatten zij een aanzienlijk aantal opties en mogelijkheden voor de lidstaten om de door hen vastgestelde regels uit te voeren. Hierdoor ontstaan verschillen tussen nationale regels, die belemmeringen kunnen opwerpen voor de grensoverschrijdende uitwisseling van deze stoffen. Een fundamentele herziening van deze richtlijnen is nodig voor een robuust, transparant, actueel en duurzaam regelgevingskader voor deze stoffen, waarmee veiligheid en kwaliteit worden bewerkstelligd voor alle betrokken partijen, de rechtszekerheid wordt vergroot en een ononderbroken toelevering wordt ondersteund en tegelijkertijd innovatie ten behoeve van de volksgezondheid en de grensoverschrijdende uitwisseling van deze stoffen wordt bevorderd. Om tot een samenhangende toepassing van het rechtskader te komen, is het passend om de Richtlijnen 2002/98/EG en 2004/23/EG in te trekken en te vervangen door een verordening.
_________________
_________________
16 Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG van de Raad (PB L 33 van 8.2.2003, blz. 30).
16 Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG van de Raad (PB L 33 van 8.2.2003, blz. 30).
17 Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PB L 102 van 7.4.2004, blz. 48).
17 Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PB L 102 van 7.4.2004, blz. 48).
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  De Richtlijnen 2002/98/EG en 2004/23/EG zijn onderling in hoge mate verweven en bevatten sterk vergelijkbare bepalingen met betrekking tot toezicht, alsmede gelijkwaardige beginselen voor veiligheid en kwaliteit in de twee sectoren waarop zij van toepassing zijn. Bovendien zijn in deze sectoren vele autoriteiten en actoren werkzaam. Aangezien er met deze verordening naar wordt gestreefd om hoogwaardige beginselen vast te stellen die voor zowel de bloed- als de weefsels- en cellensector zullen gelden, is het passend om die richtlijnen door deze verordening te vervangen en de herziene bepalingen in één enkele rechtshandeling samen te brengen.
(5)  De Richtlijnen 2002/98/EG en 2004/23/EG zijn onderling in hoge mate verweven en bevatten sterk vergelijkbare bepalingen met betrekking tot toezicht, alsmede gelijkwaardige beginselen voor veiligheid en kwaliteit in de twee sectoren waarop zij van toepassing zijn. Bovendien zijn in deze sectoren vele autoriteiten en actoren werkzaam. Aangezien er met deze verordening naar wordt gestreefd om hoogwaardige beginselen vast te stellen die voor zowel de bloed- als de weefsels- en cellensector zullen gelden, is het passend om die richtlijnen door deze verordening te vervangen en de herziene bepalingen in één enkele rechtshandeling samen te brengen, met inachtneming van de specifieke kenmerken van elk type stof als erkend in de in deze verordening bedoelde technische richtsnoeren.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Alle SoHO’s die bestemd zijn om op mensen te worden toegepast, vallen onder het toepassingsgebied van deze verordening. SoHO’s kunnen op uiteenlopende wijzen worden bereid en bewaard, waardoor het SoHO-preparaten worden, die op ontvangers kunnen worden toegepast. Daarom moet deze verordening van toepassing zijn op alle activiteiten, in het gehele traject vanaf de werving van donoren tot de toepassing op de mens en de bewaking van de resultaten. SoHO’s of SoHO-preparaten kunnen ook worden gebruikt voor de vervaardiging van producten die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, of als grondstof en basismateriaal daarvan, met name voor medische hulpmiddelen, geregeld in Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad19, geneesmiddelen, geregeld in Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad20, en in Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad21, waaronder voor geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, geregeld in Verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad22, of voor levensmiddelen, geregeld in Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad23. De criteria die bepalen wanneer SoHO’s of SoHO-preparaten producten worden die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, worden niet in deze verordening vastgesteld maar zijn vastgesteld in die andere handelingen. Daarnaast mag bij de toepassing van deze verordening geen afbreuk worden gedaan aan wetgeving van de Unie inzake genetisch gemodificeerde organismen.
(9)  Alle SoHO’s die bestemd zijn om op mensen te worden toegepast, vallen onder het toepassingsgebied van deze verordening. De artikelen 53, 54, 55 en 56 van deze verordening moeten ook van toepassing zijn op SoHO-donaties die bestemd zijn voor onderzoek. SoHO’s kunnen op uiteenlopende wijzen worden bereid en bewaard waardoor het SoHO-preparaten worden, die op ontvangers kunnen worden toegepast. Daarom moet deze verordening van toepassing zijn op alle activiteiten, in het gehele traject vanaf de werving van donoren tot de toepassing op de mens en de bewaking van de resultaten. SoHO’s of SoHO-preparaten kunnen ook worden gebruikt voor de vervaardiging van producten die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, of als grondstof en basismateriaal daarvan, met name voor medische hulpmiddelen, geregeld in Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad19, geneesmiddelen, geregeld in Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad20, en in Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad21, waaronder voor geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, geregeld in Verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad22, of voor levensmiddelen, geregeld in Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad23. De criteria die bepalen wanneer SoHO’s of SoHO-preparaten producten worden die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, worden niet in deze verordening vastgesteld maar zijn vastgesteld in die andere handelingen. Daarnaast mag bij de toepassing van deze verordening geen afbreuk worden gedaan aan wetgeving van de Unie inzake genetisch gemodificeerde organismen.
_________________
_________________
19 Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 1).
19 Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 1).
20 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
20 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
21 Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van procedures van de Unie voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1).
21 Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van procedures van de Unie voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1).
22 Verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121).
22 Verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121).
23 Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen (PB L 404 van 30.12.2006, blz. 26).
23 Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen (PB L 404 van 30.12.2006, blz. 26).
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Bij autoloog gebruik van SoHO’s zonder manipulatie, bewerking of bewaring zou de toepassing van deze verordening niet evenredig zijn met de beperkte kwaliteits- en veiligheidsrisico’s die zich daarbij voordoen. Wanneer autologe SoHO’s worden afgenomen en bewerkt voordat zij weer op dezelfde persoon worden toegepast, ontstaan risico’s die moeten worden beperkt. Derhalve moeten de toegepaste processen worden beoordeeld en toegelaten om te waarborgen dat zij aantoonbaar veilig en werkzaam voor de ontvanger zijn. Wanneer autologe SoHO’s worden afgenomen om te worden bewerkt en ook te worden bewaard, ontstaan ook risico’s van kruisbesmetting, verlies van traceerbaarheid of beschadiging van de inherente biologische eigenschappen van de stof die nodig zijn voor werkzaamheid bij de ontvanger. Bijgevolg moeten de vereisten voor toelating van SoHO-instellingen van toepassing zijn.
(10)  Bij autoloog gebruik van SoHO’s zonder manipulatie, bewerking of bewaring zou de toepassing van deze verordening niet evenredig zijn met de beperkte kwaliteits- en veiligheidsrisico’s die zich daarbij voordoen. Bovendien mag deze verordening niet van toepassing zijn wanneer er sprake is van de hantering van SoHO’s tijdens een chirurgische ingreep in een steriele zone of in een medisch hulpmiddel met een gesloten systeem. Wanneer autologe SoHO’s worden afgenomen en bewerkt voordat zij weer op dezelfde persoon worden toegepast, ontstaan risico’s die moeten worden beperkt. Derhalve moeten de toegepaste processen worden beoordeeld en toegelaten om te waarborgen dat zij aantoonbaar veilig en werkzaam voor de ontvanger zijn. Wanneer autologe SoHO’s worden afgenomen om te worden bewerkt en ook te worden bewaard, ontstaan ook risico’s van kruisbesmetting, besmetting van het medisch personeel of milieuverontreiniging, verlies van traceerbaarheid of beschadiging van de inherente biologische eigenschappen van de stof die nodig zijn voor werkzaamheid of de functionaliteit bij de ontvanger. Bijgevolg moeten de vereisten voor toelating van SoHO-instellingen van toepassing zijn.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Wanneer SoHO’s worden gebruikt voor de vervaardiging van producten die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, of als grondstof en basismateriaal daarvan, moet deze verordening van toepassing zijn om een hoog niveau van bescherming te waarborgen en de juridische duidelijkheid en de rechtszekerheid te bevorderen, voor zover op de activiteiten waaraan zij worden onderworpen het andere wetgevingskader van de Unie niet van toepassing is. Onverminderd andere wetgeving van de Unie, en met name Richtlijn 2001/83/EG en de Verordeningen (EG) nr. 726/2004, (EG) nr. 1925/2006, (EG) nr. 1394/2007 en (EU) 2017/745, moet deze verordening in elk geval van toepassing zijn op de werving en de selectie van donoren, de donatie, de afname en het testen van donoren, en eveneens op vrijgave, distributie, invoer en uitvoer wanneer die activiteiten SoHO’s betreffen, tot het moment van hun overdracht aan actoren die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen. Dit betekent dat een sterke wisselwerking tussen dit regelgevingskader en andere gerelateerde kaders van wezenlijk belang is om het samenspel en de samenhang tussen toepasselijke rechtskaders te waarborgen, zonder lacunes of overlappingen.
(11)  Wanneer SoHO’s worden gebruikt voor de vervaardiging van producten die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, of als grondstof en basismateriaal daarvan, moet deze verordening van toepassing zijn om een hoog niveau van bescherming te waarborgen en de juridische duidelijkheid en de rechtszekerheid te bevorderen, voor zover op de activiteiten waaraan zij worden onderworpen het andere wetgevingskader van de Unie niet van toepassing is. Onverminderd andere wetgeving van de Unie, en met name Richtlijn 2001/83/EG en de Verordeningen (EG) nr. 726/2004, (EG) nr. 1925/2006, (EG) nr. 1394/2007 en (EU) 2017/745 en Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad1 bis, moet deze verordening in elk geval van toepassing zijn op de werving en de selectie van donoren, de donatie, de afname en het testen van donoren, en eveneens op vrijgave, distributie, afgifte, invoer en uitvoer wanneer die activiteiten SoHO’s betreffen, tot het moment van hun overdracht aan actoren die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen. Dit betekent dat een sterke wisselwerking tussen dit regelgevingskader en andere gerelateerde kaders van wezenlijk belang is om het samenspel en de samenhang tussen toepasselijke rechtskaders te waarborgen, zonder lacunes of overlappingen.
_________________
1 bis Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1).
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Gezien de bijzondere aard van SoHO’s, die voortvloeit uit hun menselijke oorsprong, en de toenemende vraag naar deze stoffen voor toepassing op de mens of voor de vervaardiging van producten die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, of als grondstof en basismateriaal daarvan, is het nodig om een hoog niveau van gezondheidsbescherming voor zowel donoren als ontvangers te waarborgen. SoHO’s moeten worden verkregen van personen die in een zodanige gezondheidstoestand verkeren dat uit de donatie geen schadelijke effecten voortvloeien. Daarom moeten in deze verordening beginselen en technische regels worden opgenomen om donoren te bewaken en te beschermen. Aangezien aan verschillende soorten donaties verschillende risico’s voor donoren zijn verbonden, met uiteenlopende significantie, moet de bewaking van de gezondheid van donoren evenredig zijn aan die risiconiveaus. Dit is met name van belang wanneer aan donatie enige risico’s voor de gezondheid van de donor zijn verbonden omdat een voorbehandeling met geneesmiddelen, een medische handeling om de stof af te nemen of herhaalde donatie door donoren noodzakelijk is. Donaties van oöcyten, beenmerg, stamcellen uit perifeer bloed en bloedplasma moeten worden beschouwd als donaties waaraan een significant risico is verbonden.
(13)  Gezien de bijzondere aard van SoHO’s, die voortvloeit uit hun menselijke oorsprong, en de toenemende vraag naar deze stoffen voor toepassing op de mens of voor de vervaardiging van producten die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, of als grondstof en basismateriaal daarvan, is het nodig om een hoog niveau van gezondheidsbescherming voor zowel donoren als ontvangers te waarborgen. SoHO’s moeten worden verkregen van personen die in een zodanige gezondheidstoestand verkeren dat uit de donatie voor hen geen schadelijke effecten voortvloeien. Daarom moeten in deze verordening beginselen en technische regels worden opgenomen om donoren te bewaken en te beschermen. Dit is met name van belang wanneer aan de donatie aanzienlijke risico’s voor de gezondheid van de donor zijn verbonden, bijvoorbeeld wanneer een voorbehandeling met geneesmiddelen noodzakelijk is, bijvoorbeeld in het geval van oöcyten, een medische handeling om de stof af te nemen noodzakelijk is, zoals in het geval van beenmerg of stamcellen uit perifeer bloed of de mogelijkheid van veelvuldige donatie door donoren bestaat, zoals bij bloedplasma. Aangezien verschillende soorten donaties verschillende risico’s voor donoren inhouden, met uiteenlopende significantie, moet de bewaking van de gezondheid van donoren evenredig zijn aan die risiconiveaus.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Deze verordening belet de lidstaten niet om strengere beschermende maatregelen te handhaven of in te voeren die met het recht van de Unie verenigbaar zijn. De lidstaten moeten de Commissie van dergelijke maatregelen in kennis stellen. Strengere beschermende maatregelen van lidstaten moeten empirisch zijn onderbouwd en evenredig zijn met het risico voor de menselijke gezondheid, en dus bijvoorbeeld zijn gebaseerd op algemene veiligheidsoverwegingen en bijbehorende risico’s in een lidstaat, of op specifieke plaatselijke risico’s. Met deze maatregelen mogen personen niet worden gediscrimineerd op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, tenzij die maatregel of de toepassing ervan objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.
(15)  Deze verordening belet de lidstaten niet om strengere beschermende maatregelen te handhaven of in te voeren die met het recht van de Unie verenigbaar zijn en die berusten op het beginsel dat donaties vrijwillig en onbetaald moeten zijn. De lidstaten moeten de Commissie zo snel mogelijk na de invoering daarvan in kennis stellen van dergelijke maatregelen, zodat de andere lidstaten dienovereenkomstig via het Europese SoHO-platform op de hoogte kunnen worden gebracht. Strengere beschermende maatregelen van lidstaten moeten empirisch zijn onderbouwd en evenredig zijn met het risico voor de menselijke gezondheid, en dus bijvoorbeeld zijn gebaseerd op algemene veiligheidsoverwegingen en bijbehorende risico’s in een lidstaat, of op specifieke plaatselijke risico’s. Met deze maatregelen mogen personen niet worden gediscrimineerd op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, tenzij die maatregel of de toepassing ervan objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs, en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Om eventuele discriminatie te voorkomen, is het passend te eisen dat lidstaten dergelijke maatregelen die discriminatie kunnen inhouden, melden aan de Commissie, vooral omdat diverse lidstaten in bloeddonatieprocedures beperkingen hebben vastgesteld ten aanzien van mannen die seks hebben met mannen. De lidstaten moeten donorcriteria op basis van seksuele gerichtheid of genderidentiteit derhalve vervangen door op individuele risico’s gebaseerde screeningcriteria voor alle donoren, ongeacht hun gender of seksuele gerichtheid.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Deze verordening moet de toepassing onverlet laten van nationale wetgeving op gezondheidsgebied die niet de kwaliteit en de veiligheid van SoHO’s beoogt en met het recht van de Unie verenigbaar is, waaronder met name wetgeving inzake ethische aspecten. Die aspecten houden verband met de menselijke oorsprong van de stoffen, hetgeen raakt aan diverse gevoelige en ethische overwegingen voor lidstaten en burgers, waaronder de toegang tot bepaalde diensten die SoHO’s gebruiken. Ook moet deze verordening door de lidstaten genomen besluiten van ethische aard onverlet laten. Dergelijke ethische besluiten kunnen betrekking hebben op het gebruik, of een beperking van het gebruik, van specifieke soorten SoHO’s, waaronder kiemcellen en embryonale stamcellen. Wanneer een lidstaat het gebruik van die cellen toestaat, moet deze verordening volledig van toepassing zijn om de veiligheid en de kwaliteit te waarborgen en om de menselijke gezondheid te beschermen.
(16)  Deze verordening moet de toepassing onverlet laten van nationale wetgeving op gezondheidsgebied die niet de kwaliteit en de veiligheid van SoHO’s beoogt, wanneer dergelijke wetgeving verenigbaar is met het Unierecht, waaronder met name wetgeving inzake ethische aspecten. Die aspecten houden verband met de menselijke oorsprong van de stoffen, hetgeen raakt aan diverse gevoelige en ethische overwegingen voor lidstaten en burgers, waaronder de toegang tot bepaalde diensten die SoHO’s gebruiken. Ook moet deze verordening door de lidstaten genomen besluiten van ethische aard onverlet laten. De besluiten moeten echter het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie naleven. Dergelijke ethische besluiten kunnen betrekking hebben op het gebruik, of een beperking van het gebruik, van specifieke soorten SoHO’s, waaronder kiemcellen en embryonale stamcellen. Wanneer een lidstaat het gebruik van die cellen toestaat, moet deze verordening volledig van toepassing zijn om de veiligheid en de kwaliteit te waarborgen en om de menselijke gezondheid te beschermen.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Het is niet de bedoeling dat onderzoek waarbij SoHO’s worden gebruikt onder deze verordening valt wanneer bij dat onderzoek geen sprake is van toepassing op het menselijk lichaam, bijvoorbeeld in-vitro-onderzoek of onderzoek op dieren. Menselijke stoffen die bij onderzoek worden gebruikt voor projecten waarbij zij op het menselijk lichaam worden toegepast, moeten echter voldoen aan de regels van deze verordening.
(17)  Het is niet de bedoeling dat onderzoek waarbij SoHO’s worden gebruikt onder deze verordening valt wanneer bij dat onderzoek geen sprake is van toepassing op het menselijk lichaam, bijvoorbeeld in-vitro-onderzoek of onderzoek op dieren, met uitzondering van bepalingen met betrekking tot donorbescherming. Menselijke stoffen die bij onderzoek worden gebruikt voor projecten waarbij zij op het menselijk lichaam worden toegepast, moeten echter voldoen aan de regels van deze verordening.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Programma’s die de donatie van SoHO’s promoten, moeten principieel worden gebaseerd op het beginsel van vrijwillige en onbetaalde donatie, het altruïsme van de donor en de solidariteit tussen donor en ontvanger. Vrijwillige en onbetaalde SoHO-donatie is ook een factor die kan bijdragen aan hoge veiligheidsnormen voor SoHO’s en daarmee aan de bescherming van de menselijke gezondheid. Ook wordt erkend, onder meer door de stuurgroep voor bio-ethiek van de Raad van Europa24, dat financieel gewin weliswaar moet worden voorkomen maar ook noodzakelijk kan zijn om te waarborgen dat donoren niet financieel worden benadeeld door hun donatie. Compensatie om dergelijke risico’s te voorkomen is daarom aanvaardbaar, maar mag donoren er nooit toe aanzetten om onjuiste opgaven te doen over hun medische voorgeschiedenis of hun gedrag in het verleden, of om vaker te doneren dan is toegestaan, met risico’s voor hun eigen gezondheid en die van aspirantontvangers. Deze compensatie moet daarom door nationale autoriteiten worden vastgesteld op een niveau dat in hun lidstaat passend is om die doelstellingen te verwezenlijken.
(18)  Programma’s die de donatie van SoHO’s promoten, moeten principieel worden gebaseerd op het beginsel van vrijwillige en onbetaalde donatie, het altruïsme van de donor en de solidariteit tussen donor en ontvanger. Een dergelijke solidariteit moet worden opgebouwd vanaf het lokale en regionale niveau tot aan het nationale niveau en het Unieniveau, waarbij de autonomie wordt gewaarborgd, de verantwoordelijkheid van donatie gelijkmatig over de bevolking van de Unie wordt verdeeld en ervoor wordt gezorgd dat de ontvangers een geschikte behandeling krijgen. Vrijwillige en onbetaalde SoHO-donatie is ook een factor die bijdraagt aan hoge veiligheidsnormen voor SoHO’s en daarmee aan de bescherming van de menselijke gezondheid, en vergroot het vertrouwen van het publiek in donatiesystemen. Ook wordt erkend, onder meer door de stuurgroep voor bio-ethiek van de Raad van Europa24, dat financieel gewin weliswaar moet worden voorkomen maar ook aanvaardbaar kan zijn om te waarborgen dat donoren niet financieel worden benadeeld door hun donatie. Financieel neutrale compensatie om dergelijke risico’s te voorkomen is daarom aanvaardbaar, maar mag nooit een financieel voordeel verschaffen voor de donor of donoren ertoe aanzetten om onjuiste opgaven te doen over hun medische voorgeschiedenis of hun gedrag in het verleden, of te doneren op een manier die een risico vormt voor hun eigen gezondheid en die van aspirantontvangers, met name door vaker te doneren dan is toegestaan. Compensatie en vergoedingen mogen in geen geval een stimulans vormen om donoren te werven, mogen kwetsbare personen in de samenleving niet blootstellen aan uitbuiting en mogen niet leiden tot concurrentie tussen SoHO-entiteiten bij de werving van donoren. Deze compensatie moet daarom worden gebaseerd op kwantificeerbare criteria, bijvoorbeeld de geboden tijd voor de donatie of bewezen uitgaven, en transparante criteria die door nationale autoriteiten worden vastgesteld op een niveau dat in hun lidstaat gerechtvaardigd en passend is om aan het beginsel van financiële neutraliteit te voldoen. In wervingscampagnes en reclame mag geen sprake zijn van enige compensatie teneinde risico’s voor de gezondheid van donoren of van aspirantdonoren te voorkomen.
_________________
_________________
24 Stuurgroep voor bio-ethiek van de Raad van Europa (DH-BIO). Guide for the implementation of the principle of prohibition of financial gain with respect to the human body and its parts from living or deceased donors (Handleiding voor de toepassing van het beginsel van een verbod op financieel gewin met betrekking tot het menselijk lichaam en delen daarvan afkomstig van levende of overleden donoren) (maart 2018). Beschikbaar op https://rm.coe.int/guide-financial-gain/16807bfc9a
24 Stuurgroep voor bio-ethiek van de Raad van Europa (DH-BIO). Guide for the implementation of the principle of prohibition of financial gain with respect to the human body and its parts from living or deceased donors (Handleiding voor de toepassing van het beginsel van een verbod op financieel gewin met betrekking tot het menselijk lichaam en delen daarvan afkomstig van levende of overleden donoren) (maart 2018). Beschikbaar op https://rm.coe.int/guide-financial-gain/16807bfc9a
Amendement 241
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)   Zoals door de stuurgroep voor bioethiek van de Raad van Europa is aangegeven24 bis, moeten donoren gecompenseerd kunnen worden voor hun al dan niet financiële kwantificeerbare uitgaven en verliezen in verband met donaties. Bij de berekening van dergelijke compensatie moeten SoHO-entiteiten rekening kunnen houden met niet-financiële variabelen om het passende niveau en de passende vorm van de aan de donoren toe te kennen compensatie te bepalen, mits die compensatie strookt met het in deze verordening neergelegde beginsel van vrijwillige en onbetaalde donatie.
_________________
24 bis Stuurgroep voor bioethiek van de Raad van Europa (DH‑BIO), “Guide for the implementation of the principle of prohibition of financial gain with respect to the human body and its parts from living or deceased donors” (Handleiding voor de toepassing van het beginsel van een verbod op financieel gewin met betrekking tot het menselijk lichaam en delen daarvan afkomstig van levende of overleden donoren), maart 2018. Te raadplegen op: https://rm.coe.int/guide-financial-gain/16807bfc9a
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Om het vertrouwen van het publiek in programma’s voor donatie en gebruik van SoHO’s niet te schaden, moet betrouwbaar wetenschappelijk bewijs correct worden weergegeven in informatie die aan aspirantdonoren, -ontvangers of artsen wordt verstrekt over het waarschijnlijke gebruik en voordeel van specifieke SoHO’s of SoHO-preparaten bij toepassing op ontvangers. Zo moet worden gewaarborgd dat donoren of hun familieleden niet tot donatie worden gedwongen door overdreven beschrijvingen van voordelen en aspirantpatiënten geen valse hoop wordt gegeven bij het nemen van beslissingen over hun behandelopties. Verificatie van de naleving van deze verordening door middel van toezicht is van fundamenteel belang om te waarborgen dat de doelstellingen van de verordening in de gehele Unie daadwerkelijk worden verwezenlijkt. De verantwoordelijkheid voor de handhaving van deze verordening berust bij de lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteiten door middel van toezicht de doeltreffende naleving en handhaving van de toepasselijke voorschriften van de Unie monitoren en verifiëren.
(19)  Om het vertrouwen van het publiek in programma’s voor donatie en gebruik van SoHO’s niet te schaden, moet betrouwbaar wetenschappelijk bewijs correct worden weergegeven in informatie die aan aspirantdonoren, -ontvangers of artsen wordt verstrekt over het waarschijnlijke gebruik en voordeel van specifieke SoHO’s of SoHO-preparaten bij toepassing op ontvangers en mag informatie in geen geval niveaus van veiligheid of werkzaamheid toeschrijven of impliceren die niet door wetenschappelijke methoden worden ondersteund. Zo moet worden gewaarborgd dat donoren of hun familieleden niet tot donatie worden gedwongen door overdreven beschrijvingen van voordelen en aspirantontvangers geen valse hoop wordt gegeven bij het nemen van beslissingen over hun behandelopties. Verificatie van de naleving van deze verordening door middel van toezicht is van fundamenteel belang om te waarborgen dat de doelstellingen van de verordening in de gehele Unie daadwerkelijk worden verwezenlijkt. De verantwoordelijkheid voor de handhaving van deze verordening berust bij de lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteiten door middel van toezicht de doeltreffende naleving en handhaving van de toepasselijke voorschriften van de Unie monitoren en verifiëren.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De lidstaten moeten op al de gebieden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen bevoegde autoriteiten aanwijzen. Hoewel de lidstaten het best in staat zijn om te bepalen welke autoriteit(en) bevoegd is (zijn) voor elk gebied, bijvoorbeeld in geografisch opzicht of naar onderwerp of stof ingedeeld, moeten zij ook worden verplicht één enkele nationale autoriteit aan te wijzen die zorg draagt voor adequaat gecoördineerde communicatie met bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en met de Commissie. De nationale SoHO-autoriteit moet als de aangewezen bevoegde autoriteit in de lidstaten worden beschouwd wanneer slechts één bevoegde autoriteit wordt aangewezen.
(20)  De lidstaten moeten op al de gebieden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen bevoegde autoriteiten aanwijzen. Hoewel de lidstaten het best in staat zijn om te bepalen welke autoriteit(en) bevoegd is (zijn) voor elk gebied, bijvoorbeeld in geografisch opzicht of naar onderwerp of stof ingedeeld, moeten zij ook worden verplicht één enkele onafhankelijke nationale autoriteit aan te wijzen die zorg draagt voor adequaat gecoördineerde communicatie met bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en met de Commissie. De nationale SoHO-autoriteit moet als de aangewezen bevoegde autoriteit in de lidstaten worden beschouwd wanneer slechts één bevoegde autoriteit wordt aangewezen. De lijst van alle nationale bevoegde SoHO-autoriteiten moet openbaar worden gemaakt.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Met het oog op de uitoefening van het toezicht op de correcte toepassing van de SoHO-wetgeving moeten de lidstaten bevoegde autoriteiten aanwijzen die onafhankelijk en onpartijdig handelen. Daarom is het van belang dat hun toezichthoudende functie gescheiden en onafhankelijk is van de verrichting van SoHO-activiteiten. Met name moeten bevoegde autoriteiten gevrijwaard zijn van ontoelaatbare politieke beïnvloeding en van inmenging vanuit het bedrijfsleven die hun operationele onpartijdigheid kan beïnvloeden.
(21)  Met het oog op de uitoefening van het toezicht op de correcte toepassing van de SoHO-wetgeving moeten de lidstaten bevoegde autoriteiten aanwijzen die onafhankelijk en onpartijdig handelen. Daarom is het van belang dat hun toezichthoudende functie gescheiden en onafhankelijk is van de verrichting van SoHO-activiteiten. Met name moeten bevoegde autoriteiten gevrijwaard zijn van ontoelaatbare politieke beïnvloeding en van inmenging vanuit het bedrijfsleven of van andere actoren die hun operationele onpartijdigheid kan beïnvloeden.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  In geval van twijfel over de juridische status van een bepaalde stof, product of activiteit ingevolge deze verordening moeten de bevoegde autoriteiten de betrokken autoriteiten raadplegen die verantwoordelijk zijn voor andere toepasselijke regelgevingskaders, voor met name geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, organen of levensmiddelen, om samenhangende procedures voor de toepassing van deze verordening te waarborgen. De bevoegde autoriteiten moeten de SoHO-coördinatieraad in kennis stellen van de resultaten van hun raadplegingen. Wanneer SoHO’s of SoHO-preparaten worden gebruikt voor de vervaardiging van producten die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, of als grondstof en basismateriaal daarvan, moeten de bevoegde autoriteiten met de desbetreffende autoriteiten op hun grondgebied samenwerken. Deze samenwerking moet gericht zijn op het bewerkstelligen van een in overleg vastgestelde benadering voor de eventueel noodzakelijke latere communicatie tussen de autoriteiten die voor SoHO’s en voor andere betrokken sectoren verantwoordelijk zijn met betrekking tot toelating en bewaking van de SoHO’s of het op basis van SoHO’s vervaardigde product. In beginsel moet het de verantwoordelijkheid van de lidstaten zijn om per geval een beslissing te nemen over de juridische status van een stof, product of activiteit. Om echter te waarborgen dat in de lidstaten samenhangende beslissingen over grensgevallen worden genomen, moet de Commissie bevoegd zijn om, op eigen initiatief of op een deugdelijk gemotiveerd verzoek van een lidstaat, een besluit te nemen over de juridische status van een bepaalde stof, product of activiteit ingevolge deze verordening.
(24)  In geval van twijfel over de juridische status van een bepaalde stof, product of activiteit ingevolge deze verordening moeten de bevoegde autoriteiten de betrokken autoriteiten raadplegen die verantwoordelijk zijn voor andere toepasselijke regelgevingskaders, voor met name geneesmiddelen, geavanceerde therapieën, medische hulpmiddelen, organen of levensmiddelen, en de SoHO-coördinatieraad (SCB), om samenhangende procedures voor de toepassing van deze verordening en andere relevante Uniewetgeving te waarborgen. De bevoegde autoriteiten moeten de SCB in kennis stellen van de resultaten van hun raadplegingen en bij hem een adviesaanvraag indienen over de juridische status van de stof. Wanneer SoHO’s of SoHO-preparaten worden gebruikt voor de vervaardiging van producten die aan andere wetgeving van de Unie zijn onderworpen, of als grondstof en basismateriaal daarvan, moeten de bevoegde autoriteiten met de desbetreffende autoriteiten op hun grondgebied samenwerken. Deze samenwerking moet gericht zijn op het bewerkstelligen van een in overleg vastgestelde benadering voor de eventueel noodzakelijke latere communicatie tussen de autoriteiten die voor SoHO’s en voor andere betrokken sectoren verantwoordelijk zijn met betrekking tot toelating en bewaking van de SoHO’s of het op basis van SoHO’s vervaardigde product. De lidstaten moeten het advies van de SCB over de juridische status van de stoffen eerbiedigen. Om echter te waarborgen dat in de lidstaten samenhangende beslissingen over grensgevallen worden genomen, moet de Commissie bevoegd zijn om, op eigen initiatief of op een deugdelijk gemotiveerd verzoek van een lidstaat of de SCB, een besluit te nemen over de juridische status van een bepaalde stof, product of activiteit ingevolge deze verordening.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Deskundigen van de Commissie moeten in de lidstaten controles kunnen uitvoeren, waaronder audits, om de doeltreffende toepassing van de relevante eisen van bevoegde autoriteiten en van de toezichtsystemen te verifiëren. De controles door de Commissie moeten ook dienen om handhavingspraktijken of -problemen, noodsituaties en nieuwe ontwikkelingen in de lidstaten te onderzoeken en daarover informatie te verzamelen. Officiële controles moeten worden verricht door personeelsleden die onafhankelijk zijn, en dus vrij van elk belangenconflict, en zich met name niet in een situatie bevinden die direct of indirect van invloed kan zijn op hun vermogen om hun professionele taken op onpartijdige wijze uit te voeren.
(26)  Deskundigen van de Commissie moeten over de noodzakelijke ervaring en kennis beschikken om in de lidstaten controles te kunnen uitvoeren, waaronder audits, om de doeltreffende toepassing van de relevante eisen van bevoegde autoriteiten en van de toezichtsystemen te verifiëren. De controles door de Commissie moeten ook dienen om handhavingspraktijken of -problemen, noodsituaties en nieuwe ontwikkelingen in de lidstaten te onderzoeken en daarover informatie te verzamelen. Officiële controles moeten worden verricht door personeelsleden die onafhankelijk zijn, en dus vrij van elk belangenconflict, en zich met name niet in een situatie bevinden die direct of indirect van invloed kan zijn op hun vermogen om hun professionele taken op onpartijdige wijze uit te voeren.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Aangezien SoHO-preparaten aan een reeks SoHO-activiteiten worden onderworpen voordat zij worden vrijgegeven en gedistribueerd, moeten de bevoegde autoriteiten SoHO-preparaten beoordelen en toelaten om te verifiëren of stelselmatig een hoog niveau van veiligheid, kwaliteit en werkzaamheid wordt bereikt door de toepassing van die specifieke reeks activiteiten, die op die specifieke wijze worden uitgevoerd. Wanneer SoHO’s volgens nieuw ontwikkelde en gevalideerde afname-, test- of bewerkingsmethoden worden bereid, moet middels eisen voor vergaring en beoordeling van klinische resultaatgegevens aandacht worden geschonken aan het aantonen van veiligheid en werkzaamheid bij ontvangers. De omvang van dergelijke vereiste klinische resultaatgegevens moet stroken met de hoogte van de risico’s die zijn verbonden aan de voor dat SoHO-preparaat en gebruik uitgevoerde activiteiten. Wanneer een nieuw of gewijzigd SoHO-preparaat verwaarloosbare risico’s voor de ontvanger (of de vrucht, in het geval van medisch begeleide voortplanting) inhoudt, moeten de in deze verordening opgenomen eisen voor vigilantiemeldingen toereikend zijn om veiligheid en kwaliteit aan te tonen. Dit moet gelden voor welomschreven SoHO-preparaten die bij een nieuwe SoHO-entiteit worden ingevoerd maar waarvan de veiligheid en werkzaamheid deugdelijk zijn aangetoond door hun gebruik bij andere entiteiten.
(27)  Aangezien SoHO-preparaten aan een reeks SoHO-activiteiten worden onderworpen voordat zij worden vrijgegeven, gedistribueerd en afgegeven, moeten de bevoegde autoriteiten SoHO-preparaten beoordelen en toelaten om te verifiëren of stelselmatig een hoog niveau van veiligheid, kwaliteit en werkzaamheid wordt bereikt door de toepassing van die specifieke reeks activiteiten, die op die specifieke wijze worden uitgevoerd. Wanneer SoHO’s volgens nieuw ontwikkelde en gevalideerde afname-, test- of bewerkingsmethoden worden bereid, moet middels eisen voor vergaring en beoordeling van klinische resultaatgegevens aandacht worden geschonken aan het aantonen van veiligheid en werkzaamheid bij ontvangers. De omvang van dergelijke vereiste klinische resultaatgegevens moet stroken met de hoogte van de risico’s die zijn verbonden aan de voor dat SoHO-preparaat en gebruik uitgevoerde activiteiten. Wanneer een nieuw of gewijzigd SoHO-preparaat verwaarloosbare risico’s voor de ontvanger (of de vrucht, in het geval van medisch begeleide voortplanting) inhoudt, moeten de in deze verordening opgenomen eisen voor vigilantiemeldingen toereikend zijn om veiligheid en kwaliteit aan te tonen. Dit moet gelden voor welomschreven SoHO-preparaten die bij een nieuwe SoHO-entiteit worden ingevoerd maar waarvan de veiligheid en werkzaamheid deugdelijk zijn aangetoond door hun gebruik bij andere entiteiten.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Voor SoHO-preparaten waaraan een bepaalde mate van risico (laag, gemiddeld of hoog) is verbonden, moet de aanvrager een plan voor bewaking van de klinische resultaten indienen dat voldoet aan verschillende op het aangegeven risico afgestemde eisen. De meest actuele richtsnoeren van het Europees Directoraat voor de kwaliteit van medicijnen en gezondheidszorg (EDQM, een directoraat van de Raad van Europa) moeten als relevant worden beschouwd bij het ontwerp van klinisch vervolgonderzoek waarvan omvang en complexiteit evenredig zijn aan het vastgestelde risiconiveau van het SoHO-preparaat. Bij een laag risico moet de aanvrager, in aanvulling op de verplichte continue vigilantiemeldingen, een proactief klinisch vervolgonderzoek met een vastgesteld aantal patiënten organiseren. Voor gemiddelde en hoge risico’s moet de aanvrager, in aanvulling op de verplichte vigilantiemeldingen en het klinische vervolgonderzoek, klinische onderzoeksstudies met monitoring van vooraf vastgestelde klinische eindpunten voorstellen. Bij een hoog risico moet daarbij een vergelijking worden gemaakt met standaardbehandelingen, idealiter in het kader van een onderzoek waarbij de deelnemers willekeurig in interventie- en controlegroepen worden ingedeeld. De bevoegde autoriteit moet de plannen goedkeuren voordat zij worden uitgevoerd en moet de resultaten beoordelen in het kader van de toelating van een SoHO-preparaat.
(28)  Aanvragers die verzoeken om toelating voor een SoHO-preparaat, moeten de Euro GTP II-methoden of gelijkwaardige instrumenten gebruiken om het risiconiveau van hun SoHO-preparaat te beoordelen. Aanvragers moeten de resultaten van de risicobeoordelingen delen met de bevoegde autoriteiten wanneer zij toelating vragen. Voor SoHO-preparaten waaraan een bepaalde mate van risico (laag, gemiddeld of hoog) is verbonden, moet de aanvrager een plan voor bewaking van de klinische resultaten indienen dat voldoet aan verschillende op het aangegeven risico afgestemde eisen. De meest actuele richtsnoeren van het Europees Directoraat voor de kwaliteit van medicijnen en gezondheidszorg (EDQM, een directoraat van de Raad van Europa) moeten als relevant worden beschouwd bij het ontwerp van klinisch vervolgonderzoek waarvan omvang en complexiteit evenredig zijn aan het vastgestelde risiconiveau van het SoHO-preparaat. Bij een laag risico moet de aanvrager, in aanvulling op de verplichte continue vigilantiemeldingen, een proactief klinisch vervolgonderzoek met een vastgesteld aantal patiënten organiseren. Voor gemiddelde en hoge risico’s moet de aanvrager, in aanvulling op de verplichte vigilantiemeldingen en het klinische vervolgonderzoek, klinische onderzoeksstudies met monitoring van vooraf vastgestelde klinische eindpunten voorstellen. Bij een hoog risico moet daarbij een vergelijking worden gemaakt met standaardbehandelingen, idealiter in het kader van een onderzoek waarbij de deelnemers willekeurig in interventie- en controlegroepen worden ingedeeld ingevolge Verordening (EU) nr. 536/2014. Wanneer de standaardbehandeling of controlegroep gebaseerd is op geneesmiddelen, moeten de studies worden beschouwd als klinische proeven zoals gedefinieerd in en geregeld bij Verordening (EU) nr. 536/2014. De bevoegde autoriteit moet de plannen goedkeuren voordat zij worden uitgevoerd en moet de resultaten beoordelen in het kader van de toelating van een SoHO-preparaat.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)   SoHO-entiteiten moeten de bevoegde autoriteiten om goedkeuring verzoeken voor klinische onderzoeken met SoHO, zowel in het kader van het toelatingsproces voor een nieuwe behandeling met behulp van SoHO of bij het vergelijken van reeds toegelaten behandelingen. Bij klinische onderzoeken met SoHO moeten de rechten, de veiligheid, de waardigheid en het welzijn van de patiënten altijd voorop staan en moet het klinisch onderzoek zodanig worden opgezet dat het leidt tot betrouwbare en degelijke gegevens en conclusies.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Met het oog op de doelmatigheid moet het actoren worden toegestaan om bij het onderzoek van klinische resultaten desgewenst gebruik te maken van het in de farmaceutische sector vastgestelde kader voor klinische proeven van Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad25. Hoewel aanvragers ervoor kunnen kiezen om de klinische gegevens die bij de bewaking van de klinische resultaten worden gegenereerd zelf te registreren, moet het hun ook worden toegestaan om voor die registratie bestaande registers van klinische gegevens te gebruiken wanneer die registers door de bevoegde autoriteit zijn geverifieerd of door een externe instelling zijn gecertificeerd voor wat betreft de betrouwbaarheid van hun procedures voor gegevensbeheer.
(29)  Met het oog op de doelmatigheid moet het actoren worden toegestaan om bij het uitvoeren van klinisch onderzoek desgewenst gebruik te maken van het in de farmaceutische sector vastgestelde kader voor klinische proeven van Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad25. De verplichting om de verkregen klinische resultaten te publiceren, zou een vereiste moeten zijn voor klinische onderzoeken met SoHO. Hoewel aanvragers ervoor kunnen kiezen om de klinische gegevens die bij het klinisch onderzoek worden gegenereerd zelf te registreren, moet het hun ook worden toegestaan om voor die registratie bestaande registers van klinische gegevens te gebruiken wanneer die registers door de bevoegde autoriteit zijn geverifieerd of door een externe instelling zijn gecertificeerd voor wat betreft de betrouwbaarheid van hun procedures voor gegevensbeheer. Het bestaan van een register van klinische onderzoeken met SoHO op Unieniveau is van cruciaal belang om de deelname van patiënten aan klinische onderzoeken te vergemakkelijken, gespreid uitgevoerde klinische proeven te stimuleren en samenwerking te bevorderen om robuustere resultaten en conclusies te genereren, en om dergelijke gegenereerde kennis beschikbaar te maken voor andere onderzoekers, gezondheidswerkers, deelnemers zelf en het grote publiek.
_________________
_________________
25 Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1).
25 Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1).
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Om innovatie te bevorderen en administratieve lasten te verminderen, moeten de bevoegde autoriteiten informatie met elkaar delen over de toelating van nieuwe SoHO-preparaten en het daarvoor gebruikte bewijsmateriaal, onder meer voor de validering van gecertificeerde medische hulpmiddelen die worden gebruikt voor het afnemen, bewerken, bewaren of op patiënten toepassen van SoHO’s. Door het delen van deze informatie kunnen autoriteiten reeds aan andere entiteiten verleende toelatingen aanvaarden, ook uit andere lidstaten, en daarmee de eisen voor het genereren van bewijsmateriaal aanzienlijk inperken.
(30)  Om innovatie te bevorderen en administratieve lasten te verminderen, moeten de bevoegde autoriteiten via het Europese SoHO-platform informatie met elkaar delen over de toelating van nieuwe SoHO-preparaten en het daarvoor gebruikte bewijsmateriaal, onder meer voor de validering van gecertificeerde medische hulpmiddelen die worden gebruikt voor het afnemen, bewerken, bewaren of op patiënten toepassen van SoHO’s. Door het delen van deze informatie kunnen autoriteiten reeds aan andere entiteiten verleende toelatingen aanvaarden, ook uit andere lidstaten, en daarmee de eisen voor het genereren van bewijsmateriaal aanzienlijk inperken. De bevoegde autoriteiten moeten via het Europese SoHO-platform ook onderling informatie uitwisselen over klinische onderzoeken met SoHO.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  De bevoegde autoriteiten moeten de op hun grondgebied geregistreerde SoHO-entiteiten beoordelen en waarborgen dat entiteiten waar SoHO’s zowel worden bewerkt als bewaard als SoHO-instellingen worden geïnspecteerd en worden toegelaten voordat zij met die activiteiten een aanvang maken. De toelating van een SoHO-instelling moet betrekking hebben op de juridische entiteit, ook wanneer een SoHO-instelling vele fysieke vestigingen heeft. De bevoegde autoriteiten moeten onderzoek doen naar de gevolgen voor de veiligheid, de kwaliteit en de doeltreffendheid van de SoHO-activiteiten die plaatsvinden bij SoHO-entiteiten die niet aan de definitie van een SoHO-instelling voldoen en besluiten of bepaalde entiteiten aan een toelating als instelling moeten worden onderworpen vanwege het risico of de omvang van hun activiteiten. Ook kunnen SoHO-entiteiten die rapportage- of andere verplichtingen slecht zijn nagekomen geschikte kandidaten voor toelating als SoHO-instellingen zijn.
(32)  De bevoegde autoriteiten moeten de op hun grondgebied geregistreerde SoHO-entiteiten op gezette tijden beoordelen en waarborgen dat entiteiten waar SoHO’s zowel worden bewerkt als bewaard als SoHO-instellingen worden geïnspecteerd en worden toegelaten voordat zij met die activiteiten een aanvang maken. De toelating van een SoHO-instelling moet betrekking hebben op de juridische entiteit, ook wanneer een SoHO-instelling vele fysieke vestigingen heeft. De bevoegde autoriteiten moeten onderzoek doen naar de gevolgen voor de veiligheid, de kwaliteit en de doeltreffendheid van de SoHO-activiteiten die plaatsvinden bij SoHO-entiteiten die niet aan de definitie van een SoHO-instelling voldoen en besluiten of bepaalde entiteiten aan een toelating als instelling moeten worden onderworpen vanwege het risico of de omvang van hun activiteiten. Ook kunnen SoHO-entiteiten die rapportage- of andere verplichtingen slecht zijn nagekomen geschikte kandidaten voor toelating als SoHO-instellingen zijn.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Met betrekking tot normen voor de bescherming van donoren, ontvangers en vruchten moet deze verordening voorzien in een hiërarchie van uitvoeringsregels. Aangezien risico’s en technologieën aan veranderingen onderhevig zijn, moet deze hiërarchie van regels een doeltreffend en responsief gebruik waarborgen van de meest actuele richtsnoeren voor de uitvoering van de normen van deze verordening. In het kader van die hiërarchie, en omdat wetgeving van de Unie ontbreekt waarin specifieke procedures worden beschreven die moeten worden toegepast en nageleefd om aan de normen van deze verordening te voldoen, moet naleving van de richtsnoeren van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en het EDQM worden beschouwd als een manier om aan te tonen dat de normen van deze verordening worden nageleefd om een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid te waarborgen. Het moet SoHO-entiteiten worden toegestaan om andere richtsnoeren te volgen, mits is aangetoond dat met die andere richtsnoeren hetzelfde niveau van kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid kan worden bereikt. Indien voor gecompliceerde technische aangelegenheden in de wetgeving van de Unie noch door het ECDC en het EDQM een technisch richtsnoer of een regel is vastgesteld, moeten actoren een plaatselijk vastgestelde regel volgen die aansluit bij relevante internationaal erkende richtsnoeren en wetenschappelijk bewijs en geschikt is om vastgestelde risico’s te beperken.
(33)  Met betrekking tot normen voor de bescherming van donoren, ontvangers en vruchten moet deze verordening voorzien in een hiërarchie van uitvoeringsregels. Aangezien risico’s en technologieën aan veranderingen onderhevig zijn, moet deze hiërarchie van regels een doeltreffend en responsief gebruik waarborgen van de meest actuele, op wetenschappelijk bewijs gebaseerde richtsnoeren voor de uitvoering van de normen van deze verordening. In het kader van die hiërarchie, en omdat wetgeving van de Unie ontbreekt waarin specifieke procedures worden beschreven die moeten worden toegepast en nageleefd om aan de normen van deze verordening te voldoen, moet naleving van de richtsnoeren van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en het EDQM worden beschouwd als een manier om aan te tonen dat de normen van deze verordening worden nageleefd. De lidstaten moeten kunnen besluiten SoHO-entiteiten toe te staan om andere erkende richtsnoeren te volgen, mits die gebaseerd zijn op het meest recente wetenschappelijk bewijs en hetzelfde niveau van kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid bereiken. De lidstaten moeten worden betrokken bij zowel het opstellen van als het stemmen over die richtsnoeren en moeten een transparant proces van overleg met andere relevante autoriteiten en belanghebbenden in de Unie volgen. Het moet SoHO-entiteiten worden toegestaan om andere richtsnoeren te volgen, mits is aangetoond dat die andere richtsnoeren gebaseerd zijn op het meest recente wetenschappelijke bewijs en daarmee hetzelfde niveau van kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid kan worden bereikt. Indien voor gecompliceerde technische aangelegenheden in de wetgeving van de Unie noch door het ECDC en het EDQM een technisch richtsnoer of een regel is vastgesteld, moeten actoren een plaatselijk vastgestelde regel volgen die aansluit bij relevante internationaal erkende richtsnoeren en wetenschappelijk bewijs en geschikt is om vastgestelde risico’s te beperken. Bij de beoordeling van wetenschappelijke richtsnoeren is het belangrijk dat de Commissie, het ECDC en het EDQM bestaande groepen van wetenschappers en donoren en vertegenwoordigingen van patiënten betrekken.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 35
(35)  Het EDQM is onderdeel van de Raad van Europa en verricht zijn werkzaamheden in het kader van het Partieel Akkoord omtrent de Europese farmacopee. De tekst van het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee (ETS nr. 050), zoals aanvaard bij Besluit 94/358/EG van de Raad26, wordt beschouwd als de tekst van het Partieel Akkoord omtrent de Europese farmacopee. De lidstaten van de Raad van Europa die het Verdrag inzake de Europese farmacopee hebben ondertekend en geratificeerd zijn de lidstaten van het Partieel Akkoord omtrent de Europese farmacopee en zijn derhalve de leden van de intergouvernementele instanties die in het kader van dit partieel akkoord werken, waaronder: de Europese Commissie voor de farmacopee, het Europees Comité voor orgaantransplantatie (CD-P-TO), het Europees Comité voor bloedtransfusie (CD-P-TS) en het Europees Comité voor geneesmiddelen en farmaceutische zorg (CD-P-PH). Het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee is ondertekend en geratificeerd door de Europese Unie en al haar lidstaten, die alle zijn vertegenwoordigd in die intergouvernementele instanties. In dit verband moet het werk van het EDQM aan de ontwikkeling en de actualisering van richtsnoeren voor de kwaliteit en de veiligheid van bloed, weefsels en cellen worden beschouwd als een belangrijke bijdrage op het gebied van SoHO’s in de Unie en in deze verordening worden verwerkt. De richtsnoeren hebben betrekking op vraagstukken van kwaliteit en veiligheid die de risico’s van overbrenging van overdraagbare ziekten overstijgen, waaronder donorgeschiktheidscriteria om de overbrenging van kanker en andere niet-overdraagbare ziekten te voorkomen en de verzekering van veiligheid en kwaliteit bij afname, bewerking, bewaring en distributie. Deze richtsnoeren moeten daarom kunnen worden gebruikt als een van de manieren om de in deze verordening bedoelde technische normen uit te voeren.
(35)  Het EDQM is onderdeel van de Raad van Europa en verricht zijn werkzaamheden in het kader van het Partieel Akkoord omtrent de Europese farmacopee. De tekst van het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee (ETS nr. 050), zoals aanvaard bij Besluit 94/358/EG van de Raad26, wordt beschouwd als de tekst van het Partieel Akkoord omtrent de Europese farmacopee. De lidstaten van de Raad van Europa die het Verdrag inzake de Europese farmacopee hebben ondertekend en geratificeerd zijn ook lidstaten van het Partieel Akkoord omtrent de Europese farmacopee en zijn derhalve de leden van de intergouvernementele instanties die in het kader van dit partieel akkoord werken, waaronder: de Europese Commissie voor de farmacopee, het Europees Comité voor orgaantransplantatie (CD-P-TO), het Europees Comité voor bloedtransfusie (CD-P-TS) en het Europees Comité voor geneesmiddelen en farmaceutische zorg (CD-P-PH). Het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee is ondertekend en geratificeerd door de Europese Unie en al haar lidstaten, die alle zijn vertegenwoordigd in die intergouvernementele instanties. In dit verband moet het werk van het EDQM aan de ontwikkeling en de actualisering van richtsnoeren voor de kwaliteit en de veiligheid van bloed, weefsels en cellen worden beschouwd als een belangrijke bijdrage op het gebied van SoHO’s in de Unie en in deze verordening worden verwerkt, zonder afbreuk te doen aan de juridische autonomie van de Unie. De richtsnoeren hebben betrekking op vraagstukken van kwaliteit en veiligheid die de risico’s van overbrenging van overdraagbare ziekten overstijgen, waaronder donorgeschiktheidscriteria om de overbrenging van kanker en andere niet-overdraagbare ziekten te voorkomen en de verzekering van veiligheid en kwaliteit bij afname, bewerking, bewaring en distributie. Deze richtsnoeren moeten daarom kunnen worden gebruikt als een van de manieren om de in deze verordening bedoelde technische normen uit te voeren. De Commissie moet samen met het EDQM ook een memorandum van overeenstemming opstellen met betrekking tot transparantie van lidmaatschap en van output en regels inzake belangenconflicten voor deskundigen en belanghebbenden die betrokken zijn bij het opstellen van EDQM-richtsnoeren. Bij deze samenwerking mag geen afbreuk worden gedaan aan de autonomie van de Uniewetgeving en wordt rekening gehouden met de Unie-beginselen inzake transparantie en participatie van belanghebbenden.
_________________
_________________
26 Besluit 94/358/EG van de Raad van 16 juni 1994 houdende aanvaarding namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee (PB L 158 van 25.6.1994, blz. 17).
26 Besluit 94/358/EG van de Raad van 16 juni 1994 houdende aanvaarding namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee (PB L 158 van 25.6.1994, blz. 17).
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Het ECDC werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad27 en is een agentschap van de Unie dat tot taak heeft om Europa beter te beschermen tegen overdraagbare ziekten. Het werk van het ECDC aan de ontwikkeling en de actualisering van richtsnoeren voor de kwaliteit en de veiligheid van SoHO’s met betrekking tot de dreiging van overdraagbare ziekten moet worden beschouwd als een belangrijke bijdrage op het gebied van SoHO’s in de Unie en in deze verordening worden verwerkt. Daarnaast heeft het ECDC een netwerk van deskundigen voor de microbiële veiligheid van SoHO’s opgericht, dat is belast met de naleving van de eisen voor de betrekkingen van het ECDC met de lidstaten van de Unie en de lidstaten van de EER, zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 851/2004, met betrekking tot strategische en operationele samenwerking in technische en wetenschappelijke aangelegenheden, toezicht, reacties op gezondheidsdreigingen, wetenschappelijke adviezen, wetenschappelijke en technische ondersteuning, vergaring van gegevens, opsporing van opkomende gezondheidsbedreigingen en voorlichtingscampagnes voor het publiek over de veiligheid van SoHO’s. Dit netwerk van SoHO-deskundigen moet informatie of advies verstrekken over relevante uitbraken van overdraagbare ziekten en met name over de geschiktheid en het testen van donoren en het onderzoek naar ernstige incidenten waarbij sprake is van vermoedelijke overbrenging van een overdraagbare ziekte.
(36)  Het ECDC werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad27 en is een agentschap van de Unie dat tot taak heeft om Europa beter te beschermen tegen overdraagbare ziekten. Het werk van het ECDC aan de ontwikkeling en de actualisering van richtsnoeren voor de kwaliteit, veiligheid en duurzaamheid van SoHO’s met betrekking tot de dreiging van overdraagbare ziekten moet worden beschouwd als een belangrijke bijdrage op het gebied van SoHO’s in de Unie en in deze verordening worden verwerkt. Daarnaast heeft het ECDC een netwerk van deskundigen voor de microbiële veiligheid van SoHO’s opgericht, dat is belast met de naleving van de eisen voor de betrekkingen van het ECDC met de lidstaten van de Unie en de lidstaten van de EER, zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 851/2004, met betrekking tot transparante strategische en operationele samenwerking in technische en wetenschappelijke aangelegenheden, toezicht, reacties op gezondheidsdreigingen, wetenschappelijke adviezen, wetenschappelijke en technische ondersteuning, vergaring van gegevens, opsporing van opkomende gezondheidsbedreigingen en voorlichtingscampagnes voor het publiek over de veiligheid van SoHO’s. Dit netwerk van SoHO-deskundigen moet informatie of advies verstrekken over relevante uitbraken van overdraagbare ziekten, waaronder die welke zijn verergerd als gevolg van de klimaatverandering, en met name over de geschiktheid en het testen van donoren en het onderzoek naar ernstige incidenten waarbij sprake is van vermoedelijke overbrenging van een overdraagbare ziekte.
_________________
_________________
27 Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1).
27 Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1).
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 37
(37)  Op nationaal niveau en in de Unie moeten voorlichtings- en bewustwordingscampagnes over het belang van SoHO’s worden bevorderd. Deze campagnes moeten ertoe bijdragen dat Europese burgers tijdens hun leven een besluit nemen over de vraag of zij donor willen worden en hun familieleden of wettelijke vertegenwoordigers op de hoogte brengen van hun wensen over donatie na hun overlijden. Aangezien gewaarborgd moet worden dat er SoHO’s voor medische behandelingen beschikbaar zijn, moeten de lidstaten de donatie van SoHO’s, waaronder bloedplasma, van hoge kwaliteit en veiligheid bevorderen en zo tevens de zelfvoorzieningsgraad in de Unie verhogen. Ook wordt de lidstaten dringend verzocht maatregelen te treffen om een krachtige bijdrage van de publieke en non-profitsector aan de verrichting van SoHO-diensten te bevorderen, met name voor kritische SoHO’s en de daarmee verbonden onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen.
(37)  Op nationaal niveau en in de Unie moeten voorlichtings- en bewustwordingscampagnes over het belang van SoHO’s worden bevorderd, hetgeen alle betrokken partijen ten goede komt. Deze campagnes moeten zorgen voor het breedst mogelijke donorenbestand, teneinde de veerkracht van het toeleveringssysteem te vergroten, en ertoe bijdragen dat Europese burgers tijdens hun leven een besluit nemen over de vraag of zij donor willen worden en hun familieleden of wettelijke vertegenwoordigers op de hoogte brengen van hun wensen over donatie na hun overlijden. Aangezien de beschikbaarheid van en de gelijke toegang tot SoHO’s voor medische behandelingen moeten worden gewaarborgd, moeten de lidstaten en de Unie de oprichting van publieke donatievoorzieningen ondersteunen en de vrijwillige en onbetaalde donatie van SoHO’s van hoge kwaliteit en veiligheid bevorderen om de afnamecapaciteit en de autonomie in de Unie te verhogen. Ook wordt de lidstaten dringend verzocht maatregelen te treffen om een krachtige betrokkenheid van alle relevante sectoren, met name de publieke en non-profit sector, aan de verrichting van SoHO-diensten te bevorderen, met name voor kritische SoHO’s en de daarmee verbonden onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 bis (nieuw)
(37 bis)   De COVID-19-pandemie kan worden beschouwd als een van de grootste gezondheidscrises die Europa heeft getroffen. De pandemie heeft nadelige gevolgen gehad voor het donorenbestand in bepaalde landen, waarvan het afnamesysteem is gebaseerd op een klein aantal donoren die vaker doneren dan elders. Deze crisis heeft de kwetsbaarheden van de Unie in zeer verschillende aspecten aan het licht gebracht, variërend van het gebrek aan coördinatie tussen de lidstaten, dat essentieel is om deze situaties aan te pakken, tot de sterke afhankelijkheid van de Unie van derde landen voor de productie en levering van grondstoffen en werkzame stoffen die nodig zijn om medische behandelingen te kunnen uitvoeren. In het geval van SoHO’s heeft de pandemie het aantal donoren en de uitvoer uit derde landen drastisch verminderd, waardoor de Unie in een situatie van tekorten aan bepaalde SoHO’s terechtkwam en patiënten ernstig gevaar liepen bij gebrek aan adequate behandelingen. Daarom moeten initiatieven voor een sterke Europese gezondheidsunie de Europese autonomie bevorderen, met name op het gebied van de levering van SoHO’s teneinde dreigende tekorten te voorkomen, met name aan SoHO’s voor therapeutisch gebruik. De geleerde lessen en de daaruit voortvloeiende maatregelen op het niveau van de Unie moeten als referentie dienen voor de preventie, opsporing en oplossing van toekomstige gezondheidscrises. In Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad1 bis worden de richtsnoeren vastgesteld die daartoe moeten worden gevolgd. Teneinde de Europese autonomie op het gebied van SoHO’s te verhogen, moeten de lidstaten worden aangespoord om hun afnamecapaciteit en donorenbestand voor kritische SoHO’s, met name bloedplasma, te vergroten door non-profit- en publieke programma’s voor plasmaferese te ontwikkelen.
_________________
1 bis Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen en tot intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU (PB L 314 van 6.12.2022, blz. 26).
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 ter (nieuw)
(37 ter)   Om de autonomie en een duurzame levering van SoHO’s te waarborgen, moeten de lidstaten nationale noodplannen voor SoHO’s en plannen voor de continuïteit van de levering van SoHO’s opstellen die maatregelen bevatten voor het geval dat de toeleveringssituatie voor kritieke SoHO’s een ernstig risico voor de volksgezondheid vormt of kan vormen. Die plannen moeten maatregelen omvatten, waaronder optimalisering van het gebruik, die van invloed zijn op de vraag naar kritische SoHO’s, doelstellingen om de autonomie van de levering van kritische SoHO’s te waarborgen, strategieën om donoren te werven en te behouden en regelingen voor de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten, deskundigen en relevante belanghebbenden. Nationale noodplannen voor SoHO’s en plannen voor de continuïteit van de levering van SoHO’s moeten voorts worden aangevuld door middel van de strategie ter bevordering van de Europese autonomie op het gebied van de levering van SoHO’s en de noodplannen en de plannen voor de continuïteit van de levering van SoHO-entiteiten, die in de eerste plaats gericht zijn op toezicht op de voorziening, rapportageverplichtingen en het delen van beste praktijken binnen de Unie. Bovendien moeten de lidstaten worden aangemoedigd om bepaalde gebieden, zoals transfusiegeneeskunde, als zelfstandig medisch vakgebied in te stellen met gestructureerde opleiding, met inbegrip van scholen voor medische specialisatie en programma’s voor permanente medische opleiding voor al het medisch personeel. Door opleiding en betere voorlichting te verstrekken aan voorschrijvers zou het risico op onnodige toepassing van SoHO’s afnemen. Zoals aanbevolen door de Wereldgezondheidsorganisatie moeten de lidstaten bovendien daarnaast een optimaal klinisch gebruik van SoHO’s ondersteunen, met name wanneer er alternatieven zijn die de vraag naar SoHO’s kunnen verminderen. De lidstaten zorgen derhalve voor een efficiënte uitvoering van de aanpak inzake het gepersonaliseerd beheer van bloedkapitaal, dat de veiligheid van patiënten verbetert door de risico’s van transfusie tot een minimum te beperken en de resultaten voor de patiënten te verbeteren, en tegelijkertijd de toereikendheid van de bloedvoorraden waarborgt en de financiële druk op de gezondheidsstelsels vermindert.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 quater (nieuw)
(37 quater)   Wanneer de beschikbaarheid van SoHO-preparaten of van SoHO afgeleide producten afhankelijk is van potentiële commerciële belangen, zoals bepaalde van plasma afgeleide producten, bestaat het risico dat de belangen van patiënten en onderzoek niet voorop staan. Er kunnen zelfs situaties zijn waarin sommige weinig rendabele producten niet langer worden geproduceerd, hetgeen de toegankelijkheid ervan voor patiënten belemmert. Evenzo zouden de investeringen in onderzoek en innovatie voor dit soort producten zeer klein of onbestaand kunnen zijn. De prijzen van uit SoHO afgeleide producten, die worden verkregen dankzij vrijwillige en onbetaalde donaties, moeten eerlijk en transparant zijn. Voor bepaalde weinig rendabele producten moeten de lidstaten onderzoek en innovatie aanmoedigen en ervoor zorgen dat de productie daarvan wordt voortgezet.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  Om tot een gecoördineerde toepassing van deze verordening te komen, moet een SoHO-coördinatieraad (SCB, SoHO Coordination Board) worden ingesteld. De Commissie moet aan de werkzaamheden van deze raad deelnemen en het voorzitterschap ervan vervullen. De SCB moet bijdragen aan de coördinatie van de toepassing van deze verordening in de gehele Unie, onder meer door lidstaten te ondersteunen bij de uitoefening van SoHO-toezicht. De SCB moet bestaan uit personen die door de lidstaten worden aangewezen op basis van hun rol en deskundigheid bij hun bevoegde autoriteiten, naast deskundigen die niet voor bevoegde autoriteiten werkzaam zijn, voor specifieke taken waarvoor toegang tot benodigde diepgaande technische deskundigheid op het gebied van SoHO’s vereist is. In dit laatste geval moet voldoende aandacht worden geschonken aan de mogelijkheid om deskundige Europese instanties als het ECDC en het EDQM bij de werkzaamheden te betrekken, evenals bestaande groepen van beroepsbeoefenaren, wetenschappers en donoren en vertegenwoordigingen van patiënten uit de Unie op het gebied van SoHO’s.
(38)  Om tot een gecoördineerde en coherente toepassing van deze verordening te komen, moet een SoHO-coördinatieraad (SCB, SoHO Coordination Board) worden ingesteld. De Commissie moet aan de werkzaamheden van deze raad deelnemen en het voorzitterschap ervan vervullen. De SCB moet bijdragen aan de coördinatie van de toepassing van deze verordening in de gehele Unie, onder meer door lidstaten te ondersteunen bij de uitoefening van SoHO-toezicht. De SCB moet bestaan uit personen die door de lidstaten worden aangewezen op basis van hun rol en deskundigheid bij hun bevoegde autoriteiten, naast deskundigen die niet voor bevoegde autoriteiten werkzaam zijn, voor specifieke taken waarvoor toegang tot benodigde diepgaande technische deskundigheid op het gebied van SoHO’s vereist is. In dit laatste geval moet voldoende aandacht worden geschonken aan de mogelijkheid om deskundige Europese agentschappen en instanties als het ECDC en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) bij de werkzaamheden te betrekken. Ook het Europees Parlement, het EDQM en bestaande groepen van beroepsbeoefenaren, wetenschappelijke deskundigen en donoren en vertegenwoordigingen van ontvangende patiënten en belanghebbenden uit de Unie op het gebied van SoHO’s kunnen worden uitgenodigd. Andere instellingen van de Unie, met inbegrip van het Europees Parlement, deskundige organen en instanties zoals het EMA, ECDC en EDQM, moeten de status van waarnemer krijgen. Alle leden van de SCB moeten belangenverklaringen indienen, waarbij zij een hoge mate van transparantie met betrekking tot hun output betrachten. De leden van de SCB, de waarnemers en deskundigen moeten onafhankelijk en in het algemeen belang handelen en vrij zijn van elke externe invloed die de onpartijdigheid van hun professioneel handelen in het gedrang kan brengen.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 39
(39)  Sommige stoffen, producten of activiteiten vielen in het verleden onder verschillende rechtskaders met verschillende vereisten in de lidstaten. Dit is verwarrend voor actoren in de praktijk, en de daaruit voortvloeiende rechtsonzekerheid ontmoedigt beroepsbeoefenaren om nieuwe bereidings- en gebruikswijzen voor SoHO’s te ontwikkelen. De SCB moet relevante informatie ontvangen over nationale besluiten die worden genomen in gevallen waarin vragen over de juridische status van SoHO’s zijn gerezen. De SCB moet een compendium bijhouden van de adviezen die door de SCB of de bevoegde autoriteiten worden uitgebracht en van de besluiten die op het niveau van de lidstaten worden genomen, zodat bevoegde autoriteiten die de juridische status ingevolge deze verordening van een bepaalde stof, product of activiteit onderzoeken in hun besluitvorming naar dat compendium kunnen verwijzen. Ook moet de SCB overeengekomen beste praktijken documenteren om een gemeenschappelijke benadering in de Unie te ondersteunen. Daarnaast moet de raad samenwerken met vergelijkbare instanties in de Unie die ingevolge andere Uniewetgeving zijn ingesteld, om een gecoördineerde en samenhangende toepassing van deze verordening in de lidstaten en aanpalende rechtskaders te bevorderen. Met deze maatregelen moeten een samenhangende sectoroverstijgende benadering en innovatie op het gebied van SoHO’s worden bevorderd.
(39)  Sommige stoffen, producten of activiteiten vielen in het verleden onder verschillende rechtskaders met verschillende vereisten in de lidstaten. Dit kan soms verwarrend zijn voor actoren in de praktijk, en de daaruit voortvloeiende rechtsonzekerheid kan beroepsbeoefenaren ontmoedigen om nieuwe bereidings- en gebruikswijzen voor SoHO’s te ontwikkelen. De SCB moet voortdurend relevante informatie ontvangen over nationale besluiten die worden genomen in gevallen waarin vragen over de juridische status van SoHO’s zijn gerezen. De SCB moet die adviezen monitoren om snel en met kennis van zaken op andere verzoeken om adviezen van lidstaten te kunnen reageren, en een compendium bijhouden van de adviezen die door de SCB of de bevoegde autoriteiten worden uitgebracht en van de besluiten die op het niveau van de lidstaten worden genomen, zodat bevoegde autoriteiten die de juridische status ingevolge deze verordening van een bepaalde stof, product of activiteit onderzoeken in hun besluitvorming naar dat compendium kunnen verwijzen. Ook moet de SCB overeengekomen beste praktijken documenteren om een gemeenschappelijke benadering in de Unie te ondersteunen. Daarnaast moet de raad samenwerken met vergelijkbare instanties in de Unie die ingevolge andere Uniewetgeving zijn ingesteld, om een gecoördineerde en samenhangende toepassing van deze verordening in de lidstaten en aanpalende rechtskaders te bevorderen. Met deze maatregelen moeten een samenhangende sectoroverstijgende benadering, een hoog beschermingsniveau van de volksgezondheid, en innovatie op het gebied van SoHO’s worden bevorderd.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 41
(41)  Om de administratieve lasten voor de bevoegde autoriteiten en de Commissie te beperken, moet laatstgenoemde een online platform opzetten (het “Europese SoHO-platform”) om de tijdige indiening van gegevens en verslagen te bevorderen en om de transparantie over nationale rapportage- en toezichthoudende activiteiten te vergroten.
(41)  Om de administratieve lasten voor de bevoegde autoriteiten en de Commissie te beperken, moet laatstgenoemde een online platform opzetten (het “Europese SoHO-platform”) om de tijdige indiening van gegevens en verslagen te bevorderen, om de uitwisseling van de gegevens aan de hand waarvan de juridische status van een stof is bepaald mogelijk te maken, de transparantie over nationale rapportage- en toezichthoudende activiteiten te vergroten en betere communicatie, samenwerking en coördinatie met betrekking tot en de uitwisseling van SoHO’s tussen lidstaten te waarborgen. De nationale bevoegde autoriteiten worden aangemoedigd om het Europese SoHO-platform te gebruiken in plaats van nationale registers bij te houden, met name om de administratieve lasten te beperken. De lidstaten moeten het EU-SoHO-platform ook kunnen gebruiken als kanaal voor nationale initiatieven en campagnes om de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen. Dergelijke nationale initiatieven en campagnes moeten, in nauwe samenwerking met patiëntenorganisaties worden opgezet en erop gericht zijn de noodzaak van het behoud van duurzame levering van SoHO-producten te bevorderen. Het EU-SoHO-platform moet ook dienen als betrouwbare bron van informatie voor het grote publiek over de werkzaamheden van de SCB, nationale bevoegde autoriteiten en andere deskundige instanties, zoals het EDQM, en SoHO-entiteiten en -instellingen. Het onlineplatform zou verder kunnen worden gebruikt voor de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten met betrekking tot initiatieven, zoals campagnes, om de levering van SoHO’s te ondersteunen.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 43
(43)  Aangezien op het Europese SoHO-platform persoonsgegevens moeten worden verwerkt, zullen bij de opzet van dat platform de beginselen van gegevensbescherming worden geëerbiedigd. De verwerking van persoonsgegevens moet in alle gevallen worden beperkt tot hetgeen nodig is om te voldoen aan de doelstellingen en verplichtingen van deze verordening. De toegang tot het Europese SoHO-platform moet worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de uitoefening van het in deze verordening bedoelde toezicht.
(43)  Aangezien op het Europese SoHO-platform persoonsgegevens moeten worden verwerkt, zullen bij de opzet van dat platform de beginselen van gegevensbescherming worden geëerbiedigd, zoals vastgelegd in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679. De verwerking van persoonsgegevens moet in alle gevallen worden beperkt tot hetgeen nodig is om te voldoen aan de doelstellingen en verplichtingen van deze verordening. De toegang tot het Europese SoHO-platform moet worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de uitoefening van het in deze verordening bedoelde toezicht.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder in het bijzonder de menselijke waardigheid, de menselijke integriteit, de bescherming van persoonsgegevens, de artistieke en wetenschappelijke vrijheid, de vrijheid van ondernemerschap, non-discriminatie, het recht op gezondheidsbescherming en toegang tot gezondheidszorg, en de rechten van het kind. Om deze doelen te bereiken, moeten het SoHO-toezicht en SoHO-activiteiten in alle gevallen zodanig plaatsvinden dat deze rechten en beginselen volledig worden geëerbiedigd. Het recht op waardigheid en integriteit van donoren, ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting moet altijd in aanmerking worden genomen, onder meer door te waarborgen dat toestemming voor donatie vrijelijk wordt gegeven en donoren of hun vertegenwoordigers geïnformeerd worden over het beoogde gebruik van het gedoneerde materiaal, dat donorgeschiktheidscriteria op wetenschappelijk bewijs zijn gebaseerd, dat het gebruik van SoHO’s bij mensen niet wordt bevorderd voor commerciële doeleinden of met onjuiste of misleidende informatie over de werkzaamheid, zodat donoren en ontvangers goed geïnformeerde en weloverwogen keuzes kunnen maken, dat activiteiten op transparante wijze plaatsvinden en de veiligheid van donoren en ontvangers voorop staat, en dat de toewijzing en eerlijke toegang tot SoHO’s op transparante wijze worden gedefinieerd, op basis van een objectieve beoordeling van medische behoeften. Deze verordening moet daarom dienovereenkomstig worden toegepast.
(44)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder in het bijzonder de menselijke waardigheid, de menselijke integriteit en het verbod op financieel gewin met betrekking tot het menselijk lichaam en delen daarvan, de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van hun persoonsgegevens, de artistieke en wetenschappelijke vrijheid, de vrijheid van ondernemerschap, non-discriminatie, het recht op gezondheidsbescherming en toegang tot gezondheidszorg, en de rechten van het kind. Om deze doelen te bereiken, moeten het SoHO-toezicht en SoHO-activiteiten in alle gevallen zodanig plaatsvinden dat deze rechten en beginselen volledig worden geëerbiedigd. Het recht op waardigheid en integriteit van donoren, ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting moet altijd in aanmerking worden genomen, onder meer door te waarborgen dat toestemming voor donatie vrijelijk wordt gegeven en donoren of hun vertegenwoordigers geïnformeerd worden over het beoogde gebruik van het gedoneerde materiaal, dat donorgeschiktheidscriteria op wetenschappelijk bewijs en de match tussen donor en ontvanger zijn gebaseerd, dat het gebruik van SoHO’s bij mensen niet wordt bevorderd voor commerciële doeleinden of met onjuiste of misleidende informatie over de werkzaamheid, zodat donoren en ontvangers goed geïnformeerde en weloverwogen keuzes kunnen maken, dat activiteiten op transparante wijze plaatsvinden en de veiligheid van donoren en ontvangers voorop staat, en dat de toewijzing en eerlijke en niet-discriminatoire toegang tot SoHO’s op transparante wijze worden gedefinieerd, op basis van een objectieve beoordeling van medische behoeften. Deze verordening moet daarom dienovereenkomstig worden toegepast.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 44 bis (nieuw)
(44 bis)   Gezien de hoge gevoeligheid van de anonimiteit van de donor en rekening houdend met de rechten van nakomelingen uit medisch geassisteerde voortplanting na donatie door derden, moeten de SoHO-entiteiten ervoor zorgen dat donoren en ontvangers van kiemcellen naar behoren worden geïnformeerd over de mogelijkheid dat de identiteit wordt vrijgegeven en de gevolgen daarvan, overeenkomstig de bepalingen van de nationale wetgeving.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 45
(45)  SoHO’s houden per definitie verband met mensen, en er zijn omstandigheden waarin de verwerking van persoonsgegevens van donoren en ontvangers noodzakelijk kan zijn om te voldoen aan de doelstellingen en vereisten van deze verordening, waaronder met name bepalingen over vigilantie en communicatie tussen bevoegde autoriteiten. Deze verordening moet voorzien in een rechtsgrondslag ingevolge artikel 6 en, in voorkomend geval, voldoen aan de voorwaarden van artikel 9, lid 2, punt i), van Verordening (EU) 2016/679 voor de verwerking van die persoonsgegevens. Met betrekking tot door de Commissie verwerkte persoonsgegevens moet deze verordening voorzien in een rechtsgrondslag ingevolge artikel 5 en, in voorkomend geval, voldoen aan de voorwaarden van artikel 10, lid 2, punt i), van Verordening (EU) 2018/1725. Gegevens met betrekking tot de veiligheid en de werkzaamheid bij ontvangers van nieuwe SoHO-preparaten moeten ook worden gedeeld, met inachtneming van passende beschermingsmaatregelen, om samenvoeging op Unieniveau mogelijk te maken met het oog op een betere bewijsvergaring over de klinische werkzaamheid van SoHO-preparaten. Deze gegevensverwerking moet in alle gevallen noodzakelijk en passend zijn om de naleving van deze verordening te waarborgen met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid. Gegevens over donoren, ontvangers en vruchten moeten daarom tot het noodzakelijke minimum worden beperkt en gepseudonimiseerd. Gegevens over donoren, ontvangers en vruchten moeten daarom tot het noodzakelijke minimum worden beperkt en gepseudonimiseerd. Donoren, ontvangers en vruchten moeten over de verwerking van hun persoonsgegevens worden geïnformeerd overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2016/679 en Verordening (EU) 2018/1725, en met name van deze verordening, ook over de mogelijkheid van uitzonderlijke gevallen waarin de omstandigheden die verwerking vereisen.
(45)  SoHO’s houden per definitie verband met natuurlijke personen, en er zijn omstandigheden waarin de verwerking van persoonsgegevens van donoren en ontvangers noodzakelijk kan zijn om te voldoen aan de doelstellingen en vereisten van deze verordening, waaronder met name bepalingen over vigilantie en communicatie tussen bevoegde autoriteiten. Deze verordening moet voorzien in een rechtsgrondslag ingevolge artikel 6 en, in voorkomend geval, voldoen aan de voorwaarden van artikel 9, lid 2, punt i), van Verordening (EU) 2016/679 voor de verwerking van die persoonsgegevens. Met betrekking tot door de Commissie verwerkte persoonsgegevens moet deze verordening voorzien in een rechtsgrondslag ingevolge artikel 5 en, in voorkomend geval, voldoen aan de voorwaarden van artikel 10, lid 2, punt i), van Verordening (EU) 2018/1725. Gegevens met betrekking tot de veiligheid en de werkzaamheid bij ontvangers van nieuwe SoHO-preparaten moeten ook worden gedeeld, met inachtneming van passende beschermingsmaatregelen, om samenvoeging op Unieniveau mogelijk te maken met het oog op een betere bewijsvergaring over de klinische werkzaamheid van SoHO-preparaten. Deze gegevensverwerking moet in alle gevallen noodzakelijk en passend zijn om de naleving van deze verordening te waarborgen met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid. Gegevens over donoren, ontvangers en vruchten moeten daarom tot het noodzakelijke minimum worden beperkt en gepseudonimiseerd. Gegevens over donoren, ontvangers en vruchten moeten daarom tot het noodzakelijke minimum worden beperkt en gepseudonimiseerd, of geanonimiseerd, naargelang het geval, worden verwerkt. Donoren, ontvangers en vruchten moeten over de verwerking van hun persoonsgegevens worden geïnformeerd overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2016/679 en Verordening (EU) 2018/1725, en met name van deze verordening, ook over de mogelijkheid van uitzonderlijke gevallen waarin de omstandigheden die verwerking vereisen.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 46
(46)  Met het oog op een betere toegang tot gezondheidsgegevens in het belang van de volksgezondheid moeten de lidstaten de bevoegde autoriteiten benoemen tot verwerkingsverantwoordelijken in de zin van Verordening (EU) 2016/679, met de bevoegdheid om besluiten te nemen over de toegang tot, en het hergebruik van die gegevens.
(46)  Met het oog op een betere toegang tot gezondheidsgegevens in het belang van de volksgezondheid moeten de lidstaten de bevoegde autoriteiten benoemen tot verwerkingsverantwoordelijken in de zin van Verordening (EU) 2016/679, met de bevoegdheid om besluiten te nemen over de toegang tot, en het hergebruik van die gegevens. Voorts moet toegang tot secundaire gegevens voor onderzoeksdoeleinden worden verstrekt via de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens, zodra deze is vastgesteld.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 47
(47)  De uitwisseling van SoHO’s tussen lidstaten is noodzakelijk om een optimale toegang voor patiënten en een toereikende toelevering te waarborgen, met name bij lokale crisissituaties of tekorten. Voor bepaalde SoHO’s die een match tussen de donor en de ontvanger vereisen, is die uitwisseling van cruciaal belang om patiënten de behandeling te geven die zij nodig hebben. In dit verband moet de doelstelling van deze verordening, te weten de waarborging van kwaliteit en veiligheid van SoHO’s en een hoog niveau van bescherming van donoren, op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt door de vaststelling van hoge kwaliteits- en veiligheidsnormen voor SoHO’s op basis van gemeenschappelijke eisen die overal in de Unie op consequente wijze worden nageleefd. De Unie kan derhalve maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(47)  De uitwisseling van SoHO’s tussen lidstaten is noodzakelijk om een optimale toegang voor patiënten en een toereikende toelevering te waarborgen, met name bij lokale crisissituaties of tekorten. Voor bepaalde SoHO’s die een match tussen de donor en de ontvanger vereisen, is die uitwisseling van cruciaal belang om patiënten volgens het optimale tijdschema de behandeling te geven die zij nodig hebben. Deze verordening dient om de coördinatie tussen de lidstaten te verbeteren en de grensoverschrijdende uitwisseling van SoHO’s te vergemakkelijken.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 47 bis (nieuw)
(47 bis)   De doelstellingen van deze verordening, te weten de waarborging dat SoHO’s van hoogwaardige kwaliteit en veilig zijn en een hoog niveau van bescherming voor donoren bieden, moeten op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt door de vaststelling van hoge kwaliteits- en veiligheidsnormen voor SoHO’s op basis van gemeenschappelijke eisen die overal in de Unie op consequente wijze worden nageleefd. De Unie kan derhalve maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. De lidstaten moeten op hun beurt het onderwijs verbeteren en medisch personeel een passende opleiding geven met betrekking tot afname, bewerking, opslag, toepassing, transfusie en verkrijging van SoHO.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 47 ter (nieuw)
(47 ter)   In sommige gevallen, zoals beenmerg- of hemopoëtische stamceltransplantaties, moet de mate van compatibiliteit tussen donor en ontvanger extreem hoog zijn. Derhalve is coördinatie op mondiaal niveau nodig, zodat elke patiënt zoveel mogelijk kans heeft om een compatibele donor te vinden.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
In deze verordening worden maatregelen vastgesteld waarmee hoge eisen worden gesteld aan de kwaliteit en de veiligheid van alle stoffen van menselijke oorsprong (SoHO’s, substances of human origin) die bestemd zijn voor toepassing op de mens en aan activiteiten in verband met die stoffen, teneinde een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te verzekeren, met name voor SoHO-donoren, SoHO-ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting. Deze verordening laat nationale wetgeving onverlet waarin regels worden vastgesteld met betrekking tot andere aspecten van SoHO’s dan hun kwaliteit en veiligheid en de veiligheid van SoHO-donoren.
In deze verordening worden maatregelen vastgesteld waarmee hoge eisen worden gesteld aan de kwaliteit en de veiligheid van alle stoffen van menselijke oorsprong (SoHO’s, substances of human origin) die bestemd zijn voor toepassing op de mens en aan activiteiten in verband met die stoffen. Dat waarborgt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid, met name voor SoHO-donoren, SoHO-ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting en dient om de leveringscontinuïteit van SoHO’s te versterken. Deze verordening laat nationale wetgeving onverlet waarin regels worden vastgesteld met betrekking tot andere aspecten van SoHO’s dan hun kwaliteit en veiligheid en de veiligheid van SoHO-donoren, SoHO-ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – inleidende formule
1.  Deze verordening is van toepassing op voor toepassing op de mens bestemde SoHO’s en op SoHO-preparaten, producten die op basis van SoHO’s worden vervaardigd en voor toepassing op de mens bestemd zijn, alsmede op SoHO-donoren en op de navolgende SoHO-activiteiten:
1.  Deze verordening is van toepassing op voor toepassing op de mens bestemde SoHO’s en op SoHO-preparaten, producten die op basis van SoHO’s worden vervaardigd en voor toepassing op de mens bestemd zijn, alsmede op SoHO-donoren, SoHO-ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting en op de navolgende SoHO-activiteiten:
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt a
a)  het werven van SoHO-donoren;
a)  het werven van SoHO-donoren, tenzij dat de enige SoHO-activiteit van de entiteit is, in welk geval uitsluitend artikel 54, lid 3 ter van toepassing is;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt h bis (nieuw)
h bis)   het afgeven van SoHO’s; 
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt m bis (nieuw)
m bis)   klinische onderzoeken met SoHO.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De artikelen 53, 54, 55 en 56 zijn ook van toepassing op SoHO-donaties die bestemd zijn voor onderzoek.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 3 – alinea 1
Voor SoHO’s die worden gebruikt voor de vervaardiging van producten overeenkomstig de wetgeving van de Unie inzake medische hulpmiddelen, geregeld in Verordening (EU) 2017/745, geneesmiddelen, geregeld in Verordening (EG) nr. 726/2004 en Richtlijn 2001/83/EG, waaronder geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, geregeld in Verordening (EG) nr. 1394/2007, of inzake levensmiddelen, geregeld in Verordening (EG) nr. 1925/2006, of als de grondstof en het basismateriaal daarvan, zijn de bepalingen van deze verordening inzake werving van SoHO-donoren, onderzoek naar de historie van donoren en beoordeling van hun geschiktheid, het testen van donoren op geschiktheid of voor matchingdoeleinden, en de afname van SoHO’s bij donoren of patiënten van toepassing. Voor zover de vrijgave, de distributie, de invoer en de uitvoer van SoHO’s met SoHO’s verband houden voordat deze worden gedistribueerd aan een partij die is onderworpen aan de in deze alinea bedoelde andere wetgeving van de Unie, zijn de bepalingen van deze verordening eveneens van toepassing.
Voor SoHO’s die worden gebruikt voor de vervaardiging van producten overeenkomstig de wetgeving van de Unie inzake medische hulpmiddelen, geregeld in Verordening (EU) 2017/745, geneesmiddelen, geregeld in Verordening (EG) nr. 726/2004 en Richtlijn 2001/83/EG, waaronder geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, geregeld in Verordening (EG) nr. 1394/2007, geneesmiddelen voor onderzoek, geregeld in Verordening (EU) nr. 536/2014, of inzake levensmiddelen, geregeld in Verordening (EG) nr. 1925/2006, of als de grondstof en het basismateriaal daarvan, zijn de bepalingen van deze verordening inzake werving van SoHO-donoren, onderzoek naar de historie van donoren en beoordeling van hun geschiktheid, het testen van donoren op geschiktheid of voor matchingdoeleinden, de afname van SoHO’s bij donoren of patiënten, het testen van SoHO’s in het kader van kwaliteitscontroles, en de continuïteit van de levering van SoHO’s van toepassing. Voor zover de vrijgave, de distributie, de invoer en de uitvoer van SoHO’s met SoHO’s verband houden voordat deze worden gedistribueerd aan een partij die is onderworpen aan de in deze alinea bedoelde andere wetgeving van de Unie, zijn de bepalingen van deze verordening eveneens van toepassing.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   In deze verordening worden ook bepalingen vastgesteld betreffende:
a)   het uitwisselen van informatie over de beschikbaarheid en de voorraden van SoHO’s alsook het bevorderen van maatregelen in verband met de leveringszekerheid van SoHO’s;
b)   de coördinatie tussen bevoegde autoriteiten en de Commissie en agentschappen van de Unie in het geval van SoHO-gerelateerde noodsituaties op gezondheidsgebied.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.   Deze verordening is niet van toepassing op moedermelk die uitsluitend door een moeder wordt afgekolfd om haar eigen kind te voeden.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1
1)  “bloed”: de vloeistof die in slagaderen en aderen circuleert en zuurstof aanvoert naar, en koolstofdioxide afvoert uit de weefsels van het lichaam;
1)  “bloed”: de vloeistof die in slagaderen en aderen circuleert en zuurstof aanvoert naar, en koolstofdioxide afvoert uit de weefsels van het lichaam en de bestanddelen daarvan;
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 5
5)  “stof van menselijke oorsprong” of “SoHO” (substance of human origin): een stof die op welke wijze dan ook uit het menselijk lichaam wordt afgenomen, ongeacht of deze stof al dan niet cellen bevat en of die cellen al dan niet leven. Voor de toepassing van deze verordening worden onder een SoHO geen organen in de zin van artikel 3, punt h), van Richtlijn 2010/53/EU verstaan;
5)  “stof van menselijke oorsprong” of “SoHO” (substance of human origin): een stof die op welke wijze dan ook uit het menselijk lichaam wordt afgenomen, ongeacht of deze stof al dan niet cellen bevat en of die cellen al dan niet leven. Voor de toepassing van deze verordening worden onder een SoHO geen organen in de zin van artikel 3, punt h), van Richtlijn 2010/53/EU verstaan, maar wel stoffen die daaruit kunnen worden geëxtraheerd;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7
7)  “SoHO-activiteit”: een in artikel 2, lid 1, genoemde activiteit of reeks activiteiten die rechtstreeks van invloed is op de veiligheid, de kwaliteit of de werkzaamheid van SoHO’s;
7)  “SoHO-activiteit”: een in artikel 2, lid 1, genoemde activiteit of reeks activiteiten die rechtstreeks van invloed is op de veiligheid, de kwaliteit, de werkzaamheid of de functionaliteit van SoHO’s;
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7 bis (nieuw)
7 bis)   “SoHO-donatie”: een proces waarbij een persoon vrijwillig en altruïstisch SoHO’s van zijn eigen lichaam afstaat aan mensen in nood, of toestemming geeft voor het gebruik daarvan na zijn dood; het omvat de nodige medische formaliteiten, onderzoeken en behandelingen en monitoring van de SoHO-donor, ongeacht of die donatie succesvol is of niet; het heeft ook betrekking op gevallen waarin toestemming wordt gegeven door een gemachtigde overeenkomstig nationale wetgeving;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 8
8)  “SoHO-donor”: eenieder die zich bij een SoHO-entiteit heeft gemeld met het oogmerk om SoHO’s te doneren, ongeacht of die donatie succesvol is of niet;
8)  “SoHO-donor”: een levende of overleden SoHO-donor;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)
8 bis)   “levende SoHO-donor”: een levende persoon die zich overeenkomstig de nationale wetgeving bij een SoHO-entiteit heeft gemeld of werd aangemeld door een persoon die namens hem toestemming verleent, teneinde SoHO’s te doneren, met uitzondering van donoren van SoHO’s bedoeld voor de voortplanting binnen een relatie;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 8 ter (nieuw)
8 ter)   “overleden SoHO-donor”: een overleden persoon die naar een SoHO-entiteit is verwezen en ten aanzien waarvan overeenkomstig de nationale wetgeving toestemming voor of machtiging tot donatie is verleend, dan wel de donatie niet uitdrukkelijk is geweigerd;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 9
9)  “SoHO-ontvanger”: degene op wie SoHO’s worden toegepast;
9)  “SoHO-ontvanger”: degene op wie SoHO’s worden toegepast of voor wie die toepassing wordt overwogen;
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 10
10)  “medisch begeleide voortplanting”: stimulering van de bevruchting door intra-uteriene inseminatie van sperma, in-vitrofertilisatie of enige andere laboratorium- of medische handeling die bevruchting bevordert;
10)  “medisch begeleide voortplanting”: stimulering van de bevruchting door intra-uteriene inseminatie van sperma, in-vitrofertilisatie of enige andere laboratorium- of medische handeling die bevruchting bevordert en waarbij gebruik wordt gemaakt van SoHO’s;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 11
11)  “vrucht van medisch begeleide voortplanting”: foetussen en kinderen die worden geboren na medisch begeleide voortplanting;
11)  “vrucht van medisch begeleide voortplanting”: kinderen die worden geboren na medisch begeleide voortplanting;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 11 bis (nieuw)
11 bis)   “vrucht ongeboren nakomelingen van medisch begeleide voortplanting”: embryo’s en foetussen die zijn verwekt door medisch begeleide voortplanting;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 12 – a
a)  onderworpen is geweest aan een of meer SoHO-activiteiten, waaronder bewerking, met inachtneming van vastgestelde kwaliteits- en veiligheidsparameters;
a)  onderworpen is geweest aan bewerking en, in voorkomend geval, een of meer andere SoHO-activiteiten met inachtneming van vastgestelde kwaliteits- en veiligheidsparameters;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 12 – b
b)  aan een tevoren vastgestelde specificatie voldoet, en
b)  aan een tevoren vastgestelde specificatie voldoet;
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 13
13)  “donorwerving”: elke activiteit die erop gericht is personen aan te moedigen om SoHO-donor te worden;
13)  “donorwerving”: elke activiteit die erop gericht is personen voor te lichten over activiteiten in verband met SoHO-donatie of hen aan te moedigen om SoHO’s te doneren;
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 15
15)  “bewerking”: alle handelingen die worden verricht bij de hantering van SoHO’s, waaronder wassen, vormen, scheiden, bevruchten, ontsmetten, steriliseren, preserveren en verpakken;
15)  “bewerking”: alle handelingen die worden verricht bij de hantering van SoHO’s, waaronder wassen, vormen, scheiden, bevruchten, ontsmetten, steriliseren, preserveren en verpakken; het omvat niet de hantering van SoHO’s in dezelfde steriele zone tijdens een chirurgische ingreep of in een medisch hulpmiddel met een gesloten systeem, waarbij die SoHO’s ofwel worden vrijgegeven ofwel autoloog worden toegepast;
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 17
17)  “bewaring”: de instandhouding van SoHO’s onder passende gecontroleerde omstandigheden tot hun distributie;
17)  “bewaring”: de instandhouding van SoHO’s onder passende gecontroleerde omstandigheden tot hun distributie, afgifte, uitvoer of toepassing op de mens;
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 18
18)  “vrijgave”: een procedure waarbij voorafgaand aan de distributie wordt geverifieerd of een SoHO of SoHO-preparaat voldoet aan vastgestelde kwaliteits- en veiligheidscriteria en aan de voorwaarden van toepasselijke toelatingen;
18)  “vrijgave”: een procedure waarbij voorafgaand aan de distributie of tot hun afgifte wordt geverifieerd of een SoHO of SoHO-preparaat voldoet aan vastgestelde kwaliteits- en veiligheidscriteria en aan de voorwaarden van toepasselijke toelatingen;
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 18 bis (nieuw)
18 bis)   “afgifte”: het verstrekken van SoHO’s of SoHO-preparaten, indien relevant op medisch voorschrift, voor toepassing bij een specifieke ontvanger;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 23
23)  “autoloog gebruik”: afname van (een) SoHO(’s) bij een individu gevolgd door toepassing op hetzelfde individu, met of zonder verdere SoHO-activiteiten tussen de afname en de toepassing;
23)  “autoloog gebruik”: afname van (een) SoHO(’s) bij een individu gevolgd door toepassing op hetzelfde individu;
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 27
27)  “incident”: elk voorval dat schadelijke gevolgen heeft gehad voor een levende SoHO-donor, een SoHO-ontvanger of een vrucht van medisch begeleide voortplanting of dergelijke gevolgen had kunnen hebben;
27)  “incident”: elk voorval bij de donatie of toepassing op de mens van SoHO’s dat schadelijke gevolgen heeft gehad voor een levende SoHO-donor, een SoHO-ontvanger, een vrucht van medisch begeleide voortplanting of een vrucht ongeboren nakomelingen van medisch begeleide voortplanting of dergelijke gevolgen had kunnen hebben;
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 28 – h bis (nieuw)
h bis)   een embryotransplantatie naar een andere persoon dan de beoogde ontvanger;
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 29
29)  “snelle waarschuwing betreffende SoHO’s”: een mededeling over een SAO, een uitbraak van een overdraagbare ziekte of andere informatie die mogelijk relevant is voor de veiligheid en de kwaliteit van SoHO’s in meer dan één lidstaat en snel onder de bevoegde autoriteiten en de Commissie moet worden verspreid om het nemen van beschermende maatregelen te vergemakkelijken;
29)  “snelle waarschuwing betreffende SoHO’s”: een mededeling over een incident, een uitbraak van een overdraagbare ziekte of andere informatie die mogelijk relevant is voor de veiligheid en de kwaliteit van SoHO’s in meer dan één lidstaat en snel onder de bevoegde autoriteiten en de Commissie moet worden verspreid om het nemen van preventieve of beschermende maatregelen te vergemakkelijken;
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 33
33)  “het compendium”: een door de SoHO-coördinatieraad (SCB, SoHO Coordination Board) actueel gehouden lijst van in de lidstaten genomen besluiten en door de bevoegde autoriteiten en de SCB uitgebrachte adviezen over de juridische status van specifieke stoffen, producten of activiteiten zoals gepubliceerd op het Europese SoHO-platform;
33)  “het compendium van SoHO’s”: een door de SoHO-coördinatieraad (SCB, SoHO Coordination Board) actueel gehouden lijst van in de lidstaten genomen besluiten en door de bevoegde autoriteiten en de SCB uitgebrachte adviezen over de juridische status van specifieke stoffen, producten of activiteiten zoals gepubliceerd op het Europese SoHO-platform;
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 38
38)  “opleiding van de Unie”: activiteiten voor de personeelsleden van bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, voor personeelsleden van gedelegeerde instanties die SoHO-toezicht uitoefenen;
38)  “opleiding van de Unie”: opleidingsactiviteiten voor de personeelsleden van bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, voor personeelsleden van gedelegeerde instanties die SoHO-toezicht uitoefenen;
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 40
40)  “SoHO-instelling”: een SoHO-entiteit waar SoHO’s zowel worden bewerkt als bewaard;
40)  “SoHO-entiteit” een SoHO-entiteit waar SoHO’s worden bewerkt en bewaard ofwel worden bewerkt en vrijgegeven ofwel worden bewaard en vrijgegeven;
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 41
41)  “kritische SoHO”: een SoHO waarvoor een onvoldoende toelevering ernstige schadelijke gevolgen voor patiënten zal of kan hebben;
41)  “kritische SoHO”: een SoHO waarvoor een onvoldoende toelevering ernstige schadelijke gevolgen voor SoHO-ontvangers zal of kan hebben;
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 42
42)  “kritische SoHO-entiteit”: een SoHO-entiteit die activiteiten verricht die bijdragen aan de levering van kritische SoHO’s, waarbij die activiteiten zodanig van omvang zijn dat zij niet kunnen worden overgenomen door activiteiten van andere entiteiten of alternatieve stoffen of producten voor patiënten indien die activiteiten niet plaatsvinden;
42)  “kritische SoHO-entiteit”: een SoHO-entiteit die activiteiten verricht die bijdragen aan de levering van kritische SoHO’s, waarbij die activiteiten zodanig van omvang zijn dat zij niet kunnen worden overgenomen door activiteiten van andere entiteiten of alternatieve stoffen of producten voor SoHO-ontvangers indien die activiteiten niet plaatsvinden;
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 47 – inleidende formule
47)  “traceerbaarheid”: de mogelijkheid om SoHO’s in elke fase te lokaliseren en te identificeren, van de afname via de bewerking en de bewaring tot de distributie of de verwijdering, met inbegrip van de mogelijkheid om:
47)  “traceerbaarheid”: de mogelijkheid om SoHO’s in elke fase te lokaliseren en te identificeren, van de afname via de bewerking en de bewaring tot de toepassing op de mens of de verwijdering, met inbegrip van de mogelijkheid om:
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 51
51)  “toerekenbaarheid”: de kans dat een ernstig incident, bij een SoHO-donor, verband houdt met het donatieproces of, bij een ontvanger, met de toepassing van de SoHO’s;
51)  “toerekenbaarheid”: de kans dat een incident, bij een SoHO-donor, verband houdt met het afnameproces of, bij een SoHO-ontvanger of een vrucht van medisch begeleide voortplanting, met de toepassing van de SoHO’s;
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 60
60)  “jaarlijks SoHO-activiteitenverslag”: het door de Commissie gepubliceerde jaarlijkse verslag met een overzicht van de gegevensrapportages van SoHO-entiteiten waar de navolgende activiteiten plaatsvinden: donorwerving, afname, distributie, invoer, uitvoer en toepassing op de mens van SoHO’s;
60)  “jaarlijks SoHO-activiteitenverslag”: het door de Commissie gepubliceerde jaarlijkse verslag met een overzicht van de gegevensrapportages van SoHO-entiteiten waar de navolgende activiteiten plaatsvinden: donorwerving, afname, opslag, distributie, invoer, uitvoer en toepassing op de mens van SoHO’s;
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 61
61)  “kiemcellen”: alle cellen die voor medisch begeleide voortplanting bestemd zijn;
61)  “SoHO voor voortplanting”: alle cellen die voor medisch begeleide voortplanting bestemd zijn en embryo’s die het resultaat zijn van bevruchting;
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 62
62)  “donatie door een derde”: donatie van kiemcellen door een persoon aan een persoon of een koppel waarmee de donor geen intieme lichamelijke relatie heeft;
62)  “donatie door een derde”: donatie van SoHO voor voortplanting door een persoon aan een ontvanger of een koppel waarmee de donor geen intieme lichamelijke relatie heeft;
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 62 bis (nieuw)
62 bis)   “vrijgave van de identiteit”: bekendmaking aan nakomelingen die met een donor zijn verwekt of hun wettelijke ouders van informatie waarmee donoren van een SoHO voor voortplanting kunnen worden geïdentificeerd. zoals voorzien in de nationale wetgeving;
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 63
63)  “gebruik binnen een koppel”: het gebruik van kiemcellen voor medisch begeleide voortplanting van twee personen met een intieme lichamelijke relatie, waarbij één persoon eigen oöcyten levert en de andere persoon eigen spermacellen;
63)  “gebruik binnen een relatie”: het gebruik van kiemcellen voor medisch begeleide voortplanting tussen personen met een intieme lichamelijke relatie, waarbij een persoon voorziet in eigen oöcyten en een andere persoon eigen spermacellen voor toepassing op de mens bij een persoon die deel uitmaakt van de relatie;
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 64
64)  “compensatie”: de vergoeding van eventuele verliezen in verband met donatie;
64)  “compensatie”: de vergoeding van eventuele kwantificeerbare verliezen en de terugbetaling van kosten in verband met donatie;
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 64 bis (nieuw)
64 bis)   “financiële neutraliteit van de donatie”: dat de donor geen financieel gewin haalt uit, noch financieel verlies lijdt door de donatie;
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 70 bis (nieuw)
70 bis)   “veerkracht van het donorenbestand”: de mogelijkheid van het inzamelsysteem voor donaties om voor een bepaalde SoHO-categorie te putten uit een groot aantal donoren;
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 70 ter (nieuw)
70 ter)   “geïnformeerde toestemming”: de instemming van de donor met de donatie of het gebruik van SoHO is verkregen zonder dat deze onder druk is gezet en nadat de donor toegang heeft gehad tot duidelijke, volledige en aan het begripsvermogen van de donor aangepaste informatie;
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 70 quater (nieuw)
70 quater)   “klinisch onderzoek op SoHO”: een experimentele evaluatie van een SoHO of een SoHO-preparaat bij mensen, met als doel conclusies te trekken over de werkzaamheid en de veiligheid ervan;
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 70 quinquies (nieuw)
70 quinquies)   “Europese autonomie”: de mate waarin de Unie onafhankelijk is van derde landen met betrekking tot de afname van SoHO’s, de vervaardiging van SoHO-preparaten en andere SoHO-activiteiten.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  De lidstaten kunnen op hun grondgebied maatregelen handhaven of invoeren die strenger zijn dan de maatregelen van deze verordening, mits deze nationale maatregelen verenigbaar zijn met het recht van de Unie en evenredig zijn met het risico voor de menselijke gezondheid.
1.  De lidstaten kunnen op hun grondgebied maatregelen handhaven of invoeren die strenger zijn dan de maatregelen van deze verordening, mits deze nationale maatregelen gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs, verenigbaar zijn met het recht van de Unie en evenredig zijn met het risico voor de menselijke gezondheid.
Dergelijke maatregelen:
a)   vormen noch direct noch indirect discriminatie tussen SoHO-donoren op grond van een van de in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende discriminatiegronden, met name discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. De lidstaten melden alle beperkingen aan de Commissie die zij of SoHO-entiteiten op hun grondgebied opleggen en die redelijkerwijs als een dergelijke discriminatie kunnen worden beschouwd, en verstrekken een samenvatting van het wetenschappelijke bewijsmateriaal dat is gebruikt om deze maatregelen ter bescherming van SoHO-donoren, SoHO-ontvangers of vruchten van medisch begeleide voortplanting te rechtvaardigen;
b)   kunnen een bijdrage leveren aan de oprichting van een Europese toeleveringsketen en de verwezenlijking van de doelstelling inzake Europese autonomie en coördinatie tussen de lidstaten. Zij kunnen tevens tot doel hebben het beginsel van vrijwillige en onbetaalde donatie te versterken.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3 – punt a
a)  beschikken over voldoende zelfstandigheid om onafhankelijk en onpartijdig te handelen en besluiten te nemen met inachtneming van de interne administratieve en organisatorische eisen die in de grondwet van de lidstaten worden gesteld;
a)  beschikken over voldoende zelfstandigheid om onafhankelijk en onpartijdig te handelen en besluiten te nemen met inachtneming van de interne administratieve en organisatorische eisen die in de nationale wetgeving worden gesteld;
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3 – punt b – ii
ii)  de onmiddellijke opschorting of staking te gelasten van een SoHO-activiteit die een onmiddellijk risico voor SoHO-donoren, SoHO-ontvangers of het publiek vormt;
ii)  de onmiddellijke opschorting of staking te gelasten van een SoHO-activiteit die een onmiddellijk risico voor SoHO-donoren, SoHO-ontvangers of het publiek vormt of die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden of aan deze verordening;
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3 – punt c
c)  beschikken over voldoende middelen, operationele capaciteit en deskundigheid om de doelen van deze verordening te verwezenlijken en te voldoen aan hun verplichtingen ingevolge deze verordening;
c)  beschikken over voldoende personele en financiële middelen, operationele capaciteit en deskundigheid ter zake, waaronder technische deskundigheid, om de doelen van deze verordening te verwezenlijken en te voldoen aan hun verplichtingen ingevolge deze verordening;
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 4
4.  Elke lidstaat wijst in overeenstemming met de grondwettelijke vereisten van die lidstaat één nationale SoHO-autoriteit aan, die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de contacten met de Commissie en met de nationale SoHO-autoriteiten van de andere lidstaten.
4.  Elke lidstaat wijst in overeenstemming met de grondwettelijke vereisten van die lidstaat één nationale SoHO-autoriteit aan, die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de contacten met de Commissie en met de nationale SoHO-autoriteiten van de andere lidstaten. De Commissie maakt de lijst van nationale SoHO-autoriteiten openbaar op het Europese SoHO-platform.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  De bevoegde autoriteiten handelen onafhankelijk, in het algemeen belang, en vrij van externe beïnvloeding.
1.  De bevoegde autoriteiten en de leden van de SCB handelen onafhankelijk, in het algemeen belang, en vrij van externe beïnvloeding.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  De bevoegde autoriteiten waarborgen dat hun personeelsleden geen directe of indirecte economische, financiële of persoonlijke belangen hebben die nadelig kunnen worden geacht voor hun onafhankelijkheid en, in het bijzonder, dat zij niet in een situatie verkeren die direct of indirect van invloed is op de onpartijdigheid van hun beroepsmatige gedragingen.
2.  De bevoegde autoriteiten waarborgen dat hun personeelsleden geen directe of indirecte economische, financiële of persoonlijke belangen hebben die nadelig kunnen worden geacht voor hun onafhankelijkheid en, in het bijzonder, dat zij niet in een situatie verkeren die direct of indirect van invloed is op de onpartijdigheid van hun beroepsmatige gedragingen. Alle betrokken personeelsleden leggen jaarlijks een belangenverklaring af, die op de website van de bevoegde autoriteiten wordt gepubliceerd.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Lid 2 is tevens van toepassing op eerdere activiteiten van het personeel binnen een redelijke termijn voordat zij werden aangeworven door de bevoegde autoriteiten, als bepaald en bekendgemaakt door de bevoegde autoriteiten.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  Onverminderd artikel 75 verrichten bevoegde autoriteiten hun toezichthoudende taken op transparante wijze en maken zij besluiten openbaar die zijn genomen in gevallen waarin een SoHO-entiteit niet heeft voldaan aan een verplichting ingevolge deze verordening en waarin dat verzuim een ernstig risico voor de menselijke gezondheid veroorzaakt of kan veroorzaken, voorzien van een toelichting.
1.  Onverminderd artikel 75 verrichten bevoegde autoriteiten en leden van de SCB hun toezichthoudende taken op transparante wijze en maken zij besluiten openbaar die zijn genomen in gevallen waarin een SoHO-entiteit niet heeft voldaan aan een verplichting ingevolge deze verordening en waarin dat verzuim een ernstig risico voor de menselijke gezondheid veroorzaakt of kan veroorzaken, voorzien van een toelichting, met inbegrip van besluiten in verband met de intrekking, schorsing of herinvoering van de vergunning voor het verrichten van SoHO-activiteiten. De bevoegde autoriteiten zijn ook transparant over de criteria die worden gehanteerd voor de beoordeling en toelating van SoHO-preparaten en SoHO-entiteiten.
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  De bevoegde autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het in hoofdstuk III bedoelde SoHO-toezicht, om de doeltreffende naleving van de vereisten van deze verordening door SoHO-entiteiten op hun grondgebied te verifiëren.
1.  De bevoegde autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het in hoofdstuk III bedoelde SoHO-toezicht, om de doeltreffende naleving van de vereisten van deze verordening door SoHO-entiteiten en op hun grondgebied toegelaten SoHO-preparaten te verifiëren.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – punt a
a)  voldoende naar behoren gekwalificeerde personeelsleden om de in deze verordening bedoelde toezichthoudende functies uit te oefenen;
a)  personele en financiële middelen, operationele capaciteit en deskundigheid, waaronder technische deskundigheid, om de in deze verordening bedoelde toezichthoudende functies uit te oefenen;
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – punt b
b)  procedures om de onafhankelijkheid, onpartijdigheid, doeltreffendheid, kwaliteit, geschiktheid en samenhang van het door hen uitgeoefende SoHO-toezicht te waarborgen;
b)  procedures om de onafhankelijkheid, onpartijdigheid, transparantie, doeltreffendheid, kwaliteit, geschiktheid en samenhang van het door hen uitgeoefende SoHO-toezicht te waarborgen;
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – punt c
c)  passende en naar behoren onderhouden inrichtingen en apparatuur, om te waarborgen dat personeelsleden het SoHO-toezicht doelmatig en doeltreffend kunnen uitoefenen;
c)  passende en naar behoren onderhouden inrichtingen en apparatuur, om te waarborgen dat personeelsleden het SoHO-toezicht doelmatig, veilig en doeltreffend kunnen uitoefenen;
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1
1.  In alle gevallen waarin vragen rijzen met betrekking tot de juridische status van een stof, product of activiteit, raadplegen de bevoegde autoriteiten de autoriteiten die zijn ingesteld bij de in artikel 2, lid 3, bedoelde andere toepasselijke wetgeving van de Unie, voor zover relevant. In dergelijke gevallen raadplegen de bevoegde autoriteiten ook het in artikel 3, punt 33), bedoelde compendium.
1.  In alle gevallen waarin vragen rijzen met betrekking tot de juridische status van een stof, product of activiteit, raadplegen de bevoegde autoriteiten de nationale autoriteiten die zijn ingesteld bij de in artikel 2, lid 3, bedoelde andere toepasselijke wetgeving van de Unie, voor zover relevant. In dergelijke gevallen raadplegen de bevoegde autoriteiten ook het in artikel 3, punt 33), bedoelde compendium.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2 – alinea 2
De bevoegde autoriteiten kunnen ook aangeven van mening te zijn dat de SCB overeenkomstig artikel 68, lid 1, punt b), de gelijkwaardige adviesorganen moet raadplegen die zijn ingesteld bij de in artikel 2, lid 3, bedoelde andere toepasselijke wetgeving van de Unie.
Indien de SCB dit noodzakelijk acht, raadpleegt deze overeenkomstig artikel 68, lid 1, punt b), de gelijkwaardige adviesorganen die zijn ingesteld bij de in artikel 2, lid 3, bedoelde andere toepasselijke wetgeving van de Unie.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
Voor zover mogelijk eerbiedigen de bevoegde autoriteiten het advies van de coördinatieraad. Indien dat niet mogelijk is stellen zij de coördinatieraad zo spoedig mogelijk in kennis van het genomen besluit en rechtvaardigen zij hun besluit.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1 – punt a bis (nieuw)
a bis)   maken de in artikel 7, lid 2, bedoelde belangenverklaringen openbaar op hun website;
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 3
3.  Toelatingen van SoHO-preparaten zijn in de gehele Unie geldig gedurende de eventueel in de toelatingsvoorwaarden bepaalde termijn, of tot een bevoegde autoriteit de toelating schorst of intrekt. Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 4 een strengere maatregel heeft vastgesteld die met een specifiek SoHO-preparaat verband houdt, kan die lidstaat weigeren de geldigheid van de toelating van een SoHO-preparaat uit een andere lidstaat te erkennen zolang niet is geverifieerd of aan de strengere maatregel is voldaan.
3.  Toelatingen van SoHO-preparaten zijn in de gehele Unie geldig gedurende de eventueel in de toelatingsvoorwaarden bepaalde termijn, of tot een bevoegde autoriteit de toelating schorst of intrekt. Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 4 een strengere maatregel heeft vastgesteld die met een specifiek SoHO-preparaat verband houdt, kan die lidstaat weigeren de geldigheid van de toelating van een SoHO-preparaat uit een andere lidstaat te erkennen zolang niet is geverifieerd of aan de strengere maatregel is voldaan. Van deze informatie wordt onverwijld kennis gegeven op het Europese SoHO-platform.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Wanneer de in punt c) bedoelde voorwaardelijke toelating is verleend, verstrekt de SoHO-entiteit passende informatie voor beroepsbeoefenaars en patiënten over de voorwaardelijke aard van de toelating.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 4
4.  De bevoegde autoriteiten voltooien de in lid 2 van dit artikel bedoelde toelatingsprocedure voor SoHO-preparaten binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag, waarbij de benodigde tijd voor bewaking of onderzoek van klinische resultaten niet wordt meegerekend. Zij kunnen deze termijn opschorten voor de duur van de in artikel 14, lid 1 en lid 2, bedoelde raadplegingsprocedures.
4.  De bevoegde autoriteiten voltooien de in lid 2 van dit artikel bedoelde toelatingsprocedure voor SoHO-preparaten binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag, waarbij de benodigde tijd voor bewaking of onderzoek van klinische resultaten niet wordt meegerekend. Zij kunnen deze termijn opschorten voor de duur van de in artikel 14, lid 1 en lid 2, bedoelde raadplegingsprocedures of indien nadere informatie wordt gevraagd van de SoHO-entiteit die het verzoek heeft ingediend.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 6 – alinea 1 – punt a
a)  het preparaat, of een van de activiteiten die ten behoeve van dat preparaat plaatsvinden, niet voldoet aan de voorwaarden van de toelating ervan of aan de vereisten van deze verordening; en
a)  het preparaat, of een van de activiteiten die ten behoeve van dat preparaat plaatsvinden, niet voldoet aan de voorwaarden van de toelating ervan of aan de vereisten van deze verordening; of
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 8
8.  De bevoegde autoriteiten kunnen, overeenkomstig de nationale wetgeving, de toelating van een SoHO-preparaat intrekken indien de bevoegde autoriteiten hebben bevestigd dat het desbetreffende SoHO-preparaat niet voldoet aan nadien geactualiseerde toelatingscriteria of indien de SoHO-entiteit bij herhaling niet heeft voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor dat preparaat.
8.  De bevoegde autoriteiten kunnen, overeenkomstig de nationale wetgeving, de toelating van een SoHO-preparaat intrekken indien de bevoegde autoriteiten hebben bevestigd dat het desbetreffende SoHO-preparaat niet voldoet aan nadien geactualiseerde toelatingscriteria of indien de SoHO-entiteit niet heeft voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor dat preparaat.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1
1.  Bevoegde autoriteiten verstrekken richtsnoeren en modellen om de indiening van aanvragen van SoHO-entiteiten om toelating als SoHO-instellingen in overeenstemming met artikel 49 mogelijk te maken. Bij de ontwikkeling van deze richtsnoeren en modellen raadplegen de bevoegde autoriteiten de relevante in artikel 68, lid 1, punt c), bedoelde door de SCB overeengekomen en gedocumenteerde beste praktijken.
1.  Bevoegde autoriteiten verstrekken richtsnoeren en modellen om de indiening van aanvragen van SoHO-entiteiten om toelating als SoHO-instellingen in overeenstemming met artikel 49 mogelijk te maken. Bij de ontwikkeling van die richtsnoeren en modellen raadplegen de bevoegde autoriteiten de relevante in artikel 68, lid 1, punt c), bedoelde door de SCB overeengekomen en gedocumenteerde beste praktijken.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 – alinea 1 – punt a
a)  niet voldoet aan de voorwaarden van de toelating of de bepalingen van deze verordening; en
a)  niet voldoet aan de voorwaarden van de toelating of de bepalingen van deze verordening; of
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 – alinea 1 – punt a bis (nieuw)
a bis)   geen corrigerende of preventieve maatregelen neemt na een inspectie door de nationale autoriteiten overeenkomstig artikel 29, lid 14; en
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 5
5.  De bevoegde autoriteiten kunnen, overeenkomstig de nationale wetgeving, de toelating van een SoHO-instelling intrekken indien de bevoegde autoriteiten hebben bevestigd dat de SoHO-instelling niet meer voldoet aan geactualiseerde toelatingscriteria of indien de SoHO-instelling bij herhaling niet heeft voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor die instelling.
5.  De bevoegde autoriteiten kunnen, overeenkomstig de nationale wetgeving, de toelating van een SoHO-instelling intrekken indien de bevoegde autoriteiten hebben bevestigd dat de SoHO-instelling niet meer voldoet aan geactualiseerde toelatingscriteria of indien de SoHO-instelling niet heeft voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor die instelling.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – alinea 5 – punt a
a)  dat de desbetreffende SoHO-entiteit niet voldoet aan de voorwaarden van de toelating of de bepalingen van deze verordening; en
a)  dat de desbetreffende SoHO-entiteit niet voldoet aan de voorwaarden van de toelating of de bepalingen van deze verordening; of
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 5 – punt b
b)  dat die niet-naleving of vermeende niet-naleving een risico veroorzaakt voor de veiligheid van ontvangers of vruchten van medisch begeleide voortplanting.
b)  dat die niet-naleving of vermeende niet-naleving een risico veroorzaakt voor de veiligheid van SoHO-ontvangers of vruchten van medisch begeleide voortplanting.
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 7
7.  De bevoegde autoriteiten kunnen, overeenkomstig de nationale wetgeving, de toelating van een invoerende SoHO-entiteit intrekken indien de bevoegde autoriteiten hebben bevestigd dat de invoerende SoHO-entiteit niet meer voldoet aan geactualiseerde toelatingscriteria of indien de invoerende SoHO-entiteit bij herhaling niet heeft voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor die entiteit.
7.  De bevoegde autoriteiten kunnen, overeenkomstig de nationale wetgeving, de toelating van een invoerende SoHO-entiteit intrekken indien de bevoegde autoriteiten hebben bevestigd dat de invoerende SoHO-entiteit niet meer voldoet aan geactualiseerde toelatingscriteria of indien de invoerende SoHO-entiteit niet heeft voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor die entiteit.
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 9
9.  In afwijking van lid 1 kunnen bevoegde autoriteiten in spoedeisende gevallen de invoer van SoHO’s voor onmiddellijke toepassing op een specifieke ontvanger – per geval – toestaan indien dit door de klinische omstandigheden wordt gerechtvaardigd.
9.  In afwijking van lid 1 kunnen bevoegde autoriteiten in de uitzonderlijke situaties bedoeld in artikel 61 bis of in spoedeisende gevallen de invoer van SoHO’s voor onmiddellijke toepassing op een specifieke ontvanger – per geval – toestaan indien dit door de klinische omstandigheden naar behoren wordt gerechtvaardigd.
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 11
11.  Het tijdsverloop tussen twee inspecties ter plaatse mag niet meer dan vier jaar zijn.
11.  Het tijdsverloop tussen inspecties wordt bepaald op basis van de frequentie die nodig is om de vastgestelde risico’s te beperken en mag niet meer dan vier jaar zijn.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
Inspecteurs worden aangewezen in overeenstemming met procedures die garanderen dat zij op transparante, onafhankelijke en onpartijdige wijze handelen. De aanwijzingscriteria zijn duidelijk en transparant.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Alle inspecteurs handelen onpartijdig en zijn vrij van directe of indirecte belangenconflicten. Inspecteurs verklaren schriftelijk dat ze onpartijdig zijn en die verklaringen worden beschikbaar gesteld op de websites van de bevoegde autoriteiten.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 3 – punt a
a)  de toe te passen inspectietechnieken en -procedures, met inbegrip van praktische oefeningen;
a)  de toe te passen inspectietechnieken en -procedures, met inbegrip van praktische oefeningen en regels inzake belangenconflicten;
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 bis (nieuw)
Artikel 34 bis
Uitwisseling van informatie over de beschikbaarheid en continuïteit van de levering van SoHO
1.   Als onderdeel van de in artikel 62 bedoelde nationale plannen om de continuïteit van de SoHO-voorziening te waarborgen, zetten de bevoegde autoriteiten een digitaal communicatiekanaal op waarmee zij snel en efficiënt informatie kunnen uitwisselen over de beschikbaarheid van SoHO’s op het nationale grondgebied. Via dat digitale communicatiekanaal kunnen de bevoegde autoriteiten in specifieke situaties waarin daar behoefte aan is de nationale SoHO-entiteiten verplichten informatie te verstrekken over de beschikbaarheid van een bepaald SoHO-product. Zij houden ook rekening met waarschuwingen van nationale SoHO-entiteiten over de beschikbaarheid van SoHO’s en potentiële tekorten. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat het digitale communicatiekanaal uiterlijk ... [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] beschikbaar is.
2.   De bevoegde autoriteiten monitoren via het in lid 1 bedoelde digitale communicatiekanaal de beschikbaarheid van SoHO’s op nationaal niveau. Zij verstrekken SoHO-entiteiten richtsnoeren om de uitwisseling van informatie over de beschikbaarheid van SoHO’s te vergemakkelijken.
3.   De bevoegde autoriteiten bewaren en analyseren informatie over de beschikbaarheid van SoHO’s en de schommelingen van die beschikbaarheid in de tijd, alsook over trends in de vraag naar en potentiële tekorten aan SoHO’s, en stellen verslagen met die informatie op die via het in hoofdstuk XI bedoelde Europese SoHO-platform aan andere lidstaten ter beschikking kan worden gesteld. 
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 36 bis (nieuw)
Artikel 36 bis
Toelating en registratie van klinische onderzoeken met SoHO
1.   De bevoegde autoriteiten verlenen toestemming voor klinische onderzoeken met SoHO nadat zij het in artikel 41 bis, lid 5, bedoelde voorstel voor een klinisch onderzoek hebben goedgekeurd en hebben geverifieerd dat het klinisch onderzoek, indien noodzakelijk, een positief advies heeft gekregen van een relevante ethische commissie.
2.   De bevoegde autoriteiten informeren, instrueren en assisteren SoHO-entiteiten in hun lidstaat met betrekking tot de toelatings- en registratieprocedures voor klinische onderzoeken met SoHO. De bevoegde autoriteiten verstrekken de SoHO-entiteiten richtsnoeren en bijstand met betrekking tot de technische en ethische aspecten van klinisch onderzoek met SoHO.
3.   De bevoegde autoriteiten registreren elk op het Europese SoHO-platform toegelaten klinisch onderzoek met SoHO waarbij de volgende informatie wordt verstrekt:
a)   de naam of handelsnaam en het adres van de SoHO-entiteit of ‑entiteiten die het klinisch onderzoek uitvoeren, alsmede de naam en contactgegevens van de onderzoekers en een contactpersoon;
b)   indien nodig, een positieve aanbeveling van een relevante ethische commissie;
c)   een samenvatting van de opzet van het onderzoek;
d)   de datum van aanvang en voltooiing van de verschillende fasen van het klinisch onderzoek;
e)   uiterlijk één jaar na het einde van het klinisch onderzoek, een samenvatting van de resultaten en conclusies;
f)   een samenvatting van het klinisch onderzoek en de behaalde resultaten die bedoeld is voor het grote publiek.
4.   Indien meer dan één SoHO-entiteit deelneemt aan een klinisch onderzoek met SoHO en die SoHO-entiteiten in verschillende lidstaten zijn gevestigd, is voor het klinisch onderzoek met SoHO slechts een toelating van één bevoegde autoriteit van de Unie vereist.
5.   De bevoegde autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de consistentie van de informatie over de klinische onderzoeken met SoHO in hun lidstaat die op het Europese SoHO-platform staat en voeren eventuele wijzigingen onverwijld in op het Europese SoHO-platform.
6.   SoHO-entiteiten die verantwoordelijk zijn voor klinische onderzoeken met SoHO, melden incidenten die tijdens het klinisch onderzoek zijn geconstateerd overeenkomstig artikel 47, lid 1, onverwijld.
7.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de registratie van informatie op het Europese SoHO-platform te vergemakkelijken. Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 79, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 2
2.  De voor de vrijgave van SoHO’s verantwoordelijke persoon is in het bezit van een diploma, certificaat of ander bewijsstuk van afsluiting van een universitaire opleiding op het gebied van geneeskunde of biologie, of van een opleiding die door de betrokken lidstaat als gelijkwaardig wordt erkend, en beschikt over ten minste twee jaar ervaring op het desbetreffende gebied.
2.  De voor de vrijgave van SoHO’s verantwoordelijke persoon is in het bezit van een diploma, certificaat of ander bewijsstuk van afsluiting van een universitaire opleiding op het gebied van geneeskunde of biologie, of van een opleiding die door de betrokken lidstaat als gelijkwaardig wordt erkend, en beschikt over ten minste twee jaar ervaring op het desbetreffende gebied. De SoHO-entiteit ziet erop toe dat de persoon die verantwoordelijk is voor het vrijgeven van SoHO’s een adequate en actuele opleiding krijgt die past bij zijn functie en verantwoordelijkheden, met inbegrip van een specifieke opleiding over SoHO’s waarvoor een dergelijke opleiding noodzakelijk is.
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 1
1.  Het is SoHO-entiteiten niet toegestaan SoHO-preparaten vrij te geven of, in een autoloog kader, te bereiden en onmiddellijk op een ontvanger toe te passen zonder voorafgaande toelating van het SoHO-preparaat. In gevallen waarin een SoHO-entiteit wijzigingen aanbrengt in een activiteit die wordt uitgevoerd voor een toegelaten SoHO-preparaat, vraagt zij toelating van dat gewijzigde SoHO-preparaat aan.
1.  Het is SoHO-entiteiten niet toegestaan SoHO-preparaten vrij te geven of, in een autoloog kader, te bereiden en onmiddellijk op een ontvanger toe te passen zonder voorafgaande toelating van het SoHO-preparaat. In gevallen waarin een SoHO-entiteit substantiële wijzigingen aanbrengt in een activiteit die wordt uitgevoerd voor een toegelaten SoHO-preparaat, vraagt zij toelating van dat gewijzigde SoHO-preparaat aan. Voor de toepassing van dit artikel betekent een “substantiële wijziging” een wijziging die gevolgen heeft voor het doel, de kwaliteit, veiligheid, werkzaamheid of functionaliteit van een SoHO-preparaat.
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 3
3.  SoHO-entiteiten kunnen bij hun bevoegde autoriteiten in de in artikel 64 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden vrijstelling aanvragen van de vereiste toelating van een SoHO-preparaat.
3.  SoHO-entiteiten kunnen bij hun bevoegde autoriteiten in de in artikelen 61 en 61 bis bedoelde uitzonderlijke omstandigheden vrijstelling aanvragen van de vereiste toelating van een SoHO-preparaat.
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – lid 2 – punt b
b)  de resultaten van een risicobeoordeling die heeft plaatsgevonden voor de combinatie van SoHO-activiteiten die voor het SoHO-preparaat worden uitgevoerd, vergezeld van de beoogde klinische indicatie waarvoor het preparaat zal worden toegepast, rekening houdend met:
b)  de resultaten van een risicobeoordeling die heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 41 bis, lid 4;
i)  de vraag of het SoHO-preparaat wordt beschreven in, en is aangepast aan, een SoHO-monografie van het EDQM die is opgenomen in de technische richtsnoeren als bedoeld in artikel 59, lid 4, punt a);
ii)  de vraag of het SoHO-preparaat voldoet aan de kwaliteitscriteria die zijn vastgesteld in de in punt i) bedoelde SoHO-monografie van het EDQM en is bestemd om te worden gebruikt voor de indicatie en volgens de in die monografie bedoelde wijze van toepassing, voor zover deze gegevens in die monografie zijn opgenomen;
iii)  informatie die op het Europese SoHO-platform beschikbaar is over gebruik en toelating van het SoHO-preparaat in andere SoHO-entiteiten in het verleden;
iv)  documentatie die is opgesteld in het kader van het certificeringsproces, overeenkomstig Verordening (EU) 2017/745, van een gecertificeerd medisch hulpmiddel dat voor het SoHO-preparaat wordt gebruikt, voor zover beschikbaar;
v)  documentatie van een stelselmatig proces van identificatie, kwantificatie en evaluatie van risico’s voor de donor of de ontvanger, voortvloeiend uit de keten van activiteiten die worden verricht voor het SoHO-preparaat;
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – lid 2 – punt c
c)  in gevallen waarin het aangegeven risico niet verwaarloosbaar is: een voorstel voor bewaking van klinische resultaten om de veiligheid, kwaliteit en werkzaamheid van het SoHO-preparaat aan te tonen, overeenkomstig de resultaten van de risicobeoordeling;
c)  in gevallen waarin het aangegeven risico niet verwaarloosbaar is: een voorstel voor bewaking van klinische resultaten om de veiligheid, kwaliteit en werkzaamheid van het SoHO-preparaat aan te tonen, overeenkomstig de resultaten van de risicobeoordeling, en zoals bepaald in artikel 41 bis, lid 5;
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – lid 3
3.  In het in lid 2, punt c), bedoelde voorstel stelt de aanvrager als volgt een plan voor de bewaking van klinische resultaten voor:
Schrappen
a)  in gevallen met een laag risico: een klinische follow-up van een vastgesteld aantal patiënten;
b)  in gevallen met een gemiddeld risico, in aanvulling op punt a): een klinische onderzoeksstudie onder een statistisch significant aantal patiënten, waarbij vooraf vastgestelde klinische eindpunten worden beoordeeld;
c)  in gevallen met een hoog risico, in aanvulling op punt a): een klinische onderzoeksstudie onder een statistisch significant aantal patiënten, waarbij vooraf vastgestelde klinische eindpunten worden beoordeeld in vergelijking met de standaardtherapie.
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – lid 4
4.  SoHO-entiteiten bewaken de klinische resultaten wanneer een voorwaardelijke toelating is verleend ingevolge artikel 21, lid 2, punt c), en zenden de resultaten aan hun bevoegde autoriteiten. Bij de uitvoering van de in lid 3, punten b) en c), bedoelde klinische onderzoeksstudie voor het desbetreffende SoHO-preparaat kan de aanvrager de resultaten ervan bijhouden in een bestaand klinisch register, mits zijn bevoegde autoriteiten hebben geverifieerd of voor het register procedures voor het beheer van de gegevenskwaliteit worden toegepast die de nauwkeurigheid en de volledigheid van de gegevens waarborgen.
4.  SoHO-entiteiten bewaken de klinische resultaten wanneer een voorwaardelijke toelating is verleend ingevolge artikel 21, lid 2, punt c), en zenden de resultaten en hun analyse van die resultaten met de in de toelating vastgestelde frequentie aan hun bevoegde autoriteiten. Bij de uitvoering van de in artikel 41 bis, lid 5, punten a), ii) en a), iii), bedoelde klinische onderzoeksstudie voor het desbetreffende SoHO-preparaat kan de aanvrager de resultaten ervan bijhouden in een bestaand klinisch register, mits zijn bevoegde autoriteiten hebben geverifieerd of voor het register procedures voor het beheer van de gegevenskwaliteit worden toegepast die de nauwkeurigheid en de volledigheid van de gegevens waarborgen. De aanvrager registreert die studie en de verkregen resultaten overeenkomstig artikel 36 bis op het Europese SoHO-platform.
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – lid 5
5.  SoHO-entiteiten brengen zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van hun bevoegde autoriteiten geen wijzigingen aan in de keten van activiteiten die worden verricht voor een toegelaten SoHO-preparaat. Ook stellen SoHO-entiteiten hun bevoegde autoriteiten in kennis van de wijzigingen in de gegevens van de toelatingshouder van het SoHO-preparaat.
5.  SoHO-entiteiten brengen zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van hun bevoegde autoriteiten geen substantiële wijzigingen aan in de keten van activiteiten die worden verricht voor een toegelaten SoHO-preparaat. Voor de toepassing van dit artikel betekent een “substantiële wijziging” een wijziging die gevolgen heeft voor het doel, de kwaliteit, veiligheid, werkzaamheid of functionaliteit van een SoHO-preparaat. Ook stellen SoHO-entiteiten hun bevoegde autoriteiten in kennis van de wijzigingen in de gegevens van de toelatingshouder van het SoHO-preparaat.
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 bis (nieuw)
Artikel 41 bis
Klinische onderzoeken met SoHO
1.   Bij het uitvoeren van klinische onderzoeken met SoHO moeten SoHO-entiteiten in het kader van de in artikel 41, lid 2, punt c), omschreven bewakingsplannen, of met als doel reeds toegelaten behandelingen te vergelijken of te verbeteren, voldoen aan de vereisten van deze verordening.
2.   Bij klinische onderzoeken met SoHO zijn de veiligheid en het welzijn van de deelnemers aan het klinisch onderzoek altijd een prioriteit en wordt voldaan aan artikelen 53, 54, 55, 56, 58 en 59 betreffende de bescherming van donoren, ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting. SoHO-entiteiten die voornemens zijn een klinisch onderzoek met SoHO te beginnen, trachten solide en betrouwbare gegevens te verkrijgen, zo nodig door samenwerking met andere SoHO-entiteiten.
3.   Alvorens een klinisch onderzoek met SoHO te beginnen, dienen SoHO-entiteiten overeenkomstig de in leden 4 en 5 beschreven procedure een verzoek om toelating voor het klinisch onderzoek in bij de bevoegde autoriteiten. SoHO-entiteiten kunnen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 36 bis om bijstand verzoeken met betrekking tot de administratieve, technische en ethische aspecten van het klinisch onderzoek.
4.   Voor het begin van een klinisch onderzoek met SoHO voert de aanvrager een risicobeoordeling uit met betrekking tot de combinatie van SoHO-activiteiten die voor het SoHO-preparaat worden uitgevoerd, vergezeld van de beoogde klinische indicatie, rekening houdend met:
a)   de vraag of de SoHO-preparaten worden beschreven in, en zijn aangepast aan, een SoHO-monografie van het EDQM die is opgenomen in de technische richtsnoeren als bedoeld in artikel 59, lid 4, punt a);
b)   de vraag of de SoHO-preparaten voldoen aan de kwaliteitscriteria die zijn vastgesteld in de in punt a) bedoelde SoHO-monografie van het EDQM en zijn bestemd om te worden gebruikt voor de indicatie en volgens de in die monografie bedoelde wijze van toepassing, voor zover deze gegevens in die monografie zijn opgenomen;
c)   informatie die op het Europese SoHO-platform beschikbaar is over gebruik en toelating van de SoHO-preparaten in andere SoHO-entiteiten in het verleden;
d)   documentatie die is opgesteld in het kader van het certificeringsproces, overeenkomstig Verordening (EU) 2017/745, van een gecertificeerd medisch hulpmiddel dat voor de SoHO-preparaten wordt gebruikt, voor zover beschikbaar;
e)   documentatie van een stelselmatig proces van identificatie, kwantificatie en evaluatie van risico’s voor de donor of de ontvanger, voortvloeiend uit de keten van activiteiten die worden verricht voor de SoHO-preparaten;
5.   Overeenkomstig de resultaten van de in lid 4 bedoelde risicobeoordeling stelt de SoHO-entiteit een plan voor het klinisch onderzoek voor aan de bevoegde autoriteiten:
a)   in het kader van de bewaking van klinische resultaten voor de toelating van een nieuw SoHO-preparaat zoals bedoeld in artikel 41, lid 2, punt c):
i)   in gevallen met een laag risico: een klinische follow-up van een vastgesteld aantal patiënten;
ii)   in gevallen met een gemiddeld risico, in aanvulling op punt a): een klinische onderzoeksstudie onder een statistisch significant aantal patiënten, waarbij vooraf vastgestelde klinische eindpunten worden beoordeeld;
iii)   in gevallen met een hoog risico, in aanvulling op punt a): een klinische onderzoeksstudie onder een statistisch significant aantal patiënten, waarbij vooraf vastgestelde klinische eindpunten worden beoordeeld in vergelijking met de standaardtherapie;
b)   in het kader van een vergelijkend klinisch onderzoek met reeds toegelaten SoHO-behandelingen.
6.   Bij de uitvoering van een klinisch onderzoek met een hoog risico verzoeken SoHO-entiteiten om een gunstig advies van de relevante ethische commissie alvorens met het klinische onderzoek te beginnen. Alvorens een gunstig advies voor het klinisch onderzoek uit te brengen, beoordeelt de commissie de ethische, juridische en methodologische aspecten van het klinisch onderzoek om na te gaan of de opzet van de studie solide conclusies kan opleveren, alsook aspecten met betrekking tot het welzijn en de veiligheid van de deelnemers.
7.   De persoon die voor de klinische studie met SoHO verantwoordelijk is, is voldoende opgeleid.
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 4
4.  De toelatingshouder van de invoerende SoHO-entiteit is in de Unie gevestigd en is verantwoordelijk voor de fysieke ontvangst en de visuele inspectie en verificatie van ingevoerde SoHO’s voordat zij worden vrijgegeven. De invoerende SoHO-entiteit verifieert de overeenkomstigheid tussen de ontvangen SoHO en de bijbehorende documentatie, controleert de verpakking op beschadigingen en gaat na of de etikettering en transportomstandigheden voldoen aan de desbetreffende normen en technische richtsnoeren als bedoeld in de artikelen 57, 58 en 59.
4.  De toelatingshouder van de invoerende SoHO-entiteit is in de Unie gevestigd en is verantwoordelijk voor de fysieke ontvangst en de visuele inspectie en verificatie van ingevoerde SoHO’s voordat zij worden vrijgegeven. De invoerende SoHO-entiteit verifieert de overeenkomstigheid tussen de ontvangen SoHO en de bijbehorende documentatie, controleert de verpakking op beschadigingen en gaat na of de etikettering en transportomstandigheden voldoen aan de desbetreffende normen en technische richtsnoeren als bedoeld in de artikelen 57, 58 en 59. De invoerende SoHO-entiteit waarborgt dat de ingevoerde SoHO’s voldoen aan veiligheids- en kwaliteitsnormen die gelijkwaardig zijn aan de normen die in deze verordening zijn vastgesteld.
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 1
1.  SoHO-entiteiten houden een systeem bij voor het opsporen, onderzoeken en registreren van informatie met betrekking tot incidenten, waaronder incidenten die worden geconstateerd bij de bewaking van klinische resultaten in het kader van de toelatingsaanvraag voor een SoHO-preparaat als bedoeld in artikel 41.
1.  SoHO-entiteiten houden een systeem bij voor het opsporen, onderzoeken en registreren van informatie met betrekking tot incidenten, waaronder incidenten die worden geconstateerd bij de bewaking van klinische resultaten in het kader van de toelatingsaanvraag voor een SoHO-preparaat als bedoeld in artikel 41 of in het kader van een klinisch onderzoek met SoHO als bedoeld in artikel 41 bis.
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Wanneer een SAO-melding betrekking heeft op volksgezondheidskwesties, verstrekken de bevoegde autoriteiten onverwijld essentiële informatie aan de bevolking en aan de SCB.
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 48 – lid 1
1.  SoHO-instellingen verrichten geen activiteiten zonder vooraf als SoHO-instelling te zijn toegelaten. Dit is zowel van toepassing wanneer alle activiteiten door de instelling zelf worden verricht of wanneer een of meer activiteiten aan een andere SoHO-entiteit zijn uitbesteed.
1.  SoHO-instellingen verrichten geen SoHO-activiteiten zonder vooraf als SoHO-instelling te zijn toegelaten. Dit is zowel van toepassing wanneer alle activiteiten door de instelling zelf worden verricht of wanneer een of meer activiteiten aan een andere SoHO-entiteit zijn uitbesteed.
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 – titel
Arts
Artsen
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 – lid 2 – punt b
b)  onderzoek naar vermoedelijke incidenten bij SoHO-donoren en -ontvangers;
b)  onderzoek naar vermoedelijke incidenten bij SoHO-donoren, SoHO-ontvangers en, in voorkomend geval, vruchten van medisch begeleide voortplanting;
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 – lid 3
3.  In afwijking van lid 2 is de arts, wanneer een SoHO-entiteit in overeenstemming met artikel 25, lid 3, als SoHO-instelling is toegelaten, verantwoordelijk voor die taken die relevant zijn voor de SoHO-activiteiten die door de SoHO-entiteiten worden uitgevoerd en rechtstreeks van invloed zijn op de gezondheid van SoHO-donoren en -ontvangers.
3.  In afwijking van lid 2 is de arts, wanneer een SoHO-entiteit in overeenstemming met artikel 25, lid 3, als SoHO-instelling is toegelaten, verantwoordelijk voor die taken die relevant zijn voor de SoHO-activiteiten die door de SoHO-entiteiten worden uitgevoerd en rechtstreeks van invloed zijn op de gezondheid van SoHO-donoren, SoHO-ontvangers en, in voorkomend geval, vruchten van medisch begeleide voortplanting.
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 2
2.  SoHO-entiteiten beschermen de gezondheid van levende donoren voor, tijdens en na de donatie.
2.  SoHO-entiteiten beschermen de lichamelijke en, in voorkomend geval, geestelijke gezondheid van levende SoHO-donoren voor, tijdens en na de donatie.
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   SoHO-entiteiten waarborgen dat de gezondheidstoestand van SoHO-donoren voor de donatie geen buitensporig risico vormt voor de donatie of de gezondheid van die donoren tijdens of na de donatie.
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 1 – punt a
a)  zij voldoen aan alle toepasselijke vereisten met betrekking tot toestemming of machtiging die in de desbetreffende lidstaat van kracht zijn;
a)  zij voldoen aan alle toepasselijke vereisten met betrekking tot geïnformeerde toestemming of machtiging die in de desbetreffende lidstaat van kracht zijn;
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 1 – punt b
b)  zij verstrekken aan donoren of hun familieleden of eenieder die overeenkomstig de nationale wetgeving namens hen machtiging verleent de in artikel 55 bedoelde informatie, op een wijze die is aangepast aan hun vermogen om deze informatie te begrijpen;
b)  zij verstrekken aan donoren of hun familieleden of eenieder die overeenkomstig de nationale wetgeving namens hen machtiging verleent de in artikel 55 bedoelde informatie, op een wijze die hen in staat stelt geïnformeerde toestemming te verlenen en zo nodig om nadere informatie te verzoeken;
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 1 – punt j
j)  zij verifiëren, door middel van een register, of donoren niet vaker doneren dan veilig wordt geacht in de in artikel 56 bedoelde technische richtsnoeren en tonen aan dat hun gezondheid niet in het geding komt;
j)  zij verifiëren, door middel van nationale registers, of donoren niet vaker doneren dan veilig wordt geacht in de in artikel 56 bedoelde technische richtsnoeren en tonen aan dat hun gezondheid niet in het geding komt;
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 1 – punt j bis (nieuw)
j bis)   zij verifiëren, door middel van nationale registers, of donoren op basis van de recentste beschikbare wetenschappelijke gegevens en medische expertise aan de geschiktheidscriteria voor SoHO-donoren voldoen indien dit voor specifieke soorten donaties vereist is;
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 1 – punt l bis (nieuw)
l bis)   zij stellen de SoHO-ontvangers op de hoogte van de vereisten inzake anonimiteit van de donor en de mogelijkheid van het vrijgeven van de identiteit en de gevolgen daarvan voor medisch begeleide voortplanting met donatie van geslachtscellen door derden, krachtens de nationale wetgeving.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   SoHO-entiteiten mogen SoHO-donoren niet discrimineren op grond van een van de in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende discriminatiegronden, tenzij dit noodzakelijk is om de gezondheid van de SoHO-ontvanger, van de vruchten van medisch begeleide voortplanting of van de SoHO-donor te beschermen. Dergelijke discriminatie is op wetenschappelijk bewijs gebaseerd.
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 2
2.  In het kader van de in lid 1, punt f), bedoelde donorgezondheidsbeoordelingen voeren SoHO-entiteiten gesprekken met donoren en verzamelen zij informatie over de huidige en recente gezondheidstoestand van de donor en diens gezondheidsgeschiedenis, om de veiligheid van het donatieproces voor die donoren te waarborgen. SoHO-entiteiten kunnen in het kader van de donorgezondheidsbeoordelingen laboratoriumonderzoek uitvoeren. Zij voeren dat onderzoek uit in gevallen waarin uit de beoordelingen blijkt dat laboratoriumonderzoek noodzakelijk is om de geschiktheid van die donoren met het oog op hun eigen veiligheid vast te stellen. De in artikel 51 bedoelde arts keurt de procedure en de criteria voor donorgezondheidsbeoordelingen goed.
2.  In het kader van de in lid 1, punt f), bedoelde donorgezondheidsbeoordelingen voeren SoHO-entiteiten gesprekken met donoren en verzamelen zij informatie over de huidige en recente fysieke en, in voorkomend geval, geestelijke gezondheidstoestand van de donor en diens gezondheidsgeschiedenis, om de veiligheid van het donatieproces voor die donoren te waarborgen. SoHO-entiteiten kunnen in het kader van de donorgezondheidsbeoordelingen laboratoriumonderzoek uitvoeren. Zij voeren dat onderzoek uit in gevallen waarin uit de beoordelingen blijkt dat laboratoriumonderzoek noodzakelijk is om de geschiktheid van die donoren met het oog op hun eigen veiligheid vast te stellen. De in artikel 51 bedoelde arts keurt de procedure en de criteria voor donorgezondheidsbeoordelingen goed.
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 3
3.  SoHO-entiteiten die SoHO’s afnemen bij donoren die een chirurgische ingreep moeten ondergaan om te kunnen doneren, die met hormonen worden behandeld om donatie te vergemakkelijken of die veelvuldig en herhaaldelijk doneren, registreren die donoren en de resultaten van hun donorgezondheidsbeoordelingen in een entiteitoverstijgend register dat kan worden gekoppeld met andere soortgelijke in lid 1, punt j), bedoelde registers. De SoHO-entiteiten die deze registers beheren, waarborgen de onderlinge verbindbaarheid ervan.
3.  SoHO-entiteiten die SoHO’s afnemen bij donoren die een chirurgische ingreep moeten ondergaan om te kunnen doneren, die met hormonen worden behandeld om donatie te vergemakkelijken of die SoHO’s doneren die veelvuldig en herhaaldelijk gedoneerd kunnen worden, registreren die donoren en de resultaten van hun donorgezondheidsbeoordelingen in een entiteitoverstijgend register op het niveau van de Unie, met inbegrip van grensoverschrijdende registers, dat kan worden gekoppeld met andere soortgelijke in lid 1, punt j), bedoelde registers. De SoHO-entiteiten die deze registers beheren, waarborgen de onderlinge verbindbaarheid ervan. Het begrip veelvuldig en herhaaldelijk doneren wordt opgevat overeenkomstig de in artikel 71 bedoelde richtsnoeren van het EDQM voor elke soort donatie.
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 6
6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 77 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening te kunnen aanvullen in gevallen waarin aanvullende normen benodigd zijn om de bescherming van donoren te waarborgen.
6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 77 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening te kunnen aanvullen in gevallen waarin aanvullende normen benodigd zijn om de bescherming van donoren te waarborgen, met name met betrekking tot de toegelaten regelmaat waarmee wordt gedoneerd in het geval van niet-toepassing van de in artikel 56 bedoelde richtsnoeren.
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 2
2.  De lidstaten kunnen toestaan dat SoHO-entiteiten middels vaste vergoedingen de verliezen compenseren of vergoeden die donoren lijden in verband met hun deelname aan donaties. In die gevallen regelen de lidstaten de voorwaarden voor die vergoedingen in hun nationale wetgeving en stellen zij daaraan ook een maximum, om te waarborgen dat vergoedingen financieel neutraal zijn en aan de normen van dit artikel voldoen. Zij kunnen de vaststelling van voorwaarden voor dergelijke vergoedingen delegeren aan onafhankelijke instanties die zijn opgericht overeenkomstig de nationale wetgeving.
2.  De lidstaten kunnen toestaan dat SoHO-entiteiten levende SoHO-donoren compenseren of vergoeden voor hun verliezen of uitgaven in verband met hun deelname aan donaties, overeenkomstig het beginsel van vrijwillige en onbetaalde donatie, en die bijvoorbeeld de vorm aanneemt van compensatieverlof, belastingverlagingen of vaste vergoedingen die op nationaal niveau zijn vastgesteld. De lidstaten regelen op basis van transparante criteria de voorwaarden voor die compensatie of vergoeding in hun nationale wetgeving, waarbij zij waarborgen dat zij financieel neutraal zijn en aan de normen van dit artikel voldoen.
Zij kunnen deze compensatie of vergoeding koppelen aan een daartoe strekkend verzoek door de donoren en de vaststelling van voorwaarden voor dergelijke vormen van compensatie of vergoeding delegeren aan onafhankelijke instanties die zijn opgericht overeenkomstig de nationale wetgeving. In dat verband ondersteunt de Commissie de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten. Donoren kunnen ook afzien van compensatie voor de verliezen of uitgaven in verband met hun donatie.
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 3
3.  SoHO-entiteiten kunnen donoren compenseren of hun een vergoeding uitkeren op de wijze die ingevolge lid 2 is bepaald door hun bevoegde autoriteiten.
3.  SoHO-entiteiten kunnen levende SoHO-donoren compenseren of hun een vergoeding uitkeren op de wijze die ingevolge lid 2 is bepaald door hun bevoegde autoriteiten. SoHO-entiteiten brengen op transparante wijze verslag uit aan de bevoegde autoriteiten over eventuele geldende compensatie- en vergoedingsmaatregelen en over eventuele wijzigingen die zij in dat verband hebben aangebracht.
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   De compensaties of vergoedingen houden geen prikkel om te doneren in noch leiden zij tot financiële wedijver, ook over de landsgrenzen heen, tussen de instellingen en entiteiten bij het werven van donoren. Deze mogen niet leiden tot de uitbuiting van kwetsbare mensen in de samenleving.
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.   De lidstaten reguleren de reclame voor de inzameling van SoHO’s. Elke reclame voor donatie van SoHO’s die gekoppeld is aan een financiële beloning is verboden. In wervingscampagnes en reclame is geen sprake van enige compensatie.
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 3 quater (nieuw)
3 quater.   Uiterlijk ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de twee jaar beoordeelt de Commissie de nationale voorwaarden voor de mate van naleving van het beginsel van vrijwillige en onbetaalde donatie zoals neergelegd in deze verordening. Bij die beoordeling wordt onder meer vastgesteld of compensaties en vergoedingen, in geen geval, schadelijk zijn voor de veiligheid van donoren of ontvangers, een prikkel of een reden vormen om donoren aan te werven of kwetsbare mensen in de samenleving blootstellen aan uitbuiting. De lidstaten verstrekken de Commissie de informatie waarom verzocht is om die beoordeling uit te voeren.
Op basis van de in de eerste alinea bedoelde beoordelingen stelt de Commissie op basis van beste praktijken bij de toepassing van compensatieregelingen richtsnoeren vast voor de lidstaten en doet zij, in voorkomend geval, aanbevelingen aan de lidstaten over hoe dergelijke praktijken kunnen worden verbeterd. Die richtsnoeren en aanbevelingen worden openbaar gemaakt.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – titel
Normen voor informatie die moet worden verstrekt voordat toestemming of machtiging wordt verleend
Normen voor informatie die moet worden verstrekt voordat geïnformeerde toestemming of machtiging wordt verleend om SoHO’s te doneren
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 2
2.  SoHO-entiteiten verstrekken de in lid 1 bedoelde informatie voordat toestemming wordt gegeven of machtiging wordt verleend voor de donatie. De SoHO-entiteiten verstrekken de informatie op nauwkeurige en duidelijke wijze, in bewoordingen die begrijpelijk zijn voor de aspirantdonoren of de personen die toestemming of machtiging voor de donatie verlenen. De informatie is niet misleidend voor de aspirantdonoren of degenen die namens hen machtiging verlenen, met name ten aanzien van de voordelen van de donatie voor toekomstige ontvangers van de desbetreffende SoHO.
2.  SoHO-entiteiten verstrekken de in lid 1 bedoelde informatie voordat toestemming wordt gegeven of machtiging wordt verleend voor de donatie. De SoHO-entiteiten verstrekken de informatie op nauwkeurige en duidelijke wijze, in bewoordingen die begrijpelijk zijn voor de aspirantdonoren of de personen die toestemming of machtiging voor de donatie verlenen en zorgen ervoor dat de toestemming die wordt verleend geïnformeerde toestemming is. De informatie is niet misleidend voor de aspirantdonoren of degenen die namens hen machtiging verlenen, met name ten aanzien van de voordelen van de donatie voor toekomstige ontvangers van de desbetreffende SoHO.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 3 – punt d
d)  het beoogde gebruik van de gedoneerde SoHO, met name over de bewezen voordelen voor de toekomstige ontvangers en eventuele commerciële of onderzoeksdoeleinden waarmee de donor moet instemmen;
d)  het beoogde gebruik van de gedoneerde SoHO, met name over de bewezen voordelen voor de toekomstige ontvangers en eventuele commerciële of onderzoeksdoeleinden waarvoor de donor geïnformeerde toestemming moet verlenen;
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 3 – punt e
e)  het analytische onderzoek dat zal plaatsvinden in het kader van de donorgezondheidsbeoordeling;
e)  het analytische onderzoek dat zal plaatsvinden in het kader van de donorgezondheidsbeoordeling en het doel daarvan;
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1 – alinea 1
Wanneer de Commissie het met het oog op de uitvoering van een bepaalde in artikel 53, 54 of 55 bedoelde norm of onderdeel daarvan noodzakelijk acht om bindende regels voor te schrijven om een geharmoniseerd en hoog niveau van donorveiligheid te waarborgen, kan de Commissie bij uitvoeringshandelingen specifieke procedures vaststellen die moeten worden gevolgd en toegepast om aan die norm of dat onderdeel daarvan te voldoen.
Wanneer de Commissie het met het oog op de uitvoering van een bepaalde in artikel 53, 54 of 55 bedoelde norm of onderdeel daarvan noodzakelijk acht om bindende regels voor te schrijven om een geharmoniseerd en hoog niveau van donorveiligheid te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 77 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen door specifieke procedures te beschrijven die moeten worden gevolgd en toegepast om aan die norm of dat onderdeel daarvan te voldoen.
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1 – alinea 2
Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 79, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Schrappen
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 2
2.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een risico voor de gezondheid van een donor stelt de Commissie volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
2.  Indien dit in geval van een risico voor de gezondheid van de donor om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 78 neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 3
3.  Met het oog op de toepassing van de in de artikelen 53, 54 en 55 bedoelde normen of onderdelen daarvan voor de bescherming van donoren, volgen SoHO-entiteiten de procedures die zijn neergelegd in overeenkomstig lid 1 en 2 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandelingen.
3.  Met het oog op de toepassing van de in de artikelen 53, 54 en 55 bedoelde normen of onderdelen daarvan voor de bescherming van donoren, volgen SoHO-entiteiten de procedures die zijn neergelegd in overeenkomstig lid 1 en 2 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 4 – inleidende formule
4.  Voor de toepassing van normen voor de bescherming van donoren of voor onderdelen daarvan waarvoor geen uitvoeringshandeling is vastgesteld, volgen SoHO-entiteiten:
4.  Voor de toepassing van normen voor de bescherming van donoren of voor onderdelen daarvan waarvoor geen gedelegeerde handeling is vastgesteld, volgen SoHO-entiteiten in volgorde van prioriteit:
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 4 – punt a – inleidende formule
a)  de meest recente onderstaande technische richtsnoeren, zoals aangegeven op het in hoofdstuk XI bedoelde Europese SoHO-platform:
a)  de meest recente onderstaande technische richtsnoeren die zijn vastgesteld door middel van een transparant en alomvattend raadplegingsproces met een brede selectie van belanghebbenden op basis van de meest recente wetenschappelijke kennis en relevante deskundigheid, en zoals aangegeven op het in hoofdstuk XI bedoelde Europese SoHO-platform:
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 6
6.   In de in lid 4, punt b), bedoelde gevallen tonen SoHO-entiteiten voor de toepassing van artikel 30 in samenhang met artikel 29 hun bevoegde autoriteiten voor elke norm of elk onderdeel daarvan aan dat het niveau van veiligheid, kwaliteit en doeltreffendheid van de andere toegepaste richtsnoeren gelijkwaardig is aan het niveau dat is vastgesteld in de in lid 4, punt a), bedoelde technische richtsnoeren.
Schrappen
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – alinea 1
SoHO-entiteiten beschermen de gezondheid van SoHO-ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting tegen de aan SoHO-preparaten verbonden risico’s. Daartoe stellen zij vast wat deze risico’s zijn, beperken zij deze tot een minimum of nemen zij die risico’s weg.
SoHO-entiteiten beschermen de gezondheid van SoHO-ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting tegen de aan SoHO-preparaten en de toepassing daarvan verbonden risico’s. Daartoe stellen zij vast wat deze risico’s zijn, beperken zij deze tot een minimum of nemen zij die risico’s weg.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – alinea 1 bis (nieuw)
SoHO-entiteiten mogen SoHO-ontvangers niet discrimineren op grond van een van de in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende discriminatiegronden, tenzij dit noodzakelijk is om de gezondheid van de SoHO-ontvanger of van de SoHO-donor te beschermen. Dergelijke discriminatie is op wetenschappelijk bewijs gebaseerd.
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 1
1.  SoHO-entiteiten stellen procedures op met maatregelen, en, indien noodzakelijk, combinaties van maatregelen die hoge niveaus van veiligheid en kwaliteit waarborgen en aantonen dat de voordelen voor ontvangers van SoHO’s en voor vruchten van medisch begeleide voortplanting tegen de risico’s opwegen. Meer in het bijzonder bewerkstelligen zij een hoge mate van zekerheid dat ziekteverwekkers, toxines of genetische aandoeningen niet worden overgebracht op ontvangers of vruchten van medisch begeleide voortplanting.
1.  SoHO-entiteiten stellen op grond van de in artikel 59 bedoelde richtsnoeren procedures op met maatregelen, en, indien noodzakelijk, combinaties van maatregelen die hoge niveaus van veiligheid en kwaliteit waarborgen en aantonen dat de voordelen voor ontvangers van SoHO’s en voor vruchten van medisch begeleide voortplanting tegen de risico’s opwegen. Meer in het bijzonder bewerkstelligen zij een hoge mate van zekerheid dat ziekteverwekkers, toxines of genetische aandoeningen niet worden overgebracht op ontvangers of vruchten van medisch begeleide voortplanting.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Waar mogelijk gebruiken SoHO-entiteiten technologie om de klinische risico’s voor SoHO-ontvangers en vruchten van medisch begeleide voortplanting te verlagen en de kwaliteit van SoHO’s te verhogen.
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 2 – punt b
b)  testen van donoren op overdraagbare ziekten met behulp van gecertificeerde en gevalideerde testmethoden;
b)  testen van donoren op overdraagbare ziekten met behulp van gecertificeerde en gevalideerde testmethoden of andere methoden die door de richtsnoeren van het EDQM en het ECDC als passend worden beschouwd;
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 2 – punt c
c)  indien haalbaar, toepassen van bewerkingstechnologieën die potentiële overdraagbare ziekteverwekkers verminderen of wegnemen.
c)  indien haalbaar, toepassen van bewerkingstechnologieën die potentiële overdraagbare ziekteverwekkers verminderen, wegnemen of inactiveren.
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 5 – punt c bis (nieuw)
c bis)   waar mogelijk en passend, hanteren van methoden voor het opsporen, inactiveren of elimineren van micro-organismen.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 10 – punt a
a)  de toepassing van SoHO-preparaten zonder bewezen voordelen op ontvangers, behoudens in het kader van een klinisch onderzoek waarvoor hun bevoegde autoriteit in het kader van een voorwaardelijke toelating van het SoHO-preparaten goedkeuring heeft verleend ingevolge artikel 41, lid 4;
a)  de toepassing van SoHO-preparaten zonder bewezen voordelen op ontvangers, behoudens in het kader van een klinisch onderzoek waarvoor hun bevoegde autoriteit in het kader van een voorwaardelijke toelating van het SoHO-preparaten goedkeuring heeft verleend ingevolge artikel 41, lid 4, of in het kader van gebruik in schrijnende gevallen en experimentele therapie in situaties als beschreven in artikelen 61 en 61 bis of een klinisch onderzoek als beschreven in artikel 41 bis;
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 10 – punt b
b)  onnodige toepassing van SoHO-preparaten op ontvangers;
b)  onnodige toepassing van SoHO-preparaten op ontvangers; SoHO-entiteiten maken optimaal gebruik van SoHO’s, rekening houdend met therapeutische alternatieven en volgens de meest recente wetenschappelijke richtsnoeren als bedoeld in artikel 59;
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 10 – punt c bis (nieuw)
c bis)   het prioriteren van esthetisch gebruik boven therapeutisch gebruik, met name in het geval van een mogelijk tekort aan SoHO’s.
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 11 – alinea 1
Voor de in lid 2 en lid 3 bedoelde maatregelen verifiëren SoHO-entiteiten de geschiktheid van een donor door middel van een gesprek met hem/haar, zijn/haar wettelijke voogd of, in het geval van donatie na overlijden, een relevante persoon met kennis van de gezondheid en de levensstijl van de donor in het verleden. Dit gesprek kan worden gecombineerd met elk gesprek dat wordt gevoerd in het kader van de in artikel 53, lid 1, punt f), bedoelde beoordeling.
Voor de in lid 2 en lid 3 bedoelde maatregelen verifiëren SoHO-entiteiten de geschiktheid van een donor door middel van een gesprek met hem/haar, zijn/haar wettelijke voogd of, in het geval van donatie na overlijden, een relevante persoon met kennis van de gezondheid en de levensstijl van de donor in het verleden. Dit gesprek kan worden gecombineerd met elk gesprek dat wordt gevoerd in het kader van de in artikel 53 bedoelde beoordeling.
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 11 – alinea 2
Voor donoren die herhaaldelijk doneren, kunnen de in de eerste alinea bedoelde gesprekken worden beperkt tot aspecten die eventueel zijn veranderd en kunnen zij worden vervangen door vragenlijsten.
Voor donoren die herhaaldelijk doneren, kunnen de in de eerste alinea bedoelde gesprekken worden beperkt tot aspecten die eventueel zijn veranderd en kunnen zij worden vervangen door vragenlijsten, waarbij wordt verzekerd dat aan alle verplichtingen uit hoofde van artikel 53, lid 1, punten e) en f), en lid 2 wordt voldaan.
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 59 – lid 4 – inleidende formule
4.  Voor de toepassing van normen of onderdelen van normen voor de bescherming van ontvanger of vrucht waarvoor geen uitvoeringshandeling is vastgesteld, volgen SoHO-entiteiten:
4.  Voor de toepassing van normen of onderdelen van normen voor de bescherming van ontvanger of vrucht waarvoor geen uitvoeringshandeling is vastgesteld, volgen SoHO-entiteiten in volgorde van prioriteit:
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 59 – lid 6
6.   In de in lid 4, punt b), bedoelde gevallen tonen SoHO-entiteiten voor de toepassing van artikel 30 in samenhang met artikel 29 hun bevoegde autoriteiten voor elke norm of elk onderdeel daarvan aan dat het niveau van veiligheid, kwaliteit en doeltreffendheid van de andere toegepaste richtsnoeren gelijkwaardig is aan het niveau dat is vastgesteld in de in lid 4, punt a), bedoelde technische richtsnoeren.
Schrappen
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 61 bis (nieuw)
Artikel 61 bis
Ontheffing van de verplichtingen om SoHO-preparaten toe te laten in noodsituaties of ingeval er geen alternatieve therapie is
1.   In afwijking van artikel 21 kunnen de bevoegde autoriteiten op verzoek van een SoHO-entiteit en indien naar behoren gemotiveerd in verband met een noodsituatie op gezondheidsgebied de distributie of bereiding voor onmiddellijke toepassing van SoHO-preparaten op hun grondgebied toestaan terwijl de in dat artikel bedoelde procedures niet zijn uitgevoerd, mits het gebruik van die SoHO-preparaten in het belang is van de volksgezondheid. Bevoegde autoriteiten vermelden de termijn waarvoor de toestemming wordt verleend of formuleren voorwaarden om die termijn duidelijk te kunnen vaststellen.
2.   Ingeval er geen alternatieve therapie is, kunnen de bevoegde autoriteiten bij wijze van uitzondering bovendien een voorwaardelijke en tijdelijke toelating voor SoHO-preparaten verlenen op verzoek van een voorschrijvend arts bij een SoHO-entiteit, mits:
a)   het gebruik van deze preparaten beoogd is voor een specifieke patiënt, in geval dat de behandeling niet kan worden uitgesteld of wanneer dat vereist is met betrekking tot de vitale belangen van de patiënt;
b)   er op basis van de beschikbare klinische gegevens van kan worden uitgegaan dat de preparaten veilig en werkzaam zijn.
3.   De bevoegde autoriteiten stellen de nationale SoHO-autoriteit onmiddellijk op de hoogte van een eventuele uitzonderlijke vergunning en, voeren onverwijld informatie over een eventuele voorwaardelijke vergunning voor SoHO-preparaten in op het in hoofdstuk XI bedoelde Europese SoHO-platform.
4.   Nadat de SoHO-entiteit in overeenstemming met lid 2 van dit artikel een voorwaardelijke en tijdelijke toelating voor een SoHO-preparaat heeft ontvangen, leidt zij tegelijkertijd een reguliere vergunningsprocedure voor dat SoHO-preparaat in overeenkomstig artikel 21. 
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – titel
Opstelling van nationale noodplannen voor SoHO’s
Opstelling van nationale noodplannen voor SoHO’s en plannen om de continuïteit van de levering van SoHO’s te waarborgen
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 1
1.  In samenwerking met de nationale SoHO-autoriteiten stellen de lidstaten nationale SoHO-noodplannen op, die voorzien in maatregelen die zonder onnodige vertraging moeten worden genomen wanneer de leveringssituatie voor kritische SoHO’s een ernstig risico voor de menselijke gezondheid vormt of dreigt te vormen.
1.  In samenwerking met de nationale SoHO-autoriteiten stellen de lidstaten nationale plannen op om te streven naar voldoende leveringen van kritische SoHO’s en een bijdrage te leveren aan de Europese autonomie in het kader van een veerkrachtige toeleveringsketen.
De nationale plannen bevatten met name maatregelen om ervoor te zorgen dat het donorenbestand veerkrachtig is, acties om efficiënter gebruik te maken van SoHO’s, trends in de levering van kritische SoHO’s te monitoren, alsook maatregelen voor gevallen waarin nationale SoHO-voorraden de nationale vraag overtreffen en SoHO’s worden uitgevoerd naar andere landen met SoHO-tekorten.
Bij het opstellen en evalueren van hun nationale plannen houden de lidstaten rekening met de aanbevelingen van de Commissie overeenkomstig artikel 62 bis en met de beste praktijken die het SCB overeenkomstig artikel 68 heeft gedocumenteerd.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 2
2.  De lidstaten stellen alles in het werk wat redelijkerwijs mogelijk is om deelname van het publiek aan SoHO-donatieactiviteiten te bevorderen, met name voor kritische SoHO’s, om een veerkrachtige toelevering en een flexibele toename van het aantal donaties te waarborgen wanneer wordt vastgesteld dat tekorten dreigen. Zo bevorderen zij de afname van SoHO’s en een grote betrokkenheid van de publieke en non-profitsector.
2.  De lidstaten stellen in overeenstemming met het beginsel van vrijwillige en onbetaalde donatie alles in het werk wat redelijkerwijs mogelijk is om deelname van het publiek aan SoHO-donatieactiviteiten te bevorderen, met name voor kritische SoHO’s, om een veerkrachtige toelevering en een flexibele toename van het aantal donaties te waarborgen wanneer wordt vastgesteld dat tekorten dreigen. Zo bewerkstelligen zij onder meer dat:
a)   alle relevante belanghebbenden worden betrokken bij de opstelling van hun nationale plannen; 
b)   wordt gewaarborgd dat er sprake is van een afdoend aantal SoHO-inzamelingsentiteiten, met een grote betrokkenheid van de publieke en non-profitsector, en van SoHO-instellingen en er eveneens passende openingstijden gelden;
c)   er passende werkomstandigheden en adequate opleidingen worden geboden voor relevante SoHO-beroepen;
d)   er wordt gewaarborgd dat strategieën voor donorwerving en behoud van kritische SoHO’s worden ingevoerd, met inbegrip van voorlichtingscampagnes en onderwijsprogramma’s;
e)   er kwantitatieve inzamelingsstreefcijfers worden vastgesteld voor kritische SoHO’s. 
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De SoHO-entiteiten brengen aan de bevoegde autoriteiten verslag uit over potentiële tekorten aan SoHO’s of overeenkomstig artikel 34 bis op verzoek van de bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het monitoren van de beschikbaarheid van SoHO’s op nationaal niveau.
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 3
3.  In de in lid 1 bedoelde plannen omschrijven de lidstaten het volgende:
3.  In gevallen waarin de beschikbaarheid van SoHO’s of daarvan afgeleide producten afhankelijk is van potentiële commerciële belangen, zorgt elke lidstaat ervoor dat die SoHO-entiteiten, binnen de grenzen van hun verantwoordelijkheden, zorgen voor een passende en continue levering van SoHO’s of daarvan afgeleide producten aan patiënten op hun grondgebied. De lidstaten onderhandelen over eerlijke en transparante prijzen voor van SoHO’s afgeleide producten die gebaseerd zijn op altruïstische en onbetaalde donaties. De lidstaten zien er ook op toe dat er betaalbare producten beschikbaar zijn voor patiënten en dat er voortdurend wordt geïnvesteerd in onderzoek en innovatie met betrekking tot die producten.
a)  potentiële risico’s voor de levering van kritische SoHO’s;
b)  de te betrekken entiteiten voor kritische SoHO’s;
c)  de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van bevoegde autoriteiten;
d)  de kanalen en procedures voor het delen van informatie door de bevoegde autoriteiten, waaronder bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, en andere betrokken partijen, waar nodig;
e)  een procedure voor de ontwikkeling van paraatheidsplannen voor specifieke vastgestelde risico’s met name ten aanzien van uitbraken van overdraagbare ziekten;
f)  een procedure voor de beoordeling en goedkeuring, indien gerechtvaardigd, van verzoeken van SoHO-entiteiten om ontheffing van de in de hoofdstukken VI en VII gedefinieerde normen.
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Uiterlijk ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] doen de lidstaten hun nationale plannen toekomen aan de Commissie en de SCB. Zij evalueren hun nationale plannen elke twee jaar en stellen de Commissie en de SCB in kennis van elke substantiële wijziging van die plannen.
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 4
4.  De lidstaten waarborgen dat de ingevolge lid 3, punt f), verleende ontheffingen tijdelijk van aard en gerechtvaardigd zijn, voor zover de daarmee verband houdende risico’s kleiner zijn dan het risico voor tekorten aan de specifieke SoHO.
4.  Teneinde om te kunnen gaan met noodsituaties die zich voordoen, wanneer de leveringssituatie voor kritische SoHO’s een ernstig risico voor de menselijke gezondheid vormt of dreigt te vormen, omschrijven de lidstaten in de in lid 1 bedoelde plannen het volgende: 
a)   de potentiële risico’s voor de levering van kritische SoHO’s en maatregelen die van invloed zijn op de vraag naar kritische SoHO’s; 
b)   de te betrekken entiteiten voor kritische SoHO’s;
c)   de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van bevoegde autoriteiten;
d)   de kanalen en procedures voor het delen van informatie door de bevoegde autoriteiten, waaronder bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, en andere betrokken partijen, waar nodig;
e)   een procedure voor de ontwikkeling van paraatheidsplannen voor specifieke vastgestelde risico’s met name ten aanzien van uitbraken van overdraagbare ziekten;
f)   een procedure voor de beoordeling en goedkeuring, indien gerechtvaardigd, van verzoeken van SoHO-entiteiten om ontheffing van de in de hoofdstukken VI en VII gedefinieerde normen; 
g)   de acties om in geval van tekorten prioriteit te geven aan het therapeutisch gebruik van kritische SoHO’s en bepaalde patiënten.
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 5
5.  De lidstaten houden rekening met de richtsnoeren van het ECDC, voor noodgevallen die verband houden met epidemiologische uitbraken, en met de door het EDQM gepubliceerde richtsnoeren, voor het opstellen van noodplannen in het algemeen.
5.  De lidstaten waarborgen dat de ingevolge lid 4, punt f), verleende ontheffingen tijdelijk van aard en gerechtvaardigd zijn, voor zover de daarmee verband houdende risico’s kleiner zijn dan het risico voor tekorten aan de specifieke SoHO.
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 6
6.  De lidstaten evalueren regelmatig hun nationale SoHO-noodplannen en verwerken daarin veranderingen die hebben plaatsgevonden in de organisatie van bevoegde autoriteiten en ervaringen die zijn opgedaan bij de uitvoering van de plannen en bij oefeningen.
6.  De lidstaten houden rekening met de richtsnoeren van het ECDC, voor noodgevallen die verband houden met epidemiologische uitbraken om met name de preventie van en de paraatheid voor pandemieën te waarborgen, en met de door het EDQM gepubliceerde richtsnoeren, voor het opstellen van noodplannen in het algemeen.
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 7 – alinea 1 – inleidende formule
De Commissie kan bij uitvoeringshandelingen het volgende vaststellen:
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 77 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door de beschrijving van:
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 7 – alinea 1 – punt a
a)  regels voor de opstelling van de in lid 1 bedoelde nationale SoHO-noodplannen, voor zover nodig om een samenhangend en doeltreffend beheer van onderbrekingen in de toelevering te waarborgen;
a)  regels voor de opstelling van de in lid 1 bedoelde nationale plannen, voor zover nodig om een samenhangend en doeltreffend beheer van onderbrekingen in de toelevering te waarborgen;
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 7 – alinea 1 – punt b
b)  de rol van belanghebbenden en de ondersteunende rol van het ECDC bij het opstellen en uitvoeren van nationale SoHO-noodplannen.
b)  de rol van belanghebbenden en de ondersteunende rol van het ECDC en het EDQM bij het opstellen en uitvoeren van nationale plannen.
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 7 – alinea 2
Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 79, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Schrappen
Amendement 197
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 bis (nieuw)
Artikel 62 bis
Invoering van een strategie ter bevordering van Europese autonomie in de levering van SoHO’s
1.   Uiterlijk ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] publiceert de Commissie een strategie ter bevordering van de Europese autonomie op het gebied van de levering van SoHO’s. Deze strategie omvat een routekaart met ambitieuze doelstellingen per kritische SoHO, die door de Commissie is vastgesteld in overleg met de nationale bevoegde autoriteiten, de SCB, het ECDC, het Europees Parlement, de wetenschappers van beroepsorganisaties en patiëntenverenigingen, alsmede alle andere belanghebbenden. Onverminderd de artikelen 53 en 54 omvat de strategie acties ter bevordering van:
a)   de ondersteuning en coördinatie van voorlichtingscampagnes op Europees en nationaal niveau inzake de verschillende beschikbare soorten SoHO-donaties;
b)   de ondersteuning, via relevante programma’s, van de opleiding van gezondheidswerkers in ziekenhuizen en gezondheidsinstellingen, teneinde de bewustmaking omtrent SoHO-donaties te vergroten; 
c)   de coördinatie van de uitwisseling van beste praktijken in verband met de optimalisering van het gebruik van kritische SoHO’s.
2.   De in lid 1 bedoelde strategie omvat acties om een EU-lijst op te stellen van kritische SoHO’s. 
3.   De in lid 1 bedoelde strategie omvat acties om te waarborgen dat er via het in hoofdstuk XI bedoelde Europese SoHO-platform regelmatig toezicht is op de in artikel 34 bis bedoelde verslagen. Dat toezicht is erop gericht op Unieniveau feitelijke en potentiële tekorten in kaart te brengen die een gevaar kunnen vormen voor de gezondheid van patiënten.
4.   De strategie ter bevordering van de Europese autonomie op het gebied van SoHO’s wordt vanaf 2030 om de vijf jaar herzien door de Commissie. Indien nodig worden de nationale plannen die overeenkomstig artikel 62 zijn opgesteld binnen een termijn van hoogstens twee jaar na de bekendmaking van de herziene strategie geëvalueerd.
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 1
1.  Entiteiten voor kritische SoHO’s zenden hun bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging een SoHO-leveringswaarschuwing in geval van een significante onderbreking, onder vermelding van de onderliggende reden, de verwachte gevolgen voor patiënten en de getroffen mitigatiemaatregelen, waaronder naargelang van het geval mogelijke alternatieve leveringskanalen. Onderbrekingen worden als significant beschouwd wanneer de toepassing van kritische SoHO’s wegens onbeschikbaarheid wordt geannuleerd of uitgesteld en dit een ernstig risico voor de gezondheid vormt.
1.  Entiteiten voor kritische SoHO’s zenden hun bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging een SoHO-leveringswaarschuwing in geval van een significante onderbreking, onder vermelding van de onderliggende reden, de verwachte gevolgen voor patiënten en de getroffen mitigatiemaatregelen, waaronder naargelang van het geval mogelijke alternatieve leveringskanalen. Onderbrekingen worden als significant beschouwd wanneer de toepassing van kritische SoHO’s wegens onbeschikbaarheid wordt geannuleerd of uitgesteld en dit een ernstig risico voor de menselijke gezondheid vormt.
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 2 – punt b
b)  zij nemen maatregelen om de eventuele risico’s voor zover mogelijk te beperken; en
b)  zij nemen maatregelen om de risico’s voor zover mogelijk te beperken; en
Amendement 200
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 3
3.  De nationale SoHO-autoriteiten kunnen de ontvangen SoHO-leveringswaarschuwing op het Europese SoHO-platform plaatsen wanneer de leveringsonderbreking mogelijk gevolgen voor andere lidstaten heeft of die onderbreking kan worden opgelost door samenwerking tussen de lidstaten overeenkomstig artikel 62, lid 3, punt d).
3.  De nationale SoHO-autoriteiten plaatsen de ontvangen SoHO-leveringswaarschuwing zonder onnodige vertraging op het Europese SoHO-platform.
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Artikel 64
Artikel 64
Schrappen
Ontheffing van de verplichte toelating van SoHO-preparaten in noodsituaties
1.   In afwijking van artikel 21 kunnen de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van een naar behoren gemotiveerd verzoek van een SoHO-entiteit in verband met een noodsituatie op gezondheidsgebied de distributie of bereiding voor onmiddellijke toepassing van SoHO-preparaten op hun grondgebied toestaan terwijl de in dat artikel bedoelde procedures niet zijn uitgevoerd, mits het gebruik van die SoHO-preparaten in het belang is van de volksgezondheid. Bevoegde autoriteiten vermelden de termijn waarvoor de toestemming wordt verleend of formuleren voorwaarden om die termijn duidelijk te kunnen vaststellen.
2.   De bevoegde autoriteiten stellen de nationale SoHO-autoriteit in kennis van de noodtoelating. De nationale SoHO-autoriteit stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van besluiten om de distributie of bereiding voor onmiddellijke toepassing van SoHO-preparaten in overeenstemming met lid 1 toe te staan in de gevallen waarin deze SoHO-preparaten mogelijk naar andere lidstaten worden gedistribueerd.
Amendement 202
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – titel
Aanvullende noodmaatregelen van lidstaten
Aanvullende nood- en leveringsmaatregelen van lidstaten
Amendement 203
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – alinea 1
De lidstaten kunnen in aanvulling op de in hun nationale SoHO-noodplannen omschreven maatregelen aanvullende maatregelen treffen om bij tekorten op hun grondgebied per geval de levering van kritische SoHO’s te waarborgen. De lidstaten die dergelijke maatregelen nemen, stellen de andere lidstaten en de Commissie zonder onnodige vertraging in kennis en motiveren de genomen maatregelen.
De lidstaten kunnen in aanvulling op de in hun nationale SoHO-noodplannen en leveringsplannen omschreven maatregelen aanvullende maatregelen treffen om bij tekorten op hun grondgebied per geval de levering van kritische SoHO’s te waarborgen. De lidstaten die dergelijke maatregelen nemen, stellen de andere lidstaten, de SCB en de Commissie zonder onnodige vertraging in kennis en motiveren de genomen maatregelen.
Amendement 204
Voorstel voor een verordening
Artikel 66 – titel
Noodplannen van SoHO-entiteiten
Noodplannen van SoHO-entiteiten en plannen voor de continuïteit van de levering
Amendement 205
Voorstel voor een verordening
Artikel 66 – alinea 1
Elke SoHO-entiteit die SoHO-activiteiten uitvoert die betrekking hebben op kritische SoHO’s, beschikt over een eigen noodplan om de uitvoering van het in artikel 62 bedoelde nationale SoHO-noodplan te ondersteunen.
Elke SoHO-entiteit die SoHO-activiteiten uitvoert die betrekking hebben op kritische SoHO’s, beschikt over een plan voor de continuïteit van de levering en een eigen noodplan. Die plannen ondersteunen de uitvoering van het nationale plan voor de continuïteit van de levering en de in artikel 62 bedoelde nationale SoHO-noodplannen.
Amendement 206
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 2
2.  Elke lidstaat benoemt twee permanente leden en twee plaatsvervangende leden als vertegenwoordigers van de nationale SoHO-autoriteit en, indien de lidstaat daarvoor kiest, het ministerie van Volksgezondheid. De nationale SoHO-autoriteit kan leden van andere bevoegde autoriteiten benoemen, maar die leden moeten waarborgen dat de standpunten en voorstellen die zij doen door de nationale SoHO-autoriteit worden gesteund. Voor de vergaderingen van de raad kunnen ook deskundigen en waarnemers worden uitgenodigd en de raad kan in voorkomend geval met andere externe deskundigen samenwerken. Andere instellingen, organen of instanties van de Unie hebben de status van waarnemer.
2.  Elke lidstaat benoemt twee permanente leden en twee plaatsvervangende leden als vertegenwoordigers van de nationale SoHO-autoriteit en, indien de lidstaat daarvoor kiest, het ministerie van Volksgezondheid. De nationale SoHO-autoriteit kan leden van andere bevoegde autoriteiten benoemen, maar die leden moeten waarborgen dat de standpunten en voorstellen die zij doen door de nationale SoHO-autoriteit worden gesteund. Voor de vergaderingen van de raad kunnen ook deskundigen en waarnemers worden uitgenodigd en de raad kan in voorkomend geval met andere externe deskundigen samenwerken. Tot die deskundigen en belanghebbenden kunnen consumenten, patiënten, gezondheidswerkers en onderzoekers behoren. Andere relevante instellingen, organen, instanties of diensten van de Unie hebben de status van waarnemer. Het Europees Parlement wijst een technische vertegenwoordiger aan om als waarnemer aan het SCB deel te nemen.
Amendement 207
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3
3.  De lidstaten zenden de namen en organisaties van hun benoemde leden aan de Commissie, die de ledenlijst op het Europese SoHO-platform publiceert.
3.  De lidstaten zenden de namen en organisaties van hun benoemde leden aan de Commissie, die de ledenlijst op het Europese SoHO-platform openbaar maakt. De lijst met autoriteiten, organisaties of organen waartoe de SCB-deelnemers behoren, wordt bekendgemaakt op de website van de Commissie.
Amendement 208
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   De Commissie maakt het reglement van orde en de richtsnoeren van de SCB en eveneens de agenda’s en de notulen van de vergaderingen van de SCB openbaar op het Europese SoHO-platform, tenzij die bekendmaking afbreuk doet aan de bescherming van een openbaar of particulier belang, zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad1 bis.
______________
1 bis Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
Amendement 209
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 4
4.  De Commissie zit de vergaderingen van de SCB voor. De voorzitter neemt niet aan de stemmingen van de SCB deel.
4.  De SCB wordt gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie en door één roulerende vertegenwoordiger van de lidstaten, die door en uit de vertegenwoordigers van de lidstaten in de SCB wordt gekozen. De voorzitter neemt niet aan de stemmingen van de SCB deel.
Amendement 210
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 6 – punt j
j)  de regels voor het melden van belangenconflicten van uitgenodigde deskundigen;
j)  de regels voor het melden van belangenconflicten van leden, plaatsvervangende leden, waarnemers en uitgenodigde deskundigen van de SCB;
Amendement 211
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 6 – punt k bis (nieuw)
k bis)  openbaarmaking van een samenvatting van de tijdens de vergaderingen besproken onderwerpen.
Amendement 212
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 7
7.  De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen de noodzakelijke maatregelen vast voor de instelling, het beheer en het functioneren van de SCB.
7.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 77 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen met de noodzakelijk maatregelen voor de instelling, het beheer en het functioneren van de SCB.
Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 79, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 213
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.   De leden van de SCB mogen geen financiële of andere belangen in verwante bedrijfstakken hebben waardoor hun onpartijdigheid in het gedrang kan komen. Zij verbinden zich ertoe in dienst van het algemeen belang en in een geest van onafhankelijkheid te handelen, en leggen jaarlijks een verklaring af over hun financiële belangen. Alle indirecte belangen die met de farmaceutische industrie verband kunnen houden, worden aangetekend in een register dat door de Commissie wordt bijgehouden en door het publiek op verzoek kan worden geraadpleegd in de kantoren van de Commissie.
De gedragscode van de SCB verwijst naar de toepassing van dit artikel, met name wat de aanvaarding van giften betreft.
Amendement 214
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 7 ter (nieuw)
7 ter.   De leden van de SCB, de deskundigen en de waarnemers doen op elke vergadering mededeling van de bijzondere belangen die afbreuk zouden kunnen doen aan hun onafhankelijkheid ten aanzien van de agendapunten. Dergelijke mededelingen worden openbaar gemaakt.
Amendement 215
Voorstel voor een verordening
Artikel 68 – lid 1 – punt a
a)  het voorbereiden van adviezen op verzoek van bevoegde autoriteiten in overeenstemming met artikel 14, lid 2, eerste alinea, omtrent de juridische status ingevolge deze verordening van een stof, product of activiteit en het inzenden van de adviezen van de raad voor het compendium;
a)  in samenwerking met andere, krachtens andere relevante wetgeving van de Unie aangewezen autoriteiten, het voorbereiden van adviezen op verzoek van bevoegde autoriteiten in overeenstemming met artikel 14, leden 1 en 2, omtrent de juridische status ingevolge deze verordening van een stof, product of activiteit en het inzenden van de adviezen van de raad voor het compendium;
Amendement 216
Voorstel voor een verordening
Artikel 68 – lid 1 – punt e
e)  het onderhouden van contacten voor de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, voor zover relevant, met het EDQM en het ECDC met betrekking tot technische normen, en met het EMA over toelatingen en toezichthoudende taken met betrekking tot de uitvoering van de PMF-certificering ingevolge Richtlijn 2003/63/EG, ter ondersteuning van de geharmoniseerde uitvoering van normen en technische richtsnoeren;
e)  het onderhouden van contacten voor de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, voor zover relevant, met het EDQM en het ECDC met betrekking tot technische normen binnen hun respectieve gebieden van deskundigheid, en met het EMA over toelatingen en toezichthoudende taken met betrekking tot de uitvoering van de PMF-certificering ingevolge Richtlijn 2003/63/EG, ter ondersteuning van de geharmoniseerde uitvoering van normen en technische richtsnoeren;
Amendement 217
Voorstel voor een verordening
Artikel 68 – lid 1 – punt f bis (nieuw)
f bis)   het waarborgen van de coördinatie met betrekking tot de continuïteit en voldoende leveringen van kritische SoHO’s;
Amendement 218
Voorstel voor een verordening
Artikel 68 – lid 1 – punt g bis (nieuw)
g bis)   in geval van een SoHO-gerelateerde noodsituatie op gezondheidsgebied of om mogelijke bedreigingen te voorkomen, samenwerken met de Commissie, het Raadgevend Comité inzake noodsituaties voor de volksgezondheid en het ECDC, zoals opgericht bij Verordening (EU) 2022/2371.
Amendement 219
Voorstel voor een verordening
Artikel 69 – lid 1 – alinea 1
De Commissie organiseert opleidingen van de Unie in samenwerking met de betrokken lidstaten.
De Commissie organiseert opleidingen van de Unie in samenwerking met de lidstaten.
Amendement 220
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – alinea 1
De Commissie zet een samenwerking met het EDQM op met betrekking tot de door het EDQM gepubliceerde richtsnoeren en houdt deze samenwerking in stand.
De Commissie zet een samenwerking met het EDQM op met betrekking tot de door het EDQM gepubliceerde richtsnoeren en houdt deze samenwerking in stand. Deze samenwerking is gebaseerd op de hoogste wetenschappelijke normen, is proactief bij het in kaart brengen van toekomstige behoeften en is transparant, waarbij de belanghebbenden worden betrokken bij raadplegingen in verband met de ontwikkeling van de richtsnoeren. Bij deze samenwerking wordt geen afbreuk gedaan aan de Uniewetgeving en wordt rekening gehouden met de beginselen van de Unie inzake transparantie en participatie van belanghebbenden.
Amendement 221
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – alinea 1 bis (nieuw)
In geval dat de in de eerste alinea bedoelde richtsnoeren niet stroken met de belangen van de Unie en de lidstaten, kan de Commissie aanvullend advies vaststellen voor de lidstaten over hoe en wanneer die richtsnoeren moeten worden toegepast.
Amendement 222
Voorstel voor een verordening
Artikel 73 – lid 1
1.  De Commissie stelt het Europese SoHO-platform in en beheert en onderhoudt dit platform om de in deze verordening bedoelde doeltreffende en doelmatige uitwisseling van informatie over SoHO-activiteiten in de Unie te bevorderen.
1.  De Commissie stelt het Europese SoHO-platform in en beheert en onderhoudt dit platform om de in deze verordening bedoelde doeltreffende en doelmatige uitwisseling, registratie en opslag van informatie over SoHO-activiteiten en de levering van kritische SoHO’s in de Unie te bevorderen.
Amendement 223
Voorstel voor een verordening
Artikel 73 – lid 2
2.  De Commissie vat gegevens van algemeen belang samen en maakt deze in de vorm van geanonimiseerde overzichten openbaar op het Europese SoHO-platform. Het Europese SoHO-platform is een kanaal voor besloten uitwisseling van informatie en gegevens tussen bevoegde autoriteiten en tussen SoHO-entiteiten en hun respectieve bevoegde autoriteiten.
2.  De Commissie vat gegevens van algemeen belang samen en maakt deze in de vorm van geanonimiseerde overzichten openbaar op het Europese SoHO-platform. Het Europese SoHO-platform is een kanaal voor besloten uitwisseling van informatie en gegevens tussen bevoegde autoriteiten.
Amendement 224
Voorstel voor een verordening
Artikel 73 – lid 4
4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 77 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen met technische specificaties voor de instelling, het beheer en het onderhoud van het Europese SoHO-platform.
4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 77 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen met technische specificaties voor de instelling, het beheer en het onderhoud van het Europese SoHO-platform en toegangsrechten in te stellen voor nationale bevoegde autoriteiten en organen en instanties van de Unie om hun taken uit te voeren, en minimumcategorieën met betrekking tot de informatie die overeenkomstig lid 2 van dit artikel moet worden gedeeld.
Amendement 225
Voorstel voor een verordening
Artikel 73 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   Teneinde met name krapte in de levering te voorkomen en de veiligheid van de donoren en de ontvangers te waarborgen, ziet de Commissie erop toe dat het Europese SoHO-platform interoperabel is met andere bestaande EU-platformen, met name het bij artikel 13 van Verordening (EU) 2022/123 van het Europees Parlement en de Raad1 bis opgerichte Europees platform voor de monitoring van tekorten van het EMA.
_________________
1 bis Verordening (EU) 2022/123 van het Europees Parlement en de Raad van 25 januari 2022 betreffende een grotere rol van het Europees Geneesmiddelenbureau inzake crisisparaatheid en -beheersing op het gebied van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen (PB L 20 van 31.1.2022, blz. 1).
Amendement 226
Voorstel voor een verordening
Artikel 74 – lid 2
2.  Het Europese SoHO-platform is ook een beveiligde omgeving voor de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten en de Commissie, met name inzake SAO en snelle waarschuwingen. Daarnaast is op het platform informatie over de registratie- en toelatingsstatus van SoHO-entiteiten openbaar toegankelijk en zijn op het platform de toepasselijke richtsnoeren beschikbaar die moeten worden nageleefd om te voldoen aan de technische normen van de artikelen 56 en 59.
2.  Het Europese SoHO-platform is ook een beveiligde omgeving voor de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten en de betrokken directoraten-generaal van de Commissie als de SCB, met name inzake SAO, snelle waarschuwingen en leveringswaarschuwingen voor SoHO’s, alsook tussen de bevoegde autoriteiten en de SCB, het EMA en het ECDC. Daarnaast is op het platform informatie over de registratie- en toelatingsstatus van SoHO-entiteiten openbaar toegankelijk en zijn op het platform de toepasselijke richtsnoeren beschikbaar die moeten worden nageleefd om te voldoen aan de technische normen van de artikelen 56 en 59.
Amendement 227
Voorstel voor een verordening
Artikel 74 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Het Europese SoHO-platform is ook de belangrijkste intermediair voor het melden van tekorten aan SoHO’s, voor grensoverschrijdende verzoeken voor SoHO’s en voor de in- en uitvoer van SoHO’s. De nationale autoriteiten geven en ontvangen waarschuwingen inzake tekorten die niet op het niveau van de lidstaten kunnen worden opgelost, alsook grensoverschrijdende SoHO-verzoeken, en kunnen daarop reageren. Nationale autoriteiten die op de hoogte zijn van de nationale beschikbaarheid van SoHO’s, als bedoeld in artikel 34 bis, maken gebruik van het Europese SoHO-platform om eventuele tekorten aan SoHO’s te melden die tot een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid kunnen leiden of andere ernstige gevolgen kunnen hebben.
Amendement 228
Voorstel voor een verordening
Artikel 74 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.   In het geval van een SoHO-gerelateerde noodsituatie op gezondheidsgebied of met het oog op het voorkomen van potentiële bedreigingen, kunnen de Commissie, de bevoegde autoriteiten en andere relevante organen door middel van waarschuwingen via het Europese SoHO-platform snel op de hoogte worden gebracht van dergelijke noodsituaties of potentiële bedreigingen, zodat zo snel mogelijk actie kan worden ondernomen in overeenstemming met Verordening (EU) 2022/2371.
Amendement 229
Voorstel voor een verordening
Artikel 74 – lid 2 quater (nieuw)
2 quater.   Het Europese SoHO-platform bevat een register van klinische onderzoeken met SoHO’s en de resultaten daarvan, als bedoeld in artikel 36 bis.
Amendement 230
Voorstel voor een verordening
Artikel 74 – lid 3
3.  De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen technische specificaties voor het Europese SoHO-platform vast, onder meer voor de functies, rollen en verantwoordelijkheden van elk van de in lid 1 genoemde partijen, de bewaartermijnen voor persoonsgegevens en de technische en organisatorische maatregelen om de veiligheid en de beveiliging van verwerkte persoonsgegevens te waarborgen.
3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 77 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening en om uniformiteit, compatibiliteit en vergelijkbaarheid van de gegevens die worden uitgewisseld via het platform te waarborgen door technische specificaties voor het Europese SoHO-platform vast te stellen, onder meer voor de functies, rollen en verantwoordelijkheden van elk van de in lid 1 genoemde partijen, de bewaartermijnen voor persoonsgegevens en de technische en organisatorische maatregelen om de veiligheid en de beveiliging van verwerkte persoonsgegevens te waarborgen.
Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 79, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 231
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 1 – punt a
a)  persoonsgegevens overeenkomstig artikel 76;
a)  natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 76;
Amendement 232
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 3
3.  Lid 1 en 2 laten de rechten en verplichtingen van de Commissie, de lidstaten en de bevoegde autoriteiten onverlet waar het gaat om de uitwisseling van informatie en de verspreiding van waarschuwingen, alsook de verplichtingen van personen om in het kader van het nationale strafrecht informatie te verstrekken.
3.  Lid 1 en 2 laten de rechten en verplichtingen van de Commissie, de lidstaten en de bevoegde autoriteiten onverlet waar het gaat om de uitwisseling van informatie en de verspreiding van waarschuwingen, alsook de verplichtingen van personen om in het kader van het nationale strafrecht of andere toepasselijke wetgeving, zo ook inzake toegang tot informatie, informatie te verstrekken.
Amendement 234
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 3
3.  Persoonsgegevens, waaronder gezondheidsgegevens, die vereist zijn voor de toepassing van artikel 35, 36, 41 en 47, artikel 53, lid 1, punt f) en g), artikel 53, lid 3, en artikel 58, lid 11, 13 en 14, worden uitsluitend verwerkt om de veiligheid en de kwaliteit van SoHO’s te waarborgen en om de betrokken SoHO-donoren, ontvangers van SoHO’s en vruchten van medisch begeleide voortplanting te beschermen. Die gegevens zijn rechtstreeks gerelateerd aan de resultaten van de desbetreffende toezichthoudende activiteiten en SoHO-activiteiten en beperken zich tot hetgeen voor dat doel noodzakelijk en evenredig is.
3.  Persoonsgegevens, waaronder gezondheidsgegevens, die vereist zijn voor de toepassing van artikel 35, 36, 41 en 47, artikel 53, lid 1, punt f) en g), artikel 53, lid 3, en artikel 58, lid 11, 13 en 14, worden uitsluitend verwerkt om de veiligheid en de kwaliteit van SoHO’s te waarborgen en om de betrokken SoHO-donoren, ontvangers van SoHO’s en vruchten van medisch begeleide voortplanting te beschermen. Die gegevens zijn rechtstreeks gerelateerd aan de resultaten van de desbetreffende toezichthoudende activiteiten en SoHO-activiteiten en beperken zich tot hetgeen voor dat doel noodzakelijk en evenredig is. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de categorieën persoonsgegevens worden vastgelegd die nodig zijn voor een dergelijke verwerking.
Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 79, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 235
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 6
6.  Vanwege hun verantwoordelijkheden om persoonsgegevens te verwerken teneinde aan de verplichting van deze verordening te voldoen, worden de SoHO-entiteiten en bevoegde autoriteiten van de lidstaten beschouwd als verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 4, punt 7, van Verordening (EU) 2016/679 en zijn zij gebonden aan de regels van die verordening.
6.  Vanwege hun verantwoordelijkheden om persoonsgegevens te verwerken teneinde aan de verplichting van deze verordening te voldoen, worden de SoHO-entiteiten en bevoegde autoriteiten van de lidstaten beschouwd als verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 4, punt 7, van Verordening (EU) 2016/679 en zijn zij gebonden aan de regels van die verordening. Dezelfde bepalingen zijn van toepassing op elke derde partij die door een SoHO-entiteit is gecontracteerd voor de verwerking van persoonsgegevens. Die derde partij wordt beschouwd als een verwerker in de zin van artikel 4, punt 8, van Verordening (EU) 2016/679.
Amendement 236
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 2
2.  De bevoegdheid om de in artikel 28, lid 10, artikel 42, lid 3, artikel 53, lid 6, artikel 58, lid 15, artikel 69, lid 6, artikel 73, lid 4, en artikel 76, lid 8, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een onbepaalde periode met ingang van ... [PB: gelieve de datum in te voegen = datum van inwerkingtreding van deze verordening].
2.  De bevoegdheid om de in artikel 28, lid 10, artikel 42, lid 3, artikel 53, lid 6, artikel 56, lid 1, artikel 58, lid 15, artikel 62, lid 7, artikel 67, lid 7, artikel 69, lid 6, artikel 73, lid 4, artikel 74, lid 3, en artikel 76, lid 8, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een onbepaalde periode met ingang van ... [PB: gelieve de datum in te voegen = datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Amendement 237
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 28, lid 10, artikel 42, lid 3, artikel 53, lid 6, artikel 58, lid 15, artikel 69, lid 6, artikel 73, lid 4, en artikel 76, lid 8, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 28, lid 10, artikel 42, lid 3, artikel 53, lid 6, artikel 56, lid 1, artikel 58, lid 15, artikel 62, lid 7, artikel 67, lid 7, artikel 69, lid 6, artikel 73, lid 4, artikel 74, lid 3, en artikel 76, lid 8, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 238
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – alinea 1
Onverminderd de in artikel 87 bedoelde toepassingsdata en de overgangsbepalingen van dit hoofdstuk, is de Commissie bevoegd de in artikel 42, lid 3, en artikel 73, lid 4, bedoelde gedelegeerde handelingen alsmede de in artikel 26, lid 4, artikel 43, lid 6, artikel 44, lid 3, artikel 46, lid 3, artikel 67, lid 7, en artikel 74, lid 3, bedoelde uitvoeringshandelingen met ingang van ... [PB: gelieve de datum in te voegen = één dag na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] vast te stellen. Deze handelingen worden van toepassing vanaf de in artikel 87, lid 1, tweede alinea, genoemde datum van toepassing, onverminderd de overgangsmaatregelen van dit hoofdstuk.
Onverminderd de in artikel 87 bedoelde toepassingsdata en de overgangsbepalingen van dit hoofdstuk, is de Commissie bevoegd de in artikel 42, lid 3, artikel 67, lid 7, artikel 73, lid 4, en artikel 74, lid 3, bedoelde gedelegeerde handelingen alsmede de in artikel 26, lid 4, artikel 43, lid 6, artikel 44, lid 3, en artikel 46, lid 3, bedoelde uitvoeringshandelingen met ingang van ... [PB: gelieve de datum in te voegen = één dag na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] vast te stellen. Deze handelingen worden van toepassing vanaf de in artikel 87, lid 1, tweede alinea, genoemde datum van toepassing, onverminderd de overgangsmaatregelen van dit hoofdstuk.
Amendement 239
Voorstel voor een verordening
Artikel 86 – alinea 1
Uiterlijk op ... [PB: gelieve de datum in te voegen = vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening] beoordeelt de Commissie de toepassing van deze verordening, stelt zij een evaluatieverslag op van de vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening en legt zij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s de belangrijkste bevindingen voor.
Uiterlijk op ... [PB: gelieve de datum in te voegen = vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening] beoordeelt de Commissie de toepassing van deze verordening, stelt zij een evaluatieverslag op van de vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening en legt zij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s de belangrijkste bevindingen voor. In dat verslag bekijkt de Commissie ook de haalbaarheid van en de behoefte aan de oprichting van een centraal register voor SoHO-donaties.
Amendement 240
Voorstel voor een verordening
Artikel 86 – alinea 3
De lidstaten verstrekken de Commissie de aanvullende informatie die nodig en evenredig is voor het opstellen van het evaluatieverslag.
De lidstaten verstrekken de Commissie de aanvullende informatie die nodig en evenredig is voor het opstellen van het evaluatieverslag. Het evaluatieverslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel ter wijziging van deze verordening.

(1)De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A9-0250/2023).


Toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen
PDF 114kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het ontwerp van besluit van de Raad tot wijziging van Besluit (EU) 2019/1754 inzake de toetreding van de Europese Unie tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen (07424/2023 – C9-0145/2023 – 2022/0372(NLE))
P9_TA(2023)0300A9-0237/2023

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07424/2023),

–  gezien de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen (11510/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9‑0145/2023),

–  gezien artikel 105, leden 1 en 4, en artikel 114, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A9‑0237/2023),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Versterking van de Europese defensie-industrie door middel van gemeenschappelijke aanbestedingen (Edirpa)
PDF 141kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wet ter versterking van de Europese defensie-industrie door middel van gemeenschappelijke aanbestedingen (COM(2022)0349 – C9-0287/2022 – 2022/0219(COD))
P9_TA(2023)0301A9-0161/2023

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0349),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 173, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0287/2022),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2022(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 5 juli 2023 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0161/2023),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2023 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2023/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een instrument voor de versterking van de Europese defensie-industrie ▌door middel van gemeenschappelijke aanbestedingen ▌(EDIRPA)

P9_TC1-COD(2022)0219


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening/ Richtlijn/ Besluit (EU) 2023/2418.)

(1) PB C 486 van 21.12.2022, blz. 168.


Oppervlaktewater- en grondwaterverontreinigende stoffen
PDF 354kWORD 109k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 september 2023 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, Richtlijn 2006/118/EG betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand en Richtlijn 2008/105/EG inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid (COM(2022)0540 – C9-0361/2022 – 2022/0344(COD))(1)
P9_TA(2023)0302A9-0238/2023

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 (nieuw)
(-1)   Water is geen gewone handelswaar, maar een erfgoed dat als zodanig beschermd, verdedigd en behandeld moet worden, om ervoor te zorgen dat ecosystemen worden behouden en er universele toegang tot schoon water is.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 bis (nieuw)
(-1 bis)   Op 28 juli 2010 erkende de Algemene Vergadering van de VN het recht op veilig en schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen als een mensenrecht dat van wezenlijk belang is dat essentieel is om het leven en alle mensenrechten ten volle te kunnen genieten. Na het succes van het Europees burgerinitiatief “Right2Water” van 2014 heeft de Commissie in 2018 een voorstel tot herziening van de drinkwaterrichtlijn aangenomen en is de desbetreffende gewijzigde richtlijn op 12 januari 2021 in werking getreden. Die richtlijn voorziet in een verplichting voor de lidstaten om de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te verbeteren en zich daarbij te baseren op de in het kader van Richtlijn 2000/60/EG verworven kennis en uitgevoerde maatregelen. Tevens moeten de lidstaten zorgen voor de doeltreffendheid van het recht op schoon water en sanitaire voorzieningen door de kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater te verbeteren.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Chemische verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater vormt een bedreiging voor het aquatisch milieu, waarbij effecten optreden als acute en chronische toxiciteit voor in het water levende organismen, accumulatie van verontreinigende stoffen in het ecosysteem en verlies van habitats en biodiversiteit, alsook voor de gezondheid van de mens. De vaststelling van milieukwaliteitsnormen draagt bij tot de verwezenlijking van de ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen voor een gifvrij milieu.
(1)  Chemische verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater vormt een bedreiging voor het aquatisch milieu, waarbij effecten optreden als acute en chronische toxiciteit voor in het water levende organismen, accumulatie van verontreinigende stoffen in het ecosysteem en verlies van habitats en biodiversiteit, alsook voor de gezondheid van de mens. De vaststelling van milieukwaliteitsnormen draagt bij tot de verwezenlijking van de ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen voor een gifvrij milieu als een van de prioritaire doelstellingen van het achtste milieuactieprogramma1 bis.
_________________
1 bis Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   Volgens het Europees Milieuagentschap bevindt ongeveer 90 % van het oppervlakte van grondwaterlichamen zich in een goede kwantitatieve toestand, bevindt ongeveer 75 % van het oppervlakte van grondwaterlichamen zich in een goede chemische toestand, bevindt 40 % van de oppervlaktewaterlichamen zich in een ecologisch goede of zeer goede toestand, en bevindt 38 % van de oppervlaktewaterlichamen zich in een goede chemische toestand, terwijl uit het rapport van het Europees Milieuagentschap van 4 december 2019 getiteld “The European environment - state and outlook 2020: Knowledge for transition to a sustainable Europe” blijkt dat de waterkwaliteit door een afname van de vervuiling weliswaar is verbeterd, maar dat de Unie medio 2020 ver verwijderd was van het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle waterlichamen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 ter (nieuw)
(1 ter)   Uit de geschiktheidscontrole van de kaderrichtlijn water van 2019 (“de Fitness Check”) is gebleken dat de volgende ronde van maatregelenprogramma’s een cruciale rol zal spelen bij het waarborgen van de noodzakelijke vooruitgang bij de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG binnen de gestelde termijn van 2027, en dat momenteel meer dan de helft van alle Europese waterlichamen is vrijgesteld op grond van Richtlijn 2000/60/EG, waardoor de uitdagingen voor de lidstaten om binnen een passend tijdsbestek te streven naar de verwezenlijking van de milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen meer dan substantieel zijn. Bovendien kwam uit de geschiktheidscontrole naar voren dat de milieudoelstellingen niet helemaal zijn verwezenlijkt, grotendeels door ontoereikende financiering, trage uitvoering en onvoldoende integratie van milieudoelstellingen in sectoraal beleid, en niet door een tekortkoming in de wetgeving.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 quater (nieuw)
(1 quater)   Sommige bevolkingsgroepen, waaronder inheemse volken, zijn vanwege geografische en sociaaleconomische factoren kwetsbaarder voor waterverontreiniging. De mijnbouwsector in de Europese Unie zal naar verwachting groeien om de ontwikkeling van de nettonulindustrie te waarborgen. Zoals in rapport 09/2021 van het Europees Milieuagentschap1 bis nogmaals wordt benadrukt, heeft de mijnbouwsector directe gevolgen voor de waterkwaliteit en -kwantiteit; Derhalve is het nodig de bestaande wetgevingskaders beter te implementeren en watergebruik en -lozing ook bij mijnbouwactiviteiten te plannen en te controleren.
_________________
1 bis Drivers of and pressures arising from selected key water management challenges: A European overview, report 09/2021, EEA
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 quinquies (nieuw)
(1 quinquies)  Veel gebieden in de Unie worden geteisterd door ernstige - en steeds ernstigere - waterschaarste. De ernstige en aanhoudende droogten van de afgelopen jaren, met name in het Middellandse Zeegebied, vormen een risico voor de landbouwproductie en veroorzaken een sterke afname van de oppervlakte- en grondwaterreserves1 bis.
__________________
1 bis https://www.oecd.org/agriculture/topics/water-and-agriculture/
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 sexies (nieuw)
(1 sexies)  Water is een publiek goed voor iedereen, waarmee, als essentiële natuurlijke hulpbron die onvervangbaar en onmisbaar is voor alle leven, ter dege rekening moet worden gehouden gezien de sociale, economische en milieudimensie ervan. De klimaatverandering, met inbegrip van steeds frequentere natuurrampen en extreme weersomstandigheden, en de achteruitgang van de biodiversiteit hebben een negatieve invloed op de waterkwaliteit en -kwantiteit en leiden tot druk op sectoren die afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van water, in het bijzonder de landbouw.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 septies (nieuw)
(1 septies)  Het Europees Milieuagentschap (EEA) merkt in zijn verslag “European waters – assessment of status and pressures” uit 2018 bepaalde landbouwpraktijken aan als obstakels voor het bereiken van een goede chemische toestand van grondwater in de Unie omdat zij leiden tot verontreiniging door nitraten en bestrijdingsmiddelen, maar de afgelopen decennia zijn het gebruik van minerale meststoffen en de nutriëntenoverschotten in de Unie gestaag gedaald1 bis. Andere belangrijke bronnen van vervuiling zijn lozingen buiten de riolering, verontreinigde locaties of verlaten industrieterreinen.
__________________
1 bis https://www.eea.europa.eu/publications/state-of-water
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 octies (nieuw)
(1 octies)  Een goede toestand van waterlichamen en efficiënt beheer van waterbronnen zijn van prioritair belang voor de landbouw, aangezien landbouwers water nodig hebben om hun activiteiten uit te voeren en er als zodanig rechtstreeks belang bij hebben dat deze hulpbron duurzaam wordt aangewend.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 nonies (nieuw)
(1 nonies)  Ter bevordering van een transitie naar een duurzamere en productievere landbouwsector die veerkrachtig is met betrekking tot waterschaarste, moeten stimuleringsmaatregelen voor landbouwers worden ingevoerd om het waterbeheer te verbeteren en irrigatiesystemen en -technieken te moderniseren.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 decies (nieuw)
(1 decies)  Het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan ernstige gevolgen hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van het water dat voor de landbouwsector beschikbaar is, en kan leiden tot een vermindering van zowel de aquatische als de terrestrische biodiversiteit. Het is derhalve gepast om de effecten en de ecotoxicologische aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en hun metabolieten in waterlichamen te meten.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 undecies (nieuw)
(1 undecies)  Het is essentieel dat rekening wordt gehouden met wat er al is bereikt in sectoren als de landbouw, waar de fytosanitaire verontreiniging ten opzichte van 2015-2017 al met 14 % is verminderd en het percentage voor de schadelijkste verontreinigende stoffen zelfs met 26 % is gedaald. De cijfers duiden dan ook op een constante vermindering van het gebruik en het risico van chemicaliën en 2020 was het tweede jaar op rij waarin het gebruik van bestrijdingsmiddelen, met name de gevaarlijkste, aanzienlijk daalde1 bis.
__________________
1 bis https://food.ec.europa.eu/plants/pesticides/sustainable-use-pesticides/farm-fork-targets-progress/eu-trends_nl
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 duodecies (nieuw)
(1 duodecies)  De chemische verontreiniging van oppervlakte- en grondwater vormt ook een gevaar voor de landbouwsector doordat deze leidt tot beperkingen in de beschikbaarheid van water dat geschikt is voor de irrigatie van gewassen, waardoor de waterschaarste verergert. De Unie en de lidstaten moeten daarom meer steun verlenen voor onderzoek en innovatie om snel oplossingen door te voeren om de schaarste en verontreiniging van oppervlakte- en grondwater aan te pakken, met inbegrip van digitalisering, precisielandbouw, geoptimaliseerde en gemoderniseerde irrigatie en een circulair gebruik van hulpbronnen, een verbeterd klimaatbestendig waterbeheer en een gerichtere toepassing van bestrijdingsmiddelen en meststoffen voor gewassen, minder vervuilende en veiligere alternatieven voor landbouwproductiemiddelen, meer resistente en nutriëntenefficiënte variëteiten van gewassen en een intensiever gebruik van gezuiverd afvalwater voor landbouwirrigatie. Dit moet bijdragen tot de totstandbrenging van een duurzaam en veerkrachtig voedselsysteem in de Unie, waarbij ook de diffuse verontreiniging door de landbouw en de behoefte aan grondwateronttrekking in de landbouwsector worden beperkt.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Bij het streven naar een hoog niveau van milieubescherming en bij de uitvoering van het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen, moet de Unie rekening houden met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie, de gevolgen voor de voedselzekerheid, de voedselproductie en de betaalbaarheid van voedsel, alsook met gezonde en duurzame voedingspatronen.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De doelstellingen om een “goede toestand van waterlichamen” te bereiken en de beschikbaarheid van water te waarborgen, zijn overlappend, en worden vaak niet op voldoende coherente wijze nagestreefd. Goed waterbeheer moet worden geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen van de Unie die betrekking hebben op waterverbruikende sectoren.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 ter (nieuw)
(3 ter)  Uit de Fitness Check kwam naar voren dat waterdoelstellingen beter moeten worden geïntegreerd in het landbouwbeleid. Met het nieuwe GLB werden maatregelen ingevoerd om het waterbeheer duurzamer te maken. Voor een betere samenhang tussen landbouw- en waterbeleid moeten de lidstaten de mogelijkheden die het nieuwe GLB biedt, ten volle benutten, waterkwesties volledig in hun strategische plannen integreren, met inbegrip van het gebruik van kennis- en innovatiesystemen voor de landbouw (AKIS), en de ontwikkeling van adviesdiensten faciliteren die beste praktijken op het gebied van waterbeheer bevorderen.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Bij Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad45 wordt een kader vastgesteld voor de bescherming van binnenlandse oppervlaktewateren, overgangswateren, kustwateren en grondwater. Dat kader houdt in dat op het niveau van de Unie prioritaire stoffen worden geselecteerd uit stoffen die een significant risico vormen voor of via het aquatisch milieu. Bij Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad46 zijn voor de hele Unie geldende milieukwaliteitsnormen vastgesteld voor de 45 prioritaire stoffen die zijn opgenomen in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG en voor acht andere verontreinigende stoffen die reeds vóór de invoering van bijlage X bij Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad47 op het niveau van de Unie waren gereglementeerd. Bij Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad48 zijn voor de hele Unie geldende grondwaterkwaliteitsnormen vastgesteld voor nitraten en voor werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, alsook criteria voor de vaststelling van nationale drempelwaarden voor andere grondwaterverontreinigende stoffen. De richtlijn bevat ook een minimumlijst van twaalf verontreinigende stoffen en de bijbehorende indicatoren waarvoor de lidstaten moeten overwegen dergelijke nationale drempelwaarden vast te stellen. De grondwaterkwaliteitsnormen zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG.
(4)  Bij Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad45 wordt een kader vastgesteld voor de bescherming van binnenlandse oppervlaktewateren, overgangswateren, kustwateren en grondwater. Dat kader houdt in dat op het niveau van de Unie prioritaire stoffen worden geselecteerd uit stoffen die een significant risico vormen voor of via het aquatisch milieu. Bij Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad46 zijn voor de hele Unie geldende milieukwaliteitsnormen vastgesteld voor de 45 prioritaire stoffen die zijn opgenomen in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG en voor acht andere verontreinigende stoffen die reeds vóór de invoering van bijlage X bij Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad47 op het niveau van de Unie waren gereglementeerd. Bij Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad48 zijn voor de hele Unie geldende grondwaterkwaliteitsnormen vastgesteld voor nitraten en voor werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, alsook criteria voor de vaststelling van nationale drempelwaarden voor andere grondwaterverontreinigende stoffen. De richtlijn bevat ook een minimumlijst van twaalf verontreinigende stoffen en de bijbehorende indicatoren waarvoor de lidstaten dergelijke nationale drempelwaarden moeten vaststellen. De grondwaterkwaliteitsnormen zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG.
_________________
_________________
45 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
45 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
46 Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84).
46 Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84).
47 Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1).
47 Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1).
48 Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19).
48 Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19).
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat verontreiniging door lozing, emissie of verlies van prioritaire gevaarlijke stoffen binnen een gepaste tijdspanne en in elk geval uiterlijk twintig jaar nadat een bepaalde prioritaire stof als gevaarlijk is opgenomen in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG, wordt stopgezet of geleidelijk wordt beëindigd. Die tijdspanne dient de toepassing van striktere termijnen in andere toepasselijke Uniewetgeving onverlet te laten.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  De overweging om stoffen op te nemen in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG of in bijlage I of II bij Richtlijn 2006/118/EG wordt gebaseerd op een beoordeling van het risico dat zij inhouden voor de mens en voor het aquatisch milieu. De belangrijkste onderdelen van die beoordeling zijn kennis van de concentraties van de stoffen in het milieu, met inbegrip van informatie die is verzameld via monitoring van de aandachtstoffenlijst, en van de (eco)toxicologische kenmerken van de stoffen, alsook van hun persistentie, bioaccumulatie, carcinogeniteit, mutageniteit, reproductieve toxiciteit, en hormoonontregelend vermogen.
(5)  De overweging om stoffen op te nemen in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG of in bijlage I of II bij Richtlijn 2006/118/EG wordt gebaseerd op een beoordeling van het risico dat zij inhouden voor de mens en voor het aquatisch milieu. De belangrijkste onderdelen van die beoordeling zijn kennis van de concentraties van de stoffen in het milieu, met inbegrip van informatie die is verzameld via monitoring van de aandachtstoffenlijst, en van de (eco)toxicologische kenmerken van de stoffen, alsook van hun persistentie, bioaccumulatie, toxiciteit, mobiliteit, carcinogeniteit, mutageniteit, reproductieve toxiciteit, en hormoonontregelend vermogen.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Er is een combinatie van beheersingsmaatregelen aan de bron en “end-of-pipe”-maatregelen nodig om de meeste verontreinigende stoffen gedurende hun levenscyclus doeltreffend aan te pakken, met inbegrip van, in voorkomend geval, het ontwerp, de toelating of de goedkeuring van chemische stoffen, de beheersing van emissies tijdens de vervaardiging en het gebruik of andere processen, en de behandeling van afval. De vaststelling van nieuwe of strengere kwaliteitsnormen voor waterlichamen vormt derhalve een aanvulling op en is in overeenstemming met andere Uniewetgeving waarin het vervuilingsprobleem in een of meer van die stadia wordt aangepakt of zou kunnen worden aangepakt, waaronder Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad49, Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad50, Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad51, Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad52, Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad53, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad54, Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad55 en Richtlijn 91/271/EEG van de Raad56.
(7)  Er is een combinatie van beheersingsmaatregelen aan de bron en “end-of-pipe”-maatregelen nodig om de meeste verontreinigende stoffen gedurende hun levenscyclus doeltreffend aan te pakken, met inbegrip van, in voorkomend geval, het ontwerp, de toelating of de goedkeuring van chemische stoffen, de beheersing van emissies tijdens de vervaardiging en het gebruik of andere processen, en de behandeling van afval. De vaststelling van nieuwe of strengere kwaliteitsnormen voor waterlichamen vormt derhalve een aanvulling op en is in overeenstemming met andere Uniewetgeving waarin het vervuilingsprobleem in een of meer van die stadia wordt aangepakt of moet worden aangepakt, waaronder Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad49, Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad50, Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad51, Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad52, Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad53, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad54, Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad55 en Richtlijn 91/271/EEG van de Raad56. Opdat de lidstaten de in artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde milieudoelstellingen op de best mogelijke en meest kosteneffectieve wijze kunnen verwezenlijken, moeten zij er bij de vaststelling van hun maatregelenprogramma’s voor zorgen dat beheersingsmaatregelen aan de bron voorrang krijgen boven “end-of-pipe”-maatregelen en dat die maatregelen in overeenstemming zijn met de relevante sectorale wetgeving van de Unie inzake verontreiniging. Indien het risico bestaat dat beheersingsmaatregelen aan de bron niet tot een goede toestand van waterlichamen leiden, moeten “end-of-pipe”-maatregelen worden toegepast. De Commissie moet richtsnoeren ontwikkelen voor beste praktijken voor beheersingsmaatregelen aan de bron en de complementariteit van “end-of-pipe”-maatregelen.
_________________
_________________
49 Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
49 Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
50 Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
50 Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
51 Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).
51 Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).
52 Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43).
52 Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43).
53 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
53 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
54 Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).
54 Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).
55 Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
55 Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
56 Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).
56 Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)   Waterverontreiniging is voornamelijk het gevolg van industriële en landbouwactiviteiten, lozingen van afvalwater en stedelijk afvalwater, met inbegrip van regenwater. De Commissie en de lidstaten moeten in hun acties prioriteit geven aan maatregelen ter vermindering van de verontreiniging aan de bron en aan de handhaving van die maatregelen. Daartoe moet worden gezorgd voor samenhang tussen alle onderdelen van de wetgeving van de Unie en van de lidstaten die betrekking hebben op verontreinigende emissies aan de bron, zodat de verontreiniging wordt teruggebracht tot niveaus die niet langer als schadelijk voor de gezondheid en de natuurlijke ecosystemen worden beschouwd.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)   Om ervoor te zorgen dat de wetgeving ter voorkoming van verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater gelijke tred houdt met de snel plaatsvindende ontwikkelingen op het gebied van nieuwe en opkomende chemische stoffen, die als verontreinigende stoffen aanzienlijke risico’s met zich mee kunnen brengen voor de menselijke gezondheid of het aquatisch milieu, moeten de beleidsmechanismen voor het opsporen en beoordelen van dergelijke zorgwekkend wordende stoffen worden versterkt. In dit opzicht moet een benadering worden ontwikkeld voor monitoring en analyse van extra aantallen van dergelijke stoffen of groepen stoffen in de aandachtstoffenlijsten voor oppervlaktewater en grondwater. De in de aandachtstoffenlijst op te nemen stoffen of groepen stoffen moeten worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn. Het aantal stoffen of groepen stoffen dat moet worden gemonitord en geanalyseerd in het kader van de toezichtlijsten voor oppervlaktewater en grondwater, mag niet worden beperkt.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  De nieuwe wetenschappelijke kennis wijst op een aanzienlijk risico van diverse andere verontreinigende stoffen die in waterlichamen worden aangetroffen, naast de reeds gereglementeerde verontreinigende stoffen. In het grondwater is een specifiek probleem geconstateerd door middel van vrijwillige monitoring van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) en geneesmiddelen. PFAS zijn aangetroffen in meer dan 70 % van de grondwatermeetpunten in de Unie en de bestaande nationale drempelwaarden worden op een aanzienlijk aantal locaties duidelijk overschreden, en ook worden op grote schaal farmaceutische stoffen aangetroffen. Voor oppervlaktewateren zijn perfluoroctaansulfonzuur en derivaten daarvan reeds als prioritaire stoffen aangewezen, maar andere PFAS worden nu ook als een risico beschouwd. Uit de monitoring van de aandachtstoffenlijst op grond van artikel 8 ter van Richtlijn 2008/105/EG is gebleken dat een aantal farmaceutische stoffen in oppervlaktewateren een risico vormen en derhalve moeten zij aan de lijst van prioritaire stoffen worden toegevoegd.
(8)  De nieuwe wetenschappelijke kennis wijst op een aanzienlijk risico van diverse andere verontreinigende stoffen die in waterlichamen worden aangetroffen, naast de reeds gereglementeerde verontreinigende stoffen. In het grondwater is een specifiek probleem geconstateerd door middel van vrijwillige monitoring van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) en geneesmiddelen. PFAS zijn aangetroffen in meer dan 70 % van de grondwatermeetpunten in de Unie en de bestaande nationale drempelwaarden worden op een aanzienlijk aantal locaties duidelijk overschreden, en ook worden op grote schaal farmaceutische stoffen aangetroffen. Een subset van specifieke PFAS alsook PFAS totaal moeten derhalve aan de lijst van grondwaterverontreinigende stoffen worden toegevoegd. Voor oppervlaktewateren zijn perfluoroctaansulfonzuur en derivaten daarvan reeds als prioritaire stoffen aangewezen, maar andere PFAS worden nu ook als een risico beschouwd. Een subset van specifieke PFAS alsook PFAS totaal moeten derhalve aan de lijst van prioritaire stoffen worden toegevoegd. Om een geharmoniseerde aanpak en een gelijk speelveld in de Unie te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG te wijzigen door een kwaliteitsnorm voor PFAS totaal vast te stellen. Uit de monitoring van de aandachtstoffenlijst op grond van artikel 8 ter van Richtlijn 2008/105/EG is ook gebleken dat een aantal farmaceutische stoffen in oppervlaktewateren een risico vormen en derhalve moeten zij aan de lijst van prioritaire stoffen worden toegevoegd.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Glyfosaat is het voor landbouwdoeleinden meest gebruikte onkruidbestrijdingsmiddel in de Unie. Met betrekking tot deze werkzame stof is ernstige bezorgdheid ontstaan vanwege de gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en de aquatische toxiciteit. In december 2022 heeft de Commissie besloten de vergunning voor het in de handel brengen van glyfosaat met nog eens één jaar te verlengen, in afwachting van de in juli 2023 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid geplande herbeoordeling van de werkzame stof. Uit verschillende recente wetenschappelijke studies1 bis blijkt echter dat, gezien de aquatische toxiciteit van glyfosaat, AMPA en onkruidbestrijdingsmiddelen op basis van glyfosaat, een milieukwaliteitsnorm (MKN) van minder dan 0,1 μg/l voor alle oppervlaktewaterlichamen moet worden overwogen. Gezien de lopende beoordelingen door de bevoegde regelgevende instanties van de Unie en de bevindingen uit relevante wetenschappelijke studies naar de effecten van glyfosaat op in het water levende organismen, en ter waarborging van een goede chemische toestand van de meeste wateren van de Unie op basis van het voorzorgsbeginsel moet met betrekking tot glyfosaat een gemeenschappelijke en uniforme JG-MKN voor landoppervlaktewateren en afzonderlijk voor andere oppervlaktewateren worden vastgesteld.
_________________
1 bis “Transcriptomic signalling in zebrafish embryos exposed to environmental concentrations of glyphosate”, 2022. “Effects of low-concentration glyphosate and aminomethyl phosphonic acid on zebrafish embryo development”, 2021. “Global transcriptomic profiling demonstrates induction of oxidative stress and compensatory cellular stress responses in brown trout exposed to glyphosate and Roundup”, 2018.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 ter (nieuw)
(8 ter)   Atrazine is een onkruidbestrijdingsmiddel dat wordt gebruikt voor eenjarige breedbladige onkruiden en eenjarige grassoorten in granen. Het gebruik van atrazine in gewasbeschermingsmiddelen is niet langer toegelaten in de Unie overeenkomstig Beschikking 2004/248/EG van de Commissie1 bis. Atrazine is bewezen een hormoonontregelaar te zijn, met bewijs dat het de voortplanting en ontwikkeling verstoort, en het kan kanker veroorzaken. Het Europees Milieuagentschap, dat tussen 2013 en 2020 heeft beoordeeld of bestrijdingsmiddelen de effect- of kwaliteitsdrempels haalden, heeft vastgesteld dat overschrijdingen van een of meer bestrijdingsmiddelen, voornamelijk overschrijdingen van atrazine en de metabolieten ervan, op 4 % tot 11 % van de locaties voor grondwatermonitoring zijn geconstateerd. Gezien de aanhoudende aanwezigheid ervan in het oppervlakte- en grondwater van de Unie en om ervoor te zorgen dat de drempelwaarden voor atrazine de milieukwaliteitsnormen voor totale bestrijdingsmiddelen en metabolieten niet overschrijden, moet de drempelwaarde voor atrazine in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG worden aangepast, ook overeenkomstig de in Richtlijn (EU) 2020/2184 vastgestelde drempelwaarde voor dezelfde stof1 ter.
_________________
1 bis Beschikking 2004/248/EG van de Commissie van 10 maart 2004 betreffende de niet-opneming van atrazine in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten (PB L 78 van 16.3.2004, blz. 53).
1 ter Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1).
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 quater (nieuw)
(8 quater)   Volgens SCHEER1 bis en het EMA1 ter werd de generieke kwaliteitsnorm van 0,1 μg/l en 0,5 µg/l voor grondwater, die respectievelijk werd voorgesteld voor afzonderlijke bestrijdingsmiddelen en voor de som van alle bestrijdingsmiddelen, zoals gespecificeerd in Richtlijn 2006/118/EG, in de jaren tachtig vastgesteld op basis van de op dat moment beschikbare chemisch-analytische gevoeligheid. De standaardwaarde van 0,1 μg/l voor afzonderlijke bestrijdingsmiddelen is niet voldoende beschermend gebleken voor de menselijke gezondheid en het grondwaterecosysteem en is soms aanzienlijk hoger dan de drempelwaarden voor tal van bestrijdingsmiddelen en fungiciden op de lijst van prioritaire stoffen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. Eveneens rekening houdend met het advies van SCHEER dat geen grondwaterdrempelwaarden hoger mogen zijn dan de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater, moet de Commissie de drempelwaarden voor afzonderlijke bestrijdingsmiddelen en de som van alle bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG herzien door moderne analysemethoden toe te passen en deze te vergelijken met de beste beschikbare toxicologische kennis. In afwachting van deze evaluatie en in overeenstemming met de voorzorgsbenadering die drinkwaterleveranciers in het Europees grondwatermemorandum1 quater hebben geformuleerd, moeten op basis van het beste wetenschappelijke bewijs dat beschikbaar is tussentijdse drempelwaarden worden vastgesteld.
_________________
1 bis SCHEER. Contribution to ENV consultation: Comments on the Commission’s proposal for amending the WFD/GWD/EQSD, March 2023. SCHEER. Groundwater quality standards for proposed additional pollutants in the annexes to the Groundwater Directive (2006/118/EC), July 2022.
1 ter EMA. Assessing the toxicological risk to human health and groundwater communities from veterinary pharmaceuticals in groundwater - Scientific guideline, April 2018.
1 quater European Groundwater Memorandum: To secure the quality and quantity of drinking water for future generations, March 2022.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 quinquies (nieuw)
(8 quinquies)   Bisfenol A moet als een prioritaire gevaarlijke stof worden behandeld en moet aan de lijst in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG worden toegevoegd. Uit wetenschappelijke rapporten blijkt dat ook andere bisfenolen dan bisfenol A bewezen hormoonontregelend vermogen hebben en dat mengsels van die bisfenolen een ecotoxicologisch risico vormen. Aangezien deze wetenschappelijke bevindingen aanleiding geven tot bezorgdheid over het veilige gebruik van alternatieven voor bisfenolen die een negatief effect kunnen hebben op de gezondheid van de mens en het milieu, moet de Commissie een parameter “Bisfenolen totaal” en een passende milieukwaliteitsnorm voor het totaal van bisfenolen vaststellen.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 sexies (nieuw)
(8 sexies)   Volgens het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)1 bis zijn grondwaterecosystemen fundamenteel anders en kunnen ze daarom kwetsbaarder zijn voor stressfactoren dan oppervlaktewaterecosystemen omdat ze niet kunnen herstellen van verstoringen. Daarom moet bij het vaststellen van grondwaterdrempelwaarden een voorzorgsbenadering worden toegepast voor de bescherming van de menselijke gezondheid, grondwaterecosystemen en van grondwater afhankelijke ecosystemen. Overeenkomstig het advies van het EMA moeten de drempelwaarden voor grondwater, als gevolg van deze kwetsbaarheid, normaal gesproken 10 keer lager liggen dan de overeenkomstige drempelwaarden voor oppervlaktewateren. Wanneer echter het werkelijke risico voor de ecosystemen van het grondwater kan worden vastgesteld, kan het passend zijn de drempelwaarden voor grondwater op een ander niveau vast te stellen.
_________________
1 bis EMA. Assessing the toxicological risk to human health and groundwater communities from veterinary pharmaceuticals in groundwater - Scientific guideline, April 2018.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Krachtens het toepasselijke Unierecht zijn de lidstaten verplicht aangetaste wateren en wateren die gevaar lopen te identificeren, nitraatgevoelige gebieden aan te wijzen, actieprogramma’s te ontwikkelen en relevante maatregelen te treffen. In dit opzicht moeten de controlemaatregelen en systemen voor waterkwaliteitsmeting van de lidstaten beter worden geharmoniseerd, zodat in de Unie homogene normen kunnen worden gebruikt die vergelijkingen tussen de lidstaten mogelijk maken en mededingingsproblemen binnen de Europese landbouwsector, die de interne markt verstoren, kunnen worden voorkomen.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Hoewel er bezorgdheid is geuit over het risico dat resistentie tegen antimicrobiële stoffen zich ontwikkelt als gevolg van de aanwezigheid van micro-organismen met resistentie tegen antimicrobiële middelen en van genen voor een dergelijke resistentie in het aquatisch milieu, is er tot dusver weinig monitoring uitgevoerd. Relevante genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen moeten ook worden opgenomen in de aandachtstoffenlijsten voor oppervlakte- en grondwater en moeten worden gemonitord zodra geschikte monitoringmethoden zijn ontwikkeld. Dit is in overeenstemming met het Europees “één gezondheid”-actieplan tegen resistentie tegen antimicrobiële middelen, dat in juni 2017 door de Commissie is goedgekeurd, en met de farmaceutische strategie voor Europa, waarin dit probleem ook wordt aangepakt.
(10)  Naar schatting waren in 2019 wereldwijd tussen 900 000 en 1,7 miljoen sterfgevallen toe te schrijven aan infecties door antimicrobiële resistentie (AMR)1 bis. Tegelijkertijd is er bezorgdheid geuit over het risico dat resistentie tegen antimicrobiële stoffen zich ontwikkelt als gevolg van de aanwezigheid van micro-organismen met resistentie tegen antimicrobiële middelen en van genen voor een dergelijke resistentie in het aquatisch milieu, maar er is tot dusver weinig monitoring uitgevoerd. Relevante genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen moeten ook worden opgenomen in de aandachtstoffenlijsten voor oppervlakte- en grondwater en moeten worden gemonitord zodra geschikte monitoringmethoden zijn ontwikkeld. Dit is in overeenstemming met het Europees “één gezondheid”-actieplan tegen resistentie tegen antimicrobiële middelen, dat in juni 2017 door de Commissie is goedgekeurd, en met de farmaceutische strategie voor Europa, waarin dit probleem ook wordt aangepakt.
_________________
1 bis “Global burden of bacterial antimicrobial resistance in 2019: a systematic analysis”, Lancet, 19 januari 2022 https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0140673621027240?via%3Dihub
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1729 van de Commissie tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2013/652/EU1 bis bevat het kader voor het verkrijgen van vergelijkbare en betrouwbare gegevens over antimicrobiële resistentie in de Europese Unie, onder meer door het afvalwater van slachthuizen - een potentiële drager van antibioticaresistente bacteriën en derhalve een mogelijke route van milieuverontreiniging - te monitoren. Er zijn al antibioticaresistente bacteriën aangetroffen in water dat door slachthuizen wordt geloosd.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)   Er is bezorgdheid geuit over het risico op sulfaten en xanthaten in het aquatisch milieu. Sulfaten tasten niet alleen de drinkwaterkwaliteit aan, ze beïnvloeden ook de materiaalcycli van koolstof, stikstof en fosfor. Dit verhoogt onder andere de belasting met voedingsstoffen in waterlichamen en daarmee de groei van planten en algen en vergroot ook het voedselaanbod voor waterorganismen en leidt tot een afname van zuurstof in het water. Sulfaten en hun afbraakproducten, vooral sulfide, kunnen onder bepaalde omstandigheden een toxisch effect hebben op het waterleven. Standaard testresultaten geven aan dat sommige xanthaten en hun afbraakproducten toxisch zijn voor ongewervelde waterdieren en vissoorten en dat ze kunnen bioaccumuleren. Sulfaten zijn al opgenomen als grondwaterverontreinigende stof, maar er heeft te weinig monitoring plaatsgevonden. Sulfaten moeten daarom in de aandachtstoffenlijsten voor oppervlakte- en grondwater worden opgenomen. Xanthaten moeten in de aandachtstoffenlijst voor oppervlaktewater worden opgenomen.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 quater (nieuw)
(10 quater)  Stoffen als microplastics vormen duidelijk een risico voor de volksgezondheid en het milieu, maar ook voor basisactiviteiten zoals de ontwikkeling van de landbouw. De aanwezigheid van dergelijke stoffen en andere deeltjes kan niet alleen gevolgen hebben voor het water dat wordt gebruikt voor vee en gewassen, maar ook voor de vruchtbaarheid van de grond, waardoor de gezondheid en goede ontwikkeling van huidige en toekomstige gewassen in gevaar komt1 bis.
__________________
1 bis https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2352186422000724
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Gezien het toenemende bewustzijn van de relevantie van mengsels en derhalve van effectgerichte monitoring voor het bepalen van de chemische toestand, en gezien het feit dat er reeds voldoende robuuste, effectgerichte monitoringmethoden bestaan voor oestrogene stoffen, moeten de lidstaten die methoden toepassen om de cumulatieve effecten van oestrogene stoffen in oppervlaktewateren te beoordelen over een periode van ten minste twee jaar. Dit zal het mogelijk maken de effectgerichte resultaten te vergelijken met de resultaten die zijn verkregen met behulp van de conventionele methoden voor de monitoring van de drie oestrogene stoffen die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. Die vergelijking zal worden gebruikt om te beoordelen of effectgerichte monitoringmethoden als betrouwbare screeningmethoden kunnen worden gebruikt. Het gebruik van dergelijke screeningsmethoden zou als voordeel hebben dat de effecten van alle oestrogene stoffen met vergelijkbare effecten kunnen worden bestreken, en niet alleen die welke zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. De definitie van milieukwaliteitsnormen in Richtlijn 2000/60/EG moet worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat hieronder in de toekomst ook triggerwaarden kunnen vallen die zouden kunnen worden vastgesteld om de resultaten van effectgerichte monitoring te beoordelen.
(11)  De bestaande en conventionele monitoringmethoden voor het bepalen van de chemische toestand van waterlichamen zijn over het algemeen minder doeltreffend voor het vaststellen van de gevolgen van complexe mengsels van chemische stoffen voor de waterkwaliteit. Gezien het toenemende bewustzijn van de relevantie van mengsels en derhalve van effectgerichte monitoring voor het bepalen van de chemische toestand, en gezien het feit dat er reeds voldoende robuuste, effectgerichte monitoringmethoden bestaan voor oestrogene stoffen, moeten de lidstaten die methoden toepassen om de cumulatieve effecten van oestrogene stoffen in oppervlaktewateren te beoordelen over een periode van ten minste twee jaar. Dit zal het mogelijk maken de effectgerichte resultaten te vergelijken met de resultaten die zijn verkregen met behulp van de conventionele methoden voor de monitoring van de drie oestrogene stoffen die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. Die vergelijking moet worden opgenomen in een door de Commissie gepubliceerd evaluatieverslag waarin zij beoordeelt of effectgerichte monitoringmethoden betrouwbare en accurate gegevens leveren en als betrouwbare screeningmethoden kunnen worden gebruikt. Het gebruik van dergelijke screeningsmethoden zou als voordeel hebben dat de effecten van alle oestrogene stoffen met vergelijkbare effecten kunnen worden bestreken, en niet alleen die welke zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen tot het vaststellen van gedelegeerde handelingen ter aanvulling van Richtlijn 2008/105/EG voor de vaststelling van de wijze waarop de lidstaten in afwachting van een mogelijke toekomstige vaststelling van effectgerichte triggerwaarden effectgerichte monitoring kunnen uitvoeren voor het beoordelen van de aanwezigheid van andere stoffen in waterlichamen. De definitie van milieukwaliteitsnormen in Richtlijn 2000/60/EG moet worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat hieronder in de toekomst ook triggerwaarden kunnen vallen die zouden kunnen worden vastgesteld om de resultaten van effectgerichte monitoring te beoordelen.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   Er moeten strengere drempelwaarden worden vastgesteld wanneer kwaliteitsnormen voor grondwater ertoe kunnen leiden dat de uit hoofde van Richtlijn 2006/118/EG vereiste milieudoelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG voor de betrokken waterlichamen niet worden gehaald. Die eis uit hoofde van Richtlijn 2006/118/EG moet verder worden uitgebreid om kwetsbare gebieden beter tegen verontreiniging te beschermen.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  In de evaluatie van de waterwetgeving van de Unie58 (de “evaluatie”) werd geconcludeerd dat het proces voor het vaststellen en in een lijst opnemen van verontreinigende stoffen die van invloed zijn op oppervlakte- en grondwater en voor het vaststellen of herzien van kwaliteitsnormen voor die stoffen in het licht van nieuwe wetenschappelijke kennis, kan worden versneld. Indien die taken door de Commissie zouden worden uitgevoerd, in plaats van in het kader van de gewone wetgevingsprocedure waarin momenteel is voorzien in de artikelen 16 en 17 van Richtlijn 2000/60/EG en in artikel 10 van Richtlijn 2006/118/EG, zou de werking van de aandachtstoffenlijstmechanismen voor oppervlakte- en grondwater, met name wat betreft het tijdschema en de volgorde van opneming in de lijst, monitoring en beoordeling van de resultaten, kunnen worden verbeterd, zouden de verbanden tussen het aandachtstoffenlijstmechanisme en de toetsingen van de lijsten van verontreinigende stoffen kunnen worden versterkt, en zou er bij wijzigingen van de lijsten van verontreinigende stoffen sneller rekening kunnen worden gehouden met de wetenschappelijke vooruitgang. Daarom, en gezien de noodzaak om de lijsten van verontreinigende stoffen en de bijbehorende milieukwaliteitsnormen onverwijld te wijzigen in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG te wijzigen met betrekking tot de lijst van prioritaire stoffen en overeenkomstige milieukwaliteitsnormen in deel A van die bijlage en om bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG te wijzigen met betrekking tot de lijst van grondwaterverontreinigende stoffen en kwaliteitsnormen in die bijlage. In dit verband moet de Commissie rekening houden met de resultaten van de monitoring van stoffen op de aandachtstoffenlijsten voor oppervlakte- en grondwater. Bijgevolg moeten de artikelen 16 en 17 van Richtlijn 2000/60/EG en bijlage X bij die richtlijn, alsook artikel 10 van Richtlijn 2006/118/EG worden geschrapt.
(12)  In de evaluatie van de waterwetgeving van de Unie58 (de “evaluatie”) werd geconcludeerd dat het proces voor het vaststellen en in een lijst opnemen van verontreinigende stoffen die van invloed zijn op oppervlakte- en grondwater en voor het vaststellen of herzien van kwaliteitsnormen voor die stoffen in het licht van nieuwe wetenschappelijke kennis, kan worden versneld. Daarom moet in het kader van toekomstige herzieningen van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG wat betreft de lijst van prioritaire stoffen en overeenkomstige milieukwaliteitsnormen vastgesteld in deel A van die bijlage en van bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG, de werking van de aandachtstoffenlijstmechanismen voor oppervlakte- en grondwater, met name wat betreft het tijdschema en de volgorde van opneming in de lijst, monitoring en beoordeling van de resultaten, worden verbeterd, moeten de verbanden tussen het aandachtstoffenlijstmechanisme en de toetsingen van de lijsten van verontreinigende stoffen kunnen versterkt, en moet de evaluatieperiode voor de lijsten van verontreinigende stoffen worden aangepast om sneller rekening te kunnen worden gehouden met de wetenschappelijke vooruitgang. In dit verband moet de Commissie rekening houden met de resultaten van de monitoring van stoffen op de aandachtstoffenlijsten voor oppervlakte- en grondwater. Bijgevolg moeten de artikelen 16 en 17 van Richtlijn 2000/60/EG en bijlage X bij die richtlijn, alsook artikel 10 van Richtlijn 2006/118/EG worden geschrapt, met behoud van de verplichting maatregelen te nemen die gericht zijn op de stopzetting of geleidelijke beëindiging van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen.
_________________
_________________
58 Werkdocument van de diensten van de Commissie “Fitness Check of the Water Framework Directive, Groundwater Directive, Environmental Quality Standards Directive and Floods Directive” (geschiktheidscontrole van de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn, de richtlijn milieukwaliteitsnormen en de overstromingsrichtlijn), SWD(2019)0439.
58 Werkdocument van de diensten van de Commissie “Fitness Check of the Water Framework Directive, Groundwater Directive, Environmental Quality Standards Directive and Floods Directive” (geschiktheidscontrole van de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn, de richtlijn milieukwaliteitsnormen en de overstromingsrichtlijn), SWD(2019)0439.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  In het algemeen blijkt uit de conclusies van de geschiktheidscontrole dat de richtlijnen in grote lijnen geschikt zijn voor het beoogde doel, met ruimte voor verbetering, onder meer door de correcte verwezenlijking van de doelstellingen ervan te versnellen, wat met meer EU-financiering kan worden bereikt. Uit de controle blijkt dat de richtlijnen tot dusver over het algemeen hebben geleid tot een hoger beschermingsniveau voor waterlichamen en een beter overstromingsrisicobeheer.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Beslissingen met betrekking tot de selectie en herziening van stoffen en de vaststelling van milieukwaliteitsnormen moeten worden gebaseerd op een risicobeoordeling en hierbij moet een evenredige, transparante en wetenschappelijk gestaafde benadering worden gevolgd en aanbevelingen van het Europees Parlement, de lidstaten en relevante belanghebbenden in acht worden genomen.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)  Hoewel in Richtlijn 2000/60/EG regels zijn vastgesteld die nodig zijn om vooruitgang te boeken op het gebied van waterkwantiteit en -kwaliteit, is uit de Fitness Check gebleken dat de trage vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn onder meer kan worden toegeschreven aan een gebrek aan financiële middelen en aan de complexiteit van de regelgeving en het milieu, met inbegrip van mogelijk vertraagde reacties van het grondwater op de maatregelen en vertragingen met betrekking tot de rapportagetermijnen. Maatregelen die de toestand van waterlichamen verbeteren door middel van het herstel van rivieren en ecosysteemdiensten leveren financiële baten op die veel groter zijn dan de kosten en kunnen onnodige uitgaven van de lidstaten verminderen. Voorts wijst de controle op een ontoereikende uitvoering, een ontoereikend toepassingsgebied en onvoldoende of ontoereikende herstelmaatregelen om hydrologische en ecologische connectiviteit te waarborgen1 bis.
__________________
1 bis https://www.igb-berlin.de/sites/default/files/media-files/download-files/IGB_Policy_Brief_WFD_2019.pdf
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Om een geharmoniseerde aanpak en een gelijk speelveld in de Unie te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deel B van bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG te wijzigen door de lijst van verontreinigende stoffen waarvoor de lidstaten moeten overwegen nationale drempelwaarden vast te stellen, aan te passen.
(15)  Om een geharmoniseerde aanpak en een gelijk speelveld in de Unie te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deel B van bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG te wijzigen door de lijst van verontreinigende stoffen waarvoor de lidstaten nationale drempelwaarden moeten vaststellen, aan te passen.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)   Om te voorzien in adequate beschermingsnormen voor gebieden met een grote ecologische waarde, kwetsbaarheid of verontreiniging, zoals grotten en karstgebieden, die ecosystemen bevatten die bijzonder gevoelig zijn voor verontreiniging en een belangrijke drinkwatervoorziening vormen, alsook voor voormalige industrieterreinen en andere gebieden met bekende historische verontreiniging, moet de Commissie een beoordeling van de chemische toestand van dergelijke gebieden publiceren en zo nodig een wetgevingsvoorstel indienen om Richtlijn 2006/118/EG dienovereenkomstig te herzien.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
(21)  Om doeltreffende en coherente besluitvorming te waarborgen en synergieën tot stand te brengen met de werkzaamheden in het kader van andere wetgeving van de Unie inzake chemische stoffen, moet aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen (“ECHA”) een permanente en duidelijk afgebakende rol worden toegekend bij de prioriteitstelling voor de stoffen die moeten worden opgenomen in de aandachtstoffenlijsten en in de lijsten van stoffen in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2008/105/EG en de bijlagen I en II bij Richtlijn 2006/118/EG, en bij de vaststelling van passende wetenschappelijk onderbouwde kwaliteitsnormen. Het Comité risicobeoordeling (RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (SEAC) van het ECHA moeten de uitvoering van bepaalde aan het ECHA opgedragen taken vergemakkelijken door adviezen te verstrekken. Het ECHA moet ook zorgen voor een betere coördinatie tussen de verschillende onderdelen van het milieurecht door middel van meer transparantie met betrekking tot de verontreinigende stoffen die op een aandachtstoffenlijst staan of de ontwikkeling van Uniebrede of nationale milieukwaliteitsnormen of drempelwaarden, door relevante wetenschappelijke verslagen openbaar te maken.
(21)  Om doeltreffende en coherente besluitvorming te waarborgen en synergieën tot stand te brengen met de werkzaamheden in het kader van andere wetgeving van de Unie inzake chemische stoffen, moet aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen (“ECHA”) een permanente en duidelijk afgebakende rol worden toegekend bij de prioriteitstelling voor de stoffen die moeten worden opgenomen in de aandachtstoffenlijsten en in de lijsten van stoffen in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2008/105/EG en de bijlagen I en II bij Richtlijn 2006/118/EG, en bij de vaststelling van passende wetenschappelijk onderbouwde kwaliteitsnormen. Het Comité risicobeoordeling (RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (SEAC) van het ECHA moeten de uitvoering van bepaalde aan het ECHA opgedragen taken vergemakkelijken door adviezen te verstrekken. Het ECHA moet ook zorgen voor een betere coördinatie tussen de verschillende onderdelen van het milieurecht door middel van meer transparantie met betrekking tot de verontreinigende stoffen die op een aandachtstoffenlijst staan of de ontwikkeling van Uniebrede of nationale milieukwaliteitsnormen of drempelwaarden, door relevante wetenschappelijke verslagen openbaar te maken. In verband met de beoordeling van drempelwaarden voor farmaceutische stoffen moet het ECHA samenwerken met het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA).
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)   Een betere integratie van de gegevensstromen die aan het EEA worden gerapporteerd in het kader van de waterwetgeving van de Unie, en met name van de inventarissen van emissies zoals vereist bij Richtlijn 2008/105/EG, met de gegevensstromen die overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU en Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad61 op het portaal voor industriële emissies worden gerapporteerd, zal de rapportage van de inventarissen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2008/105/EG eenvoudiger en efficiënter maken. Tegelijkertijd zullen de administratieve last en de werkdruk op piekmomenten bij de voorbereiding van de stroomgebiedbeheerplannen worden verminderd. In combinatie met de afschaffing van de tussentijdse verslaglegging over de voortgang van maatregelenprogramma’s, die niet doeltreffend is gebleken, zal deze vereenvoudigde verslaglegging de lidstaten in staat stellen zich meer te richten op het rapporteren van emissies die niet onder de wetgeving inzake industriële emissies vallen, maar wel onder de rapportage van emissies uit hoofde van artikel 5 van Richtlijn 2008/105/EG.
Schrappen
_________________
61 Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31
(31)  Er moet rekening worden gehouden met de wetenschappelijke en technische vooruitgang op het gebied van monitoring van de toestand van waterlichamen overeenkomstig de monitoringvoorschriften van bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan gebruik te maken van de gegevens en diensten van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden.
(31)  Er moet rekening worden gehouden met de wetenschappelijke en technische vooruitgang en de best beschikbare methoden op het gebied van monitoring van de toestand van waterlichamen overeenkomstig de monitoringvoorschriften van bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan gebruik te maken van de gegevens en diensten van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31 bis (nieuw)
(31 bis)   Industriële activiteiten in verband met de energietransitie kunnen de negatieve effecten op de waterkwaliteit verergeren. Om dergelijke toekomstige effecten, zoals veranderingen in natuurlijke stromingspatronen en temperatuur, en de waterverontreiniging te beperken, moet het volledige scala aan potentiële factoren worden beoordeeld, evenals de maatregelen die moeten worden genomen om een goede waterkwaliteit te bereiken en te behouden. Daarom moeten de lidstaten regelmatig de effecten van industriële activiteiten in verband met de energietransitie op de waterkwaliteit evalueren en de Commissie op de hoogte stellen van nieuwe bedreigingen, zodat de aandachtstoffenlijst dienovereenkomstig kan worden bijgewerkt. De evaluatie moet eenvoudig openbaar toegankelijk zijn en de actualisering moet buiten de algemene actualiseringscycli kunnen plaatsvinden om te zorgen voor een voortdurende verbetering van de waterkwaliteitsbeoordeling.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31 ter (nieuw)
(31 ter)   In haar mededeling van 11 december 2019 over de Europese Green Deal en haar mededeling van 14 oktober 2020 over de verbetering van de toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden heeft de Commissie zich ertoe verbonden maatregelen te nemen om de toegang tot nationale rechterlijke instanties in alle lidstaten te verbeteren voor burgers en niet-gouvernementele milieuorganisaties die de verenigbaarheid met het milieurecht van administratieve handelingen met gevolgen voor het milieu om specifieke redenen in twijfel trekken. In de laatstgenoemde mededeling stelt de Commissie dat “[d]e toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden, zowel via het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), als via de nationale rechters als Unierechters, [...] een belangrijke ondersteunende rol [speelt] bij het realiseren van de transitie in het kader van de Europese [Green] Deal, en [...] de rol van waakhond [versterkt] die het maatschappelijk middenveld speelt in de democratische ruimte”. Deze verbintenissen moeten ook ten uitvoer worden gelegd in het kader van Richtlijn 2000/60/EG.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31 quater (nieuw)
(31 quater)  Zoals bevestigd in de jurisprudentie van het HvJ-EU1 bis, moeten niet-gouvernementele milieuorganisaties en rechtstreeks betrokken personen procesbevoegdheid krijgen om een besluit van een overheidsinstantie aan te vechten dat in strijd is met de milieudoelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG. Teneinde de toegang tot nationale rechterlijke instanties in de betrokken zaken in de hele Unie te verbeteren en niet-gouvernementele milieuorganisaties en rechtstreeks betrokken personen in staat te stellen zich op het nationale recht te beroepen bij het aanvechten van besluiten die in strijd zijn met Richtlijn 2000/60/EG, moeten in Richtlijn 2000/60/EG bepalingen worden vastgesteld om de toegang tot de rechter te waarborgen.
__________________
1 bis Zaak C-535/18, arrest van het Hof (Eerste kamer) van 28 mei 2020; IL e.a. tegen Land Nordrhein-Westfalen. Zaak C-664/15, arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017; Protect Natur-, Arten- und Landschaftsschutz Umweltorganisation tegen Bezirkshauptmannschaft Gmünd.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32
(32)  Gezien de steeds vaker voorkomende onvoorziene weersomstandigheden, met name extreme overstromingen en langdurige droogten, en het toenemende aantal aanzienlijke verontreinigingsincidenten die grensoverschrijdende onopzettelijk veroorzaakte verontreiniging tot gevolg hebben of verergeren, moeten de lidstaten worden verplicht ervoor te zorgen dat onmiddellijk informatie over dergelijke incidenten wordt verstrekt aan andere potentieel getroffen lidstaten, en doeltreffend samen te werken met de potentieel getroffen lidstaten om de gevolgen van het voorval of incident te beperken. Ook moet de samenwerking tussen de lidstaten worden versterkt en moeten de procedures voor grensoverschrijdende samenwerking worden gestroomlijnd in geval van problemen van meer structurele aard, d.w.z. grensoverschrijdende, opzettelijk veroorzaakte en langetermijnproblemen die niet op het niveau van de lidstaten kunnen worden geregeld, overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2000/60/EG. Indien Europese bijstand nodig is, kunnen de bevoegde nationale autoriteiten verzoeken om bijstand indienen bij het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties van de Commissie, dat eventueel aangeboden bijstand en de inzet ervan via het Uniemechanisme voor civiele bescherming zal coördineren, overeenkomstig artikel 15 van Besluit 1313/2013 van het Europees Parlement en de Raad64.
(32)  Gezien de steeds vaker voorkomende onvoorziene weersomstandigheden, met name extreme overstromingen en langdurige droogten, en het toenemende aantal aanzienlijke verontreinigingsincidenten die grensoverschrijdende verontreiniging tot gevolg hebben of verergeren, moeten de lidstaten worden verplicht ervoor te zorgen dat onmiddellijk informatie over dergelijke incidenten wordt verstrekt aan andere potentieel getroffen lidstaten, en doeltreffend samen te werken met de potentieel getroffen lidstaten om de gevolgen van het voorval of incident te beperken. Ook moet de samenwerking tussen de lidstaten worden versterkt en moeten de procedures voor grensoverschrijdende samenwerking worden gestroomlijnd in geval van problemen van meer structurele aard, d.w.z. grensoverschrijdende, opzettelijk veroorzaakte en langetermijnproblemen die niet op het niveau van de lidstaten kunnen worden geregeld, overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2000/60/EG. Indien Europese bijstand nodig is, kunnen de bevoegde nationale autoriteiten verzoeken om bijstand indienen bij het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties van de Commissie, dat eventueel aangeboden bijstand en de inzet ervan via het Uniemechanisme voor civiele bescherming zal coördineren, overeenkomstig artikel 15 van Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad64. Aangezien stroomgebiedsdistricten zich ook tot buiten het grondgebied van de Unie kunnen uitstrekken, zou het waarborgen van een doeltreffende uitvoering van de relevante bepalingen voor waterbescherming in het kader van Richtlijn 2000/60/EG, alsmede een passende coördinatie met de betrokken niet-lidstaten, ook bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG voor die specifieke stroomgebiedsdistricten, als bedoeld in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2000/60/EG. Daarnaast moeten gewapende conflicten die plaatsvinden in de onmiddellijke geografische nabijheid van de Unie ook worden beschouwd als uitzonderlijke gebeurtenissen vanwege hun omvangrijke negatieve grensoverschrijdende milieueffecten, met inbegrip van lucht-, bodem- en waterverontreiniging. Aangezien de door dergelijke conflicten getroffen stroomgebieden zich binnen de grenzen van de Unie uitstrekken, moeten de Commissie en de lidstaten hun inspanningen opvoeren om een passende coördinatie tot stand te brengen met de betrokken niet-lidstaten als bedoeld in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2000/60/EG.
_________________
_________________
64 Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).
64 Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32 bis (nieuw)
(32 bis)   De Europese Rekenkamer merkt in haar Speciaal verslag van 19 mei 2021 getiteld “Het beginsel “de vervuiler betaalt”: inconsistente toepassing in de milieubeleidslijnen en -acties van de EU” op dat de lidstaten al ongeveer 100 miljard EUR per jaar uitgeven aan watervoorziening en waterzuivering en dat die uitgaven naar verwachting met meer dan 25 % zullen stijgen om de doelstellingen van de Uniewetgeving inzake afvalwaterzuivering en drinkwater te halen; dit is exclusief de investeringen die nodig zijn om bestaande infrastructuur te vernieuwen of te voldoen aan de doelstellingen van de kaderrichtlijn water en de overstromingsrichtlijn. Bovendien betalen de gebruikers in de Unie via de watertarieven gemiddeld ongeveer 70 % van de kosten voor het leveren van waterdiensten, terwijl de overheid de resterende 30 % financiert, hoewel er aanzienlijke verschillen zijn tussen regio’s en lidstaten. Meestal worden de kosten voor watervoorziening en waterzuivering worden voornamelijk gedragen door huishoudens, hoewel ze slechts 10 % van het water verbruiken, terwijl de economische sectoren die de grootste druk leggen op hernieuwbare zoetwaterbronnen, het minst bijdragen tot het dekken van die kosten.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32 ter (nieuw)
(32 ter)   De kosten van monitoringprogramma’s voor het bepalen van de toestand van oppervlaktewater en grondwater worden uitsluitend gefinancierd uit de begrotingen van de lidstaten. Die monitoringkosten zullen naar verwachting nog verder stijgen, aangezien het aantal chemische stoffen dat in het aquatisch milieu wordt aangetroffen voortdurend verandert, er steeds meer opkomende verontreinigende stoffen zijn die pas sinds kort in het aquatisch milieu terechtkomen, de methoden voor chemische analyse voortdurend moeten worden verbeterd om deze opkomende en nieuwe verontreinigende stoffen op te sporen en de milieu-impact ervan correct te kunnen beoordelen, en er ook nieuwe monitoringmethoden moeten worden ontwikkeld om de effecten van chemische mengsels beter te kunnen beoordelen. Om die kosten te dekken, en in overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt, vastgelegd in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is het van essentieel belang dat producenten die in de Unie producten in de handel brengen die stoffen bevatten waarvan is aangetoond dat zij negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens en het aquatisch milieu, de financiële verantwoordelijkheid dragen voor de maatregelen die nodig zijn voor de controle op de in het kader van hun commerciële activiteiten gegenereerde stoffen die in het oppervlaktewater en het grondwater worden aangetroffen. Een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is waarschijnlijk het meest geschikte middel om dit te bereiken, aangezien het de financiële lasten voor de belastingbetaler zou beperken en tegelijkertijd een stimulans zou bieden om groenere producten te ontwikkelen. De Commissie moet daarom een effectbeoordeling opstellen waarin wordt onderzocht of in Richtlijn 2006/118/EG en Richtlijn 2008/105/EG een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moet worden opgenomen dat van toepassing is op prioritaire stoffen in de zin van Richtlijn 2006/118/EG en Richtlijn 2008/105/EG, alsook op opkomende en nieuwe verontreinigende stoffen, zoals gedefinieerd in de aandachtstoffenlijsten uit hoofde van Richtlijn 2006/118/EG en Richtlijn 2008/105/EG. De effectbeoordeling moet waar nodig vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel om de Richtlijnen 2006/118/EG en 2008/105/EG te herzien.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32 quater (nieuw)
(32 quater)   De monitoring van een groter aantal stoffen of groepen stoffen brengt hogere kosten met zich mee, maar ook de behoefte aan meer administratieve capaciteit in de lidstaten, vooral in de lidstaten met schaarsere middelen. In het licht hiervan moet de Commissie een gezamenlijke Europese monitoringfaciliteit opzetten voor het beheer van de monitoringvoorschriften indien de lidstaten daar om verzoeken, om zo hun financiële en administratieve lasten te verlichten. De Commissie moet de werkmethodes van de monitoringfaciliteit vaststellen. Het gebruik van een dergelijke faciliteit moet vrijwillig zijn en geen afbreuk doen aan de door de lidstaten reeds getroffen regelingen.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32 quinquies (nieuw)
(32 quinquies)   Gebleken is dat er behoefte is aan investeringen in de watersector en dat EU-financiering van vitaal belang is voor sommige lidstaten om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 2008/105/EG en Richtlijn 2006/118/EG. Alle lidstaten moeten hun uitgaven met ten minste 20 % verhogen om aan de waternormen van de Unie te voldoen en er is een geaggregeerd financieringstekort van 289 miljard EUR tegen 20301 bis. Om die reden moet ervoor worden gezorgd dat er voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn om de monitoring en inspecties van waterlichamen in alle lidstaten uit te voeren, onder meer via relevante structuurfondsen en -programma’s van de Unie en via bijdragen van de particuliere sector, onder meer in het kader van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zodra dat is ingevoerd.
_________________
1 bis OECD, 6th Roundtable on Financing Water. Beschikbaar op: https://www.oecd.org/water/6th-Roundtable-on-Financing-Water-in-Europe-Summary-and-Highlights.pdf
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 34 bis (nieuw)
(34 bis)   De lidstaten moeten synergieën bevorderen tussen de vereisten van de relevante richtlijnen voor zowel gegevensverzameling als de inzet van digitale instrumenten zoals teledetectietechnologieën of aardobservatie (Copernicusdiensten).
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 34 ter (nieuw)
(34 ter)   De bevoegde autoriteiten moeten opleidingen, programma’s voor de ontwikkeling van vaardigheden en investeringen in menselijk kapitaal ondersteunen om een doeltreffende toepassing van de beste technologieën en innovatieve oplossingen in het kader van de richtlijnen te ondersteunen. Om de relevante gegevens in heel Europa toegankelijker te maken voor de betrokken lokale actoren en burgers moet de informatie beschikbaar zijn in de verschillende nationale talen.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – inleidende formule
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 1 – punt e– streepje 4
1)  In artikel 1 wordt het vierde streepje vervangen door:
1)  In artikel 1, punt e), wordt het vierde streepje vervangen door:
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – c
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 2 – alinea 1 – punt 30 bis
30 bis)  “prioritaire gevaarlijke stoffen”: prioritaire stoffen die als “gevaarlijk” zijn aangemerkt op grond van het feit dat zij in wetenschappelijke verslagen, in relevante wetgeving van de Unie of in relevante internationale overeenkomsten zijn erkend als toxisch, persistent en bioaccumuleerbaar, of als stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid, wanneer deze bezorgdheid betrekking heeft op het aquatisch milieu.
30 bis)  “prioritaire gevaarlijke stoffen”: prioritaire stoffen die als “gevaarlijk” zijn aangemerkt op grond van het feit dat zij in wetenschappelijke verslagen, in relevante wetgeving van de Unie of in relevante internationale overeenkomsten zijn erkend als toxisch, persistent en bioaccumuleerbaar (PBT), of zeer persistent en zeer bioaccumulerend (VPVB), of persistent, mobiel en toxisch (PMT), of zeer persistent en zeer mobiel (VPVM), of als stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid, wanneer deze bezorgdheid betrekking heeft op het aquatisch milieu, en waarvoor maatregelen moeten worden genomen overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt a), iv).
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – d
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 2 – alinea 1 – punt 35
35)  “milieukwaliteitsnorm”: de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, in sediment of in biota die ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu niet mag worden overschreden, of een triggerwaarde voor het schadelijke effect van een dergelijke verontreinigende stof of groep verontreinigende stoffen op de gezondheid van de mens of het milieu, gemeten met behulp van een passende effectgerichte methode.”.
35)  “milieukwaliteitsnorm”: de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, in sediment of in biota die ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu niet mag worden overschreden, of een triggerwaarde voor het schadelijke - effect van een dergelijke verontreinigende stof of groep verontreinigende stoffen op de gezondheid van de mens of het milieu, gemeten met behulp van een passende en wetenschappelijk vastgestelde effectgerichte methode.”.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – d bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 2 – alinea 1 – punt 37
d bis)   punt 37 wordt vervangen door:
37)  “voor menselijke consumptie bestemd water”: dezelfde betekenis als in Richtlijn 80/778/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/83/EG;
37) “voor menselijke consumptie bestemd water”: dezelfde betekenis als in Richtlijn (EU) 2020/2184;
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – d ter (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 2 – alinea 1 – punt 40 – alinea 1
d ter)   in artikel 2, punt 40, wordt de eerste alinea vervangen door:
40)  “emissiegrenswaarde”: de massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die of dat gedurende één of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen, in het bijzonder die welke volgens artikel 16 worden aangewezen, worden vastgesteld.
40) “emissiegrenswaarde”: de massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die of dat gedurende één of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen, in het bijzonder die welke in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG worden aangewezen, worden vastgesteld.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 3 – lid 4 bis
4 bis.  In geval van uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, met name omvangrijke overstromingen of lange droogteperioden, of significante incidentele verontreiniging, die gevolgen kunnen hebben voor stroomafwaarts gelegen waterlichamen in andere lidstaten, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten voor stroomafwaarts gelegen waterlichamen in die lidstaten, alsmede de Commissie, onmiddellijk op de hoogte worden gebracht en dat de nodige samenwerking tot stand wordt gebracht om de oorzaken van de uitzonderlijke omstandigheden of incidenten te onderzoeken en de gevolgen ervan aan te pakken.
4 bis.  In geval van uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, met name omvangrijke overstromingen of lange droogteperioden, of significante incidentele verontreiniging, die gevolgen kunnen hebben voor stroomafwaarts gelegen waterlichamen in andere lidstaten, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten voor stroomafwaarts gelegen waterlichamen in die lidstaten, alsmede de Commissie, onmiddellijk op de hoogte worden gebracht en dat de nodige samenwerking tot stand wordt gebracht om de oorzaken van de uitzonderlijke omstandigheden of incidenten te onderzoeken en de gevolgen ervan aan te pakken.
De lidstaten stellen andere lidstaten in kennis die nadelige gevolgen kunnen ondervinden van het betreffende verontreinigingsincident.
Om de samenwerking en de informatieuitwisseling in de internationale stroomgebiedsdistricten verder te verbeteren, moeten voor alle internationale stroomgebiedsdistricten procedures voor noodcommunicatie en -respons worden vastgesteld.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – a
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 4 – lid 1 – punt a – iv
iv)  leggen de lidstaten de nodige maatregelen ten uitvoer met de bedoeling de verontreiniging door prioritaire stoffen en stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen.
iv)  leggen de lidstaten de nodige maatregelen ten uitvoer met de bedoeling de verontreiniging door en lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen en stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen binnen een gepaste tijdspanne en in elk geval uiterlijk twintig jaar nadat een bepaalde prioritaire stof als gevaarlijk is opgenomen in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. Die tijdspanne laat de toepassing van striktere termijnen in andere toepasselijke Uniewetgeving onverlet;
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – b bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 4 – lid 1 – punt c – alinea 1 bis (nieuw)
b bis)   in punt c) wordt de volgende alinea toegevoegd:
De lidstaten stellen strengere normen of drempelwaarden vast indien dat nodig is voor een adequate bescherming van de in bijlage IV bij deze richtlijn genoemde gebieden, met inbegrip van speciale beschermingszones uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad. De in verband met dergelijke drempelwaarden vereiste programma’s en maatregelen gelden ook voor activiteiten die onder de werkingssfeer van Richtlijn 91/676/EEG vallen.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – a
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 8 – lid 3
3.  De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om technische specificaties en gestandaardiseerde methoden vast te stellen voor de analyse en monitoring van de watertoestand overeenkomstig bijlage V en voor de vaststelling van opmaakvoorschriften voor de rapportage van monitoring- en toestandgegevens overeenkomstig lid 4. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.;
3.  De Commissie is overeenkomstig artikel 20 bis bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn door technische specificaties en gestandaardiseerde methoden vast te stellen voor de analyse en monitoring van de watertoestand overeenkomstig bijlage V. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen voor de vaststelling van opmaakvoorschriften voor de rapportage van monitoring- en toestandgegevens overeenkomstig lid 4. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld;
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – a bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 8 – lid 3 bis (nieuw)
a bis)   Het volgende lid wordt toegevoegd:
“3 bis. Uiterlijk [twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] publiceert de Commissie een uitvoerige beoordeling van de mogelijke toepassing van systemen voor continue, nauwkeurige en real-time (online) bewaking van de waterkwaliteit, met inbegrip van economische en technische haalbaarheidsaspecten van dergelijke systemen die relevant zijn voor de lidstaten, alsmede het gebruik van geharmoniseerde normen.
In voorkomend geval stelt de Commissie volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure een uitvoeringshandeling vast om geharmoniseerde normen voor online watermonitoring te bepalen.”
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 6 – b
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 8 – lid 4
4.  De lidstaten zien erop toe dat de beschikbare individuele monitoringgegevens die zijn verzameld overeenkomstig punt 1.3.4 van bijlage V en de daaruit voortvloeiende toestand overeenkomstig bijlage V ten minste eenmaal per jaar elektronisch beschikbaar worden gesteld aan het publiek en aan het Europees Milieuagentschap (EEA) in een machineleesbaar formaat overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad*, Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad** en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad***. Daartoe gebruiken de lidstaten de overeenkomstig lid 3 van dit artikel vastgestelde opmaakvoorschriften.
4.  De lidstaten zien erop toe dat de beschikbare individuele monitoringgegevens die zijn verzameld overeenkomstig de punten 1.3.4 en 2.4.3 van bijlage V en de daaruit voortvloeiende toestand overeenkomstig bijlage V ten minste eenmaal per jaar elektronisch beschikbaar worden gesteld aan het Europees Milieuagentschap (EEA) en, zo spoedig mogelijk en in een eenvoudig toegankelijk formaat, aan het publiek, in een machineleesbaar formaat overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad*, Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad** en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad***. Daartoe gebruiken de lidstaten de overeenkomstig lid 3 van dit artikel vastgestelde opmaakvoorschriften.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – punt 7 bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 11 – lid 1
7 bis)   Artikel 11, lid 1, komt als volgt te luiden:
1.  Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of voor het op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict, een maatregelenprogramma wordt opgesteld waarin rekening is gehouden met de resultaten van de krachtens artikel 5 voorgeschreven analyses, teneinde de doelstellingen van artikel 4 te verwezenlijken. Deze maatregelenprogramma’s kunnen verwijzen naar maatregelen die voortvloeien uit de nationale wetgeving en op geheel het grondgebied van een lidstaat betrekking hebben. Een lidstaat kan zo nodig maatregelen nemen die op alle stroomgebiedsdistricten en/of de op zijn grondgebied gelegen delen van internationale stroomgebiedsdistricten van toepassing zijn.
“1. Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of voor het op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict, een maatregelenprogramma wordt opgesteld waarin rekening is gehouden met de resultaten van de krachtens artikel 5 voorgeschreven analyses, teneinde de doelstellingen van artikel 4 te verwezenlijken. In deze maatregelenprogramma’s wordt prioriteit gegeven aan beheersingsmaatregelen aan de bron in overeenstemming met de desbetreffende sectorale wetgeving van de Unie inzake verontreiniging. “End-of-pipe”-maatregelen worden toegepast naast de beheersingsmaatregelen aan de bron indien het risico bestaat dat beheersingsmaatregelen aan de bron niet tot een goede toestand van waterlichamen leiden. Maatregelenprogramma’s kunnen verwijzen naar maatregelen die voortvloeien uit de nationale wetgeving en op geheel het grondgebied van een lidstaat betrekking hebben. Een lidstaat kan zo nodig maatregelen nemen die op alle stroomgebiedsdistricten en/of de op zijn grondgebied gelegen delen van internationale stroomgebiedsdistricten van toepassing zijn. De Commissie ontwikkelt richtsnoeren voor beste praktijken voor beheersingsmaatregelen aan de bron en de complementariteit van “end-of-pipe”-maatregelen.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 ter (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 11 – lid 3 – punt c
7 ter)  In artikel 11, lid 3, wordt punt c) vervangen door:
c)  maatregelen om duurzaam en efficiënt watergebruik te bevorderen teneinde te voorkomen dat de in artikel 4 genoemde doelstellingen niet worden bereikt;
“c) maatregelen om duurzaam en efficiënt watergebruik te bevorderen, met inbegrip van de landbouw, teneinde te voorkomen dat de in artikel 4 genoemde doelstellingen niet worden bereikt;
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 11 – lid 5 – streepje 2
8 bis)   Artikel 11, lid 5, tweede streepje wordt vervangen door:
—  de betrokken vergunningen en toestemmingen onderzocht en zo nodig herzien worden;
“— de betrokken vergunningen en toestemmingen onderzocht, herzien en, in ter dege gerechtvaardigde gevallen, ingetrokken worden, al naar gelang het geval;
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 12 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
De Commissie reageert binnen zes maanden op een kennisgeving van een lidstaat. Indien het probleem betrekking heeft op het niet bereiken van een goede chemische toestand, dan handelt de Commissie in overeenstemming met artikel 7 bis van Richtlijn 2008/105/EG.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 12 – lid 2 – alinea 2
De lidstaten reageren tijdig en uiterlijk drie maanden na de kennisgeving door een andere lidstaat op elkaar overeenkomstig lid 1.
De lidstaten reageren tijdig en uiterlijk twee maanden na de kennisgeving door een andere lidstaat op elkaar overeenkomstig lid 1.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1– punt 9 bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 13 – lid 4 bis (nieuw)
9 bis)   In artikel 13 wordt het volgende lid ingevoegd:
“4 bis. De Commissie verwerpt de door de lidstaten ingediende stroomgebiedbeheerplannen wanneer deze plannen niet de in bijlage VII vermelde elementen bevatten.”
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1– punt 9 bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 14 bis (nieuw)
9 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
“Artikel 14 bis
Toegang tot de rechter
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het publiek die voldoende belang hebben of die beweren dat inbreuk is gemaakt op een recht, in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten uit hoofde van deze richtlijn aan te vechten, onder meer met betrekking tot:
a)  plannen en projecten die mogelijk in strijd zijn met de vereisten van artikel 4, onder meer om de achteruitgang van de toestand van waterlichamen te voorkomen en een goede watertoestand, een goed ecologisch potentieel en/of een goede chemische toestand van water te bereiken, voor zover die voorschriften niet reeds zijn vastgesteld in artikel 11 van Richtlijn 2011/92/EU;
b)  de in artikel 11 bedoelde maatregelenprogramma’s, de in artikel 13, lid 1, bedoelde stroomgebiedsbeheersplannen van de lidstaten en de in artikel 13, lid 5, bedoelde aanvullende programma’s of beheersplannen van de lidstaten.
2.  De lidstaten bepalen wat voldoende belang en inbreuk op een recht vormt, op een wijze die strookt met de doelstelling om het publiek ruime toegang tot de rechter te bieden. Voor de toepassing van lid 1 wordt elke niet-gouvernementele organisatie die zich inzet voor milieubescherming en voldoet aan de desbetreffende vereisten krachtens de nationale wetgeving, geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt, en voldoende belang te hebben.
3.  De in lid 1 bedoelde beroepsprocedures zijn eerlijk en billijk, worden tijdig afgerond en mogen niet buitensporig duur zijn. Deze procedures omvatten ook het bieden van adequate en doeltreffende verhaalmechanismen, met inbegrip van, in voorkomend geval, stakingsbevelen.
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over de toegang tot de in dit artikel bedoelde administratieve en gerechtelijke beroepsprocedures.”
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 15 – lid 3
10)  In artikel 15 wordt lid 3 geschrapt.
Schrappen
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1– punt 10 bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 15 – lid 3 – alinea 2
10 bis)  aan artikel 15, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd:
De Commissie stelt uiterlijk op ... [zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] richtsnoeren en templates vast betreffende de inhoud, structuur en vorm van de in de eerste alinea bedoelde tussentijdse verslagen.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 – b
Richtlijn 2000/60/EG
Artikel 18 – lid 4
b)   lid 4 wordt geschrapt.
Schrappen
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 18 bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Bijlage VII – deel A – punt 7.7 bis (nieuw)
18 bis)   In bijlage VII (deel A) wordt het volgende punt ingevoegd:
“7.7 bis. Een samenvatting van de maatregelen die zijn genomen om de monitoringaspecten van de watersector te digitaliseren; ”
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 20
Richtlijn 2000/60/EG
Bijlage X
20)  Bijlage X wordt geschrapt.
20)  De bijlagen IX en X worden geschrapt.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 1 – lid 1 – inleidende formule
1.  Bij deze richtlijn worden specifieke maatregelen ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging vastgesteld met het oog op de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van artikel 4, lid 1, punt b), van Richtlijn 2000/60/EG. Deze maatregelen omvatten:
1.  Bij deze richtlijn worden specifieke maatregelen ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging vastgesteld met het oog op de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van artikel 4, lid 1, punt b), van Richtlijn 2000/60/EG. In de hiërarchie van de te nemen maatregelen wordt voorrang gegeven aan beperkingen en andere maatregelen voor beheersing aan de bron, onverminderd het belang van end-of-pipe-maatregelen, indien van toepassing. Deze maatregelen omvatten:
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 1 – lid 1 – punt b bis (nieuw)
b bis)   criteria voor de beoordeling van de goede ecologische toestand van het grondwater.
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 – a bis (nieuw)
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 3 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
a bis)   in lid 1 wordt de volgende alinea ingevoegd:
De drempelwaarden voor grondwater zijn 10 keer lager dan de overeenkomstige milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater. In gevallen waarin het werkelijke risico voor de ecosystemen van het grondwater kan worden vastgesteld, kan het echter passend zijn de drempelwaarden voor grondwater op een ander niveau vast te stellen.
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 – c
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 3 – lid 5 – alinea 2 bis (nieuw)
a bis)   in lid 5 wordt de volgende alinea ingevoegd:
De lidstaten zorgen ervoor dat de inwoners van het betrokken stroomgebiedsdistrict of van het deel van het internationale stroomgebiedsdistrict dat tot het grondgebied van een lidstaat behoort, adequaat en tijdig worden geïnformeerd.
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 – d
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 3 – lid 6 – alinea 1
De lidstaten wijzigen de op hun grondgebied toegepaste lijst van drempelwaarden indien uit nieuwe informatie over verontreinigende stoffen, groepen verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging blijkt dat een drempelwaarde moet worden vastgesteld voor een nieuwe stof of een bestaande drempelwaarde moet worden gewijzigd, dan wel dat een eerder van de lijst geschrapte drempelwaarde opnieuw moet worden opgenomen. Indien op het niveau van de Unie relevante drempelwaarden worden vastgesteld of gewijzigd, passen de lidstaten de lijst van op hun grondgebied toegepaste drempelwaarden aan die waarden aan. ;
De lidstaten wijzigen de op hun grondgebied toegepaste lijst van drempelwaarden indien uit nieuwe informatie over verontreinigende stoffen, groepen verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging, waarbij ook het voorzorgsbeginsel in acht wordt genomen, blijkt dat een drempelwaarde moet worden vastgesteld voor een nieuwe stof of een bestaande drempelwaarde moet worden gewijzigd, dan wel dat een eerder van de lijst geschrapte drempelwaarde opnieuw moet worden opgenomen. Indien op het niveau van de Unie relevante drempelwaarden worden vastgesteld of gewijzigd, passen de lidstaten de lijst van op hun grondgebied toegepaste drempelwaarden aan die waarden aan.
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 3 – lid 7
4 bis)   lid 7 wordt vervangen door:
7.  Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig lid 5 verstrekte informatie publiceert de Commissie uiterlijk op 22 december 2009 een verslag.
“7. De Commissie publiceert een verslag over de in lid 1, punt b), bedoelde nationale drempelwaarden, één jaar nadat de lidstaten die informatie overeenkomstig lid 5 aan het ECHA hebben verstrekt.”
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis – lid 1 – alinea 2
De aandachtstoffenlijst bevat maximaal vijf stoffen of groepen van stoffen en vermeldt voor elke stof de monitoringmatrices en de mogelijke analysemethode. Die monitoringmatrices en -methoden mogen voor de bevoegde autoriteiten geen buitensporige kosten met zich meebrengen. De in de aandachtstoffenlijst op te nemen stoffen worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn. Deze aandachtstoffenlijst bevat zorgwekkend wordende stoffen.
De aandachtstoffenlijst bevat ten minste vijf zorgwekkend wordende stoffen of groepen van dergelijke stoffen die worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie, ook overeenkomstig de vierde alinea hieronder, erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn. Indien echter het aantal stoffen of groepen van stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen lager is dan vijf, worden al die stoffen op de aandachtstoffenlijst geplaatst.
Naast het minimum aantal stoffen of groepen van stoffen kunnen op de aandachtstoffenlijst ook indicatoren van verontreiniging worden opgenomen.
De aandachtstoffenlijst specificeert voor elke stof de monitoringmatrices en de mogelijke analysemethode. Die monitoringmatrices en -methoden mogen voor de bevoegde autoriteiten geen buitensporige kosten met zich meebrengen.
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis – lid 1 – alinea 3
Zodra geschikte monitoringmethoden voor microplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen zijn vastgesteld, worden die stoffen in de aandachtstoffenlijst opgenomen.
Zo snel mogelijk doch uiterlijk [de eerste dag van de maand volgend op de 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] moeten geschikte monitoringmethoden worden vastgesteld voor microplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen. Zodra die monitoringmethoden zijn vastgesteld, worden microplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen in de aandachtstoffenlijst opgenomen overeenkomstig artikel 6 bis, lid 2, alinea 1. De Commissie beoordeelt ook of de opname van sulfaten op de eerste aandachtstoffenlijst noodzakelijk is om de beschikbaarheid van gegevens over hun aanwezigheid te verbeteren met betrekking tot het toepassingsgebied van deze richtlijn.
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis – lid 1 – alinea 4 – inleidende formule
Het ECHA stelt wetenschappelijke verslagen op om de Commissie te helpen bij het selecteren van de stoffen voor de aandachtstoffenlijst, rekening houdend met de volgende informatie:
Het ECHA stelt wetenschappelijke verslagen op om de Commissie te helpen bij het selecteren van de stoffen en indicatoren van verontreiniging voor de aandachtstoffenlijst, rekening houdend met de volgende informatie:
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis – lid 1 – alinea 4 – punt f
f)  onderzoeksprojecten en wetenschappelijke publicaties, met inbegrip van op modellen of andere voorspellende evaluaties gebaseerde informatie over trends en voorspellingen, en de gegevens en informatie van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden;
f)  onderzoeksprojecten en wetenschappelijke publicaties en bewijs, met inbegrip van informatie over het effect van materiële en thermische verontreinigingen en de effecten van bovengrondse en ondergrondse winnings- en infrastructuuractiviteiten op grondwaterecosystemen en van grondwater afhankelijke ecosystemen en hun biodiversiteit, op modellen of andere voorspellende evaluaties gebaseerde informatie over trends en voorspellingen, alsook informatie en gegevens die worden verzameld door teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door te profiteren van de mogelijkheden die voortvloeien uit artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens;
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis – lid 2 – alinea 1
De eerste aandachtstoffenlijst wordt uiterlijk op [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de eerste dag van de maand na 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] opgesteld. De aandachtstoffenlijst wordt vervolgens om de 36 maanden bijgewerkt.
De eerste aandachtstoffenlijst wordt uiterlijk op [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de eerste dag van de maand na 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] opgesteld. De aandachtstoffenlijst wordt vervolgens uiterlijk om de 36 maanden bijgewerkt, of vaker indien nieuw wetenschappelijk bewijs naar voren komt dat het noodzakelijk maakt om de lijst bij te werken in de periodes tussen de afzonderlijke herzieningen.
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten evalueren om de twee jaar het effect op de waterkwaliteit van de industriële activiteiten die verband houden met de energietransitie, en stellen de Commissie in kennis van nieuw geïdentificeerde bedreigingen om de aandachtstoffenlijst dienovereenkomstig te kunnen actualiseren. De evaluatie is gemakkelijk toegankelijk voor het publiek.
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis – lid 3 – alinea 2
Elke lidstaat selecteert ten minste één meetstation, plus het aantal stations dat gelijk is aan het totale gebied van de grondwaterlichamen ervan in km² gedeeld door 60 000 (afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal).
Elke lidstaat selecteert ten minste twee meetstations, plus het aantal stations dat gelijk is aan het totale gebied van de grondwaterlichamen ervan in km² gedeeld door 30 000 (afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal).
Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis (nieuw)
6 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
“Artikel 6 bis
Verbetering van de bescherming van grondwaterecosystemen
De Commissie publiceert uiterlijk [PB: datum invoegen = vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een beoordeling van de invloed van fysisch-chemische elementen, zoals pH, zuurstofgehalte en temperatuur, op de toestand van grondwaterecosystemen, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel om deze richtlijn dienovereenkomstig te wijzigen, teneinde de desbetreffende parameters vast te stellen, de monitoringmethoden te harmoniseren en te bepalen wat een “goede ecologische toestand” van het grondwater precies inhoudt.”
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6 ter (nieuw)
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis ter (nieuw)
6 ter)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
“Artikel 6 bis ter
Specifieke behandeling van gebieden met een grote ecologische waarde, kwetsbaarheid of verontreiniging
De Commissie publiceert uiterlijk [PB: datum invoegen = vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een beoordeling van de chemische toestand van gebieden gekenmerkt door een grote ecologische waarde, kwetsbaarheid of verontreiniging, zoals grotten en karstgebieden, voormalige industrieterreinen en andere gebieden met een bekende historische verontreiniging, waar passend vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot herziening van deze richtlijn.
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6 quater (nieuw)
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis quater (nieuw)
6 quater)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
Artikel 6 bis quater
De Commissie presenteert uiterlijk [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een effectbeoordeling van de opname in deze richtlijn van een mechanisme voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat producenten die producten in de handel brengen die een van de in bijlage I vermelde stoffen of verbindingen bevatten, alsook zorgwekkend wordende stoffen die zijn opgenomen in de aandachtstoffenlijst uit hoofde van die richtlijn, bijdragen aan de kosten voor monitoringprogramma’s die zijn opgezet uit hoofde van artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG. Deze effectbeoordeling gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn.
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6 quinquies (nieuw)
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 6 bis quinquies (nieuw)
6 quinquies)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
Artikel 6 bis quinquies
Europese monitoringfaciliteit
De Commissie zet uiterlijk op ... [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een gemeenschappelijke monitoringfaciliteit op voor het beheer van de monitoringvereisten, indien de lidstaten daarom verzoeken.
De Commissie specificeert de werking van de monitoringfaciliteit, met onder meer de volgende elementen:
a)   de vrijwillige aard van het gebruik van de monitoringfaciliteit, die geen afbreuk doet aan de door de lidstaten reeds getroffen regelingen;
b)   de operationele procedures voor lidstaten die voornemens zijn gebruik te maken van de monitoringfaciliteit, die onder meer de vereiste kennisgeving aan de Commissie omvatten van hun exacte monitoringbehoeften of -mogelijkheden, de exacte protocollen voor het beheer van monsters, alsmede de periode gedurende welke zij voornemens zijn deel te blijven uitmaken van het mechanisme;
c)   de financieringsbronnen, onder meer relevante structuurfondsen en -programma’s van de Unie en bijdragen van de particuliere sector, onder meer in het kader van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zodra dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 6 bis, punt c.
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 – lid 1
1.  De Commissie evalueert, voor het eerst uiterlijk op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens om de zes jaar, de lijst van verontreinigende stoffen in bijlage I en de kwaliteitsnormen voor die verontreinigende stoffen in die bijlage, alsmede de lijst van verontreinigende stoffen en indicatoren in deel B van bijlage II.
1.  De Commissie evalueert, voor het eerst uiterlijk op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens om de vier jaar, de lijst van verontreinigende stoffen in bijlage I en de kwaliteitsnormen voor die verontreinigende stoffen in die bijlage, alsmede de lijst van verontreinigende stoffen en indicatoren in deel B van bijlage II.
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 – lid 2
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang door grondwaterverontreinigende stoffen en kwaliteitsnormen voor de in die bijlage opgenomen verontreinigende stoffen toe te voegen of te schrappen, en om deel B te wijzigen teneinde dit aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang door verontreinigende stoffen of indicatoren toe te voegen waarvoor de lidstaten moeten overwegen nationale drempelwaarden vast te stellen.
2.  Op basis van die evaluatie dient de Commissie in voorkomend geval wetgevingsvoorstellen in tot wijziging van bijlage I teneinde deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang door grondwaterverontreinigende stoffen en kwaliteitsnormen voor de in die bijlage opgenomen verontreinigende stoffen toe te voegen of te schrappen. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om deel B van bijlage II te wijzigen teneinde dit aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang door verontreinigende stoffen of indicatoren toe te voegen waarvoor de lidstaten moeten overwegen nationale drempelwaarden vast te stellen.
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 – lid 4
4.  Bij de vaststelling van de in de leden 2 en 3 bedoelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de door het ECHA overeenkomstig lid 6 van dit artikel opgestelde wetenschappelijke verslagen.
4.  Bij de vaststelling van de in de leden 2 en 3 bedoelde wetgevingsvoorstellen en gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de door het ECHA overeenkomstig lid 6 van dit artikel opgestelde wetenschappelijke verslagen.
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 – lid 6 – punt f
f)  onderzoeksprogramma’s en wetenschappelijke publicaties van de Unie, met inbegrip van informatie die afkomstig is van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse en/of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden;
f)  onderzoeksprogramma’s en wetenschappelijke publicaties van de Unie, met inbegrip van actuele informatie die afkomstig is van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse en/of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die de best beschikbare technieken, zoals artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens, bieden;
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 – lid 6 – punt g
g)  de opmerkingen en informatie van relevante belanghebbenden.
g)  de opmerkingen en informatie van relevante belanghebbenden, met inbegrip van nationale regelgevende instanties en andere relevante instanties.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   De Commissie stelt uiterlijk 12 januari 2025 technische richtsnoeren op voor analysemethoden voor de monitoring van per- en polyfluoralkylstoffen onder de parameter “PFAS totaal”. De Commissie heeft de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn te wijzigen door een kwaliteitsnorm voor “PFAS totaal” vast te stellen en bijlage I dienovereenkomstig te wijzigen. De Commissie stelt die gedelegeerde handeling uiterlijk op 12 januari 2026 vast.
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 – lid 7
7.  Het ECHA stelt om de zes jaar een verslag op met een samenvatting van de bevindingen van de in de leden 2 en 3 bedoelde herziening en maakt dit openbaar. Het eerste verslag wordt bij de Commissie ingediend op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].”.
7.  Het ECHA stelt om de vier jaar een verslag op met een samenvatting van de bevindingen van de in de leden 2 en 3 bedoelde herziening en maakt dit openbaar. Het eerste verslag wordt bij de Commissie ingediend op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
Amendement 103
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 bis – lid 2
2.  De in artikel 8, leden 1 en 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
2.  De in artikel 8, leden 2, 3 en 6 bis, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zes jaar met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zes jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 bis – lid 3
3.  De in artikel 8, leden 1 en 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement en de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  De in artikel 8, leden 2, 3 en 6 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement en de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 bis – lid 4
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 106
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2006/118/EG
Artikel 8 bis – lid 6
6.  Een op grond van artikel 8, lid 1 of 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een op grond van artikel 8, lid 2, 3 of 6 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 14
Richtlijn 2006/118/EG
Bijlage IV – deel B – punt 1 – inleidende formule
het beginpunt voor de toepassing van maatregelen om een significante en aanhoudende stijgende trend om te keren is dat de concentratie van de verontreinigende stof 75 % bedraagt van de parameterwaarden van de grondwaterkwaliteitsnormen van bijlage I en van de in artikel 3, lid 1, punten b) en c), vermelde drempelwaarden, tenzij:
het beginpunt voor de toepassing van maatregelen om een significante en aanhoudende stijgende trend, waaronder de seizoengebonden stijgende trend die onder meer door geringe afvoer van een waterlichaam wordt veroorzaakt, om te keren is dat de concentratie van de verontreinigende stof 75 % bedraagt van de parameterwaarden van de grondwaterkwaliteitsnormen van bijlage I en van de in artikel 3, lid 1, punten b) en c), vermelde drempelwaarden, tenzij:
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 1
1 bis)   Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 1
“Artikel 1
Onderwerp
Onderwerp
Met de bedoeling een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken, en in overeenstemming met de bepalingen en doelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG, worden in deze richtlijn overeenkomstig artikel 16 van die richtlijn milieukwaliteitsnormen (MKN) voor prioritaire stoffen en bepaalde andere verontreinigende stoffen vastgelegd.
Met de bedoeling een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken, en in overeenstemming met de bepalingen en doelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG, worden in deze richtlijn milieukwaliteitsnormen (MKN) voor prioritaire stoffen en prioritaire gevaarlijke stoffen vastgelegd.
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3 – a
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 5 – lid 1 – alinea 1
Op basis van de overeenkomstig de artikelen 5 en 8 van Richtlijn 2000/60/EG verzamelde informatie, alsmede andere beschikbare gegevens, stellen de lidstaten voor elk stroomgebiedsdistrict of het op hun grondgebied gelegen deel daarvan een inventaris op, met inbegrip van kaarten indien deze beschikbaar zijn, van de emissies, lozingen en verliezen van alle in deel A van bijlage I vermelde prioritaire stoffen en alle in deel A van bijlage II vermelde verontreinigende stoffen, waar passend, met inbegrip van hun concentraties in sedimenten en biota.
Op basis van de overeenkomstig de artikelen 5 en 8 van Richtlijn 2000/60/EG en Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad1 bis verzamelde informatie, alsmede andere beschikbare gegevens, stellen de lidstaten voor elk stroomgebiedsdistrict of het op hun grondgebied gelegen deel daarvan een inventaris op, met inbegrip van kaarten indien deze beschikbaar zijn, van de emissies, lozingen en verliezen van alle in deel A van bijlage I vermelde prioritaire stoffen en alle in deel A van bijlage II vermelde verontreinigende stoffen, waar passend, met inbegrip van hun concentraties in sedimenten en biota.
_________________
1 bis PB: Gelieve het nummer van de verordening in document COM(2022) 157 in de tekst in te voegen.
Amendement 110
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3 – a
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 5 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
De inventarissen van emissies worden beschikbaar gesteld in een elektronische databank, die regelmatig wordt bijgewerkt en eenvoudig toegankelijk is voor het publiek.
Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3 – a
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 5 – lid 1 – alinea 2
De eerste alinea is niet van toepassing op emissies, lozingen en verliezen die langs elektronische weg aan de Commissie worden gemeld overeenkomstig Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad65. ;
Schrappen
_________________
65 PB: Gelieve het nummer van de verordening in document COM(2022) 157 in de tekst in te voegen.
Amendement 112
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3 – c
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 5 – lid 4 – alinea 1
De lidstaten werken hun inventarissen bij in het kader van de toetsingen van de in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde analyses en zorgen ervoor dat de emissies die niet op het bij Verordening (EU) …/…++ ingestelde portaal voor industriële emissies zijn gerapporteerd, worden gepubliceerd in hun stroomgebiedbeheerplannen zoals bijgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 7, van die richtlijn.
De lidstaten werken hun inventarissen bij in het kader van de toetsingen van de in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde analyses en zorgen ervoor dat de emissies, met inbegrip van die welke op het bij Verordening (EU) …/…++ ingestelde portaal voor industriële emissies zijn gerapporteerd, worden gepubliceerd in hun stroomgebiedbeheerplannen zoals bijgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 7, van die richtlijn.
Amendement 113
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3 – c
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 5 – lid 4 – alinea 3
Voor prioritaire stoffen of verontreinigende stoffen die onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 vallen, mogen de waarden worden berekend als het gemiddelde van de drie jaren vóór de afronding van de in de eerste alinea bedoelde analyse.
Schrappen
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 7 bis – lid 1
1.  Voor prioritaire stoffen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1907/2006, Verordening (EG) nr. 1107/2009, Verordening (EU) nr. 528/2012, Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad*, of binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad**, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad*** of Richtlijn 2010/75/EU vallen, beoordeelt de Commissie, in het kader van het in artikel 18, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde verslag, of de bestaande maatregelen op het niveau van de Unie en de lidstaten toereikend zijn ter verwezenlijking van de milieukwaliteitsnormen voor de prioritaire stoffen en de doelstelling om lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen, in overeenstemming met artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2000/60/EG.
1.  Voor prioritaire stoffen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1907/2006, Verordening (EG) nr. 1107/2009, Verordening (EU) nr. 528/2012, Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad*, of binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad**, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad*** of Richtlijn 2010/75/EU vallen, beoordeelt de Commissie om de twee jaar of de bestaande maatregelen op het niveau van de Unie en de lidstaten toereikend zijn ter verwezenlijking van de milieukwaliteitsnormen voor de prioritaire stoffen en de doelstelling om lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen, in overeenstemming met artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2000/60/EG.
Amendement 115
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 7 bis – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
In de hiërarchie van te nemen maatregelen wordt prioriteit gegeven aan beperkingen en andere beheersingsmaatregelen aan de bron. In dit verband dient de Commissie waar passend voorstellen in tot wijziging van rechtshandelingen van de Unie om ervoor te zorgen dat lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen aan de bron voorkomen worden.
Amendement 116
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 7 bis – lid 2
4 bis)   In artikel 7 bis wordt lid 2 vervangen door:
2.  De Commissie brengt aan het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig de in artikel 16, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde termijnen verslag uit over het resultaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde beoordeling en doet haar verslag vergezeld gaan van passende voorstellen, met inbegrip van beheersingsmaatregelen.
“2. De Commissie brengt uiterlijk zes maanden na haar beoordeling aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over het resultaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde beoordeling en doet haar verslag vergezeld gaan van passende voorstellen, met inbegrip van beheersingsmaatregelen.
Amendement 117
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 – lid 1
1.  De Commissie evalueert, voor het eerst uiterlijk op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens om de zes jaar, de lijst van prioritaire stoffen en de overeenkomstige kwaliteitsnormen voor die stoffen in deel A van bijlage I, alsmede de lijst van verontreinigende stoffen in deel A van bijlage II.
1.  De Commissie evalueert, voor het eerst uiterlijk op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens om de vier jaar, de lijst van prioritaire stoffen en de overeenkomstige kwaliteitsnormen voor die stoffen in deel A van bijlage I, alsmede de lijst van verontreinigende stoffen in deel A van bijlage II.
Amendement 118
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 – lid 2 – inleidende formule
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 9 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen, rekening houdend met de wetenschappelijke verslagen die het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) overeenkomstig lid 6 van dit artikel heeft opgesteld, om bijlage I te wijzigen teneinde deze aan de wetenschappelijke en technologische vooruitgang aan te passen door:
2.  Op basis van de evaluatie presenteert de Commissie waar passend wetgevingsvoorstellen, rekening houdend met de wetenschappelijke verslagen die het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) overeenkomstig lid 6 van dit artikel heeft opgesteld, om bijlage I te wijzigen teneinde deze aan de wetenschappelijke en technologische vooruitgang aan te passen door:
Amendement 119
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 – lid 4 – punt a
a)  het risico van de verontreinigende stoffen, met inbegrip van het gevaar, de concentraties in het milieu en de concentratie waarboven effecten kunnen worden verwacht ervan;
a)  het risico van de verontreinigende stoffen, met inbegrip van het gevaar, de concentraties in het milieu en de concentratie waarboven effecten kunnen worden verwacht, met inbegrip van de cumulatieve effecten ervan;
Amendement 120
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   De Commissie stelt uiterlijk op 12 januari 2025 technische richtsnoeren op voor analysemethoden voor de monitoring van per- en polyfluoralkylstoffen onder de parameter “PFAS totaal”. De Commissie heeft stelt uiterlijk op 12 januari 2026 een gedelegeerde handeling vast overeenkomstig artikel 9 bis om deze richtlijn te wijzigen door een kwaliteitsnorm voor “PFAS totaal” vast te stellen en bijlage I dienovereenkomstig te wijzigen.
Amendement 121
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 – lid 6 ter (nieuw)
6 ter.  Uiterlijk ... [twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn], stelt de Commissie technische richtsnoeren op voor de methode van analyse van bisfenolen, met inbegrip van ten minste bisfenol A, bisfenol B en bisfenol S, onder de parameter “Bisfenolen totaal”. Uiterlijk ... [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie een gedelegeerde handeling vast overeenkomstig artikel 9 bis tot wijziging van deze richtlijn door een milieukwaliteitsnorm vast te stellen voor “Bisfenolen totaal”, met behulp van een benadering van relatieve potentiefactor, en herziet zij bijlage I dienovereenkomstig.
Amendement 122
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 – lid 7
7.  Het ECHA stelt om de zes jaar een verslag op met een samenvatting van de bevindingen van de overeenkomstig lid 6 opgestelde wetenschappelijke verslagen en maakt dit openbaar. Het eerste verslag wordt bij de Commissie ingediend op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].”.
7.  Het ECHA stelt om de vier jaar een verslag op met een samenvatting van de bevindingen van de overeenkomstig lid 6 opgestelde wetenschappelijke verslagen en maakt dit openbaar. Het eerste verslag wordt bij de Commissie ingediend op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
Amendement 123
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 bis – lid 1 – alinea 2
De lidstaten kunnen in de overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen vermelden in hoeverre mag worden afgeweken van de waarde van de milieukwaliteitsnorm voor de in de eerste alinea, punten a), b) en c), bedoelde stoffen. De lidstaten die aanvullende kaarten als bedoeld in de eerste alinea verstrekken, zien erop toe dat zij op het niveau van het stroomgebied en op het niveau van de Unie onderling kunnen worden vergeleken en stellen de gegevens beschikbaar overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG, Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad* en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad**.
De lidstaten vermelden in de overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen in hoeverre mag worden afgeweken van de waarde van de milieukwaliteitsnorm voor de in de eerste alinea, punten a), b) en c), bedoelde stoffen. De lidstaten die aanvullende kaarten als bedoeld in de eerste alinea verstrekken, zien erop toe dat zij op het niveau van het stroomgebied en op het niveau van de Unie onderling kunnen worden vergeleken en stellen de gegevens beschikbaar overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG, Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad* en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad**.
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 bis – lid 2
2.  De lidstaten kunnen de stoffen die in deel A van bijlage I zijn aangewezen als stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT’s minder intensief monitoren dan vereist voor prioritaire stoffen krachtens artikel 3, lid 4, van deze richtlijn en bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG, op voorwaarde dat de monitoring representatief is en reeds een statistisch robuust referentiekader beschikbaar is met betrekking tot de aanwezigheid van die stoffen in het aquatisch milieu. Als richtsnoer geldt dat de monitoring overeenkomstig artikel 3, lid 6, tweede alinea, van deze richtlijn, elke drie jaar wordt uitgevoerd, tenzij technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.
2.  De lidstaten kunnen de stoffen die in deel A van bijlage I zijn aangewezen als stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT’s en die niet meer zijn toegelaten in de Unie en daar niet meer worden gebruikt, minder intensief monitoren dan vereist voor prioritaire stoffen krachtens artikel 3, lid 4, van deze richtlijn en bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG, op voorwaarde dat de monitoring representatief is en reeds een statistisch robuust referentiekader beschikbaar is met betrekking tot de aanwezigheid van die stoffen in het aquatisch milieu. Als richtsnoer geldt dat de monitoring overeenkomstig artikel 3, lid 6, tweede alinea, van deze richtlijn, elke drie jaar wordt uitgevoerd, tenzij technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.
Amendement 125
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 bis – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Binnen 12 maanden na de in lid 3 bedoelde periode van twee jaar publiceert de Commissie een verslag over de betrouwbaarheid van de effectgerichte methodes door de effectgerichte resultaten te vergelijken met de resultaten die zijn verkregen met behulp van de conventionele methode voor het monitoren van de drie in lid 3 genoemde oestrogene stoffen, in afwachting van een mogelijke toekomstige vaststelling van effectgerichte triggerwaarden.
Zodra de effectgerichte methoden ook voor andere stoffen kunnen worden gebruikt, krijgt de Commissie de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 9 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met een verplichting voor de lidstaten om de effectgerichte monitoringmethoden te gebruiken, naast de conventionele monitoringmethoden, voor het beoordelen van de aanwezigheid van die stoffen in waterlichamen.
Amendement 126
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 ter – lid 1 – alinea 2
De aandachtstoffenlijst bevat nooit meer dan tien stoffen of groepen van stoffen en vermeldt voor elke stof de monitoringmatrices en de mogelijke analysemethoden. Die monitoringmatrices en -methoden mogen voor de bevoegde autoriteiten geen buitensporige kosten met zich meebrengen. De in de aandachtstoffenlijst op te nemen stoffen worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn. De aandachtstoffenlijst bevat zorgwekkend wordende stoffen.
De aandachtstoffenlijst bevat ten minste vijf zorgwekkend wordende stoffen of groepen van dergelijke stoffen die worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie, ook overeenkomstig de vierde alinea, erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn. Indien echter het aantal stoffen of groepen van stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen lager is dan vijf, worden al die stoffen op de aandachtstoffenlijst geplaatst.
Naast het minimum aantal stoffen of groepen van stoffen kunnen op de aandachtstoffenlijst ook indicatoren van verontreiniging worden opgenomen. 
De aandachtstoffenlijst specificeert voor elke stof de monitoringmatrices en de mogelijke analysemethoden. Die monitoringmatrices en -methoden mogen voor de bevoegde autoriteiten geen buitensporige kosten met zich meebrengen.
Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 ter – lid 1 – alinea 3
Zodra geschikte monitoringmethoden voor microplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen zijn vastgesteld, worden die stoffen in de aandachtstoffenlijst opgenomen.
Zo snel mogelijk doch uiterlijk [de eerste dag van de maand volgend op de 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] moeten er geschikte monitoringmethoden worden vastgesteld voor microplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen. Zodra die monitoringmethoden zijn vastgesteld, worden microplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen in de aandachtstoffenlijst opgenomen overeenkomstig lid 2. De Commissie evalueert tevens of de opname van sulfaten, xanthaten en niet-relevante metabolieten van bestrijdingsmiddelen op de aandachtstoffenlijst noodzakelijk is om de beschikbaarheid van gegevens over hun aanwezigheid te verbeteren met betrekking tot het toepassingsgebied van deze richtlijn.
Amendement 128
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 ter – lid 1 – alinea 4 – inleidende formule
Het ECHA stelt wetenschappelijke verslagen op om de Commissie te helpen bij het selecteren van de stoffen voor de aandachtstoffenlijst, rekening houdend met de volgende informatie:
Het ECHA stelt wetenschappelijke verslagen op om de Commissie te helpen bij het selecteren van de stoffen en indicatoren van verontreiniging voor de aandachtstoffenlijst, rekening houdend met de volgende informatie:
Amendement 129
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 ter – lid 1 – alinea 4 – punt e
e)  onderzoeksprojecten en wetenschappelijke publicaties, met inbegrip van op modellen of andere voorspellende evaluaties gebaseerde informatie over trends en voorspellingen, en de gegevens en informatie van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden.
e)  onderzoeksprojecten en wetenschappelijke publicaties en bewijs, met inbegrip van op modellen of andere voorspellende evaluaties gebaseerde informatie over trends en voorspellingen, alsmede informatie en gegevens vergaard door teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden.
Amendement 130
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 ter – lid 2
2.  De aandachtstoffenlijst wordt uiterlijk op X [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de laatste dag van de drieëntwintigste maand na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en daarna om de 36 maanden geactualiseerd. De Commissie schrapt bij het bijwerken van de aandachtstoffenlijst elke stof van de bestaande aandachtstoffenlijst waarvoor zij het mogelijk acht het risico ervan voor het aquatisch milieu te beoordelen zonder aanvullende monitoringgegevens. Wanneer de aandachtstoffenlijst wordt bijgewerkt, mag een afzonderlijke stof of groep stoffen nog eens maximaal drie jaar op de toezichtlijst blijven staan wanneer aanvullende monitoringgegevens nodig zijn om het risico voor het aquatisch milieu te beoordelen. Elke bijgewerkte aandachtstoffenlijst bevat ook een of meer nieuwe stoffen waarvoor de Commissie, op basis van de wetenschappelijke verslagen van het ECHA, van oordeel is dat er sprake is van een risico voor het aquatisch milieu.
2.  De aandachtstoffenlijst wordt uiterlijk op X [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de laatste dag van de drieëntwintigste maand na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en daarna uiterlijk om de 36 maanden geactualiseerd, of vaker indien nieuw wetenschappelijk bewijs naar voren komt dat het noodzakelijk maakt om de lijst bij te werken in de periodes tussen de afzonderlijke herzieningen.
De lidstaten evalueren om de twee jaar het effect op de waterkwaliteit van de industriële activiteiten die verband houden met de energietransitie, en stellen de Commissie in kennis van nieuw geïdentificeerde bedreigingen om de aandachtstoffenlijst dienovereenkomstig te kunnen actualiseren. De evaluatie is gemakkelijk toegankelijk voor het publiek.
De Commissie schrapt bij het bijwerken van de aandachtstoffenlijst elke stof van de bestaande aandachtstoffenlijst waarvoor zij het mogelijk acht het risico ervan voor het aquatisch milieu te beoordelen zonder aanvullende monitoringgegevens. Wanneer de aandachtstoffenlijst wordt bijgewerkt, mag een afzonderlijke stof of groep stoffen nog eens maximaal drie jaar op de toezichtlijst blijven staan wanneer aanvullende monitoringgegevens nodig zijn om het risico voor het aquatisch milieu te beoordelen. Elke bijgewerkte aandachtstoffenlijst bevat ook een of meer nieuwe stoffen waarvoor de Commissie, op basis van de wetenschappelijke verslagen van het ECHA, van oordeel is dat er sprake is van een risico voor het aquatisch milieu.
Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 ter – lid 3 – alinea 3
Bij het selecteren van representatieve meetstations en het vastleggen van de meetfrequentie en de seizoensgebonden meettijdstippen voor elke stof of groep stoffen houden de lidstaten rekening met de gebruikspatronen en het mogelijk voorkomen van de stof of groep stoffen. De monitoringfrequentie bedraagt ten minste tweemaal per jaar, behalve voor stoffen die gevoelig zijn voor klimaatvariabiliteit of seizoensveranderingen, waarvoor de monitoring vaker wordt uitgevoerd, zoals bepaald in de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitvoeringshandeling tot vaststelling van de aandachtstoffenlijst.
Bij het selecteren van representatieve meetstations en het vastleggen van de meetfrequentie en de seizoensgebonden meettijdstippen voor elke stof of groep stoffen houden de lidstaten rekening met de gebruikspatronen en het mogelijk voorkomen van de stof of groep stoffen. De monitoringfrequentie bedraagt ten minste tweemaal per jaar. De frequentie is hoger, zoals bepaald in de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitvoeringshandeling tot vaststelling van de aandachtstoffenlijst, voor stoffen die gevoelig zijn voor variabiliteit van het klimaat, zoals neerslag, en voor stoffen waarvan de concentratie gedurende korte perioden waarschijnlijk een piek vertoont als gevolg van seizoensgebonden schommelingen in het gebruik van die stoffen.
Amendement 132
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 18 ter bis (nieuw)
7 bis)   Het volgende artikel 8 ter bis wordt ingevoegd:
“Artikel 8 ter bis
De Commissie presenteert uiterlijk [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een effectbeoordeling van de opname in deze richtlijn van een mechanisme voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat producenten die producten in de handel brengen die een van de in bijlage I vermelde stoffen of verbindingen bevatten, alsook zorgwekkend wordende stoffen die zijn opgenomen in de aandachtstoffenlijst uit hoofde van die richtlijn, bijdragen aan de kosten voor monitoringprogramma’s die zijn opgezet uit hoofde van artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG. Deze verslagen gaan in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn.”
Amendement 133
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7 ter (nieuw)
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 18 ter ter (nieuw)
7 ter)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
“Artikel 8 ter ter
Europese monitoringfaciliteit
De Commissie zet uiterlijk ... [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een gemeenschappelijke monitoringfaciliteit op voor het beheer van de monitoringvereisten, indien de lidstaten daarom verzoeken.
De Commissie specificeert de werking van de monitoringfaciliteit, met onder meer de volgende elementen:
a)   Het gebruik van een dergelijke faciliteit is vrijwillig en doet geen afbreuk aan de door de lidstaten reeds getroffen regelingen;
b)   de operationele procedures voor lidstaten die voornemens zijn gebruik te maken van de monitoringfaciliteit, die onder meer de vereiste kennisgeving aan de Commissie omvatten van hun exacte monitoringbehoeften of -mogelijkheden, de exacte protocollen voor het beheer van monsters, alsmede de periode gedurende welke zij voornemens zijn deel te blijven uitmaken van het mechanisme;
c)   de financieringsbronnen, onder meer relevante structuurfondsen en -programma’s van de Unie en bijdragen van de particuliere sector, onder meer in het kader van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zodra dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 8 ter bis.”
Amendement 134
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 8 quinquies – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Bij het vaststellen en aanvragen van milieukwaliteitsnormen voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen kunnen de lidstaten rekening houden met de biobeschikbaarheid van metalen.
Amendement 135
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 9 bis – lid 2
8 bis)   Artikel 9 bis, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:
2.  De in artikel 3, lid 8, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zes jaar met ingang van 13 september 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zes jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De delegatie van bevoegdheid wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van een termijn tegen deze verlenging verzet.
“2. De in artikel 3, lid 8, artikel 8, leden 3, 6 bis en 6 ter, en artikel 8 bis, lid 3 bis, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zes jaar met ingang van [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zes jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De delegatie van bevoegdheid wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van een termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 8 ter (nieuw)
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 9 bis – lid 3
8 ter)   Artikel 9 bis, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 8, bedoelde delegatie van bevoegdheid te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
“3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 8, artikel 8, leden 3, 6 bis en 6 ter, en artikel 8 bis, lid 3 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 137
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 8 ter (nieuw)
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 9 bis – lid 3 bis (nieuw)
8 quater)   in artikel 9 bis wordt het volgende lid 3 bis ingevoegd:
“3 bis. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.”
Amendement 138
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – alinea 1 – punt 8 quinquies (nieuw)
Richtlijn 2008/105/EG
Artikel 9 bis – lid 5
8 quinquies)   Artikel 9 bis, lid 5, wordt als volgt gewijzigd:
5.  Een volgens artikel 3, lid 8, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
“5. Een volgens artikel 3, lid 8, artikel 8, leden 3, 6 bis, 6 ter, of artikel 8 bis, lid 3 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”
Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – alinea 1 – punt 10 bis (nieuw)
Richtlijn 2000/60/EG
Bijlage V – punt 1.3.4 – alinea 4
10 bis)   In punt 1.3.4 wordt alinea 4 als volgt gewijzigd:
Bij de keuze van de meetfrequenties wordt rekening gehouden met de variabiliteit van parameters ten gevolge van natuurlijke en antropogene factoren. De monitoringstijdstippen worden zo gekozen dat de invloed van seizoenvariaties op de resultaten zo klein mogelijk is om ervoor te zorgen dat de resultaten een beeld geven van veranderingen in het waterlichaam ten gevolge van veranderingen door antropogene belasting. Indien nodig vindt tijdens verschillende seizoenen van hetzelfde jaar extra monitoring plaats om deze doelstelling te bereiken.
Bij de keuze van de meetfrequenties wordt rekening gehouden met de variabiliteit van parameters ten gevolge van natuurlijke en antropogene factoren en deze frequenties worden zo nodig verhoogd. Bovendien worden de monitoringstijdstippen zo gekozen dat rekening wordt gehouden met de invloed op de statusbeoordeling van seizoenvariaties van het gebruik van stoffen en van variaties van waterniveaus om ervoor te zorgen dat de resultaten een beeld geven van veranderingen in het waterlichaam veroorzaakt door antropogene belasting en variabiliteit van het klimaat. Wat betreft prioritaire stoffen die gevoelig zijn voor klimaatschommelingen en prioritaire stoffen waarvan de concentratie gedurende korte perioden pieken kan vertonen als gevolg van seizoensgebonden schommelingen in het gebruik van deze stoffen, moet de monitoring vaker worden uitgevoerd dan voor andere stoffen.
Amendement 140
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – alinea 1 – punt 18
Richtlijn 2000/60/EG
Bijlage V – punt 2.4.5 – alinea 4
Voorts duiden de lidstaten met een zwarte stip op de kaart de grondwaterlichamen aan, die onderhevig zijn aan een significante en aanhoudende stijgende tendens van de concentratie van een verontreinigende stof ten gevolge van menselijke activiteiten. Een omkering van een tendens wordt met een blauwe stip op de kaart aangeduid.
Voorts duiden de lidstaten met een zwarte stip op de kaart de grondwaterlichamen aan, die onderhevig zijn aan een significante en aanhoudende stijgende tendens, waaronder de seizoengebonden stijgende tendens die onder meer door geringe afvoer van een waterlichaam wordt veroorzaakt, van de concentratie van een verontreinigende stof ten gevolge van menselijke activiteiten. Een omkering van een tendens wordt met een blauwe stip op de kaart aangeduid.
Amendement 141
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 2000/60/EG
Bijlage VIII – punt 10
10.  Stoffen in suspensie, met inbegrip van micro-/nanoplastics.
10.  Stoffen in suspensie, met inbegrip van micro-/nanoplastics, alsook materialen waarvan bekend is dat zij kunnen leiden tot micro-/nanoplastics.
Amendement 142
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III
Richtlijn 2006/118/EG
Bijlage I – inleidende formule
Opmerking 1: De kwaliteitsnormen voor de verontreinigende stoffen die bij vermeldingen 3 tot en met 7 zijn aangegeven, zijn van toepassing vanaf … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: de eerste dag van de maand na 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] teneinde ten laatste tegen 22 december 2033 een goede chemische toestand van het water te bereiken.
Opmerking 1: De kwaliteitsnormen voor de verontreinigende stoffen die bij vermeldingen 3 tot en met 7 zijn aangegeven, zijn van toepassing vanaf … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: de eerste dag van de maand na zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] teneinde ten laatste tegen 22 december 2033 een goede chemische toestand van het water te bereiken.
Amendement 143
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III
Richtlijn 2006/118/EG
Bijlage I – alinea 1 bis (nieuw)
Indien voor een gegeven grondwaterlichaam, met name een grondwaterlichaam in het ecologische netwerk van speciale beschermingszones uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, het vermoeden bestaat dat de toepassing van deze grondwaterkwaliteitsnormen ertoe kan leiden dat de in artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG gespecificeerde milieudoelstellingen voor de bijbehorende oppervlaktewateren niet worden bereikt, of kan resulteren in een significante verslechtering van de ecologische of chemische kwaliteit van die lichamen of in significante schade aan grondwater- of terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn, worden overeenkomstig artikel 3 van en bijlage II bij deze richtlijn stringentere drempelwaarden vastgesteld. De in verband met dergelijke drempelwaarden vereiste programma’s en maatregelen gelden ook voor activiteiten die onder de werkingssfeer van Richtlijn 91/676/EEG vallen.
Amendement 144
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III
Richtlijn 2006/118/EG
Bijlage I – tabel – regel 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

2

Werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, afbraak- en reactieproducten daarvan (4)

Bestrijdingsmiddelen

niet van toepassing

niet van toepassing

0,1 (afzonderlijk)

0,5 (totaal) (5)

______________________

(5)  Onder “totaal” wordt verstaan, de som van alle tijdens de monitoringprocedure opgespoorde en gekwantificeerde afzonderlijke bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, afbraak- en reactieproducten daarvan.

Amendement

2

Werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, afbraak- en reactieproducten daarvan (4)

Bestrijdingsmiddelen

niet van toepassing

niet van toepassing

0,05 (afzonderlijk) (4bis)

0,25 (totaal) (5)

______________________

(4bis)   Deze drempelwaarde geldt alleen in afwachting van de toetsing door de Commissie.

(5)   Onder “totaal” wordt verstaan, de som van alle tijdens de monitoringprocedure opgespoorde en gekwantificeerde afzonderlijke bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, afbraak- en reactieproducten daarvan. De voor de som van alle afzonderlijke bestrijdingsmiddelen vastgestelde drempelwaarde geldt alleen in afwachting van de toetsing door de Commissie.

Amendement 145
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III
Richtlijn 2006/118/EG
Bijlage 1 – tabel – regen 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3 bis

PFAS – totaal

Industriële stoffen

niet van toepassing

niet van toepassing

(7bis)

______________________

(7bis)  De kwaliteitsnorm wordt door de Commissie bij gedelegeerde handeling vastgesteld.

Amendement 146
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III
Richtlijn 2006/118/EG
Bijlage I – tabel – regel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

4

Carbamazepine

Geneesmiddelen

298-46-4

niet van toepassing

0,25

Amendement

4

Carbamazepine

Geneesmiddelen

298-46-4

niet van toepassing

0,025

Amendement 147
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III
Richtlijn 2006/118/EG
Bijlage I – tabel – regel 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

6

Farmaceutische werkzame stoffen – totaal (8)

Geneesmiddelen

niet van toepassing

niet van toepassing

0,25

Amendement

6

Farmaceutische werkzame stoffen – totaal (8)

Geneesmiddelen

niet van toepassing

niet van toepassing

0,025

Amendement 148
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III
Richtlijn 2006/118/EG
Bijlage I – tabel – regel 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

7

Niet-relevante metabolieten van bestrijdingsmiddelen

Bestrijdingsmiddelen

niet van toepassing

niet van toepassing

0,1 (9) of 1 (10) of 2,5 of 5 (11) (afzonderlijk)

0,5 (9) of 5 (10) of 12,5 (11) (totaal) (12)

______________________

(9)  Toepasbaar op niet-relevante metabolieten waarover weinig gegevens bestaan, dat wil zeggen waarover geen betrouwbare experimentele gegevens beschikbaar zijn met betrekking tot de chronische of acute effecten van de niet-relevante metaboliet op de taxonomische groep waarvan betrouwbaar wordt voorspeld dat deze het gevoeligst is.

(10)  Toepasbaar op niet-relevante metabolieten waarover een redelijke hoeveelheid gegevens bestaat, dat wil zeggen waarover betrouwbare experimentele gegevens beschikbaar zijn met betrekking tot de chronische of acute effecten van de niet-relevante metaboliet op de taxonomische groep waarvan betrouwbaar wordt voorspeld dat deze het gevoeligst is, maar waarbij deze gegevens niet voldoende zijn om de stoffen als stoffen waarover veel gegevens zijn aan te merken.

(11)  Toepasbaar op niet-relevante metabolieten waarover veel gegevens bestaan, dat wil zeggen waarover betrouwbare experimentele gegevens of even betrouwbare gegevens die door middel van alternatieve wetenschappelijk gevalideerde methoden zijn verkregen, beschikbaar zijn met betrekking tot de chronische of acute effecten van de niet-relevante metaboliet op ten minste één soort algen, ongewervelden en vissen, waarmee de gevoeligste taxonomische groep betrouwbaar kan worden bevestigd en waarmee een kwaliteitsnorm kan worden berekend aan de hand van een deterministische benadering op basis van betrouwbare experimentele toxiciteitsgegevens over die taxonomische groep. De lidstaten kunnen daartoe de meest recente richtsnoeren toepassen die zijn vastgesteld in het kader van de gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie voor Richtlijn 2000/60/EG (bijgewerkt richtsnoer nr. 27). De kwaliteitsnorm van 2,5 voor afzonderlijke niet-relevante metabolieten is van toepassing tenzij de volgens de deterministische benadering berekende kwaliteitsnorm hoger is, in welk geval een kwaliteitsnorm van 5 van toepassing is.

(12)  Onder “totaal” wordt de som verstaan van alle afzonderlijke niet-relevante metabolieten in iedere gegevenscategorie, die bij de monitoringprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd.

Amendement

7

Niet-relevante metabolieten van bestrijdingsmiddelen

Bestrijdingsmiddelen

niet van toepassing

niet van toepassing

0,1 (afzonderlijk)

0,5 (totaal) (12)

______________________

(12)  Onder “totaal” wordt de som verstaan van alle afzonderlijke niet-relevante metabolieten in iedere gegevenscategorie, die bij de monitoringprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd.

Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/118/EG
Bijlage II – deel B – titel
1 bis)   In deel B wordt de titel vervangen door:
Minimumlijsten van verontreinigende stoffen en indicatoren ten aanzien waarvan de lidstaten de vaststelling van drempelwaarden overeenkomstig artikel 3 moeten overwegen
“Minimumlijsten van verontreinigende stoffen en indicatoren ten aanzien waarvan de lidstaten drempelwaarden overeenkomstig artikel 3 moeten vaststellen”
Amendement 150
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage V – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2008/105/EG
Bijlage I – tabel – regel 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

1)

2)

3)

4)

5)

6)

7)

8)

9)

10)

11)

12)

13)

3)

Atrazine

Onkruidbestrijdingsmiddelen

1912-24-9

217-617-8

0,6

0,6

2,0

2,0

 

 

 

 

Amendement

1)

2)

3)

4)

5)

6)

7)

8)

9)

10)

11)

12)

13)

3)

Atrazine

Onkruidbestrijdingsmiddelen

1912-24-9

217-617-8

0,1

0,01

2,0

2,0

 

 

 

 

Amendement 151
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage V – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2008/105/EG
Bijlage I – tabel – regel 60

Door de Commissie voorgestelde tekst

1)

2)

3)

4)

5)

6)

7)

8)

9)

10)

11)

12)

13)

60)

Glyfosaat

Onkruidbestrijdingsmiddelen

1071-83-6

213-997-4

0,1 (25)

86,7 (26)

8,67

398,6

39,86

 

 

 

 

______________________

(25)  Voor zoet water dat wordt gebruikt voor de onttrekking en bereiding van drinkwater.

(26)  Voor zoet water dat niet wordt gebruikt voor de onttrekking en bereiding van drinkwater.

Amendement

1)

2)

3)

4)

5)

6)

7)

8)

9)

10)

11)

12)

13)

60)

Glyfosaat

Onkruidbestrijdingsmiddelen

1071-83-6

213-997-4

0,1

0,01

398,6

39,86

 

 

 

 

Amendement 152
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage V – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2008/105/EG
Bijlage I – tabel – regel 70 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1)

2)

3)

4)

5)

6)

7)

8)

9)

10)

11)

12)

13)

70 bis

Bisfenol

Industriële stoffen

niet van toepassing

niet van toepassing

*

*

*

*

 

 

 

 

______________________

* De kwaliteitsnorm wordt door de Commissie bij gedelegeerde handeling vastgesteld.

Amendement 153
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage V – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2008/105/EG
Bijlage I – tabel – regel 70 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1)

2)

3)

4)

5)

6)

7)

8)

9)

10)

11)

12)

13)

70 ter

PFAS – totaal

Industriële stoffen

niet van toepassing

niet van toepassing

*

*

*

*

 

 

 

 

______________________

* De kwaliteitsnorm wordt door de Commissie bij gedelegeerde handeling vastgesteld.

Amendement 154
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage V – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2008/105/EG
Bijlage I – tabel – regel 70 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1)

2)

3)

4)

5)

6)

7)

8)

9)

10)

11)

12)

13)

70 quater

Farmaceutische werkzame stoffen – totaal

Geneesmiddelen

niet van toepassing

niet van toepassing

0,25

0,025

 

 

 

 

 

 

Amendement 155
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage VI
Richtlijn 2008/105/EG
Bijlage II – deel A – punt 10
10.  Stoffen in suspensie, met inbegrip van micro-/nanoplastics.
10.  Stoffen in suspensie, met inbegrip van micro-/nanoplastics, alsook materialen waarvan bekend is dat zij kunnen leiden tot micro-/nanoplastics.
Amendement 156
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage VI
Richtlijn 2008/105/EG
Bijlage II – deel B – punt d bis (nieuw)
d bis)   bij het vaststellen van milieukwaliteitsnormen voor metalen worden biobeschikbaarheidsmodellen overwogen om rekening te houden met verschillende waterkwaliteitsparameters die van invloed zijn op de biobeschikbaarheid van metalen.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A9-0238/2023).


Richtlijn hernieuwbare energie
PDF 126kWORD 49k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (COM(2021)0557 – C9-0329/2021 – 2021/0218(COD))
P9_TA(2023)0303A9-0208/2022

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2021)0557),

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2022)0222),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 114, artikel 192, lid 1 en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0329/2021),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3 en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 9 december 2021(1) en van 13 juli 2022(2),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 28 april 2022(3),

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 juni 2023 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 40 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0208/2022),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(4);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2023 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2023/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad

P9_TC1-COD(2021)0218


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, artikel 192, lid 1, en artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité(5),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(6),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(7),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In het kader van de Europese Green Deal die is vastgelegd in de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 (“de Europese Green Deal”) is in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad(8) de doelstelling vastgesteld de Unie uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te maken, alsook de tussentijdse doelstelling de netto-broeikasgasemissies uiterlijk in 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990. De doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit vereist een rechtvaardige energietransitie waarbij geen enkel geografisch gebied of geen enkele burger aan zijn lot wordt overgelaten, alsook een toename in energie-efficiëntie en een aanzienlijk groter aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in een geïntegreerd energiesysteem.

(2)  Hernieuwbare energie speelt een fundamentele rol bij de verwezenlijking van deze doelstellingen, aangezien de energiesector vandaag de dag verantwoordelijk is voor meer dan 75 % van de totale broeikasgasemissies in de Unie. Via een vermindering van die broeikasgasemissies kan hernieuwbare energie ook een bijdrage leveren aan de aanpak van uitdagingen op het gebied van milieu, zoals verlies van biodiversiteit, en aan het terugdringen van de verontreiniging in overeenstemming met de doelstellingen van de mededeling van de Commissie van 12 mei 2021 met als titel Route naar een gezonde planeet voor iedereen – EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul”. De groene transitie naar een op hernieuwbare energie gebaseerde economie zal helpen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad(9) dat ook tot doel heeft de toestand van het milieu te beschermen, te herstellen en te verbeteren, onder meer door het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en terug te draaien. Vanwege de geringere blootstelling ervan aan prijsschokken in vergelijking met fossiele brandstoffen kan hernieuwbare energie een sleutelrol krijgen bij het aanpakken van energiearmoede. Hernieuwbare energie kan ook brede sociaaleconomische voordelen opleveren, doordat zij nieuwe banen schept en lokale industrieën stimuleert en tegelijkertijd inspeelt op de groeiende binnenlandse en mondiale vraag naar technologie voor hernieuwbare energie.

(3)  Bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad(10) is als bindend algemeen streefcijfer van de Unie vastgesteld om tegen 2030 een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen van ten minste 32 % in het bruto-eindverbruik van energie van de Unie te behalen. In het kader van het klimaatdoelstellingsplan voor 2030, beschreven in de mededeling van de Commissie van 17 september 2020 met als titel “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” zou het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie tegen 2030 tot 40 % moeten stijgen om de broeikasgasemissiereductiedoelstelling van de Unie te kunnen realiseren. In dit verband heeft de Commissie in juli 2021, als onderdeel van het pakket ter uitvoering van de Europese Green Deal, voorgesteld om het aandeel hernieuwbare energie in de energiemix uiterlijk in 2030 ten opzichte van 2020 te verdubbelen, tot ten minste 40 %.

(4)  De algemene context die is ontstaan door de Russische invasie van Oekraïne en door de gevolgen van de COVID-19-pandemie, heeft geleid tot een stijging van de energieprijzen in de hele Unie, waardoor duidelijk is geworden dat de energie-efficiëntie sneller moet worden verbeterd en dat het gebruik van hernieuwbare energie in de Unie moet worden verhoogd. Om de langetermijndoelstelling van een energiesysteem dat onafhankelijk is van derde landen te verwezenlijken, moet de Unie zich richten op het versnellen van de groene transitie en het waarborgen van een emissiebeperkend energiebeleid dat de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen vermindert en eerlijke en betaalbare prijzen voor burgers van de Unie en ondernemingen in alle sectoren van de economie bevordert.

(5)  Het REPowerEU-plan dat is opgenomen in de mededeling van de Commissie van 18 mei 2022 (het “REPowerEU-plan”) beoogt de Unie ruim voor 2030 onafhankelijk te maken van Russische fossiele brandstoffen. De mededeling voorziet in frontloading van wind- en zonne-energie, een toename van de gemiddelde inzet van dergelijke energie, en extra capaciteit voor hernieuwbare energie tegen 2030 om een hogere productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong mogelijk te maken. In deze mededeling worden de medewetgevers ook uitgenodigd om een hoger of eerder streefcijfer voor het toegenomen aandeel hernieuwbare energie in de energiemix in te voeren. In deze context is het passend het algemeen streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie te verhogen tot 42,5 % om het huidige tempo van de inzet van hernieuwbare energie aanzienlijk te versnellen, als gevolg waarvan de afhankelijkheid van de Unie van Russische fossiele brandstoffen sneller afneemt door een grotere beschikbaarheid van betaalbare, zekere en duurzame energie in de Unie. Naast dit verplichte percentage moeten de lidstaten ernaar streven collectief een algemeen streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie van 45 % te halen, in lijn met het REPowerEU-plan.

(6)   De streefcijfers voor hernieuwbare energie moeten hand in hand gaan met de aanvullende decarbonisatie-inspanningen op basis van andere niet-fossiele energiebronnen, teneinde uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken. De lidstaten moeten verschillende niet-fossiele energiebronnen kunnen combineren om de doelstelling van de Unie van klimaatneutraliteit tegen 2050 te verwezenlijken, rekening houdend met hun specifieke nationale omstandigheden en de structuur van hun energievoorziening. Om die doelstelling te verwezenlijken, moet de inzet van hernieuwbare energie in het kader van het verhoogde bindende algemene streefcijfer van de Unie worden geïntegreerd in aanvullende decarbonisatie-inspanningen in verband met de ontwikkeling van andere niet-fossiele energiebronnen die de lidstaten besluiten na te streven.

(7)  Innovatie is van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat hernieuwbare energie concurrerend is. Het Europees strategisch plan voor energietechnologie dat is opgenomen in de mededeling van de Commissie van 15 september 2015 met als titel ‘Een geïntegreerd strategisch plan voor energietechnologie (SET): vaart zetten achter de omvorming van het energiesysteem” (het “SET-plan”) heeft tot doel de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem te stimuleren door middel van acties op het vlak van onderzoek en innovatie die betrekking hebben op de hele innovatieketen, van onderzoek tot marktintroductie. Lidstaten stellen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die worden ingediend op grond van artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad(11) nationale doelstellingen en financieringsstreefcijfers vast voor openbaar en, indien beschikbaar, particulier onderzoek en innovatie op het gebied van de energie-unie, in voorkomend geval met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt, conform de prioriteiten van de strategie voor de energie-unie die is opgenomen in de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 met als titel “Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering” en, waar relevant, het SET-plan. Als aanvulling op hun nationale doelstellingen en financieringsstreefcijfers en ter bevordering van de productie van hernieuwbare energie uit innovatieve technologie voor hernieuwbare energie, en om de toekomst van het leiderschap van de Unie op het gebied van onderzoek en ontwikkeling van innovatieve technologie voor hernieuwbare energie te waarborgen, moet elke lidstaat als indicatief streefcijfer vaststellen dat tegen 2030 ten minste 5 % van de nieuw geïnstalleerde capaciteit voor hernieuwbare energie bestaat uit innovatieve technologie voor hernieuwbare energie.

(8)  Overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn (EU) .../...van het Europees Parlement en de Raad(12)(13), en in aansluiting op Aanbeveling (EU) 2021/1749 van de Commissie(14), moeten lidstaten een geïntegreerde benadering nemen door voor elke sector en voor elke toepassing de meest energie-efficiënte hernieuwbare bron te bevorderen, en door systeemefficiëntie te bevorderen, zodat voor een gegeven economische activiteit zo weinig mogelijk energie nodig is.

(9)  De in deze richtlijn opgenomen amendementen zijn ook bedoeld om de verwezenlijking te ondersteunen van de Uniedoelstelling van een jaarlijkse productie van 35 miljard kubieke meter duurzaam biomethaan tegen 2030, zoals vastgesteld in het Werkdocument van de diensten van de Commissie van 18 mei 2022 getiteld “Implementing the Repower EU Action Plan: Investment needs, hydrogen accelerator and achieving the bio-methane targets”, en zo de voorzieningszekerheid en de klimaatambities van de Unie ondersteunen.

(10)  Het besef groeit dat het beleid inzake bio-energie moet worden afgestemd op het beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa. Dat beginsel beoogt de hulpbronnenefficiëntie bij het gebruik van biomassa te verwezenlijken door waar mogelijk voorrang te geven aan het gebruik van biomassa voor materiaaldoeleinden boven energetische doeleinden en zodoende de binnen het systeem beschikbare hoeveelheid biomassa te vergroten. Deze afstemming is bedoeld om te zorgen voor eerlijke toegang tot de markt voor biomassagrondstoffen om innovatieve, biogebaseerde oplossingen met een hoge toegevoegde waarde en een duurzame circulaire bio-economie te kunnen ontwikkelen. Bij het opzetten van steunregelingen voor bio-energie moeten de lidstaten daarom letten op het beschikbare aanbod van duurzame biomassa voor energetische en niet-energetische doeleinden en op het behoud van de door nationale bossen gevormde koolstofputten en ecosystemen, evenals op het beginsel van de circulaire economie, het beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa en de afvalhiërarchie die in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad is vastgesteld(15). ▌. Conform het beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa moet houtachtige biomassa overeenkomstig haar grootste economische en ecologische meerwaarde worden gebruikt in de volgende rangorde van prioriteiten: houtproducten, verlenging van de levensduur van houtproducten, hergebruik, recycling, bio-energie en verwijdering. Wanneer andere gebruiksdoeleinden voor houtachtige biomassa niet economisch rendabel of milieuvriendelijk zijn, helpt de terugwinning van energie om de energieproductie uit niet-hernieuwbare bronnen te verminderen. Om de in het verslag “The use of woody biomass for energy production in the EU” van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie van 2021 beschreven negatieve prikkels voor niet-duurzame trajecten voor bio-energie te voorkomen, moeten de steunregelingen voor bio-energie van de lidstaten daarom georiënteerd zijn op de grondstoffen die weinig concurrentie ondervinden van de materiaalsectoren en waarvan de aankoop gunstig voor zowel het klimaat als de biodiversiteit wordt geacht. Tegelijkertijd is bij uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van het beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa besef nodig van de nationale bijzonderheden waardoor de lidstaten zich bij het inrichten van hun steunregelingen laten leiden. De lidstaten moeten in naar behoren gemotiveerde omstandigheden kunnen afwijken van dat beginsel, bijvoorbeeld wanneer dat nodig is om de energievoorziening veilig te stellen, zoals in het geval van bijzonder koude omstandigheden. De lidstaten moeten ook kunnen afwijken van dat beginsel wanneer er binnen een geografische perimeter geen industrieën of verwerkingsfaciliteiten zijn die voor bepaalde grondstoffen een hoogwaardiger doel zouden kunnen realiseren. In een dergelijk geval zou vervoer buiten die perimeter, met het oog op het realiseren van een dergelijk hoogwaardig doel, uit economisch of milieuoogpunt niet gerechtvaardigd kunnen zijn. De lidstaten moeten de Commissie van dergelijke afwijkingen in kennis stellen. De lidstaten mogen niet directe financiële steun verlenen aan energieproductie uit voor zaagstammen, stammen voor fineer, rondhout van industriële kwaliteit, stronken en wortels. Voor de toepassing van deze richtlijn worden belastingvoordelen niet beschouwd als directe financiële steun. Preventie, hergebruik en recycling van afval verdienen daarbij de voorkeur. De lidstaten moeten vermijden steunregelingen te ontwerpen die strijdig zouden zijn met streefcijfers inzake afvalverwerking en die zouden leiden tot inefficiënt gebruik van herbruikbaar afval. Met het oog op een efficiënter gebruik van bio-energie mogen de lidstaten ▌ bovendien geen nieuwe steun verlenen of steun verlengen aan elektriciteitscentrales, tenzij de installaties zich bevinden in regio’s met een speciale gebruiksstatus wat betreft hun overstap naar niet-fossiele brandstoffen of in de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere regio’s, of koolstofafvang en -opslag toepassen.

(11)  De snelle groei en het toenemende kostenconcurrentievermogen van de opwekking van hernieuwbare elektriciteit kunnen worden benut om te voldoen aan een steeds groter deel van de vraag naar energie, bijvoorbeeld door gebruik van warmtepompen voor ruimteverwarming of industriële processen op lage temperatuur, elektrische voertuigen voor vervoer of elektrische ovens in bepaalde industrietakken. Ook kan hernieuwbare elektriciteit worden aangewend voor de productie van synthetische brandstoffen die worden verbruikt in vervoerssectoren die zich moeilijk koolstofvrij laten maken, zoals de luchtvaart en het zeevervoer. Met een kader voor elektrificatie moet gedegen en efficiënte coördinatie mogelijk worden gemaakt en moeten marktmechanismen worden uitgebreid, zodat vraag en aanbod in ruimte en tijd op elkaar aansluiten, investeringen in flexibiliteit worden gestimuleerd en er wordt bijgedragen tot de integratie van grote hoeveelheden variabele opgewekte hernieuwbare energie. De lidstaten moeten er daarom voor zorgen dat het tempo van de inzet van hernieuwbare elektriciteit hoog genoeg is om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen. Daartoe moeten de lidstaten een kader met marktconforme mechanismen vaststellen voor het wegnemen van de resterende belemmeringen, zodat zij beschikken over veilige en adequate elektriciteitssystemen die grote hoeveelheden hernieuwbare energie aankunnen en over volledig in het elektriciteitssysteem geïntegreerde opslagvoorzieningen. Meer bepaald moeten met dit kader de resterende belemmeringen worden aangepakt, waaronder belemmeringen van niet-financiële aard, zoals een tekort bij de autoriteiten aan digitale en personele middelen voor het behandelen van een groeiend aantal vergunningsaanvragen.

(12)  Bij het berekenen van het aandeel hernieuwbare energie in een lidstaat moeten hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong worden meegeteld in de sector waar zij worden verbruikt (elektriciteit, verwarming en koeling, of vervoer). Om dubbeltellingen te vermijden, mag de voor de productie van deze brandstoffen gebruikte hernieuwbare elektriciteit niet worden meegeteld. Dit zou zorgen voor een harmonisatie van de boekhoudregels voor deze brandstoffen in Richtlijn (EU) 2018/2001, ongeacht het feit of de brandstoffen worden meegeteld voor het algehele streefcijfer voor hernieuwbare energie of voor een deelstreefcijfer. Ook zou daardoor de werkelijk verbruikte energie kunnen worden meegeteld, waarbij rekening wordt gehouden met energieverlies in het productieproces van die brandstoffen. Bovendien zouden zo hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die in de Unie worden ingevoerd en daar worden verbruikt, kunnen worden meegeteld. Het moet de lidstaten worden toegestaan via een specifieke samenwerkingsovereenkomst overeen te komen de hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die in een gegeven lidstaat worden verbruikt, mee te tellen in het aandeel van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat waar zij werden geproduceerd. Wanneer dergelijke samenwerkingsovereenkomsten worden gesloten, worden de lidstaten aangemoedigd om, tenzij anders overeengekomen, de hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die worden geproduceerd in een andere lidstaat dan de lidstaten waar zij worden verbruikt, als volgt te tellen: tot 70 % van hun volume in het land van verbruik en tot 30 % van hun volume in het land van productie. Afspraken tussen lidstaten kunnen de vorm aannemen van een specifieke samenwerkingsovereenkomst die wordt gesloten via het platform van de Unie voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie (URDP), dat werd gelanceerd op 29 november 2021.

(13)  Samenwerking tussen de lidstaten ter bevordering van hernieuwbare energie kan de vorm aannemen van statistische overdrachten, steunregelingen of gezamenlijke projecten. Dit maakt een rendabele uitrol van hernieuwbare energie in heel Europa mogelijk en draagt bij tot marktintegratie. Ondanks de mogelijkheden daartoe is de samenwerking tussen de lidstaten nog uiterst gering, wat in termen van efficiëntie leidt tot suboptimale uitkomsten bij het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie. De lidstaten moeten daarom worden verplicht uiterlijk in 2025 een kader voor samenwerking inzake gezamenlijke projecten vast te stellen. Binnen dat kader moeten de lidstaten ernaar streven uiterlijk in 2030 ten minste twee gezamenlijke projecten op te zetten. Daarnaast moeten lidstaten met een jaarlijks elektriciteitsverbruik van meer dan 100 TWh ernaar streven tegen 2033 een derde gezamenlijk project op te zetten. Voor de betrokken lidstaten zouden projecten die worden gefinancierd met nationale bijdragen in het kader van het financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie dat bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1294 van de Commissie(16) is ingesteld, aan die verplichting voldoen.

(14)  De mededeling van de Commissie van 19 november 2020 getiteld “EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst” bevat een ambitieuze doelstelling voor 300 GW aan offshore-windenergie en 40 GW aan oceaanenergie in alle zeebekkens van de Unie tegen 2050. Om deze omslag te bewerkstelligen, zullen de lidstaten op het niveau van zeegebieden grensoverschrijdend moeten samenwerken. Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad(17) vereist dat de lidstaten niet-bindende overeenkomsten sluiten om gezamenlijk doelstellingen vast te stellen voor de uitrol van offshoreproductie van hernieuwbare energie in elk zeegebied tegen 2050, met tussentijdse stappen in 2030 en 2040. Het publiceren van informatie over de volumes hernieuwbare offshore-energie die de lidstaten via aanbestedingen willen bereiken, verhoogt de transparantie en voorspelbaarheid voor investeerders en ondersteunt de verwezenlijking van de doelstellingen voor offshoreproductie van hernieuwbare energie. Maritieme ruimtelijke ordening is een essentieel instrument om ervoor te zorgen dat verschillende vormen van gebruik van de zee naast elkaar kunnen bestaan. De toewijzing van ruimte aan projecten voor hernieuwbare offshore-energie in plannen voor maritieme ruimtelijke ordening is nodig om langetermijnplanning mogelijk te maken, de effecten van deze projecten voor hernieuwbare offshore-energie te beoordelen en te zorgen voor acceptatie door het publiek van hun geplande uitrol. De acceptatie door het publiek kan tevens worden vergroot door het mogelijk te maken dat hernieuwbare-energiegemeenschappen kunnen deelnemen aan gezamenlijke projecten voor hernieuwbare offshore-energie.

(15)  De markt voor hernieuwbarestroomafnameovereenkomsten groeit snel en biedt, naast steunregelingen van de lidstaten of rechtstreekse verkoop op de groothandelsmarkt voor elektriciteit, een aanvullende route naar de markt voor de opwekking van hernieuwbare energie. Tegelijkertijd is het een feit dat de markt voor hernieuwbarestroomafnameovereenkomsten nog altijd beperkt is tot een klein aantal lidstaten en grote ondernemingen en er in een groot deel van de Uniemarkt nog steeds aanzienlijke administratieve, technische en financiële belemmeringen bestaan. De bestaande maatregelen van artikel 15 van Richtlijn (EU) 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van hernieuwbarestroomafnameovereenkomsten moeten daarom verder worden verstevigd door te onderzoeken hoe kredietgaranties kunnen worden ingezet om de financiële risico’s van deze overeenkomsten te beperken; daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat deze garanties, indien ze een publiek karakter hebben, particuliere financiering niet mogen verdringen. Daarnaast moeten maatregelen ter ondersteuning van hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten worden uitgebreid naar andere vormen van hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten, met inbegrip van, indien relevant, afnameovereenkomsten voor verwarming en koeling op hernieuwbare energie. De Commissie moet in dit verband de belemmeringen voor langlopende hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten, met name voor het gebruik van grensoverschrijdende hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten, analyseren en richtsnoeren verstrekken voor het wegnemen van deze belemmeringen.

(16)  Het verder stroomlijnen van administratieve en vergunningsprocedures kan noodzakelijk zijn om onnodige administratieve lasten weg te nemen voor het opzetten van zowel hernieuwbare-energieprojecten als de daarmee verband houdende projecten op het gebied van netwerkinfrastructuur. Binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn en aan de hand van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen die worden ingediend op grond van artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999 ▌, moet de Commissie overwegen of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de lidstaten verder te ondersteunen bij de uitvoering van de bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/2001 betreffende vergunningsprocedures, mede gezien de verplichting voor de op grond van artikel 16 van die richtlijn opgerichte of aangewezen contactpunten om ervoor te zorgen dat de in deze richtlijn vastgestelde termijnen voor de vergunningsprocedures worden nageleefd. Dergelijke aanvullende maatregelen moeten indicatieve kernprestatie-indicatoren kunnen omvatten voor onder meer de duur van vergunningsprocedures met betrekking tot hernieuwbare-energieprojecten binnen en buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie.

(17)  De gebouwde omgeving bevat tal van onbenutte mogelijkheden waarmee een doeltreffende bijdrage kan worden geleverd aan het terugdringen van broeikasgasemissies in de Unie. Om de ambitie die is vastgesteld in Verordening EU 2021/1119, namelijk het realiseren van de doelstelling van de Unie om klimaatneutraal te worden, te kunnen waarmaken, is het noodzakelijk om verwarming en koeling in de gebouwde omgeving koolstofvrij te maken door middel van een groter aandeel in de productie en het gebruik van hernieuwbare energie. De afgelopen tien jaar is er echter geen voortgang geboekt bij het gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling en is er hoofdzakelijk een groter beroep gedaan op het gebruik van biomassa. Als niet wordt vastgesteld wat het indicatieve aandeel van hernieuwbare energie voor de gebouwde omgeving moet zijn, zal het niet mogelijk zijn om de voortgang in het gebruik van hernieuwbare energie bij te houden en de bijbehorende knelpunten op te sporen. Door een indicatief aandeel voor het gebruik van hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving te formuleren, krijgen beleggers een signaal voor de lange termijn, ook voor de periode onmiddellijk na 2030. ▌Om die reden moet het indicatieve aandeel voor het gebruik van hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving, die ter plekke of in de buurt geproduceerd wordt alsook hernieuwbare energie die van het net wordt afgenomen, worden vastgesteld, zodat er richting en aanmoediging wordt gegeven aan de inspanningen die de lidstaten leveren om de mogelijkheden van gebruik en productie van hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving te benutten, de ontwikkeling van technologie voor de productie van hernieuwbare energie aan te moedigen en te helpen bij de efficiënte integratie van dergelijke technologie in het energiesysteem terwijl beleggers zekerheid wordt geboden, betrokkenheid op lokaal niveau wordt gewaarborgd en aan systeemefficiëntie wordt bijgedragen. Slimme en innovatieve technologie die bijdraagt aan systeemefficiëntie moet waar passend ook worden aangemoedigd. Voor het berekenen van dat indicatieve aandeel moeten de lidstaten, bij de vaststelling van het aandeel van het net afgenomen hernieuwbare energie dat wordt gebruikt in de gebouwde omgeving, het gemiddelde aandeel hernieuwbare energie gebruiken dat in de twee voorgaande jaren op hun grondgebied is geleverd.

(18)  Het indicatieve aandeel hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving dat tegen 2030 in de Unie moet worden bereikt, vormt een noodzakelijke minimum om het gebouwenbestand van de Unie tegen 2050 koolstofvrij te maken en is een aanvulling op het regelgevingskader met betrekking tot energie-efficiëntie en de energieprestatie van gebouwen. Om een naadloze, kosteneffectieve uitfasering van fossiele brandstoffen in de gebouwde omgeving mogelijk te maken is het van essentieel belang fossiele brandstoffen te vervangen door hernieuwbare energie. Het indicatieve aandeel hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving is een aanvulling op het regelgevingskader voor gebouwen zoals vastgelegd in het Unierecht inzake de energieprestaties van gebouwen door ervoor te zorgen dat technologie, apparaten en infrastructuur op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van efficiënte stadsverwarming en -koeling, tijdig en voldoende worden opgeschaald om fossiele brandstoffen in gebouwen te vervangen en de beschikbaarheid van veilige en betrouwbare hernieuwbare energie voor bijna-energieneutrale gebouwen tegen 2030 te waarborgen. Het indicatieve aandeel hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving bevordert ook investeringen in hernieuwbare energie in nationale langetermijnstrategieën en -plannen voor de renovatie van gebouwen, waardoor gebouwen koolstofvrij kunnen worden gemaakt. Voorts is het indicatieve aandeel hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving een belangrijke aanvullende indicator voor het stimuleren van de ontwikkeling of modernisatie van efficiënte stadsverwarming en -koelingsnetwerken, en vormt het zo een aanvulling op zowel de indicatieve doelstelling voor stadsverwarming en -koeling uit hoofde van artikel 24 van Richtlijn EU) 2018/2001 als de vereiste om ervoor te zorgen dat hernieuwbare energie en restwarmte en -koude afkomstig van efficiënte stadsverwarmings- en -koelingssystemen beschikbaar is om te helpen bijdragen aan het totale jaarlijkse primaire energiegebruik van nieuwe of gerenoveerde gebouwen. Dat indicatieve aandeel hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving is ook noodzakelijk om te zorgen voor het op kosteneffectieve wijze verwezenlijken van de jaarlijkse toename van hernieuwbare verwarming en koeling uit hoofde van artikel 23 van Richtlijn (EU) 2018/2001.

(19)  Gezien het hoge energieverbruik in residentiële, commerciële en publieke gebouwen, kunnen de bestaande definities van Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad(18) worden gebruikt bij de berekening van het nationale aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in de gebouwde omgeving, teneinde de administratieve lasten tot een minimum te beperken en tegelijkertijd te zorgen voor voortgang bij het verwezenlijken van het indicatieve aandeel hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving in de Unie per 2030.

(20)  Langdurige administratieve vergunningsprocedures vormen een van de belangrijkste belemmeringen voor investeringen in hernieuwbare-energieprojecten en de bijbehorende infrastructuur. Deze belemmeringen omvatten de complexiteit van de toepasselijke regels voor selectie van locaties en administratieve goedkeuring van zulke projecten, de complexiteit en de duur van de beoordeling van de milieueffecten van zulke projecten, en gerelateerde energienetwerken, problemen in verband met de aansluiting op het net, beperkingen op de aanpassing van technologiespecificaties tijdens de vergunningsprocedure, en personeelsproblemen bij de vergunningverlenende autoriteiten of netwerkbeheerders. Om het tempo van de uitrol van zulke hernieuwbare-energieprojecten te versnellen, moeten regels worden vastgesteld om de vergunningsprocedures te vereenvoudigen en te verkorten, waarbij rekening moet worden gehouden met de brede publieke aanvaarding van de inzet van hernieuwbare energie.

(21)  Richtlijn (EU) 2018/2001 stroomlijnt de administratieve vergunningsprocedures voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie door regels inzake de organisatie en de maximale duur van het administratieve deel van de vergunningsprocedures voor hernieuwbare-energieprojecten in te voeren, die alle relevante vergunningen voor de bouw, de repowering en de exploitatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie, en voor de aansluiting van dergelijke installaties op het net bestrijken.

(22)  Een verdere vereenvoudiging en verkorting van de administratieve vergunningsprocedures voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van: installaties die verschillende bronnen van hernieuwbare energie combineren; warmtepompen; energieopslag op één locatie, met inbegrip van stroom- en thermische faciliteiten; alsook de activa die nodig zijn voor de aansluiting van die installaties, warmtepompen en opslag op het net, en om hernieuwbare energie op een gecoördineerde en geharmoniseerde manier te integreren in verwarmings- en koelingsnetwerken, is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de Unie haar ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de doelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050 haalt, rekening houdend met het “niet schaden”-beginsel van de Europese Green Deal en zonder afbreuk te doen aan de interne bevoegdheidsverdeling binnen lidstaten.

(23)  De invoering van kortere en duidelijke termijnen voor besluiten die moeten worden genomen door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de verlening van vergunningen voor installaties voor hernieuwbare energie op basis van een volledige aanvraag, is bedoeld om de uitrol van hernieuwbare-energieprojecten versnellen. De tijd gedurende welke de installaties voor de productie van hernieuwbare energie gebouwd worden en aangesloten worden aan het net, mag niet in deze termijnen worden meegeteld, behalve indien deze samenvalt met andere administratieve stadia van de vergunningsprocedure. Er moet echter onderscheid worden gemaakt tussen projecten in gebieden die bijzonder geschikt zijn voor de uitrol van hernieuwbare-energieprojecten, waarvoor termijnen gestroomlijnd kunnen worden, dat wil zeggen gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, en projecten die buiten dergelijke gebieden liggen. Bij de vaststelling van de termijnen moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van projecten voor hernieuwbare offshore-energie.

(24)  Sommige van de meest voorkomende problemen waarmee projectontwikkelaars op het gebied van hernieuwbare energie te maken krijgen, hebben betrekking op complexe en langdurige administratieve vergunningsprocedures en procedures voor aansluiting op het net die op nationaal of regionaal niveau zijn vastgesteld, alsook een gebrek aan voldoende personeel en technische deskundigheid bij de vergunningverlenende autoriteiten om de milieueffecten van de voorgestelde projecten te beoordelen. Daarom is het passend bepaalde milieugerelateerde aspecten van de vergunningsprocedures voor hernieuwbare-energieprojecten te stroomlijnen.

(25)  Een snellere uitrol van hernieuwbare-energieprojecten moet worden ondersteund door de lidstaten door in overleg met lokale en regionale overheden de uitrol van hernieuwbare energie en bijbehorende infrastructuur op hun grondgebied op gecoördineerde wijze in kaart brengen. Lidstaten moeten de gebieden op het landoppervlak, onder het oppervlak, ter zee en in de binnenwateren aanwijzen die nodig zijn voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie en bijbehorende infrastructuur, teneinde ten minste hun nationale bijdragen te leveren aan het herziene algemeen streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 dat is vastgesteld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en ter ondersteuning van de verwezenlijking van de doelstelling van klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050 overeenkomstig Verordening (EU) 2021/1119. Het moet de lidstaten voor de vaststelling van deze gebieden worden toegestaan bestaande ruimtelijke-ordeningsdocumenten te gebruiken. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze gebieden hun geraamde trajecten en totale geplande geïnstalleerde capaciteit weerspiegelen, en moeten specifieke gebieden aanwijzen voor de verschillende soorten technologie voor hernieuwbare energie die zijn vastgesteld in hun op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 ingediende nationale energie- en klimaatplannen.

Bij de aanwijzing van de vereiste gebieden op het landoppervlak, onder het oppervlak, ter zee en in de binnenwateren moet met name rekening worden gehouden met de beschikbaarheid van hernieuwbare energie en het potentieel van de verschillende soorten technologie voor de productie van hernieuwbare energie in de verschillende land- en zeegebieden, de verwachte vraag naar energie, rekening houdend met energie- en systeemefficiëntie, zowel in het algemeen als in de verschillende regio’s van de lidstaat, en de beschikbaarheid van relevante energie-infrastructuur, opslag en andere instrumenten ten behoeve van de flexibiliteit, rekening houdend met de capaciteit die nodig is om te zorgen voor de toenemende hoeveelheid hernieuwbare energie, alsook met ecologische kwetsbaarheid overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad(19).

(26)  De lidstaten moeten, als subset van die gebieden, specifieke gebieden op het land (inclusief aan en onder het oppervlak), ter zee en in de binnenwateren aanwijzen als gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Hierbij moet het gaan om gebieden die bijzonder geschikt zijn voor de ontwikkeling van hernieuwbare-energieprojecten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen soorten technologie, zich erop baserend dat de uitrol van het specifieke soort bron van hernieuwbare energie naar verwachting geen aanzienlijk milieueffect zal hebben. Bij de aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie moeten de lidstaten beschermde gebieden vermijden en herstelplannen en adequate mitigerende maatregelen overwegen. De lidstaten moeten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie specifiek kunnen aanwijzen voor één of meer soorten installaties voor de productie van hernieuwbare energie en moeten het soort of de soorten hernieuwbare energie aangeven die geschikt zijn om te worden geproduceerd in die gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. De lidstaten moeten dergelijke gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie aanwijzen voor ten minste één soort technologie en moeten beslissen over de omvang van dergelijke gebieden, rekening houdend met de specifieke kenmerken en vereisten van de soort(en) technologie waarvoor zij dergelijke gebieden aanwijzen. Daarbij moeten de lidstaten beogen ervoor te zorgen dat deze gebieden een aanzienlijke gecombineerde omvang hebben en dat zij bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn (EU) 2018/2001.

(27)  Het meervoudig gebruik van ruimte voor de productie van hernieuwbare energie in combinatie met ander gebruik van land, binnenwateren en zee, zoals voedselproductie of natuurbescherming of -herstel, verlicht de beperkingen op het gebruik van land, binnenwateren en zee. In dit verband is ruimtelijke ordening een essentieel instrument om synergieën voor het gebruik van land, binnenwateren en de zee in een vroeg stadium in kaart te brengen en te sturen. Meervoudig gebruik van de gebieden die als gevolg van vastgestelde ruimtelijke-ordeningsmaatregelen zijn aangewezen, moet door de lidstaten worden onderzocht, mogelijk gemaakt en gestimuleerd. Daartoe moeten de lidstaten waar vereist wijzigingen in het gebruik van land en zee faciliteren, op voorwaarde dat de verschillende gebruiksvormen en activiteiten onderling verenigbaar zijn en naast elkaar kunnen bestaan.

(28)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad(20) voert milieubeoordelingen in als belangrijke instrumenten voor het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding en goedkeuring van plannen en programma’s. Om gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie aan te wijzen, moeten de lidstaten een of meer plannen opstellen waarin gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden aangewezen en de toepasselijke regels en mitigerende maatregelen voor projecten in elk van die gebieden worden opgenomen. De lidstaten moeten één enkel plan kunnen opstellen voor alle gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en voor alle technologie voor hernieuwbare energie, of zij moeten technologiespecifieke plannen kunnen opstellen waarin een of meer gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden aangewezen. Elk plan moet worden onderworpen aan een milieubeoordeling op grond van Richtlijn 2001/42/EG om de effecten van elke technologie voor hernieuwbare energie op de in dat plan aangewezen relevante gebieden te beoordelen. Dankzij het uitvoeren met het oog hierop van een milieubeoordeling op grond van die richtlijn, zouden de lidstaten tot een beter geïntegreerde en efficiëntere aanpak van de planning kunnen komen, om ervoor te zorgen dat er al in een vroeg stadium maatschappelijke betrokkenheid is, en om al in een vroeg stadium van het planningsproces op strategisch niveau rekening te kunnen houden met milieuoverwegingen. Dit zou ertoe bijdragen dat de uitrol van verschillende hernieuwbare energiebronnen sneller en op meer gestroomlijnde wijze kan worden opgevoerd, en dat tegelijkertijd de negatieve milieueffecten van deze projecten tot een minimum beperkt kunnen worden. Indien het plan aanzienlijke negatieve milieueffecten kan hebben in een andere lidstaat moet er voor dergelijke milieubeoordelingen grensoverschrijdend overleg tussen de lidstaten plaatsvinden.

(29)  Na de vaststelling van de plannen voor het aanwijzen van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie moeten de lidstaten alle aanzienlijke negatieve milieueffecten van de tenuitvoerlegging van plannen en programma’s monitoren, onder meer om in een vroeg stadium onvoorziene negatieve effecten te kunnen constateren en passende herstellende maatregelen te kunnen nemen, overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG.

(30)  Om de maatschappelijke acceptatie van hernieuwbare-energieprojecten te vergroten, moeten de lidstaten passende maatregelen nemen om de betrokkenheid van lokale gemeenschappen bij hernieuwbare-energieprojecten te stimuleren. De bepalingen van het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (21), ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998, en met name de bepalingen betreffende inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, blijven van toepassing.

(31)  Om het proces van aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie te stroomlijnen en te vermijden dat voor een gebied een dubbele milieubeoordeling wordt gedaan, moeten gebieden die reeds in het kader van het nationale recht geschikt zijn verklaard voor een versnelde uitrol van technologie voor hernieuwbare energie door de lidstaten kunnen worden aangemerkt als zijnde gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Voor deze aanmerkingen moet aan bepaalde milieuvoorwaarden zijn voldaan die een hoog niveau van milieubescherming waarborgen. Op de mogelijkheid tot aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie in bestaande plannen moet een tijdslimiet zitten, om te ervoor te zorgen dat de standaardprocedure voor de aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie niet in gevaar wordt gebracht. Projecten die zijn gelegen in bestaande nationale aangewezen gebieden binnen beschermde gebieden die niet kunnen worden aangemerkt als gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, moeten worden voortgezet onder dezelfde voorwaarden als die waaronder zij zijn opgezet.

(32)  Gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie moeten, samen met bestaande installaties voor de productie van hernieuwbare energie, toekomstige installaties voor de productie van hernieuwbare energie buiten dergelijke gebieden en samenwerkingsmechanismen, erop gericht zijn ervoor te zorgen dat de productie van hernieuwbare energie voldoende is om de bijdrage van de lidstaten aan het in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde algemeen streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie te halen. De lidstaten moeten de mogelijkheid behouden om ook buiten deze gebieden vergunningen voor projecten te verlenen.

(33)  In de gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie moeten van hernieuwbare-energieprojecten die voldoen aan de regels en maatregelen die zijn vastgesteld in de plannen die door de lidstaten zijn opgesteld, worden vermoed geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu te hebben. Daarom moet er voor dergelijke projecten een vrijstelling zijn van de verplichting om een specifieke milieueffectbeoordeling op projectniveau in de zin van Richtlijn 2011/92/EU uit te voeren, met uitzondering van projecten waarvoor een lidstaat heeft besloten een milieueffectbeoordeling te vereisen in zijn nationale verplichte lijst van projecten en van projecten die waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten in een andere lidstaat zullen hebben of indien een lidstaat die waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen zal ondervinden daarom verzoekt. De verplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband(22), dat op 25 februari 1991 in Espoo werd ondertekend, moeten van toepassing blijven op lidstaten wanneer het project waarschijnlijk een aanzienlijk grensoverschrijdend effect zal hebben in een derde land.

(34)  De verplichtingen van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(23) blijven van toepassing voor waterkrachtcentrales, ook indien een lidstaat besluit gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie met betrekking tot waterkracht aan te wijzen, om ervoor te zorgen dat potentiële negatieve effecten op het waterlichaam of de waterlichamen in kwestie gerechtvaardigd zijn en dat alle relevante mitigerende maatregelen getroffen zijn.

(35)  De aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie moet ervoor zorgen dat installaties voor de productie van hernieuwbare energie en energieopslag op één locatie, alsook de aansluiting van dergelijke installaties en opslag op het net, in deze gebieden kunnen profiteren van voorspelbaarheid en gestroomlijnde administratieve vergunningsprocedures. In het bijzonder moeten projecten in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie in aanmerking komen voor versnelde administratieve vergunningsprocedures, met inbegrip van stilzwijgende goedkeuring indien de bevoegde autoriteit niet binnen de vastgestelde termijn op een administratieve tussenstap reageert, tenzij het specifieke project aan een milieueffectbeoordeling wordt onderworpen of het beginsel van administratieve stilzwijgende goedkeuring niet bestaat in het nationale recht van de betreffende lidstaat. Deze projecten moeten ook profiteren van duidelijke termijnen en van rechtszekerheid met betrekking tot de verwachte uitkomst van de vergunningsprocedure. Zodra een aanvraag voor een project in een gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie is ingediend, moet de lidstaat die aanvraag aan een versneld screeningsproces onderwerpen om na te gaan of het zeer waarschijnlijk is dat een dergelijk project, gelet op de milieugevoeligheid van het geografische gebied waar het project zal worden uitgevoerd, zal leiden tot aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten die niet zijn vastgesteld tijdens de op grond van Richtlijn 2001/42/EG uitgevoerde milieubeoordeling van de plannen voor het aanwijzen van specifieke infrastructuurgebieden, en of het project onder het toepassingsgebied van artikel 7 van Richtlijn 2011/92/EU valt op basis van de vermoedelijke aanzienlijke milieueffecten ervan in een andere lidstaat of op basis van een verzoek van een lidstaat die vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden. Met het oog op dergelijk screeningproces moet de bevoegde autoriteit de aanvrager kunnen verzoeken aanvullende beschikbare informatie te verstrekken zonder een nieuwe beoordeling of gegevensverzameling te vereisen. Alle projecten in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie die voldoen aan de regels en de maatregelen die zijn vastgesteld in de plannen die door de lidstaten zijn opgesteld, worden geacht aan het eind van dergelijk screeningproces te zijn goedgekeurd. Op voorwaarde dat de lidstaten over duidelijk bewijs beschikken om te oordelen dat het zeer waarschijnlijk is dat een specifiek project zal leiden tot de bedoelde aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten, moeten de lidstaten, na een dergelijk screeningproces, het project onderwerpen aan een milieueffectbeoordeling op grond van Richtlijn 2011/92/EU en, in voorkomend geval, een beoordeling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(24)De lidstaten moeten de redenen voor hun besluit om projecten aan dergelijke beoordelingen te onderwerpen aangeven voordat deze beoordelingen worden uitgevoerd. Dergelijke beoordelingen moeten binnen zes maanden na het nemen van deze beslissingen worden uitgevoerd, met de mogelijkheid van verlenging van die termijn op grond van buitengewone omstandigheden. Het past de lidstaten toe te staan in gerechtvaardigde gevallen te voorzien in afwijkingen van de verplichting om dergelijke beoordelingen te verrichten voor wind- en fotovoltaïsche zonne-energieprojecten, omdat die projecten naar verwachting tegen 2030 verreweg de meeste hernieuwbare elektriciteit zullen leveren. In dat geval moet de projectontwikkelaar evenredige mitigerende maatregelen of, indien niet beschikbaar, compenserende maatregelen nemen, die de vorm kunnen aannemen van financiële compensatie indien er geen andere evenredige compenserende maatregelen beschikbaar zijn, om die tijdens het screeningsproces geïdentificeerde aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten aan te pakken.

(36)  Gezien de noodzaak om de uitrol van energie uit hernieuwbare bronnen te versnellen, mag het aanwijzen van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie de lopende en toekomstige installatie van hernieuwbare-energieprojecten in alle gebieden die voor de uitrol van hernieuwbare energie beschikbaar zijn, niet in de weg staan. Dergelijke projecten moeten onderworpen blijven aan de verplichting om een specifieke milieueffectbeoordeling uit te voeren op grond van Richtlijn 2011/92/EU en moeten onderworpen zijn aan de vergunningsprocedures die gelden voor hernieuwbare-energieprojecten die zijn gelegen buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Om vergunningprocedures te versnellen op een schaal die nodig is om het in Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde streefcijfer voor hernieuwbare energie te halen, moeten ook de vergunningprocedures die gelden voor projecten buiten de gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden vereenvoudigd en gestroomlijnd door de invoering van duidelijke maximumtermijnen voor alle stappen van de vergunningprocedure, met inbegrip van specifieke milieubeoordelingen per project.

(37)  De bouw en exploitatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie kan leiden tot het incidenteel doden of verstoren van vogels en andere uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG of Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(25) beschermde soorten. Een dergelijk doden of verstoren mag echter niet als opzettelijk in de zin van die richtlijnen worden beschouwd indien het project voor de bouw en de exploitatie van die installaties voor de productie van hernieuwbare energie voorziet inpassende mitigerende maatregelen om dat doden of die verstoringen te voorkomen, om de doeltreffendheid van dergelijke maatregelen door behoorlijke monitoring te beoordelen en om, in het licht van de verzamelde informatie, waar vereist verdere maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er geen aanzienlijke negatieve effecten op de populatie van de betrokken soort zijn.

(38)  Naast de installatie van nieuwe installaties voor de productie van hernieuwbare energie heeft de repowering van bestaande elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie een aanzienlijk potentieel om bij te dragen tot de verwezenlijking van de streefcijfers op het gebied van hernieuwbare energie. Aangezien de bestaande elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie meestal zijn geïnstalleerd op locaties met een aanzienlijk potentieel aan energie uit hernieuwbare bronnen, kan repowering het voortgezette gebruik van deze installaties waarborgen en tegelijkertijd de noodzaak verminderen om nieuwe locaties voor hernieuwbare-energieprojecten aan te wijzen. Repowering heeft meer voordelen, zoals de bestaande netaansluiting, een waarschijnlijk grotere mate van publieke acceptatie en kennis van de milieueffecten.

(39)  Richtlijn (EU) 2018/2001 voorziet in gestroomlijnde vergunningsprocedures voor repowering. Om tegemoet te komen aan de toenemende behoefte aan repowering van bestaande elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie en om de voordelen ervan ten volle te benutten, is het passend een nog kortere vergunningsprocedure vast te stellen voor de repowering van elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie die zich bevinden in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, met inbegrip van een korter screeningsproces. Voor de repowering van bestaande elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie die zich bevinden buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie moeten de lidstaten zorgen voor een vereenvoudigde en snelle vergunningsprocedure die niet langer dan één jaar mag duren, rekening houdend met het “niet-schaden”-beginsel van de Europese Green Deal.

(40)  Om de repowering van bestaande elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie verder te bevorderen en te versnellen, moet een vereenvoudigde vergunningsprocedure voor netaansluitingen worden opgezet wanneer de repowering leidt tot een beperkte toename van de totale capaciteit ten opzichte van het oorspronkelijke project. De repowering van hernieuwbare-energieprojecten brengt in meer of mindere mate veranderingen in of de uitbreiding van bestaande projecten met zich mee. De vergunningsprocedure, met inbegrip van milieubeoordelingen en screening, voor de repowering van hernieuwbare-energieprojecten moet beperkt blijven tot de potentiële effecten van de wijziging of uitbreiding ten opzichte van het oorspronkelijke project.

(41)  Bij de repowering van een zonne-energie-installatie kunnen de doeltreffendheid en de capaciteit toenemen zonder de ingenomen ruimte te vergroten. De gerepowerde installatie behoudt dus dezelfde impact op het milieu als de originele installatie, op voorwaarde dat de ingenomen ruimte in het proces niet is vergroot en de oorspronkelijk vereiste mitigerende milieumaatregelen nog altijd worden nageleefd.

(42)  De installatie van apparatuur voor zonne-energie en bijbehorende energieopslag op één locatie, alsook de aansluiting van dergelijke apparatuur en opslag op het net, in bestaande of toekomstige kunstmatige constructies die zijn opgezet voor andere doeleinden dan de productie van zonne-energie of energieopslag, met uitsluiting van kunstmatige wateroppervlakken, zoals daken, parkeerterreinen, wegen en spoorwegen, geeft doorgaans geen aanleiding tot bezorgdheid in verband met concurrerend gebruik van ruimte of milieueffecten. Deze installaties moeten daarom in aanmerking kunnen komen voor kortere vergunningsprocedures en vrijgesteld kunnen worden van de verplichting om een milieueffectbeoordeling op grond van Richtlijn 2011/92/EU uit te voeren, om redenen die – naar de beoordeling van de specifieke omstandigheden door de lidstaten – verband houden met de bescherming van cultureel of historisch erfgoed, met nationale defensiebelangen of met veiligheidsredenen.

Installaties voor zelfverbruik, ook die voor collectieve zelfverbruikers zoals lokale energiegemeenschappen, dragen ook bij tot een lagere totale vraag naar aardgas, tot een weerbaarder systeem en tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van hernieuwbare energie. De installatie van apparatuur voor zonne-energie met een vermogen van minder dan 100 kW, met inbegrip van installaties van zelfverbruikers van hernieuwbare energie, heeft waarschijnlijk geen aanzienlijke negatieve effecten op het milieu of het net en leveren geen veiligheidsproblemen op. Verder is er voor kleine installaties doorgaans geen capaciteitsuitbreiding op het netaansluitpunt nodig. Gezien de onmiddellijke positieve gevolgen van dergelijke installaties voor verbruikers en de beperkte milieueffecten ervan, is het passend de hiervoor geldende vergunningsprocedure verder te stroomlijnen, mits die installaties de bestaande capaciteit van de aansluiting op het distributienet niet overschrijden, met de invoering van een stilzwijgende instemming van de overheid in de toepasselijke vergunningsprocedures, om de uitrol van die installaties te bevorderen en te versnellen en in staat te stellen op korte termijn de vruchten ervan te plukken. De lidstaten moet toegestaan worden om een lagere drempel dan 100 kW toe te passen op basis van hun interne beperkingen, mits de drempel hoger blijft dan 10,8 kW.

(43)  Warmtepomptechnologie is cruciaal voor de productie van hernieuwbare verwarming en koeling van omgevingsenergie, inclusief van afvalwaterzuiveringsinstallaties en geothermische energie. Met warmtepompen kunnen ook restwarmte en -koude worden gebruikt. Door de snelle inzet van warmtepompen waarmee onvolledig benutte hernieuwbare-energiebronnen zoals omgevingsenergie of geothermische energie, alsook restwarmte van de industriële en tertiaire sectoren, inclusief datacentra, worden geactiveerd, is het mogelijk op aardgas en op andere fossiele brandstoffen gebaseerde ketels te vervangen door een hernieuwbare verwarmingsoplossing, en kan tegelijkertijd de energie-efficiëntie stijgen. Hierdoor wordt het gebruik van aardgas voor verwarming versneld verminderd, in de gebouwde omgeving en in de industrie. Om de installatie en het gebruik van warmtepompen te versnellen, is het passend gerichte kortere vergunningsprocedures voor dergelijke installaties in te voeren, inclusief een vereenvoudigde vergunningsprocedure voor aansluitingen van kleinere warmtepompen op het elektriciteitsnet, indien er geen veiligheidsoverwegingen zijn, er geen verdere werkzaamheden nodig zijn voor netaansluitingen en er geen sprake is van technische onverenigbaarheid van de systeemonderdelen, tenzij die vergunningsprocedure krachtens nationaal recht niet nodig is. Dankzij een snellere en gemakkelijkere installatie van warmtepompen is het de bedoeling dat een groter gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming — momenteel goed voor bijna de helft van het energieverbruik van de Unie — bijdraagt aan de voorzieningszekerheid en een moeilijkere marktsituatie helpt aan te pakken.

(44)  Voor de toepassing van het relevante milieurecht van de Unie moeten lidstaten, in het kader van de noodzakelijke gevalsgewijze beoordelingen om vast te stellen of een installatie voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting van die installatie op het net, het bijbehorende net zelf of opslagactiva van hoger openbaar belang zijn, er vanuit gaan dat deze installaties voor de productie van hernieuwbare energie en de bijbehorende infrastructuur van hoger openbaar belang zijn en de volksgezondheid en de openbare veiligheid dienen, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat deze projecten aanzienlijke negatieve milieueffecten hebben die niet kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd, of wanneer lidstaten in naar behoren gerechtvaardigde en specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld om redenen die verband houden met de nationale defensie, besluiten de toepassing van dit vermoeden te beperken. Als dergelijke installaties voor de productie van hernieuwbare energie worden geacht van hoger openbaar belang te zijn en de volksgezondheid en de openbare veiligheid te dienen, zouden dergelijke projecten in aanmerking kunnen komen voor een vereenvoudigde beoordeling.

(45)  Met het oog op een soepele en doeltreffende uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn ondersteunt de Commissie de lidstaten via het instrument voor technische ondersteuning dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad(26), dat technische expertise op maat verstrekt om hervormingen te ontwerpen en door te voeren, waaronder hervormingen die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen vergroten, een betere energiesysteemintegratie bevorderen, specifieke gebieden aanwijzen die bijzonder geschikt zijn voor de installatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie, en het kader voor toestemmings- en vergunningsprocedures voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie stroomlijnen. De technische ondersteuning omvat bijvoorbeeld de versterking van de administratieve capaciteit, de harmonisatie van de wetgevingskaders en de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied, zoals het faciliteren en bevorderen van meervoudig gebruik.

(46)  Er moet voor energie-infrastructuur worden gezorgd ter ondersteuning van een aanzienlijke opschaling van de productie van hernieuwbare energie. De lidstaten moeten specifieke infrastructuurgebieden kunnen aanwijzen waar de uitvoering van projecten voor netten of opslag die nodig zijn voor de integratie van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem naar verwachting geen significant milieueffect zal hebben, een dergelijk effect naar behoren kan worden gemitigeerd of, indien dit niet mogelijk is, kan worden gecompenseerd. De infrastructuurprojecten in dergelijke gebieden kunnen voor meer gestroomlijnde milieubeoordelingen in aanmerking komen. Indien lidstaten besluiten niet dergelijke gebieden aan te wijzen, blijven de uit hoofde van het milieurecht van de Unie toepasselijke beoordelingen en regels van toepassing. Om infrastructuurgebieden aan te wijzen, moeten de lidstaten een of meer plannen opstellen, waaronder door middel van nationale wetgeving, waarin de aanwijzing van de gebieden en de toepasselijke regels en mitigerende maatregelen voor projecten in elk infrastructuurgebied worden opgenomen. In de plannen worden het desbetreffende gebied en het soort infrastructuurprojecten dat daar zal worden uitgevoerd, duidelijk aangegeven. Elk plan moet worden onderworpen aan een milieubeoordeling op grond van Richtlijn 2001/42/EG om de effecten van elk soort project op de relevante aangewezen gebieden te beoordelen. Netprojecten in dergelijke aangewezen infrastructuurgebieden moeten - voor zover mogelijk - buiten Natura 2000-gebieden en gebieden die onder nationale beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud vallen, worden uitgevoerd, tenzij er vanwege de specifieke kenmerken van netprojecten geen evenredige alternatieven voor de uitvoering van dergelijke projecten zijn. Bij het beoordelen van de evenredigheid moeten de lidstaten er rekening mee houden dat de economische levensvatbaarheid, haalbaarheid en effectieve en versnelde uitvoering van het project gewaarborgd moeten zijn om ervoor te zorgen dat de aanvullende productiecapaciteit van hernieuwbare energie snel in het energiesysteem kan worden geïntegreerd, en in kaart brengen of in het specifieke Natura 2000-gebied of beschermd gebied reeds verschillende soorten infrastructuurprojecten worden uitgevoerd, hetgeen het mogelijk zou maken meerdere infrastructuurprojecten in een gebied te bundelen, resulterend in geringere milieueffecten. Specifieke plannen voor opslagprojecten moeten Natura 2000-gebieden altijd uitsluiten, aangezien er minder beperkingen gelden voor waar zij worden uitgevoerd. Voor dergelijke gebieden moeten de lidstaten, indien de omstandigheden dit rechtvaardigen, bijvoorbeeld wanneer de uitbreiding van het net moet worden versneld ter ondersteuning van de uitrol van hernieuwbare energie om de doelstellingen op het gebeid van klimaat en hernieuwbare energie te halen, kunnen voorzien in vrijstellingen - onder bepaalde voorwaarden - van bepaalde beoordelingsverplichtingen als bepaald in het milieurecht van de Unie. Indien de lidstaten besluiten dergelijke vrijstellingen te gebruiken, moeten de specifieke projecten worden onderworpen aan een gestroomlijnde screeningsproces vergelijkbaar met het screeningsproces waarin is voorzien voor gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, dat moet stoelen op bestaande gegevens. Verzoeken van de bevoegde autoriteit om aanvullende beschikbare informatie te verstrekken, mogen geen nieuwe beoordeling of gegevensverzameling vereisen. Indien bij een dergelijk screeningsproces wordt vastgesteld dat bepaalde projecten zeer waarschijnlijk aanzienlijke onvoorziene negatieve gevolgen zullen hebben, moet de bevoegde autoriteit ervoor zorgen dat passende en evenredige mitigerende maatregelen of, indien niet beschikbaar, compenserende maatregelen worden genomen. In het geval van compenserende maatregelen, kan de ontwikkeling van het project worden voortgezet terwijl er compenserende maatregelen worden geïdentificeerd.

(47)  De vervanging van verwarmingssystemen die fossiele brandstoffen verbruiken door op hernieuwbare energie gebaseerde systemen loopt vertraging op door tekorten aan geschoolde arbeidskrachten, en met name aan installateurs en ontwerpers van systemen voor verwarming en koeling op hernieuwbare energie, wat een aanzienlijke belemmering vormt voor de integratie van hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving, de industrie en de landbouw. De lidstaten moeten samenwerken met sociale partners en hernieuwbare-energiegemeenschappen om een beeld te krijgen van de vaardigheden waaraan behoefte zal zijn. Er moeten voldoende doeltreffende om- en bijscholingsstrategieën en opleidingsprogramma’s van hoge kwaliteit en certificeringsmogelijkheden komen die zo zijn opgezet dat ze uitnodigen tot deelname, zodat de correcte installatie en betrouwbare werking van een breed scala aan verwarmings- en koelingssystemen op hernieuwbare energie en opslagtechnologie, alsook oplaadpunten voor elektrische voertuigen, worden gewaarborgd. De lidstaten moeten nagaan welke maatregelen nodig zijn om categorieën mensen aan te trekken die momenteel ondervertegenwoordigd zijn in de beroepsgroepen in kwestie. Met het oog op het vertrouwen onder consumenten en ten behoeve van eenvoudige toegang tot specifieke vaardigheden op het gebied van installatie en ontwerp waarmee de correctie installatie en werking van verwarming en koeling op hernieuwbare energie is gegarandeerd, moet een lijst met geschoolde en gecertificeerde installateurs openbaar worden gemaakt.

(48)  Garanties van oorsprong zijn een belangrijk instrument voor consumentenvoorlichting en voor de bredere toepassing van hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten. Er moet derhalve voor worden gezorgd dat de afgifte, de handel in, de overdracht en het gebruik van garanties van oorsprong kan gebeuren in een uniform systeem met passend gestandaardiseerde certificaten die wederzijds overal in de Unie worden erkend. Daarnaast moet er, om personen die hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten afsluiten toegang tot passend ondersteunend bewijs te bieden, voor worden gezorgd dat eventuele bijbehorende garanties van oorsprong kunnen worden overgedragen aan de koper. In het kader van een flexibeler energiesysteem en de groeiende vraag van de consument is er behoefte aan een innovatiever, digitaal, technologisch geavanceerd en betrouwbaar instrument om de toenemende productie van hernieuwbare energie te ondersteunen en te documenteren. Om digitale innovatie op dit gebied te bevorderen, moeten de lidstaten, in voorkomend geval, de afgifte van garanties van oorsprong in fracties en nagenoeg “real time” mogelijk maken. Om de positie van consumenten te verbeteren en bij te dragen aan een groter aandeel hernieuwbare energie in de gasvoorziening moeten de lidstaten vereisen van leveranciers van gas via netwerken die hun eindgebruikers informatie over hun energiemix verstrekken, dat zij gebruikmaken van garanties van oorsprong.

(49)  De ontwikkeling van infrastructuur voor netwerken voor stadsverwarming en -koeling moet worden geïntensiveerd en worden gericht op een efficiënte en flexibele benutting van een breder scala aan hernieuwbare warmte- en koudebronnen, met als doel een groter gebruik van hernieuwbare energie en verdieping van energiesysteemintegratie. Het is daarom wenselijk om de lijst met hernieuwbare-energiebronnen bij te werken waarmee netwerken voor stadsverwarming en -koeling in toenemende mate overweg moeten kunnen, en de integratie van thermische energieopslag als een bron van flexibiliteit, grotere energie-efficiëntie en een rendabelere werking te vereisen.

(50)  Met in 2030 naar verwachting meer dan 30 miljoen elektrische voertuigen in de Unie moet ervoor worden gezorgd dat ze ten volle kunnen bijdragen aan de systeemintegratie van hernieuwbare elektriciteit, waardoor op kostenoptimale wijze een groter aandeel hernieuwbare elektriciteit kan worden gerealiseerd. Er moet volop gebruik worden gemaakt van het potentieel van elektrische voertuigen om hernieuwbare elektriciteit af te nemen op momenten waarop die ruimschoots voorhanden is en deze bij schaarste weer terug te voeren naar het net, om bij te dragen tot de systeemintegratie van variabele hernieuwbare elektriciteit en een zekere en betrouwbare voorziening van elektriciteit te waarborgen. Daarom is het geëigend speciale maatregelen in te voeren met betrekking tot elektrische voertuigen en tot de informatievoorziening over hernieuwbare energie en over hoe en wanneer die energie kan worden benut, als aanvulling op de maatregelen in Verordeningen (EU) …/…(27)(28) en (EU) …/…(29)(30) van het Europees Parlement en de Raad.

(51)  Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad(31) en Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad(32) vereisen dat de lidstaten de participatie van vraagrespons middels aggregatie toestaan en bevorderen, alsook, in voorkomend geval, voorzien in dynamische-elektriciteitsprijscontracten voor eindafnemers. Om ervoor te zorgen dat de vraagrespons de absorptie van groene elektriciteit gemakkelijker verder stimuleert, mag zij niet alleen op dynamische prijzen worden gebaseerd, maar ook op signalen betreffende het werkelijke gebruik van groene elektriciteit in het systeem. Het is derhalve noodzakelijk dat consumenten en marktdeelnemers via de verspreiding van specifieke informatie betere signalen krijgen met betrekking tot het aandeel hernieuwbare elektriciteit en de intensiteit van de broeikasgasemissies van de geleverde elektriciteit. De consumptiepatronen kunnen dan worden aangepast op basis van het gebruik van hernieuwbare energie en de aanwezigheid van koolstofvrije elektriciteit, in samenhang met een aanpassing op basis van de prijssignalen. Dit dient het doel van verdere ondersteuning van de uitrol van innovatieve bedrijfsmodellen en digitale oplossingen, die het de capaciteit hebben het verbruik te koppelen aan het niveau van hernieuwbare energie in het elektriciteitsnet en derhalve stimulansen bieden voor juiste netwerkinvesteringen, ter bevordering van de transitie naar schone energie.

(52)  Met het oog op een door concurrentie gekenmerkte ontwikkeling van flexibiliteits- en balanceringsdiensten op basis van aggregatie van decentrale opslagactiva moeten eigenaren of gebruikers van de batterijen en de entiteiten die namens hen optreden, zoals beheerders van energiesystemen van gebouwen, aanbieders van mobiliteitsdiensten en andere deelnemers aan de elektriciteitsmarkt, niet-discriminerende en kosteloze realtime toegang worden geboden tot basisinformatie over batterijen, zoals de conditie, het laadniveau, het vermogen en het instelpunt voor het vermogen, met inachtneming van de toepasselijke gegevensbeschermingsregels. Ter facilitering van de rol van thuisbatterijen en elektrische voertuigen op het vlak van integratie is het daarom wenselijk om maatregelen in te voeren die inspelen op de behoefte aan toegang tot dergelijke gegevens, die een aanvulling zijn op de bepalingen inzake toegang tot batterijgegevens met betrekking tot het vergemakkelijken van het herbestemmen van batterijen die zijn vastgelegd in Verordening (EU) .../...(33). De bepalingen inzake de toegang tot de batterijgegevens van elektrische voertuigen moeten van toepassing zijn naast de bepalingen van het Unierecht inzake de typegoedkeuring van voertuigen.

(53)  Het groeiend aantal elektrische voer- en vaartuigen in het vervoer over de weg, per spoor, over het water en op andere wijzen noopt tot optimalisering van het oplaadproces en tot een wijze van beheer waarmee congestie wordt voorkomen en de beschikbaarheid van hernieuwbare elektriciteit en van lage elektriciteitsprijzen in het systeem optimaal wordt benut. Indien slim en tweerichtingsladen verder zou bijdragen aan een groter gebruik van hernieuwbare elektriciteit door het elektrische wagenpark in de vervoerssector en in het elektriciteitssysteem in het algemeen, moet die mogelijkheid ook worden geboden. Gelet op de lange levensduur van oplaadpunten moeten vereisten voor laadinfrastructuur actueel worden gehouden op een manier die rekening houdt met toekomstige behoeften en niet leidt tot lock‐ineffecten die ongunstig zijn voor de ontwikkeling van technologie en diensten.

(54)  Voor energiesysteemintegratie zijn oplaadpunten waar elektrische voertuigen vaak voor langere tijd worden geparkeerd, zoals bij de woning of op het werk, van bijzonder groot belang. Daarom moet er voor slimme oplaadmogelijkheden en, in voorkomend geval, tweerichtingsladen worden gezorgd. Tegen die achtergrond is de exploitatie van niet-openbaar toegankelijke oplaadinfrastructuur voor normaal vermogen van groot belang voor de integratie van elektrische voertuigen in het elektriciteitssysteem, aangezien die infrastructuur zich bevindt op plaatsen waar elektrische voertuigen herhaaldelijk langdurig geparkeerd staan, zoals bij gebouwen die beperkt toegankelijk zijn, parkeerplaatsen voor werknemers of parkeergelegenheden die aan natuurlijke of rechtspersonen worden verhuurd.

(55)  Vraagrespons is een “must” om slim opladen van elektrische voertuigen mogelijk te maken, en derhalve voor de doeltreffende integratie van elektrische voertuigen in het elektriciteitsnet, hetgeen cruciaal zal zijn voor het koolstofvrij maken van transport en voor energiesysteemintegratie. Daarnaast moeten de lidstaten, in voorkomend geval, initiatieven stimuleren die vraagrespons bevorderen middels interoperabiliteit en de uitwisseling van gegevens voor verwarmings- en koelingssystemen, thermische-energieopslageenheden en andere relevante energiegerelateerde apparaten.

(56)  Gebruikers van elektrische voertuigen die contractuele overeenkomsten afsluiten met dienstverleners op het gebied van elektromobiliteit en deelnemers aan de elektriciteitsmarkt moeten recht krijgen op informatie en uitleg over de vraag welke consequenties die overeenkomsten hebben voor het gebruik van hun voertuig en de conditie van de batterij daarvan. Dienstverleners op het gebied van elektromobiliteit en deelnemers aan de elektriciteitsmarkt moeten gebruikers van elektrische voertuigen duidelijk uitleggen op welke manier zij zullen worden vergoed voor de flexibiliteits-, balancerings- en opslagdiensten die zij dankzij het gebruik van hun elektrische voertuig aan het elektriciteitssysteem en de elektriciteitsmarkt leveren.

Ook de consumentenrechten van gebruikers van elektrische voertuigen moeten bij het aangaan van dergelijke overeenkomsten zijn gewaarborgd, en met name wat betreft de bescherming van hun persoonsgegevens die verband houden met het gebruik van hun voertuig, zoals locatie en rijgedrag. De voorkeur van gebruikers van elektrische voertuigen ten aanzien van het soort elektriciteit dat zij voor hun voertuig kopen, alsook andere wensen, kunnen ook in dergelijke overeenkomsten worden opgenomen. Om die redenen is het belangrijk te waarborgen dat de oplaadinfrastructuur die zal worden uitgerold zo doeltreffend mogelijk wordt gebruikt. Teneinde het vertrouwen van de consumenten in e-mobiliteit te verbeteren, is het essentieel dat gebruikers van elektrische voertuigen bij meerdere oplaadpunten gebruik kunnen maken van hun abonnement. Op die manier kan de door de gebruiker van het elektrische voertuig geselecteerde dienstverlener het elektrisch voertuig optimaal in het elektriciteitssysteem integreren, gebruikmakend van een voorspelbare planning en stimulansen op basis van de voorkeuren van de gebruiker van het elektrische voertuig. Dit strookt tevens met de beginselen van een consumentgericht en op prosumenten gebaseerd energiesysteem en, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/944, met het recht van de gebruikers van elektrische voertuigen om, als eindafnemer, een leverancier te kiezen.

(57)  Via aggregatie hebben decentrale opslagactiva, zoals thuisbatterijen en batterijen van elektrische voertuigen, het potentieel het net een aanzienlijke hoeveelheid flexibiliteits- en balanceringsdiensten te leveren. Om de ontwikkeling van dergelijke apparaten en diensten te bevorderen, moeten de regelgevende bepalingen betreffende de aansluiting en werking van opslagactiva, met inbegrip van tarieven, afgesproken tijdskaders en specificaties van de aansluiting, zodanig worden vormgegeven dat ze niet afdoen aan de mogelijkheden die alle opslagactiva, inclusief kleine en mobiele voorzieningen en andere apparaten zoals warmtepompen, zonnepanelen en warmteopslag, bieden om het systeem te voorzien van flexibiliteits- en balanceringsdiensten en bij te dragen tot een groter aandeel hernieuwbare elektriciteit, vergeleken met grotere, stationaire opslagactiva. Naast de algemene bepalingen ter voorkoming van marktdiscriminatie van Verordening (EU) 2019/943 en Richtlijn (EU) 2019/944, moeten specifieke voorschriften worden ingevoerd met het oog op de alomvattende deelname van deze activa en het wegnemen van alle resterende belemmeringen en obstakels voor het aanboren van het potentieel van dergelijke activa om het elektriciteitssysteem koolstofvrij te helpen maken en de consumenten in staat te stellen actief deel te nemen aan de energietransitie.

(58)  De lidstaten moeten een gelijk speelveld waarborgen voor kleine gedecentraliseerde systemen voor de opwekking en de opslag van elektriciteit, waaronder batterijen en elektrische voertuigen, om ze in staat te stellen op voet van gelijkheid met andere systemen voor de opwekking en de opslag van elektriciteit, en zonder onevenredige administratieve rompslomp of regelgevingsdruk, aan de elektriciteitsmarkten deel te nemen, met inbegrip van congestiebeheer en het aanbieden van flexibiliteits- en balanceringsdiensten. De lidstaten moeten zelfverbruikers en hernieuwbare-energiegemeenschappen aanmoedigen actief aan die elektriciteitsmarkten deel te nemen door flexibiliteitsdiensten in de vorm van vraagrespons en opslag, waaronder middels batterijen en elektrische voertuigen, aan te bieden.

(59)  De industrie is goed voor 25 % van het energieverbruik van de Unie en is grootverbruiker van verwarming en koeling, waarin momenteel voor 91 % door fossiele brandstoffen wordt voorzien. 50 % van de vraag naar verwarming en koeling bestaat echter uit verwarming en koeling op lage temperaturen (<200 °C), en daarvoor bestaan rendabele opties op basis van hernieuwbare energie, onder meer via elektrificatie en rechtstreeks gebruik van hernieuwbare energie. Daarnaast gebruikt de industrie niet-hernieuwbare bronnen als grondstof voor het vervaardigen van producten zoals staal of chemicaliën. De besluiten omtrent industriële investeringen die vandaag worden genomen, zijn bepalend voor de toekomstige industriële processen en de energieopties waaruit de industrie kan kiezen, en dus is het belangrijk dat die investeringsbesluiten toekomstbestendig zijn en het ontstaan van gestrande activa voorkomen.

Er moeten daarom benchmarks worden ingevoerd die de industrie stimuleren om over te stappen op duurzame productieprocessen die zijn gebaseerd op hernieuwbare energie maar niet alleen draaien op hernieuwbare energie, maar waarbij ook gebruik wordt gemaakt van grondstoffen die zijn gebaseerd op hernieuwbare energie, zoals hernieuwbare waterstof. De lidstaten moeten, waar mogelijk, de elektrificatie van industriële processen bevorderen, bijvoorbeeld voor industriële processen op lage temperatuur. Daarnaast moeten de lidstaten het gebruik van een gemeenschappelijke methode bevorderen voor producten die volgens het etiket geheel of gedeeltelijk met hernieuwbare energie zijn geproduceerd of waarvoor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong als grondstof zijn gebruikt, waarbij de bestaande methodes van de Unie voor de etikettering van producten en initiatieven van de Unie voor duurzame producten in acht moeten worden genomen. Daarmee kunnen misleidende praktijken worden voorkomen en kan het consumentenvertrouwen worden versterkt. Gezien de voorkeur van consumenten voor producten die een bijdrage leveren aan het behalen van de milieu- en klimaatdoelstellingen zou dit bovendien de marktvraag naar dergelijke producten stimuleren.

(60)  Om de afhankelijkheid van de Unie van fossiele brandstoffen en van de invoer daarvan te verminderen, moet de Commissie een strategie van de Unie voor ingevoerde en in de Unie geproduceerde waterstof ontwikkelen op basis van door de lidstaten verstrekte gegevens.

(61)  Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong kunnen voor energetische doeleinden worden gebruikt, maar ook worden bestemd voor niet-energetisch gebruik, als grondstof in de industrie zoals de staalindustrie of de chemische industrie. Door voor beide doeleinden hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong te gebruiken, wordt hun potentieel om te dienen als vervanger van als grondstof gebruikte fossiele brandstoffen en om de broeikasgasemissies in industriële processen die moeilijk kunnen worden geëlektrificeerd terug te dringen ten volle benut, en om die reden moeten deze hernieuwbare brandstoffen worden opgenomen in een streefcijfer voor het verbruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong. Nationale maatregelen ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in deze industriële sectoren die moeilijk kunnen worden geëlektrificeerd mogen er niet toe leiden dat de vervuiling per saldo toeneemt omdat in de stijgende vraag naar elektriciteit wordt voorzien door de meest vervuilende fossiele brandstoffen, zoals steenkool, diesel, bruinkool, olie, turf en olieschalie. Het verbruik van waterstof in industriële processen waarbij de waterstof als een nevenproduct wordt geproduceerd, of wordt afgeleid, van een nevenproduct dat moeilijk door hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong kan worden vervangen, moet van het bovenvermelde streefcijfer worden uitgesloten. Voor waterstof die wordt verbruikt om transsportbrandstoffen te produceren, gelden de transsportstreefcijfers voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.

(62)  In de waterstofstrategie van de Unie, die is opgenomen in de mededeling van de Commissie van 8 juli 2020 met als titel “Een waterstofstrategie voor klimaatneutraal Europa”, wordt erkend dat de bestaande installaties voor de productie van waterstof die zijn aangepast om hun broeikasgasemissies te verminderen een rol spelen bij de verwezenlijking van de verhoogde klimaatambities voor 2030. In het licht van deze strategie en in het kader van de oproep tot het indienen van projecten die is georganiseerd uit hoofde van het innovatiefonds van de Unie dat is vastgesteld bij artikel 10 bis, lid 8, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad(34) hebben pioniers investeringsbeslissingen genomen met het oog op de aanpassing van reeds bestaande installaties voor de productie van waterstof op basis van een technologie voor de omzetting van methaan met stoom, met als doel de waterstofproductie koolstofvrij te maken. Voor de berekening van de noemer in de bijdrage van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die in de industrie zijn bestemd voor energetische en niet-energetische eindgebruik worden gebruikt, mag geen rekening worden gehouden met waterstof die wordt geproduceerd in aangepaste productie-installaties op basis van technologie voor de omzetting van methaan met stoom waarvoor vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een besluit van de Commissie met het oog op de toekenning van een subsidie uit hoofde van het innovatiefonds is bekendgemaakt en die een gemiddelde broeikasgasreductie van 70 % op jaarbasis bereikt.

(63)  Bovendien moet worden erkend dat de vervanging van waterstof die wordt geproduceerd op basis van het proces voor de omzetting van methaan met stoom specifieke problemen zou kunnen opleveren voor bepaalde bestaande geïntegreerde productie-installaties voor ammoniak. Dat zou het ombouwen van dergelijke productie-installaties noodzakelijk maken, wat van de lidstaten een wezenlijke inspanning zou vergen, al naargelang hun specifieke nationale omstandigheden en de structuur van hun energiebevoorrading.

(64)  Om de doelstelling van de Unie van klimaatneutraliteit tegen 2050 te verwezenlijken en de industrie koolstofvrij te maken, moeten de lidstaten het gebruik van niet-fossiele energiebronnen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong kunnen combineren in de context van hun specifieke nationale omstandigheden en energiemix. In deze context moeten de lidstaten het streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industriesector kunnen verlagen, op voorwaarde dat zij een beperkt aandeel van uit fossiele brandstoffen geproduceerde waterstof of derivaten daarvan verbruiken en dat zij op schema liggen wat betreft hun verwachte nationale bijdrage volgens de formule in bijlage II bij Verordening (EU) 2018/1999.

(65)  Een hoger ambitieniveau in de sector verwarming en koeling is cruciaal om het algehele streefcijfer voor hernieuwbare energie te kunnen halen, want verwarming en koeling is goed voor ongeveer de helft van het energieverbruik van de Unie, met talrijke vormen van eindgebruik en technologie in de gebouwde omgeving, de industrie en stadsverwarming en -koeling. Om het aandeel hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling sneller te doen groeien, moet een minimale jaarlijkse toename in procentpunt op lidstaatniveau voor alle lidstaten als bindend gelden.

De minimale jaarlijkse gemiddelde toename van 0,8 procentpunten tussen 2021 en 2025 en van 1,1 procentpunten tussen 2026 en 2030 voor verwarming en koeling die voor alle lidstaten bindend is, moet worden aangevuld met aanvullende indicatieve verhogingen of opslagen die specifiek voor elke lidstaat worden berekend om een gemiddelde toename van 1,8 procentpunt op Unieniveau te bereiken. Deze lidstaatspecifieke aanvullende indicatieve verhogingen of opslagen zijn erop gericht de extra inspanningen die nodig zijn om in 2030 het gewenste aandeel hernieuwbare energie te bereiken, te herverdelen onder de lidstaten op basis van bruto binnenlands product en kosteneffectiviteit, en om de lidstaten te helpen bepalen wat een toereikend niveau van hernieuwbare energie in deze sector zou kunnen zijn. De lidstaten moeten in overeenstemming met het beginsel “energie-efficiëntie-eerst” een beoordeling uitvoeren van hun potentieel aan energie uit hernieuwbare bronnen in de sector verwarming en koeling en van het potentiële gebruik van restwarmte en -koude. De lidstaten moeten twee of meer maatregelen uitvoeren van de lijst maatregelen om de groei van het aandeel hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling te faciliteren. Bij de vaststelling en uitvoering van die maatregelen moeten de lidstaten ervoor zorgen dat die maatregelen toegankelijk zijn voor alle consumenten, met name mensen met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens.

(66)  Om ervoor te zorgen dat het toegenomen belang van stadsverwarming en -koeling hand in hand gaat met betere informatie voor consumenten is het wenselijk om de transparantie ten aanzien van het aandeel hernieuwbare energie en de energie-efficiëntie van stadsverwarming en -koelingssystemen te verduidelijken en te versterken.

(67)  Gebleken is dat moderne, efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling op basis van hernieuwbare energie kunnen voorzien in rendabele oplossingen voor de integratie van hernieuwbare energie, hogere energie-efficiëntie en energiesysteemintegratie, en tegelijkertijd kunnen helpen om de sector verwarming en koeling volledig koolstofvrij te maken. Om ervoor te zorgen dat dat potentieel wordt benut, moet de jaarlijkse groei van hernieuwbare energie of restwarmte en -koude ten behoeve van stadsverwarming en -koeling toenemen van 1 naar 2,2 procentpunten, zonder de indicatieve aard van die verhoging te wijzigen, waarmee uitdrukking wordt gegeven aan de ongelijke ontwikkeling van dit type netwerk in de Unie.

(68)  Vanwege het toegenomen belang van stadsverwarming en -koeling en de noodzaak om de ontwikkeling van deze netwerken af te stemmen op de integratie van een groter aandeel hernieuwbare energie, is het wenselijk beheerders van stadsverwarmings- of -koelingssystemen ertoe aan te moedigen derde leveranciers van hernieuwbare energie en restwarmte en -koude aan te sluiten op netwerken voor stadsverwarming en -koeling van meer dan 25 MW.

(69)  Verwarmings- en koelingssystemen, met name stadsverwarmings- en -koelingssystemen, dragen in toenemende mate bij tot het balanceren van het elektriciteitsnet doordat zij de vraag naar variabele hernieuwbare elektriciteit, zoals wind- en zonne-energie, doen stijgen wanneer dergelijke hernieuwbare elektriciteit ruimschoots voorhanden en goedkoop is en anders zou worden teruggeschroefd. Dit balanceren kan worden bereikt via het gebruik van hoogrenderende elektrisch aangedreven warmte- en koudegeneratoren, zoals warmtepompen, met name wanneer die warmte- en koudegeneratoren zijn aangesloten op een systeem voor grootschalige warmteopslag, in het bijzonder in stadsverwarming en -koeling of in individuele verwarming, waar de schaalvoordelen en de efficiëntie van stadsverwarmings- en -koelingssystemen niet beschikbaar zijn. De voordelen van warmtepompen zijn tweeledig: ze verhogen de energie-efficiëntie in belangrijke mate, met aanzienlijke energie- en kostenbesparingen voor de consument tot gevolg, en ze zorgen voor de integratie van hernieuwbare energie door een groter gebruik van geothermische en omgevingsenergie mogelijk te maken. Om verdere stimulansen te bieden voor het gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling en warmteopslag, met name via de uitrol van warmtepompen, is het passend de lidstaten toe te staan hernieuwbare elektriciteit die deze warmte- en koudegeneratoren – met inbegrip van warmtepompen – aandrijft, mee te tellen in de bindende en indicatieve jaarlijkse toename van hernieuwbare energie in verwarming en koeling en stadsverwarming en -koeling.

(70)  Ondanks de ruime beschikbaarheid is er sprake van onderbenutting van restwarmte en -koude, wat leidt tot verspilling, lagere energie-efficiëntie van nationale energiesystemen en een groter dan noodzakelijk energieverbruik in de Unie. Mits het uit efficiënte stadsverwarming en -koeling wordt geleverd, is het wenselijk om restwarmte en -koude te laten meetellen voor het gedeeltelijk behalen van de streefcijfers voor hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving, de industrie, verwarming en koeling, en voor het volledig behalen van de streefcijfers voor stadsverwarming en -koeling. Zo zou geprofiteerd kunnen worden van de synergieën tussen hernieuwbare energie en restwarmte en -koude in stadsverwarmings- en -koelingsnetwerken omdat het economisch interessanter wordt om in de modernisering en ontwikkeling van deze netwerken te investeren. Met name het opnemen van restwarmte in de benchmark voor industriële hernieuwbare energie moet alleen aanvaardbaar zijn indien de restwarmte of -koude via een beheerder van stadsverwarming en -koeling van een andere industriële locatie of een ander gebouw wordt geleverd en er aldus wordt gewaarborgd dat die beheerders de levering van warmte of koude als hoofdactiviteit hebben en dat de restwarmte die wordt meegeteld duidelijk kan worden onderscheiden van interne restwarmte die binnen dezelfde of een verwante onderneming of binnen hetzelfde of een verwant gebouw wordt teruggewonnen.

(71)  Om ervoor te zorgen dat stadsverwarming en -koeling ten volle deelnemen aan de integratie van de energiesector, is het noodzakelijk om de samenwerking met beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen uit te breiden tot transmissiesysteembeheerders en de reikwijdte van de samenwerking uit te breiden tot het plannen van investeringen in het net en tot markten om het potentieel van stadsverwarming en -koeling voor het leveren van flexibiliteitsdiensten op elektriciteitsmarkten beter te benutten. Ook moet de mogelijkheid tot nauwere samenwerking met beheerders van gasnetwerken, waaronder waterstof- en andere energienetwerken, worden geboden teneinde te zorgen voor verdergaande integratie tussen energiedragers en het meest kosteneffectieve gebruik ervan. Voorts kunnen verplichtingen tot nauwe coördinatie tussen beheerders van stadsverwarming en -koeling, industrie en tertiaire sectoren, en lokale autoriteiten de dialoog en de samenwerking faciliteren die nodig zijn om het potentieel van restwarmte en -koude op het vlak van kosteneffectiviteit via systemen voor stadsverwarming en -koeling te benutten.

(72)  Het gebruik van hernieuwbare brandstoffen en hernieuwbare elektriciteit in de vervoerssector kan op een kosteneffectieve manier bijdragen tot de decarbonisatie van de vervoerssector van de Unie en onder meer de energiediversificatie in die sector verbeteren, en tegelijkertijd innovatie, economische groei en werkgelegenheid in de Unie bevorderen en de afhankelijkheid van ingevoerde energie verminderen. Om het door Verordening (EU) 2021/1119 vastgestelde verhoogde streefcijfer voor broeikasgasemissiereducties te halen, moet het niveau van hernieuwbare energie die aan alle vervoerswijzen in de Unie wordt geleverd, worden verhoogd.

Als de lidstaten kunnen kiezen tussen een streefcijfer voor vervoer dat is uitgedrukt als een streefcijfer voor de reductie van de broeikasgasintensiteit of als een aandeel van het verbruik van hernieuwbare energie, biedt dat ze een passende mate van flexibiliteit bij het opstellen van hun beleidslijnen voor de koolstofvrij maken van het vervoer. Bovendien zou de invoering van een gecombineerd, op energie gebaseerd streefcijfer voor geavanceerde biobrandstoffen en biogas en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, met inbegrip van een minimumaandeel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, zorgen voor een intensiever gebruik van hernieuwbare brandstoffen met het kleinste milieueffect in vervoerswijzen die het moeilijkst kunnen worden geëlektrificeerd, zoals het zeevervoer en de luchtvaart. Om de brandstoffenverschuiving in het zeevervoer snel op gang te brengen, moeten de lidstaten met zeehavens ernaar streven dat vanaf 2030 het aandeel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de totale hoeveelheid aan de zeevervoerssector geleverde energie ten minste 1,2 % bedraagt. Het behalen van die streefcijfers moet worden gewaarborgd door verplichtingen voor brandstofleveranciers en door andere maatregelen die in Verordeningen (EU) .../... (35)(36) en (EU) .../... (37)(38) van het Europees Parlement en de Raad zijn opgenomen. Specifieke verplichtingen voor leveranciers van vliegtuigbrandstof mogen alleen worden opgelegd op grond van Verordening (EU) .../...(39).

(73)  Met het oog op het bevorderen van de levering van hernieuwbare brandstoffen aan de moeilijk koolstofvrij te maken sector van de internationale mariene bunkering, moeten de aan internationale mariene bunkers geleverde hernieuwbare brandstoffen voor de berekening van de streefcijfers voor vervoer worden opgenomen in het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de vervoerssector en moeten aan internationale mariene bunkers geleverde brandstoffen dienovereenkomstig worden opgenomen in het eindverbruik van energiebronnen in de vervoerssector. In sommige lidstaten is het aandeel van het zeevervoer in het bruto-eindverbruik van energie echter groot. Gelet op de bestaande beperkingen op het gebied van technologie en regelgeving die het commerciële gebruik van biobrandstoffen in de zeevervoerssector belemmeren, is het wenselijk, in afwijking van het vereiste alle aan de zeevervoerssector geleverde energie op te nemen, voor de berekening van specifieke streefcijfers voor vervoer, de lidstaten toe te staan de hoeveelheid aan de zeevervoerssector geleverde energie te plafonneren op 13 % van het bruto-eindverbruik van energie in een lidstaat. Voor insulaire lidstaten met een onevenredig hoog bruto-eindverbruik van energie in de sector zeevervoer, namelijk meer dan een derde van dat voor de sectoren spoor- en wegvervoer, moet dit plafond 5 % bedragen. Bij de berekening van het algemene streefcijfer voor hernieuwbare energie mogen echter de aan internationale mariene bunkers geleverde brandstoffen, gezien de specifieke kenmerken van deze bunkers, alleen worden opgenomen in het bruto-eindverbruik van energie van een lidstaat als zij hernieuwbaar zijn.

(74)  Elektromobiliteit zal een essentiële rol spelen bij het koolstofvrij maken van de vervoerssector. Om de verdere ontwikkeling van elektromobiliteit te bevorderen, moeten de lidstaten een kredietmechanisme instellen dat exploitanten van voor het publiek toegankelijke oplaadpunten in staat stelt om door de levering van hernieuwbare elektriciteit bij te dragen aan de nakoming van de door de lidstaten aan de brandstofleveranciers opgelegde verplichting. De lidstaten moeten particuliere oplaadpunten kunnen opnemen in het kredietmechanisme, indien het kan worden aangetoond dat aan die particuliere oplaadpunten geleverde hernieuwbare elektriciteit uitsluitend aan elektrische voertuigen wordt geleverd. Terwijl de lidstaten elektriciteit in de vervoerssector via dergelijke kredietmechanismen ondersteunen, is het belangrijk dat zij hoge ambities blijven stellen voor de decarbonisatie van hun vloeibare-brandstofmix, met name in vervoerssectoren die moeilijk koolstofvrij te maken zijn, zoals het zeevervoer en de luchtvaart, waar directe elektrificatie veel moeilijker te bewerkstelligen is.

(75)  Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, zoals hernieuwbare waterstof, kunnen als grondstof of energiebron worden gebruikt in industriële en chemische procedés, en in het zeevervoer en de luchtvaart, voor het koolstofvrij maken van sectoren waarin directe elektrificatie technologisch niet mogelijk of niet concurrerend is Zij kunnen ook worden gebruikt voor energieopslag om het energiesysteem waar nodig in evenwicht te brengen, waardoor zij een belangrijke rol spelen bij energiesysteemintegratie.

(76)  Het beleid van de Unie op het gebied van hernieuwbare energie heeft tot doel bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie voor mitigatie van de klimaatverandering in termen van vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Bij het nastreven van dit doel is het van essentieel belang om ook bij te dragen aan bredere milieudoelstellingen, en met name het voorkomen van verlies aan biodiversiteit, dat negatief wordt beïnvloed door indirecte veranderingen in landgebruik die gepaard gaan met de productie van bepaalde biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen. Het bijdragen aan die klimaat- en milieudoelstellingen vormt reeds jarenlang een diepe intergenerationele bezorgdheid voor de burgers van de Unie en de Uniewetgevers. De Unie moet zodoende die brandstoffen bevorderen in hoeveelheden die een evenwicht bieden tussen de nodige ambitie en de noodzaak om te vermijden dat er wordt bijgedragen aan directe en indirecte veranderingen in landgebruik. ▌De wijzigingen in de manier waarop het streefcijfer voor vervoer wordt berekend, mogen geen invloed hebben op de grenswaarden die zijn vastgesteld voor de wijze waarop bepaalde brandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen enerzijds en brandstoffen met een hoog risico op indirecte veranderingen in landgebruik anderzijds, voor dat streefcijfer moeten worden meegeteld. Om bovendien geen prikkel te creëren voor het gebruik van uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en biogas in het vervoer, en rekening houdend met de effecten van de oorlog tegen Oekraïne op de voedsel- en voedervoorziening, moeten de lidstaten ook in de toekomst vrij kunnen bepalen of uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en biogas al dan niet meetellen voor het streefcijfer voor vervoer.

Als zij deze niet meetellen, moeten de lidstaten ervoor kunnen kiezen het op energie gebaseerde streefcijfer te verlagen of het streefcijfer voor de reductie van de broeikasgasintensiteit dienovereenkomstig verlagen, ervan uitgaande dat uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen 50 % minder broeikasgassen uitstoten, wat overeenkomt met de typische waarden die zijn vastgesteld in een bijlage bij deze richtlijn voor de broeikasgasemissiereducties van de meest relevante productieketens van uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen, alsook de minimale broeikasgasemissiereductiedrempel die van toepassing is op de meeste installaties die dergelijke biobrandstoffen produceren.

(77)  Om te waarborgen dat de uitstoot van broeikasgassen door het gebruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen steeds verder wordt teruggedrongen, en om het hoofd te bieden aan eventuele indirecte effecten van de bevordering van dergelijke brandstoffen, zoals ontbossing, moet de Commissie het maximumaandeel van de gemiddelde jaarlijkse uitbreiding van het mondiale productiegebied met hoge koolstofvoorraden op basis van objectieve en wetenschappelijke criteria evalueren, rekening houdende met de klimaatdoelstellingen en -verbintenissen van de Unie, en waar nodig aan de hand van de resultaten van haar evaluatie een nieuwe drempel voorstellen. Daarnaast moet de Commissie met het oog op een maximale broeikasgasemissiereductie nagaan of er een versneld traject kan worden opgezet om geleidelijk een eind te maken aan de opname van dergelijke brandstoffen in de streefcijfers voor hernieuwbare energie.

(78)  Als het streefcijfer voor vervoer wordt vastgesteld als een streefcijfer voor de reductie van de broeikasgasintensiteit, is het noodzakelijk een methode te bepalen waarin er vanuit wordt gegaan dat verschillende soorten energie uit hernieuwbare bronnen verschillende hoeveelheden broeikasgasemissiereducties opleveren en dus op uiteenlopende wijze bijdragen aan een gegeven streefcijfer. Hernieuwbare elektriciteit moet worden geacht geen broeikasgassen uit te stoten, wat betekent dat zij 100 % broeikasgasemissie bespaart in vergelijking met elektriciteit die wordt geproduceerd uit fossiele brandstoffen. Dit zal een prikkel vormen voor het gebruik van hernieuwbare elektriciteit, aangezien het niet waarschijnlijk is dat hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof tot een dergelijk hoog percentage van broeikasgasemissiereductie zullen leiden. Elektrificatie op basis van hernieuwbare-energiebronnen zou dan ook de meest efficiënte manier worden om het wegvervoer koolstofvrij te maken. Ter bevordering van het gebruik van ▌ hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de vervoerswijzen zeevervoer en luchtvaart, die moeilijk kunnen worden geëlektrificeerd, is het daarnaast passend een vermenigvuldigingsfactor in te voeren voor ▌ brandstoffen die aan die vervoerswijzen worden geleverd wanneer ze worden meegeteld voor de specifieke streefcijfers die voor die brandstoffen zijn vastgesteld.

(79)  De directe elektrificatie van eindgebruiksectoren, waaronder de vervoerssector, draagt bij aan systeemefficiëntie en faciliteert de overgang naar een energiesysteem op basis van hernieuwbare energie. Het is derhalve op zichzelf een doeltreffend middel om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. De ontwikkeling van een kader voor additionaliteit dat specifiek van toepassing is op hernieuwbare elektriciteit die aan elektrische voertuigen in de vervoerssector wordt geleverd, is daarom niet vereist. Bovendien kunnen elektrische voertuigen op zonne-energie een cruciale bijdrage leveren aan het koolstofvrij maken van de Europese vervoerssector.

(80)  Aangezien hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong moeten worden meegeteld als hernieuwbare energie, ongeacht de sector waarin ze worden verbruikt, moeten de regels voor het bepalen van hun hernieuwbare aard wanneer ze worden geproduceerd uit elektriciteit, die alleen van toepassing waren op die brandstoffen wanneer deze in de vervoerssector werden verbruikt, worden uitgebreid tot alle hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, ongeacht de sector waarin ze worden verbruikt.

(81)  Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong zijn belangrijk voor het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in sectoren die naar verwachting afhankelijk zijn van gasvormige en vloeibare brandstoffen op de lange termijn, onder meer voor industriële toepassingen en in het zwaar vervoer. De Commissie moet uiterlijk op 1 juli 2018 een beoordeling uitvoeren van het effect van de methode voor het bepalen wanneer elektriciteit die gebruikt wordt voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong als volledig hernieuwbaar kan worden beschouwd, met inbegrip van het effect van additionaliteit en temporele en geografische correlatie op de productiekosten, broeikasgasemissiereducties en het energiesysteem, en daarvan verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad. Het verslag moet met name een beoordeling omvatten van het effect van de methode op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong voor de industrie en het vervoer en op het vermogen van de Unie om haar streefcijfers voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong te halen, rekening houdend met de strategie van de Unie voor ingevoerde en binnenlandse waterstof, waarbij de toename van de broeikasgasemissies in de elektriciteitssector en het hele energiesysteem tot een minimum wordt beperkt.

Indien uit dit verslag blijkt dat de methode ontoereikend is om voldoende beschikbaarheid en betaalbaarheid te waarborgen en niet substantieel bijdraagt tot broeikasgasemissiereducties, energiesysteemintegratie en de verwezenlijking van de voor 2030 vastgestelde streefcijfers van de Unie voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, moet de Commissie de Uniemethode evalueren en, in voorkomend geval, een gedelegeerde handeling vaststellen om de methode te wijzigen teneinde de nodige aanpassingen van de criteria door te voeren om de opschaling van de waterstofindustrie te vergemakkelijken.

(82)  Om te zorgen voor een grotere milieu-effectiviteit van de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria van de Unie voor vaste biomassabrandstoffen in installaties die verwarming, elektriciteit en koeling produceren, moet de minimumdrempel voor de toepasbaarheid van dergelijke criteria worden verlaagd van de huidige 20 MW naar 7,5 MW.

(83)  Richtlijn (EU) 2018/2001 heeft gezorgd voor versterking van het kader voor de duurzaamheid van bio-energie en de broeikasgasemissiereductie door criteria vast te stellen voor alle eindgebruiksectoren. Zij bevat specifieke regels voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit bosbiomassa, en vereist de duurzaamheid van de oogstactiviteiten en de boekhouding van emissies door veranderingen in landgebruik. In lijn met de doelstellingen van het behoud van de biodiversiteit en de voorkoming van de vernietiging van habitats op grond van Richtlijnen 92/43/EEG en 2000/60/EG, Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(40) en Richtlijn 2009/147/EG, is het nodig een betere bescherming te bewerkstelligen van vooral habitats met een grote biodiversiteit en koolstofrijke habitats, zoals oerbossen en oude bosgroeiplaatsen, bossen met een grote biodiversiteit, graslanden, veengebieden en heiden. Daarom moeten uitsluitingen van, en beperkingen op het halen van bosbiomassa uit die gebieden worden ingevoerd, in lijn met de benadering voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen geproduceerd uit landbouwbiomassa, met uitzondering van gevallen waarin de risicogebaseerde benadering in de nodige uitsluitingen en beperkingen voorziet en exploitanten de noodzakelijke waarborgen bieden. Bovendien moeten de criteria voor broeikasgasemissiereductie, met gepaste overgangsperioden met het oog op de investeringszekerheid, ook geleidelijk van toepassing worden op bestaande biomassacentrales om ervoor te zorgen dat de productie van bio-energie in al die installaties leidt tot een reductie van de broeikasgasemissies in vergelijking met energie die wordt geproduceerd uit fossiele brandstoffen.

(84)  De duurzaamheidscriteria voor het oogsten van bosbiomassa moeten nader worden bepaald, overeenkomstig de beginselen van duurzaam bosbeheer. Deze specificaties moeten de risicogebaseerde benadering voor bosbiomassa aanscherpen en verduidelijken, en tegelijkertijd de lidstaten evenredige bepalingen bieden om gerichte aanpassingen mogelijk te maken voor praktijken die lokaal passend kunnen zijn.

(85)  De lidstaten moeten erop toezien dat hun gebruik van bosbiomassa voor de productie van energie verenigbaar is met hun verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad(41). Daartoe moeten de lidstaten toekomstgerichte beoordelingen en de nodige maatregelen uitvoeren die hun verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1999 aanvullen.

(86)  Gezien de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden, zoals bedoeld in artikel 349 VWEU, die in de energiesector wordt gekenmerkt door isolement, een beperkt aanbod en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, moet de afwijking op grond waarvan de lidstaten specifieke criteria kunnen vaststellen om ervoor te zorgen dat het verbruik van bepaalde biomassabrandstoffen in deze gebieden voor financiële steun in aanmerking komt, worden uitgebreid tot vloeibare biomassa en biobrandstoffen. Specifieke criteria moeten objectief gerechtvaardigd zijn om redenen van energie-onafhankelijkheid van het betrokken ultraperifere gebied en om ervoor te zorgen dat de overgang naar de criteria voor duurzaamheid, energie-efficiëntie en broeikasgasemissiereductie in het betrokken ultraperifere gebied soepel verloopt overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001.

(87)  De Unie is vastbesloten de ecologische, economische en sociale duurzaamheid van de productie van biomassabrandstoffen te verbeteren. Deze richtlijn vormt een aanvulling op andere wetgevingshandelingen van de Unie, in het bijzonder elke wetgevingshandeling inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (corporate sustainability due diligence), waarin zorgvuldigheidsvereisten in de waardeketen worden vastgesteld met betrekking tot negatieve effecten op de mensenrechten of het milieu.

(88)  Om voor producenten van hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof en voor de lidstaten de administratieve lasten te verminderen, moeten de lidstaten, wanneer de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling heeft erkend dat vrijwillige of nationale systemen bewijs vormen voor, of accurate gegevens verschaffen over, de naleving van duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria en andere in de wijzigingsbepalingen van deze richtlijn vastgestelde eisen, de resultaten aanvaarden van de certificering die door dergelijke systemen binnen de werkingssfeer van de erkenning door de Commissie wordt afgegeven. Om de lasten voor kleine installaties te verminderen, moeten de lidstaten in staat zijn een vereenvoudigd vrijwillig verificatiemechanisme in te voeren voor installaties met een totaal thermisch vermogen van tussen 7,5 MW en 20 MW.

(89)  Om de risico’s te beperken en fraude in de toeleveringsketens voor bio-energie en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof beter te voorkomen, biedt Richtlijn (EU) 2018/2001 waardevolle toevoegingen op het gebied van transparantie, traceerbaarheid en toezicht. In dat verband is de door de Commissie op te zetten Uniedatabank ▌ bedoeld om de tracering mogelijk te maken van vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof. Het toepassingsgebied van de databank moet worden uitgebreid van vervoer naar alle andere eindgebruiksectoren waarin dergelijke brandstoffen worden verbruikt. Dergelijke uitbreiding beoogt een zeer belangrijke bijdrage te leveren aan het alomvattende toezicht op de productie en het verbruik van die brandstoffen, waardoor het risico van dubbeltellingen of onregelmatigheden in de toeleveringsketens die onder de Uniedatabank vallen, wordt beperkt. Ter voorkoming van het risico op dubbele aanvragen voor hetzelfde hernieuwbaar gas, moet bovendien een garantie van oorsprong die is afgegeven voor elke zending hernieuwbaar gas die in de databank is geregistreerd, worden afgeboekt. De databank moet op een open, transparante en gebruikersvriendelijke manier openbaar worden gemaakt, met inachtneming van de beginselen van de bescherming van commercieel gevoelige en persoonsgegevens. De Commissie moet jaarverslagen publiceren over de in de Uniedatabank gerapporteerde informatie, met inbegrip van de hoeveelheden, de geografische oorsprong en het soort grondstof van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen. De Commissie en de lidstaten moeten ernaar streven te werken op de interconnectiviteit tussen de Uniedatabank en de bestaande nationale databanken, om zowel een soepele transitie als de bidirectionaliteit van de databanken mogelijk te maken. In aanvulling op deze versterking van de transparantie en de traceerbaarheid van afzonderlijke leveringen van grondstoffen en brandstoffen in de toeleveringsketen heeft de onlangs aangenomen Uitvoeringsverordening (EU) 2022/996 van de Commissie(42) de vereisten voor audits voor certificeringsorganen aangescherpt en de bevoegdheden voor overheidstoezicht op certificeringsorganen uitgebreid, met inbegrip van de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om toegang te krijgen tot documenten en bedrijfsruimten van marktdeelnemers bij hun toezichtscontroles. De integriteit van het verificatiekader van Richtlijn (EU) 2018/2001 is eveneens aanzienlijk versterkt door de audits door certificerende instanties en de Uniedatabank aan te vullen met verificatie- en toezichtcapaciteit van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Het wordt ten zeerste aanbevolen dat de lidstaten gebruik maken van beide mogelijkheden voor overheidstoezicht.

(90)   De Commissie en de lidstaten moeten er voortdurend naar streven om de beste administratieve praktijken over te nemen en alle passende maatregelen treffen om de uitvoering van Richtlijn (EU) 2018/2001 te vereenvoudigen, en zo de kosten voor de naleving ervan voor de betrokken spelers en sectoren te beperken.

(91)  Er moeten adequate fraudebestrijdingsbepalingen worden vastgesteld, met name met betrekking tot het gebruik van op afval gebaseerde grondstoffen of van biomassa waarvan is vastgesteld dat ze een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik met zich meebrengen. Aangezien de opsporing en bestrijding van fraude essentieel is om oneerlijke mededinging en buitensporige ontbossing te voorkomen, ook in derde landen, moet er gezorgd worden voor de volledige en gecertificeerde traceerbaarheid van die grondstoffen.

(92)  Richtlijn (EU) 2018/2001 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(93)  In Verordening (EU) 2018/1999 wordt herhaaldelijk verwezen naar het bindende streefcijfer van de Unie van ten minste 32 % voor het aandeel hernieuwbare energie dat in 2030 in de Unie wordt verbruikt. Aangezien dat streefcijfer moet worden verhoogd om effectief bij te dragen aan de ambitie om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met 55 % te verminderen, moeten die verwijzingen worden gewijzigd. Eventuele aanvullende plannings- en rapportagevereisten die worden vastgesteld, zullen geen nieuw plannings- en rapportagesysteem tot stand brengen, maar moeten worden onderworpen aan het bestaande plannings- en rapportagekader krachtens die Verordening.

(94)  Het toepassingsgebied van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad(43) moet worden gewijzigd om overlapping van vereisten ingevolge regelgeving met betrekking tot doelstellingen voor de decarbonisatie van transportbrandstoffen te voorkomen, en het op Richtlijn (EU) 2018/2001 af te stemmen.

(95)  De definities van Richtlijn 98/70/EG moeten worden afgestemd op deze van Richtlijn (EU) 2018/2001 om te voorkomen dat op grond van die twee rechtshandelingen verschillende definities worden toegepast.

(96)  De verplichtingen met betrekking tot de reductie van de broeikasgasemissies en het gebruik van biobrandstoffen in Richtlijn 98/70/EG moeten worden geschrapt om te stroomlijnen en overlapping te voorkomen met de in Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde aangescherpte verplichtingen inzake de decarbonisatie van transportbrandstoffen.

(97)  De in Richtlijn 98/70/EG vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het toezicht op en de rapportage over de broeikasgasemissiereducties moeten worden geschrapt om te voorkomen dat de rapportageverplichtingen dubbel worden gereguleerd.

(98)  Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad(44), die de gedetailleerde regels bevat voor de uniforme uitvoering van artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG, moet worden ingetrokken aangezien deze overbodig wordt ten gevolge van de intrekking van artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG door deze richtlijn.

(99)  Wat biogebaseerde componenten in dieselbrandstof betreft, beperkt de verwijzing in Richtlijn 98/70/EG naar dieselbrandstof B7, dat wil zeggen dieselbrandstof met een methylvetzuurgehalte tot 7 %, de beschikbare opties om hogere streefcijfers voor de opname van biobrandstoffen te bereiken, zoals vastgesteld in Richtlijn (EU) 2018/2001. Dit is te wijten aan het feit dat bijna het volledige aanbod van diesel in de Unie al B7 is. Bijgevolg moet het maximumaandeel biogebaseerde componenten worden verhoogd van 7 % naar 10 %. Om de marktpenetratie van B10, d.w.z. dieselbrandstof met een methylvetzuurgehalte tot 10 %, te ondersteunen, is voor de hele Unie beschermingsklasse B7 van 7 % methylvetzuurgehalte in dieselbrandstof vereist vanwege het grote aantal niet met B10 compatibele voertuigen dat naar verwachting tegen 2030 in de vloot aanwezig zal zijn. Dit moet tot uiting komen in artikel 4, lid 1, tweede alinea, van Richtlijn 98/70/EG.

(100)  Overgangsbepalingen moeten een geordende voortzetting van de gegevensverzameling en de naleving van de rapportageverplichtingen met betrekking tot de bij deze richtlijn geschrapte artikelen van Richtlijn 98/70/EG mogelijk maken.

(101)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk vermindering van de broeikasgasemissies, energieafhankelijkheid en verlaging van de energieprijzen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(102)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(45) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn achten de wetgevers de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd, in het bijzonder naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Commissie/België(46) (zaak C-543/17).

(103)  Ter compensatie van de regeldruk voor burgers, overheden en ondernemingen die bij deze richtlijn wordt ingevoerd, moet de Commissie het regelgevingskader in de betrokken sectoren herzien aan de hand van het “one in, one out”-beginsel, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 29 april 2021, getiteld “Samen zorgen voor betere regelgeving”,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Richtlijn (EU) 2018/2001

Richtlijn (EU) 2018/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1)  in artikel 2 wordt de tweede alinea als volgt gewijzigd:

a)   punt 1 wordt vervangen door:"

“1) “energie uit hernieuwbare bronnen” of “hernieuwbare energie”: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, osmose-energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas;

   1 bis) “rondhout van industriële kwaliteit”: zaagstammen, stammen voor fineer, rond of gesplitst pulphout, alsook alle andere rondhout dat geschikt is voor industrieel gebruik, met uitzondering van rondhout dat vanwege zijn kenmerken, zoals soort, afmetingen, kromming en noestdichtheid, niet geschikt is voor industrieel gebruik zoals gedefinieerd en naar behoren gemotiveerd door de lidstaten volgens de relevante toestand van de bossen en de marktomstandigheden;”;

"

b)  punt 4 wordt vervangen door:"

“4) “bruto-eindverbruik van energie”: de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector inclusief de openbare diensten, de land- en bosbouw en de visserij, het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit en warmte, en het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie;”;

"

c)  de volgende punten worden ingevoegd:"

“9 bis) “gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie": een specifieke locatie of gebied, te land, ter zee of op binnenwateren, die/dat een lidstaat heeft aangewezen als bijzonder geschikt voor de installatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie;

   9 ter) “apparatuur voor zonne-energie”: apparatuur die zonne-energie omzet in thermische of elektrische energie, met name apparatuur voor thermische en fotovoltaïsche zonne-energie;”;

"

d)   de volgende punten worden ingevoegd:"

“14 bis) “biedzone”: een biedzone als gedefinieerd in artikel 2, punt 65, van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad*;

   14 ter) “innovatieve technologie voor hernieuwbare energie”: technologie voor de opwekking van hernieuwbare energie die ten minste op één manier vergelijkbare geavanceerde technologie voor hernieuwbare energie verbetert of die een technologie voor hernieuwbare energie die niet ten volle is gecommercialiseerd of die een duidelijke risicograad inhoudt, exploiteerbaar maakt;
   14 quater) “slimme-metersysteem”: een slimme-metersysteem als gedefinieerd in artikel 2, punt 23, van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad**;
   14 quinquies) “oplaadpunt”: een oplaadpunt als gedefinieerd in ▌ artikel 2, punt 48, van Verordening (EU) .../… van het Europees Parlement en de Raad***(47)▌;
   14 sexies) “marktdeelnemer”: een marktdeelnemer als gedefinieerd ▌ in artikel 2, punt 25, van Verordening (EU) 2019/943;
   14 septies) “elektriciteitsmarkt”: elektriciteitsmarkten als gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Richtlijn (EU) 2019/944;
   14 octies) “thuisbatterij”: een standalone oplaadbare batterij met een nominale capaciteit van meer dan 2 kWh, die geschikt is voor installatie en gebruik in een huishoudelijke omgeving;
   14 nonies) “batterij voor een elektrisch voertuig”: een batterij voor een elektrisch voertuig als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 14, van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad***(48);
   14 decies) “industriële batterij”: een industriële batterij als gedefinieerd in artikel 1, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) .../...(49);
   14 undecies) “conditie”: conditie als gedefinieerd in ▌ artikel 1, lid 1, punt 28, van Verordening (EU) .../...+++;
   14 duodecies) “laadniveau”: laadniveau als gedefinieerd in artikel 1, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) .../... +(50);
   14 terdecies) “instelpunt voor het vermogen”: de dynamische informatie in het beheersysteem van een batterij waarin de elektrische vermogensinstellingen zijn voorgeschreven waarbij de batterij optimaal zou moeten werken tijdens het opladen of ontladen, zodat de conditie en het operationele gebruik ervan worden geoptimaliseerd;

14 quaterdecies) “slim opladen”: een laadbeurt waarbij de intensiteit van de aan de batterij geleverde elektriciteit dynamisch wordt aangepast, op basis van via elektronische communicatie ontvangen informatie;

14 quindecies) “regulerende instantie”: een regulerende instantie als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2019/943;

14 sexdecies) “tweerichtingsladen”: tweerichtingsladen als gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van Verordening (EU) .../...(51);

14 septdecies) “oplaadpunt voor normaal vermogen”: een oplaadpunt voor normaal vermogen ▌ als gedefinieerd in artikel 2, punt 37, van Verordening (EU) .../...+(52);

14 octodecies) “hernieuwbare-energieafnameovereenkomst”: een overeenkomst waarbij een natuurlijke of rechtspersoon ermee instemt hernieuwbare energie rechtstreeks van een producent te kopen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, hernieuwbarestroomafnameovereenkomsten en afnameovereenkomsten voor hernieuwbare verwarming en koeling;

________________

* Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).

** Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).

*** Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU (PB ...).

**** Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG. (PB ...).”;

"

e)  de volgende punten worden ingevoegd:"

“18 bis) "industrie": bedrijven en producten die vallen onder secties B, C en F en onder sectie J, afdeling 63, van de statistische nomenclatuur van economische activiteiten (NACE rev. 2), als vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad *;

   18 ter) “niet-energetisch gebruik”: het gebruik van brandstoffen als grondstof in een industrieel proces, en niet voor het produceren van energie;

________________

* Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).”;

"

f)  de volgende punten worden ingevoegd:"

“22 bis) “hernieuwbare brandstoffen”: biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong;

   22 ter) “energie-efficiëntie eerst”: energie-efficiëntie eerst als gedefinieerd in artikel 2, punt 18), van Verordening (EU) 2018/1999;”;

"

g)   punt 36 wordt vervangen door:"

“36) “hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong”: vloeibare en gasvormige brandstoffen waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare bronnen dan biomassa;”;

"

h)  de volgende punten worden ingevoegd:"

“44 bis) “bosplantage”: een bosplantage als gedefinieerd in artikel 2, punt 11), van Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad;

   44 ter) “osmose-energie”: energie die wordt gegenereerd door het verschil in zoutconcentratie tussen twee vloeistoffen, zoals zoet en zout water;
   44 quater) “systeemefficiëntie”: de selectie van energie-efficiënte oplossingen waarbij deze ook een kosteneffectief decarbonisatietraject, extra flexibiliteit en een efficiënt gebruik van hulpbronnen mogelijk maken;
   44 quinquies) “energieopslag op één locatie”: een energieopslagvoorziening gecombineerd met een installatie voor de productie van hernieuwbare energie die zijn aangesloten op hetzelfde toegangspunt tot het net;
   44 sexies) “elektrisch voertuig op zonne-energie”: een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit enkel niet-perifere elektromotoren als energieconvertor, met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem dat extern kan worden opgeladen, en met in het voertuig geïntegreerde fotovoltaïsche panelen;

__________________

* Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 995/2010 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 206).”;

"

2)  artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

“1. De lidstaten zorgen er samen voor dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 minstens 42,5 % bedraagt.

De lidstaten streven er samen naar om het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 tot minstens 45 % te verhogen.

De lidstaten stellen een indicatief streefcijfer vast voor innovatieve technologie voor hernieuwbare energie van ten minste 5 % van de nieuw geïnstalleerde capaciteit voor hernieuwbare energie tegen 2030.”;

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

“3. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat energie uit biomassa op zodanige wijze wordt geproduceerd dat aanzienlijke verstorende effecten op de markt voor biomassagrondstoffen en negatieve gevolgen voor de biodiversiteit, het milieu en het klimaat tot een minimum worden beperkt. Daartoe houden zij rekening met de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG en zien zij toe op de toepassing van het beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa, met bijzondere aandacht voor steunregelingen en met inachtneming van nationale specifieke kenmerken.

De lidstaten ontwerpen steunregelingen voor energie uit biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen zodanig dat niet-duurzame trajecten niet worden gestimuleerd en mededinging met de materiaalsectoren niet wordt verstoord, om ervoor te zorgen dat houtachtige biomassa wordt gebruikt overeenkomstig haar grootste economische en ecologische meerwaarde in deze volgorde van voorrang:

   a) houtproducten;
   b) verlenging van de levensduur van houtproducten;
   c) hergebruik;
   d) recycling;
   e) bio-energie en
   f) verwijdering.

3 bis.  De lidstaten mogen van het in lid 3 bedoelde beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa afwijken indien noodzakelijk om de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen. De lidstaten mogen ook van dat beginsel afwijken wanneer de lokale industrie kwantitatief of technisch niet in staat is bosbiomassa te gebruiken voor een hogere economische en ecologische toegevoegde waarde dan energieproductie, voor grondstoffen uit:

   a) noodzakelijke bosbeheeractiviteiten, die gericht zijn op het waarborgen van pre-commerciële dunningactiviteiten of die worden uitgevoerd in overeenstemming met de nationale regels inzake de preventie van bosbranden in gebieden met een hoog risico;
   b) reddingskap na gedocumenteerde natuurlijke verstoringen; of
   c) de oogst van bepaalde bossen waarvan de kenmerken niet geschikt zijn voor lokale verwerkingsinstallaties.

3 ter.  De lidstaten bezorgen de Commissie maximaal eenmaal per jaar een samenvatting van de afwijkingen van het beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa krachtens lid 3 bis, samen met de redenen voor deze afwijkingen en de geografische schaal waarop zij van toepassing zijn. De Commissie maakt de ontvangen kennisgevingen openbaar en kan een openbaar advies uitbrengen in verband met elk van die kennisgevingen.

3 quater.  ▌De lidstaten verlenen geen rechtstreekse financiële steun voor:

   a) het gebruik van zaagstammen, stammen voor fineer, rondhout van industriële kwaliteit, stronken en wortels om energie te produceren;
   b) de productie van hernieuwbare energie door verbranding van afval, tenzij de in Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde verplichtingen inzake gescheiden inzameling worden nageleefd.

3 quinquies.  Onverminderd lid 3 verlenen de lidstaten geen nieuwe steun voor de productie van elektriciteit uit bosbiomassa in alleen op elektriciteit werkende installaties noch vernieuwen zij bestaande steun hiervoor, tenzij die elektriciteit aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet:

   a) ze is geproduceerd in een regio die is aangewezen in een territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie dat is opgesteld in overeenstemming met artikel 11 van Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad*, vanwege de afhankelijkheid van de regio van vaste fossiele brandstoffen, en ze voldoet aan de desbetreffende vereisten van artikel 29, lid 11, van deze richtlijn;
   b) ze is geproduceerd uit biomassa gecombineerd met afvang en opslag van CO2 en voldoet aan de vereisten van artikel 29, lid 11, tweede alinea;
   c) ze wordt geproduceerd in een ultraperifeer gebied als bedoeld in artikel 349 VWEU, gedurende een beperkte periode en met als doel het gebruik van bosbiomassa zoveel mogelijk uit te faseren zonder afbreuk te doen aan de toegang tot veilige en zekere energie.

Uiterlijk in 2027 presenteert de Commissie een verslag over het effect van de steunregelingen van de lidstaten voor biomassa, onder meer op de biodiversiteit, op het klimaat en het milieu, en op mogelijke marktverstoringen, en beoordeelt zij de mogelijkheid van verdere beperkingen met betrekking tot steunregelingen voor bosbiomassa.

_______________

* Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1).”;

"

c)  het volgende lid 4 bis wordt ingevoegd:"

“4 bis. De lidstaten stellen een kader vast, dat steunregelingen en maatregelen kan omvatten die de invoering van hernieuwbarestroomafnameovereenkomsten kunnen vergemakkelijken, waardoor het gebruik van hernieuwbare elektriciteit mogelijk wordt op een niveau dat strookt met de in lid 2 van dit artikel bedoelde nationale bijdrage van de lidstaat en in een tempo dat strookt met de indicatieve trajecten bedoeld in artikel 4, punt a), 2), van Verordening (EU) 2018/1999. In dat kader worden met name de resterende belemmeringen voor een hoog aanbodniveau van hernieuwbare elektriciteit aangepakt, waaronder die in verband met vergunningsprocedures, en voor de ontwikkeling van de nodige infrastructuur voor transmissie, distributie en opslag, met inbegrip van energieopslag op één locatie. Bij het ontwerpen van dat kader houden de lidstaten rekening met de extra hernieuwbare elektriciteit die nodig is om te voldoen aan de vraag in de sectoren vervoer, industrie, bouw en verwarming en koeling en voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong. De lidstaten kunnen een samenvatting van het beleid en de maatregelen op grond van kader, alsook een beoordeling van de uitvoering daarvan, opnemen in respectievelijk hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die worden ingediend op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999, en in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen die worden ingediend op grond van artikel17 van die verordening.”;

"

3)  artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:"

“Gas en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen worden, in verband met de eerste alinea, punten a), b) of c), slechts één keer in aanmerking genomen voor de berekening van het aandeel van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

Energie die is geproduceerd uit hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, wordt meegeteld voor de sector – elektriciteit, verwarming en koeling, of vervoer – waar zij wordt verbruikt.

De lidstaten kunnen, onverminderd de derde alinea, via een specifieke samenwerkingsovereenkomst overeenkomen om alle of een deel van de hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die in één lidstaat worden verbruikt, mee te tellen in het aandeel van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat waar die brandstoffen zijn geproduceerd. Om erop toe te zien dat dezelfde hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong niet in zowel de lidstaat van productie als die van verbruik worden meegeteld en om de meegetelde hoeveelheid te registreren, wordt de Commissie door de lidstaten op de hoogte gebracht van een dergelijke samenwerkingsovereenkomst. Dergelijke samenwerkingsovereenkomst bevat de hoeveelheid hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die in totaal en voor elke lidstaat moet meegeteld worden evenals de datum waarop de samenwerkingsovereenkomst in werking treedt.;

"

b)  in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:"

“Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, punt a), wordt het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen berekend als de hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van de elektriciteitsproductie door zelfverbruikers van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen en elektriciteit uit hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, en met uitzondering van de elektriciteitsproductie door middel van pompaccumulatie van water dat eerder omhoog is gepompt alsook de elektriciteit die voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong wordt gebruikt.”;

"

c)  in lid 4 wordt punt a) vervangen door:"

“a) het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de vervoerssector wordt berekend als de som van alle biobrandstoffen, biogas en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die in de vervoerssector worden verbruikt. Hieronder vallen hernieuwbare brandstoffen die aan internationale scheepsbunkers worden geleverd.”.

"

4)  artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)  het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:"

“1 bis. Uiterlijk 31 december 2025 komt elke lidstaat overeen om een kader op te zetten voor samenwerking aan gezamenlijke projecten met een of meer andere lidstaten voor de productie van hernieuwbare energie, met inachtneming van het volgende:

   a) uiterlijk op 31 december 2030 streven de lidstaten ernaar overeenstemming te bereiken over de oprichting van ten minste twee gezamenlijke projecten;
   b) uiterlijk op 31 december 2030 streven lidstaten met een jaarlijks elektriciteitsverbruik van meer dan 100 TWh ernaar overeenstemming te bereiken over de oprichting van een derde gezamenlijke project.

De vaststelling van gezamenlijke projecten voor hernieuwbare offshore-energie strookt met de behoeften die zijn vastgesteld in de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad*bedoelde strategische geïntegreerde ontwikkelingsplannen voor offshorenetwerken op hoog niveau voor elk zeegebied en het in artikel 30, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2019/943 bedoelde Uniebreed tienjarenplan voor netontwikkeling, maar kan verder gaan dan die behoeften en betrekking hebben op lokale en regionale autoriteiten en particuliere ondernemingen.

De lidstaten streven naar een eerlijke verdeling van de kosten en baten van gezamenlijke projecten. Daartoe worden in de desbetreffende samenwerkingsovereenkomsten alle relevante kosten en baten van het gezamenlijke project door de lidstaten in aanmerking genomen.

De Commissie wordt door de lidstaten in kennis gesteld van samenwerkingsovereenkomsten, met inbegrip van de datum waarop de gezamenlijke projecten naar verwachting operationeel zullen worden. Projecten die worden gefinancierd met nationale bijdragen in het kader van het financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie dat bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1294 van de Commissie** is ingesteld, worden geacht aan de in de eerste alinea bedoelde verplichting voor de betrokken lidstaten te voldoen.

_________________

* Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943, en Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013 (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 45).

** Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1294 van de Commissie van 15 september 2020 over het financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie (PB L 303 van 17.9.2020, blz. 1).”;

"

b)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

“7 bis. Op basis van de overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2022/869 vastgestelde indicatieve doelstellingen voor de offshoreproductie van hernieuwbare energie die in elk zeegebied uitgerold moet worden, publiceren de betrokken lidstaten informatie over de volumes hernieuwbare offshore-energie die zij voornemens zijn te realiseren via aanbestedingen, rekening houdend met de technische en economische haalbaarheid voor de netwerkinfrastructuur en de activiteiten die reeds plaatsvinden. De lidstaten streven ernaar om in hun maritieme ruimtelijke planning ruimte toe te wijzen aan projecten voor hernieuwbare offshore-energie, rekening houdend met de activiteiten die reeds plaatsvinden in de desbetreffende gebieden. Om het verlenen van vergunningen voor gezamenlijke -projecten voor hernieuwbare offshore-energie te vergemakkelijken, verminderen de lidstaten de complexiteit en vergroten zij de efficiëntie en transparantie van de vergunningverleningsprocedure, versterken zij hun onderlinge samenwerking en richten zij, waar passend, een centraal contactpunt op. Om een maatschappelijk draagvlak te bevorderen, kunnen de lidstaten hernieuwbare-energiegemeenschappen opnemen in gezamenlijke projecten voor hernieuwbare offshore-energie.”.

"

5)  artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

1.  De lidstaten zien erop toe dat nationale regels voor toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales en bijbehorende transmissie- en distributienetten voor de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare bronnen, op de omzetting van biomassa in biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen of andere energieproducten, en op hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, evenredig en noodzakelijk zijn en bijdragen tot het beginsel “energie-efficiëntie eerst.”;

b)  de leden 2 en 3 worden vervangen door:"

“2. De lidstaten definiëren duidelijk aan welke technische specificaties hernieuwbare-energieapparatuur en -systemen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor steunregelingen en voor overheidsopdrachten. De lidstaten definiëren duidelijk aan welke technische specificaties hernieuwbare-energieapparatuur en -systemen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor steunregelingen. Geharmoniseerde normen waarvan de referenties ter ondersteuning van het Unierecht in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn gepubliceerd, zoals Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad* of Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad**, hebben voorrang. Bij ontstentenis hiervan worden andere geharmoniseerde normen en Europese normen gebruikt, in die volgorde. Dergelijke technische specificaties schrijven niet voor waar de apparatuur en de systemen moeten worden gecertificeerd en mogen de goede werking van de interne markt niet belemmeren.

2 bis.  De lidstaten bevorderen het testen van innovatieve technologie voor hernieuwbare energie voor de productie, het delen en de opslag van hernieuwbare energie via proefprojecten in een reële omgeving, gedurende een beperkte periode, in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en met passende waarborgen om de veilige werking van het energiesysteem te garanderen en onevenredige effecten op de werking van de interne markt te vermijden, onder toezicht van een bevoegde autoriteit.”;

"

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau voorzien in bepalingen voor de integratie en inzet van hernieuwbare energie, met inbegrip van zelfverbruik van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, en voor het gebruik van onvermijdelijke restwarmte en -koude bij de planning, waaronder vroegtijdige ruimtelijke planning, het ontwerp, de bouw, en de renovatie van stedelijke infrastructuur, industriële, commerciële of residentiële zones en energie- en vervoersinfrastructuur, met inbegrip van elektriciteit, stadsverwarming en -koeling, en netwerken voor aardgas en alternatieve brandstoffen. De lidstaten sporen met name lokale en regionale administratieve organen ertoe aan, waar gepast, verwarming en koeling uit hernieuwbare bronnen op te nemen in de planning van stedelijke infrastructuur en met de netwerkexploitanten te overleggen om het effect weer te geven van energie-efficiëntie en vraagresponsprogramma's evenals van specifieke bepalingen betreffende het zelfverbruik van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen op de infrastructuurontwikkelingsplannen van de netwerkexploitanten..”;

_________________

* Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).

** Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).”;

c)  de leden 4 tot en met 7 worden geschrapt;

d)  lid 8 wordt vervangen door:

“8. De lidstaten beoordelen de regelgevende en administratieve belemmeringen voor langlopende hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten, werken ongerechtvaardigde belemmeringen weg en bevorderen het sluiten van dergelijke overeenkomsten, onder meer door te onderzoeken hoe de daaraan verbonden financiële risico’s kunnen worden verminderd, met name door gebruik te maken van kredietgaranties. De lidstaten zien erop toe dat deze overeenkomsten niet onderhevig zijn aan buitensporige of discriminerende procedures of lasten en dat eventuele bijbehorende garanties van oorsprong kunnen worden overgedragen aan de koper van de hernieuwbare energie in het kader van de hernieuwbare-energieafnameovereenkomst.

De lidstaten beschrijven hun beleidslijnen en maatregelen ter bevordering van het sluiten van hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die zijn ingediend op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 en geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat die op grond van artikel 17 van die verordening worden ingediend. Zij geven in die vooruitgangsverslagen ook een indicatie ▌van de door hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten ondersteunde opwekking van hernieuwbare energie.

Na de in de eerste alinea bedoelde beoordeling analyseert de Commissie de belemmeringen voor langlopende hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten en met name voor de uitrol van grensoverschrijdende hernieuwbare-energieafnameovereenkomsten, en verstrekt zij richtsnoeren voor het wegnemen van die belemmeringen.”;

▌9. Uiterlijk op  [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] gaat de Commissie na of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de lidstaten te ondersteunen bij de uitvoering van de in deze richtlijn vastgestelde de vergunningsprocedures regelen, onder meer door middel van de uitwerking van indicatieve kernprestatie-indicatoren.”;

6)  de volgende artikelen worden ingevoegd:"

“Artikel 15 bis

Integratie van hernieuwbare energie in gebouwen

1.  Om de productie en het gebruik van hernieuwbare energie in de gebouwde omgeving te bevorderen, bepalen de lidstaten een indicatief nationaal aandeel van ter plaatse of dichtbij geproduceerde alsook van het net afgenomen hernieuwbare energie in het eindenergieverbruik in hun gebouwde omgeving in 2030; dit aandeel strookt met een indicatief streefcijfer van een aandeel van ten minste 49 % energie uit hernieuwbare bronnen in de gebouwde omgeving in het eindenergieverbruik in de Unie in gebouwen in 2030. De lidstaten nemen hun indicatief nationaal aandeel op in de op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 ingediende ▌geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, evenals informatie over hoe zij voornemens zijn dit te bereiken.

2.  De lidstaten mogen restwarmte en -koude meetellen in het in het eerste lid bedoelde indicatief nationaal aandeel, tot een maximum van 20 % van dat aandeel. Indien zij daartoe besluiten, stijgt het indicatief nationaal aandeel met de helft van het percentage restwarmte en -koude dat is meegeteld in dat aandeel.

3.  In hun nationale regelgeving en bouwvoorschriften en, in voorkomend geval, in hun steunregelingen nemen de lidstaten passende maatregelen op om het aandeel elektriciteit en verwarming en koeling uit ter plaatse of dichtbij geproduceerde hernieuwbare bronnen alsook hernieuwbare energie afgenomen van het net in de gebouwde omgeving te verhogen. Deze maatregelen kunnen nationale maatregelen omvatten die verband houden met aanzienlijke toenamen van het zelfverbruik van hernieuwbare energie, van hernieuwbare-energiegemeenschappen, van de lokale opslag van energie, van slim laden en tweerichtingsladen, van andere flexibiliteitsdiensten zoals vraagrespons, en in combinatie met verbeteringen van energie-efficiëntie in verband met warmtekrachtkoppeling en ingrijpende renovaties die zorgen voor een toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen en gebouwen die verder gaan dan de minimumeisen voor de energieprestaties die zijn vastgesteld in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2010/31/EU.

Om het in lid 1 vastgestelde indicatieve aandeel hernieuwbare energie te bereiken, verplichten de lidstaten in hun nationale regelgeving en bouwvoorschriften en, in voorkomend geval, in hun steunregelingen of op andere wijze met gelijkwaardig effect, dat minimumniveaus van energie uit ter plaatse of dichtbij geproduceerde hernieuwbare bronnen alsook hernieuwbare energie afgenomen van het net, worden gebruikt in nieuwe gebouwen en in bestaande gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan of waarvan het verwarmingssysteem wordt vervangen, in overeenstemming met Richtlijn 2010/31/EU, indien dat economisch, technisch en functioneel haalbaar is. De lidstaten staan toe dat deze minimumniveaus worden verwezenlijkt middels onder meer het gebruik van efficiënte stadsverwarming en -koeling.

Met betrekking tot bestaande gebouwen gelden de in de eerste alinea bedoelde voorschriften voor de strijdkrachten alleen voor zover de toepassing ervan niet in strijd is met de aard en het voornaamste doel van hun activiteiten en met uitzondering van materieel dat uitsluitend voor militaire doeleinden wordt gebruikt.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat publieke op nationaal, regionaal en lokaal niveau een voorbeeldfunctie vervullen wat betreft het aandeel gebruikte hernieuwbare energie, overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2010/31/EU en artikel 5 van Richtlijn 2012/27/EU. De lidstaten kunnen toestaan dat aan die verplichting wordt voldaan door onder meer ervoor te zorgen dat de daken van publieke of gemengde publiek-private gebouwen door derde partijen worden gebruikt voor de installatie van systemen die energie uit hernieuwbare bronnen produceren.

5.  De lidstaten kunnen, indien dat relevant wordt geacht, de samenwerking tussen lokale overheden en hernieuwbare-energiegemeenschappen in de gebouwde omgeving bevorderen, met name via openbare aanbestedingen.

6.  Om het in lid 1 vastgestelde indicatieve aandeel hernieuwbare energie te bereiken, bevorderen de lidstaten het gebruik van hernieuwbare verwarmings- en koelingssystemen en -apparatuur en kunnen zij innovatieve technologie bevorderen, zoals slimme en van hernieuwbare energie gebruikmakende elektrische verwarmings- en koelingssystemen en -apparatuur, waar van toepassing in combinatie met slim beheer van het energieverbruik in gebouwen. Hiertoe maken de lidstaten gebruik van alle passende maatregelen, instrumenten en stimulansen, waaronder energielabels die in het kader van Verordening (EU) 2017/1369 zijn ontwikkeld, energieprestatiecertificaten die zijn opgesteld op grond van Richtlijn 2010/31/EU, en andere op Unieniveau of nationaal niveau opgestelde passende certificaten of normen, en zorgen zij voor het verstrekken van adequate informatie en advies over hernieuwbare, uiterst energie-efficiënte alternatieven en over beschikbare financieringsinstrumenten en prikkels ter bevordering van een groter aantal vervangingen van oude verwarmingssystemen en een toenemende omschakeling naar oplossingen die gebruik maken van hernieuwbare energie.

Artikel 15 ter

In kaart brengen van gebieden die nodig zijn voor nationale bijdragen aan het algemeen streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie voor 2030

1.  Uiterlijk op ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] voeren de lidstaten een gecoördineerde inventarisatie uit voor de inzet van hernieuwbare energie op hun grondgebied met als doel het binnenlandse potentieel te identificeren alsook de beschikbare gebieden op het landoppervlak, onder het oppervlak, ter zee en in de binnenwateren die noodzakelijk zijn voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie en voor de bijbehorende infrastructuur, zoals netwerkinfrastructuur en voorzieningen voor opslag, inclusief warmteopslag, opdat de lidstaten ten minste hun nationale bijdragen kunnen leveren aan het algemeen streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie voor 2030 zoals vastgesteld in artikel 3 van deze richtlijn. De lidstaten kunnen daartoe hun bestaande ruimtelijkeordeningsdocumenten of -plannen, inclusief maritieme ruimtelijkeordeningsplannen die zijn opgesteld op grond van Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad*, gebruiken of daarop voortbouwen. Waar toepasselijk zorgen de lidstaten bij het in kaart brengen van de nodige gebieden voor coördinatie tussen alle relevante nationale, regionale en lokale autoriteiten en entiteiten, waaronder netwerkexploitanten.

De lidstaten zorgen ervoor dat deze gebieden, met inbegrip van de bestaande installaties voor de productie van hernieuwbare energie en samenwerkingsmechanismen, in verhouding staan tot de geraamde trajecten en de totale geplande geïnstalleerde capaciteit voor elke technologie voor hernieuwbare energie die zijn vastgesteld in hun nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten die zijn ingediend op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999.

2.  Ter identificatie van de in lid 1 bedoelde gebieden houden de lidstaten met name rekening met:

   a) de beschikbaarheid van energie uit hernieuwbare bronnen en het potentieel van de verschillende soorten technologie voor de productie van hernieuwbare energie in de gebieden op het landoppervlak, onder het oppervlak, ter zee en in de binnenwateren;
   b) de verwachte vraag naar energie, met inachtneming van de potentiële flexibiliteit van de actieve vraagrespons, verwachte verbeteringen op het gebied van efficiëntie en energiesysteemintegratie;
   c) de beschikbaarheid van relevante energie-infrastructuur, zoals netwerken, opslagvoorzieningen en andere flexibiliteitsinstrumenten, of het potentieel om dergelijke netwerkinfrastructuur en opslagvoorzieningen tot stand te brengen of te verbeteren.

3.  De lidstaten geven de voorkeur aan meervoudig gebruik van de in lid 1 bedoelde gebieden. Hernieuwbare-energieprojecten zijn verenigbaar met het reeds bestaande gebruik van die gebieden.

4.  De lidstaten evalueren en, indien dat nodig is, actualiseren de in lid 1 van dit artikel bedoelde gebieden regelmatig met name in het kader van de actualisering van hun nationale energie- en klimaatplannen die worden ingediend op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999.

Artikel 15 quater

Gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie

1.  Uiterlijk op ... [27 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten een of meer plannen vaststellen waarin, als subset van de in artikel 15 ter, lid 1, bedoelde gebieden, voor een of meer soorten hernieuwbare-energiebronnen gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden aangewezen. Daarbij kunnen de lidstaten installaties voor verbranding van biomassa en waterkrachtcentrales uitsluiten. In deze plannen:

   a) wijzen de bevoegde autoriteiten voldoende homogene land-, binnenwater- en zeegebieden aan waar de inzet van een of meer specifieke soorten hernieuwbare-energiebronnen naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten zal hebben, gezien de specifieke kenmerken van het geselecteerde gebied, waarbij zij:
   i) voorrang geven aan kunstmatige en bebouwde oppervlakken, zoals daken en gevels van gebouwen, vervoersinfrastructuur en de onmiddellijke omgeving hiervan, parkeerterreinen, boerderijen, afvalterreinen, industrieterreinen, mijnen, kunstmatige binnenwaterlichamen, meren of reservoirs, en, waar toepasselijk, locaties voor de behandeling van stedelijk afvalwater alsmede aangetaste grond die niet bruikbaar is voor de landbouw;
   ii) Natura 2000-gebieden, gebieden die onder nationale beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud vallen, belangrijke trekroutes van vogels en zeezoogdieren, en andere gebieden die op basis van gevoeligheidskaarten en de in het punt iii) bedoelde instrumenten zijn aangewezen, uitsluiten, met uitzondering van kunstmatige en bebouwde oppervlakken in die gebieden, zoals daken, parkeerterreinen of vervoersinfrastructuur;
   iii) alle passende en proportionele instrumenten en datasets gebruiken om vast te stellen op welke gebieden de installaties voor de productie van hernieuwbare energie geen aanzienlijk milieueffect zouden hebben, met inbegrip van het in kaart brengen van de gevoeligheid van wilde dieren en planten, rekening houdend met de beschikbare gegevens in de context van de ontwikkeling van een samenhangend Natura 2000-netwerk, zowel wat betreft habitattypen en soorten uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad** als vogels en gebieden uit hoofde van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad***;
   b) stellen de bevoegde autoriteiten passende regels voor de gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie vast inzake doeltreffende mitigerende maatregelen die moeten worden genomen voor de installatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie en energieopslag op één locatie, alsmede activa die nodig zijn voor de aansluiting van dergelijke installaties en opslag op het net, teneinde de negatieve milieueffecten die zich kunnen voordoen te voorkomen of, indien dit niet mogelijk is, aanzienlijk te verminderen, en zien, indien toepasselijk, erop toe dat er tijdig en op evenredige wijze passende mitigerende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de in de artikel 6, lid 2, en artikel 12, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 5 van Richtlijn 2009/147/EEG en artikel 4, lid 1, punt a), punt i), van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad**** genoemde verplichtingen worden nageleefd, en om verslechtering van de situatie te voorkomen en een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2000/60/EG te bereiken.

De in de eerste alinea, punt b), bedoelde regels zijn gericht op de specifieke kenmerken van elk vastgesteld gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, op de soort(en) technologie voor hernieuwbare energie die in elk gebied moeten worden ingezet, en op de vastgestelde milieueffecten.

De naleving van de in de eerste alinea, punt b), van dit lid bedoelde regels en de tenuitvoerlegging van de passende mitigerende maatregelen door de afzonderlijke projecten leiden tot het vermoeden dat projecten niet in strijd zijn met die bepalingen, onverminderd artikel 16 bis, leden 4 en 5, van deze richtlijn. Wanneer de doeltreffendheid van nieuwe mitigerende maatregelen om het doden of verstoren van krachtens Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG beschermde soorten, of een ander milieueffect, zoveel mogelijk te voorkomen niet breed is getest, kunnen de lidstaten het gebruik ervan voor een of meer proefprojecten gedurende een beperkte tijdsperiode toestaan, op voorwaarde dat de doeltreffendheid van dergelijke mitigerende maatregelen nauwlettend wordt gemonitord en onmiddellijk passende maatregelen worden genomen indien zij niet doeltreffend blijken te zijn.

De bevoegde autoriteiten lichten in de in de eerste alinea bedoelde plannen waarin gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden aangewezen de beoordeling toe die is uitgevoerd voor de vaststelling van elk op basis van de in punt a) van de eerste alinea genoemde criteria aangewezen gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en voor de vaststelling van passende mitigerende maatregelen.

2.  Voordat de plannen voor het aanwijzen van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden vastgesteld, worden de plannen onderworpen aan een milieubeoordeling op grond van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad*****, en, indien de plannen significante effecten op Natura-2000-gebieden kunnen hebben, aan de passende beoordeling op grond van artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG.

3.  De lidstaten beslissen over de omvang van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, rekening houdend met de specifieke kenmerken en vereisten van de soort(en) technologie waarvoor zij gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie opzetten. Het zijn de lidstaten die beslissen over de omvang van die gebieden, maar hun doel is te zorgen voor een aanzienlijke gecombineerde omvang van die gebieden en ervoor zorgen dat de gebieden bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn. De in lid 1, eerste alinea, van dit artikel bedoelde plannen waarin gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden aangewezen, worden openbaar gemaakt en op gezette tijden herzien, wanneer dat toepasselijk is, met name in het kader van de actualisering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die zijn ingediend op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999.

4.  Uiterlijk op ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] kunnen de lidstaten specifieke gebieden die reeds zijn aangewezen als gebieden die geschikt zijn voor een versnelde uitrol van een of meer soorten technologie voor hernieuwbare energie, aanmerken als gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

   a) die gebieden bevinden zich buiten Natura 2000-gebieden, gebieden die zijn aangewezen uit hoofde van nationale beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud, en vastgestelde trekroutes van vogels;
   b) de plannen die die gebieden aanwijzen, zijn onderworpen geweest aan een strategische milieubeoordeling op grond van Richtlijn 2001/42/EG en, in voorkomend geval, aan een beoordeling op grond van artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG;
   c) bij de projecten die zijn gelegen in die gebieden worden passende en evenredige regels en maatregelen toegepast om de mogelijke negatieve milieueffecten aan te pakken.

5.  De bevoegde autoriteiten passen de in artikel 16 bis bedoelde vergunningverleningsprocedures en -termijnen toe op individuele projecten in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie.

Artikel 15 quinquies

Inspraak van het publiek

1.  De lidstaten zorgen voor inspraak van het publiek met betrekking tot de in artikel 15 quater, lid 1, eerste alinea, bedoelde plannen voor de aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2001/42/EG, met inbegrip van de bepaling van het publiek dat wordt of waarschijnlijk wordt geraakt.

2.  De lidstaten bevorderen het publiek draagvlak van hernieuwbare-energieprojecten door middel van directe en indirecte deelname van lokale gemeenschappen aan die projecten.

Artikel 15 sexies

Gebieden voor netwerk- en opslaginfrastructuur die nodig is om hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem te integreren

1.  De lidstaten kunnen een of meer plannen vaststellen om specifieke infrastructuurgebieden aan te wijzen voor de ontwikkeling van projecten voor netten en opslag die nodig zijn voor de integratie van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem, wanneer een dergelijke ontwikkeling naar verwachting geen significante milieueffecten zal hebben, dergelijke effecten naar behoren kunnen worden beperkt of, indien dit niet mogelijk is, kunnen worden gecompenseerd. Het doel van dergelijke gebieden is het ondersteunen en aanvullen van de gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Die plannen:

   a) vermijden, wat betreft projecten voor netten, Natura 2000-gebieden en gebieden die zijn aangewezen uit hoofde van nationale beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud, tenzij er geen evenredige alternatieven zijn voor de uitrol ervan, rekening houdend met de doelstellingen van het gebied;

(b sluiten, wat betreft projecten voor opslag, Natura 2000-gebieden en gebieden die zijn aangewezen uit hoofde van nationale beschermingsregelingen vallen uit;

   c) zorgen voor synergieën met de aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie;
   d) zijn onderworpen aan een milieubeoordeling op grond van Richtlijn 2001/42/EG en, in voorkomend geval, aan een beoordeling op grond van artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG; en
   e) stellen passende en evenredige regels vast, inclusief evenredige mitigerende maatregelen die moeten worden genomen voor de ontwikkeling van projecten voor netten en opslag om de negatieve gevolgen voor het milieu die zich kunnen voordoen, te voorkomen of, indien niet mogelijk, aanzienlijk te verminderen.

Bij de opstelling van dergelijke plannen raadplegen de lidstaten de relevante infrastructuursysteembeheerders.

2.  In afwijking van artikel 2, lid 1, en artikel  4, lid 2, van, en bijlage I, punt 20, en bijlage II, punt 3, b), van, Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad******* en in afwijking van artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG kunnen de lidstaten, onder gerechtvaardigde omstandigheden, zoals wanneer dit nodig is om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen om de streefdoelen op het gebied van klimaat en hernieuwbare energie te halen, projecten voor netten en opslag die nodig zijn om hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem te integreren, vrijstellen van de milieueffectbeoordeling uit hoofde van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2011/92/EU, van een beoordeling van hun gevolgen voor Natura 2000-gebieden krachtens artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG en van de beoordeling van de gevolgen daarvan voor de bescherming van soorten uit hoofde van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG en artikel 5 van Richtlijn 2009/147/EG, op voorwaarde dat het project voor netten of opslag zich bevindt in een overeenkomstig lid 1 van dit artikel aangewezen infrastructuurgebied en voldoet aan de overeenkomstig lid 1, punt e), van dit artikel vastgestelde regels, onder meer inzake vast te stellen evenredige mitigerende maatregelen. De lidstaten kunnen dergelijke afwijkingen ook toestaan met betrekking tot infrastructuurgebieden die vóór ... [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] zijn aangewezen indien zij onderworpen waren aan een milieubeoordeling uit hoofde van Richtlijn 2001/42/EG.

Dergelijke afwijking geldt niet voor projecten die vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zullen hebben in een andere lidstaat of wanneer een lidstaat waarvan het milieu vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden, hierom verzoekt, zoals bepaald in artikel 7 van Richtlijn 2011/92/EU.

3.  Indien een lidstaat op grond van lid 2 van dit artikel projecten voor netten en opslag van de in dat lid bedoelde beoordelingen vrijstelt, voeren de bevoegde autoriteiten van die lidstaat een screening uit van de projecten die zijn gelegen in specifieke infrastructuurgebieden. Dergelijke screening is gebaseerd op bestaande gegevens uit de milieubeoordeling op grond van Richtlijn 2001/42/EG. De bevoegde autoriteiten kunnen de aanvrager verzoeken aanvullende beschikbare informatie te verstrekken. De screening wordt binnen dertig dagen afgerond. De screening heeft tot doel na te gaan of het zeer waarschijnlijk is dat een dergelijk project, gelet op de milieugevoeligheid van het geografische gebied waar het project zal worden uitgevoerd, zal leiden tot aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten die niet zijn vastgesteld tijdens de op grond van Richtlijn 2001/42/EG en, indien van toepassing, van Richtlijn 92/43/EEG uitgevoerde milieubeoordeling van de plannen voor het aanwijzen van specifieke infrastructuurgebieden.

4.  Wanneer uit het screeningproces blijkt dat een project hoogstwaarschijnlijk tot de in lid 3 bedoelde aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten zal leiden, zorgt de bevoegde autoriteit er op basis van bestaande gegevens voor dat passende en evenredige mitigerende maatregelen worden toegepast om die effecten aan te pakken. Indien het niet mogelijk is deze mitigerende maatregelen toe te passen, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat de exploitant passende compenserende maatregelen neemt om die effecten aan te pakken, bijvoorbeeld, indien er geen andere evenredige compenserende maatregelen beschikbaar zijn, in de vorm van een geldelijke compensatie voor programma’s ter bescherming van soorten om de staat van instandhouding van de betrokken soorten te waarborgen of te verbeteren.

5.  Wanneer de integratie van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem een project ter versterking van de netwerkinfrastructuur in of buiten specifieke infrastructuurgebieden vereist, en dat project onderworpen is aan een screeningsproces dat is uitgevoerd op grond van lid 3 van dit artikel, aan de vaststelling of het project een milieueffectbeoordeling vereist of aan een milieueffectbeoordeling op grond van artikel 4 van Richtlijn 2011/92/EU, blijft dat screeningsproces, die vaststelling of die milieueffectbeoordeling beperkt tot de potentiële effecten van de wijziging of uitbreiding ten opzichte van de oorspronkelijke netwerkinfrastructuur.

_______________

* Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135).

** Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

*** Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

**** Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

***** Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).

****** Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).”;

"

7)  artikel 16 wordt vervangen door:"

“Artikel 16

Organisatie en belangrijkste beginselen van de vergunningsprocedure

1.  De vergunningsprocedure heeft betrekking op alle relevante administratieve vergunningen voor de bouw, de repowering en de exploitatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van die welke verschillende hernieuwbare-energiebronnen combineren; warmtepompen; energieopslag op één locatie, met inbegrip van elektriciteits- en thermische installaties; en de activa die nodig zijn voor de aansluiting van dergelijke installaties, warmtepompen en opslag op het net, en voor de integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsnetwerken, met inbegrip van vergunningen voor aansluiting op het net en, waar nodig, milieubeoordelingen. De vergunningsprocedure omvat alle administratieve stadia vanaf de erkenning van de volledigheid van de vergunningsaanvraag overeenkomstig lid 2 tot de kennisgeving van het definitieve besluit over het resultaat van de vergunningsprocedure door de betrokken autoriteit of autoriteiten.

2.  Uiterlijk 30 dagen na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en 45 dagen na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, bevestigt de bevoegde autoriteit de volledigheid van de aanvraag of, indien de aanvrager niet alle voor de behandeling van de aanvraag vereiste informatie heeft toegezonden, verzoekt zij de aanvrager om onverwijld een volledige aanvraag in te dienen. De datum van de bevestiging van de volledigheid van de aanvraag door de bevoegde autoriteit geldt als het begin van de vergunningsprocedure.

3.  De lidstaten richten een of meer contactpunten op, of wijzen deze aan. Die contactpunten begeleiden de aanvrager op diens verzoek bij, en vergemakkelijken, de volledige administratieve vergunningsaanvraag- en vergunningverleningsprocedure. De aanvrager dient gedurende de gehele procedure slechts met één contactpunt contact te hebben. Het contactpunt begeleidt de aanvrager op transparante wijze gedurende de administratieve vergunningsaanvraagprocedure, met inbegrip van de milieubeschermingsgerelateerde stappen, tot het moment waarop de bevoegde autoriteiten aan het einde van de vergunningverleningsprocedure een of meer besluiten vaststellen, het verschaft de aanvrager alle nodige informatie en schakelt, in voorkomend geval, andere administratieve autoriteiten in. Het contactpunt zorgt ervoor dat de in deze richtlijn vastgestelde termijnen voor de vergunningsprocedures worden nageleefd. Het is aanvragers toegestaan de relevante documenten in digitale vorm in te dienen. Uiterlijk op ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] zorgen de lidstaten ervoor dat alle vergunningverleningsprocedure in elektronische vorm worden uitgevoerd.

4.  Het contactpunt stelt een procedurehandboek voor ontwikkelaars van installaties voor de productie van hernieuwbare energie beschikbaar en stelt die informatie ook online beschikbaar, waarbij naar behoren aandacht wordt besteed aan kleinschalige hernieuwbare-energieprojecten, projecten van zelfverbruikers van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen. In de online-informatie wordt het relevante contactpunt voor de aanvraag in kwestie vermeld. Indien een lidstaat meer dan één contactpunt heeft, wordt in de online-informatie het relevante contactpunt voor de aanvraag in kwestie vermeld.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat aanvragers en het publiek gemakkelijk toegang hebben tot eenvoudige geschillenbeslechtingsprocedures in verband met de vergunningsprocedure en de afgifte van bouw- en exploitatievergunningen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van, waar van toepassing, alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat administratieve en gerechtelijke beroepsprocedures in het kader van een project voor de ontwikkeling van een installatie voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting van de installatie op het net, en de activa die nodig zijn voor de ontwikkeling van de netwerken voor energie-infrastructuur die vereist zijn om energie uit hernieuwbare bronnen te integreren in het energiesysteem, met inbegrip van beroepsprocedures welke verband houden met milieuaspecten, worden onderworpen aan de snelste administratieve en gerechtelijke procedure die op het relevante nationale, regionale en lokale niveau beschikbaar is.

7.  De lidstaten voorzien in toereikende middelen om ervoor te zorgen dat gekwalificeerd personeel, bijscholing en omscholing beschikbaar is voor hun bevoegde autoriteiten in overeenstemming met de geplande geïnstalleerde capaciteit voor de opwekking van hernieuwbare energie waarin hun op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen voorzien. De lidstaten staan de regionale en lokale autoriteiten bij om de vergunningsprocedure te vergemakkelijken.

8.  Behalve indien deze samenvalt met andere administratieve stadia van de vergunningsprocedure, omvat de duur van de vergunningsprocedure niet:

   a) de tijd voor de bouw of repowering van de installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de netaansluitingen daarvan en, met het oog op het zorgen voor stabiliteit, betrouwbaarheid en veiligheid van het net, de desbetreffende noodzakelijke netinfrastructuur;
   b) de tijd voor de nodige administratieve stadia voor aanzienlijke verbeteringen van het net die vereist zijn om te zorgen voor stabiliteit, betrouwbaarheid en veiligheid van het net.
   c) de tijd voor beroepsprocedures in rechte, andere procedures voor een rechterlijke instantie en alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen, waaronder klachtenprocedures en administratieve beroepsprocedures.

9.  Uit de vergunningsprocedures voortvloeiende besluiten worden in overeenstemming met het toepasselijke recht openbaar gemaakt.”;

"

Artikel 16 bis

Vergunningsprocedure in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 16, lid 1, bedoelde vergunningsprocedure voor hernieuwbare-energieprojecten in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie niet langer duurt dan 12 maanden. Echter in het geval van projecten voor hernieuwbare offshore-energie, duurt de vergunningsprocedure niet langer dan twee jaar. In naar behoren gerechtvaardigde buitengewone omstandigheden kunnen lidstaten elk van deze termijnen met maximaal zes maanden verlengen. In dat geval stellen de lidstaten de projectontwikkelaar duidelijk in kennis van de buitengewone omstandigheden die een dergelijke verlenging rechtvaardigen.

2.  De vergunningsprocedure voor de repowering van elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie, voor nieuwe installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 150 kW, voor energieopslag op één locatie, met inbegrip van elektriciteits- en thermische faciliteiten, en voor de aansluiting ervan op het net indien deze zich in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie bevinden, duurt niet langer dan zes maanden. In het geval van offshore-windenergieprojecten, duurt de vergunningsprocedure niet langer dan twaalf maanden. In naar behoren gerechtvaardigde buitengewone omstandigheden, zoals voor dwingende veiligheidsredenen waar het repoweringsproject een belangrijk effect heeft op het net of op de oorspronkelijke capaciteit, grootte of prestatie van de installatie, kunnen de lidstaten de termijn van zes maanden met maximaal drie maanden, en de termijn van twaalf maanden voor offshore-windenergieprojecten met zes maanden, verlengen. De lidstaten stellen de projectontwikkelaar duidelijk in kennis van de buitengewone omstandigheden die een dergelijke verlenging rechtvaardigen.

3.  Onverminderd de leden 4 en 5 van dit artikel, in afwijking van artikel 4, lid 2, en bijlage II, punt 3, a), b), d), h), i), en punt 6, c), alleen of in samenhang met punt 13 a), van Richtlijn 2011/92/EU, zijn wat betreft hernieuwbare-energieprojecten, nieuwe aanvragen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van installaties waarin verschillende soorten technologie voor hernieuwbare energie worden gecombineerd en de repowering van elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie in aangewezen gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie voor de desbetreffende technologie en energieopslag op één locatie, alsook de aansluiting van die centrales en opslag op het net vrijgesteld van het voorschrift om een specifieke milieueffectbeoordeling uit hoofde van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2011/92/EU uit te voeren, mits deze projecten voldoen aan artikel 15 quater, lid 1, punt b), van deze richtlijn. Die afwijking geldt niet voor projecten die vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zullen hebben in een andere lidstaat of wanneer een lidstaat die vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden, hierom verzoekt, op grond va artikel 7 van Richtlijn 2011/92/EU.

In afwijking van artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG worden de in de eerste alinea van dit lid bedoelde installaties voor de productie van hernieuwbare energie niet onderworpen aan een beoordeling van hun gevolgen voor Natura 2000-gebieden, op voorwaarde dat deze projecten voor hernieuwbare energie voldoen aan de regels en maatregelen die overeenkomstig artikel 15 quater, lid 1, punt b) van deze richtlijn zijn vastgesteld.

4.  De bevoegde autoriteiten voeren een screening uit van de in lid 3 van dit artikel bedoelde aanvragen. Een dergelijk screeningsproces heeft tot doel na te gaan of het zeer waarschijnlijk is dat enig dergelijk project voor hernieuwbare energie, gelet op de milieugevoeligheid van het geografische gebied waar het project zal worden uitgevoerd, zal leiden tot aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten die niet zijn vastgesteld tijdens de op grond van Richtlijn 2001/42/EG en, indien van toepassing, Richtlijn 92/43/EEG uitgevoerde milieubeoordeling van de in artikel 15 quater, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn bedoelde plannen voor het aanwijzen van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Een dergelijk screeningsproces heeft ook tot doel vast te stellen of enig dergelijk project voor hernieuwbare energie binnen de werkingssfeer van artikel 7 van Richtlijn 2011/92/EU valt vanwege de vermoedelijke aanzienlijke milieueffecten ervan in een andere lidstaat of vanwege een verzoek van een lidstaat die vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden.

Met het oog op een dergelijk screeningsproces verstrekt de projectontwikkelaar informatie over de kenmerken van het project voor hernieuwbare energie, over de mate waarin het voldoet aan de regels en maatregelen die op grond van artikel 15 quater, lid 1, punt b), voor het specifieke gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie zijn vastgesteld, over eventuele aanvullende maatregelen die in het kader van het project zijn vastgesteld en over de wijze waarop deze maatregelen milieueffecten aanpakken. De bevoegde autoriteit kan de projectontwikkelaar verzoeken aanvullende beschikbare informatie te verstrekken. Het screeningsproces met betrekking tot aanvragen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie wordt afgerond binnen 45 dagen na de datum van indiening van voldoende informatie die daartoe nodig is. In het geval van aanvragen voor installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 150 kW en van nieuwe aanvragen voor de repowering van elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie wordt het screeningsproces binnen dertig dagen afgerond.

5.  Na afloop van het screeningproces worden de in lid 3 van dit artikel bedoelde aanvragen vanuit milieuoogpunt goedgekeurd zonder dat daarvoor een uitdrukkelijk besluit van de bevoegde autoriteit vereist is, tenzij de bevoegde autoriteit een naar behoren gemotiveerd op basis van duidelijke bewijzen administratief besluit vaststelt dat een specifiek project, gelet op de milieugevoeligheid van de geografische gebieden waar het project zich bevindt, zeer waarschijnlijk zal leiden tot aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten die niet kunnen worden verzacht door de maatregelen die zijn vastgesteld in de plannen tot aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie of die door de projectontwikkelaar zijn voorgesteld. Een dergelijk besluit wordt openbaargemaakt. Dergelijke projecten voor hernieuwbare energie worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling op grond van Richtlijn 2011/92/EU en, indien van toepassing, aan een beoordeling uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG, die wordt uitgevoerd binnen zes maanden na het administratief besluit waarin vermoedelijke aanzienlijke negatieve milieueffecten zijn geconstateerd. In naar behoren gerechtvaardigde buitengewone omstandigheden kan deze termijn van zes maanden met maximaal zes maanden worden verlengd.

In het geval van gerechtvaardigde omstandigheden, onder meer wanneer dit nodig is om de uitrol van hernieuwbare energie te versnellen om de doestellingen op het gebied van klimaat en hernieuwbare energie te halen, kunnen de lidstaten wind- en fotovoltaïsche zonne-energieprojecten vrijstellen van dergelijke beoordelingen.

Wanneer de lidstaten wind- en fotovoltaïsche zonne-energieprojecten vrijstellen van die beoordelingen, neemt de exploitant evenredige mitigerende maatregelen of, indien dergelijke mitigerende maatregelen niet beschikbaar zijn, compenserende maatregelen, die, indien er geen andere evenredige compenserende maatregelen beschikbaar zijn, de vorm kunnen aannemen van financiële compensatie, om eventuele negatieve effecten aan te pakken. Indien die negatieve effecten de bescherming van soorten treffen, betaalt de exploitant voor de duur van de exploitatie van de installatie voor de productie van hernieuwbare energie financiële compensatie voor beschermingsprogramma’s ter waarborging of verbetering van de staat van instandhouding van de betrokken soorten.

6.  Bij de in de leden 1 en 2 bedoelde vergunningsprocedure zorgen de lidstaten ervoor dat het uitblijven van een antwoord van de betrokken bevoegde autoriteiten binnen de vastgestelde termijn leidt tot de specifieke administratieve tussenstappen die als goedgekeurd moeten worden beschouwd, tenzij het specifieke hernieuwbare-energieproject aan een milieueffectbeoordeling is onderworpen op grond van lid 5 of het beginsel van administratieve stilzwijgende goedkeuring niet bestaat in het nationale rechtsstelsel van de betrokken lidstaat. Dit lid is niet van toepassing op definitieve besluiten over de uitkomst van de vergunningsprocedure, die expliciet moeten zijn. Besluiten worden openbaar gemaakt.

Artikel 16 ter

Vergunningsprocedure buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 16, lid 1, bedoelde vergunningsprocedure niet langer dan twee jaar duurt voor hernieuwbare-energieprojecten die zich bevinden buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. In het geval van projecten voor hernieuwbare offshore-energie, duurt de vergunningsprocedure niet langer duurt dan drie jaar. In naar behoren gerechtvaardigde buitengewone omstandigheden, ook wanneer deze langere termijnen vereisen die nodig zijn voor de beoordelingen uit hoofde van het toepasselijke milieurecht van de Unie, kunnen de lidstaten elk van deze termijnen met maximaal zes maanden worden verlengd. De lidstaten stellen de projectontwikkelaar duidelijk in kennis van de buitengewone omstandigheden die een dergelijke verlenging rechtvaardigen.

2.  Wanneer een milieubeoordeling vereist is op grond van Richtlijn 2011/92/EU of Richtlijn 92/43/EEG, wordt deze uitgevoerd in één enkele procedure waarin alle relevante beoordelingen voor een bepaald hernieuwbare-energieproject worden gecombineerd. Wanneer een dergelijke milieueffectbeoordeling vereist is, brengt de bevoegde autoriteit, rekening houdend met de door de projectontwikkelaar verstrekte informatie, een advies uit over de reikwijdte en de mate van gedetailleerdheid van de informatie die de projectontwikkelaar in het milieueffectbeoordelingsrapport moet opnemen, waarvan de reikwijdte later niet wordt uitgebreid. Wanneer in het kader van een specifiek hernieuwbare-energieproject noodzakelijke mitigerende maatregelen zijn vastgesteld, wordt het doden of verstoren van de krachtens artikel 12, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG en artikel 5 van Richtlijn 2009/147/EG beschermde soorten niet als opzettelijk beschouwd. Wanneer de doeltreffendheid van nieuwe mitigerende maatregelen om het doden of verstoren van krachtens Richtlijnen 92/43/EEG en  2009/147/EG beschermde soorten, of een ander milieueffect, zoveel mogelijk te voorkomen niet breed is getest, kunnen de lidstaten het gebruik ervan voor een of meer proefprojecten gedurende een beperkte tijdsperiode toestaan, op voorwaarde dat de doeltreffendheid van dergelijke mitigerende maatregelen nauwlettend wordt gemonitord en onmiddellijk passende maatregelen worden genomen indien zij niet doeltreffend blijken te zijn.

De vergunningsprocedure voor de repowering van elektriciteitscentrales die gebruik maken van hernieuwbare energie, voor nieuwe installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 150 kW en voor energieopslag op één locatie, alsook de aansluiting van die centrales, installaties en opslag op het net, die zijn gelegen buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie duurt niet langer dan 12 maanden, inclusief ten aanzien van milieubeoordelingen indien deze vereist zijn op grond van het relevante recht. In het geval van projecten voor hernieuwbare offshore-energie duurt de vergunningsprocedure evenwel niet langer dan twee jaar. In naar behoren gerechtvaardigde buitengewone omstandigheden kunnen de lidstaten elk van deze termijnen met maximaal drie maanden verlengen. De lidstaten stellen de projectontwikkelaar duidelijk in kennis van de buitengewone omstandigheden die dergelijke verlenging rechtvaardigen.

Artikel 16 quater

Bespoediging van de vergunningsprocedure voor repowering

1.  Indien repowering van een elektriciteitscentrale die gebruik maakt van hernieuwbare energie niet leidt tot een verhoging van de capaciteit van een elektriciteitscentrale die gebruik maakt van hernieuwbare energie met meer dan 15 %, en zonder afbreuk te doen aan enige beoordeling van eventuele milieueffecten die zijn vereist op grond van lid 2, zorgen de lidstaten ervoor dat vergunningsprocedures voor aansluitingen op het transmissienet of het distributienet niet langer duren dan drie maanden na de aanvraag bij de betrokken entiteit, tenzij er sprake is van gerechtvaardigde veiligheidsoverwegingen of technische incompatibiliteit met de systeemonderdelen.

2.  Indien de repowering van een elektriciteitscentrale die gebruik maakt van hernieuwbare energie onderworpen is aan de screeningprocedure die is bepaald in artikel 16 bis, lid 4, aan de vaststelling of het project een milieueffectbeoordeling vereist of aan een milieueffectbeoordeling op grond van artikel 4 van Richtlijn 2011/92/EU, wordt dergelijke screeningprocedure, die vaststelling of milieueffectbeoordeling beperkt tot de potentiële effecten van een wijziging of uitbreiding ten opzichte van het oorspronkelijke project.

3.  Indien de repowering van zonne-energie-installaties geen extra ruimte inneemt en de voor de oorspronkelijke installatie op zonne-energie vereiste mitigerende milieumaatregelen worden nageleefd, wordt het project vrijgesteld van enig toepasslijk vereiste om, indien van toepassing, een screeningproces als bepaald in artikel 16 bis, lid 4, te ondergaan, te bepalen of voor het project een milieueffectbeoordeling vereist is, of een milieueffectbeoordeling uit te voeren op grond van artikel 4 van Richtlijn 2011/92/EU.”;

Artikel 16 quater

Vergunningsprocedure voor de installatie van apparatuur voor zonne-energie

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 16, lid 1, bedoelde vergunningsprocedure voor de installatie van apparatuur voor zonne-energie en energieopslag op één locatie, met inbegrip van in gebouwen geïntegreerde zonne-energie-installaties, in bestaande of toekomstige kunstmatige constructies, met uitzondering van kunstmatige wateroppervlakken, niet langer duurt dan drie maanden, mits het primaire doel van dergelijke kunstmatige constructies niet de productie van zonne-energie of energieopslag is. In afwijking van artikel 4, lid 2, van, en bijlage II, punt 3, a) en b), alleen of in samenhang met punt 13 a), bij Richtlijn 2011/92/EU, wordt een dergelijke installatie van apparatuur voor zonne-energie vrijgesteld van het vereiste om, indien van toepassing, een specifieke milieueffectbeoordeling uit te voeren op grond van artikel 2, lid 1, van die richtlijn.

De lidstaten kunnen bepaalde gebieden of constructies uitsluiten van de toepassing van de eerste alinea met het oog op de bescherming van cultureel of historisch erfgoed, vanwege nationale defensiebelangen of om veiligheidsredenen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de vergunningsprocedure voor de installatie van apparatuur voor zonne-energie met een vermogen van 100 kW of minder, ook voor zelfverbruikers van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, niet langer duurt dan één maand. Het uitblijven van een antwoord van de bevoegde autoriteiten of entiteiten binnen de termijn na de indiening van een volledige aanvraag leidt ertoe dat de vergunning wordt geacht te zijn verleend, op voorwaarde dat de capaciteit van de apparatuur voor zonne-energie de bestaande capaciteit van de aansluiting op het distributienet niet overschrijdt.

Indien de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde vermogensdrempel tot aanzienlijke administratieve lasten of beperkingen voor de exploitatie van het elektriciteitsnet leidt, kunnen de lidstaten een lagere vermogensdrempel toepassen mits die hoger blijft dan 10,8 kW.

Artikel 16 quinquies

Vergunningsprocedure voor de installatie van warmtepompen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de vergunningsprocedure voor de installatie van warmtepompen van minder dan 50 MW niet langer duurt dan één maand. In het geval van bodemwarmtepompen, duurt de vergunningsprocedure niet langer dan drie maanden.

2.  Tenzij er gerechtvaardigde veiligheidsoverwegingen zijn, verdere werkzaamheden nodig zijn voor netaansluitingen of sprake is van technische incompatibiliteit van de systeemonderdelen, zorgen de lidstaten ervoor dat binnen twee weken na kennisgeving aan de betrokken entiteit vergunning wordt verleend voor aansluitingen op het transmissienet of het distributienet voor:

a)  warmtepompen met een maximaal elektrisch vermogen van 12 kW; en

b)  warmtepompen met een maximaal elektrisch vermogen van 50 kW die zijn geïnstalleerd door zelfverbruikers van hernieuwbare energie, op voorwaarde dat het elektrisch vermogen van een opwekkingsinstallatie voor hernieuwbare elektriciteit van de zelfverbruiker van hernieuwbare energie minstens 60 % van het elektrisch vermogen van de warmtepomp bedraagt.

3.  De lidstaten kunnen bepaalde gebieden of constructies uitsluiten van de toepassing van leden 1 en 2 met het oog op de bescherming van cultureel of historisch erfgoed, vanwege nationale defensiebelangen of om veiligheidsredenen.

4.  Alle besluiten die voortvloeien uit de in de leden 1 en 2 bedoelde vergunningsprocedures worden openbaar gemaakt overeenkomstig het bestaande recht.

Artikel 16 sexies

Hoger openbaar belang

Uiterlijk op ... [drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn], totdat klimaatneutraliteit is bereikt, zorgen de lidstaten ervoor dat in de vergunningsprocedure, de planning, bouw en exploitatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting van dergelijke installaties op het net, het bijbehorende net zelf, en opslagactiva worden vermoed van hoger belang te zijn en de volksgezondheid en de openbare veiligheid te dienen, wanneer rechtmatige belangen in afzonderlijke gevallen worden afgewogen voor de toepassing van artikel 6, lid 4, en artikel 16, lid 1, punt c), van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG en artikel 9, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/147/EG. De lidstaten kunnen in bepaalde gerechtvaardigde en specifieke omstandigheden de toepassing van dit artikel beperken tot bepaalde delen van hun grondgebied, tot bepaalde soorten technologie of tot projecten met bepaalde technische kenmerken, overeenkomstig de prioriteiten die zijn vastgesteld in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die zijn ingediend op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke beperkingen, samen met de redenen hiervoor.”.

8)  in artikel 18 worden de leden 3 en 4 vervangen door:"

“3. De lidstaten zorgen ervoor dat hun certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen beschikbaar zijn voor installateurs en ontwerpers van alle vormen van hernieuwbare verwarmings- en koelingssystemen in gebouwen, de industrie en de landbouw, ▌ voor installateurs van fotovoltaïsche zonne-energiesystemen, met inbegrip van opslag van energie, en voor installateurs van oplaadpunten die vraagsturing mogelijk maken. Dergelijke regelingen kunnen in voorkomend geval rekening houden met bestaande regelingen en structuren en worden gebaseerd op de in bijlage IV vastgestelde criteria. Elke lidstaat erkent de certificaten die door andere lidstaten overeenkomstig die criteria zijn afgegeven.

De lidstaten zetten een kader op om ervoor te zorgen ▌ dat een voldoende aantal opgeleide en gekwalificeerde installateurs van ▌ de in de eerste alinea bedoelde technologie beschikbaar is om te voorzien in de groei van hernieuwbare energie die nodig is om bij te dragen tot de verwezenlijking van de streefdoelen die zijn vastgesteld in deze richtlijn.

Om dergelijk voldoende aantal installateurs en ontwerpers te behalen, zorgen de lidstaten ervoor dat er voldoende opleidingsprogramma’s beschikbaar worden gesteld die tot certificatie of kwalificatie leiden op het gebied van hernieuwbare verwarmings- en koelingstechnologie, fotovoltaïsche zonne-energiesystemen, met inbegrip van opslag van energie, oplaadpunten die vraagsturing mogelijk maken, en de nieuwste innovatieve oplossingen op dat gebied, mits deze verenigbaar zijn met hun certificeringsregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen. De lidstaten nemen maatregelen om de deelname aan dergelijke opleidingsprogramma’s te bevorderen, met name door kleine en middelgrote ondernemingen en zelfstandigen. De lidstaten kunnen vrijwillige overeenkomsten sluiten met de betrokken technologieleveranciers en -verkopers om voldoende installateurs op te leiden, wat op verkoopramingen mag worden gebaseerd, in de nieuwste innovatieve oplossingen en technologie die op de markt beschikbaar zijn.

Indien de lidstaten een aanzienlijke kloof vaststellen tussen het beschikbare en het benodigde aantal opgeleide en gekwalificeerde installateurs, nemen zij maatregelen om die kloof te dichten.

4.  De lidstaten stellen het publiek informatie beschikbaar over de in lid 3 bedoelde certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen. De lidstaten stellen ook op transparante en gemakkelijk toegankelijke wijze een regelmatig bijgewerkte lijst van de overeenkomstig lid 3 gecertificeerde of gekwalificeerde installateurs aan het publiek beschikbaar ▌.”;

"

9)  artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)  de eerste alinea wordt vervangen door:"

“Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat een garantie van oorsprong wordt afgegeven op verzoek van een producent van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van gasvormige hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong zoals waterstof, tenzij de lidstaten, teneinde rekening te houden met de marktwaarde van de garantie van oorsprong, besluiten deze garantie van oorsprong niet af te geven aan een producent die financiële steun uit een steunregeling ontvangt. De lidstaten kunnen maatregelen nemen opdat garanties van oorsprong worden afgegeven voor energie uit niet-hernieuwbare bronnen. De afgifte van garanties van oorsprong kan worden onderworpen aan een minimumcapaciteitslimiet. Een garantie van oorsprong wordt afgegeven voor de standaardhoeveelheid van 1 MWh. In voorkomend geval mag deze standaardhoeveelheid in fracties worden verdeeld, op voorwaarde dat een fractie een veelvoud van 1 Wh is. Voor elke geproduceerde eenheid energie mag niet meer dan één garantie van oorsprong worden afgegeven.”;

"

ii)   na de tweede alinea wordt de volgende alinea ingevoegd:"

“Voor kleine installaties van minder dan 50 kW en voor hernieuwbare-energiegemeenschappen worden vereenvoudigde registratieprocessen en lagere registratiekosten ingevoerd.”;

"

iii)   in de vierde alinea wordt punt c) vervangen door:"

“c) de garanties van oorsprong niet rechtstreeks aan de producent worden afgegeven maar aan een leverancier of consument die de energie afneemt via een voor mededinging openstaande procedure of een langlopende hernieuwbarestroomafnameovereenkomst.”;

"

b)   leden 3 en 4 worden vervangen door:"

“3. Voor de toepassing van lid 1 zijn garanties van oorsprong geldig voor transacties gedurende 12 maanden na de productie van de desbetreffende energie-eenheid. De lidstaten zorgen ervoor dat alle garanties van oorsprong die niet zijn afgeboekt uiterlijk 18 maanden na de productie van de energie-eenheid vervallen. Vervallen garanties van oorsprong worden door de lidstaten opgenomen in de berekening van hun restenergiemix.

4.   Voor de toepassing van in de leden 8 en 13 bedoelde verstrekking van informatie zorgen de lidstaten ervoor dat de garanties van oorsprong uiterlijk zes maanden na het verlopen van de garantie van oorsprong door de energieondernemingen worden geschrapt. Voorts zorgen de lidstaten er uiterlijk op ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] voor dat gegevens over hun restenergiemix jaarlijks worden gepubliceerd.”;

"

c)   lid 7, punt a), wordt vervangen door: "

“a) de energiebron waarmee de energie is geproduceerd en de begin- en einddatum van de productie, die als volgt kunnen worden gespecificeerd:

   i) in het geval van hernieuwbaar gas, met inbegrip van gasvormige hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, en hernieuwbare verwarming en koeling, met een interval van een uur of korter;
   ii) voor hernieuwbare elektriciteit, in overeenstemming met de onbalansverrekeningsperiode zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 15), van Verordening (EU) 2019/943.”;

"

d)  ▌in lid 8 worden de volgende alinea’s ingevoegd na de eerste alinea"

Wanneer gas wordt geleverd via een waterstof- of aardgasnet, met inbegrip van gasvormige hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en biomethaan, wordt van de leverancier vereist aan de eindverbruikers het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix aan te tonen voor de toepassing van bijlage I bij Richtlijn 2009/736/EG. De leverancier maakt daartoe gebruik van garanties van oorsprong, behalve:

   a) wat betreft het aandeel van de energiemix dat overeenkomt met niet-getraceerde commerciële aanbiedingen, waarvoor de leverancier eventueel de restenergiemix kan gebruiken;
   b) wanneer de lidstaten besluiten geen garantie van oorsprong af te geven aan een producent die financiële steun uit een steunregeling ontvangt.

Wanneer een afnemer gas van een waterstof- of aardgasnet verbruikt, waaronder gasvormige hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en biomethaan, zoals blijkt uit de commerciële aanbieding van de leverancier, zorgen de lidstaten ervoor dat de garanties van oorsprong die daartoe worden afgeboekt overeenkomen met de relevante netwerkkenmerken.”;

"

e)   lid 13 wordt vervangen door:"

“13. De Commissie stelt uiterlijk 31 december 2025 een verslag vast waarin de opties worden beoordeeld voor een Uniebreed groen keurmerk ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie die wordt opgewekt door nieuwe installaties. Leveranciers gebruiken de inlichtingen vervat in de garanties van oorsprong om aan te tonen dat zij voldoen aan de eisen van een dergelijk keurmerk.

13 bis.   De Commissie monitort de werking van het systeem van de garanties van oorsprong en beoordeelt uiterlijk op 30 juni 2025 het evenwicht tussen vraag en aanbod van garanties van oorsprong op de markt en identificeert in het geval van onevenwichtigheden de relevante factoren die van invloed zijn op vraag en aanbod.”;

"

10)  in artikel 20 wordt lid 3 vervangen door:"

“3. Op basis van de in hun op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 en overeenkomstig bijlage I bij die verordening ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen opgenomen evaluatie van de noodzaak om nieuwe infrastructuur te bouwen voor stadsverwarming en -koeling uit hernieuwbare bronnen teneinde het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bedoelde algemeen streefcijfer van de Unie te halen, nemen de lidstaten de nodige stappen om een efficiënte infrastructuur voor stadsverwarming en -koeling op te zetten teneinde verwarming en koeling uit hernieuwbare bronnen, zoals thermische zonne-energie, fotovoltaïsche zonne-energie, door hernieuwbare elektriciteit aangedreven warmtepompen die gebruikmaken van omgevingsenergie of geothermische energie, andere geothermische energietechnologie, biomassa, biogas, biobrandstoffen en restwarmte en -koude, waar mogelijk in combinatie met opslag van thermische energie, systemen voor vraagrespons en stroom-warmte-installaties te bevorderen.”;

"

11)  het volgende artikel 20 bis wordt ingevoegd:"

“Artikel 20 bis

Bevorderen van de systeemintegratie van hernieuwbare elektriciteit

“1. De lidstaten verplichten de transmissiesysteembeheerders en, indien zij over deze gegevens beschikken, de distributiesysteembeheerders op hun grondgebied om gegevens over het aandeel hernieuwbare elektriciteit en het gehalte aan broeikasgasemissies van de in elke biedzone geleverde elektriciteit zo nauwkeurig mogelijk beschikbaar te stellen in tijdsintervallen die ten minste overeenkomen met de marktvereffeningsperiode maar niet meer dan een uur bedragen, waar mogelijk inclusief prognoses. De lidstaten zorgen ervoor dat distributiesysteembeheerders toegang hebben tot de noodzakelijke gegevens. Indien distributiesysteembeheerders op grond van het nationale recht geen toegang hebben tot alle benodigde informatie, passen zij het bestaande gegevensrapportagesysteem in het kader van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit toe overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/944. De lidstaten verstrekken stimulansen voor de modernisering van slimme netten om het evenwicht op het net beter te monitoren en realtime-gegevens beschikbaar te stellen.

Voor zover beschikbaar stellen de distributiesysteembeheerders ook geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens beschikbaar over de potentiële vraagrespons en de hernieuwbare elektriciteit die door zelfverbruikers en hernieuwbare-energiegemeenschappen wordt opgewekt en in het net wordt geïnjecteerd.

2.  De in lid 1 bedoelde gegevens wordt digitaal beschikbaar gesteld op een manier die zorgt voor interoperabiliteit op basis van geharmoniseerde gegevensindelingen en genormaliseerde gegevensreeksen zodat zij op niet-discriminerende wijze kan worden gebruikt door deelnemers aan de elektriciteitsmarkt, aankoopgroeperingen, consumenten en eindgebruikers, en zodat zij kan worden gelezen door elektronische-communicatieapparatuur zoals slimme-metersystemen, oplaadpunten voor elektrische voertuigen, verwarmings- en koelingssystemen en energiebeheersystemen voor gebouwen.

3.  Naast de vereisten van Verordening (EU) .../... (53), zorgen de lidstaten ervoor dat fabrikanten van thuis- en industriële batterijen onder niet-discriminerende voorwaarden, zonder kosten en in overeenstemming met de gegevensbeschermingsregels, zorgen voor realtime toegang tot basisinformatie over het batterijbeheersysteem, met inbegrip van de batterijcapaciteit, de conditie, het laadniveau en het instelpunt voor het vermogen, aan batterijbezitters en -gebruikers en aan derden die met expliciete toestemming namens eigenaars en gebruikers optreden, zoals energiebeheerbedrijven in gebouwen en deelnemers op de elektriciteitsmarkt.

De lidstaten nemen maatregelen om voor te schrijven dat, naast verdere in Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad* vastgelegde vereisten met betrekking tot typegoedkeuring en markttoezicht, voertuigfabrikanten onder niet-discriminerende voorwaarden, zonder kosten en in overeenstemming met de gegevensbeschermingsregels, in realtime gegevens beschikbaar stellen over de conditie van de batterij, het laadniveau van de batterij, het instelpunt voor het batterijvermogen, de batterijcapaciteit en, waar passend, over de locatie van elektrische voertuigen aan eigenaren en gebruikers van elektrische voertuigen, alsmede aan derden die namens de eigenaren en gebruikers optreden, zoals deelnemers op de elektriciteitsmarkt en aanbieders van elektromobiliteitsdiensten.

4.  Naast de vereisten van Verordening (EU) .../...(54), zorgen de lidstaten of de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten ervoor dat op hun grondgebied geïnstalleerde nieuwe of vervangen niet-openbaar toegankelijke oplaadpunten voor normaal vermogen functionaliteiten voor slim opladen en, in voorkomend geval, voor zover uitgerold in de lidstaten, een koppeling met slimme-metersystemen en functionaliteiten voor tweerichtingsladen, overeenkomstig de vereisten van artikel 15, leden 3 en 4, van die verordening kunnen ondersteunen.

5.  Naast de vereisten van Verordening (EU) 2019/943 en Richtlijn (EU) 2019/944 zorgen de lidstaten ervoor dat het nationale regelgevingskader het voor kleine of mobiele systemen zoals thuisbatterijen en elektrische voertuigen en andere kleine gedecentraliseerde energiebronnen mogelijk maakt om deel te nemen aan de elektriciteitsmarkten, met inbegrip van congestiebeheer en het aanbieden van flexibiliteits- en balanceringsdiensten, onder meer via aggregatie. Daartoe stellen de lidstaten in nauwe samenwerking met alle marktdeelnemers en regulerende instanties technische vereisten voor deelname aan de elektriciteitsmarkten vast op basis van de technische kenmerken van die systemen.

De lidstaten zorgen voor een gelijk speelveld voor, en niet-discriminerende deelname aan de elektriciteitsmarkten van, kleine gedecentraliseerde energieactiva/systemen.

_________________

* Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).”;

"

12)  de volgende artikelen worden ingevoegd:"

“Artikel 22 bis

Integratie van hernieuwbare energie in de industrie

1.  De lidstaten streven ernaar het aandeel hernieuwbare bronnen in de hoeveelheid energiebronnen die voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik in de industrie worden bestemd, te verhogen met een indicatieve ▌toename van ten minste 1,6 procentpunt als een jaarlijks gemiddelde berekend voor de perioden 2021-2025 en 2026-2030.

De lidstaten mogen restwarmte en -koude tot een maximum van 0,4 procentpunten meetellen voor het behalen van de in de eerste alinea bedoelde jaarlijkse gemiddelde toenames, mits de restwarmte en -koude afkomstig is van efficiënte stadsverwarming en -koeling, met uitsluiting van netwerken die warmte leveren aan slechts één gebouw of waarvan alle thermische energie uitsluitend ter plaatse wordt verbruikt en waarvan de thermische energie niet wordt verkocht. Indien zij daartoe besluiten, stijgt de in de eerste alinea bedoelde gemiddelde jaarlijkse toename met de helft van de meegetelde procentpunten restwarmte en -koude.

De lidstaten nemen de beleidslijnen en de maatregelen die zijn gepland en ingevoerd om een dergelijke indicatieve verhoging te bereiken op in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 worden ingediend en hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen die op grond van artikel 17 van die verordening worden ingediend.

Wanneer elektrificatie als een kosteneffectieve optie worden beschouwd, bevorderen die beleidslijnen en maatregelen de elektrificatie op basis van hernieuwbare energie van industriële processen. Met die beleidslijnen en maatregelen moet ernaar worden gestreefd gunstige marktcondities te creëren voor de beschikbaarheid van economisch en technisch haalbare alternatieven op basis van hernieuwbare energie ter vervanging van fossiele brandstoffen voor industriële verwarming met als doel het gebruik van fossiele brandstoffen voor verwarming met een temperatuur van minder dan 200°C te verminderen. Bij het vaststellen van die beleidslijnen en maatregelen houden de lidstaten rekening met het beginsel “energie-efficiëntie eerst”, doeltreffendheid en internationaal concurrentievermogen, en met de noodzaak regelgevende, administratieve en economische belemmeringen aan te pakken.

De lidstaten zorgen ervoor dat de bijdrage van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik worden bestemd, tegen 2030 ten minste 42 %, en tegen 2035 60 %, bedraagt van de waterstof die in de industrie voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik in de industrie wordt bestemd. Voor de berekening van dat percentage gelden de volgende regels:

   a) voor de berekening van de noemer wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van waterstof voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik, met uitzondering van:
   i) waterstof die als tussenproduct voor de productie van conventionele transportbrandstoffen wordt gebruikt en biobrandstoffen;
   ii) waterstof die wordt geproduceerd door het koolstofvrij maken van industrieel restgas en wordt gebruikt ter vervanging van het specifieke gas waaruit zij wordt geproduceerd;
   iii) waterstof die wordt geproduceerd als bijproduct of die wordt afgeleid van bijproducten in industriële installaties;
   b) voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van de hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die in de industrie voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik worden verbruikt, met uitzondering van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die als tussenproduct voor de productie van conventionele transportbrandstoffen en biobrandstoffen worden gebruikt;
   c) voor de berekening van de teller en de noemer worden de in bijlage III vastgestelde waarden met betrekking tot de energie-inhoud van brandstoffen gebruikt.

Om, voor de toepassing van punt c) van de vijfde alinea van dit lid, de energie-inhoud te bepalen van brandstoffen die niet in bijlage III zijn opgenomen, gebruiken de lidstaten de desbetreffende Europese normen voor de bepaling van de calorische waarden van brandstoffen, of, indien voor die toepassing geen Europese norm is vastgesteld, de desbetreffende ISO-normen.

2.  De lidstaten bevorderen vrijwillige etiketteringsregelingen voor industriële producten ▌ waarvan wordt verklaard dat ze zijn geproduceerd met hernieuwbare energie en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong. Bij dergelijke vrijwillige etiketteringsregelingen wordt het percentage hernieuwbare energie of hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong vermeld dat bij de grondstofverwerving en voorverwerking en in de productie- en distributiefase is gebruikt, berekend op basis van de methoden die in Aanbeveling (EU) 2021/2279 van de Commissie* of, als alternatief, ISO 14067:2018 zijn vastgesteld.

3.   De lidstaten vermelden in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 worden ingediend en hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen die op grond van artikel 17 van die verordening worden ingediend hoeveel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong zij verwachten in- en uit te voeren. Op basis van die rapportering ontwikkelt de Commissie een Uniestrategie voor ingevoerde en binnenlandse waterstof met als doel de Europese waterstofmarkt alsook binnenlandse waterstofproductie binnen de Unie te bevorderen, de uitvoering van deze richtlijn en de verwezenlijking van de daarin vastgestelde streefcijfers te ondersteunen, en tegelijkertijd de voorzieningszekerheid en de strategische autonomie van de Unie op het gebied van energie in acht te nemen en een gelijk speelveld op de mondiale waterstofmarkt te waarborgen. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 worden ingediend en hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen die op grond van artikel 17 van die verordening worden ingediend aan hoe zij aan deze strategie willen bijdragen.

Artikel 22 ter

Voorwaarden voor de verlaging van het streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industriesector

1.  Een lidstaat mag de bijdrage van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die worden bestemd voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik als bedoeld in artikel 22 bis, vijfde alinea, in 2030 met 20 % verminderen mits:

   a) de betreffende lidstaat op schema ligt in de richting van zijn nationale bijdrage aan het in artikel 3, lid 1, eerste alinea, vastgestelde bindende algemene streefcijfer van de Unie, dat ten minste gelijkwaardig is aan zijn verwachte nationale bijdrage overeenkomstig de formule bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) 2018/1999; en
   b) het aandeel van uit fossiele brandstoffen geproduceerde waterstof, of derivaten daarvan, die in die lidstaat wordt verbruikt, niet meer bedraagt dan 23 % in 2030 en 20 % in 2035.

Indien aan een van die voorwaarden niet is voldaan, is de in de eerste alinea bedoelde vermindering niet meer van toepassing.

2.  Wanneer een lidstaat de in lid 1 bedoelde vermindering toepast, stelt hij de Commissie daarvan in kennis, samen met zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 worden ingediend en als onderdeel van zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen die op grond van artikel 17 van die verordening worden ingediend. De kennisgeving bevat informatie over het geactualiseerde aandeel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en alle relevante gegevens om aan te tonen dat aan de in lid 1, punten a) en b), van dit artikel bepaalde voorwaarden is voldaan.

De Commissie monitort de situatie in de lidstaten die een vermindering genieten, teneinde na te gaan of de in lid 1, punten a) en b), bepaalde voorwaarden onafgebroken worden nageleefd.”;

"

__________________

* Aanbeveling (EU) 2021/2279 van de Commissie van 15 december 2021 betreffende het gebruik van milieuvoetafdrukmethoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus (PB L 471 van 30.12.2021, blz. 1).”;

13)  artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

“1. Om het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te bevorderen, doet elke lidstaat het aandeel hernieuwbare energie in die sector toenemen met ten minste 0,8 procentpunten als een jaarlijks gemiddelde berekend voor de periode 2021-2025 en met ten minste 1,1 procentpunt als jaargemiddelde berekend voor de periode 2026-2030, ten opzichte van het aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector in 2020, uitgedrukt in nationaal aandeel bruto-eindverbruik van energie en berekend volgens de in artikel 7 bepaalde methode.

De lidstaten mogen restwarmte en -koude tot een maximum van 0,4 procentpunten meetellen voor het behalen van de in de eerste alinea bedoelde jaarlijkse gemiddelde toenames. Indien zij daartoe besluiten, neemt de gemiddelde jaarlijkse toename toe met de helft van de meegetelde procentpunten voor restwarmte en -koude tot maximaal 1,0 procentpunt voor de periode 2021-2025 en 1,3 procentpunten voor de periode 2026-2030.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun voornemen restwarmte en -koude mee te tellen, alsook van de geschatte hoeveelheid in hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplannen die zij op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 indienen. Naast de in de eerste alinea van dit lid bedoelde jaarlijkse toenames in ▌ procentpunten streeft elke lidstaat ernaar het aandeel hernieuwbare energie in zijn verwarmings- en koelingssector te doen toenemen met de in bijlage I bis bij deze richtlijn vermelde extra indicatieve procentpunten.

De lidstaten mogen hernieuwbare elektriciteit die wordt gebruikt voor verwarming en koeling tot een maximum van 0,4 procentpunten meetellen voor het behalen van de in de eerste alinea bedoelde jaarlijkse gemiddelde toenames, op voorwaarde dat het rendement van de warmte- en koudegeneratoreenheid hoger is dan 100 %. Indien zij daartoe besluiten, neemt de gemiddelde jaarlijkse toename toe met de helft van de hernieuwbare energie, uitgedrukt in procentpunten, tot maximaal 1,0 procentpunt voor de periode 2021-2025 en 1,3 procentpunten voor de periode 2026-2030.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun voornemen om voor verwarming en koeling gebruikte hernieuwbare energie van warmte- en koudegeneratoren met een rendement van meer dan 100 % mee te tellen voor het behalen van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde jaarlijkse toename. De lidstaten nemen de geschatte capaciteit aan hernieuwbare elektriciteit van warmte- en koudegeneratoreenheden met een rendement van meer dan 100 % op in hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplannen die zij op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 indienen. De lidstaten nemen de hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt gebruikt voor verwarming en koeling van warmte- en koudegeneratoreenheden met een rendement van meer dan 100 % op in hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatvoortgangsverslagen die zij op grond van artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999 indienen.

1 bis.   Voor de toepassing van lid 1 gebruiken de lidstaten voor de berekening van het aandeel hernieuwbare energie dat wordt gebruikt voor verwarming en koeling het gemiddelde aandeel hernieuwbare energie dat in de twee voorgaande jaren op hun grondgebied is geleverd.

1 ter.  De lidstaten maken een beoordeling van hun potentieel inzake energie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van restwarmte en -koude in de verwarmings- en koelingssector, met inbegrip van, in voorkomend geval, een analyse van gebieden die geschikt zijn voor de uitrol ervan met een laag milieurisico en van het potentieel voor kleinschalige huishoudelijke projecten. In die beoordeling wordt beschikbare en economisch haalbare technologie voor industrieel en huishoudelijk gebruik onderzocht teneinde mijlpalen en maatregelen vast te stellen om het gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling te verhogen en, in voorkomend geval, het gebruik van restwarmte en -koude door middel van stadsverwarming en -koeling, met het oog op de vaststelling van een nationale langetermijnstrategie om broeikasgasemissies en luchtverontreiniging door verwarming en koeling te verminderen. Die beoordeling verloopt volgens het beginsel “energie-efficiëntie eerst” en maakt deel uit van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die worden ingediend op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999, en gaat vergezeld van de uitgebreide beoordeling van het verwarmings- en koelingspotentieel die wordt vereist in artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU.;

"

b)  lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)   De aanhef wordt vervangen door:"

“Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel mag elke lidstaat bij de berekening van zijn aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector en van zijn gemiddelde jaarlijkse toename overeenkomstig dat lid, met inbegrip van de in bijlage I bis vermelde extra indicatieve toename:”;

"

ii)   punt a) wordt geschrapt;

iii)   de volgende alinea wordt toegevoegd:"

“De lidstaten verstrekken met name informatie aan de eigenaren of huurders van gebouwen en kmo’s over kosteneffectieve maatregelen, en financieringsinstrumenten, om het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssystemen te verbeteren. De lidstaten verstrekken deze informatie door middel van toegankelijke en transparante adviesinstrumenten.”;

"

c)  lid 4 wordt vervangen door:"

“4. Om de in lid 1, eerste alinea, bedoelde gemiddelde jaarlijkse toename te verwezenlijken, streven de lidstaten ernaar ten minste twee van de volgende maatregelen uit te voeren:

   a) de fysieke vermenging van hernieuwbare energie of restwarmte en -koude in de voor verwarming en koeling geleverde energiebronnen en brandstoffen;
   b) de installatie in gebouwen van hoogrenderende hernieuwbare verwarmings- en koelingssystemen, de aansluiting van gebouwen op efficiënte stadsverwarmings- en koelingssystemen, of het gebruik van hernieuwbare energie of restwarmte en -koude in industriële verwarmings- en koelingsprocessen;
   c) maatregelen die worden gedekt door verhandelbare certificaten waarmee wordt aangetoond dat de verplichting van lid 1, eerste alinea, wordt nageleefd door middel van steun aan maatregelen in de vorm van installatie krachtens punt b) van deze alinea, die wordt uitgevoerd door een andere marktdeelnemer zoals een onafhankelijke installateur van technologie voor hernieuwbare energie of een energiedienstverlener die diensten verleent voor installaties voor hernieuwbare energie;
   d) capaciteitsopbouw voor nationale, regionale en lokale autoriteiten om het plaatselijke potentieel voor hernieuwbare verwarming en koeling in kaart te brengen, hernieuwbare-energieprojecten en -infrastructuren uit te voeren en er advies over uit te brengen;
   e) de ontwikkeling van risicobeperkingskaders om de kapitaalkosten voor projecten voor hernieuwbare warmte en koeling en voor restwarmte en -koude te verlagen, en toestemming te geven voor onder meer door de bundeling van kleinere projecten of door die projecten holistischer te koppelen aan andere maatregelen voor energie-efficiëntie en de renovatie van gebouwen;
   f) de bevordering van afnameovereenkomsten voor hernieuwbare verwarming en koeling voor zakelijke en collectieve kleinverbruikers;
   g) geplande vervangingsregelingen van verwarmingsbronnen die niet verenigbaar zijn met hernieuwbare bronnen of regelingen voor het uitfaseren van fossiele brandstoffen op basis van mijlpalen;
   h) voorschriften op lokaal en regionaal niveau betreffende hernieuwbare-warmteplanning, waaronder koeling;
   i) de bevordering van de productie van biogas en de injectie ervan in het gasnet, in plaats van het te gebruiken voor elektriciteitsproductie;
   j) maatregelen ter bevordering van de integratie van technologie voor de opslag van thermische energie in verwarmings- en koelingssystemen;
   k) de bevordering van netwerken voor stadsverwarming en -koeling, met name door hernieuwbare-energiegemeenschappen, onder meer met behulp van regelgevingsmaatregelen, financieringsregelingen en ondersteuning.
   l) andere beleidsmaatregelen met gelijke werking, waaronder fiscale maatregelen, steunregelingen en andere financiële prikkels die bijdragen tot de installatie van hernieuwbare verwarmings- en koelingsapparatuur en de ontwikkeling van energienetwerken die hernieuwbare energie leveren voor de verwarming en koeling in gebouwen en de industrie;

Bij de vaststelling en uitvoering van die maatregelen zorgen de lidstaten ervoor dat ze toegankelijk zijn voor alle consumenten, met name mensen met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens, die anders niet over voldoende kapitaal zouden beschikken om er gebruik van te kunnen maken.;

"

14)  artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

“1. De lidstaten zorgen ervoor dat aan de eindgebruikers informatie wordt verstrekt over de energieprestaties van en het aandeel hernieuwbare energie in hun stadsverwarmings- en koelingssystemen, en wel op een makkelijk toegankelijke wijze, zoals op facturen of op de websites van leveranciers, of op verzoek. De informatie over het aandeel hernieuwbare energie wordt ten minste uitgedrukt als een percentage van het bruto-eindverbruik van energie voor verwarming en koeling dat aan de klanten van een bepaald stadsverwarmings- en -koelingssysteem is toegewezen, met inbegrip van informatie over hoeveel energie is gebruikt om één eenheid verwarming aan de klant of eindgebruiker te leveren.”;

"

b)  de leden 4, 5 en 6 worden vervangen door:"

“4. De lidstaten streven ernaar het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en uit restwarmte en -koude in stadsverwarming en -koeling te doen toenemen met een indicatief cijfer van ten minste 2,2 procentpunten als jaarlijks gemiddelde berekend voor de periode 2021 ▌–2030, ten opzichte van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en uit restwarmte en -koude in stadsverwarming en -koeling in 2020, en leggen daartoe de nodige maatregelen vast in hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplannen die zij op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 indienen. Het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen wordt uitgedrukt in aandeel bruto-eindverbruik van energie in stadsverwarming en -koeling aangepast aan normale gemiddelde weersomstandigheden.

De lidstaten mogen hernieuwbare elektriciteit die wordt gebruikt voor stadsverwarming en -koeling meetellen voor het behalen van de in de eerste alinea bedoelde jaarlijkse gemiddelde toename.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun voornemen om voor stadsverwarming en -koeling gebruikte hernieuwbare energie mee te tellen voor het behalen van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde jaarlijkse toename. De lidstaten nemen de geschatte capaciteit aan hernieuwbare elektriciteit voor stadsverwarming en -koeling op in hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplannen die zij op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 indienen. De lidstaten nemen de hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit die wordt gebruikt voor stadsverwarming en -koeling op in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen die zij op grond van artikel 17 van die verordening indienen.

4 bis.   Voor de toepassing van lid 4 gebruiken de lidstaten voor de berekening van het aandeel hernieuwbare energie dat wordt gebruikt voor standsverwarming en -koeling het gemiddelde aandeel hernieuwbare energie dat in de twee voorgaande jaren op hun grondgebied is geleverd.

Lidstaten met een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en uit restwarmte en -koude in stadsverwarming en -koeling van meer dan 60 % mogen dat aandeel meetellen als een aandeel dat aan de in lid 4, eerste alinea, bedoelde voorwaarde betreffende de jaarlijkse gemiddelde toename voldoet. Lidstaten met een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en uit restwarmte en -koude in stadsverwarming en -koeling van meer dan 50 % en tot maximaal 60 % mogen dat aandeel meetellen als een aandeel dat aan de helft van de in lid 4, eerste alinea, bedoelde voorwaarde betreffende de jaarlijkse gemiddelde toename voldoet.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de in lid 4, eerste alinea, van dit artikel bedoelde jaarlijkse gemiddelde toename op te nemen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die zij op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 indienen.

▌4 ter. De lidstaten zorgen ervoor dat de beheerders van stadsverwarmings- of -koelingssystemen met een vermogen van meer dan 25 MWth ertoe aangemoedigd worden derde leveranciers van energie uit hernieuwbare bronnen en uit restwarmte en -koude aan te sluiten of ertoe aangemoedigd worden aan te bieden om warmte en koude uit hernieuwbare bronnen en uit restwarmte en -koude van derde leveranciers op basis van door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat vastgestelde niet-discriminerende criteria aan te sluiten of af te nemen, indien deze beheerders een of meer van het volgende moeten doen:

   a) tegemoetkomen aan de vraag van nieuwe klanten;
   b) de bestaande warmte- of koudeopwekkingscapaciteit vervangen;
   c) de bestaande warmte- of koudeopwekkingscapaciteit uitbreiden.

5.  De lidstaten kunnen een beheerder van een stadsverwarmings- of -koelingssysteem toestaan om in elk van de volgende situaties de aansluiting te weigeren en warmte of koude van een derde leverancier af te nemen:

   a) in het systeem ontbreekt de nodige capaciteit ten gevolge van andere leveringen van verwarming of koeling uit hernieuwbare bronnen of van restwarmte en -koude;
   b) de van de derde leverancier afgenomen warmte of koude beantwoordt niet aan de technische parameters die nodig zijn voor de aansluiting en die een betrouwbare en veilige werking van het stadsverwarmings- en -koelingssysteem moeten waarborgen;
   c) de beheerder kan aantonen dat het verlenen van toegang zou leiden tot een te grote stijging van de kosten van warmte of koude voor eindafnemers in vergelijking met de kosten voor het gebruik van de belangrijkste plaatselijke warmte- en koudevoorziening waarmee de hernieuwbare bron of de restwarmte en -koude zouden concurreren;
   d) het systeem van de beheerder is een efficiënt systeem van stadsverwarming en -koeling.

De lidstaten zorgen ervoor dat, als een beheerder van een stadsverwarmings- en -koelingssysteem weigert een leverancier van verwarming of koeling aan te sluiten op grond van de eerste alinea, die beheerder aan de bevoegde autoriteit informatie verstrekt over de redenen van de weigering, alsook over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan en de maatregelen die in het systeem moeten worden vastgesteld om de aansluiting mogelijk te maken. De lidstaten zorgen voor een passende procedure om ongerechtvaardigde weigeringen te verhelpen.

6.  De lidstaten zorgen zo nodig voor een coördinatiekader tussen beheerders van stadsverwarmings- en -koelingssystemen en de potentiële bronnen van restwarmte en -koude in de industrie en de tertiaire sector om het gebruik van restwarmte en -koude te vergemakkelijken. Dat coördinatiekader zorgt voor een dialoog over het gebruik van restwarmte en -koude, met daarbij in het bijzonder de betrokkenheid van:

   a) beheerders van stadsverwarmings- en -koelingssystemen;
   b) ondernemingen in de industrie en de tertiaire sector die restwarmte en -koude genereren die economisch kan worden teruggewonnen via stadsverwarmings- en -koelingssystemen, zoals datacenters, industriële installaties, grote commerciële gebouwen, energieopslagvoorzieningen en openbaar vervoer; ▌
   c) lokale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de planning en goedkeuring van energie-infrastructuren;
   d) wetenschappelijke deskundigen die werken aan de nieuwste, geavanceerde systemen voor stadsverwarming en -koeling; en
   e) hernieuwbare-energiegemeenschappen die bij verwarming en koeling betrokken zijn”;

"

c)  de leden 8, 9 en 10 worden vervangen door:"

“8. De lidstaten stellen een kader vast volgens hetwelk beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen ten minste om de vier jaar, in samenwerking met de beheerders van stadsverwarmings- en -koelingssystemen in hun respectieve gebieden, zullen beoordelen wat het potentieel is voor stadsverwarmings- en -koelingssystemen om balanceringsdiensten en andere systeemgerelateerde diensten te verlenen, met inbegrip van vraagrespons en warmteopslag van overtollige elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, en of het gebruik van het vastgestelde potentieel efficiënter met bronnen en kosten omgaat dan andere mogelijke oplossingen.

De lidstaten zorgen ervoor dat beheerders van elektriciteitstransmissie- en -distributiesystemen terdege rekening houden met de resultaten van de krachtens de eerste alinea vereiste beoordeling bij netplanning, netinvesteringen en infrastructuurontwikkeling op hun respectieve grondgebied.

De lidstaten vergemakkelijken de coördinatie tussen beheerders van stadsverwarmings- en -koelingssystemen enerzijds en beheerders van elektriciteitstransmissie- en -distributiesystemen anderzijds om ervoor te zorgen dat balancerings-, opslag- en andere flexibiliteitsdiensten, zoals vraagrespons, die door beheerders van stadsverwarmings- en stadskoelingssystemen worden geleverd, aan hun elektriciteitsmarkten kunnen deelnemen.

De lidstaten kunnen de beoordelings- en coördinatievereisten uit hoofde van de eerste en de derde alinea uitbreiden tot beheerders van gastransmissie- en -distributiesystemen, met inbegrip van waterstofnetwerken en andere energienetwerken.

9.  De lidstaten zorgen ervoor dat de rechten van consumenten en de regels voor het beheer van stadsverwarmings- en -koelingssystemen overeenkomstig dit artikel duidelijk zijn gedefinieerd, openbaar beschikbaar zijn en door de bevoegde autoriteit worden gehandhaafd.

10.  Een lidstaat is niet verplicht de leden 2 tot en met 9 toe te passen indien aan ten minste een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

   a) zijn aandeel stadsverwarming en -koeling bedroeg 2 % of minder van het bruto-eindverbruik van energie in de verwarmings- en koelingssector op 24 december 2018;
   b) zijn aandeel stadsverwarming en -koeling is toegenomen tot meer dan 2 % van het bruto-eindverbruik van energie in de verwarmings- en koelingssector op 24 december 2018 door de ontwikkeling van nieuwe efficiënte stadsverwarming en -koeling op basis van zijn op grond van de artikelen 3 en 14 van, en overeenkomstig, Verordening (EU) 2018/1999 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en de in artikel 23, lid 1 ter, van deze richtlijn, bedoelde beoordeling;
   c) 90 % van het bruto-eindverbruik van energie in stadsverwarmings- en -koelingssystemen vindt plaats in efficiënte stadsverwarmings- en -koelingssystemen.”.

"

15)  artikel 25 wordt vervangen door:"

“Artikel 25

Toename van hernieuwbare energie en reductie van de broeikasgasintensiteit in de vervoerssector

1.  Elke lidstaat legt brandstofleveranciers de verplichting op ervoor te zorgen dat:

   a) de hoeveelheid aan de vervoerssector geleverde hernieuwbare brandstoffen en hernieuwbare elektriciteit leidt tot:
   i) een aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie in de vervoerssector van ten minste 29 % in 2030; of
   ii) een reductie van de broeikasgasintensiteit van ten minste 14,5 % tegen 2030, vergeleken met het in artikel 27, lid 1, punt b), vastgestelde referentiescenario, in overeenstemming met een door de lidstaat vastgesteld indicatief traject;
   b) het gecombineerde aandeel van geavanceerde biobrandstoffen en biogas geproduceerd uit de in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen en van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de aan de vervoerssector geleverde energie ten minste% in 2025 en 5,5 % in 2030 bedraagt, waarvan het aandeel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in 2030 ten minste 1 procentpunt bedraagt.

De lidstaten worden aangemoedigd om op nationaal niveau gedifferentieerde streefcijfers vast te stellen voor geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit de in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, teneinde te voldoen aan de in de eerste alinea, punt b), van dit lid vastgestelde verplichting, op zodanige wijze dat de ontwikkeling van beide brandstoffen wordt bevorderd en versterkt.

De lidstaten met zeehavens streven ernaar dat vanaf 2030 het aandeel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de totale hoeveelheid aan de zeevervoerssector geleverde energie ten minste 1,2 % bedraagt.

De lidstaten brengen in hun op grond van artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen verslag uit over het aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie in de vervoerssector, met inbegrip van de zeevervoerssector, en over hun reductie van de broeikasgasintensiteit.

Indien de lijst van grondstoffen van bijlage IX, deel A, overeenkomstig artikel 28, lid 6, wordt gewijzigd, mogen de lidstaten hun minimumaandeel van geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit die grondstoffen in de energie die aan de vervoerssector wordt geleverd, dienovereenkomstig verhogen.

2.  Voor de berekening van de in lid 1, de eerste alinea, punt a), bedoelde streefcijfers en de in lid 1, de eerste alinea, punt b), bedoelde aandelen:

   a) nemen de lidstaten ook hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in aanmerking wanneer deze worden gebruikt als tussenproduct voor de productie van:
   i) conventionele transportbrandstoffen; of
   ii) biobrandstoffen, mits de door het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet biologische oorsprong verwezenlijkte broeikasgasemissiereductie niet meegeteld wordt bij de berekening van de broeikasgasemissiereducties van de biobrandstoffen;
   b) mogen de lidstaten biogas in aanmerking nemen dat wordt geïnjecteerd in de nationale gastransmissie- en -distributie-infrastructuur.

3.  Voor de berekening van de in lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde streefcijfers kunnen de lidstaten brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof in aanmerking nemen.

De lidstaten mogen bij de vaststelling van de verplichting voor brandstofleveranciers:

   a) overgaan tot vrijstelling van brandstofleveranciers die elektriciteit of hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong leveren, van de eis om, met betrekking tot die brandstoffen, het minimumaandeel geavanceerde biobrandstoffen en biogas geproduceerd uit de in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen te bereiken;
   b) de verplichting vormgeven door middel van maatregelen die gericht zijn op volumes, energie-inhoud of broeikasgasemissies;
   c) een onderscheid maken tussen verschillende energiedragers;
   d) een onderscheid maken tussen de zeevervoerssector en andere sectoren.

4.  De lidstaten stellen een mechanisme in waarmee brandstofleveranciers op hun grondgebied kredieten kunnen uitwisselen voor de levering van hernieuwbare energie aan de vervoerssector. Marktdeelnemers die via openbare oplaadpunten hernieuwbare elektriciteit aan elektrische voertuigen leveren, ontvangen kredieten, ongeacht of de marktdeelnemers aan de door de lidstaat aan brandstofleveranciers opgelegde verplichting onderworpen zijn, en mogen die kredieten verkopen aan brandstofleveranciers, die de kredieten mogen gebruiken om te voldoen aan de in lid 1, eerste alinea, vastgestelde verplichting. De lidstaten mogen particuliere oplaadpunten opnemen in dat mechanisme, mits kan worden aangetoond dat aan die particuliere oplaadpunten geleverde hernieuwbare elektriciteit uitsluitend aan elektrische voertuigen wordt geleverd.”;

"

16)  artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)  de eerste alinea wordt vervangen door:"

“Voor de berekening van het in artikel 7 bedoelde bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in een lidstaat en van het in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde minimumaandeel hernieuwbare energie en streefcijfer voor broeikasgasintensiteitreductie is het aandeel biobrandstoffen en vloeibare biomassa, en het aandeel in het vervoer verbruikte biomassabrandstoffen, indien geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen, maximaal één procentpunt hoger dan het aandeel van dergelijke brandstoffen in het eindverbruik van energie in de vervoerssector in 2020 in die lidstaat, met een maximum van 7 % van het eindverbruik van energie in de vervoerssector in die lidstaat.”;

"

ii)  de vierde alinea wordt vervangen door:"

“Indien het aandeel biobrandstoffen en vloeibare biomassa, en het aandeel in het vervoer verbruikte biomassabrandstoffen, die worden geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen in een lidstaat beperkt is tot een aandeel van minder dan 7 % of een lidstaat besluit het aandeel nog verder te beperken, kan die lidstaat het in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde minimumaandeel hernieuwbare energie of streefcijfer voor broeikasgasintensiteitreductie dienovereenkomstig beperken, gezien de bijdrage die deze brandstoffen zouden hebben geleverd met betrekking tot het minimumaandeel hernieuwbare energie of qua broeikasgasemissiereductie. Met betrekking tot het streefcijfer voor broeikasgasintensiteitreductie, gaan de lidstaten ervan uit dat die brandstoffen een broeikasgasemissiereductie van 50 % opleveren.”;

"

b)  ▌lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)  de eerste alinea wordt vervangen door:"

“2. Voor de berekening van het in artikel 7 bedoelde bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in een lidstaat en het in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde minimumaandeel hernieuwbare energie en streefcijfer voor broeikasgasintensiteitreductie, bedraagt het aandeel biobrandstoffen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met hoge koolstofvoorraden waar te nemen valt, niet meer dan het verbruik van dergelijke brandstoffen in die lidstaat in 2019, tenzij zij zijn gecertificeerd als biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik, op grond van dit lid.”;

"

ii)  de vijfde alinea wordt vervangen door:"

“Uiterlijk op 1 september 2023 evalueert de Commissie op basis van de best beschikbare wetenschappelijke gegevens de in de in de vierde alinea van dit lid bedoelde gedelegeerde handeling vastgestelde criteria, en stelt zij overeenkomstig artikel 35 gedelegeerde handelingen vast tot, in voorkomend geval, wijziging van die criteria en tot aanvulling van deze richtlijn met het opnemen van een traject om de bijdrage van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een risico van hoge indirecte veranderingen in landgebruik voor biobrandstoffen, die worden geproduceerd uit grondstoffen waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met hoge koolstofvoorraden waar te nemen valt, aan het algemeen streefcijfer van de Unie in artikel 3, lid 1, en het in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoeld minimumaandeel hernieuwbare energie en streefcijfer voor de reductie van broeikasgasintensiteit geleidelijk te verlagen. Die evaluatie is gebaseerd op een herziene versie van het verslag over de verhoging van de productie dat overeenkomstig de derde alinea van dit lid is ingediend. In dat verslag wordt met name beoordeeld of de drempel voor het maximumaandeel van de gemiddelde jaarlijkse uitbreiding van het mondiale productiegebied naar land met hoge koolstofvoorraden zou moeten worden verlaagd op basis van objectieve en wetenschappelijke criteria en rekening houdend met de klimaatdoelstellingen en -verbintenissen van de Unie.

Op basis van de resultaten van de in de vijfde alinea bedoelde beoordeling wijzigt de Commissie zo nodig de in de in de vierde alinea bedoelde gedelegeerde handeling vastgestelde criteria. De Commissie evalueert de gegevens die ten grondslag liggen aan de in de vierde alinea bedoelde gedelegeerde handeling elke drie jaar na de vaststelling van die gedelegeerde handeling; De Commissie actualiseert waar nodig die gedelegeerde handeling in het licht van veranderende omstandigheden en de meest recente beschikbare wetenschappelijke gegevens.”;

"

17)  artikel 27 wordt vervangen door:

▌"

“Artikel 27

Berekeningsvoorschriften in de vervoerssector en met betrekking tot hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, ongeacht hun eindgebruik

▌1. Voor de berekening van de in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), ii), bedoelde broeikasgasintensiteitreductie gelden de volgende regels:

   a) de broeikasgasemissiereducties worden als volgt berekend:
   i) voor biobrandstoffen en biogas, door de hoeveelheid van deze brandstoffen die aan alle vervoerswijzen wordt geleverd te vermenigvuldigen met hun overeenkomstig artikel 31 bepaalde broeikasgasemissiereducties;
   ii) voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, door de hoeveelheid van deze brandstoffen die aan alle vervoerswijzen wordt geleverd te vermenigvuldigen met hun overeenkomstig gedelegeerde handelingen op grond van artikel 29 bis, lid 3, bepaalde broeikasgasemissiereducties;
   iii) voor hernieuwbare elektriciteit, door de hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit die aan alle vervoerswijzen wordt geleverd te vermenigvuldigen met de in bijlage V vastgestelde fossiele referentiebrandstof ECF(e);
   b) het in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), ii), bedoelde referentiescenario wordt tot en met 31 december 2030 berekend door de hoeveelheid aan de vervoerssector geleverde energie te vermenigvuldigen met de in bijlage V vastgestelde fossiele referentiebrandstof EF(t); met ingang van 1 januari 2031 is het in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), ii), bedoelde referentiescenario de som van:
   i) de hoeveelheid hernieuwbare brandstoffen die aan alle vervoerswijzen worden geleverd, vermenigvuldigd met de in bijlage V vastgestelde fossiele referentiebrandstof EF(t);
   ii) de hoeveelheid elektriciteit die aan alle vervoerswijzen wordt geleverd, vermenigvuldigd met de in bijlage V vastgestelde fossiele referentiebrandstof ECF(e);
   c) voor de berekening van de relevante hoeveelheden energie gelden de volgende regels:
   i) om de hoeveelheid energie die aan de vervoerssector wordt geleverd te bepalen, worden de in bijlage III vastgestelde waarden met betrekking tot de energie-inhoud van transportbrandstoffen gebruikt;
   ii) om de energie-inhoud te bepalen van transportbrandstoffen die niet in bijlage III zijn opgenomen, gebruiken de lidstaten de desbetreffende Europese normen voor de bepaling van de calorische waarden van brandstoffen, of, indien voor die toepassing geen Europese norm is vastgesteld, de desbetreffende ISO-normen;
   iii) de hoeveelheid aan de vervoerssector geleverde hernieuwbare elektriciteit wordt bepaald door de hoeveelheid aan die sector geleverde elektriciteit te vermenigvuldigen met het gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit dat in de twee voorgaande jaren op het grondgebied van de lidstaat is geleverd, tenzij elektriciteit uit een rechtstreekse aansluiting op een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie wordt verkregen en aan de vervoerssector wordt geleverd, in welk geval elektriciteit volledig als hernieuwbare elektriciteit wordt geteld en elektriciteit die wordt opgewekt door een elektrisch voertuig op zonne-energie en aangewend voor het verbruik van het voertuig zelf, volledig als hernieuwbaar mag worden geteld;
   iv) het aandeel biobrandstoffen en biogassen geproduceerd uit in bijlage IX, deel B, vermelde grondstoffen in de energie-inhoud van aan de vervoerssector geleverde brandstoffen en elektriciteit wordt, behalve voor Cyprus en Malta, beperkt tot 1,7 %;
   d) de broeikasgasintensiteitreductie door het gebruik van hernieuwbare energie wordt bepaald door de broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen, biogas, hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en hernieuwbare elektriciteit die aan alle vervoerswijzen worden geleverd, te delen door de referentiewaarde; de lidstaten mogen brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof in aanmerking nemen.

De lidstaten mogen, indien gerechtvaardigd, de in de eerste alinea, punt c), iv), van dit lid bedoelde beperking verhogen, rekening houdend met de beschikbaarheid van grondstoffen die zijn opgesomd in deel B van bijlage IX. Dergelijke verhoging wordt ter kennis gebracht van de Commissie, samen met de redenen voor een dergelijke verhoging en moeten door de Commissie worden goedgekeurd.

2.  Voor de berekening van de in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), i), en punt b), bedoelde minimumaandelen gelden de volgende regels:

   a) voor de berekening van de noemer, dat wil zeggen de hoeveelheid energie die in de vervoerssector wordt verbruikt, worden alle aan de vervoerssector geleverde brandstoffen en elektriciteit in aanmerking genomen;
   b) voor de berekening van de teller, dat wil zeggen de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die in de vervoerssector wordt verbruikt voor de toepassing van artikel 25, lid 1, eerste alinea, wordt de energie-inhoud van alle soorten energie uit hernieuwbare bronnen die aan alle vervoerswijzen op het grondgebied van elke lidstaat worden geleverd, ook aan internationale scheepsbunkers, in aanmerking genomen; de lidstaten mogen brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof in aanmerking nemen;
   c) het aandeel biobrandstoffen en biogassen geproduceerd uit de in bijlage IX vermelde grondstoffen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong wordt geacht tweemaal de energie-inhoud ervan te zijn;
   d) het aandeel hernieuwbare elektriciteit wordt geacht viermaal de energie-inhoud ervan te zijn in geval van levering aan wegvoertuigen en mag worden geacht 1,5 maal de energie-inhoud ervan te zijn in geval van levering aan spoorvervoer;
   e) het aandeel geavanceerde biobrandstoffen en biogas geproduceerd uit de in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen die aan de vervoerswijzen zeevervoer en luchtvaart worden geleverd, wordt geacht 1,2 maal hun energie-inhoud te zijn, en het aandeel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die aan de vervoerswijzen zeevervoer en luchtvaart worden geleverd, wordt geacht 1,5 maal hun energie-inhoud te zijn;
   f) het aandeel biobrandstoffen en biogassen geproduceerd uit de in bijlage IX, deel B, vermelde grondstoffen in de energie-inhoud van aan de vervoerssector geleverde brandstoffen en elektriciteit wordt, behalve voor Cyprus en Malta, beperkt tot 1,7 %;
   g) om de hoeveelheid energie die aan de vervoerssector wordt geleverd te bepalen, worden de in bijlage III vastgestelde waarden met betrekking tot de energie-inhoud van transportbrandstoffen gebruikt;
   h) om de energie-inhoud van transportbrandstoffen die niet in bijlage III zijn opgenomen te bepalen, gebruiken de lidstaten de desbetreffende Europese normen voor de bepaling van de calorische waarden van brandstoffen, of, indien voor die toepassing geen Europese norm is vastgesteld, de desbetreffende ISO-normen;
   i) de hoeveelheid aan de vervoerssector geleverde hernieuwbare elektriciteit wordt bepaald door de hoeveelheid aan die sector geleverde elektriciteit te vermenigvuldigen met het gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit dat in de twee voorgaande jaren op het grondgebied van de lidstaat is geleverd, tenzij elektriciteit uit een rechtstreekse aansluiting op een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie wordt verkregen en aan de vervoerssector geleverd, in welk geval elektriciteit volledig als hernieuwbare elektriciteit wordt geteld en elektriciteit die wordt opgewekt door een elektrisch voertuig op zonne-energie en wordt aangewend voor het verbruik van het voertuig zelf, volledig als hernieuwbaar mag worden geteld.

De lidstaten mogen, indien gerechtvaardigd, de in de eerste alinea, punt f), van dit lid bedoelde beperking verhogen, rekening houdend met de beschikbaarheid van in bijlage IX, del B, vermelde grondstoffen. Van elke dergelijke verhoging moet kennis worden gegeven aan de Commissie samen met de reden ervoor, en vereist de goedkeuring van de Commissie.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 35 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze richtlijn door aanpassing van de beperking van het aandeel biobrandstoffen en biogassen geproduceerd uit de in bijlage IX, deel B, vermelde grondstoffen op basis van een beoordeling van de beschikbaarheid van grondstoffen. De beperking bedraagt ten minste 1,7 %. Indien de Commissie dergelijke gedelegeerde handeling vaststelt, is de in de gedelegeerde handeling vastgestelde beperking ook van toepassing op lidstaten die, overeenkomstig lid 1, tweede alinea, of lid 2, tweede alinea, punt e), van dit artikel toestemming hebben gekregen van de Commissie om de beperking na een overgangsperiode van vijf jaar te verhogen, onverminderd het recht van de lidstaat om die nieuwe beperking eerder toe te passen. De lidstaten kunnen de Commissie om een nieuwe goedkeuring verzoeken voor een verhoging van de in de gedelegeerde handeling vastgestelde beperking overeenkomstig lid 1, tweede alinea, of lid 2, tweede alinea, punt e), van dit artikel.

4.  De Commissie is overeenkomstig artikel 35 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn door de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang van transportbrandstoffen en de energie-inhoud ervan als vastgesteld in bijlage III.

5.  Voor de in lid 1, eerste alinea, punt b), en in lid 2, eerste alinea, punt a), bedoelde berekeningen wordt de hoeveelheid aan de zeevervoerssector geleverde energie, als percentage van het bruto-eindverbruik van energie van die lidstaat, geacht niet meer dan 13 % te bedragen. Voor Cyprus en Malta wordt de hoeveelheid in de zeevervoerssector verbruikte energie, als percentage van het bruto-eindverbruik van energie van die lidstaten, geacht niet meer dan 5 % te bedragen. Dit lid is van toepassing tot en met 31 december 2030.

6.  Wanneer elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, hetzij rechtstreeks, hetzij voor de productie van tussenproducten, wordt het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in het land van productie, als gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, gebruikt om het aandeel hernieuwbare energie te bepalen.

Elektriciteit die wordt verkregen uit een rechtstreekse aansluiting van een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie kan evenwel volledig worden meegeteld als hernieuwbaar indien die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, mits de installatie:

   a) in werking treedt na of tegelijkertijd met de installatie die de hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong produceert; en
   b) niet op het net is aangesloten, of op het net is aangesloten maar waarvoor kan worden bewezen dat de betreffende elektriciteit is verstrekt zonder dat elektriciteit van het net wordt afgenomen.

Elektriciteit die van het net wordt afgenomen, mag volledig als hernieuwbaar worden meegeteld, mits die elektriciteit uitsluitend uit hernieuwbare bronnen afkomstig is en de hernieuwbare kenmerken en andere relevante criteria zijn aangetoond, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de hernieuwbare kenmerken van die elektriciteit slechts één keer en slechts in één eindgebruiksector worden meegeteld.

De Commissie stelt, uiterlijk op 31 december 2021, overeenkomstig artikel 35 een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling van deze richtlijn door de bepaling van een gemeenschappelijke Uniemethode die voorziet in gedetailleerde regels waardoor marktdeelnemers aan de vereisten van de tweede en derde alinea van dit lid moeten voldoen.

Uiterlijk op 1 juli 2028 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van het effect van de overeenkomstig de vierde alinea vastgestelde Uniemethode, met inbegrip van het effect van additionaliteit en temporele en geografische correlatie op de productiekosten, broeikasgasemissiereducties en het energiesysteem.

In dit Commissieverslag wordt met name het effect beoordeeld op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong voor de industrie en het vervoer en op het vermogen van de Unie om haar streefcijfers voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong te halen, rekening houdend met de strategie van de Unie inzake ingevoerde en binnenlandse waterstof overeenkomstig artikel 22 bis, waarbij de toename van de broeikasgasemissies in de elektriciteitssector en het hele energiesysteem tot een minimum wordt beperkt. Indien uit het verslag blijkt dat de vereisten ontoereikend zijn om voldoende beschikbaarheid en betaalbaarheid van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong voor de industrie en het vervoer te waarborgen, en dat die niet substantieel bijdragen tot broeikasgasemissiereducties, energiesysteemintegratie en de verwezenlijking van de voor 2030 vastgestelde streefcijfers van de Unie voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, evalueert de Commissie de Uniemethode ven stelt zij, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 35 een gedelegeerde handeling vast om die methode te wijzigen door de nodige aanpassingen van de in de tweede en derde alinea van dit lid vastgestelde criteria te maken teneinde de opschaling van de waterstofindustrie te vergemakkelijken.”.

"

18)  artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de leden 2, 3 en 4 worden geschrapt.

b)  lid 5 wordt vervangen door:"

“Uiterlijk op 30 juni 2024 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 35 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze richtlijn door de specificering van de methode voor het bepalen van het aandeel biobrandstoffen, en biogas voor vervoer, uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt.”;

"

c)  lid 7 wordt vervangen door:"

“7. Uiterlijk op 31 december 2025 beoordeelt de Commissie, in het kader van de tweejaarlijkse beoordeling van de gemaakte vooruitgang op grond van Verordening (EU) 2018/1999, of de in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt b), van deze richtlijn vastgelegde verplichting met betrekking tot geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, van deze richtlijn vermelde grondstoffen, daadwerkelijk innovatie stimuleert en tot reductie van broeikasgasemissiereducties in de vervoersector leidt. Bij die beoordeling wordt ook door de Commissie nagegaan of met de toepassing van dit artikel inderdaad wordt voorkomen dat hernieuwbare energie dubbel wordt geteld.

Indien nodig dient de Commissie een wetgevingsvoorstel in tot wijziging van de in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt b), bedoelde verplichting met betrekking tot geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen.”;

"

19)  artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)  in de eerste alinea wordt punt a) vervangen door:"

“a) het bijdragen aan de aandelen hernieuwbare energie van de lidstaten en de in artikel 3, lid 1, artikel 15 bis, lid 1, artikel 22 bis, lid 1, artikel 23, lid 1, artikel 24, lid 4, en artikel 25, lid 1, bedoelde streefcijfers;”;

"

ii)  de tweede alinea wordt vervangen door:"

“Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die zijn geproduceerd uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de in de eerste alinea, onder a), b) en c), van dit lid genoemde doeleinden, alleen te voldoen aan de in lid 10 bepaalde broeikasgasemissiereductiecriteria. Indien gemengd afval wordt gebruikt, kunnen lidstaten van marktdeelnemers vereisen sorteersystemen voor gemengd afval toe te passen die gericht zijn op de verwijdering van fossiele materialen. Deze alinea is ook van toepassing op afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt tot biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.”;

"

iii)  de vierde alinea wordt vervangen door:"

“Biomassabrandstoffen voldoen aan de in de leden 2 tot en met 7 en lid 10 bepaalde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria indien ze worden gebruikt:

   a) in het geval van vaste biomassabrandstoffen, in installaties voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 7,5 MW of meer;
   b) in het geval van gasvormige biomassabrandstoffen, in installaties voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 2 MW of meer;
   c) in het geval van installaties die gasvormige biomassabrandstoffen produceren met het volgende gemiddelde biomethaandebiet:
   i) boven 200 m3 methaanequivalent/h gemeten bij standaardomstandigheden voor temperatuur en druk (d.w.z. 0 ºC en 1 bar atmosferische druk);
   ii) indien het biogas bestaat uit een mengsel van methaan en ander niet-brandbaar gas, wordt voor het methaandebiet de in punt i) vastgestelde drempel herberekend in verhouding tot het volumeaandeel methaan in het mengsel.

De lidstaten kunnen de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria toepassen op installaties met een lager totaal nominaal thermisch ingangsvermogen of biomethaandebiet.”;

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

“3. “De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen geproduceerd uit agrarische biomassa die in aanmerking worden genomen voor de in lid 1, eerste alinea, punt a), b) en c), bedoelde doeleinden, worden niet geproduceerd uit grondstoffen verkregen van land met een hoge biodiversiteitswaarde, d.w.z. land dat in of na januari 2008 een van de hierna vermelde statussen had, ongeacht of het die status nog steeds heeft:

   a) oerbossen en andere beboste gronden, d.w.z. bos en andere beboste gronden met inheemse soorten, waar geen duidelijk zichtbare tekenen van menselijke activiteiten zijn en de ecologische processen niet in aanzienlijke mate zijn verstoord; en oude bosgroeiplaatsen zoals gedefinieerd in het land waar de bosgroeiplaats zich bevindt;
   b) bossen met grote biodiversiteit en andere beboste grond die rijk is aan soorten en niet is aangetast, en die door de betrokken bevoegde autoriteit is aangemerkt als grond met grote biodiversiteit, tenzij wordt aangetoond dat de productie van de grondstof in kwestie geen invloed heeft gehad op die natuurbeschermingsdoeleinden;
   c) gebieden die:
   i) bij wet of door de betrokken bevoegde autoriteiten voor natuurbeschermingsdoeleinden zijn aangewezen, tenzij wordt aangetoond dat de productie van de grondstof in kwestie geen invloed heeft gehad op die natuurbeschermingsdoeleinden; of
   ii) voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of opgenomen zijn op lijsten van intergouvernementele organisaties of van de Internationale Unie voor behoud van de natuur, zijn aangewezen, mits die gebieden zijn erkend overeenkomstig artikel 30, lid 4, eerste alinea, tenzij wordt aangetoond dat de productie van de grondstof in kwestie geen invloed heeft gehad op die natuurbeschermingsdoeleinden;
   d) grasland met grote biodiversiteit van meer dan een hectare dat:
   i) natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen grasland zou blijven en dat zijn natuurlijke soortensamenstelling en ecologische kenmerken en processen behoudt; of
   ii) niet-natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden grasland te zijn, dat rijk is aan soorten en niet is aangetast en door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grasland met grote biodiversiteit, tenzij wordt aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland met grote biodiversiteit; of
   e) heidegrond.

Indien niet is voldaan aan de voorwaarden van lid 6, punt a), vi) en vii), is de eerste alinea van dit lid, met uitzondering van punt c), ook van toepassing op biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen geproduceerd uit bosbiomassa.

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen voor een nadere specificatie van de criteria op grond waarvan wordt bepaald welke graslanden onder eerste alinea, punt d), van dit lid vallen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”;

"

c)  in lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

Indien niet is voldaan aan de voorwaarden van lid 6, punt a), vi) en vii), zijn de eerste alinea van dit lid, met uitzondering van de punten b) en c), en de tweede alinea van dit lid, ▌ook van toepassing op biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit bosbiomassa.”;

"

d)  lid 5 wordt vervangen door:"

“5. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit agrarische biomassa die in aanmerking worden genomen voor de in lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), bedoelde doeleinden, worden niet geproduceerd uit grondstoffen verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was, tenzij wordt aangetoond dat de teelt en oogst van die grondstof geen ontwatering van een voorheen niet-ontwaterde bodem met zich meebrengen. Indien niet is voldaan aan de voorwaarden van lid 6, punt a), vi) en vii), is dit lid ook van toepassing op biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen geproduceerd uit bosbiomassa.”;

"

e)  in lid 6 wordt als volgt gewijzigd:

i)  in punt a), worden de punten iii) en iv) vervangen door:"

iii) gebieden die bij internationaal of nationaal recht of door de desbetreffende bevoegde autoriteit zijn aangewezen voor natuurbeschermingsdoeleinden, met inbegrip van waterrijke gebieden, grasland, heidegrond en veengebieden, worden beschermd met het oog op het behoud van de biodiversiteit en ter voorkoming van de vernietiging van habitats;

   iv) het oogsten op een zodanige wijze wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit en de biodiversiteit overeenkomstig de beginselen van duurzaam bosbeheer in stand worden gehouden ter preventie van ▌negatieve effecten ▌, op zodanige wijze dat het oogsten van stronken en wortels, de aantasting van oerbossen en van oude bosgroeiplaatsen zoals gedefinieerd in het land waar die bosgroeiplaatsen zich bevinden, of de omzetting ervan in bosplantages, en het oogsten op kwetsbare bodems wordt voorkomen; dat oogsten wordt uitgevoerd met naleving van maximumdrempels voor grote kaalslagen zoals gedefinieerd in het land waar het bos zich bevindt, en met lokaal en ecologisch passende retentiedrempels voor de extractie van dood hout en dat oogsten wordt uitgevoerd met naleving van vereisten om houtkapsystemen te gebruiken die negatieve effecten op de bodemkwaliteit, met inbegrip van bodemverdichting, en op biodiversiteitskenmerken en habitats minimaliseren:”;

"

ii)  in punt a) worden de volgende punten ingevoegd:"

“vi) de bossen waarin de bosbiomassa wordt geoogst niet groeien op land met de in respectievelijk lid 3, punten a), b), d) en e), lid 4, punt a), en lid 5) bedoelde status, onder dezelfde voorwaarden voor de bepaling van de status van land als vermeld in die leden; en

   vii) installaties die biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa produceren, een betrouwbaarheidsverklaring afgeven, geschraagd door interne processen op bedrijfsniveau, met het oog op de overeenkomstig artikel 30, lid 3, uitgevoerde audits, waaruit blijkt dat de bosbiomassa niet afkomstig is van het in punt vi) van deze alinea bedoelde land.”;

"

iii)  in ▌punt b), worden de punten iii) en iv) vervangen door:"

iii) gebieden die bij internationaal of nationaal recht of door de desbetreffende bevoegde autoriteit zijn aangewezen voor natuurbeschermingsdoeleinden, met inbegrip van waterrijke gebieden, grasland, heidegrond en veengebieden, worden beschermd met het oog op het behoud van de biodiversiteit en ter voorkoming van de vernietiging van habitats, tenzij wordt aangetoond dat de oogst van die grondstof geen invloed heeft op die natuurbeschermingsdoeleinden;

   iv) het oogsten op een zodanige wijze wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit, en de biodiversiteit overeenkomstig de beginselen van duurzaam bosbeheer in stand worden gehouden ter preventie van ▌negatieve effecten ▌, op zodanige wijze dat het oogsten van stronken en wortels, de aantasting van oerbossen en van oude bosgroeiplaatsen zoals gedefinieerd in het land waar die bosgroeiplaatsen zich bevinden, of de omzetting ervan in bosplantages, en het oogsten op kwetsbare bodems wordt voorkomen; dat oogsten wordt uitgevoerd met naleving van maximumdrempels voor grote kaalslagen zoals gedefinieerd in het land waar het bos zich bevindt, en met lokaal en ecologisch passende retentiedrempels voor de extractie van dood hout en dat oogsten wordt uitgevoerd met naleving van vereisten om houtkapsystemen te gebruiken die negatieve effecten op de bodemkwaliteit, met inbegrip van bodemverdichting, en op biodiversiteitskenmerken en habitats minimaliseren; en”;

"

f)  de volgende leden worden ingevoegd:"

“7 bis. De productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit binnenlandse bosbiomassa strookt met de verbintenissen en streefcijfers van de lidstaten zoals vastgelegd in artikel 4 van Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad* en met de beleidslijnen en maatregelen die door de lidstaten zijn beschreven in hun op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen.

7 ter.  In het kader van hun definitieve geactualiseerde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die op grond van artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1999 uiterlijk op 30 juni 2024 moeten worden ingediend, nemen de lidstaten al het volgende op:

   a) een beoordeling van de binnenlandse voorziening met bosbiomassa die beschikbaar is voor energiedoeleinden in de periode 2021-2030 overeenkomstig de criteria van dit artikel;
   b) een beoordeling van de verenigbaarheid van het verwachte gebruik van bosbiomassa voor de productie van energie met de streefcijfers en begrotingen van de lidstaten voor 2026-2030 zoals vastgelegd in artikel 4 van Verordening (EU) 2018/841; en
   c) een beschrijving van de nationale maatregelen en beleidslijnen die zorgen voor verenigbaarheid met die doelstellingen en begrotingen.

De lidstaten brengen in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen die op grond van artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999 worden ingediend, verslag uit aan de Commissie over de in de eerste alinea, punt c), van dit lid genoemde maatregelen en beleidslijnen.

_______________

* Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1).”;

"

g)  in lid 10, eerste alinea, wordt punt d) vervangen door:"

“d) ▌voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties die operationeel zijn geworden na ... [de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn], ten minste 80 %▌;

   e) voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 10 MW die tussen 1 januari 2021 en ... [de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] operationeel zijn geworden, ten minste 70 % tot en met 31 december 2029 en ten minste 80 % vanaf 1 januari 2030;
   f) voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit gasvormige biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 10 MW die operationeel zijn geworden tussen 1 januari 2021 en ... [de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn], ten minste 70 % voordat ze 15 jaar operationeel zijn, en ten minste 80 % vanaf het ogenblik dat ze 15 jaar operationeel zijn;
   g) voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 10 MW die operationeel zijn geworden vóór 31 december 2020, ten minste 80 % vanaf het ogenblik dat ze 15 jaar operationeel zijn, ten vroegste vanaf 1 januari 2026 en uiterlijk vanaf 31 december 2029;
   h) voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit gasvormige biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 10 MW die operationeel zijn geworden vóór 31 december 2020, ten minste 80 % vanaf het ogenblik dat ze 15 jaar operationeel zijn en ten vroegste vanaf 1 januari 2026.”;

"

h)  in lid 13 worden de punten a) en b) vervangen door:"

“a) installaties in de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden, voor zover dergelijke installaties elektriciteit, verwarming of koeling uit biomassabrandstoffen en vloeibare biomassa produceren of biobrandstoffen produceren; en

   b) biomassabrandstoffen en vloeibare biomassa in de in deze alinea, punt a), bedoelde installaties en biobrandstoffen die in die installaties worden geproduceerd, ongeacht waar die biomassa haar oorsprong vindt, op voorwaarde dat die criteria objectief gerechtvaardigd zijn omdat zij tot doel hebben te zorgen voor toegang tot een veilige en zekere energie voor dat ultraperifere gebied en een soepele invoering van de in de leden 2 tot en met 7 en leden 10 en 11 van dit artikel vastgelegde criteria, en dat daardoor de overgang van fossiele brandstoffen naar duurzame biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt gestimuleerd.”;

"

i)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

“15. Energie uit biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mag tot en met 31 december 2030 ook in aanmerking worden genomen voor de in lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), van dit artikel, bedoelde doeleinden indien:

   a) er vóór ... [de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] steun is verleend, in overeenstemming met de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria overeenkomstig artikel 29 in de versie die van kracht was op 29 september 2020; en
   b) steun is verleend in de vorm van langdurige steun waarvoor aan het begin van de steunperiode een vast bedrag is vastgesteld en op voorwaarde dat er een correctiemechanisme is ingesteld om overcompensatie te voorkomen.”;

"

20)  het volgende artikel ▌wordt ingevoegd:"

“Artikel 29 bis

Broeikasgasemissiereductiecriteria voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof

1.  Energie uit hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong wordt alleen meegeteld voor het aandeel hernieuwbare energie van de lidstaten en de in artikel 3, lid 1, artikel 15 bis, lid 1, artikel 22 bis, lid 1, artikel 23, lid 1, artikel 24, lid 4, en artikel 25, lid 1, bedoelde streefcijfers, als de broeikasgasemissiereducties door het gebruik van die brandstoffen ten minste 70 % bedragen.

2.  Energie uit brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof mag alleen worden meegeteld voor het in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde streefcijfer als de broeikasgasemissiereductie door het gebruik van die brandstoffen ten minste 70 % bedraagt.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 35 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn door de specificering van de methode voor het beoordelen van de broeikasgasemissiereducties van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en van brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof. De methode waarborgt dat er geen kredieten voor voorkomen emissies worden verstrekt voor CO2 uit fossiele bronnen voor het afvangen waarvan reeds in het kader van andere rechtsbepalingen emissiekredieten zijn verstrekt. De methode geldt voor broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus en daarin wordt rekening gehouden met indirecte emissies als gevolg van de omleiding van inflexibele inputs zoals afvalstoffen die worden gebruikt voor de productie van brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof.”.

"

(21)  artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1, eerste alinea, worden de inleidende zinnen vervangen door:

Wanneer hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof moeten worden meegeteld voor de in artikel 3, lid 1, artikel 15 bis, lid 1, artikel 22 bis, lid 1, artikel 23, lid 1, artikel 24, lid 4, en artikel 25, lid 1, bedoelde streefcijfers, eisen de lidstaten van marktdeelnemers dat zij aan de hand van verplichte onafhankelijke en transparante audits, in overeenstemming met de op grond van lid 8 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling, aantonen dat aan de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, en artikel 29 bis, leden 1 en 2, vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria voor hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof is voldaan. Zij verplichten de marktdeelnemers daartoe gebruik te maken van een massabalanssysteem dat:”;

b)  lid 2 wordt vervangen door:"

“2. Wanneer een levering wordt verwerkt, wordt de informatie over de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiekenmerken aangepast en toegewezen aan de verkregen output overeenkomstig de volgende regels:

   a) als de verwerking van een levering grondstoffen slechts leidt tot één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, of brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, worden de omvang van de levering en de desbetreffende duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiekenmerken aangepast door toepassing van een omzettingsfactor die de verhouding weergeeft tussen de massa van de output die bestemd is voor dergelijke productie, en de massa van de grondstof vóór verwerking;
   b) als de verwerking van een levering grondstoffen leidt tot meer dan één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, of biomassabrandstoffen, hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, of brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, wordt voor elke output een afzonderlijke omzettingsfactor toegepast en een afzonderlijke massabalans gebruikt.”;

"

c)  in lid 3 worden de eerste en de tweede alinea vervangen door:"

“De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat marktdeelnemers betrouwbare informatie over de naleving van de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, en artikel 29 bis, leden 1 en 2, vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria indienen en dat de marktdeelnemers de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking stellen van de betrokken lidstaat. De lidstaten verplichten de marktdeelnemers om een passende norm op te stellen voor onafhankelijke audits van de ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit gebeurd is. Voor de naleving van artikel 29, lid 3, punten a), b) en d), artikel 29, lid 4, punt a), artikel 29, lid 5, artikel 29, lid 6, punt a), en artikel 29, lid 7, punt a), mag gebruik worden gemaakt van audits door eerste of tweede partijen tot aan het eerste verzamelpunt van de bosbiomassa. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktdeelnemers gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en bestand zijn tegen fraude, en moet ook worden gecontroleerd dat materialen niet opzettelijk worden gewijzigd of verwijderd waardoor de levering of een deel ervan een afvalstof of residu kan worden. Voorts worden tijdens de audits ook de frequentie en de methode van de steekproeftrekking gecontroleerd en wordt de degelijkheid van de gegevens beoordeeld.

De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof in de Unie geproduceerd dan wel ingevoerd zijn. Informatie betreffende de geografische oorsprong en het type grondstof van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen per brandstofleverancier wordt in actuele vorm en op eenvoudig toegankelijke en gebruiksvriendelijke wijze voor de consumenten beschikbaar gesteld op de websites van exploitanten, leveranciers of de betrokken bevoegde autoriteiten en jaarlijks bijgewerkt.”;

"

d)  in lid 4 wordt de eerste alinea vervangen door:"

“De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale systemen waarbij normen worden bepaald voor de productie van hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, accurate gegevens over broeikasgasemissiereducties verschaffen met het oog op de toepassing van artikel 29, lid 10, en artikel 29 bis, leden 1 en 2, aantonen dat artikel 27, lid 6, en artikel 31 bis, lid 5, zijn nageleefd of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen voldoen aan de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, vastgestelde duurzaamheidscriteria. Om aan te tonen dat is voldaan aan de in artikel 29, leden 6 en 7, vastgestelde criteria, kunnen exploitanten het vereiste bewijs rechtstreeks op het niveau van het oorsprongsgebied verstrekken. Voor de toepassing van artikel 29, lid 3, eerste alinea, punt c), ii), kan de Commissie gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen.”;

"

e)  lid 6 wordt vervangen door:"

“6. De lidstaten kunnen nationale systemen instellen waarmee de naleving van de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, en artikel 29 bis, leden 1 en 2, vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria in de gehele bewakingsketen wordt gecontroleerd volgens de op grond van artikel 29 bis, lid 3, ontwikkelde methode; zij betrekken daarbij de bevoegde autoriteiten. Die systemen kunnen ook worden gebruikt om de accuraatheid en volledigheid te verifiëren van de informatie die door marktdeelnemers in de Uniedatabank wordt opgenomen, om de naleving van artikel 27, lid 6, aan te tonen en voor de certificering van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik.

Een lidstaat kan een dergelijk nationaal systeem aanmelden bij de Commissie. De Commissie geeft voorrang aan de beoordeling van een aangemeld systeem teneinde de wederzijdse bilaterale en multilaterale erkenning van die systemen te vergemakkelijken. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen besluiten of een aangemeld nationaal systeem voldoet aan de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Als de Commissie besluit dat het nationaal systeem voldoet aan de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden, kunnen andere overeenkomstig dit artikel door de Commissie erkende systemen de wederzijdse erkenning met dat nationale systeem van de lidstaat met betrekking tot de verificatie van de naleving van de criteria waarvoor het door de Commissie is erkend, niet weigeren.

Voor installaties die elektriciteit, verwarming en koeling produceren met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tussen 7,5 en 20 MW, mogen de lidstaten vereenvoudigde nationale verificatiesystemen vaststellen om de vervulling van de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria te garanderen. Voor dezelfde installaties voorzien de in lid 8 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen in de eenvormige voorwaarden voor vereenvoudigde vrijwillige verificatiesystemen om de vervulling van de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria te garanderen.”;

"

f)  in lid 9 wordt de eerste alinea vervangen door:"

“Als een marktdeelnemer bewijs of gegevens verstrekt die zijn verkregen overeenkomstig een systeem waarvoor een besluit op grond van lid 4 of lid 6 is genomen, vereist een lidstaat van de marktdeelnemer niet nader bewijs te leveren van de naleving van de elementen die vallen onder het systeem dat door de Commissie is erkend.”;

"

g)  lid 10 wordt vervangen door:"

“Op verzoek van een lidstaat dat gebaseerd kan zijn op een verzoek van een marktdeelnemer, onderzoekt de Commissie, op basis van al het beschikbare bewijs, of is voldaan aan de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, en artikel 29 bis, leden 1 en 2, vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria met betrekking tot een bron van hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof.

Binnen zes maanden na ontvangst van dat verzoek besluit de Commissie, door middel van uitvoeringshandelingen, of de betrokken lidstaat:

   a) hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof van die bron voor de in artikel 29, lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), bedoelde doeleinden in aanmerking mag nemen; of
   b) in afwijking van lid 9, van de leveranciers van de bron van hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof mag vereisen dat zij nader bewijs leveren van de naleving van die duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria en die broeikasgasemissiereductiedrempels.”.

"

De in de tweede alinea van dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 34, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.”;

22)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

“Artikel 31 bis

Uniedatabank

1.  De Commissie zorgt ervoor dat er uiterlijk op ... [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] een Uniedatabank wordt opgezet om de tracering mogelijk te maken van vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (de “Uniedatabank”).

2.  De lidstaten eisen dat de betrokken marktdeelnemers tijdig accurate informatie in die Uniedatabank invoeren over de verrichte transacties en de duurzaamheidskenmerken van de brandstoffen waarop die transacties betrekking hebben, met inbegrip van hun broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, van hun plaats van productie tot het moment waarop ze in de Unie in de handel worden gebracht. Het onderling verbonden gassysteem wordt, met het oog op de invoering van gegevens in de Uniedatabank, beschouwd als één enkel massabalanssysteem. Gegevens over de injectie en verwijdering van hernieuwbare gasvormige brandstoffen wordt verstrekt in de Uniedatabank. In de Uniedatabank worden tevens gegevens ingevoerd over de al dan niet verleende steun voor de productie van een specifieke levering van brandstof en, in voorkomend geval, over het type steunregeling. Die gegevens kunnen via nationale databanken in de Uniedatabank worden ingevoerd.

Waar nodig om de traceerbaarheid van gegevens in de gehele toeleveringsketen te verbeteren, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 35 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn aan te vullen door het toepassingsgebied van de in de Uniedatabank op te nemen gegevens verder uit te breiden tot relevante gegevens van de plaats van productie of inzameling van de voor de brandstofproductie gebruikte grondstof.

De lidstaten vereisen van de brandstofleveranciers dat zij in de Uniedatabank de gegevens invoeren die nodig is om na te gaan of aan de vereisten van artikel 25, lid 1, eerste alinea is voldaan.

Niettegenstaande de eerste, tweede en derde alinea voeren de marktdeelnemers, in het geval dat de lidstaat besluit een massabalanssysteem aan te vullen met een systeem van garanties van oorsprong, voor gasvormige brandstoffen die in de onderling verbonden gasinfrastructuur van de Unie worden geïnjecteerd, gegevens in de Uniedatabank in over de verrichte transacties en de duurzaamheidskenmerken, alsook andere relevante gegevens, zoals de broeikasgasemissies van de brandstoffen tot aan hun injectie in de onderling verbonden gasinfrastructuur.

3.  De lidstaten hebben toegang tot de Uniedatabank met het oog op monitoring en gegevensverificatie.

4.  Wanneer er garanties van oorsprong zijn afgegeven voor de productie van een levering van hernieuwbaar gas, zorgen de lidstaten ervoor dat die garanties van oorsprong aan de Uniedatabank worden doorgestuurd op het moment dat een levering van hernieuwbaar gas in de Uniedatabank wordt geregistreerd, en respectievelijk worden afgeboekt nadat de levering van hernieuwbaar gas uit de onderling verbonden gasinfrastructuur van de Unie is verwijderd. Dergelijke garanties van oorsprong zijn, zodra zij zijn doorgestuurd, niet verhandelbaar buiten de Uniedatabank.

5.  De lidstaten zorgen er in hun nationale rechtskader voor dat de accuraatheid en volledigheid van de door marktdeelnemers in de databank ingevoerde gegevens worden geverifieerd, bijvoorbeeld door gebruik te maken van certificeringsorganen in het kader van vrijwillige of nationale systemen, die door de Commissie worden erkend op grond van artikel 30, leden 4, 5 en 6, en die kunnen worden aangevuld met een systeem van garanties van oorsprong.

Dergelijke vrijwillige of nationale systemen ▌ kunnen gebruikmaken van gegevenssystemen van derden als tussenpersonen om de gegevens te verzamelen, op voorwaarde dat dit gebruik aan de Commissie is gemeld.

Elke lidstaat mag gebruikmaken van een reeds bestaande nationale databank die is afgestemd op de Uniedatabank en er via een interface aan is gekoppeld, of een nationale databank opzetten die door marktdeelnemers kan worden gebruikt als instrument om gegevens te verzamelen en aan te geven en om die gegevens in te voeren in en door te sturen naar de Uniedatabank, op voorwaarde dat:

   a) de nationale databank in overeenstemming is met de Uniedatabank, ook wat betreft de tijdige doorgifte van gegevens, de typologie van de doorgegeven datasets, en de protocollen voor gegevenskwaliteit en gegevensverificatie;
   b) de lidstaten erop toezien dat de in de nationale databank ingevoerde gegevens onmiddellijk worden doorgestuurd naar de Uniedatabank.

De lidstaten mogen nationale databanken opzetten op basis van hun nationale recht of praktijk, bijvoorbeeld om rekening te houden met striktere nationale vereisten, wat betreft duurzaamheidscriteria. Die nationale databanken mogen geen belemmering vormen voor de algemene traceerbaarheid van duurzame zendingen van grondstoffen of brandstoffen die overeenkomstig deze richtlijn in de Uniedatabank moeten worden ingevoerd.

De verificatie van de kwaliteit van de via nationale databanken in de Uniedatabank ingevoerde gegevens, de duurzaamheidskenmerken van de brandstoffen waarop die gegevens betrekking hebben, en de definitieve goedkeuring van transacties worden uitsluitend via de Uniedatabank uitgevoerd. De nauwkeurigheid en volledigheid van die gegevens worden overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2022/996* van de Commissie geverifieerd. Zij kunnen door certificeringsorganen worden gecontroleerd.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de gedetailleerde kenmerken van hun nationale databank. Na die kennisgeving beoordeelt de Commissie of de nationale databank voldoet aan de vereisten van de derde alinea. Is dat niet het geval, dan kan de Commissie van de lidstaten vereisen dat ze passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat aan die vereisten wordt voldaan.

6.   De geaggregeerde gegevens van de Uniedatabank worden openbaargemaakt, met inachtneming van de bescherming van commercieel gevoelige informatie, en worden bijgewerkt. De Commissie publiceert jaarverslagen over de in de Uniedatabank ingevoerde gegevens, met inbegrip van de hoeveelheden, de geografische oorsprong en het soort brandstoffen, en maakt deze beschikbaar voor het publiek.

__________________

* Uitvoeringsverordening (EU) 2022/996 van de Commissie van 14 juni 2022 betreffende de voorschriften om de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria alsmede de criteria inzake laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik te controleren (PB L 168 van 27.6.2022, blz. 1).”;

"

23)   artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)  de eerste alinea wordt vervangen door:"

“Uiterlijk op 31 december 2027 dient de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel in over het regelgevingskader voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen voor de periode na 2030.”;

"

ii)   de volgende alinea wordt toegevoegd:"

“Bij de opstelling van het in de eerste alinea van dit lid bedoelde wetgevingsvoorstel houdt de Commissie in voorkomend geval rekening met:

   a) het advies van de bij artikel 10 bis van Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad* opgerichte Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering;
   b) de verwachte indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie als vastgelegd in artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad **;
   c) de op grond van artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1999 uiterlijk op 30 juni 2024 door de lidstaten ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen;
   d) de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van deze richtlijn, met inbegrip van de erin vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria; en
   e) technologische ontwikkelingen op het vlak van energie uit hernieuwbare bronnen.

______________

* Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (PB L 126 van 21.5.2009, blz. 13).

** Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).”;

"

b)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

“3 bis) De Commissie beoordeelt de toepassing van de verplichtingen uit hoofde van artikel 29, lid 7, punt a), en lid 7, punt b), en het effect ervan op het waarborgen van de duurzaamheid van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.”;

"

24)  artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 2 wordt vervangen door:"

“2. De in artikel 8, lid 3, tweede alinea, ▌ artikel 26, lid 2, vierde alinea, artikel 26, lid 2, vijfde alinea, artikel 27, lid 3, artikel 27, lid 4, artikel 27, lid 6, vierde alinea, artikel 28, lid 5, artikel 28, lid 6, tweede alinea, artikel 29 bis, lid 3, artikel 31, lid 5, tweede alinea, en artikel 31 bis, lid 2, tweede alinea, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een periode van vijf jaar na ... [de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.”;

"

b)  lid 4 wordt vervangen door:"

“4. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 3, vijfde alinea, artikel 8, lid 3, tweede alinea, ▌, artikel 26, lid 2, vierde alinea, artikel 26, lid 2, vijfde alinea, artikel 27, lid 3, artikel 27, lid 4, artikel 27, lid 6, vierde alinea, artikel 28, lid 5, artikel 28, lid 6, tweede alinea, artikel 29 bis, lid 3, artikel 31, lid 5, en artikel 31 bis, lid 2, tweede alinea, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.”;

"

c)  lid 7 wordt vervangen door:"

“7. Een overeenkomstig artikel 7, lid 3, vijfde alinea, artikel 8, lid 3, tweede alinea, ▌artikel 26, lid 2, vierde alinea, artikel 26, lid 2, vijfde alinea, artikel 27, lid 3, artikel 27, lid 4, artikel 27, lid 6, vierde alinea, artikel 28, lid 5, artikel 28, lid 6, tweede alinea, artikel 29 bis, lid 3, artikel 31, lid 5, of artikel 31 bis, lid 2, tweede alinea, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar hebben gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van genoemde termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.”;

"

25)  de bijlagen worden gewijzigd overeenkomstig de bijlagen bij deze richtlijn.

Artikel 2

Wijzigingen van Verordening (EU) 2018/1999

Verordening (EU) 2018/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1)  artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)  punt 11 wordt vervangen door:"

“11) “de 2030-streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie”: het Uniebrede bindende streefcijfer om de broeikasgasemissies ▌in 2030 ▌ te doen dalen dat is bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119, het bindende streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie voor 2030 dat is vastgelegd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001, het ▌ streefcijfer op Unieniveau om de energie-efficiëntie in 2030 ▌ te verbeteren dat is bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn(EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad(55), en het streefcijfer om in 2030 een elektriciteitsinterconnectie van ten minste 15 % te bereiken, en alle verdere streefcijfers in dat verband die door de Europese Raad of door het Europees Parlement en de Raad voor het jaar 2030 worden overeengekomen.

___________________

* Richtlijn (EU) 2023/... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (PB L ...)”;

"

b)  in punt 20 wordt punt b) vervangen door:"

“b) in de context van de aanbevelingen van de Commissie op basis van de beoordeling uit hoofde van artikel 29, lid 1, punt b), met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen, de vroegtijdige uitvoering door een lidstaat van zijn bijdrage aan het bindende streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie in 2030 dat is vastgelegd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001, gemeten ten opzichte van de nationale referentiepunten voor hernieuwbare energie van die lidstaat;”;

"

2)  in artikel 4, punt a), wordt punt 2) vervangen door:"

“2) met betrekking tot hernieuwbare energie:

teneinde het bindende streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie voor 2030 dat is vastgelegd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 te bereiken, een bijdrage tot dit streefcijfer in termen van het aandeel hernieuwbare energie van de lidstaat in het bruto-eindverbruik van energie in 2030, met een indicatief traject voor die bijdrage vanaf 2021. Uiterlijk in 2022 bereikt het indicatieve traject een referentiepunt van ten minste 18 % van de totale verhoging van het aandeel hernieuwbare energie tussen het bindende nationale streefcijfer van die lidstaat voor 2020 en de bijdrage van de lidstaat aan het streefcijfer voor 2030. Uiterlijk in 2025 bereikt het indicatieve traject een referentiepunt van ten minste 43 % van de totale verhoging van het aandeel hernieuwbare energie tussen het bindende nationale streefcijfer van die lidstaat voor 2020 en de bijdrage van de lidstaat aan het streefcijfer voor 2030. Uiterlijk in 2027 bereikt het indicatieve traject een referentiepunt van ten minste 65 % van de totale verhoging van het aandeel hernieuwbare energie tussen het bindende nationale streefcijfer van die lidstaat voor 2020 en de bijdrage van de lidstaat aan het streefcijfer voor 2030.

Uiterlijk in 2030 bereikt het indicatieve traject ten minste de geplande bijdrage van de lidstaat. Indien een lidstaat verwacht dat hij zijn bindende nationale streefcijfer voor 2020 zal overtreffen, kan het indicatieve traject aanvangen bij het niveau dat hij verwacht te bereiken. De gecumuleerde indicatieve trajecten van de lidstaten komen opgeteld uit op de referentiepunten van de Unie in 2022, 2025 en 2027 en op het bindende streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie voor 2030 dat is vastgelegd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001. Ongeacht zijn bijdrage aan het streefcijfer van de Unie en het indicatieve traject voor de toepassing van deze verordening, staat het een lidstaat vrij in zijn nationale beleid hogere ambities op te nemen.”;

"

3)  in artikel 5 wordt lid 2 vervangen door:"

“2. De lidstaten zorgen er samen voor dat de som van hun bijdragen ten minste het niveau bedraagt van het bindende Uniestreefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 dat is vastgelegd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001.”;

"

4)  in artikel 29 wordt lid 2 vervangen door:"

“2. Op het gebied van hernieuwbare energie evalueert de Commissie, als onderdeel van haar in lid 1 bedoelde evaluatie, de geboekte vooruitgang met betrekking tot het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie van de Unie aan de hand van een indicatief Unietraject dat begint bij 20 % in 2020, referentiepunten bereikt van minstens 18 % in 2022, 43 % in 2025 en 65 % in 2027 van de totale verhoging van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen tussen het Uniestreefcijfer voor 2020 inzake hernieuwbare energie en het Uniestreefcijfer voor 2030 inzake hernieuwbare energie en oploopt tot het Uniestreefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 dat is vastgelegd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001.”.

"

Artikel 3

Wijzigingen van Richtlijn 98/70/EG

Richtlijn 98/70/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  artikel 1 wordt vervangen door:"

“Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze richtlijn geeft, voor wat betreft wegvoertuigen en niet voor de weg bestemde mobiele machines, ­ met inbegrip van binnenschepen wanneer deze niet op zee varen­, landbouwtrekkers en bosbouwmachines en pleziervaartuigen wanneer deze niet op zee varen, technische specificaties van brandstoffen voor motoren met elektrische ontsteking en compressieontstekingsmotoren, ter bescherming van de gezondheid en het milieu, met inachtneming van de technische vereisten van deze motoren.”;

"

2)  in artikel 2 worden de punten 8 en 9 vervangen door:"

“8. “leverancier”: “brandstofleverancier” als gedefinieerd in artikel 2, tweede alinea, punt 38, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad*;

9.  “biobrandstoffen”: “biobrandstoffen” als gedefinieerd in artikel 2, tweede alinea, punt 33), van Richtlijn (EU) 2018/2001;

______________

* Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).”;

"

3)  artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:"

“De lidstaten verplichten leveranciers ertoe ervoor te zorgen dat diesel met een methylvetzuurgehalte (FAME) tot 7 % in de handel wordt gebracht.”;

"

b)  lid 2 wordt vervangen door:"

“2. De lidstaten zorgen ervoor dat het maximaal toegelaten zwavelgehalte van gasoliën bedoeld voor gebruik in niet voor de weg bestemde mobiele machines, met inbegrip van binnenschepen, en landbouwtrekkers, bosbouwmachines en pleziervaartuigen, 10 mg/kg bedraagt. De lidstaten zorgen ervoor dat andere vloeibare brandstoffen dan deze gasoliën enkel mogen gebruikt worden op binnenschepen en op pleziervaartuigen als het zwavelgehalte van deze vloeibare brandstoffen het maximum toegelaten gehalte van deze gasoliën niet overtreft.”;

"

4)  de artikelen 7 bis tot en met 7 sexies worden geschrapt;

5)  artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 worden de punten g), h), i) en k) geschrapt;

b)  lid 2 wordt geschrapt;

6)  de bijlagen I, II, IV en V worden gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn.

Artikel 4

Overgangsbepalingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de gegevens die met betrekking tot het jaar 2023 of een deel daarvan overeenkomstig artikel 7 bis, lid 1, derde alinea, en artikel 7 bis, lid 7, van Richtlijn 98/70/EG, die bij artikel 3, punt 4, van deze richtlijn worden geschrapt, zijn verzameld en aan de door de lidstaat aangewezen autoriteit zijn gerapporteerd, bij de Commissie worden ingediend.

2.  De Commissie neemt de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens op in alle verslagen die zij op grond van Richtlijn 98/70/EG moet indienen.

Artikel 5

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. ▌.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juli 2024 te voldoen aan artikel 1, punt 6, ten aanzien van artikel 15 sexies van Richtlijn (EU) 2018/2001, en artikel 1, punt 7, ten aanzien van de artikelen 16, 16 ter, 16 quater, 16 quinquies, 16 sexies en 16 septies van die richtlijn.

Zij stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van die bepalingen.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 6

Intrekking

Richtlijn (EU) 2015/652▌ van de Raad wordt ingetrokken met ingang 1 januari 2025.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ▌ …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

De bijlagen bij Richtlijn (EU) 2018/2001 worden als volgt gewijzigd:

1)  in bijlage I wordt de laatste rij in de tabel geschrapt;

2)  de volgende bijlage ▌ wordt ingevoegd:

“BIJLAGE I bis”

NATIONALE AANDELEN ENERGIE UIT HERNIEUWBARE BRONNEN VOOR VERWARMING EN KOELING IN HET BRUTO-EINDVERBRUIK VAN ENERGIE VOOR 2020-2030

 

Extra opslagen op artikel 23, lid 1 (in procentpunten) voor de periode 2021-2025*

Extra opslagen op artikel 23, lid 1 (in procentpunten) voor de periode 2026-2030**

Resulterende aandelen inclusief opslagen zonder restwarmte en -koude (in procentpunten)

België

1,0

0,7

1,8

Bulgarije

0,7

0,4

1,5

Tsjechië

0,8

0,5

1,6

Denemarken

1,2

1,1

1,6

Duitsland

1,0

0,7

1,8

Estland

1,3

1,2

1,7

Ierland

2,3

2,0

3,1

Griekenland

1,3

1,0

2,1

Spanje

0,9

0,6

1,7

Frankrijk

1,3

1,0

2,1

Kroatië

0,8

0,5

1,6

Italië

1,1

0,8

1,9

Cyprus

0,8

0,5

1,6

Letland

0,7

0,6

1,1

Litouwen

1,7

1,6

2,1

Luxemburg

2,3

2,0

3,1

Hongarije

0,9

0,6

1,7

Malta

0,8

0,5

1,6

Nederland

1,1

0,8

1,9

Oostenrijk

1,0

0,7

1,8

Polen

0,8

0,5

1,6

Portugal

0,7

0,4

1,5

Roemenië

0,8

0,5

1,6

Slovenië

0,8

0,5

1,6

Slowakije

0,8

0,5

1,6

Finland

0,6

0,5

1,0

Zweden

0,7

0,7

0,7

* Er is rekening gehouden met de mogelijkheden tot flexibiliteit in artikel 23, lid 2, punten b) en c), bij de berekening van de opslagen en de resulterende aandelen.

** Er is rekening gehouden met de mogelijkheden tot flexibiliteit in artikel 23, lid 2, punten b) en c), bij de berekening van de opslagen en de resulterende aandelen.”;

3)  bijlage III wordt vervangen door:

“BIJLAGE III

ENERGIE-INHOUD VAN BRANDSTOFFEN

Brandstof

Energie-inhoud per gewicht (calorische onderwaarde, MJ/kg)

Energie-inhoud per volume (calorische onderwaarde, MJ/l)

BRANDSTOFFEN UIT BIOMASSA EN/OF BIOMASSAVERWERKING

 

 

Biopropaan

46

24

Zuivere plantaardige olie (olie die uit oliehoudende planten is verkregen door persing, extractie of vergelijkbare procedés, ruw of geraffineerd, maar niet chemisch gemodificeerd)

37

34

Biodiesel — vetzuurmethylester (methylester geproduceerd uit olie uit biomassa)

37

33

Biodiesel — vetzuurethylester (ethylester geproduceerd uit olie uit biomassa)

38

34

Biogas dat kan worden gezuiverd tot de kwaliteit van aardgas

50

Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van diesel

44

34

Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van benzine

45

30

Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof

44

34

Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van vloeibaar petroleumgas

46

24

Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van diesel

43

36

Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van benzine

44

32

Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof

43

33

Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van vloeibaar petroleumgas

46

23

HERNIEUWBARE BRANDSTOFFEN DIE GEPRODUCEERD KUNNEN WORDEN UIT VERSCHILLENDE HERNIEUWBARE BRONNEN, WAARONDER BIOMASSA

 

 

Methanol uit hernieuwbare bronnen

20

16

Ethanol uit hernieuwbare bronnen

27

21

Propanol uit hernieuwbare bronnen

31

25

Butanol uit hernieuwbare bronnen

33

27

Fischer-Tropschdiesel (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen ter vervanging van diesel)

44

34

Fischer-Tropschbenzine (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen, geproduceerd uit biomassa, ter vervanging van benzine)

44

33

Fischer-Tropschvliegtuigbrandstof (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen, geproduceerd uit biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof)

44

33

vloeibaar Fischer-Tropschpetroleumgas (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen ter vervanging van vloeibaar petroleumgas)

46

24

DME (dimethylether)

28

19

Waterstof uit hernieuwbare bronnen

120

ETBE (ethyl-tertiair-butylether op basis van ethanol)

36 (waarvan 33 % uit hernieuwbare bronnen)

27 (waarvan 33 % uit hernieuwbare bronnen)

MTBE (methyl-tertiair-butylether op basis van methanol)

35 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)

26 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)

TAEE (ethyl-tertiair-amylether op basis van ethanol)

38 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)

29 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)

TAME (methyl-tertiair-amylether op basis van methanol)

36 (waarvan 18 % uit hernieuwbare bronnen)

28 (waarvan 18 % uit hernieuwbare bronnen)

THxEE (hexyl-tertiair-ethylether op basis van ethanol)

38 (waarvan 25 % uit hernieuwbare bronnen)

30 (waarvan 25 % uit hernieuwbare bronnen)

THxME (hexyl-tertiair-methylether op basis van methanol)

38 (waarvan 14 % uit hernieuwbare bronnen)

30 (waarvan 14 % uit hernieuwbare bronnen)

NIET-HERNIEUWBARE BRANDSTOFFEN

 

 

Benzine

43

32

Dieselolie

43

36

Vliegtuigbrandstof

43

34

Waterstof uit niet-hernieuwbare bronnen

120

“;

4)  bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:

“OPLEIDING EN CERTIFICERING VAN INSTALLATEURS EN ONTWERPERS VAN INSTALLATIES VOOR HERNIEUWBARE ENERGIE

b)  de inleidende zin en de punten 1, 2 en 3 worden vervangen door:

“De in artikel 18, lid 3, bedoelde certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen en opleidingsprogramma’s worden gebaseerd op de volgende criteria:

1.  Het certificeringsproces of gelijkwaardige kwalificatieproces zijn transparant en duidelijk gedefinieerd door de lidstaat of het door de lidstaat aangeduide administratief orgaan.

1 bis.  De door de certificeringsinstellingen afgegeven certificaten worden duidelijk geformuleerd en zijn voor werknemers en professionals die zich willen laten certificeren eenvoudig herkenbaar.

1 ter.  Het certificeringsproces stelt installateurs in staat de benodigde theoretische en praktische kennis te verwerven en ervoor te zorgen dat zij over de vaardigheden beschikken die nodig zijn om kwalitatief hoogwaardige installaties te installeren die betrouwbaar functioneren.

2.  Installateurs van systemen die gebruikmaken van biomassa, warmtepompen, ondiepe geothermische energie, fotovoltaïsche zonne-energie en thermische zonne-energie, waaronder energieopslag, en oplaadpunten worden gecertificeerd op basis van een geaccrediteerd opleidingsprogramma of een geaccrediteerde opleidingsverstrekker of van gelijkwaardige kwalificatieregelingen.

3.  De accreditering van het opleidingsprogramma of de opleidingsverstrekker gebeurt door de lidstaat of de door de lidstaat aangeduide administratieve organen. Het accrediteringsorgaan ziet toe op de continuïteit, inclusiviteit en regionale of nationale dekking van de door de opleidingsverstrekker aangeboden programma’s voor opleiding, met inbegrip van om- en bijscholings- en herscholingsprogramma’s.

De opleidingsverstrekker beschikt over passende technische voorzieningen om praktische opleidingen te verstrekken, inclusief voldoende laboratoriumapparatuur, of over overeenkomstige faciliteiten om praktische opleidingen te verstrekken.

De opleidingsverstrekker biedt naast de basisopleiding ook kortere opfris- en bijscholingscursussen aan in de vorm van opleidingsmodules waarmee installateurs en ontwerpers nieuwe competenties kunnen opdoen en hun vaardigheden met betrekking tot verschillende soorten technologie en combinaties daarvan kunnen verbreden en diversifiëren. De opleidingsverstrekker ziet erop toe dat de opleiding wordt aangepast aan nieuwe technologie voor hernieuwbare energie in gebouwen, de industrie en de landbouw. De opleidingsverstrekker erkent verworven relevante vaardigheden.

De opleidingsprogramma’s en -modules worden opgezet met het oog op een leven lang leren op het gebied van installaties voor hernieuwbare energie en sluiten aan bij beroepsopleidingen voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt en volwassenen die zich willen omscholen of op zoek zijn naar een nieuwe baan.

De opleidingsprogramma’s worden zo opgezet dat ze het behalen van kwalificaties op het gebied van verschillende soorten technologie en oplossingen faciliteren, en dat eenzijdige specialisatie in een bepaald merk of een bepaalde technologie wordt voorkomen. De opleidingen mogen worden verstrekt door de fabrikant van de apparatuur of het systeem, of door een instelling of vereniging.”;

c)  punt 5) wordt vervangen door:

“5. De opleiding eindigt met een examen en het uitreiken van een certificaat of kwalificatiebewijs. Het examen omvat een beoordeling van het praktische vermogen van de installateur om ketels of kachels op biomassa, warmtepompen, ondiepe geothermische installaties, installaties voor fotovoltaïsche of thermische zonne-energie, met inbegrip van energieopslag, of oplaadpunten met succes te installeren, zodat aan de vraag kan worden voldaan.”;

d)  ▌punt 6, c), wordt als volgt gewijzigd:

i)  de aanhef wordt vervangen door:

“c) Het theoretisch gedeelte van de opleiding tot installateur van warmtepompen zou een overzicht moeten verschaffen van de marktsituatie van warmtepompen en betrekking hebben op geothermische energiebronnen en de ondergrondtemperaturen in verschillende regio’s, het vaststellen van de thermische geleiding van bodemlagen en rotsen, regelgeving betreffende het gebruik van geothermische energiebronnen, de haalbaarheid van het gebruik van warmtepompen in gebouwen en het bepalen van het meest geschikte warmtepompsysteem, alsook kennis van de technische vereisten en de vereisten inzake veiligheid, luchtfiltering, aansluiting op de warmtebron en systeemontwerp, ook in combinatie met zonne-energie-installaties. De opleiding zou ook moeten zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen voor warmtepompen en van relevant nationaal en Unierecht. De installateur zou moeten aantonen dat hij over de volgende essentiële vaardigheden beschikt:”;

ii)  punt iii) wordt vervangen door:

“iii) het vermogen om in typische installatiesituaties correct gedimensioneerde onderdelen te kiezen, inclusief het bepalen van de typische waarden voor de warmtebelasting van verschillende gebouwen en voor de productie van warm water op basis van energieverbruik, het bepalen van de capaciteit van de warmtepomp voor de warmtebelasting voor warmwaterproductie, voor de opslagmassa van het gebouw en voor de levering van onderbreekbare stroom; het vermogen om oplossingen voor energieopslag te bepalen, onder meer via de buffertank en het volume daarvan en de integratie van een tweede verwarmingssysteem;

iv)  begrip van haalbaarheids- en ontwerpstudies;

v)  begrip van boorwerkzaamheden, in het geval van geothermische warmtepompen.”;

e)  punt 6, d), wordt als volgt gewijzigd:

i)  de aanhef wordt vervangen door:

“d) Het theoretische gedeelte van de opleiding tot installateur van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie zou een overzicht moeten verschaffen van de marktsituatie van zonne-energieproducten en een vergelijking van kosten en baten, en betrekking hebben op ecologische aspecten, onderdelen, kenmerken en de dimensionering van zonne-energiesystemen, de selectie van nauwkeurige systemen en de dimensionering van onderdelen, het bepalen van de vraag naar warmte, opties voor het integreren van oplossingen voor energieopslag, brandbescherming, desbetreffende subsidies, en het ontwerp, de installatie en het onderhoud van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie. De opleiding zou ook moeten zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen inzake deze technologie, en van certificaten zoals Solar Keymark, en het daarmee verband houdende nationale en Unierecht. De installateur zou moeten aantonen dat hij over de volgende essentiële vaardigheden beschikt:”;

ii)  punt ii) wordt vervangen door:

“ii) het vermogen om systemen te identificeren en onderdelen die specifiek zijn voor actieve en passieve systemen, met inbegrip van het mechanische ontwerp, en om de locatie van de onderdelen, het systeemontwerp en de configuratie te bepalen, alsook opties voor het integreren van oplossingen voor energieopslag, onder meer door de combinatie met laadstations.”;

5)  in bijlage V wordt deel C als volgt gewijzigd:

a)  punt 6 wordt vervangen door:

“▌

6.  Voor de doeleinden van de in punt 1, a), bedoelde berekening wordt alleen rekening gehouden met de broeikasgasemissiereducties ten gevolge van verbeterd landbouwbeheer, esca, zoals overschakelen op weinig of geen grondbewerking, betere gewassen en gewasrotatie, het gebruik van groenbemesting, met inbegrip van het beheer van residuen van landbouwgewassen, en het gebruik van biologische bodemverbeteraars, zoals Compost en mestfermentatiedigestaat, indien zij geen risico op negatieve gevolgen voor de biodiversiteit opleveren. Tevens wordt sterk en verifieerbaar bewijs geleverd dat de bodemkoolstof is toegenomen of dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze in de periode waarin de betrokken grondstoffen werden geteeld, is toegenomen, rekening houdend met de emissies wanneer dergelijke praktijken leiden tot toegenomen gebruik van kunstmest en herbiciden*.

__________________

* Metingen van bodemkoolstof kunnen dat bewijs vormen, bv. door een eerste meting vóór de teelt en vervolgens metingen op gezette tijden met tussenpozen van verschillende jaren. In dat geval zou, voordat het resultaat van de tweede meting beschikbaar is, de toename van bodemkoolstof kunnen worden geraamd op basis van representatieve experimenten of bodemmodellen. Vanaf de tweede meting zouden de metingen de basis vormen om vast te stellen of er sprake is van een toename van bodemkoolstof en om te bepalen hoe groot die is.”;

b)  punt 15 wordt vervangen door:

“15. Emissiereductie door het afvangen en vervangen van CO2, eccr, houdt rechtstreeks verband met de productie van de biobrandstoffen of vloeibare biomassa waaraan deze wordt toegeschreven, en wordt beperkt tot emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om CO2 uit fossiele brandstoffen in de productie en levering van commerciële producten en diensten voor 1 januari 2036 te vervangen.”;

c)  punt 18 wordt vervangen door:

“18. Met het oog op de in punt 17 vermelde berekeningen zijn de te verdelen emissies eec + el + esca + fracties van ep, etd, eccs en eccr die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als er in een eerdere stap van het proces van de levenscyclus een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies. In het geval van biobrandstoffen en vloeibare biomassa wordt er met het oog op die berekening rekening gehouden met alle bijproducten die niet onder het toepassingsgebied van punt 17 vallen. ▌

Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud van nul te hebben.

Als algemene regel geldt dat afval en residuen, waaronder alle in bijlage IX opgenomen afvalstoffen en residuen, worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld, ongeacht of ze tot tussenproducten worden verwerkt voordat ze tot eindproducten worden verwerkt. ▌

In het geval van biomassabrandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, andere dan de combinatie van verwerkingsbedrijven met boilers of warmtekrachtinstallaties die warmte en/of elektriciteit leveren aan het verwerkingsbedrijf, is de raffinaderij de analyse-eenheid voor de doeleinden van de in punt 17 bedoelde berekening.”;

6)  in bijlage VI wordt deel B als volgt gewijzigd:

a)  punt 6 wordt vervangen door:

“▌

6.  Voor de doeleinden van de in punt 1, a), bedoelde berekening wordt alleen rekening gehouden met de broeikasgasemissiereducties ten gevolge van verbeterd landbouwbeheer, esca, zoals overschakelen op weinig of geen grondbewerking, betere gewassen en gewasrotatie, het gebruik van groenbemesting, met inbegrip van het beheer van residuen van landbouwgewassen, en het gebruik van biologische bodemverbeteraars, zoals Compost en mestfermentatiedigestaat, indien zij geen risico op negatieve gevolgen voor de biodiversiteit opleveren. Tevens wordt sterk en verifieerbaar bewijs geleverd dat de bodemkoolstof is toegenomen of dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze in de periode waarin de betrokken grondstoffen werden geteeld, is toegenomen, rekening houdend met de emissies wanneer dergelijke praktijken leiden tot toegenomen gebruik van kunstmest en herbiciden*.

___________________

* Metingen van bodemkoolstof kunnen dat bewijs vormen, bv. door een eerste meting vóór de teelt en vervolgens metingen op gezette tijden met tussenpozen van verschillende jaren. In dat geval zou, voordat het resultaat van de tweede meting beschikbaar is, de toename van bodemkoolstof kunnen worden geraamd op basis van representatieve experimenten of bodemmodellen. Vanaf de tweede meting zouden de metingen de basis vormen om vast te stellen of er sprake is van een toename van bodemkoolstof en om te bepalen hoe groot die is.”;

b)  punt 15 wordt vervangen door:

“15. Emissiereductie door het afvangen en vervangen van CO2, eccr, houdt rechtstreeks verband met de productie van biomassabrandstoffen waaraan deze wordt toegeschreven, en wordt beperkt tot emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om CO2 uit fossiele brandstoffen in de productie en levering van commerciële producten en diensten voor 1 januari 2036 te vervangen.”;

c)  punt 18 wordt vervangen door:

“18. Met het oog op de in punt 17 vermelde berekeningen zijn de te verdelen emissies eec + el + esca + fracties van ep, etd, eccs en eccr die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als er in een eerdere stap van het proces van de levenscyclus een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies.

In het geval van biogas en biomethaan wordt er met het oog op die berekening rekening ▌gehouden met alle bijproducten die niet onder het toepassingsgebied van punt 17 vallen. Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud van nul te hebben.

Als algemene regel geldt dat afval en residuen, waaronder alle in bijlage IX opgenomen afvalstoffen en residuen, worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld, ongeacht of ze tot tussenproducten worden verwerkt voordat ze tot eindproducten worden verwerkt. ▌

In het geval van biomassabrandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, andere dan de combinatie van verwerkingsbedrijven met boilers of warmtekrachtinstallaties die warmte en/of elektriciteit leveren aan het verwerkingsbedrijf, is de raffinaderij de analyse-eenheid voor de doeleinden van de in punt 17 bedoelde berekening.”;

7)  in bijlage VII wordt in de definitie van “Qusable” de verwijzing naar artikel 7, lid 4, vervangen door een verwijzing naar artikel 7, lid 3;

8)  bijlage IX wordt als volgt gewijzigd:

a)  in deel A wordt de inleidende zin vervangen door:

“Grondstoffen voor de productie van biogas voor vervoer en geavanceerde biobrandstoffen:”;

b)  in deel B wordt de inleidende zin vervangen door:

“Grondstoffen voor de productie van biobrandstoffen en biogas voor vervoer, waarvan de bijdrage tot het behalen van de in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde streefcijfers wordt beperkt tot:”.

BIJLAGE II

De bijlagen I, II, IV en V bij Richtlijn 98/70/EG worden als volgt gewijzigd:

1)  bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)  voetnoot 1 wordt vervangen door:

“1) De testmethoden komen overeen met de methoden van de norm EN 228:2012+A1:2017. De lidstaten mogen in plaats daarvan de in de norm EN 228:2012+A1:2017 als vervangende norm aangemerkte testmethode gebruiken indien kan worden aangetoond dat deze methode even nauwkeurig en precies is als de testmethode die wordt vervangen.”;

b)  voetnoot 2 wordt vervangen door:

“2) De in de specificatie vermelde waarden zijn “werkelijke waarden”. De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van de norm EN ISO 4259-1:2017/A1:2021 “Petroleum and related products — Precision of measurement methods and results – Part 1: Determination of precision data in relation to methods of test”, terwijl voor het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul (R= reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in de norm EN ISO 4259-2:2017/A1:2019 beschreven criteria.”;

c)  de tekst van voetnoot 6 wordt vervangen door:

“6) Overige monoalcoholen en ethers waarvan het eindkookpunt niet hoger is dan in de norm EN 228:2012 +A1:2017 is vastgesteld.”;

2)  bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)  in de laatste rij van de tabel (“FAME-gehalte – EN 14078”) wordt het getal “7” in de laatste kolom (“Maximum” onder “Grenswaarden”) vervangen door “10”;

b)  de tekst van voetnoot 1 wordt vervangen door:

“1) De testmethoden komen overeen met de methoden van de norm EN 590:2013+A1:2017. De lidstaten mogen in plaats daarvan de in de norm EN 590:2013+A1:2017 als vervangende norm aangemerkte testmethode gebruiken indien kan worden aangetoond dat deze methode even nauwkeurig en precies is als de testmethode die wordt vervangen.”;

c)  de tekst van voetnoot 2 wordt vervangen door:

“2) De in de specificatie vermelde waarden zijn “werkelijke waarden”. De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van de norm EN ISO 4259-1:2017/A1:2021 “Petroleum and related products — Precision of measurement methods and results – Part 1: Determination of precision data in relation to methods of test”, terwijl voor het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul (R= reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in de norm EN ISO 4259-2:2017/A1:2019 beschreven criteria.”;

3)  de bijlagen IV en V worden geschrapt.

(1) PB C 152 van 6.4.2022, blz. 127.
(2) PB C 443 van 22.11.2022, blz. 145.
(3) PB C 301 van 5.8.2022, blz. 184.
(4) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 14 september 2022 (PB C 125 van 5.4.2023, blz. 398).
(5)PB C 152 van 6.4.2022, blz. 127 en PB C 443 van 22.11.2022, blz. 145.
(6)PB C 301 van 5.8.2022, blz. 184.
(7) Standpunt van het Europees Parlement van 12 september 2023.
(8)Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
(9) Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030 (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 22).
(10) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(11) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(12) Richtlijn (EU) .../...van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (PB L ...).
(13)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de richtlijn vervat in document PE-CONS 15/23 (2021/0203(COD)) in te voegen, en het nummer, de datum en de PB-vindplaats van die richtlijn in de voetnoot in te voegen.
(14) Aanbeveling (EU) 2021/1749 van de Commissie van 28 september 2021 over “energie-efficiëntie eerst”: van beginselen tot praktijk – Richtsnoeren en voorbeelden voor de toepassing ervan in de besluitvorming in de energiesector en daarbuiten (OJ L 350, 4.10.2021, p. 9).
(15)Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(16)Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1294 van de Commissie van 15 september 2020 over het financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie (PB L 303 van 17.9.2020, blz. 1).
(17) Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943, en Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013 (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 45).
(18) Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1).
(19) Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
(20) Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
(21) PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.
(22) PB L 104 van 24.4.1992, blz. 7.
(23) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(24) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(25)Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(26) Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot vaststelling van een instrument voor technische ondersteuning (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 1).
(27)Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU (PB ...).
(28)+ PB: gelieve het nummer van de verordening in document PE‑CONS 25/23 (2021/0223(COD)) in de tekst in te voegen en het nummer, de datum, de titel en de vindplaats in het PB van die richtlijn in de voetnoot in te voegen.
(29) Verordening (EU) 2023/… van het Europees Parlement en de Raad van … inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (PB L ...).
(30)++PB: gelieve het nummer van de verordening in document PE‑CONS 2/2023 (2020/0353(COD)) in de tekst in te voegen en het nummer, de datum, de titel en de vindplaats in het PB van die richtlijn in de voetnoot in te voegen.
(31) Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).
(32) Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).
(33)+ PB: het nummer van de verordening in PE-CONS 2/2023 (2020/0353 (COD)) in de tekst invullen.
(34) Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
(35) Verordening (EU) …/... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen in het zeevervoer, en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB …).
(36)+PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening in document PE-CONS 26/23 (2021/0210(COD)) en in de voetnoot het nummer, de datum en de PB-referentie van die verordening in te voegen.
(37) Verordening (EU) …/... van het Europees Parlement en de Raad van ... inzake het waarborgen van een gelijk speelveld voor duurzaam luchtvervoer (ReFuelEU Luchtvaart) (PB L …).
(38)++PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening in document PE-CONS 29/23 (2021/0205(COD)) en in de voetnoot het nummer, de datum, de titel en de PB-referentie van die verordening in te voegen.
(39)+++ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening in te voegen zoals vermeld in document PE-CONS 29/23 (2021/0205(COD)).
(40) Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(41) Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1).
(42) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/996 van de Commissie van 14 juni 2022 betreffende de voorschriften om de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria alsmede de criteria inzake laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik te controleren (PB L 168 van 27.6.2022, blz. 1).
(43) Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).
(44) Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad van 20 april 2015 tot vaststelling van berekeningsmethoden en rapportageverplichtingen overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof (PB L 107 van 25.4.2015, blz. 26).
(45) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(46) Arrest van het Hof van Justitie van 8 juli 2019, Commissie/België, C-543/17, ECLI:EU:C:2019:573.
(47)+ PB: gelieve het nummer van de verordening in document PE‑CONS 25/23 (2021/0223(COD)) in de tekst in te voegen en het nummer, de datum, de titel en de vindplaats in het PB van die richtlijn in de voetnoot in te voegen.
(48)+PB: gelieve het nummer van de verordening in document PE‑CONS 2/23 (2020/0353(COD)) in de tekst in te voegen en het nummer, de datum, de titel en de vindplaats in het PB van die verordening in de voetnoot in te voegen.
(49)++PB: nummer van verordening in PE-CONS 2/23 (2020/0353(COD)) in de tekst invullen.
(50)+++ PB: nummer van verordening in PE-CONS 2/23 (2020/0353(COD)) in de tekst invullen.++++ PB: nummer van verordening in PE-CONS 2/23 (2020/0353(COD)) in de tekst invullen.
(51)+ PB: nummer van verordening in PE-CONS 25/23 (2021/0223(COD)) invullen.
(52)++ PB: nummer van verordening in PE-CONS 25/23 (2021/0223(COD)) in de tekst invullen.
(53)+ PB: nummer van verordening in PE-CONS 2/23 (2020/0353(COD)) invullen.
(54)++ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening in te voegen zoals vermeld in document PE-CONS 25/23 (2021/0223(COD)).
(55)+ PB: gelieve het nummer van de richtlijn in document PE‑CONS 15/23 (2020/0203(COD)) in de tekst in te voegen en het nummer, de datum, de titel en de vindplaats in het PB van die richtlijn in de voetnoot in te voegen.


Consumentenkrediet
PDF 123kWORD 55k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenkrediet (COM(2021)0347 – C9-0244/2021 – 2021/0171(COD))
P9_TA(2023)0304A9-0212/2022

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0347),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0244/2021),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 oktober 2021(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 26 april 2023 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A9-0212/2022),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2023 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2023/... van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/48/EG

P9_TC1-COD(2021)0171


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2023/2225.)

(1) PB C 105 van 4.3.2022, blz. 92.


Bescherming van geografische aanduidingen voor ambachtelijke en industriële producten
PDF 125kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van geografische aanduidingen voor ambachtelijke en industriële producten en tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2017/1001 en (EU) 2019/1753 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit (EU) 2019/1754 van de Raad (COM(2022)0174 – C9-0148/2022 – 2022/0115(COD))
P9_TA(2023)0305A9-0049/2023

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0174),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 118, lid 1, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0148/2022),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2022(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 11 oktober 2022(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 24 mei 2023 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie interne markt en consumentenbescherming,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0049/2023),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2023 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2023/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van geografische aanduidingen voor ambachtelijke en industriële producten en tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2017/1001 en (EU) 2019/1753

P9_TC1-COD(2022)0115


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2023/2411.)

(1)PB C 486 van 21.12.2022, blz. 129.
(2)PB C 498 van 30.12.2022, blz. 57.


Het systeem van Europese Scholen: stand van zaken, uitdagingen en perspectieven
PDF 156kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het systeem van Europese Scholen: stand van zaken, uitdagingen en perspectieven (2022/2149(INI))
P9_TA(2023)0306A9-0205/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag houdende het Statuut van de Europese scholen(1),

–  gezien de studie van 9 juni 2022 die is uitgevoerd voor de Commissie cultuur en onderwijs, getiteld “The European Schools system: State of Play, Challenges and Perspectives”(2),

–  gezien het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling van december 2022 getiteld “PISA for Schools: How The European Schools Compare Internationally 2022”,

–  gezien het eindverslag 2022 van het Europees Agentschap voor bijzondere onderwijsbehoeften en inclusief onderwijs getiteld “External Evaluation of the Implementation of the European Schools’ Action Plan on Educational Support and Inclusive Education”,

–  gezien het verslag van de Europese Rekenkamer van 25 november 2022 getiteld “Verslag over de jaarrekening van de Europese Scholen betreffende het begrotingsjaar 2021”,

–  gezien de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten(3),

–  gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over het systeem van de Europese scholen(4),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2021 over de Europese onderwijsruimte: een gedeelde holistische benadering(5),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2022 getiteld “De Europese onderwijsruimte tot stand brengen tegen 2025 – microcredentials, individuele leerrekeningen, en leren voor een duurzaam milieu”(6),

–  gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over de vormgeving van beleid inzake digitaal onderwijs(7),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2016 over de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met speciale aandacht voor de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap(8),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A9-0205/2023),

A.  overwegende dat het systeem van de Europese scholen (ESS) een uniek systeem is dat sinds zijn oprichting in de jaren vijftig zijn kracht en kwaliteiten heeft bewezen, zoals blijkt uit de erkenning van het Europees baccalaureaat in alle lidstaten en de voortdurende groei van het aantal geaccrediteerde Europese scholen; overwegende dat elke EU-burger de mogelijkheid moet hebben om van dergelijk onderwijs gebruik te maken;

B.  overwegende dat iedereen de mogelijkheid moet hebben om gebruik te maken van het soort onderwijs dat door het ESS wordt geboden en dat elk schoolsysteem in de hele Europese Unie de kans moet krijgen te profiteren van de pedagogische expertise van het ESS;

C.  overwegende dat het ESS, doordat het de onderwijsstelsels van de lidstaten - door middel van parallelle taalafdelingen - combineert met een sterke Europese dimensie, saamhorigheid en culturele identiteit, meertalig onderwijs en aandacht voor wetenschap, technologie, techniek, kunst en wiskunde, alsook pedagogische vernieuwingen, een laboratorium en expertisebron vormt voor onderwijshervorming, onder meer voor de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte;

D.  overwegende dat het ESS volledig afgestemd moet zijn op het onderwijsbeleid van de Europese Unie; overwegende dat een centrale doelstelling van het ESS erin bestaat de mobiliteit en de overdracht naar en van alle nationale onderwijsstelsels te vergemakkelijken, waarbij de lidstaten moeten zorgen voor een eerlijke en gelijke omzetting van de leerresultaten van het ESS;

E.  overwegende dat de bestuursstructuur van het ESS het voordeel heeft dat er een rechtstreekse band met de lidstaten blijft bestaan, maar dat deze structuur moet worden hervormd omdat er duidelijke beperkingen zijn op het gebied van besluitvorming, veranderingsmanagement en structurele uitwisseling van goede praktijken met nationale onderwijsstelsels;

F.  overwegende dat de reikwijdte van de rol van de Commissie in het ESS moet worden vergroot en ook de vormen van haar optreden moeten worden uitgebreid, aangezien haar betrokkenheid momenteel beperkt is tot begrotingsaangelegenheden, waardoor de even belangrijke aspecten op het gebied van onderwijs, werking en personele middelen buiten beschouwing worden gelaten;

G.  overwegende dat het huidige systeem voor de aanwerving van leerkrachten in het ESS ernstige tekortkomingen vertoont, met als gevolg een slechte afstemming tussen de behoeften ter plaatse en het daadwerkelijk door de lidstaten gedetacheerde personeel, problemen met de jaarlijkse aanwervingsplannen, moeilijkheden om gekwalificeerde leraren en personeel te vinden, onzekere arbeidsomstandigheden voor lokaal aangeworven leerkrachten en ander educatief personeel, en problemen met bij- en nascholing; overwegende dat de aantrekkelijkheid van het ESS in de onderwijsgemeenschap moet worden vergroot;

H.  overwegende dat het ESS weliswaar vooruitgang heeft geboekt op het gebied van de inclusie van studenten met speciale behoeften, een handicap of leerverschillen, maar dat er een gebrek aan psychologische ondersteuning is en dat er steeds meer behoefte is aan intensieve ondersteuning; overwegende dat communicatie en adequate werkgelegenheidspakketten van cruciaal belang zijn om ervoor te zorgen dat onderwijzend en psychologisch personeel studenten kwaliteitsvolle, op maat gesneden en blijvende ondersteuning biedt;

I.  overwegende dat het ESS tot taak heeft ervoor te zorgen dat alle EU-talen, met inbegrip van kleine talen, op gelijke voet worden behandeld, en de taalkundige en culturele diversiteit te bevorderen en tegelijkertijd de Europese dimensie van het leren te versterken; overwegende dat de plannen om tegen 2028 alle taalafdelingen in zowel de lagere als de secundaire cyclus in Brussel vertegenwoordigd te hebben, moeten worden toegejuicht;

J.  overwegende dat ouders een sleutelrol spelen in de scholen, onder meer door buitenschoolse activiteiten te organiseren en vervoer en andere diensten aan te bieden, en worden vertegenwoordigd door specifieke ouderverenigingen;

K.  overwegende dat EU-middelen het grootste deel van de ESS-begroting uitmaken, wat inhoudt dat het Parlement het beheer en de werking van het ESS strenger moet controleren en dat de door de EU vastgelegde doelstellingen en investeringsprioriteiten op het gebied van onderwijs beter tot uiting moeten komen in het ESS;

L.  overwegende dat sommige gastlanden, die verantwoordelijk zijn voor het ter beschikking stellen en onderhouden van schoolgebouwen, te weinig verantwoording moeten afleggen, wat met name in Brussel tot ernstige problemen heeft geleid, waar de scholen kampen met overbezetting; overwegende dat deze problemen ingrijpende gevolgen hebben gehad voor het onderwijsniveau, organisatorische aspecten en de veiligheid, de beveiliging en het welzijn van leerlingen en personeel;

Stand van zaken en toekomstvisie

1.  benadrukt dat een kritische, grondige beoordeling van alle aspecten van het ESS nodig is, en dat hervormingen moeten worden doorgevoerd om het systeem toekomstbestendig te maken, het meer bekendheid te geven en ervoor te zorgen dat het als model kan dienen voor de uitwisseling van goede praktijken tussen onderwijsstelsels;

2.  roept de raad van bestuur van de Europese scholen op de missie, beginselen en doelstellingen van het ESS te actualiseren in de vorm van een nieuw “ESS-handvest”, dat geschikt is voor de 21e eeuw en een nieuwe impuls geeft aan het systeem en realistische doelstellingen biedt waaraan het kan worden getoetst, waarbij wordt voortgebouwd op zowel eigen als externe expertise; dringt erop aan dit nieuwe ESS-handvest uiterlijk eind 2024 in te voeren;

3.  verzoekt de Commissie de rol van het ESS bij de oprichting van de Europese onderwijsruimte te evalueren, ook wat betreft het leren van talen en een sterke Europese dimensie van het leren, en bij de automatische wederzijdse erkenning van diploma’s in de gehele EU, op basis van het gevestigde model van het Europees baccalaureaat;

4.  dringt aan op een meer geïntegreerde en actievere rol voor de Commissie, met name wat betreft de onderlinge koppeling van het ESS en de Europese onderwijsruimte; spreekt de uitdrukkelijke wens uit dat het directoraat-generaal Onderwijs, Jeugdzaken, Sport en Cultuur nauw betrokken wordt bij de betrekkingen van de Commissie met het ESS;

5.  dringt aan op meer verantwoording en transparantie, aangescherpt parlementair toezicht en controle en betere communicatie om de zichtbaarheid en de kennis van het ESS en het Europees baccalaureaat op alle niveaus te vergroten;

6.  herinnert de lidstaten aan hun verplichting om op grond van het Verdrag houdende het statuut van de Europese scholen niet-discriminerende toelating tot universiteiten te verlenen en te handhaven en ervoor te zorgen dat ook studenten zonder taalafdeling volledig onderwijs en academische vorderingskansen krijgen; verzoekt de raad van bestuur en de lidstaten te zorgen voor een eerlijke en gelijke omzetting van de leerresultaten van het ESS en het Europees baccalaureaat in hun equivalentietabellen en de nodige rectificaties in de nationale omzettingssystemen door te voeren om volledig te voldoen aan het beginsel van gelijke behandeling en ervoor te zorgen dat alle studenten probleemloos naar om het even welke lidstaat kunnen overschakelen;

7.  dringt aan op nauwere betrekkingen tussen het ESS en lokale, regionale en nationale onderwijsecosystemen, met name door de uitwisseling van goede praktijken en door samenwerking op het gebied van programma’s en activiteiten met partnerscholen uit nationale systemen;

Governance, beheer en juridische kwesties

8.  verzoekt de Commissie om vóór eind 2024 onder leiding van een onafhankelijke voorzitter en in samenwerking met het bureau van de secretaris-generaal van de Europese scholen (OSG) en de raad van bestuur een grondige evaluatie uit te voeren van de bestuurs- en beheersstructuren in het gehele ESS en in elke afzonderlijke school, en bij deze evaluatie de bestaande rollen, verantwoordelijkheden en structuren op alle niveaus te onderzoeken, de onafhankelijkheid van functies en mogelijke belangenconflicten te beoordelen en regelgevingskwesties te identificeren die een belemmering vormen voor het ESS;

9.  dringt erop aan de besluitvorming van de raad van bestuur te stroomlijnen en flexibeler te maken aan de hand van een alternatief stemsysteem met meer overleg met belanghebbenden van het ESS, zodat de raad van bestuur beter kan inspelen op de behoeften van de scholen; dringt bovendien aan op nauwkeurige communicatie van besluiten binnen het ESS;

10.  vraagt om duidelijke verantwoordelijkheden, transparante besluitvorming, tweejaarlijkse prestatiebeoordelingen en opleidings- en ontwikkelingsplannen voor al het kaderpersoneel, met inbegrip van een gestructureerde inductie, op centraal en schoolniveau;

11.  verzoekt het OSG en de raad van bestuur-trojka om vanaf 2024, in samenwerking met alle belanghebbenden van het ESS, een gedetailleerd, gezamenlijk jaarverslag over het ESS aan het Parlement voor te leggen, zodat het Parlement de voortgang van de hervormingen en de doelstellingen kan volgen, kritieke kwesties kan signaleren en een permanente rol kan spelen bij het toezicht en het veranderingsmanagement;

12.  vraagt de raad van bestuur om:

   (a) de toepasselijkheid van primaire en secundaire EU-wetgeving op het ESS te verduidelijken;
   (b) de naleving van de gezondheids-, veiligheids- en beveiligingsnormen in de scholen te beoordelen;
   (c) ervoor te zorgen dat de contractuele en arbeidsvoorwaarden van lokaal aangeworven leerkrachten volledig in overeenstemming zijn met de arbeidswetgeving en -beginselen van de EU en de lidstaten;
   (d) het personeelsstatuut en de algemene regels van de Europese scholen te wijzigen om de bevoegdheden van de kamer van beroep ten aanzien van de nationale rechterlijke instanties uitdrukkelijk te verduidelijken, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er geen lacunes inzake juridische bescherming zijn;
   (e) een onafhankelijke ombudspersoon aan te stellen om klachten over wanbeheer aan te pakken en te bemiddelen bij conflicten; en
   (f) een gedragscode voor het schoolbestuur op alle niveaus te ontwikkelen;

13.  verzoekt om een herziening van het mandaat van de Europese Rekenkamer en de dienst Interne Audit van de Commissie om jaarlijkse adviezen en aanbevelingen te verstrekken over verschillende aspecten van het ESS, en vraagt dat deze adviezen en aanbevelingen worden gepresenteerd als onderdeel van de beraadslagingen over het gezamenlijk jaarlijks ESS-verslag aan het Parlement;

Middelen, infrastructuur en personeel

14.  verzoekt de lidstaten met klem hun verplichtingen jegens het ESS volledig na te komen, met name wat betreft de detachering van gekwalificeerde leraren en ander educatief personeel en het ter beschikking stellen van adequate infrastructuur (geschikte lokalen, onderhoud daarvan en verbeteringen), en dringt aan op een bindend systeem van directe financiële bijdragen om zowel het ESS als de lidstaten meer flexibiliteit en zekerheid te bieden;

15.  roept, in het licht van de geplande evaluatie van de huidige kostendelingsovereenkomst in het schooljaar 2025-2026, op tot de oprichting, uiterlijk medio 2025, van een speciale taskforce, bestaande uit vertegenwoordigers van alle partijen die bijdragen aan de begroting van het ESS en met deelname van relevante pedagogische deskundigen van het OSG, de Commissie en de lidstaten, met een mandaat om concrete voorstellen te doen voor het oplossen van kritieke financieringsproblemen en een alomvattend, adequaat en duurzaam kostendelingsmodel te ontwikkelen dat het ESS in staat zal stellen zijn opdracht overeenkomstig het nieuwe “ESS-handvest” te vervullen;

16.  moedigt de gastlidstaten aan ESS-infrastructuur op te nemen in alle nationale investeringsplannen voor schoolinfrastructuur; verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken om ervoor te zorgen dat het ESS kan profiteren van de komende uitbetalingen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit aan de lidstaten, en daarbij rekening te houden met komende evaluaties van nationale plannen en met relevante actualiseringen, zoals actualiseringen in verband met de RePowerEU-hoofdstukken;

17.  roept de raad van bestuur op de aanhoudende lerarentekorten met spoed op te lossen en te zorgen voor een stabiele en eerlijke werkgelegenheidssituatie voor iedereen door personeel te behouden en het personeelsverloop te beperken, zodat ook een braindrain wordt voorkomen; vraagt in dit verband om extra middelen en om een versterkt en billijk werkgelegenheidspakket voor zowel gedetacheerd als lokaal aangeworven personeel, met een concurrerende beloning, meer gelijke salarissen voor kleuter-, basis- en middelbaar onderwijs, duidelijkheid over de arbeidsstatus en -stabiliteit, bij- en nascholing en verdere loopbaanvooruitzichten in en buiten het ESS;

18.  dringt erop aan dat zowel leerkrachten als scholen een grotere mate van autonomie krijgen zodat zij beter kunnen inspelen op specifieke behoeften en situaties, waarbij er strikt voor moet worden gezorgd dat deze grotere autonomie gepaard gaat met sterkere beoordelings- en verantwoordingsmechanismen, zodat geharmoniseerde normen worden gewaarborgd;

19.  dringt erop aan dat op scholen extra posten voor het middenkader worden ingevoerd die toegespitst zijn op hoogwaardige onderwijsmethoden en leerplannen, en dat alle nationale detacheringsprocedures transparanter en opener worden;

20.  erkent en stimuleert het werk van de schoolgemeenschap, met name ouders, in het schoolleven, zoals het aanbieden van buitenschoolse activiteiten, en benadrukt dat de activiteiten van de scholen moeten worden gemonitord om goed beheer, passende pedagogische kwalificaties, betaalbaarheid en inclusiviteit te waarborgen; herinnert eraan dat het Verdrag ouders een rol toekent in het bestuur van het ESS en vraagt dat deze rol naar behoren wordt erkend;

21.  dringt aan op een snelle jaarlijkse herziening van het inschrijvingsbeleid en het schoolgeld om ervoor te zorgen dat alle leerlingen van categorie 1 een plaats hebben, op een verbreding van de sociaaleconomische mix door het ESS open te stellen voor meer categorieën leerlingen, en op de benutting van het volledige potentieel van de geaccrediteerde Europese scholen, onder meer om de overbezetting aan te pakken; benadrukt het belang van strikte toepassing van de regels inzake broers en zussen en dringt erop aan dat juridische kosten ouders of wettelijke voogden er niet van mogen weerhouden beroep aan te tekenen tegen beslissingen van de centrale inschrijvingsautoriteit die inbreuk maken op de inschrijvingsregels;

22.  verzoekt de raad van bestuur voorts te werken aan een ambitieus en regelmatig geactualiseerd ESS-mobiliteitsplan op alle niveaus om het schoolvervoer efficiënter, betaalbaarder, toegankelijker en groener te maken;

Educatieve en pedagogische kwaliteit

23.  verzoekt de raad van bestuur de educatieve en pedagogische normen te versterken door:

   (a) een taskforce met relevante pedagogische expertise op te richten om open, transparant en regelmatig overleg met belanghebbenden te plegen en de kwaliteitsborgingsaanpak die in het kader van de hervorming van de Europese scholen van 2009 is ingevoerd, te herzien en er daarbij voor te zorgen dat deze herziening medio 2024 wordt afgerond, daarna regelmatig wordt bijgewerkt, vergezeld gaat van duidelijke indicatoren en wordt gemonitord en geëvalueerd;
   (b) een versterkte en verantwoordingsplichtige inspectieregeling in te voeren, met onder meer een kwaliteitsborgingseenheid binnen het OSG, bestaande uit permanente en gedetacheerde inspecteurs, vakspecifieke inspecties en follow-upprocedures die ook de geaccrediteerde Europese scholen omvatten;
   (c) de rol van de eenheid pedagogische ontwikkeling van het OSG en het gemengd onderwijscomité te versterken; en
   (d) de deelname van het ESS aan EU-programma’s en -initiatieven zoals de Erasmus+-lerarenacademies en de Europese onderwijsruimte te waarborgen;

24.  roept de raad van bestuur en het OSG op om uiterlijk eind 2024 een strategie voor bij- en nascholing en een inductieprogramma voor leraren en educatief personeel in het hele ESS te ontwikkelen, en dringt aan op een brede benadering van bij- en nascholing, onder meer op het gebied van vakken en methoden, om de loopbaanmogelijkheden te verruimen en collectieve efficiëntie en formele structuren op te bouwen die leraren ondersteunen bij het ontwikkelen, uitvoeren, evalueren en uitwisselen van pedagogische beste praktijken en materialen in klaslokalen en het systeem als geheel;

25.  dringt erop aan dat de lidstaten het potentieel van ervaren ESS-docenten om opleiders en mentoren te worden ten volle benutten in nationale systemen, verzoekt de raad van bestuur hiervoor stimulansen en richtsnoeren vast te stellen, en benadrukt de rol die het ESS moet spelen bij het opzetten van een Europese module voor docenten, die moet worden opgenomen in de initiële opleiding van docenten in de gehele EU;

26.  benadrukt dat scholen het potentieel van gepersonaliseerd leren moeten benutten; verzoekt de raad van bestuur de bestaande kaders te versterken en een samenhangend, uniform en systematisch inclusiebeleid in het hele ESS toe te passen dat voorziet in hoogwaardig inclusief onderwijs, uitsluiting als gevolg van een handicap voorkomt, redelijke aanpassingen waarborgt, de verhouding tussen leerkrachten en studenten aanpast, een flexibel leerplan hanteert, het aantal gekwalificeerd onderwijzend personeel en personeel voor psychologische ondersteuning aanzienlijk verhoogt en oriëntatie- en begeleidingsdiensten aanbiedt; dringt erop aan vooruitgang te boeken op het gebied van de erkenning van de leerresultaten van studenten met bijzondere behoeften, een handicap of leerverschillen met certificering of een diploma aan het einde van hun studie als zij het Europees baccalaureaat niet afleggen; moedigt de invoering aan van een integratie-index in het ESS;

27.  verzoekt de raad van bestuur en het OSG een veilige leeromgeving te bevorderen waarin geen enkele vorm van geweld is toegestaan, en de strijd tegen pesten en cyberpesten in het ESS op te voeren door een geharmoniseerde aanpak voor de hele school te ontwikkelen, met inbegrip van bewustmaking, opleiding, richtsnoeren voor de aanpak van offline en online pesten, de bevordering van een systeem voor collegiale ondersteuning met actieve en goed opgeleide leerkrachten en ouders, en een duidelijk en afdwingbaar sanctiesysteem op alle niveaus;

28.  verzoekt de raad van bestuur en het OSG de opname van modules voor beroepsonderwijs en -opleiding in het ESS te beoordelen, partnerschappen met instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding aan te gaan en de mogelijkheid van oprichting van geaccrediteerde Europese scholen voor beroepsonderwijs en -opleiding in geheel de Europese Unie te onderzoeken;

29.  dringt erop aan dat alle leerlingen, niet alleen in hun moedertaal, maar ook leerlingen zonder taalafdeling in zowel de lagere als de secundaire cyclus een volledige en hoogwaardige onderwijservaring kunnen opdoen; verzoekt de raad van inspecteurs leerlingen, leerkrachten en ouders te raadplegen over de gevolgen van het verminderen van het aantal lessen en vakken of van het samenvoegen van verschillende klassenniveaus wanneer het aantal leerlingen onder de drempel ligt;

30.  verzoekt de raad van inspecteurs het onderwijs in de tweede en de derde taal periodiek te herzien op basis van de meest recente pedagogische richtsnoeren voor de invoering van lezen en schrijven in het vroege onderwijs, coöperatieve onderwijsmethoden en de geschiktheid van gedifferentieerd leren, om ervoor te zorgen dat leerlingen van alle leeftijden met plezier talen kunnen leren;

31.  dringt aan op een grotere mobiliteit van studenten en leerkrachten binnen het ESS en naar en van andere schoolsystemen en op actualisering van de bestaande leerplannen om de Europese dimensie verder te versterken, bijvoorbeeld door de Europese-geschiedenissyllabus, met inbegrip van de rol van minderheden, te herzien, door burgerschapsvorming als zelfstandig vak te onderwijzen, door “Europese uren” op alle onderwijsniveaus te integreren, met bijzondere aandacht voor het belang van het Europees erfgoed en de Europese waarden, en door ondernemerschap en zachte vaardigheden te ontwikkelen; dringt erop aan het huidige aanbod van godsdienst- en ethisch onderwijs te handhaven;

32.  verzoekt de raad van bestuur milieueducatie en digitaal onderwijs in het ESS te stimuleren, onder meer door het Europees competentiekader voor duurzaamheid en het kader voor digitale vaardigheden ten uitvoer te leggen; benadrukt dat het onderwijzen van groene en digitale vaardigheden moet worden verbeterd en dringt er bij het ESS op aan deel te nemen aan initiatieven zoals het Europees certificaat voor digitale vaardigheden, en tegelijkertijd traditionele leermethoden met gebruikmaking van gedrukte boeken te blijven waarderen en digitale uitsluiting te bestrijden;

33.  stelt de oprichting van een jaarlijks feestelijk evenement voor om pedagogische beste praktijken uit te wisselen, kennis onder scholen, leraren en studenten te bundelen en hun werk en projecten aan het bredere systeem te tonen, waarbij nationale onderwijsvertegenwoordigers worden uitgenodigd om het ESS meer bekendheid te geven;

34.  dringt aan op de oprichting van een formele ESS-alumnigemeenschap en maatregelen om de bekendheid ervan te vergroten, alsook op het verzamelen van gegevens over de onderwijstrajecten van studenten na het afstuderen, met een mandaat voor het OSG om geanonimiseerde informatie te verzamelen;

Vooruitzichten

35.  wenst dat de financiële bijdragen van de EU aan het ESS als afzonderlijke begrotingslijn in toekomstige EU-begrotingen worden opgenomen, teneinde de transparantie te vergroten, strategische planning te waarborgen en de parlementaire controle in het kader van de kwijtingsprocedure te vergemakkelijken, en wenst dat het ESS wordt opgenomen in de verdere ontwikkeling van de Europese onderwijsruimte en dat beide nauw met elkaar gaan samenwerken;

36.  spreekt de wens uit dat het ESS een voorbeeld wordt voor meertalig en multicultureel onderwijs van hoge kwaliteit in Europa en daarbuiten, en laat zien dat “eenheid in verscheidenheid” ook in het onderwijs realiteit kan zijn; verzoekt alle belanghebbenden als medeontwikkelaars aan dat doel te werken, onder meer door intensievere samenwerking met de geaccrediteerde Europese scholen, waarvan de integratie en de ontwikkeling voor het hele systeem van cruciaal belang zijn; dringt aan op een herbeoordeling van de geaccrediteerde Europese scholen om na te gaan hoe het toepassingsgebied van het ESS tot alle lidstaten kan worden uitgebreid door flexibelere procedures en vereisten voor de accreditatie van scholen in te voeren en tegelijkertijd de kwaliteitsborging en -inspectie te verbeteren;

37.  wenst dat het Europees Parlement in de raad van bestuur wordt vertegenwoordigd, en verzoekt een onafhankelijk, extern orgaan van deskundigen alternatieve bestuursmodellen te onderzoeken en voor te stellen, waaronder een herziening van het Verdrag houdende het statuut van de Europese scholen en de mogelijkheid om de intergouvernementele juridische status van de scholen te vervangen door een supranationaal Europees model;

o
o   o

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 212 van 17.8.1994, blz. 3.
(2) Studie – “The European Schools system: State of Play, Challenges and Perspectives”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling B – Structuur- en Cohesiebeleid, 9 juni 2022.
(3) PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10.
(4) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 14.
(5) PB C 205 van 20.5.2022, blz. 17.
(6) PB C 479 van 16.12.2022, blz. 65.
(7) PB C 494 van 8.12.2021, blz. 2.
(8) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 138.


Genetisch gemodificeerde maïs MON 87419
PDF 216kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 87419 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D090109/03 – 2023/2759(RSP))
P9_TA(2023)0307B9-0362/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 87419 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D090109/03),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de stemming van 1 juni 2023 in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd, en de stemming van 6 juli 2023 in het comité van beroep, die evenmin een advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 30 november 2022 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) is goedgekeurd en op 20 januari 2023 is gepubliceerd(3),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (“ggo’s”)(4),

–  gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A.  overwegende dat op 31 maart 2017 Monsanto N.V., gevestigd in België, namens Monsanto Company, gevestigd in de Verenigde Staten, bij de bevoegde nationale instantie van Nederland en overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag heeft ingediend (hierna “de aanvraag” genoemd) voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 87419 (hierna “de genetisch gemodificeerde mais” genoemd); overwegende dat de aanvraag tevens betrekking heeft op het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit de genetisch gemodificeerde mais voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de EFSA op 30 november 2022 een positief advies heeft goedgekeurd met betrekking tot de aanvraag voor het in de handel brengen van de genetisch gemodificeerde mais, en dat dit advies op 20 januari 2023 werd gepubliceerd;

C.  overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais werd ontwikkeld om tolerantie te verkrijgen voor herbiciden op basis van glufosinaat en dicamba;

Gebrekkige beoordeling van het complementaire herbicide

D.  overwegende dat de overgrote meerderheid van genetisch gemodificeerde gewassen zodanig genetisch wordt gemodificeerd dat deze gewassen tolerant worden gemaakt voor een of meer “complementaire” herbiciden die gedurende de gehele teelt van het genetisch gemodificeerde gewas kunnen worden gebruikt zonder dat het gewas sterft, zoals het geval zou zijn bij een niet-herbicidetolerant gewas; overwegende dat in diverse studies is aangetoond dat de teelt van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen leidt tot een toename van het gebruik van complementaire herbiciden, voornamelijk vanwege het ontstaan van herbicidetolerant onkruid(5);

E.  overwegende dat herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen een lock-in veroorzaken waarbij landbouwers afhankelijk worden van een onkruidbeheersysteem dat grotendeels of volledig berust op het gebruik van herbiciden, doordat er voor genetisch gemodificeerd zaad een premie wordt aangerekend die alleen kan worden gerechtvaardigd als landbouwers die dit zaad kopen ook sproeien met het complementaire herbicide; overwegende dat een grotere afhankelijkheid van herbiciden op landbouwbedrijven die herbicidetolerante gewassen aanplanten, de opkomst en verspreiding van herbicideresistent onkruid versnelt, waardoor er nog meer herbiciden moeten worden gebruikt; overwegende dat als gevolg daarvan de negatieve effecten van de buitensporige afhankelijkheid van herbiciden op de bodemgezondheid, de waterkwaliteit en de boven- en ondergrondse biodiversiteit nog zullen verslechteren en zullen leiden tot een grotere blootstelling van mens en dier, mogelijk ook door een toename van residuen van herbiciden op levensmiddelen en diervoeders;

F.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld als vergiftig voor de voortplanting, categorie 1B, en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad(6); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat voor gebruik in de Unie op 31 juli 2018 is verstreken(7);

G.  overwegende dat dicamba uiterst volatiel is, wat betekent dat het meteen na gebruik geneigd is te verdampen en in de lucht terecht te komen, om vervolgens te worden meegevoerd met de wind tot het weer op de bodem neerdaalt, waardoor mensen en niet-doelplanten, wijnstokken, bomen en struiken worden blootgesteld aan potentiële en ernstige schade, met name wanneer blootstelling zich gedurende meerdere jaren voordoet;

H.  overwegende dat dicambawolken die overwaaien en schade berokkenen aan nabijgelegen gewassen, bomen en wijnstokken zijn uitgegroeid tot een probleem dat bijzonder veel verdeeldheid zaait, waarbij de ene groep landbouwers lijnrecht tegenover andere landbouwers en buurtbewoners komt te staan, met tal van rechtszaken over verloren gegane gewassen en herbeplantingskosten tot gevolg; overwegende dat een leider in de sojaboonzaadsector in de Verenigde Staten heeft verklaard dat hij “in zijn hele leven nooit zo’n grote schade heeft gezien als de schade die dicamba heeft toegebracht aan de Amerikaanse landbouw”(8); overwegende dat er sinds de invoering van een nieuw systeem van dicambatolerante genetisch gemodificeerde sojabonen en katoengewassen in de Verenigde Staten in 2018 tienduizenden klachten over ernstige schade als gevolg van dicamba aan gewassen, bomen en andere vegetatie zijn ingediend bij de nationale regelgevende instanties, wat heeft geleid tot steeds strengere limieten om te bepalen wanneer en hoe dicamba in het daaropvolgende groeiseizoen kan worden gesproeid;

I.  overwegende dat een klinisch onderzoeksproject dat plaatsvindt in ziekenhuizen in de “Heartland”-regio van de Verenigde Staten, die 13 staten omvat, bedoeld is om vast te stellen of de toenemende prenatale blootstelling aan herbiciden, waaronder dicamba, frequentere en/of ernstigere negatieve geboortecijfers veroorzaakt of ertoe bijdraagt dat de ontwikkeling van kinderen wordt verstoord;

J.  overwegende dat uit gegevens van dit onderzoeksproject blijkt dat ongeveer driemaal meer vrouwen aan dicamba worden blootgesteld als gevolg van de wijdverbreide aanplanting van dicambatolerante sojabonen, en dat het gemiddelde gehalte aan dicamba in urinestalen meer dan verdrievoudigd is als gevolg van het aanplanten en besproeien van dicambatolerante sojabonen(9); overwegende dat de financiers van de studie, gezien de recente en dramatische toename van de blootstelling van mensen aan dicamba, er bij het Environmental Protection Agency op hebben aangedrongen de waarschijnlijkheid en de niveaus van blootstelling van de mens aan dicamba door inademing opnieuw te beoordelen, met bijzondere aandacht voor de risico’s van schadelijke geboorte- en ontwikkelingsresultaten(10);

K.  overwegende dat uit een studie uit 2020 die is gepubliceerd in het intercollegiaal getoetste tijdschrift International Journal of Epidemiology, is gebleken dat een intensief gebruik van dicamba het risico vergroot op de ontwikkeling van leverkanker en intrahepatische galwegenkanker bij mensen die het product gebruiken; overwegende dat in de studie wordt gesteld dat de recente goedkeuring van genetisch gemodificeerde gewassen die dicamba-resistent zijn, de komende jaren naar verwachting zal leiden tot een toename van het gebruik van dicamba in de landbouw(11);

L.  overwegende dat de beoordeling van residuen van herbiciden en hun metabolieten in genetisch gemodificeerde gewassen wordt beschouwd als een kwestie die niet binnen de bevoegdheid van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen valt en daarom geen deel uitmaakt van de vergunningsprocedure voor ggo’s;

Het nakomen van de internationale verplichtingen van de Unie

M.  overwegende dat in een verslag uit 2017 van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties (VN) voor het recht op voedsel is vastgesteld dat gevaarlijke bestrijdingsmiddelen catastrofale gevolgen hebben voor de volksgezondheid, met name in ontwikkelingslanden(12); overwegende dat duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) 3.9 van de VN erin bestaat om tegen 2030 het aantal sterfgevallen en ziekten als gevolg van gevaarlijke chemische stoffen en de vervuiling en verontreiniging van lucht, water en bodem in aanzienlijke mate te verminderen(13);

N.  overwegende dat het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal (“kader van Kunming-Montreal”), dat in december 2022 tijdens de COP15 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit (VBD) is overeengekomen, een mondiale doelstelling omvat om het risico van pesticiden tegen 2030 met ten minste 50 % te verminderen(14);

O.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 is bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders geen negatieve effecten mogen hebben op de menselijke gezondheid, de diergezondheid of het milieu, en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit rekening moet houden met eventuele relevante bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren; overwegende dat dergelijke ter zake dienende factoren de verplichtingen van de Unie in het kader van de SDG’s van de VN en het VBD van de VN moeten omvatten;

Niet-democratische besluitvorming

P.  overwegende dat de stemming op 1 juni 2023 in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd, wat betekent dat er voor het verlenen van een vergunning geen gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten werd gevonden; overwegende dat de stemming van 6 juli 2023 in het comité van beroep evenmin een advies heeft opgeleverd;

Q.  overwegende dat het Parlement tijdens zijn achtste zittingsperiode in totaal 36 resoluties heeft aangenomen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het in de handel brengen van ggo’s voor gebruik als levensmiddelen en diervoeders (33 resoluties) en tegen de teelt van ggo’s in de Unie (drie resoluties); overwegende dat het Parlement in zijn negende zittingsperiode reeds 32 resoluties heeft aangenomen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het in de handel brengen van ggo’s; overwegende dat bij geen van deze ggo’s een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten voor het verlenen van een vergunning was; overwegende dat de lidstaten de vergunningverlening voor deze ggo’s niet steunden omdat zij onder andere van mening waren dat tijdens de vergunningsprocedure het voorzorgsbeginsel niet werd nageleefd en omdat zij wetenschappelijke bedenkingen hadden in verband met de risicobeoordeling;

R.  overwegende dat de Commissie zich bewust is van de democratische tekortkomingen, het gebrek aan steun van de lidstaten en de bezwaren van het Parlement, maar desondanks vergunningen blijft verlenen voor ggo’s;

S.  overwegende dat er geen wetswijziging nodig is om de Commissie in staat te stellen af te zien van het verlenen van een vergunning voor ggo’s als in het comité van beroep geen gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten voor vergunningverlening is(15);

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, aangezien het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(16) zijn vastgesteld de basis te leggen voor de waarborging van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument, met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken en een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

4.  verzoekt de Commissie geen vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, vanwege het daarmee gepaard gaande toegenomen gebruik van complementaire herbiciden en bijgevolg de toegenomen risico’s voor de biodiversiteit, de voedselveiligheid en de gezondheid van werknemers;

5.  benadrukt in dit verband dat het toestaan van de invoer voor gebruik in levensmiddelen of diervoeders van genetisch gemodificeerde planten die tolerant zijn gemaakt voor in de Unie verboden herbiciden, zoals glufosinaat, niet strookt met de internationale verbintenissen van de Unie uit hoofde van onder meer de SDG’s en het VN-Verdrag inzake biologisch diversiteit, met inbegrip van het onlangs aangenomen mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal(17);

6.  verwacht dat de Commissie met spoed en op tijd voor de afsluiting van deze zittingsperiode haar toezegging nakomt(18) en met een voorstel komt om ervoor te zorgen dat in de Unie verboden gevaarlijke chemische stoffen niet voor de export worden geproduceerd;

7.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in een schrijven van 11 september 2020 aan leden van het Parlement eindelijk heeft erkend dat het noodzakelijk is dat bij besluiten inzake vergunningverlening voor ggo’s rekening wordt gehouden met duurzaamheid(19); is echter zeer teleurgesteld dat de Commissie sindsdien is doorgegaan met het verlenen van vergunningen voor de invoer van ggo’s in de Unie, ondanks de bezwaren die het Parlement blijft maken en een meerderheid van de lidstaten die tegen stemt;

8.  dringt er nogmaals bij de Commissie op aan rekening te houden met de verplichtingen van de Unie krachtens internationale overeenkomsten, zoals de Klimaatovereenkomst van Parijs, het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit en de SDG’s van de VN; roept er nogmaals toe op om ontwerpuitvoeringshandelingen vergezeld te doen gaan van een toelichting waarin wordt uiteengezet op welke manier aan het “niet schaden”-beginsel is voldaan(20);

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Wetenschappelijk advies van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen over de beoordeling van de genetisch gemodificeerde mais MON 87419 voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 (aanvraag EFSA-GMO-NL-2017-140). EFSA Journal 2023;21(1):7730 https://doi.org/10.2903/j.efsa.2023.7730.
(4)–––––––––––––––––––––––––––––––– Tijdens de achtste zittingsperiode nam het Parlement 36 resoluties aan waarin bezwaar werd gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor ggo’s. Bovendien heeft het Parlement tijdens de negende zittingsperiode de volgende resoluties aangenomen:Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG (SYN-ØØØJG-2), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 202 van 28.5.2021, blz. 11). Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen A2704-12 (ACS-GMØØ5-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 202 van 28.5.2021, blz. 15). Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 × DAS-40278-9, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 89034, 1507, MON 88017, 59122 en DAS-40278-9, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 202 van 28.5.2021, blz. 20).Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen LLCotton25 (ACS-GHØØ1-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 208 van 1.6.2021, blz. 2).Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen MON 89788 (MON-89788-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 208 van 1.6.2021, blz. 7).Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × NK603 × DAS-40278-9 en subcombinaties MON 89034 × NK603 × DAS-40278-9, 1507 × NK603 × DAS-40278-9 en NK603 × DAS-40278-9 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 208 van 1.6.2021, blz. 12).Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × 1507 × 5307 × GA21 en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie, vier of vijf van de “events” Bt11, MIR162, MIR604, 1507, 5307 en GA21, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 208 van 1.6.2021, blz. 18).Resolutie van het Europees Parlement van 14 mei 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 323 van 11.8.2021, blz. 7).Resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × MIR162 × NK603 en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034, MIR162 en NK603, en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1111 van de Commissie, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 415 van 13.10.2021, blz. 2).Resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen SYHT0H2 (SYN-ØØØH2-5), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 415 van 13.10.2021, blz. 8).Resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 87460 × MON 89034 × MIR162× NK603, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 87427, MON 87460, MON 89034, MIR162 en NK603, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 415 van 13.10.2021, blz. 15).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja MON 87751 × MON 87701 × MON 87708 × MON 89788, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 36).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × MIR 162 × MON 87411, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034, MIR162 en MON 87411, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 43).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MIR604 (SYN-IR6Ø4-5) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 49).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 88017 (MON-88Ø17-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 56).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 (MON-89Ø34-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 63).Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde katoen GHB614 × T304-40 × GHB119 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 474 van 24.11.2021, blz. 66).Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MZIR098 (SYN-ØØØ98-3), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 474 van 24.11.2021, blz. 74).Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja DAS-81419-2 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 99 van 1.3.2022, blz. 45).Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja DAS-81419-2 × DAS–44406–6 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 99 van 1.3.2022, blz. 52).Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507 × MIR162 × MON810 × NK603 en genetisch gemodificeerde maisrassen die twee of drie van de afzonderlijke transformatiestappen 1507, MIR162, MON810 en NK603 combineren, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 99 van 1.3.2022, blz. 59).Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt 11 (SYN-BTØ11-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 99 van 1.3.2022, blz. 66). Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen GMB151 (BCS-GM151-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 342 van 6.9.2022, blz. 22). Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB614 (BCS-GHØØ2-5) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 342 van 6.9.2022, blz. 29). Resolutie van het Europees Parlement van 9 maart 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde katoen GHB811 (BCS-GH811-4), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 347 van 9.9.2022, blz. 48). Resolutie van het Europees Parlement van 9 maart 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad 73496 (DP-Ø73496-4) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 347 van 9.9.2022, blz. 55). Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87769 × MON 89788, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 434 van 15.11.2022, blz. 42).Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais DP4114 × MON 810 × MIR604 × NK603 en genetisch gemodificeerde maisrassen die twee of drie van de afzonderlijke transformatiestappen DP4114, MON 810, MIR604 en NK603 combineren, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 32 van 27.1.2023, blz. 6).Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2022 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/797 van de Commissie van 19 mei 2022 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 × DAS-40278-9 en de subcombinatie T25 × DAS-40278-9 daarvan, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 32 van 27.1.2023, blz. 14).Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen A5547-127 (ACS-GMØØ6-4) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 177 van 17.5.2023, blz. 2).Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2023 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 94100 (MON-941ØØ-2) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0063).Resolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2023 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0202).
(5) Zie bijvoorbeeld Bonny, S., “Genetically Modified Herbicide-Tolerant Crops, Weeds, and Herbicides: Overview and Impact”, Environmental Management, januari 2016;57(1), blz. 31-48, https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26296738, en Benbrook, C.M., “Impacts of genetically engineered crops on pesticide use in the U.S. – the first sixteen years”, Environmental Sciences Europe, 28 september 2012, vol. 24(1),https://enveurope.springeropen.com/articles/10.1186/2190-4715-24-24
(6) Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
(7) https://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/eu-pesticides-database/start/screen/active-substances
(8) https://www.agriculture.com/news/crops/harry-stine-takes-off-the-gloves-regarding-dicamba.
(9) https://hh-ra.org/wp-content/uploads/2022/11/HHRA_Dicamba_Comments_10-17-22.docx-1.pdf.
(10) idem.
(11) Lerro, C.C., Hofmann, J.N., Andreotti, G., Koutros, S., Parks, C.G., Blair, A., Albert, P.S., Lubin, J.H., Sandler, D.P., Beane Freeman, L.E., International Journal of Epidemiology, augustus 2020; vol. 49(4), blz. 1326-1337, https://academic.oup.com/ije/advance-article-abstract/doi/10.1093/ije/dyaa066/5827818?redirectedFrom=fulltext
(12) https://www.ohchr.org/en/documents/thematic-reports/ahrc3448-report-special-rapporteur-right-food
(13) https://indicators.report/targets/3-9/
(14) Zie: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/ip_22_7834
(15) Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 182/2011 “kan” de Commissie de vergunning alsnog verlenen indien in het comité van beroep geen steun van een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten is gevonden. Zij hoeft dit niet te doen.
(16) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(17) In december 2022 is tijdens de COP15 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit een mondiaal kader voor biodiversiteit overeengekomen dat een mondiale doelstelling omvat om het risico van pesticiden tegen 2030 met ten minste 50 % te verminderen (zie: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/ip_22_7834).
(18) Zoals uiteengezet in de bijlage bij de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Strategie voor duurzame chemische stoffen – Op weg naar een gifvrij milieu”, COM(2020)0667, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=COM%3A2020%3A667%3AFIN#document2
(19) https://tillymetz.lu/wp-content/uploads/2020/09/Co-signed-letter-MEP-Metz.pdf
(20) Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2), paragraaf 102.


Genetisch gemodificeerde maïs GA21 × T25
PDF 212kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2023 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais GA21 x T25, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D090110/03 – 2023/2760(RSP))
P9_TA(2023)0308B9-0363/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais GA21 × T25, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D090110/03),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de stemming van 1 juni 2023 in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd, en de stemming van 6 juli 2023 in het comité van beroep, die evenmin een advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 30 november 2022 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) is goedgekeurd en op 27 januari 2023(3) is gepubliceerd,

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (“ggo’s”)(4),

–  gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A.  overwegende dat op 31 oktober 2016 Syngenta Crop Protection N.V., gevestigd in België, namens Syngenta Crop Protection AG, gevestigd in Zwitserland, bij de bevoegde nationale instantie van Duitsland en overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag heeft ingediend (hierna “de aanvraag” genoemd) voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais GA21 × T25 (hierna “de genetisch gemodificeerde maïs” genoemd); overwegende dat de aanvraag tevens betrekking heeft op het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit de genetisch gemodificeerde mais voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de EFSA op 30 november 2022 een positief advies heeft goedgekeurd met betrekking tot de aanvraag voor het in de handel brengen van de genetisch gemodificeerde mais, en dat dit advies op 27 januari 2023 werd gepubliceerd;

C.  overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais werd ontwikkeld om tolerantie te verkrijgen voor herbiciden op basis van glufosinaat en herbiciden op basis van glufosinaat-ammonium;

Gebrekkige beoordeling van het complementaire herbicide

D.  overwegende dat de overgrote meerderheid van genetisch gemodificeerde gewassen zodanig genetisch wordt gemodificeerd dat deze gewassen tolerant worden gemaakt voor een of meer “complementaire” herbiciden die gedurende de gehele teelt van het genetisch gemodificeerde gewas kunnen worden gebruikt zonder dat het gewas sterft, zoals het geval zou zijn bij een niet-herbicidetolerant gewas; overwegende dat in diverse studies is aangetoond dat de teelt van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen leidt tot een toename van het gebruik van complementaire herbiciden, voornamelijk vanwege het ontstaan van herbicidetolerant onkruid(5);

E.  overwegende dat herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen een lock-in veroorzaken waarbij landbouwers afhankelijk worden van een onkruidbeheersysteem dat grotendeels of volledig berust op het gebruik van herbiciden, doordat er voor genetisch gemodificeerd zaad een premie wordt aangerekend die alleen kan worden gerechtvaardigd als landbouwers die dit zaad kopen ook sproeien met het complementaire herbicide; overwegende dat een grotere afhankelijkheid van herbiciden op landbouwbedrijven die herbicidetolerante gewassen aanplanten, de opkomst en verspreiding van herbicideresistent onkruid versnelt, waardoor er nog meer herbiciden moeten worden gebruikt; overwegende dat als gevolg daarvan de negatieve effecten van de buitensporige afhankelijkheid van herbiciden op de bodemgezondheid, de waterkwaliteit en de boven- en ondergrondse biodiversiteit nog zullen verslechteren en zullen leiden tot een grotere blootstelling van mens en dier, mogelijk ook door een toename van residuen van herbiciden op levensmiddelen en diervoeders;

F.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld als vergiftig voor de voortplanting, categorie 1B, en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad(6); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat voor gebruik in de Unie op 31 juli 2018 is verstreken(7);

G.  overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat glyfosaat kankerverwekkend is, en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen in maart 2017 heeft geconcludeerd dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek, het agentschap van de Wereldgezondheidsorganisatie dat gespecialiseerd is op het gebied van kankeronderzoek, glyfosaat in 2015 echter heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens; overwegende dat ook in een aantal andere recente, intercollegiaal getoetste wetenschappelijke studies wordt bevestigd dat glyfosaat mogelijk kankerverwekkend is(8);

H.  overwegende dat de beoordeling van residuen van herbiciden en hun metabolieten in genetisch gemodificeerde gewassen wordt beschouwd als een kwestie die niet binnen de bevoegdheid van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen valt en daarom geen deel uitmaakt van de vergunningsprocedure voor ggo’s; overwegende dat dit problematisch is, aangezien de genetische modificatie zelf invloed kan hebben op de manier waarop complementaire herbiciden door de genetisch gemodificeerde plant worden afgebroken en op de samenstelling en dus de toxiciteit van de metabolieten(9);

Het nakomen van de internationale verplichtingen van de Unie

I.  overwegende dat het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal (“kader van Kunming-Montreal”), dat in december 2022 tijdens de COP15 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit (VBD) is overeengekomen, een mondiale doelstelling omvat om het risico van pesticiden tegen 2030 met ten minste 50 % te verminderen(10);

J.  overwegende dat in een verslag uit 2017 van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties (VN) voor het recht op voedsel is vastgesteld dat gevaarlijke bestrijdingsmiddelen catastrofale gevolgen hebben voor de volksgezondheid, met name in ontwikkelingslanden(11); overwegende dat duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) 3.9 van de VN erin bestaat om tegen 2030 het aantal sterfgevallen en ziekten als gevolg van gevaarlijke chemische stoffen en de vervuiling en verontreiniging van lucht, water en bodem in aanzienlijke mate te verminderen(12);

K.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 is bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders geen negatieve effecten mogen hebben op de menselijke gezondheid, de diergezondheid of het milieu, en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit rekening moet houden met eventuele relevante bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren; overwegende dat dergelijke ter zake dienende factoren de verplichtingen van de Unie in het kader van de SDG’s van de VN en het VBD van de VN moeten omvatten;

Ondemocratische besluitvorming

L.  overwegende dat de stemming die op 1 juni 2023 heeft plaatsgevonden in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders geen advies heeft opgeleverd, hetgeen betekent dat de vergunningverlening niet werd gesteund door een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten; overwegende dat de stemming van 6 juli 2023 in het comité van beroep evenmin een advies heeft opgeleverd;

M.  overwegende dat het Parlement tijdens zijn achtste zittingsperiode in totaal 36 resoluties heeft aangenomen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het in de handel brengen van ggo’s voor gebruik als levensmiddelen en diervoeders (33 resoluties) en tegen de teelt van ggo’s in de Unie (drie resoluties); overwegende dat het Parlement in zijn negende zittingsperiode reeds 32 resoluties heeft aangenomen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het in de handel brengen van ggo’s; overwegende dat voor geen van deze ggo’s een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten werd gevonden voor het verlenen van een vergunning; overwegende dat de lidstaten als redenen hiervoor onder meer het gebrek aan eerbiediging van het voorzorgsbeginsel in het vergunningverleningsproces en wetenschappelijke bedenkingen in verband met de risicobeoordeling aanvoeren;

N.  overwegende dat de Commissie zich bewust is van de democratische tekortkomingen, het gebrek aan steun van de lidstaten en de bezwaren van het Parlement, maar evenwel vergunningen blijft verlenen voor ggo’s;

O.  overwegende dat er geen wetswijziging nodig is om de Commissie in staat te stellen af te zien van het verlenen van een vergunning voor ggo’s als in het comité van beroep geen gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten voor vergunningverlening is(13);

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, aangezien het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(14) zijn vastgesteld de basis te leggen voor de waarborging van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument, met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken en een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

4.  verzoekt de Commissie geen vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, vanwege het daarmee gepaard gaande toegenomen gebruik van complementaire herbiciden en bijgevolg de toegenomen risico’s voor de biodiversiteit, de voedselveiligheid en de gezondheid van werknemers;

5.  benadrukt in dit verband dat het toestaan van de invoer voor gebruik in levensmiddelen of diervoeders van genetisch gemodificeerde planten die tolerant zijn gemaakt voor in de Unie verboden herbiciden, zoals glufosinaat, niet strookt met de internationale verbintenissen van de Unie uit hoofde van onder meer de SDG’s en het VN-Verdrag inzake biologisch diversiteit, met inbegrip van het onlangs aangenomen mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal(15);

6.  verwacht dat de Commissie met spoed en op tijd voor de afsluiting van deze zittingsperiode haar toezegging nakomt(16) en met een voorstel komt om ervoor te zorgen dat in de Unie verboden gevaarlijke chemische stoffen niet voor de export worden geproduceerd;

7.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in een schrijven van 11 september 2020 aan leden van het Parlement eindelijk heeft erkend dat het noodzakelijk is dat bij besluiten inzake vergunningverlening voor ggo’s rekening wordt gehouden met duurzaamheid(17); is niettemin zeer teleurgesteld dat de Commissie sindsdien is doorgegaan met het verlenen van vergunningen voor de invoer van ggo’s in de Unie, ondanks de aanhoudende bezwaren van het Parlement en het tegenstemmen van een meerderheid van lidstaten;

8.  verzoekt de Commissie nogmaals met klem rekening te houden met de verplichtingen van de Unie krachtens internationale overeenkomsten, zoals de Klimaatovereenkomst van Parijs, het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit en de SDG’s van de VN; roept er nogmaals toe op om ontwerpuitvoeringshandelingen vergezeld te doen gaan van een toelichting waarin wordt uiteengezet op welke manier aan het “niet schaden”-beginsel is voldaan(18);

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Wetenschappelijk advies van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen, getiteld “Assessment of genetically modified maize GA21 × T25 for food and feed uses, under Regulation (EC) No 1829/2003 (application EFSA-GMO-DE-2016-137)”, EFSA Journal 2023; 21(1):7729 https://doi.org/10.2903/j.efsa.2023.7729.
(4)–––––––––––––––––––––––––––––––– Tijdens de achtste zittingsperiode nam het Parlement 36 resoluties aan waarin bezwaar werd gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor ggo’s. Bovendien heeft het Parlement tijdens de negende zittingsperiode de volgende resoluties aangenomen:Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG (SYN-ØØØJG-2), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 202 van 28.5.2021, blz. 11). Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen A2704-12 (ACS-GMØØ5-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 202 van 28.5.2021, blz. 15). Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 × DAS-40278-9, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 89034, 1507, MON 88017, 59122 en DAS-40278-9, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 202 van 28.5.2021, blz. 20).Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen LLCotton25 (ACS-GHØØ1-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 208 van 1.6.2021, blz. 2).Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen MON 89788 (MON-89788-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 208 van 1.6.2021, blz. 7).Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × NK603 × DAS-40278-9 en subcombinaties MON 89034 × NK603 × DAS-40278-9, 1507 × NK603 × DAS-40278-9 en NK603 × DAS-40278-9 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 208 van 1.6.2021, blz. 12).Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × 1507 × 5307 × GA21 en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie, vier of vijf van de “events” Bt11, MIR162, MIR604, 1507, 5307 en GA21, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 208 van 1.6.2021, blz. 18).Resolutie van het Europees Parlement van 14 mei 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 323 van 11.8.2021, blz. 7).Resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × MIR162 × NK603 en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034, MIR162 en NK603, en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1111 van de Commissie, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 415 van 13.10.2021, blz. 2).Resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen SYHT0H2 (SYN-ØØØH2-5), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 415 van 13.10.2021, blz. 8).Resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 87460 × MON 89034 × MIR162× NK603, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 87427, MON 87460, MON 89034, MIR162 en NK603, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 415 van 13.10.2021, blz. 15).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja MON 87751 × MON 87701 × MON 87708 × MON 89788, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 36).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × MIR 162 × MON 87411, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034, MIR162 en MON 87411, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 43).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MIR604 (SYN-IR6Ø4-5) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 49).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 88017 (MON-88Ø17-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 56).Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 (MON-89Ø34-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 445 van 29.10.2021, blz. 63).Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde katoen GHB614 × T304-40 × GHB119 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 474 van 24.11.2021, blz. 66).Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MZIR098 (SYN-ØØØ98-3), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 474 van 24.11.2021, blz. 74).Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja DAS-81419-2 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 99 van 1.3.2022, blz. 45).Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja DAS-81419-2 × DAS–44406–6 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 99 van 1.3.2022, blz. 52).Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507 × MIR162 × MON810 × NK603 en genetisch gemodificeerde maisrassen die twee of drie van de afzonderlijke transformatiestappen 1507, MIR162, MON810 en NK603 combineren, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 99 van 1.3.2022, blz. 59).Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt 11 (SYN-BTØ11-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 99 van 1.3.2022, blz. 66). Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen GMB151 (BCS-GM151-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 342 van 6.9.2022, blz. 22). Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB614 (BCS-GHØØ2-5) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 342 van 6.9.2022, blz. 29). Resolutie van het Europees Parlement van 9 maart 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde katoen GHB811 (BCS-GH811-4), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 347 van 9.9.2022, blz. 48). Resolutie van het Europees Parlement van 9 maart 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad 73496 (DP-Ø73496-4) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 347 van 9.9.2022, blz. 55). Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87769 × MON 89788, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 434 van 15.11.2022, blz. 42).Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais DP4114 × MON 810 × MIR604 × NK603 en genetisch gemodificeerde maisrassen die twee of drie van de afzonderlijke transformatiestappen DP4114, MON 810, MIR604 en NK603 combineren, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 32 van 27.1.2023, blz. 6).Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2022 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/797 van de Commissie van 19 mei 2022 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 × DAS-40278-9 en de subcombinatie T25 × DAS-40278-9 daarvan, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 32 van 27.1.2023, blz. 14).Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2022 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen A5547-127 (ACS-GMØØ6-4) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 177 van 17.5.2023, blz. 2).Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2023 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 94100 (MON-941ØØ-2) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0063).Resolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2023 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0202).
(5) Zie bijvoorbeeld Bonny, S.: “Genetically Modified Herbicide-Tolerant Crops, Weeds, and Herbicides: Overview and Impact”, Environmental Management, januari 2016, 57(1), blz. 31-48, https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26296738, en Benbrook, C.M.: “Impacts of genetically engineered crops on pesticide use in the U.S. – the first sixteen years”, Environmental Sciences Europe; 28 september 2012, vol. 24(1), https://enveurope.springeropen.com/articles/10.1186/2190-4715-24-24
(6) Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
(7) https://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/eu-pesticides-database/start/screen/active-substances
(8) Zie bijvoorbeeld: https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1383574218300887, https://academic.oup.com/ije/advance-article/doi/10.1093/ije/dyz017/5382278, https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0219610, en https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC6612199/
(9) Dit is inderdaad het geval voor glyfosaat, zoals vermeld in het met redenen omklede advies van de EFSA getiteld “Review of the Existing Maximum Residue Levels for Glyphosate according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005”, EFSA Journal 2018;16(5):5263, blz. 12, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5263.
(10) zie: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_22_7834.
(11) https://www.ohchr.org/en/documents/thematic-reports/ahrc3448-report-special-rapporteur-right-food.
(12) https://indicators.report/targets/3-9/.
(13) Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 182/2011 “kan” de Commissie de vergunning alsnog verlenen indien in het comité van beroep geen steun van een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten is gevonden. Zij hoeft dit niet te doen.
(14) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(15) In december 2022 is tijdens de COP15 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit een mondiaal kader voor biodiversiteit overeengekomen dat een mondiale doelstelling omvat om het risico van pesticiden tegen 2030 met ten minste 50 % te verminderen (zie: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_22_7834).
(16) Zoals uiteengezet in de bijlage bij de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Strategie voor duurzame chemische stoffen – Op weg naar een gifvrij milieu”, (COM(2020)0667), https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=COM%3A2020%3A667%3AFIN#document2.
(17) https://tillymetz.lu/wp-content/uploads/2020/09/Co-signed-letter-MEP-Metz.pdf.
(18) Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2), paragraaf 102.

Juridische mededeling - Privacybeleid